Base description which applies to whole site

IX Financiën en Nationale Schuld

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2014 wijzigingen aan te brengen in de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën (IXB) en de Nationale Schuld (IXA).

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2014 wijzigingen aan te brengen in de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën (IXB) en de Nationale Schuld (IXA).

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

De afwijkingen van de Comptabiliteitswet 2001 die in de wetsartikelen 5 tot en met 7 van deze begrotingswet worden doorgevoerd, zijn tijdelijke voorzieningen. Deze voorzieningen zijn gelijk aan de afwijkingen zoals opgenomen in de begroting van 2013. De Tweede Kamer is hiervan eerder op de hoogte gesteld (zie voor de desbetreffende kamerstukken in de onderstaande artikelsgewijze toelichtingen). Deze tijdelijke voorzieningen worden verwerkt in een structurele wijziging van de Comptabiliteitswet 2001, te weten de Zesde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001.

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën voor het jaar 2014 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2014. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2014.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten van de begrotingsstaat van de Nationale Schuld en van de begrotingsstaat van Financiën voor het jaar 2014 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

Wetsartikel 3

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van het baten-lastenagentschap Domeinen Roerende Zaken voor het jaar 2014 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen die een baten-lastenstelsel voeren.

Wetsartikel 5

Met dit wetsartikel wordt geregeld dat de begroting 2014 van Nationale Schuld niet meer door middel van een separaat begrotingswetsvoorstel, maar als onderdeel van het wetsvoorstel waarin ook de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën ter autorisatie wordt aangeboden, dient te worden opgenomen. Hiermee wordt een administratieve lastenverlichting gerealiseerd zonder dat er materieel sprake is van informatieverlies. Het voornemen hiertoe is al eerder met de Tweede Kamer besproken (Kamerstukken II, Kamerstuk 31 700-IXB, nr.3).

Deze gewijzigde begrotingspresentatie en -vaststelling werkt door in de presentatie van de beide jaarverslagen, in die zin dat de jaarverslagen van Nationale Schuld en het Ministerie van Financiën in één boekwerk zullen worden opgenomen. Omdat de jaarverslagen niet in de vorm van wetsvoorstellen aan de Staten-Generaal worden voorgelegd, hoeft de Comptabiliteitswet 2001 daarvoor niet te worden gewijzigd.

Een van de voorwaarden bij de integratie is dat de Algemene Rekenkamer op dezelfde manier kan blijven rapporteren over de onrechtmatigheden en onzekerheden en hieraan op dezelfde wijze conclusies kan verbinden. De voorgestelde integratie voldoet aan deze voorwaarde en leidt ook niet tot wijziging van de tolerantiegrenzen die bij de controle worden gehanteerd. Door het opnemen van twee separate begrotingsstaten worden de tolerantiegrenzen namelijk niet verruimd, omdat de bedragen bij de begrotingsartikelen in die twee staten niet bij elkaar worden opgeteld.

De integratie leidt tot een administratieve lastenverlichting voor alle bij het begrotings- en verantwoordingsproces betrokken partijen (Ministerie van Financiën, ministerraad, Kabinet van de Koning, Afdeling advisering van de Raad van State, Algemene Rekenkamer, Tweede Kamer, Eerste Kamer en de drukker van de kamerstukken), omdat er minder afzonderlijke wetsvoorstellen en jaarverslagen opgesteld hoeven te worden.

Wetsartikel 6

In het streven naar een vermindering van regeldruk en administratieve lasten binnen de overheid is de Tweede Kamer in 2006 op de hoogte gesteld van het voornemen tot het integreren van de Voorlopige Rekening in het Financieel Jaarverslag van het Rijk (Kamerstukken II, 2005/06, 29 949, nr. 55). Met ingang van het begrotingsjaar 2012 wordt de Voorlopige Rekening niet langer afzonderlijk naar de Kamer verzonden. De wijzigingen van de begrotingen na de Najaarsnota, die tot nog toe in de Voorlopige Rekening werden gemeld, worden voortaan opgenomen in het Financieel Jaarverslag van het Rijk en worden, overigens zoals gebruikelijk, via de slotwetten aan de Kamer voorgelegd.

Wetsartikel 7

De aanvullingen en de afwijking van de Comptabiliteitswet 2001 die voor het jaar 2014 in dit artikel met betrekking tot verplichtingen-kasagentschappen worden doorgevoerd, vloeien voort uit de besluiten die het kabinet heeft genomen naar aanleiding van de evaluatie van het baten-lastendienstmodel. De Tweede Kamer is van die besluiten op de hoogte gebracht bij de brief van de Minister van Financiën van 25 augustus 2011 (Kamerstukken II, 2011/12, 28 737 nr. 21).

Een verplichtingen-kasagentschap is een nieuw type agentschap, dat nevengeschikt is aan een baten-lastenagentschap (in de huidige Comptabiliteitswet nog aangeduid als baten-lastendienst).

Voor het instellen van een verplichtingen-kasagentschap dient hetzelfde instellingstraject te worden doorlopen als voor het instellen van een baten-lastenagentschap. Dit wordt geregeld in het eerste lid, onderdeel c. Dit instellingstraject, alsmede de nadere regels met betrekking tot verplichtingen-kasagentschappen, bedoeld in onderdeel d., en de voorwaarden die aan een kasreserve van een verplichtingen-kasagentschap kunnen worden gesteld (onderdeel e) zullen worden opgenomen in de Regeling agentschappen.

In de onderdelen f, g en h wordt geregeld dat voor verplichtingen-kasagentschappen in de begroting en in het jaarverslag in plaats van baten, lasten, kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten zullen worden opgenomen de financiële verplichtingen, de (kas)uitgaven en de (kas)ontvangsten, zoals dat op grond van het verplichtingen-kasstelsel ook voor gewone departementale diensten het geval is.

Een kasreserve (onderdeel e) is een niet-geoormerkte, meerjarige budgettaire voorziening die een verplichtingen-kasagentschap op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën aanhoudt, bedoeld om jaarlijkse fluctuaties in de exploitatie op te vangen. De toevoegingen en onttrekkingen aan een kasreserve zullen, evenals dat het geval is bij een begrotingsreserve, als uitgaven en ontvangsten worden beschouwd. Dat wordt in het tweede lid geregeld.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1, 2 en 3

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2014 wijzigingen aan te brengen in:

  • a. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IXB);

  • b. de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA);

  • c. de begrotingsstaat inzake het agentschap Domeinen Roerende Zaken van het Ministerie van Financiën.

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B. BEGROTINGSTOELICHTING

I. Toelichting departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën

Slotwetmutaties worden toegelicht voor zover deze op artikelniveau groter zijn dan 5% van het beschikbare bedrag na de suppletoire begroting samenhangend met de Najaarsnota en daarnaast groter zijn dan € 2,5 mln.

Per artikel wordt op de belangrijkste onderdelen een toelichting gegeven (waardoor de som van de afzonderlijke artikelonderdelen kan afwijken van het artikeltotaal).

Beleidsartikel 1 Belastingen

Uitgaven (– € 15,1 mln.) en verplichtingen (– € 291 mln.)

Voor een toelichting op de verplichtingen wordt verwezen naar de toelichting op de uitgaven. Het verschil tussen het totaal van de gerealiseerde verplichtingen en de gerealiseerde uitgaven wordt verklaard door een lagere stand van de openstaande betaling- en garantieverplichtingen ultimo 2014.

Apparaatuitgaven (– € 3,0 mln.)

Gedurende de uitvoering van het begrotingsjaar voorzag de Belastingdienst een tekort voor 2014. De bij Najaarsnota toegekende middelen waren echter niet toereikend voor het voorziene tekort. De Belastingdienst is binnen de budgettaire kaders gebleven door een aantal uitgavenposten voor het jaar 2014 (€ 11 mln.) niet te realiseren in 2014, maar door te schuiven naar 2015.

Programmauitgaven (– € 12,2 mln.)

De slotwetmutatie van de programmauitgaven bestaat vrijwel geheel uit lagere uitgaven belasting- en invorderingsrente (– € 11,9 mln.). Onderdeel van de raming 2014 waren de uitgaven, die voortvloeien uit het arrest van de Hoge Raad inzake het vergoeden van samengestelde rente. De uitbetaling daarvan vindt in 2015 plaats.

Ontvangsten (– € 317,6 mln.)

Belastingontvangsten (– € 401,7 mln.)

De belastingontvangsten worden toegelicht in de Voorjaarsnota, Najaarsnota en het Financieel Jaarverslag van het Rijk. Voor een toelichting op de mutaties in de afdracht van het Gemeente- en Provinciefonds, het BTW-compensatiefonds en het BES-fonds wordt verwezen naar de slotwetten van de betreffende fondsen.

De aansluiting met de bedragen in het jaarverslag IX 2014 (beleidsartikel 1, tabel budgettaire gevolgen van beleid) is als volgt:

Tabel: aansluiting met jaarverslag, beleidsartikel 1 (x € 1.000)
 

Stand ontwerpbegroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Stand 2de suppletoire begroting

Mutaties slotwet

Realisatie 2014

Totaal belastingontvangsten

136.771.184

138.164.642

138.795.569

– 364.120

138.431.449

-/- Afdracht Gemeentefonds

18.381.232

18.485.389

18.763.190

– 22.189

18.741.001

-/- Afdracht Provinciefonds

1.171.987

1.247.354

1.289.532

6.208

1.295.740

-/- Afdracht BTW-Compensatiefonds

2.816.420

2.817.391

2.902.051

51.785

2.953.836

-/- Afdracht BES-fonds

32.709

31.906

36.853

1.833

38.686

Belastingontvangsten IX

114.368.836

115.582.602

115.803.943

– 401.757

115.402.186

Niet-belastingontvangsten (+ € 84,2 mln.)

Apparaatontvangsten (– € 2,9 mln.)

De apparaatontvangsten vloeien voort uit werkzaamheden voor derden. De gerealiseerde ontvangsten zijn in 2014 € 2,9 mln. lager.

Programmaontvangsten (+ € 87,1 mln.)

De slotwetmutatie van de programmaontvangsten bestaat met name uit hogere ontvangsten belasting- en invorderingsrente (€ 64,5 mln.) en boetes en schikkingen (€ 19,4 mln.).

De meerontvangsten bij de rente zijn het gevolg van hoger dan verwachte renteontvangsten in november en december. In deze twee maanden werd bijna een derde van de totale jaaropbrengst gerealiseerd, o.a. door enkele incidenteel hoge betalingen.

Bij de boetes leverde de verhoging van de boetetarieven meer op dan geraamd. Ook viel het aandeel in de boetes inkomstenbelasting hoger uit dan geraamd, als gevolg van het vaststellen van nieuwe verdeelsleutels met de sociale fondsen.

Beleidsartikel 2 Financiële markten

Verplichtingen (– € 1,5 mld.)

Garantieregeling bancaire leningen (– € 1,5 mld.)

Per 1 januari 2011 is de garantieregeling bancaire leningen gesloten en konden er geen aanvragen meer worden ingediend. Ultimo 2013 stond er nog een kleine € 10 miljard aan gegarandeerde leningen uit. De laatste gegarandeerde lening is begin december 2014 afgelost. Hiermee is de garantieregeling definitief afgewikkeld. Over de gehele looptijd, 2008 t/m 2014, hebben er geen schade-uitkeringen plaatsgevonden.

Uitgaven (– € 4,6 mln.)

Muntcirculatie (– € 2,7 mln.)

Er zijn minder munten aangemaakt dan begroot, waardoor er ook minder muntmetaal aangekocht is.

Ontvangsten (+ € 80,7 mln.)

Toename munten in circulatie (+ € 83,7 mln.)

Er zijn meer munten in omloop gebracht dan dat er uit omloop terugkwamen, waardoor het aantal munten in circulatie is toegenomen. Deze toename heeft geleid tot netto inkomsten gelijk aan de nominale waarde van de munten.

Beleidsartikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Verplichtingen (– € 574,1 mln.)

Garantie SNS (– € 566,4 mln.)

De Staat garandeert de door SNS Propertize aangetrokken schuld. De maximale omvang van deze garantie was inclusief de verschuldigde rente, € 4,2 mld. De maximale omvang is per jaareinde met € 566,4 mln. afgenomen tot € 3,6 mld.

Uitgaven (– € 5,1 mln.)

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (– € 5,3 mln.)

In de raming werd rekening gehouden met een mogelijke verkoop van UCN. Dit heeft niet plaatsgevonden waardoor minder uitgaven zijn gedaan dan geraamd.

Ontvangsten (+ € 64,1 mln.)

Rente SNS krediet (+ € 6,2 mln.)

Het door de Staat aan SNS Reaal N.V. bij de nationalisatie verstrekte overbruggingskrediet is ook in 2014 beschikbaar gebleven. Daardoor heeft SNS Reaal een hogere vergoeding over het door de Staat verstrekte overbruggingskrediet betaald dan verwacht.

Dividend staatsdeelnemingen (+ € 34,9 mln.)

De hogere dividendopbrengst zijn voornamelijk het gevolg van hoger dan geraamde dividendontvangsten van Tennet.

Afdrachten Staatsloterij (– € 5,3 mln.)

De hoogte van de afdrachten van Staatsloterij is afhankelijk van de omzet. De omzet is lager uit gevallen dan verwacht.

Dividend ABN AMRO en ASR (+ € 23,9 mln.)

De dividendopbrengsten van ABN en ASR zijn hoger dan geraamd.

Beleidsartikel 4 Internationale financiële betrekkingen

Verplichtingen (+ € 2,6 mld.)

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen (+ € 455,3 mln.)

De aanpassing van de verplichting wordt voornamelijk veroorzaakt door de wisselkoersaanpassing van de garanties afgegeven aan de Wereldbank.

Aanpassing garantie DNB inzake IMF door wisselkoerswijziging (+ € 2,1 mld.)

De aanpassing van de verplichting wordt veroorzaakt door de wisselkoersaanpassing van de garanties afgegeven aan DNB inzake de deelnemingen van het IMF.

EU-betalingsbalanssteun (– € 10,0 mln.)

Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld.

EFSM (– € 12,0 mln.)

Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld.

Beleidsartikel 5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties

Verplichtingen (– € 17,9 mld.)

Garantieverplichting exportkredietverzekering (– € 17,4 mld.)

In 2014 is er voor € 8,9 mld. aan nieuwe verplichtingen aangegaan en is € 16,3 mld. aan verplichtingen vervallen, waaronder 8,9 mld. vreemd valutarisico. Over 2014 bedraagt het saldo van nieuwe en vervallen garanties – € 7,4 mld. Deze mutatie betreft het afboeken van het resterende deel van het verplichtingenplafond.

Garantieverplichting Regeling Investeringen (– € 505,2 mln.)

In 2014 is er voor € 5,7 mln. aan nieuwe verplichtingen aangegaan en is € 57,2 mln. aan verplichtingen vervallen. Over 2014 bedraagt het saldo van nieuwe en vervallen garanties – € 51,4 mln. Deze mutatie betreft het afboeken van het resterende deel van het verplichtingenplafond.

Garantieverplichting Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) (– € 150,0 mln.)

Het jaarlijkse plafond voor de MIGA bedraagt € 150,0 mln. In 2014 is er geen beroep gedaan op de MIGA faciliteit.

Uitgaven (+ € 158,3 mln.)

Schade-uitkering EKV (– € 26,6 mln.)

De schade-uitkeringen zijn lager uitgevallen dan de raming. De schadedreigingen hebben zich in 2014 in mindere mate dan begroot gematerialiseerd.

Storting in reserve EKV (+ € 186,4 mln.)

Overeenkomstig het nieuwe garantiekader is voor de exportkredietverzekeringen een begrotingsreserve ingesteld. De begrotingsreserve dient voor het opvangen van toekomstige schades. Vanwege het onvoorspelbare en volatiele verloop van de uitgaven en ontvangsten bij de EKV is een begrotingsreserve geschikt. In 2014 heeft een eerste storting plaatsgevonden van € 186,4 mln. In de begroting 2015 is de oprichting van de begrotingsreserve reeds aangekondigd, daarnaast is op 16 december een kamerbrief verstuurd1 om de Tweede Kamer en Eerste Kamer te informeren over de storting in de begrotingsreserve.

Ontvangsten (+ € 25,5 mln.)

Premies EKV (+ € 28,3 mln.)

Dit jaar zijn er meer premies ontvangen dan in voorgaande jaren, voornamelijk vanwege een aantal grote transacties in de scheepsbouwsector.

Schaderestituties EKV (– € 3,3 mln)

Bij de 2e suppletoire begroting is de raming voor schaderestituties met € 60 mln. naar boven bijgesteld, voornamelijk doordat in 2014 een terugbetalingsafspraak is gemaakt met Argentinië over de uitstaande schuld. De realisatie is beperkt lager uitgevallen.

Beleidsartikel 6 BTW-compensatiefonds

Verplichtingen, uitgaven en ontvangsten (+ € 51,8 mln.)

Bijdrage aan gemeenten & bijdrage aan provincies (+ € 51,8 mln.)

Het verschil wordt met name veroorzaakt door een toename van investeringen in diverse projecten bij zowel gemeenten als provincies.

Niet-beleidsartikel 8 Centraal Apparaat

Verplichtingen (– € 3,0 mln.)

De mutatie bestaat vooral uit hogere verplichtingen op externe inhuur (+ € 2,1 mln.) en lagere verplichtingen (– € 5,2 mln.) bij overige materiële posten. Vooruitlopend op de taakstelling zijn er per saldo minder verplichtingen aangegaan bij overige materiële posten, zoals bij communicatie en het laten uitvoeren van (externe) onderzoeken.

Uitgaven (– € 5,9 mln.)

Materieel (– € 4,5 mln.)

Bij overig materieel zijn de uitgaven lager dan geraamd (– € 4,4 mln.) door overgang van dienstverlening naar SSO's, en door minder uitgaven op het gebied van communicatie, zoals licenties.

Beleidsartikelen Nationale Schuld (IXA)

Toelichting

Beleidsartikel 11 Financiering Staatsschuld

Verplichtingen en uitgaven (+ € 10,2 mld.)

Rentelasten vaste schuld (+ € 62,4 mln.)

Gedurende het jaar waren de rentelasten reeds naar beneden bijgesteld als gevolg van de lagere rentestand. De realisatie is licht hoger uitgevallen dan in de tweede suppletoire begroting werd voorgesteld.

Rentelasten vlottende schuld (– € 15,6 mln.)

Door de lagere rente ontvangt de overheid relatief veel onderpand op receiverswaps. Hierdoor is de behoefte aan vlottende schuld lager en zijn de rentelasten lager dan geraamd.

Voortijdige beëindiging (+ € 12,6 mln.)

In 2014 zijn staatsobligaties ingekocht. Het inkopen van staatsobligaties (zie ook aflossing vaste schuld) zorgt voor uitgaven bij voortijdige beëindiging.

Mutaties vaste schuld (+ € 842 mln.)

De aflossing van vaste schuld is hoger uitgevallen dan in de tweede suppletoire begroting gepresenteerd. Dit komt voornamelijk doordat er staatsobligaties zijn ingekocht.

Mutaties vlottende schuld (+ € 9,3 mld.)

De vlottende schuld is afgenomen. Dit wordt vooral veroorzaakt door het toegenomen bij de Staat geplaatste onderpand, hogere uitgifte op de kapitaalmarkt en gerealiseerd agio. Hierdoor is de behoefte aan vlottende schuld veel lager dan geraamd.

Ontvangsten (– € 3,5 mld.)

Rentebaten vaste en vlottende schuld (– € 2,9 mln. en – € 9,4 mln.)

De rentebaten zijn lager dan bij tweede suppletoire begroot als gevolg van de lagere rentestand.

Uitgifte vaste schuld (+ € 0,9 mld.)

Er wordt een doelvolume gepubliceerd dat wordt meegenomen in de raming. Nadat alle veilingen gedaan zijn is pas duidelijk wat is binnengehaald. De werkelijk uitgifte is hoger uitgevallen.

Uitgifte vlottende schuld (– € 4,4 mld)

Zie toelichting onder «mutaties vlottende schuld.»

Voortijdige beëindiging (+ € 22,5 mln.)

De ontvangsten bij voortijdige beëindiging bestaan uit gerealiseerd agio wegens het inkopen van staatsobligaties. Als een obligatie oorspronkelijk tegen meer dan de nominale waarde is verkocht dan is er sprake van agio. Dit agio wordt gedurende de looptijd van de obligatie geboekt als lagere rentelasten (door de hogere verkoopprijs zijn de effectieve rentelasten lager dan de couponrente van de obligatie). Bij het voortijdig inkopen van een obligatie wordt het nog te realiseren agio geboekt als ontvangsten bij voortijdige beëindiging.

Beleidsartikel 12 Kasbeheer

Verplichtingen en uitgaven (– € 1,8 mld.)

Mutatie in rekening-courant en deposito (– € 1,8 mld.)

In het jaarverslag van 2014 worden de mutaties in de rekeningen-courant en deposito’s van de deelnemers aan het schatkistbankieren gesaldeerd weergegeven. Sinds de tweede suppletoire begroting zijn zowel de uitgaven met € 1,8 mld. als de ontvangsten met € 2,7 mld. naar beneden bijgesteld. De door deelnemers in de schatkist aangehouden middelen zijn zo bezien met € 0,9 mld. minder gedaald dan ten tijde van de tweede suppletoire begroting werd geraamd. Dit komt voornamelijk doordat het tekort van de sociale fondsen lager is uitgevallen dan verwacht.

Verstrekte leningen (– € 3,2 mln)

Er zijn minder leningen verstrekt dan begroot.

Ontvangsten (– € 2,6 mld.)

Ontvangen aflossingen (+ € 85,4 mln.)

Er is in 2014 meer aan leningen afgelost dan in de tweede suppletoire begroting werd geraamd.

Mutatie in rekening-courant en deposito (– € 2,7 mld.)

In het jaarverslag van 2014 worden de mutaties in de rekeningen-courant en deposito’s van de deelnemers aan het schatkistbankieren gesaldeerd weergegeven. Het bedrag dat deelnemers gezamenlijk aanhouden in de schatkist is dermate gedaald dat het per saldo een uitgave voor het Rijk betreft. De bij tweede suppletoire begroting geraamde ontvangsten worden derhalve bijgesteld naar nul.

1. Leeswijzer

Deze 2e suppletoire begroting bevat de voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de 1e suppletoire begroting 2014.

In paragraaf 2.1 is een overzicht opgenomen van de belangrijkste mutaties (mutaties ≥ € 10 mln. voor artikel 1 t/m 10). Paragraaf 2.2 bevat per beleidsartikel een tabel budgettaire gevolgen van beleid. Voor de apparaatsuitgaven geldt dat de verplichtingen gelijk worden gesteld aan de kasuitgaven. Een groot deel van de apparaatsuitgaven betreft personele uitgaven. Deze zijn naar hun aard op korte termijn weinig flexibel.

Na de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt een toelichting op de cijfers uit de kolom «mutaties 2e suppletoire begroting» gegeven. De mutaties kunnen zowel beleidsmatig als technisch (bijvoorbeeld overboekingen en ramingsbijstellingen) van aard zijn. Conform de Rijksbegrotingsvoorschriften behoeven de technische mutaties niet te worden toegelicht. Ter vergroting van de informatiewaarde is ervoor gekozen een toelichting bij de grote programmamutaties op te nemen. Mutaties in de apparaatsuitgaven worden, voor zover deze betrekking hebben op overheveling van formatieplaatsen binnen de begroting of op overheveling tussen het Ministerie van Financiën en andere departementen, niet nader toegelicht. De toelichting op de mutatie van de belastingontvangsten is in de Najaarsnota opgenomen.

1. LEESWIJZER

De begroting IX is opgebouwd uit negen beleidsartikelen met uiteenlopende beleidsterreinen en drie niet-beleidsartikelen. Deze beleidsartikelen weerspiegelen het gehele werkterrein van het Ministerie van Financiën inclusief het beheer van de staatsschuld en het kasbeleid van het Rijk.

De beleidsartikelen voor Financiën zijn:

  • 1. Belastingen

  • 2. Financiële markten

  • 3. Financieringsactiviteiten publiek-private sector

  • 4. Internationale financiële betrekkingen

  • 5. Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

  • 6. Btw- compensatiefonds

  • 7. Beheer materiële activa

De niet-beleidsartikelen zijn:

  • 8. Centraal apparaat kerndepartement

  • 9. Algemeen

  • 10. Nominaal en onvoorzien

De beleidsartikelen voor Nationale Schuld zijn

  • 11. Financiering staatsschuld (transactiebasis)

  • 12. Kasbeheer (transactiebasis)

De begrotingstoelichting is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 bevat de beleidsagenda, de beleidsprioriteiten en de begroting op hoofdlijnen. Ook wordt in hoofdstuk 2 op de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen ingegaan. De budgettaire mutaties worden per artikel toegelicht in het verdiepingshoofdstuk (internetbijlage). In hoofdstuk 3 is de paragraaf inzake het agentschap Domeinen Roerende Zaken opgenomen. Als bijlagen zijn onder meer opgenomen het budgettair overzicht interventies, lijst met staatsdeelnemingen en de bijlage ZBO’s en RWT’s. Als laatste volgen de bijlagen afkortingen- en begrippenlijst. Het begrotingsbeleid en algemeen financieel-economisch beleid worden toegelicht in de Miljoenennota en komen beknopt aan de orde in de beleidsagenda. Op 5 november 2012 is besloten tot een departementale herindeling met betrekking tot rijksvastgoed. Hierbij is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van rijksvastgoed, met inbegrip van het RVOB, voor zover deze voor 5 november was opgedragen aan de Minister van Financiën. In de begroting voor 2014 wordt daarom geen nadere aandacht gegeven aan het RVOB.

Motie Schouw

Motie Schouw1 zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling (bij het onderwerp houdbare financiering beleidsprioriteiten).

Motie van Hijum

In de toelichting op artikel 8 centraal apparaat is een tabel opgenomen met de cijfermatige verdeling van de taakstelling Rutte II over het kerndepartement, het agentschap en de ZBO’s.

Financiering Staatsschuld en Kasbeheer

Sinds 2013 behandelt deze begroting tevens de schuld van de Nederlandse rijksoverheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de schuld die extern wordt gefinancierd, door bijvoorbeeld banken, beleggers en pensioenfondsen en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen – via het geïntegreerd middelenbeheer – hebben bij het Ministerie van Financiën. De extern gefinancierde schuld wordt in het artikel financiering staatsschuld behandeld (artikel 11). Het geïntegreerd middelen beheer wordt behandeld in het artikel kasbeheer (artikel 12). Beide artikelen worden middels een aparte begrotingstaat vastgesteld.

De begroting van Nationale Schuld heeft twee specifieke eigenschappen die zijn vastgelegd in de Comptabiliteitswet (CW). De eerste eigenschap is dat beide artikelen geen verplichting kennen om afzonderlijke ramingen op te nemen van de verwachte kasuitgaven en de verwachte juridisch vastgelegde financiële verplichtingen. Dit is het gevolg van de inherente onvoorspelbaarheid van de leenbehoefte van de Staat (artikel 11) en de fluctuerende geldstromen in het geïntegreerd middelenbeheer (artikel 12).

De tweede eigenschap is dat de rente-uitgaven en renteontvangsten van artikel 11 en artikel 12 in deze begroting niet op kasbasis (zoals voor andere onderdelen voor de rijksbegroting is besloten in artikel 3, eerste lid van de CW), maar op transactiebasis worden verantwoord. Er wordt dus niet gekeken naar de geldelijke betalingen en ontvangsten in het jaar, maar naar de rentekosten en renteopbrengsten die op transactiebasis aan een jaar worden toegerekend.

Met de registratie van rente op transactiebasis voor de Nationale Schuld wordt voldaan aan de Europese voorschriften van het ESR 1995 (Europees Stelsel van Rekeningen). Het ESR 1995 is de Europese methode om onder meer het EMU-saldo en het geharmoniseerde BNP (Bruto Nationaal Product) als grondslag voor de afdracht van de eigen middelen van de Europese Unie te berekenen.

Kredietcrisis

Als gevolg van de kredietcrisis is door de Minister van Financiën een aantal maatregelen getroffen om het vertrouwen in de financiële sector en de reële economie te herstellen. Dit heeft grote invloed gehad op deze begroting. In de bijlage financiële interventies in het kader van de kredietcrisis is daarom een overzicht van de getroffen maatregelen te vinden en worden de gevolgen voor het beleid toegelicht. In paragraaf 2.2.2 wordt dieper ingegaan op het beleidsterrein financiële markten. Het beleid met betrekking tot ABN AMRO, ASR en SNS REAAL en de Illiquid Assets Back-up facility (IABF) wordt toegelicht in paragraaf 2.2.3. In paragraaf 2.2.4 zijn de verstrekte garanties voor het stabiliteitsmechanisme verwerkt en de lening aan Griekenland. De effecten van de kredietcrisis maatregelen op de staatsschuld zijn verwerkt in artikel 11. In de begroting wordt geen nadere aandacht gegeven aan de vordering op IJsland. IJsland en de curatoren hebben de verwachting uitgesproken dat de boedel van Landsbanki voldoende middelen zal bevatten om de gehele hoofdsom aan Nederland te voldoen. Wanneer het resterende bedrag geïnd kan worden is niet met zekerheid te zeggen. Als er sprake is van nieuwe ontwikkelingen dan wordt de Kamer hier separaat over geïnformeerd.

1. Leeswijzer

De voorliggende suppletoire begroting bevat de voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de begroting 2014 van het Ministerie van Financiën. In paragraaf 2.1 is een overzicht opgenomen van de belangrijkste mutaties (mutaties ≥ € 10 mln. voor artikel 1 t/m 10). Paragraaf 2.2 bevat per beleidsartikel een tabel budgettaire gevolgen van beleid. Voor de apparaatsuitgaven geldt dat de verplichtingen gelijk worden gesteld aan de kasuitgaven. Een groot deel van de apparaatsuitgaven betreft personele uitgaven. Deze zijn naar hun aard op korte termijn weinig flexibel.

Na de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt een toelichting op de cijfers uit de kolom «mutaties 1e suppletoire begroting» gegeven. De mutaties kunnen zowel beleidsmatig als technisch (bijvoorbeeld overboekingen en ramingsbijstellingen) van aard zijn. Conform de Rijksbegrotingsvoorschriften behoeven de technische mutaties niet te worden toegelicht. Ter vergroting van de informatiewaarde is ervoor gekozen een toelichting bij de grote programmamutaties op te nemen. Mutaties in de apparaatsuitgaven worden, voor zover deze betrekking hebben op overheveling van formatieplaatsen binnen de begroting of op overheveling tussen Financiën en andere departementen, niet nader toegelicht. De toelichting op de mutatie van de belastingontvangsten is in de Voorjaarsnota opgenomen.

2.1 DE BELEIDSAGENDA

2. Het beleid

II. Toelichting begrotingsstaat inzake het agentschap

Domeinen Roerende Zaken

Suppletoire begrotingsstaat inzake de baten-lastendienst Domeinen Roerende Zaken van het Ministerie van Financiën (slotwet)
 

(1)

(2)

(3)

(4)=(1)+(2)+(3)

(5)

(6)=(5)-(4)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Mutaties (+ of –) 1e suppletoire begroting

Mutaties (+ of –) 2e suppletoire begroting

Totaal geraamd

Realisatie 2014

Slotwetmutaties (+ / –) (+ = tekortschietend t.o.v. geraamd bedrag)

Baten-lastendienst Domeinen Roerende Zaken

           
             

Totale baten

21.849

2.825

481

25.155

26.405

1.251

Totale lasten

21.849

– 854

340

21.335

22.148

814

Saldo van baten en lasten

0

3.679

141

3.820

4.257

437

             

Totale kapitaalontvangsten

0

0

0

0

210

210

Totale kapitaaluitgaven

300

3.290

250

3.840

4.561

721

Saldo baten & lasten (+ € 4,3 mln.)

De verklaring voor het hogere saldo (+ € 4.3 mln.) van baten & lasten ten opzichte van de ontwerpbegroting komt vooral door:

  • € 1,1 mln. te verklaren door hogere inkomsten bij het proces coördineren ontmanteling hennepkwekerijen. Meer afvalopbrengsten dan begroot en het uitvoeren van (niet begrote) bestuurlijke ruimingen.

  • € 0,9 mln. die DRZ ontvangt voor het proces hertaxatie BPM. In de begroting was geen rekening gehouden met deze opbrengst.

  • Hogere volumes voor zowel het proces vernietigen datadragers (+ € 1,2 mln) en het CJIB (+ € 0,9 mln).

Kapitaaluitgaven (+ € 4,3 mln.)

De oorzaak van de hogere kapitaaluitgaven is een eenmalige niet begrote uitkering aan het moederdepartement à € 3,3 mln. (afroming eigen vermogen) en hogere investeringen (+ € 1,0 mln.) dan begroot.

Staat van baten en lasten van de baten-lastenagentschap Domeinen Roerende Zaken van het Ministerie van Financiën (Bijdragen x € 1.000)

Bedragen x € 1.000,–

Staat van baten en lasten

(bedragen x € 1.000)

(1)

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

(2)

Realisatie 2014

(3)=(2)-(1)

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2013

Baten

       

Omzet moederdepartement

50

885

835

64

Omzet overige departementen

17.977

21.484

3.507

20.994

Omzet derden

3.050

2.838

– 212

2.886

Rentebaten

30

57

27

40

Vrijval voorzieningen

742

1.141

399

217

Bijzondere baten

0

0

0

0

Exploitatie bijdrage

       

Totaal baten

21.849

26.405

4.556

24.201

         

Lasten

       

Apparaatskosten

       

Personele kosten

6.116

6.399

283

5.536

– waarvan eigen personeel

5.881

6.113

232

5.238

– waarvan externe inhuur

30

113

83

207

– waarvan overige P-kosten

205

173

– 32

90

Materiële kosten

15.046

13.599

– 1.447

12.563

– waarvan ICT

1.025

1.042

17

1.182

– waarvan bijdrage aan SSO's

3.250

3.164

– 86

3.105

– waarvan overige materiële kosten

10.771

9.392

– 1.379

8.276

Afschrijvingskosten

       

– materieel

460

381

– 79

404

– immaterieel

227

80

– 147

123

Overige lasten

       

– dotaties voorzieningen

0

337

337

1.952

– rentelasten

0

0

0

0

– bijzondere lasten

0

1.352

1.352

197

Totaal lasten

21.849

22.148

299

20.775

         

Saldo van baten en lasten

0

4.257

4.257

3.426

Toelichting saldo van baten en lasten ten opzichte van ontwerpbegroting 2014

Toelichting baten

Omzet moederdepartement (+ € 0,8 mln.)

De dienst Hertaxatie BPM voertuigen was niet begroot. DRZ is deze dienst in 2014 gaan uitvoeren voor de Belastingdienst en ontvangt daarvoor € 0,8 mln.

Omzet overige departementen (+ € 3,5 mln.)

De landelijke coördinatie van ontmantelingen van hennepkwekerijen draagt € 1,1 mln. meer bij. Dit wordt veroorzaakt door:

  • Het uitvoeren van Bestuurlijke ruimingen: DRZ is gestart met het uitvoeren van Bestuurlijke ruimingen in 2014. De opbrengst bedraagt € 0,5 mln., deze was niet begroot.

  • Opbrengst hennepafval: alleen de ontmantelbijdrage van de politie en OM was begroot. De meeropbrengst uit deze afvalstroom bedraagt € 0,6 mln.

Activiteiten voor het CJIB zoals opslag, taxatie en verkoop van voertuigen, dragen € 0,9 mln. meer bij dan oorspronkelijk begroot. Voornaamste oorzaak is een stijging van het volume met bijna 100% t.o.v. de begroting.

Het vernietigen van datadragers heeft € 1,3 mln. meer opgeleverd dan begroot; € 0,6 mln. hiervan is veroorzaakt door het wegwerken van oude partijen van voor 2014. Dienstverlening bij strategische verkopen en overtollige verkopen van meubilair via Rijksmarktplaats leveren € 0,2 mln. meer op.

Omzet derden (– € 0,2 mln.)

Oorzaak van de achterblijvende omzet derden zijn de lagere opgelden. De begroting was te hoog.

Vrijval Voorziening (+ € 0,4 mln.)

Voor de overgang naar het Kas Verplichtingen Stelsel heeft DRZ de debiteurenstand herzien. Hierdoor valt de voorziening dubieuze debiteuren vrij. Dit was niet begroot. Daarnaast is in 2014 een gedeelte van de reorganisatievoorziening uit 2011 vrijgevallen in verband met afname van de reistijdcompensatie. De vrijval van de voorziening voor RGD-huren van Bleiswijk is conform planning. Zie ook het voorzieningenoverzicht bij de toelichting op de balans.

Toelichting lasten

Personele Lasten (+ € 0,3 mln.)

De ontwerpbegroting van DRZ is gebaseerd op een formatie van 101,8 fte. De formatie bedraagt 131,8 fte per 31 december 2014. In de loop van 2014 is gedeeltelijk invulling gegeven aan de stijging van de fte’s voor bijvoorbeeld het proces Hertaxatie BPM-voertuigen, inrichting applicatiebeheer en het CJIB. Hierdoor overtreffen de P-uitgaven het budget. Daarnaast is voor € 0,1 mln. meer uitgegeven aan uitzendkrachten dan begroot.

Materiële lasten (– € 1,5 mln.)

Mutaties in de materiële lasten betreffen het resultaat van de volgende posten:

Lagere ontmantelingskosten hennepkwekerijen

– € 0,8 mln.

Lagere huurkosten

– € 0,1 mln.

Lagere vernietiging- en opslagkosten in beslaggenomen partijen

– € 0,3 mln.

Diverse lagere kosten

– € 0,1 mln.

Lagere vernietigingskosten vuurwerk

– € 0,2 mln.

Afschrijvingskosten (– € 0,2 mln.)

Lagere afschrijvingskosten ontstaan met name door een niet uitgevoerde maar wel begrote investeringen in Beslagportaal 2.0.

Dotaties voorziening (+ € 0,3 mln.)

Oorzaak van de dotatie voorziening is de voorraad te vernietigen vuurwerk. Van een grote partij (207 ton) vuurwerk afkomstig van het ILT is pas eind november een beslissing gekomen voor vernietiging. Dit is niet meer gerealiseerd in 2014, waardoor de eindvoorraad per 31 december 247 ton vuurwerk bedraagt. De voorziening van de vernietigingskosten was niet begroot.

Bijzondere lasten (+ € 1,4 mln.)

De bijzondere lasten bestaan uit:

  • De reservering van het efficiencyresultaat voor het OM ad € 1,2 mln. In het convenant met het OM is een efficiencyafspraak gemaakt. DRZ reserveert een percentage van het resultaat voor het OM. Bepalend voor het percentage is de hoogte van het aandeel van het OM in de omzet van DRZ, exclusief omzet Hennep, ICT en Rijksmarktplaats.

  • Boekverlies activa ad € 0,2 mln. In 2014 heeft een aanpassing van de activaprocedure plaatsgevonden die is doorgevoerd in SAP. Dit resulteert in een boekverlies van € 0,2 mln.

Kasstroomoverzicht over 2014 (bedragen x € 1.000)

Kasstroomoverzicht 2014

(bedragen x € 1.000)

(1)

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

(2)

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting (3)=(2)-(1)

1. Rekening courant RHB 1/1 + stand depositorekeningen

5.518

5.518

0

       

2. Totaal operationele kasstroom

502

7.456

6.954

       

Totaal investeringen (-/-)

– 300

– 1.259

– 959

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

196

196

3 Totaal investeringskasstroom

– 300

– 1.063

– 763

       

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

– 3.290

– 3.290

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

0

0

0

Aflossingen op leningen (-/-)

0

0

0

Beroep op de leenfaciliteit (+)

0

0

0

4 Totaal financieringskasstroom

0

– 3.290

– 3.290

5. Rekening courant RHB 31/12

+ stand depositorekeningen

5.720

8.621

2.901

Toelichting

Investeringen (– € 1 mln.)

In 2014 is geïnvesteerd in software (€ 31.000), verbouwingen (€ 342.000), heftrucks (€ 252.000), een messenset voor de shredder (€ 37.000), meubilair (€ 17.000), ICT-apparatuur (€ 125.000), autoklemmen (€ 36.000), voertuigen (€ 175.000), een kluis (€ 47.000), upgrade van een inbraakinstallatie (€ 42.000), botenbokken (€ 19.000) en diverse kleinere investeringen.

DRZ heeft de investeringen geïnvesteerd uit eigen middelen.

Uitkering moederdepartement (– € 3,3 mln.)

Er heeft een niet begrote uitkering aan het moederdepartement plaatsgevonden van € 3,3 mln.

2. Het beleid

2.1.1 Het werkterrein van het Ministerie van Financiën op hoofdlijnen

De Minister van Financiën draagt de verantwoordelijkheid voor de voorbereiding en uitvoering van onder meer:

  • a) het algemeen financieel-economische en internationale financiële beleid;

  • b) het begrotingsbeleid en doelmatig beheer van ’s- Rijks financiën;

  • c) het financieringsbeleid;

  • d) het fiscale beleid;

  • e) het heffen, controleren en innen van de belastingen;

  • f) het beheer van roerende materiële activa van het Rijk.

Het begrotingsbeleid en het algemeen financieel-economisch beleid worden primair toegelicht in de Miljoenennota en komen slechts beknopt aan de orde in deze beleidsagenda. Ook de belastingontvangsten worden voornamelijk toegelicht in de Miljoenennota.

De financiën van de decentrale overheden, waarvoor de Minister van Financiën medeverantwoordelijk is, komen aan de orde in de Miljoenennota en in de begrotingen van het Gemeente- en Provinciefonds.

2.1. Overzicht belangrijkste suppletoire uitgaven- en ontvangstenmutaties

2.1.1 Suppletoire uitgaven- en ontvangstenmutaties (begrotingstaat IXB)

De belangrijkste mutaties (≥ € 10 mln.) zijn in onderstaande tabellen samengevat en worden daarna toegelicht. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij het betreffende artikel.

Tabel: overzicht belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties (x € 1.000)
 

Art. nr.

Uitgaven 2014

Stand oorspronkelijke vastgestelde begroting 2014

 

13.009.668

Stand 1e suppletoire begroting 2014

 

10.507.950

     

Belangrijkste suppletoire mutaties:

   
     

1) Belasting- en invorderingsrente

1

– 160.000

2) Apparaatsuitgaven Belastingdienst

1

14.661

3) Deelname aan internationale instellingen

4

– 26.340

4) Schade-uitkering EKV

5

– 26.900

5) BTW compensatiefonds

6

84.660

Overige uitgaven (saldo)

 

– 7.025

Stand 2e suppletoire begroting 2014

 

10.387.006

Toelichting

  • 1. De verwachte rente- ontvangsten en de rente-uitgaven zijn bijgesteld omdat deze te hoog waren geraamd. Voorgesteld wordt beide saldoneutraal te verlagen met € 160 mln.

  • 2. Dit betreft vooral hogere uitgaven voor extra werkzaamheden door een toegenomen aantal bezwaarschriften (als gevolg van nieuwe wet- en regelgeving), noodzakelijke versterking van het invorderingsproces inzake belastingen en premies en het uitvoering geven aan de succesvolle inkeerregeling.

  • 3. Het IDA (International Development Assistance) betaalschema is aangepast ten behoeve van het HGIS tekort. Hierdoor wordt in 2014 minder betaald. In latere jaren zal dit bedrag alsnog voldaan worden.

  • 4. Er zijn in 2014 minder schade-uitkeringen geweest dan geraamd.

  • 5. Dit betreffen technische mutaties.

Tabel: overzicht belangrijkste suppletoire ontvangstenmutaties (x € 1.000)
 

Art. nr.

Ontvangsten 2014

Stand oorspronkelijke vastgestelde begroting 2014

 

126.999.165

Stand 1e suppletoire begroting 2014

 

127.282.573

     

Belangrijkste suppletoire mutaties:

   
     

1) Belastingontvangsten

1

221.341

2) Belasting- en invorderingsrente

1

– 160.000

3) Boedeluitkering IJsland

2

623.000

4) Dividend Staatsdeelnemingen

3

110.000

5) Aflossing kapitaalversterkingen ING

3

1.025.000

6) Premie-inkomsten counter indemnity

3

– 12.600

7) Premies EKV

5

44.858

8) Schaderestituties EKV

5

62.000

9) BTW-compensatiefonds

6

84.660

10) Vervreemding DRZ

7

11.925

Overige ontvangsten (saldo)

 

44

Stand 2e suppletoire begroting 2014

 

129.292.801

Toelichting

  • 1. In de Najaarsnota 2014 is de mutatie op de belastingontvangsten toegelicht.

  • 2. De verwachte rente- ontvangsten en de rente-uitgaven zijn bijgesteld omdat deze te hoog waren geraamd. Voorgesteld wordt beide saldoneutraal te verlagen met € 160 mln.

  • 3. Dit betreft de verkoop van de vordering op de boedel van Landsbanki/IceSave van € 623 mln.

  • 4. Dit betreft een bijstelling van de dividendontvangsten die leidt tot een meevaller.

  • 5. Dit betreft een vervroegde aflossing door ING.

  • 6. Het beëindigen van de garantie van de Staat aan ABN AMRO inzake HBU (counter indemnity) betekent een verlaging van de te ontvangen premies (€ 12,6 mln.) voor de Staat.

  • 7. Vanwege een aantal grote transacties in voornamelijk de scheepsbouwsector worden de verwachte premieontvangsten naar boven bijgesteld.

  • 8. Er zijn meer schaderestituties ontvangen dan geraamd doordat in 2014 een eerste terugbetaling van Argentinië is ontvangen. De begroting is hierop aangepast.

  • 9. Dit betreffen technische mutaties.

  • 10. De verkoopopbrengsten van roerende zaken zijn in 2014 hoger dan geraamd (€ 0,3 mln.), derhalve wordt de raming aangepast. Voorts heeft er een vrijval van een reservering op de saldibalans plaatsgevonden van € 11,6 mln. omdat de opbrengstwaarde van in beslaggenomen goederen op basis van een verbeurdverklaring niet meer terugbetaald hoeft te worden aan de eigenaren.

2.1.2 Overzicht belangrijkste mutaties in de rentekosten (begrotingstaat IXA)
Tabel 1 Overzicht mutaties in de netto rentekosten (x € 1 mln.)
 

Art nr.

Uitgaven 2014

Stand oorspronkelijk vastgestelde begroting 2014

 

8.738

     

Stand 1e Suppletoire begroting 2014

 

8.395

     

1. Renteswaps

11

– 29

2. Bijstelling kassaldo

11

2

3. Bijstelling rekenrente

11

– 123

4. Effecten van schulduitgifte

11

– 42

5. Bijstelling rentekosten interne schuldverhoudingen

12

15

Stand 2e Suppletoire begroting 2014

 

8.218

1 Het saldo van de uitgaven en ontvangsten betreffende de rente, de apparaatsuitgaven en voortijdige beëindiging van schulden en swaps.

Toelichting

Hieronder worden de verschillende mutaties kort toegelicht. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de afzonderlijke artikelen en de toelichtingen onder de tabellen budgettaire gevolgen van beleid.

  • 1. Renteswaps worden afgesloten om het renterisico van de staatsschuld te sturen. Een renteswap is een overeenkomst tussen twee partijen waarmee gedurende de looptijd van de swap een vaste rente wordt geruild tegen een variabele rente. Als gevolg van verschillen tussen de rente die wordt betaald en de rente die wordt ontvangen, ontstaan netto rentebaten of -lasten. De nieuw afgesloten swaps leiden per saldo tot lagere rentekosten dan eerder geraamd.

  • 2. Mutaties in de raming van het kassaldo van het lopend jaar worden opgevangen op de geldmarkt (via kortlopende leningen, zoals bijvoorbeeld schatkistpapier). Omdat de tarieven die betaald worden op kortlopend schatkistpapier dicht bij nul liggen, zorgen wijzigingen in de raming van het kassaldo slechts voor een hele kleine mutatie in de rentekosten voor 2014.

  • 3. Een verandering in de rekenrente leidt tot wijziging van de geraamde rentekosten. De rekenrenten zijn na de eerste suppletoire wet neerwaarts bijgesteld. Dit leidt tot lagere rentelasten voor het deel van de schuld dat in 2014 nog geherfinancierd moet worden.

  • 4. In de raming van de rentelasten wordt er van uitgegaan dat nieuwe schuld wordt uitgegeven tegen de dan geldende rekenrente (op basis van de meest recente CPB ramingen). Omdat in de praktijk de rentetarieven op de nieuw uitgegeven schuld gemiddeld lager waren dan de rekenrente zorgt het uitgeven van nieuwe schuld gedurende het jaar voor een daling van de geraamde rentelasten.

  • 5. De rentekosten vanwege de interne schuldverhoudingen zijn licht gestegen. Dit komt allereerst omdat het aantal nieuwe leningen achterblijft bij de raming. Hierdoor ontvang het Rijk minder rente van de deelnmers dan geraamd. Daarnaast is de raming van de instroom van middelen in rekening-courant en deposito’s naar boven bijgesteld. Als deelnemers meer middelen in de schatkist aanhouden betaalt het Rijk meer rente. Hoewel ook hier de rentetarieven zijn gedaald is het effect van de toegenomen instroom van middelen groter dan het effect van de gedaalde rente.

2.1.1. Overzicht belangrijkste suppletoire uitgaven- en ontvangstenmutaties

De belangrijkste mutaties (uitgaven en ontvangsten ≥ € 10 mln.) worden in onderstaande tabellen weergegeven en onder de tabel toegelicht. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij het betreffende artikel.

Tabel: overzicht belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties (x € 1.000)
 

uitgaven

artikel

Stand ontwerpbegroting 2014

9.261.668

Stand vastgestelde begroting 2014

13.009.668

     

belangrijkste suppletoire mutaties:

   
     

1) Apparaatsuitgaven Belastingdienst

78.200

1

2) NLFI

12.048

3

3) ING IABF

– 2.607.525

3

4) Overige uitgaven (saldo)

15.559

Stand 1e suppletoire begroting 2014

10.507.950

 

Toelichting

  • 1. De mutatie in de apparaatuitgaven betreft een saldopost van verschillende extra uitgaven.

  • 2. De begroting van NLFI is hoger door de overdracht van SNS REAAL en Property Finance aan NLFI en door de verwachte verkooptrajecten van de belangen in de financiële deelnemingen en de daarmee gepaard gaande kosten.

  • 3. De uitgaven in 2014 zijn lager dan verwacht omdat in 2013 al een deel van de verplichting aan ING versneld is afgelost.

Tabel: overzicht belangrijkste suppletoire ontvangstenmutaties (x € 1.000)
 

ontvangsten

artikel

Stand ontwerpbegroting 2014

123.252.165

Stand vastgestelde begroting 2014

126.999.165

     

belangrijkste suppletoire mutaties:

   
     

1) Belastingontvangsten

1.236.531

1

2) Kosten vervolging

10.000

1

3) Fee garantie bancaire leningen

– 55.918

2

4) Aflossing kapitaalversterking ING

66.667

3

5) Couponbetaling ING

33.333

3

6) Dividend Staatsdeelnemingen

137.503

3

7) Winstafdracht DNB

– 47.362

3

8) NLFI

11.109

3

9) ING IABF

– 1.153.075

5

10) Ontvangsten Seno-gom

36.299

5

11) Overige ontvangsten (saldo)

8.321

Stand 1e suppletoire begroting 2014

127.282.573

 

Toelichting

  • 1. In de Voorjaarsnota 2014 wordt de mutatie op de belastingontvangsten uitgebreid toegelicht.

  • 2. Betreft de doorbelasting van de vervolgingskosten in het kader van het traject Intensivering Toezicht en Invordering (ITI).

  • 3. ABN AMRO, NIBC, Achmea, leaseplan en ING hebben vervroegd een deel van hun gegarandeerde lening afgelost. Door het vervroegd aflossen van de garantie bancaire lening wordt er in 2014 minder fee ontvangen dan geraamd.

  • 4. ING heeft een tranche terugbetaald van de kapitaalinjectie. Het gaat om een betaling van € 1,225 mld., dit is in totaal (coupon en aflossing) € 100 mln. meer dan geraamd.

  • 5. Zie toelichting onder 4.

  • 6. De dividenden van staatsdeelnemingen vallen in 2014 mee, voornamelijk door hoger dan verwachte dividenduitkeringen van UCN, Gasunie en Schiphol.

  • 7. De winstafdracht DNB voor 2014 (DNB boekjaar 2013) is lager dan geraamd. Dit leidt tot een bijstelling van € 47,4 mln.

  • 8. Vanwege de hogere uitgaven aan NLFI worden er ook meer kosten doorbelast in 2014. Zie verder de toelichting onder «uitgaven».

  • 9. De ontvangsten in 2014 zijn lager dan geraamd omdat in december 2013 al een deel van de Alt-A portefeuille is verkocht. Het restant van de portefeuille is begin 2014 verkocht.

  • 10. Door de volledige vrijval van de Seno-Gom begrotingsreserve nemen de ontvangsten Seno-Gom met € 36,3 mln. toe.

2.1.2 Overzicht belangrijkste mutaties in de rentekosten

In onderstaande tabel worden de belangrijkste mutaties in de rentekosten weergegeven. De mutaties in deze posten zijn ook opgenomen in de tabellen in paragraaf 2.2. In die tabellen worden ook de overige mutaties betreffende de financiering staatschuld en het schatkistbankieren gepresenteerd. Hieronder vallen de aflossingen en uitgiften van de staatsschuld en mutaties in de schuldverhouding van de Staat met de deelnemers aan het schatkistbankieren.

Overzicht belangrijkste mutaties rentekosten sinds ontwerpbegroting (x € 1 mln.) 2014
 

2014

Stand ontwerpbegroting 2014

9.138

   

belangrijkste suppletoire mutaties:

 
   

1) Renteswaps

– 176

2) Bijstelling financieringsbehoefte

– 3

3) Bijstelling rekenrente

– 43

4) Effect schulduitgifte

– 163

5) Bijstelling rente interne schuldverhoudingen

42

Stand 1e Suppletoire begroting 2014

8.795

Toelichting

  • 1. Nieuw afgesloten renteswaps hebben geleid tot een afname van de netto rente-uitgaven op de swapportefeuille. Renteswaps worden afgesloten om het renterisico van de staatsschuld te sturen. Een renteswap is een overeenkomst tussen twee partijen waarmee gedurende de looptijd van de swap een vaste rente wordt geruild tegen een variabele rente. Als gevolg van verschillen tussen de rente die wordt betaald en de rente die wordt ontvangen, ontstaan (per saldo) rentelasten of rentebaten.

  • 2. De realisatie van het kastekort in 2013 was lager dan geraamd en de raming voor het kastekort in 2014 is naar beneden bijgesteld. Hierdoor is de verwachte financieringsbehoefte kleiner geworden. Dit geeft lagere rentelasten.

  • 3. De korte en lange rekenrente zijn bij CEP (CPB) neerwaarts bijgesteld. Daarom dalen de rentelasten.

  • 4. Nieuwe uitgiften zijn gemiddeld gefinancierd tegen een rentetarief dat lager was dan de rekenrente. Dit geeft een meevaller bij de rentelasten.

  • 5. De rentekosten vanwege interne schuldverhoudingen zijn licht gedaald. Dit komt doordat de rekenrente neerwaarts is bijgesteld.

2.2 De beleidsartikelen

Artikel 1 Belastingen

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 1 Belastingen Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2 + 3)

Verplichtingen

3.297.439

3.371.639

– 146.339

3.225.300

         

Uitgaven (1) + (2)

3.297.439

3.371.639

– 146.339

3.225.300

         

(1) Programma-uitgaven

406.614

402.614

– 161.000

241.614

         

waarvan juridisch verplicht

     

100%

         

Rente

400.700

396.700

– 161.000

235.700

Belasting- en invorderingsrente

395.700

395.700

– 160.000

235.700

Rentevergoeding depotstelsel

5.000

1.000

– 1.000

0

         

Bekostiging

5.914

5.914

0

5.914

Proceskosten

3.536

3.536

0

3.536

Overige programma-uitgaven

2.378

2.378

0

2.378

         

(2) Apparaatsuitgaven

2.890.825

2.969.025

14.661

2.983.686

         

Personele uitgaven

2.136.729

2.202.662

– 20.172

2.182.490

waarvan: Eigen personeel

1.971.326

1.988.007

– 34.603

1.953.404

waarvan: Inhuur externen

165.403

214.655

14.431

229.086

         

Materiële uitgaven

754.096

766.363

34.833

801.196

waarvan: ICT

213.456

217.406

– 9.186

208.220

waarvan: Bijdrage SSO's

230.186

230.236

– 7.769

222.467

         

Ontvangsten (3) + (4)

115.246.411

116.482.942

60.366

116.543.308

         

(3) Programma-ontvangsten

115.226.789

116.457.320

61.341

116.518.661

Waarvan:

       

Belastingontvangsten

114.368.836

115.582.602

221.341

115.803.943

         

Rente

       

Belasting- en invorderingsrente

468.000

468.000

– 160.000

308.000

         

Boetes en schikkingen

       

Ontvangsten boetes en schikkingen

192.677

199.442

0

199.442

         

Bekostiging

       

Kosten vervolging

197.276

207.276

0

207.276

         

(4) Apparaatsontvangsten

19.622

25.622

– 975

24.647

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven (– € 146,3 mln.)

Apparaatsuitgaven (+ € 14,7 mln.)

Het budget voor apparaat binnen de Belastingdienst wordt verhoogd met € 14,7 mln. Dit betreft een saldopost van extra uitvoeringskosten als gevolg van nieuwe fiscale wet- en regelgeving, toegenomen werkzaamheden in het primaire proces en een aantal interdepartementale overboekingen (in totaal 0,5 mln.).

Belasting- en invorderingsrente (– € 160,0 mln.)

De belasting- en invorderingsrente wordt zowel bij de uitgaven als de (niet-belasting)ontvangsten bijgesteld. Deze saldoneutrale correctieboeking herstelt een omissie in de ramingen. De rente-taakstelling uit het Regeerakkoord Rutte I is indertijd per abuis als één gesaldeerde mutatie verwerkt in de begroting, terwijl de maatregel feitelijk tot mutaties bij zowel de rente-ontvangsten als de rente-uitgaven heeft geleid. In 2015 zal een meerjarige herijking van de ramingen plaatsvinden.

Ontvangsten

Belastingontvangsten (+ € 221,3 mln.)

In de Najaarsnota 2014 worden de mutaties van de belastingontvangsten toegelicht. De aansluiting met de bedragen in de begrotingstoelichting (artikel 1 Belastingen, tabel budgettaire gevolgen van beleid) ziet er als volgt uit;

Aansluittabel art. 1

Stand vastgestelde begroting (NvW) 2014 (1)

Mutaties 1ste suppletoire begroting (2)

Stand 1ste suppletoire begroting (3)=(1+2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (4)

Stand 2e suppletoire begroting (5)=(3+4)

Totaal belastingontvangsten

136.771.184

1.393.458

138.164.642

630.927

138.795.569

-/- Afdracht Gemeentefonds

18.381.232

104.157

18.485.389

277.801

18.763.190

-/- Afdracht Provinciefonds

1.171.987

75.367

1.247.354

42.178

1.289.532

-/- Afdracht BTW-Compensatiefonds

2.816.420

971

2.817.391

84.660

2.902.051

-/- Afdracht BES-fonds

32.709

– 803

31.906

4.947

36.853

         

0

Belastingontvangsten IX

114.368.836

1.213.766

115.582.602

221.341

115.803.943

Belasting- en invorderingsrente (– € 160,0 mln.)

Zie toelichting onder de uitgaven.

Artikel 2 Financiële Markten

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 2 Financiële Markten Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2 + 3)

Verplichtingen

57.004

64.998

– 8.383.154

– 8.318.156

         

Waarvan garantieregeling bancaire leningen

0

0

– 8.381.164

– 8.381.164

         

Uitgaven

57.004

64.998

– 1.990

63.008

         

waarvan juridisch verplicht

     

100%

         

Subsidies

964

7.735

– 1.735

6.000

Geldmuseum

530

0

0

0

CDFD

434

7.735

– 1.735

6.000

         

Bekostiging

13.775

13.597

– 90

13.507

Rechtspraak Financiële Markten

1.250

1.072

0

1.072

Muntcirculatie

12.385

12.385

0

12.385

Overig

140

140

– 90

50

         

Opdrachten

270

1.760

0

1.760

Wijzer in geldzaken

270

1.760

0

1.760

         

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

41.595

41.506

– 185

41.321

Bijdrage toezicht AFM

20.737

20.737

– 85

20.652

Bijdrage toezicht DNB

20.858

20.769

– 100

20.669

         

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

400

400

20

420

Caribean Financial Action Taskforce

20

20

20

40

IASB

380

380

0

380

         

Ontvangsten

162.931

114.547

619.318

733.865

         

Garanties

       

feeopbrengsten gar. banc. leningen

155.554

99.636

0

99.636

         

Leningen

       

ontvangsten IJsland

0

0

623.000

623.000

         

Bekostiging

       

ontvangsten muntwezen

5.184

5.184

0

5.184

         

Overig

2.193

9.727

– 3.682

6.045

Toelichting

Verplichtingen (– € 8,4 mld.)

De afname van de verplichtingen wordt veroorzaakt doordat meerdere interbancaire garantieleningen zijn afgelopen. Het betreft afgelopen leningen van onder andere SNS, NIBC, ING, Leaseplan en Fortis bank.

Uitgaven (– € 2,0 mln.)

CDFD (– € 1,7 mln.)

De tegenvaller bij de ontvangsten (– € 3,7 mln.) en de lagere uitgaven (– € 1,7 mln.) bij de centrale examinering worden volledig verklaard doordat het aantal afgenomen Wft examens (inclusief herexamens) in 2014 naar verwachting op ca. 51.000 zal uitkomen, terwijl er 142.000 examens waren geraamd. In het najaar staan veel opleidingen voor financieel adviseurs bij banken, verzekeraars en intermediaire organisaties ingepland, hetgeen naar verwachting in de eerste helft van 2015 tot een piek in de examen afnamen zal leiden. Aangezien er een examenplicht is geïntroduceerd waaraan iedere financieel adviseur moet voldoen voor 1-1-2016, zullen in 2015 de verwachte examens van 2014 alsnog worden afgenomen.

Overig (– € 90 dzd.)

Op basis van een eerdere raming was € 140.000 voorzien voor de verschillende commissies. Dit jaar is er voor de Commissie verzekeraars € 50.000 nodig. Het overige gedeelte van het budget valt vrij.

Bijdrage toezicht AFM (– € 85 dzd.)

De meevaller wordt veroorzaakt door lager gerealiseerde dan geraamde uitgaven over het jaar 2013 voor het toezicht van de AFM op de BES-eilanden.

Bijdrage toezicht DNB (– € 0,1 mln.)

De mutatie wordt veroorzaakt door een meevaller over de eindafrekening van 2013 voor DNB.

Caribbean Financial Action Task Force (+ € 20 dzd.)

Dit jaar wordt zowel de bijdrage aan de Caribbean Financial Action Task Force (CFATF) voor 2014 als voor 2013 betaald. Derhalve is de realisatie € 20.000 hoger dan begroot.

Ontvangsten (+ € 619,3 mln.)

Ontvangsten IJsland (+ € 623,0 mln.)

In 2008/2009 heeft De Nederlandsche Bank na het faillissement van Landsbanki een bedrag uitgekeerd van € 1,6 mld. aan de depositohouders. Hiervan namen de Nederlandse banken € 208 mln. voor hun rekening en de Nederlandse Staat € 1,4 mld. Door boedeluitkeringen is tot op heden € 811 mln. geïncasseerd. Aan hoofdsom staat derhalve, voor zover het de Nederlandse staat betreft, nog € 617 mln. open. De resterende vordering is verkocht en voorziet in een opbrengst voor de Nederlandse Staat van circa € 623 mln.

Overige (CDFD) (– € 3,7 mln.)

Zie de toelichting onder uitgaven.

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek- private sector

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 3 Financierings-activiteiten publiek private sector Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2 + 3)

Verplichtingen

303.866

86.148

– 947.125

– 860.977

Waarvan Counter indemnity ABN AMRO

0

0

– 950.000

– 950.000

         

Uitgaven

5.400.866

2.808.159

2.875

2.811.034

         

waarvan juridisch verplicht

     

100%

         

Bijdrage aan RWT

5.052

17.100

0

17.100

NLFI (voorheen STAK)

5.052

17.100

0

17.100

         

Lening

5.386.000

2.778.475

0

2.778.475

Management fee IABF

24.000

274

0

274

Funding fee IABF

5.362.000

2.778.201

0

2.778.201

         

Garantie

4.900

4.900

– 50

4.850

Regeling BF

100

100

– 50

50

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4.800

4.800

0

4.800

         

Opdrachten

4.914

7.684

2.925

10.609

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

4.914

7.684

2.925

10.609

         

Ontvangsten

8.611.748

7.669.098

1.125.728

8.794.826

Vermogensonttrekking

2.059.497

2.149.638

104.811

2.254.449

Opbrengst onttrekking vermogenstitels

0

0

0

0

Dividend staatsdeelnemingen

397.497

535.000

110.000

645.000

Winstafdracht DNB

1.166.000

1.118.638

0

1.118.638

waarvan SMP-Griekenland

138.000

134.897

0

134.897

waarvan investeringsportefeuille DNB

45.000

34.623

0

34.623

Afdrachten Staatsloterij

96.000

96.000

– 6.000

90.000

Opbrengst verkoop vermogenstitels

0

0

811

811

Dividend financiële instellingen

400.000

400.000

0

400.000

         

Bijdrage aan RWT

       

NLFI (voorheen STAK)

4.300

15.409

8

15.417

         

Leningen

6.517.596

5.464.521

1.032.826

6.497.347

Verwachte portefeuille ontvangsten IABF

5.337.000

4.230.917

0

4.230.917

Additionele fee IABF

34.000

1.229

0

1.229

Additionele garantie fee IABF

0

164

0

164

Verhandelbaarheidsfee IABF

15.000

615

0

615

Aflossing kapitaalversterkingen ING, Aegon en SNS Reaal

750.000

816.667

683.333

1.500.000

Couponbetaling en/of boetebetaling kapitaal-

       

versterking ING, Aegon en SNS Reaal

375.000

408.333

341.667

750.000

Renteontvangsten SNS krediet

6.596

6.596

7.826

14.422

         

Garantie

30.355

30.355

– 11.684

18.671

Premie-ontvangsten garantie Tennet

4.800

4.800

0

4.800

Premie-inkomsten counter indemnity

25.555

25.555

– 12.600

12.955

Overig

0

0

916

916

         

Opdrachten

       

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

0

9.175

– 233

8.942

Toelichting

Verplichtingen (– € 947,1 mln.)

Counter indemnity (– € 950,0 mln.)

Bij de afsplitsing van HBU van ABN AMRO is afgesproken dat ABN AMRO en HBU elkaar vrijwaren voor de ontstane wederzijdse aansprakelijkheden. Inmiddels is Deutsche Bank eigenaar van HBU en dus contractpartij van ABN AMRO. ABN AMRO heeft met Deutsche Bank een akkoord bereikt om de wederzijdse aansprakelijkheden tussen beide partijen te beëindigen, zodat ook de garantie van de Staat (zogeheten counter indemnity) kan worden beëindigd.

Uitgaven (+ € 2,9 mln.)

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 2,9 mln.)

In verband met de verkoop van REAAL en een mogelijk bod van ASR op REAAL worden er meer kosten gemaakt voor de inhuur van adviseurs.

Ontvangsten (+ € 1,1 mld.)

Dividend staatsdeelnemingen (+ € 110,0 mln.)

Op portefeuilleniveau wordt rekening gehouden met risico’s bij de verschillende staatsdeelnemingen. Deze risico’s hebben zich niet voorgedaan waardoor de dividendontvangsten hoger zijn dan geraamd. Derhalve wordt de raming bijgesteld.

Afdrachten Staatsloterij (– € 6,0 mln.)

De afdrachten van de Staatsloterij in 2014 zijn lager dan verwacht, de raming wordt daarom aangepast.

Opbrengst verkoopvermogenstitels (+ € 0,8 mln.)

In 2004 heeft de Staat haar belang Maastricht Aachen Airport verkocht. Bij verkoop van de luchthaven is een ontbindende voorwaarde opgenomen, waardoor de verkoopopbrengst nog niet kon worden uitgekeerd aan de aandeelhouders. Die ontbindende voorwaarde is inmiddels komen te vervallen. In 2014 is daardoor ongeveer € 0,8 mln. ontvangen als verkoopopbrengst.

Aflossingen kapitaalverstrekking en couponbetalingen / boeterentes (+ € 1,025 mld.)

De Staat heeft de laatste aflossing van € 1,025 mld. van ING vervroegd ontvangen. Daarmee heeft ING de volledige kapitaalinjectie van tien miljard euro uit 2008 terugbetaald aan de Nederlandse Staat. In de begroting was rekening gehouden met terugbetaling in 2015.

Renteontvangsten SNS krediet (+ € 7,8 mln.)

De premieontvangsten voor de garantie op de financiering van Propertize waren voor dit jaar nog niet geraamd. De ontvangsten zijn bijgesteld met € 7,8 mln.

Premieinkomsten Counter Indemnity (– € 12,6 mln.)

Het beëindigen van de garantie van de Staat aan ABN AMRO inzake HBU (counter indemnity) betekent een verlaging van de te ontvangen premies (€ 12,6 mln.) voor de Staat.

Artikel 4 Internationale financiële betrekkingen

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 4 Internationale Financiële Betrekkingen Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2 + 3)

Verplichtingen

1.081.076

1.082.576

– 24.806

1.057.770

         

Waarvan garantieverplichtingen:

       

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

842.590

842.590

88.880

931.470

Garantie DNB inzake BIS

113.445

113.445

– 113.445

0

         

Uitgaven

1.119.514

1.120.603

– 26.581

1.094.022

         

Waarvan juridisch verplicht

     

100%

         

Deelname aan internationale instellingen

994.473

994.062

– 26.340

967.722

Multilarerale ontwikkelingsbanken en fondsen

79.753

79.342

– 26.340

53.002

ESM

914.720

914.720

0

914.720

         

Bijdrage uit inkomen Griekse obligaties

125.041

125.041

– 41

125.000

Uitkering aan Griekenland

125.041

125.041

– 41

125.000

         

Technische assistentie kiesgroeplanden

0

1.500

– 200

1.300

         

Ontvangsten

29.970

25.074

– 4.809

20.265

         

Deelname aan internationale instellingen

     

Ontvangsten IFI's

4.418

4.418

1.829

6.247

         

Lening

       

Rente ontvangsten lening Griekenland

25.552

20.656

– 6.638

14.018

Toelichting

Verplichtingen (– € 24,8 mln.)

Beëindiging garantie BIS (– € 113,4 mln.)

Deze garantieovereenkomsten tussen de Staat en DNB betreffen het Nederlandse aandeel in de via de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) te verstrekken kredietfaciliteiten. Als verplichtingenraming (stelpost) wordt jaarlijks een garantieplafond van € 113 mln. in de ontwerpbegroting opgenomen. De laatste jaren is geen gebruik gemaakt van deze regeling en wordt deze niet meer noodzakelijk geacht. Daarom wordt de garantieverplichting niet meer opgenomen (zoals gemeld in de begroting IX 2015).

Garantie Cotonou (+ € 87,1 mln.)

De Europese Investeringsbank (EIB) verricht activiteiten in landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen), alsmede de Europese landen en gebieden overzee (LGO). Dit in het kader van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst (Verdrag van Cotonou), en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee. Het Intern Akkoord betreft een periodieke financiële uitwerking van de genoemde overeenkomsten gedurende het MFK 2014–2020 en is aan de Kamer voorgelegd (Kamerstukken II 2013/14, 33 838, nr. 3.). Het Intern Akkoord bevat een garantie voor 75% van de politieke en soevereine risico’s die de EIB bij haar activiteiten in de ACS en LGO loopt. Zie het garantiekader (brief met kenmerk FEZ 2014–1781 N) voor meer informatie.

Uitgaven (– € 26,6 mln.)

Betalingsritme International Development Assistance (– € 26,3 mln.)

Het IDA betaalschema is aangepast ten behoeve van het HGIS tekort. Door te schuiven met IDA betalingen kan er in de kalenderjaren 2014 en 2015 € 90 mln. worden vrijgespeeld. Dit bedrag zal in de twee daarop volgende jaren als extra betaling worden verricht. Dit betekent wel dat Nederland in 2017 nog een extra betaling van € 1,8 mln. moet doen om de zogeheten netto contante waarde van de overeengekomen bijdrage aan IDA-16 in stand te houden, alsmede verwatering van het Nederlandse aandeel te voorkomen. Dit bedrag zal ten laste komen van de HGIS-begroting.

Ontvangsten (– € 4,8 mln.)

Ontvangsten IFI’s (+ € 1,8 mln.)

De inkomsten uit programma’s bij de Europese Investeringsbank en de Wereldbank zijn hoger dan geraamd.

Lening Ontvangsten Griekenland (– € 6,6 mln.)

De rente is lager omdat begin 2014 retroactief gecorrigeerd is voor de renteverlaging van 150 naar 50 basispunten (conform de afspraak van de Eurogroep van december 2012) en door de lage euriborrente.

Artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2 + 3)

Verplichtingen

10.616.386

10.616.386

60

10.616.446

waarvan garantieverplichtingen:

       

Reguliere EKV

10.000.000

10.000.000

0

10.000.000

Investeringsverzekeringen

453.780

453.780

0

453.780

MIGA

150.000

150.000

0

150.000

         

Uitgaven

110.006

110.006

– 26.840

83.166

         

waarvan juridisch verplicht

     

100%

         

Exportkredietverzekering

97.400

97.400

– 26.900

70.500

Schade-uitkering EKV

96.900

96.900

– 26.900

70.000

Schade-uitkering investeringsverzekeringen

500

500

0

500

         

Opdrachten

       

Kostenvergoeding Atradius DSB

12.606

12.606

60

12.666

         

Ontvangsten

99.500

140.941

106.858

247.799

Premies EKV

40.000

45.142

44.858

90.000

Premies investeringsverzekeringen

1.250

1.250

0

1.250

Schaderestituties EKV

28.000

28.000

62.000

90.000

Ontvangsten Seno-Gom

29.750

66.049

0

66.049

Overige ontvangsten

500

500

0

500

Toelichting

Verplichtingen (+ € 60 dzd.) en uitgaven (– € 26,8 mln.)

Schade-uitkering EKV (– € 26,9 mln.)

Tot op heden zijn er in 2014 minder schade-uitkeringen geweest dan geraamd. De schaderaming kan daardoor naar beneden worden bijgesteld.

Ontvangsten (+ € 106,9 mln.)

Premies EKV (+ € 44,9 mln.)

Dit jaar zijn er meer premies ontvangen dan in voorgaande jaren, voornamelijk vanwege een aantal grote transacties in de scheepsbouwsector. De premie-ontvangsten worden daarom naar boven bijgesteld.

Schaderestituties EKV (+ € 62,0 mln.)

Dit jaar zijn er meer schaderestituties ontvangen dan verwacht. Dit komt voornamelijk doordat er in 2014 een terugbetalingsafspraak1 is gemaakt met Argentinië over de uitstaande schuld. In 2014 is de eerste betaling binnen deze regeling ontvangen

Artikel 6 BTW- Compensatiefonds

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 6 BTW-compensatiefonds Bedragen x € 1.000

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio's hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2 + 3)

Verplichtingen

2.816.420

2.817.391

84.660

2.902.051

         

Uitgaven

2.816.420

2.817.391

84.660

2.902.051

         

waarvan juridisch verplicht

     

100%

         

Instrument: Btw-compensatieregeling

2.816.420

2.817.391

84.660

2.902.051

w.v. bijdragen aan gemeenten en kaderwetgebieden

2.490.095

2.490.145

75.938

2.566.083

w.v. bijdragen aan provincies

326.325

327.246

8.722

335.968

         

Ontvangsten

2.816.420

2.817.391

84.660

2.902.051

Toelichting

Verplichtingen, uitgaven en ontvangsten (+ € 84,7 mln.)

Het BCF is bijgesteld als gevolg van enkele overhevelingen naar het Gemeente- en Provinciefonds.

Artikel 7 Beheer materiële activa

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 7 Beheer materiële activa Bedragen x € 1.000

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2 + 3)

Verplichtingen

306

306

0

306

         

Uitgaven

306

306

0

306

         

waarvan juridisch verplicht

     

100%

         

Opdrachten

       

Beheerskosten DRZ

306

306

0

306

         

Ontvangsten

1.800

1.800

11.925

13.725

         

Programma-ontvangsten Baten-lastendiensten

       

Vervreemding DRZ

1.800

1.800

11.925

13.725

Toelichting

Verplichtingen en Uitgaven (€ 0 mln.)

Er hebben zich geen mutaties voorgedaan sinds de voorjaarsnota.

Ontvangsten (+ € 11,9 mln.)

Vervreemding DRZ (+ € 11,9 mln.)

In 2006 en 2007 heeft DRZ in beslag genomen mobiele telefoons en central processing units, in verband met een vermeende BTW carrousel, verkocht om waardedaling te voorkomen. Justitie heeft in 2010 aangegeven dat de waarde van deze goederen uitgekeerd moet worden aan de rechtmatige eigenaren, omdat de BTW carrousel niet kan worden aangetoond. Zolang de rechthebbenden niet gevonden zijn, is het verschuldigde bedrag (€ 11,6 mln.) op de saldibalans van Financiën opgenomen. Justitie heeft nu aangegeven dat de rechthebbenden niet kunnen worden achterhaald en dat er sprake is van verbeurdverklaring. Dientengevolge zal de € 11,6 mln. als ontvangst worden verwerkt. Voorts zijn de verkoopopbrengsten van roerende zaken in 2014 hoger dan geraamd. Derhalve is de raming aangepast met € 0,3 mln. In totaal nemen de geraamde ontvangsten toe met € 11,9 mln.

Artikel 8 Centraal Apparaat Kerndepartement

Budgettaire gevolgen van beleid – niet beleidsartikel 8 Centraal Apparaat Kerndepartement Bedragen x € 1.000

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van Financiën met uitzondering van de Belastingdienst (zie artikel 1) en de baten-lastendiensten DRZ en RVOB.

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2 + 3)

Verplichtingen

204.688

208.806

– 687

208.119

         

Uitgaven

204.688

208.806

– 687

208.119

         

waarvan juridisch verplicht

     

100%

         

Personeel Kerndepartement

131.714

137.010

2.118

139.128

Eigen personeel

127.895

132.048

– 2.470

129.578

Inhuur externen

3.293

3.691

5.556

9.247

Overig personeel

526

1.271

– 968

303

         

Materieel Kerndepartement

72.974

71.796

– 2.805

68.991

waarvan ICT

12.041

9.805

– 424

9.381

waarvan bijdrage aan SSO's

26.822

38.176

– 887

37.289

waarvan overig materieel

34.111

23.815

– 1.494

22.321

         

Ontvangsten

30.385

30.780

6.182

36.962

Toelichting

Uitgaven en Verplichtingen (– € 0,7 mln.)

Personeel kerndepartement (+ € 2,1 mln.)

De uitgaven Personeel kerndepartement zijn per saldo toegenomen (+ € 2,1 mln.). Bij de Auditdienst Rijk zijn meer externen ingehuurd voor EU-gerelateerde auditopdrachten. Door extra werkzaamheden voor onder andere de projecten Wijzer in Geldzaken en de verkoop van Reaal zijn meer externe medewerkers ingehuurd dan eerder geraamd. Bij de toegenomen inhuur van externe deskundigen worden ook extra ontvangsten gerealiseerd omdat de kosten grotendeels doorbelast kunnen worden. Daarnaast is er een afname bij eigen personeel en overig personeel door het vooruitlopen op afname van budgetten als gevolg van de taakstelling Rutte II. Per saldo resulteert een toename aan uitgaven Personeel kerndepartement.

Materieel kerndepartement (– € 2,8 mln.)

Bij de materiële uitgaven zoals ICT en bijdrage aan SSO’s is er sprake van lagere uitgaven dan verwacht. De belangrijkste oorzaken zijn; vertraging van ICT-projecten waardoor de uitgaven in 2015 vallen en de vertraagde afhandeling van wijzigingsverzoeken met betrekking tot huisvesting. Daarnaast wordt vooruitgelopen op de afname van budgetten als gevolg van de taakstelling Rutte II, door minder uitgaven te doen aan onder andere communicatie en minder onderzoeksopdrachten te laten uitvoeren.

Ontvangsten (+ € 6,2 mln.)

Ontvangsten (+ € 6,2 mln.)

De ontvangsten zijn toegenomen met € 6,2 mln. Deze extra ontvangsten worden gerealiseerd door de extra inhuur bij Wijzer in Geldzaken en de Auditdienst Rijk waar ontvangsten tegenover staan, en enkele andere kleinere ontvangsten zoals de verhuur van werkplekken aan derden.

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien

Budgettaire gevolgen van beleid – niet beleidsartikel 10 Nominaal en Onvoorzien Bedragen x € 1.000

Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstelling naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen IXB plaats. Dit artikel is ook bedoeld om eventuele onzekere ontwikkelingen op de begroting op te vangen.

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2 + 3)

Verplichtingen

3.425

6.042

– 6.042

0

         

Uitgaven

3.425

6.042

– 6.042

0

Onvoorzien

3.425

0

0

0

Loonbijstelling

0

4.353

– 4.353

0

Prijsbijstelling

0

1.689

– 1.689

0

         

Ontvangsten

0

0

0

0

Toelichting

Uitgaven en verplichtingen (– € 6,0 mln.)

Loon- en prijsbijstelling (– € 6,0 mln.)

De loon- en prijsbijstelling is verdeeld over de beleidsartikelen.

1

Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 29

2.1.2 Beleidsagenda 2014

In de beleidsagenda wordt ingegaan op relevante ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken. In de beleidsartikelen wordt de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven vermeld.

1. Houdbare financiering van beleidsprioriteiten

Gezonde overheidsfinanciën zijn van essentieel belang. Voor het kabinet is het op orde brengen van de overheidsfinanciën één van de belangrijkste prioriteiten. Dit wordt bemoeilijkt door de lastige economische positie waarin Nederland zich op dit moment bevindt. Zonder ingrijpen dreigt de overheidsschuld verder op te lopen en wordt de rekening doorgeschoven naar volgende generaties. Het kabinet heeft daartoe bij Regeerakkoord besloten tot een ambitieus hervormingsprogramma en ombuigingspakket oplopend tot € 16 mld. in 2017 structureel.

Aanvullend daarop heeft het kabinet deze zomer besloten tot een aanvullend beleidspakket van structureel netto € 6 mld. euro om zodoende verder invulling te geven aan de ambitie tot het structureel op orde brengen van de overheidsfinanciën. Onderdeel van het pakket omvat ook een pakket aan gerichte stimuleringsmaatregelen waarmee het kabinet oog heeft voor de kwetsbare positie waarin onze economie zich op dit moment bevindt. In de Miljoenennota wordt een overzicht gegeven van het pakket en de budgettaire gevolgen daarvan.

Hoewel volgens de huidige inzichten het buitensporig tekort niet volledig in 2014 gecorrigeerd zal zijn, is het kabinet in het licht van de huidige economische situatie van mening dat met het aanvullende beleidspakket van € 6 mld. effectief invulling is gegeven aan de aanbevelingen in het kader van de buitensporigtekortprocedure en het nationaal hervormingsprogramma. Het uiteindelijke oordeel hierover is aan de Europese Commissie.

Het wetsvoorstel dat verplicht schatkistbankieren door provincies, gemeenten en waterschappen mogelijk maakt is in juli 2013 aangenomen door de Tweede Kamer. In het najaar volgt de behandeling door de Eerste Kamer. Als de Eerste Kamer ook instemt met het wetsvoorstel treedt schatkistbankieren naar verwachting eind 2013 in werking.

2. Herstellen en bewaken stabiliteit Eurozone

In 2014 zal het herstellen en bewaken van de financiële stabiliteit van de eurozone een belangrijk onderwerp blijven. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot versterking en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie. In 2014 zal de naleving van de aangescherpte regels ten aanzien van het Stabiliteits- en Groeipact een rol krijgen op de politieke agenda. Daarnaast zal er aandacht zijn voor de vooruitgang in de lopende steunprogramma’s voor Cyprus, Griekenland, Spanje, Ierland en Portugal. Bij het herstel van financiële stabiliteit in de eurozone zullen de Europese noodfondsen (EFSF, EFSM en ESM) en het IMF een belangrijke rol spelen.

In de afgelopen jaren is er voor een gezamenlijke Europese aanpak voor de crisis gekozen. Nederland heeft hierbij een actieve rol gespeeld. In de komende jaren is het van groot belang om vast houden aan die aanpak en gemaakte afspraken te implementeren. Begin 2013 is Minister Dijsselbloem voorzitter geworden van de Eurogroep. Deze rol als voorzitter biedt bij uitstek de mogelijkheid om uitvoering te geven aan de gezamenlijke Europese inzet.

3. Sobere en effectieve EU-begroting

Nederland streeft naar een sobere en effectieve EU-begroting waarin duidelijke prioriteiten worden gesteld en waarbij de afdrachten evenwichtiger en transparanter worden verdeeld. De gunstige afronding van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader moet worden geïmplementeerd. Deze afspraken betreffen een substantiële vermindering van de afdrachten (een korting op de Nederlandse afdrachten van ruim € 1 mld.) en een moderne EU-begroting (de budgetten voor onderzoek en innovatie hebben aan relatief belang gewonnen ten opzichte van de klassieke posten als landbouw- en cohesiebeleid). De Minister van Financiën zet zich in de Begrotingsraad in om dit standpunt in de jaarbegroting van de EU terug te zien.

4. Robuuste financiële sector

De overheid wil dat de activiteiten van financiële instellingen gericht zijn op het leveren van betrouwbare dienstverlening aan burgers en bedrijven. Uitgangspunt daarbij is dat gestreefd moet worden naar een solide, transparante, integere en dienstbare financiële sector met voldoende concurrentie die de klant centraal stelt en geen risico vormt voor de stabiliteit van de overheidsfinanciën of de reële economie. De overheid, toezichthouders en financiële sector voeren hiertoe onder meer de volgende hervormingen uit:

  • de banken weerbaarder en beter afwikkelbaar maken;

  • het aanscherping van de kapitaal- en liquiditeitseisen;

  • de consument meer centraal stellen in financiële dienstverlening;

  • het beter besturen van financiële instellingen;

  • het versterken en verbreden van toezicht.

In 2014 zal op Europees niveau verder worden gewerkt aan de totstandkoming van een bankenunie, die in ieder geval moet bestaan uit Europees bankentoezicht, geharmoniseerde toezichtsregels en een Europees resolutiemechanisme, met als sluitstuk een Europees depositogarantiestelsel. Ook zullen in 2014 de herziening van de richtlijn kapitaalvereisten en de verordening betreffende prudentiële vereisten voor banken in werking treden. Met de implementatie van deze richtlijn en verordening worden geleidelijk de kapitaaleisen voor banken verhoogd om zo de kans op financiële crises fors te verkleinen.

Verder zullen in 2014 verscheidene andere richtlijnen en verordeningen geïmplementeerd dan wel uitonderhandeld worden. Het betreft onder andere de herziening van de richtlijn markten in financiële instrumenten en de gelijknamige verordening, regels omtrent bemiddelaars en aanbieders van hypothecair krediet en omtrent verzekeringsproducten, een regulering van benchmarks en indices, regels om de transparantie over complexe producten voor consumenten te vergroten en tenslotte een verordening inzake marktmisbruik en regels die de onafhankelijkheid van accountantsorganisaties versterken.

Daarnaast wordt gewerkt aan een Wet beloningsbeleid financiële sector, waarin onder meer wordt vastgelegd het in het regeerakkoord opgenomen bonusplafond van 20% van de vaste beloning voor personen werkzaam in de financiële sector. Deze wet zal naar verwachting op 1 januari 2015 in werking treden. Tevens wordt gewerkt aan een verbreding van de bankierseed, die gepaard gaat met strenge sancties, zoals opgenomen in het regeerakkoord. Ook zullen vanaf 2015 de bankmedewerkers verantwoordelijk voor transacties met hoge risico’s voortaan – naast de al bestaande toetsing voor bestuurders en commissarissen – door de toezichthouders worden gescreend.

5. Financieel beheer interventies financiële sector

Het beleid is gericht op een afgewogen, zakelijk verantwoorde exit uit ASR, ABN AMRO en SNS REAAL en op de ondernemingsstrategie die deze exit mogelijk moet maken. De stichting NL Financial Investments (NLFI) heeft de Minister van Financiën geadviseerd over de te volgen exitstrategie voor ABN AMRO en ASR. In dit advies is aan de orde gekomen wat de mogelijkheden zijn voor een exit. De Minister van Financiën heeft op basis van dit advies de Kamer zijn toekomstplannen met betrekking tot de financiële instellingen toegelicht (ABN AMRO, ASR en ook SNS REAAL). De toekomstplannen geven richting aan hoe een exit er waarschijnlijk uit gaat zien, er is vooralsnog geen besluit genomen over wanneer en hoe een exit zal plaatsvinden.

Ook voor de IABF (Illiquid Asset Backup Facility, de hypothekenportefeuille van ING) zal worden bezien wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van een exitstrategie.

6. Effectief financieel beheer en toezicht in de semipublieke sector

Mede naar aanleiding van recente financiële incidenten bij een aantal instellingen in de semipublieke sector kijkt het kabinet sectoroverstijgend naar de verbetering van financieel beheer, verantwoording en toezicht in deze sector. Zeker in tijden van bezuinigingen zullen deze instellingen hun financiële risico's moeten beperken en hun maatschappelijke opdracht weer centraal moeten stellen, waarbij soberheid en dienstbaarheid de leidraad zijn. Hiervoor zijn, naast een juiste houding en gedrag, duidelijke normen voor goed financieel beheer, verantwoording en toezicht van belang. Om te zorgen dat in ieder geval aan minimumnormen wordt voldaan, stelt het kabinet een gemeenschappelijk normenkader op voor goed financieel beheer en financieel toezicht. Dit kader helpt instellingen om hun financiële beheer en verantwoording zodanig in te richten dat zij in control zijn. Ook worden plannen ontwikkeld om het externe financiële toezicht op de semipublieke sector te versterken, zodat het financiële toezicht voldoende tegenwicht kan bieden aan het toezicht op de kwaliteit van de publieke taakuitvoering. De Minister van Financiën zal het normenkader in september 2013 aan de Tweede Kamer aanbieden. Na besluitvorming hierover zullen in 2014 maatregelen worden ingevoerd.

7. Exportkredietverzekering en -financiering

Het Nederlandse exportverzekeringsinstrumentarium is gemiddeld tot goed bestand tegen de concurrentiedruk van andere overheidsgesteunde exportkredietverzekeraars. Uit internationale vergelijkingen blijkt echter ook dat de rol van overheidsexportkredietverzekeraars aan het veranderen is. Er wordt in verschillende vormen steeds meer gedaan op het gebied van (her)financieren van exporttransacties. In Nederland gebeurt dit niet. Om er voor te zorgen dat Nederlandse exporterende bedrijven niet op een achterstand komen te staan ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten wordt in 2014 meer dan voorheen ingezet op het beschikbaar houden van voldoende financiering tegen een scherpe prijs. Om dit te bereiken, zonder dat de Staat onnodig op de stoel van de marktpartijen gaat zitten, wordt er in samenwerking met banken en de exportsector bekeken in welke mate exportfinanciering verder ontwikkeld kan worden. Ook wordt er via het Dutch Good Growth Fund van het Ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ingezet op een pakket van exportfinancierings- en verzekeringsinstrumenten naar landen waar marktpartijen minder mogelijkheden bieden.

8. Fiscale voornemens

Van de fiscale maatregelen die in het regeerakkoord zijn opgenomen is een deel al omgezet in wetgeving. Een ander deel is in de vorm van wetsvoorstellen bij het Parlement aanhangig gemaakt, in een aantal gevallen in wetsvoorstellen van andere bewindspersonen dan die van het Ministerie van Financiën. In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de fiscale maatregelen uit het regeerakkoord en het aanvullend pakket die in het pakket Belastingplan 2014 zijn opgenomen. Daarnaast wordt ingegaan op een aantal lopende projecten en zal waar mogelijk inzicht worden geboden in de belangrijke stappen die daarin reeds zijn gezet en welke stappen op (korte) termijn kunnen worden verwacht.

In het Belastingplan 2014 zijn zoveel mogelijk de nog resterende fiscale maatregelen uit het regeerakkoord opgenomen. Dit betreft met name:

  • de afschaffing van de afdrachtvermindering onderwijs;

  • de fiscale begunstiging van lokaal opgewekte duurzame energie;

  • de verhoging van de accijns op tabak, alcohol, diesel en LPG;

  • de versobering van de vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor oldtimers;

  • de aanpassing van zowel de algemene heffingskorting als de arbeidskorting, rekening houdend met het koopkrachtpakket zoals dat voortvloeit uit de motie Zijlstra/Samsom en het aanvullend pakket 2;

  • de versobering van de zelfstandigenaftrek (ingangsdatum 1 januari 2015);

  • de versobering van de fiscale innovatieregelingen;

  • het fiscaal vrijvallen van de zogenoemde stamrechten en niet langer fiscaal faciliteren van nieuwe stamrechten;

  • het bevriezen van de belastingschijven en heffingskortingen;

  • de verlenging van de werkgeversheffing voor hoge lonen;

  • de afschaffing van de integratieheffing btw;

  • de verruiming van de schenkbelasting in relatie tot de eigen woning.

Voorts bevat het Belastingplan 2014 de fiscale maatregelen uit de augustus besluitvorming 2013.

Onderdeel van het pakket Belastingplan 2014 vormt het afzonderlijke wetsvoorstel dat een antwoord geeft op de fraude die zich voordoet in de toeslagen en de fiscaliteit. Dit wetsvoorstel bevat een groot aantal maatregelen die de Belastingdienst handvatten geeft om deze fraude adequaat aan te pakken.

Een eenvoudiger en fraudebestendig belastingstelsel

Het kabinet blijft streven naar een eenvoudiger belastingstelsel. Het gaat daarbij om het terugdringen van de complexiteit van wet- en regelgeving en het verminderen van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Op dit terrein is de afgelopen jaren een aantal stappen gezet, maar er is op verschillende fronten verdere winst te behalen. Het uitgangspunt van fraudebestendigheid, eenvoud en robuuste belastingontvangsten, vereist dat elke keer opnieuw kritisch wordt gekeken naar de inzet en vormgeving van fiscale faciliteiten.

In 2013 is een wetsvoorstel bij het parlement aanhangig gemaakt om het formeel verkeer met de Belastingdienst te vereenvoudigen door onder andere te voorzien in een soepele herziening van de aanslag, een verkorting van aanslagtermijnen en een basis voor elektronisch berichtenverkeer tussen de belastingplichtige en de Belastingdienst. Het kabinet streeft ernaar om het wetsvoorstel in 2015 in werking te laten treden.

Een goed vestigingsklimaat

Nederland heeft een goed vestigingsklimaat. Dit stimuleert de bedrijvigheid en werkgelegenheid in Nederland. Het is zaak deze positie te behouden. De combinatie van verschillende, ieder voor zich verantwoorde regelingen, heeft er echter ook toe geleid dat Nederland, net als andere landen, geconfronteerd wordt met fiscale planningsmogelijkheden door internationale mismatches en het verschuiven van grondslag naar laagbelastende jurisdicties. De roep om deze mogelijkheden te beperken klinkt steeds luider. Dit betreft internationale problematiek die ook alleen internationaal echt tot een oplossing kan worden gebracht. Het zou de concurrentiepositie van Nederland en het in Nederland gevestigde bedrijfsleven schaden indien Nederland als enige maatregelen neemt. Ook het recente SEO-onderzoek «Uit de schaduw van het bankwezen» naar de bijzondere financiële instellingen in Nederland wijst hierop. Daarom zal Nederland actief participeren in internationale initiatieven op dit terrein, zoals het OESO BEPS-project (Base Erosion and Profit Shifting) en het EU actieplan met een mededeling en twee aanbevelingen tegen belastingfraude en -ontwijking. In de brief van 30 augustus 12013 zijn de Staatssecretaris van Financiën en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking daar dieper op ingegaan.

Commissie Van Dijkhuizen

In juni 2013 heeft de Commissie Van Dijkhuizen haar eindrapport uitgebracht. Daarin is een aantal aanbevelingen opgenomen die kunnen bijdragen aan verbetering en meer transparantie van het stelsel van de inkomstenbelasting en de toeslagen. Het streven is om aan het einde van het eerste kwartaal 2014 een reactie op het rapport te geven.

Onderzoek ter voorbereiding van Autobrief II

Bij de behandeling van de Wet uitwerking Autobrief is toegezegd ruim voor 2015 een evaluatie te starten en te komen tot een periodieke herijking van de CO2-grenzen voor de periode 2016–2019. Een eerste evaluatie, in de vorm van een overzicht van de verkopen van zuinige, zeer zuinige en nulemissie auto’s, zal binnenkort naar de Kamer worden gezonden. Het onderzoek ter voorbereiding van Autobrief II is in 2013 gestart.

ANBI: Transparantie en Toezicht

Ter uitwerking van het convenant «Ruimte voor geven» is in het najaar van 2012 de visie op toezicht en verantwoording in de filantropische sector afgerond. In dat kader zijn al diverse wettelijke maatregelen vastgesteld. Ook het Belastingplan 2014 bevat een aantal voorstellen op dit terrein, bijvoorbeeld de mogelijkheid om bij een periodieke gift een gestandaardiseerde onderhandse schenkingsovereenkomst te gebruiken in plaats van een notariële akte.

Invoering belastingplicht overheidsbedrijven

Afgelopen jaren is verkend hoe overheidsbedrijven in de vennootschapsbelasting betrokken kunnen worden. Inmiddels is hierover verschillende malen overleg gevoerd met de Tweede Kamer, laatstelijk nog op 25 juni 2013 naar aanleiding van de zogenoemde «dienstige maatregelen» die de Europese Commissie op 2 mei 2013 aan Nederland heeft voorgesteld. Op dit moment is de inventarisatie naar de mogelijke winstgevende activiteiten bij overheden en de vormgeving daarvan in de afrondende fase. Deze inventarisatie vormt de basis voor de wetgeving die naar verwachting in 2014 aan het parlement zal worden voorgelegd.

9. Handhaving Belastingdienst

Toezicht

De algemene doelstelling van de Belastingdienst is het bevorderen van het nalevingsgedrag van burgers en bedrijven. Toezicht is, naast dienstverlening en een snelle en correcte afhandeling van zaken, een belangrijk instrument om het nalevingsgedrag te bevorderen. Door te werken met actuele gegevens en het betalingsgedrag actief te monitoren bewaakt de Belastingdienst de tijdige en juiste afdracht van belastingen. Het kabinet heeft bij regeerakkoord structureel € 157 mln. aan de Belastingdienst beschikbaar gesteld voor het versnellen van de aanslagregeling, het beoordelen van meer aangiften, het verrichten van meer boekenonderzoeken bij ondernemers en het aanscherpen van administratieve controles (bijvoorbeeld de controle op verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting) en voor structureel extra invorderingen. De FIOD heeft middelen gekregen om de opsporing te versterken, onder meer om extra witwaszaken aan te pakken. De meeropbrengsten van deze intensiveringen in 2014 worden geraamd op € 533 mln.

Invulling taakstellingen

Ook de Belastingdienst draagt zijn deel bij aan de realisatie van de rijksbrede taakstellingen. Uitgangspunt is dat de invulling van de rijksbrede taakstellingen niet ten koste mag gaan van de belasting- en premieopbrengsten, het toezicht en de dienstverlening aan burgers en bedrijven. De invulling van taakstellingen van voorgaande kabinetten heeft plaatsgevonden door efficiencymaatregelen in de ondersteunende processen en vereenvoudiging van regelgeving. Een deel van de besparingen moet nog worden gevonden in de huisvesting van de Belastingdienst. Deze huisvesting maakt onderdeel uit van een rijksbrede operatie om de huisvesting efficiënter en daardoor goedkoper te maken, waarvoor de Minister voor Wonen & Rijksdienst stelselverantwoordelijk is.

In het regeerakkoord is vanaf 2016 een aanvullende apparaatstaakstelling op de Rijksdienst opgenomen waaraan ook de Belastingdienst een bijdrage zal moeten leveren. Ook hiervoor is het streven veranderingen te laten plaatsvinden zonder wijziging van het kwaliteitsniveau van dienstverlening en toezicht en bij vereenvoudiging ook burgers en bedrijven mee te laten profiteren.

Fraudebestrijding

Het effectief voorkomen en bestrijden van fraude is één van de pijlers van het fiscale beleid. Belastingplichtigen moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid al het mogelijke doet om iedereen aan zijn verplichting te laten voldoen. Fraude schaadt de schatkist en daarmee andere belastingplichtigen. Daarom wordt streng opgetreden tegen burgers en bedrijven die op valse gronden verzoeken om teruggaven indienen of burgers die onrechtmatig toeslagen aanvragen. Ongewenst fiscaal gedrag uit zich bijvoorbeeld in schijnconstructies en het misbruik van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Om al deze vormen van misbruik tegen te gaan heeft het kabinet al maatregelen in gang gezet die in 2014 verder hun beslag moeten krijgen. 3 4 5 Ook de bestrijding van btw-carrouselfraude en de aanpak van witwassen krijgen in 2014 onverminderd aandacht, gezien de aanzienlijke financiële en maatschappelijke belangen die hiermee gemoeid zijn.

Aanpak toeslagfraude

De mogelijkheden om op frauduleuze wijze toeslagen aan te vragen worden in belangrijke mate beperkt door de maatregelen die zijn aangekondigd in de brief van 10 mei 2013. 6 Het kabinet werkt deze maatregelen uit in het Belastingplan 2014, zodat zij per 1 januari 2014 geïmplementeerd kunnen worden. De gedachte achter deze maatregelen is om fraude zoveel mogelijk aan het begin van het aanvraagproces te detecteren en te voorkomen. Daarom wordt in sommige gevallen van burgers extra informatie gevraagd, voordat tot uitbetaling wordt overgegaan. Dit kan er dus soms toe leiden, dat zij tot na deze aanvullende verificatie op een toeslagbetaling moeten wachten.

De kwaliteit van de gegevens in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens is voor het beperken van fraudemogelijkheden van groot belang. In de brief van 10 mei 2013 zijn hiervoor maatregelen aangekondigd.

2.2 De beleidsartikelen (Financiën)

Artikel 1 Belastingen

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 1 Belastingen

Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

Stand ontwerpbegroting (1)

mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Verplichtingen

3.297.439

 

3.297.439

74.200

3.371.639

28.391

28.946

26.096

25.916

                   

Uitgaven (1) + (2)

3.297.439

 

3.297.439

74.200

3.371.639

28.391

28.946

26.096

25.916

Waarvan juridisch verplicht

                 
                   

(1) Programma-uitgaven

406.614

 

406.614

– 4.000

402.614

2.000

2.000

   

Waarvan:

                 
                   

Rente

400.700

 

400.700

– 4.000

396.700

2.000

2.000

   

Belasting- en invorderingsrente

395.700

 

395.700

0

395.700

       

Rentevergoeding depotstelsel

5.000

 

5.000

– 4.000

1.000

2.000

2.000

   
                   

Bekostiging

5.914

 

5.914

0

5.914

       

Proceskosten

3.536

 

3.536

0

3.536

       

Overige programma-uitgaven

2.378

 

2.378

0

2.378

       
                   

(2) Apparaatsuitgaven

2.890.825

 

2.890.825

78.200

2.969.025

26.391

26.946

26.096

25.916

                   

Personele uitgaven

2.136.729

 

2.136.729

65.933

2.202.662

20.586

21.422

20.572

20.392

waarvan: Eigen personeel

1.971.326

 

1.971.326

16.681

1.988.007

15.586

16.422

15.572

15.392

waarvan: Inhuur externen

165.403

 

165.403

49.252

214.655

5.000

5.000

5.000

5.000

                   

Materiële uitgaven

754.096

 

754.096

12.267

766.363

5.805

5.524

5.524

5.524

waarvan: ICT

213.456

 

213.456

3.950

217.406

       

waarvan: Bijdrage SSO's

230.186

 

230.186

50

230.236

       
                   

Ontvangsten (3) + (4)

115.246.411

 

115.246.411

1.236.531

116.482.942

21.645

20.800

20.800

20.800

                   

(3) Programma-ontvangsten

115.226.789

 

115.226.789

1.230.531

116.457.320

15.645

14.800

14.800

14.800

Waarvan:

                 

Belastingontvangsten

114.368.836

 

114.368.836

1.213.766

115.582.602

       
                   

Rente

                 

Heffings- en invorderingsrente

468.000

 

468.000

 

468.000

       
                   

Boetes en schikkingen

                 

Ontvangsten boetes en schikkingen

192.677

 

192.677

6.765

199.442

5.645

4.800

4.800

4.800

                   

Bekostiging

                 

Kosten vervolging

197.276

 

197.276

10.000

207.276

10.000

10.000

10.000

10.000

                   

(4) Apparaatsontvangsten

19.622

 

19.622

6.000

25.622

6.000

6.000

6.000

6.000

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

Kasschuif rentevergoeding depotstelsel (– € 4 mln.)

Er is sprake van een kasschuif (– € 4 mln. in 2014, + € 2 mln. in 2015 en 2016) als gevolg van regelgeving die later in werking treedt en een hogere rente dan oorspronkelijk geraamd

Apparaatsuitgaven Belastingdienst (+ € 78,2 mln.)

De mutatie in de apparaatuitgaven betreft een saldopost van:

  • extra uitvoeringskosten van fiscale wet- en regelgeving (+ € 24,5 mln.);

  • extra apparaatsuitgaven in verband met werkzaamheden voor derden die worden doorbelast (+ € 6 mln.);

  • Extra ICT uitgaven om systemen en processen robuuster te maken (+ € 35 mln.);

  • hogere uitgaven als gevolg van extra werkzaamheden die voortvloeien uit het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (+ € 5,9 mln.);

  • hogere uitgaven (+ € 12 mln.) als gevolg van maatregelen in het kader van één bankrekeningnummer zoals opgenomen in de brief d.d. 3 maart 2014 (Kamerstukken II 2013–2014, 31 066, nr. 192);

  • Interdepartementale overboekingen en technische mutaties (per saldo – € 5,2 mln.).

Ontvangsten

Belastingontvangsten (+ € 1.213,7 mln.)

In de Voorjaarsnota 2014 worden de mutaties van de belastingontvangsten toegelicht. De aansluiting met de bedragen in de begrotingstoelichting (artikel 1 Belastingen, tabel budgettaire gevolgen van beleid) ziet er als volgt uit:

Aansluittabel art. 1

Stand vastgestelde begroting 2014

(1)

Mutaties 1ste suppletoire begroting

(2)

Stand 1ste suppletoire begroting

(3)=(1+2)

Totaal belastingontvangsten

136.771.184

1.393.458

138.164.642

-/- Afdracht Gemeentefonds

18.381.232

104.157

18.485.389

-/- Afdracht Provinciefonds

1.171.987

75.367

1.247.354

-/- Afdracht BTW-Compensatiefonds

2.816.420

971

2.817.391

-/- Afdracht BES-fonds

32.709

– 803

31.906

       

Belastingontvangsten IX

114.368.836

1.213.766

115.582.602

Boetes en schikkingen (+ € 6,8 mln.)

De mutatie betreft hogere boeteontvangsten als gevolg van de maatregel «Aanpak malafide uitzendondernemingen» zoals deze is opgenomen in de wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit.

(+ € 5,8 mln.). Daarnaast is de raming van de boeteontvangsten met € 1 mln. opgehoogd.

Kosten vervolging (+ € 10 mln.)

Wanneer een belastingplichtige niet op tijd een opgelegde aanslag betaalt, gaat de Belastingdienst over tot invordering. De kosten van de invordering – zoals de kosten van aanmaningen, dwangbevelen, beslagopdrachten, verkoopdrachten en de inzet van deurwaarders – worden doorbelast aan de belastingplichtigen. De verwachte, door te belasten uitgaven nemen met € 10 mln. toe. Deze toegenomen doorbelasting ziet op vervolgingskosten in het kader van het traject Intensivering Toezicht en Invordering (ITI).

Apparaatsontvangsten (+ € 6 mln.)

De Belastingdienst voert extra werkzaamheden uit voor derden. Deze extra kosten worden doorbelast.

Artikel 2 Financiële Markten

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 2 Financiële markten

Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Beleid maken voor een stabiele werking van financiele markten, met betrouwbare dienstverlening van financiele instellingen aan burgers en bedrijven.

Stand ontwerpbegroting (1)

mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Verplichtingen

57.004

 

57.004

7.994

64.998

3.613

2.796

2.178

2.178

                   

waarvan garantieverpichtingen

                 

Garantie kredietfaciliteit AFM

                 

Garantieregeling bancaire leningen

                 

Garantie en waarborg NWB

                 
                   

Uitgaven

57.004

 

57.004

7.994

64.998

3.613

2.796

2.178

2.178

Waarvan juridisch verplicht

                 
                   

Subsidies

964

 

964

6.771

7.735

       

Geldmuseum

530

 

530

– 530

0

– 530

– 530

– 530

– 530

CDFD

434

 

434

7.301

7.735

4.143

3.326

2.708

2708

                   

Bekostiging

13.775

 

13.775

– 178

13.597

       

Rechtspraak Financiële Markten

1.250

 

1.250

– 178

1.072

       

Muntcirculatie

12.385

 

12.385

 

12.385

       

Afname munten in circulatie

0

 

0

0

0

       

Overig

140

 

140

0

140

       
         

0

       

Opdrachten

270

 

270

1.490

1.760

       

Wijzer in geldzaken

270

 

270

1.490

1.760

       
                   

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

41.595

 

41.595

– 89

41.506

       

Bijdrage toezicht AFM

20.737

 

20.737

0

20.737

       

Bijdrage toezicht DNB

20.858

 

20.858

– 89

20.769

       
                   

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

400

 

400

0

400

       

Caribean Financial Action Taskforce

20

 

20

0

20

       

IASB

380

 

380

0

380

       
                   

Ontvangsten

162.931

 

162.931

– 48.384

114.547

       
                   

Garanties

155.554

 

155.554

– 55.918

99.636

4.918

3.301

2.708

2.708

feeopbrengsten gar. banc. leningen

155.554

 

155.554

– 55.918

99.636

       
                   

Bekostiging

5.184

 

5.184

 

5.184

       

ontvangsten muntwezen

5.184

 

5.184

 

5.184

       

toename munten in circulatie

0

               
                   

Overig

2.193

 

2.193

7.534

9.727

4918

3301

2708

2708

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

Geldmuseum (– € 0,5 mln.)

Nadat uit onderzoek is gebleken dat de continuïteit van het Geldmuseum niet meer was gegarandeerd zag het Ministerie van Financiën zich genoodzaakt de subsidierelatie met het Geldmuseum per 2014 te beëindigen. Het Geldmuseum sloot in november 2013 haar deuren. Voor een beheerste afwikkeling is in 2013 nog extra geld vrijgemaakt. Inmiddels is het beheer van de collectie overgedragen aan DNB.

CDFD (+ € 7,3 mln.)

Per 1-1-2014 heeft het Ministerie van Financiën een Centrale Examenbank (CE) waarmee erkende exameninstituten Wft-examens voor financieel adviseurs kunnen afnemen. Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) heeft het mandaat gekregen voor het inhoudelijke beheer van de CE. Voor deze extra taak is de subsidie met € 1 mln. verhoogd naar € 1,4 mln. De overige uitgaven hebben zowel betrekking op incidentele projectkosten als op structurele uitvoeringskosten, waaronder de uitvoering van het functionele – en technische beheer en gebruik van de CE-applicatie door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Ten slotte wordt er in 2014–2016 geinvesteerd in de verdere vulling van de CE met extra examenvragen. Hiervoor heeft een aanbesteding plaatsgevonden. Na 2014 zullen de uitgaven geleidelijk dalen (met name omdat de grootste investeringen zijn gedaan) tot een niveau van circa € 2,7 mln per jaar. Ter dekking van de jaarlijkse uitgaven betalen exameninstituten per afgenomen examen leges aan het Ministerie.

Rechtspraak Financiële Markten (– € 0,2 mln.)

De mutatie houdt grotendeels verband met het overschot dat de accountantskamer in 2013 heeft gerealiseerd. Het overschot is met name toe te schrijven aan een zuinig uitgavenbeleid van de accountantskamer en een begrote uitbreiding van de formatie die pas halverwege het jaar (2013) kon worden gerealiseerd.

Wijzer in Geldzaken (+ € 1,5 mln.)

De verhoging van de begroting voor Wijzer in geldzaken komt voort uit het feit dat de financiële sector – via de koepels van banken, verzekeraars en pensioenfondsen – bijdraagt aan het platform.

Bijdrage toezicht DNB (– € 0,1 mln.)

De restitutie heeft voornamelijk te maken met lager dan begrote kosten voor het Financieel Expertise Centrum.

Ontvangsten

Fee garantieregeling bancaire leningen (– € 55,9 mln.)

Als onderdeel van de exit-strategie wordt sinds 1 januari 2011 aan banken die onder de garantieregeling leningen hadden uitgegeven de mogelijkheid geboden gegarandeerde leningen terug te kopen. ABN AMRO, NIBC, Achmea, leaseplan en ING hebben vervroegd een deel van hun gegarandeerde lening afgelost. Door het vervroegd aflossen van de garantie bancaire lening wordt er in 2014 minder fee ontvangen dan geraamd. Voor deze transactie is in eerdere jaren een closing out fee betaald aan de staat ter compensatie van de naar beneden bijgestelde meerjarige premie-inkomsten.

Overige programmaontvangsten (+ € 7,5 mln.)

De overige ontvangsten zijn opwaarts bijgesteld door een technische mutaties (desaldering) voor Wijzer en Geldzaken (+ € 1,2 mln.) en de ontvangsten van de centrale examenbank (+ € 6,5 mln). Tevens wordt er minder premie ontvangen voor de garantie terrorismepool (– € 0,2 mln), omdat het risico is afgenomen.

Artikel 3 Financierings-activiteiten publieke sector

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 3 Financierings-activiteiten publiek private sector

Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiele en materiele activa van de Staat.

Stand ontwerpbegroting (1)

mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Verplichtingen

303.866

 

303.866

– 217.718

86.148

4.948

4.948

4.948

4.948

waarvan betalingsverplichting:

                 

Overbruggingskrediet SNS

                 

Kapitaalinjectie SNS

                 
                   

waarvan garantieverplichting:

                 

Garantie DNB

                 
                   

Uitgaven

1.652.866

3.748.000

5.400.866

– 2.592.707

2.808.159

4.948

4.948

4.948

4.948

Waarvan juridisch verplicht

                 
                   

Vermogensverschaffing

                 

Kapitaaluitbreiding TenneT

                 

Uitkering superdividend NS

                 
                   

Bijdrage aan RWT

                 

NLFI (voorheen STAK)

5.052

 

5.052

12.048

17.100

4.948

4.948

4.948

4.948

                   

Lening

1.638.000

 

5.386.000

 

2.778.475

       

Management fee IABF

24.000

 

24.000

– 23.726

274

       

Funding fee IABF

1.614.000

3.748.000

5.362.000

– 2.583.799

2.778.201

       

overbruggingskrediet SNS

                 
                   

Garantie

                 

Regeling BF

100

 

100

 

100

       

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4.800

 

4.800

 

4.800

       
                   

Opdrachten

                 

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

4.914

 

4.914

2.770

7.684

       
                   

Ontvangsten

4.864.748

3.747.000

8.611.748

– 942.650

7.669.098

– 29.949

124.651

149.651

174.651

                   

Vermogensonttrekking

                 

Opbrengst onttrekking vermogenstitels

                 

Dividend staatsdeelnemingen

397.497

 

397.497

137.503

535.000

65.103

119.703

144.703

169.703

Winstafdracht DNB

1.166.000

 

1.166.000

– 47.362

1.118.638

       

waarvan SMP-Griekenland

 

138.000

– 3.103

134.897

       

waarvan investeringsportefeuille DNB

 

45.000

– 10.377

34.623

       

Afdrachten Holland Casino

0

               

Afdrachten Staatsloterij

96.000

 

96.000

 

96.000

       

Opbrengst verkoop vermogenstitels

               

Dividend financiële instellingen

400.000

 

400.000

 

400.000

       
                   

Bijdrage aan RWT

                 

NLFI (voorheen STAK)

4.300

 

4.300

11.109

15.409

4.948

4.948

4.948

4.948

                   

Leningen

                 

Verwachte portefeuille ontvangsten IABF

1.459.000

3.878.000

5.337.000

– 1.106.083

4.230.917

       

Garantie fee IABF

52.000

– 52.000

             

Additionele fee IABF

34.000

 

34.000

– 32.771

1.229

       

Additionele garantie fee IABF

79.000

– 79.000

0

164

164

       

Verhandelbaarheidsfee IABF

15.000

 

15.000

– 14.385

615

       

Aflossing kapitaalversterkingen ING,

750.000

 

750.000

66.667

816.667

– 66.667

     

Aegon en SNS Reaal

                 

Couponbetaling en/of boetebetaling kapitaalversterking ING, Aegon en SNS Reaal

375.000

 

375.000

33.333

347.015

– 33.333

     

Renteontvangsten Mandatory Convertible Note

0

 

0

       

Renteontvangsten SNS krediet

6.596

 

6.596

 

6.596

       
                   

Garantie

                 

Regeling BF

0

               

Premie-ontvangsten garantie Tennet

4.800

 

4.800

 

4.800

       

Premie-inkomsten Capital Relief Instrument

                 

Premie-inkomsten counter indemnity

25.555

 

25.555

 

25.555

       
                   

Opdrachten

                 

Terug te vorderen uitvoeringskosten

   

9.175

9.175

       

staatsdeelnemingen

                 

Toelichting

Verplichtingen

Uitgaven

NLFI (+ € 12,0 mln.)

De begroting van NLFI is naar boven bijgesteld, omdat SNS REAAL en PF aan NLFI zijn overgedragen en door de verwachte verkooptrajecten, waaraan advieskosten zijn verbonden. Het oorspronkelijke begrote bedrag aan uitgaven was € 5,1 mln. Vanaf 2015 is de verwachting dat de kosten voor NLFI stijgen met € 4,9 mln. tot € 10,0 mln. De verwachting is dat de inkomsten met betrekking tot NLFI ook stijgen met € 4,9 mln. tot € 9,3 mln., doordat de kosten voor het grootste deel aan de financiële instellingen worden doorbelast. Door het navenant stijgen van de kosten en inkomsten blijft naar verwachting het door de Staat te betalen bedrag per saldo gelijk.

IABF (– € 2,6 mld.)

De uitgaven zijn lager dan verwacht, omdat in 2013 al een deel van de verplichting aan ING versneld is afgelost. Dit was mogelijk met de opbrengsten uit de veiling van een deel van de Alt-A portefeuille in december 2013. Het restant van de lening is begin 2014 afgelost aan ING (zie kamerstukken II 2013–2014 31 371 nr. 380).

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 2,8 mln.)

Als gevolg van de ontwikkelingen rondom URENCO (zie kamerstukken II 2012–2013, 28 165, nr. 161) en de daarmee samenhangende (advies)kosten (circa € 2,0 mln.) wordt verwacht dat de uitvoeringskosten staatdeelnemingen hoger uitvallen en uitkomen op € 7,7 mln. Verder is voor de advieskosten kredietcrisis in 2014 € 0,8 mln. extra nodig vanwege de nationalisatie van SNS REAAL en de verkoop van de ALT-A portefeuille van ING.

Ontvangsten

Dividend Staatdeelnemingen (+ € 137,5 mln.)

De dividenden van staatsdeelnemingen vallen mee. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door hogere dan verwachte dividenduitkeringen van UCN, Gasunie en Schiphol.

Winstafdracht DNB (– € 47,4 mln)

De winstafdracht DNB voor 2014 (DNB boekjaar 2013) is lager dan geraamd. Dit leidt tot een bijstelling van € 47,4 mln. De winst valt lager uit door minder opbrengsten uit de OMO van de ECB en door lagere vermogenswinsten.

NLFI (+ € 11,1 mln.)

Zie toelichting onder uitgaven «NLFI». Naast deze mutatie heeft ook het volgende zich voorgedaan: ABN AMRO neemt economisch eigendom N-aandelen RFS over van de staat.

ABN AMRO heeft voor één euro het economische eigendom van de zogenaamde RFS N-Share overgenomen van de Staat, wat de bestaande afspraken expliciteert waarin ABN AMRO «de lusten en lasten» draagt van de N-share.

In RFS zitten de resterende zogenaamde shared assets van het voormalige consortium RBS, Fortis en Santander. NLFI is aandeelhouder in RFS Holdings B.V. (RFS). De N-share is het alleen door de Nederlandse Staat gehouden deel, waarin activiteiten zitten die nog moeten worden overgedragen aan ABN AMRO. In de N-share zit materieel alleen nog een Indiaas diamantenbedrijf (ID&J). Overdracht van het juridische eigendom aan ABN hiervan kan nog niet i.v.m. het ontbreken van toestemming van de Indiase regulator.

RFS moet vanaf begin 2014 voldoen aan aangepaste kapitaaltoezichteisen, wat het gevolg is van Europese Regelgeving (CRD IV en CRR). Momenteel wordt het kapitaal door ABN AMRO aan RBS geleend, die dit vervolgens inbrengt als eigen vermogen in de N-Share. Deze constructie is met de nieuwe regelgeving niet langer mogelijk, omdat de doorgestorte lening niet langer als eigen vermogen wordt gezien. Derhalve moet een nieuwe constructie gecreëerd worden waarmee ABN AMRO het kapitaal verstrekt. Dat is met de overdracht van het economische eigendom gerealiseerd.

IABF (– € 1,2 mld.)

De ontvangsten zijn lager dan geraamd omdat in december 2013 al een deel van de Alt-A portefeuille is verkocht. Het restant van de portefeuille is begin 2014 verkocht (zie kamerstukken II 2013–2014 31 371 nr. 380).

Aflossing kapitaalversterking ING (+ € 66,6 mln.) en couponbetaling ING (+ € 33,3 mln.)

Op 31 maart 2014 heeft ING weer een tranche terugbetaald van de kapitaalinjectie. Het gaat om een betaling van € 1,225 mld., € 100 mln. meer dan geraamd. Hiermee wordt € 817 mln. van de kapitaalinjectie afgelost, € 61 mln. is rente (coupon), de rest € 347 mln.is premie (repurchase fee).

Doorbelasting uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 9,2 mln.)

De terug te vorderen uitvoeringskosten in 2014 bedragen € 9,2 mln. € 1,5 mln. van de uitvoeringskosten staatsdeelnemingen wordt doorbelast aan de houdstermaatschappij van de Nederlandse aandelen in URENCO (UCN).Tevens wordt € 0,8 mln. van de advieskosten kredietcrisis doorbelast aan SNS REAAL en ING. In 2013 zijn niet alle ontvangsten van doorbelastingen van de kosten met betrekking tot SNS REAAL en de IABF-portefeuille gerealiseerd. De verwachting is dat deze ontvangsten (€ 6,9 mln.) in 2014 gerealiseerd zullen worden.

Artikel 4 Internationale financiële betrekkingen

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 4 Internationale financiële betrekkingen

Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling

Stand ontwerpbegroting (1)

mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Verplichtingen

1.081.076

 

1.081.076

1.500

1.082.576

– 1.500

– 1.500

0

0

                   

waarvan

                 

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

842.590

 

842.590

 

842.590

       

Garantie aan DNB inzake IMF en BIS

113.445

 

113.445

 

113.445

       

Uitkering aan Griekenland

125.041

 

125.041

 

125.041

       
                   

Uitgaven

1.119.514

 

1.119.514

1.089

1.120.603

549

1.500

0

59.253

Waarvan juridisch verplicht

                 
                   

Deelname aan internationale instellingen

994.473

 

994.473

– 411

994.062

– 951

   

59.253

Multilarerale ontwikkelingsbanken en fondsen

79.753

 

79.753

– 411

79.342

– 951

   

59.253

ESM

914.720

 

914.720

 

914.720

       
                   

Opdrachten

0

 

0

1.500

1.500

1.500

1.500

   

Technische Assistentie Kiesgroeplanden

0

 

0

1.500

1.500

1.500

1.500

   
                   

Bijdrage uit inkomen griekse obligaties

125.041

 

125.041

 

125.041

       

Uitkering aan Griekenland

125.041

 

125.041

 

125.041

       
                   

Ontvangsten

29.970

 

29.970

– 4.896

25.074

0

0

0

0

                   

Deelname aan internationale instellingen

4.418

 

4.418

 

4.418

       

Ontvangsten IFI's

4.418

 

4.418

 

4.418

       
                   

Lening

25.552

 

25.552

– 4.896

20.656

       

Rente ontvangsten lening Griekenland

25.552

 

25.552

– 4.896

20.656

       

Toelichting

Uitgaven

Multilaterale ontwikkelingsbanken en fondsen (+ € 0,4 mln.)

Dit betreft een wijziging naar aanleiding van een nieuwe raming van de euro/dollar koers.

Technische assistentie kiesgroeplanden (+ € 1,5 mln.)

Voor 3 jaar is budget gereserveerd voor technische assistentie voor landen in de Nederlandse IMF/WB kiesgroep. De assistentie is vooral gericht om de landen te ondersteunen in hun financieel-economische beleid, daarbij wordt gebruik gemaakt van Nederlandse expertise. Dit budget is afkomstig van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Ontvangsten

Rente ontvangsten Griekenland (– € 4,9 mln.)

De rente ontvangsten van Griekenland zijn neerwaarts bijgesteld wegens een retroactieve correctie. Het besluit om de renteopslag op de bilaterale leningen onder de Greek Loan Facility te verlagen van 150 basispunten naar 50 basispunten is door de Eurogroep in december 2012 al besloten. Met terugwerkende kracht is deze renteverlaging geëffectueerd voor de periode, waarin de nationale procedures in enkele lidstaten van de eurozone over de verlaging van de opslag nog liepen en Griekenland nog de oorspronkelijke hogere renteopslag betaalde.

Artikel 5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties

Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico's die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

Stand ontwerpbegroting (1)

mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Verplichtingen

10.616.386

 

10.616.386

0

10.616.386

       

waarvan garantieverplichtingen:

10.603.780

 

10.603.780

 

10.603.780

       

Reguliere EKV

10.000.000

 

10.000.000

 

10.000.000

       

Investeringsverzekeringen

453.780

 

453.780

 

453.780

       

MIGA

150.000

 

150.000

 

150.000

       
                   

Uitgaven

110.006

 

110.006

0

110.006

       

Waarvan juridisch verplicht

                 
                   

Exportkredietverzekering

97.400

 

97.400

 

97.400

       

Schade-uitkering EKV

96.900

 

96.900

 

96.900

       

Schade-uitkering investeringsverzekeringen

500

 

500

 

500

       

Schade-uitkering MIGA

                 

Schade-uitkering Omzetpolissen

                 

Uitgaven Seno-Gom

                 
                   

Opdrachten

                 

Kostenvergoeding Atradius DSB

12.606

 

12.606

 

12.606

       
                   

Ontvangsten

99.500

 

99.500

41.441

140.941

       

Premies EKV

40.000

 

40.000

5.142

45.142

       

Premies investeringsverzekeringen

1.250

 

1.250

 

1.250

       

Schaderestituties EKV

28.000

 

28.000

 

28.000

       

Ontvangsten Seno-Gom

29.750

 

29.750

36.299

66.049

       

Overige ontvangsten

500

 

500

 

500

       

Toelichting

Verplichtingen, Uitgaven en Ontvangsten

Premies EKV (+ € 5,1 mln.)

De bijstelling van de premieraming voor 2014 wordt veroorzaakt door verzekeringsaanvragen waarvan in eerste instantie werd verwacht dat deze nog voor het einde van 2013 tot premiebetaling zouden leiden, maar die uiteindelijk toch pas over de jaargrens zijn gerealiseerd.

Ontvangsten Seno-gom (+ € 36,3 mln.)

Door de volledige vrijval van de Seno-Gom begrotingsreserve nemen de ontvangsten Seno-Gom met € 36,3 mln. toe.

Artikel 6 BTW-compensatiefonds

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 6 BTW-compensatiefonds

Bedragen x € 1.000

Algemene doelstelling: Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio's hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

Stand ontwerpbegroting (1)

mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Verplichtingen

2.816.420

 

2.816.420

971

2.817.391

       
                   

Uitgaven

2.816.420

 

2.816.420

971

2.817.391

       

Waarvan juridisch verplicht

       

100%

       
                   

Instrument: Btw-compensatieregeling

2.816.420

 

2.816.420

971

2.817.391

       

w.v. bijdragen aan gemeenten/kaderwetgebieden

2.490.095

 

2.490.095

50

2.490.145

       

w.v. bijdragen aan provincies

326.325

 

326.325

921

327.246

       
                   

Ontvangsten

2.816.420

 

2.816.420

 

2.817.391

       

Toelichting

Verplichtingen, uitgaven en ontvangsten

Enkel technische mutaties.

Artikel 7 Beheer materiële activa

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 7 Beheer materiële activa

Bedragen x € 1.000

Algemene doelstelling: Een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksbeleidsdoelstellingen.

Stand ontwerpbegroting (1)

mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Verplichtingen

306

 

306

 

306

       
                   

Uitgaven

306

 

306

 

306

       

Waarvan juridisch verplicht

                 
                   

Beheerskosten DRZ

306

 

306

 

306

       
                   

Ontvangsten

1.800

 

1.800

 

1.800

       
                   

Vervreemding DRZ

1.800

 

1.800

 

1.800

       

2.3 De beleidartikelen van Nationale Schuld (IXA)

Artikel 11

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 Financiering Staatsschuld Bedragen x € 1 mln.

Algemene beleidsdoelstelling: Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4=2+3)

Totaal Uitgaven

41.563

46.580

2.850

49.430

         

Totaal Programma-uitgaven

41.537

46.558

2.850

49.408

         

Totaal Rentelasten

9.354

9.117

– 151

8.966

Rentelasten vaste schuld

9.153

8.845

– 162

8.683

Rentelasten vlottende schuld

202

150

– 57

93

Uitgaven voortijdige beëindiging

0

121

68

189

         

Aflossing vaste schuld

32.182

36.294

4.148

40.442

Mutatie vlottende schuld

0

1.147

– 1.147

0

         

Overige kosten schulduitgifte

26

22

0

22

         

Totaal Ontvangsten

48.529

50.364

4.451

54.815

         

Totaal Programma- ontvangsten

48.529

50.364

4.451

54.815

         

Totaal Rentebaten schuld

217

364

41

405

Rentebaten vaste schuld

106

257

40

297

Rentebaten vlottende schuld

110

107

1

108

Ontvangsten voortijdige beëindiging

0

0

0

0

         

Uitgifte vaste schuld

48.312

50.000

0

50.000

Mutatie vlottende schuld

0

0

4.410

4.410

Toelichting

Uitgaven en ontvangsten (+ € 2,9 mld. en + € 4,5 mld.)

Conform Europese voorschriften (ESR 95) worden inkomsten en uitgaven voor de staatsschuld op transactiebasis begroot en verantwoord.

Aflossing en uitgifte vaste schuld (+ € 4,1 mld. en € 0) en mutatie vlottende schuld (– € 1,1 mld. en + € 4,4 mld.)

Sinds 2012 hanteert het Agentschap een permanente terugkoopfaciliteit voor staatsobligaties. Daarbij worden staatobligaties ingekocht die anders in het lopende jaar of in het volgende jaar zouden aflossen. Hierdoor worden aflossingspieken verminderd en verbetert het kasbeheer doordat kas overschotten worden gereduceerd. In 2014 is er tot nu voor € 8,3 mld. aan obligaties ingekocht die anders in 2015 zouden aflossen. De aflossingen vaste schuld stijgen hierdoor met dit bedrag. Gerekend vanaf de eerste suppletoire begroting gaat het om een bedrag van € 4,1 mld. Het inkopen van staatsobligaties zorgt ook voor uitgaven bij voortijdige beeindiging. Vanwege de de dalende rente is de inkoopprijs van de staatsobligaties meestal hoger dan de nominale waarde. Tegenover deze uitgaven aan voortijdige beeindiging staan uiteraard wel lagere rentelasten: op ingekochte obligaties hoeft geen rente meer te worden betaald.

In de eerste suppletoire begroting werd rekening gehouden met een daling van de vlottende schuld met € 1,1 mld. Ten tijde van de tweede suppletoire begroting wordt een toename van de vlottende schuld met € 4,4 mld. verwacht. Deze toename staat aan de ontvangstenkant van het artikel (een toename van de schuld is een ontvangst voor het Rijk).Deze toename van de vlottende schuld wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging van het onderpand dat tegenpartijen bij de Staat aanhouden. Ook het inkopen van staatsobligaties leidt tot een hogere vlottende schuld.

Rentelasten en rentebaten (– € 151 mln. en + € 41 mln.)

Sinds de eerste suppletoire begroting zijn de rentetarieven die de Staat op de geld- en kapitaalmarkt betaalt verder gedaald. Hierdoor worden de rentelasten op de vaste- en vlottende schuld nu lager geraamd. De lagere rentetarieven zorgen ook voor hogere netto rentebaten op de afgesloten renteswaps (rentebaten vaste schuld).

Artikel 12

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 Kasbeheer Bedragen x € 1 mln.

Algemene beleidsdoelstelling: Het optimaliseren van het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist gelieerd.

Stand vastgestelde begroting (na nota van wijziging, amendementen en ISB) (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4 = 2+3)

Totaal Uitgaven

7.178

5.605

2.416

8.021

         

Totaal Programma-uitgaven

7.178

5.605

2.416

8.021

         

Rentelasten

42

59

4

62

Verstrekte leningen

1.267

2.179

– 198

1.982

Mutaties in rekening-courant en deposito’s

5.869

3.367

2.609

5.977

         

Totaal Apparaatuitgaven

         

Totaal Ontvangsten

3.120

3.249

2.686

5.935

         

Totaal Programmaontvangsten

3.120

3.249

2.686

5.935

         

Rentebaten

442

417

– 11

405

Ontvangen aflossingen

2.678

2.832

– 5

2.827

Mutaties in rekening-courant en deposito’s

2.703

2.703

Toelichting

Algemeen

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit vier onderdelen: rentelasten en rentebaten, mutaties in leningen en aflossingen, mutaties in rekening-courant en deposito’s en uitgaven en ontvangsten bij vroegtijdige beëindiging van leningen.

Uitgaven en ontvangsten (+ € 2,4 mld. en + € 2,7 mld.)

Rentelasten en rentebaten (+ € 4 mln. en – € 11 mln.)

Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen door het Rijk aan de deelnemers aan het schatkistbankieren over hun aangehouden middelen (in rekening-courant en deposito’s). De rentebaten bestaan uit de rente die deelnemers aan het Rijk betalen op hun leningen en rekening-courant kredieten. De lagere rente-ontvangsten ad € – 11 mln. worden voornamelijk veroorzaakt doordat de gehanteerde rentetarieven gedurende 2014 zijn gedaald. Deelnemers betalen hierdoor minder rente op nieuwe leningen en op roodstanden op hun rekening-courant dan eerder geraamd. Tegelijkertijd is de roodstand van alle sociale fondsen gezamenlijk toegenomen, waardoor ze rente betalen over een groter bedrag. Ten slotte is het aantal nieuwe leningen lager dan eerder werd geraamd. De drie effecten zorgen per saldo voor lagere rente-ontvangsten. Ondanks de gedaalde rentetarieven is er toch een kleine stijging van de rentelasten ad € 4 mln. Deze wordt veroorzaakt doordat de ander deelnemers (agentschappen, RWT’s en decentrale overheden) meer middelen zijn gaan aanhouden in hun rekeningen-courant en deposito’s dan in de eerste suppletoire wet werd voorzien.

Verstrekte leningen en ontvangen aflossingen (€ – 198 mln. en – € 5 mln.)

In de tweede suppletoire begroting zijn de tot nu afgesloten en afgeloste leningen verwerkt. Het bedrag aan verstrekte leningen is lager (€ – 198 mln.) dan eerder geraamd. Het bedrag aan aflossingen valt ook wat lager (€ 5 mln.) uit.

Uitgaven en ontvangsten mutaties in rekening-courant en deposito’s (+ € 2,6 mld. en + € 2,7 mld.)

Sinds de ontwerpbegroting Financiën (IX) wordt deze post niet langer gesaldeerd weergegeven, waardoor er tegelijkertijd zowel uitgaven- als ontvangstenmutaties kunnen worden gepresenteerd. De mutatie aan de uitgavenkant wordt veroorzaakt doordat de sociale fondsen gezamenlijk meer rood zijn gaan staan op hun rekening-courant. Hierdoor zijn de uitgaven met € 1,5 mld. naar boven bijgesteld. Daarnaast zorgt het desalderen van deze post voor € 1,1 mld. hogere uitgaven en ontvangsten ten opzichte van de eerste suppletoire begroting. Aan de ontvangstenkant staat de instroom van middelen van de andere groepen deelnemers. Deze deelnemers (agentschappen, RWT’s en decentrale overheden) houden op dit moment gezamenlijk € 1,6 mld. meer middelen in de schatkist aan dan ten tijde van de eerste suppletoire begroting werd verwacht.

2.1.3 De begroting op hoofdlijnen

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de samenstelling en ontwikkeling van de uitgaven en ontvangsten op begrotingshoofdstuk IX (Financiën en Nationale Schuld). In deze paragraaf wordt onderscheid gemaakt tussen de uitgaven en ontvangsten van de (niet-) beleidsartikelen 1 tot 10 en de beleidsartikelen 11 en 12.

Beleidsartikelen Ministerie van Financiën

De totale uitgaven op de artikelen 1 tot en met 10 bedragen € 9,2 mld. Hiervan is € 3,1 mld. apparaat (inclusief apparaat agentschap Domein Roerende Zaken (DRZ), zie grafiek 1). De overige uitgaven zijn programma-uitgaven (€ 6,2 mld., zie grafiek 2). De apparaatsuitgaven van de Belastingdienst worden in artikel 1 toegelicht, de apparaatsuitgaven van het kerndepartement in artikel 8 en de apparaatsuitgaven van het agentschap DRZ in hoofdstuk 3.

Grafiek 1: Verdeling Apparaat Financiën (x € 1.000)

Grafiek 1: Verdeling Apparaat Financiën (x € 1.000)

Grafiek 2: Verdeling programma-uitgaven begroting IX Financiën (x € 1.000)

Grafiek 2: Verdeling programma-uitgaven begroting IX Financiën (x € 1.000)

De programma-uitgaven worden per artikel nader toegelicht. De grootste programma-uitgaven zijn: BTW-compensatiefonds (€ 2,8 mld., artikel 6), uitgaven voor de IABF (€ 1,6 mld., artikel 3) en garanties voor het ESM (€ 0,9 mld., artikel 4).

Grafiek 3: Niet-belastingontvangsten begroting IX Financiën (x € 1.000)

Grafiek 3: Niet-belastingontvangsten begroting IX Financiën (x € 1.000)

In grafiek 3 wordt een overzicht gegeven van de programmaontvangsten op de departementale begroting van Financiën. De grootste programmaontvangsten zijn ontvangsten uit het IABF (€ 1,6 mld., artikel 3), Winstafdracht DNB (€ 1,2 mld., artikel 3) en de ontvangen aflossingen en couponbetaling op de kapitaalverstrekkingen aan financiële instellingen (€ 1,1 mld., artikel 3).

Grafiek 4: Verleende garanties begroting IX Financiën (* € 1 mln.)

Grafiek 4: Verleende garanties begroting IX Financiën (* € 1 mln.)

In grafiek 4 wordt een overzicht gegeven van de verleende garanties op de begroting van Financiën. De grootste garanties zijn verleend aan het EFSF (€ 49,6 mld., artikel 4), DNB – deelneming in kapitaal IMF (€ 46,5 mld., artikel 4) en het ESM (€ 35,4 mld., artikel 4).

Grafiek 5: Overzicht Uitgaven en Ontvangsten begroting IX Financiën

Grafiek 5: Overzicht Uitgaven en Ontvangsten begroting IX Financiën

De hogere uitgaven in 2013 worden voornamelijk veroorzaakt door de nationalisatie van SNS. Voor meer informatie over de belastingontvangsten wordt verwezen naar de Miljoenennota.

Beleidsartikelen Nationale Schuld

In deze paragraaf wordt de verwachte staatsschuld aan het einde van ieder jaar weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentekosten. Het betreft de staatsschuld. De schuldtoerekening als gevolg van de IABF (Illiquid Asset Backup Facility met ING) en de EFSF (European Financial Stability Facility) zijn niet meegenomen. Deze worden verantwoord in artikel 3.

Grafiek 6: Overzicht Staatsschuld en Rentekosten artikel 11

Grafiek 6: Overzicht Staatsschuld en Rentekosten artikel 11

De omvang van de staatsschuld (artikel 11) ultimo 2014 bedraagt naar verwachting circa € 394 mld. De raming voor de rentekosten in 2014 bedraagt € 8,7 mld. De onderstaande tabel geeft ook de interne schuldverhouding met aan de schatkist gelieerde instellingen weer, zoals rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), Sociale Fondsen en zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s).

Tabel 1: Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties (in € 1 mld.)
 

2012

2013

2014

EMU-schuld

427

451

466

Staatsschuld 1

356

378

394

Schuldverhouding met ABN AMRO

3,8

3,8

3,6

Interne schuldverhouding (artikel 12)

– 21,3

– 31,4

– 35,8

Rentekosten staatsschuld

10,3

9,7

9,2

Rentekosten schuldverhouding ABN AMRO

– 0,2

– 0,1

– 0,1

Rentekosten staatsschuld (artikel 11)

10,1

9,6

9,1

Rentekosten interne schuldverhoudingen (artikel 12)

– 0,5

– 0,5

– 0,4

Rentekosten totaal (artikel 11 en 12)

9,6

9,1

8,7

1

Exclusief de schuldtoerekening vanwege de IABF (Illiquid Assets Back-up Facility met ING), en EFSF (European Financial Stability Facility). Deze worden verantwoord in artikel 3.

2.2 De niet-beleidsartikelen

Artikel 8 Centraal Apparaat

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 8 Centraal Apparaat

Bedragen x € 1.000

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van Financiën met uitzondering van de Belastingdienst (zie artikel 1) en de baten-lastendienst DRZ.

Stand ontwerpbegroting (1)

mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Verplichtingen

204.688

 

204.688

4.118

208.806

       
                   

Uitgaven

204.688

 

204.688

4.118

208.806

6.915

6.847

6.850

6.850

Waarvan juridisch verplicht

                 
                   

Personeel Kerndepartement

131.714

 

131.714

5.296

137.010

       

waarvan eigen personeel

127.895

 

127.895

4.153

132.048

8.437

7.752

7.672

7.672

waarvan inhuur externen

3.293

 

3.293

398

3.691

84

     

waarvan overig personeel

526

 

526

745

1.271

– 300

– 300

– 300

– 300

                   

Materieel Kerndepartement

72.974

 

72.974

– 1.178

71.796

       

waarvan ICT

12.041

 

12.041

– 2.236

9.805

– 3.030

– 2.880

– 2.880

– 2.880

waarvan bijdrage aan SSO's

26.822

 

26.822

11.354

38.176

6.203

6.207

6.210

6.210

waarvan overig materieel

34.111

 

34.111

– 10.296

23.815

– 4.479

– 3.932

– 3.852

– 3.852

         

0

       

Ontvangsten

30.385

 

30.385

395

30.780

– 4.070

– 4.070

– 4.070

– 4.070

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

Personeel kerndepartement (+ € 5,3 mln.)

De uitgaven van het personeel op het kerndepartement zijn toegenomen. De voornaamste verklaring is dat de auditdienst van het Ministerie van Defensie per 1 april 2014 is overgeheveld naar de Auditdienst Rijk (ADR), die onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Financien valt. Het Ministerie van Defensie heeft hiervoor structureel budget overgeheveld naar het Ministerie van Financien. Bij overig personeel wordt de afname verklaard door het vervallen van de tijdelijke maatregel IABF van de Nederlandse Staat aan ING.

Materieel kerndepartement (– € 1,2 mln.)

De uitgaven aan materieel kerndepartement zijn afgenomen (– € 1,2 mln.). Dit betreft een optelsom van meerdere toe- en afnames in uitgaven. De grootste wijzigingen zijn de aansluiting van de auditdienst van het Ministerie van Defensie en de structurele verlaging bij de uitgaven en ontvangsten bij het Bureau Schade Afwikkeling vanwege het vertrek uit het Omslagstelsel Rijkswagenpark van het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD) naar de Nationale Politie. Tevens hebben er verschuivingen plaatsgevonden van overig materieel naar de bijdrage aan SSO's. Dit heeft te maken met de overgang van ICT dienstverlening naar de SSC-ICT en met de overgang van de chauffeurs naar FM Haaglanden.

Ontvangsten

Apparaatsontvangsten ( + € 0,4 mln.)

Zie toelichting onder materieel kerndepartement.

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien

Budgettaire gevolgen van beleid – beleidsartikel 10 Nominaal en onvoorzien

Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstelling naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen IX plaats. Dit artikel is ook bedoeld om eventuele onzekere ontwikkelingen op de begroting op te vangen.

Stand ontwerpbegroting (1)

mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Verplichtingen

3.425

 

3.425

2.617

6.042

2.134

2.658

2.724

2.633

                   

Uitgaven

3.425

 

3.425

2.617

6.042

2.134

2.658

2.724

2.633

Waarvan juridisch verplicht

                 
                   

Onvoorzien

3.425

 

0

– 3.425

– 3.425

– 2.948

– 2.100

– 1.972

– 1.792

Loonbijstelling

   

0

4.353

4.353

4.173

4.083

4.011

3.975

Prijsbijstelling

   

0

1.689

1.689

909

675

685

450

                   

Ontvangsten

0

 

0

0

0

       

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

Onvoorzien (– € 3,4 mln.)

Het resterende budget op het onderdeel onvoorzien is vrijgevallen.

Loon- en prijsbijstelling (+ € 4,3 mln. en + € 1,7 mln.)

De mutatie betreft de uitkering van de loon- en prijsbijstelling. Deze wordt nog verdeeld binnen hoofdstuk IX.

2.1.4 Beleidsdoorlichtingen

Beleidsdoorlichtingen:
 

(Realisatie)

(planning)

Artikel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Financiën

             

1 Belastingen

             

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgt er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

     

     

2 Financiële Markten

             

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

         

 

3 Financieringsactiviteiten publieke-private sector

             

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

 

   

   

4 Internationale Financiële Betrekkingen

             

Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

     

     

5 Exportkrediet- en investeringsverzekeringen

             

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

   

 

   

6 Btw-compensatiefonds

             

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

       

   

7 Beheer Materiële Activa

             

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

 

     

 

Overig

             

Financieel en Economisch beleid van de overheid

       

   
               

Nationale schuld

             

11 Financiering Staatsschuld

             

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting

     

     

12 Kasbeheer

             

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

   

     

Toelichting:

In de Regeling periodiek evaluatieonderzoek (RPE) is vastgelegd dat al het beleid met een zekere regelmaat dient te worden geëvalueerd in een beleidsdoorlichting. Dit kan bijvoorbeeld eens in de vier jaar en ten minste eens in de zeven jaar. Er moet volgens RPE sprake zijn van een dekkende programmering van beleidsdoorlichtingen. De bovenstaande meejarige programmering van beleidsdoorlichtingen voor Financiën is dekkend en voldoet aan de RPE voorschriften.

In 2013 worden twee beleidsdoorlichtingen bij Financiën afgerond. De beleidsdoorlichting over Staatsdeelnemingen is vanwege de samenloop met het Interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) Staatsdeelnemingen samengevoegd. Het IBO is recentelijk afgerond en naar de Kamer gestuurd. De beleidsdoorlichting bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ) betreft het gehele beleidsartikel en bevindt zich nu in de eindfase. Deze zal binnenkort naar de Kamer worden gestuurd.

Voor 2014 staan een tweetal beleidsdoorlichtingen gepland. De beleidsdoorlichting over Exportkrediet en investeringsverzekeringen heeft betrekking op Exportkredietgaranties (EKG). Het resterende deel van het begrotingsartikel zal in 2016 worden doorgelicht. De beleidsdoorlichting over Kasbeheer betreft Schatkistbankieren.

2.3 De beleidsartikelen (Nationale Schuld)

Artikel 11 Financiering Staatschuld

Beleidsartikel 11 Financiering Staatsschuld

Bedragen x € 1 mln.1

Algemene beleidsdoelstelling: Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

Stand Ontwerpbegroting 2014 (1)

Mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Uitgaven

41.563

 

41.563

5.017

46.580

– 4.042

– 907

4.978

– 706

                   

Programma-uitgaven

41.537

 

41.537

5.021

46.558

– 4.042

– 907

4.978

– 706

waarvan

     

0

         

rentelasten vaste schuld

9.153

 

9.153

– 186

8.967

– 596

– 654

– 471

– 368

rentelasten vlottende schuld

202

 

202

– 52

150

– 640

– 254

– 338

– 338

mutatie vlottende schuld

                 
                   

Aflossing vaste schuld

32.182

 

32.182

4.112

36.294

– 2.806

0

5.787

0

Mutatie vlottende schuld

 

1.147

1.147

0

0

0

0

Overige kosten schulduitgifte

26

 

26

– 4

22

0

0

0

0

                   

Ontvangsten

48.529

 

48.529

1.835

50.364

– 123

168

256

268

                   

Programma-ontvangsten

48.529

 

48.529

1.835

50.364

– 2.845

165

6.059

296

waarvan

                 

rentebaten vaste schuld

106

 

106

151

257

– 22

165

272

296

rentebaten vlottende schuld

110

 

110

– 3

107

– 17

0

0

0

                   

Uitgifte vaste schuld

48.312

 

48.312

1.688

50.000

– 2.806

0

5.787

– 0

1

Als gevolg van afronding op miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

Algemeen

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen. Ten eerste worden de rentelasten en rentebaten verantwoord. Hierbinnen wordt onderscheid gemaakt tussen de rentelasten vaste schuld (schuld met een oorspronkelijke looptijd van langer dan een jaar) en de rentelasten vlottende schuld (looptijd korter dan een jaar). Ten tweede zijn de aflossing en de uitgifte van vaste schuld en de mutatie vlottende schuld in de tabel opgenomen. De derde en verreweg de kleinste post betreft de overige kosten. Deze kosten bestaan met name uit betalingsverkeer vanwege het schatkistbankieren en veilingkosten.

Toelichting op de raming van de programmauitgaven en -ontvangsten

Rentelasten en rentebaten schuld (– € 35 mln.)

De rentelasten komen in 2014 naar verwachting lager uit dan eerder geraamd. De reden hiervoor is de neerwaartse bijstelling van de rekenrente en het kastekort. Daarnaast is de rente op nieuw uitgegeven schuld lager dan de rekenrente.

Door de lagere rekenrente worden ook iets minder rentebaten op de vlottende schuld in 2014 verwacht. De rentebaten op de vaste schuld worden echter hoger ingeschat. Dit komt door de nieuw afgesloten swaps waarop naar verwachting meer rente ontvangen wordt dan eerst begroot was.

Uitgifte en aflossing vaste schuld en mutatie vlottende schuld (+ € 4.112.mln.)

De meevallende tekorten en verwerking van het financieringsplan leiden tot gewijzigde ramingen voor de uitgifte van vaste schuld en de mutatie van de vlottende schuld. De uitgifte van vaste schuld zal naar verwachting rond de € 50 mld. bedragen. Er wordt meer afgelost dan eerder geraamd, omdat in 2014 al deels vervroegd is afgelost op leningen met oorspronkelijke aflossing in 2014. Het niveau van de vlottende schuld zal volgens de huidige inzichten stijgen met € 1,1 mld.

Artikel 12 Kasbeheer

Beleidsartikel 12 Kasbeheer

Bedragen x € 1 mln.1

Algemene beleidsdoelstelling: Het optimaliseren van het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist gelieerd.

Stand Ontwerpbegroting 2014 (1)

Mutaties begroting (2)

Stand vastgestelde begroting (3)

mutaties 1ste suppletoire begroting

Stand 1ste suppletoire begroting

Mutaties 2015

Mutaties 2016

Mutaties 2017

Mutaties 2018

Uitgaven

7.179

 

7.179

– 1.573

5.605

– 4.122

– 4.842

– 5.285

– 5.367

                   

Programma-uitgaven

7.179

 

7.179

– 1.573

5.605

– 4.122

– 4.842

– 5.285

– 5.367

waarvan

                 

Rentelasten

42

 

42

17

59

– 36

99

156

181

Verstrekte leningen

1.267

 

1.267

912

2.179

233

233

233

233

Mutaties in rekening-courant en deposito's

5.869

 

5.869

– 2.502

3.367

– 4.319

– 5.174

– 5.674

– 5.781

                   

Ontvangsten

3.120

 

3.120

129

3.249

– 164

245

– 338

– 322

                   

Programma-ontvangsten

3.120

 

3.120

129

3.249

– 164

245

– 338

– 322

waarvan

                 

Rentebaten

442

 

442

– 25

417

– 219

– 311

– 504

– 641

Ontvangen aflossingen

2678

 

2678

154

2.832

55

557

166

319

Mutaties in rekening-courant en deposito's

                 
1

Als gevolg van afronding op miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting

Algemeen

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen: (1) rentelasten en rentebaten, (2) mutaties in leningen en aflossingen en (3) mutaties in rekening-courant en deposito’s. Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen aan baten-lastendiensten, RWT’s en sociale fondsen over de bij het Rijk aangehouden rekening-couranttegoeden en deposito’s. De rentebaten bestaan uit renteontvangsten over aan baten-lastendiensten en RWT’s verstrekte leningen en de renteontvangsten over negatieve rekening-couranttegoeden. Mutaties in leningen, aflossingen, rekening-courant en deposito’s bepalen de mutaties in de schuldverhouding van het Rijk met baten-lastendiensten, RWT’s en sociale fondsen in het kader van geïntegreerd middelenbeheer.

Rentelasten en rentebaten (– € 8 mln.)

De rentebaten worden bij de eerste suppletoire begroting iets lager geraamd dan ten tijde van de ontwerpbegroting. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de gedaalde rekenrente. Hierdoor zijn er minder rente-ontvangsten op nieuwe leningen en negatieve rekening-couranttegoeden. De lagere rente heeft ook effecten gehad op de rente-uitgaven, maar door de instroom van decentrale overheden in het schatkistbankieren zijn er toch iets meer rente-uitgaven gedaan.

Mutaties in rekening-courant en deposito’s (– € 2.502 mln.)

De verwachte mutatie op de saldi van rekening-courant en deposito's is naar beneden bijgesteld. Dit komt voornamelijk doordat de mutatie in de rekening-courant saldi van de sociale fondsen nu lager (meer negatief) wordt geraamd dan ten tijde van de ontwerpbegroting. Dit komt doordat de geraamde premie-inkomsten van de sociale fondsen naar beneden zijn bijgesteld.

Verstrekte leningen en aflossingen (+ € 912 mln.)

De geraamde aflossingen van leningen worden, op basis van realisaties, nu hoger geraamd dan ten tijde van de ontwerpbegroting.

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN (Financiën)

2.2.1 Artikel 1 Belastingen

A. Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgt er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een regisserende rol op het terrein van de fiscaliteit. Daarbij gaat het om:

  • het te voeren fiscale beleid;

  • het opstellen van fiscale wet- en regelgeving;

  • het internationaal behartigen van de Nederlandse fiscale belangen.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een uitvoerende rol op het terrein van de fiscaliteit. Daarbij gaat het om:

  • de heffing en inning van de rijksbelastingen en douanerechten;

  • de heffing en inning van de premies werknemers- en volksverzekeringen;

  • de heffing en inning van de inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverzekeringswet;

  • de heffing en inning voor derden van een aantal belastingen, heffingen en vorderingen;

  • de vaststelling en de uitbetaling van toeslagen;

  • de controle op VGEM-aspecten (veiligheid, gezondheid, economie en milieu) bij invoer, doorvoer en uitvoer van goederen;

  • handhavingstaken op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) voert de Belastingdienst de heffing en inning van de rijksbelastingen uit. Op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) voert Belastingdienst/Toeslagen de toeslagregelingen uit voor de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Op grond van de Algemene Douane wet voert de Douane de controle op VGEM-aspecten uit. Op grond van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten voert de FIOD de handhavingstaken uit op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

De Minister bevordert, door inzet van de Belastingdienst, compliance door passende dienstverlening te leveren, massale processen juist en tijdig uit te voeren, adequaat toezicht uit te oefenen en waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen.

De Belastingdienst meet elk jaar de houding van burgers en bedrijven ten aanzien van het voldoen aan fiscale verplichtingen en de klanttevredenheid door middel van een set enquêtevragen in de Fiscale Monitor 7. Aan de geënquêteerden wordt ondermeer gevraagd of zij belastingontduiking onaanvaardbaar achten, of zij de stelling onderschrijven dat zelf belasting ontduiken uitgesloten is, en of zij het betalen van belasting als een maatschappelijke bijdrage ervaren. Over de uitkomsten wordt gerapporteerd in de halfjaarrapportages Belastingdienst.

C. Beleidswijzigingen

Voor de voorgestelde wijzigingen op fiscaal terrein wordt verwezen naar het Belastingplan 2014 en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

3.357.051

3.404.562

3.297.439

3.208.780

3.131.846

3.033.965

2.997.469

               

Uitgaven (1) + (2)

3.268.814

3.404.562

3.297.439

3.208.780

3.131.846

3.033.965

2.997.469

               

(1) Programma-uitgaven

445.016

441.714

406.614

390.664

394.304

361.304

361.304

waarvan juridisch verplicht:

             

Waarvan:

             

             

Rente

             

Heffings- en invorderingsrente

440.182

435.800

395.700

379.750

383.390

350.390

350.390

Rentevergoeding depotstelsel

   

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

               

Bekostiging

             

Proceskosten

3.872

3.536

3.536

3.536

3.536

3.536

3.536

Overige programma-uitgaven

962

2.378

2.378

2.378

2.378

2.378

2.378

               

(2) Apparaatsuitgaven

2.823.798

2.962.848

2.890.825

2.818.116

2.737.542

2.672.661

2.636.165

waarvan uitvoering fiscale wet- en regelgeving en douanetaken Caribisch Nederland

9.502

9.502

9.502

9.502

9.502

Waarvan:

             

Personele uitgaven

2.063.065

2.143.943

2.136.729

2.079.805

2.013.289

1.975.419

1.953.039

waarvan: Eigen personeel

1.877.434

1.940.051

1.971.326

1.943.818

1.900.998

1.871.628

1.855.248

waarvan: Inhuur externen

185.631

203.892

165.403

135.987

112.291

103.791

97.791

Materiële uitgaven

760.733

818.905

754.096

738.311

724.253

697.242

683.126

waarvan: ICT

232.263

225.272

213.456

212.419

202.253

197.253

192.253

waarvan: Bijdrage SSO's

222.993

228.427

230.186

226.760

216.778

206.778

201.778

             

Ontvangsten (3) + (4)

105.863.956

109.824.747

115.246.411

121.794.539

128.361.154

135.584.598

140.684.097

               

(3) Programma-ontvangsten

105.838.010

109.804.775

115.226.789

121.774.917

128.341.532

135.564.976

140.664.475

Waarvan:

             

Belastingontvangsten

105.037.894

109.012.622

114.368.836

120.818.964

127.340.579

134.530.023

139.599.522

               

Rente

Heffings- en invorderingsrente

432.004

447.000

468.000

546.000

591.000

625.000

655.000

               

Boetes en schikkingen

Ontvangsten boetes en schikkingen

168.749

147.877

192.677

212.677

212.677

212.677

212.677

               

Bekostiging

Kosten vervolging

199.363

197.276

197.276

197.276

197.276

197.276

197.276

               

(4) Apparaatsontvangsten

25.946

19.972

19.622

19.622

19.622

19.622

19.622

D2. Budgetflexibiliteit

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt vergoed aan belastingplichtigen. De rente-uitgaven komen voort uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 en zijn voor 100% juridisch verplicht. Er is geen einddatum voor deze regeling vastgesteld.

Bekostiging

De uitgaven onder bekostiging betreffen onder andere de proceskostenvergoeding aan belastingplichtigen indien hun bezwaar of beroep wordt gehonoreerd. De regeling ligt vast in de Algemene wet bestuursrecht. De uitgaven zijn 100% juridisch verplicht. Verder valt onder dit budget een bijdrage aan de Waarderingskamer die 100% juridisch verplicht is op basis van Wet waardering onroerende zaken. Er is geen einddatum voor deze regeling vastgesteld.

E. Toelichting op de instrumenten

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt vergoed aan belastingplichtigen. De post rentevergoeding depotstelsel betreft tegoeden die in het kader van de Wet Keten Aansprakelijkheid worden afgedragen aan de Belastingdienst door onderaannemers ter verzekering dat belasting en sociale premies worden afgedragen. De opgebouwde rente in het depot moet worden vergoed aan de betreffende partij.

Bekostiging

Uitgaven: belastingplichtigen komen in aanmerking voor een proceskostenvergoeding, indien zij in het gelijk worden gesteld bij een bezwaar- of beroepsprocedure.

De overige programma-uitgaven bestaan onder andere uit een bijdrage aan de Waarderingskamer en de Douaneraad.

Ontvangsten: aan belastingschuldigen worden de kosten doorberekend van invorderingsmaatregelen (aanmaning, dwangbevel, beslaglegging, etc.). Dit gebeurt op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

Boetes en schikkingen

Deze ontvangstenpost betreft de opbrengsten van bestuurlijke boetes en van schikkingen.

De in de tabel budgettaire gevolgen opgenomen belastingontvangsten zijn netto-ontvangsten. De netto-ontvangsten zijn gelijk aan de totale belastingontvangsten minus de afdrachten aan het Gemeentefonds en het Provinciefonds op grond van de Financiële-verhoudingswet, en minus de afdrachten aan het BTW-Compensatiefonds en het BES-fonds.

In onderstaande tabel staat de aansluiting van de Miljoenennota 2014 met het hoofdstuk IX. De Miljoenennota bevat een toelichting op de belastingontvangsten.

Belastinguitgaven en -ontvangsten
Tabel aansluiting belastingontvangsten Miljoenennota 2014 met IXB (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totale belastingontvangsten

127.861.023

131.069.047

136.771.184

141.389.701

147.759.016

154.865.397

159.865.397

Afdracht Gemeentefonds

– 18.500.288

– 17.836.203

– 18.381.232

– 16.812.819

– 16.689.443

– 16.603.071

– 16.543.321

Afdracht Provinciefonds

– 1.619.525

– 1.529.766

– 1.171.987

– 908.545

– 879.799

– 883.227

– 873.378

Afdracht BTW-Compensatiefonds

– 2.664.772

– 2.656.643

– 2.816.420

– 2.816.664

– 2.816.486

– 2.816.367

– 2.816.367

Afdracht BES- fonds

– 38.545

– 33.813

– 32.709

– 32.709

– 32.709

– 32.709

– 32.809

               

Belastingontvangsten IXB

105.037.894

109.012.622

114.368.836

120.818.964

127.340.579

134.530.023

139.599.522

Belastinguitgaven

Conform de conclusie van het kabinet naar aanleiding van de «beleidsdoorlichting evaluatie belastinguitgaven» (Kamerstukken II 2009/10, 31 935, nr. 6), worden de belastinguitgaven die onder verantwoordelijkheid vallen van het Ministerie van Financiën in deze begroting weergegeven. Het zijn vooral fiscale faciliteiten die geen directe relatie hebben met een specifiek beleidsterrein van andere departementen.

Belastinguitgaven

Budgettair belang (mln. euro) in 2014

Doorschuiven inkomen aanmerkelijk belang bij aandelenfusie

96

Ouderentoeslag forfaitair rendement

92

Vrijstelling rechten op kapitaaluitkering bij overlijden forfaitair rendement

22

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaaluitkeringen

949

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

397

Giftenaftrek

430

Faciliteiten successiewet algemeen nut beogende instellingen (ANBI)

199

Omzetbelasting vrijstelling vakbonden, werkgeversorganisaties, politieke partijen en kerken

138

Omzetbelasting vrijstelling fondsenwerving

173

Vrijstelling motorrijtuigenbelasting motorrijtuigen ouder dan 25 jaar

63

Vrijstelling motorrijtuigenbelasting reinigingsdiensten

1

Apparaatsbudgetten

Apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven van de Belastingdienst betreffen personeel (ca. € 2 mld.) en materieel (ca. € 0,7 mld.). Het apparaatsbudget betreft de uitvoeringskosten voor het primaire proces binnen de Belastingdienst en de ondersteuning daarvan. Het primaire proces omvat de bedrijfsonderdelen: Belastingdienst, Douane, Toeslagen, FIOD, BelastingTelefoon en Centrale Administratie. De ondersteuning betreft: Centrum voor Kennis en Communicatie, Centrum voor Facilitaire Dienstverlening, het Centrum voor Applicatieontwikkeling en Onderhoud en het Centrum voor Infrastructuur en Exploitatie.

Onderstaand cirkeldiagram geeft een verdeling op hoofdlijnen (in %) van de inzet van personele capaciteit op de instrumenten dienstverlening, toezicht en opsporing en massale processen. De verdeling is op basis van de formatie van de Belastingdienst in 2013.

Inzet capaciteit op instrumenten (in %)

Inzet capaciteit op instrumenten (in %)

Apparaatsontvangsten

De apparaatsontvangsten ad € 19,6 mln. bestaan onder andere uit ontvangsten in verband met werkzaamheden die de Belastingdienst voor andere overheidsorganisaties uitvoert.

F1. Fiscaal beleid en wetgeving

Genereren van inkomsten – fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbelastingen, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

De fiscale wetgeving die in 2013 wordt voorbereid zal vooral in het teken staan van de uitwerking van de in het regeerakkoord opgenomen maatregelen die in 2014 of later in werking zullen treden. Ook dient in 2013 uitvoering te worden gegeven aan het zogenoemde Woonakkoord 8, het Sociaal Akkoord 9 en het aanvullend akkoord. De fiscale maatregelen die betrekking hebben op de woningmarkt zullen in de vorm van separate wetsvoorstellen worden ingediend. Dat betreft allereerst de in het Regeerakkoord voorziene aftrekbeperking in jaarlijkse stappen van 0,5%-punt vanaf 2014, de terugsluis (met ingang van 1 januari 2018) van de eerder in de wet vastgelegde verplichting tot annuïtair aflossen en (met ingang van 1 januari 2014) de terugsluis van de hiervoor genoemde aftrekbeperking.

Daarnaast blijft het kabinet inzetten op de bestrijding van belastingfraude; het kabinet wenst een belastingstelsel dat eerlijk uitwerkt en waarin iedereen zijn deel bijdraagt. Het pakket Belastingplan 2014 bevat een separaat en omvangrijk wetsvoorstel met maatregelen die de Belastingdienst mogelijkheden biedt om de fraude in de toeslagen en fiscaliteit adequaat aan te pakken.

Het kabinet zet tegelijkertijd in op handhaving van ons goede vestigingsklimaat. Rust en duidelijkheid zijn daarbij van belang terwijl er tegelijkertijd oog moet zijn voor de fiscale planningsmogelijkheden door internationale mismatches en het verschuiven van grondslag naar laagbelastende jurisdicties. Zoals ook al aangegeven in de brief van 17 januari 2013 van de Staatssecretaris van Financiën 10 en in de brief van 30 augustus van de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, betreft dit internationale problematiek die ook alleen internationaal echt tot een oplossing kan worden gebracht. Het zou de concurrentiepositie van Nederland en het in Nederland gevestigde bedrijfsleven schaden indien Nederland als enige maatregelen neemt. Daarom zal Nederland actief participeren in internationale initiatieven van de OESO en de EU op dit terrein, zoals bijvoorbeeld de BEPS (Base Erosion and Profit Shifting) en het EU actieplan met een mededeling en twee aanbevelingen tegen belastingfraude en -ontwijking.

In juni 2013 heeft de Commissie Dijkhuizen haar eindrapport uitgebracht. Daarin is een aantal aanbevelingen opgenomen die bijdragen aan de verbetering en meer transparantie van het stelsel van de inkomstenbelasting en de toeslagen. Aan het einde van het eerste kwartaal van 2014 komt het kabinet met een reactie op dit rapport.

Wat betreft de internationale context worden bilaterale belastingverdragen afgesloten en uitgevoerd, bijvoorbeeld met het oog op het voorkomen van dubbele belastingen. Nederland heeft al een vrij uitgebreid netwerk van verdragen dat ook regelmatig terugkerend onderhoud vergt. In dat kader bestaat het voornemen om onderhandelingen te voeren of voort te zetten met landen als China en India met als doel de bestaande belastingverdragen te herzien. Daarnaast worden de besprekingen met Aruba, Curaçao en Sint Maarten voortgezet om – gegeven de nieuwe staatkundige verhoudingen per 10 oktober 2010 – de Belastingregeling voor het Koninkrijk aan die nieuwe verhoudingen aan te passen.

In de hiervoor genoemde brief van 30 augustus 2013 is ook aangekondigd dat meer aandacht zal worden gegeven aan anti-misbruikbepalingen in belastingverdragen met ontwikkelingslanden.

F2. Belastingdienst

Dienstverlening

De Belastingdienst bevordert met passende dienstverlening dat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Passende dienstverlening zorgt ervoor dat belastingplichtigen en toeslaggerechtigden hun verplichtingen kunnen nakomen en hun rechten kunnen verwezenlijken.

De dienstverlening van de Belastingdienst sluit aan op de behoeftes en wensen van burgers en bedrijven. Het heeft daarnaast als doel om te verduidelijken wat burgers en bedrijven van de Belastingdienst mogen verwachten. Om de verwachtingen waar te maken, wil de Belastingdienst inzicht hebben in de fiscale situatie van de klanten, daarop passende communicatie aanbieden, voldoende beschikbaar zijn voor vragen en begrijpelijke taal gebruiken.

In de Fiscale Agenda zijn vereenvoudigingen aangekondigd in de contacten tussen belastingplichtigen en Belastingdienst 11. Onder meer door het breder gebruik van elektronisch berichtenverkeer, het verkorten van termijnen voor goedwillende belastingplichtigen en het invoeren van soepel herzien voor definitieve aanslagen. Het eerste spoor hiervoor is het zoveel mogelijk verleggen van de brievenstroom naar burgers en bedrijven naar digitale communicatie. Het tweede spoor is het realiseren van een persoonlijk domein (op internet, toegankelijk via DigiD) voor burgers. Via dit domein kunnen burgers algemene informatie verkrijgen, persoonlijke gegevens opvragen en controleren en wijzigingen doorgeven.

Voor burgers die geen digitale vaardigheden bezitten blijft een vangnet beschikbaar. Bij iedere verandering wordt daarom gekeken hoe deze groep burgers wordt geraakt en wat er nodig is om voor hen de dienstverlening op peil te houden. Telefoon en balie zullen de komende jaren nog belangrijke ondersteunende kanalen zijn voor het verlenen van informatiediensten.

De Belastingdienst analyseert situaties waarin burgers en bedrijven in de bureaucratie de weg kunnen kwijtraken. Als bepaalde procedures en werkwijzen onbedoeld tot verwarring en vragen leiden, worden deze aangepakt om de dienstverlening te verbeteren.

Meetbare gegevens 12

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Bereikbaarheid Belastingtelefoon

82

82

80–85

80–85

Kwaliteit beantwoording fiscale vragen Belastingtelefoon (extern gemeten)

87

86

80–85

80–85

Afgehandelde bezwaren binnen AWB-termijn

94

94

95–100

95–100

Afgehandelde klachten binnen AWB-termijn

96

95

98–100

98–100

Klanttevredenheid

       

• Internet

90

90

80–90

80–90

• Balie

76

89

80–90

80–90

• Telefonie

       

– Algemeen

82

81

70–80

70–80

– Intermediairs

82

87

80–90

80–90

Toelichting

  • Bereikbaarheid.

    De bereikbaarheidsnorm geeft het percentage weer van het aantal bellers dat daadwerkelijk verbinding heeft gekregen met de BelastingTelefoon. De doelstelling van 80–85% geldt als gemiddelde jaardoelstelling.

  • Kwaliteit beantwoording fiscale vragen BelastingTelefoon.

    De Belastingtelefoon streeft kwalitatief goede beantwoording na. Dit wordt bereikt door goed opgeleide telefoniemedewerkers en digitale voorzieningen voor het beantwoorden van vragen van bellers. Door externe bureaus wordt gemeten of de fiscaal juiste antwoorden worden gegeven.

  • Afgehandelde bezwaren en klachten binnen AWB-termijn.

    Bezwaren en klachten worden AWB-conform behandeld. Gekozen is voor een marge omdat gelet op de omvang van het aantal bezwaarschriften volledige afdoening binnen de wettelijke termijnen in de praktijk niet altijd haalbaar is. Om de voorraad bezwaren en klachten beheersbaar te houden worden de afhandelingsprocessen op uniforme wijze ingericht en waar mogelijk geconcentreerd.

  • Klanttevredenheid.

    De klanttevredenheid wordt jaarlijks met behulp van de Fiscale Monitor voor alle dienstverleningskanalen gemeten.

Handhaving

De Belastingdienst oefent adequaat toezicht uit en dwingt, zo nodig, naleving af zodat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

De Belastingdienst streeft na het gedrag van burgers en bedrijven zodanig te beïnvloeden dat een optimaal effect wordt bereikt op de compliance, het bereidwillig naleven door belastingplichtigen van de fiscale regels. Op basis van kennis over het gedrag van belastingplichtigen en gegeven de beschikbare capaciteit, zet de Belastingdienst de handhavingsinstrumenten in die het meest bijdragen aan de compliance. Dit wordt handhavingsregie genoemd.

De handhavingsregie bestrijkt het gehele toezichtpalet: van vooringevulde aangifte tot de fiscale opsporing en recherche. Bij Regeerakkoord zijn structurele middelen gereserveerd voor versterking van het toezicht 13. Dit ziet in 2014 onder meer op het versnellen van de aanslagregeling Particulieren en automatisch corrigeren, meer boekenonderzoeken en verscherpen van administratieve controles voor de omzetbelasting. Hierdoor is de door de Commissie Stevens bepleite balans in de handhavingsregie beter te verwezenlijken. Daarnaast zijn extra middelen uitgetrokken voor structureel extra invorderingen. Over de intensivering van het toezicht wordt (tussentijds) verantwoording afgelegd via de halfjaarlijkse rapportage.

Bij de uitvoering van zijn taken laat de Belastingdienst zich leiden door rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Professionaliteit, duidelijkheid en snelheid zijn daarbij van belang. Door middel van risicoselectie beoordeelt de Belastingdienst welke gevallen we aan een nader onderzoek willen onderwerpen. Bij ernstige overtredingen van de regels, voert de FIOD een strafrechtelijk onderzoek uit.

De Belastingdienst verdeelt belastingplichtigen in drie segmenten: Particulieren, Midden- en Kleinbedrijf (MKB) en Grote Organisaties (GO). Het MKB-segment bestaat uit drie subsegmenten: Starters, ZZP en MKB+. De Belastingdienst maakt onderscheid in individuele en groepsgewijze klantbehandeling. In het segment GO vindt individuele klantbehandeling plaats. Voor de segmenten Particulieren en MKB is gegeven de omvang van deze segmenten sprake van groepsgewijze klantbehandeling, uiteindelijk resulterend in correcties op individuele aangiften.

Het toezicht bij Toeslagen is gericht op het correct, dat wil zeggen op basis van de wettelijke grondslagen, uitbetalen van het juiste bedrag. Het toezichtbeleid komt tot stand in afstemming met de departementen die beleidsinhoudelijk verantwoordelijk zijn voor de inkomensafhankelijke regelingen. Zoals aangekondigd in de brief van 10 mei 2013 14 is het kabinet voornemens extra maatregelen te nemen tegen systeemfraude bij toeslagen. In voorkomende gevallen zal parallel hieraan de Awir moeten worden aangepast om de Belastingdienst extra tijd te geven voor het uitvoeren van extra controles, voordat wordt overgegaan tot uitbetaling van een toeslagenvoorschot.

De maatregelen worden opgenomen in een apart wetsvoorstel in het pakket belastingplan 2014. Het gaat onder andere om de volgende maatregelen:

  • het niet verlenen van een voorschot aan een voor de Belastingdienst onbekende aanvrager. In beginsel wordt een dergelijke aanvraag pas na afloop van het toeslagjaar uitbetaald, tenzij de aanvrager zich eerder met de benodigde informatie meldt.

  • voorschotten worden daarnaast niet verleend bij een verhoogd frauderisico, deze gevallen worden eerst extra gecontroleerd.

  • tevens vervalt bij het ontbreken van een actueel adresgegeven het recht op een voorschot. Als de gemeente een inschrijving in de GBA in onderzoek heeft, wordt er op basis van een signaal van de gemeente geen toeslagenvoorschot door de Belastingdienst uitbetaald. Vanuit de Belastingdienst vindt tevens terugmelding van nieuwe informatie aan de GBA plaats. Dit proces wordt geautomatiseerd.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) voert de kwaliteitsagenda GBA uit. In dit kader zijn er risicoprofielen op woonadressen ontwikkeld waar gemeenten gebruik van kunnen maken om gericht huisbezoeken uit te voeren. Tevens worden op landelijk niveau maatregelen genomen om patronen te herkennen die een signaal zijn voor gemeenten om hun inschrijfproces verder aan te scherpen. De wet Basisregistratie Personen (BRP) voorziet in registratie van niet-ingezetenen (RNI) waaronder arbeidsmigranten. Ook wordt de mogelijkheid geïntroduceerd tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit zal leiden tot een nog meer sluitende registratie van personen die een relatie hebben met de Nederlandse overheid.

Tot slot wil het kabinet een drietal maatregelen nader onderzoeken met als doel om systeemfraude met toeslagen verder te beperken. Het gaat om een verdere beperking van het recht op een toeslag met terugwerkende kracht – zoals nu al bij de kinderopvangtoeslag van toepassing – voor de zorg- en huurtoeslag en voor het kindgebonden budget. Het vooraf (ex ante) toetsen van de verzekeringsstatus van de zorgtoeslagaanvrager in plaats van de huidige toets per kwartaal achteraf (ex post). En het op Europees niveau intensiveren van de uitwisseling van informatie, fraudesignalen en risico-analyses.

Het toezicht bij de Douane is gericht op goederen die via Nederland de Europese Unie (EU) binnenkomen of verlaten. Hiermee draagt de Douane bij aan een veilig en gezond Europa. Gelijktijdig worden ook Europese (en Nederlandse) fiscale en economische belangen bewaakt. Daarbij wordt zoveel mogelijk samengewerkt met het bedrijfsleven en andere handhavingspartners, al dan niet in internationaal verband. Bij het toezicht hanteert de Douane een risicogerichte aanpak en wordt op basis daarvan de meest passende toezichtsvorm of mix van toezichtsvormen gekozen. De Douane zet daarbij verschillende – technologische – hulpmiddelen in, waaronder scan- en detectieapparatuur. De toezichtsvormen verschillen naar aard en intensiteit. Zo kent de Douane:

  • toezicht op (grensoverschrijdende) vervoersstromen, waarbij gebruik wordt gemaakt van aangiften, leidend tot risicogerichte selectie en controle van zendingen, vervoermiddelen, containers, etc.;

  • toezicht op gebieden, langs de buitengrens (lucht en zee), waarbij onder andere gebruik wordt gemaakt van radarbeelden, surveillance en cameratoezicht;

  • systeemtoezicht bij vergunninghouders en gecertificeerde bedrijven, waarbij het gaat om controles, gericht op het functioneren van bedrijfseigen controlemechanismen en kwaliteits- en veiligheidssystemen.

Het beleid van de Douane is erop gericht het overgrote deel van de goederenstroom met systeemtoezicht af te dekken, waarbij het uiteindelijke doel is 100% van de grensoverschrijdende goederenstroom onder toezicht te hebben.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Aantallen grote ondernemingen onder horizontaal toezicht 1

n.v.t.

3.000 – 3.500

Aantal MKB ondernemingen onder een horizontaal toezichtconvenant

75.000–100.000

75.000–100.000

Aantallen behandelde aangiften IH (betreft Particulieren en MKB) 2

n.v.t.

1.000.000 – 1.225.000

Aantallen behandelde aangiften Vpb

n.v.t

29.000 – 37.000

Aantallen boekenonderzoeken

n.v.t.

35.750 – 38.750

1

De prestatie-indicator is ten opzichte van 2013 gewijzigd en in lijn gebracht met de indicator MKB ondernemingen onder horizontaal toezicht.

2

De prestatie-indicatoren «aantallen behandelde aangiften IH», «aantallen behandelde aangiften Vpb» en «aantallen boekenonderzoeken» zijn ten opzichte van eerdere begrotingen nieuw en weerspiegelen de investeringen in verticaal toezicht.

Toelichting

  • Aantallen grote ondernemingen onder horizontaal toezicht.

    De Belastingdienst richt zich bij de individuele klantbehandeling in het segment Grote Ondernemingen op het vergroten van de zekerheid over de juistheid en volledigheid van de belastingontvangsten. De Belastingdienst ondersteunt en stimuleert organisaties om de kwaliteit van de aangifte te versterken. De Belastingdienst bespreekt met de organisatie hoe hij zijn verantwoordelijkheid invult met betrekking tot zijn aangifte. Daarbij wordt vastgesteld hoe de organisatie omgaat met fiscaliteit en of de randvoorwaarden aanwezig zijn om te komen tot een adequate beheersing daarvan. De organisatie beoordeelt daarna cyclisch de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen en deelt de resultaten daarvan met de Belastingdienst. De Belastingdienst monitort dit proces en bepaalt in welke mate gesteund kan worden op deze interne beheersing. Met horizontaal toezicht wil de Belastingdienst zicht krijgen op de mate waarin het bedrijf zelf fiscaal in control is. Periodiek wordt dit getoetst, doorgaans door steekproefsgewijze controles. Voor organisaties die nog niet adequaat werken aan opzet, bestaan en werking van de fiscale beheersing beoordeelt de Belastingdienst of het horizontaal toezichttraject kan worden gecontinueerd. Waar horizontalisering van het toezicht (nog) niet mogelijk is, voert de Belastingdienst op basis van handhavingsregie passende interventies uit.

  • Aantal MKB ondernemingen onder een horizontaal toezichtconvenant.

    De Belastingdienst richt zich bij groepsgewijze klantbehandeling in het segment MKB onder meer op de klantbehandeling via intermediairs. Dit betreft fiscale dienstverleners als belastingadviseurs en administratiekantoren. Het doel is om horizontaal toezicht zo vorm te geven dat de samenwerking met fiscale dienstverleners leidt tot een aanvaardbare aangifte en meer zekerheid voor de ondernemer. In de convenanten met fiscale dienstverleners worden afspraken gemaakt over de kwaliteitsborging door de fiscale dienstverlener van de aangiften van hun klanten. Het aantal MKB-ondernemingen dat deelneemt aan een intermediair convenant, bedroeg ultimo 2012 ruim 87.000.

  • Aantallen behandelde aangiften IH en Vpb.

    Het toezicht op het volledig en juist doen van aangifte uit zich in de aangiftebehandeling. Risicoanalyse is bepalend voor de behandeling van aangiften. Jaarlijks wordt een set van selectieregels vastgesteld met behulp waarvan geautomatiseerd aangiften worden uitgeworpen, waarop toezicht plaatsvindt. In 2014 (en 2013) zal het aantal aangiften IH en Vpb dat wordt behandeld boven het niveau liggen van 2012 door investering in het versnellen en intensiveren van de aanslagregeling. Ook wordt ingezet op het automatisch corrigeren van aangiften op basis van contra-informatie. De toegenomen kwaliteit van de heffingssystemen en de gegevens van derden maken dit mogelijk.

  • Aantallen boekenonderzoeken.

    Boekenonderzoeken zijn specifiek gericht op de controle van aangiften om de juistheid van gegevens zo snel en zo actueel mogelijk vast te stellen. Het aantal boekenonderzoeken bij ondernemers die niet onder horizontaal toezicht vallen wordt ten opzichte van 2012 vergroot. Het gaat hierbij zowel om de middelgrote en grote ondernemingen als om ondernemers in het MKB. Binnen de groep MKB-ondernemers wordt een gedifferentieerde aanpak in het toezicht toegepast. De onderzoeksaandacht variëert daarbij van korte onderzoeken op deelaspecten tot diepgaande onderzoeken.

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Percentage contacten met starters: startersbezoeken en klantgesprekken (ten opzichte van het totaal aantal starters)

20%.

23%

15–25%

15–25%

Tijdigheid aangiften:

 

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (OB)

64%

69%

50–60%

50–60%

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (LH)

93%

90%

90–95%

90–95%

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (IH niet winst)

87%

74%

90–95%

65–75%

Achterstand invordering

2,4%

2,3%

2,5%-3,0%

2,5%-3,0%

Toelichting

  • Percentage contacten met starters.

    De aanpak voor de contacten met starters is preventief gericht op het voldoen aan aangifte- en betalingsverplichtingen.

  • Tijdigheid aangifte.

    Een gedeelte van de burgers en bedrijven doet niet of niet altijd tijdig hun aangifte. In 2014 continueert de Belastingdienst het beleid gericht op het tijdig ontvangen van deze aangiften door zo snel mogelijk contact op te nemen met de belastingplichtigen die in gebreke blijven. De Belastingdienst legt ambtshalve aanslagen op of boetes op aan belastingplichtigen die niet tijdig aangifte doen.

    De streefwaarde voor het bereiken van belastingplichtigen na verzuim OB zijn hierbij lager dan voor de LH en de IH niet winst omdat het bereik via belacties verloopt in korte termijnen. Voor de IH worden vooral brieven verstuurd waarmee sneller grotere groepen belastingplichtigen worden bereikt. Voor de LH zijn de volumes laag; deze kunnen ook met belacties vrijwel volledig worden bereikt. De streefwaarde voor het te bereiken percentage belastingplichtigen na verzuim IH niet winst is lager dan in 2013 omdat het aantal belastingplichtigen met verzuim voor dit belastingmiddel in absolute zin daalt door het beleid van de Belastingdienst. De groep die overblijft is lastiger te bereiken. De Belastingdienst legt ambtshalve aanslagen op of boetes op aan belastingplichtigen die niet tijdig aangifte doen

  • Achterstand invordering.

    De stand invordering is het bedrag van de betalingsachterstand (de openstaande vorderingen waarvan de betalingstermijn is verstreken en waartegen geen bezwaar is ingediend) uitgedrukt in een percentage van de totale belasting- en premieontvangsten. Het is een kengetal voor de (relatieve) omvang van de debiteurenpositie van de Belastingdienst. De Belastingdienst stelt een grens van maximaal 3% aan de betalingsachterstand bij invordering om te bewaken dat tijdig maatregelen in gang worden gezet als de achterstand oploopt.

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Toezicht toeslagen

Grotendeels behaald

Behaald

Het toezicht wordt volgens planning uitgevoerd.

Het toezicht wordt volgens plan uitgevoerd.

Toelichting

De zorgtoeslag, huurtoeslag en kinderopvangtoeslag berusten op grondslagen die zoveel mogelijk geverifieerd worden met gegevens uit onafhankelijke registraties op basis van contra-informatie. Dit verifiëren gebeurt als regel aan het begin van het aanvraagproces. Daarvoor wordt in sommige gevallen van burgers extra informatie gevraagd, voordat tot uitbetaling wordt overgegaan. In geval dat voorafgaand toezicht niet mogelijk is bij voorlopig toekennen, vindt dat in ieder geval plaats bij het definitief toekennen. Door toezicht vóór of tijdens de voorschotfase uit te voeren, wordt gerealiseerd dat de grondslaggegevens in afdoende mate zijn geverifieerd vóór het moment van definitief toekennen. Door zowel gebruik te maken van bij andere organisaties aanwezige contra-informatie als convenanten af te sluiten met brancheorganisaties (horizontaal toezicht), worden de toezichtlasten zoveel mogelijk beperkt.

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Controles op de goederenstroom

341.600

352.000

295.000- 365.000

295.000–365.000

Gecertificeerde goederenstromen

51%

85%

> 70%

> 85%

Controles op passagiersvluchten

12.500

13.100

12.000 – 15.000

12.000–15.000

Toelichting

  • Controles op de goederenstromen 15.

    De Douane voert controles uit op de reguliere goederenstroom (vracht en post). Daarbij gaat het om scancontroles en fysieke controles.

  • Gecertificeerde goederenstromen.

    De prestatie-indicator geeft aan welk deel van de reguliere goederenstroom (in- en uitvoer) betrekking heeft op authorised economic operators (AEO).

  • Controles op passagiersvluchten.

    De Douane gaat bij de controle van passagiersvluchten uit van een gradatie in risico’s op vluchtniveau, met bijbehorende controledichtheid en inzet van handhavingsmiddelen. Die controledichtheid variëert van 100% (de hoog-risicovluchten) tot 5% (de laag-risicovluchten). Bij de hierbij ingezette handhavingsmiddelen moet gedacht worden aan profiling, fysieke controles op passagiers, inzet van speurhonden en security-scans.

Bij het uitvoeren van toezicht gaat de Douane door op de ingeslagen weg waarbij steeds meer samen wordt gewerkt met andere handhavingsdiensten in Nederland. De uitvoering is er op gericht om als één toezichtsdienst op te treden (one stop shop) met gezamenlijke prioriteitstelling, risicoanalyses en selecties en rijksbrede convenanten. Deze samenwerking komt onder andere tot uiting in het meerjarenprogramma Beveiliging en Publieke Veiligheid Schiphol (BPVS).

Het SmartGate-concept op Schiphol is naar verwachting vanaf 2016 volledig operationeel, maar in de aanloop daarnaartoe worden reeds functionaliteiten in werking gesteld die de afhandelingssnelheid in positieve zin zullen beïnvloeden.

Naar verwachting wordt Maasvlakte 2 in 2014 gefaseerd in gebruik genomen. De voorbereiding hiervoor bestaat onder meer uit: afstemming met de terminalbedrijven, bestellen en plaatsen van scan- en detectieapparatuur en het opleiden van een eerste groep medewerkers.

Een andere voor de Douane belangrijke ontwikkeling is dat op 1 november 2013 het douanewetboek van de Unie in werking treedt (beter bekend als UCC: Union Customs Code). De UCC is aangepast aan het Verdrag van Lissabon en voorziet in een verdere vereenvoudiging van de internationale handel, veilige buitengrenzen voor de Europese unie en volledig elektronische afhandeling van alle douaneformaliteiten in de gehele EU.

De implementatie van het UCC moet uiterlijk op 1 mei 2016 zijn afgerond en raakt alle bedrijfsprocessen van de Douane. Bovendien heeft een en andere grote impact op het bedrijfsleven.

De Douane werkt ook aan het verder automatiseren van het vergunningaanvraag en -behandelproces voor de uitvoer van strategische goederen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het beleid en de uitvoering hiervan, maar heeft de Douane gemandateerd een aantal uitvoerings- en handhavingstaken uit te voeren, die met dit systeem ondersteund worden. De eerste tranche van het systeem zal, naar verwachting, op 1 januari 2014 in gebruik genomen worden, daarna zullen – in overleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken – additionele functionaliteiten aan het systeem worden toegevoegd.

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie (%)

84%

84%

82–85%

82–85%

Toelichting

De Belastingdienst geeft bij het selecteren van aanmeldingen voor strafrechtelijk onderzoek prioriteit aan zaken die zowel financieel, als anderszins maatschappelijk van voldoende gewicht zijn. De doelstelling voor het percentage processen-verbaal dat leidt tot een veroordeling of een transactie is een resultante van het overleg tussen het Openbaar Ministerie, de financiële toezichthouders en de FIOD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst) en is een indicator voor de kwaliteit van de door de FIOD aangeleverde zaken.

De FIOD werkt aan de rechtshandhaving door bijdragen te leveren aan het tegen gaan van fiscale, financiële en economische fraude (inclusief fraude met premies, subsidies, toeslagen en douane), witwas bestrijding, het waarborgen van de integriteit van het financiële stelsel en de bestrijding van de financiële georganiseerde criminaliteit

De FIOD gaat het bestrijden van witwassen intensiveren door het uitbreiden van het aantal witwasteams en het opzetten van een centrum voor operational excellence voor witwasbestrijding. Door het witwassen van criminele gelden wordt het plegen van criminele activiteiten in standgehouden en bevorderd. Daarnaast kunnen criminelen met hun investeringen en bestedingen invloed krijgen op personen, ondernemingen en legale sectoren. Witwassen vormt hierdoor een ernstige bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en het economische verkeer aan.

Massale processen

De Belastingdienst voert zijn massale processen efficiënt uit.

De Belastingdienst maakt bij zijn werkzaamheden veel gebruik van ICT toepassingen, waarmee de verschillende bedrijfsprocessen op een snelle en efficiënte wijze worden uitgevoerd. Voor burgers en bedrijven betekent dit dat zij sneller zekerheid krijgen over hun fiscale positie.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Postzendingen zonder fouten

100%

100%

>99%

>99%

Toelichting

De Belastingdienst zorgt dat belastingplichtigen en toeslaggerechtigden de juiste berichten ontvangen. Grote stromen beschikkingen (aanslagen, toeslagen) worden voor verzending systematisch gecontroleerd op juistheid, volledigheid en inhoudelijke (fiscale) kwaliteit. De indicator betreft het percentage poststukken dat zonder fouten is verzonden. 16

2.2.2 Artikel 2: Financiële Markten

A. Algemene doelstelling

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Financiën bevordert het goed functioneren van het financiële stelsel en heeft een regisserende rol. De Minister is verantwoordelijk voor de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiële markten, de institutionele structuur van het toezicht, en voor de besluitvorming over eventuele besteding van publieke middelen bij een crisis. Het daadwerkelijke toezicht op de financiële markten wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

De randvoorwaarden die de Minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het gaat hierbij om (het toezicht op) regelgeving die financiële instellingen stimuleert en verplicht om op integere en transparante wijze te werk te gaan. Met deze regelgeving en dit toezicht wordt eraan bijgedragen dat consumenten en bedrijven met voldoende informatie en vertrouwen financiële producten kunnen afnemen.

De Minister bevordert de educatie van de burger op financieel gebied, streeft naar een integer financieel stelsel met passende regelgeving in de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) en is verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

C. Beleidswijzigingen

De financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat een hervorming van de wet- en regelgeving in de financiële sector noodzakelijk is. In de G20, het Bazels Comité voor bankentoezicht en in Europa zijn hiertoe meerdere voorstellen gedaan, die grotendeels door middel van richtlijnen in nationale regelgeving zijn en worden geïmplementeerd. De hervormingen van de financiële sector moeten leiden tot een robuuste financiële sector die solide, verantwoordelijk en transparant is. Daartoe zijn in de beleidsagenda de prioriteiten voor 2014 aangegeven. Via een jaarlijks te sturen brief wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over het verloop van de hervormingen en de veranderingen die op het terrein van wet- en regelgeving zijn te verwachten.

Hieronder wordt kort ingegaan op twee belangrijke Europese trajecten: enerzijds de herziening van de kapitaaleisen en anderzijds de totstandkoming van een Bankenunie.

Herziening kapitaaleisen

Per 1 januari 2014 zullen de Capital Requirement Directive IV (CRD IV) en de Capital Requirements Regulation (CRR) van kracht worden. Door middel van deze richtlijn en verordening wordt het Bazel III-akkoord, alsmede additionele regels, in de Europese Unie geïmplementeerd, om het toezicht op banken en beleggingsondernemingen in Europees verband verder te harmoniseren. De prudentiële regels voor banken en beleggingsondernemingen worden aangescherpt en uitgebreid, terwijl tegelijkertijd het toezicht op deze financiële ondernemingen wordt verbeterd. Het doel van deze regelgeving is om de financiële soliditeit, stabiliteit en weerbaarheid van zowel banken als beleggingsondernemingen te versterken. Daarnaast kan DNB vanaf 2014 systeemrelevante banken aanwijzen die additionele buffers moeten aanhouden om risico’s verder in te perken.

Bankenunie

Nederland zet zich actief in voor een goed functionerende Bankenunie, die in ieder geval moet bestaan uit Europees bankentoezicht, geharmoniseerde toezichtregels en een Europees resolutiemechanisme. Een Europees depositogarantiestelsel vormt een sluitstuk van een Bankenunie. De Europese Commissie heeft voor de zomer van 2013 een plan gepresenteerd voor een Europees resolutiemechanisme. Het is de bedoeling dat de Raad en het Europees Parlement voor het einde van de zittingstermijn van het huidige Europese parlement, uiterlijk in april 2014, een akkoord bereiken over dit voorstel. Tevens zal het vierde kwartaal van 2014 hoogstwaarschijnlijk in het teken staan van de start van het bankentoezicht door de Europese Centrale Bank.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

– 15.864.348

– 3.092.421

57.004

18.199

18.832

16.609

16.609

waarvan garantieverpichtingen

– 15.932.412

           

Garantie kredietfaciliteit AFM

             

Garantieregeling bancaire leningen

– 15.932.477

– 3.153.073

         

Garantie en waarborg NWB

65

           
               

Uitgaven

71.169

60.652

57.004

18.199

18.832

16.609

16.609

waarvan juridisch verplicht

   

81%

       
               

Subsidies

1.467

3.068

964

965

966

966

966

Afwikkeling Geldmuseum en collectiebeheer

689

1.685

530

530

530

530

530

CDFD

778

1.383

434

435

436

436

436

               

Bekostiging

9.776

15.120

13.775

13.775

13.775

13.775

13.775

Rechtspraak Financiële Markten

687

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

Muntcirculatie

8.500

13.385

12.385

12.385

12.385

12.385

12.385

Afname munten in circulatie

             

Overig

589

485

140

140

140

140

140

               

Garanties

             

Terugbet.fee gar.banc.leningen

             

             

Leningen

             

Voorfinanciering DNB (DGS)

             
               

Opdrachten

2.091

1.282

270

270

270

270

270

Wijzer in geldzaken

2.091

1.282

270

270

270

270

270

               

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

57.432

40.782

41.595

2.789

3.421

1.198

1.198

Bijdrage toezicht AFM

29.722

16.919

20.737

734

735

623

623

Bijdrage toezicht DNB

27.710

23.863

20.858

2.055

2.686

575

575

               

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

403

400

400

400

400

400

400

Caribean Financial Action Taskforce

23

20

20

20

20

20

20

IASB

380

380

380

380

380

380

380

               

Ontvangsten

586.778

208.276

162.931

7.597

7.377

7.288

7.108

               

Garanties

230.242

161.348

155.554

       

feeopbrengsten gar. banc. leningen

230.242

161.348

155.554

       
               

Leningen

293.150

           

terugontv. voorfinanciering DNB (DGS)

293.150

           
               

Bekostiging

60.313

5.184

5.184

5.184

5.184

5.184

5.184

ontvangsten muntwezen

1.768

5.184

5.184

5.184

5.184

5.184

5.184

toename munten in circulatie

58.545

           
               

Overig

3.073

41.744

2.193

2.413

2.193

2.104

1.924

D2. Budgetflexibiliteit

Subsidies

CDFD

Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) is belast met het toezicht op de naleving door exameninstituten van de artikelen 9 en 10 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Genoemde artikelen bevatten een nadere uitwerking van artikel 4:9, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht. De aanwijzing van het CDFD is bij Koninklijk besluit gebeurd (Instellingsbesluit CDFD). Door deze aanwijzing kan zij namens de Minister van Financiën beslissen over het verlenen, onthouden en intrekken van een erkenning.

Bekostiging

Rechtspraak Financiële Markten

Op grond van artikel 21 van de Wet tuchtrechtspraak accountants worden de kosten van de accountantskamer (Rechtspraak Financiële Markten) volledig gedragen door de Minister van Financiën.

Muntcirculatie

Krachtens artikel 6, eerste lid van de Muntwet 2002 kunnen munten uitsluitend in opdracht van de Staat worden vervaardigd en uitgegeven. Met het oog daarop heeft de Minister een aantal afspraken met de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst tussen de Staat en KNM.

Opdrachten

Wijzer in geldzaken

Samen met private partijen financiert het ministerie het platform Wijzer in geldzaken. Het Ministerie van Financiën heeft zich in 2010 gecommitteerd aan een meerjarige bijdrage aan het platform, waarbij uitgangspunt is dat de sector de helft van het benodigde bedrag voor haar rekening neemt. In het voorjaar van 2013 heeft het ministerie dit commitment herbevestigd. Momenteel wordt overwogen de financiering van het platform in regelgeving vast te leggen.

Bijdrage aan ZBO’s en RTW

Dit betreft de bijdragen aan de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank voor het door hen uit te oefenen toezicht op de financiële markten. De verplichting tot betaling van deze bijdrage is, met uitzondering van de bijdrage voor het toezicht op de BES-eilanden, in de Wet bekostiging financieel toezicht vastgelegd.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Carribean Financial Action Task Force

De bijdrage aan de Carribean Financial Action Task Force (CFATF) hangt samen met de status van Nederland als co-operating and supporting nation. De bijdrage is niet juridisch verplicht. In de afgelopen jaren is de Nederlandse bijdrage gereserveerd voor de evaluatie van wetgeving en beleid van Curaçao en Sint Maarten.

IASB

Sinds 2008 verstrekt het Ministerie van Financiën jaarlijks een financiële bijdrage van € 380.000 aan de International Accounting Standards Board (IASB). Met de oprichting van de IASB kon Nederland bepaalde werkzaamheden overdragen. Zo werd tot dan toe wetgeving inzake accountingstandaarden opgenomen in het Burgerlijk Wetboek.

E. Toelichting op de instrumenten

Subsidie CDFD

Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) ondersteunt en adviseert de Minister van Financiën over de uitvoering van de regels met betrekking tot vakbekwaamheid van financiële dienstverleners zoals deze zijn neergelegd in de Wet financieel toezicht (Wft) en het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo). Het CDFD heeft onder andere als taak het adviseren van de Minister bij het vaststellen van toets- en eindtermen en het oordelen van erkenningen van exameninstituten. Voor de uitvoering van deze taken ontvangt het CDFD subsidie.

Afwikkeling Geldmuseum

De reguliere subsidie aan het Geldmuseum komt met ingang van het jaar 2014 te vervallen. Er wordt rekening gehouden met de kosten die samenhangen met de toekomstige opslag en beheer van het deel van de museumcollectie dat toebehoort aan het Ministerie van Financiën. Hierover moeten nog definitieve afspraken, mogelijk met De Nederlandsche Bank, worden gemaakt. Voorlopig is er voor gekozen om de hoogte van het bedrag voor de collectie gelijk te houden aan de tot nu toe jaarlijks aan het Geldmuseum verstrekte reguliere bijdrage.

Rechtspraak Financiële Markten (accountantskamer)

De Accountantskamer beoordeelt klachten over gedragingen van accountants bij hun beroepsmatig handelen. Het gaat daarbij vooral om gedragingen die mogelijk in strijd zijn met de wet of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. In een tuchtprocedure staat het belang van een goede beroepsuitoefening voorop.

Muntcirculatie

Muntcirculatie bestaat uit uitgaven die betrekking hebben op de muntproductie en de vergoeding van de kosten van het Nationaal Analysecentrum voor Munten. De muntproductie in de jaren 2014 en verder is afhankelijk van de ontwikkelingen in de muntvraag.

Afname munten in circulatie

Het in omloop brengen van reguliere euromunten leidt tot ontvangsten voor de Staat en tegelijkertijd tot een schuld aan het publiek. Wanneer er meer munten in omloop worden gebracht dan dat er uit omloop terugkomen, neemt het aantal munten in circulatie toe. Deze toename leidt tot een netto ontvangst omdat de nominale waarde van de munten wordt ontvangen door de Staat. Wanneer er minder munten in omloop worden gebracht dan dat er uit omloop terugkomen, leidt dit tot een afname van munten in circulatie en tot een netto uitgave, omdat de nominale waarde wordt terugbetaald. Met de invoering van de euro deed ook de migratie van deze munten haar intrede. De realisaties van voorgaande jaren laten een wisselend beeld zien met zowel positieve als negatieve resultaten. Om deze reden wordt een stelpost van nul opgenomen voor zowel de ontvangst als de uitgave aan munten in circulatie.

Wijzer in geldzaken

Het platform Wijzer in geldzaken heeft het vergroten van financiële kennis en vaardigheden in Nederland de afgelopen jaren met succes op de kaart gezet. Uitgangspunt voor de begroting van Wijzer in geldzaken is dat het Ministerie van Financiën samen met een aantal partijen uit de sector het platform financiert.

Bijdrage toezicht AFM en DNB

DNB en AFM voeren het toezicht op de Financiële Markten uit. De hoogte van de overheidsbijdrage aan de toezichthouders AFM en DNB is met ingang van 1 januari 2013 geregeld in artikel 10 van de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft). Tot 2015 betaalt de Rijksoverheid mee aan dit toezicht.

Bijdrage internationale organisaties

Hieronder vallen de jaarlijkse contributie aan de International Accounting Standards Board, alsmede de bijdrage in de kosten van de Caribean Financial Action Task Force (CFATF). De CFATF is een regionale organisatie in het Caribische gebied die witwassen en het financieren van terrorisme bestrijdt.

Overig

Deze post is een verzameling van kleine instrumenten: de monitoring commissies Code Banken, Verzekeraars en Corporate Governance en de commissie Wijffels.

Ontvangsten

Feeopbrengsten

Sinds 1 januari 2011 is het mogelijk voor banken die onder de garantieregeling leningen hadden uitgegeven (delen van) gegarandeerde leningen vervroegd af te lossen. ABN AMRO, Achmea en NIBC hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Ontvangsten muntwezen

De ontvangsten muntwezen hebben betrekking op de uitgifte van bijzondere euromunten, de afdracht van de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) aan de Staat van de totale nominale waarde van uitgegeven muntsets, de bijzondere euromunten en van royalty's. Royalty's zijn vergoedingen die de Staat ontvangt voor dukaten die KNM produceert en verkoopt. De ontvangsten muntwezen hebben tevens betrekking op verkocht metaalschroot.

2.2.3 Artikel 3: Financieringsactiviteiten publiek-private sector

A. Algemene doelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën stimuleert en regisseert een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, politiek belangrijke investeringsprojecten en transacties van de rijksoverheid en publiek- private investeringen in Nederland. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;

  • het toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van grote publieke investeringsprojecten van politiek belang die in samenwerking met de markt worden verwezenlijkt, zodat vakdepartementen in staat worden gesteld hun projecten binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit te realiseren. Voorbeelden van deze projecten zijn Design-Build-Finance-Maintain-(Operate) [DBFM(O)] projecten, bedrijfsvoerings- en duurzaamheidsprojecten, en projecten waarbij exclusieve rechten in de markt worden gezet;

  • het overkoepelende DBFM(O) beleid en de regie van het systeem dat ervoor moet zorgen dat DBFM(O) in Nederland structureel goed verankerd is en toegepast wordt;

  • het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiële instellingen;

  • het beheren van de Illiquid Asset Back-up Facility binnen de contractvoorwaarden;

  • zwaarwegende en/of principiële beslissingen (o.a. exitstrategie en beloningsbeleid) van, alsmede het houden van toezicht op NL Financial Investments (NLFI).

De Minister van Financiën heeft een aantal instrumenten tot zijn beschikking, die ingezet kunnen worden voor de invulling van zijn verantwoordelijkheid:

  • bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op basis van de Comptabiliteitswet en als aandeelhouder op basis van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en de statuten van de onderneming;

  • de gedragsregels uit de Corporate Governance Code;

  • bedrijfseconomische, juridische en corporate governance-expertise en kennis en kunde op het gebied van projectfinanciering en risicomanagement;

  • structureel en incidenteel overleg met bestuurders en commissarissen van de staatsdeelnemingen;

  • overleg met betrokken vakdepartementen over de mate waarin en de wijze waarop de relevante publieke belangen worden geborgd;

  • besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996, in het bijzonder artikel 6: huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, zoals DBFM(O) en andere langjarige complexe projecten, mogen pas worden gesloten na overeenstemming met de Minister van Financiën;

  • PPS-code: de beheercode voor goede bedrijfsvoering binnen de rijksoverheid gericht op een doelmatige en rechtmatige inzet van het instrument van publiek-private samenwerking bij de realisatie en de exploitatie van (met name meerjarige) investeringsprojecten;

  • wet Stichting Administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI).

Bovenstaande instrumenten zijn verschillend van aard. De bevoegdheden die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek en Comptabiliteitswet vormen de basis van de (formele) zeggenschap. De overige instrumenten hebben een meer informeel karakter, zijn richtinggevend (zoals de Corporate Governance Code) of dienen als randvoorwaarde om invulling te kunnen geven aan de beleidsdoelstelling (zoals de beschikbaarheid over en/of toegang tot de benodigde kennis).

C. Beleidswijzigingen

Na de zomer van 2013 zal de Minister van Financiën de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 presenteren. In de Nota wordt onder meer uiteengezet welke toegevoegde waarde het kabinet ziet in het staatsaandeelhouderschap bij de borging van publieke belangen. Daarnaast wordt beschreven op welke wijze de Staat als aandeelhouder zijn rol invult op het gebied van strategie, doelmatigheid en rendement, vermogenspositie, investeringen, benoemingen en beloningsbeleid. De Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 is ook een kabinetsreactie op het IBO Staatsdeelnemingen dat maart 2013 naar de Kamer is gestuurd 17. In dat kader gaat de nota onder meer in op de rolverdeling tussen de Staat als aandeelhouder en de Staat als beleidsmaker.

Begin 2013 zijn beide Kamers geïnformeerd over het voornemen de aandelen die de Staat der Nederlanden indirect houdt in URENCO Ltd. te vervreemden, onder de randvoorwaarde dat de publieke belangen inzake non-proliferatie, veiligheid en leveringszekerheid geborgd zijn 18. Om aan het voornemen tot verkoop, en de borging van de publieke belangen die daarbij een rol spelen verder invulling te geven, worden intensieve besprekingen gevoerd tussen de verdragsstaten bij het Verdrag van Almelo en de aandeelhouders in URENCO. De Kamer zal naar verwachting na de zomer 2013 worden geïnformeerd over het resultaat van de besprekingen.

In het regeerakkoord is afgesproken dat het aanbieden van gokspelen geen kerntaak van de overheid is. Daarom wordt Holland Casino onder voorwaarden verkocht. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Financiën werken aan voorstellen voor een gemoderniseerde inrichting en -ordening van de kansspelmarkten. Gelijktijdig wordt in beeld gebracht wat dit betekent voor de betrokken staatsdeelnemingen.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1. 000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

68.581

14.737.037

303.866

281.366

229.367

185.367

141.367

waarvan garantieverplichting:

             

Garanties en vrijwaringen (FCI, NS, WST en TenneT)

 

– 13.600

         

Regeling BF

 

– 387

         

Garantie SNS

 

5.000.000

         

Garantie DNB

 

5.700.000

         
               

Uitgaven

2.993.758

5.793.624

1.652.866

1.589.366

1.356.367

1.167.367

943.367

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Vermogensverschaffing

             

Kapitaaluitbreiding TenneT

300.000

           

Kapitaalinjectie SNS

 

2.700.000

         
               

Bijdrage aan RWT

             

NLFI (voorheen STAK)

5.250

5.310

5.052

5.052

5.052

5.052

5.052

               

Lening

             

Management fee IABF

33.206

26.000

24.000

21.000

18.000

15.000

12.000

Funding fee IABF

2.644.371

1.939.000

1.614.000

1.554.000

1.324.000

1.138.000

917.000

Overbruggingskrediet SNS

 

1.100.000

         
               

Garantie

             

Regeling BF

0

600

100

100

100

100

100

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

Uitbetalingen garanties en vrijwaringen verkoop deelnemingen

 

600

         

Opdrachten

             

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

6.131

17.314

4.914

4.414

4.415

4.415

4.415

               

Ontvangsten

5.131.796

6.586.681

4.864.748

4.050.438

2.496.397

2.192.397

1.884.397

               

Vermogensonttrekking

             

Opbrengst onttrekking vermogenstitels

12.441

           

Dividend staatsdeelnemingen

312.510

560.876

397.497

444.897

425.297

425.297

425.297

Winstafdracht DNB

749.494

1.974.772

1.166.000

789.000

620.000

506.000

422.000

waarvan Griekse inkomsten ANFA

 

43.881

45.000

45.000

45.000

45.000

33.000

Waarvan Griekse inkomsten SMP

 

163.852

138.000

104.000

74.000

59.000

50.000

Afdrachten Holland Casino

     

10.000

10.000

10.000

10.000

Afdrachten Staatsloterij

100.000

88.000

96.000

90.000

90.000

90.000

90.000

Opbrengst verkoop vermogenstitels

38

132.000

         

Dividend financiële instellingen

121.302

394.000

400.000

       

Rijksbijdrage Landwinning Havenbedrijf Rotterdam

 

295.482

         
               

Bijdrage aan RWT

             

NLFI (voorheen STAK)

2.419

4.153

4.300

4.300

4.300

4.300

4.300

               

Leningen

             

Verwachte portefeuille ontvangsten IABF

2.433.653

1.764.000

1.459.000

1.418.000

1.211.000

1.044.000

844.000

Garantie fee IABF

73.054

58.000

52.000

46.000

39.000

33.000

26.000

Additionele fee IABF

46.350

37.000

34.000

30.000

23.000

18.000

13.000

Additionele garantie fee IABF

109.713

88.000

79.000

69.000

58.000

50.000

40.000

Verhandelbaarheidsfee IABF

14.807

18.000

15.000

13.000

11.000

7.000

5.000

Rente SNS krediet

6.765

6.596

     

Aflossing kapitaalversterkingen ING, Aegon en SNS REAAL

750.000

750.000

750.000

750.000

     

Couponbetaling en/of boetebetaling kapitaalversterking ING, Aegon en SNS REAAL

375.000

375.000

375.000

375.000

     

Renteontvangsten Mandatory Convertible Note

             
               

Garantie

             

Regeling BF

210

278

         

Premie-ontvangsten garantie Tennet

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

Premie-inkomsten Capital Relief Instrument

             

Premie-inkomsten counter indemnity

25.555

25.555

25.555

6.441

     
               

Opdrachten

             

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

450

10.000

         
D2. Budgetflexibiliteit

Bijdrage aan RWT

Betreft een bijdrage aan NLFI, dit is voor 100% juridisch verplicht op basis van de door Minister van Financiën goedgekeurde begroting van NLFI en artikel 7 Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen. De begroting NLFI van het aankomende jaar wordt telkens voor het einde van het lopende jaar vastgesteld en ter goedkeuring aan de Minister voorgelegd. De verplichting loopt zolang NLFI kosten maakt bij de uitvoering van haar wettelijke taak.

Lening

Dit instrument betreft grotendeels de Funding Fee van het IABF. Deze is verplicht op basis van een overeenkomst met ING. De back-upfaciliteit heeft in principe een looptijd tot 2048. De Staat en ING kunnen de back-upfaciliteit onder voorwaarden eerder beëindigen.

Garantie

Dit budget is 100% juridisch verplicht op basis van een overeenkomst met TenneT. De verplichting loopt door tot 2020/2021.

Opdrachten

Dit budget is grotendeels juridisch verplicht op basis van contracten met adviseurs omtrent het beheer van de staatsdeelnemingen. Deze verplichting loopt tot eind 2014.

E. Toelichting op de instrumenten

Vermogensverschaffing

Op 1 februari 2013 heeft de staat SNS REAAL genationaliseerd. Na de nationalisatie heeft er een totale herkapitalisatie van SNS REAAL plaatsgevonden. Onderdeel van de herkapitalisatie is een kapitaalinjectie van de Staat van in totaal € 2,2 mld. (€ 1,9 mld. voor SNS Bank en € 300 mln. voor de Holding SNS REAAL). Daarnaast zal er een kapitaalinjectie van € 0,5 mld. aan eigen vermogen plaatsvinden voor de oprichting van de vastgoedbeheerorganisatie. Door de herkapitalisatie kunnen de operationele kosten bij oprichting worden betaald. Het eigen vermogen dient tevens als een buffer voor onverwachte ontwikkelingen.

Vermogensonttrekking

De geraamde bedragen zien op de reguliere staatsdeelnemingen zoals Holland Casino, de NS, Schiphol en de tijdelijke financiële deelnemingen (ABN AMRO, ASR, RFS en SNS REAAL). Er wordt nog onderzocht wat het precieze budgettaire effect van het niet meer rijden van de Fyra is op het dividend van de NS.

Bijdrage aan RWT

De stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI) – een rechtspersoon met een wettelijke taak – is in juli 2011 opgericht. De nettokosten om uitvoering te geven aan deze wettelijke taak zijn € 0,9 mln. over 2014.

Leningen

IABF

De back-up faciliteit is een constructie gedefinieerd rond kasstromen. In de transactie was initieel sprake van vier kasstromen. De Staat heeft 80% van het risico op de Alt-A portefeuille van ING overgenomen en ontvangt van ING 80% van alle kasstromen die binnenkomen op de portefeuille. Daarnaast ontvangt de Staat een garantiefee. Voor 20% van de portefeuille is het risico op de balans van ING gebleven. De Staat betaalt een funding fee en een management fee aan ING. In oktober 2009 is een additionele betaling overeengekomen tussen de Staat en ING, waardoor twee extra kasstromen zijn toegevoegd. De extra betalingen komen overeen met een verhoging van de garantiefee met 0,826 procentpunt en een verlaging van de rentecomponent van de funding fee met 0,5 procentpunt. De management fee en de (extra) garantie fee worden jaarlijks berekend over de resterende omvang van de portefeuille. De overige kasstromen zijn maandelijkse betalingen. De verhandelbaarheidsfee is een zevende kasstroom. Het betreft een vergoeding die de Staat van ING ontvangt voor het omzetten van een deel van de kasstromen naar een verhandelbare lening die in de repo kan worden gebruikt (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 371, nr. 362). Iedere dollar die in 2014 wordt ontvangen wordt naar verwachting gebruikt om de verplichting aan ING versneld af te bouwen.

Overbruggingskrediet SNS

Door de onteigening van de effecten en vermogensbestanddelen van SNS REAAL zal de onderneming na nationalisatie, naar inschatting van DNB, de eerste tijd moeilijk aan financiering kunnen komen. Om de liquiditeitsbehoefte van de holding op te kunnen vangen heeft de Staat een overbruggingskrediet van € 1,1 mld. verstrekt. Dit krediet wordt gebruikt om senior schuld en interne leningen af te lossen. Deze lening zal worden terugbetaald indien de verzekeraar is verkocht of zoveel eerder als dat SNS REAAL in staat is gebleken zelf in de financiering te kunnen voorzien. Over het overbruggingskrediet ontvangt de Staat een rente van euribor + 110 basispunten (+1,1%). Deze vergoeding is marktconform en ligt hoger dan de rentekosten waartegen de Staat zelf leent.

Garanties

Onder het instrument garanties staan de regeling Bijzondere Financiering, de garantie aan de Stichting Beheer Doelgelden en de contragarantie die is verstrekt aan ABN AMRO in het kader van de verkoop van HBU aan Deutsche Bank.

Voor het beheer van de laatste distressed assets die voortkomen uit de BF-regeling wordt door NIBC een beheersvergoeding gerekend alsmede een vergoeding voor de kosten van de jaarlijkse externe accountantscontrole.

De Staat heeft in 2010 een garantie verstrekt van maximaal € 300 mln. ten behoeve van de Stichting Beheer Doelgelden tegen een marktconforme vergoeding 19. Op basis hiervan verkreeg TenneT Holding de financiering voor de overname van Transpower. De jaarlijkse, marktconforme premie die de Staat ontvangt, wordt afgestort in een begrotingsreserve.

Er zijn wederzijdse aansprakelijkheden ontstaan door de afsplitsing van HBU (Newbank) uit het oude ABN AMRO, nu RBS N.V. genaamd. Indien RBS N.V. niet meer aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen, kunnen crediteuren onder specifieke voorwaarden tot maximaal € 950 mln. claimen bij HBU. Hiervoor heeft ABN AMRO een vrijwaring afgegeven aan de kopende partij Deutsche Bank. Aangezien ABN AMRO het risico van uitbetaling niet zelf kan lopen, is er een contragarantie door de Staat afgegeven. Voor deze garantie ontvangt de Staat een premie van € 25,6 mln. op jaarbasis.

Zoals in de Kamerbrief 20 over de nationalisatie van SNS REAAL is opgenomen zal de Staat een garantie verstrekken op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie. Het gaat hierbij om een garantie van circa € 5 mld. De financiering van de vastgoedbeheerorganisatie wordt initieel verstrekt door SNS Bank. De bank loopt hiermee nog steeds een risico op de portefeuille; als verliezen verder oplopen bestaat het risico dat de vastgoedbeheerorganisatie deze financiering niet terug kan betalen. De staatsgarantie vangt dit risico op. Voor de garantie op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie zal de Staat een garantiepremie ontvangen. De hoogte van deze premie moet nog worden vastgesteld, maar zal eveneens marktconform zijn. De vastgoedbeheerorganisatie zal vermoedelijk geen dividend uitkeren.

Opdrachten

Met de nationalisatie van SNS REAAL en de daarop volgende herstructurering en afsplitsing van Property Finance zijn omvangrijke advieskosten gemoeid, nu geschat op € 10 mln. Deze kosten zullen worden doorbelast aan SNS REAAL.

Meetbare gegevens staatsdeelnemingen

De Staat is aandeelhouder vanwege de met haar deelnemingen gemoeide publieke belangen. De publieke belangen dienen dan ook centraal te staan in de strategie en de investeringen van deze ondernemingen. Niettemin stuurt de Staat als aandeelhouder haar deelnemingen op zakelijke wijze aan, opdat de ondernemingen financieel zelfstandig kunnen blijven en eigenstandig de voor het publieke belang noodzakelijke investeringen kunnen doen. De nieuwe nota deelnemingenbeleid 2013 gaat hier verder op in.

De publieke belangen die de deelnemingen dienen te bevorderen zijn veelal geborgd via wet- en regelgeving. De verantwoordelijkheid voor borging van die belangen ligt bij het vakdepartement, dat doorgaans ook de instrumenten heeft om die publieke belangen te toetsen dan wel af te dwingen, zoals concessies en vergunningen. De onderstaande indicatoren zien op aspecten van financieel belang en corporate governance en liggen daarom binnen de directe invloedssfeer van de Staat als aandeelhouder. De meetbare indicator rendement is gewijzigd ten opzichte van vorig jaar. Het streven is om in 2013 en 2014, in overleg met de deelnemingen, ondernemingspecifieke minimum streefrendementen vast te stellen, die zijn afgestemd op activiteiten en risico’s van het desbetreffende bedrijf en/of de sector waarin deze opereert. De streefrendementen zullen daarna worden gevolgd en periodiek worden herijkt. Indien de specifieke rendementseis bij een deelneming nog niet is vastgesteld dan geldt de staande portefeuillebrede rendementseis van 8% als norm.

De Minister beoogt jaarlijks de effecten van zijn aandeelhouderschap in de reguliere staatsdeelnemingen te kunnen meten. Hiervoor zijn de volgende meetbare indicatoren en streefwaarden opgenomen:

Indicator 1
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Percentage deelnemingen dat de Corporate Governance Code «comply-or-explain» toepast

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage van deelnemingen dat minimaal een C-rating heeft conform de richtlijnen van het Global Reporting Initiative (GRI)

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage van deelnemingen met dividend pay-out ratio 2van ten minste 40%

33%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

Percentage van deelnemingen waar de specifieke minimum rendementseis (RoE) wordt gehaald

n.v.t.

70%

80%

80%

80%

80%

80%

1

Deelnemingen met volwaardige bedrijfsactiviteiten en waarvan het aandeelhouderschap in het beheer is van de Minister van Financiën zijn meegenomen in de kengetallen. Voor de indicatoren zijn Thales en KLM buiten beschouwing gelaten vanwege de beperkte toepasbaarheid van de methodiek.

2

Niet voor alle staatsdeelnemingen geldt een uitbetaling van dividend middels een vooraf vastgesteld dividend pay-out ratio.

Meetbare gegevens publiek private samenwerking

Bij publiek private investeringen is het van belang dat gekozen wordt voor de meest doelmatige uitvoeringsvorm. Het aantal goed uitgevoerde PPC’s 21 is een indicator die aangeeft in hoeverre deze keuze op de juiste manier wordt afgewogen. Het uitvoeren van een PPC geeft zicht op de voor- en nadelen van verschillende vormen waarin een groot overheidsproject kan worden uitgevoerd: in een publieke of private variant of in andere (meng)vormen. Het gebruik van de PPC is voorgeschreven in het kader van het Rijksbrede DBFM(O) beleid en wordt aanbevolen voor bedrijfsvoeringsprojecten zoals ICT-projecten van het Rijk. De Minister van Financiën houdt toezicht op het gebruik van de PPC. In onderstaande tabel zijn de PPC’s voor DBFM(O) weergegeven:

Indicator

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Percentage van projecten binnen het Rijk (infrastructuur, Rijkshuisvesting) waar een PPC voor is uitgevoerd zoals afspraken voorschrijven

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarvoor «comply-or-explain» is toegepast

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarbij gekozen is voor DBFM(O)

67%

90%

90%

90%

90%

90%

Bron: Vakdepartementen; vakdepartementen geven aan als ze een PPC hebben uitgevoerd en wat de uitkomst is. Op basis van deze informatie komt de tabel tot stand. De voortgang en prestaties op het gebied van DBFM(O) worden uitvoeriger beschreven in de tweejaarlijkse DBFM(O) voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer.

2.2.4 Artikel 4: Internationale Financiële Betrekkingen

A. Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Om het bovenstaande doel te bereiken heeft de Minister van Financiën een regisserende rol in Nederland. De internationale inzet van de Minister is van belang omdat de Nederlandse economie door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk wordt beïnvloed door internationale financieel-economische ontwikkelingen. Een sterke Europese economie heeft een directe weerslag op de Nederlandse economie. Nederland is mede hierdoor gebaat bij een gezonde financieel economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de Europese Unie en haar lidstaten, waarbij ook de financiële stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is.

Ten behoeve van de bevordering van financiële stabiliteit in de toekomst neemt de Minister actief deel aan internationaal toezicht ter bevordering van de begrotingsdiscipline van lidstaten van de EU en een stabiele macro-economische omgeving in de EMU. Hieronder valt ook de economische beleidscoördinatie in de EU en de EMU, zoals door een nieuw verdrag voor begrotingsdiscipline tussen lidstaten van de EU en een procedure voor economische onevenwichtigheden. Verder neemt de Minister van Financiën besluiten over het Nederlandse oordeel over aanvragen voor het Exchange Rate Mechanism (ERM-II) en voor euro-invoering. Tevens draagt de Minister van Financiën het Nederlandse standpunt over de EU begroting uit.

De Minister van Financiën draagt bij aan het beheer van stabilisatiemechanismen zoals het EFSF en het ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit, ook in financieel-economisch moeilijke tijden. Dit doet de Minister door actief deel te nemen aan Europese overleggen zoals de Eurogroep en Ecofin en door een intensieve lobby bij Europese partners.

Internationale financiële instellingen beïnvloeden economische ontwikkelingen, als gevolg van hun rol bij het financieel-economische beleidstoezicht en als financieel vangnet in geval van een crisis. Goed beleid van deze instellingen draagt daarom bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling en de ontwikkeling van lage- en middeninkomenslanden. De Minister draagt hieraan bij door toezicht te houden op de uitvoering van de taken van de Internationale Financiële Instellingen (IFI’s) en hun financiële soliditeit. Daarnaast levert de inbreng van de Minister bij discussies in internationale fora zoals de Ecofin, Eurogroep, Working Party 3 (van de OESO) en discussies bij het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en andere IFI’s een bijdrage aan de beïnvloeding van de internationale beleidsdiscussie en beleidsrespons.

C. Beleidswijzigingen

In internationaal verband zijn maatregelen getroffen om de wereldeconomie minder gevoelig te maken voor financieel economische crisis en te zorgen dat de gevolgen, mocht een dergelijke crisis opnieuw plaatsvinden, zo beperkt mogelijk blijven. Hierbij zal het versterken van de rol van de IFI bij crisispreventie en het vormen van een vangnet voor landen die in ernstige problemen dreigen te raken voortgezet worden. De Minister van Financiën heeft hier voor Nederland als bewaker van de financiële belangen van de Nederlandse overheid en burger een centrale rol in.

Op Europees vlak zal er in 2014 substantiële aandacht zijn voor een verder herstel van de financiële stabiliteit van de eurozone. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot wijziging en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie (onder andere versterkt Stabiliteits- en Groeipact). Gekoppeld hieraan zal er aandacht zijn voor de lopende steunprogramma’s voor Griekenland, Ierland, Portugal, Cyprus en het programma voor Spanje (gericht op de Spaanse banken). De Minister van Financiën neemt namens Nederland deel aan discussies en besluitvorming op ministerieel niveau in Eurogroep en Ecofin verband en in de Raad van gouverneurs van het ESM over deze onderwerpen. Eurogroep en Ecofin vergaderingen vinden in beginsel iedere maand plaats.

Zoals eerder is toegezegd zijn de mogelijkheden verkend om de publieke externe controle op het EFSF onder te brengen bij het auditcomité van het ESM. Deze verkenning wijst dat het niet mogelijk is de publieke externe controle op het EFSF te laten verrichten door het auditcomité van het ESM; het EFSF kan als private onderneming onder Luxemburgs recht niet worden gecontroleerd door een gremium dat niet bestaat uit leden van de Board of Directors. Wel zal op korte termijn een EFSF-auditcomité worden ingesteld, bestaande uit een aantal leden van de Board of Directors, waardoor het toezicht op de afwikkeling van de bestaande leningenprogramma’s voor Ierland, Portugal en Griekenland zal worden versterkt.

De onderhandelingen in het kader van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2014–2020 van de EU zijn in 2013 afgerond. Volgens de huidige planning kan het nieuwe MFK daarmee vanaf 1 januari 2014 in werking treden. In het nieuwe MFK, dat circa € 34 mld. lager ligt dan het huidige MFK, hebben de budgetten voor onderzoek en innovatie aan relatief belang gewonnen ten opzichte van de klassieke posten als landbouw- en cohesiebeleid. Tevens heeft Nederland in deze onderhandelingen wederom een korting op de afdrachten bedongen van ruim € 1 mld. Voor een compleet overzicht van de resultaten wordt verwezen naar de Kamerbrieven 1.

Op 21 januari 2013 is de Minister van Financiën, Jeroen Dijsselbloem, door de collega’s uit de Eurogroep benoemd als voorzitter van de Eurogroep voor een periode van 2,5 jaar. In de afgelopen jaren is een gezamenlijke Europese aanpak voor de crisis gekozen. Nederland heeft hierbij een actieve rol gespeeld. In de komende jaren is het van groot belang om vast houden aan die aanpak en gemaakte afspraken te implementeren. De rol als voorzitter van de Eurogroep biedt bij uitstek de mogelijkheid om uitvoering te geven aan de gezamenlijke Europese inzet.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

38.336.697

– 47.707.765

1.081.076

402.551

380.551

1.094.862

171.598

waarvan:

             

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

120.110

181.519

842.590

181.841

181.841

918.837

16.153

Garantie aan DNB inzake IMF en BIS

– 825.772

113.445

113.445

113.445

113.445

113.445

113.445

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

5.000

– 48.141.770

         

EFSF

             

EFSM

6.000

           

ESM

35.445.400

           
               
               

Uitgaven

2.005.213

2.599.757

1.119.514

447.187

399.010

270.229

254.438

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Deelname aan internationale instellingen

1.987.667

2.460.716

994.473

339.922

313.745

207.649

212.438

Multilarerale ontwikkelingsbanken en fondsen

158.227

183.054

79.753

339.922

313.745

207.649

212.438

EFSF

             

ESM

1.829.440

1.829.440

914.720

       

EIB

 

448.222

         
               

Griekenland

17.546

139.041

125.041

107.265

85.265

62.580

42.000

Lening aan Griekenland

4.546

           

Uitkering aan Griekenland

13.000

139.041

125.041

107.265

85.265

62.580

42.000

               

Ontvangsten

50.131

34.186

29.970

56.336

72.133

87.848

87.848

               

Deelname aan internationale instellingen

9.454

8.480

4.418

665

672

655

655

Ontvangsten IFI's

9.454

8.480

4.418

665

672

655

655

               

Lening

40.677

25.706

25.552

55.671

71.461

87.193

87.193

Rente ontvangsten lening Griekenland

40.677

25.706

25.552

55.671

71.461

87.193

87.193

D2. Budgetflexibiteit

Deelname aan internationale instellingen

Dit budget betreft grotendeels de Nederlandse bijdrage aan het ESM, dit budget is juridisch verplicht op basis van internationale overeenkomsten (ESM verdrag). De laatste betaling van het gestort kapitaal van het ESM is voor eerste helft van 2014 geraamd. Het overige deel betreft deelname aan het International Development Association (IDA) programma van de Wereldbank.

Uitkering inkomsten obligaties

De uitkering van de inkomsten op de Griekse obligaties zijn juridisch verplicht vanwege internationale overeenkomsten. De verplichting loopt door tot ten minste 2026. In de periode 2026–2038 gaat het echter om een relatief klein bedrag, dat in een keer in 2026 zal worden uitgekeerd.

E. Toelichting op de instrumenten

Met het oog op de financiële stabiliteit van de eurozone en Nederland zijn verschillende maatregelen genomen, waaronder de steunprogramma’s voor Griekenland, Ierland, Portugal, Cyprus en het programma voor Spanje. Tevens zijn de stabilisatiemechanismen EFSF en ESM opgericht. De Minister van Financiën vertegenwoordigt de Nederlandse belangen bij het beheer van de stabilisatiemechanismen EFSF en ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit, ook in financieel-economisch moeilijke tijden. Daarnaast vertegenwoordigt de Minister van Financiën de Nederlandse belangen bij het tot stand komen van steunprogramma’s. Dit doet de Minister door actief deel te nemen aan Europese overleggen zoals de Eurogroep en Ecofin en door een intensieve lobby bij Europese partners.

Het overige deel van de raming voor garantieverplichtingen heeft betrekking op het zogenaamde garantiekapitaal van de internationale financiële instellingen (het deel van de verplichting dat waarschijnlijk niet tot betaling komt, het «callable capital»), op garantie-overeenkomsten tussen de Staat en DNB (onder meer de Nederlandse deelneming in IMF) en deelneming in de door de BIS te verstrekken kredietfaciliteiten.

Daarnaast draagt Nederland via algemene bijdragen aan multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen bij aan ontwikkelingssamenwerking. Deze bijdragen zijn direct na ondertekening meerjarig en onvoorwaardelijk verschuldigd. Voor een deel van de verplichtingen- en uitgavenramingen geldt dat door wisselkoersinvloeden de realisaties kunnen afwijken van de ramingen; dit deel van de realisaties is daarmee niet beleidsmatig te beïnvloeden.

2.2.5 Artikel 5: Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

A. Algemene doelstelling

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën heeft de rol van regisseur van de uitvoering van de exportkredietverzekeringsfaciliteit. De Minister stelt de randvoorwaarden vast waaronder de uitvoerder van de faciliteit verzekeringen mag afgeven. Sinds de stelselwijziging die op 1 januari 2010 in werking is getreden, treedt de Staat op als verzekeraar en voert Atradius Dutch State Business N.V. de EKV-faciliteit uit, op naam en voor rekening en risico van de Staat. De Minister van Financiën is budgetverantwoordelijk. De Minister van Financiën is, samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, beleidsverantwoordelijk voor het verstrekken van de verzekeringen.

Op basis van de Kaderwet Financiële Verstrekkingen Financiën biedt de Nederlandse Staat, ter aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico’s kunnen afdekken bij de Staat. Met de verschillende producten beschikbaar binnen de exportkrediet- en investeringsverzekeringen (de EKV-faciliteit) kunnen Nederlandse bedrijven meer grote en op (middel)lange termijn gefinancierde exportorders verwerven, hetgeen een positief effect heeft op de werkgelegenheid.

De randvoorwaarden voor het aangaan van verzekeringen kunnen ieder moment worden aangepast zodat onverantwoord grote risico’s worden vermeden. Het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het Ministerie van Financiën door middel van een Risk Management Framework.

Om zo veel mogelijk te voorkomen dat de Staat risico’s in verzekering neemt die door de markt kunnen worden gedekt, is de «risicodracht» opgezet. In de risicodracht staat vermeld op welke risico’s (landen, looptijd en omvang) de Staat potentieel dekking aanbiedt. Voor de overige risico’s gaat de Staat er in principe vanuit dat deze door de markt zelf in dekking kunnen worden genomen. De risicodracht wordt periodiek aangepast na overleg met de uitvoerder van de faciliteit of indien reacties van marktpartijen hiertoe aanleiding geven.

De Minister heeft een stimulerende rol ten aanzien van het bevorderen van een gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen. Om Nederlandse exporteurs en hun financiers internationaal onder gelijke voorwaarden te kunnen laten concurreren, wordt door Nederland in internationaal verband overlegd over de exportondersteunende maatregelen. Zo worden in OESO- en EU-verband afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt, zoals minimum premies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden, maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoord leenbeleid. De OESO voert een actieve dialoog met de opkomende economieën die geen deel uitmaken van de OESO om mogelijke verstoringen van het speelveld zoveel mogelijk te beperken.

C. Beleidswijzigingen

Om ervoor te zorgen dat de exportkredietverzekeringsfaciliteit aansluit bij de huidige marktbehoefte is er periodiek contact met exporteurs. De laatste tijd geven de exporteurs regelmatig aan dat de financieringsmogelijkheden bij marktpartijen sterk teruglopen en dat verschillende overheden hier maatregelen tegen treffen. Op basis van de internationale vergelijking, zoals uitgevoerd binnen het benchmarkonderzoek over 2012, blijkt inderdaad dat er internationaal steeds meer wordt gedaan op het gebied van (her)financieren van exporttransacties. In Nederland gebeurt dit niet. Om er voor te zorgen dat Nederlandse exporterende bedrijven niet op een achterstand komen te staan ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten wordt in 2014 meer dan voorheen ingezet op het beschikbaar houden van voldoende financiering tegen een scherpe prijs. Om dit te bereiken, zonder dat de Staat onnodig op de stoel van de marktpartijen gaat zitten, wordt er in samenwerking met banken en de exportsector bekeken in welke mate exportfinanciering verder ontwikkeld kan worden. Hierbij kan worden gedacht aan een herfinancieringsfaciliteit.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

2.934.821

10.616.386

10.616.386

10.616.386

10.616.386

10.616.386

10.616.386

waarvan garantieverplichtingen:

2.922.409

10.603.780

10.603.780

10.603.780

10.603.780

10.603.780

10.603.780

Reguliere EKV

2.942.882

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

Investeringsverzekeringen

– 20.473

453.780

453.780

453.780

453.780

453.780

453.780

MIGA

 

150.000

150.000

150.000

150.000

150.000

150.000

               

Uitgaven

70.109

113.106

110.006

118.006

118.006

118.006

118.006

               

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Exportkredietverzekering

             

Schade-uitkering EKV

57.697

100.000

96.900

104.900

104.900

104.900

104.900

Schade-uitkering investeringsverzekeringen

 

500

500

500

500

500

500

Schade-uitkering MIGA

             

Schade-uitkering Omzetpolissen

             

Uitgaven Seno-Gom

286

           
               

Opdrachten

             

Kostenvergoeding Atradius DSB

12.126

12.606

12.606

12.606

12.606

12.606

12.606

               

Ontvangsten

350.432

143.550

99.500

83.750

82.250

82.250

69.750

Premies EKV

43.629

55.000

40.000

40.000

40.000

40.000

40.000

Premies investeringsverzekeringen

537

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

Premies omzetpolissen

15

           

Schaderestituties EKV

97.911

52.300

28.000

28.000

28.000

28.000

28.000

Schaderestituties Seno-Gom

185

           

Ontvangsten Seno-Gom

207.655

34.500

29.750

14.000

12.500

12.500

0

Overige ontvangsten

500

500

500

500

500

500

500

D2. Budgetflexibiliteit

Exportkredietverzekering

Dit budget is 100% juridisch verplicht op basis van door exporteurs en exportfinanciers (banken) afgesloten exportkredietverzekeringen indien de verzekerde risico’s zich materialiseren en aan alle verzekeringsvoorwaarden is voldaan. De openstaande garantieverplichting was ultimo 2012 € 17,4 mrd.

Opdrachten

Dit budget is juridisch verplicht op basis van een overeenkomst met Atradius DSB. Deze overeenkomst loopt door tot en met 2014.

E. Toelichting op de instrumenten

Exportkredietverzekering

Voor de exportkredietverzekering is in de begroting een bedrag van € 10 mld. opgenomen als plafond voor hoeveel de Staat jaarlijks als saldo van nieuwe verplichtingen kan aangaan.

Via de exportkredietverzekeringen worden Nederlandse exporteurs en hun financiers gedekt tegen het politieke en commerciële risico dat zij lopen bij middellange en langlopende exportcontracten naar landen met een (ver)hoog(d) risico en/of buitenlandse afnemers met een relatief hoog risicoprofiel. Dit instrument vergroot dus de mogelijkheden voor Nederlandse export.

Voor zowel de inkomsten als de schade-uitkeringen, behorende bij dit instrument, geldt dat deze worden beïnvloed door externe factoren, zoals de vraag naar exportkredietverzekeringen door exporteurs en het betaalgedrag van debiteuren in derde landen.

Tevens kan de Staat jaarlijks voor maximaal € 453 mln. aan verplichtingen aangaan voor nieuwe investeringsverzekeringen. Via deze verzekeringen worden Nederlandse bedrijven die langdurig investeren gedekt tegen het politieke risico dat zij lopen in het land. Onderstaande grafiek laat de ontwikkeling zien van het totaal door de Staat verzekerde bedrag in de afgelopen jaren: het totale uitstaande obligo. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen definitieve verzekeringen (polissen) en voorlopige verzekeringen (dekkingstoezeggingen).

Opdracht

Atradius Dutch State Business (ADSB) is de uitvoerder van de EKV-faciliteit. ADSB geeft in naam en voor rekening van de Staat der Nederlanden exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen af. Voor de uitvoering en het beheer van de portefeuille ontvangt ADSB jaarlijks een vergoeding.

Meetbare gegevens

Binnen de EKV-faciliteit worden twee kengetallen gebruikt om inzicht te krijgen in hoeverre de doelstelling wordt behaald. Beide kengetallen, de benchmark en BERB, bieden informatie over het gelijkwaardige speelveld. Er wordt gestreefd naar een best of class notering (A rating) binnen de jaarlijkse benchmark op de verzekeringsvoorwaarden en -mogelijkheden. De benchmark is een vergelijkend onderzoek tussen de Nederlandse faciliteit en faciliteiten in een aantal voor de concurrentie relevante landen. Een best of class resultaat betekent dat de Nederlandse faciliteiten aansluiten bij de landen die het beste scoren op de verzekeringsvoorwaarden en -mogelijkheden.

Internationaal is afgesproken dat EKV-faciliteiten over een langere periode kostendekkend moeten zijn, om concurrentieverstoring te voorkomen. Dat betekent dat op lange termijn de premie-inkomsten voldoende moeten zijn om de uitvoeringskosten en de netto schade-uitkeringen (inclusief de recuperaties) te dekken. De kostendekkendheid van de Nederlandse faciliteit wordt gemeten door het model voor Bedrijfseconomische Resultaatbepaling (BERB). Daaruit blijkt dat de Nederlandse EKV-faciliteit over de periode 1999 t/m 2012 een positief resultaat van € 226 mln. heeft geboekt. Gegeven de voorwaarde dat het resultaat minimaal nul moet zijn, is er hoewel er in een individueel jaar een negatieve uitschieter kan zijn, op de lange termijn een grotere kans op een licht positief resultaat. De omvang van het huidige cumulatieve positieve resultaat is, gegeven de verplichtingen over diezelfde periode, dusdanig beperkt dat dit geen aanleiding is om het huidige acceptatiebeleid aan te passen.

Kengetallen

2014

2015

2016

2017

2018

BERB

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

Benchmark

A

A

A

A

A

2.2.6 Artikel 6: BTW-compensatiefonds

A. Algemene doelstelling

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor en heeft een uitvoerende rol bij:

  • verstrekken, verzamelen en controleren van de opgaafformulieren en het uitbetalen van de compensabele btw;

  • beheer van het BTW-compensatiefonds.

Het BTW-compensatiefonds is opgericht zodat de btw geen rol speelt bij de afweging door decentrale overheden tussen het uitbesteden van werkzaamheden of het uitvoeren ervan door de eigen organisatie. Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s kunnen de betaalde btw terugvragen bij het BTW-compensatiefonds. De betaalde btw moet daarvoor wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet de btw betaald zijn over een niet-ondernemerstaak en mag geen sprake zijn van verstrekking aan een individuele derde. Voorbeelden van taken waarvoor gemeenten btw kunnen terugclaimen zijn de inzameling van huisvuil, het straatbeheer, schoonmaakactiviteiten, archivering, ingenieurswerkzaamheden en groenbeheer.

C. Beleidswijzigingen

Er zijn in 2014 geen beleidswijzigingen ten aanzien van het BTW-compensatiefonds gepland.

Het kabinet heeft aanvankelijk het voornemen gehad om het BTW-compensatiefonds per 2015 af te schaffen. Hoewel het primaire doel van het BTW-compensatiefonds bereikt is, blijkt niet uit de evaluatie dat het fonds tot het achterliggende doel – doelmatigheidswinst door meer uitbesteding – heeft geleid. Politieke, strategische en beleidsmatige factoren hebben meer impact op de beslissing om al dan niet uit te besteden dan doelmatigheid. Tegelijkertijd is het BTW-compensatiefonds budgettair gezien aanzienlijk in omvang toegenomen.

In het financieel akkoord 22 dat het Rijk en de medeoverheden op 18 januari 2013 gesloten hebben, heeft het kabinet met de gemeenten en provincies de afspraak gemaakt het BTW-compensatiefonds niet af te schaffen. Onderdeel van deze afspraak is dat de ingeboekte korting gehandhaafd blijft en op het gemeentefonds en provinciefonds wordt toegepast. Eveneens wordt het voor het BTW-compensatiefonds jaarlijks beschikbare budget gemaximeerd. Concreet betekent dit dat er per 2015 een plafond op het BTW-compensatiefonds komt. Het plafond wordt gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds en provinciefonds. Uitgangspunt voor het plafond is de raming van het BTW-compensatiefonds voor 2014 zoals weergegeven in de begroting 2013, namelijk € 3,1 mld. Vanaf 2015 groeit dit bedrag met het accrespercentage. Het plafond wordt tevens aangepast voor taakmutaties (zoals de decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BTW-compensatiefonds. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds en provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste aan het gemeentefonds en provinciefonds. De toevoeging of uitname wordt over het gemeentefonds en provinciefonds verdeeld conform de aandelen van de gezamenlijke gemeenten en gezamenlijke provincies in het BTW-compensatiefonds in het gerealiseerde jaar.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

De tabel budgettaire gevolgen van beleid laat de meest actuele raming van het BTW-compensatiefonds zien. Het feit dat de raming voor 2014 in deze begroting verschilt van de raming voor 2014 zoals opgenomen in de begroting 2013, heeft geen gevolgen voor het uitgangspunt voor het plafond van het BTW-compensatiefonds. Het uitgangspunt voor het plafond blijft € 3,1 mld.

Het verschil tussen de geraamde realisatie van het BTW-compensatiefonds en het geraamde plafond van het BTW-compensatiefonds – dus de geraamde toevoeging of onttrekking aan het gemeentefonds en provinciefonds – wordt gereserveerd op de aanvullende posten van het gemeentefonds en provinciefonds.

In de ramingen is rekening gehouden met de gevolgen van een taakmutatie, namelijk het overgaan van taken van gemeenten naar veiligheidsregio’s per 2014. Gegeven deze aanpassing zal naar huidig inzicht in 2015 circa € 180 mln. worden toegevoegd aan het gemeente- en provinciefonds.

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

2.664.772

2.656.643

2.816.420

2.816.664

2.816.486

2.816.367

2.816.367

               

Uitgaven

2.664.772

2.656.643

2.816.420

2.816.664

2.816.486

2.816.367

2.816.367

               

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Instrument: Btw-compensatieregeling

             

w.v. bijdragen aan gemeenten en kaderwetgebieden

2.360.993

2.354.196

2.490.095

2.490.255

2.490.183

2.490.095

2.490.095

w.v. bijdragen aan provincies

303.779

302.447

326.325

326.409

326.303

326.272

326.272

               

Ontvangsten

2.664.772

2.656.643

2.816.420

2.816.664

2.816.486

2.816.367

2.816.367

D2. Budgetflexibiliteit

De bijdrage ter compensatie van de door gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s betaalde btw is opgenomen in de Wet op het BTW-compensatiefonds. Deze wet bevat de voorwaarden waarbinnen gemeenten en provincies kunnen claimen uit het BTW-compensatiefonds, maar stelt geen grens aan de totale omvang van claims uit het fonds. Het BTW-compensatiefonds is daarmee wettelijk inflexibel in zijn totaliteit.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Uitgaven

Gemeenten declareren in absolute zin meer btw bij het BTW-compensatiefonds dan provincies. Dit declaratiepatroon ligt in het verlengde van de ruimere budgettaire mogelijkheden van gemeenten ten opzichte van provincies; het gemeentefonds is namelijk groter dan het provinciefonds.

In relatieve zin declareren de provincies meer bij het BTW-compensatiefonds. Een mogelijke oorzaak hiervan is dat de provincies vooral actief zijn op het gebied van verkeer en vervoer, hetgeen een uitgavencategorie is die veelal voor compensatie van btw-bedragen in aanmerking komt.

De raming van het fonds is aangepast op basis van de jaarbeschikking over 2012, het geraamde effect van de btw-verhoging, (geraamde) voorschotten en voorgenomen beleidsmutaties.

Compensatie

De Belastingdienst is belast met het verstrekken en verzamelen van opgaafformulieren en het compenseren van de btw over niet-ondernemersactiviteiten.

Controlebeleid

De controle op de toepassing van de Wet op het BTW-compensatiefonds is belegd bij de Belastingdienst. De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van naleving van de regels door belastingplichtigen. Om dat te bereiken zet de Belastingdienst meerdere toezichtinstrumenten in. Een van die instrumenten is het horizontaal toezicht, dat gebaseerd is op vertrouwen en transparantie. De vorm en intensiteit van het toezicht van de Belastingdienst wordt daarbij aangepast aan de kwaliteit van de interne organisatie van de gemeenten en provincies.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Waarde 2012

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Aantal gemeenten en provincies onder HT 1

n.v.t.

n.v.t.

200–250

1

De prestatie-indicatoren zijn ten opzichte van 2013 gewijzigd om beter aan te sluiten bij het toezichtsproces zoals de Belastingdienst dat uitvoert. Hiermee wordt eveneens consistentie bereikt met de indicatoren zoals opgenomen in de toelichting bij artikel 1 Belastingen.

De Belastingdienst richt zich ten aanzien van provincies en gemeenten op het vergroten van de zekerheid over de juistheid en volledigheid van de belastingontvangsten.

De Belastingdienst ondersteunt en stimuleert provincies en gemeenten om de kwaliteit van de aangifte te verbeteren. De Belastingdienst bespreekt met de provincie respectievelijk gemeente hoe zij haar verantwoordelijkheid invult met betrekking tot haar aangifte. Daarbij wordt vastgesteld hoe deze omgaat met fiscaliteit en of de randvoorwaarden aanwezig zijn om te komen tot een adequate beheersing daarvan. De provincie/gemeente beoordeelt daarna cyclisch de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen en deelt de resultaten daarvan met de Belastingdienst. De Belastingdienst monitort dit proces en bepaalt in welke mate gesteund kan worden op deze interne beheersing. Periodiek wordt dit getoetst, doorgaans door steekproefsgewijze controles. Voor de organisaties die nog niet adequaat werken aan opzet, bestaan en werking van de fiscale beheersing beoordeelt de Belastingdienst of het horizontaal toezichtstraject kan worden gecontinueerd.

Waar horizontalisering van het toezicht (nog) niet mogelijk is, voert de Belastingdienst op basis van handhavingsregie passende interventies uit.

2.2.7 Artikel 7: Beheer Materiële Activa

A. Algemene doelstelling

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën heeft een uitvoerende rol op het gebied van roerende materiële activa. De Minister is verantwoordelijk voor het vervoeren, bewaren, vernietigen en verkopen van overtollige en in beslaggenomen roerende zaken. Deze taken zijn opgedragen aan het baten-lastenagentschap Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het Ministerie van Financiën is eigenaar van DRZ. Het aan Financiën toebehorende deel van de verkoopopbrengsten van in beslag genomen goederen staat geraamd in de tabel budgettaire gevolgen van beleid. De hoogte van de verkoopopbrengsten wordt voornamelijk bepaald door de te nemen (verkoop)beslissingen over in beslag genomen goederen door het Openbaar Ministerie. Om deze reden is bij dit artikel geen prestatie-indicator opgenomen. Voor de doelmatigheidsindicatoren wordt verwezen naar de paragraaf inzake de baten-lastendienst.

Het Rijk bezit namelijk materiële activa die nodig zijn voor de realisatie van rijksdoelstellingen. De wettelijk basis voor deze uitvoerende rol ligt in de Comptabiliteitswet. Daarin staat dat de Minister van Financiën belast is met de verantwoordelijkheid voor het (privaatrechtelijk) beheer van de roerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet krachtens de Wet bij een of meer andere Ministers is gelegd.

C. Beleidswijzigingen

Op grond van artikel 7 van de Regeling agentschappen heeft een doorlichting van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) plaatsgevonden. Aangezien DRZ niet volledig voldoet aan de Regeling, is besloten de agentschapsstatus van DRZ in te trekken met ingang van 1 januari 2015 en de organisatie om te vormen tot een reguliere ambtelijke dienst (zo mogelijk binnen het Ministerie van Financiën). De budgettaire implicaties van de herpositionering zullen worden verwerkt in de Ontwerpbegroting 2015.

Op 5 november 2012 is besloten tot een departementale herindeling met betrekking tot rijksvastgoed. Hierbij is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van rijksvastgoed, met inbegrip van het RVOB, voor zover deze voor 5 november was opgedragen aan de Minister van Financiën. Ook de taken en organisatie van de directie Rijksvastgoed, – opgericht ter ondersteuning van de afstemming tussen zowel uitvoerende diensten als departementen ten aanzien van rijksvastgoed in respectievelijk de Raad voor Vastgoed Rijksoverheid (RVR) en de Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed (ICRV), zijn overgeheveld van het Ministerie van Financiën naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In de portefeuilleverdeling die in het constitutionerend beraad is overeengekomen, is het rijksvastgoed opgenomen onder de Minister voor Wonen en Rijksdienst.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

100.220

606

306

306

306

306

306

                 

Uitgaven

 

99.942

606

306

306

306

306

306

Waarvan juridisch verplicht

   

0%

       
                 

Beheerskosten DRZ

500

606

306

306

306

306

306

                 

Uitgaven mbt RVOB in 2012

99.442

           
                 

Ontvangsten

163.501

2.100

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

                 

Programma-ontvangsten Batenlastenagentschap

             

Vervreemding DRZ

2.767

2.100

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

                 

Ontvangsten mbt RVOB in 2012

160.734

           
D2. Budgetflexibiliteit

De beheerskosten € 0,3 mln. zijn niet juridisch verplicht, maar worden gedaan om ontvangsten te kunnen realiseren.

E. Toelichting op de instrumenten

Vervreemding DRZ

De verkoop van roerende zaken brengt jaarlijks € 1,8 mln. op. Het gaat in de praktijk om de verkoopopbrengsten van in beslaggenomen goederen. De kosten die hiermee gemoeid zijn bedragen jaarlijks circa € 0,3 mln. De baten-lastendienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) is door de Minister belast met de uitvoering van zijn taken met betrekking tot de roerende zaken van het Rijk.

Niet uit tabel blijkende budgettaire gevolgen

Middelenafspraken

De Minister van Financiën verzorgt behalve de ingebruikgeving en vervreemding van de eigen (overtollige) roerende zaken ook de ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) roerende zaken van andere Ministers. Wanneer een middelenafspraak is gemaakt met een Minister, dan wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door deze Minister verantwoord op zijn eigen begroting.

2.3 NIET-BELEIDSARTIKELEN

2.3.1 Artikel 8: Centraal Apparaat

A. Apparaat kerndepartement

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van Financiën met uitzondering van de Belastingdienst (zie artikel 1) en het agentschap Domeinen Roerende Zaken (DRZ) (zie de baten-lastenparagraaf). Het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) is november 2012 overgegaan naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het omvat de verplichtingen en uitgaven voor ambtelijk personeel (inclusief personele exploitatie), inhuur externen en materieel (inclusief ICT) voor het kerndepartement.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
A. Apparaatuitgaven Kerndepartement
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

182.512

218.260

204.688

201.012

197.004

191.858

190.181

               

Uitgaven

189.009

218.260

204.688

201.012

197.004

191.858

190.181

Personeel Kerndepartement

123.624

136.303

131.714

128.923

125.970

123.107

121.671

Waarvan eigen personeel

118.331

130.772

127.895

125.560

122.607

119.980

118.554

Waarvan inhuur externen

4.990

5.000

3.293

2.837

2.837

2.837

2.837

Waarvan overig personeel

303

531

526

526

526

290

280

               

Materieel Kerndepartement

65.385

81.957

72.974

72.089

71.034

68.751

68.510

waarvan ICT

10.321

15.943

12.041

11.066

11.074

11.075

10.605

waarvan bijdrage aan SSO's

27.716

30.440

26.822

26.926

22.905

22.901

22.654

waarvan overig materieel

27.348

35.574

34.111

34.097

37.055

34.775

35.251

               

Ontvangsten

36.539

34.470

30.385

31.511

31.161

31.165

31.015

Personeel Kerndepartement

Dit betreft alle personeelsuitgaven inclusief externe inhuur voor het kerndepartement. De inhuur is beperkt. Inhuur externen in verband met de kredietcrisis is op artikel 3 uitvoeringskosten staatsdeelnemingen ondergebracht.

Materieel Kerndepartement

Dit betreft de materieeluitgaven van het kerndepartement en omvat onder andere zaken aangaande diensten, middelen en communicatie. ICT bevat zowel de uitgaven voor projecten als structurele uitgaven zoals onderhoud en licenties. De bijdrage aan Shared Service Organisaties betreft onder andere Digitale Werkomgeving Rijk (DWR), P-Direkt (salarisbedrijf van het Rijk) en de Rijksgebouwendienst.

C. Totaal overzicht Apparaat Financiën

Financiën is verantwoordelijk voor het agentschap DRZ. Het RVOB valt per november 2012 onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De apparaatuitgaven en ontvangsten van DRZ worden verder uitgesplitst en toegelicht in de baten-lastenparagraaf. Voor de AFM, Waarderingskamer en DNB wordt de volledige overheidsbijdrage gebruikt voor apparaat.

De onderstaande tabel geeft de totale apparaatuitgaven/kosten voor Financiën weer inclusief DRZ, ZBO’s en RWT’s.

C. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten incl. BLD en ZBO's/RWT's

Budgettaire gevolgen (* € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal apparaatuitgaven Financiën

3.179.108

2.901.513

2.837.128

2.752.546

2.682.519

2.644.346

– Kerndepartement

218.260

204.688

201.012

197.004

191.858

190.181

– Belastingdienst

2.960.848

2.696.825

2.636.116

2.555.542

2.490.661

2.454.165

Budgettaire gevolgen (* € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal apparaatkosten BLD's en ZBO's/RWT's

71.524

72.632

33.548

33.415

31.192

31.192

             

Baten-Lastendienst

21.047

21.849

21.571

20.806

20.806

20.806

– Domeinen Roerende Zaken

21.047

21.849

21.571

20.806

20.806

20.806

             

ZBO's en RWT's

50.477

50.783

11.977

12.609

10.386

10.386

– AFM

17.168

20.737

734

735

623

623

– DNB

23.863

20.858

2.055

2.686

575

575

– Waarderingskamer

4.136

4.136

4.136

4.136

4.136

4.136

– NLFI

5.310

5.052

5.052

5.052

5.052

5.052

D. Tabel apparaatsuitgaven kerndepartement per DG
Budgettaire gevolgen (* € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Kerndepartement

218.260

204.688

201.012

197.004

191.858

190.181

GT

24.591

23.019

21.651

20.539

20.455

20.089

DGRB

21.225

20.879

20.740

20.679

20.563

20.255

SG-cluster

158.414

146.929

144.925

142.130

137.228

136.275

DGFZ

14.029

13.861

13.697

13.656

13.612

13.562

Toelichting

De totale apparaatuitgaven van het kerndepartement van Financiën worden in bovenstaande tabel opgesplitst naar de Generale Thesaurie, de twee Directoraten-generaal Rijksbegroting en Fiscale Zaken en het cluster Secretaris-Generaal. De apparaatuitgaven van het SG-cluster zijn ten opzichte van de GT en de andere Dictoraten-generaal hoog omdat hier alle centrale uitgaven aan de SSO’s en de Auditdienst Rijk onder vallen.

Invulling taakstelling Rutte II (*mln €)

bedragen (* € 1.000)
 

2016

2017

2018

structureel

Departementale taakstelling (totaal)

49.655

111.225

135.055

135.055

– Kerndepartement

3.455

7.739

9.400

9.400

– Belastingdienst

46.200

103.486

125.655

125.655

– Agentschap

       

– ZBO's

       

Taakstelling Belastingdienst sinds Rutte I (*mln €)

Organisatie

Taakstelling

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Belastingdienst

             
 

Coalitieakkoord 2010, totale bezuiniging

– 82.173

– 124.275

– 165.459

– 172.484

– 179.636

– 187.707

 

Coalitieakkoord 2012, totale bezuiniging

     

– 46.248

– 103.469

– 125.655

 

Intensivering 1

 

169.000

157.000

157.000

157.000

157.000

1

De intensivering toezicht en invordering (ITI) komt aan de orde in de tabel belangrijkste beleidsmatige mutaties en is geen verlichting van de opgelegde taakstellingen, o.a. omdat er andere kosten mee gemoeid zijn.

2.3.2 Artikel 9: Algemeen

Niet in gebruik.

2.3.3 Artikel 10: Nominaal en Onvoorzien

A. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

 

3.901

3.425

2.948

3.368

1.972

1.792

               

Uitgaven

 

3.901

3.425

2.948

3.368

1.972

1.792

               

Onvoorzien

 

3.901

3.425

2.948

3.368

1.972

1.792

Loonbijstelling

             

Prijsbijstelling

             
               

Ontvangsten

400.000

400.000

400.000

400.000

Toelichting

Vanuit dit artikel wordt de loon- en prijsbijstelling naar de loon- en prijsgevoelige artikelen overgeboekt. Dit artikel is bedoeld om eventuele onzekere ontwikkelingen op de begroting IX op te vangen. In de jaren 2014 tot 2018 is een technische stelpost opgenomen voor de opbrengsten van de kredietcrisisinterventies. Deze wordt nog verdeeld binnen begroting IX.

2.4 DE BELEIDSARTIKELEN (NATIONALE SCHULD)

2.4.1 Artikel 11: Financiering staatsschuld

A. Algemene doelstelling

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Financiën heeft een uitvoerende rol bij de financiering van de staatsschuld. Het doel is om de schuld tegen zo laag mogelijke rentekosten met een acceptabel risico voor de begroting te financieren. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de Comptabiliteitswet 2001 23.

Het risico voor de begroting is laag wanneer de rentes op leningen zo lang mogelijk vast worden gezet. Als de rente langer vastgezet wordt, gaat dit echter over het algemeen gepaard met hogere kosten. Er is daarom een balans gezocht tussen kosten en risico. Mede op basis van onderzoek in 2007 wordt de balans tussen kosten en risico optimaal geacht als de rente steeds voor 7 jaar wordt vastgezet 24. Daarom werkt het Agentschap van de Generale Thesaurie sinds 2008 met een renterisico voor de staatsschuld dat gelijk is aan dat van een 7-jaars gecentreerde portefeuille. Een dergelijke financiering is efficiënt in de zin dat er geen portefeuille is met een gelijk risico maar lagere kosten, of gelijke kosten maar een lager risico.

Om te meten hoe goed de 7-jaars gecentreerde portefeuille benaderd wordt, wordt sinds 2008 gewerkt met een benchmark. De benchmark is een theoretische financiering van de staatsschuld waarbij elke dag een deel van financieringsbehoefte wordt gefinancierd met de uitgifte van een 7-jarige lening. Ieder jaar wordt in het jaarverslag gerapporteerd in hoeverre de benchmark benaderd is. De benchmark maakt het mogelijk om de gevolgen van bewuste afwijkingen van het renterisicokader transparant te rapporteren. Het gaat dan om zowel de kosten als het risico van de feitelijke portefeuille ten opzichte van de benchmark.

Sinds 2012 is het onder voorwaarden mogelijk om van dit kader af te wijken en de rente op een kapitaalmarktuitgifte niet met renteswaps om te zetten naar de 7-jaarsrente. De voorwaarden zijn dat afwijkingen niet mogen leiden tot meer risico voor de begroting en de rentelasten inpasbaar zijn binnen de begroting.

C. Beleidswijzigingen

Er zijn geen wijzigingen van het beleid voorzien.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Budgettaire gevolgen van beleid artikel11 Financiering Staatsschuld (x € 1 mln.) 1
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Uitgaven

53.467

38.424

41.563

59.093

35.631

46.185

44.423

               

Juridisch verplicht

   

100%

       

             

Programma-uitgaven

53.436

38.403

41.537

59.074

35.612

46.166

43.688

               

Leningen

             

Totaal Rentelasten

10.312

9.730

9.355

10.513

11.984

12.961

13.656

Rentelasten vaste schuld

10.088

9.669

9.153

9.741

10.774

11.439

12.272

Rentelasten vlottende schuld

199

61

202

772

1.120

1.462

1.384

Uitgaven voortijdige beëindiging

25

           
               

Aflossing vaste schuld

33.325

28.658

32.182

48.561

23.718

33.265

30.748

Mutatie vlottende schuld

9.799

15

         
               

Overige kosten

30

22

26

19

19

19

19

               

Ontvangsten

65.891

50.109

48.529

64.525

41.213

50.472

46.607

               

Programma- ontvangsten

65.891

50.109

48.529

64.525

41.213

50.472

46.607

               

Leningen

             

Totaal Rentebaten schuld

226

109

216

1.163

1.630

1.623

1.313

Rentebaten vaste schuld

106

1.040

1.529

1.525

1.257

Rentebaten vlottende schuld

223

109

110

123

101

98

56

Ontvangsten voortijdige beëindiging

3

           
               

Uitgifte vaste schuld

65.665

50.000

48.312

63.362

39.582

48.849

45.294

Mutatie vlottende schuld

             
1

Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

D2. Budgetflexibiliteit

Voor dit artikel is de budgetflexibiliteit zeer gering, omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld. De verplichtingen in deze begroting zijn op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijk gesteld aan de uitgaven.

De ontvangsten en uitgaven zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot de operationele doelstelling bestaan uit renteontvangsten en rentebetalingen als gevolg van transacties op de geldmarkt en de kapitaalmarkt. Aangezien de (betalings)verplichtingen van de aangegane staatsschuld voortvloeien uit beleids- en bedrijfsvoeringsuitgaven die ten laste van andere begrotingen komen, heeft een verplichtingenbenadering (als begrotingsstelsel) voor de begroting van Nationale Schuld noch uit het oogpunt van budgettaire beheersing, noch uit het oogpunt van budgetrecht meerwaarde ten opzichte van het kasstelsel. Om die reden is in de Comptabiliteitswet 2001 bepaald dat voor de uitgaven ten laste van de begroting van Nationale Schuld de verplichtingen in een jaar gelijk gesteld mogen worden aan de uitgaven in dat jaar.

E. Toelichting

De totale uitgaven en totale ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen. Ten eerste worden rentelasten en rentebaten verantwoord. Ten tweede zijn de aflossing en uitgifte vaste schuld de mutatie vlottende schuld in de tabel opgenomen. De derde post betreft de overige kosten.

Rentelasten en rentebaten

Binnen de rentelasten wordt onderscheid gemaakt tussen de rentelasten vaste schuld (schuld met een oorspronkelijke looptijd langer dan een jaar), de rentelasten vlottende schuld (korter dan een jaar) en uitgaven voortijdige beëindiging. De grootste post binnen de rentelasten wordt gevormd door de rentelasten over de vaste schuld (Dutch State Loans, ook afgekort als DSL’s). Hieronder vallen ook rentekosten vanwege de euriborswaps. Dit zijn de renteswaps die afgesloten worden om het profiel van het renterisico in overeenstemming te brengen met de 7-jaars gecentreerde portefeuille.

Er worden zogenaamde payer en receiverswaps afgesloten. Bij payerswaps wordt een vaste rente betaald en een variabele rente ontvangen. Bij receiverswaps is het andersom: er wordt een vaste rente ontvangen en een variabele rente betaald. Per saldo geeft dit rentelasten of rentebaten. Dit saldo wordt meegeteld bij de rentelasten of rentebaten vaste schuld.

De rentelasten over de vlottende schuld bestaan uit de rentelasten van schatkistpapier (Dutch Treasury Certificates, ook afgekort als DTC’s), Commercial Paper (CP’s) en rentelasten vanwege overige kortlopende schulden. Ook eventuele rentelasten vanwege de eoniaswaps maken onderdeel uit van de rentelasten vlottende schuld. De eoniaswaps worden afgesloten om het renterisico van de korte financiering (geldmarkt) op «overnight» te brengen. Het streven is om de geldmarkt te financieren tegen daggeldtarief (overnight). De Staat geeft kort schuldpapier uit met looptijden variërend van enkele dagen tot maximaal 12 maanden. Via het afsluiten van een eoniaswap wordt het rentetarief (en renterisico) teruggebracht op 1 dag.

De rentebaten vlottende schuld bestaan vooral uit vergoedingen over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van een positief schatkistsaldo en uit eventuele rentebaten vanwege eoniaswaps. Ook de rentebaten over de overgenomen schulden van ABN AMRO (voorheen Fortis Bank Nederland) vallen onder deze rubriek.

Aflossing en uitgifte vaste schuld en mutatie vlottende schuld

Ieder jaar wordt een deel van de vaste schuld afgelost omdat het einde van de looptijd van leningen wordt bereikt.

De raming van de uitgifte vaste schuld is gebaseerd op de omvang van de af te lossen DSL’s en de raming voor het tekort op kasbasis. Er wordt verondersteld dat de afgeloste schuld weer opnieuw wordt uitgegeven en dat daarnaast extra uitgifte van vaste schuld plaatsvindt om het kastekort te financieren. In werkelijkheid zal de uitgifte van vaste schuld afwijken van de som van de aflossingen en het tekort, omdat de uit te geven hoeveelheid vaste schuld wordt verkleind of vergroot door de hoeveelheid kortlopende schuld te laten toe- of afnemen. Dit leidt tot een mutatie in de vlottende schuld.

Op het moment dat het financieringsplan staatsschuld 2014 wordt gepubliceerd (december 2013) wordt de raming van de uitgifte vaste schuld voor 2014 definitief vastgesteld.

Overige kosten

Het leeuwendeel van de overige kosten bestaat uit provisiekosten Primary Dealers. De Nederlandse Staat maakt gebruik van een stelsel van momenteel 15 banken (Primary Dealers) voor de distributie en promotie van Nederlandse Staatsleningen. De Primary Dealers verplichten zich onder andere om Dutch State Loans (DSL’s) af te nemen, te verspreiden en te promoten. Tot de verplichtingen hoort ook een maandelijkse rapportage over de verrichte activiteiten op de secundaire markt en het quoteren van DSL’s en DTC’s.

In onderstaande tabel worden de belangrijkste mutaties in de rentekosten vanaf de ontwerpbegroting 2013 weergegeven.

Belangrijkste mutaties rentekosten sinds ontwerpbegroting 2013 (x € 1 mln.)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

artnr.

Stand ontwerpbegroting 2013 1

9.674

9.713

9.629

10.308

10.975

   

Mutaties:

           

11

Renteswaps

– 120

– 223

– 104

– 157

– 149

 

11

Bijstelling kassaldo

 

69

61

9

– 108

 

11

Bijstelling rekenrente

– 309

– 536

– 567

– 800

– 965

 

11

Effect van schulduitgifte

– 721

– 374

– 322

– 214

– 149

 

11

Bijstelling rente interne schuldverhoudingen

– 41

88

134

385

574

 

12

Stand ontwerpbegroting 2014

9.132

8.738

8.832

9.530

10.178

10.932

 
1

Stand ontwerpbegroting betreft in deze tabel het saldo van de rente-uitgaven en -ontvangsten vermeerderd met het saldo van de overige apparaatsuitgaven en -ontvangsten. Dit totale saldo is aangeduid als rentekosten. Uitsplitsing vindt plaats in de beleidsartikelen en het verdiepingshoofdstuk.

De rentekosten over de staatsschuld liggen voor een groot deel vast. Dit komt omdat deze kosten grotendeels het gevolg zijn van de tekortontwikkeling en daarmee de schuldopbouw in het verleden en de keuzes die toen gemaakt zijn in het financieringsbeleid en het risicomanagement.

Mutaties in de raming worden veroorzaakt door een aantal factoren. In de eerste plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe swaps die afgesloten zijn in de periode na het verschijnen van de vorige begroting. In de tweede plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe ramingen voor het kassaldo. Als de nieuwe saldoraming tegenvalt ten opzichte van de vorige raming, stijgen de rentekosten. Als de saldoraming meevalt, dalen de rentekosten. In de derde plaats leiden bijstellingen in de rekenrente (bron: CPB) tot mutaties in de rentekosten. Ten vierde ontstaan mutaties als gevolg van nieuwe uitgiftes. Als de rente op de uitgiftes afwijkt van de rekenrente wordt de raming aangepast.

2.4.2 Artikel 12: Kasbeheer

A. Algemene doelstelling

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

B. Rol en Verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het beheer van publieke middelen en de bijbehorende geldstromen. Het doel is dat publieke middelen doelmatig worden beheerd en financiële risico’s worden voorkomen. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de Comptabiliteitswet 2001 25.

Het kasbeheer is onder te verdelen in het schatkistbankieren en het betalingsverkeer van de rijksoverheid.

Bij Schatkistbankieren heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol. Schatkistbankieren houdt in dat instellingen met een publieke taak die hiervoor gelden van het Rijk ontvangen hun middelen aanhouden bij het Ministerie van Financiën. Publieke middelen verlaten de schatkist dan niet eerder dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de publieke taak. Hierdoor is de externe financieringbehoefte van het Rijk minder groot. Onder voorwaarden kunnen deelnemers aan schatkistbankieren ook leningen krijgen bij het Ministerie van Financiën. Het schatkistbankieren wordt uitgevoerd door het Agentschap van de Generale Thesaurie van het Ministerie.

Ook bij het betalingsverkeer van de rijksoverheid heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol. Het betalingsverkeer is verdeeld in percelen die periodiek worden aanbesteed. Door de aanbesteding worden banken geprikkeld om hun diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs-kwaliteitverhouding aan te bieden. Het Ministerie van Financiën treedt in deze aanbestedingsprocedures op als opdrachtgever.

C. Beleidswijzigingen

In het Begrotingsakkoord 2013 is afgesproken dat in 2013 alle provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen hun tegoeden aan gaan houden in de Nederlandse schatkist. Het deelnemen van decentrale overheden aan schatkistbankieren zal op termijn een verlagend effect hebben op de Nederlandse EMU-schuld van naar verwachting enkele procentpunten bbp. In de begroting 2013 is deze beleidswijziging al aangekondigd. In juli 2013 is het wetsvoorstel dat schatkistbankieren door decentrale overheden mogelijk maakt aangenomen door de Tweede Kamer. Als ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel tijdig aanneemt dan kunnen de decentrale overheden naar verwachting eind 2013 gaan deelnemen aan schatkistbankieren. Voor 2014 zijn er geen verdere beleidswijzigingen gepland.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 Kasbeheer (x € 1 mln.) 1
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Uitgaven

7.352

11.700

7.179

6.572

9.974

12.817

14.024

               

Juridisch verplicht

   

100%

       

             

Programma-uitgaven

7.353

11.700

7.179

6.572

9.974

12.817

14.024

               

Rentelasten

67

15

42

105

147

189

189

Verstrekte leningen

2.059

1.386

1.267

1.267

1.267

1.267

1.267

Afname saldi in rekening-courant en deposito’s²

5.227

10.298

5.869

5.200

8.559

11.361

12.568

Uitgaven bij voortijdige beëindiging

             
               

Apparaatuitgaven

             
               

Ontvangsten

2.652

2.077

3.120

1.833

2.245

2.527

2.866

               

Programmaontvangsten

2.652

2.077

3.120

1.833

2.245

2.527

2.866

               

Rentebaten

521

503

442

623

880

1.289

1.600

Ontvangen aflossingen

2.130

1.573

2.678

1.210

1.365

1.238

1.266

Toename saldi in rekening-courant en deposito’s²

             

Ontvangsten bij voortijdige beëindiging

1

           
1

Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

D2. Budgetflexibiliteit

De ontvangsten en uitgaven op dit artikel zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. Alle rentelasten en rentebaten zijn juridisch verplicht omdat deze volgen uit de leningen, deposito's en rekening-couranttegoeden die deelnemers bij de schatkist aanhouden. De andere uitgaven en ontvangsten volgen ook uit de toename of afname van de middelen die door deelnemers in de schatkist worden aangehouden of uit de schatkist worden geleend.

E: Toelichting op de instrumenten

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit vier onderdelen: (1) rentelasten en rentebaten, (2) verstrekte leningen en ontvangen aflossingen, (3) mutaties in rekening-courant en deposito’s, (4) uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging. Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen aan baten-lastendiensten, rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), sociale fondsen en, waarschijnlijk vanaf eind 2013, decentrale overheden over de bij het Rijk aangehouden middelen. De rentebaten bestaan uit de door deelnemers betaalde rente op leningen en roodstanden in de rekening-courant. De posten toe- en afname van de saldi in rekening-courant en deposito geeft het bedrag weer dat naar verwachting door de deelnemers in hun rekening-courant of deposito's zal worden gestort (ontvangst voor het Rijk) of juist wordt opgenomen (uitgave voor het Rijk). De post verstrekte leningen en ontvangen aflossingen geeft de geraamde verstrekte leningen weer (uitgave voor het Rijk) en de aflossingen op eerder afgesloten leningen (ontvangst voor het Rijk). Het uitstaande bedrag aan leningen, rekening-courant saldi en deposito's bepaalt de schuldverhouding van het Rijk met de deelnemers van het geïntegreerd middelenbeheer.

3. PARAGRAAF INZAKE HET AGENTSCHAP

Op 5 november 2012 is besloten tot een departementale herindeling met betrekking tot rijksvastgoed. Hierbij is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van rijksvastgoed, met inbegrip van het agentschap RVOB, voor zover deze voor 5 november was opgedragen aan de Minister van Financiën.

Op grond van artikel 7 van de Regeling agentschappen heeft een doorlichting van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) plaatsgevonden. Aangezien DRZ niet volledig voldoet aan de Regeling, is besloten de agentschapsstatus van DRZ in te trekken met ingang van 1 januari 2015 en de organisatie om te vormen tot een reguliere ambtelijke dienst (zo mogelijk binnen het Ministerie van Financiën).

3.1 Domeinen Roerende Zaken

3.1.1 Begroting van baten en lasten

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2014 (x € 1.000)
 

Realisatie

2012

Ontwerp

2013

Ontwerp

2014

Ontwerp

2015

Ontwerp

2016

Ontwerp

2017

Ontwerp

2018

Baten

             

Opbrengst moederdepartement

151

50

50

50

50

50

50

Opbrengst overige departementen

17.763

18.022

17.977

17.699

17.676

17.676

17.676

Opbrengsten derden

2.781

2.650

3.050

3.050

3.050

3.050

3.050

Rentebaten

63

30

30

30

30

30

30

Vrijval voorzieningen

299

300

742

742

0

0

0

Buitengewone baten

355

           

Exploitatie bijdrage

             

Totaal baten

21.412

21.052

21.849

21.571

20.806

20.806

20.806

               

Lasten

             

Apparaatskosten

             

Personele kosten

5.248

6.103

6.116

6.116

6.116

6.116

6.116

– waarvan eigen personeel

5.168

5.998

6.086

6.086

6.086

6.086

6.086

– waarvan externe inhuur

79

105

30

30

30

30

30

Materiele kosten

12.383

14.339

15.046

14.768

14.003

14.003

14.003

– waarvan ICT

1.103

950

1.025

1.025

1.025

1.025

1.025

– waarvan bijdrage aan SSO's

3.355

3.250

3.250

3.250

2.950

2.950

2.950

Rentelasten

4

0

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

             

Materieel

464

410

460

460

460

460

460

Immaterieel

130

195

227

227

227

227

227

Dotaties voorzieningen

930

           

Buitengewone lasten

1.232

           

Totaal lasten

20.390

21.047

21.849

21.571

20.806

20.806

20.806

               

Saldo van baten en lasten

1.021

5

0

0

0

0

0

Toelichting op de baten

Opbrengsten moederdepartement

De opbrengsten betreffen opslag voor de Douane.

Opbrengsten overige departementen

  • Met het Openbaar Ministerie is in 2012 een 5-jarig dienstverleningsmodel afgesloten met betrekking tot vervoer, opslag, verwerking en vernietiging van in beslaggenomen goederen. De totale inkomsten zijn geraamd op € 9,2 mln. Daarnaast wordt € 0,1 mln. ontvangen voor deelname in het Beslagportaal;

  • Domeinen Roerende Zaken voert in opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie in het kader van het Programma Aanpak Georganiseerde Hennepteelt de landelijke logistieke coördinatie van de ontmantelingen van hennepkwekerijen. De geraamde baten bedragen € 7,1 mln;

  • Diverse opbrengsten voor opslag, taxaties, advies en verkoopfaciliteiten met betrekking tot het CJIB (€ 0,2 mln.), Defensie (€ 0,1 mln.) en Rijkswaterstaat (€ 0,2 mln.);

  • Opbrengsten uit hoofde van vernietiging van datadragers die door departementen worden afgestoten (€ 0,7 mln.);

  • Rijksmarktplaats voor kantoormeubilair en benodigdheden en overige opbrengsten (€ 0,4 mln.);

Opbrengsten derden

De opbrengsten bestaan met name uit opgelden (€ 2,9 mln.). Daarnaast zijn er opbrengsten van boetes bij ontbonden verkopen en opbrengsten van kentekenbewijzen bij verkoop van voertuigen (€ 0,2 mln.).

Vrijval voorzieningen

DRZ heeft in 2011 een reorganisatievoorziening opgebouwd voor toekomstige personele kosten. Deze voorziening valt jaarlijks (in 2014: € 0,3 mln.) gedeeltelijk vrij.

Voor de freeze van de gebruikersvergoeding van het pand in Bleiswijk heeft DRZ een voorziening genomen. Deze valt voor 50% vrij in 2014 (€ 0,4 mln.) en voor 50% in 2015.

Toelichting op de lasten

Personele kosten

De categorie personele kosten omvat de salariskosten en opleidingskosten (0,1 mln.) van ambtelijk personeel. DRZ heeft een formatie (101,8 fte) waarvan 97,6 fte is ingezet. De gemiddelde loonkosten van de operaties per fte bedragen € 60.196.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan uit de volgende kostencategorieën:

  • Huren Rijksgebouwendienst (RGD) € 3,3 mln.

  • Overige huisvestingkosten € 1,0 mln.

  • Vernietigingskosten hennepkwekerijen € 6,0 mln.

  • Vernietigingskosten vuurwerk en overige in beslaggenomen goederen € 0,7 mln.

  • Automatisering € 1,0 mln.

  • Transportkosten m.b.t. vuurwerk en voertuigen € 0,8 mln.

  • Bedrijfsmiddelen € 0,3 mln.

  • Courtage bemiddeling verkoop € 0,4 mln.

  • Schadeuitkeringen € 0,2 mln.

  • Reis- en verblijfkosten, bureaukosten en communicatie € 0,4 mln.

  • Taxatie- en bemiddeling, externe opslag, kosten kentekens, advies- en overige kosten € 0,9 mln.

Totaal € 15,0 mln.

Afschrijvingen

Afschrijvingen van immateriële activa houden verband met de technische realisatie van het Beslagportaal, aanpassing barcodering, Rijksmarktplaats, digitaal loket en digi-inkoop. Afschrijvingen van materiële activa houden voornamelijk verband met beveiliging, voertuigen, een heftruck, accu’s, camera’s, gereedschappen en verbouwing.

3.1.2 Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2014 (x € 1.000)

Kasstroomoverzicht (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

1. Rekening courant RHB 1/1

6.226

5.008

5.518

5.163

4.808

5.195

5.582

               

2. Totaal operationele kasstroom

2.102

610

– 55

– 55

687

687

687

               

3a. –/– Totaal investeringen

– 780

– 100

– 300

– 300

– 300

– 300

– 300

3b +/+ Totaal boekwaarde desinvesteringen

24

           

3 Totaal investeringskasstroom

– 756

– 100

– 300

– 300

– 300

– 300

– 300

               

4a. –/– Eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 2.564

           

4b. +/+ Eenmalige storting door moederdepartement

             

4c. –/– Aflossingen op leningen

             

4d. +/+ Beroep op de leenfaciliteit

             

4 Totaal financieringskasstroom

– 2.564

0

0

0

0

0

0

               

5. Rekening courant RHB 31/12

5.008

5.518

5.163

4.808

5.195

5.582

5.969

Toelichting

De geraamde investeringen (€ 0,3 mln.) worden aangewend t.b.v. poolauto’s, aanpassing van het gebouwbeheerssysteem te Bleiswijk, vloerbedekking, camera’s, een heftruck, accu’s, gereedschappen en reguliere vervanginginvesteringen. De financiering vindt plaats uit eigen middelen.

3.1.3 Doelmatigheidsindicatoren
Doelmatigheidsindicatoren

Indicatoren

Realisatie

2012

OB

2013

OB

2014

OB

2015

OB

2016

OB

2017

OB

2018

Kostendekking

105%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Bewaartaak

96%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Hennep

114%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Verkooptaak

98%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Vernietiging datadragers

208%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Vernietiging vuurwerk

86%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

             

FTE-totaal (excl. Externe inhuur)

97,6

101,8

101,8

101,8

101,8

101,8

101,8

               

Omzet per productgroep *€ 1.000

             

Bewaren

9.871

9.239

8.998

8.739

8.716

8.716

8.716

Verkopen

2.781

2.650

3.050

3.050

3.050

3.050

3.050

Vernietiging datadragers

1.151

525

710

710

710

710

710

Verwerking vuurwerk

1.338

1.500

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

Vernietiging hennep

5.554

6.808

7.119

7.100

7.100

7.100

7.100

Totale omzet

20.694

20.722

21.077

20.799

20.776

20.776

20.776

             

Saldo van baten en lasten (%)

5%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

               

Betalingstermijn facturen – binnen 30 dagen

91%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

               

Gegrond aantal klachten DRZ – categorie

             

verkoop

1,5%

< 0,8%

< 0,8%

< 0,8%

< 0,8%

< 0,8%

< 0,8%

opslag

0,3%

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

art. 117 Sv schadeloosstelling

7,5%

< 7%

< 7%

< 7%

< 7%

< 7%

< 7%

               

Uitvoering kwaliteitsprogramma

90%

100%

90%

90%

90%

90%

90%

             

Klanttevredenheid

7.0

7.0

Kostendekkendheid DRZ

De kostendekkendheid van de kerntaken wordt berekend door de geplande kosten af te zetten tegen de verwachte opbrengsten. Voor 2014 zijn geen bijzonderheden te verwachten en zal DRZ haar taken kostendekkend uitvoeren.

Omzet naar productgroep

Bewaren: Bewaren betreft een breed begrip voor DRZ. Deze categorie bevat omzet die gepaard gaat met het ten uitvoer brengen van de wettelijke taak opslag en verwerking van inbeslaggenomen goederen. Ook het vervoer van en naar de opslaglocatie valt hieronder.

Verkopen: de omzet van de verkopen neemt toe als gevolg van verkopen via een veilinghuis. Dit geldt voor een groot deel van de goederen.

FTE-totaal

Het vermelde aantal fte’s betreft de begrotingssterkte.

Saldo van baten en lasten (%)

Het percentage is als volgt berekend: het saldo van baten en lasten gedeeld door de totale baten.

Betalingstermijn facturen (%)

De gemiddelde termijn (aantal dagen) waarbinnen leveranciersfacturen betaald worden bedraagt 30 dagen. De norm is dat 90% binnen deze termijn betaald wordt.

Gegrond aantal klachten (%)

Eind 2011 is geconstateerd dat de indicator van 20% gegrond niet aansluit bij de verschillende klachtenstromen. Besloten is de indicator te herzien en op te splitsen naar: de categorieën verkoop, opslag en artikel 117 Sv. Deze klachten worden respectievelijk afgezet tegen het aantal kavels, aantal teruggegeven goeddetails en aantal geboekte schadeloosstellingen. Dat levert onderstaande normering op:

Klachten categorie

Norm

Verkoop

< 0,8%

Opslag

< 0,5%

Art. 117 Sv schadeloosstelling

< 7%

Uitvoering kwaliteitsprogramma (%)

Het kwaliteitsprogramma (verbijzonderde interne controle plan) zal ten minste voor 90% uitgevoerd worden.

Klanttevredenheid

Het klanttevredenheidsonderzoek heeft betrekking op zowel de aanleverende klant als de afnemende klant. De meting van klanttevredenheid zal plaatsvinden in 2014.

4. BIJLAGEN

4.1 Budgettair overzicht interventies t.b.v. de financiële sector

Sinds het najaar van 2008 heeft het kabinet interventies gepleegd om het financiële stelsel gezond te houden en de rust te helpen herstellen in de financiële wereld. Vanaf 2010 heeft de overheid ook aan Europese faciliteiten bijgedragen, in het bijzonder door het verstrekken van garanties. Deze gebruikelijke bijlage geeft middels een aantal tabellen een overzicht van de verschillende interventies.

Tabel 1 geeft de kasstromen en de garanties die met de interventies gepaard gaan en de vindplaatsen ervan in de begroting IX integraal weer. Daarnaast zijn de effecten van de maatregelen op achtereenvolgens: het EMU saldo, de EMU schuld en de staatsschuld per thema becijferd. De kolom «telling» geeft hierbij aan welke posten bij elkaar moeten worden opgeteld. Onderaan de tabel worden de totalen van alle maatregelen geconsolideerd.

Tabel 1a. Budgettair overzicht interventies kredietcrisis (in miljoenen euro)

#

Stand: Miljoenennota 2014

Telling

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Som:

Bron:

 

A. Fortis/RFS/AA

                   
                       

1

Aanschaf ABN AMRO Group – ASR Verzekeringen – RFS Holdings (incl. Z-share en residual N-share)

 

23.340

3.600

1.031

 

– 16

0

0

27.955

IX art.3

2

waarvan relevant voor het EMU saldo

   

2.200

900

         

CBS/Eurostat

3

Overbruggingskrediet (voormalig) Fortis

 

44.341

– 36.516

– 3.250

– 825

0

0

– 200

3.550

IX art. 11

                     

4

Renteontvangsten overbruggingskredieten (voormalig) Fortis

 

– 502

– 705

– 167

– 169

– 152

– 103

– 99

– 1.897

IX art. 11

5

Dividend ABN Amro Group

 

0

0

0

– 200

– 50

– 250

– 500

IX art.3

6

Dividend ASR Verzekeringen

 

0

0

0

0

– 71

– 88

– 159

IX art.3

7

Dividend RFS Holdings

 

0

0

– 6

0

0

0

– 6

IX art.3

8

Dividend financiële instellingen

 

0

0

0

0

0

– 56

– 400

– 456

IX art.3

9

Premieontvangsten capital relief instrument

 

0

– 28

– 165

0

0

0

0

– 193

IX art.3

10

Premieontvangsten counter indemnity

 

0

0

– 26

– 26

– 26

– 26

– 26

– 128

IX art.3

                       
 

Verleende garanties

                   

11

Capital Relief Instrument ABN-AMRO (CRI)

 

0

32.611

0

       

32.611

IX art.3

12

waarvan vervallen

 

0

0

– 32.611

       

– 32.611

IX art.3

13

Counter Indemnity ABN-AMRO

 

0

0

950

       

950

IX art.3

                       
 

Totale uitgaven minus ontvangsten

1, 3 t/m 10

67.179

– 33.649

– 2.583

– 1.220

– 315

– 523

– 725

28.164

 
 

Effect op EMU saldo

2, 4 t/m 10

502

– 1.427

– 564

395

299

523

525

253

 
 

Effect op EMU schuld

1, 3 t/m 10

67.179

– 33.649

– 2.686

– 1.220

– 315

– 523

– 725

28.061

 
 

Effect op staatsschuld

1, 3 t/m 10

67.179

– 33.649

– 2.686

– 1.220

– 315

– 523

– 725

28.061

 
                       
 

B. SNS Reaal

                   
                       

14

Kapitalisatie holding en bank

 

0

0

0

0

0

2.200

0

2.200

IX art.3

15

Overbruggingskrediet

 

0

0

0

0

0

1.100

0

1.100

IX art.3

16

Vastgoedbeheerorganisatie (VBO)

 

0

0

0

0

0

500

0

500

IX art.3

                       

17

Renteontvangsten overbruggingskrediet

 

0

0

0

0

0

– 7

– 7

– 13

IX art.3

18

Dividend SNS Reaal N.V.

 

0

0

0

0

0

0

0

0

IX art.3

19

Premieontvangsten garantie

 

0

0

0

0

0

0

0

0

IX art.3

20

Heffing in het kader van de nationalisatie

 

0

0

0

0

0

0

– 1.000

– 1.000

IX art.1

                       
 

Verleende garanties

                   

21

Garantieverlening VBO

 

0

0

0

0

0

5.000

0

5.000

IX art.3

 

                   
 

Totale uitgaven minus ontvangsten

14 t/m 20

0

0

0

0

0

3.793

– 1.007

2.786

 
 

Effect op EMU saldo

16 t/m 20

0

0

0

0

0

– 493

7

– 486

 
 

Effect op EMU schuld

14, 15, 17 t/m 21

0

0

0

0

0

8.293

– 1.007

7.286

 
 

Effect op staatsschuld

14 t/m 20

0

0

0

0

0

3.793

– 1.007

2.786

 
                       
 

C. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld.)

                   
                       

22

Verstrekt kapitaal ING

 

10.000

– 5.000

0

– 2.000

– 750

– 750

– 750

750

IX art.3

23

Verstrekt kapitaal Aegon

 

3.000

– 1.000

– 500

– 1.500

0

0

0

0

IX art.3

24

Verstrekt kapitaal SNS Reaal

 

750

– 185

0

0

0

0

0

565

IX art.3

 

waarvan afgeboekt

         

– 565

   

– 565

IX art.3

                       

25

Couponrente ING

 

0

– 645

– 39

0

– 34

0

0

– 718

IX art.3

26

Couponrente Aegon

 

0

– 166

– 11

0

0

0

0

– 177

IX art.3

27

Couponrente SNS Reaal

 

0

– 38

0

0

0

0

0

– 38

IX art.3

28

Repurchase fee ING

 

0

– 295

– 52

– 1.000

– 341

– 375

– 375

– 2.438

IX art.3

29

Repurchase fee Aegon

 

0

– 108

– 52

– 750

0

0

0

– 910

IX art.3

30

Repurchase fee SNS Reaal

 

0

0

0

0

0

0

0

0

IX art.3

                       
 

Totale uitgaven minus ontvangsten

22 t/m 30

13.750

– 7.437

– 654

– 5.250

– 1.125

– 1.125

– 1.125

– 2.966

 
 

Effect op EMU saldo

25 t/m 27

0

849

50

0

34

0

0

933

 
 

Effect op EMU schuld

22 t/m 30

13.750

– 7.437

– 654

– 5.250

– 1.125

– 1.125

– 1.125

– 2.966

 
 

Effect op staatsschuld

22 t/m 30

13.750

– 7.437

– 654

– 5.250

– 1.125

– 1.125

– 1.125

– 2.966

 
                       
 

D. Back-up faciliteit

ING (1)

                   
                       

31

Meerjarenverplichting aan ING

 

0

15.857

– 2.773

– 2.820

– 2.609

– 1.748

– 1.349

4.558

IX art.3

32

Alt-A portefeuille

 

0

18.352

– 1.976

– 2.442

– 2.794

– 2.300

– 1.677

7.163

IX art.3

33

relevant voor de EMU schuld

   

15.546

– 2.784

– 2.207

– 3.054

– 1.594

– 1.349

4.558

CBS/Eurostat

                       

34

Back-up faciliteit ING totaal:

 

0

0

0

0

0

0

0

0

IX art.3

a

waarvan funding fee (rente + aflossing)

 

0

3.903

4.029

3.018

2.644

1.939

1.614

17.147

IX art.3

b

waarvan management fee

 

0

59

47

39

33

26

24

228

IX art.3

c

waarvan portefeuille ontvangsten (rente + aflossing)

 

0

– 3.819

– 3.741

– 2.788

– 2.434

– 1.764

– 1.459

– 16.005

IX art.3

d

waarvan garantiefee

 

0

– 129

– 103

– 85

– 73

– 58

– 52

– 500

IX art.3

e

waarvan additionele garantiefee

 

0

0

– 154

– 128

– 110

– 88

– 79

– 559

IX art.3

f

waarvan additionele fee

 

0

– 14

– 77

– 56

– 46

– 37

– 34

– 264

IX art.3

g

waarvan verhandelbaarheidsfee

 

0

0

0

0

– 15

– 18

– 15

– 48

IX art.3

                       
 

Totale uitgaven minus ontvangsten

34

0

0

0

0

0

0

0

0

 
 

Effect op EMU saldo

34b, f

en g

0

– 45

30

17

28

29

25

84

 
 

Effect op EMU schuld

33

0

15.546

– 2.784

– 2.207

– 3.054

– 1.594

– 1.349

4.558

 
 

Effect op staatsschuld

34

0

0

0

0

0

0

0

0

 
                       
 

E. Garantiefaciliteit bancaire leningen

                   
                       

35

Premieontvangsten garanties bancaire leningen

 

0

– 116

– 407

– 361

– 230

– 161

– 156

– 1.431

IX art.2

36

Schade-uitkeringen

 

0

0

0

0

0

0

0

0

IX art.2

                       

37

Garanties bancaire leningen

 

2.740

47.535

         

50.275

IX art.2

38

waarvan vervallen

   

– 3.424

– 7.853

– 5.823

– 15.933

– 3.153

– 36.186

IX art.2

 

                   
 

Totale uitgaven minus ontvangsten

35, 36

0

– 116

– 407

– 361

– 230

– 161

– 156

– 1.431

 
 

Effect op EMU saldo

35, 36

30 (2)

86

407

361

230

161

156

1.431

 
 

Effect op EMU schuld

35, 36

0

– 116

– 407

– 361

– 230

– 161

– 156

– 1.431

 
 

Effect op staatsschuld

35, 36

0

– 116

– 407

– 361

– 230

– 161

– 156

– 1.431

 
                       
 

F. IJsland

                   
                       

39

Vordering op IJsland

 

1.322

7

51

– 368

– 243

24

24

817

IX art.2

40

Tussenrekening «recovery oude topping up»

 

0

0

0

33

21

0

0

54

IX art.2

                       

41

Uitkeringen depositogarantiestelsel Icesave

 

1.236

192

0

0

0

0

0

1.428

IX art.2

42

Uitvoeringskosten IJslandse DGS door DNB

 

0

7

0

0

0

0

0

7

IX art.2

43

Renteontvangsten lening IJsland

 

0

0

0

0

0

0

0

0

IX art.2

44

Aflossing hoofdsom lening IJsland

 

0

0

0

– 443

– 291

0

0

– 734

IX art.3

                       
 

Totale uitgaven minus ontvangsten

41, 42, 43, 44

1.236

199

0

– 443

– 291

0

0

701

 
 

Effect op EMU saldo

42, 43

0

– 7

0

0

0

0

0

– 7

 
 

Effect op EMU schuld

41, 42, 43, 44

1.236

199

0

– 443

– 291

0

0

701

 
 

Effect op staatsschuld

41, 42, 43, 44

1.236

199

0

– 443

– 291

0

0

701

 
 

Totaal maatregelen «kredietcrisis»:

                   
 

Toerekenbare rentelasten

 

450

2.036

1.474

1.213

1.040

1.061

831

8.105

 
 

Effect op EMU saldo

 

82

– 2.280

– 1.151

– 140

– 149

– 841

– 118

– 5.897

 
 

Effect op EMU schuld

 

82.165

– 25.457

– 6.531

– 9.481

– 5.015

4.890

– 4.362

36.209

 
 

Effect op staatsschuld

 

82.165

– 41.003

– 3.747

– 7.274

– 1.961

1.984

– 3.013

27.151

 

Verwijzingen:

(1) De Back-up faciliteit noteert in US dollar. Ten behoeve van de begroting en dit overzicht wordt de faciliteit omgerekend naar euro met de per 31/12 geldende wisselkoers of (voor 2013 en 2014) rekenkoers.

(2) Een deel van de later te ontvangen garantiepremies tellen mee voor het EMU saldo in 2008 ofschoon er in in dat jaar geen premies zijn ontvangen.

Opmerkingen bij de tabel:

De tabel geeft de kasstromen weer zoals deze in begrotingshoofdstuk IX zijn opgenomen. Kasontvangsten hebben een schuldverlagend effect en zijn daarom voorzien van een minteken en omgekeerd.

De toerekenbare rentelasten als gevolg van de toename van de staatsschuld zijn benaderd door het gemiddelde aandeel van de maatregelen in de totale gemiddelde staatsschuld te vermenigvuldigen met de totale rente op staatsschuld. Deze methode is enigszins grof maar geeft een indicatie van de gemiddeld toerekenbare rentelasten.

Tabel 1b. Budgettair overzicht interventies europa (in miljoenen euro)

#

 

Telling

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Som

Bron:

 

G. Griekenland

                   
                       

45

Vordering op Griekenland

     

1.248

1.946

5

0

0

3.199

IX art.4

                       

46

Rente lening Griekenland

     

– 30

– 115

– 41

– 26

– 26

– 238

IX art.4

47

Rentevergoeding Griekenland (ANFA)

         

13

13

13

39

IX art.4

48

Teruggave winsten SMP

           

126

112

238

IX art.4

                       
 

H. Europese instrumenten

                   
                       

49

Verstrekt kapitaal EFSF

     

1

1

     

2

IX art.4

50

Verstrekt kapitaal ESM

         

1.829

1.829

915

4.573

IX art.4

51

Crisisgerelateerde winst DNB

           

– 905

– 834

– 1.739

IX art.3

52

waarvan relevant voor het EMU saldo

           

807

728

1.535

IX art.3

                       
 

Garanties

                   

53

Garantieplafond Nederland EFSF

     

25.872

71.910

– 48.142

 

49.640

IX art.4

54

effect verstrekte garantie op EMU schuld:

       

993

7.600

2.296

646

11.535

CBS/Eurostat

 

voor Ierland

       

495

279

306

0

1.080

 
 

voor Portugal

       

498

695

282

119

1.593

 
 

voor Griekenland

       

0

6.627

1.708

527

8.862

 
                       

54

Garantieverlening Nl-aandeel ESM

         

35.445

 

35.445

IX art.4

55

Garantieverlening DNB i.v.m. ophoging middelen IMF

       

13.610

 

13.610

IX art.4

56

Garantieverlening DNB i.v.m. SMP

           

5.700

 

5.700

IX art.3

57

Garantieverlening NL-aandeel EU-begroting

     

2.946

– 120

6

   

2.832

IX art.4

                       
 

Totale uitgaven minus ontvangsten

45 t/m 51

   

1.219

1.832

1.806

1.037

180

6.074

 
 

Effect op EMU saldo

46 t/m 48, 52

   

30

115

28

694

629

1.496

 
 

Effect op EMU schuld

45 t/m 51, 54

   

1.219

2.825

9.406

3.333

826

17.609

 
 

Effect op staatsschuld

45 t/m 51

   

1.219

1.832

1.806

1.037

180

6.074

 
                       
 

Totaal maatregelen «Europa»:

                   
 

Toerekenbare rentelasten (saldorelevant)

 

0

0

19

67

120

173

174

553

 
 

Effect op EMU saldo

 

0

0

11

48

– 92

521

455

943

 
 

Effect op EMU schuld

 

0

0

1.219

2.825

9.406

3.333

826

17.609

 
 

Effect op staatsschuld

 

0

0

1.219

1.832

1.806

1.037

180

6.074

 

4.2 Overzicht staatsdeelnemingen

Operationele deelnemingen in beheer bij Financiën

BNG

50%

COVRA

100%

DNB

100%

FMO

51%

Gasunie

100%

Havenbedrijf Rotterdam

29%

Holland Casino

Stichting

KLM

6%

Koninklijke Nederlandse Munt

100%

NS

100%

NWB Bank

17%

Schiphol

70%

Staatsloterij

Stichting

TenneT

100%

Thales

1%

UCN

100%

Operationele deelnemingen in beheer bij het beleidsdepartement

BOM

57%

Energie Beheer Nederland

100%

Gasterra

10%

LIOF

94%

Meerstad

10%

DC-ANSP

8%

Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij

100%

Ontwikkelingsmaatschappij Oost Nederland

58%

Prorail

100%

Saba Bank

8%

Winair

8%

Deelneming in afbeheer

ALTMAA

35%

K.G. Holding

100%

NIO

100%

Twinning Holding

100%

Tijdelijke financiële deelnemingen

ABN AMRO Group N.V.

100%

ASR Nederland N.V.

100%

SNS REAAL N.V.

100%

4.3 Overzicht RWT’s en ZBO’s

Naam organisatie

RWT

ZBO

Functie

Begrotings-artikel

Begrotings-ramingen (x€ 1.000)

verwijzing naar (URL-link) website RWT/ZBO

Waarderingskamer

X

X

De Waarderingskamer heeft als belangrijkste taak het houden van toezicht op de waardering van onroerende zaken door de gemeenten in het kader van de Wet WOZ. De Wet WOZ is gericht op een uniforme waardering van onroerende zaken ten behoeve van de belastingheffing door het Rijk, de gemeenten en de waterschappen. De apparaatskosten worden door de Waarderingskamer in rekening gebracht bij het Rijk (25%), de gemeenten (50%) en de waterschappen (25%).

Art. 1

1.237

www.waarderingskamer.nl

Autoriteit Financiële Markten (AFM)

X

X

Op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is de AFM belast met de uitoefening van het gedragstoezicht. AFM beslist over de toelating van de financiële ondernemingen tot de financiële markten. AFM wordt gefinancierd door de Staat en de onder toezichtstaande ondernemingen. De hoogte van de overheidsbijdrage is geregeld in artikel 10 van de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft). Tot 2015 betaalt de Rijksoverheid mee aan dit toezicht. Zoals aangegeven in de Wbft, is de bekostiging van het toezicht op de BES-eilanden, met uitzondering van het toezicht uit hoofde van de Pensioenwet BES, buiten de reikwijdte van de Wbft gehouden. De kosten van het AFM-toezicht worden merendeels doorberekend aan de onder toezicht staande ondernemingen.

Art. 2

20.737

www.afm.nl

Nederlands Bureau der Motorrijtuig-verzekeraars

X

Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars is verantwoordelijk voor het regelen van schaden door buitenlandse motorrijtuigen in Nederland en staat garant voor betaling van schade als onverzekerde Nederlandse motorvoertuigen in andere bij het groenekaartsysteem aangesloten landen schade veroorzaken. Daarnaast is het Nederlands Bureau op grond van artikel 27b van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Wam) aangewezen als Informatiecentrum waarbij personen die schade hebben geleden die is veroorzaakt door een motorrijtuig uit een EU-lidstaat, informatie kunnen verkrijgen die hen in staat kan stellen een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigenverzekeraars oefent geen openbaar gezag uit en is daarom geen ZBO.

Art. 2

0

www.nlbureau.nl

Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

X

 

Het Waarborgfonds Motorverkeer vergoedt overeenkomstig artikel 26 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Wam) schade aan benadeelden in gevallen, genoemd in artikel 25 Wam. Het betreft onder andere gevallen waarbij de veroorzaker onbekend is gebleven of deze niet verzekerd is. Daarnaast is het Waarborgfonds Motorverkeer ingevolge artikel 27k Wam aangewezen als Schadevergoedingsorgaan. In die hoedanigheid treedt het in specifieke gevallen op bij schaden die in het buitenland zijn veroorzaakt door buitenlandse motorrijtuigen. Het Waarborgfonds Motorverkeer oefent geen openbaar gezag uit en is daarom geen ZBO.

Art. 2

0

www.wbf.nl

Commissie Eindtermen Accountants-opleiding (CEA)

X

X

De Commissie Eindtermen Accountantsopleiding heeft de volgende wettelijke taken:

• Het vaststellen van de eindtermen met inachtneming van de vakgebieden als bedoeld in de weten de beroepsprofielen van NOvAA (AA) en NIVRA (RA).

• Het aanwijzen van de opleidingen die het theoretisch deel van de accountantsopleiding geheel of gedeeltelijk verzorgen, met uitzondering van de eindtermen die betrekking hebben op de praktijkstage, voor zover deze opleidingen niet zijn geaccrediteerd overeenkomstig artikel 5a.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

• Het toetsen van de praktijkstage aan de mate waarin wordt voldaan aan de eindtermen.

• De afgifte van de verklaring van vakbekwaamheid: toelating tot het accountantsberoep van buitenlandse accountants.

Art. 2

0

www.ceaweb.nl

De Nederlandsche Bank (DNB)

X

X

Op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) oefent DNB het prudentieel toezicht op financiële ondernemingen uit. DNB beslist over de toelating van de financiële ondernemingen tot de financiële markten. DNB wordt gefinancierd door de Staat en de onder toezichtstaande ondernemingen. De hoogte van de overheidsbijdrage is geregeld in artikel 10 van de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft). Tot 2015 betaalt de Rijksoverheid mee aan dit toezicht. De bekostiging van het toezicht op de BES-eilanden is deels buiten de reikwijdte van de Wbft gehouden (zie AFM). Tevens ontvangt DNB ook een bijdrage voor de FEC-eenheid. De eenheid maakt deel uit van het Financieel Expertise Centrum. Dit is vastgelegd in het Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van het Financieel Expertise Centrum (Stcrt. 2009, nr. 71).

Art 2

20.858

www.dnb.nl

Stichting Administratie Kantoor financiële Instellingen (NLFI)

X

De stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI) is op 1 juli 2011 opgericht op grond van de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen. NLFI voert het privaatrechtelijke beheer over de deelnemingen van de Staat der Nederlanden in de vennootschappen ABN AMRO Group N.V, ASR Nederland N.V., RFS Holdings B.V. en NLFI Financial Investment B.V. Het Rijk vergoedt de kosten die NLFI maakt. De Minister van Financiën brengt een groot deel van deze kosten in rekening bij de vennootschappen waarvan aandelen door de stichting worden beheerd, op grond van het besluit houdende regels inzake doorberekening van kosten van de stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen.

Art 3

5.250

ww.nlfi.nl

Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (SAMO)

X

De Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (SAMO, voorheen Stichting Maror-gelden Overheid) is belast met de afwikkeling van onder het publiekrechtelijke regime afgegeven beschikkingen en is een ZBO. De Minister houdt toezicht op SAMO, dit is vastgelegd in de statuten. Ter dekking van de uitvoeringskosten is in 2005 een eenmalige subsidie van € 1,7 mln. aan SAMO verstrekt, voor de resterende doorlooptijd van SAMO. De Algemene Rekenkamer houdt bevoegdheden bij de SAMO. In 2013 wordt de opheffing van de SAMO voorzien.

Art. 8

0

www.maror.nl

4.4 Subsidieoverzicht

Artikel (bedragen * € 1.000)
 

Subsidie

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Aantal verleningen 2012

Evaluatie moment

Artikel 2

                   

CDFD (www.cdfd.nl )

 

778

1.383

434

435

436

436

436

1

2013

Artikel 2

                   

Geldmuseum

(www.geldmuseum.nl )

 

689

1.685

0

0

0

0

0

1

NVT 1

Totaal subsidieregelingen

 

1.467

3.068

434

435

436

436

436

 
1

vanaf 2014 wordt er geen subsidie meer verstrekt, zie voor toelichting artikel 2.

Overzicht subsidies

In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van de subsidies van het Ministerie van Financiën. Binnen deze bijlage wordt de subsidiedefinitie van de Algemene wet bestuursrecht gebruikt. De Algemene wet bestuursrecht definieert een subsidie als volgt (artikel 4.21 Awb):

«De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten».

4.5 Evaluatie- en onderzoeksoverzicht

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Artikel

Start

Afronding

Vindplaats

1. Onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

       
         

1a. Beleidsdoorlichting

       
 

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgt er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

art. 1

2015

2015

 
 

Beleid maken voor een stabiele werking van financiele markten, met betrouwbare dienstverlening van financiele instellingen aan burgers en bedrijven.

art. 2

2017

2017

 
 

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beherenv an de financiële en materiële activa van de Staat.

art. 3

2012

2012

http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/fin/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/03/01/bijlage-ibo-staatsdeelnemingen.html

 

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beherenv an de financiële en materiële activa van de Staat.

art. 3

2016

2016

 
 

Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

art. 4

2015

2015

 
 

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van Exportkredietverzekeringsfaciliteit.

art. 5

2014

2014

 
 

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van Exportkredietverzekeringsfaciliteit.

art. 5

2016

2016

 
 

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

art. 6

2016

2016

 
 

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

art. 7

2011

2013

 
 

Financieel en economisch beleid van de overheid

art. 8

2016

2016

 
 

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

art. 11

2015

2015

 
 

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

art. 12

2014

2014

 
 

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

art. 12

2018

2018

 
           
           

1b. Ander onderzoek naar doeltreffendheid en/of doelmatigheid

       
         
 

Effect uitvoering toezicht MGO/ZGO op doelstelling compliance

art. 1

2011

2012

http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2012/06/20/rapport-van-de-commissie-stevens-over-horizontaal-toezicht-bij-de-belastingdienst.html

 

Effect uitvoering toezicht Toeslagen op doelstelling compliance.

art. 1

2011

2013

 
 

Effect uitvoering toezicht Douane op doelstelling compliance.

art. 1

2012

2013

 
 

Aftrek wegens geen of geringe eigen woningschuld

art. 1

2011

2013

 
 

Energiebelasting: teruggaaf Kerkgebouwen en non-profit. Verlaagd tarief glastuinbouw

art. 1

2013

2013

 
 

Overdrachtsbelasting: Vrijstelling overdrachtsbelasting Stedelijke herstructurering en Vrijstelling cultuurgrond

art. 1

2013

2013

 
 

verlaging lastendruk op arbeid: Afdrachtsvermindering Zeevaart

art. 1

2013

2013

 
 

verlaging lastendruk op ondernemingen: extra zelfstandigenaftrek starters; startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid; FOR niet omgezet in lijfrente; meewerkaftrek; willekeurige afschrijving Zeeschepen; Keuzeregime winst uit Zeeschepen(Tonnageregeling); landbouwvrijstelling inkomstenbelasting; Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek; willekeurige afschrijving starters

art. 1

2013

2013

 
 

Omzetbelasting: Sierteelt en landbouwregeling

art. 1

2013

2013

 
           

2. Overig onderzoek

       
 

Fiscale Monitor

art. 1

jaarlijks

jaarlijks

www.belastingdienst.nl

 

Evaluatie toezicht accountants

art. 2

2013

2013

 
 

Rapportage DBFMO (op verzoek van TK)

art. 3

2012

2012

http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/fin/documenten-en-publicaties/brieven/2012/12/18/voortgangsrapportage-dbfm-o-2012.html

 

FATF-evaluatie

art. 2

2010

2011

http://www.imf.org/external/np/ms/2010/121410.htm

 

Onderzoek ARK naar DBFMO

art. 3

2012

2013

 
 

DBFMO voortgangsrapportage 2013/2014

art. 3

2013

2014

 
 

Onderzoek ARK naar Gasrotonde: nut, noodzaak en risico’s

art. 3

2010

2012

Vergaderjaar 2011–2012, Kamerstuk 33 292, nr. 1

 

Onderzoek ARK naar Tennet en Beheer landelijk electriciteitsnet

art. 3

2013

2014

 
 

Onderzoek ARK naar Visie op staatsdeelnemingen

art. 3

2013

2014

 
 

Onderzoek ARK naar Monitoring maatregelen kredietcrisis

art. 2 en 3

doorlopend

 
 

PPS voortgangsrapportage 20092010

art. 3

2013

2014

 
 

jaarlijkse beoordeling Nederlands Stabiliteitsprogramma door EFC/Ecofin

art. 8

jaarlijks

jaarlijks

http://www.europa-nu.nl/id/vj11473teazf/aanbeveling_van_de_raad_over_het

 

Jaarlijkse IMF-artikel IV consultatie

art. 8

jaarlijks

jaarlijks

http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/fin/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/03/19/concluding-statement-imf.html

4.6 Verdiepingshoofdstukken

Artikel 1

Opbouw uitgaven artikel 1 Belastingen (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

3.244.427

3.114.399

3.039.745

3.010.581

2.968.287

 

Mutatie NvW 2013

           

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

160.386

– 14.531

– 16.516

– 18.086

– 16.387

 
             

Nieuwe mutaties

           

Overboeking naar Ministerie van VenJ (OM)

– 2.500

         

Taakstelling Regeerakkoord Rutte II

     

– 46.200

– 103.486

 

Uitvoeringskosten verhuurderheffing

 

4.000

4.000

4.000

4.000

 

Intensivering Toezicht en Invordering

 

169.000

157.000

157.000

157.000

 

Aanpak fraude bij Toeslagen

 

25.000

25.000

25.000

25.000

 

Overig

2.249

– 429

– 449

– 449

– 449

 

Extrapolatie

         

2.997.469

             

Stand ontwerpbegroting 2014

3.404.562

3.297.439

3.208.780

3.131.846

3.033.965

2.997.469

Opbouw ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

118.200.909

120.135.526

126.602.017

131.371.951

138.093.820

 

Mutatie NvW 2013

862.666

3.775.924

4.496.251

4.130.542

2.324.278

 

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

– 6.895.121

31.000

129.000

174.000

208.000

 
             

Nieuwe mutaties

           

Overig

 

– 350

– 350

– 350

– 350

 

Belastingontvangsten

– 2.343.707

– 8.695.689

– 9.432.379

– 7.314.989

– 5.041.150

 

Extrapolatie

         

140.684.097

             

Stand ontwerpbegroting 2014

109.824.747

115.246.411

121.794.539

128.361.154

135.584.598

140.684.097

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Overboeking naar Ministerie van VenJ (OM)

Dit betreft de overheveling van middelen naar het Openbaar Ministerie, onderdeel van het Ministerie van VenJ, in verband met toename caseload als gevolg van de Intensivering Toezicht en Invordering.

Taakstelling Regeerakkoord Rutte II

Naar aanleiding van het Regeerakkoord Rutte II is een taakstelling opgelegd, dit betreft de reeks voor de Belastingdienst.

Uitvoeringskosten verhuurderheffing

Middelen voor het uitvoeren van de verhuurderheffing.

Intensivering Toezicht en Invordering

Betreft de middelen vanaf 2014 voor het intensiveren van toezicht en invordering door de Belastingdienst, zie maatregel J110 uit het Regeerakkoord Rutte II.

Aanpak fraude bij Toeslagen

Door het kabinet worden extra maatregelen genomen om misbruik/fraude bij toeslagen tegen te gaan. Deze maatregelen zijn eerder aangekondigd in de brief van 10 mei 2013 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 17 050, nr. 435) en worden door de Belastingdienst en BZK geïmplementeerd. Voor de Belastingdienst bedragen de kosten € 25 mln.

Ontvangsten

Belastingontvangsten

Zie de Miljoenennota voor een toelichting op de belastingontvangsten.

Artikel 2

Opbouw uitgaven artikel 2 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

59.938

58.712

58.067

57.957

55.098

 

Mutatie NvW 2013

           

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

943

– 708

– 38.868

– 38.125

– 37.489

 
             

Nieuwe mutaties

           

muntcirculatie

 

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

 

overig

– 130

         

bijdrage AFM

– 249

         

Wijzer in Geldzaken

150

         

extrapolatie

         

16.609

             

Stand ontwerpbegroting 2014

60.652

57.004

18.199

18.832

16.609

16.609

Opbouw ontvangsten artikel 2 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

176.748

176.086

7.377

7.377

7.108

 

Mutatie NvW 2013

           

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

– 7.223

– 13.155

       
             

Nieuwe mutaties

           

Boedel BNA

38.751

         

CDFD

   

220

 

180

 

extrapolatie

         

7.108

             

Stand ontwerpbegroting 2014

208.276

162.931

7.597

7.377

7.288

7.108

Toelichting belangrijkste mutaties

Ontvangsten

Boedel BNA

Toen de Bank Nederlandse Antillen werd opgeheven is overeengekomen dat Nederland een deel van de boedeluitkering zou ontvangen. Dit bedrag is inmiddels binnengekomen.

Artikel 3

Opbouw uitgaven artikel 3 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

1.994.237

1.653.236

1.507.236

1.286.237

1.107.237

 

Mutatie NvW 2013

           

Incidentele suppletoire SNS

3.800.000

         

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

– 78.613

12.130

83.130

71.130

61.130

 
             

Nieuwe mutaties

           

IABF

77.000

– 12.000

       

Overig

1.000

– 500

– 1.000

– 1.000

– 1.000

 

Extrapolatie

         

943.367

             

Stand ontwerpbegroting 2014

5.793.624

1.652.866

1.589.366

1.356.367

1.167.367

943.367

Opbouw ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

5.201.977

3.645.152

3.472.438

2.013.397

1.721.397

 

Mutatie NvW 2013

– 174.634

– 139.883

– 75.234

– 9.134

17.367

 

Incidentele suppletoire DNB

812.883

877.433

615.284

462.334

389.183

 

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

356.900

19.596

84.000

71.000

61.000

 
             

Nieuwe mutaties

           

Dividend financiële instellingen

 

400.000

       

Dividend staatsdeelnemingen

289.754

         

Winstafdracht DNB

22.523

74.450

– 46.050

– 41.200

3.450

 

IABF

77.000

– 12.000

       

Overig

278

         

Extrapolatie

         

1.884.397

             

Stand ontwerpbegroting 2014

6.586.681

4.864.748

4.050.438

2.496.397

2.192.397

1.884.397

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

IABF

Door een wijziging van de eurodollar rekenkoers en realisaties zijn de ramingen voor de ontvangsten en uitgaven bijgesteld.

Ontvangsten

Dividend financiële instellingen

De stelpost op artikel 10 (nominaal en onvoorzien) in verband met de moeilijk te ramen dividenden van financiële instellingen is voor 2014 overgeboekt naar artikel 3.

Dividend staatsdeelnemingen

Deze mutatie wordt veroorzaakt door hogere dan geraamde dividenden van UCN, NS, Gasunie en Schiphol.

IABF

Door een wijziging van de eurodollar rekenkoers en realisaties zijn de ramingen voor de ontvangsten en uitgaven bijgesteld.

Artikel 4

Opbouw uitgaven artikel 4 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

2.323.757

1.187.732

369.865

373.688

258.907

 

Mutatie NvW 2013

126.000

112.000

87.000

65.000

51.000

 

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

150.000

– 180.218

–  9.678

–  39.678

–  39.678

 
             

Nieuwe mutaties

           

Extrapolatie

         

254.438

             

Stand ontwerpbegroting 2014

2.599.757

1.119.514

447.187

399.010

270.229

254.438

Opbouw ontvangsten artikel 4 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

64.091

75.938

80.116

80.123

80.106

 

Mutatie NvW 2013

–  31.697

–  31.697

–  31.697

–  31.697

–  31.697

 

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

           
             

Nieuwe mutaties

           

Renteontvangst Griekenland

1.792

–  14.271

7.917

23.707

39.439

 

Extrapolatie

         

87.848

             

Stand ontwerpbegroting 2014

34.186

29.970

56.336

72.133

87.848

87.848

Toelichting belangrijkste mutaties

Ontvangsten

Renteontvangst Griekenland

De renteontvangsten op de bilaterale leningen aan Griekenland zijn gewijzigd. Voor de jaren 2013 en 2014 wordt dit veroorzaakt door aanpassing van de renteraming aan de CEP-cijfers en een lagere renteopslag (conform afspraak Eurogroep 27 november 2012 om de renteopslag te verlagen van 150 basispunten naar 50 basispunten). Deze renteverlaging is retroactief van aard. Vanaf 2015 wordt de bijstelling veroorzaakt door een nieuwe rekenrente.

Artikel 5

Opbouw uitgaven artikel 5 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

113.106

133.106

133.106

133.106

133.106

 

Mutatie NvW 2013

           

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

           
             

Nieuwe mutaties

           

Schade-uitkering EKV

 

–  16.000

–  8.000

–  8.000

–  8.000

 

Departementale bijdrage

 

–  7.100

–  7.100

–  7.100

–  7.100

 

Extrapolatie

         

118.006

             

Stand ontwerpbegroting 2014

113.106

110.006

118.006

118.006

118.006

118.006

Opbouw ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

128.550

99.500

83.750

82.250

82.250

 

Mutatie NvW 2013

           

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

14.000

         
             

Nieuwe mutaties

           

Overig

1.000

         

Extrapolaties

         

69.750

             

Stand ontwerpbegroting 2014

143.550

99.500

83.750

82.250

82.250

69.750

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Schade-uitkering EKV

De raming van de verwachte schades is naar beneden bijgesteld en sluit hierdoor beter aan bij de risico’s in de verzekeringsportefeuille.

Departementale bijdrage

De schaderaming van de EKV is bijgesteld ter invulling van de departementale bijdrage van Financiën aan het aanvullend beleidspakket van € 6 mld.

Artikel 6

Uitgaven artikel 6 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

2.895.357

3.079.269

3.079.513

3.079.335

3.079.216

 

Mutatie NvW 2013

           

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

–  1.230

         
             

Nieuwe mutaties

           

Btw veiligheidsregio’s

 

–  50.137

–  50.137

–  50.137

–  50.137

 

Bijstelling Btw-Compensatiefonds

– 237.841

– 212.712

– 212.712

– 212.712

– 212.712

 

Btw-Compensatieregeling

357

         

Extrapolatie

         

2.816.367

             

Stand ontwerpbegroting 2014

2.656.643

2.816.420

2.816.664

2.816.486

2.816.367

2.816.367

Opbouw ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

2.895.357

3.079.269

3.079.513

3.079.335

3.079.216

 

Mutatie NvW 2013

           

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

–  1.230

         
             

Nieuwe mutaties

           

Btw veiligheidsregio’s

 

–  50.137

–  50.137

–  50.137

–  50.137

 

Bijstelling Btw-Compensatiefonds

– 237.841

– 212.712

– 212.712

– 212.712

– 212.712

 

Btw-Compensatieregeling

357

         

Extrapolatie

         

2.816.367

             

Stand ontwerpbegroting 2014

2.656.643

2.816.420

2.816.664

2.816.486

2.816.367

2.816.367

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven en ontvangsten

Btw veiligheidsregio’s

De veiligheidsregio’s kunnen in verband met de verplichte regionalisering per 1 januari 2014 geen btw meer terugvragen voor brandweertaken. Ze ontvangen daarvoor compensatie uit het BTW-compensatiefonds. Deze compensatie is opgenomen in de brief aan de Tweede Kamer over het onderzoek »Financiële consequenties verplichte regionalisering van de brandweer»(kamerstuk 2011–2012, 29 517, nr. 52). De totale structurele uitname uit het BTW-compensatiefonds bedraagt € 50,1 mln. en is gecorrigeerd voor loon- en prijsstijgingen (alleen voor zover die rijksbreed zijn gecompenseerd) en de btw-verhoging.

Bijstelling BTW-compensatiefonds

De raming van het fonds is aangepast op basis van de jaarbeschikking over 2012, het geraamde effect van de btw-verhoging, (geraamde) voorschotten en voorgenomen beleidsmutaties. De bijstelling van het fonds is in 2013 groter dan in andere jaren. Dit komt omdat het btw-percentage in oktober 2012 verhoogd is, terwijl de uitgaven het BTW-compensatiefonds in 2013 slaan op de ingediende declaraties over heel 2012. Het totale effect van de btw-verhoging is in 2014 voor het eerst volledig zichtbaar, omdat in dat jaar de jaarbeschikking van 2013 uitbetaald wordt.

Artikel 7

Opbouw uitgaven artikel 7 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

84.580

83.194

82.549

82.500

82.449

 

Mutatie NvW 2013

– 84.280

– 82.894

– 82.249

– 82.200

– 82.149

 

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

6

6

6

6

6

 
             

Nieuwe mutaties

           

Desaldering: Beheerskosten DRZ

300

         

Extrapolatie

         

306

             

Stand ontwerpbegroting 2014

606

306

306

306

306

306

Opbouw ontvangsten artikel 7 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

176.986

176.084

175.584

175.584

175.584

 

Mutatie NvW 2013

– 175.186

– 174.284

– 173.784

– 173.784

– 173.784

 

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

           
             

Nieuwe mutaties

           

Desaldering: Beheerskosten DRZ

300

         

Extrapolatie

         

1.800

             

Stand ontwerpbegroting 2014

2.100

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

Artikel 8

Opbouw uitgaven artikel 8 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

204.189

199.048

196.319

196.348

195.712

 

Mutatie NvW 2013

–  1.168

–  1.168

–  1.168

–  1.168

–  1.168

 

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

11.755

3.656

2.576

2.116

2.014

 
             

Nieuwe mutaties

           

Taakstelling

     

– 3.455

– 7.737

 

Desaldering

900

–  100

– 100

–  100

– 100

 

Overboeking budget ivm vorming ADR

2.646

3.545

3.463

3.352

3.212

 

Overig

– 62

–  293

– 78

–  89

– 73

 

Extrapolatie

         

190.181

             

Stand ontwerpbegroting 2014

218.260

204.688

201.012

197.004

191.858

190.181

Opbouw ontvangsten artikel 8 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

27.525

29.693

30.654

30.404

30.508

 

Mutatie NvW 2013

– 179

–  179

– 179

–  179

– 179

 

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

6.159

906

1.071

971

871

 
             

Nieuwe mutaties

           

Desaldering

900

–  100

– 100

–  100

– 100

 

Overig

65  

65

65  

65

65

 

Extrapolatie

         

31.015

             

Stand ontwerpbegroting 2014

34.470

30.385

31.511

31.161

31.165

31.015

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Taakstelling

Door de taakstelling Rutte II vanaf 2016 zijn de uitgaven neerwaarts bijgesteld. Per saldo resulteren vanaf 2016 lagere uitgaven ten opzichte van de 1e suppletoire begroting 2013.

Overboeking budget ivm vorming ADR

De uitgaven zijn hoger door onder andere toetreding van de DAD van het Ministerie van Veiligheid & Justitie tot de Auditdienst Rijk (ADR) per 1 mei 2013.

Artikel 10

Opbouw uitgaven artikel 10 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

7.008

7.057

7.008

6.935

6.898

 

Mutatie NvW 2013

–  1.323

–  1.323

–  1.323

– 978

–  548

 

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

–  2.466

–  2.309

–  2.737

–  52.187

– 115.546

 
             

Nieuwe mutaties

           

Taakstellingen Regeerakkoord

     

49.598

111.168

 

Overig

682

         

Extrapolatie

         

1.792

             

Stand ontwerpbegroting 2014

3.901

3.425

2.948

3.368

1.972

1.792

Opbouw ontvangsten artikel 10 (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

 

400.000

400.000

400.000

400.000

 

Mutatie NvW 2013

           

Mutatie amendement 2013

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

           
             

Nieuwe mutaties

           

Overboeking dividend financiële instellingen

 

– 400.000

       

Extrapolatie

         

400.000

             

Stand ontwerpbegroting 2014

– 

– 

400.000

400.000

400.000

400.000

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Taakstellingen Regeerakkoord

Bij de voorjaarsnota zijn de taakstelling uit het Regeerakkoord op het artikel nominaal en onvoorzien geboekt.

Overboeking dividend financiële instellingen

De stelpost op artikel 10 in verband met de moeilijk te ramen dividenden van financiële instellingen is voor 2014 overgeboekt naar artikel 3.

Artikel 11

Opbouw uitgaven artikel 11 (x € 1 mln.)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

42.055

41.085

54.577

26.251

47.172

 

Mutatie NvW 2013

– 44

784

2.536

–  763

– 1.217

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

–  1.273

– 240

1.753

6.690

–  398

 
             

Nieuwe mutaties

 

Rente vaste schuld

– 97

68

200

365

572

 

Rente vlottende schuld

– 59

–  134

28

42

56

 

Aflossing vaste schuld

     

3.046

   

Vlottende schuld

–  2.159

         

Extrapolatie

         

44.423

             

Stand ontwerpbegroting 2014

38.424

41.563

59.093

35.631

46.185

44.423

Opbouw ontvangsten artikel 11 (x € 1 mln.)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

47.127

48.272

60.246

34.246

54.822

 

Mutatie NvW 2013

–  1.021

–  2.596

–  2.226

–  7.491

–  10.523

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

4.004

555

2.590

7.391

259

 
             

Nieuwe mutaties

 

Rente vaste schuld

 

48

–  67

– 42

– 5

 

Rente vlottende schuld

– 1

–  4

 

Vaste schuld

2.255

3.982

7.108

5.919

 

Extrapolatie

         

46.607

             

Stand ontwerpbegroting 2014

50.109

48.529

64.525

41.213

50.472

46.607

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Uitgaven en ontvangsten

Door een nieuw kastekort en realisaties zijn de ramingen voor rente en uitgifte schuld bijgesteld.

Artikel 12

Opbouw uitgaven artikel 12 (x € 1 mln.)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

8.868

9.701

12.472

13.408

15.393

 

Mutatie NvW 2013

– 621

–  1.008

–  1.024

– 759

–  2.531

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

1.620

650

–  1.040

–  1.008

– 571

 
             

Nieuwe mutaties

           

Rentelasten

 

7

17

24

31

 

Verstrekte leningen

81

–  42

43

52

52

 

Mutaties rekening-courant

1.752

–  2.128

–  3.896

–  1.744

443

 

Extrapolatie

         

14.024

             

Stand ontwerpbegroting 2014

11.700

7.179

6.572

9.974

12.817

14.024

Opbouw ontvangsten artikel 12 (x € 1 mln.)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

1.929

3.199

1.860

2.320

2.885

 

Mutatie NvW 2013

– 7

– 23

– 42

– 181

– 292

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

251

52

163

283

131

 
             

Nieuwe mutaties

           

Rentebaten

– 19

– 29

– 77

– 126

– 143

 

Aflossingen op leningen

– 77

– 80

– 72

– 52

– 55

 

Extrapolatie

         

2.866

             

Stand ontwerpbegroting 2014

2.077

3.120

1.833

2.245

2.527

2.866

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Uitgaven en ontvangsten

De mutaties van de rekening-courant worden grotendeels veroorzaakt door ontwikkelingen bij de sociale fondsen.

4.7 Begrippenlijst

Agentschap / Baten-lastendienst

Een onderdeel van de rijksoverheid waarvoor afwijkende beheersregels gelden gericht op het bevorderen van bedrijfsmatig werken. Belangrijk aspect hierbij is dat het batenlastenstelsel wordt toegepast en de dienst toegang heeft tot een leen- en depositofaciliteit bij de Minister van Financiën.

Bazels Comité

Het Basel Committee on Banking Supervision is een internationaal comitee voor toezichthouders op banken.

Commercial Paper (CP)

Schuldbewijzen met een korte looptijd die kunnen worden ingezet om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. CP is een geldmarktinstrument dat wordt uitgegeven en verhandeld op discontobasis. CP kent flexibele uitgiftemomenten en looptijden. Bovendien bestaat de mogelijkheid uit te geven in vreemde valuta. CP is een aanvulling op het DTC programma voor wat betreft de kortere looptijden.

Compliance

Het onderhouden en versterken van de bereidheid van belastingplichtigen tot nakoming van de wettelijke verplichtingen.

Comptabiliteitswet 2001

In de Comptabiliteitswet 2001 is het beheer van de financiën van het Rijk vastgesteld. De diverse hoofdstukken in deze wet gaan in op onder andere de begroting, het begrotingsbeheer en de bedrijfsvoering van het Rijk, het toezicht van de Ministers en de verantwoording van het Rijk.

Corporate governance

Het besturen van een onderneming, het afleggen van verantwoording daarover en de verdeling van de verschillende daarvoor relevante bevoegdheden over de organen van de onderneming.

Deposito

Het deposito is geld dat door een belegger voor een bepaalde rentevaste periode tegen een rentevergoeding is ondergebracht bij een bank of – in het geval van geïntegreerd middelenbeheer – bij de schatkist van de Rijksoverheid. De looptijd van een deposito kan variëren van een dag (zogeheten daggeld) tot meerdere jaren.

Dutch State Loans (DSL’s)

Engelse benaming voor Nederlandse staatsleningen.

Dutch Treasury Certificates (DTC's)

Engelse benaming voor Nederlands schatkistpapier. Schuldbewijzen met een korte looptijd uitgegeven door het Rijk om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. DTC's worden uitgegeven en verhandeld op discontobasis. DTC wordt uitgegeven in looptijden van 3 tot en met 12 maanden op vooraf vastgestelde data.

Fiscale monitor

Enquêtes die jaarlijks onder de belastingplichtigen worden gehouden over de kwaliteit van de dienstverlening door de Belastingdienst.

Kassaldo

Het verschil tussen de ontvangsten en uitgaven op kasbasis van het Rijk (inclusief deelnemers schatkistbankieren).

EMU-schuld

Het totaal van de uitstaande leningen ten laste van de gehele collectieve sector. Dit is de optelsom van de uitstaande leningen ten laste van het Rijk, de sociale fondsen en de lokale overheid, minus de onderlinge schuldverhoudingen tussen deze drie subsectoren. De EMU-schuld is een brutoschuldbegrip.

Gecentreerde portefeuille

Een portefeuille die gekenmerkt wordt door een gelijkmatig aflosprofiel dat in stand gehouden kan worden door voortdurend in één en dezelfde looptijd leningen uit te geven.

Geïntegreerd middelenbeheer

Het bundelen van publieke middelen gericht op een doelmatig kasbeheer. Publieke middelen zijn middelen die verkregen zijn bij of krachtens de wet ingestelde heffing(en).

Liquiditeit

In een markt met voldoende liquiditeit kunnen grote aan- en verkooporders verhandeld worden zonder dat dit een substantieel effect op de prijs (koers) heeft.

Nationale schuld

Vaste en vlottende schuld van de Staat zoals die samenhangt met het artikel Financiering staatsschuld en het artikel Kasbeheer in deze begroting.

NLFI

NLFI is de enig aandeelhouder in ABN AMRO Group N.V., ASR Nederland N.V. en NLFI Financial Investments B.V. (voorheen ABN AMRO Preferred Investments B.V.). De aandelen in deze vennootschappen zijn in 2011 overgedragen door de Staat der Nederlanden.

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak (RWT)

Een zelfstandige organisatie die in een wet geregelde taak uitvoert met behulp van publiek geld, welk geld is verkregen bij of krachtens de wet ingestelde heffing.

Rekening-courant

Een rekening waarover in de regel giraal betalingsverkeer wordt afgewikkeld en waaruit (een deel van) de onderlinge financiële verhouding is op te maken tussen de houder van de rekening en de instelling alwaar de rekening wordt aangehouden.

Rekenrente

Boekhoudkundig veronderstelde rente in begroting en meerjarencijfers (bron CPB).

Renteswap

Een renteswap is een contract tussen twee partijen waarin wordt overeengekomen om gedurende de looptijd een vaste rente te ruilen tegen een variabele rente (meestal 6 of 3 maanden).

Seno-Gom

Stichting Economische samenwerking Nederland – Oost Europa en Garantiefaciliteit voor Opkomende Markten

Staatsschuld

Het totaal van de uitstaande geldelijke leningen van de Staat (vaste en vlottende schuld) is de bruto staatsschuld. Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar vormen de vaste (gevestigde) staatsschuld. Leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar vormen de vlottende staatsschuld. Soms wordt een ruimere definitie gebruikt voor de vlottende staatsschuld, namelijk bestaande uit leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal twee jaar. De staatsschuld is niet gelijk aan de EMU-schuld, die een breder begrip meet.

Vaste schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar. Wordt ook wel gevestigde schuld genoemd.

Vlottende schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar.

4.8 Lijst met afkortingen

A

 

AFM

Autoriteit Financiële Markten

Atradius DSB

Atradius Dutch State Business N.V.

Awb

Algemene Wet Bestuursrecht

   

B

 

BBP

Bruto Binnenlands Product

BERB

Bedrijfseconomische Resultaatbepaling

BF

Regeling Bijzondere Financiering

BIS

Bank for International Settlements

BTW

Belasting over de toegevoegde waarde

   

C

 

CDFD

College Deskundigheid Financiële Dienstverlening

CP

Commercial Paper

   

D

 

DBFMO

Design, Build, Finance, Maintain, Operate

DGS

Depositogarantiestelsel

DNB

De Nederlandsche Bank

DRZ

Domeinen Roerende Zaken

DSL

Dutch State Loan

DTC

Dutch Treasury Certificate

   

E

 

EFSF

European Financial Stability Facility

EFSM

European Financial Stabilisation Mechanism

EIB

Europese Investeringsbank

EKG

Exportkredietgaranties

EKV

Exportkredietverzekering

EMU

Europese Monetaire Unie

Eonia

European Overnight Index Average

ESM

Europese stabiliteitsmechanisme

EU

Europese Unie

   

F

 

FATF

Financial Action Task Force on money laundering

FIOD

Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst

   

G

 

G20

De G20 (Groep van 20) is een groep bestaande uit 19 landen en de Europese Unie.

GBA

Gemeentelijke Basisadministratie

   

H

 

HT

Horizontaal toezicht

   

I

 

IABF

Illiquid Assets Back-up Facility

IASB

International Accounting Standards Board

IBO

Interdepartementale beleidsonderzoek

IFI

Internationale Financiële instelling

IH

Inkomensheffing

IMF

Internationaal Monetair Fonds

   

L

 

LH

Loonheffing

   

M

 

MCN

Mandatory Convertible Note

MGO

Middelgrote ondernemingen

MFK

Meerjarig Financieel Kader

MIGA

Multilateral Investment Guarantee Agency

MKB

Midden- en Kleinbedrijf

   

N

 

NLFI

NL Financial Investments

NWB

Nederlandse Waterschapsbank

   

O

 

OB

Omzetbelasting

OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

   

P

 

PPC

Publiek Private Comparator

PPI

Publiek-Private Investering

PPS

Publiek-private samenwerking

   

R

 

RGD

Rijksgebouwendienst

RHB

Rijkshoofdboekhouding

RPE

Regeling periodiek evaluatieonderzoek

RVOB

Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf

RVR

Raad voor Vastgoed Rijksoverheid

RWT

Rechtspersoon met een wettelijke taak

   

S

 

SAMO

Stichting Afwikkeling Maror-gelden

SENO-GOM

Stichting Economische Samenwerking Nederland Oost-Europa en Garantiefaciliteit voor Opkomende Markten

SER

Sociaal-Economische Raad

SSO

Shared Service Organisaties

STAK

Wet Stichting Administratiekantoor financiële instellingen

   

T

 

TK

Tweede Kamer

   

V

 

VGEM

Veiligheid, Gezondheid, Economie en Milieu

   

W

 

WAKO

Wet aansprakelijkheid kernongevallen

Wft

Wet op het financieel toezicht

WOZ

Wet Waardering Onroerende Zaken

WWFT

Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme

   

Z

 

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZGO

Zeer Grote Ondernemingen

ZZP

Zelfstandigen Zonder Personeel

4.9 Bijlage inzake moties en toezeggingen

Overzicht van de door de Staten-Generaal aanvaarde moties en door bewindslieden gedane toezeggingen

FISCAAL

Door de Staten-Generaal aanvaarde moties

Onderdeel A.1 Moties waarvan de uitvoering is afgerond

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken/Planning

1.

2009–2010

Tang c.s. verzoekt de regering het gebruik van de fiets onder de oude en nieuwe regeling expliciet onderdeel uit te laten maken van de evaluatie van de werkkostenregeling die na 2 jaar plaatsvindt.

Kamerstukken II 2009/10, 32 128, nr. 45

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 22 oktober 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 9

2.

2010–2011

Van Vliet en Neppérus verzoeken de regering om binnen een jaar na inwerkingtreding van de Wet uniformering loonbegrip de inkomenseffecten van deze flankerende maatregelen voor werknemers te meten alsook de bereikte vereenvoudiging te evalueren de Kamer hierover te informeren.

Kamerstukken II 2010/11, 32 131, nr. 18

Aangenomen 12 april 2011

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 juni 2013 waarbij de evaluatie van de Wet ULB is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 33 682, nr. 1

3.

2010–2011

Neppérus en van Vliet verzoeken de regering om na de inwerkingtreding van de Wet uniformering loonbegrip de effecten ten aanzien van de ontwikkeling van de loonkosten voor bedrijven via onder meer loonstrookjes te meten en om de Kamer via een evaluatie hierover te informeren een jaar na inwerkingtreding van de wet.

Kamerstukken II 2010/11, 32 131, nr. 23

Aangenomen 12 april 2011

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 juni 2013 waarbij de evaluatie van de Wet ULB is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 33 682, nr. 1

4.

2010–2011

Omtzigt en Harbers verzoeken de regering alleen nog TIEA’s te sluiten die een bepaling bevatten op basis waarvan automatische gegevensuitwisseling mogelijk is, en de Kamer te informeren over welke TIEA’s daadwerkelijk tot gegevensuitwisseling hebben geleid. Verzoeken tevens over twee jaar een lijst aan de Kamer te doen toekomen met TIEA’s en verdragen die niet tot gegevensuitwisseling hebben geleid en aan te geven of zij bereid is die verdragen en TIEA’s op te zeggen.

Kamerstukken II 2010/11, 25 087, nr. 26

Aangenomen 30 juni 2011

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

5.

2011–2012

Recourt en van Raak verzoeken de regering zo snel mogelijk inzicht te geven in de concrete criteria die worden gehanteerd bij het vrijstellen van belasting van vermogen van leden van het Koninklijk Huis.

Kamerstukken II 2011/12, 33 000 III, nr. 7

Aangenomen 13 oktober 2011

Deze motie kan niet worden uitgevoerd omdat er geen vermogensbestand-delen zoals in de motie genoemd zijn die niet reeds onderdeel vormen van een stichting of anderszins van eigenaar zijn veranderd. Indien op enig moment verandering in deze situatie zou optreden, is uitvoering niet verenigbaar met de wettelijke geheimhoudingsplicht ten aanzien van individuele aanslagen.

6.

2011–2012

Omtzigt en Groot verzoeken de regering het mogelijk te maken om de huurtoeslag rechtstreeks over te maken naar de woningbouwcorporaties

Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 49

Aangenomen 22 december 2011

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 12 juli 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 61

7.

2011–2012

Omtzigt en Van Vliet verzoeken de regering met een voorstel te komen voor een Anbi-register, waarin de volgende zaken openbaar gemaakt worden en gratis toegankelijk zijn:naam, adres en contactgegevens van de ANBI; bestuurssamenstelling; verkort jaarverslag, beloningen van bestuurders en medewerkers die de dg-norm overschrijden.

Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 52

Aangenomen 17 november 2011

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 16 juli 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 740, nr. 16

8.

2011–2012

Van Bemmel en Van Vliet verzoeken de regering de Belastingdienst de gegevens betreffende schadevoertuigen, waar de genoemde «tegenbewijsregeling» op van toepassing is, ter beschikking te laten stellen aan de verzekeraars.

Kamerstukken II 2011/12, 29 398, nr. 307

Aangenomen 29 november 2011

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

9.

2011–2012

Van Vliet c.s. verzoekt de regering, in het verlengde van eerdere aangenomen moties, de sluiting van de kantoren in Venlo en Emmen te heroverwegen en eerst te kijken naar mogelijke maatregelen buiten de regio’s.

Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 124

Aangenomen 22 maart 2012

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

10.

2011–2012

Neppérus c.s. verzoekt de regering, om daar waar mogelijk zo spoedig als het kan te komen tot een juiste verdeling van heffingsrechten ter voorkoming van dubbele bankenbelasting en de Tweede Kamer vóór 1 oktober 2012 over de voortgang te rapporteren.

Kamerstukken II 2011/12, 33 121, nr. 21

Aangenomen 22 mei 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 27 september 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 121, nr. 34

11.

2011–2012

Groot verzoekt de regering, het onderzoek naar de invoering van een forfaitaire aftrek over het eigen vermogen langs de lijnen van de belastingcommissie Continuïteit en Vernieuwing niet stop te zetten, maar integendeel energiek voort te zetten en de Kamer op de hoogte te houden van de vorderingen van dit onderzoek.

Kamerstukken II 2011/12, 33 287, nr. 15

Aangenomen 21 juni 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

12.

2011–2012

Van Vliet en Bashir verzoeken de regering de totale derving aan vennootschapsbelasting per jaar door het Bosalgat voor het zomerreces aan de Kamer te rapporteren.

Kamerstukken II 2011/12, 33 287, nr. 16

Aangenomen 21 juni 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

13.

2011–2012

Van Vliet verzoekt de regering tot een nadere afbakening te komen van de doelgroepen voor wie horizontaal toezicht inderdaad een geschikt model is voor invulling van de relatie tussen Belastingdienst en belastingplichtige en de Kamer hierover vóór 1 oktober 2012 te informeren.

Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 136

Aangenomen 5 juli 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 12 december 2012. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 149

14.

2011–2012

Omtzigt c.s. verzoekt de regering vóór 1 oktober met een plan te komen om de tax gap te halveren, dan wel zo mogelijk nog verder te verkleinen, door met gerichte acties zowel op het gebied van handhaving als invordering de belastingopbrengst te vergroten. Verzoekt de regering tevens hierbij in kaart te brengen met welke gerichte investeringen de belastingopbrengst met een veelvoud vergroot kan worden.

Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 144

Aangenomen 5 juli 2012

Afgerond bij brieven van de staatssecretaris van Financiën van 12 en 17 december 2012. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 149 en nr. 151

15.

2011–2012

Groot en Braakhuis verzoeken de regering in het plan van aanpak van de regering een concrete en uitdagende doelstelling te formuleren voor de hoeveelheid extra verticale belastingcontroles die de komende jaren moet worden uitgevoerd en de hoeveelheid werknemers die hiertoe bij de Belastingdienst wordt vrijgemaakt.

Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 141

Aangenomen 5 juli 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 12 december 2012. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 149

16.

2011–2012

Groot en Braakhuis verzoeken de regering nieuw onderzoek te doen naar de omvang en samenstelling van het nalevingstekort en in de rapportage hierover aan de Kamer niet enkel de percentages te vermelden, maar ook de nominale bedragen aan misgelopen belastinginkomsten.

Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 145

Aangenomen 5 juli 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

17.

2011–2012

Peters verzoekt de regering, zich in Europa sterk te maken voor een EU-breed laag btw-tarief voor digitale nieuwsproducten en boeken.

Kamerstukken II 2011/12 32 827, nr. 36

Aangenomen 5 juli 2012

Afgerond bij brief van de minister van OCW van 2 oktober 2012. Kamerstukken II 2012/13, 32 827, nr. 44

18.

2011–2012

Sent c.s. verzoekt het kabinet de Kamer tijdig, in elk geval uiterlijk 1 juni 2013 te informeren over de kredietverleningsituatie in Nederland middels een rapport van De Nederlandsche Bank en, indien noodzakelijk een voorstel te doen voor onmiddellijk te effectueren ingrepen in de situatie.

Kamerstukken I 2011/12, 33 121, I

Aangenomen 10 juli 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

19.

2012–2013

Zijlstra en Samsom verzoeken de regering de gewenste verkleining tussen hoge en lage inkomens te bewerkstelligen door de algemene heffingskorting en arbeidskorting van lage en middeninkomens te verhogen en vervolgens inkomensafhankelijk af te bouwen en daarbij de parameters aan te passen.

Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 32 Aangenomen 14 november 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

20.

2012–2013

Bashir verzoekt om de Tweede kamer in het voorjaar van 2013 een aantal voorstellen te doen, waardoor dagelijks gebruik van de oldtimer wordt ontmoedigd, maar de mrb-vrijstelling voor mensen die de oldtimer hobbymatig gebruiken, in stand kan worden gehouden.

Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 33 Aangenomen 20 november 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 15 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 55

21.

2012–2013

Klaver verzoekt de regering zich bij Engeland en Duitsland aan te sluiten en zich actief in te zetten om mogelijkheden tot belastingontwijking via Nederland weg te nemen.

Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 36 Aangenomen 20 november 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 januari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 34

22.

2012–2013

Van Vliet verzoekt de regering om de mogelijkheid te onderzoeken of toekoming van een BSN aan een buitenlandse natuurlijk persoon of rechtspersoon automatisch kan betekenen dat alle motorrijtuigen die door deze personen gebruikt worden in de heffing van motorrijtuigenbelasting worden betrokken.

Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 37 Aangenomen 20 november 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën in september 2013 mbt buitenlandse kentekens en de MRB.

23.

2012–2013

Van Vliet verzoekt de regering, in overleg met de Kamer, een oplossing te zoeken die bezitters van oldtimers in enige vorm in staat stelt hun voertuig niet te hoeven opgeven en deze oplossing op te nemen in het Belastingplan 2014.

Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 39 Aangenomen 20 november 2012

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 15 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 55

24.

2012–2013

Klaver en Schouten verzoeken de regering in overleg te treden met de hypotheekverstrekkers om te onderzoeken hoe belemmeringen voor het meefinancieren van restschulden weggenomen kunnen worden en de Kamer hierover uiterlijk februari 2013 te informeren.

Kamerstukken II 2012/13, 33 405, nr. 22 Aangenomen 20 november 2012

Zal door minister Blok worden afgerond, in samenwerking met directie FM.

25.

2012–2013

Essers c.s. verzoekt de regering voorts om de verhuurderheffing vanaf 2014 niet door te laten gaan dan nadat een voorstel is uitgewerkt en de Eerste Kamer daarover vóór 1 maart 2013 te informeren.

Kamerstukken I 2012/13, 33 407, F

Aangenomen 18 december 2012

Afgerond bij brief van de minister voor wonen en rijksdienst van 28 februari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 27 926, nr. 193

26.

2012–2013

Essers c.s. verzoekt de regering uiterlijk eind januari 2013 aan de Kamer te rapporteren over onder meer: mogelijkheden om – met behoud van de door het kabinet voorgenomen beperking van de hypotheekrente voor nieuwe gevallen – toe te staan dat na 50% aflossen van de lening de tweede 50% alsnog ter vrije beoordelingstaat van hypotheekgever en hypotheeknemer.

Kamerstukken I 2012/13, 33 405, F

Aangenomen 18 december 2012

Afgerond bij brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst van 25 januari 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 405, H

27.

2012–2013

Eijsink en Berckmoes-Duindam verzoeken de regering de negatieve inkomenseffecten voor militairen, als gevolg van de invoering van de Wet uniformering loonbegrip, zoveel mogelijk te compenseren.

Kamerstukken II 2012/13, 33 400 X, nr. 53

Aangenomen 5 februari 2013

Afgerond voor het ministerie van Financiën. Eerst verantwoordelijke is de minister van Defensie. De motie is gedeeltelijk (namelijk voor het jaar 2013) afgerond. Voor 2014 en later moet voor een meer structurele oplossing nog overeenstemming worden bereikt. Kamerstukken II 2012/13, 33 400 X, nr. 65

28.

2012–2013

Van Vliet verzoekt de regering de kwalificatie van Nederland als belastingparadijs te verwerpen en waar mogelijk in de discussie erop aan te dringen deze kwalificatie achterwege te laten.

Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 35

Aangenomen 14 februari 2013

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

29.

2012–2013

Merkies en Klaver verzoeken de regering zich in te zetten om country-by-country reporting op Europees niveau door te voeren.

Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 38

Aangenomen 14 februari 2013

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

30.

2012–2013

Omtzigt en Merkies verzoeken de regering een brief te schrijven over welk kader geldt voor ontwikkelingslanden en welke landen als zodanig worden aangemerkt en zonodig een update te maken van het toetsingskader.

Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 38

Aangenomen 14 februari 2013

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

31.

2012–2013

Van Vliet verzoekt de regering bij de internationale aanpak van onwenselijke belastingontwijking de handhaving van de fiscale infrastructuur zoals die in Nederland geldt, als uitgangspunt te hanteren.

Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 160

Aangenomen 9 april 2013

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

32.

2012–2013

Klaver verzoekt de regering, uiterlijk in juni 2013, een plan van aanpak naar de Kamer te sturen om de misstand mbt bedrijven die alleen geld langs Nederland sluizen, stap voor stap aan te pakken.

Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 163

Aangenomen 9 april 2013

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

33.

2012–2013

Van der Staaij verzoekt de regering vóór de zomer 2013 een brief te sturen met daarin haar visie op de wenselijkheid van de doorwerking van specifieke fiscale vrijstellingen in andere regelingen en te bezien of er grondslagen zijn die de draagkracht naar vermogen evenwichtiger kunnen benaderen.

Kamerstukken II 2012/13, 33 204, nr. 28

Aangenomen 9 april 2013

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van VWS van 26 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 204, nr. 33

34.

2012–2013

Knops verzoekt de regering de overgangstermijn inzake het aangaan van nieuwe en het aanpassen van KEW's, BEW's en SEW's door belastingplichtigen met een bestaande eigenwoningschuld, aan te passen.

Kamerstukken II 2012/13, 32 847, nr. 48

Aangenomen 9 april 2013

De toezegging is nagekomen in het beleidsbesluit dat op 31 mei 2013 in de Staatscourant is gepubliceerd onder nr. 14085

35.

2012–2013

Visser c.s. verzoekt de regering, binnen het geraamde kader van de opbrengst van de verhuurderheffing, verschillende varianten uit te werken en deze uiterlijk 15 juni 2013 aan de Kamer voor te leggen.

Kamerstukken II 2012/13, 32 847, nr. 50

Aangenomen 9 april 2013

Afgerond bij brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 847, nr. 76

36.

2012–2013

Klaver en Koolmees verzoek de regering in haar reactie op het SEO-rapport aan te geven welk einddoel zij nastreeft bij een internationale aanpak van belastingontwijking en welke stappen zij gaan ondernemen om dit einddoel te bereiken en specifiek onderscheid te maken tussen haar inzet binnen en buiten Europa.

Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 168

Aangenomen 16 april 2013

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

37.

2012–2013

De Vries c.s. verzoekt de regering te bevorderen dat metterdaad tot een geloofwaardige Europese aanpak van belastingfraude wordt gekomen en de Kamer voor of bij de indiening van de begroting voor volgend jaar te informeren welke stappen de regering heeft gezet, dan wel zal zetten, en welke voortgang er in Europees verband wordt geboekt.

Kamerstukken I 2012/13, 33 551, B

Aangenomen 23 april 2013

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17. september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

38.

2012–2013

Krol verzoekt de regering de bewering dat het nog steeds mogelijk is om na 40 jaar werken een pensioen op te bouwen van 70% van het middelloon, te onderbouwen door een actuariële berekening waaruit de effecten voor de verschillende generaties blijken.

Kamerstukken II 2012/13, 33 566, nr. 36

Aangenomen 25 april 2013

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 610, nr. 7

39.

2012–2013

Omtzigt verzoekt de regering de regeling zo aan te passen dat die ANBI's die de namen van hun bestuurders openbaar moeten maken in het handelsregister, de namen ook moeten publiceren in het ANBI-register.

Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 14

Aangenomen 4 juli 2013

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 16 juli 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 740, nr. 16

40.

2012–2013

Mei Li Vos c.s. verzoekt de regering om vanaf week 28 te garanderen dat zzp-ers die over de btw-plicht met de Belastingdienst contact opnemen binnen tien werkdagen uitsluitsel krijgen over hun btw-plicht, en de Kamer nog voor het einde van het zomerreces te informeren over de voortgang. Verzoekt tevens om direct na het hoger beroep een heldere beslisboom te publiceren van de bestendige lijn zoals de Belastingdienst die toepast over de btw-plicht van zelfstandigen in de zorg.

Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 20

Aangenomen 4 juli 2013

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

Door de Staten-Generaal aanvaarde moties

Onderdeel A.2 Moties waarvan de uitvoering nog niet is afgerond

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken/Planning

1.

2011–2012

Braakhuis verzoekt de regering bij de winstbox afschaffing van het urencriterium te betrekken.

Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 79

Aangenomen 17 november 2011

In voorbereiding

2.

2011–2012

Van Gent c.s. verzoekt de regering bij het onderzoek naar het afschaffen van het urencriterium ook de aanvraag van kinderopvangtoeslag te betrekken.

Kamerstukken II 2011/12, 31 322, nr. 149

Aangenomen 13 december 2011

In voorbereiding

3.

2011–2012

Van Vliet verzoekt de regering na twee jaar te evalueren of het gelukt is dat de Nederlandse ondernemers een aantoonbare administratieve lastenvermindering krijgen en de Kamer hierover te informeren.

Kamerstukken II 2011/12, 32 877, nr. 8

Aangenomen 16 februari 2012

Planning afronding 2 jaar na inwerkingtreding van de wet. (de wet is per 1 januari 2013 in werking getreden).

4.

2011–2012

Bosman c.s. verzoekt de regering in overleg met de verschillende landen te onderzoeken hoe de belemmeringen voor personen en goederen binnen het Caraïbisch deel van het Koninkrijk kunnen worden opgeheven, waaronder het voorkomen van dubbele invoerheffingen bij de doorvoer van goederen.

Kamerstukken II 2011/12, 33 000 IV, nr. 62

Aangenomen 6 maart 2012

Voortouw voor dit Koninkrijksoverleg ligt bij het Ministerie van V&J, in verband met de nadruk op personenvervoer. In de verzamelbrief toezeggingen die op Prinsjesdag 2013 is aangeboden aan de Kamer, is een laatste stand van zaken weergegeven.

5.

2012–2013

Klaver verzoekt de regering, druk uit te oefenen op Luxemburg en Oostenrijk om de EU in staat te stellen zo snel mogelijk de spaartegoedenrichtlijn aan te nemen.

Kamerstukken II 2012/13, 21 501–20, nr. 683

Aangenomen 11 oktober 2012

Doorlopend

6.

2012–2013

Van Veldhoven verzoekt de regering de landgoederenregeling te evalueren en voorstellen te ontwikkelen om deze meer te richten op het bevorderen van het beschermen en openstellen van echte landgoederen en de beschikkingen van bestaande landgoederen te herkeuren.

Kamerstukken II 2012/13, 33 400 XIII, nr. 90

Aangenomen 29 januari 2013

Het voortouw van de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928 ligt bij het ministerie van EZ. Najaar 2013 zal in overleg met Financiën een onderzoeks-opdracht worden geformuleerd en offerte worden gevraagd. Aanbesteding en evaluatie zullen in 2014 beslag krijgen.

7.

2012–2013

Van Vliet verzoekt de regering, maatregelen te nemen om agressieve taksplanning in de nieuwe situatie (Vpb-plicht) door overheden te voorkomen opdat niet via constructies alsnog oneerlijke concurrentie gaat plaatsvinden, bijvoorbeeld door het niet afzonderen van concurrerende activiteiten.

Kamerstukken II 2012/2013, 31 213, nr. 10

Aangenomen 25 april 2013

De motie wordt meegenomen bij het wetsvoorstel Vpb-plicht voor overheidsbedrijven dat voorzien is voor het 3e kwartaal 2014.

8.

2012–2013

Van Vliet verzoekt de regering de taxatie bij import van gebruikte auto's alleen toe te staan door gecertificeerde taxateurs, bijvoorbeeld door koppeling aan de RDW-keuring.

Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 18

In voorbereiding

9.

2012–2013

Mei Li Vos en Neppérus verzoeken de regering de uitkomsten van het aangekondigde onderzoek naar de arbeidsmarkteffecten, de administratieve lasten en de nalevingskosten naar de Kamer te zenden en Actal advies te vragen over de administratieve lasten van invoering van de VAR webmodule en de Kamer hierover verslag uit te brengen.

Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 19

Aangenomen 4 juli 2013

In voorbereiding

Door bewindslieden gedane toezeggingen

Onderdeel B.1 Toezeggingen waarvan de uitvoering is afgerond

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken/Planning

1.

2007–2008

Toegezegd om te beginnen met het incasseren van relatief kleine bedragen en dat vervolgens vanaf 2008 te gaan monitoren zodat met de Kamer kan worden afgestemd wat de gevolgen hiervan zijn.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Versterking fiscale rechtshandhaving op 25 september 2007 (30 322). Handelingen I 2007/08, EK nr. 1, blz. 37

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 402, N

2.

2007–2008

Toegezegd om de doelmatigheidsbepaling (de bepaling die de inspecteur onder voorwaarden en nadat de materiële belastingschuld is vastgesteld, de wettelijke mogelijkheid geeft om af te wijken van de formele regels) te evalueren.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan 2008 en OFM op 18 december 2007. Handelingen I 2007/08, EK nr. 15, blz. 637

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 25 april 2013. Kamerstukken I 2012/13, 31 205, AB

3.

2007–2008

Toegezegd op het moment van inwerkingtreding van het gemoderniseerde CDW te bekijken of de AEO-status voor bedrijven daadwerkelijk heeft geleid tot versnelling van bepaalde afhandelingen.

Staatssecretaris tijdens het debat over de Algemene douanewet (30 580)op 16 januari 2008. Handelingen II 2007/08, TK nr. 41, blz. 3202

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

4.

2008–2009

Toegezegd om de automatische verlenging van de VAR in 2016 te evalueren.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan 2009 en OFM 2009 op het wetgevingsoverleg van 7 november 2008. Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 76

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

5.

2008–2009

Toegezegd dat voor bepaalde posities van «phantom income» bij Technopartners en andere venture capital-fondsen fiscaal mag worden aangesloten bij daadwerkelijke realisatie. Een dergelijke regeling zal worden uitgewerkt als voldoende casuïstiek zich heeft aangediend.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen op 9 december 2008. Handelingen I 2008/09, EK nr. 13, blz. 616

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 402, N

6.

2008–2009

Toegezegd om als blijkt dat door het wetsvoorstel situaties ontstaan waarbij de werkingssfeer van de wet zich uitbreidt over situaties waarvoor dat niet de bedoeling was, collateral damage met ongewenste effecten, dat beleid ontwikkeld wordt om dat te voorkomen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen op 9 december 2008. Handelingen I 2008/09, EK nr. 13, blz. 616

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 402, N

7.

2009–2010

Toegezegd een jaarlijkse rapportage te sturen over de resultaten van de aanpak van APV’s, trusts en SPF’s.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van de wijziging van de Successiewet 1956 op het wetgevingsoverleg van 12 oktober 2009. Kamerstukken II 2009/10, 31 930, nr. 40, blz. 39

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

8.

2009–2010

Toegezegd het onderzoek naar de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) als boedelfaciliteit, waarnaar in de motie Cramer wordt gevraagd, uit te voeren en de Kamer hierover te informeren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de TK van de wijziging van de Successiewet 1956 op 29 oktober 2009. Handelingen II 2009/10, TK nr. 18, blz. 1432

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

9.

2009–2010

Toegezegd om in de te houden evaluatie werkkostenregeling specifiek ook in te gaan op de fiets en bedrijfsfitness en hierover gegevens te gaan verzamelen.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan 2010 op het wetgevingsoverleg van 9 november 2009. Kamerstukken II 2009/10, 32 128, nr.52, blz. 46

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 22 oktober 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 9

10.

2009–2010

Toegezegd de Kamer een brief te sturen zodra er zicht is op de resultaten van de maatregelen van het dga-pakket.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2010 in de TK op 18 november 2009. Handelingen II 2009/10, TK nr. 26, blz. 2413

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 8 oktober 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 400 IX, nr. 6

11.

2009–2010

Toegezegd om in 2012 te starten met de evaluatie van het APV-regime en de Kamer over de uitkomsten te informeren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Wijziging van de Successiewet in de EK op 15 december 2009. Handelingen I 2009/10, EK nr. 13, blz. 456, 457

3e kwartaal ivm congres CPB over de problematiek. Vervolgens meenemen in verzamelbrief die in zomer 2013 wordt verzonden.

12.

2009–2010

Toegezegd om bij de evaluatie mee te nemen of het amendement Cramer c.s. (omvang van voorwaardelijke vrijstelling voor de verkrijging van ondernemingsvermogen, kamerstuk 31 930, nr. 79) problemen oplevert ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel van het kabinet.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Wijziging van de Successiewet in de EK op 15 december 2009. Handelingen I 2009/10, EK nr. 13, blz. 478

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

13.

2009–2010

Toegezegd om nadere analyse te doen naar het gegeven dat de gepercipieerde pakkans bij adviseurs zo laag is en daarover met de adviseurs om de tafel te gaan zitten.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2010 in de EK op 22 december 2009. Handelingen I 2009/10, EK nr. 14, blz. 504

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 402, N

14.

2009–2010

Toegezegd om de forfaitaire ruimte bij de werkkostenregeling in de gaten te houden. De Belastingdienst zal looncontroles uitvoeren en nagaan of hierbij een onbedoeld effect optreedt.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2010 in de EK op 22 december 2009. Handelingen I 2009/10, EK nr. 14, blz. 522

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 24 oktober 2012 waarbij de evaluatie werkkostenregeling is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 9

15.

2010–2011

Toegezegd om het wetsvoorstel van de leden Dezentjé Hamming-Bluemink en Crone houdende wijziging van de Awr ten behoeve van de rechtsbescherming van belastingplichtigen bij controle-handelingen van de fiscus, jaarlijks te evalueren bij het Beheersverslag.

Minister van SZW namens de Minister van Financiën tijdens de behandeling op 15 september 2010 van het wetsvoorstel van de leden Dezentjé Hamming-Bluemink en Crone houdende wijziging van de Awr ten behoeve van de rechtsbescherming van belastingplichtigen.

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

16.

2010–2011

Toegezegd om in het evaluatieproces rondom de WOLBES de IB/LB mee te nemen en te bezien of daarin iets gewijzigd moet worden.

Minister tijdens het wetgevingsoverleg van 27 september 2010 inzake de wetsvoorstellen fiscaal stelsel BES. Kamerstukken II 2010/2011, 32 189, 32 190 en 32 276, nr. 21, blz. 37

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

17.

2010–2011

Toegezegd om in het evaluatieproces rondom de WOLBES de invoering van accijns op alcohol en tabak op Saba en Sint Eustatius mee te nemen.

Minister tijdens het wetgevingsoverleg van 27 september 2010 inzake de wetsvoorstellen fiscaal stelsel BES. Kamerstukken II 2010/2011, 32 189, 32 190 en 32 276, nr. 21, blz. 51

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

18.

2010–2011

Toegezegd om overleg op te starten met Sint Maarten, gericht op de invoering van accijns op alcohol en tabak.

Minister tijdens het wetgevingsoverleg van 27 september 2010 inzake de wetsvoorstellen fiscaal stelsel BES. Kamerstukken II 2010/2011, 32 189, 32 190 en 32 276, nr. 21, blz. 51

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

19.

2010–2011

Toegezegd dat als er vanuit de Belastingdienst op de BES-eilanden signalen komen dat er belastingparadijzen gaan ontstaan door de vestigingsplaats van lichamen, dit bij het Belastingplan 2013 aan de Eerste Kamer gerapporteerd zal worden.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de BES-wetsvoorstellen in de EK op 14 december 2010. Handelingen I 2010/11, EK nr. 11, blz. 23

Afgerond bij de memorie van antwoord van 7 december 2012 aan de EK bij het Belastingplan 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 402, D, blz. 37

20.

2010–2011

Toegezegd om eerder dan de reeds toegezegde evaluatie in 2012, terug te komen op de aangepaste bedrijfsopvolgingsregeling.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2011 op 21 december 2010 in de EK. Handelingen I 2010/11, EK nr. 13, blz. 6

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

21.

2010–2011

Toegezegd de wet na invoering specifiek op loonkosten te evalueren en hierin tevens mee te nemen hoe de lastenneutraliteit zal uitwerken voor de verschillende categorieën (MKB, grootbedrijf, markt en overheid)

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de EK van het wetsvoorstel uniformering loonbegrip (32 131) op 24 mei 2011. Handelingen I 2010/11, nr. 28, blz. 57

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 juni 2013 waarbij de evaluatie van de Wet ULB is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 33 682, nr. 1

22.

2011–2012

Toegezegd met de waterleidingbedrijven te overleggen en afspraken te maken dat de af te schaffen belasting ten goede komt aan de gebruikers en niet in de verkeerde zakken terechtkomt en de Kamer hierover te informeren.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg Belastingplan op 7 november 2011. Kamerstukken II 2011/12, 30 003, nr.81, blz. 6

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

23.

2011–2012

Toegezegd dat de vitaliteitsspaarrekening zal worden meegenomen bij de evaluatie van de doorwerkbonus in 2019.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg Belastingplan op 7 november 2011. Kamerstukken II 2011/12, 30 003, nr.81, blz. 6

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

24.

2011–2012

Toegezegd om een eventueel gevonden oplossing voor het éénbankrekeningnummer voor kinderopvanginstellingen aan de Kamer voor te leggen.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg Belastingplan op 7 november 2011. Kamerstukken II 2011/12, 30 003, nr.81, blz. 39

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 12 juli 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 61

25.

2011–2012

Toegezegd nog eens nader te kijken naar de buitenlandse busjes in het kader van de autobelastingen. Is het mogelijk die busjes op te sporen en te controleren of zij worden aangemeld?

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg Belastingplan op 7 november 2011. Kamerstukken II 2011/12, 30 003, nr.81, blz. 51

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

26.

2011–2012

Toegezegd het verzoek van de heer Omtzigt om zo spoedig mogelijk in 2012 inzicht te krijgen in de hoeveelheden van gestort afval, door te geleiden naar de Staatssecretaris van I & M.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan op 16 november 2011. Handelingen II 2011/12, TK nr. 24, blz. 9–74

Afgerond. Rapportage heeft plaatsgevonden in de begroting van I&M. Kamerstuk nog opzoeken

27.

2011–2012

Toegezegd in de eerste helft van 2012 informatie te geven en een vergelijking te maken tussen Nederland en andere landen mbt de 30%-regeling en andere gunstige aspecten Nederlands vestigingsklimaat.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan op 16 november 2011. Handelingen II 2011/12, TK nr. 24, blz. 9–78

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

28.

2011–2012

Toegezegd om samen met de Minister van I & M een brief te schrijven over de mogelijkheden om parallelimport van vervuilende oldtimers te beperken.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan op 16 november 2011. Handelingen II 2011/12, TK nr. 24, blz. 9–90

Afgerond bij brief van de minister van I&M van 2 oktober 2012 in antwoord op Kamervragen van 1 augustus 2012. Aanhangsel van de Handelingen 2012/13, nr. 180

29.

2011–2012

Toegezegd in 2012, voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel OFM of het Belastingplan 2013, een brief aan de Kamer te sturen mbt de transparantie van ANBI’s en een strafrechtelijke veroordeling.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan op 16 november 2011. Handelingen II 2011/12, TK nr. 24, blz. 9–91

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 28 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 740, nr. 15

30.

2011–2012

Toegezegd naar aanleiding van het amendement van de heer Braakhuis over de vervanging van de eis van de notariële akte periodieke giften door een onderlinge schenkingsovereenkomst, hierop terug te komen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan op 16 november 2011. Handelingen II 2011/12, TK nr. 24, blz. 9–94

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

31.

2011–2012

Toegezegd bij de verdere uitwerking van een verschuiving van de IB naar de btw de suggestie van de heer Van Boxtel mee te nemen om de btw op bepaalde schadelijke zaken zoals vetten, alcohol en tabak, flink te verhogen om zodoende de extreem stijgende zorg in de hand te houden.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan in de EK op 13 december 2011. Handelingen I 2011/12, EK nr. 12, blz. 8–45

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 402, N

32.

2011–2012

Toegezegd om te bezien of het vereiste van de notariële akte voor periodieke giften nog wel nodig is.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan in de EK op 13 december 2011. Handelingen I 2011/12, EK nr. 12, blz. 8–49

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 mei 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 006, B

33.

2011–2012

Toegezegd het internationale uitgangspunt om belasting op goederen alleen op de eindbestemming te heffen, nadere invulling te geven, met name voor wat betreft de afspraken met Sint-Maarten en Curaçao. De heer Bochove zal een paar concrete voorbeelden aanleveren. De Staatssecretaris zal uiterlijk 1 mei 2012 de Kamer informeren.

Staatssecretaris tijdens het AO over de vaststelling van de begrotingsstaat van Koninkrijksrelaties (IV) voor het jaar 2012 op 30 januari 2012.

Kamerstukken II 2011/12, 33 000 IV, nr. 57, blz. 14

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

34.

2011–2012

Toegezegd aan mw. Neppérus en de heren Omtzigt en Van vliet om in het volgende beheersverslag van de Belastingdienst in te gaan op de aantallen m.b.t. het uitwisselen van informatie aan Nederland en door Nederland.

Staatssecretaris tijdens het AO Fiscaal (verdrags) beleid op 1 februari 2011. Kamerstukken II 2011/2012, 25 087, nr. 30, blz. 21

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

35.

2011–2012

Toegezegd te onderzoeken de modaliteiten om in belastingzaken prejudiciële vragen voor te leggen om de afdoeningstermijnen van fiscale geschillen te bespoedigen.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 9 februari 2012. Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr.120, blz.18

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

36.

2011–2012

Toegezegd op enig moment vóór de eindbeslissing eind 2013 mbt de reorganisatie van de Belastingdienst, een tussenrapportage naar de Kamer te sturen over de stand van zaken op dat moment. Voor wat betreft de spreiding zal er worden aangesloten bij de rapportage van de Minister van BZK in het najaar.

Staatssecretaris tijdens het plenaire debat op 22 maart 2012 over sluiting van de Belastingdienstkantoren Emmen en Venlo. Handelingen II 2011/12, TK nr. 67–10, blz. 81

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

37.

2011–2012

Toegezegd aan de heer Schouw om verder te gaan met het uitwerken van de gedachte van front- en back offices Belastingdienst bij Gemeenten (Gemeentehuizen).

Staatssecretaris tijdens het plenaire debat op 22 maart 2012 over sluiting van de Belastingdienstkantoren Emmen en Venlo. Handelingen II 2011/12, TK nr. 67–10, blz.84

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

38.

2011–2012

Toegezegd dat als er majeure beslissingen worden genomen die samenhangen met het sluiten van kantoren, de Kamer hierover geïnformeerd zal worden, bijvoorbeeld eens per kwartaal. Dan zullen ook andere zaken worden meegenomen die passen binnen het totale plaatje.

Staatssecretaris tijdens het plenaire debat op 22 maart 2012 over sluiting van de Belastingdienstkantoren Emmen en Venlo. Handelingen II 2011/12, TK nr. 67–10, blz.85

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

39.

2011–2012

Toegezegd om in het beheersverslag, de halfjaarrapportage of anders in een aparte brief in te gaan op het onderzoek naar de handhavingcapaciteit.

Staatssecretaris tijdens het plenaire debat op 22 maart 2012 over sluiting van de Belastingdienstkantoren Emmen en Venlo. Handelingen II 2011/12, TK nr. 67–10, blz. 93

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 12 december 2012. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 149

40.

2011–2012

Toegezegd te overleggen met de banken over overheveling tegoeden sociaal-etisch beleggen naar groen beleggen vóór Prinsjesdag.

Staatssecretaris tijdens wetgevingsoverleg op 18 juni over o.a. het wetsvoorstel Uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013.

Kamerstukken II 2011/12, 33 245, nr. 10, blz.37

Afgerond. Er heeft overleg plaatsgevonden met de banken. Ook in de Nota naar aanleiding van het verslag bij het BP 2013 is hierop ingegaan. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 7

41.

2011–2012

Toegezegd op een nader te bepalen moment een afgewogen voorstel te doen om oneigenlijk gebruik en bepaalde constructies te bestrijden, dit naar aanleiding van vragen over het zogenaamde «Scheepjeshofarrest» inzake beleggingsfondsen, onroerendezaaklichamen en overdrachtsbelasting.

Staatssecretaris tijdens wetgevingsoverleg op 18 juni over o.a. het wetsvoorstel Uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013.

Kamerstukken II 2011/12, 33 245, nr. 10, blz.41

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

42.

2011–2012

Toegezegd om eventuele problemen mbt Bosal mee te nemen bij het BP 2013

Staatssecretaris tijdens wetgevingsoverleg op 18 juni over o.a.het wetsvoorstel Uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013.

Kamerstukken II 2011/12, 33 245, nr. 10, blz.42

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

43.

2011–2012

Toegezegd zich in te zetten om de btw-systematiek voor de tabaksbranche te wijzigen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling op 20 juni 2012 over het wetsvoorstel Uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013. Kamerstukken II 2011/12, TK nr. 98, blz. 3–22

Afgerond. Is meegenomen in de Nota van Wijziging bij het Belastingplan 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 8

44.

2011–2012

Toegezegd vóór 1 oktober 2012 een actieplan naar de Kamer te sturen voor intensivering toezicht en invordering Belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 27 juni 2012.

Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 143, blz. 21

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 12 december 2012. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 149

45.

2011–2012

Toegezegd in de begroting 2013 recente uitkomsten van de onderzoeken naar de nalevingstekorten bij particulieren en MKB, op te nemen.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 27 juni 2012. Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 143, blz. 21

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

46.

2011–2012

Toegezegd op korte termijn een brief naar de Kamer te sturen met maatregelen om wat meer checks and balances in te bouwen voor wat betreft ZZP-ers omdat daar ook een deel van de tax gap zit.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 27 juni 2012. Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 143, blz. 21

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën, mede namens de ministers van EL&I en SZW van 17 september 2012. Kamerstukken II 2011/12, 31 311, nr. 91

47.

2011–2012

Toegezegd de praktijk van verzending van dwangbevelen per post te evalueren.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 27 juni 2012. Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 143, blz. 28

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

48.

2011–2012

Toegezegd bij het Belastingplan 2013 te bekijken of het mogelijk is rente bij terugvorderingen toeslagen in rekening te brengen.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 27 juni 2012. Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 143, blz. 29

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

49.

2011–2012

Toegezegd te onderzoeken of de bevestigingsbrief bij wijziging van rekeningnummers nog nodig is.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 27 juni 2012. Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 143, blz. 29

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

50.

2011–2012

Toegezegd contact op te nemen met de Minister van VWS over het op orde krijgen van de verzekerdenadministratie zorgverzekering.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 27 juni 2012. Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 143, blz. 30

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

51.

2011–2012

Toegezegd in de eerstvolgende halfjaarrapportage een toelichting te geven op de vermindering van het aantal deurwaarders bij de Belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 27 juni 2012. Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 143, blz. 33

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

52.

2011–2012

Toegezegd om in de eerstvolgende halfjaarrapportage iets op te nemen over de Belastingdienst van Caraïbisch Nederland.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 27 juni 2012. Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 143, blz. 34

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

53.

2011–2012

Toegezegd om vóór het einde van het zomerreces 2012 een brief te sturen met cijfermatige informatie mbt bankbalansen over de jaren 2006 t/m 2009.

Staatssecretaris in de nota naar aanleiding van het verslag van 29 juni 2012. Kamerstukken I 2011/12, 33 121, F, blz. 9

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 18 september 2012. Kamerstukken I 2012/13, 33 121, K

54.

2011–2012

Toegezegd de Kamer te informeren over het betrekken van de werkvloer (belastingdeurwaarders, ontvangers en controleurs) bij de opstelling van het actieplan voor intensivering toezicht en invordering Belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens het debat op 5 juli 2012 naar aanleiding van het AO Belastingdienst op 27 juni 2012. Handelingen II 2011/12, TK nr. 105, blz. 50–121

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 12 december 2012. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 149

55.

2011–2012

Toegezegd het onderzoek van SEO naar het belang van de non-bank financiële sector aan de Kamer toe te zenden.

Staatssecretaris tijdens het debat op 5 juli 2012 naar aanleiding van het AO Belastingdienst op 27 juni 2012. Handelingen II 2011/12, TK nr. 105, blz. 50–122

Afgerond. De Kamer heeft het SEO-rapport rechtstreeks ontvangen.

56.

2012–2013

Toegezegd de Kamer zo snel mogelijk te informeren over hoe met de FTT wordt verdergegaan.

Minister tijdens het AO Ecofin op 7 november 2012. Kamerstukken II 2012/13, 21 501–07, nr. 959

Afgerond voor DGFZ, is geen fiscale toezegging. De minister zal antwoorden.

57.

2012–2013

Toegezegd zo snel mogelijk in een aparte brief de Kamer te informeren over de inhoud en het proces met betrekking tot de FTT.

Minister tijdens het AO Ecofin op 7 november 2012. Kamerstukken nog niet beschikbaar

Afgerond voor DGFZ, is geen fiscale toezegging. De minister zal antwoorden.

58.

2012–2013

Toegezegd de Kamer te informeren over de uitkomsten van de studie loonbegrip, uitdieping noodzakelijkheidscriterium enz.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 55

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 maart 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 54

59.

2012–2013

Toegezegd om met betrekking tot de openbaarheid belastingrechtspraak te rapporteren over de planning van behandeling.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 56

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

60.

2012–2013

Toegezegd de Kamer te informeren over beklemming fiscale regelingen, onder meer waar het gaat om de lijfrente.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 59

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

61.

2012–2013

Toegezegd op de site van de Belastingdienst een handleiding voor steunstichting SBBI te plaatsen.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 69

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

62.

2012–2013

Toegezegd op de site van de Belastingdienst, in de ANBI-lijst unieke nummers toe te kennen aan alle ANBI's zodat t.z.t. een verwijzing kan worden opgenomen naar de website met informatie van de ANBI.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 69

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

63.

2012–2013

Toegezegd nadere informatie te sturen over de problemen bij het invorderen van conserverende aanslagen van aanmerkelijkbelang-houders (AB-houders) en andere constructies omtrent emigrerende aanmerkelijkbelanghouders.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 75

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

64.

2012–2013

Toegezegd vóór het zomerreces 2013 de Kamer te berichten over welke constructies in kaart zijn en over de constructiebestrijding in het algemeen, ook buiten bodem(voor)recht.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 75

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

65.

2012–2013

Toegezegd in 2013 in te gaan op schriftelijk gestelde vragen over vergroening in het kader van maatregelen rond vergroening en ontgroening (kleinschalige energieopwekking, verlaagd tarief voor coöperaties, verhoging tarief voor huishoudens).

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 77

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

66.

2012–2013

Toegezegd met het ministerie van I&M, in het licht van de afschaffing van de regeling voor oldtimers in 2013, te bezien hoe de hobbyisten kunnen worden ontzien.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 77

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 15 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 55

67.

2012–2013

Toegezegd om eind eerste kwartaal 2013 over ontwikkelingen bij elektrische groengas auto's te rapporteren met maandelijkse cijfers, als aanvulling op de toezegging om dit bij het BP 2014 te doen.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 77

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën in september 2013 mbt buitenlandse kentekens en de MRB.

68.

2012–2013

Toegezegd om de ANWB en B50 op korte termijn uit te nodigen voor een gesprek en de kamer ruim vóór het zomerreces hierover de informeren.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 78

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën in september 2013 mbt buitenlandse kentekens en de MRB.

69.

2012–2013

Toegezegd een brief te sturen over de aangehouden motie Dijkgraaf over starters die 40-jarige (annuïtaire) hypotheken moeten kunnen krijgen en de gevolgen voor renteaftrek (in 30 jaar).

Minister Blok tijdens de plenaire behandeling van de wetsvoorstellen Eigen woning en Verhuurderheffing op 15 november 2012. Kamerstuk nog niet beschikbaar.

Afgerond bij brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst van 19 november 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 405, nr. 25

70.

2012–2013

Toegezegd vóór 20 november 2012 een brief te sturen over de maandelijkse rentevoet in artikel 3.119c IB in verband met motie Schouten.

Minister Blok tijdens de plenaire behandeling van de wetsvoorstellen Eigen woning en Verhuurderheffing op 15 november 2012. Kamerstuk nog niet beschikbaar.

Afgerond bij brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst van 19 november 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 405, nr. 25

71.

2012–2013

Toegezegd de discussie aan te gaan met verzekeraars over al dan niet laten vervallen van tijdsklemmen (KEW/SEW/BEW)

Minister Blok tijdens de plenaire behandeling van de wetsvoorstellen Eigen woning en Verhuurderheffing op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 103

Afgerond bij brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst van 19 november 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 405, nr. 25

72.

2012–2013

Toegezegd initiatieven ivm belastingontwijking aan te pakken (rapportage OESO aan G20) en hierover in gesprek te gaan met hoogste belastingautoriteit bij de OESO.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–104

Afgerond. Tijdens het VAO Belastingverdragen op 14 februari 2013 is de TK hierover geïnformeerd. Handelingen II 2012/13. TK nr. 53, blz. 4–8

73.

2012–2013

Toegezegd naar aanleiding van mediaberichten over brievenbusmaatschappijen een brief naar de Kamer te sturen, mede ter voorbereiding op het overleg met de Kamer hierover van 23 januari 2013.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–105

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 januari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 34

74.

2012–2013

Toegezegd om contact op te nemen met Holland Financial Centre om te verzoeken het onderzoek zo spoedig mogelijk af te ronden.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–105

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 januari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 34

75.

2012–2013

Toegezegd openstaande vragen mbt onderzoek Holland Financial Centre te beantwoorden met inachtnememing van artikel 67 Awr, ook op het feit dat de US-wetgeving check-the-box aanleiding geeft tot fraude.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–106

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 januari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 34

76.

2012–2013

Toegezegd te overleggen met OCW over eventuele vaststelling overgangsregeling i.v.m. omvorming afdrachtvermindering onderwijs en de Kamer zo mogelijk vóór 1 maart 2013 te informeren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–106

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

77.

2012–2013

Toegezegd bereid te zijn met mensen te spreken over ideeën over de uitwerking van de maatregel uit het Regeerakkoord, laag EB-tarief voor coöperaties. Ook kijken naar overgangsproblematiek van de heer Klaver (indien hij deze aanlevert).

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–106

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

78.

2012–2013

Toegezegd binnenkort op de website van de Belastingdienst een mededeling op te nemen over de levensloopregeling en de gevolgen op bijvoorbeeld de toeslagen (rekenmodule). Aan VNO, NCW en MKB vragen of zij dit onder de aandacht willen brengen van hun werknemers.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–106

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2013, waarbij de 11e halfjaarsrapportage is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 154

79.

2012–2013

Toegezegd binnenkort met de minister van V&J een onderhoud te hebben over het Centraal aandeelhoudersregister en faillissementsfraude.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–106

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

80.

2012–2013

Toegezegd om vóór het zomerreces 2013 met de Kamer in debat te gaan over transparantie ANBI-status. Er zal overleg plaatsvinden met V&J over de code salarisnorm, validatiestelsel en keurmerkstelsel.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–107

Afgerond tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstuk nog niet beschikbaar.

81.

2012–2013

Toegezegd informatie aan de Kamer te verstrekken over realisatiecijfers autoverkopen plug-in-hybrides in het eerste kwartaal van 2013. Daarna gesprek daarover met de Kamer (voorjaar 2013)

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–108

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën in september 2013 mbt buitenlandse kentekens en de MRB.

82.

2012–2013

Toegezegd om als er concrete voorbeelden van de heer Dijkgraaf komen mbt rode diesel, deze door te rekenen en te bezien of het reëel is.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–108

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 15 februari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 50

83.

2012–2013

Toegezegd in het voorjaar van 2013 een brief te sturen hoe om te gaan met de oldtimers.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–108

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 15 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 55

84.

2012–2013

Toegezegd nog in de maand november de Kamer te informeren over de bestrijding van de tax-gap.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–109

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 12 december 2012. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 149

85.

2012–2013

Toegezegd de kamer nog vóór de zomer 2013 een brief te sturen met een overzicht van nut en noodzaak van de verschillende fiscale klemmen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–110

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

86.

2012–2013

Toegezegd vóór 1 april 2013 een brief te sturen over de buitenlandse kentekens.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–112

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën in september 2013 mbt buitenlandse kentekens en de MRB.

87.

2012–2013

Toegezegd in 2013 in overleg te treden met de SVn over een structurele oplossing voor de startersleningen.

Minister Blok tijdens de plenaire behandeling van de wetsvoorstellen Eigen woning en Verhuurderheffing op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 102

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

88.

2012–2013

Toegezegd om samen met BZK in overleg te treden met de lokale overheden om te zorgen dat zij zich houden aan de afspraak dat overschrijding in 2012 wordt gecompenseerd, met als ultieme sanctie een korting op het gemeentefonds.

Toezegging gedaan tijdens Algemene Financiële beschouwingen in de EK op 19 november 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 8, blz. 8-2-60

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

89.

2012–2013

Toegezegd bij de uitwerking van het koopkrachtpakket in 2014, in het Belastingplan 2014, aan te geven welk deel van de in IFM opgenomen terugsluis/compensatie btw-verhoging niet doorgaat, en voor zover er wordt teruggesluisd op welke wijze dat wordt gedaan.

Toezegging gedaan tijdens Algemene Financiële beschouwingen in de EK op 19 november 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 8, blz. 8-2-70

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

90.

2012–2013

Toegezegd om aan het CPB te verzoeken om empirisch onderzoek te doen naar gedragseffecten door verhoging van het toptarief en de Kamer hierover in te lichten.

Toezegging gedaan tijdens Algemene Financiële beschouwingen in de EK op 19 november 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 8, blz. 8-2-70

3e kwartaal ivm congres CPB over de problematiek. Vervolgens meenemen in verzamelbrief die in zomer 2013 wordt verzonden.

91.

2012–2013

Toegezegd de wijzigingen van het Witteveenkader zo helder mogelijk aan de burgers uit te leggen.

Toezegging gedaan tijdens Algemene Financiële beschouwingen in de EK op 19 november 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 8, blz. 8-2-72

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

92.

2012–2013

Bij de behandeling in de EK van het wetsvoorstel behandeling eigen woning, toelichten of de uitbreiding Hillen zichzelf kan terugverdienen.

Toezegging gedaan tijdens Algemene Financiële beschouwingen in de EK op 20 november 2012, Kamerstuk nog niet beschikbaar

Afgerond bij brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst van 25 januari 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 405, H

93.

2012–2013

Toegezegd om terug te komen op de vraag van mw. Vos óf het kabinet een alternatief biedt voor het bestrijden van de files nu het wetsvoorstel woon-werkverkeer niet doorgaat.

Toezegging gedaan tijdens Algemene Financiële beschouwingen in de EK op 19 november 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 8, blz. 8-5-76

Afgerond bij brief van de minister van Financiën van 30 november 2012. Kamerstukken I 2012/13, 33 400, J

94.

2012–2013

Toegezegd dat op het moment dat de infractieprocedure van de Commissie afloopt, de Kamer hierover zal worden geïnformeerd.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de TK van het wetsvoorstel exitheffingen op 27 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 27, blz. 17–43

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

95.

2012–2013

Toegezegd om de Kamer te informeren over hoe in andere landen de zaak is opgelost na uitspraken van het Hof van Justitie.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de TK van het wetsvoorstel exitheffingen op 27 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 27, blz. 17–44

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 30 november 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 262, nr. 10

96.

2012–2013

Toegezegd bij de Commissie na te gaan waarom zij een infractieprocedure tegen een land niet intrekt, nadat een land conform de uitspraak van het Hof de zaken heeft aangepast.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de TK van het wetsvoorstel exitheffingen op 27 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 27, blz. 17–44

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 30 november 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 262, nr. 10

97.

2012–2013

Toegezegd de Kamer op korte termijn te informeren over de mogelijkheden en kosten van uitstel van verval vrijstelling kapitaalsverzekering eigen woning (KEW).

Toegezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in de EK op 4 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 10, blz. 7–77

Afgerond bij de memorie van antwoord van 7 december 2012. Kamerstukken I 2012/13, 33 405, C, blz. 6–7

98.

2012–2013

Toegezegd in een brief in te gaan op het artikel van de Volkskrant van 1 december 2012 over belastingdruk voor bedrijven en werknemers.

Toegezegd tijdens het vragenuurtje in de TK op 4 december 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 30, blz. 2–2

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 januari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 34

99.

2012–2013

Toegezegd te kijken óf er mogelijkheden zijn om de gevolgen van het huidige onderscheid tussen commerciële en fiscale waarderingsregels bij pensioen in eigen beheer te mitigeren.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–97

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

100.

2012–2013

Toegezegd om de brief aan de TK voor het debat op 23 januari over o.a. belastingontwijking ook aan de EK te sturen.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–99

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 januari 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 402, M

101.

2012–2013

Toegezegd van het CPB uitleg te vragen waarom het CPB het arbeidsaanbod vertaalt in werkgelegenheid.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–125

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

102.

2012–2013

Toegezegd dat als een cijfermatige onderbouwing van de effecten van de werkbonus vrij simpel te geven is, dit aan de Kamer zal worden toegestuurd.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–126

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 402, N

103.

2012–2013

Toegezegd in een brief de diverse budgettaire effecten, het acute kaseffect en de uitvoeringsproblemen van het idee van de ingetrokken motie Sent (vraag om de mogelijkheid te onderzoeken om de levenslooptegoeden in 2022 om te zetten in een pensioenproduct).

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–126

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 11 juli 2013. Kamerstukken I 2012/13, 33 402, P

104.

2012–2013

Toegezegd het SEO-rapport van een kabinetsreactie te voorzien als het naar de Kamer wordt gestuurd.

Toegezegd tijdens het AO Belastingverdragen op 23 januari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 48, blz. 19

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

105.

2012–2013

Toegezegd dat als er iets beschikbaar komt van het project BEPS (Base Erosion and Profit Shifting) waar de OESO momenteel mee bezig is, dit met de Kamer te delen.

Toegezegd tijdens het AO Belastingverdragen op 23 januari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 48, blz. 16

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

106.

2012–2013

Toegezegd in de brief m.b.t. de kabinetsreactie op het SEO-rapport, ook de stand van zaken mee te nemen m.b.t. de country-by-country reporting.

Toegezegd tijdens het AO Belastingverdragen op 23 januari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 48, blz. 16

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

107.

2012–2013

Toegezegd in de kabinetsreactie op het SEO-rapport ook mee te nemen wat andere partijen, die niet in de klankbordgroep hebben gezeten, vinden van de uitkomst van het rapport.

Toegezegd tijdens het AO Belastingverdragen op 23 januari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 48, blz. 25

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

108.

2012–2013

Toegezegd onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor, en ervaringen met een systeem van betalingen voor APA/ATR óf een minimum Vpb-tarief te gaan heffen.

Toegezegd tijdens het AO Belastingverdragen op 23 januari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 48, blz. 25

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

109.

2012–2013

Toegezegd om de evaluatie van de inkomenseffecten voor werknemers eerder te doen dan de voorziene evaluatie over 1 jaar na inwerkingtreding van de wet in 2014. Gepoogd zal worden om de analyse vóór de augustusbesluitvorming af te hebben.

Toegezegd tijdens het debat over de Nibud-cijfers en koopkracht-ontwikkeling op 30 januari 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 46–3, blz. 23

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 juni 2013 waarbij de evaluatie van de Wet ULB is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 33 682, nr. 1

110.

2012–2013

Toegezegd goede voorlichting over de effecten van de Wet ULB voor gepensioneerden op de website van de Belastingdienst te plaatsen.

Toegezegd tijdens het debat over de Nibud-cijfers en koopkrachtontwikkeling op 30 januari 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 46–3, blz. 25

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2013. kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

111.

2012–2013

Toegezegd zich nogmaals te buigen over de verzilveringsproblematiek voor ouderen die bijvoorbeeld geen aangifte inkomstenbelasting doen, omdat ze denken niets terug te krijgen.

Toegezegd tijdens het debat over de Nibud-cijfers en koopkrachtontwikkeling op 30 januari 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 46–3, blz. 25

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

112.

2012–2013

Toegezegd bij de (half)jaarlijkse rapportage Belastingdienst iets op te nemen over de technische bijstand aan Griekenland.

Toegezegd tijdens het AO Ecofin op 7 februari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 21501–07, nr. 1017, blz. 25

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

113.

2012–2013

Toegezegd, mede namens de ministers van SZW en EZ, een brief te sturen waarin zal worden ingegaan op de webmodule, het alternatief van de zzp-organisaties en het begrip fiscaal ondernemer.

Staatssecretaris tijdens het AO van 27 maart 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 170, blz. 21

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 22 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 311, nr. 99

114.

2012–2013

Toegezegd om de zogenaamde «Illinois-constructie», waarbij Nederlandse winstbelasting wordt ontdoken, te bekijken en de Kamer hierover te informeren.

Staatssecretaris tijdens het AO van 27 maart 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 170, blz. 33

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

115.

2012–2013

Toegezegd de onderzoekscommissie van het Engelse parlement in kennis te stellen van het feit dat er geen verbod rust op het openbaar maken van de tax rulings door Starbucks zelf.

Staatssecretaris tijdens het AO van 27 maart 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 170, blz. 34

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 4 april 2013 aan het Engelse parlement. Briefnummer: IFZ 2013/217

116.

2012–2013

Toegezegd om te bezien of het mogelijk is in de kabinetsreactie op het SEO-rapport tevens een inhoudelijke duiding te geven van de beleidsdoelen van de regering.

Staatssecretaris tijdens het AO van 27 maart 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 170, blz. 33

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

117.

2012–2013

Toegezegd om in samenwerking met de Duitse renteversicherungen te bekijken wat de mogelijkheden zijn om pensioengegevens van voormalige SS-ers te krijgen. De Kamer zal hierover binnen 3 weken een brief ontvangen.

Staatssecretaris tijdens het AO van 27 maart 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 170, blz. 36

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 25 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 400 IX, nr. 14

118.

2012–2013

Toegezegd om de brief die aan de Volkskrant is gestuurd over gegevens mbt de wet ULB, ook aan de TK toe te zenden.

Toegezegd tijdens het vragenuurtje in de TK op 2 april 2013. Handelingen II 2012/13, nr. 69

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 15 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 131, nr. 28

119.

2012–2013

Toegezegd het internationale deel van de reactie op het SEO-rapport na ommekomst van het OESO-rapport over het BEPS-onderzoek, aan de Kamer te sturen.

Staatssecretaris tijdens het VAO van 4 april 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Handelingen II 2012/13, TK nr. 71, blz. 7–32

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

120.

2012–2013

Toegezegd om in de VAR-brief (die is toegezegd tijdens het AO van 27 maart) in te gaan op de VAR-ROW voor deeltijdondernemers/zzp-ers én op het alternatief sector Bewijs van ondernemerschap.

Staatssecretaris tijdens het VAO van 4 april 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Handelingen II 2012/13, TK nr. 71, blz. 7–33

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 22 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 311, nr. 99

121.

2012–2013

Toegezegd om uiterlijk 27 mei 2013 de Kamer te laten weten wanneer de evaluatie van de Wet ULB naar de Kamer zal worden gezonden.

Staatssecretaris tijdens het VAO van 4 april 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Handelingen II 2012/13, TK nr. 71, blz. 7–34

Afgerond. Is aan de orde geweest in het Notaoverleg over de Wet ULB op 27 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 131, nr. 34

122.

2012–2013

Toegezegd om de eigen brieven van Financiën m.b.t. de verdragsonderhandelingen met Mongolië openbaar te maken.

Staatssecretaris tijdens het VAO van 4 april 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Handelingen II 2012/13, TK nr. 71, blz. 7–34

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 15 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 50

123.

2012–2013

Toegezegd om de lijst met duizenden namen van bedrijven en particulieren die rekeningen hebben in belastingparadijzen, te laten controleren op het voorkomen van Nederlandse namen.

Staatssecretaris tijdens het VAO van 4 april 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Handelingen II 2012/13, TK nr. 71, blz. 7–34

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 25 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 51

124.

2012–2013

Toegezegd om met betrekking tot zogenaamde «windhappers», in reactie op het Abvakabo-rapport, uit te zoeken hoeveel windhappers er zijn en waarom geen aangifte wordt gedaan.

Staatssecretaris tijdens het VAO van 4 april 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Handelingen II 2012/13, TK nr. 71, blz. 7–34

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 10 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 171

125.

2012–2013

Toegezegd om op een gepast moment, maar uiterlijk op Prinsjesdag 2013, de Kamer te informeren over de uitkomst van het overleg met de Waarderingskamer.

Staatssecretaris tijdens het AO van 27 maart 2013 en het VAO van 4 april 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 170, blz. 31 en Handelingen II 2012/13, TK nr. 71, blz. 7–35

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 16 juli 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 462, nr. 7

126.

2012–2013

Toegezegd om samen met collega's in andere landen te proberen om via het International Consortium of Investigative Journalists, de informatie mbt belastingontduikers boven tafel te krijgen.

Staatssecretaris tijdens het vragenuurtje in de TK op 9 april 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 72, blz. 75–9

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 25 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 51

127.

2012–2013

Toegezegd om in overleg te treden met de Eurocommissaris, Semeta, met verzoek of hij deze zaak wil bundelen.

Staatssecretaris tijdens het vragenuurtje in de TK op 9 april 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 72, blz. 75–9

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 25 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 51

128.

2012–2013

Toegezegd vóór 24 april de Kamer te informeren over de uitkomst van de ultieme poging om er mbt oldtimers met de branche tot overeenstemming te komen, zo nodig door verschillende opties te combineren.

Staatssecretaris tijdens het AO over belastingplicht overheidsbedrijven op 17 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 12, blz. 22

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 24 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 59

129.

2012–2013

Toegezegd in mei 2013 een brief naar de Kamer te sturen met de vorderingen op het gebied van de ANBI's.

Staatssecretaris tijdens het AO over belastingplicht overheidsbedrijven op 17 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 12, blz. 16

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 28 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 740, nr. 15

130.

2012–2013

Toegezegd in de volgende halfjaarsrapportage van de Belastingdienst, nader in te gaan op het toezicht op ANBI's.

Staatssecretaris tijdens het AO over belastingplicht overheidsbedrijven op 17 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 12, blz. 22

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

131.

2012–2013

Toegezegd in de volgende halfjaarsrapportage van de Belastingdienst, nader in te gaan op TIEA's en het streven daarbij om te komen tot automatische informatie-uitwisseling en een overzicht geven van de TIEA's met daarbij of wel/niet is voorzien in automatische informatie-uitwisseling.

Staatssecretaris tijdens het AO over belastingplicht overheidsbedrijven op 17 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 12, blz. 19

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

132.

2012–2013

Toegezegd vóór 13 mei 2013 (einde meireces) een brief te sturen over de vraag hoe het systeem van toeslagen meer waterdicht gemaakt kan worden dan nu.

Staatssecretaris tijdens het vragenuurtje over het bericht dan Bulgaren de Nederlandse fiscus oplichten op 23 april 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 78, blz. 5–8

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 10 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 17 050, nr. 435

133.

2012–2013

Toegezegd om in de halfjaarsrapportages Belastingdienst voortaan iets op te nemen over de aanpak van fraudebestrijding en de voortgang hierin.

Staatssecretaris tijdens het debat feitenrelaas fraude met toeslagen op 14 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 81, blz. 68

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

134.

2012–2013

Toegezegd om de Kamer te informeren over het verloop van de reorganisatie bij de Belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens het debat feitenrelaas fraude met toeslagen op 14 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 81, blz. 78

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

135.

2012–2013

Toegezegd om terug te komen op de vraag hoe keuzes door de opsporingsinstantie worden gemaakt om zaken wel of niet uit te sluiten van vervolging.

Staatssecretaris tijdens het debat feitenrelaas fraude met toeslagen op 14 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 81, blz. 76

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

136.

2012–2013

Toegezegd om in overleg met de Centrale Ondernemingsraad te bezien welke punten richting het personeel van de Belastingdienst aandacht behoeven en de Kamer hierover te informeren.

Staatssecretaris tijdens het debat feitenrelaas fraude met toeslagen op 14 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 81, blz. 78

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

137.

2012–2013

Toegezegd om het rapport van de Auditdienst Rijk (dat op 14 mei is aangeboden aan de Kamer) nog eens zorgvuldig te bestuderen, met name voor wat betreft de passages over de Belastingdienst, en als er aanleiding voor is de Kamer hierover te informeren.

Staatssecretaris tijdens het debat feitenrelaas fraude met toeslagen op 14 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 81, blz. 79

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

138.

2012–2013

Toegezegd in de evaluatie van de effecten van de Wet uniformering loonbegrip, ook de effecten van de wet voor Wajongers te laten zien op de zorgtoeslag en de koopkracht.

Staatssecretaris tijdens het notaoverleg over de Wet uniformering loonbegrip op 27 mei 2013. Kamerstuk nog niet beschikbaar.

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 juni 2013 waarbij de evaluatie van de Wet ULB is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 33 682, nr. 1

139.

2012–2013

Toegezegd om de al geplande evaluatie van de Wet uniformering loonbegrip eerder naar de Kamer te sturen, namelijk uiterlijk op 21 juni 2013.

Staatssecretaris tijdens het notaoverleg over de Wet uniformering loonbegrip op 27 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 131, nr. 34, blz. 24

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 juni 2013 waarbij de evaluatie van de Wet ULB is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 33 682, nr. 1

140.

2012–2013

Toegezegd terug te komen, na overleg met minister Ascher, of er overgangsrecht kan komen voor de groep die WAO/WIA-uitkering hebben en door deze wet eenmalig te maken hebben met een onbillikheid.

Staatssecretaris tijdens het notaoverleg over de Wet uniformering loonbegrip op 27 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 131, nr. 34, blz. 26

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 juni 2013 waarbij de evaluatie van de Wet ULB is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 33 682, nr. 1

141.

2012–2013

Toegezegd om in de evaluatie ook in te gaan wie er per bedrijfssector profijt hebben gehad en zullen hebben van de wet ULB.

Staatssecretaris tijdens het notaoverleg over de Wet uniformering loonbegrip op 27 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 131, nr. 34, blz. 28

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 juni 2013 waarbij de evaluatie van de Wet ULB is aangeboden. Kamerstukken II 2012/13, 33 682, nr. 1

142.

2012–2013

Toegezegd om bij de Belastingdienst aandacht te vragen voor de servicebrief die gepensioneerden van de Belastingdienst krijgen en die ze mogelijkerwijs op het verkeerde been zet als zij nog iets terug kunnen krijgen, bijvoorbeeld heffingskortingen die kunnen worden verzilverd.

Staatssecretaris tijdens het notaoverleg over de Wet uniformering loonbegrip op 27 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, 32 131, nr. 34, blz. 36

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

143.

2012–2013

Toegezegd om als er op enig moment iets te melden valt mbt de bestanden met offshore leaks, dat in een halfjaarsrapportage van de Belastingdienst zal worden gedaan.

Staatssecretaris tijdens het 30-leden debat over het bericht dat ING en ABN AMRO genoemd worden in de «offshore leaks» op 18 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, TK nr. 96–24, blz. 51

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

144.

2012–2013

Toegezegd om de kabinetsreactie op het onderzoek naar aanleiding van de verdragen met ontwikkelingslanden, mee te nemen in de kabinetsreactie op het SEO-rapport

Staatssecretaris tijdens het 30-leden debat over het bericht dat ING en ABN AMRO genoemd worden in de «offshore leaks» op 18 juni 2013. Kamerstukken Ii 2012/13, TK nr. 96–24, blz. 54

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

145.

2012–2013

Toegezegd om de Kamer te informeren over de aantallen meldingen door banken in het kader van het witwassen en fraude.

Staatssecretaris tijdens het 30-leden debat over het bericht dat ING en ABN AMRO genoemd worden in de «offshore leaks» op 18 juni 2013. Kamerstukken Ii 2012/13, TK nr. 96–24, blz. 54

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

146.

2012–2013

Toegezegd om in de kabinetsreactie op het SEO-rapport ook in te gaan op het country-by-country reporting (motie Klaver, 25 087, nr. 58)

Staatssecretaris tijdens het 30-leden debat over het bericht dat ING en ABN AMRO genoemd worden in de «offshore leaks» op 18 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, TK nr. 96–24, blz. 59

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van 30 augustus 2013 waarbij onder andere de kabinetsreactie op het SEO-rapport wordt aangeboden aan de Kamer.

147.

2012–2013

Toegezegd om met de sociale partners om de tafel te gaan om de wensen van de Kamer te bespreken mbt het premiebeleid.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 25 juni 2013 over het wetsvoorstel verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevind inkomen. Kamerstukken II 2012/13, 33 610, nr.23, blz. 66

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van SZW van 26 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 610, nr. 22

148.

2012–2013

Toegezegd bij het Belastingplan 2014 een toelichting te geven op de integriteitsbepaling bij ANBI's.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 21

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

149.

2012–2013

Toegezegd om zowel bij de testfase als na afloop van de testfase van de VAR web-module, diverse organisaties te betrekken.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 19

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

150.

2012–2013

Toegezegd om te te gaan of de toezegging die de stas heeft gedaan nadat het amendement van Bashir, ingediend bij behandeling van de Geefwet, is nagekomen en zo niet dan hierop terugkomen bij het Belastingplan 2014.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 21

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

151.

2012–2013

Toegezegd om mbt Commissie de Jong en ANBI's bij het Belastingplan 2014 hierop een reactie te geven en anders aan te geven wanneer dat wel haalbaar is.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 22

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

152.

2012–2013

Toegezegd om specifiek te kijken naar het ANBI-nummer (op verzoek van het lid Omtzigt) en hierop terug te komen.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 23

Afgerond bij brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013 waarbij diverse toezeggingen worden afgedaan.

153.

2012–2013

Toegezegd om de vraag van de heer Omtzigt hoeveel sancties er zijn toegepast m.b.t. de Bulgaarse toeslagenfraude, mee te nemen in de volgende halfjaarsrapportage Belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens het 30-leden debat over het bericht dat ING en ABN AMRO genoemd worden in de «offshore leaks» op 18 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, TK nr. 96–24, blz. 51

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

154.

2012–2013

Toegezegd om in de eerstvolgende halfjaarsrapportage te rapporteren hoe de controle op gedeponeerde jaarverslagen plaatsvindt.

Staatssecretaris tijdens het 30-leden debat over het bericht dat ING en ABN AMRO genoemd worden in de «offshore leaks» op 18 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, TK nr. 96–24, blz. 51

Afgedaan bij brief van de staatssecretaris van 17 september 2013 waarbij de halfjaarsrapportage Belastingdienst aan de Kamer is aangeboden.

Door bewindslieden gedane toezeggingen

Onderdeel B.2 Toezeggingen waarvan de uitvoering nog niet is afgerond

 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken/Planning

1.

2006–2007

Toegezegd om de Kamer te informeren over een eventuele stelselwijziging, mede in het kader van de toegezegde wijziging van de Wet op de kansspelbelasting naar aanleiding van de Kamervragen over de Zeeuwse milieuprijs.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet op 20 juni 2007. Handelingen II 2006/07, TK nr. 83, blz. 4549

Deze toezegging zal worden meegenomen in een nieuw wetsvoorstel dat wordt voorbereid door het Ministerie van Veiligheid en Justitie inzake de legalisering van online kansspelen.

2.

2006–2007

Toegezegd om belastingheffing op basis van het buitenkansbeginsel te betrekken bij de eventuele stelselwijziging.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet op 20 juni 2007. Handelingen II 2006/07, TK nr. 83, blz. 4550

Deze toezegging zal worden meegenomen in een nieuw wetsvoorstel dat wordt voorbereid door het Ministerie van Veiligheid en Justitie inzake de legalisering van online kansspelen.

3.

2008–2009

Toegezegd om als er problemen zijn die niet in de normale uitvoeringspraktijk opgelost kunnen worden, en die dus echt tot knelpunten leiden, de Kamer hierover in te lichten.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel excessieve beloningsbestanddelen (31 459) op 3 september 2008. Handelingen II 2007/08, TK nr. 107, blz. 7875

Wordt meegenomen in de evaluatie die niet eerder dan in 2014 wordt gehouden, zoals meegedeeld in de brief van de staatssecretaris van 20 maart 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

4.

2008–2009

Toegezegd bereid te zijn de wet aan te passen indien de Belastingdienst aanloopt tegen situaties waarin grensverkennend een bepaalde maatregel wordt ontweken wat tot ongewenst gedrag leidt.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel excessieve beloningsbestanddelen (31 459) op 3 september 2008. Handelingen II 2007/08, TK nr. 107, blz. 7878

Wordt meegenomen in de evaluatie die niet eerder dan in 2014 wordt gehouden, zoals meegedeeld in de brief van de staatssecretaris van 20 maart 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

5.

2009–2010

Toegezegd om uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van de verdragen met Qatar en Bahrein, de werking van de anti-misbruikbepalingen in de verdragen te evalueren.

Staatssecretaris tijdens de behandeling in de TK van twee wetsvoorstellen mbt verdragen met Bahrein en Qatar ter voorkoming van dubbele belasting op 15 oktober 2009. . Handelingen II 2009/10, TK nr. 15, blz. 1115

Evaluatie voorzien voor eind 2013

6.

2009–2010

Toegezegd om de regeling voor ANBI’s en SBBI’s na een aantal jaren te evalueren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Wijziging van de Successiewet in de EK op 15 december 2009. Handelingen I 2009/10, EK nr. 13, blz. 456, 456

Planning afronding 2014–2015 bij de reguliere evaluatie van de giftenaftrek geeffaciliteiten.

7.

2010–2011

Toegezegd om over drie jaar een terugkoppeling vanuit een kwalitatieve invalshoek te geven van de ervaringen die dan zijn opgedaan met de «corporate tie breaker».

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk op 3 november 2010. Handelingen II 2010/11, TK nr. 17, blz. 49

Planning afronding in 2014–2015

8.

2010–2011

Toegezegd in de loop van 2011 een wetsvoorstel in te dienen dat het mogelijk maakt dat belastingrechtspraak openbaar is.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 13 januari 2011. Kamerstukken II 2010/11, 31 066, nr. 100, blz. 28

In voorbereiding

9.

2010–2011

Toegezegd bereid te zijn om als blijkt dat er lacunes in de Notitie Verdragsbeleid zitten, deze aan te vullen, aan te passen.

Staatssecretaris tijdens het mondeling overleg op 5 april 2011 in de Eerste Kamer over de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid. Kamerstukken I 2010/11, 25 087, A, blz. 6

Pas aan de orde als er lacunes in de Notitie Verdragsbeleid blijken te zitten.

10.

2010–2011

Toegezegd om wanneer de komende vier jaar blijkt dat de onderhavige wet en de middelen die de ontvanger ter beschikking staan onvoldoende verhinderen dat kwaadwillende belastingplichtigen door vertragingstechnieken middelen aan het zicht van de fiscus onttrekken of zelfs vertrekken, de regering onmiddellijk zal ingrijpen en de Kamers hierover zal informeren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de EK van het wetsvoorstel Dezentjé Hamming-Bluemink en Crone houdende wijziging van de Awr ten behoeve van de rechtsbescherming van belastingplichtigen bij controlehandelingen van de fiscus op 12 april 2011. Handelingen I 2010/11, nr. 24, blz. 3

Terugkoppeling aan de beide Kamers is pas aan de orde als zich situaties voordoen zoals in de toezegging omschreven.

11.

2010–2011

Toegezegd om bij eventuele overheveling van de regeling gehandicapten MRB naar de WMO (in het kader van heroverweging vrijstellingen / bijzondere regelingen autobelastingen) in overleg met VWS ook de inkomenseffecten in kaart te brengen en de Kamer hiervan op de hoogte te brengen.

Staatssecretaris tijdens het AO Autobrief en Fiscale Agenda op 30 juni 2011. Kamerstukken II 2010/11, 32 800, nr. 21, blz. 26

In voorbereiding. Implicaties van overheveling worden momenteel in kaart gebracht. Resultaten worden meegenomen met het onderzoek naar bijzondere regelingen in de autobelastingen.

12.

2011–2012

Toegezegd om bij het onderzoek naar de winstbox, waarover in 2012 wordt gerapporteerd, ook informatie te verstrekken over verschillen tussen het bruto-nettotraject van ondernemers en werknemers.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan op 16 november 2011. Handelingen II 2011/12, TK nr. 24, blz. 9–105

In voorbereiding

13.

2011–2012

Toegezegd te kijken naar de indirecte CO²-uitstoot en het directe en indirecte energieverbruik bij de productie van auto’s, in het bijzonder van elektrische auto’s bij de aangekondigde evaluatie.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan in de EK op 13 december 2011. Handelingen I 2011/12, EK nr. 12, blz. 8–45

Voorzien voor 2014 bij de evaluatie van de wet uitwerking autobrief.

14.

2011–2012

Toegezegd bij de verkenning van de winstbox ook de vraag van het lid Groot mee te nemen over integrale vergelijking belasting ondernemers-werknemers.

Staatssecretaris tijdens het AO Fiscale agenda op 15 februari 2012. Kamerstukken II 2011/12, 32 740, nr. 12, blz.39

In voorbereiding

15.

2011–2012

Toegezegd na 3 jaar de bankenbelasting op zeker moment te evalueren en te bezien of de bankenbelasting de goede prikkels geeft en zorgt voor de bijdrage die van de banken wordt gevraagd.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het wetsvoorstel bankenbelasting op 18 april 2012. Handelingen II 2011/12, TK nr. 78–6, blz.67

Na oktober 2015

16.

2011–2012

Toegezegd dat als er aanleiding voor is om te constateren dat er ontwijkgedrag bij de banken optreedt, de Kamer hierover zal worden ingelicht.

Toegezegd dat als er aanleiding voor is om te constateren dat er ontwijkgedrag bij de banken optreedt, de Kamer hierover zal worden ingelicht.

Niet eerder dan nadat de Wet bankenbelasting is ingevoerd.

17.

2011–2012

Toegezegd dat de kredietverlening permanent zal worden gemonitord en dat er na 3 jaar een evaluatie van de werking van de bankenbelasting plaats zal vinden.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de EK op 3 juli 2012 over de Wet bankenbelasting. Handelingen I 2011/12, EK nr. 36, blz. 8–78

Voorzien voor 2015. 3 jaar invoering van de Wet bankenbelasting per 1-10-2012

18.

2011–2012

Toegezegd bereid te zijn een evaluatie te ondernemen mbt het effect van de verhoging/verlaging van de btw op podiumkunsten.

Toegezegd in de brief van 26 oktober 2012. Kamerstukken I 2012/13, 33 400 IX, C

Voorjaar 2014

19.

2012–2013

Toegezegd de gedragscode SBF over salarissen van bestuurders van ANBI's aan de Kamer toe te zenden zodra deze beschikbaar is.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 69

Zo spoedig mogelijk na beschikbaar komen gedragscode.

20.

2012–2013

Toegezegd eind 2014 een nieuwe autobrief naar de Kamer te sturen.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 81

Eind 2014

21.

2012–2013

Toegezegd in het voorjaar van 2013 de Kamer te informeren over het BBB en het boetebeleid zoals dat geldt bij toeslagen.

Staatssecretaris in de nota nav het verslag op het wetsvoorstel OFM 2013 van 13 november 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 403, nr. 8

Voorjaar 2013

22.

2012–2013

Toegezegd vóór de zomer van 2013 een brief met een uitwerking van de winstbox naar de Kamer te sturen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Kamerstuk nog niet beschikbaar.

In voorbereiding

23.

2012–2013

Toegezegd om de maatregel bodem(voor)recht te evalueren bij het Belastingplan 2014.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–104

Bij het Belastingplan 2014

24.

2012–2013

Toegezegd om de diverse maatregelen waarmee de bancaire sector wordt geconfronteerd, te monitoren voor de kredietverlening.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–104

Voorzien voor 2015. 3 jaar invoering van de Wet bankenbelasting per 1-10-2012

25.

2012–2013

Toegezegd om als er signalen komen uit de Belastingdienst dat op grote schaal een beroep wordt gedaan op de uitstelregeling, de Kamer daarover wordt geïnformeerd.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de TK van het wetsvoorstel exitheffingen op 27 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 27, blz. 17–44

Afronding afhankelijk van signalen uit de Belastingdienst.

26.

2012–2013

Toegezegd dat als de infractieprocedure tot een bepaalde uitkomst leidt en er zicht is op wat andere landen doen en als blijkt dat er naar aanleiding van die uitkomst mogelijkheden zijn om de termijn van invorderen in te perken, dan zal de Kamer hierover worden ingelicht.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de TK van het wetsvoorstel exitheffingen op 27 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 27, blz. 17–48

Deze toezegging heeft de staatssecretaris ook gedaan in de EK tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel op 23 april 2013. Handelingen I 2012/13, EK nr. 25, blz. 25-6-10

In voorbereiding

27.

2012–2013

Toegezegd de brief met betrekking tot de winstbox ook aan de EK toe te sturen.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–96

In voorbereiding

28.

2012–2013

Toegezegd op enig moment een quickscan te laten maken van de eerste bevindingen met betrekking tot de meldingsplicht ter zake van bodemzaken.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–100

In voorbereiding

29.

2012–2013

Toegezegd zodra minister Blok zijn plannen en ideeën voor Woco's heeft doorgevoerd en steun via onder meer WsW heeft afgebouwd, opnieuw de discussie aan te gaan over de Vpb-plicht voor Woco's in het kader van Staatssteun.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–124

Afhankelijk van plannen van minister Blok.

30.

2012–2013

Toegezegd op enig moment te rapporteren over de vorderingen m.b.t. de onderhandelingen over een belastingverdrag met Cyprus.

Toegezegd tijdens het AO Ecofin op 7 februari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 21 501-07, nr. 1017, blz. 25

Zal worden meegenomen in de verzamelbrief toezeggingen die op Prinsjesdag wordt verzonden.

31.

2012–2013

Toegezegd om bij betrokken partijen na te gaan of er in de praktijk m.b.t. steunstichtingen knelpunten zijn en de Kamer hierover informeren.

Staatssecretaris tijdens het AO van 27 maart 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 170, blz. 39

In voorbereiding

32.

2012–2013

Toegezegd de Kamer te informeren over de resultaten van de verschillende pilots invordering, waaronder die van de uitbesteding, vóórdat de desbetreffende aanpak structureel wordt uitgerold.

Staatssecretaris tijdens het AO van 27 maart 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 170, blz. 27

In voorbereiding

33.

2012–2013

Toegezegd om in de reactie op het SEO-rapport ook aan te geven welk einddoel voor ogen staat bij een Europese (internationale) aanpak van belastingontwijking en welke stappen het kabinet hiertoe gaat nemen.

Staatssecretaris tijdens het VAO van 4 april 2013 over diverse fiscale onderwerpen. Handelingen II 2012/13, TK nr. 71, blz. 7–32

De Kamer wordt vóór het einde van het zomerreces geïnformeerd. De Kamer is bij brief van de staatssecretaris van 3 Juli 2013 hierover geïnformeerd. Kamerstukken II 2012/13, 25 087, nr. 59

34.

2012–2013

Toegezegd een brief te sturen met nadere argumentatie waarom de staatssecretaris geen voorstander is van invoering van een vermogensaftrek.

Staatssecretaris tijdens het AO over belastingplicht overheidsbedrijven op 17 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 12, blz. 17

2014, 1e kwartaal

35.

2012–2013

Toegezegd het wetsvoorstel openbaarheid belastingrechtspraak in het voorjaar van 2014 in te dienen.

Staatssecretaris tijdens het AO over belastingplicht overheidsbedrijven op 17 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 12, blz. 17

2014, 1e kwartaal

36.

2012–2013

Toegezegd om mbt tax gap een brief te sturen nadat door het CPB de omvang van de problematiek in kaart is gebracht.

Staatssecretaris tijdens het AO over belastingplicht overheidsbedrijven op 17 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 12, blz. 20

Afhankelijk van rapport CPB

37.

2012–2013

Toegezegd om als de strafzaak tegen de Bulgaren is afgerond en er informatie beschikbaar is die gedeeld kan worden met de Kamer, de Kamer zal worden geïnformeerd.

Staatssecretaris tijdens het debat feitenrelaas fraude met toeslagen op 14 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 81, blz. 71

Afronding afhankelijk van strafzaak

38.

2012–2013

Toegezegd om in enige halfjaarsrapportage Belastingdienst iets op te nemen over het terugvorderen van ten onrechte uitgekeerde toeslagen.

Staatssecretaris tijdens het debat feitenrelaas fraude met toeslagen op 14 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 81, blz. 73

Bij de volgende halfjaarsrapportage vóór het einde van het zomerreces.

39.

2012–2013

Toegezegd om een overzicht aan de Kamer te verstrekken van de verschillende besprekingen met en voorstellen van EU-landen in het kader van de harmonisering van het vennootschapsbelastingtarief en de CCCTB én de visie van het kabinet daarop. Indien dit aan de orde is vóór de volgende Europese top.

Staatssecretaris het debat over de Europese top op 22 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 88–8

Vóór de volgende Europese top (indien dit aan de orde is).

40.

2012–2013

Toegezegd de ontwikkelingen van het aantal kwalitatief goede zaken die worden aangedragen scherp in de gaten te houden, zodat, wanneer nodig, er een businesscase kan worden opgesteld om de capaciteit bij de FIOD uit te breiden.

Staatssecretaris tijdens het debat over de zorgfraude op 23 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, TK nr. 86–8, blz. 51

Indien aan de orde

41.

2012–2013

Toegezegd om indien de waterschappen een probleem hebben met de belastingplicht voor overheidsbedrijven, met de waterschappen in contact te treden.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 12

Zal worden meegenomen bij het wetsvoorstel Vpb-plicht voor overheidsbedrijven dat voor het 3e kwartaal in 2014 is voorzien.

42.

2012–2013

Toegezegd zodra de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in de zaak zzp-zorg en btw, de Kamer hierover te informeren.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 14

Afhankelijk van uitspraak Hoge Raad

43.

2012–2013

Toegezegd om de uitkomsten van het onderzoek naar grenseffecten accijns, uiterlijk bij het Belastingplan 2014 bekend te maken.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 24

Bij het Belastingplan 2014

44.

2011–2012

Toegezegd om in 2014 bij de evaluatie van de giftenaftrek zoveel mogelijk informatie over de werking van de geefwet bij de evaluatie te betrekken. Toegezegd de regeling mbt ANBI’s te monitoren en indien er aanleiding bestaat om de definitie aan te scherpen, hierop terug te komen en de Kamer hierover de informeren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan op 16 november 2011. Handelingen II 2011/12, TK nr. 24, blz. 9–92 en blz. 9–98

Evaluatie voorzien voor 2014

45.

2011–2012

Toegezegd om ervaringen uit de praktijk met de term «operationele activiteiten"in het kader van de wijziging van de Wet op de vnootschapsbelasting 1969 te publiceren en in overweging nemen of een omstandighedencatalogus een goede methode is om helderheid te verschaffen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de EK op 9 juli 2012 van de Wet uitwerking fiscale maatregelen begrotingsakkoord. Handelingen I 2011/12, nr. 37, blz. 7

De aftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente is op 1 januari 2013 in werking getreden. Tot nu toe zijn er nog onvoldoende ervaringen opgedaan met de toepassing van deze bepaling die het uitbrengen van een kenbare publicatie hierover zouden kunnen rechtvaardigen.

Licence