Base description which applies to whole site

nr. 1JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN (V)

Aangeboden 18 mei 2005

Ontvangsten 2004 per hoofddoelstelling (EUR)

kst-30100-V-1-1.gif

Uitgaven per hoofddoelstelling (EUR)

kst-30100-V-1-2.gif

INHOUDSOPGAVE

A.ALGEMEEN6
   
1.Voorwoord6
   
2.Déchargeverlening7
   
3.Leeswijzer9
   
B.BELEIDSVERSLAG11
   
4.Beleidsprioriteiten11
 A. Realisatie van de beleidsprioriteiten 200411
 B. Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 200423
 C. Beleidsmatige conclusies ten aanzien van de beleidsprioriteiten24
   
5.Beleidsartikelen26
 Beleidsartikel 1: Internationale ordening26
 Beleidsartikel 2: Vrede, veiligheid en conflictbeheersing40
 Beleidsartikel 3: Humanitaire hulp52
 Beleidsartikel 4: Goed bestuur, mensenrechten en vredesopbouw58
 Beleidsartikel 5: Europese samenwerking63
 Beleidsartikel 6: Bilaterale ontwikkelingssamenwerking81
 Beleidsartikel 7: Fondsen en programma's van de Europese Unie96
 Beleidsartikel 8: De rol van de Verenigde Naties bij armoedebestrijding98
 Beleidsartikel 9: De rol van internationale financiële instellingen bij armoedebestrijding104
 Beleidsartikel 10: Samenwerking met maatschappelijke organisaties108
 Beleidsartikel 11: Samenwerking op het terrein van internationaal onderwijs115
 Beleidsartikel 12: Samenwerking met het bedrijfsleven118
 Beleidsartikel 13: Economische betrekkingen en handelsbevordering124
 Beleidsartikel 14: Asiel, migratie en consulaire dienstverlening129
 Beleidsartikel 15: Internationaal cultuurbeleid137
   
6.Niet-beleidsartikelen141
   
7.Bedrijfsvoeringsparagraaf148
   
C.JAARREKENING152
   
8.De verantwoordingsstaat van het ministerie van Buitenlandse Zaken152
   
9.Saldibalans153
   
10.De verantwoordingsstaat van het agentschap CBI168
   
D.Bijlagen174
   
 Bijlage 1: Aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer174
 Bijlage 2: Sancties en malversaties176
 Bijlage 3: Afkortingenlijst177
 Bijlage 4: Trefwoordenlijst181

A. ALGEMEEN

1. VOORWOORD

Terugblikken is belangrijk, al was het alleen maar om stil te staan bij gebeurtenissen, eigen handelen en de resultaten daarvan. Het product van dat terugblikken bieden wij u aan in de vorm van het departementale jaarverslag 2004 van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

In de internationale omgeving waarin wij werken is het behalen van resultaten niet de verdienste van Nederland alleen. Steeds zoeken wij naar aansluiting bij gelijkgestemden, worden coalities gevormd en partnerschappen aangegaan.

Het jaarverslag dat voor u ligt heeft een andere vorm dan voorgaande jaren. Het geeft een duidelijk overzicht van de mate waarin voorgenomen resultaten uit de begroting 2004 zijn gerealiseerd. Toelichtingen hierop hebben het karakter van een uitzonderingsrapportage. De financiële toelichting is opgenomen in de inhoudelijke verslaglegging over de beleidsartikelen. Door dit alles is het jaarverslag bovendien aanzienlijk toegankelijker en korter geworden.

Het gaat in het buitenlandbeleid veelal om meerjarige processen. Doelstellingen worden niet van vandaag op morgen gerealiseerd. Denken aan het verleden is daarom voor ons niet louter achteromkijken. Resultaten die het afgelopen jaar werden behaald, de wijze waarop dit plaats kon vinden, maar ook niet-behaalde resultaten leren ons lessen voor de toekomst. Voor 2005 en verder.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

A. M. A. van Ardenne-van der Hoeven

2. DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Buitenlandse Zaken decharge te verlenen over het in het jaar 2004 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. de financiële informatie in de jaarverslagen en jaarrekeningen;

d. de departementale saldibalansen;

e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag/de onderhavige jaarverslagen en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2004; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.

b. de slotwet van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over het jaar 2004; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.

het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2004 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2004 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2004 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2004 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001);

het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot

en

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

A. M. A. van Ardenne-van der Hoeven

mede namens

De Staatssecretaris voor Europese Zaken,

A. Nicolaï

3. LEESWIJZER

In het jaarverslag van het ministerie van Buitenlandse Zaken verantwoordt de regering het grootste deel van de uitgaven ten behoeve van het Nederlandse buitenlandbeleid. Een overzicht van alle uitgaven van het buitenlandbeleid is te vinden in het HGIS-jaarverslag. De HGIS (Homogene Groep Internationale Samenwerking) omvat naast het grootste gedeelte van de BZ-uitgaven ook de uitgaven van de overige departementen op het gebied van buitenlandbeleid. Het HGIS-jaarverslag wordt u gelijk met de departementale jaarverslagen aangeboden.

Het jaarverslag omvat drie delen en bijlagen. Het eerste, algemene deel omvat naast deze leeswijzer ook het voorwoord en het verzoek om dechargeverlening.

Het tweede deel is het beleidsverslag. In het onderdeel «beleidsprioriteiten» wordt teruggeblikt op de beleidsagenda en de begroting op hoofdlijnen.

Vervolgens wordt per begrotingsartikel teruggeblikt op de voorgenomen resultaten zoals die geformuleerd werden in de begroting 2004. Ook wordt de uitputting van middelen afgezet tegen de geraamde inzet ervan. Anders dan in voorgaande jaren bevat het beleidsverslag zowel financiële als niet-financiële gegevens. In de beleidsartikelen komen derhalve steeds drie onderdelen aan de orde. Onder kopje A wordt de algemene beleidsdoelstelling herhaald, waar nodig aangevuld met een algemene inleiding of toelichting. Vervolgens staat onder kopje B de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» en een toelichting op opmerkelijke mutaties. Onder kopje C tenslotte wordt per operationele doelstelling een tabel gepresenteerd waarin op overzichtelijke wijze de voorgenomen resultaten en de mate waarin deze werden behaald worden gepresenteerd. Waar nodig wordt onder de tabel een toelichting gegeven op het al dan niet behalen van resultaten. Daarbij is nadrukkelijker dan voorheen gepoogd het jaarverslag het karakter te geven van een uitzonderingsrapportage. Dat houdt in dat resultaten die volgens planning zijn gerealiseerd in veel gevallen niet zijn toegelicht. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt in de toelichting steeds verwezen naar de betreffende regel in de tabel. Daarnaast worden opmerkelijke resultaten vermeld die niet in de begroting 2004 waren opgenomen.

Deze financiële en niet-financiële gegevens zijn aan verschillende kwaliteitsnormen onderhevig. De financiële informatie valt, evenals de jaarrekening zelf, onder de reikwijdte van de accountantsverklaring (de deugdelijke weergave van de opgenomen financiële informatie en de rechtmatigheid daarvan). Ook wordt door de auditdienst vastgesteld dat het jaarverslag voldoet aan de verslaggevingsvoorschriften voor financiële informatie. De niet-financiële informatie valt niet onder de reikwijdte van de accountantsverklaring, maar is wel object van onderzoek door de auditdienst. Daartoe onderzoekt de auditdienst de deugdelijke totstandkoming (het proces) van de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Tot slot omvat dit tweede deel van het jaarverslag de niet-beleidsartikelen en de bedrijfsvoeringsparagraaf. Evenals vorig jaar al het geval was heeft ook de bedrijfsvoeringsparagraaf het karakter van een uitzonderingsrapportage.

Het derde deel van het jaarverslag betreft de jaarrekening. Dit deel omvat de verantwoordingsstaat van het departement en de saldibalans. Ook de verantwoordingsstaat, balans, staat van baten en lasten en het kasstroomoverzicht van de baten-lastendienst CBI worden in dit deel opgenomen.

Dit departementale jaarverslag kent tot slot een aantal bijlagen. Dit betreft de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer (bijlage 1), sancties en malversaties (bijlage 2, conform de toezegging aan het parlement uit 1998, opgenomen in de nota Beheer en Toezicht – TK 25 860, nr 1), de afkortingenlijst (bijlage 3) en de trefwoordenlijst (bijlage 4).

B. BELEIDSVERSLAG

4. BELEIDSPRIORITEITEN

A. Realisatie van de beleidsprioriteiten 2004

In 2004 heeft de regering zich ingespannen om met concrete resultaten een bijdrage te leveren aan een rechtvaardige internationale omgeving, waarin onze veiligheid, welvaart en welzijn worden gewaarborgd en waarin armoede duurzaam wordt uitgebannen. Op tal van terreinen is voortgang geboekt bij het bereiken van dit ideaal. Nederland opereert in de internationale arena op basis van het gewicht, het gezag en de invloed die het heeft. Vooral dit laatste element is versterkt door het succesvol verlopen Nederlandse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie, in de tweede helft van 2004.

2004 is echter ook het jaar van de aanslagen in Madrid, het gijzelingsdrama in Beslan, de oorlog in Darfur en het natuurgeweld in Zuid-Oost Azië. Ook elders hebben we moeten constateren dat oorlog, natuurgeweld en internationaal terrorisme hun vernietigende werk blijven doen. Dit spoort ons aan om met nog meer vastberadenheid onze doelen na te streven.

De succesvolle toetreding tot de EU van de 10 nieuwe lidstaten heeft de bevolking van deze Midden Europese landen een perspectief gegeven op een betere toekomst in een versterkte Unie, de succesvol verlopen democratische verkiezingen in Afghanistan en de vreedzame oplossing van de politieke crisis in Oekraïne zijn zeer positieve ontwikkelingen die aantonen dat buitenlands beleid en diplomatie wel degelijk een effectieve bijdrage kunnen leveren aan een betere wereld.

Geïntegreerd beleid

De regering streeft ernaar vraagstukken waar Nederland internationaal mee wordt geconfronteerd zoveel mogelijk geïntegreerd te benaderen, met inzet van de meest effectieve en efficiënte combinatie van diplomatieke, veiligheidspolitieke, militaire, economische en ontwikkelingsinstrumenten. Deze afweging voor de juiste combinatie van instrumenten wordt bij ieder vraagstuk gemaakt.

In 2004 werden de eerste, positieve, ervaringen opgedaan met een instrument bij uitstek van geïntegreerd beleid, het Stabiliteitsfonds. Vanuit het Stabiliteitsfonds zijn substantiële bijdragen geleverd aan het bevorderen van de veiligheid en stabiliteit in conflictlanden. Zo werd de missie van de Afrikaanse Unie (AUMIS) in Darfur, Soedan ondersteund. Ook zijn diverse reïntegratieprogramma's voor militairen in de Balkan gefinancierd, heeft Nederland een bijdrage geleverd aan het demobilisatieproces in Burundi en is ten aanzien van Afghanistan een breed totaalpakket aan activiteiten ondersteund, zoals het Afghanistan Stabilisation Programme (ASP), ontmijning en vernietiging van kleine wapens en een bijdrage aan het demobilisatie- en reïntegratieprogramma.

Nederland heeft voor een geïntegreerde aanpak gekozen in de voorkoming en bestrijding van terrorisme. Onder Nederlands EU-voorzitterschap werd een groot aantal maatregelen genomen op politieel en justitieel gebied en in het kader van versterking van samenwerking van inlichtingendiensten. Daarnaast werden belangrijke stappen gezet bij de bestrijding van financiering van terrorisme. In haar externe beleid heeft de Unie haar capaciteit voor dreigingsanalyses vergroot en de samenwerking met een groep prioritaire landen, waaronder Marokko, Saoedi-Arabië en Indonesië, versterkt. In NAVO-kader werd een nieuw pakket anti-terreurmaatregelen aangenomen en in VN-verband werd het Counter Terrorism Executive Directorate opgericht. Tenslotte werd nauw samengewerkt met belangrijke partners zoals de Verenigde Staten onder meer bij de bestrijding van financiering van terrorisme en op het gebied van «homeland security».

Regionale benadering

Vraagstukken van vrede en veiligheid, armoede, milieu, handel en migratie zijn ook in 2004 in hun regionale context bezien.

Nederland heeft zich actief ingezet voor het verbeteren van de vooruitzichten op vrede, veiligheid en stabiliteit in Afrika. In de Grote-Merenregio is de situatie in 2004 licht verbeterd. Nederland heeft als co-voorzitter van de Group of Friends van de Grote-Merenregio met Canada een substantiële bijdrage geleverd aan de mobilisatie, coördinatie en harmonisatie van steun aan de regio en de Conferentie over de Grote Meren in het bijzonder. In november had de eerste topbijeenkomst van deze Conferentie plaats die positief werd afgesloten met de Verklaring van Dar es Salaam. Deze voorziet in beginselen gericht op een regionale aanpak voor vrede, veiligheid en stabiliteit. Ook is tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap overeenstemming bereikt over een regionale benadering Grote Meren in EU-verband die een meer eensgezind en gezamenlijk optreden van de EU in de regio beoogt. Daarnaast heeft Nederland een constructieve rol gespeeld in de ondersteuning van het transitieproces in Burundi en de DRC, met speciale nadruk op demobilisatie, ontwapening en reintegratie van ex-strijders en hervorming van de veiligheidssector. Ook heeft Nederland zich ingespannen voor het naderbij brengen van een vreedzame oplossing voor het conflict in Noord-Uganda.

De situatie in de Hoorn van Afrika bleef in 2004 zorgwekkend. De situatie in Darfur verslechterde dramatisch en tastte de internationale geloofwaardigheid van de regering van Soedan ernstig aan. De EU oefende onder Nederlands voorzitterschap toenemende politieke druk uit op de partijen bij het Noord-Zuid conflict en in Darfur om tot een vreedzame oplossing van deze conflicten te komen en leverde belangrijke financiële, politieke, personele en logistieke bijdragen aan de totstandkoming van de AU-vredes-missies AMIS I en II. Zowel in EU-verband als bilateraal werd een intensieve dialoog gevoerd met de regering en met de rebellen, in welk kader de minister van Buitenlandse Zaken, de minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de minister van Defensie in 2004 Soedan bezochten. Een doorbraak vormde de ondertekening van het vredesakkoord tussen Noord- en Zuid-Soedan na twee decennia van burgeroorlog. Doordat het akkoord pas op 31 december 2004 tot stand kwam en door de crisis in Darfur zijn wederopbouw- en ontwikkelingsactiviteiten in Soedan in 2004 niet van de grond gekomen. De spanningen tussen Ethiopië en Eritrea liepen in 2004 verder op. Pas in de laatste maanden van het jaar trad enige ontspanning op. Nederland leverde een bijdrage aan de voortgang van het vredesproces tussen Eritrea en Ethiopië door bezoeken, mede in EU-verband, van de minster van Buitenlandse Zaken aan Ethiopië en van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan Ethiopië en Eritrea. De regionale organisatie IGAD werd door de EU en Nederland financieel gesteund ten behoeve van de vredesprocessen in Soedan en Somalië.

De landen in de Westelijke Balkan bewogen zich het afgelopen jaar met verschillende snelheden in de richting van het lidmaatschap van de EU. Naast gebrekkige implementatie van gemaakte afspraken vormde voor een aantal landen van de Westelijke Balkan ook de voorwaarde van volledige samenwerking met het ICTY een belangrijk obstakel voor verdere toenadering tot de EU. Duurzame stabiliteit en duurzame ontwikkeling in de regio zullen bijdragen aan verdere integratie in Euro-Atlantische structuren. Economische ontwikkeling is hierbij van essentieel belang. De geslaagde conferentie «Doing Business in the Western Balkans: Partners in Development» was er op gericht het Nederlandse bedrijfsleven bekend te maken met de Westelijke Balkan als interessante regio voor investeringen ten einde de economische ontwikkeling van deze regio te stimuleren. Bilateraal zette Nederland in op samenwerking op landenoverstijgend niveau. Voor de thema's bevordering van vluchtelingenterugkeer en integratie van minderheden, economische ontwikkeling en private sector ontwikkeling, milieu en «rule of law» zijn vijftien nieuwe projecten gefinancierd die bijdragen aan het komen tot oplossingen en samenwerking tussen de landen in de regio. De bilaterale OS-programma's in partnerlanden Macedonië, Bosnië-Herzegovina en Albanië worden in toenemende mate in de regionale aanpak betrokken.

In oktober 2004 vonden de eerste democratische presidentsverkiezingen in Afghanistan plaats, die rustig en succesvol zijn verlopen. Nederland heeft hieraan bijgedragen met financiële middelen en extra militaire inzet voor de beveiliging. Nederland heeft als EU-voorzitter een coördinerende rol op zich genomen voor de inspanningen van de EU rond de verkiezingen. Verder heeft een ministeriële troika-ontmoeting met de Afghanen plaatsgevonden en heeft de RAZEB conclusies aangenomen waarin de EU haar blijvende betrokkenheid bij de wederopbouw van Afghanistan benadrukt en de intentie uitspreekt een politieke dialoog met het land aan te gaan. De EU heeft daarbij aangegeven dat drugsbestrijding en democratisering de prioriteiten voor de komende tijd zullen zijn. Bilateraal heeft Nederland wederom bijgedragen aan het verlichten van de humanitaire noden en aan de wederopbouw van Afghanistan, ondermeer door een bijdrage aan het Afghanistan Reconstruction Trust Fund. De Nederlandse bijdrage aan stabilisatiemacht ISAF werd geïntensiveerd met een detachement van Apache-gevechtshelicopters in Kaboel en een Provincial Reconstruction Team in de provincie Baghlan, dat in oktober 2004 operationeel werd.

Veel internationale aandacht ging in 2004 uit naar de ontwikkelingen in Irak na de val van het regime van Saddam Hussein. Op 8 juni 2004 nam de VN-Veiligheidsraad resolutie 1546 aan. Nederland is bij de formulering van deze resolutie nauw betrokken geweest. Op 28 juni 2004 droeg de Coalition Provisional Authority (CPA) de macht over aan de Irakese interim-regering en werd de soevereiniteit van Irak hersteld. Het aantreden van de interim-regering onder leiding van premier Allawi markeerde een nieuwe fase in het transitieproces in Irak. Nederland continueerde in 2004 zijn bilaterale betrokkenheid bij Irak onder meer door financiering van humanitaire hulp, schuldenkwijtschelding en verlenging van deelname aan de multinationale troepenmacht. De Nederlandse militairen hielpen de lokale autoriteiten en de veiligheidsorganisaties bij het creëren en handhaven van de veiligheid en stabiliteit in de zuidelijke provincie al-Muthanna. Daarnaast heeft Nederland zich in 2004 met succes ingezet voor een eensgezind en positief EU-beleid ten aanzien van Irak. Daartoe richtte het voorzitterschap zich met name op de politieke dialoog en activiteiten ter ondersteuning van het wederopbouwproces. Bezoeken aan Bagdad van de minister van Buitenlandse Zaken, een EU-verkenningsmissie en een EU-fact-finding missie vonden plaats en de Iraakse politieke leiders werden voor overleg naar Brussel en Den Haag uitgenodigd. Dit heeft geresulteerd in een pakket maatregelen ter ondersteuning van het transitieproces, dat tijdens de Europese Raad van 5 november 2004 aan premier Allawi kon worden aangeboden. Het pakket omvat ondersteuning van de verkiezingen, de bereidheid tot een financiële bijdrage aan een troepenmacht ter bescherming van de VN, een politieke intentieverklaring voor het versterken van de betrekkingen van de EU met Irak, voortgezette implementatie van humanitaire en wederopbouwhulp, en ondersteuning van politie en justitie. Nederland droeg financieel bij aan de voorbereidingen van de verkiezingen. Ook voor de beschermingsmacht van de VN stelde Nederland middelen beschikbaar.

Het jaar 2004 heeft voor het grootste deel een somber beeld te zien gegeven met betrekking tot het Midden-Oosten vredesproces. Het jaar werd voornamelijk gedomineerd door geweldsescalatie, de voortgaande bouw van de Israëlische (veiligheids)barrière, tekortschietende Palestijnse hervormingen en de intern-Israëlische discussie over de unilaterale terugtrekking uit de Gazastrook en een deel van de Westelijke Jordaanoever. Na de dood van president Arafat op 11 november 2004 sloeg de stemming om en bleken de Palestijnen, Israël en de internationale gemeenschap het snel eens te worden over de prioriteiten voor de korte termijn: presidentsverkiezingen, veiligheid en versterking van de financiële positie van de Palestijnse Autoriteit. De Nederlandse ontwikkelingssamenwerking voor de Palestijnse Autoriteit werd in 2004 omgezet in een goed-bestuurprogramma.

De noodzaak van sociale en economische hervormingen en democratisering in de Arabische wereld is in 2004 nadrukkelijk op de internationale agenda gezet. Zowel in de regio zelf als daarbuiten wordt het belang van hervormingen onderschreven. De top van de Arabische Liga die in mei in Tunis plaatsvond, resulteerde in een verklaring waarin het streven van de landen in de regio naar hervorming tot uitdrukking kwam. De Europese Unie presenteerde tijdens de Europese Raad van juni 2004 het EU Strategisch Partnerschap met het Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten. De G8-landen kwamen overeen de Arabische landen te steunen in hun streven naar hervorming en modernisering op basis van het Partnerschap voor Vooruitgang en een Gezamenlijke Toekomst met de Regio van het Bredere Midden-Oosten en Noord-Afrika. Belangrijker echter dan verklaringen was de dialoog met de regio over deze uitdaging. De EU en Nederland hebben daartoe elke gelegenheid aangegrepen en met name de bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van het Barcelona-proces, die eind november onder Nederlands voorzitterschap in Den Haag plaatsvond en waar voor het eerst sinds lange tijd de Israëlische en Palestijnse ministers van Buitenlandse Zaken met elkaar aan tafel zaten, is ook in dit opzicht zeer belangrijk gebleken. Het Nederlandse EU-voorzitterschap is voorts consultaties in de Golf-regio gestart over de implementatie van het Strategisch Partnerschap.

Nederland voerde tijdens het EU-voorzitterschap een actief Azië-beleid met aandacht voor de Nederlandse en EU-prioriteiten en nadruk op het aangaan van duurzame, strategische betrekkingen met Azië. Tijdens het voorzitterschap hadden succesvolle toppen plaats met de ASEM, Zuid-Korea, India en China. De ASEM-top kon doorgang vinden, zonder dat het EU-beleid inzake Birma is afgezwakt. Tijdens de EU-Zuid-Koreatop is een impuls gegeven aan de kaderovereenkomst en is uitdrukking gegeven aan EU-steun voor het zespartijenoverleg. Met India is een strategisch partnerschap overeengekomen. De top met China gaf een belangrijke impuls aan de relatie tussen de EU en China. Acht akkoorden werden afgesloten, over onderwerpen zoals non-proliferatie, douane samenwerking en nucleaire energie.

Voort is onder Nederlands voorzitterschap versterkte aandacht gegeven aan de relatie met Indonesië, hetgeen onder meer tot uiting kwam in twee bezoeken van minister Bot, raadsconclusies en verkiezingsmissies van de EU. Verder hadden troika-bijeenkomsten plaats met India en Pakistan en ambtelijke troika's met Noord-Korea en Nepal.

Tijdens de tsunami-crisis van eind december heeft Nederland gereageerd met humanitaire en consulaire hulpverlening en de coördinatie van de EU-inspanningen ter hand genomen.

Slagvaardigheid

Waar ontwikkelingen in de internationale omgeving voorzienbaar waren, heeft de regering door middel van strategische analyses, coalitievorming en actieve bijdragen in de discussies ingespeeld op veranderingen in de internationale arena.

In het streven naar een versterking van de internationale ordening was het werken aan een slagvaardiger en effectiever multilateraal systeem ook in 2004 een Nederlandse prioriteit. In december verscheen het rapport van het door de Secretaris-Generaal van de VN ingestelde High Level Panel on Threats, Challenges and Change. Het rapport vormt een belangrijke bijdrage aan het proces van versterking van het multilaterale systeem. De door de EU en Nederland, mede als EU-voorzitter, geleverde inbreng is goed herkenbaar in het rapport. Zo erkent het Panel de noodzaak van een coherente aanpak van conflicten, armoede, degradatie van milieu, proliferatie van massavernietigingswapens, terrorisme en transnationale georganiseerde misdaad. Daarnaast toont het Panel zich voorstander van een geïntegreerde benadering van vredeshandhaving en vredesopbouw door een beter gecoördineerde aandacht voor met name post-conflictsituaties.

De verdere institutionele aanpassingen van de Europese Unie hebben geleid tot de ondertekening van het Grondwettelijk Verdrag op 29 oktober 2004 in Rome. De uitkomst van de Intergouvernementele Conferentie is een belangrijke ontwikkeling op weg naar een betere Unie. Dit Verdrag zal de Unie in staat stellen om slagvaardiger, transparanter en democratischer te kunnen opereren. Daartoe zijn institutionele verbeteringen overeengekomen. Tevens is een belangrijke stap gezet met het verankeren van fundamentele rechten in het verdrag.

Het fundament van de Europese integratie – onze gemeenschappelijke waarden – heeft in 2004 veel aandacht gekregen. Nederland heeft in 2004 als EU voorzitter het initiatief genomen tot een reeks cultuurfilosofische debatten over de idee «Europa» en de waarden die aan de Europese integratie ten grondslag liggen. In het verlengde van deze waardenconferenties stond verbetering van de communicatie tussen politici en burgers over Europa in 2004 centraal. Op 5 oktober vond in Amsterdam een informele bijeenkomst plaats waarbij de ministers voor Europese Zaken spraken over de kloof tussen Europa en de burger. De ratificatie van het Grondwettelijk Verdrag en de referenda daarover in een aantal lidstaten werden als goede aanleiding beschouwd om met de burger van gedachten te wisselen over het belang van Europese samenwerking.

Dit is des te belangrijker in het licht van de historische uitbreiding die de Europese Unie heeft ondergaan met acht Midden-Europese landen en Cyprus en Malta op 1 mei 2004. In december besloot de Europese Raad dat Roemenië en Bulgarije op 1 januari 2007 kunnen toetreden tot de Unie, mits zij zich ervoor blijven inspannen alle aan het lidmaatschap verbonden verplichtingen te vervullen en zij alle noodzakelijke hervormingen en toezeggingen tijdig en met succes afronden en nakomen. De Europese Raad van december besloot tevens de onderhandelingen met Kroatië op 17 maart 2005 te openen, mits het land volledig samenwerkt met het Joegoslavië Tribunaal (ICTY). Met Turkije zullen op 3 oktober 2005 onderhandelingen worden geopend, ervan uitgaande dat het land het Protocol ondertekent waarmee de douane-unie wordt uitgebreid met de nieuwe lidstaten. Het nieuwe Grondwettelijk Verdrag is – na ratificatie door de lidstaten – een belangrijk kader voor de verdere uitbreiding van de Unie en zal de slagvaardigheid van de Unie vergroten, hetgeen van meet af aan de Nederlandse inzet is geweest.

De uitkomsten van de eerste NAVO-top waaraan de zeven nieuwe lidstaten deelnamen die in april 2004 officieel zijn toegetreden tot het Bondgenootschap, toonden aan dat ook de uitgebreide NAVO slagvaardig kan opereren. Zo werd ondersteuning toegezegd aan de nieuwe Iraakse regering bij de training van leger en veiligheidsorganisaties. Daarnaast werd de NAVO-steun aan de stabilisatie van Afghanistan (ISAF) en Kosovo (KFOR) herbevestigd. Besloten werd de relaties met de landen van de brede mediterrane regio te versterken en de betrekkingen met de landen in Centraal-Azië en de Kaukasus te intensiveren. De NAVO-landen gingen akkoord met de beëindiging van SFOR in Bosnië en verwelkomden de overname hiervan door operatie-Althea van de EU. Uit de soepele overname hiervan bleek het belang van de «Berlijn-plus» afspraken tussen NAVO en EU. De discussie over de toekomst van de NAVO is echter geenszins afgerond en de regering zal hier actief in blijven participeren. Uitgangspunt voor de regering is hierbij dat de NAVO het transatlantisch forum dient te zijn voor politieke consultaties.

Op het terrein van het EVDB werd onder Nederlands EU-voorzitterschap belangrijke vooruitgang geboekt ten aanzien van militaire en civiele capaciteiten, waaronder de EU-Battle Groups. De EU-operaties, zoals Proxima in Macedonië, de EU Politie Missie (EUPM) in Bosnië-Herzegovina en de EU Monitoring Missie (EUMM) op de Balkan, vormden bewijs van de verdere volwassenwording van het EVDB. Tevens werd in de tweede helft van 2004 het Europees Defensie Agentschap (EDA) geoperationaliseerd. Tot de voorgenomen verbreding van de relatie EU-NAVO kwam het echter niet. Turkije blokkeerde hier de voortgang vanwege de Cyprus-kwestie.

Onder Nederlands EU-voorzitterschap werden in lijn met de EU-non-proliferatiestrategie wereldwijde inspanningen ondernomen ter bevordering van de universaliteit van instrumenten als het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBT), het Biologische Wapensverdrag, de Haagse Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten (HCOC) en de Additionele Protocollen bij de IAEA Waarborgenovereenkomsten. Het proces ter voorbereiding van de Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatie Verdrag in 2005 is in procedureel en organisatorisch opzicht ter hand genomen. Overeenstemming over inhoudelijke kwesties werd echter niet bereikt. Wel werd non-proliferatie onder Nederlands voorzitterschap een standaard onderwerp in de relaties van de Unie met derde landen. Zo werd tijdens de Europese top met China een verklaring ondertekend waarin China en de EU wederzijdse steun voor non-proliferatie, ontwapening en wapenbeheersing benadrukken en lukte het om in de tekst voor het Associatie-akkoord met Syrië een sterke non-proliferatieclausule opgenomen te krijgen.

Om slagvaardig te kunnen opereren in het internationale spectrum heeft Nederland in 2004 de versterking van de band tussen de EU en de VS als een van de prioriteiten aangemerkt. Tijdens de EU-VS top van 26 juni jl. werden zeven verklaringen ondertekend over versterkte samenwerking en dialoog in de strijd tegen het terrorisme, non-proliferatie en bestrijding van massavernietigingswapens, het Midden-Oosten en het Mediterrane gebied, economische betrekkingen, HIV/Aids, malaria en tuberculose, Irak en Soedan. Daarnaast ondertekenden de EU en de VS het verdrag over het Europese satelliet-navigatiesysteem Galileo, alsmede de overeenkomst over de uitwisseling van persoonsgegevens, PNR. Het Nederland voorzitterschap heeft met name in het teken gestaan van de implementatie van deze afspraken en verdere bestendiging van de betrekkingen met de VS, hetgeen werd bevestigd tijden de EU-VS ministeriële troika van 10 december jl.

Nederland is een grote donor en speelt dan ook op het terrein van Ontwikkelingssamenwerking een rol in de voorhoede. In mei 2004 publiceerde Nederland als eerste OESO-land een nationaal MDG-8 rapport waarin verantwoording wordt afgelegd over onze bijdrage aan de Millenniumdoelstellingen van de VN. In EU-verband wordt nu gewerkt aan een soortgelijke rapportage voor de Millennium-top.

Het belang van een gezond ondernemingsklimaat in de partnerlanden heeft versterkte aandacht binnen het bilaterale ontwikkelingsbeleid gekregen. Met deze focus op het ondernemingsklimaat sluit Nederland aan bij internationale initiatieven als Doing Business (Wereldbank) en het World Development Report 2005. De samenwerking tussen ontwikkelingssamenwerking en het (georganiseerde) Nederlandse bedrijfsleven is versterkt. Zo heeft in maart 2004, in samenwerking met EZ en VNO-NCW, een conferentie over de rol van de private sector in ontwikkelingslanden plaatsgevonden. In 2004 is het financieel bedrijfsleveninstrumentarium gestroomlijnd en uitgebreid. Ook is de samenwerking met het bedrijfsleven op het gebied van HIV/Aids versterkt; er is een informeel forum voor publieke-private partnerschappen opgericht dat thans concrete activiteiten in Afrikaanse landen voorbereidt. Daarnaast werd in de loop van 2004 het Nederlands Samenwerkingsverband voor Financiële Sector Ontwikkeling opgericht. Dit samenwerkingsverband tussen overheid en private banken, bedoeld om de financiële sector in ontwikkelingslanden te versterken, zal in 2005 operationeel worden. De voorbereiding van een samenwerkingverband met ontwikkelingsorganisaties, financiële en kennisinstellingen gericht op versterking van lokale boerenorganisaties, de zogenaamde Commissie Doornbos, is voortvarend ter hand genomen. Thans wordt een coördinatiepunt opgezet dat vragen over onderhandelingscapaciteit, marktkennis e.d. uit ontwikkelingslanden in behandeling zal nemen.

De slagkracht van Ontwikkelingssamenwerking is in 2004 ook verder vergroot door een intensivering van de samenwerking met niet-gouvernementele actoren. Zo heeft het ministerie een algemene beleidsdialoog gevoerd met de Nederlandse particuliere ontwikkelingsorganisaties over de interactie tussen overheid en maatschappelijk middenveld in het kader van duurzame armoedebestrijding. Deze dialoog was er onder andere op gericht om tot een duidelijke rolverdeling en afstemming tussen het bilaterale en het particuliere kanaal te komen en heeft geresulteerd in een inspanningsverplichting aan beide zijden. Ook is het gezamenlijke streven herbevestigd om de kwaliteit van de output van ontwikkelingssamenwerking te blijven verbeteren en om daarvan de resultaten zichtbaar te maken, ook voor een groter publiek. Tenslotte is gezamenlijk geconcludeerd dat meer aandacht moet worden besteed aan de relatie tussen armoedebestrijding en vrede en veiligheid en aan initiatieven om de kloof tussen OS en de onderzoekswereld te dichten. Deze beleidsdialoog heeft ook een belangrijke bijdrage geleverd aan het beleidskader voor het nieuwe medefinancieringsstelsel dat ingaat per 2007. Ook zijn ten aanzien van alle belangrijke beleidsprioriteiten uit de nota Aan Elkaar Verplicht de contacten tussen het Nederlandse maatschappelijk middenveld en het ministerie, zowel departement als posten, geïntensiveerd.

Consistentie en coherentie van beleid

Door middel van intensieve afstemming en coördinatie tussen de departementen in Den Haag is ingezet op consistent en coherent beleid, ook in 2004. Dit zijn immers voorwaarden voor geloofwaardigheid en effectiviteit.

Ook tussen verschillende organisaties heeft de regering ingezet op betere onderlinge afstemming. Zo heeft Nederland het OVSE-voorzitterschap in 2003, het voorzitterschap van de Raad van Europa van november 2003 tot mei 2004 en het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie kunnen aangrijpen om concrete stappen te zetten op weg naar verbeterde samenwerking tussen deze drie organisaties. Tijdens het voorzitterschap van de Raad van Europa heeft Nederland daarnaast ingezet op bescherming van de mensenrechten en integratie en sociale cohesie. Ook is onder Nederlandse leiding de hervorming van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) tot stand gekomen.

De inzet van de regering tijdens het EU-voorzitterschap richtte zich op een goede balans tussen de eigen nationale ambitie en het verder brengen van de gezamenlijke Europese agenda. Dit EU-voorzitterschap vond plaats in een bijzondere periode: het was het eerste voorzitterschap met 25 lidstaten en 20 officiële talen. In juni 2004 startte het nieuw verkozen, uitgebreide Europees Parlement met zijn werkzaamheden. De nieuwe Europese Commissie, onder leiding van Voorzitter Barroso, kon, na definitieve goedkeuring van het Europees Parlement, op 5 november 2004 met haar werkzaamheden beginnen.

Naast de bijzondere institutionele ontwikkelingen stonden in 2004 beleidsonderwerpen op de Europese agenda die eveneens zien op de toekomst van de Unie: de vervolmaking van de vijfde en de voorbereiding van de zesde uitbreiding, het vervolg van de Lissabonagenda, de verdere uitbouw van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, de verdere ontwikkeling van het externe beleid van de Unie en de start van de onderhandelingen over de financiële perspectieven voor de periode 2007–2013.

Met het oog op economisch herstel in en van de EU heeft oud-premier Wim Kok aanbevelingen opgesteld met het oog op de Mid-Term Review van de Lissabonstrategie. De resultaten van dit onderzoek zijn op 4 november door Wim Kok gepresenteerd aan de Europese Commissie, de Tripartiete Top en de Europese Raad. Het geeft richting aan de voorbereiding van de tussentijdse evaluatie van de Lissabonstrategie die plaatsvindt bij de Europese Raad in het voorjaar van 2005. Met het oog op het vergroten van het concurrentievermogen zijn concrete suggesties opgesteld voor de vereenvoudiging van Europese regelgeving en vermindering van de druk van administratieve lasten. Ook is overeenstemming bereikt over de noodzaak te komen tot een gemeenschappelijke, Europese methode om de administratieve lastendruk voor bedrijven te meten.

Handhaving van de macro-economische stabiliteit en het belang van solide overheidsfinanciën stonden ook het afgelopen jaar centraal. De nieuwe EU lidstaten zijn opgenomen in het proces van multilateraal beleidstoezicht. Op basis van voorstellen van de Europese Commissie is een start gemaakt met de discussie over de mogelijke «hervorming» van het Stabiliteits- en Groeipact. In het kader van een modern en houdbaar sociaal beleid is ook veel aandacht besteed aan een effectieve arbeidsmarkt en een activerend sociaal stelsel met een voldoende niveau van sociale bescherming, dat burgers prikkels geeft om aan het werk te gaan.

In juli 2004 presenteerde de Commissie voorstellen voor de Financiële Perspectieven 2007–2013. Aan de hand van «bouwstenen» die door het Nederlands Voorzitterschap werden opgesteld zijn de posities van de lidstaten ten opzichte van de beleidsvoornemens van de Commissie in kaart gebracht. De discussies zullen, mede aan de hand van de voorzitterschapsrapportage, de conclusies van de Europese Raad en de door lidstaten ingenomen standpunten, in 2005 worden voortgezet.

Op 5 november 2004 werd het «Haags Programma» door de Europese Raad vastgesteld. Dit programma omvat, als vervolg op het «Tampere programma», beleid voor de komende vijf jaar voor de verdere ontwikkeling van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht: grondrechten, asiel- en migratiebeleid, grensbewaking, integratie, bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad, justitie- en politiesamenwerking en civiel recht. Het programma is praktisch van aard en verbindt duidelijke termijnen aan de diverse maatregelen. De Commissie zal in 2005 een actieplan presenteren waarin de elementen van het Haags Programma verder worden uitgewerkt.

De uitbreiding van de Europese Unie brengt een speciale verhouding met zich mee met de landen aan de oost- en zuidgrens van de uitgebreide Unie. Op 8 juli zijn in Den Haag, tijdens de EU-Oekraine top, de vastgelopen besprekingen over het Europees nabuurschaps-actieplan voor de Oekraine vlotgetrokken. Het Nederlandse voorzitterschap heeft voorts in samenwerking met HV Solana een belangrijke bemiddelende rol gespeeld in het bevorderen van een vreedzame oplossing van de politieke crisis in Oekraïne, die ontstond als gevolg van de massale fraude in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen op 21 november 2004, en het voorkomen van geweld.

Rusland heeft zowel vanuit bilateraal perspectief als in verband met het EU-Voorzitterschap speciale aandacht gekregen. Het bleek niet mogelijk om tijdig voor de EU-Rusland top op 25 november in Den Haag overeenstemming te bereiken over alle onderdelen van de vier gemeenschappelijke ruimtes (economie/vrijheid, veiligheid en justitie/externe veiligheid/onderzoek, onderwijs en cultuur). Verschillen van inzicht over samenwerking bij de oplossing van «bevroren conflicten» in de gezamenlijke buurlanden van de uitgebreide Europese Unie en Rusland speelden hierbij een belangrijke rol. Wel kon op de top worden geconcludeerd dat er verregaande overeenstemming was over de ruimte voor economie en over de ruimte voor onderzoek, onderwijs en cultuur. Tevens werd op de top afgesproken te streven naar een volledig akkoord over de vier ruimtes op de volgende EU-RF top van mei 2005 in Moskou. Doelstellingen die werden bereikt waren ratificatie door Rusland van het Kyoto-protocol en ratificatie van het protocol tot uitbreiding van de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst met de nieuwe EU-lidstaten. Voorts werd overeenstemming bereikt over een nieuw forum voor mensenrechtendialoog tussen de EU en de Russische Federatie, over een speciaal sub-comite inzake Kaliningrad en over een Europees trainingsinstituut in Moskou.

Op het terrein van ontwikkelingssamenwerking groeit internationaal het besef dat rijke landen om bij te dragen aan duurzame armoedebestrijding meer moeten doen dan alleen meer en effectievere hulp bieden. Ook op andere beleidsterreinen moet rekening worden gehouden met de belangen van ontwikkelingslanden en «ontwikkelingsvriendelijk» beleid worden gevoerd om zoveel mogelijk synergie te bereiken. Zo werd in juli 2004 in het kader van de Doha Development Agenda een WTO-raamwerkakkoord afgesloten dat de mogelijkheden biedt om ook voor ontwikkelingslanden substantiële resultaten te bereiken. Nederland heeft zich vooral ingespannen om aandacht te vragen voor de prioriteiten van Afrika in de Doha-ronde. De ministeries van Economische en Buitenlandse Zaken organiseerden een groot internationaal seminar op hoog niveau, waarin Afrikaanse beleidsmakers en onderhandelaars en vertegenwoordigers van het Afrikaanse bedrijfsleven in dialoog met Europese onderhandelaars spraken over de vraag: Doha: What's in it for Africa? Behalve een concrete agenda leverde dit seminar als belangrijkste winst op dat de vraag nu hoog op de agenda van de WTO staat en door de internationale gemeenschap serieus wordt genomen. Nederland loopt voorop in dit streven naar OS-beleidscoherentie. De samenwerking tussen de departementen werd geïntensiveerd rond coherentiedossiers, zoals de WTO Doha ontwikkelingsagenda, katoen- en suikerhervorming in de EU, duurzame visserijakkoorden met Afrika, toegang tot betaalbare medicijnen en het voorkomen van onnodige handelsbelemmeringen voor ontwikkelingslanden als gevolg van productstandaarden. Ook de strategische samenwerking met de Commissie en andere lidstaten werd versterkt, onder meer via het door Nederland geïnitieerde PCD-netwerk (Policy Coherence for Development) en andere informele netwerken rond specifieke coherentiedossiers. Concrete resultaten waren onder meer: 1) het besluit van de Landbouwraad tot gedeeltelijke ontkoppeling van de katoensteun per 2006 en de instelling van een mechanisme om de effecten op productie en handel te monitoren; 2) de beperking van de visserijinspanning door Europese boten in Mauritanië eind 2004, mede op basis van door Nederland gefinancierd bestandsonderzoek; 3) de implementatie door Nederland eind 2004 als eerste EU-lidstaat het WTO-besluit over TRIPs en Gezondheidszorg van augustus 2003; en 4) het voorkomen onnodige handelsbelemmeringen voor ontwikkelingslanden van bij de vaststelling van nieuwe EU productstandaarden voor onder andere voedsel en diervoeders, koffie, maca en vervangingsonderdelen voor auto's. Onder Nederlands voorzitterschap kreeg het EU-beleid op het gebied van coherentie een nieuwe impuls door afspraken in Europese Raadsconclusies over het systematischer screenen van nieuwe Commissievoorstellen. Ook in OESO-verband voedde Nederland de discussie over concrete maatregelen (institutioneel en inhoudelijk) ter versterking van coherentie en had de Nederlandse aanpak een voorbeeldwerking.

Op het terrein van duurzame ontwikkeling zijn er diverse acties in gang gezet om ervoor te zorgen dat duurzame ontwikkeling als leidraad wordt gezien voor het Nederlandse buitenlandse en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Zo is de conferentie Energy for Development georganiseerd en zijn met GTZ en SNV partnershappen getekend. Voor biodiversiteit zijn tijdens COP7 richtlijnen voor duurzaam gebruik van biodiversiteit (de Addis Abeba principes), een kernset van indicatoren, en acceptatie van het concept van ecologische netwerken uitgewerkt. In het kader van het FLEGT proces (weren van illegaal hout van de Europese markt) heeft het Nederlandse kabinet besloten om in overheidsaanbesteding slechts duurzaam hout te gebruiken en waar dat nog niet mogelijk is, in ieder geval legaal hout. Voor gezondheid, water en landbouw is vooral aandacht geschonken aan het vormgeven van de samenwerking met het bedrijfsleven. Hiertoe is in 2004 ook een «call for ideas» voor Publiek-Private Partnerschappen voor Duurzame Ontwikkeling uitgezet. In april 2004 is de Commission on Sustainable Development (CSD12) voor het eerst volgens de nieuwe twee-jaarlijkse cyclus (een «review» jaar en een «policy» jaar) bij elkaar gekomen. Tijdens deze zitting is een aantal knelpunten geïdentificeerd op het gebied van water, sanitatie en menselijke nederzettingen. Nederland heeft zich als EU-voorzitter in het kader van de voorbereiding van CSD-13 (april 2005) binnen de EU hard gemaakt voor concrete afspraken over oplossingen op het gebied van financiering, capaciteitsopbouw en bestuur. Tijdens een in december door Nederland in Brussel georganiseerde «Multi-Stakeholder Consultation with the EU», waarvoor naast vertegenwoordigers van de lidstaten ook de private sector en niet-gouvernementele organisaties waren uitgenodigd, zijn voor de drie thema's strategische aanbevelingen gericht op het wegnemen van de knelpunten opgesteld. Verdere besluitvorming zal in de aanloop naar CSD-13 onder het Luxemburgse voorzitterschap plaatsvinden.

Eind 2004 is het ministerie van Buitenlandse Zaken actief als partner betrokken bij 49 publieke-private partnerschappen (PPP's) op het gebied van armoedebestrijding. Daarvan zijn er 36 in voorbereiding, waaronder de 15 PPP's die in het kader van de «Call for Ideas» zijn geselecteerd. Er zijn 13 PPP's in uitvoering; van deze 13 komen er drie voort uit de «Call for Ideas». Voor alle PPP's geldt dat er zowel noordelijke als zuidelijke partners bij betrokken zijn: multinationals, middenen kleinbedrijf uit Nederland en uit ontwikkelingslanden, ngo's, overheden en kennisinstellingen. Door te werken in partnerschappen met bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen zijn we beter in staat om de expertise, middelen, vaardigheden en relaties te mobiliseren die nodig zijn voor het realiseren van de MDG's, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheidszorg of duurzame (economische) ontwikkeling.

Ontwikkeling en veiligheid zijn sterk verweven. Stabiliteit en veiligheid zijn voorwaarden voor ontwikkeling. Vanuit die overtuiging heeft Nederland zich ingespannen om, conform het regeerakkoord, een groter deel van de kosten van crisisbeheersingsoperaties in OS-landen onder de ODA-definitie te brengen. Dit heeft tijdens de Ministeriële bijeenkomst van het DAC in april 2004 geleid tot beperkte vooruitgang waarbij de activiteiten die worden ontplooid op drie terreinen: het (civiele) management van de uitgaven ten behoeve van de veiligheidssector, de versterking van de rol van maatschappelijke organisaties in de veiligheidssector en het terugdringen van de rekrutering van kindsoldaten als ODA-toerekenbaar worden beschouwd.

Ook de Nederlandse inspanningen om een groter deel van de kosten van het klimaatbeleid in ontwikkelingslanden (CDM) als ODA-toerekenbaar te maken hebben geleid tot besluitvorming in 2004 bij de OESO/DAC. Er is besloten om de netto investeringen van donorlanden te rapporteren waarbij de waarde van de verkregen emissie-reductiebewijzen (CER's) in mindering zal worden gebracht. De technische uitwerking wordt in 2005 geformaliseerd.

Kwaliteit en effectiviteit van beleid en uitvoering

Donorcoördinatie staat reeds 30 jaar op de prioriteitenlijst voor ontwikkelingssamenwerking, harmonisatie en alignment inmiddels een jaar of vier. Een aantal concrete voorbeelden van alignment door Nederland (en andere donoren) met het beleid en de begroting(sprocessen) van partnerlanden is Burkina Faso, Ghana, Mali, Mozambique, Oeganda, Tanzania en Vietnam. Voorbeelden van harmonisatie in sectorale samenwerking zijn onder meer te vinden in Bangladesh, Bolivia, Burkina Faso en Zuid-Afrika op het gebied van onderwijs; in Ghana, Nicaragua en Zambia in de gezondheidssector; in Bolivia en Rwanda op het gebied van goed bestuur; en in Kaapverdië en Mozambique met betrekking tot milieu c.q. water Harmonisatie en alignment zijn intensieve samenwerkingsvormen en hebben vooral slagingskans wanneer donoren zich ook durven te beperken. Daarom heeft na de in 2003 gerealiseerde beperking van het aantal samenwerkingslanden verdere stroomlijning plaatsgevonden via beperking van het aantal sectoren waarin Nederland actief is.

De hier geschetste veranderingen in de uitvoering van ontwikkelingssamenwerking hebben ook geleid tot aanpassing van planning en monitoring. Immers, meer samenwerking vereist grotere voorspelbaarheid. De planning voor de bilaterale samenwerking in alle partnerlanden is daarom van een eenjarige cyclus verlegd naar een 4-jarige cyclus. In de zo tot stand gekomen strategische meerjarenplannen zijn de te bereiken doelstellingen afgeleid van de Nederlandse beleidsagenda en die van het ontvangende land. MDG-doelstellingen zijn daarbij bindend. Tegelijkertijd is de planning meer gericht op de vraag hoe beoogde resultaten moeten worden bereikt. Indicatoren hiervoor vormen de basis van de voortgangsmeting. De benodigde analyse is verscherpt en gekoppeld aan de keuze van in te zetten hulpmodaliteiten.

Tenslotte blijven de uiteindelijke ontwikkelingsresultaten natuurlijk de belangrijkste bron om de effectiviteit van onze inzet te meten. Bij dit jaarverslag wordt dan ook een Resultaten Rapportage aangeboden, waarin op sectorale en thematische prioriteiten inzicht wordt geboden in de mate van resultaatsbereiking.

In 2004 is gewerkt aan een systematische appreciatie van multilaterale OS-instellingen op het gebied van effectiviteit, belang in het algemeen en relevantie voor het bereiken van de doelstellingen van de nota «Aan Elkaar Verplicht». Deze appreciatie dient als basis voor het maken van keuzes die zijn gericht op een optimale inzet van de beschikbare Nederlandse OS-middelen binnen het multilaterale kanaal.

Vernieuwing diplomatie

De nieuwe uitdagingen in de diplomatie kunnen slechts het hoofd geboden worden wanneer het ministerie van Buitenlandse Zaken beschikt over een hoog kennisniveau. Ook in 2004 is hierop ingezet. Om het denken te scherpen is in 2003 het tweejarig project gestart «Met het oog op morgen». «De toekomst van de Nederlandse diplomatie». Deze debatreeks leverde een groot aantal suggesties op voor nieuwe accenten in het Nederlandse buitenlandbeleid. Het terrein van de «Public Diplomacy» is verder ontwikkeld in 2004, onder andere door het opstellen van een beleidskader. Hiermee streeft Nederland naar het verwerven van steun voor Nederlandse beleidsdoelstellingen en het kweken van begrip voor Nederlandse zienswijzen en standpunten bij verschillende doelgroepen in het buitenland. Een goed postennetwerk is hierbij onontbeerlijk.

De doeltreffendheid en de doelmatigheid van het postennet is ondanks de sluiting van een aantal posten in stand gehouden. Zo kon ook in 2004 worden vastgehouden aan het uitgangspunt dat iedere Nederlandse burger die een beroep deed op consulaire dienstverlening een snelle, zorgvuldige en rechtvaardige behandeling ten deel zou vallen. Dat gold met name ook die Nederlanders die in een noodsituatie terecht kwamen, zoals in december door de zeebeving in Azië. De medewerkers van de Nederlandse ambassades in de getroffen regio hebben onder zeer moeilijke omstandigheden goed werk verricht en als EU-voorzitter heeft Nederland aangetoond dat Europese consulaire samenwerking vruchten af kan werpen. De dienstverlening aan buitenlanders die zich melden bij Nederlandse ambassades en consulaten voor een visum is verder verbeterd. Ondanks een stijging van 4% in het aantal aanvragen is de snelheid van afhandelen toegenomen. Het percentage weigeringen is nagenoeg gelijk gebleven (9,4%). De dienstverlening aan de circa 2300 Nederlandse gedetineerden in het buitenland is verder verbeterd, vooral door de ingebruikname van een nieuw geautomatiseerd informatiesysteem.

B. Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2004

In onderstaande tabel wordt per hoofddoelstelling van het buitenlandbeleid het totaalbeeld van de mutaties gepresenteerd.

Bedragen in EUR1000
Beleidsprioriteiten 2004Art.nr.Ontwerpbegroting 2004Nadere mutaties 2004Realisatie 2004
Hoofddoelstelling I: Internationale ordening180 3497 50887 857
Hoofddoelstelling II: Vrede, veiligheid en stabiliteit2 t/m 4303 792111 382415 174
Hoofddoelstelling III: Europese samerwerking55 721 217–/– 194 2785 526 939
Hoofddoelstelling IV: Duurzame armoedevermindering6 t/m 122 331 999315 8812 647 880
Hoofddoelstelling V: Het bevorderen van bilaterale betrekkingen13 t/m 15294 374–/– 130 632163 742

Bovenstaande mutaties zijn saldi van verhogingen en verlagingen. Een toelichting op de belangrijkste mutaties wordt gepresenteerd in de betreffende beleidsartikelen. Als terugblik op de begroting op hoofdlijnen wordt hieronder een aantal mutaties toegelicht.

• Vertraagde uitvoering van de verbouwing en beveiliging van de tijdelijke huisvesting van het Internationaal Strafhof in 2003 leverde in 2004 extra betalingen op.

• Het budget voor noodhulp ontwikkelingslanden is ruim EUR 76 miljoen hoger uitgekomen dan geraamd door een verhoging van het budget voor structurele noodhulp en door incidentele bijdragen, onder meer ten behoeve van Soedan, de Grote Meren regio, Kenia, Bangladesh, de Palestijnse Gebieden en de tsunami-ramp.

De uitgaven voor het in 2004 opgerichte Stabiliteitsfonds waren geraamd op EUR 64,2 miljoen en kwamen in de uiteindelijke realisatie hoger uit op een bedrag van EUR 70,1 miljoen, onder meer door ondersteuning van de vredesmacht van de Afrikaanse Unie in Darfur, de Mali Vredesschool en het Kofi Annan International Peacekeeping Training Centre in Ghana. In de ramingen voor het Stabiliteitsfonds was voor 2005 reeds een verhoging gepland. Bovengenoemde realisatie is dan ook geen aanleiding om de ramingen te veranderen. Het Programma Ondersteuning Buitenlands Beleid werd incidenteel opgehoogd voor 2004 en 2005. Reden hiervoor was de toename in het aantal aanvragen onder meer vanwege de crisis in Irak (wederopbouw en terugbrengen van stabiliteit).

• De grote verlaging die te zien is in hoofddoelstelling III is voor het grootste deel toe te schrijven aan het saldo van bijstellingen in de EU-afdrachten. De realisatie van de BTW-afdrachten en de Landbouwheffingen vielen hoger uit dan verwacht. De invoerrechten vielen iets lager uit dan geraamd. Ook de afdracht van het vierde eigen middel, het BNI-middel, valt lager uit. Dat is deels te verklaren uit een subsitutie-effect; door hogere inkomsten uit de overige eigen middelen is er minder BNI-middel gevraagd.

• Bij het schrijven van de begroting 2004 werd het budgettaire kader voor hoofddoelstelling IV, duurzame armoedevermindering, beïnvloed door tegenvallende BNP-ramingen en een hoge raming voor kwijtscheldingen in het kader van Exportkredietverzekeringen- en investeringen (EKI). In de loop van 2004 bleek dat er minder schulden zouden worden kwijtgescholden dan verwacht. Dit leverde een substantiele meevaller op van EUR 335 miljoen, die voor het grootste gedeelte is ingezet voor intensiveringen op prioriteiten uit «Aan Elkaar Verplicht»; basic education, milieu en water, HIV/Aids, reproductieve gezondheidszorg en goed bestuur (hoofddoelstelling II). Het betrof financiering van programma's waarvan het tempo van de uitvoering tijdelijk omlaag was geschroefd als gevolg van de budgettaire krapte, alsook de versnelling van een aantal programma's.

• De veiligheidssituatie in de wereld noopte tot extra beveiligingsmaatregelen zowel op een aantal ambassades als op het departement in Den Haag. Hiervoor is in 2004 EUR 10 mln extra uitgetrokken. Ook voor de komende jaren staat hiervoor nog geld gereserveerd (EUR 5 miljoen per jaar). Op het budget voor het voorzitterschap van de EU is een meevaller ontstaan doordat de IGC reeds onder Iers voorzitterschap werd afgerond, en de door Nederland geplande conferentie niet doorging. Het totale budget voor het voorzitterschap kwam daardoor EUR 29 miljoen lager uit dan oorspronkelijk geraamd. Door de sterk afnemende instroom van asielzoekers werden de kosten voor de eerstejaarsopvang van asielzoekers met ruim EUR 96 miljoen naar beneden bijgesteld.

C. Beleidsmatige conclusies ten aanzien van de beleidsprioriteiten

Het succesvol verlopen Nederlandse Voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie was mede mogelijk dankzij de goede voorbereiding en het uitgebreide Nederlandse postennet. Door in een vroeg stadium op de hoogte te zijn van de wensen en meningen van onze EU-partners en deze actief te beïnvloeden, was Nederland in staat complexe dossiers, zoals de beslissingen over de start van de onderhandelingen met Turkije, tot een goed einde te brengen. Dit onderstreept de blijvende noodzaak van goede bilaterale diplomatie, juist in een uitgebreide Unie. Daarnaast is de uitstekende samenwerking met de vakdepartementen, de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel en met scheidend voorzitter Ierland en inkomende voorzitter Luxemburg van essentieel belang gebleken. Het Nederlandse postennet buiten de Unie speelde eveneens een cruciale rol tijdens het voorzitterschap, onder meer in de informatievoorziening naar Den Haag en bij de uitvoering van demarches. Het bleek belangrijk om mensen met relevante EU-kennis en met ervaring in Brussel op een aantal strategische posities te hebben.

Het voorzitterschap gaf Nederland een unieke mogelijkheid inzicht te krijgen in het functioneren van de EU met 25 lidstaten. Daarbij bleek ook wat de beperkingen zijn voor individuele lidstaten. Duidelijk is dat effectieve besluitvorming alleen mogelijk is als lidstaten zichzelf beperkingen opleggen en niet over elk onderwerp hun zegje willen doen. In de praktijk bleken de lidstaten zich over het algemeen goed bewust van deze noodzaak tot zelfbeperking. Ook bleek tijdens het voorzitterschap hoe belangrijk het is voor het besluitvormingsproces à 25 dat de lidstaten over voldoende flexibiliteit en beleidsruimte beschikken.

De gebeurtenissen na de zeebeving in Azië bewezen dat flexibiliteit, coördinatie en technologische instrumenten kernelementen zijn voor een efficiënte en effectieve dienstverlening. Automatisering van de kernprocessen van de consulaire dienstverlening bij dergelijke grote rampen is cruciaal gebleken. De crisismodule waarover Nederland beschikte zorgde er voor dat er altijd over de juiste informatie beschikt kon worden, ter plekke en in Den Haag en dat er geen dubbeltelling van vermissingen was. De aanpak van de crisis toonde ook aan dat EU-coördinatie en -samenwerking meerwaarde hebben in dergelijke situaties. Nederland speelde, als EU-voorzitter, een belangrijke rol bij de totstandkoming van deze samenwerking. Geconcludeerd kan worden dat het loont om nog energieker in te zetten op Europese coördinatie en samenwerking.

Effectieve ontwikkelingssamenwerking bestrijdt armoede. Daarbij is blijvende aandacht voor veiligheid en stabiliteit als voorwaarde voor ontwikkeling noodzakelijk. Onderdeel hiervan is bestuurlijke en economische stabiliteit en de «rule of law». Het beleid ten aanzien van veiligheid en stabiliteit wordt mede vormgegeven in samenwerking met het ministerie van Defensie. Overheden zijn niet alleen in staat armoede duurzaam uit te bannen. Partnerschappen met het bedrijfsleven, internationale organisaties en NGO's zijn van cruciaal belang voor het behalen van de MDG's. Meer dan in het verleden zal de regering daarom ook anderen blijven betrekken bij de realisatie van haar doelen.

In de grote en complexe verzameling van actoren en processen die armoede veroorzaken en in stand houden, vereist effectiviteit dat de kwaliteit van inzet en uitvoering centraal staat. De regering werkt daarom voortdurend aan instrumenten en werkwijzen die ons in staat stellen de kwaliteit en effectiviteit van beleid en uitvoering te volgen en bij te sturen. Bovendien staan deze aspecten centraal in de communicatie met burgers. Nu en in de toekomst.

5. BELEIDSARTIKELEN

BELEIDSARTIKEL I. HET BEVORDEREN VAN INTERNATIONALE ORDENING

A. Algemene beleidsdoelstelling

Het doel van internationale ordening is een vreedzame, veilige, welvarende en rechtvaardige wereld met een duurzaam milieu. Hierbij kunnen verschillende dimensies van internationale ordening worden onderscheiden. De bevordering van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde vormt de kern van de internationale ordening. Centraal onderdeel hiervan is weer de bevordering en bescherming van de rechten van de mens. Daarnaast wordt in dit beleidsartikel aandacht besteed aan de ecologische en financieel-economische dimensie van internationale ordening.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 1 Internationale ordening(EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen49 76155 00375 914114 66087 42066 89920 521
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal49 73553 57565 14075 93987 85780 3497 508
        
1.1 Verenigde Naties42 41245 16352 91450 79348 41852 305– 3 887
1.2 OESO3 7033 9784 5874 5714 8175 013– 196
1.3 Bijdragen internationaal recht3 2723 8174 8475 79612 40816 001– 3 593
1.4 AIV348454566457504545– 41
1.5 Overige bijdragen01632961582 8652302 635
1.6 Internationaal strafhof001 93014 16418 8456 25512 590
        
Ontvangsten867474741187444
        
1.20 Restituties contributies VN/OESO000044pm44
1.21 Doorberekening AIV aan Defensie8674747474740

Financiële toelichting

Verplichtingen

Ten opzichte van de ontwerpbegroting is het verplichtingenbudget op totaalniveau met circa EUR 20 miljoen overschreden. De verhoging van het verplichtingenbudget is met name veroorzaakt door een aangegane verplichting voor de nieuwbouw en verbouwing van het Vredespaleis en de aangegane verplichting voor de tijdelijke huisvesting van het Internationaal Strafhof.

Uitgaven

Artikel 1.1 Verenigde Naties

Als gevolg van lagere contributieaanslagen, met name als gevolg van een gunstige dollarkoers, viel de Nederlandse bijdrage aan een aantal internationale organisaties (VN, ILO, UNESCO, WHO/PAHO en IAEA) in totaal EUR 3,9 miljoen lager uit.

Artikel 1.3 Bijdragen internationaal recht

De onderschrijding van EUR 3,6 miljoen wordt veroorzaakt door een vertraging in de nieuwbouw van het Vredespaleis (EUR 3,3 miljoen) en een lagere bijdrage aan de Haagsche Conferentie (EUR 0,3 miljoen).

Artikel 1.5 Overige bijdragen

De verhoging van de uitgaven met EUR 2,6 miljoen is het gevolg van de bijdrage aan het Middle East Desalinisation Research Centre (MEDRC) in Oman.

Artikel 1.6 Internationaal Strafhof

De verhoging van in totaal EUR 12,5 miljoen is met name het gevolg van de vertraagde uitvoering van de verbouwing en beveiliging van de tijdelijke huisvesting van het Internationaal Strafhof die in 2003 voorzien was en vanwege uitgestelde betalingen door achterstanden in facturering door de opdrachtgever en aannemers in 2003. Daartegenover staat dat er over 2004 ook sprake is van een lagere facturering door de RGD.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: Versterking, vastlegging, ontwikkeling en naleving van het internationale recht

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Afronding van onderhandelingen over regelingen voor schade als gevolg van bepaalde gevaarlijke activiteiten, namelijk van het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor en binnenwateren.Ja
2.Afronding van onderhandelingen over regelingen voor milieuschade aan gevoelige gebieden in het kader van de Europese Unie en het verdrag betreffende Antarctica.Gedeeltelijk
3.Totstandkoming van een internationaal mandaat voor de opstelling van een regeling voor schade als gevolg van de grensoverschrij- dende overbrenging van genetisch gemodificeerde organismen.Ja
4.Omzetting in een verdrag van de tijdens de Zevende Conferentie van Partijen bij het Klimaatverdrag overeengekomen nalevingprocedure in het kader het Kyoto Protocol.Nee
5.Afronding van de onderhandelingen over een nalevingprocedure in het kader van het Cartagena Protocol inzake bioveiligheid.Ja
6.Ontwikkeling van nalevingprocedures in het kader van verdragen met betrekking tot persistente organische stoffen, milieugevaarlijke stoffen en plantaardige genetische bronnen.Gedeeltelijk
7.Afronding van het Alomvattend Verdrag tegen Internationaal Terrorisme binnen de Verenigde NatiesNee
8.Herziening van het IMO(Internationale Maritieme Organisatie) verdrag inzake onrechtmatige handelingen ten aanzien van de veiligheid van het scheepvaartverkeer (IMO-terrorismeverdrag)Ja
9.Versterking van de mensenrechtenmechanismen van de Raad van Europa.Gedeeltelijk
10.Verduidelijking van de verhouding tussen het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Straatsburg) en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Luxemburg) in het licht van de voortschrijdende ontwikkelingen binnen de Europese Unie op het terrein van de mensenrechten.Gedeeltelijk

Ad 2:

De onderhandelingen over een regeling voor milieuschade aan gevoelige gebieden in het kader van de Europese Unie zijn afgerond met de aanvaarding van richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Het was nog niet mogelijk om de onderhandelingen over een regeling voor milieuschade in Antarctica af te ronden vanwege verschil van mening over een aantal punten.

Ad 4:

De nalevingprocedure in het kader van het Kyoto Protocol is nog niet omgezet in een verdrag, omdat het Kyoto Protocol pas in 2005 in werking zal treden.

Ad 6:

Er is een begin gemaakt met de ontwikkeling van een nalevingsprocedure in het kader van het in 2004 in werking getreden Internationaal verdrag over plantaardige genetische bronnen.

Ad 7:

De onderhandelingen over een Alomvattend Verdrag tegen Internationaal Terrorisme in VN-kader konden nog niet worden afgerond onder meer vanwege onenigheid over de definitie van terrorisme.

Ad 8:

Per 1 juli 2004 is de International Ship and Port Facility Security (ISPS) Code als aanvulling op het SOLAS-verdrag (Safety of Life at Sea) van de IMO wereldwijd in werking getreden. In het verlengde daarvan is er een Europese Richtlijn betreffende het versterken van de beveiliging van schepen en havens aangenomen en nationaal geïmplementeerd.

Ad 9+10:

In de Raad van Europa werd onder Nederlands voorzitterschap een breed pakket van maatregelen vastgesteld, die primair ten doel hebben de toekomst van de bescherming van de rechten van de mens in Europa veilig te stellen. De belangrijkste maatregel is neergelegd in Protocol nr. 14 bij het EVRM, waarin de procedures voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden versterkt en gestroomlijnd. Protocol nr. 14 voorziet in een bepaling betreffende de toetreding van de Europese Unie tot het EVRM, waardoor ook handelingen van de instellingen van de Europese Unie onder de mensenrechtelijke controle van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kunnen komen te vallen. Voor het zover is moeten echter nog onderhandelingen over de modaliteiten van die toetreding tussen de Raad van Europa en de Europese Unie worden gevoerd.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Verdere opbouw van het Internationaal Strafhof en het creëren van een breder draagvlak voor het daaraan ter grondslag liggende verdrag

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Tenminste 120 ratificaties van lidstaten per ultimo 2004.Nee
2.Overeenkomst gesloten tussen Nederland en het Strafhof inzake immuniteiten en privileges.Ja
3.Programma van eisen goedgekeurd voor het architectenconcours voor de permanente huisvesting alsmede de selectie van een architect.Nee

Ad 1:

In 2004 is mede dankzij politieke, financiële en technische steun van Nederland, het aantal landen dat het Statuut heeft geratificeerd toegenomen tot 97. Gegeven het politieke en complexe karakter van het ratificatieproces is de doelstelling van 120 te ambitieus gebleken.

Ad 2:

De multilaterale overeenkomst betreffende Privileges en Immuniteiten werd reeds in 2003 door Nederland getekend. De overeenkomst zal tegelijkertijd met de bilaterale zetelovereenkomst tussen Nederland en het Hof worden voorgelegd aan het Hof, indien de Assemblee van Statenpartijen deze goedkeurt tijdens de jaarvergadering eind november 2005.

Ad 3:

Het Programma van Eisen voor de permanente huisvesting is wel opgesteld in 2004, maar nog niet goedgekeurd door het Hof. Dit is onder andere te wijten aan een gebrek aan expertise bij het Hof. De selectie van een architect zal pas kunnen plaatsvinden nadat de verdragspartijen, eind november 2005, consensus hebben bereikt over nieuwbouw voor het Hof.

Geoperationaliseerde doelstelling 3: Het garanderen van een zo goed mogelijk vestigingsklimaat in Nederland als gastland voor de 32 in Nederland gevestigde internationale organisaties

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Overeenstemming over behandeling van omgang met internationale organisaties in NederlandGedeeltelijk
2.Een zetelovereenkomst te sluiten met Eurojust.Gedeeltelijk

Ad 1:

Afronding van het kabinetstandpunt voor een beleidskader ten aanzien van de internationale organisaties wacht op de besluitvorming in de Ministerraad over een aantal fiscale vraagstukken.

Ad 2:

De overeenkomst met Eurojust die garanties zal bieden voor het onafhankelijk functioneren van de organisatie in Nederland kon in 2004 vrijwel worden afgerond. Een aantal knelpunten vereiste meer tijd voordat tot ondertekening kan worden overgegaan.

Geoperationaliseerde doelstelling 4: Bevordering en bescherming van de rechten van de mens

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Effectiever functioneren van de VN-Mensenrechtencommissie als gevolg van organisatorische hervormingen zodat deze haar mandaat naar behoren kan uitvoeren.Gedeeltelijk
2.Meer geld uit regulier VN-budget voor OHCHR.Gedeeltelijk
3.Tijdens het Nederlands voorzitterschap verder uitvoering geven aan de EU-Raadsconclusies van december 2002 terzake de verhoging van de effectiviteit, transparantie en coherentie van het EU-mensenrechtenbeleid. Ja

Ad 1:

Onder het Nederlands voorzitterschap was er een zeer actieve EU-inzet in de Derde Commissie van de AVVN op landenresoluties. Er zijn EU-landenresoluties ingediend inzake Birma, DRC, Soedan, Turkmenistan, Zimbabwe en (met mede-indiener VS) Belarus, terwijl het Canadese initiatief voor een landenresolutie inzake Iran door de gehele EU werd medegesponsord. De resoluties inzake Birma, DRC, Turkmenistan en Iran zijn aangenomen. Stemming over de resoluties inzake Belarus, Soedan en Zimbabwe werd geblokkeerd door aanname van zogenaamde no-action moties. Mede op basis van deze ervaringen heeft Nederland een strategische gedachtewisseling over het EU-optreden binnen de VN-Mensenrechtencommissie en de Derde Commissie op touw gezet en een strategiepaper opgesteld met een aantal concrete aanbevelingen voor verbetering van het EU-optreden in deze fora. Ook is een eerste aanzet gegeven tot een positieve reactie van de EU op de aanbevelingen van het VN High Level Panel op het terrein van mensenrechten.

Ad 2:

Mede dankzij aandringen van Nederland is tijdens de VN-budgetonderhandelingen in 2004 een resolutie aangenomen met het verzoek aan de SGVN opties uit te werken voor verhoging van het reguliere budget voor het OHCHR.

Ad 3:

Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap is een concreet actieplan Kinderen en Gewapend Conflict opgesteld, waarin door gecombineerde aanpak van politieke- en ontwikkelingssamenwerkingsinstrumenten een daadwerkelijke start met de implementatie van de EU-richtlijnen terzake wordt gemaakt. Tevens is op Nederlands initiatief een Persoonlijk Vertegenwoordiger van HV Solana voor de mensenrechten benoemd (EU mensenrechtenambassadeur) ter verhoging van de continuïteit en zichtbaarheid van het externe EU-mensenrechtenbeleid.

Geoperationaliseerde doelstelling 5: Uitvoering van de WSSD-conclusies

Uitvoering van de WSSD-conclusies in 2004Realisatie
1.EU-besluiten in de uitkomsten van de conferenties in Doha (handel), Monterrey (financiering) en Johannesburg (WSSD) te laten doorwerken in de EU-duurzaamheidsstrategie en in de inzet van de EU bij fora zoals UNEP, FAO, CSD, WTO.Ja
2.Verdere versterking van de duurzame energiecoalitie van de EU, en via indicatieve doelen aangeven welke EU-inspanningen hier nodig zijn.Ja
3.Het opstellen van een EU-strategie voor corporate social and environmental responsibility ter versterking van maatschappelijk verantwoord ondernemen en het formuleren van een EU-standpunt ter bevordering van duurzame en eerlijke handel.Gedeeltelijk
4.Bevordering van publiek-private samenwerking met als doel het genereren van extra fondsen voor water en sanitatie en de energievoorziening in ontwikkelingslanden.Ja
5.Versterkte markttoegang vanuit ontwikkelingslanden in de EU en andere westerse markten door de opbouw van capaciteit om te kunnen voldoen aan kwaliteitseisen die worden gesteld aan landbouw- en voedselproducten.Ja

Ad 1:

Tijdens de twaalfde Commission on Sustainable Development (CSD12) is een eerste aanzet geformuleerd met concrete oplossingen voor de geïdentificeerde knelpunten bij de uitvoering van de WSSD-afspraken op het gebied van water, sanitatie en menselijke nederzettingen. Het accent lag hierbij op capaciteitsopbouw, financiering en goed bestuur.

Ad 2:

Van 7 tot 9 november vond in het kader van het EU-voorzitterschap de European Conference on Corporate Social Responsibilty plaats.

Ad 5:

Via het WSSD-partnerschap Markttoegang, waarin de ministeries van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid en Buitenlandse Zaken nauw samenwerken, is gewerkt aan de verbetering van de markttoegang van landbouwproducten uit ontwikkelingslanden door middel van capaciteitsopbouw op het gebied van voedselveiligheid, milieu en veterinaire en fytosanitaire maatregelen.

Geoperationaliseerde doelstelling 6: Bescherming van het mondiale milieu

Bescherming van het mondiale milieu in 2004Realisatie
1.Verbeterde aansturing vanuit de conferenties van partijen bij de betrokken mondiale milieuverdragen systematisch rekening houdend met de prioriteiten van de ontvangende landen.Gedeeltelijk
2.Het operationeel maken van het beginsel van marginale kosten en het concept van global environmental benefits.Ja
3.Het opzetten van een zelfstandige portfolio met activiteiten op het gebied van landdegradatie (verwoestijning/herbebossing)Ja
4.Het operationeel maken van de nieuwe klimaatfondsen conform de sturing vanuit de Conferentie van de Staten Partijen bij het Klimaatverdrag.Gedeeltelijk

Ad 1:

Het is vooralsnog moeilijk gebleken om vanuit de conferenties van partijen bij de mondiale milieuverdragen substantiële verbetering van de aansturing te entameren. Reden is dat de aansturing vanuit de mondiale milieuverdragen vaak moeilijk te operationaliseren is door de Global Environment Facility (GEF). De onderhandelaars kennen het financiële mechanisme vaak slecht en de aansturing is daardoor moeilijk in te passen in de algemene werkwijze en structuur van de GEF.

Geoperationaliseerde doelstelling 7: Het wereldwijd terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Spoedige ratificatie door Rusland van het Kyoto Protocol, waarmee het Kyoto Protocol in werking zal treden.Begin 2005
2.Overeenstemming tussen Raad en Europees Parlement over de ontwerprichtlijn CO2-emissiehandel.Ja
3.Overeenstemming tussen Raad en Europees Parlement over een aanvullende regeling die het mogelijk maakt dat ook reductie-eenheden gegenereerd met JI- en CDM projecten worden ingepast in het Europese stelsel van emissiehandel.Ja
4.Overeenstemming in Raadskader voor een strategie voor de EU-inzet voor nadere reductiemaatregelen voor de periode na 2012.Nee

Ad 1:

Mede dankzij een actieve lobby van de EU ratificeerde Rusland in november 2004 het Kyoto-protocol, waardoor dit in februari 2005 in werking kan treden.

Ad 2+3:

In 2004 werd overeenstemming bereikt tussen de Raad en het Europees Parlement over de ontwerprichtlijn CO2-emissiehandel. Ook werd overeenstemming bereikt over een aanvullende regeling die het mogelijk maakt dat emissiereductie-eenheden die zijn gegenereerd met de Kyoto-instrumenten Joint Implementation en Clean Development Mechanism kunnen worden ingewisseld voor EU-emissierechten.

Ad 4:

Het bleek vooralsnog niet mogelijk overeenstemming te bereiken over een strategie voor de EU-inzet voor nadere reductiemaatregelen voor de periode na 2012.

Geoperationaliseerde doelstelling 8: Bescherming en duurzaam gebruik van biodiversiteit

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.In kader van de CBD (Conventie inzake Biologische Diversiteit) een werkprogramma opstellen over bescherming van kwetsbare gebie- den en soorten door het instellen van een wereldwijde ecologische hoofdstructuur.Ja
2.In CBD-verband de kaders vastleggen voor de voorwaarden van duurzaam gebruik van de biodiversiteit en afspraken maken over de verdeling van de opbrengsten hiervan.Ja
3.In CBD-verband een set van indicatoren opstellen om het bereiken van de doelstellingen van de CBD te meten.Ja

Ad 1+2:

In het kader van de CBD is overeenstemming bereikt over een Werkprogramma voor Beschermde Gebieden, waarbij ook het belang van integrale benaderingen zoals ecologische netwerken wordt onderstreept. Er zijn richtlijnen opgesteld voor duurzaam gebruik van biodiversiteit. Tevens zijn de uitgangspunten voor de verdere uitwerking van een internationaal regime voor eerlijke toegang en verdeling van de voordelen van genetische bronnen geformuleerd.

Geoperationaliseerde doelstelling 9: Verantwoord omgaan met genetisch gemodificeerde organismen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Met Staten Partijen bij het Cartagena Protocol overeenstemming bereiken over de precieze documentatie die bulkpartijen van GGO-producten moet vergezellen.Gedeeltelijk
2.Bereiken dat een eind komt aan het de facto moratorium op de toelating tot de Europese markt van nieuwe GGO's.Ja

Ad 1:

Tijdens de eerste bijeenkomst van Partijen bij het Cartagena Protocol van 23–27 februari 2004 is vooruitgang geboekt ten aanzien van adequate documentatievereisten voor bulkladingen van GGOs. Een EU-positie over dit onderwerp zal worden afgerond voor de tweede bijeenkomst van Partijen bij het Cartagena Protocol in 2005.

Geoperationaliseerde doelstelling 10: Implementatie van het Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming (UNCCD)

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Inhoudelijke en financiële ondersteuning ten behoeve van de uitvoering van het nieuwe operationele programma van de Global Environment Facility met betrekking tot landdegradatie dat in 2003 is goedgekeurd.Ja
2.Integratie van de in 2003 in UNCCD-kader genomen besluiten in de Nederlandse bilaterale en multilaterale samenwerking, met speciale aandacht voor Afrika.Ja

Ad 1:

Nederland heeft ondersteuning toegezegd aan het multi-donorprogramma TerrAfrica dat door de Wereldbank gecoördineerd wordt. Dit programma is gericht op het bevorderen van een nieuw model voor het vormgeven en uitvoeren van duurzaam landbeheer en stelt alle betrokken partijen in staat in nauwe samenwerking de negatieve effecten op landbouw, milieu, economie en maatschappij van landdegradatie in kwetsbare Afrikaanse landen te voorkomen dan wel aan te pakken.

Ad 2:

In bilateraal en OESO-kader is aandacht gegeven aan de besluiten van de UNCCD. In het nationaal rapport 2004 voor de UNCCD is specifiek aandacht besteed aan de inspanningen van Nederland in Afrika.

Geoperationaliseerde doelstelling 11: Vergroten van maritieme veiligheid

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Snelle, volledige en uniforme uitvoering en handhaving van maatregelen in kader van de zogenoemde Erika- en Prestigepakketten over maritieme veiligheid (zoals sancties voor milieumisdrijven en versnelde uitfasering enkelwandige olietankers).Gedeeltelijk
2.Harmonisering van maatregelen te bereiken op mondiaal niveau.Gedeeltelijk

Ad 1:

De Raad heeft een gemeenschappelijk standpunt aangenomen over de ontwerp-richtlijn inzake sancties bij verontreiniging vanaf schepen. De tweede lezing door het Europees Parlement volgt in 2005. Ook werd de Raad het eens over de algemene oriëntatie ten aanzien van het bij deze richtlijn behorende ontwerp-kaderbesluit tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van verontreiniging vanaf schepen.

Ad 2:

De EU-richtlijn inzake extra versnelde uitfasering van enkelwandige olietankers die in 2003 van kracht is geworden naar aanleiding van het ongeluk van de olietanker Prestige voor de Spaanse kust, is in IMO-kader overgenomen en zal in april 2005 mondiaal van kracht worden.

Geoperationaliseerde doelstelling 12: Vergroten van de nucleaire veiligheid

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Goedkeuring door het Nederlandse parlement van de overeenkomst inzake het Multilateral Nuclear Environmental Programme in Russia (MNEPR).Ja
2.Start van fase 2 van het Lepse Fuel Retrieval project dat gericht is op de verwijdering van gedeeltelijk beschadigde brandstofstaven uit het schip «Lepse» in de haven van Moermansk.Nee
3.Start door het Northern Dimension Environmental Partnership Fund met de rehabilitatie van de voormalige nucleaire opslagplaats aan de Baai van Andreev op het Kola Schiereiland. Nederland heeft voor de periode 2002–2006 een bijdrage aan dit fonds toegezegd van EUR 10 miljoen ten behoeve van het opruimen van de nucleaire erfenis in de voormalige Sovjet-Unie.Gedeeltelijk

Ad 2:

In het Lepse-project duurt het conflict tussen opdrachtgever en uitvoerder voort. Er wordt momenteel een ultieme poging gedaan om tot een oplossing te komen. Indien deze zonder succes blijft, zal het project wellicht beëindigd moeten worden.

Ad 3:

Er is voortgang geboekt met het opruimen van de nucleaire erfenis van de voormalige Sovjet-Unie in Noord-West Rusland. De Russische autoriteiten hebben een master plan opgesteld, dat door de Westerse donoren is goedgekeurd en dat een strategie en prioriteitstelling omvat.

Geoperationaliseerde doelstelling 13: Verbeterd beheer van het Arctisch en Antarctisch gebied

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.In het kader van het Arctic Council Action Plan (ACAP) van de Arctische Raad zal Nederland een financiële bijdrage leveren aan de derde fase van het project om PCB's (Poly Chlorinated Biphenyls) te verwijderen uit het Russische Arctische gebied, die in 2004 een aanvang zal nemen.Nee
2.Nederland zal op vrijwillige basis een bijdrage leveren aan het functioneren van het secretariaat van het Antarctisch Verdrag in Buenos Aires.Ja

Ad 1:

Er is in 2004 afgezien van een financiële bijdrage aan het verwijderen van PCB's uit het Russische Arctische gebied aangezien de besteding van de bijdrage uit 2003 niet tijdig werd verantwoord.

Ad 2:

In de Arctische Raad is de discussie afgerond over het Arctic Climate Impact Assessment (ACIA). Een Nederlandse diplomaat werd verkozen als Executive Secretary van het Antarctic Treaty System.

Geoperationaliseerde doelstelling 14: Aanscherping van handelsregels

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Afspraken op het terrein van verbetering van markttoegang in sectoren die voor ontwikkelingslanden van belang zijn, zoals landbouw, textiel, diensten, en aanpak van handelsverstorende subsidies.Gedeeltelijk
2.Reductie van tarieven, met name van piektarieven en tariefescala- tie, in het bijzonder voor producten van belang voor ontwikkelingslanden.Gedeeltelijk
3.Navolging door andere ontwikkelde landen binnen de WTO van het Europese voorbeeld inzake het «Everything But Arms» (EBA) initiatief en het (op termijn) verlenen van volledig vrije markttoegang aan de Minst Ontwikkelde Landen (MOL's).Gedeeltelijk
4.Internationaal/binnen de EU draagvlak scheppen voor verbreding van het EBA-initiatief naar producten uit de landen die schuldverlichting genieten uit het Heavily Indebted Poor Countries Initiative (HIPC).Nee
5.Afschaffing van alle vormen van exportsubsidies voor 2015, dan wel eerder voorzover mogelijk, en forse vermindering van binnenlandse steun op het gebied van landbouw, met additionele inspanning voor producten die van groot belang zijn in het kader van armoedevermindering, zoals katoen.Gedeeltelijk
6.De effecten op ontwikkelingslanden worden meegewogen bij het ontwerpen van SPS (Sanitaire en Fyto-Sanitaire) en TBT (Technical Barriers to Trade) maatregelen, zodat er een evenwicht komt tussen de toenemende voedsel-veiligheidseisen en andere productnormen en een grotere markttoegang.Ja
7.Aandacht blijven besteden aan zogenaamde «non-trade concerns» (zoals voedselkwaliteit, dierenwelzijn en plattelandsontwikkeling).Ja

Ad 1+2:

Over markttoegang, voor zowel landbouw- als industrieproducten, waaronder met name tariefpieken en tariefescalatie is het raamwerkakkoord het minst concreet. Het raamwerk formuleert algemene doelstellingen, maar biedt wel ruimte voor instandhouding van hoge tarieven op landbouwproducten die van belang zijn voor ontwikkelingslanden door de introductie van een categorie «gevoelige producten».

Ad 3+4:

In het raamwerkakkoord wordt wel een oproep gedaan het EBA-initiatief te volgen, maar er is nog geen bindend akkoord terzake. Voor verbreding van het EBA-initiatief naar landen die in aanmerking komen voor schuldverlichting uit het HIPC is geen draagvlak gevonden. Wel begint zich draagvlak af te tekenen voor uitbreiding van de MOLs-groep met een aantal kwetsbare lage inkomenslanden tot een MOLs+-groep.

Ad 5:

Eind juli werd in WTO-kader een raamwerkakkoord gesloten waarin is afgesproken de exportsubsidies en vergelijkbare exportsteunvormen op landbouwproducten af te schaffen op een nader te bepalen einddatum. De EU heeft zich hier, mede op Nederlands aandringen, sterk voor gemaakt. Er is reeds vastgelegd dat de totale productiegekoppelde steun in het eerste jaar met twintig procent zal worden verlaagd. Bovendien is een eerste stap gezet richting productspecifieke vermindering van steun door productspecifieke steunplafonds in te stellen. Hiermee kunnen onwenselijke verschuivingen van subsidiestromen tussen producten worden tegengegaan.

Het door Nederland in de aanloop naar Cancun reeds benadrukte bijzondere belang van katoen is erkend met de instelling van een subgroep binnen de onderhandelingsgroep over landbouw.

Ad 6:

Bij het ontwerp van nieuwe regelgeving op het gebied van officiële controles van voedsel en diervoeders werden door actieve Nederlandse inbreng de effecten op ontwikkelingslanden meegewogen. De regeling werd zodanig aangepast dat nu onder andere sprake is van een overgangstermijn voor ontwikkelingslanden die gerelateerd is aan technische assistentie en capaciteitsopbouw door de EU.

Ad 7:

Verder droeg Nederland bij aan de versterking van de capaciteit van ontwikkelingslanden om te voldoen aan voedselkwaliteit- en -veiligheidseisen. Dit resulteerde in de oprichting van de Standards and Trade Development Facility, waarin de WTO, de Wereldbank, FAO, WHO, OIE en bilaterale donoren projecten op het gebied van productstandaarden financieren en coördineren.

Ad 7:

Samen met LNV en het Centraal Bureau Levensmiddelen werd een partnerschap opgezet om kleine boeren in Kenia en Senegal te helpen bij het kunnen voldoen aan de Europese detailhandelstandaard EUREPGAP voor tuinbouwproducten.

De ministeries van Economische en Buitenlandse Zaken organiseerden een eerste gezamenlijke handelspolitieke reis naar Oost-Afrika alsmede een groot internationaal seminar over de vraag: Doha: What's in it for Africa? Dit seminar resulteerde in een concrete agenda. Bovendien staat Afrika nu hoog op de agenda van de WTO en de internationale gemeenschap. Tevens bracht Nederland samenwerking op het gebied van handelsbeleid tot stand met onder meer de VN-Commissie voor Afrika (UNECA), de Afrikaanse Unie (AU), de International Lawyers and Economists against Poverty (ILEAP), het Africa Economic Research Consortium (AERC), de Wereldbank en in het WTO Subcomité van de MOLs. Ook deze inspanningen waren erop gericht te bewerkstelligen dat vooral Afrika daadwerkelijk profiteert van de Doha Ontwikkelingsronde.

Nederland droeg bij aan de versterking van de onderhandelingscapaciteit van ontwikkelingslanden ten behoeve van betere handelsregels en de realisatie van de Doha Development Agenda. Nederland gaf daartoe financiële bijdragen aan het Doha Development Agenda Global Trustfund van de WTO, het Joint Integrated Technical Assistance Programme (JITAP), het Integrated Framework (IF), het Agency for International Trade Information and Co-operation (AITIC), het Advisory Centre on WTO Law (ACWL) en een aantal niet-gouvernementele organisaties.

De effectiviteit en efficiëntie van de technische assistentie werd bevorderd door nauwlettende monitoring. De IOB-evaluatie over Handelsgerelateerde Technische Assistentie werd afgerond.

Geoperationaliseerde doelstelling 15: Vergroten OS-coherentie op nationaal en internationaal niveau

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Beter meten en monitoren van de OS-coherentie van het beleid van OESO-landen op terreinen als handel, landbouw, visserij, milieu, investeringen, intellectueel eigendom en de effecten ervan op ontwikkelingslanden en armoedevermindering.Ja
2.Versterken van een overheidsbrede aanpak van OS-coherentie op nationaal, EU- en OESO-niveau, onder andere via een coherentie actieprogramma als resultaat van de OESO Ministerraad in 2004 en beleidsgericht onderzoek en discussie in de relevante OESOcomités.Gedeeltelijk
3.Synergie tussen internationale coherentieinitiatieven van OESO, UNDP, Wereldbank en anderen.Gedeeltelijk
4.Concrete afspraken op een aantal specifieke coherentiedossiers op EU- en multilateraal niveau (zoals inzake katoen, rijst, groente, fruit en suiker in de hervorming van de EU-marktordeningen en WTO- landbouwonderhandelingen, TRIP's (Trade Related Intellectual Property Rights) en gezondheidszorg, duurzame visserijdisciplines in de WTO en een tweezijdige aanpak van productstandaarden).Gedeeltelijk

Ad 1:

Nederland publiceerde in mei 2004 als eerste OESO-land een nationaal MDG-rapport. Daarin wordt verantwoording afgelegd over onze bijdrage aan het realiseren van de VN Millennium Doelstellingen (MDGs), in het bijzonder MDG 8 op het gebied van hulp, handel en schuldverlichting.

Ad 2:

Op Nederlands voorstel besloot de Europese Raad om nieuw EU-beleid systematischer te screenen op gevolgen voor ontwikkelingslanden. Tevens werd afgesproken beleidscoherentie tot één van de drie prioriteiten te maken van de EU-inbreng in de VN MDG+5 evaluatie in 2005.

Ad 2:

Om mogelijke effecten voor ontwikkelingslanden tijdig te onderkennen, voert Nederland sinds 2004 een «coherentietoets» uit bij de eerste beoordeling van nieuwe Commissievoorstellen (BNC-fiches).

Ad 3:

Het horizontale coherentieproject van de OESO werd met Nederlandse steun voortvarend voortgezet. Dit resulteerde onder meer in studies en gezamenlijke besprekingen in het Handels-, Landbouw- en het Visserijcomité. De DAC organiseerde een seminar over de institutionele aanpak van OS-coherentie. Daarbij werd de Nederlandse benadering van horizontale screening van (nieuw) beleid en actiegerichte coherentiedossiers aangeprezen. Nederland gaf een impuls aan de discussie over coherentie in de VS en de samenwerking tussen OESO, UNDP en Wereldbank door de organisatie van een seminar met het Amerikaanse German Marshall Fund in Washington.

Ad 4:

Samen met het ministerie van LNV en een kopgroep van gelijkgezinde lidstaten werd gewerkt aan hervorming van het EU-katoenbeleid. De Landbouwraad besloot tot gedeeltelijke ontkoppeling van de katoensteun per 2006 en een mechanisme om de subsidie-effecten op productie en handel te monitoren. Parallel besloot de RAZEB tot een Katoenpartnerschap met Afrika voor een betere coördinatie van hulp in de katoensector. Door verlenging van het gezamenlijke project van Nederland en een aantal donoren werd de West-Afrikaanse onderhandelingscapaciteit in de WTO versterkt.

Nederland verzekerde onder meer via een informeel netwerk van lidstaten en Commissie aandacht voor specifieke OS-aspecten in de komende hervorming van het EU-suikerbeleid.

Samen met het ministerie van LNV intensiveerde Buitenlandse Zaken de samenwerking met visserij- en OS-deskundigen van gelijkgezinde lidstaten, om meer greep te krijgen op de visserijakkoorden van de EU met Afrikaanse landen. Dit resulteerde onder meer in beperking van de visvangst door Europese boten in Mauritanië, ten gunste van de lokale visserij.

Nederland publiceerde eind 2004 nationale beleidslijnen inzake dwanglicenties voor de export naar ontwikkelingslanden van generieke medicijnen die nog onder octrooi zijn. Daarmee implementeerde Nederland als eerste EU-lidstaat het WTO-besluit over TRIPs en gezondheidszorg van augustus 2003 en schiep het een gunstig precedent voor de komende besluitvorming over een EU-verordening op dit terrein.

Dankzij actieve Nederlandse inzet konden bij de vaststelling van nieuwe EU productstandaarden onnodige handelsbelemmeringen voor ontwikkelingslanden worden voorkomen voor onder andere voedsel en diervoeders, koffie, maca en vervangingsonderdelen voor auto's.

Geoperationaliseerde doelstelling 16: Versterking van de rol van de OESO

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Afronding in 2004 van de discussies in het kader van het nu ruim twee jaar lopende hervormingsproces over met name uitbreiding van de organisatie, besluitvormingsprocedures, de comité structuur, kernactiviteiten van de OESO en de positie van de OESO in het geheel van internationale organisaties.Gedeeltelijk

Ad 1:

In 2004 is overeenstemming bereikt over de OESO «Strategie voor uitbreiding en versterking van de relatie met niet-leden». In dit verband zijn onder meer vier toetredingscriteria geformuleerd en is besloten tot het starten van een global dialogue met een aantal niet-leden (zoals China en Rusland). Naar aanleiding van specifieke aanvragen voor lidmaatschap (Rusland en recent toegetreden EU-lidstaten) bleek dat overeenstemming over de feitelijke uitbreiding van de OESO niet haalbaar was. Wel wordt een proces van strategic engagement ontwikkeld waaraan niet-lidstaten kunnen deelnemen zonder dat evenwel sprake is van automatisch lidmaatschap.

Met het oog op een slagvaardiger OESO is besloten tot invoering per 1 juli 2004 van gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming voor besluiten betreffende voortzetting/stopzetting comités, toewijzing financiële middelen en wijziging van de financiële regelgeving van de OESO.

BELEIDSARTIKEL 2. VREDE, VEILIGHEID EN CONFLICTBEHEERSING

A. Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling van het Nederlandse veiligheidsbeleid is tweeledig:

het waarborgen van de veiligheid van het Nederlandse en bondgenootschappelijke grondgebied;

de bevordering van de internationale vrede, veiligheid en stabiliteit en de internationale rechtsorde door instrumenten van conflictpreventie en crisisbeheersing.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 2 Vrede, veiligheid en conflictbeheersing(EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen17 93129 71449 73877 401160 79588 08872 707
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal 34 14241 82746 96340 99798 08488 1799 905
        
2.1 NAVO 4 1283 808 4 194 3 580 4 8886 317– 1 429
2.2 WEU 1 247 1 719878 1 016 1 209 1 281– 72
2.3 OVSE 4 884 4 271 5 851 5 648 7 9165 478 2 438
2.4 OPCW 110 1 0051 202 1 269 1 331 1 128 203
2.5 CTBTO 1 348 1 384 1 693 1 421 1 4591 569– 110
2.7 POBB/VB 3 446 2 6424 295 2 842 8 075 5 2352 840
2.8 Subsidies en bijdragen 2 706 2 873 3 0173 0953 043 2 971 72
2.9 Stabiliteitsfonds16 273 24 125 25 833 22 126 70 163 64 2005 963
        
Ontvangsten2 8021 106918933816905– 89
        
2.20 Doorberekening subsidies en bijdragen aan andere ministeries2 620816 816 816 816 816 0
2.21 Restituties contributies vrede, veiligheid en conflictbeheersing182 290 102 117 089– 89

Financiële toelichting

Verplichtingen

De verhoging van de verplichtingen met EUR 72,7 miljoen op dit artikel wordt voornamelijk veroorzaakt door de verhoging van de verplichtingen voor het Stabiliteitsfonds als gevolg van een technische mutatie waarbij de verplichtingen van het DDR-programma en vredesopbouwactiviteiten naar het Stabiliteitsfonds zijn overgeheveld (zie brief TK vergaderjaar 2003/2004, 29 200 V, nr. 10). Deze mutatie heeft geen meerjarig kaseffect tot gevolg. Verder zijn er additionele verplichtingen aangegaan die in 2004 en 2005 en verder tot uitgaven leiden. Voor een verklaring van de realisatie wordt verwezen naar de tekst onder de uitgaven.

Uitgaven

Artikel 2.1 NAVO

De onderuitputting van de uitgaven wordt verklaard door het doorschuiven van het voor 2004 gereserveerde bedrag voor de bouw van het nieuwe NAVO-hoofdkwartier naar 2005.

Artikel 2.3 OVSE

Tot en met 2003 werd de veldmissie Kosovo verantwoord uit artikel 6. Vanaf 2004 wordt de bijdrage aan de veldmissies onder dit onderhavige artikel verantwoord. Tezamen met een bijstelling van de Nederlandse contributie aan de OVSE en een hogere bijdrage aan de financiering van veldmissies leidde dit tot een verhoging van EUR 2,4 miljoen.

Artikel 2.7 POBB/VB

De incidentele ophoging van dit artikel is het gevolg van het nakomen van verdragsverplichtingen onder het Chemische Wapens-project in Kambarka met EUR 2 miljoen en een bijdrage aan de VN Protection Force in Irak.

Artikel 2.9 Stabiliteitsfonds

De meeruitgaven door het Stabiliteitsfonds met EUR 6,0 miljoen zijn onder meer het gevolg van de ondersteuning van de AU-vredesmacht in Darfur, de Mali Vredesschool en het Kofi Annan International Peacekeeping Training Centre in Ghana.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: De krijgsmacht moet in staat zijn tot een kwalitatief en technologische hoogwaardige militaire bijdrage aan internationale operaties in alle delen van het geweldsspectrum, ook in de beginfase van een operatie

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Adequate Nederlandse bijdrage aan regionale stabiliteit door middel van crisisbeheersingsoperaties, politie- en waarnemersmissies.Ja
2.Nauwe samenwerking tussen de NAVO en de EU bij de voorbereidingen op een grotere operationele rol van laatstgenoemde organisatie op de Balkan.Ja
3.Effectieve civiel-militaire samenwerking, vooral binnen de EU.Ja
4.Coherent en geïntegreerd veiligheidsbeleid (met inzet van ODA en non-ODA middelen) onder meer met behulp van het StabiliteitsfondsJa
5.Een op gang gebrachte discussie in OESO/DAC-kader over de noodzaak tot herziening van de OESO/DAC-criteria over de ODA-biliteit van ondersteuning van activiteiten op veiligheidsterrein.Ja

Ad 1+3:

Nederland was in 2004 op een groot aantal plaatsen actief in het kader van internationale crisisbeheersingsoperaties. Naast militaire bijdragen aan missies in Irak, Afghanistan en Bosnië-Herzegovina, werd deelgenomen aan diverse civiele operaties, zoals Proxima (Macedonië), EUPM (EU Police Mission in Bosnië-Herzegovina), EUMM (EU Monitoring Mission op de Balkan), UNFICYP (Cyprus). Ook gaf ons land politieke, financiële en logistieke steun aan de AU-vredesmissies in Soedan en droeg het bij aan hervormingen van de veiligheidssector in de Grote-Merenregio in Afrika, mede ter ondersteuning van de VN-missies ONUB en MONUC.

Ad 2:

De NAVO-operatie te Bosnië-Herzegovina (SFOR) is met ingang van 2 december 2004 succesvol beëindigd, waarna de EU deze operatie als EUFOR heeft overgenomen (operatie Althea). Deze overname was een goed voorbeeld van nauwe en succesvolle samenwerking tussen de NAVO en de EU.

Ad 4:

Het op 1 januari 2004 in werking getreden Stabiliteitsfonds is een adequaatinstrument gebleken van een geïntegreerd buitenlands- en veiligheidsbeleid. In 2004 werden in totaal 122 activiteiten ondersteund op het snijvlak van vrede, veiligheid en ontwikkeling in met name, maar niet exclusief, de drie prioritaire regio's (Grote Meren, Hoorn van Afrika en Balkan), alsmede Afghanistan. De eerste ervaringen met dit instrument zijn positief.

Ad 5:

Nederland heeft zich ingespannen om conform het regeerakkoord een groter deel van de kosten van crisisbeheersingsoperaties in ontwikkelingslanden onder de ODA-definitie te brengen. Dit heeft tijdens de ministeriële bijeenkomst van het DAC in april 2004 geleid tot beperkte resultaten (besluitvorming op basis van consensus), waarbij de activiteiten die worden ontplooid op drie terreinen, namelijk het (civiele) management van de uitgaven ten behoeve van de veiligheidssector, de versterking van de rol van maatschappelijke organisaties in de veiligheidssector en het terugdringen van de rekrutering van kindsoldaten, als ODA-toerekenbaar worden beschouwd.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Terugdringen van internationaal terrorisme

Beleidsprestatie 2004Realisatie
1.Versterkte internationale inspanningen gericht op de preventie, bestrijding en beheersing van het internationale terrorisme, in het bijzonder in het kader van de Verenigde Naties, de Europese Unie en de NAVO.Ja
2.Versterkte implementatie van VN-Veiligheidsraadresolutie 1373, die staten verplicht maatregelen te nemen tegen terroristische organisaties en organisaties die terroristische activiteiten ondersteunen.Ja
3.Verscherpte EU-maatregelen ter bestrijding van financiering van terrorisme, door verbetering implementatie en uitbreidingwerkingssfeer.Ja
4.Versterkte EU-maatregelen ten aanzien van derde landen door middel van het opvoeren van assistentie aan landen die ernst maken met terrorismebestrijding en door middel van een kritischer opstelling, waar nodig gevolgd door aanvullende maatregelen, ten aanzien van landen die onvoldoende aandacht besteden aan terrorismebestrijding.Ja
5.Versterkte aandacht voor terrorismebestrijding in relaties van de EU met derde landen, bijvoorbeeld door opname van een terrorismeclausule in nieuwe samenwerkingsverdragen.Ja
6.Analyse van dreiging van terrorisme vanuit derde landen.Ja
7.Verbeterde aansluiting tussen EU- en NAVO-beleid en nationale implementatie anti-terrorismemaatregelen, met name met het oog op optimale afstemming tussen interne en externe veiligheid.Gedeeltelijk

Ad 1:

Het bij de Europese Raad in juni aanvaarde EU-actieplan voor bestrijding van terrorisme en het in november aanvaarde Haags Programma voor Justitie en Binnenlandse Zaken bevatten een groot aantal maatregelen ter versterking van de veiligheid van het grondgebied van de Unie. Zo zijn afspraken gemaakt voor nauwere samenwerking van inlichtingendiensten en versterking van het EU Situation Center bij het opstellen van dreigingsanalyses.

Tijdens de NAVO-top in Istanboel werd een verzwaard pakket anti-terrorismemaatregelen aangenomen en werd een verdere intensivering van de samenwerking op dit terrein met NAVO-partners overeengekomen.

Ad 3:

De financiering van terrorisme is in EU-kader aangepakt met de aanname van de derde richtlijn witwassen, de verordening ter bestrijding van cash couriers en met het versterken van het bevriezingsinstrumentarium van de EU.

Ad 4:

Op extern beleid heeft de EU haar samenwerking met een groep prioritaire landen, waaronder Marokko, Saoedi-Arabië en Indonesië, versterkt. De relaties met de VS zijn verbeterd door intensieve samenwerking bij bestrijding van onder andere financiering van terrorisme en op het gebied van homeland security.

Ad 7:

Er zat weinig voortgang in de concrete samenwerking tussen de NAVO en de EU op het gebied van de bestrijding van terrorisme, met name vanwege de Turkse blokkade op de verbreding van de EU-NAVO agenda.

▹ De EVDB-dimensie van terrorismebestrijding kreeg vorm met het door de Europese Raad aangenomen «Conceptueel Kader voor de EVDB-bijdrage aan de bestrijding van terrorisme», en een daaraan gekoppeld actieplan.

▹ Nederland heeft ook bilateraal de samenwerking met een aantal prioriteitslanden versterkt. Met de VS zijn intensieve contacten onderhouden, onder meer over bevriezing van tegoeden. Aan Indonesië is een financiële bijdrage geleverd voor het gezamenlijk met Australië opgezette regionale antiterrorismebureau JCLEC.

Geoperationaliseerde doelstelling 3: Regionale conflictpreventie

Beleidsprestatie 2004Realisatie
1.Versterkte lokale opleidingscapaciteiten voor crisisbeheersingsoperaties en waarnemers, inclusief ondersteuning vredesmachtoefeningen en andere vormen van militaire samenwerking.Ja
2.Conflictpreventie als integraal onderdeel van het EVDB en van een gestructureerd Europees veiligheidsbeleid ten aanzien van bepaalde regio's en landen.Gedeeltelijk
3.Verdere stabilisatie van de situatie in Bosnië-Herzegovina waardoor verminderde internationale en Nederlandse militaire presentie mogelijk wordt.Gedeeltelijk
4.Wederopbouw Irak en Afghanistan inclusief democratische veiligheidsstructuren.Gedeeltelijk
5.Zichtbare Nederlandse bijdrage aan het vredesakkoord en verdere stabilisatie in de Hoorn van Afrika.Gedeeltelijk

Ad 1:

Door samenwerking met internationale organisaties als de Afrikaanse Unie (AU), ECOWAS en landen als Zuid-Afrika, is bijgedragen aan een versterking van met name de Afrikaanse capaciteiten op het gebied van crisisbeheersing. Tevens werd deelgenomen aan militaire oefeningen als RECAMP '04 te Benin (onder andere met financiële inbreng uit het Stabiliteitsfonds).

Ad 2:

Met name t.a.v. Afrika heeft het GBVB/EVDB-conflictpreventiebeleid gestalte gekregen. Hierbij wordt nauw samengewerkt met de Afrikaanse Unie en sub-regionale organisaties. Resultaat hiervan is het Actie Plan voor EVDB in Afrika, betreffende onder andere capaciteitsversterking van vredeshandhavingsmissies van Afrikaanse staten en de Afrikaanse organisaties voor vrede en veiligheid (AU, ECOWAS, SADC) en inzet militaire expertise (van EU/EULS) ten behoeve van SSR en DDR in post-conflictsituaties. Voorts zijn de eerste stappen gezet om de EU-watchlist pro-actief te gaan gebruiken. De vertaalslag naar «early action» moet echter nog worden gemaakt.

Ad 3:

In Bosnië-Herzegovina werd SFOR overgenomen door EUFOR. Vooralsnog bleef de Nederlandse bijdrage aan operatie Althea op hetzelfde niveau als de bijdrage aan SFOR.

Ad 4:

In Afghanistan heeft ISAF zich geleidelijk weten uit te breiden. Nederland was in Afghanistan actief met een Apache-detachement in Kaboel, een Provincial Reconstruction Team (PRT) in Baghlan en F-16's en tankercapaciteit ten behoeve van de presidentsverkiezingen. De verkiezingen zijn rustig en zonder noemenswaardige incidenten verlopen. De kiezersregistratie verliep goed hetgeen resulteerde in een hoge opkomst. In het zuiden en westen van het land bleven gebieden onveilig door het optreden van warlords en restanten van de Taliban.

De veiligheidssituatie in delen van Irak was zorgelijk. Met name in de zogenaamde Soennitische driehoek was de onveiligheid groot. De voorbereidingen voor de verkiezingen op 30 januari 2005 werden ter hand genomen en lagen eind 2004 op schema. In de provincie Al-Muthanna, waar het Nederlandse contingent zich bevond, was mede door de Nederlandse militaire inzet sprake van een relatief rustige en stabiele situatie, ondanks enige incidenten waarbij twee Nederlandse militairen omkwamen. Daarnaast heeft Nederland tijdens het EU-voorzitterschap een belangrijke impuls gegeven aan de EU-bijdrage aan stabilisatie van Irak.

Ad 5:

De situatie in Darfur (Soedan) is verder verslechterd ondanks de inspanningen van de internationale gemeenschap een einde te maken aan de vijandigheden aldaar. Enkele Nederlandse waarnemers waren ter plekke actief. Uit het Stabiliteitsfonds is een substantiële financiële bijdrage geleverd aan AUMIS. De vredesonderhandelingen tussen het Noorden en het Zuiden hebben geleid tot een algehele vredesregeling die op 31 december door beide partijen is ondertekend.

Geoperationaliseerde doelstelling 4: Verhoogde veiligheid door samenwerking in NAVO-kader

Beleidsprestatie 2004Realisatie
1.Afgerond Nederlands ratificatieproces NAVO-uitbreiding.Ja
2.Operationalisering van de NATO Response Force.Ja
3.Versterkte militaire capaciteiten op terreinen waar tekortkomingen bestaan.Gedeeltelijk
4.Verdere versterking van de NAVO-RuslandRaad.Ja
5.Grotere rol NAVO bij vredesoperaties waarbij optreden buiten het verdragsgebied niet langer een beletsel hoeft te vormen.Ja

Ad 2:

De NATO Response Force (NRF) werd in oktober 2004, na een initiële implementatiefase, operationeel.

Ad 3:

Tijdens de NAVO-top in Istanboel kon overeenstemming worden bereikt over het ondersteunen van de nieuwe Iraakse regering bij de training van leger en veiligheidsorganisaties. Ook werd tijdens deze bijeenkomst de noodzaak van het vergroten van de inzetbaarheid van de militaire capaciteiten van de NAVO-bondgenoten breed gedeeld.

Ad 4:

De NAVO-Rusland Raad (NRR) bleek een adequaat forum voor praktische samenwerking tussen de NAVO en de Russische Federatie. Binnen het Bondgenootschap bestaat de wens de NRR ook als forum voor politieke dialoog te benutten.

Ad 5:

Optreden van de NAVO buiten het verdragsgebied (out-of-area) stond, zeker na de succesvolle NAVO-rol in Afghanistan, niet meer ter discussie.

Geoperationaliseerde doelstelling 5: Versterkte activiteiten in EVDB-kader

Beleidsprestatie 2004Realisatie
1.Versterkte Europese capaciteiten door de European Capabilities Action Plan panels zo effectief mogelijk te laten optreden. Dit resulteert in daadwerkelijke capaciteitsversterking op die gebieden waar de landen van de EU tekortschieten.Ja
2.Voorbereiding en mogelijke overname door EU van de NAVO-ope- ratie SFOR. Overname van SFOR wordt in 2004 of 2005 voorzien.Ja
3.Verbreding en verdieping van de relatie tussen EU en NAVO. De samenwerking tussen EU en NAVO is op dit moment vooral gericht op samenwerking op het gebied van crisisbeheersingsoperaties. Nederland streeft al geruime tijd naar verbreding van de agenda. Daarom dient in 2004 een brede veiligheidsdialoog tussen beide organisaties te zijn ontwikkeld, en waar mogelijk samenwerking, over onderwerpen die zowel in de EU als in de NAVO van belang zijn.Gedeeltelijk
4.De discussie tussen de EU en de VS over de frequentiekeuze van een eventuele, zwaar beveiligde, Public Regulated Service van Galileo dient een voor alle betrokken partijen bevredigende uitkomst te hebben.Ja
5.Implementatie van de EU-veiligheidsstrategie.Gedeeltelijk

Ad 1:

Tijdens het EU-voorzitterschap werd belangrijke vooruitgang geboekt op het terrein van de civiele en militaire capaciteitsversterking. In november organiseerde het Nederlandse voorzitterschap de CCCC (Civiele Capaciteiten Commitment Conferentie), waar toezeggingen door de lidstaten werden gedaan voor capaciteiten op het gebied van politie, rule of law, openbaar bestuur en civiele bescherming. De kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen die door de Europese Raad waren gesteld werden ruim overschreden. Tevens vond een MCCC (Militaire Capaciteiten Commitment Conferentie) plaats, die onder meer resulteerde in de vorming van in totaal dertien zogeheten EU Battle Groups.

Ad 2:

In december werd SFOR overgenomen door de EU-geleide operatie Althea (Bosnië). Daarnaast ging een rule of law-missie naar Georgië van start. Tevens werd besloten tot uitzending van een planningsteam ter voorbereiding op een mogelijke civiele EVDB-missie voor Irak, die naar verwachting na de verkiezingen van januari 2005 van start zal gaan.

Ad 3:

Het bleek moeilijk de NAVO-EU-samenwerking te verbreden naar andere terreinen dan crisismanagement en capaciteiten, vanwege een Turkse blokkade op bijeenkomsten over dergelijke onderwerpen in aanwezigheid van Cyprus (en Malta).

Ad 4:

Mede door Nederlandse inzet kon een akkoord tussen de EU en de VS worden bereikt over Galileo, het EU-satellietnavigatiesysteem.

Ad 5:

Implementatie van de EU-veiligheidsstrategie is een continu proces.

Geoperationaliseerde doelstelling 6: Versterking veiligheid en samenwerking in OVSE-kader

Beleidsprestatie 2004Realisatie
1.Vergrote complementariteit tussen de activiteiten van de OVSE en de activiteiten van andere internationale organisaties (VN, NAVO, EU, Raad van Europa).Gedeeltelijk
2.Regionale kwesties en punten van aandacht die tijdens het Nederlandse voorzitterschap in 2003 hoog op de OVSE-agenda zijn gezet, krijgen ook in 2004 voldoende aandacht, met name Moldavië, Georgië, de landen van Centraal-Azië, Nagorno-Karabach, de Balkan en Tsjetsjenië.Gedeeltelijk
3.Een evenwichtige benadering van de veiligheidspolitieke, de economisch-ecologische en de menselijke dimensie van de OVSE, mede op basis van de nieuwe strategie voor de OVSE.Gedeeltelijk
4.Nieuwe impulsen ten aanzien van de OVSE taken op de gebieden van democratisering, rule of law, de vrijheid van de media en het respect voor de rechten van de mens. In 2004 zal ook worden doorgegaan met het geven van impulsen aan de ontwikkeling van de civil society, dat immers ook tot de wezenlijke taken van de OVSEbehoort.Ja
5.Veldmissies functioneren beter, conform de afspraken die hierover in 2003 zijn gemaakt.Ja
6.Verbetering financieel beheer van de OVSE en nieuwe opzet van de begroting.Gedeeltelijk
7.Verhoging transparantie personeelsbeleid van de OVSE.Gedeeltelijk
8.Gezamenlijk optreden en coördinatie van de geledingen van de OVSE worden in 2004 versterkt.Gedeeltelijk

Ad 1:

De EU formuleerde onder Nederlands voorzitterschap een gezamenlijke visie en inzet ten aanzien van de OVSE, die naast algemene doelstellingen voor de langere termijn richtlijnen geeft voor de bepaling van jaarlijks na te streven resultaten.

Ad 2:

Ondanks voortdurende internationaal gecoördineerde inspanningen om beweging te krijgen in de regionale conflicten in Georgië, Moldavië, Tsjetsjenië en Nagorny-Karabach, bleken betrokken partijen niet bereid een oplossing dichterbij te brengen.

Ad 3:

Rusland en enkele landen van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) maakten zich sterk voor hervorming van de OVSE op een manier waarop het acquis, zoals zich dat in de laatste dertig jaar sinds de Helsinki Akkoorden heeft ontwikkeld, in gevaar dreigt te komen. Vanuit de EU is eensgezind ingezet op het onverkorte behoud van de OVSE-beginselen.

Ad 4:

Een OVSE-verkiezingswaarnemingsmissie stelde grootscheepse fraude vast in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen in Oekraïne. Onder Nederlands voorzitterschap kon de EU hierop met succes inspelen en een belangrijke bemiddelende rol spelen. Daarmee werd het belang van OVSE-beginselen als democratie, rule of law, mediavrijheid en mensenrechten bevestigd.

Ad 6:

De invoering van het systeem IRMA heeft voor het financieel beheer van de OVSE tot verbeteringen geleid. Desalniettemin bestaat over de opzet van het budget binnen de OVSE vooralsnog geen overeenstemming.

Ad 7:

Er is in 2003 onder het Nederlands OVSE-voorzitterschap een verbeterd systeem ingevoerd van personeelsbenoemingen dat geleid heeft tot een transparanter personeelsbeleid in 2004.

Geoperationaliseerde doelstelling 7: Non-proliferatie en vernietiging van massavernietigingswapens

Beleidsprestatie 2004Realisatie
1.Versterkte non-proliferatie- en ontwapeningsinstrumenten en politieke herbevestiging van het belang van de verdragen.Gedeeltelijk
2.Krachtige internationale en nationale handhaving van de bestaande richtlijnen van de exportcontroleregimes.Gedeeltelijk
3.Verbeterde bescherming bevolking tegen mogelijk gebruik van nucleaire, biologische, chemische of radiologische middelen.Gedeeltelijk
4.Verminderde voorraden, dan wel veilige opslag oude massavernietigingswapens in Russische Federatie, zoals verdragsmatig bepaald.Gedeeltelijk

Ad 1:

Tijdens het derde Preparatory Committee ter voorbereiding van de Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatie Verdrag in 2005 werd in procedureel en organisatorisch opzicht de nodige vooruitgang geboekt. Over inhoudelijke kwesties werd echter geen overeenstemming bereikt.

Ad 1+2:

In lijn met en ter bevordering van implementatie van de EU-non-proliferatiestrategie werden onder Nederlands voorzitterschap wereldwijde inspanningen ondernomen ten behoeve van de universaliteit van instrumenten als het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBT), het Biologische Wapensverdrag, de Haagse Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten (HCOC) en de Additionele Protocollen bij de IAEA Waarborgenovereenkomsten.

Ad 1+2:

Onder het Nederlandse voorzitterschap is non-proliferatie een standaard onderwerp geworden in de relaties van de Unie met derde landen. Zo werd tijdens de Europese top met China een verklaring ondertekend waarin China en de EU wederzijdse steun voor non-proliferatie, ontwapening en wapenbeheersing benadrukken en werd in het Associatie-akkoord met Syrië een sterke non-proliferatieclausule opgenomen.

Ad 1+2:

Het akkoord tussen de E3 (Duitsland, Frankrijk en VK) en Iran, alsmede Irans instemming met volledige opschorting van alle verrijkings- en opwerkingsgerelateerde activiteiten, hebben de weg vrijgemaakt voor onderhandelingen over een lange-termijn-overeenkomst.

Ad 4:

De beperkte absorptiecapaciteit aan Russische zijde stelde grenzen aan de mogelijkheden voor versnelde en verbeterde implementatie van projecten in de Russische Federatie

Geoperationaliseerde doelstelling 8: Terugdringen c.q. beheersen van conventionele wapens

Beleidsprestatie 2004Realisatie
1.Onder Nederlands voorzitterschap bereikte overeenstemming tussen CWV-verdragspartijen over de tekst van een protocol inzake ontplofbare oorlogsresten. Deelname door zoveel mogelijk landen.Ja
2.In Deskundigengroep van het Conventionele Wapens Verdrag is akkoord bereikt over onderhandelingsmandaat voor juridisch instrument inzake anti-voertuig mijnen.Nee
3.Totstandkoming van een goedkeuringswet aangaande de uitbreiding van de reikwijdte van het Conventionele Wapensverdrag en de bijbehorende Protocollen tot interne conflicten.Ja
4.Versterkt instrumentarium en implementatie van internationale afspraken die zijn gericht op het voorkomen van illegale (tussen)handel in kleine en lichte wapens zoals het VN-Actieprogramma, het OVSE-document, de EU-Joint Action, en andere regionale documenten zoals het Nairobi Document en het SADC-Vuurwapenprotocol.Ja
5.Naleving door alle Verdragspartijen van het Ottawa Verdrag over anti-personeel mijnen en verbeterde samenwerking van de verdragspartijen bij de uitvoering van het Verdrag. Tevens kwalitatieve en kwantitatieve verbetering van de rapportages over mijnen aan de VN. Toename van het aantal landen dat zich aansluit bij het Verdrag.Gedeeltelijk
6.Bestendiging van de rol van het CSE-Verdrag in de Europese veiligheidsstructuur.Nee
7.Deelname van zo groot mogelijk aantal landen aan het VN-wapen- register en verdere versterking ervan.Ja
8.Start van projecten onder een nieuw OVSE-instrument, op basis van een Nederlands-Frans initiatief, met betrekking tot de risico's van surplus munitievoorraden in het OVSE-gebied.Ja

Ad 2+5:

Het aantal partijen bij het Ottawa Verdrag inzake anti-personeelmijnen nam verder toe. Tijdens de succesvol verlopen eerste toetsingsconferentie in november jl. in Nairobi kon de 144ste verdragspartij worden verwelkomd. Nederland heeft zowel in de aanloop naar als tijdens deze conferentie een actieve rol gespeeld. Er is nog geen overeenstemming bereikt over een onderhandelingsmandaat voor een verdrag inzake anti-voertuigmijnen, met name omdat de Russische Federatie (vooralsnog) niet meewerkt.

Ad 4:

Op het gebied van kleine wapens werd in 2004 begonnen met onderhandelingen over een VN-verdrag inzake de opsporing en tracering van kleine wapens. Nederland en de EU spelen hierbij een belangrijke rol en hopen deze onderhandelingen in de zomer van 2005 af te ronden met een juridisch bindend verdrag. Onder Nederlands voorzitterschap kon overeenstemming worden bereikt over een gezamenlijke EU-inzet bij deze onderhandelingen. Tevens werd overeenstemming bereikt over actieve EU-ondersteuning van een aantal projecten op kleine-wapensgebied. Daarnaast heeft Nederland uit het Stabiliteitsfonds bilateraal een aantal kleine-wapensprojecten gesteund. In de OVSE werd op Nederlands initiatief overeenstemming bereikt over een document inzake betere controle op de tussenhandel in kleine wapens.

Ad 6:

Er kon geen voortgang worden geboekt ten aanzien van de inwerkingtreding van het aangepaste CSE-Verdrag (Conventionele Strijdkrachten in Europa) als gevolg van de voortdurende impasse tussen de RF en de NAVO over de Russische verplichtingen inzake de terugtrekking uit Georgië en Moldavië.

Geoperationaliseerde doelstelling 9: Restrictieve en transparante handel in wapens

Beleidsprestatie 2004Realisatie
1.Toevoeging van relevante aanvullende informatie over dit beleidsterrein aan het jaarrapport wapenexportbeleid.Ja
2.Goede inhoudelijke afstemming van het wapenexportbeleid van de EU-lidstaten.Ja
3.Aangescherpt wapenexportbeleid van kandidaat-lidstaten en controle op wapenexport door deze landen in overeenstemming met de uit EU-Gedragscode voortvloeiende verplichtingen.Gedeeltelijk
4.Internationale overeenstemming over elementen die de basis kunnen vormen voor nationale wetgeving op het gebied van tussenhandel in kleine wapens.Gedeeltelijk

Ad 1:

Het nationale jaarrapport wapenexportbeleid werd uitgebreid met een overzicht van in 2003 verkocht overtollig defensiematerieel.

Ad 2+3:

Onder Nederlands voorzitterschap kon de herziening en versterking van de EU-Gedragscode inzake wapenexport vrijwel worden afgerond. Tevens kon de samenwerking tussen de EU en de kandidaat-lidstaten en Noorwegen op wapenexportgebied worden versterkt. Tijdens het voorzitterschap werden de contacten op dit gebied met het Europees Parlement aangehaald.

Ad 2:

Er kon nog geen overeenstemming worden bereikt over een nieuw EU-instrument met extra maatregelen ten aanzien van wapenexport naar post-embargolanden (toolbox), omdat enkele lidstaten besluitvorming terzake en herziening van de gedragscode koppelden aan de totstandkoming van een besluit tot opheffing van het wapenembargo tegen China.

Ad 4:

In de VN werd op EU-initiatief overeenstemming bereikt over het begin van internationale onderhandelingen over betere controle op de tussenhandel in kleine en lichte wapens.

Geoperationaliseerde doelstelling 10: Bijdragen aan de ontwikkeling van een effectief defensiematerieelbeleid in Europees en internationaal kader

Bijdragen aan de ontwikkeling van een effectief defensiematerieelbeleid in Europees en internationaal kader in 2004Realisatie
1.Toetreding van Nederland tot de «Organisation Conjointe de Cooperation en Matiere d'Armament» (OCCAR)Nee
2.Inperking van de reikwijdte van art. 296 EU-Verdrag, dat maatregelen van de lidstaten betreffende de productie en handel in militair materieel uitsluit van de werking van het EU-VerdragGedeeltelijk

Ad 1:

Vooralsnog is Nederland niet toegetreden tot OCCAR, omdat het zich primair gericht heeft op materieelsamenwerking in het kader van het Europees Defensie Agentschap. In 2004 werd overeenstemming bereikt over de oprichting van dit agentschap en werd het geoperationaliseerd. Nederland heeft daarbij een actieve rol gespeeld en onder meer aangedrongen op goede samenwerking met derde landen en andere relevante organisaties, zoals de NAVO.

Ad 2:

Onder leiding van de Commissie is een discussie gestart over de reikwijdte van art. 296 EU-Verdrag.

BELEIDSARTIKEL 3. HUMANITAIRE HULP

A. Algemene beleidsdoelstelling

Algemene beleidsdoelstelling van humanitaire hulp is de leniging van levensbedreigende humanitaire noden als gevolg van (chronische) crisissituaties en natuurrampen. Humanitaire hulp wordt in principe wereldwijd verleend, maar in het bijzonder in een tiental crisisgebieden in ontwikkelingslanden. Humanitair ontmijnen maakt budgettair gezien onderdeel uit van het Stabiliteitsfonds, maar is beleidsinhoudelijk onderdeel van de humanitaire hulpverlening.

De belangrijkste uitgangspunten voor verlening van humanitaire hulp zijn het «humanitair imperatief» (hulp wordt daar verleend waar dat het meest noodzakelijk is), alsmede de uitgangspunten van onpartijdigheid, onafhankelijkheid en neutraliteit. Deze uitgangspunten zijn vastgelegd in onder meer de Geneefse en Haagse Conventies en moeten garanderen dat humanitaire hulp (niet alleen de Nederlandse) los van nationaal-politieke overwegingen wordt verleend.

Richtinggevend voor de Nederlandse humanitaire inspanningen is het Consolidated Appeal Process (CAP), dat onder leiding van het Office for the Coordination of Humanitarian Affairs« (OCHA) in gang wordt gezet. Deze Appeals zijn tevens de basis voor financiering van VN-activiteiten, en bevatten onder meer een inschatting van noden en prioriteiten.

Nederland stelt naast de bijdragen voor projecten en programma's aan UNHCR, WFP en UNRWA substantiële vrijwillige, multilaterale bijdragen beschikbaar, die de organisatie in staat stellen hun werk te blijven doen, wanneer en waar er geen geoormerkte middelen door donoren worden gegeven. De Nederlandse werkwijze komt in dit opzicht overeen met die van de meeste andere grote donoren.

In 2004 is een aanvang gemaakt met de evaluatie van de Nederlandse humanitaire hulp gedurende de periode 2000–2004, onder verantwoordelijkheid van de afdeling IOB van dit ministerie. De evaluatie zelf zal in 2005 haar beslag krijgen. Daarnaast zijn enkele project- en programmaevaluaties uitgevoerd, waarvan diverse in multidonorverband, waaronder een multidonor-evaluatie in EU-kader van de steun aan ontheemden (IDP's) in diverse landen, die voor een deel door Nederland (IOB) werd getrokken.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 3 Humanitaire hulp(EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen231 962247 110254 019203 591249 910173 58676 324
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal201 823234 162243 764218 207249 915173 58676 329
        
3.1 NoodhulpOntwikkelingslanden115 597144 176151 731134 344160 34984 17676 173
3.2 Noodhulpniet-DAClanden6 3204 3384 4353 7654 4684 313155
3.4 VN-Vluchtelingenprogramma's54 77658 24960 19852 69857 69857 6980
3.5 Wereldvoedselprogramma24 95827 22727 22727 22727 22727 2270
3.6 Internationaal Comite Rode Kruis1721721731731731721
        
Ontvangsten153323232032– 32
        
3.20 Doorberekening ICRC aan Defensie153323232032– 32

Financiële toelichting

Uitgaven

Artikel 3.1 Noodhulp ontwikkelingslanden

De aanzienlijke bijstelling van het noodhulpbudget kent diverse oorzaken. Reeds vroeg in het jaar is het structurele budget voor noodhulp verhoogd tot EUR 100 miljoen per jaar. Voorts zijn incidentele verhogingen gebruikt voor de Nederlandse bijdragen aan de zogenaamde Consolidated Appeals van de VN, met name voor de appeals voor Soedan, de Grote Meren regio (Burundi, Uganda, DRC Congo, en West-Afrika). Ook voor de hongerdreiging in Kenia, de watersnood in Bangladesh, het Emergency Appeal ten behoeve van de bevolking van de Palestijnse Gebieden (EUR 3 miljoen) en de tsunami in Azië zijn middelen ter beschikking gesteld.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: Internationale organisaties en NGO's een adequate en effectieve bijdrage laten leveren aan de verbetering van de levenomstandigheden van slachtoffers van conflictsituaties en/of natuurrampen.

Beleidsprestaties in 2004Realisatie
1.Toegenomen effectiviteit van een aantal VN-organisaties, onder invloed van de invoering van de zogenaamde Kanaalfinancieringsovereenkomsten (KFO's). Deze zijn in 2003 afgesloten met de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR, het Wereld Voedselprogram- ma WFP, UNICEF en het ICRC, en leggen de samenwerking op noodhulpgebied opnieuw vast. Invoering van de KFO's moet leiden tot grotere flexibiliteit en effectiviteit doordat de organisaties eerder in het jaar over Nederlandse bijdragen kunnen beschikken, en grotere beleidsvrijheid hebben. Daarnaast is sprake van een geïntensiveerde beleidsdialoog. De KFO's zullen leiden tot verminderde beheerslast bij Nederland en de ontvangende organisaties.Ja
2.Heldere afbakening tussen het instrumentarium voor humanitaire hulp en het nieuwe «TMF-rehabilitatie».Nee
3.Overbrugging (gedeeltelijk) van de kloof tussen humanitaire hulp en wederopbouw, door invoering van het Thematisch Medefinan- cieringsprogrammaRehabilitatie.Gedeeltelijk
4.Onderbrenging van het beleidskader «Humanitair ontmijnen» binnen TMF en stroomlijning van de samenwerking met NGO's (buiten TMF), met als doel vermindering van beheerslast en vergrote aandacht voor inhoud en impact.Ja

Ad 2:

De aansluiting met TMF-rehabilitatie is een van de onderwerpen in een korte beleidsnotitie over humanitaire hulp en de gap (zie ook operationele doelstelling 2), waaraan nog gewerkt wordt.

Ad 4:

Humanitair ontmijnen is ingebed in het programma Thematische Medefinanciering en is vervolgens overgeheveld naar het Stabiliteitsfonds, met handhaving van kwaliteit en financieel volume, en intensivering van de beleidsdialoog met uitvoerende organisaties (VN en gespecialiseerde – buitenlandse – NGO's). Er zijn afspraken met humanitaire NGO's gemaakt over stroomlijning van de samenwerkingsrelaties. Onder meer wordt NGO's de mogelijkheid geboden om onder bepaalde omstandigheden subsidies te ontvangen voor een periode van maximaal 24 maanden, in plaats van twaalf maanden.

▹ Er is een vernieuwd beleidskader voor humanitaire hulp doorgevoerd. Het nieuwe beleidskader is aanmerkelijk korter en duidelijker voor subsidieaanvragers, en minder bewerkelijk voor het departement.

▹ Voor landen en regio's waaraan «structureel» hulp wordt geboden, wordt een kort beleidskader opgesteld. Deze beleidskaders bevatten de uitgangspunten voor de keuze van kanalen en sectoren en de vereisten waaraan subsidieaanvragers moeten voldoen. In 2004 werd een Algemeen Beleidskader opgesteld, met annexen voor Afghanistan, Angola, Grote Meren regio, West Afrika, Noordelijke Kaukasus, Irak, Soedan en Somalië. Daarnaast was er een thematische annex voor «voedselhulp en voedselzekerheid», die met name aan Zuidelijk Afrika en de Hoorn van Afrika ten goede kwam. Voor de Molukken werd niet langer een annex opgesteld.

▹ In Angola is het hulpvolume volgens plan verminderd en wordt voor 2006 beëindiging voorzien. Ook in Irak liep het programma in omvang terug, maar dat was in eerste instantie een gevolg van de toenemende onveiligheid waardoor steeds meer organisaties hun werkzaamheden moesten verminderen of zelfs beëindigen.

▹ Voor Soedan was, met het oog op het Noord-Zuid vredesoverleg, verwacht dat geleidelijk met een uitfasering van humanitaire hulp zou kunnen worden begonnen. Het oplaaiende geweld in Darfur leidde echter tot een grote behoefte aan humanitaire hulp. De vertraging in de ondertekening van het Noord-Zuid vredesverdrag leidde tot het voortduren van de noodzaak van humanitaire financiering in andere delen van het land. Dit werd nog versterkt doordat sommige andere donoren hun geldstroom verlegden van de rest van Soedan naar Darfur.

▹ De humanitaire hulpverlening rond de tsunami-ramp in Azië is voortvarend aangepakt, zowel nationaal als in Europees verband. Kort na de ramp zijn fondsen beschikbaar gesteld aan de meest aangewezen hulpkanalen op een zodanige wijze dat deze de fondsen flexibeler daar konden inzetten waar ze het hardste nodig waren.

▹ Voor het eerst heeft Nederland, naar aanleiding van de aardbeving in Marokko, een Urban Search and Rescue team in het veld gebracht. Eén en ander is in nauwe samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorbereid en uitgevoerd.

▹ Naast bovengenoemde financiering van humanitaire hulpverlening bij nieuwe crises heeft Nederland ook de ondersteuning van hulpverlening in de zogenaamde vergeten crises voortgezet. Dit is van groot belang voor hulpverlenende organisaties en slachtoffers in crises die niet (meer) de belangstelling van politiek en media trekken, zoals Somalië, of Birma.

▹ Nederland verleent humanitaire hulp via derden, waarbij de Verenigde Naties en het ICRC de belangrijkste kanalen zijn. Bij deze ontvangers financiert Nederland in toenemende mate landenprogramma's, in plaats van projecten. ICRC kan de jaarlijkse bijdrage zelfs geheel vrij besteden. Afspraken worden gemaakt in de jaarlijkse beleidsdialoog, terwijl gedurende het jaar via de vertegenwoordigingen in Genève, New York en Rome intensieve contacten worden onderhouden. Nederland staat bij deze partners bekend als een constructieve, maar kritische donor.

Geoperationaliseerde doelstelling 2:Verbeterde kwaliteit en effectiviteit van noodhulpverlening, in nauwe samenwerking met internationale organisaties en NGO's. Nederland zet op dit terrein met name in op verbetering van coördinatie.

Beleidsprestaties in 2004Realisatie
1.Ondersteuning van de positie van OCHA, bijvoorbeeld door de centrale rol van OCHA bij prioriteitstelling binnen Consolidated Appeals te versterken.Ja
2.Concrete vervolgafspraken met gelijkgezinde donoren over de mogelijkheden van pool funding van een Consolidated Appeal (waarbij het Department for International Development – DfID – de leiding heeft).Gedeeltelijk
3.Oplevering van een Nederlandse strategie inzake de verschillende processen die spelen op het terrein van transitie (gap).Gedeeltelijk
4.Verdere afstemming (fine tuning) van de samenwerking met het ministerie van Defensie inzake CIMIC, op basis van het gezamelijke CIMIC-beleidskader.Ja
5.Toegenomen betrokkenheid van NGO's bij het CAP-proces en bij het Common Humanitarian Action Plan (onder meer doordat dit als voorwaarde voor financiering is gesteld).Ja
6.Helderder prioriteitstelling in Consolidated Appeals, onder andere door gebruik van Mid Term Reviews.Ja
7.Goede werkafspraken tussen uitvoerende ontmijnings-NGO's en internationale coördinerende organisaties.Gedeeltelijk

Ad 1:

Nederland heeft een succesvolle rol gespeeld bij de totstandkoming van werkafspraken tussen OCHA en de Europese Commissie, waarbij OCHA de leidende rol heeft bij de coördinatie van internationale rampenrespons (zoals ook diverse malen in VN-verband is bevestigd).

Versterking van humanitaire coördinatie is een belangrijk oogmerk van het Good Humanitarian Donorship (GHD)-proces, en Nederland zet zich er voor in dat dat ook zo zal blijven. 2004 heeft laten zien dat OCHA in de persoon van Jan Egeland een sterke leider heeft, waardoor het zich een hoger profiel kan aanmeten dan voorheen. Dat laat onverlet dat de coördinatie door OCHA soms te wensen over laat, zoals onder andere bleek in Darfur. De regering gaat in deze situaties kritiek op OCHA niet uit de weg, maar blijft het van groot belang vinden de organisatie en haar mandaat te steunen en te versterken.

Ad 2:

Tijdens de tweede conferentie over GHD in oktober 2004 heeft Nederland zich sterk gemaakt voor behoud van momentum en voortzetting van dit beleidsproces, dat op dit moment potentieel de belangrijkste motor voor verbeteringen in de humanitaire sector is. Ten aanzien van zaken als flexibele financieringsmodaliteiten en harmonisatie van donorcondities blijft een deel van de donoren echter terughoudend. Zo is het niet gelukt om het streven om samen met andere donoren te komen tot pooled funding van een consolidated appeal te realiseren. Mede daarom is besloten tot een aparte, informele bijeenkomst over financieringsmodaliteiten in 2005, waar mogelijk een kleinere groep van donoren verdere vooruitgang kan boeken. Het deelproces over definitie en financiële monitoring van humanitaire financiering is onder leiding van Nederland gereed gemaakt voor aanvaarding door de OESO/DAC in 2005.

Ad 3:

In 2004 is begonnen met het ontwikkelen van een beleidslijn inzake de gap, die moet verduidelijken hoe in verschillende categorieën landen de aansluiting tussen humanitaire hulp en rehabilitatie/wederopbouw tot stand zal worden gebracht.

Ad 4:

De Tweede Kamer heeft het Beleidskader CIMIC ondersteund en het is effectief toegepast in Afghanistan en Irak, in nauwe samenwerking met het ministerie van Defensie.

Daarnaast is rond het thema CIMIC een veelheid van activiteiten ontplooid, waaronder presentaties voor NGO's, uitmondend in een gesprek tussen humanitaire NGO's en de Nederlandse minister van Defensie. Daarnaast is in het kader van het EU-voorzitterschap met succes een conferentie georganiseerd rond het thema civiel militaire relaties, waaraan behalve door EU-lidstaten ook werd deelgenomen door de NAVO en het ICRC.

Ad 5:

Mede naar aanleiding van Nederlandse zorgen heeft Emergency Relief Coordinator en leider van OCHA, Jan Egeland zijn veldstaf opgedragen NGO's nauwer te betrekken bij de totstandkoming van de CAP's. Nederland zal hierop ook in de toekomst blijven toezien.

Ad 6:

Ten aanzien van de kwaliteit van de CAP's kan in het algemeen worden gesteld dat deze in 2004 is toegenomen. Zo is er in veel gevallen sprake van realistischer financiële planning, en van helderder prioriteitsstelling. Dit is van groot belang, niet alleen omdat Nederland en andere landen veel in het CAP-proces hebben geïnvesteerd, maar ook omdat kwalitatief goede appeals leiden tot toenemend vertrouwen onder donoren en daardoor tot grotere bereidheid om hulpverlening te (laten) coördineren.

Ad 7:

Tot op heden is in internationaal verband geen oplossing gevonden voor de verstoorde relaties tussen multilaterale ontmijningsorganisaties en ontmijnings-NGO's. Nederland benadrukt in contacten met beide partijen het belang van een verbeterde samenwerking.

▹ In 2004 is een notitie geschreven over de wijze waarop met HIV/AIDS kan worden omgegaan in het kader van humanitaire hulpverlening. Humanitaire hulp kan een weliswaar beperkte maar toch belangrijke bijdrage leveren omdat noodhulp veelal bij mensen terecht komt die niet door overheden of reguliere ontwikkelingssamenwerking worden geholpen.

BELEIDSARTIKEL 4. GOED BESTUUR, MENSENRECHTEN EN VREDESOPBOUW

A. Algemene beleidsdoelstelling

Het bevorderen van mensenrechten, goed bestuur en vredesopbouw in geselecteerde landen.

Het beleid inzake mensenrechten, goed bestuur en vredesopbouw is goeddeels vastgelegd in de aan de Tweede Kamer aangeboden notities terzake. Op het gebied van conflictbeheersing was daarnaast sprake van nieuwe beleidsaccenten. De Nederlandse bijdrage aan vrede en stabiliteit in Afrika werd geïntensiveerd door middel van een geïntegreerd beleid en op basis van een regionale benadering.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 4 Goed bestuur, mensenrechten en vredesopbouw (EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen86 00291 84669 20961 80159 61932 59027 029
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal42 39360 23974 92056 66867 17542 02725 148
        
4.1 Centraal programma GMV in Ontwikkelingslanden17 42026 16038 78824 52625 3059 15816 147
4.2 Matra/goed bestuur21 79030 65432 42728 54437 64829 6008 048
4.3 POBB/MR6878849361 1021 352773579
4.4 Gemeente Initiatieven2 4962 5412 7692 4962 8702 496374

Financiële toelichting

Verplichtingen

De verplichtingenverhoging heeft voornamelijk betrekking op verhogingen voor wederopbouw Irak (EUR 5 miljoen), FSA (EUR 0,6 miljoen), verhoging verkiezingen Congo/Burundi (EUR 8 miljoen) (zie uitgaven 4.1) en de overheveling van Matra-preaccessie van artikel 5 naar artikel 4 (EUR 2 miljoen).

Uitgaven

Artikel 4.1 centraal programma GMV in ontwikkelingslanden

De verhoging van het budget had voornamelijk betrekking op de financiering van een onafhankelijke verkiezingscommissie in DRC (Congo) en op de algemene steun aan de Commission Nationale Electorale Independante (CENI) in Burundi. Tevens heeft de regering besloten tot een eenmalige bijdrage uit algemene middelen van EUR 5 miljoen aan de wederopbouw in Irak. Deze bijdrage die via de begroting van Buitenlandse Zaken is verlopen en daartoe met EUR 5 miljoen is opgehoogd wordt structureel verhoogd met EUR 0,6 miljoen ten behoeve van de Strategische Faciliteit Mensenrechten en Goed Bestuur (FSA).

4.2 Matra/goed bestuur

Doordat de focus van het MATRA-deelprogramma Gemeentelijke Samenwerking met toetredingslanden is verschoven van pre-accessie naar versterking van lokaal bestuur, werden de middelen voor dit programma overgeheveld van artikel 5 (Matra/pre-accesie) naar artikel 4 (Matra/goed bestuur) voor een bedrag van EUR 2,0 miljoen. Daarnaast werd artikel 4.2 met een bedrag van EUR 6,1 miljoen verhoogd omdat de voor eind 2003 geplande betalingen om administratief-technische redenen niet tijdig konden worden verricht en daarom werden doorgeschoven naar 2004. Door de realisatie van de inhaalslag was een opwaartse aanpassing van het totale kasplafond noodzakelijk gebleken.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: Goed bestuur met name op de terreinen van corruptiebestrijding, democratisering, versterking van lokaal bestuur en hervormingen van de juridische sector in voor Nederland prioritaire landen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Samenhangende programma's op het gebied van juridische hervormingen en corruptiebestrijding in geselecteerde landen.Gedeeltelijk
2.Geoperationaliseerde samenwerking met een kenniscentrum op het gebied van de bevordering van juridische hervormingen in ontwik- kelings- en transitielanden.Gedeeltelijk
3.Ondersteunen partnerlanden bij de implementatie van de nieuwe VN-conventie inzake corruptiebestrijding.Nee

Ad 1.

In 2004 is prioriteit gegeven aan de ontwikkeling van een beleidskader goed bestuur, met aanwijzingen over ondermeer rechtsstaat en corruptiebestrijding. In september 2004 kwam de eerste versie van een handboek voor posten en departement over goed bestuur beschikbaar, verrijkt met de inbreng van externe deskundigen. Met de nota Aan Elkaar Verplicht als uitgangspunt vormt het handboek een beleidskader dat de complexiteit van het thema in kaart brengt en concrete handreikingen biedt. Het handboek is breed verspreid en het ligt in de bedoeling het aan te passen naarmate de ervaring in de praktijk daartoe aanleiding geeft.

Ad 1:

In 2004 is voorts veel aandacht uitgegaan naar inbedding van goed bestuur in de analyse van partnerlanden, de strategische planning op ambassades en de rapportage over resultaten.

Ad 2:

De aanbesteding voor een kenniscentrum rechtsprekende macht werd afgerond: het kenniscentrum zal voor een periode van drie jaar met name activiteiten ontwikkelen voor capaciteitsopbouw op het ministerie.

Ad 3:

Het VN-verdrag inzake corruptiebestrijding is nog niet in werking getreden. Ondersteuning van de partnerlanden bij implementatie zal in principe lopen via UNODC. Nederland onderhoudt hierover contacten met UNODC.

Op het gebied van corruptiebestrijding werd de Nederlandse financiële betrokkenheid bij het Utstein Virtual Resource Centre in 2004 beëindigd. In OESO-verband was Nederland in 2004 betrokken bij verbetering van donorcoördinatie bij corruptiebestrijding.

De relatie met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) werd na een IOB evaluatie op een nieuwe leest geschoeid zodat er nu één financiering is voor alle VNG-activiteiten.

Op het gebied van democratisering speelde het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van lidstaten van het Institute for support of Democracy and Electroral Assistance (IDEA) en het in dat kader in Den Haag in maart georganiseerde seminar Democracy in the Arab World. Daarnaast werd een aanvang gemaakt met de evaluatie van verkiezingsondersteuning, waarvan de resultaten in het voorjaar 2005 beschikbaar zullen komen.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Integratie van mensenrechten in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en versterking van regionale activiteiten gericht op verbetering van de implementatie van mensenrechten

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Formalisering van de rol van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechtenbinnen de VN-familie op het terrein van beleidsbepaling en activiteitenplanning op het gebied van implementatie van mensenrechten, ook in het licht van de bredere ontwikkelingsagenda.Gedeeltelijk
2.Versterking van de rol van regionale multilaterale organisaties op het gebied van implementatie van mensenrechten, zoals bijvoorbeeld de OVSE, maar ook van andere regionale mensenrechtenorganisaties of mechanismen zoals de Afrikaanse mensenrechtencommissie.Gedeeltelijk
3.Intensivering van de ondersteuning van mensenrechtenorganisa- ties en hervormingsinitiatieven in de Arabische wereld gericht op verbetering van de mensenrechtensituatie.Gedeeltelijk
4.Operationalisering van de mensenrechtenbenadering in het bilaterale ontwikkelingsamenwerkingsbeleid.Nee

Ad 1:

Nederland heeft ook in 2004 het Bureau van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten financieel en beleidsmatig ondersteund. Het aantreden van Louise Arbour als nieuwe Hoge Commissaris heeft een belangrijke impuls gegeven aan het werk van het bureau, zoals meer betrokkenheid van de VN bij mensenrechtenprogramma's op landenniveau en versterking van de mainstreaming van mensenrechten binnen de VN. Nederland heeft zich voorts zeer ingespannen voor een positieve initiële reactie van de EU op de aanbevelingen van het VN High-Level Panel inzake de versterking van de rol van het bureau. Tenslotte heeft Nederland, mede op basis van de recente ervaringen van het OHCHR in Darfur, een eenmalige extra bijdrage van EUR 1 miljoen gegeven, onder meer voor versterking van de snelle reactiecapaciteit van OHCHR.

Ad 2:

Nederland heeft ook in 2004 het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE financieel ondersteund en een actieve rol gespeeld bij de benoeming van Persoonlijke Vertegenwoordigers van de OVSE voor de bestrijding van onverdraagzaamheid en discriminatie (waaronder antisemitisme en discriminatie tegenover moslims). Voor een actieve inzet voor versterking van andere regionale mensenrechtenorganisaties of mechanismen heeft het in 2004, met name door het EU-voorzitterschap, aan tijd ontbroken.

Ad 3:

De ondersteuning van activiteiten van mensenrechtenorganisaties in de Arabische wereld is in 2004 geïntensiveerd middels de Strategische Faciliteit Mensenrechten en Goed Bestuur (FSA). Zo is in Marokko ingehaakt op de recente wetswijziging die een verbetering van de positie van de vrouw beoogt en werd regiobreed een bijdrage geleverd aan een fonds ter ondersteuning van capaciteitsopbouw van lokale mensenrechtenorganisaties.

Ad 4:

Door het EU-voorzitterschap is er in 2004 weinig tijd geweest voor het operationaliseren van de mensenrechtenbenadering in het bilaterale ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. In 2005 zal hier nadrukkelijk aandacht aan worden gegeven. Zie ook beleidsartikel 1, geoperationaliseerde doelstelling 4.

Geoperationaliseerde doelstelling 3: Vredesopbouw met name door de ondersteuning van vredesdialogen, van hervormingen binnen de veiligheidssector en van wederopbouwprocessen in voor Nederland in dit kader prioritaire landen/regio's

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Ondersteunen van vredesdialogen in de Grote Meren en de Hoorn van AfrikaJa
2.Toepassing van de stabiliteitanalyseGedeeltelijk
3.Opstellen van een analysekader voor hervorming van de veiligheidssectorJa
4.Overeenstemming met andere donoren over een instrumentarium ter bevordering van transparante defensiebegrotingenNee
5.Bijdrage aan het wederopbouwproces in een selectief aantal landen, waaronder het leveren van een operationele inzet op het gebied van civiele crisisbeheersing. Middelen komen ten laste van het StabiliteitsfondsJa

Ad 1:

In de Grote-Merenregio werd een bijdrage geleverd aan de bevordering van vrede, veiligheid en ontwikkeling. Specifieke aandacht ging uit naar de verkiezingen, politiehervorming en integratie van leger en rebellen in Burundi. In de gehele regio werd een bijdrage geleverd aan demobilisatie en reïntegratie via het Multi-country Demobilisation and Reintegration Program van de Wereldbank. De uitvoering van dit laatste programma stuitte overigens op ernstige problemen, deels van politieke aard (gebrek aan overeenstemming tussen partijen) deels van technische aard (uitvoeringsmodaliteiten en -capaciteit Wereldbank). In multi-donor verband werd de wederopbouw van Soedan voorbereid. Ook werd bijgedragen aan de wederopbouw van Afghanistan, als aanvulling op de Nederlandse bijdragen via het Afghanistan Reconstruction Trust Fund (ARTF), door het ondersteunen van activiteiten op het snijvlak van vrede, veiligheid en ontwikkeling.

Ad 2+3:

Analysekaders werden opgesteld voor de stabiliteitssituatie in een land en voor hervorming van de veiligheidssector. Toepassing van dit laatste analysekader in Rwanda is voorbereid. Voor Soedan en Afghanistan zijn voorbereidingen gestart voor de meer algemene stabiliteitanalyse.

Ad 4:

Er is nog geen internationale overeenstemming bereikt over een instrumentarium ter bevordering van transparante defensiebegrotingen.

Ad 5:

In EU CIVCOM verband werd bijgedragen aan civiele crisisbeheersing op het gebied van Rule of Law in Georgië door experts ter beschikking te stellen voor hervorming van het strafrechtelijk systeem. In Irak is bijgedragen aan het voorbereiden van een brede, geïntegreerde civiele inzet in EU-verband door een persoon te leveren voor het EU-expertteam.

Geoperationaliseerde doelstelling 4: Ondersteuning van het maatschappelijk transformatieproces, gericht op de door Nederland gewenste vestiging van democratisch geregeerde rechtsstaten in vijftien Midden- en Oost-Europese landen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Versterkte capaciteit van niet-gouvernementele organisaties, lokale bestuursorganisatie en (waar mogelijk) instellingen van centrale overheden in Midden- en Oost-Europa.Ja
2.Actieve betrokkenheid van Nederlandse maatschappelijke organisaties bij de samenwerking met Midden- en Oost-Europa, en daardoor meer draagvlak in Nederland ten behoeve van deze samenwerking.Ja

BELEIDSARTIKEL 5. EUROPESE SAMENWERKING

A. Algemene beleidsdoelstelling

De Europese Unie stelt zich tot doel de economische en sociale vooruitgang te bevorderen, haar identiteit op internationaal vlak te bevestigen, de rechten en belangen van de onderdanen te beschermen, een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en verder te ontwikkelen en de Europese regelgeving te handhaven en verder te ontwikkelen teneinde de doeltreffendheid van de mechanismen en instellingen van de Gemeenschap te verzekeren. De Raad van Europa wil de mensenrechten, de pluriforme democratie en gerechtigheid bevorderen alsmede de culturele identiteit en diversiteit van Europa en bijdragen aan oplossingen voor vraagstukken in de Europese samenleving en aan de democratische stabiliteit in Europa. De regering streeft ernaar binnen deze kaders de belangen van Nederland en Nederlanders te bevorderen.

De resultaten die in 2004 gehaald zijn op het gebied van Europese Integratie zijn zo specifiek mogelijk gemaakt. Hier past evenwel een dubbele kanttekening. In de eerste plaats is het Nederlandse standpunt het resultaat van de inbreng van alle vakdepartementen, dat wordt gecoördineerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken. In de tweede plaats is ook op Europees niveau een groot aantal actoren bij de besluitvorming betrokken; na 1 mei 2004 zijn 25 lidstaten betrokken bij de onderhandelingen. Europese samenwerking is in wezen een politiek proces, waarbij de resultaten in de regel compromissen zijn. De doelstellingen waarmee een departement of lidstaat het onderhandelingsproces ingaat zijn dus lang niet altijd identiek aan de uitkomst daarvan.

Tevens geldt dat 2004 een bijzonder jaar was: Nederland was van juli tot en met december voorzitter van de Raad van de Europese Unie. Het ministerie van Buitenlandse Zaken coördineerde de (voorbereiding van de) activiteiten in het kader van het voorzitterschap. Bepaling van deze activiteiten vond plaats met inachtneming van de actuele hoofdpunten van de Europese beleidsagenda zoals de uitbreiding van de Unie, de discussie over de toekomst van de Unie, de Lissabonstrategie, de ontwikkeling van het JBZ-instrumentarium, internationale ontwikkelingen, de vormgeving van de nieuwe financiële perspectieven en een actief, betrokken en slagvaardig extern beleid. De voorzitter heeft de verantwoordelijkheid om besluiten tot stand te laten komen, veelal door middel van het sluiten van compromissen. Dat betekent dat de resultaten die in 2004 zijn gehaald niet per definitie dezelfde waren als het van te voren aangegeven Nederlandse standpunt.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 5 Europese Integratie (EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen1 812 5721 701 5085 132 2245 611 4175 523 9435 719 326– 195 383
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal1 805 9651 699 4475 128 7515 609 4155 526 9395 721 217– 194 278
        
5.1 Vierde eigen middelEU1 790 5981 681 4272 267 7012 680 9362 913 9823 337 567– 423 585
5.2 BTW-afdrachten1 241 4031 195 666713 216649 15164 065
5.3 Landbouwheffingen258 690327 596440 328230 000210 328
5.4 Invoerrechten1 339 8611 382 0351 431 3741 476 000– 44 626
5.5 Matra/pre accessie7 7209 94112 93314 46414 94216 700– 1 758
5.6 Raad van Europa7 2177 3387 4127 9008 2787 782496
5.7 Europese bewustwording4317417518181 9399341 005
5.8 Benelux    2 8803 083– 203
        
Ontvangsten0102637 732426 179466 384426 50039 884
        
5.20 Restituties contributie RvE010282750pm0
5.21 Vergoeding voor inning landbouwheffingen97 67581 899110 08257 50052 582
5.22 Vergoeding voor inning invoerrechten539 975344 205356 302369 000– 12  698

Financiële toelichting

Verplichtingen

De afdrachten aan de Europese Unie kennen een gelijk kas- en verplichtingenritme. De mutatie hiervoor staat toegelicht onder de uitgaven.

Uitgaven

Artikel 5.1 tot en met 5.4

Als gevolg van een (licht) hogere consumptiegroei is de BTW-grondslag hoger uitgekomen. Dit resulteert in hogere afdrachten uit hoofde van het BTW-middel. De invoerrechten van Nederland vallen iets lager uit dan eerder geraamd, als gevolg van een lager dan verwachte import, maar dit is minimaal (3%). De realisatie van de landbouwheffingen valt beduidend hoger uit dan de ramingen. De afdracht van het vierde eigen middel, het BNI-middel, valt daarentegen fors lager uit. Deze lagere BNI-afdrachten zijn deels te verklaren uit een substitutie-effect: door hogere inkomsten uit de overige Eigen Middelen (BTW, landbouw- en invoerheffingen) is er minder BNI-middel gevraagd. Daarnaast zijn de benodigde middelen voor de EU flink lager uitgevallen dan tijdens het opstellen van de nationale begroting werd verwacht.

Artikel 5.5 Matra/pre-accessie

De verlaging op dit artikel is voornamelijk ontstaan door een overheveling van het MATRA deelprogramma Gemeentelijke Samenwerking met Toetredingslanden van Pre-Accessie naar Goed Bestuur.

Artikel 5.6 Raad van Europa

Hogere algemene kosten en gestegen pensioenen leidden tot een verhoging van EUR 0,5 miljoen.

Artikel 5.7 Europese bewustwording

De verhoging van EUR 1 miljoen is een saldo van een aantal verhogingen en een verlaging. Vanwege een verschuiving van uitgaven van 2003 naar 2004 vond er een technische mutatie plaats van EUR 0,6 miljoen. Daarnaast is het budget opgehoogd met EUR 0,8 miljoen voor communicatie EU-voorzitterschap en extra activiteiten in het kader van Europese bewustwording. Vervolgens was er een verlaging van EUR 0,2 miljoen vanwege enige vertraging in de betaling van vervolgtranches op toegekende subsidies. Voor het televisie-debat aan de vooravond van de Europese Raad werd uiteindelijk EUR 0,2 miljoen minder uitgegeven omdat er meer sponsors zijn gevonden.

Artikel 5.8 Benelux

De begroting van de Benelux is EUR 0,2 miljoen lager uitgevallen dan geraamd.

Ontvangsten

Artikel 5.20 t/m artikel 5.22

De perceptiekosten bedragen 25% van de traditionele eigen middelen en bewegen derhalve mee met de realisatie van deze middelen. Dit betekende een hogere perceptiekostenvergoeding voor landbouwheffingen en lagere perceptiekostenvergoeding voor invoerheffingen.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: Een slagvaardiger Europese Unie

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Een nieuw verdrag waarin het Nederlandse standpunt herkenbaar is op sleutelterreinen als communautaire methode, institutioneel evenwicht en gelijkwaardigheid van lidstaten. Dit verdrag moet de Unie slagvaardig houden, ook na de uitbreiding ervan.Ja

Ad 1:

Tijdens de Europese Raad van juni is overeenstemming bereikt over het Grondwettelijk Verdrag waarin het primaat van de communautaire methode, evenwicht tussen de instellingen en de gelijkwaardigheid tussen de lidstaten zijn verankerd. Door Nederlandse inbreng bevat het verdrag herkenbare financieel-budgettaire waarborgen en de mogelijkheid om op een later tijdstip de relatie tussen de Unie en Nederlandse Antillen en Aruba te herzien. De ondertekening vond plaats in Rome op 29 oktober 2004.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Sterke coalities voor een slagvaardige EU

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Nederland beschikt over een sterk netwerk van partners in veelal wisselende coalities.Ja
2.De in 2004 toetredende kandidaat-lidstaten beschikken over een versterkt vermogen tot volwaardige participatie in de uitgebreide EU.Ja
3.Sterkere basis voor samenwerking en coalitievorming met de kandidaat-lidstaten in de uitgebreide EU.Ja
4.Voorafgaande aan internationale bijeenkomsten is op relevante onderwerpen het Nederlandse standpunt afgestemd.Ja
5.Bredere benutting van de Benelux-samenwerking, ook met het oog op internationale besluitvorming.Ja

Ad 1:

Het beleid dat Nederland wilde voeren als EU-voorzitter werd voorbereid en uitgedragen op basis van een zogenaamde beleidsverkennende notitie over het effectief opereren in de EU-25. Daaronder viel een aantal complexe onderwerpen zoals het Turkije besluit, de kwestie Cyprus en de afronding van de onderhandelingen met Bulgarije en Roemenië. Er zijn diverse coalities gesloten, vooral op financieel gebied en Schengen, onder bekende noemers als de 1%-brief; Schengen III. Ook zijn succesvolle consultaties gehouden over de Financiële Perspectieven. De premiers van Nederland en Spanje hebben in 2004 een MoU getekend over modaliteiten voor nauwere bilaterale samenwerking tussen beide landen, ook in multilateraal kader. In 2004 is begonnen met de invulling hiervan.

Ad 2:

In 2004 is het Matra-flex programma tot stand gekomen, waarbinnen snelle assistentiemogelijkheden aan de nieuwe lidstaten bij implementatie van het acquis zijn voorzien.

Ad 3:

In 2004 is een begin gemaakt met nauwere samenwerking van Nederland met de Visegrad-landen (Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije) op het terrein van ontwikkelingssamenwerking.

Geoperationaliseerde doelstelling 3: Goed nabuurschap bewerkstelligen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Versterkte grensoverschrijdende samenwerking met België en Duitsland.Ja
2.Oplossing van openstaande bilaterale issues met België.Gedeeltelijk
3.Intensieve benutting van het instrument Benelux in de huidige politieke context van de EU.Ja
4.Een concept voor de toekomst van de Benelux.Nee

Ad 1:

België:

– De Tweede Kamer besloot om de stilzwijgende procedure inzake het Arbitrageverdrag IJzeren Rijn te doorbreken. In november stemde de Kamer in met ratificatie.

– In december 2004 besloot het kabinet over (financiering van maatregelen rondom) de verdieping van de Schelde met het oog op een met België te ondertekenen MoU.

Duitsland:

– De nieuwe ambassade in Berlijn, geopend door Koningin Beatrix op 2 maart 2004, is een positief signaal voor de samenwerking tussen Duitsland en Nederland.

– De intensivering van de politieke consultaties met Duitsland werd in 2004 gesymboliseerd door bezoeken van onder meer de Bondspresident, de Bondskanselier en vier minister-presidenten van deelstaten aan Nederland. Ook brachten ZKH de Prins van Oranje en de staatssecretaris van Europese Zaken een bezoek aan Noordrijn-Westfalen.

Ad 3 en 4:

De verantwoordelijke ministers hebben in 2004 de contouren geschetst van mogelijke samenwerking vanaf 2008. Die schets is door het Benelux-secretariaat benut voor het opstellen van een concept dat in 2005 verder zal worden besproken.

Geoperationaliseerde doelstelling 4: De Europese Unie veiliger en rechtvaardiger maken

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Europese asiel- en immigratiewetgeving en actieplannen binnen de overeengekomen termijnen realiseren.Gedeeltelijk
2.Afronding en voorbereiding vervolg van het Tampere-actieprogramma.Ja
3.Het ontwikkelen van een nieuw EU-drugsactieplan.Ja

Ad 1:

Tijdens de Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)-Raad van april is een pakket van minimumnormen voor asielbeleid vastgesteld; dit is een stap in de richting van een gemeenschappelijke asielprocedure.

Ad 2:

Naar aanleiding van de evaluatie van het Tampere-programma van 1999 werden politieke richtsnoeren voor de komende vijf jaar voor de invulling van de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en recht vastgesteld in het zogeheten Haags Programma (Europese Raad van 5 november 2004). Zie eveneens beleidsartikel 14.

Ad 3:

Door de JBZ-Raad van november werd de nieuwe EU-drugsstrategie (2005–2012) aangenomen.

▹ Naar aanleiding van de aanslagen in Madrid op 11 maart 2004 werd de samenwerking op het gebied van terreurbestrijding geïntensiveerd. Direct na de aanslagen is tijdens de Voorjaarsraad Gijs de Vries benoemd tot anti-terrorisme coördinator om een EU-Actieplan uit te werken en te coördineren. Het EU-Actieplan, waarvan veel maatregelen betrekking hebben op het interne veiligheidsbeleid van de Europese Unie, is in juni vastgesteld. Met de implementatie is inmiddels al goede vooruitgang geboekt.

Geoperationaliseerde doelstelling 5: De totstandkoming van de duurzame kenniseconomie verder brengen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Een Europese Voorjaarsraad van 2004 die bijdraagt aan de verwezenlijking van de Lissabonstrategie.Ja

Ad 1:

De Voorjaarsraad van 2004 nam conclusies aan die in grote lijnen de Nederlandse inzet weerspiegelen: nadruk op groei door hervormingen, betere implementatie door de lidstaten, minder en betere regelgeving en meer investeringen in menselijk kapitaal, kennis en innovatie. Er was in het bijzonder aandacht voor de – mede door Nederland ingebrachte – prioriteit voor een betere uitvoering van de Lissabonstrategie; ter voorbereiding van de mid-term review van de Lissabonstrategie in 2005 werd een High Level Group (HLG) ingesteld onder leiding van Wim Kok.

Geoperationaliseerde doelstelling 6: Een behoedzame ontwikkeling bevorderen van de Europese begroting

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Een goede uitgangspositie verwerven voor het nieuwe Europese begrotingskader (2007–2013), waarbinnen een faire netto-positie voor Nederland kan worden gerealiseerd.Ja

Geoperationaliseerde doelstelling 7: Zorgvuldig verloop van het gehele uitbreidingsproces

7a. Nieuwe lidstaten en Roemenië en Bulgarije

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Tijdige en succesvolle afronding van het Nederlandse ratificatieproces.Ja
2.Gedegen Nederlandse inbreng in het monitoringproces van de tien toetredende landen.Ja
3.Gedegen Nederlandse inbreng in de toetredingsonderhandelingen met Roemenië en Bulgarije.Ja
4.Versterkte contacten en samenwerkingsverbanden met de nieuwe lidstaten en Roemenië en Bulgarije.Ja
5.Medewerking van Nederland aan een zorgvuldige uitfasering van EU pre-accessiesteun en aan de implementatie van de Transitiefaciliteit voor Institution Building in de tien toetredende landen.Ja
6.Medewerking aan intensivering van EU pre-accessieprogramma's in Bulgarije en Roemenië.Ja

Ad 1:

Nederland ratificeerde het toetredingsverdrag met de zogeheten Laken-10 in april 2004. De tien landen zijn volgens plan op 1 mei 2004 toegetreden tot de Europese Unie.

Ad 2:

De toetredingsonderhandelingen met Bulgarije en Roemenië zijn in december 2004 afgerond, waarbij in het toetredingsverdrag, naast de vrijwaringsclausules die ook voor de Laken-10 gelden, ook een zogenaamde uitstelclausule is opgenomen.

Ad 3:

De contacten met Roemenië en Bulgarije zijn in 2004 intensief geweest. Dit heeft bijgedragen aan de sense of urgency bij de Roemeense regering om de technische aspecten van de toetredingsonderhandelingen nadrukkelijk te adresseren. Dit heeft geleid tot een dankbetuiging van de Roemeense minister van Buitenlandse Zaken aan staatssecretaris voor Europese Zaken Nicolaï voor deze early warning.

▹ In juni 2004 werd aan Kroatië de status van kandidaat-lidstaat verleend. De Europese Raad van december 2004 besloot dat toetredingsonderhandelingen met Kroatië op 17 maart 2005 kunnen worden geopend, mits dat land volledig samenwerkt met het ICTY.

▹ Macedonië vroeg in april 2004 het lidmaatschap van de Europese Unie aan. Het advies van de Commissie hierover wordt in de tweede helft van 2005 verwacht.

7b. Turkije

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Voorbereiden en in het Voorzitterschap tot stand brengen van besluitvorming eind 2004 over vraag of Turkije al dan niet voldoet aan politieke Kopenhagencriteria.Ja
2.Betrokkenheid bij de verdere ontwikkeling van het (in 2002 gestarte) EU pre-accessieprogramma voor Turkije. Ja

Ad 1+2:

De Europese Raad van december 2004 besloot onder Nederlands voorzitterschap tot opening van toetredingsonderhandelingen met Turkije op 3 oktober 2005, mits Turkije besluit om voor het begin van de toetredingsonderhandelingen het Protocol te ondertekenen dat de overeenkomst van Ankara tussen de EU en Turkije aan de uitbreiding van de Unie aanpast. Daarnaast moet Turkije zes specifieke wetgevingsteksten in werking doen treden. De Commissie kreeg aanwijzingen voor het op te stellen onderhandelingskader.

7c. Cyprus

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Op de partijen in het Cyprus conflict wordt via bilaterale en multilaterale kanalen druk uitgeoefend om tot een oplossing te komen. Gedeeltelijk

Ad 1:

Nederland heeft door middel van inzet van expertise op het gebied van onroerend goed een bijdrage kunnen leveren aan het opstellen van het plan van de Secretaris Generaal van de Verenigde Naties voor de oplossing voor de kwestie Cyprus. Het is niet gelukt om nog in 2004 een besluit te nemen om het isolement van de Turks-Cypriotische gemeenschap te beëindigen na het verwerpen van het Annan-plan door de Grieks-Cyprioten.

7d. Bilaterale ondersteuning van het pre-accessieproces

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Versterkte capaciteit van overheidsorganisaties in de kandidaat-lidstaten met het oog op de overname en implementatie van in EU-verband geldende wet- en regelgeving.Gedeeltelijk
2.Versterkt vermogen tot volwaardige participatie in de uitgebreide EU van de in 2004 toetredende kandidaat-lidstaten.Ja

Ad 1+2:

In 2004 hebben 491 ambtenaren deelgenomen aan opleidingen in het kader van Matra-Adept vanuit zowel nieuwe EU-lidstaten als kandidaat-lidstaten. De resultaten van dit soort programma's zijn uit de aard der zaak een proces van langere adem. Het is merkbaar dat de nieuwe lidstaten door de EU-programma's (Phare Pre-accessie en Phare Twinning), maar ook dankzij bilaterale samenwerking, een beter begrip hebben van (de werking van) de Brusselse regelgeving en van de onderhandelingsprocessen. Dit proces van samenwerking wordt voortgezet via het Matra-flex instrument, dat in 2004 van start is gegaan voor ambtelijke uitwisselingen met onder andere nieuwe EU-lidstaten.

Geoperationaliseerde doelstelling 8: Het externe beleid van de Europese Unie versterken

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Verbetering van de effectiviteit van de verschillende instrumenten die de Unie ter beschikking staan.Ja
2.Aangescherpt beleid op de bredere veiligheidsagenda, in het bijzonder nieuwe dreigingen.Ja
3.Bevorderen coherentie in het externe beleid van de Unie.Ja
4.Nauwere samenwerking tussen de EU, de lidstaten en andere (niet-gouvernementele) donoren. Ja

Ad 2:

Via politieke dialoog en technische assistentie bij de implementatie van maatregelen op het gebied van de bestrijding van terrorisme is de samenwerking met een groep prioritaire landen versterkt. In het Associatie-akkoord met Syrië is een harde non-proliferatieclausule opgenomen.

Ad 3:

De samenhang tussen de Europese beleidsinspanningen is vergroot op de gebieden migratie en werkgelegenheid, vrede en veiligheid, landbouw, handel en ontwikkelingssamenwerking. Er is afgesproken om systematischer gebruik te maken van mechanismen om relevante beleidsvoornemens te toetsen op hun effect op ontwikkelingslanden.

Geoperationaliseerde doelstelling 9: Verbeterde relaties van de Europese Unie met derde landen

9a. Transatlantische betrekkingen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Verbeterde afstemming van standpunten op het terrein van internationale veiligheid en beveiliging, stabiliteit en vredeshandhaving, en in het bijzonder de internationale terrorismebestrijding.Ja
2.Verbeterde afstemming van standpunten inzake samenwerking op terreinen van economie, handel en ontwikkelingssamenwerking, met speciale aandacht voor de beheersing van handelsconflicten met de VS.Ja
3.Voortgang bereiken in een nieuw onderhandelingsregime op het gebied van burgerluchtvaart. Ja

Ad 1:

Tijdens de EU/VS-top in juni 2004 werden, naast verklaringen over non-proliferatie, het Midden-Oosten en Mediterrane gebied, economische betrekkingen, bestrijding van HIV/Aids, malaria en tuberculose, Irak en Soedan afspraken gemaakt voor intensievere samenwerking en dialoog met de VS in de strijd tegen terrorisme. Onder het Nederlandse voorzitterschap is dit laatste geconcretiseerd in verdere afspraken over onder meer aanpak van financiering van terrorisme en samenwerking op het terrein van justitie en binnenlandse zaken. Daarnaast is op initiatief van het Nederlandse voorzitterschap besloten tot de instelling van een jaarlijkse EU/VS JBZ ministeriële (trojka)bijeenkomst. In het algemeen was in 2004, mede dankzij de inzet van het Nederlandse voorzitterschap, een verbetering merkbaar in de door verschil van inzicht over het optreden in Irak vertroebelde verhouding tussen de VS enerzijds en Frankrijk en Duitsland anderzijds.

Ad 2:

De Commissie kreeg het mandaat om te onderhandelen met Canada over Trade & Investment Enhancement Agreement (TIEA).

Ad 3:

– De Transportraad gaf de Commissie een onderhandelingsmandaat voor het realiseren van een Open Aviation Area (OAA) met de VS, een tot bilateraal vervoer beperkt Open Skies Verdrag met Marokko, en een European Common Aviation Area (ECAA) met West-Balkan-landen. Onderhandelingen met de VS lopen reeds een jaar; weliswaar is tijdens het Nederlandse voorzitterschap vooruitgang geboekt, maar nog niet voldoende voor een Raadsbesluit.

– Door de EU en de VS is een overeenkomst ondertekend over de verstrekking van bepaalde gegevens van vliegtuigpassagiers aan de autoriteiten van de VS, het zogenaamde Passenger Name Record, PNR.

9.b Westelijke Balkan

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Voortgang Stabilisatie- en Associatieproces met handhaving van de door de Unie gestelde voorwaarden, in het bijzonder rechtstaat, mensenrechten en regionale samenwerking.Ja
2.Afronding van de onderhandelingen van de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst met Albanië en begin van onderhandelingen met Servië en MontenegroNee
3.Tenuitvoerlegging van de afspraken gemaakt tijdens de Europese Raad van Thessaloniki (juni 2003).Ja
4.Twinning: actief Nederlands aandeel in de EU-steun die sinds 2002 geleidelijk wordt ontwikkeld in het kader van het CARDS-program- ma ter versterking van bestuurlijke capaciteit op de Westelijke Balkan. Ja

Ad 1:

Met de vijf landen in de westelijke Balkan werden partnerschapsdocumenten afgesloten, waarin de korte en middellange termijn prioriteiten ten aanzien van EU-toetreding zijn weergegeven. De Stabilisatie- en Associatieovereenkomst met Kroatië is in april 2004 geratificeerd, nadat het Joegoslavië Tribunaal had aangegeven dat de samenwerking met Kroatië volledig was. Sindsdien is het Joegoslavië Tribunaal overigens een stuk kritischer geworden over samenwerking door Kroatië.

Ad 2:

De hervormingen in Albanië zijn het laatste jaar mager geweest, gemaakte afspraken zijn niet voldoende geïmplementeerd. Onderhandelingen met Albanië konden niet worden afgerond. Servië en Montenegro heeft nog een lange weg te gaan naar de opening van onderhandelingen over een Stabilisatie- en Associatieovereenkomst. Verbetering van de samenwerking met het ICTY is net als bij Kroatië en Bosnië-Herzegovina één van de belangrijkste uitstaande punten. Verder is ook ten aanzien van Servië en Montenegro de implementatie van gemaakte afspraken een punt van zorg.

9c. Noord-Afrika en het Midden-Oosten

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Voortgang van het Midden-Oosten Vredesproces (MOVP).Gedeeltelijk
2.Ratificatie van de associatie akkoorden met Libanon, Algerije en Egypte, afsluiten van een associatie akkoord met Syrië, alsmede afronden landbouwonderhandelingen met Marokko en Israël.Gedeeltelijk
3.Concrete vooruitgang op deelterreinen van het Barcelona proces.Ja
4.Intensiveren van de dialoog tussen Westerse en Arabische landen/samenlevingen, zowel op bilateraal niveau als op EU- en VN-niveau en ten aanzien van migratievraagstukken.Ja
5.Inbedding van het Barcelona proces in de discussie over «Wijder Europa».Ja
6.Intensivering van de relatie met het post-conflict Irak, onder meer via economische reconstructieprogramma's.Ja
7.Afsluiten van een handels- en samenwerkingsakkoord met Iran en een handelsakkoord met de GCC-landen, mits landen aan de voorwaarden voldoen.Nee

Ad 2:

De associatieakkoorden met Libanon en Algerije zijn in 2004 niet geratificeerd door de Tweede Kamer. Op tal van manieren werd de relatie EU-Mediterranée en EU-Midden Oosten evenwel versterkt. Voorbeelden zijn de Euromed Ministeriële Conferentie, actieplannen in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid en het EU Strategisch Partnerschap dat prioriteit geeft aan politieke, economische en sociale hervormingen.

Ad 7:

Afsluiting van de handels- en samenwerkingsovereenkomst met Iran is niet totstandgekomen. Ook de onderhandelingen over een handelsakkoord met de GCC zullen nog voortduren.

9d. Relatie EU-Azië

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Een nieuwe Azië-strategie van de Commissie.Ja
2.Specifieke aandacht binnen de EU voor Nederlandse prioriteiten als Indonesië, de situatie op het Koreaanse schiereiland, Birma en de strijd tegen terrorisme.Ja
3.Verdere vormgeving van de relatie tussen de EU en China.Ja

Ad 1:

Nog in 2003 is de nieuwe Azië-strategie aangenomen. Tevens besloot de Raad eind 2004 te starten met de onderhandeling van een samenwerkingsovereenkomst met de Zuid-Aziatische landen.

Ad 2:

Vanwege de kwestie-Birma zijn twee ministeriële ASEM-bijeenkomsten (Economie, Financiën) geannuleerd. Nadat in de RAZEB van oktober een compromis werd bereikt in de impasse rond de toetreding van Birma tot ASEM, kon de EU-ASEM-top in Hanoi doorgang vinden en bleek verdieping van de economische pijler toch mogelijk. Onderdeel van dat compromis was een verscherping van het EU-beleid jegens Birma.

Ad 2+3:

Tijdens de EU-Indonesië trojka van eind oktober zijn afspraken gemaakt over uitbreiding van de samenwerking met Indonesië op het gebied van de strijd tegen het terrorisme, het opzetten van een interreligieuze dialoog en verdere duurzame ontwikkeling. Tevens zijn afspraken gemaakt ter verbetering van de economische relaties met India, Korea en China tijdens de EU-toppen in respectievelijk november, oktober en december. Door de aanname van het Strategische Partnerschap met India tijdens de EU-India top in november in Den Haag zullen de relaties met dat land over de gehele breedte worden geïntensiveerd.

9e. Oost-Europa en Centraal-Azië

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Bestendiging en verdieping relatie tussen de EU enerzijds en Rusland en de nieuwe buren anderzijds.Gedeeltelijk
2.Voortgang in de toetredingsonderhandelingen van Rusland en Oekraïne tot de WTO.Ja
3.Vergroting van veiligheid, stabiliteit, economische vooruitgang, respect voor democratie en mensenrechten in de gehele regio, inclusief Zuid-Kaukasus en Centraal-Azië.Gedeeltelijk

Ad 1:

Eind oktober ratificeerde Rusland, mede door politieke druk tijdens het Nederlandse voorzitterschap, het uitbreidingsprotocol van de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst (PSO) met de Unie. Bij de uitwerking van de vier gemeenschappelijke ruimten (economie, externe veiligheid, interne veiligheid, cultuur) zoals vastgelegd in het EU-Rusland Actieprogramma werd vooruitgang geboekt, maar met name op het gebied van visa, terug- en overnameovereenkomst en samenwerking in de common neighbourhood werd nog geen overeenstemming bereikt. Beide partijen streven naar afronding van de vier ruimten voor de volgende EU-Rusland top in mei 2005.

De ratificatieprocessen van de PSO's met Armenië en Georgië zijn eveneens afgesloten (in november respectievelijk augustus). Afronding van PSO's Azerbeidzjan, Kazachstan, Kirgizië, Moldavië, Oekraïne en Oezbekistan is voorzien in 2005. De drie landen van de Zuidelijke Kaukasus (Georgië, Armenië en Azerbeidzjan) werden in het Europees Nabuurschapbeleid opgenomen, met het oog op vergroting van stabiliteit en veiligheid in de regio.

Ad 2:

De RAZEB van december keurde de Actieplannen voor Oekraïne en Moldavië goed. De Unie en beide landen zullen nauwer samenwerken ten aanzien van gedeelde waarden als democratie, rule of law en mensenrechten, economie, regionale stabiliteit en veiligheid, personenverkeer en politieke hervormingen. Nog in 2003 werden de bilaterale onderhandelingen van de EU met Rusland en Oekraïne over WTO-toetreding afgerond.

9f. EU-ACS samenwerking

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Implementatie van het Cotonou-Verdrag.Ja
2.Een soepele tussentijdse evaluatie van het Verdrag van CotonouJa

Ad 1:

In 2004 werden artikel 96 consultaties met Togo, Guinee Bissau en Guinee Conakry gehouden vanwege het niet respecteren van de mensenrechten, democratische principes of goed bestuur. Bij de afsluiting van de consultaties met Togo en Guinee Bissau in september besloot de EU haar hulp gedeeltelijk op te schorten; de hervatting is afhankelijk gemaakt van het bereiken van gemeenschappelijk overeengekomen doelstellingen. De consultaties met Guinee Conakry zijn nog niet afgesloten. De EU-hulp in Haïti werd in september hervat; de opschortingmaatregelen voor Zimbabwe en Liberia zijn verlengd (respectievelijk in februari en december 2004). In de loop van 2004 zijn de onderhandelingen gestart met alle zes ACS-regio's over de Economic Partnership Agreements (EPA's).

Ad 2:

In december zijn de ministeriële onderhandelingen over de herziening van het Verdrag van Cotonou gestart. Er werd overeenstemming bereikt over een verwijzing naar het International Criminal Court en vooruitgang geboekt ten aanzien van de opname van een non-proliferatie clausule.

9g. EU-LAC landen (Latijns-Amerika en Cariben)

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Afronding van de parlementaire behandeling van het Vrijhandelsakkoord met Chili.Ja
2.Voortgang in de onderhandelingen tussen de EU en de Mercosur-landen in het streven naar een vrijhandelsakkoord.Gedeeltelijk

Ad 1:

De ratificatie van het associatieakkoord met Chili is afgerond en de ratificatie van de politieke en samenwerkingsakkoorden met Andes-Gemeenschap en Centraal-Amerikaanse staten zijn in gang gezet.

Ad 2:

Afsluiting van de EU-Mercosur onderhandelingen is niet mogelijk gebleken in 2004 omdat de beide partijen te ver uit elkaar lagen. In 2005 zullen deze worden voortgezet.

▹ Een gemeenschappelijke EU-lijn gericht op het uitoefenen van druk op Cuba om de mensenrechten te respecteren en de politieke gevangenen vrij te laten werd gehandhaafd.

▹ Nederland kon op de EU-LAC top in Guadalajara in mei 2004 actief bijdragen aan de discussie over mensenrechten en multilateralisme.

▹ De RAZEB van december nam conclusies aan over grotere betrokkenheid van de Unie bij het vredesproces in Colombia.

9h. EU-ontwikkelingsbeleid

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Verdere verbetering van de kwaliteit en de kwantiteit van inhoud en totstandkoming van de Europese ontwikkelingshulp.Ja
2.Een substantiële en meetbare bijdrage aan de verwezenlijking van de Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen.Gedeeltelijk
3.Verdere ontbinding van de hulp, zowel door de Commissie als door de andere EU-lidstaten, conform de DAC-OESO-aanbevelingen.Gedeeltelijk
4.Actieve monitoring door de Commissie van de Monterrey-afspraken, met name waar het de 0,7%-ODA-BNP-doelstelling en verdere harmonisering van de hulp betreft.Ja
5.Steunen van de Commissie in het hervormingsprocesJa
6.Blijvende agendering van coherentiedossiers op de agenda van de RAZEB en andere relevante raden.Ja
7.Bijdragen aan de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS).Ja
8.Snelle inbedding van de nieuwe leden in het besluitvormings- en beleidsproces van de Unie. Ja

Ad 1:

Verdere verbetering van de EU-hulp is een geleidelijk proces. Sinds 2002 wordt jaarlijks een debat over de effectiviteit van het externe beleid van de EU gevoerd in de Raad. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap is dit debat verplaatst van het voorjaar naar het najaar teneinde betere aansluiting te vinden bij de EU-begrotingscyclus. De Raad verzocht de Commissie om de herziening van de Beleidsverklaring over het ontwikkelingsbeleid van de EG uit 2000 ter hand te nemen. Ook werd de Commissie opgeroepen om nog voor juli 2005 een kwalitatieve evaluatie uit te voeren van het hervormingsproces van het beheer van de hulp.

Ad 2:

De Raad besloot tot goede voorbereiding van de VN-top in september 2005 waar de balans opgemaakt zal worden van de vorderingen die zijn gemaakt ten aanzien van de Millennium Development Goals. De Commissie zal voor april 2005 een EU-synthese rapport opstellen over de inspanningen van zowel de lidstaten als de Commissie zelf ter verwezenlijking van de MDG's. Het synthese-rapport zal tevens voorstellen bevatten voor intensivering van de EU-inspanningen, met name op het terrein van de financiering van ontwikkeling, coherentie en de situatie in Afrika.

Ad 3:

De onderhandelingen over een ontwerpverordening inzake ontbinding van de EG-hulp zijn gestart in 2004 (af te ronden in 2005).

Ad 6:

Op het gebied van coherentie werd in november door de EU-lidstaten afgesproken systematischer gebruik te maken van mechanismen om relevante beleidsvoornemens te toetsen op hun effect op ontwikkelingslanden (zie ook doelstelling 1.15). Tevens onderstreepte de Raad in november dat de Official Development Assistance (ODA) van de Gemeenschap een coherente bijdrage aan armoedebestrijding in alle ontwikkelingslanden dient te leveren. Er is afgesproken dat er gezocht zal worden naar manieren om de focus op de allerarmsten, in het bijzonder in Afrika, te versterken en om standaard allocatiecriteria – gebaseerd op behoefte en prestatie – toe te passen op alle externe hulp van de Unie.

Ad 7:

De onderhandelingen over de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel konden niet worden afgerond in 2004. De afronding is voorzien in 2005.

Geoperationaliseerde doelstelling 10: Het versterken van publieke kennis van en betrokkenheid bij de Europese Unie

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Creëren van een breed draagvlak voor de samenwerking van Nederland met andere Europese landen in EU kader. Ja

Ad 1:

75% van Nederland vindt het EU lidmaatschap «een goede zaak». Dit was in het voorjaar van 2004 nog maar 64% (bron: Eurobarometer 62). De campagne «Europa. Best belangrijk» is van start gegaan en heeft mede bijgedragen aan een verhoogde opkomst bij de Europese Verkiezingen (opkomst 1999: 29,9%, opkomst 2004: 39,1%). In Nederland, Duitsland, Polen en de VS hebben vijf conferenties plaatsgevonden over de vragen welke waarden in Europa ons binden, hoe ze versterkt worden en wat aanknopingspunten zijn voor toekomstig beleid.

Geoperationaliseerde doelstelling 11: EHRM/implementatie mensenrechtennormen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Formulering en zo mogelijk eerste implementatie van concrete maatregelen voortvloeiende uit de besluiten van de ministeriële bijeenkomst van mei 2004.Ja
2.Versterking van het Department for the execution of Judgements of the European Court of Human Rights van de Raad van Europa ter ondersteuning van het Comité van Ministers.Gedeeltelijk
3.Daadwerkelijke implementatie van mensenrechtennormen in de lidstaten van de Raad van Europa. Gedeeltelijk

Ad 1:

Voor wat betreft de naleving van Hofuitspraken is een stap voorwaarts gezet door de doorbraak in de zogenaamde Loizidou-zaak. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van Europa werd Turkije – dat tot dat moment principieel bezwaar had gemaakt tegen iedere vorm van tenuitvoerlegging van de Hofuitspraak – bewogen alsnog het door het Hof opgelegde bedrag aan schadevergoeding aan de klaagster uit te betalen.

Ad 3:

De aandacht voor mensenrechten via effectieve monitoring door het Comité van Ministers van de Raad van Europa heeft onder andere geleid tot de vrijlating van politieke gevangenen in Azerbeidzjan.

Het Noorse voorzitterschap van de Raad van Europa heeft aangekondigd, naast de eigen prioriteiten, de onder het Nederlandse voorzitterschap behaalde resultaten ook onder zijn voorzitterschap verder te dragen. Het volgende voorzitterschap (Polen) heeft zich hierbij aangesloten. Het gaat hier immers om een langdurig proces.

Geoperationaliseerde doelstelling 12: Optimaliseren van de coördinatiemethodiek, zowel in nationaal als Europees kader (bilateraal en multilateraal)

12a. Optimaliseren van de nationale coördinatiemethodiek ten aanzien van de EU beleidsvoorbereiding

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Optimalisering van de interdepartementale coördinatiestructuur voor de voorbereiding van de Nederlandse inbreng in de EU-besluitvorming.Gedeeltelijk

Ad 1:

In de tweede helft van 2004 is een begin gemaakt met een reflectie op de rol die Buitenlandse Zaken en de andere departementen in het proces van afstemming van het EU-beleid in Den Haag spelen. In het kader van het «Programma Andere Overheid» moet dit leiden tot aanbevelingen voor de rijksbrede takenanalyse. De Ministeriële Stuurgroep EU Voorzitterschap (MSVEU) heeft gedurende het Nederlandse voorzitterschap naar tevredenheid gewerkt.

Geoperationaliseerde doelstelling 12b: Het optimaliseren van de internationale coördinatiemethodiek

Hiervoor wordt verwezen naar geoperationaliseerde doelstelling 2.

Geoperationaliseerde doelstelling 13: Vergroting van de deskundigheid in en de toegankelijkheid van Europeesrechtelijke informatie

Het ministerie van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de coördinatie van de Nederlandse inbreng in juridische zaken die in Luxemburg spelen en verzorgt de procesvoering terzake. De gestage groei in het aantal zaken in Luxemburg, en (daarmee) de zaken waarbij Nederland betrokken is, zette zich ook in 2004 voort. In 2004 werd in zestig nieuwe zaken het Nederlandse standpunt naar voren gebracht (in 2003 waren dit er 46).

13a: Doorwerking van het Europese recht bij beleidsvoorbereiding op de departementen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Doorwerking van het Europese recht bij beleidsvoorbereiding op de departementen. Ja

Ad 1:

De Interdepartementale Commissie Europees Recht (ICER) leverde en verspreidde producten, zoals adviezen naar aanleiding van Europese rechtspraak en (voorgenomen) regelgeving, aan alle departementen. Voorts werden 21 informatiedocumenten opgesteld over belangrijke uitspraken van het Hof van Justitie alsmede de «Leidraad onderhandelen in Brussel». De ICER had een rol bij het terugdringen van implementatieachterstanden door middel van versterking van interdepartementale coördinatie en monitoring en verbetering van infrastructuren. Het voornemen om voor aanvang van of gedurende het Nederlandse voorzitterschap de achterstanden weg te werken, is slechts gedeeltelijk verwezenlijkt.

13b: Grotere bekendheid met (het belang van) de Europeesrechtelijke dimensie van de werkzaamheden van de Haagse ministeries

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Effectiever en coherenter opereren van Nederland in Europese dossiers door het vergroten van de Europeesrechtelijke kennis van de betrokken ambtenaren op de departementen. Ja

Ad 1:

Het Expertisecentrum Europees Recht (ECER) vernieuwde een voor de medewerkers van de Haagse departementen toegankelijke website met voor de beleidspraktijk belangrijke en relevante kennis op Europeesrechtelijk gebied. Verder werden in 2004 vijf grote en drukbezochte seminars over actuele Europeesrechtelijke onderwerpen, alsmede een aantal kleinere bijeenkomsten georganiseerd.

Nederlandse voorzitterschappen

Geoperationaliseerde doelstelling 14: Coördinatie Nederlands voorzitterschap Raad van Europa

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Tenuitvoerlegging van voorgestelde activiteiten door de vakdepartementen en naleving van gemaakte afspraken terzake in het kader van het voorzitterschap.Ja
2.Verbeterde naleving van de door de lidstaten aangegane verplichtingen via de monitoringmechanismen van de Raad van Europa.Ja
3.Gestroomlijnde en inzichtelijk gemaakte werkzaamheden en resultaten van het grote aantal werk- en stuurgroepen van de Raad van Europa. Ja

Ad 1:

In de terugblik op het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van Europa met als titel Raad van Europa: Bruggen slaan met normen en waarden, is een nauwgezet overzicht gegeven van de behaalde resultaten.

Ad 1+2:

Dankzij dit voorzitterschap kon een basis worden gelegd voor een interdepartementaal coördinatiemechanisme voor het brede terrein van de samenwerking in RvE-kader. Ook na de beide voorzitterschappen (RvE en EU) wordt de voortgang van implementatie bewaakt.

Ad 2:

Het verbeteren van het monitoringmechanisme van de Raad van Europa is ook op agenda's van de Noorse en Poolse voorzitterschappen geplaatst.

Geoperationaliseerde doelstelling 15: Coördinatie van activiteiten met het oog op een Europese beleidsagenda met specifieke aandacht voor de specifieke accenten die NL tijdens het voorzitterschap zal willen zetten

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Een Europese beleidsagenda met specifieke aandacht voor de specifieke accenten die Nederland tijdens het voorzitterschap zal willen zetten.Ja
2.Georganiseerde bijeenkomsten en evenementen in Nederland (en elders, bijvoorbeeld in Brussel) die aan de te stellen inhoudelijke en organisatorische verwachtingen voldoen.Ja
3.Het leveren van een bijdrage aan de doelstellingen van het interne en externe beleid van de Unie, vanuit de specifieke verantwoordelijkheden van het voorzitterschap.Ja

Ad 1:

Tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie in de tweede helft van 2004 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de activiteiten in het kader van het voorzitterschap gecoördineerd. Bepaling van deze activiteiten vond plaats met inachtneming van de actuele hoofdpunten van de Europese beleidsagenda.

Ad 2:

Tijdens het EU-voorzitterschap is een groot aantal succesvol verlopen bijeenkomsten in Nederland georganiseerd, waaronder bezoeken van de Europese Commissie en het Europees Parlement, topontmoetingen met China, India, Rusland en Oekraïne, Gymnich, de informele bijeenkomst van OS-ministers en de ministeriële EuroMed bijeenkomst.

BELEIDSARTIKEL 6. BILATERALE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

A. Algemene beleidsdoelstelling

Het bilaterale hulpprogramma beoogt van overheid tot overheid bij te dragen aan duurzame armoedevermindering.

In de bilaterale ontwikkelingssamenwerking streeft Nederland naar een zo effectief mogelijke armoedebestrijding. De internationaal overeengekomen Millennium Development Goals zijn hierbij de leidraad. Zoals is aangegeven in onder andere «Aan Elkaar Verplicht, Ontwikkelingssamenwerking op weg naar 2015» van 3 oktober 2003 (TK 2003–2004, 29 234, nr. 1) is er nu één lijst met partnerlanden voor bilaterale hulp, in plaats van de drie categorieën die voorheen werden gehanteerd. Waar in dit verslag nog gesproken wordt over «19+3-landen» is dat een citaat van de begroting 2004 waarin verwezen wordt naar één van de vroegere categorieën.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 6 Bilaterale ontwikkelingssamenwerking(EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen:1 560 1341 685 8031 687 213410 516396 591698 983– 302 392
        
waarvan garanties4 2453 8121 947  00
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal1 341 5931 471 1561 209 306994 844953 494770 405183 089
        
6.1 Landenspecifieke sectorale samenwerking721 913693 599771 806635 556671 630549 207122 423
6.2 Thematische samenwerking76 539185 24581 72252 66188 70268 99319 709
6.3 Macro-georiënteerde programmahulp374 783455 819242 919202 384161 14664 71696 430
6.4 Deskundigenprogramma23 56824 78114 2186 9113 5085 973– 2 465
6.5 GarantiesInternationale samenwerking23 20021 30911 35611 4148 16715 656– 7 489
6.6 Rentesubsidies en apparaatskostenNIO76 43865 28156 25731 69318 54157 743– 39 202
6.7 Tijdelijke Middelenvoorziening NIO45 15320 06623 04049 525000
6.8 Macro-steun niet DAC-landen05 0567 9884 7001 8008 117– 6 317
        
Ontvangsten88 665107 69192 35964 448113 55145 78467 767
        
6.20 Inkomsten uit leningen OS en garantiebet. NIO19 42047 74625 52315 59015 29914 608691
6.21 Tijdelijke financiering van de NIO54 95545 15320 06623 03949 525pm49 525
6.22 Diverse ontvangsten OS14 29114 79246 77025 81948 72731 17617 551

Financiële toelichting

Verplichtingen

De per saldo lagere verplichtingen hangen grotendeels samen met een grote verlaging van circa EUR 454 miljoen op de uitstaande garanties internationale samenwerking en de verlaging van EUR 28 miljoen op de rentesubsidies en apparaatskosten NIO als gevolg van versnelde aflossing van leningen door India en reguliere aflossingen op kapitaalmarktleningen. Daarnaast zijn er enkele verhogingen die voornamelijk te maken hebben met verplichtingen die zijn aangegaan voor de bilaterale landenprogramma's op de prioritaire gebieden milieu/water, «basic education», HIV-AIDS en reproductieve gezondheidszorg (EUR 60 miljoen). De verhoging van het verplichtingenbudget hangt verder samen met intensivering van de thematische samenwerking (EUR 85 miljoen) en macro-georiënteerde programmahulp (EUR 41 miljoen).

Uitgaven

6.1 Landenspecifieke sectorale samenwerking

Mede in het licht van de motie Ferrier (TK 29 234, 2003–2004, nr. 19) heeft gedurende 2004 een intensivering plaatsgevonden van de bilaterale landenprogramma's. Dit resulteerde per saldo in verhogingen van het budget voor de landenspecifieke sectorale samenwerking bij eerste suppletore en tweede suppletore wet en bij decemberbrief. De bijbehorende verhogingen passen binnen de prioriteiten van Aan Elkaar Verplicht en het beleid ten aanzien van de kiesgroeplanden. De verhogingen kwamen vooral ten goede aan de sectoren milieu/water, «basic education», gezondheidszorg (inclusief Hiv/Aids en reproductieve gezondheidszorg) en de thema's goed bestuur en mensenrechten en ondernemersklimaat in partnerlanden.

Voor een gedetailleerd overzicht van verhogingen bij tweede suppletore wet wordt verwezen naar de brief «Besteding vrijkomende EKI-middelen» (kenmerk FEZ/BZ-262/04), die op 20 oktober 2004 naar de Kamer is gestuurd.

6.2 Thematische samenwerking

De verhoging met EUR 19 miljoen betreft het saldo van enkele substantiële verhogingen en verlagingen en verder een scala aan kleinere mutaties binnen de verschillende thema's. De verhogingen waren onder andere bestemd voor het ondersteunen van activiteiten die zich richten op onderzoek en ontwikkeling van nieuwe global public goods op het gebied van aids/tuberculose/malaria. Verder was extra geld uitgetrokken voor een aantal regionale activiteiten, zoals de bestrijding van sprinkhanen en het verwijderen van overtollige pesticiden via de Wereldbank.

Naast verhogingen waren er ook veel mutaties te melden die in het jaarverslag 2004 tot een verlaging van budget leidden. Belangrijke mutaties zijn een relatief grote onderuitputting op zowel het programma Bilaterale Samenwerking Indonesië (PBSI) als de Azië-faciliteit.

6.3 Macro-georiënteerde programmahulp

Dit artikel geeft uitvoering aan het beleid voor macrosteun en heeft tevens een parkeerpostkarakter. Het budget voor macrosteun werd verhoogd bij de tweede suppletore begroting in verband met verschillende ophogingen van de reguliere macrosteun. Daarnaast ontvingen enkele landen incidentele macrosteun als gevolg van de sterk oplopende olieprijzen. In 2004 werd EUR 127,6 miljoen. structurele macrosteun verstrekt, EUR 18,0 miljoen. incidentele macrosteun en 14,0 miljoen. schuldverlichting (excl. de EKI-schuldverlichting waarover het ministerie van Financiën rapporteert). Voor een meer gedetailleerd overzicht van de mutaties bij tweede suppletore wet wordt eveneens verwezen naar de bij artikel 6.1 genoemde brief «Besteding vrijkomende EKI-middelen». Verder heeft een aantal salderingen plaatsgevonden op dit artikel die voortvloeien uit het parkeerpostkarakter.

6.4 Deskundigenprogramma

De afbouw van het Assistent Deskundigen-programma verloopt structureel sneller dan geraamd, terwijl ook wachtgeld en WW-uitgaven achterblijven bij eerdere ramingen, waardoor het voor 2004 geraamde budget neerwaarts kon worden aangepast.

6.5 Garanties internationale samenwerking

Het betreft hier een stelpost. In 2004 is hierop door de NIO minder aanspraak gemaakt.

6.6 Rentesubsidies en apparaatskosten NIO

Oorzaak van de verlaging op dit artikel zijn de lage rentestand en afnemende kapitaalmarktleningen, o.a. door vervroegde aflossing door India.

6.8 Macro-steun niet DAC-landen

Op dit artikel zal een onderbesteding plaatsvinden van EUR 6,3 miljoen. Oorzaak hiervan is onder andere de vertraagde uitvoering van bestaande activiteiten (waar onder Roemenië) waarvan de voortgangsrapportage van WB en EBRD pas eind 2004 beschikbaar kwam, en in het laat afkomen van betaalafroepen. Daarnaast speelde de vertraagde ontvangst van een onvoldragen Wereldbank-projectvoorstel (Kroatië) en de ontvangst van een voortgangsrapportage van onvoldoende kwaliteit (Oekraïne) een rol. Hierdoor konden in 2004 geen (vervolg)-betalingen plaatsvinden.

Ontvangsten

6.21 Tijdelijke financiering van de NIO

Het negatieve saldo van de NIO op de rekening courant bij de Staat bedroeg op 31 december 2003 ruim EUR 49 miljoen. Dit tekort werd in 2003 aangezuiverd, hetgeen in 2004 resulteerde in de terugontvangst op dit ontvangstartikel.

6.22 Diverse ontvangsten OS

De hogere ontvangsten zijn het gevolg van door de VN teruggestorte noodhulpbijdragen in het kader van het «oil for food programme» voor Irak.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: Ondersteuning van de ontwikkeling en implementatie van meer effectieve nationale armoedestrategieën door middel van bilaterale hulpprogramma's in een beperkt aantal (19+3) landen

Geoperationaliseerde doelstelling 1a: Integratie van dwarsdoorsnijdende thema's in de bilaterale hulpprogramma's

Ecologische duurzaamheid

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.De OS-programma's dragen bij aan duurzame ontwikkeling en ecologische duurzaamheid.Ja
2.Toegenomen integratie van ecologische duurzaamheid in PRSPs.Gedeeltelijk
3.Mainstreaming van milieu in bilaterale hulpprogramma's en macrosteun.Ja
4.Een operationele lijst van duurzaamheidindicatoren voor de beoordeling van PRSPs en bilaterale hulpprogramma's.Nee

Ad 2+3:

Aan de integratie van ecologische duurzaamheid in PRSP's en de mainstreaming van milieu in bilaterale hulpprogramma's en macrosteun wordt via verschillende invalshoeken gewerkt:

▹ Operationalisering van het WSSD plan of implementation en het actieprogramma Duurzame Daadkracht in publiek-private partnerschappen. Achttien partnerschappen zijn geselecteerd waarvan drie in uitvoering en zes in onderhandeling.

▹ Versterking van de integratie van ecologische duurzaamheid in PRSP's: hieraan wordt onder andere gewerkt via de Commissie MER en de Wereldbank door middel van Strategische Environmental Assessment van de PRSP. In 2004 wordt in meer PRSP's gesproken over ecologische duurzaamheid en PRSP.

▹ Versterking van het Poverty and Environment Partnership (PEP) door het organiseren van een bijeenkomst voor ontwikkelingspartners gericht op Milieu en MDG's en op de samenhang tussen PRSP's en de uitvoering van de milieuaspecten van de MDG's.

▹ Milieu geïntegreerd in regionale notities Hoorn van Afrika, Grote Meren en Latijns-Amerika.

Ad 4:

In 2004 is een aanzet gemaakt voor indicatoren om biodiversiteitsverlies in partnerlanden te meten. Een operationele lijst met duurzaamheidsindicatoren voor het beoordelen van PRSP's en bilaterale hulpprogramma's is niet gereed. Wel werkt de Wereldbank momenteel aan dergelijke indicatoren om PRSP's te beoordelen. Nederland kan daar in de toekomst gebruik van maken.

Water

Water is een belangrijke prioriteit voor de komende jaren, zoals onder andere in Aan Elkaar Verplicht is aangegeven. In de begroting van 2004 waren er nog geen expliciete resultaten over opgenomen. In 2004 werd wel onder andere het volgende bereikt:

▹ Nederlandse vertegenwoordigingen zijn ondersteund met het integreren van water als dwarsdoorsnijdend thema in bilaterale programma's, zoals in Mali en Ghana.

▹ Regionale wateractiviteiten in de Hoorn van Afrika en het Grote-Merengebied zijn in gang gezet via het Nile Basin Initiative.

▹ De partnerships met de IFI's op het gebied van water hebben in 2004 een bijdrage geleverd aan innovative pro-poor benadering van nationaal beleid en leningen.

▹ Met het Global Water Partnership is overeengekomen om zes landen in Afrika te ondersteunen bij het opstellen van nationale plannen voor geïntegreerd waterbeheer.

▹ Het aantal landen dat wordt ondersteund op het gebied van drinkwater en sanitatie is in 2004 met tien toegenomen. Zes daarvan liggen in Afrika.

Gender

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.De nationale ontwikkelingsprocessen in de 19+3 landen zoals vertaald in de Poverty Reduction Strategy Paper dragen expliciet bij aan gendergelijkheid. Bij macrosteun en in de appreciatiekaders van de PRSP's wordt gendergelijkheid beoordeeld.Gedeeltelijk
2.De sectorale programma's besteden expliciet aandacht aan het opheffen van uitsluitingsmechanismen ten opzichte van meisjes en vrouwen.Gedeeltelijk

Ad 1:

In de meeste PRSP's van de partnerlanden wordt gendergelijkheid expliciet als doelstelling genoemd. In 2004 hebben veertien partnerlanden een voortgangsrapport op hun PRSP opgesteld. Bij de reviews die daarop volgen, is met Nederlandse ondersteuning in acht landen gender versterkt. Bij macrosteun en in de appreciatiekaders van de PRSP's wordt gendergelijkheid systematisch beoordeeld.

▹ De financiering van internationale organisaties die zich inzetten voor seksuele reproductieve gezondheid en rechten, waaronder de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes, is gecontinueerd. Sommige ambassades brachten deze onderwerpen op in hun beleidsdialoog en ondersteunden seksuele reproductieve gezondheid via hun sectorsteun en via specifieke ondersteuning aan opvanghuizen voor slachtoffers en bureaus voor rechtshulp.

▹ Nederland continueerde in 2004 inspanningen voor bestrijding van vrouwelijke genitale verminking. In partnerlanden betroffen deze inspanningen zowel de financiering van programma's als politieke of beleidsdialoog.

Mede door Nederlandse inzet is meer politiek commitment, resultaatgerichtheid en financiële ruimte gekomen voor deze onderwerpen binnen VN en EU. Met name tijdens het EU-voorzitterschap is begrip en steun verworven onder de nieuwe lidstaten voor seksuele reproductieve gezondheid en rechten in relatie tot armoedebestrijding, HIV/AIDS en gender.

Dit heeft geleid tot extra EU-middelen ten bedrage van EUR 75 miljoen voor reproductieve gezondheidsmiddelen, zoals anticonceptiva, ten behoeve van UNFPA. Verder werd in het kader van het OESO-DAC Gendernet een studie uitgevoerd naar de financiële genderindicator van alle OESO DAC leden, waaronder Nederland.

Institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.De 19+3 posten bevorderen Institutionele Ontwikkeling op zowel sectoroverstijgend niveau als binnen sectoren. In de postspecifieke strategie wordt expliciet aandacht besteed aan de rol van (armoe- de-, politieke-, institutionele- en organisatie) analyses en hun vertaling in beleid en activiteiten. Posten beschikken over voldoende kennis, instrumenten en vaardigheden om landen en organisaties te ondersteunen bij institutionele ontwikkelingsprocessen en capaciteitsopbouw. Gedeeltelijk

Ad 1:

De aandacht voor institutionele, organisatorische en politieke analyse van de armoedesituatie door de posten, is duidelijk geworden in de meerjarige strategische planning. De intensiteit en kwaliteit van die analyse is nog niet op alle posten zoals gewenst. Een aantal posten is ondersteund bij het vergroten van hun vaardigheden ten aanzien van institutionele analyses en capaciteitsopbouw bij hun partners en brengen hun kennis in de beleidsdialoog met de partners. Andere posten hebben nog behoefte aan ondersteuning; hieraan zal in 2005 verder worden gewerkt.

De financiële ondersteuning van de African Capacity Building Foundation heeft bijgedragen aan de vergroting van de beleids- en beheerscapaciteit van Afrikaanse overheden, parlementen en maatschappelijke organisaties middels gerichte trainingen.

Cultuur en Ontwikkeling

Het programma Cultuur en Ontwikkeling beoogt de culturele identiteit in ontwikkelingslanden te versterken en het onderling begrip tussen culturen te bevorderen. In juni 2004 heeft de minister voor Ontwikkelingssamenwerking het beleidskader Programma Cultuur en Ontwikkeling aan de Kamer aangeboden (Kamerstuk 2003–2004, 29 200 V, nr. 84, TK). Het bestaande programma zal verder worden geïntensiveerd en daarnaast zal het onderwerp een steviger plaats binnen het reguliere beleid krijgen. Een tiental Nederlandse vertegenwoordigingen beschikt over decentrale C&O-budgetten om ter plaatse projecten te kunnen honoreren. De implementatie van het programma in de prioriteitslanden is overwegend succesvol verlopen. Lastens begrotingsartikel 10 wordt in dit kader tevens een aantal instellingen in Nederland ondersteund die werkzaam zijn op het snijvlak van cultuurbeleid en ontwikkelingssamenwerking, waaronder het Prins Claus Fonds.

1b: Integratie van specifieke sectorale thema's in de bilaterale hulpprogramma's

Economische ontwikkeling en bevordering van lokaal ondernemerschap

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Posten besteden aandacht aan de rol van de particuliere sector, hetgeen tot uitdrukking komt in de invulling van programma's in bestaande sectoren (bijvoorbeeld aandacht voor beroepsonderwijs in onderwijssectoren).Ja
2.Expliciete aandacht voor de bronnen van groei en de ontwikkeling van de particuliere sector in nieuwe PRSP's en in aanverwante beleidsdocumenten.Gedeeltelijk
3.Een meer gestructureerde dialoog in de 19+3 landen tussen alle betrokkenen over de enabling environment, mede op basis van de contracten tussen de posten en de (organisaties van) lokale ondernemers. Ja

Ad 1+2:

In het verlengde van de notitie Aan Elkaar Verplicht is er binnen het bilaterale ontwikkelingssamenwerkingsbeleid versterkte aandacht gekomen voor het verbeteren van het lokale ondernemingsklimaat in de partnerlanden. PRSP's en aanverwante beleidsdocumenten benadrukken in gevallen meer het belang van een gezond ondernemingsklimaat en een krachtige private sector; echter, structurele aandacht voor deze thema's kan versterkt worden.

Ad 3:

Mede op basis van een dialoog met betrokken instituties en organisaties (overheid, bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld) hebben de meeste posten in de partnerlanden Annual Business Climate Scans (ABC) opgesteld waarin het lokale ondernemingsklimaat wordt geanalyseerd. In het verlengde hiervan zijn in 2004 21 voorstellen goedgekeurd die knelpunten aanpakken in het ondernemingsklimaat in 19 partnerlanden. Het betreft hier activiteiten voor een totaal bedrag van ruim EUR 6,3 miljoen. Zo wordt bijvoorbeeld in Macedonië gewerkt aan een beter functionerend kadaster, met name gericht op het vergroten van rechtszekerheid over land en onroerend goed voor startende bedrijven. Ook wordt in Tanzania gewerkt aan het versterken van de financiële sector.

Basic education

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Waarborging van de afstemming van PRSP en onderwijssectorplan, zodat deze elkaar ondersteunen en versterken.Ja
2.Verbeterde donorcoördinatie en harmonisatie in de onderwijssector door middel van het faciliteren van een beleidsdialoog met diverse stakeholders, een actieve rol in donoroverlegorganen voor de onderwijssector en, indien wenselijk en mogelijk, het uitbreiden van het aantal silent partnerships voor onderwijs.Ja
3.Een bijdrage aan het Education for All/Fast Track Initiatief door middel van samenwerking met het bij de Wereldbankondergebrachte secretariaat in achttien landen en het opstarten van het proces in twee analytical fast track-landen.Ja

Ad 1:

In de vijftien partnerlanden die onderwijs als sector hebben zijn de benodigde voorbereidingen getroffen voor het intensiveren van de steun aan basic education. Zo zijn mogelijkheden geïnventariseerd voor ondersteuning van sub-sectoren van onderwijs, zoals volwassenenonderwijs en alfabetisering en beroepsonderwijs en training. Dit heeft er toe geleid dat voor 2005 extra middelen via het bilaterale kanaal zullen worden ingezet.

Ad 2:

De voorbereidingen voor het aangaan van nieuwe silent partnerships in die landen waar Nederland niet actief is in de onderwijssector, zijn voorspoedig verlopen. Eerder dan voorzien kan worden gestart met drie silent partnerships.

Ad 2:

In 2004 is belangrijke voortgang geboekt op het gebied van de Education for All doelstellingen en de MDGs. Het Fast Track Initiatief is hier een belangrijk onderdeel van. Er is in toenemende mate sprake van een waarlijk partnerschap tussen OS-landen, donorgemeenschap en maatschappelijk middenveld. Als mede-initiatiefnemer en dankzij de Nederlandse beleidsprioriteit voor onderwijs speelt Nederland hierbij een trekkende rol. Binnen het FTI Framework krijgen HIV/AIDS en gender specifieke nadruk. Onderwijssectorplannen zullen nadrukkelijker beoordeeld worden op deze twee aspecten.

Ad 3:

Naast de bovengenoemde resultaten is in 2004 ook de beleidsdialoog met het maatschappelijk middenveld in Nederland versterkt. Op basis van een discussie over de resultaten van evaluaties uitgevoerd door Plan Nederland en Novib en die van de Joint Evaluation of External Support to Basic Education in Developing Countries is een pilot gestart in drie partnerlanden (Bangladesh, Burkina Faso en Bolivia) om de complementariteit van beleid in onderwijs te versterken.

HIV/AIDS

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.De bilaterale programma's in de zwaarst getroffen landen in Afrika adresseren HIV/AIDS op adequate wijze om in te kunnen spelen op een veranderende realiteit die de AIDS-pandemie met zich meebrengt.Gedeeltelijk
2.De respons van maatschappelijke organisaties op de AIDS-pande- mie is versterkt.Ja
3.Het aantal mensen dat toegang heeft tot voorzieningen voor preventie, zorg en behandeling is toegenomen. Ja

De gevolgen van de AIDS-pandemie worden steeds duidelijker zichtbaar. Het aantal HIV/AIDS geïnfecteerden stijgt nog steeds. Gebieden in opkomst zijn Azië en Oost Europa en Centraal Azië. De maatschappelijke gevolgen nemen dramatische vormen aan, bijvoorbeeld in de sterke toename van het aantal wezen. Voor de beleidsprioriteit HIV/AIDS is na het verschijnen van de Begroting 2004 de Aidsnotitie (Kamerstuk 2003–2004, 29 648, nr. 1 en nr. 2, Tweede Kamer) opgesteld en aanvaard door de Tweede Kamer. De drie sleutelbegrippen in die notitie zijn Commitment, Coördinatie en Capaciteit. HIV/AIDS vraagt met name betrokkenheid op nieuwe terreinen, buiten de traditionele gezondheidssector. Dit leidt tot de noodzaak van coördinatie, zowel in de OS-landen als ook van internationale inspanningen en binnen onze eigen organisatie.

De tijd dat AIDS met klem en expliciet geagendeerd moet worden ligt achter ons. De prioriteit ligt nu bij het versterken van de capaciteit om de agenda's uit te voeren.

Ad 1:

Op twee punten blijven de ontwikkelingen achter bij de voornemens. De integratie van HIV/AIDS in andere sectoren waar Nederland actief is, zoals de onderwijssector, is nog beperkt en de voortgang is minder in partnerlanden waar Nederland niet actief is in de gezondheidsector. De reden hiervoor is dat het besef dat HIV/AIDS een ontwikkelingsprobleem is dat iedereen aangaat, nog onvoldoende breed gedragen wordt. Een ander punt is de beperkte capaciteit in ontwikkelingslanden om HIV/AIDS te integreren in het totale beleid. Aandacht voor deze aspecten behoort tot de kern van het huidige beleid. In partnerlanden waar Nederland niet actief is in de gezondheidszorg ontbreekt de relatie met het ministerie van Gezondheid als een «natuurlijk» aanspreekpunt. De Nederlandse vertegenwoordigingen zijn bezig om nieuwe ingangen te ontwikkelen om aandacht voor HIV/AIDS te vragen.

▹ Mede door Nederlandse inzet is de politieke betrokkenheid bij dit thema toegenomen:

• Succesvolle Iers-Nederlandse bijeenkomst over AIDS-vaccin en microbiociden heeft geleid tot grotere politieke betrokkenheid en steun en tot aanname van een actieagenda.

• Het belang van investeringen in nieuwe preventieve technologieën is vastgelegd in Raadsconclusies onder Nederlands voorzitterschap.

• Samenwerking met het internationale bedrijfsleven op het gebied van HIV/AIDS is gerealiseerd in Zambia en Ghana in het kader van samenwerking met de VS. Tevens is de rol van het bedrijfsleven bij de bestrijding van HIV/AIDS versterkt via een consortium met Shell, Unilever, Heineken (onder andere in Ghana, Rwanda, Namibië).

In Ghana ondersteunt Nederland samen met de VS een programma voor het opzetten van HIV/AIDS preventieprogramma's bij bedrijven. Van de 31 betrokken bedrijven, waaronder de mijnbouw- en de havenbedrijven, Heineken en Unilever, hebben er 16 een programma in uitvoering. Door het programma hebben 33 000 werknemers toegang gekregen tot HIV/AIDS preventie en profiteren additioneel meer dan 120 000 mensen hiervan.

Geoperationaliseerde doelstelling 1c: Verhoging van de effectiviteit aan donorzijde

Donorhervorming en harmonisatie

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Uitgevoerd actieplan van zeven gelijkgezinde donoren om de hulp in Zambia te harmoniserenGedeeltelijk
2.Uitgevoerd Nederlands actieplan inzake harmonisatie in de overige samenwerkingslandenGedeeltelijk
3.Een bewuste en kritische houding ten aanzien van de eigen rol als donor en de wijze van samenwerkingJa

In aanvulling op de harmonisatierapportage die in juni naar de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstuk 2003–2004, 29 234, nr.27, Tweede Kamer) kan het volgende hierover worden gerapporteerd.

Ad 1:

Met betrekking tot het Zambia Harmonisation in Practice initiatief heeft Nederland in samenwerking met de andere Nordic+1 donoren ertoe bijgedragen dat alle belangrijke donoren het harmonisatie-actieplan van Zambia hebben ondertekend.

Ad 2:

Een meerjarenplan (2005–2008) voor de Nederlandse bijdrage aan harmonisatie in de partnerlanden is eind 2004 in uitvoering genomen. Uit de analyse die ten grondslag lag aan dit plan, blijkt dat de Nederlandse vertegenwoordigingen in de achttien focuslanden2 in 2004 reeds goede voortgang hebben geboekt om tot intensievere vormen van harmonisatie te komen. Eind 2004 wordt in meer dan de helft van de sectoren waarin Nederland actief is gewerkt via geharmoniseerde financieringsmodaliteiten (basket financiering dan wel begrotingssteun). Deze modaliteiten zijn de operationele vertaling van beleidsovereenstemming tussen partnerland en (bepaalde) donoren.

Ad 3:

Nederland heeft de beoogde bewuste en kritische houding ten aanzien van de eigen rol als donor en de wijze van samenwerking op diverse manieren gestalte gegeven. Het belangrijkste resultaat is dat onder Nederlands EU-voorzitterschap overeenstemming is bereikt over vergaande stappen met betrekking tot harmonisatie binnen de EU. Deze niet geplande investering heeft geleid tot voorstellen over complementariteit, een gemeenschappelijk raamwerk voor procedures voor de hulp en een zogenaamde Roadmap voor de bijdrage van de EU aan harmonisatie op landenniveau. Daarnaast is in OESO/DAC- en Nordic+ verband een substantiële bijdrage geleverd aan: (1) de voorbereidingen van het tweede High Level Forum on Aid Effectiveness, Harmonisation, Alignment and Results dat in februari/maart 2005 zal plaatsvinden; (2) de monitoring van de uitvoering van de Rome Declaration on Harmonisation; (3) het opstellen van nieuwe DAC good practice papers op het gebied van sectorale benadering en public finance management.

Versterking eigen capaciteit voor toename van on-budget financiering

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Adequate voorbereiding, beoordeling en uitvoering van macro-georiënteerde programmahulp en sectorale begrotingssteun.Ja
2.Adequate beoordeling van de voortgang van de PRSP processen in de 19 + 3 landen en afstemming met de geplande activiteiten ter versterking van deze processen zoals neergelegd in de jaarplannen.Gedeeltelijk (in 14 landen)
3.Beleidsnotitie over grotere betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij het PRSP proces en de rol van het Nederlandse maatschappelijke middenveld daarbij.Gedeeltelijk

Ad 1:

In 2004 werd aan dertien partnerlanden structurele en incidentele macrosteun (excl. schuldverlichting) verstrekt voor een totaalbedrag van EUR 145.6 miljoen. Hiervan werd EUR 110.2 miljoen verstrekt in de vorm van algemene begrotingssteun.

Ad 2:

In het voorjaar verscheen een gedetailleerde evaluatie van de Independent Evaluation Department van het IMF over PRSPs. Deze evaluatie is gebruikt voor vernieuwing van het Nederlandse PRSP-appreciatiekader en stroomlijning daarvan met het Track Record document. Het PRSP-appreciatiekader werd in veertien landen uitgevoerd. Nederland gaf leiding aan de PRSP-trainingen waaraan tien donoren deelnamen: deze zijn in 2004 afgerond. De training was gericht op onderlinge samenwerking. In het afgelopen jaar werden 181 donorvertegenwoordigers, verspreid over drie regio's, getraind.

Ad 3:

Er werd ook in samenwerking met Nederlandse maatschappelijke organisaties gewerkt aan versterking van het PRSP-proces. In juni 2004 vond overleg plaats met deze organisaties om een actieplan uit te werken. Gezamenlijk wordt op dit moment een aantal landen uitgekozen voor de operationalisering daarvan. Op basis van deze ervaringen zal een beleidsnotitie geschreven worden. Verder zijn in 2004 werkafspraken gemaakt met de medefinancieringsorganisaties over de toepassing van het PRSP als beleids- en beoordelingskader. Deze afspraken zijn uitgewerkt in een pilot voor Bangladesh.

In het kader van versterking van de eigen capaciteit voor toename van on budget financieringsvormen, zijn de volgende aanvullende resultaten vermeldenswaardig:

▹ De nota Aan Elkaar Verplicht (AEV) stelt dat de effectiviteit van interventies bepalend moet zijn voor de keuze van kanaal en modaliteit. Dit principe is uitgewerkt in een nieuw analysekader voor de besluitvorming over in te zetten modaliteiten in het bilaterale kanaal: het track record document. Daarbij zijn alle relevante beleidsdimensies bij elkaar gebracht teneinde één geïntegreerde afweging mogelijk te maken.

▹ De sectorale benadering blijft het organiserend principe voor de bilaterale hulp. In 2004 is het parlement geïnformeerd over de sectorkeuzes in elk van de 36 partnerlanden op basis van een verdere beperking zoals aangegeven in AEV (TK 2003–2004 29 234, nr. 28). Tevens heeft een tweede analyse plaatsgevonden van de toepassing van de sectorale benadering in de praktijk.

▹ Het in 2003 in uitvoering genomen Public Finance Management (PFM) ondersteuningsprogramma voor posten is in 2004 in de hoogste versnelling gekomen. Inmiddels worden negentien ambassades ondersteund. Deze ondersteuning vertaalde zich in beter onderbouwde PFM-analyses in het track record en de beoordelingsmemoranda voor macrosteun.

Resultaatbereiking van de bilaterale hulp

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Doelstellingenhiërarchie vormt uitgangspunt voor de formulering van beoogde resultaten in de planningscyclus 2005.Ja
2.Procedure ingevoerd voor de monitoring van jaarplannen door budgethouders gedurende het lopende jaar.Ja
3.Sectorale benadering voorzien van een jaarlijkse gebruik van de nieuwe waarderingsinstrumenten door minstens 95% van de posten en directies met OS-budgetten als onderdeel van de monitoring van de uitvoering van de portefeuilleGedeeltelijk
a. waar van toepassing wordt het armoedebeleid van ontvangende landen gewaardeerd met behulp van het appreciatiekader PRSP's,b. op macroniveau wordt het beleid van het land gewaardeerd met behulp van het track-record, terwijl de verleende macrosteun periodiek wordt gewaardeerd met het waarderingssysteem voor activiteiten,c. op sectoraal niveau worden individuele activiteiten binnen de sectoren voorzien van een activiteitenwaardering, en wordt de voortgang in de sectorale benadering voorzien van een jaarlijkse sectorwaardering. 
4.Systeem van kwaliteitsbewaking ingevoerd als onderdeel van het waarderingssysteem activiteiten en sectoren.Gedeeltelijk
5.Gebruik van het (centraal) MIS door de thema- en regiodirecties als instrument voor beleidsmonitoring voor thema's en landen/regio's en voor monitoring van het eigen jaarplan.Gedeeltelijk
6.Inventarisatie van waarderingssystemen voor SWAP's en PRSP's uitgevoerd, als basis voor beoordeling van mogelijkheden voor donorharmonisatie en voor ondersteuning van de monitoring door de landen zelf.Ja
7.Evaluatieprogrammering en -uitvoering vindt plaats conform de vereisten ten aanzien van betrouwbaarheid, validiteit en gebruik van evaluatieresultaten die zijn vastgesteld in de RPE-regeling. Ja

In 2004 zijn wederom diverse stappen gezet om de resultaten van de Nederlandse bilaterale hulp meer inzichtelijk te maken.

Ad 3a:

In 2004 is sterk ingezet op verankering van het intern gehanteerde waarderingssysteem voor sectoren en programma's. De toepassingsregels zijn aan de praktijk aangepast en het gebruik is intensief gevolgd. Het gebruik is toegenomen tot ongeveer 80% van alle activiteiten. Het genoemde target van 95% is op ervaringsgegevens is bijgesteld tot 85%. Sectoren worden nog steeds jaarlijks van waarderingen voorzien, nu ook in de nieuwe sectoren in nieuwe partnerlanden.

Ad 4:

Er is een eerste aanzet gemaakt met kwaliteitsbewaking; dit zal in 2005 verder uitgewerkt worden.

Ad 5:

In het Management Informatie Systeem Piramide zijn geïntegreerde rapporten gebouwd waarmee zowel activiteitbudgetten als realisaties ten aanzien van de inputdoelstellingen Milieu, Onderwijs en HIV/AIDS binnen een enkel overzicht in beeld kunnen worden gebracht. Omdat bij een inventarisatieronde bleek dat nog relatief weinig gebruik wordt gemaakt van de rapportagemogelijkheden zijn voorstellen gedaan om gebruik van het MIS op centraal niveau te bevorderen.

In het kader van resultaatbereiking van de hulp zijn ook de volgende resultaten uit 2004 vermeldenswaardig:

▹ Het totstandkomen van een doelstellinghiërarchie was aanjager voor het ontwikkelen van een werkwijze en vormgeving voor meerjarig strategisch plannen. In Meerjarige Strategische Plannen (MJSP) zetten ambassades hun plannen tot 2008 uiteen op basis van een uitgebreide contextanalyse. Op grond van de beleidsprioriteiten en de eigen meerwaarde worden gericht keuzes gemaakt voor inzet van menskracht en middelen daar waar de effectiviteit voor armoedebestrijding het grootst is.

▹ Er is voor de prioritaire AEV-sectoren en thema's een systeem ontwikkeld dat het ministerie in staat stelt om begin 2005 voor het jaar 2004 een resultatenrapportage naar de Kamer te sturen.

▹ In 2004 is organisatorisch vertaling gegeven aan het streven naar hogere effectiviteit en kwaliteit van ontwikkelingssamenwerking. Daartoe is eind 2004 de Directie Effectiviteit en Kwaliteit (DEK) opgericht: hier worden onderdelen die zich bezighielden met informatievoorziening, effectiviteitsvragen en de ontwikkeling van instrumenten voor kwaliteitsbewaking samen ondergebracht.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Verbetering van Goed Bestuur, Mensenrechten, Vredesopbouw (GMV) en/of Milieu in beperkt aantal themalanden.

Goed bestuur

Met de introductie in de nota Aan Elkaar Verplicht van een nieuwe lijst met 36 partnerlanden verviel de lijst van GMV-partnerlanden. Deze landen, voor zover niet opgenomen in de nieuwe algemene lijst, konden gebruik maken van de in 2004 in het leven geroepen Faciliteit Strategische Activiteiten (FSA) voor Mensenrechten en Goed bestuur. Op verzoek van de posten werden ten laste van deze faciliteit activiteiten bekostigd. Peking, Almaty, Teheran, Harare en Khartoum waren de posten met de grootste uitgaven hierin.

Daarnaast is verbetering van bestuur conform de nota Aan Elkaar Verplicht vast onderdeel van de ontwikkelingsprogrammering in de partnerlanden, zoals nader beschreven is in beleidsartikel 4.

Intensivering milieu

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Meer integratie van ecologische duurzaamheid in de betreffende PRSP's.Gedeeltelijk
2.Versterkte milieusector.Ja
3.Vergrote ecologische duurzaamheid van het overheidsbeleid, zodat dit beleid ondersteunend is aan het milieubeleid en niet contraproductief werkt.Ja

▹ Met de introductie in de nota Aan Elkaar Verplicht van een nieuwe lijst met 36 partnerlanden verviel ook de lijst van milieu-themalanden. Zeven voormalige themalanden milieu zijn een integrale partner geworden met milieu als sector (Senegal, Kaapverdië, Pakistan, Mongolië, Macedonië, Albanië, Guatemala). Aparte resultaten voor de themalanden, zoals waren voorzien in de begroting 2004, zijn dus niet meer aan de orde. Zie verder geoperationaliseerde doelstelling 1 voor de behaalde resultaten rondom ecologische duurzaamheid.

Geoperationaliseerde doelstelling 3: Ondersteuning van conflictbeheersing en stabiliteit in drie regio's

Hoorn van Afrika en Grote-Merenregio

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Eensgezinde opstelling van westerse landen in EU- en VN-verband (Hoorn).Ja
2.Vergrote effectiviteit van regionale organisaties (IGAD, AU, ECA) (Hoorn).Gedeeltelijk
3.Hervatting van de bilaterale samenwerkingsrelatie met Eritrea.Nee
4.Armoedevermindering door middel van een effectief gebruik van sectorprogramma's in Ethiopië en Eritrea en identificatie van programma's in Soedan, waar mogelijk in het kader van vastgestelde PRSP's.Gedeeltelijk
5.Bijdrage aan Nation-building door het ondersteunen van programma's gericht op politieke en bestuurlijke hervormingen, capaciteitsversterking en decentralisatie; gendergelijkheid zal in deze programma's geïntegreerd zijn.Ja
6.Afname van binnenlandse en grensoverschrijdende spanningen en gevechten in de Hoorn van Afrika.Gedeeltelijk
7.Toegenomen eensgezinde opstelling van westerse landen in EU en multilateraal verband (Grote Meren).Ja
8.Permanente kritische en doelmatige dialoog met betrokken regeringen en groeperingen die betrokken zijn bij de uitvoering van de vredesakkoorden (Grote Meren).Ja
9.Armoedevermindering in het Oost-Congo Bassin via de bestaande programma's met Rwanda en UgandaNee
10.Afname van binnenlandse en grensoverschrijdende spanningen en gevechten in de landen van de Grote Meren. Gedeeltelijk

Ad 2:

Vergrote effectiviteit van regionale organisaties is gedeeltelijk gerealiseerd. Dit is een continu proces. In het kader van de operationalisering van de Hoornnotitie zijn afspraken gemaakt over ondersteuning van regionale organisaties als Intergovernmental Authority on Development (IGAD) en de Afrikaanse Unie (AU).

Ad 4:

Het vredesproces tussen Noord en Zuid in Soedan is sterk vertraagd. Pas op 31 december kon het vredesakkoord worden getekend, waardoor de beoogde resultaten met betrekking tot Soedan niet konden worden gerealiseerd. Ook het oplaaiende geweld in Darfur was hier debet aan. De spanningen tussen Ethiopië en Eritrea zijn niet verminderd en de binnenlandse situatie in Eritrea is verslechterd, waardoor het OS-programma in Eritrea een lager profiel heeft gekregen. In Ethiopië daarentegen loopt het OS-programma goed en wordt invulling gegeven aan een geïntegreerde benadering. Capaciteitsversterking heeft bijzondere aandacht gekregen.

Ad 6:

Er is een beperkte afname van binnenlandse en grensoverschrijdende spanningen en gevechten in de Hoorn van Afrika. Het overleg met zowel Eritrea als Ethiopië over de oplossing van het grensconflict, bracht – mede door de inzet van de EU – de landen iets nader tot elkaar. De voortgang met betrekking tot Somalië was bevredigend, maar ondanks de totstandkoming van een overgangsregering blijft de toekomst van het land uitermate onzeker.

Ad 9:

Het programma in het Oost-Congo bassin gaat pas in maart 2005 van start.

Ad 10:

De situatie in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) blijft gespannen. Er vinden nog regelmatig gevechten plaats tussen milities onderling en tussen milities en het regeringsleger. Verder gaan de gevechten tussen het Burundese regeringsleger (gesteund door de CNDD) en de FNL onverwijld door, maar beperken zich grotendeels tot Bujumbura Rurale. In Noord-Uganda heeft het LRA zijn activiteiten uitgebreid van drie naar vijf districten.

▹ Na de dreiging van Rwanda om Oost-Congo binnen te vallen is er door de internationale gemeenschap een aanvang gemaakt met de ontwapening en reintegratie van de ex-FAR/Interahamwe. Ook Rwanda en de DRC hebben zich hieraan gecommitteerd. De situatie is op dit moment stabiel, maar er is weinig voor nodig om deze weer te doen escaleren.

Balkan

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Armoedeverminderingin Macedonië (19+3 land) en specifieke resultaten in de themalanden Albanië en Bosnië Herzegovina en in de exit-programma's voor Servië en Kosovo.Ja
2.Toegenomen integratie van de landen in Europese en Euro-Atlantische structuren.Ja
3.Afname van binnenlandse en regionale spanningen in de Balkanregio.Ja

▹ Conform de notitie Regionale benadering Westelijke Balkan (Kamerstuk 2003–2004, 29 478, nr. 1, Tweede Kamer), die op 11 maart 2004 aan de Tweede Kamer werd aangeboden, is het regionale programma voor deze regio gestart. Voor de thema's bevordering van vluchtelingenterugkeer en integratie van minderheden, economische ontwikkeling en private sector ontwikkeling, milieu en rule of law zijn vijftien nieuwe projecten gefinancierd die bijdragen aan het komen tot oplossingen en samenwerking op landenoverstijgend niveau. Met de introductie in de nota Aan Elkaar Verplicht van een nieuwe lijst met 36 partnerlanden vervielen de lijsten van themalanden. Albanië, Macedonië en Bosnië Herzegovina behoren tot de 36 partnerlanden.

BELEIDSARTIKEL 7. FONDSEN EN PROGRAMMA'S VAN DE EUROPESE UNIE

A. Algemene beleidsdoelstelling

Nederland draagt ook via de EU bij aan duurzame armoedevermindering en aan duurzame integratie van hulpontvangende landen in de wereldeconomie, alsmede aan het bevorderen van rechtstaat en democratie.

In de EU-programma's en fondsen worden ten aanzien van de verschillende landen en regio's verschillende accenten gelegd. De samenwerking met de ACS-landen (landen in Afrika, het Caraïbisch gebied en de Stille Oceaan) is vooral gericht op duurzame armoedevermindering, terwijl er in de samenwerking met de ALA (Azië en Latijns-Amerika), MEDA (Mediterrane gebied), TACIS (voormalig Sovjet-Unie) en CARDS-landen (Westelijke Balkan) meer ruimte voor differentiatie is. Zo bestaat in deze programma's ruimte voor activiteiten gericht op duurzame armoedevermindering, institutionele versterking van de overheden en het midden- en klein bedrijf, milieu, transport, onderwijs, cultuur en justitie en binnenlandse zaken.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 7 Programma's en fondsen van de EU (EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen0720 35800000
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal101 22843 39181 554114 841122 14890 07132 077
        
7.1 Europees Ontwikkelingsfonds101 22843 39181 554114 841122 14890 07132 077

Financiële toelichting

Uitgaven

Artikel 7.1 Europees ontwikkelingsfonds

De Europese Commissie heeft in december 2003 in haar ramingen voor 2004–2008 aangegeven dat zij zich inspant om binnen vijf jaar het negende EOF volledig te committeren, wat een stijging van de contributie in 2004 met zich meebracht.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: Een kwalitatief hoogwaardig EU-beleid, gericht op duurzame armoedevermindering, integratie van hulpontvangende landen in de wereldeconomie en op het bevorderen van rechtstaat en democratie

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Beheerscomités moeten zich minder gaan richten op het goedkeuren van projecten (microniveau) en meer gaan richten op het evalueren en eventueel aanpassen van beleidsstrategieën en op de impact die het gevoerde beleid heeft (macroniveau).Ja
2.CSP's moeten de uitgangspunten van de Algemene Beleidsverkla- ring van november 2000 bevatten en beter aansluiten bij de PRSP's (waar mogelijk, niet alle landen hebben een PRSP opgesteld), gericht zijn op meer budgetsteun en minder projecthulp en meer op samenwerking met andere (niet-gouvernementele) donoren.Ja

ad 1: Er is sprake van geleidelijke verandering van de werkwijze van de comités onder andere door verandering van het karakter van de EU-hulp naar minder projecten en meer macrosteun en het verlenen van budgetsteun aan verschillende ACS-landen. Macrosteun is in de gezamelijke Beleidsverklaring van de Raad en de Commissie van 2002 als instrument opgenomen. Door de grootschaligheid van de hulpinspanning van de Commmissie is macrosteun, zoals de ACS-EU Waterfaciliteit waartoe de RAZEB van april besloot, een efficient instrument. De beheerscomités richten zich nu meer op monitoring van de Commissie op hoofdlijnen bij de uitvoering van de regionale programma's.

Ad 2:

Eind 2004 is de tussentijdse evaluatie van de EU-landenstrategieën (Country Strategy Papers (CSP)) afgerond op basis waarvan een herverdeling tussen goed en slecht presterende landen is gemaakt. Daarbij zijn de specifieke recente ontwikkelingen en behoeften van de landen in acht genomen.

BELEIDSARTIKEL 8. DE ROL VAN DE VERENIGDE NATIES BIJ ARMOEDEBESTRIJDING

A. Algemene beleidsdoelstelling

Nederland draagt (ook) via de programma's en fondsen van de Verenigde Naties en de gespecialiseerde VN-organisaties bij aan de hoofddoelstelling van ontwikkelingssamenwerking, de duurzame vermindering van armoede.

De VN-organisaties zijn belangrijk als forum voor overleg en samenwerking en een aantal is van groot belang voor de ontwikkelingssamenwerking. Zij ontvangen, gezien het uiteenlopende karakter van de organisaties, uit Nederlandse OS-fondsen bijdragen voor zeer diverse activiteiten. Het uitgangspunt is dat alleen activiteiten worden gefinancierd die binnen het mandaat van de organisatie vallen. Richtinggevend hierbij zijn de Millennium Development Goals (MDGs) Verder dienen die activiteiten aan te sluiten bij de Nederlandse beleidsprioriteiten.

Interventies en financiering levert Nederland bij voorkeur in samenwerking met gelijkgestemde, maar zo mogelijk ook met niet-gelijkgestemde donoren, omdat daardoor een groter effect wordt gesorteerd.

B. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel VN-instellingen(EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen430 695576 092401 217382 718309 179261 63347 546
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal361 123443 827372 375386 830375 628305 73869 890
        
8.1 UNDP72 60583 95095 02587 10086 07468 11417 960
8.2 UNICEF25 53343 50246 93735 06055 64528 13027 515
8.3 UNFPA102 28278 05160 53861 03884 05848 53835 520
8.4 UNIFEM/Instraw3 4263 8573 7892 7891 00001 000
8.5 UNAIDS17 24423 37017 92435 84824 22417 9246 300
8.6 UNCDF6 8077 2617 2617 26004 100– 4 100
8.7 UNEP2 7234 9927 3924 6338 29211 592– 3 300
8.8 GEF/Montreal Protocol14 18917 89719 22833 27731 77325 5936 180
8.9 Verwoestijningsverdrag147178225241120259– 139
8.10 IFAD6 39014 97510 73810 4866 7336 7330
8.11 Gemeenschappelijk Grondstoffenfonds1582554514239671 314– 347
8.12 Speciale multilaterale activiteiten80 816145 81779 22587 66958 38662 866– 4 480
8.13 Multilateraal deskundigenprogramma28 80419 72223 64221 00618 35630 575– 12 219
        
Ontvangsten86086086000860– 860
        
8.20 Doorberekening UNEP aan andere ministeries86086086000860– 860

Financiële toelichting

Begin 2004 moesten de oorspronkelijk uitgetrokken bedragen onder beleidsartikel 8 drastisch neerwaarts worden bijgesteld. Redenen hiervoor waren de budgettaire krapte op de OS-begroting en de aanname door de Tweede Kamer van de motie-Ferrier. Deze verlaging was gebaseerd op algemene getalsmatige doelstellingen met betrekking tot verdeling tussen bilaterale en multilaterale OS-doelstellingen en de in de AEV aangegeven sectoren. Door het vrijvallen van EKI-middelen ontstond in de tweede helft van 2004 budgettaire ruimte. In overeenstemming met de prioriteiten van AEV zijn toen additionele incidentele bijdragen geleverd aan programma's op het gebied van milieu, water, HIV/AIDS en reproductieve gezondheid.

Verplichtingen

De stijging van de verplichtingen betreft een saldo van extra verplichtingen voor onder andere UNFPA EUR 25,5 miljoen, UNICEF EUR 17 miljoen (verhoging Partnershipprogramma) en UNAIDS (EUR 6,3 miljoen), UNIFEM (EUR 1 miljoen) en UNDP (EUR 9,3 miljoen), terwijl het multilateraal deskundigenprogramma sneller werd afgebouwd dan was voorzien (EUR 18,6 miljoen) en de bijdrage aan UNCDF is geschrapt (EUR 4,1 miljoen). De verplichtingen van de speciale multilaterale activiteiten zijn opwaarts bijgesteld als gevolg van een verhoging van het partnershipprogramma WHO met EUR 6 miljoen en het aangaan van een vierjarig partnershipprogramma met FAO in plaats van een tweejarig (EUR 10 miljoen) tegenover een verlaging of schrappen van de bijdrage aan UNDCP, ECA, ECLAC, ESCAP, UNCTAD, UNRISD en HABITAT.

Uitgaven

Artikel 8.1 UNDP

Het kasbudget wordt verhoogd vanwege een kasschuif van EUR 10 miljoen van 2005 naar 2004 en door een verhoging van het Partnerschapprogramma met EUR 7,9 miljoen.

Artikel 8.2 UNICEF

Deze verhoging van het kasbudget bestaat voor EUR 15 miljoen uit een extra bijdrage aan het partnerschapprogramma voor Aidswezen en andere kwetsbare kinderen die geraakt worden door de HIV/AIDS epidemie (EUR 5 miljoen), voor preventie van transmissie van het HIV/AIDS virus van moeder op kind (EUR 5 miljoen) en het Child Protection Programme (EUR 5 miljoen). Ook werd ruim EUR 2 miljoen bijgedragen aan water- en sanitatieprogramma's op scholen. Daarnaast vonden enkele kasschuiven plaats naar 2004.

Artikel 8.3 UNFPA

De verhoging betreft een kasschuif van EUR 10 miljoen van 2005 naar 2004 en een bijdrage aan het UNFPA Commodity Fund van EUR 25,5 miljoen.

Artikel 8.4 UNIFEM/INSTRAW

Het betreft hier een overbruggingsfinanciering voor UNIFEM, gericht op versterking van gendermainstreaming binnen UNDP.

Artikel 8.5 UNAIDS

De algemene bijdrage aan UNAIDS is verhoogd met EUR 6,3 miljoen.

Artikel 8.6 UNCDF

Het betreft hier het schrappen van de vrijwillige bijdrage aan UNCDF met structurele doorwerking in de komende jaren.

Artikel 8.7 UNEP

Het betreft hier een saldo van een verhoging als gevolg van het doorschuiven van betalingen van 2003 naar 2004 en een verlaging, doordat de laatste tranche van het Partnerschapsprogramma pas in 2005 wordt betaald.

Artikel 8.8 GEF/Montreal protocol

De verlaging bij eerste suppletore wet werd voornamelijk veroorzaakt door koersverschillen. De daarop volgende verhoging van EUR 6 miljoen betrof een aanpassing van het betaalschema met GEF. Daarnaast vonden in november de besprekingen plaats voor de pledging van het zogenaamde Additional Climate Change Fund van het GEF. Ter wille van de snelle start van het fonds was Nederland bereid om EUR 2,4 miljoen te geven als bijdrage aan de eerste twee jaar van het fonds en ter dekking van de liquiditeitsbehoefte in het eerste jaar.

Artikel 8.9 Verwoestijningsverdrag

Deze aanpassing is veroorzaakt door het intrekken van de vrijwillige bijdrage.

Artikel 8.11 Gemeenschappelijk grondstoffenfonds

Implementatie van het Common Fund for Commodities (CFC) binnen het partnerschapsprogramma was de voornaamste oorzaak van de verlaging van het kasbudget.

Artikel 8.12 Speciale multilaterale activiteiten VN

Het betreft een saldo van een verhoging van het partnerschapprogramma met de WHO met EUR 6 miljoen voor de uitvoering van het Roll-Back Malariabestrijdingsprogramma en een verlaging of schrappen van de Nederlandse bijdragen aan UNDCP, ECA, ECLAC, ESCAP, UNCTAD, UNRISD en HABITAT.

Artikel 8.13 Multilateraal deskundigenprogramma

De verlaging van EUR 12,2 miljoen wordt veroorzaakt door een snellere afbouw van het assistent-deskundigenprogramma naar jaarlijks 40 nieuwe uitzendingen en door opschoning van de lopende activiteitenportefeuille, lagere dollarkoers en verrekening van oude voorschotten.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: VN-organisaties een adequate en effectieve bijdrage laten leveren aan de realisatie van de MDG's, vooral gericht op armoedebestrijding volgens de vijf armoededimensies (die geaccordeerd zijn in OESO-verband) en aansluitend op nationale armoede-strategiëen en zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Handhaven van reële nulgroei van de begrotingen van Gespecialiseerde Organisaties van de VN en – bij gespecialiseerde organisaties waar dat thans nog niet geschiedt – presentatie van extrabud- gettair gefinancierde activiteiten in samenhang met de reguliere begrotingen.Gedeeltelijk
2.Een duidelijke focus in beleidsdocumenten van de VN-instellingen op het scheppen van voorwaarden in ontwikkelingslanden voor het bereiken van de MDG's.Gedeeltelijk
3.Alle nieuwe landenprogramma's/landenstrategieën van VN-orga- nisaties voor de minst ontwikkelde landen zijn gericht op armoedebestrijding en op het scheppen van voorwaarden om de MDG's te bereiken.Ja
4.Alle nieuwe landenprogramma's/landenstrategieën van VN-orga- nisaties voor de minst ontwikkelde landen in 2004 zijn gebaseerd op en passen in de nationale armoedestrategieën (onder andere PRSP's), voor zover deze beschikbaar zijn.Ja
5.De door Nederland bij VN-organisaties gefinancierde activiteiten worden standaard bezien op de mogelijkheid van samenwerking met andere VN-organisaties, IFI's en bilaterale donoren zowel op centraal als op landenniveau.Ja
6.Op centraal niveau een heldere taakverdeling en geen nieuwe gevallen van mission creep richting andere organisaties (onder andere de IFI's). In 2004 zal met name gestreefd worden naar duidelijke afspraken over een taakverdeling Wereldbank-VN ten aanzien van de monitoring van de MDG's.Gedeeltelijk
7.Betere coördinatie tussen multilaterale en bilaterale donoren alsmede sterkere harmonisatie.Ja

In algemene zin kan gesteld worden dat in 2004 verdere vooruitgang werd geboekt in het vergroten van de effectiviteit van de VN-instellingen. Concreet gaat het om het op landenniveau doorvoeren van geharmoniseerde regelgeving, invoering van gezamenlijke landenanalyses door VN-landenteams, het opstellen van één gezamenlijke VN-strategie per land en gezamenlijke programmering door VN-organisaties.

Ad 1:

Het streven naar reële nulgroei kon niet volledig worden gerealiseerd omdat een aantal belangrijke lidstaten nominale nulgroei nastreeft. De Nederlandse inzet heeft er toe geleid dat begrotingen in een aantal gevallen werden vastgesteld op een hoger niveau dan de nominale nulgroei.

Wat betreft de presentatie van extrabudgettair gefinancierde activiteiten in samenhang met de reguliere begrotingen is er sprake van vooruitgang. Verder is er meer samenhang gecreëerd tussen de reguliere programma's en thematische bijdragen (onder andere thematische trustfunds en partnerschapprogramma's). Nederland heeft in samenwerking met andere landen bereikt dat aansluiting van landenprogramma's van de operationele VN-organisaties op nationale armoedestrategieën tot norm is verheven.

Ad 2:

Nieuwe landenprogramma's/landenstrategieën van VN-organisaties voor de minst ontwikkelde landen worden voor bespreking en goedkeuring in de bestuursorganen door Nederland getoetst op gerichtheid op armoedebestrijding en op het scheppen van voorwaarden om de MDG's te bereiken.

Ad 6:

Door Nederland is een heldere taakverdeling ter voorkoming van mission creep richting andere organisaties (onder andere de IFI's) regelmatig aan de orde gesteld. Het is niet in alle gevallen gelukt om hier beleidsafspraken over te maken, omdat zowel de Bank zelf als een aantal grote donoren geen algemene afspraken over taakafbakening wensen en deze afspraken alleen op landenniveau willen maken. Wel hebben de Wereldbank en de VN heldere afspraken gemaakt over de monitoring van de MDG's.

Ad 7:

Voor wat betreft de coördinatie tussen donoren is vermeldenswaardig dat allianties met gelijkgezinde donoren in 2004 strategisch werden ingezet. Zo werd op Nederlands initiatief gezamenlijk beleidsoverleg gevoerd met UNDGO en UNFPA. Bij de FAO is het multilaterale gelijkgezindenoverleg onder leiding van Nederland nieuw leven ingeblazen. Ook bij het WFP zijn de eerste stappen gezet voor gezamenlijk beleidsoverleg.

▹ De financiering van VN-organisaties is verder gestroomlijnd op basis van criteria van effectiviteit en de relevantie voor de beleidsprioriteiten voor ontwikkelingssamenwerking. Een aantal bijdragen aan kleinere VN-organisaties is stopgezet. In 2004 is het Beoordelingskader Mulitlaterale Instellingen verfijnd en gebruiksvriendelijker gemaakt. Daarnaast werden de prestaties van UNDP, FAO en de Afrikaanse Ontwikkelingsbank op landenniveau beoordeeld in een onderzoek in het kader van het Multilateral Organisations Performance Assessment Network (MOPAN).

Vooruitlopend op de review van de MDG's tijdens de VN-top in 2005 is medio 2004 door een groep gelijkgezinden waaronder Nederland een paper aangeboden aan de hoofden van de VN-organisaties over versterking van de effectiviteit van de VN op landenniveau. De aanbevelingen in dit paper zijn grotendeels overgenomen in een resolutie van de AVVN over de operationele VN-activiteiten (de zogenaamde Triennial Comprehensive Policy Review). Deze resolutie is een belangrijke stimulans voor verdere hervorming van de VN op het gebied van harmonisatie en versterking van de coördinatie van de VN op landenniveau, samenwerking op humanitair terrein en transitie, gender mainstreaming en verbetering van de evaluatie-functie binnen de VN. Als EU-voorzitter is Nederland erin geslaagd om alle EU-landen achter de belangrijkste uitgangspunten hiervan te scharen.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Verwerken van de in de VN en Gespecialiseerde Organisaties overeengekomen doelstellingen in het bilaterale OS-beleid van Nederland

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Uitvoering van de onder deze doelstelling vermelde activiteiten leidt in 2004 tot vertaling van in VN-verband overeengekomen doelstellingen (MDG's) en beleid (uitkomsten Financing for Development-conferentie en World Summit on Sustainable Development) naar het Nederlandse OS-beleid.Ja

▹ Deze doelstelling is een permanente rode draad in het buitenlandbeleid. Informatie- en kennisoverdracht vindt in de praktijk plaats door nieuwsbrieven, informatiebijeenkomsten en speciale opleidingsmodules over de VN en de Internationale Financiële Instellingen.

▹ Daarnaast is vermeldenswaardig dat Nederland in 2004 een rapport heeft uitgebracht over de uitvoering van MDG-8, waarin de verplichtingen van donorlanden zijn verwoord.

BELEIDSARTIKEL 9. DE ROL VAN INTERNATIONALE FINANCIELE INSTELLINGEN BIJ ARMOEDEBESTRIJDING

A. Algemene beleidsdoelstelling

Nederland draagt (ook) via de Internationale Financiële Instellingen bij aan de hoofddoelstelling van ontwikkelingssamenwerking: de duurzame vermindering van armoede.

De Wereldbank, het IMF en de regionale ontwikkelingsbanken zijn belangrijk als fora voor overleg over ontwikkelingsbeleid en -onderzoek en spelen een essentiële rol in de uitvoering van gecoördineerd ontwikkelingsbeleid op landenniveau door middel van de poverty reduction strategy benadering. Zij ontvangen Nederlandse bijdragen voor hun ontwikkelingsfondsen. Daarnaast ontvangen zij bijdragen via Trustfunds met als uitgangspunten het mandaat van de organisaties en de in AEV omschreven beleidsprioriteiten (die op hun beurt weer mede zijn gebaseerd op de MDG's).

B. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 9 Internationale Financiële Instellingen (EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen69 405106 915448 0893 169– 71 48632 685– 104 171
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal54 33585 07692 373105 881148 26181 00967 252
        
9.1 WB-partnership Programma31 64170 33177 39995 524124 60567 75656 849
9.2 IMF/PRGF10 21010 21110 21110 21110 21110 2101
9.3 Speciale Multilaterale Activiteiten IFI's12 4834 5344 76314613 4453 04310 402

Financiële toelichting

Verplichtingen

Begin 2004 moesten de oorspronkelijk uitgetrokken bedragen onder beleidsartikel 9 drastisch neerwaarts worden bijgesteld. Redenen hiervoor waren de budgettaire krapte op de OS-begroting en de aanname door de Tweede Kamer van de motie-Ferrier. Deze verlaging was gebaseerd op algemene getalsmatige doelstellingen met betrekking tot verdeling tussen bilaterale en multilaterale OS-doelstellingen en de in AEV aangegeven sectoren. Het meest ingrijpende gevolg is de halvering van de bijdragen aan de partnershipprogramma's met de WB.

Door het vrijvallen van EKI-middelen ontstond in de tweede helft van 2004 budgettaire ruimte. Hiermee zijn «kasschuiven» gefinancierd, dit wil zeggen dat overeengekomen toekomstige betalingen aan ontwikkelingsfondsen naar voren zijn gehaald. Voorts zijn in overeenstemming met de prioriteiten van AEV additionele incidentele bijdragen geleverd aan programma's op het gebied van het ontwikkelen van ondernemingsklimaat.

Onderhandelingen over middelenaanvullingen ten behoeve van het Asian Development Fund (AsDF 9) en het African Development Fund (AfDF 10) zijn afgerond en IDA (14) is vrijwel afgerond met:

– Een leidende rol voor IDA in het discussie over schuldhoudbaarheid

– Een regeling voor de financiering van het verlies aan reflows

Resultsbased management met landenspecifieke indicatoren

– Een armoedebestrijdingsstrategie die aansluit bij het PRSP-proces in lenende landen.

De verplichtingen op artikel 9 zijn fors neerwaarts bijgesteld, vooral door het overhevelen van het MDRP-programma ad EUR 98,3 miljoen vanuit het Wereldbank Partnershipprogramma naar het Stabiliteitsfonds en door toegekende budgetten ad EUR 69,4 miljoen, waarvoor de contracten niet meer in 2004 zijn aangegaan. Andere neerwaartse bijstellingen zijn veroorzaakt door het laten vervallen van de bijdrage aan fase 2 van het PRSP-fonds van de ADB ad EUR 4,5 miljoen en niet toegekende onvoorzien. Daarnaast zijn er nieuwe verplichtingen aangegaan, waaronder EUR 6,5 miljoen voor het WB PP, EUR 11,4 miljoen voor het IFC PP, EBRD ETC EUR 2 miljoen, EBRD TF EUR 9,5 miljoen en AsDB EUR 0,7 miljoen.

Uitgaven

Artikel 9.1 Partnership Programma's Wereldbankgroep

Het betreft hier een saldering, waaronder kasschuiven naar 2004 voor het GFATM (EUR 44 miljoen) het IFC Partnerschapprogramma (EUR 5 miljoen), een budgetoverheveling inzake milieu en water van artikel 6.2 (EUR 2,7 miljoen), een budgetoverheveling inzake APOC van EUR 2,4 miljoen en een lagere afroep voor het Consultancy Trust Fund en Education for All (EUR 1,2 miljoen).

Artikel 9.3 Speciale multilaterale activiteiten IFI's

De stijging met EUR 10,4 miljoen is het saldo van een verhoging voor EBRD Trade facilitation (EUR 9,5 miljoen), EBRD ETC fonds EUR 2 miljoen), bijdrage AsDB (EUR 0,7 miljoen) en bijdrage ABCDE-conferentie (EUR 0,4 miljoen), terwijl de bijdrage aan fase twee van het PRSP-fonds van de ADB is vervallen.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: IFI's een adequate en effectieve bijdrage laten leveren aan de realisatie van de MDG's; vooral gericht op armoedebestrijding volgens de vijf armoededimensies (die geaccordeerd zijn in OESO-verband), aansluitend op nationale armoedestrategieën en zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Een duidelijke focus in nieuwe beleidsdocumenten van de IFI's in 2004 op wegnemen van belemmeringen in ontwikkelingslanden voor het bereiken van de MDG's.Ja
2.Alle nieuwe landenprogramma's/landenstrategieën van IFI's voor de minst ontwikkelde landen in 2004 zijn gericht op armoedebestrij- ding en op het scheppen van voorwaarden in OS-landen voor het bereiken van de MDG's.Ja
3.Alle nieuwe landenprogramma's/landenstrategieën van IFI's voor de minst ontwikkelde landen in 2004 zijn gebaseerd op en passen in bestaande, nationale armoedebestrijdingsstrategieën (onder andere PRSP's), voor zover deze beschikbaar zijn.Ja
4.Een Bank Netherlands Partnership Program (BNPP) dat in 2004 tegemoet komt aan de aanbevelingen uit de evaluatie van het BNPP.Ja
5.De door Nederland bij IFI's gefinancierde activiteiten worden in 2004 standaard bezien op de mogelijkheid tot samenwerking met andere IFI's, VN-instellingen en bilaterale donoren en indien aanwezig, tot een serieuze aanpak om tot concrete samenwerking te komen (in onder andere SWAP's).Gedeeltelijk
6.In 2004 op landenniveau het gezamenlijk met andere (donor)instellingen faciliteren van analyses als PSIA (Poverty and Social Impact Analysis), en uitvoeren van PER (Public Expenditure Review), monitoring en evaluaties.Nee
7.Op centraal niveau een heldere taakverdeling en geen nieuwe gevallen van mission creep richting andere organisaties (onder andere de VN). In 2004 zal met name gestreefd worden naar duidelijke afspraken over een taakverdeling Wereldbank-VN ten aanzien van de monitoring van de MDG's.Gedeeltelijk

Ad 5:

Om een betere inschatting te kunnen maken van de mogelijkheden voor samenwerking werd in 2004 het multilaterale monitoring review opgesteld als opvolger van het beoordelingskader. Daarnaast helpt onderzoek in het kader van het Multilateral Organisations Performance Assessment Network (MOPAN)om een beter inzicht te krijgen in deze samenwerkingsmogelijkheden.

Ad 6:

De voorgenomen facilitatie bij analyses als PSIA, PER, monitoring en evaluatie is in 2004 voor de IFI's vooralsnog beperkt gebleven tot deelname aan MOPAN.

Ad 7:

Zowel in het informele Utstein-overleg als in het kader van de veertiende IDA-middelenaanvulling heeft Nederland de multilaterale architectuur opgebracht, maar de meeste donoren geven er de voorkeur aan deze vraag van geval tot geval op landenniveau te bekijken.

Naast de resultaten die in de tabel zijn opgenomen, zijn in 2004 ook andere activiteiten ondernomen. Vermeldenswaardig daarbij zijn de volgende punten, die zich richten op verbetering van de effectiviteit.

▹ Er is een survey systeem opgezet en in werking gesteld over het functioneren van multilaterale instellingen op landenniveau (MMS).

▹ De discussie over OS-architectuur en coördinatie van beleid werd in 2004 verder gevoerd in Utstein-verband. Meer concreet ten aanzien van IFI's werd winst geboekt in de aandacht voor coördinatie tijdens de onderhandelingen over middelenaanvullingen, met name bij IDA 14.

▹ De voorgenomen evaluatie van het Evaluatie Poverty Reduction Trustfund (PRS TF) AsDB werd niet gerealiseerd en doorgeschoven naar 2005. De evaluaties van het Consultancy TF en het PRS TF AfDB zijn niet uitgevoerd.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Verwerking van IFI-beleid en- ervaringen in het bilaterale (en particuliere) OS-beleid van Nederland, gezien de bij deze instellingen aanwezige omvangrijke expertise

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Uitvoering van de onder deze doelstelling vermelde activiteiten leidt in 2004 tot meer inzicht in de relevantie van ontwikkelingen bij de IFI's, vooral bij de Wereldbank, voor het Nederlandse OS-beleid. Tevens leidt dit grotere inzicht tot een proactievere opstelling richting IFI's en een kwalitatief betere advisering ten behoeve van de Bewindvoerders bij de IFI's, waarmee ook doelstelling 1 is gediend.Ja

Deze doelstelling is een permanente rode draad in het buitenlandbeleid. Informatie- en kennisoverdracht vindt in de praktijk plaats door nieuwsbrieven, informatiebijeenkomsten en speciale opleidingsmodules over de VN en de Internationale Financiële Instellingen.

BELEIDSARTIKEL 10. SAMENWERKING MET MAATSCHAPPELIJKE ORGANISATIES

A. Algemene beleidsdoelstelling

De versterking van het «maatschappelijk middenveld» oftewel de civil society in ontwikkelingslanden, via autonome Nederlandse of internationale maatschappelijke organisaties als schakel in het proces van duurzame armoedevermindering. De ketenbenadering staat hierbij centraal.

B. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 10 Samenwerking met maatschappelijke organisaties (EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen1 009 958571 8652 350 87376 828269 032252 48516 547
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal511 942547 734627 216749 349738 731744 971– 6 240
        
10.1 Medefinancieringparticuliere organisaties366 762383 871394 434445 559455 506450 8394 667
10.2 SNV57 83560 68079 13184 27770 16685 147– 14 981
10.3 Kleine Plaatselijke Activiteiten3 6304 5384 5386 7507 0686 750318
10.4 Speciale activiteiten42 19750 914100 426159 092151 262148 9192 343
10.5 Voorlichting op het terrein van OS13 40614 63414 73020 19922 66722 106561
10.6 Communicatieprogramma6 5448 9708 6507 9375 6395 6381
10.7 Onderzoeksprogramma21 56824 12725 30725 53526 42325 572851

Financiële toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen voor Artikel 10.1 werd EUR 2,8 miljoen neerwaarts bijgesteld vanwege lagere meerjarige allocatie voor 2005 en volgende voor het medefinancieringsprogramma als gevolg van een lagere BNP-groei en inflatie. Het artikel 10.2 SNV is verhoogd met EUR 5,9 miljoen in verband met een te laag geraamde verplichting. Daarnaast zijn verplichtingen inzake de communicatie en onderzoeksprogramma's neerwaarts bijgesteld. Artikel 10.4 is opgetopt met extra verplichtingen van EUR 29,2 miljoen onder andere voor TMF vanwege de goedkeuring van de nieuwe TMF-ronde, het aangaan van nieuwe verplichtingen in 2004 voor uitgaven in 2005 en de versnelling van uitgaven in 2004 op het terrein van onder andere milieu.

Uitgaven

Artikel 10.1 Medefinanciering particuliere organisaties

Het betreft voornamelijk een kasschuif in verband met kasmanagement voor het Vakbondsmedefinancieringsprogramma (VMP) (ca. EUR 4,7 miljoen).

Artikel 10.2 SNV

De teruggave op het kasbudget van EUR 15 miljoen wordt veroorzaakt door een aanzienlijke onderbesteding in 2003 als gevolg van de nieuwe status van SNV en de daarmee samenhangende ontvlechting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze onderbesteding in 2003 werd toegevoegd aan het budget 2004 dat daarmee aanzienlijk hoger was dan oorspronkelijk voorzien. Uiteindelijk heeft SNV aangegeven dit verhoogde budget niet geheel te kunnen uitgeven en is het kasbudget neerwaarts aangepast.

Artikel 10.3 Kleine plaatselijke activiteiten

Het betreft een technische overheveling van EUR 0,3 miljoen van artikel 4.4 naar artikel 10.3.

Artikel 10.4 Speciale activiteiten

Op dit artikelonderdeel hebben in de loop van het jaar veel mutaties plaatsgevonden. Nadat bij Najaarsnota een verlaging van de kasuitgaven werd gemeld komt de stand nu per saldo uit op een verhoging van het kasbudget van EUR 2,3 miljoen. Belangrijke mutaties zijn technische overhevelingen van artikel 6.2 naar 10.4, versnelde betalingen aan enkele milieu-NGO's zoals IUCN, Stichting TropenBos en het Solar Development Fund, en de versnelde betaling aan enkele organisaties in het kader van het Thematisch Medefinancieringsprogramma.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: Nederlandse en internationale maatschappelijke organisaties een adequate bijdrage laten leveren aan duurzame armoedebestrijding

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Toelating van kwalitatief goede organisaties tot de TMF ronde 2005 en volgende.Ja
2.Concept beleidskader voor een ontschot MFP-breed en TMF voor de periode 2007 en volgend is gereed.Ja
3.Bijdrage aan capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden.Ja
4.Bijdrage aan de opbouw van onderzoekscapaciteit en kennisontwikkeling in ontwikkelingslanden.Ja
5.Bijdrage aan het verbeteren van de toegang tot informatie in ontwikkelingslanden via massamedia en ICT-toepassingen.Ja

Ad 1:

Aan 67 kwalitatief goede aanvragen is voor de TMF-ronde 2005–2008 subsidie toegekend. In het beleidskader voor TMF voor de ronde 2005–2008 zijn enkele nieuwe toelatingscriteria opgenomen die betrekking hebben op draagvlak in de Nederlandse samenleving en de eigen bijdrage van de organisaties die een beroep doen op TMF-financiering. Verder is het laatste TMF-beleidskader (2006–2010) aangepast op de vereiste punten, opdat het begin 2005 kan worden aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit beleidskader is in overleg met de stuurgroep van het TMF-platform en de themadirecties op het departement tot stand gekomen.

Ad 2:

In het concept-beleidskader MFP-breed en TMF, dat op basis van een brede beleidsdialoog met het Nederlandse maatschappelijk middenveld tot stand is gekomen, ligt veel nadruk op het belang van samenwerking en complementariteit, onderling, met de bilaterale samenwerking en met het bedrijfsleven. Innovatie wordt aangemoedigd en er wordt ruimte geboden voor nieuwe spelers.

Bovendien is in 2004 het beleidskader voor het Vakbondsmedefinancieringsprogramma (VMP) voor de periode 2005–2008 vastgesteld. Ook in dit beleidskader ligt de nadruk op transparantie, resultaatmeting en kwaliteit. Daarnaast wordt expliciete aandacht besteed aan de potentiële meerwaarde van de bijdrage van de vakbeweging aan armoedebestrijding in de context van globalisering, bijvoorbeeld op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen of het bevorderen van een gunstig sociaal-economisch ondernemingsklimaat.

Ad 3:

Uit een in 2004 gehouden onderzoek over PUM, PSO en SNV bleek dat er meer nadrukkelijke focus op capaciteitsopbouw in het Zuiden is ontwikkeld. Vraagsturing en ownership staan centraal. Omdat de voorziene veranderingsprocessen bij de organisaties nog niet volledig hun beslag gekregen hebben en mechanismen voor resultaatmeting nog in ontwikkeling zijn, is het nog te vroeg om conclusies te trekken over in het veld behaalde resultaten op het gebied van capaciteitsopbouw. Vanwege deze reden is ook de evaluatie van het programma van SNV uitgesteld naar 2005, zodat deze gelijktijdig met de evaluatie van PSO zal worden uitgevoerd.

In 2004 is ook het assistent-deskundigen (AD)-programma – dat indirect bijdraagt aan capaciteitsopbouw – aangescherpt. Het programma heeft zich in 2004 geconcentreerd op organisaties die zich bezighouden met thema's die het meest aansluiten bij het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Van de ruim 30 organisaties die aan het AD-programma deelnamen, zijn zes VN organisaties en vier internationale onderzoeksinstellingen geselecteerd. Deze organisaties hebben in 2004 in totaal 40 nieuwe posities toegekend gekregen en zijn begonnen volgens de aangescherpte criteria te werken. Er is meer gelet op leerinhoud en prioriteit is gegeven aan veldposities. Eveneens is prioriteit gegeven aan plaatsing van assistent-deskundigen in Afrika. De kosten van het assistent-deskundigenprogramma worden gefinancierd uit beleidsartikel 6 en 8.

Ad 4+5:

Resultaten op het terrein van onderzoek en op dat van communicatie zijn opgenomen onder geoperationaliseerde doelstelling 4.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Verhoogde kwaliteit van maatschappelijke organisaties

In de MvT 2004 omvatte deze geoperationaliseerde doelstelling zes subdoelstellingen. In dit jaarverslag is er ten behoeve van de leesbaarheid voor gekozen om deze subdoelstellingen opnieuw in te delen. Dit heeft als gevolg dat er twee nieuwe geoperationaliseerde doelstellingen zijn. Bij wijzigingen wordt verwezen naar de nummers uit de MvT 2004.

Tabel realisaties geoperationaliseerde doelstelling 2 (2a en 2b uit MvT 2004)
Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Kwaliteitsverhoging van jaarplannen en jaarverslagen van de MFO's (onder andere met betrekking tot het formuleren van resultaten en resultaatindicatoren).Ja
2.De MFO's, waarvoor dit relevant is, stellen plan van aanpak op naar aanleiding van doelmatigheidsaudit.Gedeeltelijk
3.Evaluatierapport uitvoering beleidskader Technische Assistentie en beleidsreactie wordt opgeleverd.Ja
4.Besluitvorming over de toekomstige subsidierelatie met SNV.Gedeeltelijk

Ad 1:

Met de MFO's is in 2004 een nieuw stramien voor de jaarplannen en de jaarverslagen overeengekomen, dat reeds is meegenomen in de jaarplannen voor 2005. Het stramien is erop gericht om via de jaarplannen en jaarverslagen van de MFO meer inzicht te krijgen in (beoogde) resultaten op verschillende niveaus (de MFO zelf, de partnerorganisaties en hun doelgroepen), voor de verschillende landen waarin en thema's waarop de MFO's werkzaam zijn. Ook zijn de MFO's uitgenodigd om op een geaggregeerd niveau te rapporteren over hun bijdrage aan het bereiken van de MDG's. Ook voor de jaarplannen en jaarverslagen van SNV, PSO, de NCDO en de vakcentrales geldt dat zij overzichtelijker en resultaatgerichter zijn geworden.

Ad 2:

Bij de zes MFO's is een doelmatigheidsaudit uitgevoerd. De resultaten daarvan worden meegenomen in de toekomstige jaarplannen van de MFO's en in de regelgeving voor het nieuwe medefinancieringsstelsel dat ingaat per 1 januari 2007. Daarnaast zullen over een aantal specifieke onderwerpen die uit de doelmatigheidsaudit naar voren kwamen gezamenlijk trainingen worden georganiseerd.

Ad 3:

Het onderzoek naar de effecten van het beleidskader technische assistentie is uitgevoerd en aangeboden aan de Tweede Kamer (voor de uitkomsten daarvan zie geoperationaliseerde doelstelling 1).

Ad 4:

Een begin is gemaakt met het in kaart brengen van de toekomstige mogelijkheden voor samenwerking tussen SNV en het ministerie op een nieuwe basis. SNV ziet voor zichzelf een actieve rol weggelegd bij het betrekken van lokaal bestuur, civil society en de private sector in de formulering en uitvoering van nationale PRSP's in ontwikkelingslanden.

▹ De opzet voor de evaluatie van de impact van het TMF-programma in het veld is uitgewerkt en er is een begin gemaakt met de implementatie ervan.

Het IOB-veldonderzoek voor de studie over monitoring en evaluatie in het medefinancieringkanaal is uitgevoerd.

De vormgeving en programmering van de resterende IOB-evaluaties van de MFO's is in gang gezet. Hiervoor is een voorstudie uitgevoerd en worden terms of reference uitgewerkt door IOB.

Geoperationaliseerde doelstelling 3 (nieuw; in MvT 2004: 2c en 2d): Versterkte beleidsdialoog en complementariteit tussen het particuliere kanaal en het ministerie

Tabel realisaties geoperationaliseerde doelstelling 3 ( 2c en 2d uit MvT 2004)
Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Werkafspraken invullen op landenniveau. Landenspecifieke afspraken over complementaire rollen tussen MFO's, SNV, PSO en de ambassades in de 19+ landen en de helft van de themalanden.Ja
2.De instelling en uitvoering van periodiek overleg per thema, sector of specialisatie tussen CSO's en het desbetreffende onderdeel van het ministerie.Gedeeltelijk
3.Een duidelijke focus op de civil society in nieuwe sectorale en thematische beleidsnota's.Ja
4.Toegenomen participatie van CSO's in ontwikkelingslanden bij processen van beleidsvorming, in het bijzonder voor wat betreft het opstellen van PRSP's en de monitoring daarvan.Gedeeltelijk

▹ De brede beleidsdialoog die in 2004 werd gehouden met het Nederlands maatschappelijk middenveld heeft geresulteerd in een langetermijnvisie op complementariteit en rolverdeling tussen de overheid en het maatschappelijk middenveld in het kader van duurzame armoedebestrijding. Deze beleidsdialoog, die de basis vormt voor het concept-beleidskader (zie ook geoperationaliseerde doelstelling 1), heeft het volgende opgeleverd:

– gezamenlijk commitment om de kwaliteit van de output van ontwikkelingssamenwerking te blijven verbeteren en om daarvan de resultaten zichtbaar te maken, ook voor een groter publiek;

– een wederzijdse inspanningsverplichting gericht op meer uitwisseling van informatie en waar mogelijk afstemming en samenwerking (gebaseerd op complementariteit);

– erkenning van de noodzaak om meer aandacht te besteden aan de relatie tussen armoedebestrijding en vrede en veiligheid en aan beleidscoherentie in het algemeen;

– initiatieven om de kloof tussen OS en de onderzoekswereld te dichten.

Aan deze beleidsdialoog zal in het komende jaar follow-up worden gegeven. De input uit de dialoog is reeds verwerkt in het concept-beleidskader voor het MFS.

Ad 2:

Ten aanzien van de het periodiek overleg per thema, sector of specialisatie tussen CSO's en het desbetreffende onderdeel van het ministerie is een inventarisatie geactualiseerd van overlegstructuren tussen het ministerie en het maatschappelijk middenveld, waaruit blijkt dat er regelmatig overleg plaatsvindt.

Ad 4:

In 2004 is op het ministerie een werkconferentie georganiseerd waarbij het maatschappelijk middenveld en medewerkers van het ministerie van gedachten hebben gewisseld over samenwerking op het terrein van PRSP. Nadien zijn de actiepunten uitgewerkt en zijn vier landen gekozen waarvoor het PRSP-proces als thema gaat dienen voor invulling van de werkafspraken (naast Mozambique waar dit al het geval was).

Geoperationaliseerde doelstelling 4 (nieuw)(2e en 2f uit MvT 2004): Verbeterde kwaliteit van het onderzoeks- en communicatieprogramma

Tabel realisaties geoperationaliseerde doelstelling 4 (2e en 2f uit MvT 2004)
Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Toegenomen vraagsturing en versterkt lokaal ownership in internationaal landbouwkundig onderzoek.Ja
2.Toegenomen financiële duurzaamheid van landenspecifiek vraaggericht onderzoek.Ja
3.Het opleveren van een samenhangend beleidskader voor het communicatieprogramma.Nee

▹ Na een heroriëntatie die ertoe zal leiden dat kennis, onderzoek en innovatie een integraal onderdeel gaan uitmaken van de ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten voor het behalen van de prioritaire doelen zijn eind 2004 de hoofdlijnen van een nieuw beleidskader vastgesteld. Tevens zijn – in de geest van een in 2004 uitgebracht RAWOO-advies – initiatieven genomen om de interactie tussen beleid en wetenschap te verbeteren. In dat streven zijn voorbereidingen getroffen voor de start in 2005 met de IS-academie. In dit initiatief worden partnerschappen aangegaan tussen een afdeling van het ministerie en een vakgroep van een universiteit of tussen een Nederlandse ambassade en de lokale onderzoeksgemeenschap. In het partnerschap worden personeel, kennis en ervaring uitgewisseld. Een andere activiteit in dit kader is de subsidiëring van het Netherlands Development Policy Review Network, dat netwerken en regionale workshops gaat opzetten om tot een betere afstemming en samenwerking van onderzoek en beleid te komen.

Ad 3:

Nederland ondersteunt de conclusie van de World Summit on the Information Society (WSIS) van 2003 dat informatie- en communicatietechnologie (ICT) een belangrijk instrument is in het verwezenlijken van de Millennium Ontwikkelingsdoelen. Het opstellen van een afzonderlijk beleidskader voor het communicatieprogramma, voor zowel traditionele als nieuwe media voor informatie en communicatie, bleek in 2004 geen harde noodzaak. Er blijft binnen het TMF wel een thematische beleidsparagraaf Communicatie.

▹ Vertegenwoordigers van maatschappelijk middenveld en bedrijfsleven ontmoeten elkaar regelmatig in een speciale klankbordgroep, die in 2004 een quick-scan geproduceerd heeft met publiek-private partnerschappen over ICT ten behoeve van ontwikkeling. De rol die de Nederlandse private ICT-sector zou kunnen spelen in publiek-private partnerschappen is in 2004 bijna compleet in kaart gebracht.

Geoperationaliseerde doelstelling 5 (in MvT 2004: 3): Ondersteuning en versterking van het maatschappelijk draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking

Tabel realisaties geoperationaliseerde doelstelling 5 (3 in MvT)
Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Versterkt Nederlands draagvlak en vergrote directe betrokkenheid van Nederlandse burgers bij ontwikkelingssamenwerking. Indicatoren daarbij zijn onder andere gebruik van het Loket Plaatselijke Initiatieven (LPI) en Kleine Plaatselijke Activiteiten (KPA) regeling.Ja

De aangekondigde evaluatie van de afhandeling van kleine particuliere aanvragen zal in 2005 worden uitgevoerd.

Naast de voorgenomen activiteiten is in 2004 een inventarisatie uitgevoerd van activiteiten van een groot aantal organisaties op het terrein van het betrekken van jongeren bij ontwikkelingssamenwerking door stages en uitwisseling. Vastgesteld is dat het huidige aanbod van stage/uitwisseling voor jongeren onvoldoende is en te weinig gestructureerd.

Gelet op het belang dat jongeren inzicht krijgen in armoedevraagstukken en de keuzes die gemaakt kunnen worden, is in de begroting een bedrag van EUR 5 miljoen opgenomen om jongeren (12 tot 30 jaar) door middel van stages en uitwisseling meer te betrekken bij armoedevraagstukken. Het Programma Stage/Uitwisseling Jongeren (SUJ) zal vanaf april 2005 operationeel zijn.

▹ Om jongeren te informeren over stage- en uitwisselingsmogelijkheden in ontwikkelingslanden is voorts een pagina toegevoegd aan de BZ-website. Deze pagina biedt een overzicht van de stagemogelijkheden bij (vooralsnog) 43 organisaties.

BELEIDSARTIKEL 11. INTERNATIONAAL ONDERWIJS

A. Algemene beleidsdoelstelling

Het Nederlandse internationaal onderwijsbeleid is gericht op duurzame capaciteitsopbouw en kennisontwikkeling ten behoeve van armoedevermindering. De vraag uit ontwikkelingslanden is daarbij richtinggevend. Het gaat vooral om versterking van hoger onderwijs en scholing van professioneel middenkader in ontwikkelingslanden. Basic education is ondergebracht in beleidsartikel 6.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 11 Samenwerking op het terrein van internationaal onderwijs(EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen120 61124 049115 025160 52175 58266 7918 791
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal82 54681 55286 54885 05187 91084 4673 443
        
11.1 Internationaal OnderwijsProgramma82 54681 55286 54885 05187 91084 4673 443

Financiële toelichting

De verhoging van het verplichtingen- en kasbudget in 2004 met EUR 8,8 resp. EUR 3,4 miljoen betreft een verhoging van het budget voor het Internationaal Onderwijs Programma om nieuwe verplichtingen te kunnen aangaan en financieren. Lopende verplichtingen legden zo'n groot beslag op het oorspronkelijke budget, dat verhoging van het kasbudget voor financiering van nieuwe activiteiten nodig was.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: Institutioneel tertiair onderwijs en trainingscapaciteit in ontwikkelingslanden en de vermindering van kwantitatieve en kwalitatieve tekorten aan geschoold middenkader in ontwikkelingslanden

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Eind 2004 zijn de drie oude programma's voor institutionele versterking volledig afgebouwd.Ja
2.Eind 2004 is het Netherlands Programme for institutional strenghtening of post-secondary education and Training Capacity (NPT) in vijftien landen operationeel en zijn in elf landen projecten in uitvoering.Gedeeltelijk
3.De posten hebben een faciliterende rol gespeeld bij de nieuwe methodiek van vraagidentificatie voor zowel Netherlands Fellowships Programmes (NFP) als NPT.Ja
4.Op basis van de bevindingen van de posten en het Nuffic is een besluit genomen over het al dan niet verder implementeren van de nieuwe methode van vraaggerichtheid bij het NFP in tien landen (proeflanden).Ja
5.In 2004 zullen naar verwachting 1500 NFP beurzen verleend zijn voor deelname aan korte cursussen, master opleidingen, PhD- studies en tailor-made cursussen. Daarnaast hebben in 2004 nog ongeveer 350 deelnemers aan refresher courses deelgenomen. Er wordt niet gestuurd op deze aantallen. Deze zullen namelijk onder meer afhangen van de vraag naar korte en lange opleidingen en van de prijs van de genoten opleiding.Gedeeltelijk
6.Met andere donoren is overleg gepleegd over mogelijkheden voor toekomstige ontbinding van soortgelijke programma's.Ja
7.Het in 2003 in werking getreden sturingsmodel voor de Nuffic is uitgebreid met effectiviteitindicatoren.Nee
8.Beleidsontwikkeling en management van (tertiair) onderwijs maken een groter deel uit van de activiteitenportefeuille van het program- ma Samenwerking Internationale Instituten (SII) dan in 2003.Ja
9.De facilitering van studie in de regio maakt een groter deel uit van de activiteitenportefeuille van het SII dan in 2003.Ja
10.Een evaluatie heeft inzicht verschaft in de effectiviteit van het SII en in de mate waarin het SII heeft bijgedragen aan de realisering van de programmadoelstellingen.Nee

Ad 2:

Het Netherlands Programme for Institutional Strengthening of post-secondary education and Training Capacity (NPT) is in veertien landen operationeel en in elf landen zijn projecten in uitvoering. De start van de uitvoering in Indonesië is in verband met de presidentsverkiezingen vertraagd en zal in 2005 ter hand worden genomen.

Ad 3:

De eerste bevindingen met betrekking tot de implementatie van de nieuwe methode van vraaggerichtheid bij het beurzenprogramma NFP in de tien proeflanden waren positief.

Ad 5:

In 2004 zijn 1365 NFP-beurzen verleend; voorts hebben ruim 600 personen deelgenomen aan refresher courses (gebaseerd op voorlopige rapportage Nuffic).

Ad 6:

Met het oog op mogelijke toekomstige ontbinding van deze programma's is contact gelegd met andere donoren. Uit de verkregen informatie is gebleken dat soortgelijke programma's in de verschillenden landen nogal uiteenlopen en dus moeilijk te vergelijken zijn.

Ad 7:

Van het aanvankelijke voornemen om het in 2003 in werking getreden sturingsmodel voor de Nuffic in 2004 uit te breiden met effectiviteitindicatoren is afgezien.

Het reeds bestaande monitoringssysteem door middel van voortgangsrapportages en voortgangsoverleg blijkt voldoende.

Ad 10:

Het SII is in 2004 geëvalueerd. De definitieve versie van het evaluatierapport verschijnt begin 2005.

In aanvulling op de in de Begroting genoemde resultaten, verdient ook het volgende, niet-voorziene resultaat vermelding. Met OC&W heeft intensief overleg plaatsgevonden over de inhoud van de Internationaliseringsbrief en de Bekostigingsbrief van dat ministerie. Dit wegens de mogelijke consequenties van deze brieven en de motie-Verhagen c.s. voor de IO-programma's.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Kennisontwikkeling en kennisuitwisseling

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Een tweede op outputfinanciering gebaseerde vierjarige subsidiebeschikking, waarin lessen uit de eerste subsidiebeschikking zijn opgenomen.Ja

▹ In december 2003 is een nieuwe vierjarige subsidiebeschikking afgerond, die in 2004 van kracht is geworden. Hierin zijn de resultaten van de evaluatie uit 2002 van het subsidiemodel verwerkt, evenals een door het ministerie uitgevoerde benchmark en een door het KIT uitgevoerde «nulmeting».

BELEIDSARTIKEL 12. SAMENWERKING MET HET BEDRIJFSLEVEN

A. Algemene beleidsdoelstelling

Het stimuleren van de ontwikkeling van de particuliere sector in ontwikkelingslanden. De samenwerking met de (Nederlandse) particuliere sector, onder meer via partnerschappen, is hierbij van groot belang. Het beleid ten aanzien van het stimuleren van de particuliere sector bestaat uit drie deelterreinen: het internationaal scheppen van ruimte voor particuliere sectorontwikkeling, de totstandbrenging van een enabling environment in ontwikkelingslanden en de gerichte aanpak van de specifieke problemen en tekortkomingen van de private sector zelf in ontwikkelingslanden.

Deze beleidsterreinen zijn nader uitgewerkt in de notitie Ondernemen tegen Armoede (TK 27 467, nr. 1), in de aanvulling op deze notitie (TK 27 467, nr. 6), en in de nota Aan Elkaar Verplicht. Met name het derde deelterrein is onderwerp van dit beleidsartikel.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 12 Samenwerking met het bedrijfsleven(EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen137 648362 902437 860187 519102 44276 92525 517
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal153 121154 180186 006214 648221 708255 338– 33 630
        
12.1 Bedrijfslevenprogramma95 12293 05598 463117 908111 349152 963– 41 614
12.2 FMO47 22250 59171 04782 96495 82388 3397 484
12.3 CBI10 77810 53416 49613 77614 53614 036500
        
Ontvangsten545000000
        
12.20 Eenmalige uitkering aan moederdepartement545000000

Financiële toelichting

Verplichtingen

De verhoging van het verplichtingenbudget hangt met name samen met een meerjarige verplichting van het PSOM programma (EUR 35 miljoen) in verband met de uitbreiding van dit programma naar alle partnerlanden. Daarnaast is het verplichtingensaldo van POPM verlaagd omdat voor deze garantieregeling in 2004 geen aanvragen verwacht werden.

Uitgaven

Artikel 12.1 Bedrijfslevenprogramma's

Op kasbasis wordt de onderbesteding van het bedrijfslevenprogramma met name veroorzaakt door tegenvallende uitgaven bij ORET, enerzijds door een vertraagde uitvoering door de complexe vormgeving van het programma en anderzijds door het relatief zwakke economische klimaat c.q. herstel in een aantal landen van de afgelopen jaren, waardoor zowel het bedrijfsleven als overheden aarzelend optraden. Dit laatste geldt ook voor NIMF. Bij enkele andere programma's, zoals PSOM, is de vertraagde uitvoering van de oudere projecten of het feit dat nieuwe projecten een lange aanlooptijd hebben voordat ze leiden tot uitgaven een reden voor onderbesteding in 2004. Van het PSOM programma is in 2004 wel intensief gebruik gemaakt.

Artikel 12.2 FMO

De overschrijding bedraagt per saldo EUR 7,5 miljoen. Dit is enerzijds het gevolg van een geplande contractuele betaling direct na de jaarwisseling aan de FMO (EUR 37 miljoen) die door de intermediaire bank abusievelijk betaalbaar werd gesteld eind december 2004 waardoor sprake is van begrotingsbelasting in 2004 in plaats van 2005.

Anderzijds is onderuitputting van EUR 29,5 miljoen ontstaan als gevolg van enkele onder het MOL fonds te financieren projecten, die op het laatst niet in 2004 gerealiseerd konden worden.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstellingen

• Vergrote ondernemerscapaciteit bij bedrijven in ontwikkelingslanden op het gebied van bedrijfsvoering en marktontwikkeling

• Vergrote handelscapaciteit bij ondernemers in ontwikkelingslanden ten einde toegang tot internationale markten beter te benutten

• Vergrote investeringscapaciteit van bedrijven in ontwikkelingslanden

Activiteiten en instrumenten

Om bovenstaande langjarige geoperationaliseerde doelstellingen te realiseren zijn door Buitenlandse Zaken verschillende instrumenten en activiteiten ontwikkeld:

• Programma Samenwerking Opkomende Markten (doelstelling 1 en 3);

• Programma Uitzending Managers (doelstelling 1);

• Centrum voor Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden (doelstelling 2);

• FMO-instrumenten ter bevordering van de particuliere sector (doelstelling 1 en 3);

• Ontwikkeling van financiële systemen in ontwikkelingslanden (doelstelling 3);

• Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (doelstellingen 1, 2 en 3).

Zoals aangegeven in de begroting 2004 is in afwijking van de overige beleidsartikelen bij dit beleidsartikel gekozen voor een indeling waarbij specifiek op de resultaten bij bovenstaande instrumenten en activiteiten wordt ingegaan.

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.PSOMis operationeel in zestien landen en start met 60 nieuwe proefinvesteringen.Ja
2.Besluit genomen inzake uitbreiding PUM richting nog werkzame managers; circa 1050 missies zijn uitgevoerd.Gedeeltelijk
3.CBI, 70 bedrijven hebben competentie verworven om naar EU landen te exporterenEén bedrijfsondersteunende organisatie (BSO) heeft capaciteit verworven om het lokale bedrijfsleven te ondersteunen bij export naar EU markten300 bedrijven uit ontwikkelingslanden zijn in contact gebracht met EU-handelspartners100 000 personen/bedrijven hebben marktinformatie verworven 950 medewerkers van bedrijven en BSO's zijn getraind in het exporteren naar de EU.Gedeeltelijk
4.Evaluatie afgerond over Overeenkomst Staat-FMO gekoppeld aan beleidsconclusies.Ja
5.Het MOL-fonds heeft een transactieomvang van circa 20 projecten.Gedeeltelijk
6.Onder de ORET-regeling is aan circa 20 projecten ondersteuning verleend.Gedeeltelijk
7.Verdieping van de samenwerking tussen de Nederlandse micro- krediet-instellingen.Ja
8.De regeling sociaal-ethisch beleggen is operationeel en het toezicht hierop verloopt goed.Ja
9.De overheid werkt samen met de Nederlandse financiële sector.Ja
10.MVO-ervaringen zijn gedeeld met EU-lidstaten en derde landen bij MVO-conferentie tijdens EU-voorzitterschap.Ja
11.en het toezicht hierop te verbeteren. MVO: in een aantal partnerlanden is dialoog gestart over enabling environment met nadruk op de mogelijkheid om de lokale arbeidswetgeving.Gedeeltelijk

Ad 1:

In 2004 werd PSOM uitgebreid en is nu operationeel in 24 landen. Tevens zijn 65 committeringen voor nieuwe proefinvesteringen aangegaan. De ervaringen met het gedeeltelijk ontbinden van PSOM zijn nog te gevarieerd; er dient meer ervaring te worden opgedaan voordat dit zinvol geëvalueerd kan worden. Het experiment in Oeganda en Mozambique wordt daartoe voortgezet.

Ad 2:

De Stichting PUM heeft in 2004 overleg gevoerd met grote bedrijven in Nederland, om jonge werknemers onder PUM-condities uit te zenden. Dit is in 2004 gedeeltelijk gelukt, omdat blijkt dat het niet altijd eenvoudig is voor de betrokken ondernemingen om werknemers vrij te maken voor PUM-missies.

In 2004 werden slechts 25 jonge experts uit gezonden. Daarom heeft PUM in 2004 een aparte coördinator voor deze uitzendingen aangesteld. Hiermee hoopt PUM het aantal uitzendingen in 2005 te verdrievoudigen. Het in 2004 te nemen besluit om structureel binnen het PUM-programma ruimte te bieden aan nog actieve managers is daarom uitgesteld tot 2005. De Stichting PUM had in 2004 circa 1050 missies gepland. Er bleken 1 360 missies te kunnen worden gerealiseerd door een efficiënte werkwijze en een gunstige dollarkoers. Op het terrein van het bevorderen van ondernemersklimaat heeft PUM in 2004 circa 20 werkgeversorganisaties ondersteund.

Ad 3:

Het CBI week in 2004 zowel in positieve als negatieve zin af van de geplande resultaten. Een overzicht is opgenomen in onderstaande tabel.

 
ProductPlanningRealisatie
I. Sectorale Export Ontwikkeling7051
II. BSO Development12
III. Marktinformatie100 000148 609
IV Bedrijfsbemiddeling30086
V. Human Resource Development9501 250

Negentien bedrijven uit ontwikkelingslanden minder dan gepland werden in het kader van de sectorale export ontwikkeling opgeleid om beter naar de EU-markten te exporteren. Dit werd vooral veroorzaakt doordat om conjuncturele redenen de marktbetreding door bedrijven uit de sector elektronische componenten werd uitgesteld naar 2005. In plaats van één werden bij twee bedrijfsondersteunende organisaties (BSO) in ontwikkelingslanden institutionele ontwikkelingstrajecten afgerond. Met een productie van 148 609 marktinformatie-eenheden oversteeg dit de planning met ruim 48%; dit werd vooral veroorzaakt door de sterke toename van informatiedistributie via het internet. Het aantal bedrijven in het bedrijfsbemiddelingsprogramma dat succesvol kon worden bemiddeld bleef sterk achter bij de planning. Dit is gedeeltelijk te verklaren door de gehanteerde meetmethodiek die, aangezien zij afhankelijk is van de terugkoppeling door de cliënten, niet de gehele populatie betreft. In 2005 zal een verbeterde meetmethodiek worden ontworpen. Het aantal personen van bedrijven en bedrijfsondersteunende organisaties dat training ontving in het kader van Human Resource Development was hoger dan gepland vooral door de grote toeloop bij in ontwikkelingslanden georganiseerde trainingen. In 2004 werd het CBI-convenant met de opdrachtgever, de directeur-generaal voor Internationale Samenwerking (DGIS) en het separate convenant met de eigenaar, de Plaatsvervangend secretaris-generaal (PlvS) herzien. In deze documenten zijn de sturingsrelaties met het agentschap vastgelegd. Zie ook de agentschapsparagraaf.

Ad 4:

In 2004 werd de toegezegde evaluatie van de overeenkomst Staat – FMO uitgevoerd. Uit de beleidsreactie aan de Tweede Kamer blijkt dat FMO zich heeft ontwikkeld tot een duurzame bancaire instelling en een goede ontwikkelingswaarde produceert. Ook de communicatie- en controlesystemen tussen FMO en de Staat werken goed.

Ad 5:

Een concreet gevolg van de conferentie The role of YOUR business in development van 4 maart 2004 was de toezegging om de focus van het Infrastructuurfonds voor MOL's (het MOL-fonds) in termen van type investeerders, type projecten en financieringsproducten te verbreden. Naast strikt private investeerders zal vanaf 2005 ook worden gestreefd naar financieringen met overheden. Ook zal het financieren van sociale infrastructuurprojecten op de gebieden van gezondheid, water en onderwijs mogelijk worden. Tenslotte is ook het verstrekken van kredietgaranties vanuit het MOL-fonds mogelijk geworden. In 2004 heeft het MOL-fonds zijn doelstelling van 20 gecontracteerde bedrijven niet gehaald: het waren er tien per einde 2004. De reden hiervoor is dat een aantal potentiële projecten in een laat stadium alsnog afketsten. In gevallen had dit te maken met de kenmerken van het project zelf, maar ook omgevingsfactoren (bijvoorbeeld de wet- en regelgeving in het betrokken land) speelden een rol. Dit neemt niet weg dat de gecontracteerde waarde van dit in opbouw zijnde programma (gestart in de loop van 2002) in 2004 toenam ten opzichte van 2003: van EUR 37 miljoen naar EUR 53 miljoen.

Ad 6:

De uitputting van ORET/Miliev bleef in 2004 achter bij de verwachting. Als oorzaak kan een vertraging bij de uitvoering van lopende projecten en de totstandkoming van nieuwe ORET-projecten genoemd worden. Behalve een samenhang met de wereldwijde economische teruggang zijn ook de vaak problematische besluitvormingsprocessen in de ontwikkelingslanden oorzaak van de onderuitputting. Uiteindelijk werd circa EUR 83 miljoen uitbetaald. Er werden vijftien schenkingsovereenkomsten getekend door de overheden in ontwikkelingslanden met een schenkingswaarde van EUR 75 miljoen. Er werden voorts 27 nieuwe aanvragen ontvangen met een totale schenkingswaarde van EUR 157 miljoen. Eind 2004 is een nieuwe ORET regeling gereed gekomen. De meest opvallende veranderingen zijn de introductie van een ongebonden ORET faciliteit voor de Minst Ontwikkelde Landen, de uitbreiding van de landenlijst, een specifieke faciliteit voor projecten in de sector drinkwater en sanitatie en een extra faciliteit voor technische assistentie na de oplevering van het project.

Ad 7:

Een goed ontwikkeld financieel systeem is een belangrijk element van het ondernemings-klimaat. De toegang tot microkrediet is hierbij een belangrijk onderdeel. In 2004 is de samenwerking tussen in Nederland gevestigde gespecialiseerde instellingen op het gebied van microfinanciering verbreed via het Nederlandse Platform voor Microfinanciering (NPM). Afstemming en coördinatie binnen het NPM draagt bij aan een efficiënter beleid voor microfinanciering.

Eind december 2004 waren vijftien private en publieke instellingen lid van NPM, die inmiddels beschikt over een eigen website. Ook heeft NPM eind 2004 een informatiemap uitgebracht, die het Nederlandse aanbod op het gebied van micofinanciering op inzichtelijke wijze in kaart brengt. In het kader van de voorbereiding van het International Year of Microcredit 2005 heeft de VN een belangrijke rol gegeven aan zogenoemde nationale comités in de landen zelf. In Nederland vervult het NPM deze rol en was dan ook verantwoordelijk voor de organisatie van een succesvol openingsevenement van het International Year of Microcredit 2005 in Nederland op 18 november 2004.

Ad 8:

De regeling sociaal-ethische projecten werd begin 2004 ook goedgekeurd door de Europese Commissie. De operationele afstemming tussen de verschillende ministeries en de fondsen heeft vervolgens plaatsgevonden en alle voorbereidingen in verband met uitvoering van de regeling in 2004 zijn afgerond.

Ad 9:

Daarnaast is in 2004 het convenant van samenwerking van het Nederlands Samenwerkingsverband voor Financiële Sector Ontwikkeling (NSFSO) ondertekend. De deelnemers zijn, naast de overheid, de banken ABN AMRO, Fortis, Rabobank, ING en FMO. Het convenant beoogt onder meer de financiële sector in ontwikkelingslanden, door middel van missies, seminars en dergelijke te verbeteren. Voorts is het evaluatie rapport van de multi-donor evaluatie ten behoeve van Women's World Banking eind december 2004 beschikbaar gekomen. In 2004 heeft een aantal organisaties met financiële steun uit het Thematische Medefinancieringsprogramma (TMF) de capaciteitsopbouw bij maatschappelijke organisaties in het zuiden versterkt en in een aantal gevallen een intensieve dialoog met het bedrijfsleven gevoerd. In het kader van het EU-voorzitterschap is, ook in samenwerking met zuidelijke NGO's, van 7 tot 9 november in Maastricht een conferentie georganiseerd. Het belang van het bevorderen van MVO in ontwikkelingslanden is zeer prominent aan de orde gekomen: tien van de vijftig workshops waren geheel of gedeeltelijk gewijd aan MVO in ontwikkelingslanden.

Ad 10+11:

Tot slot hebben de ambassades in de partnerlanden een dialoog gevoerd met de overheden over de enabling environment. De besprekingen hadden in het algemeen een oriënterend karakter waardoor er geen specifieke aandacht kon worden gegeven aan de lokale arbeidswetgeving en het toezicht daarop.

BELEIDSARTIKEL 13. ECONOMISCHE BETREKKINGEN EN HANDELSBEVORDERING

A. Algemene beleidsdoelstelling

Het scheppen van gunstige voorwaarden voor en het geven van nieuwe impulsen aan de internationale economische activiteiten van burgers en bedrijven zodat zij bijdragen aan de duurzame groei van de Nederlandse economie. Het postennetwerk is voor de verwezenlijking van deze doelstelling een belangrijk instrument.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 13 Politieke en Economische belangenbehartiging (EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen19 46919 87217 89929 03244 90685 238– 40 332
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal16 05717 71314 84925 93040 06278 188– 38 126
        
13.1 Programma kleine projecten6 2006 9088 3178 66612 5049 4683 036
13.2 POBB/Algemeen5 3417 2274 2008 4728 9985 5933 405
13.3 Voorzitterschappen en Staatsbezoeken3 1042 9021 7628 26617 74361 768– 44 025
13.4 Diverse bijdragen361392377405626451175
13.5 Internationale Manifestaties1 051284193121191908– 717

Financiële toelichting

Verplichtingen

De per saldo lagere verplichtingenrealisatie hangen voor het grootste gedeelte samen met de lagere uitgaven voor het EU-voorzitterschap. Daarnaast vond er een technische overheveling naar artikel 18 plaats. Een toename in de verplichtingenstand werd veroorzaakt door hogere uitgaven voor de Strategische Faciliteit voor Mensenrechten en Goed Bestuur en het doorschuiven van activiteiten van de OVSE en de Task Force Raad van Europa van 2003 naar 2004.

Uitgaven

13.1 Programma kleine projecten

De mutaties op dit artikel bestaan voornamelijk uit een structurele verhoging vanwege de prioriteit die werd gegeven aan de Strategische Faciliteit voor Mensenrechten en Goed Bestuur (FSA: EUR 2 miljoen) en een incidentele (technische) overheveling van artikel 13.5 naar dit artikel voor Public Diplomacy (EUR 0,7 miljoen).

13.2 POBB/Algemeen

Het budget van POBB/Algemeen is per saldo met EUR 3,4 miljoen verhoogd. De mutaties op dit artikel bestaan uit meeruitgaven van in totaal EUR 5,6 miljoen, voornamelijk ten behoeve van de financiering van een deel van het centrum voor samenwerking op het gebied van terrorisme in Indonesië (JCLEC) en minderuitgaven van in totaal EUR 2,2 miljoen doordat een aantal projecten in een relatief laat stadium afgewezen of doorgeschoven zijn naar 2005. Daarnaast hebben minder conferenties plaatsgevonden dan verwacht.

13.3 Voorzitterschappen en Staatsbezoeken

Dit budget is verlaagd met EUR 44 miljoen. Dit komt voor het overgrote deel vanwege minder uitgaven aan het EU-voorzitterschap (EUR 45,9 miljoen). Omdat de IGC reeds onder Iers voorzitterschap werd afgerond hoefde de conferentie die Nederland had gepland niet door te gaan (EUR 25,9 miljoen). Ook een aantal kleinere conferenties vond geen doorgang. Verder werd er geen aanspraak gemaakt op de reservering voor een extra te organiseren Europese Raad in Brussel. Er is EUR 14,8 miljoen overgeheveld naar het ministerie van Binnenlandse Zaken voor beveiliging en extra vervoersbegeleiding van ministeriële delegaties in het kader van het EU-voorzitterschap. Daarnaast vond er voor het EU-voorzitterschap een technische mutatie van EUR 3,7 miljoen plaats naar artikel 18 en een kasschuif van 2004 naar 2005 van EUR 1,5 miljoen.

Tenslotte was er voor de afronding van het OVSE-voorzitterschap en het voorzitterschap van de Raad van Europa een verhoging van EUR 2 miljoen.

13.5 Internationale Manifestaties

De verlaging van dit artikel betreft een incidentele (technische) overheveling van EUR 0,7 miljoen naar artikel 13.1 voor Public Diplomacy.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: De presentatie van het Nederlandse bedrijfsleven op internationale markten bevorderen door het aanbieden van een toegespitste infrastructuur gericht op informatieverstrekking, marktverkenning, marktbewerking en Holland promotionele activiteiten in veel belovende regio's in economische belangrijke markten en/of landen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.In 2003 is een nulmeting uitgevoerd voor de dienstverlening van de NBSO's. Dit komt neer op de behandeling van ruim 1600 bedrijfsdossiers van Nederlandse bedrijven en het helpen van een kleine 200 buitenlandse bedrijven met informatie over het Nederlandse (producten)aanbod. Voor 2004 is de inzet om deze aantallen te evenaren en zo mogelijk te overtreffen.Ja
2.Aan de hand van de evaluatie van het NBSO-netwerk die in 2003 wordt uitgevoerd, zal in 2004 worden bezien of aanpassingen in het netwerk nodig zijn.Ja

Ad 1:

Het NBSO-netwerk (Netherlands Business Support Offices) heeft in 2004 ruim 2000 Nederlandse bedrijven ondersteund en voorzien van informatie over het Nederlandse (producten)aanbod.

Ad 2:

De evaluatie van het NBSO-netwerk uit 2003 heeft geleid tot onder andere de volgende inzichten:

– de gangbare regiovergelijking die ter ondersteuning dient voor de bepaling van nieuwe NBSO vestigingen biedt onvoldoende houvast en moet worden vernieuwd;

– Formulering en vastlegging van heldere criteria voor de selectie van opkomende/belangrijke markten en daaraan verbonden vestiging van NBSO's ontbreekt en moet worden ontwikkeld. NBSO's kunnen, omdat zij geen diplomatieke vertegenwoordiging zijn, relatief eenvoudig daar waar nodig gesloten en geopend worden.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Minder interpretatieverschillen met betrekking tot het «sterrensysteem» en het daarmee verder brengen van de professionalisering van de dienstverlening

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Meer uniformiteit en herkenbaarheid in dienstverlening aan het bedrijfsleven.Ja

Ad 1:

In 2004 zijn aanmerkelijke vorderingen gemaakt inzake meer herkenbaarheid in de dienstverlening door de Nederlandse vertegenwoordigingen en de NBSO's in de zogenaamde drie-sterrenlanden. De Nederlandse vertegenwoordigingen in landen waar tevens NBSO's zijn gevestigd, hebben in 2004 een aanvang gemaakt een aanvullende vorm van dienstverlening genaamd Individuele Marktbewerking (IM). Zij worden daarbij aangestuurd en ondersteund door de EVD.

Geoperationaliseerde doelstelling 3: Een gemeenschappelijk kennis- en informatiebeheer tussen de ministeries van Economische Zaken en van Buitenlandse Zaken, de EVD en het postennetwerk alsmede versterking van de samenwerking op het gebied van exportbeleidsontwikkeling en handelsbevordering

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Alle kennis en informatie is samengebracht in één platform als basis voor het verder brengen van de samenhang en uniformiteit in de overheidsdienstverlening en beleidsontwikkeling op het gebied van handels- en investeringsbevordering.Ja
2.In 2004 zal het geautomatiseerde systeem dat hiervoor is ontwikkeld, «Hermes», op de werkplek van betrokken ambtenaren beschikbaar moeten zijn, zowel bij de EVD, als op de posten en op de departementen van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken in Den Haag.Gedeeltelijk

Ad 1:

In opdracht van de ministeries van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken is een extranet ontwikkeld dat de naam «Hermes» draagt. Het systeem wordt door de EVD beheerd en geeft toegang tot informatie op het gebied van internationale economische betrekkingen, nieuws over handelsmissies en het Handels Informatie Systeem (HIS) dat de EVD en de Nederlandse Kamers van Koophandel samen hebben opgebouwd en onderhouden.

Ad 2:

Omdat op de Nederlandse vertegenwoordigingen nog geen internet op de werkplek beschikbaar is, wordt er op veel handelsafdelingen gewerkt via een stand alone internet PC waardoor er gebruik kan worden gemaakt van de faciliteit.

Geoperationaliseerde doelstelling 4: Om invulling te geven aan de behoefte om snel in te kunnen spelen op ontwikkelingen in de markt en behoeften van het bedrijfsleven wordt gestreefd naar een vorm van flexibilisering van de inzet van economische medewerkers op posten

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Betere aansluiting van de bezetting van de posten op de behoeften van dat moment.Ja

Ad 1:

In 2004 heeft een aantal Nederlandse vertegenwoordigingen tijdelijke personele versterking ontvangen om een impuls te geven aan het economische werk.

Geoperationaliseerde doelstelling 5: Betere aansluiting van de dienstverlening van het postennet op de behoefte van de Nederlandse ondernemer

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Door de medewerkers op posten beter de taal van het bedrijfslevente laten verstaan en spreken, kunnen zij beter optreden als partner en de dienstverlening meer toespitsen op de behoefte.Ja

Ad 1:

Voor het versterken en verder professionaliseren van de economische functie op de posten werd in een leergang voor startende beleidsmedewerkers van het ministerie van Buitenlandse Zaken aandacht besteed aan macro- en internationale economische vraagstukken en Nederlands handelsbeleid. Daarnaast werd het economische overplaatsingsprogramma verbeterd. Om de medewerker beter de taal van het bedrijfsleven te laten verstaan/spreken hebben in 2004 alle medewerkers, die voor het eerst economisch werk op een Nederlandse vertegenwoordiging (gaan) verrichten, de module Handels- en investeringsbevordering gevolgd inclusief een bedrijfsstage.

Geoperationaliseerde doelstelling 6: Het stimuleren van de vraag naar Nederlandse technologieën en kennis in de agribusiness sector door middel van het vergroten van de kennis in opkomende markten

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Het opzetten van twee centra voor training en technologieoverdracht, één in Rusland en één in de Oekraïne. De centra zijn met name gericht op kennisoverdracht, maar ook veldproeven en markttoegang maken deel uit van het pakket.Ja

Ad 1:

In Oekraïne werd het afgelopen jaar begonnen met de opbouw en vorming van een centrum, voor kennis en technologieoverdracht voor pootaardappelen en groenteteelt. Dit centrum is in het najaar officieel geopend door de secretaris-generaal van het ministerie van LNV. Onder deze doelstelling vallen ook de Netherlands Agricultural Business Support Offices (NABSO's). Een NABSO heeft tot doel de Nederlandse agribusiness te ondersteunen bij de markttoegang en marktbewerking.

In Rusland werd een NASBO opgericht. Dit NASBO gaat daar waar mogelijk de samenwerking aan met de Timiryazev Agricultural Academy in Moskou. Het Russische ministerie van landbouw ondersteunt om deze reden dit initiatief.

Daarnaast zijn de voorbereidingen gestart voor de oprichting van een NABSO in Mexico.

BELEIDSARTIKEL 14. ASIEL, MIGRATIE EN CONSULAIRE DIENSTVERLENING

A. Algemene beleidsdoelstelling

– In Nederland komen door regulering van het grensoverschrijdende personenverkeer uitsluitend personen binnen die recht hebben op toelating dan wel verblijf.

– Consulaire dienstverlening aan Nederlanders in het buitenland geschiedt volgens de hiervoor vastgestelde normen

Op het gebied van consulaire dienstverlening was 2004 een bijzonder jaar, voornamelijk vanwege de zeebeving in Azië. Naast de hulp aan de vele Nederlandse slachtoffers heeft Nederland in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Europese Unie de hulpverlening van EU-burgers in het getroffen gebied gecoördineerd.

Naast het reguliere consulaire werk heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de consulaire begeleiding verzorgd van de Europese voetbalkampioenschappen in Portugal en de Olympische Spelen in Griekenland. Ook de evacuatie van Nederlanders en andere EU-burgers uit Ivoorkust is door middel van de coördinerende rol van het ministerie snel en accuraat uitgevoerd.

Een nieuwe ontwikkeling in 2004 was de betrokkenheid van BZ bij de uitvoering van de kabinetsplannen op het gebied van inburgering. Personen die MVV-plichtig zijn en die in het kader van gezinsvorming- en gezinshereniging of als geestelijk bedienaar naar Nederland wensen te komen, zullen met ingang van juni 2005 eerst in het land van herkomst een taalexamen en een examen kennis van de Nederlandse samenleving moeten afleggen.

Om deze kabinetsvoornemens te realiseren werd medio 2004 een projectteam Inburgering geformeerd. Door dit projectteam is in samenwerking met de overige betrokken directies binnen BZ een Plan van Aanpak opgesteld met het oog op de invoering van het inburgeringsexamen op een 140-tal posten. Op de posten moet namelijk een breed pakket aan voorzieningen worden getroffen, variërend van bouw- en verbindingstechnische aanpassingen tot veiligheidsmaatregelen en voorzieningen op het gebied van personeel en opleidingen. Met de implementatie van al deze werkzaamheden is reeds begonnen.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 14 Asiel, migratie en consulaire dienstverlening (EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen181 154170 46097 133171 097114 405202 447– 88 042
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal180 662170 32796 533170 961106 071202 447– 96 376
        
14.1 Opvang asielzoekers176 345163 46889 538162 60398 003194 420– 96 417
14.2 Asielen migratie1 1641 4261 0481 1341 1901 800– 610
14.3 Consulaire dienstverlening3892 0261 1512 4121 8501 629221
14.4 Gedetineerden begeleiding4107031 1531 2211 2021 251– 49
14.5 Overig2 3532 7043 6433 5913 8263 347479
        
Ontvangsten19 34020 29419 48521 15325 69619 1296 567
        
14.20 Kanselarijrechtenen paspoortgelden19 34020 29419 48521 15325 69619 1296 567

Financiële toelichting

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties hangen voor het grootste deel samen met de verminderde instroom van asielzoekers. Daarnaast is er een verhoging van ca EUR 7 miljoen vanwege de start van het project terugkeer uitgeprocedeerde asielzoekers, waarvan de realisatie in de komende jaren plaats zal vinden. Verder is er een verhoging van EUR 1 miljoen vanwege de evacuatie van Nederlanders uit Ivoorkust.

Uitgaven

Art. 14.1 Opvang asielzoekers

De verlaging met EUR 96 miljoen wordt veroorzaakt door een sterk afnemende instroom van asielzoekers.

Art. 14.2 Asiel en migratie

Als gevolg van de lagere instroom van asielzoekers werd het budget voor de inzet van vertrouwenspersonen structureel verlaagd met EUR 0,6 miljoen.

Art. 14.3 Consulaire dienstverlening

De verhoging met EUR 0,2 miljoen is een saldo van twee verhogingen en een verlaging. Er is een verhoging van EUR 0,2 miljoen voor extra consulaire werkzaamheden als gevolg van crisiscoördinatie EU, de Olympische Spelen en het EK voetbal. Daarnaast een verlaging van EUR 0,5 miljoen omdat er minder visastickers zijn aangeschaft. Tenslotte zijn in 2004 uitgaven verricht voor de evacuatie van Nederlanders uit Ivoorkust van EUR 0,8 miljoen die niet in de begroting waren voorzien.

Art. 14.5 Overig

De verhoging van EUR 0,5 miljoen is een saldo van een aantal verhogingen en verlagingen. Het budget werd in eerste instantie met EUR 3 miljoen opgehoogd voor de ontwikkeling van het nieuwe visuminformatiesysteem. Later werd dit budget verlaagd met EUR 1,5 miljoen vanwege vertraging in de besluitvorming en een nieuwe meerjarenraming waardoor de nadruk op 2005 is komen te liggen. Daarnaast zijn er sinds september nauwelijks meer kosten gemaakt in het kader van legalisatie en verificatie (verlaging EUR 0,6 miljoen). Dit vanwege de uitspraak van de Raad van State dat het legaliseren van brondocumenten niet meer afhankelijk mag worden gesteld van de uitkomst van het verificatieonderzoek. Hierdoor moest het tot dan toe geldende legalisatie- en verificatiebeleid worden stopgezet. Aan de consulaire opleidingen is EUR 0,3 miljoen minder besteed omdat er minder mensen zijn opgeleid dan geraamd en er goedkopere tickets zijn gekocht.

Ontvangsten

Art. 14.20 Kanselarijrechten en paspoortgelden

Vanwege gestegen tarieven, koerseffecten en volume zijn er meerontvangsten ter grootte van EUR 6,6 miljoen op paspoortgelden, kanselarijrechten en legalisatierechten.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: De rechten en plichten voor de betrokkenen bij het visumproces zijn eenduidig. De afgifte van visa verloopt rechtmatig en binnen wettelijke termijnen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Oplevering Nieuw Visum Informatiesysteem (NVIS).Nee
2.Ontwerp-visumwet aan de Raad van State voor advies voorgelegd.Nee

Ad 1:

Het functioneel ontwerp van het Nieuw Visum Informatiesysteem (NVIS) is medio 2004 gereed gekomen en er is een detailplanning opgesteld m.b.t. de bouw en implementatie van het NVIS. Op basis van deze planning is inmiddels met de bouw van het NVIS begonnen.

Ad 2:

Door vertraging in de interdepartementale besluitvorming is het ontwerpvoorstel Visumwet nog niet voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Met name kon nog geen definitief standpunt worden bepaald ten aanzien van het al dan niet handhaven van bezwaar en beroep tegen visumweigeringen, en nam besluitvorming over de nieuwe bevoegdheidsverdeling tussen de betrokken ministeries meer tijd dan verwacht.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: De minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie is in staat asielaanvragen te beoordelen en landgebonden asielbeleid te ontwikkelen op basis van Buitenlandse Zaken verkregen informatie

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Twee algemene ambtsberichten voor de eerste 10 asielinstroomlanden van de top 30 en één ambtsbericht voor de nummers 11 tot en met 30, alsmede ambtsberichten over bepaalde thema's en bevolkingsgroepenNee
2.Individuele ambtsberichten binnen de daarvoor geldende termijn aangeleverd.Nee

Ad 1 en ad 2:

Bij de uitvoering van deze doelstelling is het Ministerie van Buitenlandse Zaken afhankelijk van de vraag van de IND. In 2004 was de vraag van de IND naar algemene ambtsberichten deels een andere dan het hier geformuleerde algemene uitgangspunt. De voorgenomen aantallen zijn wel gerealiseerd, echter deels voor andere landen. Als gevolg van internationale ontwikkelingen die onderzoek ter plaatse kunnen belemmeren, blijft de doorlooptijd fluctueren.

Geoperationaliseerde doelstelling 3: Vergroten en verbeteren van de beschermingsmogelijkheden voor vluchtelingen in de regio waar hun land van herkomst is gelegen in samenwerking met onder andere EU-partners, lidstaten en Commissie, en UNHCR

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Steun aan het UNHCR-conventieplus concept om regionale oplossingen te vinden voor de terugkeer en bescherming van vluchtelingen.Ja

Ad 1:

Zowel nationaal als internationaal is de belangstelling voor, en de discussie over de verbanden tussen ontwikkeling en migratie gegroeid. In november 2003 zegde de minister voor Ontwikkelingssamenwerking de Kamer toe om, gezamenlijk met de minister voor V&I, een notitie over «Ontwikkeling en Migratie» te zullen opstellen en deze aan de Kamer toe te sturen. Medio 2004 werd de notitie verzonden.

Geoperationaliseerde doelstelling 4: Terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers en van hen die niet in Nederland mogen blijven

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Bilateraal/Benelux: Terug- en overnameovereenkomsten met landen van transit en herkomst.Nee
2.In EU-verband: Terug- en overnameovereenkomsten met de volgende landen: Albanië, Oekraïne, Russische Federatie, Turkije, Pakistan, Sri Lanka, China, Algerije, Marokko (voorzover niet al afgerond voor aanvang van het EU-voorzitterschap).Nee

Ad 1:

Er zijn geen overeenkomsten gefinaliseerd in 2004, wel is op diverse dossiers duidelijk vooruitgang geboekt.

Ad 2:

De Europese Commissie voert de onderhandelingen voor de Europese terug- en overnameovereenkomsten. Met genoemde landen werd verder onderhandeld, maar dit heeft nog niet geleid tot de ondertekening van een terug- en overnameovereenkomst.

Geoperationaliseerde doelstelling 5: Voorkomen van opname van onjuiste gegevens in de Nederlandse basisadministratie teneinde oneigenlijk gebruik van Nederlandse voorzieningen tegen te gaan

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Nieuw beleid ontwikkelen om wereldwijd verificatieonderzoeken te kunnen doenNee

Ad 1:

De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in september 2004 heeft grote gevolgen gehad voor het legalisatie- en verificatiebeleid dat sinds 1996 door BZ is gevoerd met betrekking tot brondocumenten afkomstig uit de vijf «risicolanden», de Dominicaanse Republiek, Ghana, India, Nigeria en Pakistan. De inhoud van brondocumenten uit deze landen diende eerst in alle gevallen geverifieerd te worden voordat de Nederlandse vertegenwoordiging in die landen tot legalisatie kon overgaan. De consequentie van de uitspraak is dat het legaliseren van brondocumenten niet meer afhankelijk mag worden gesteld van de uitkomst van het verificatieonderzoek. Legalisatie moet enkel en alleen plaatsvinden op basis van een oordeel over de formele echtheid van een document. Dit betekent in de praktijk dat veel eerder afgewezen documenten opnieuw voor legalisatie worden voorgelegd.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken is sindsdien in overleg met de ketenpartners over de vraag hoe het legalisatie- en verificatiebeleid opnieuw vorm moet worden gegeven. Ook wordt nagegaan hoe andere EU-lidstaten het probleem van documenten met dubieuze inhoud uit derde landen aanpakken.

Op 8 september 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in twee beroepszaken betreffende legalisatie en verificatie.

In deze uitspraak stelt de Afdeling dat legalisatie noch verificatie aan te merken is als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid AWB waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. De Afdeling heeft er verder op gewezen dat in de internationale rechtspraktijk onder legalisatie van buitenlandse openbare akten uitsluitend wordt verstaan de formaliteit waarbij een bevestigende verklaring wordt afgegeven omtrent de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van het document heeft gehandeld en, in het voorkomende geval, de identiteit van het zegel of het stempel op het document. Legalisatie kan dan ook alleen maar strekken tot bevestiging van de formele echtheid van een document, niet tot het bieden van uitsluitsel omtrent de juistheid van de inhoud ervan. De Afdeling is verder van oordeel dat een Nederlandse gebruikende uitvoeringsinstantie, in geval van twijfel over de inhoud van een document, aan de Nederlandse vertegenwoordiging in het land van herkomst van het document kan verzoeken de daarin vermelde feiten te laten verifiëren.

Geoperationaliseerde doelstelling 6: Alle posten verlenen consulaire begeleiding aan Nederlandse gedetineerden in het buitenland (circa 2 200 in augustus 2003) volgens de hiervoor gestelde normen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Beschikbaarheid op posten en departement van dezelfde actuele informatie over individuele gedetineerden waardoor de gedetineerdenbegeleiding efficiënt en slagvaardig kan worden uitgevoerd.Ja

Op alle posten en het departement is dezelfde actuele informatie beschikbaar over individuele gedetineerden waardoor de gedetineerdenbegeleiding efficiënt en slagvaardig kan worden uitgevoerd. Het geautomatiseerde Prison-systeem, waarin alle relevante gegevens van Nederlandse gedetineerden zijn opgeslagen, is op alle betrokken posten in gebruik. Hiermee is deze doelstelling ruim voor de geplande opleverdatum gerealiseerd.

Met Thailand is op 23 augustus 2004 een bilateraal verdrag ondertekend over de overdracht van strafvonnissen (WOTS). Het verdrag zal op 1 april 2005 in werking treden.

In 2004 werd een plan opgesteld om preventieve voorlichting te geven, over risico's en consequenties van drugsbezit en drugshandel, die zoveel mogelijk gericht is op potentiële drugskoeriers. Hierbij wordt samengewerkt met andere Nederlandse organisaties.

Geoperationaliseerde doelstelling 7: Het Nederlandse publiek kan beschikken over gedetailleerde en inzichtelijke informatie over de veiligheidssituatie in het buitenland

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Inzichtelijke en toegankelijke informatie over de veiligheidssituatie per regio, land en streek.Ja
2.Actuele evacuatie- en calamiteitenplannen op alle posten.Nee

Ad 2.

Als gevolg van een ontoereikende personele bezetting heeft de ontwikkeling van een monitoringsysteem ten behoeve van de jaarlijkse actualisering van de evacuatie- en calamiteitenplannen van de posten vertraging opgelopen. De actualisering zal nu in 2005 worden afgerond.

Geoperationaliseerde doelstelling 8: De in het buitenland woonachtige Nederlander is in de gelegenheid deel te nemen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement op 10 juni 2004

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.De aanbevelingen van de in 2003 uitgevoerde externe evaluatievan de gang van zaken rond de Tweede-Kamerverkiezingen van januari 2003 zullen worden gebruikt bij de voorlichtingscampagne door de posten en het departement.Ja

Geoperationaliseerde doelstelling 9: Bezwaar- en beroepszaken worden binnen de gestelde termijnen en kwalitatief voldoende afgehandeld.

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Achterstand bij de behandeling van bezwaarschriften is teruggebracht van 1 750 in 2003 tot 1 500 zaken eind 2004, uitgaand van een instroom van 1 200 zaken in 2004.Ja

Ad 1:

De kwalitatieve doelstelling dat niet meer dan 10% van de beslissingen op bezwaar door de rechter wordt vernietigd, kon in 2004 niet worden gehaald (althans wat betreft legalisatiezaken). In september 2004 oordeelde de Raad van State onverwacht dat tegen legalisatieweigeringen geen bezwaar en beroep mogelijk is. In 1999 had de Raad juist bepaald dat bezwaar en beroep wel mogelijk was. De ommezwaai van de Raad van State bracht mee dat alle in het verleden genomen inhoudelijke beslissingen op bezwaar waartegen op dat moment nog (hoger)beroep aanhangig was (circa 250 zaken), door de rechter moesten worden vernietigd.

De kwantitatieve doelstelling, een reductie van de achterstand bij de behandeling van bezwaarschriften tot 1500 zaken, kon na de ommezwaaivan de Raad ruimschoots worden gerealiseerd, omdat honderden nog in behandeling zijnde legalisatiebezwaarschriften met relatief geringe inspanning niet-ontvankelijk konden worden verklaard. Eind 2004 waren nog slechts 587 bezwaarschriften in behandeling. Op het moment van de uitspraak lag de behandeling van bezwaarschriften op het voorgenomen schema.

De nieuwe legalisatiejurisprudentie bracht mee dat 70% van het werkaanbod voor, en daarmee het bestaansrecht van, de Adviescommissie bezwaarschriften consulaire zaken (Abcz) weg viel. Deze commissie werd daarom per 1 december 2004 opgeheven; de in de MvT 2004 voorziene evaluatie naar de werking van de Abcz hoefde dus niet te worden uitgevoerd.

Geoperationaliseerde doelstelling 10: Integratie van migratie in het externe optreden van de Europese Unie, harmonisatie van regelgeving conform Tampere en Sevilla en uitbreiding van de EU-samenwerking op het gebied van consulaire dienstverlening aan EU-burgers in derde landen

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Een goed verloop van het Nederlandse EU-voorzitterschap op het gebied van migratie.Ja
2.De conclusies van de Europese Raad van Tampere inzake asiel en migratie (oktober 1999) zijn zoveel mogelijk uitgevoerd, conform de termijnen overeengekomen in het Tampere Actieprogramma.Ja
3.Raadsbesluit voor een uniform visum identificatiesysteem inclusief biometrische kenmerken.Nee
4.Gezamenlijke acties en optreden van EU-ambassades in derde landen op consulair gebied, bijvoorbeeld bij calamiteiten en gedetineerdenbegeleiding.Ja

Ad 2:

De Europese Raad van 5 november 2004 stelde het Haagse Programma vast waarin voor de komende vijf jaar lijnen zijn uitgezet die moeten leiden naar de Europese «ruimte van vrijheid, veiligheid en recht»; dit als vervolg op het Tampere-programma van 1999. Het Haagse Programma beslaat een breed terrein: grondrechten, asiel- en migratiebeleid, grensbewaking, integratie, bestrijding van terreur en georganiseerde misdaad, justitie- en politiesamenwerking en civiel recht.

Een belangrijk onderdeel van het programma vormt de externe dimensie van het asiel en migratiebeleid. Hier beoogt het programma een versterking van de samenwerking met landen van herkomst in de vorm van partnerschappen en de verdere integratie van het onderwerp asiel en migratie in het externe beleid van de EU.

Ad 3:

Het Raadsbesluit voor een uniform visum identificatiesysteem inclusief biometrische kenmerken bleek technisch niet uitvoerbaar. Er is drie maanden extra de tijd genomen om een technisch werkbare oplossing te zoeken. De besluitvorming is voorzien in het voorjaar van 2005.

BELEIDSARTIKEL 15. INTERNATIONAAL CULTUURBELEID

A. Algemene beleidsdoelstelling

Het internationaal cultuurbeleid, waar BZ en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gezamenlijk voor verantwoordelijk zijn, kent de twee volgende algemene beleidsdoelstellingen:

• Een versterkt internationaal cultureel profiel van Nederland.

• Intensievere culturele betrekkingen met een aantal prioritaire landen en regio's.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 15 Internationaal Cultuurbeleid(EUR1000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022003200420042004
Verplichtingen11 38816 49919 30918 59015 57913 7391 840
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal12 42611 03313 32414 61317 60913 7393 870
        
15.1 Internationaal cultuurbeleid11 1649 58611 60212 95215 60912 0663 543
15.2 Bijdragen aan instituten1 2621 4471 7221 66120001 673327

Financiële toelichting

Verplichtingen

De verhoging van de verplichtingen wordt veroorzaakt doordat diverse culturele fondsen in 2004 nieuwe subsidiebeschikkingen hebben gekregen.

Uitgaven

Art 15.1 Internationaal cultuurbeleid

Het kasbudget is gedurende 2004 met EUR 3,5 mln verhoogd. EUR 0,4 miljoen heeft betrekking op het Vlaams-Nederlands centrum voor Europa in Brussel; EUR 0,3 miljoen op het PCAP en het PICB, vanwege het succes van deze instrumenten op de posten; de verhoging van het HGIS-cultuurprogramma hangt voor een belangrijk deel samen met de delegatie van middelen naar een aantal culturele fondsen. Deze fondsen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het ICB daar waar het kleine subsidie-aanvragen betreffen. Aan het einde van het 2004 hebben de fondsen een voorschot ontvangen ad EUR 1,7 miljoen voor de eerste periode van 2005. Daarnaast was een verhoging van het budget noodzakelijk om aan de verplichtingen van het culturele voorzittersprogramma te kunnen voldoen. Als gevolg van de financieringssystematiek die gehanteerd wordt door het fonds, dat in opdracht het culturele voorzittersprogramma uitvoerde, vielen de uitgaven in 2004 ad EUR 0,4 miljoen hoger uit ten koste van de uitgaven in 2005. Het resterende bedrag van EUR 0,7 miljoen betreft betalingen voor diverse activiteiten. Dit om de vrije ruimte voor 2005 te vergroten, zodat de effecten van de bezuinigingen op het programma geleidelijker kunnen worden opgevangen.

Artikel 15.2 Bijdragen aan instituten

De verbouwing en renovatie van het Institut Néerlandais heeft geleid tot een verhoging van EUR 0,3 miljoen.

C. Beleidsmatige informatie

Geoperationaliseerde doelstelling 1: Het bevorderen van Nederlandse cultuuruitingen in het buitenland en het versterken van de culturele infrastructuur

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Aangepast werkbezoekenprogramma voor ambassademedewerkers cultuur.Ja
2.Aangepast internationale culturele bezoekersprogramma (voor buitenlandse cultuurprofessionals).Ja
3.Nadere specificering van de landenspecifieke aanpak bij de implementatie van het ICB. Per land zijn sectoren geïdentificeerd waar het ICB zich met name op zal richten.Ja
4.Geconcentreerde culturele presentatie in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Groot Brittannië en in het bijzonder de toetredingslanden tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschapJa

Ad 2:

Bij de SICA (Stichting Internationale Culturele Activiteiten), die een groot deel van de informatietaak richting posten voor haar rekening neemt, is eind 2004 ook het CZ-werkbezoeken programma ondergebracht.

Ad 3:

In 2004 is nadere invulling gegeven aan de landenspecifieke aanpak in een aantal prioriteitslanden door sterkere prioriteitsstelling en planmatiger invulling van geselecteerde terreinen binnen het internationaal cultuurbeleid. Daarnaast is er een regionale conferentie geweest waarbij uitvoerig aandacht is geschonken aan zowel de beleidsmatige als de praktische aspecten van het internationaal cultuurbeleid.

▹ In 2004 werden bij het Institut Néerlandais in Parijs twee nieuwe bewindvoerders benoemd. Het Nederlands-Vlaams huis, «DeBuren», in Brussel is op 24 juni 2004 geopend. Het Huis werd voor tal van activiteiten ter gelegenheid van het Nederlandse EU-voorzitterschap benut.

De halfjaarlijkse EU ACS-bijeenkomst werd georganiseerd in Amsterdam met als thema Art and Trade.

Geoperationaliseerde doelstelling 2: Het in het buitenland meer bekendheid geven aan Nederland als ontmoetingsplaats voor de kunstwereld

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Internationaal goed bekend staande Nederlandse festivals, internationale coproducties en buitenlandse presentaties in Nederland.Gedeeltelijk
2.Festivals met een duidelijke aandacht voor de nieuwe lidstatenJa

Ad 1:

Nederland kent een aantal toonaangevende festivals van internationale allure. Ook op het gebied van coproducties en presentaties heeft Nederland een aantal malen in het centrum van de belangstelling gestaan, onder meer in het kader van de 400 jarige relatie tussen Nederland en Marokko. Het hebben en houden van een internationale goede naam is een arbeidsintensief proces dat veel onderhoud vergt en nooit af is. Ook de komende jaren zal dit een doelstelling van het ICB blijven. Een zo ruim geformuleerde doelstelling is echter nooit helemaal te realiseren. In 2005 zullen daarom geografische en sectorale prioriteiten gesteld worden.

Geoperationaliseerde doelstelling 3: Het gezamenlijk met partnerlanden (India, Indonesië, Sri Lanka, Ghana, Suriname, Rusland en Zuid-Afrika) werken aan duurzaam behoud van Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed (GCE)

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Landenspecifieke beleidskaders voor Zuid-Afrika en Ghana afgesloten. Met de zeven partnerlanden worden landenspecifieke beleidskadersafgesloten.Gedeeltelijk
2.Implementatie van het landenspecifieke beleidskader Suriname. Met Suriname is in 2001 het eerste landenspecifieke beleidskader ondertekend. Op basis van de ervaringen zal het beleidskader worden herzienJa
3.Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed-projecten, beoordeeld op grond van de criteria van het raamwerk GCE (TK, 27 032, nr 2)Ja

Ad 1: In het kader van de landenspecifieke beleidsinvulling werd extra aandacht besteed aan de «herkomstlanden» Marokko, Turkije en Suriname en de nieuwe EU-lidstaten. Met nog niet alle partnerlanden is een beleidskader afgesloten. In 2005 zal worden verder gewerkt aan realisering van deze doelstelling.

Geoperationaliseerde beleidsdoelstelling 4: Het bevorderen van de juridische waarborgen ten aanzien van internationale culturele samenwerking en bescherming van cultureel erfgoed

Beleidsprestaties 2004Realisatie
1.Nederlandse (juridische) inbreng bij multilaterale verdragen op cultureel gebiedJa
2.Nederlandse (juridische) inbreng inzake restitutie en/of recuperatie van culturele kostbaarhedenGedeeltelijk

Ad 2:

In 2004 werd besloten de implementatie van het in 1999 tot stand gekomen Tweede Protocol van het UNESCO-verdrag inzake bescherming van cultureel erfgoed in het geval van een gewapend conflict ter hand te nemen. Voorts werd eind 2004 gestart met de inhoudelijke onderhandelingen over een Unesco verdrag inzake Culturele Diversiteit.

6. NIET-BELEIDSARTIKELEN

NIET-BELEIDSARTIKEL 16. GEHEIM

Op dit artikel worden geheime uitgaven verantwoord.

Artikel 16 Geheim (EUR1000)2000200120022003Begroting 2004Realisatie 2004
1. Verplichtingen0500pm0
       
2. Uitgaven0500pm0

NIET-BELEIDSARTIKEL 17. NOMINAAL EN ONVOORZIEN

Op dit artikel worden de uitgaven verantwoord die samenhangen met de HGIS-indexering en onvoorziene uitgaven.

Artikel 17 Nominaal en onvoorzien (EUR1000)2000200120022003Begroting 2004Realisatie 2004
1. Verplichtingen3 67626662437 81939
       
2. Uitgaven:3 67626662437 81939
       
17.1 HGIS-indexering000037 6830
17.2 Onvoorzien3 67626662413639

Verplichtingen en uitgaven

Het leeuwendeel van dit artikel bestaat uit een voorziening voor HGIS/loon-, prijs- en koersontwikkelingen en onvoorzien. Via overboekingen naar HGIS-artikelen op diverse begrotingen werden middelen uit dit artikel voor dat doel ingezet.

NIET-BELEIDSARTIKEL 18. ALGEMEEN

Dit artikel behandelt de apparaatsuitgaven van zowel het departement in Den Haag als de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland. Het omvat de verplichtingen en uitgaven aangaande het ambtelijk personeel, overige personele uitgaven, materieel en voorlichting.

Tabel budgettaire gevolgen

Artikel 18 Algemeen (EUR1000)2000200120022003Begroting 2004Realisatie 2004
1. Verplichtingen587 229611 140656 723656 050651 159674 396
       
2. Uitgaven:581 906596 799660 715676 435644 449673 259
       
18.1 Apparaatsuitgaven581 765595 899659 343676 298644 059673 255
18.2 Koersverschillen1409001 3721373904
       
3. Ontvangsten12 98411 18712 018102 41314 65796 545

Financiële toelichting

Uitgaven

18.1 apparaatsuitgaven

De budgettaire verhoging op dit artikel is het saldo van een aantal opwaartse en een aantal neerwaartse mutaties. Gelet op de mondiale veiligheidssituatie was een incidentele verhoging van EUR 10 miljoen voor extra personele en materiële investeringen in gebouwen vereist (de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland en het departement). Tevens vond een aantal technische mutaties (totaal EUR 13,7 miljoen) plaats die werden gecompenseerd via ontvangstenverhogingen op artikel 18.20 dan wel via overheveling uit begrotingsartikel 13 vanwege het EU-voorzitterschap. In de sfeer van loon – en prijsbijstelling is dit artikel verhoogd met EUR 8,0 miljoen. Voorts zijn er nog enkele kleinere incidentele mutaties opgetreden die leiden tot een verhoging van per saldo ca EUR 7,0 miljoen. Het gaat hierbij onder andere om extra middelen voor pensioenvoorzieningen lokaal personeel, een verhoging in het kader van Europavoorlichting, diverse verbouwingskosten op het departement en hogere huurlasten departement. De opbrengsten uit verkoop onroerend goed ad EUR 3,7 miljoen conform middelenafspraak met Financiën leidde tot een verhoging van dit artikel.

Een neerwaartse bijstelling van circa EUR 10,0 miljoen was nodig vanwege bouwkundige vertragingen in diverse huisvestingsprojecten buitenland en vertraging van de wereldwijde uitrol van de vijf jaar oude ICT basis-infrastructuur. Tot slot hebben lagere buitenlandvergoedingen dan geraamd (EUR 2 miljoen), lagere uitgaven voor verhuiskosten (EUR 1 miljoen) en minder schadeloosstellingen (EUR 0,7 miljoen) tot een neerwaartse mutatie geleid van EUR 3,7 miljoen. Door de lagere bezetting zijn de gemiddelde kosten evenwel toegenomen.

Ontvangsten

De meevaller op de ontvangsten wordt met name veroorzaakt door voordelige koerseffecten. Dit koerseffect ontstaat door het hanteren van de corporate rate bij de non-ODA- en ODA-gerelateerde uitgaven versus de dagkoers. Het voordelige koerseffect is grotendeels te herleiden naar de (ten opzichte van de corporate rate) lagere dollarkoers gedurende 2004. Het totale koersverschil in 2004 bedraagt EUR 74,3 miljoen. Hiervan is circa EUR 10,7 miljoen te herleiden naar non-ODA (met name artikel 1 en 18) en EUR 63,6 miljoen naar ODA (met name artikel 6, 3 en 8). Het restant van de diverse meerontvangsten (circa EUR 8,2 miljoen) kent zowel een materiële (bijvoorbeeld ontvangsten roerende zaken) als een personele component (bijvoorbeeld terugbetaling van eerder verstrekte aanloopvoorschotten).

Apparaatskosten

De apparaatskostentoerekening werd elk jaar gebaseerd op de tijdschatting van het aantal besteedde uren per beleidsartikel. Vanwege de herziene begrotingsstructuur in 2005 en de daarmee gepaard gaande conversie van oude (2004) naar nieuwe (2005) beleidsartikelen, zijn de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland en directies conform afspraak met het ministerie van Financiën niet gevraagd een tijdschatting over 2004 te maken.

Kengetallen

 Begroting 2004Realisatie 2004
Personeel  
   
Loonkosten departement  
Gemiddelde bezetting1 8521 914
Gemiddelde prijs61 00060 929
Toegelicht begrotingsbedrag112 964116 604
   
Loonkosten posten (excl. themadeskundigen)  
Gemiddelde bezetting1 2901 212
Gemiddelde prijs67 59569 439
Toegelicht begrotingsbedrag87 16584 160
   
Loonkosten themadeskundigen (posten)  
Gemiddelde bezetting7758
Gemiddelde prijs74 76974 754
Toegelicht begrotingsbedrag5 7694 363
   
Totaal loonkosten ambtelijk personeel  
Gemiddelde bezetting3 2193 184
Gemiddelde prijs63 97264 422
Toegelicht begrotingsbedrag205 898205 128
   
Vergoedingen  
Gemiddelde bezetting1 3671 270
Gemiddelde kosten56 15856 015
Toegelicht begrotingsbedrag76 75071 139
   
Lokaal personeel  
Gemiddelde bezetting2 0392 064
Gemiddelde prijs34 50035 673
Toegelicht begrotingsbedrag70 34473 629
   
Materieel  
Gemiddelde bezetting (incl. att.)5 5585 588
Gemiddelde kosten*41 11745 150
Toegelicht begrotingsbedrag228 526252 299
   
Totaal toegelicht begrotingsbedrag581 518602 195
   
Overige62 54171 064
   
Totaal apparaatsuitgaven644 059673 259

Voetnoot: De gemiddelde kosten voor materieel zijn in de begroting 2004 abusievelijk voor EUR 44 117 in de tabel opgenomen.

De totale loonkosten zijn in 2004 iets lager (0,4%) uitgevallen dan geraamd, hetgeen vooral het gevolg is van een lagere bezetting (– 35 fte's). De (lichte) stijging van de gemiddelde loonsom is vooral het gevolg van de hogere pensioenpremies.

De bezetting op het departement was iets hoger en die op de posten iets lager dan geraamd. Voor de de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland heeft dat vooral te maken met een voortvarende uitvoering van de taakstelling. Doordat medewerkers van de posten terugkwamen was de bezetting op het departement iets hoger dan geraamd. De verschuiving tussen departement en de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland is ook het gevolg van een technische bijstelling. Ten opzichte van 2003 daalde het volume op het departement met 23 fte's (van 1 937 fte's tot 1 914 fte's). Als gevolg van de lagere bezetting op de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland vielen ook de uitgaven voor de vergoedingen lager uit.

Het aantal lokale medewerkers op de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland nam licht toe, met name onder invloed van de taakstelling, waarbij enkele uitgezonden functies zijn vervangen door lokale functies, het Europees voorzitterschap en door uitbreidingen bij de ondersteuning van vakattachees. De totale bezetting nam daarnaast licht toe door de stijging van het aantal vakattachees (van 270 tot 340). Deze vakattachees komen niet ten laste van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze stijging is deels het gevolg van (tijdelijke) uitbreidingen in het kader van het Europees voorzitterschap en deels ook het gevolg van een verbeterde registratie. In de uitgaven zitten ook incidentele uitgaven voor pensioenen; zonder deze uitgaven is sprake van een lichte daling van de gemiddelde kosten.

De kosten voor materieel zijn hoger uitgevallen dan geraamd. Het verschil wordt verklaard door uitgaven voor veiligheid op de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland, veiligheid betreffende het departement, diverse technische mutaties en een aantal incidentele verhogingen.

Voor de overige apparaatskosten wordt het verschil tussen raming en realisatie voornamelijk veroorzaakt door de aanschaf in de loop van 2004 van ICT-hardware en licenties in het kader van de wereldwijde vervanging van de ICT-basisinfrastructuur. In de ramingscijfers van de kengetallen waren de uitgaven hiervan namelijk nog niet verwerkt omdat pas na opstelling van de begroting 2004 goedkeuring aan de wereldwijde uitrol is gegeven. Deze meeruitgaven zijn binnen het totaal van dit begrotingsartikel gefinancierd.

Problematiek inzake misbruik en oneigenlijk gebruik ten aanzien van BTZR en wachtgelden

Het Besluit Tegemoetkoming Ziektekosten Rijkspersoneel (BTZR) is in principe gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O). De hoogte van de uitkering is immers afhankelijk van de opgave van de betrokkene zelf. Het controlebeleid is ten eerste gericht op de onderbouwing van mutaties met bewijsstukken (de polis voor de ziektekostenverzekering). Ten tweede wordt gebruik gemaakt van de rapportages van de Dienst Informatievoorziening Overheidspersoneel die bestandskoppelingen heeft gemaakt om onderzoek te kunnen doen naar eventuele dubbele uitkeringen bij overheidspersoneel. Tenslotte voorziet het controlebeleid in een additionele steekproefsgewijze controle binnen risicogroepen. Over 2004 is het controlebeleid eenmalig anders ingevuld, omdat voorgaande jaren is gebleken dat er nog steeds sprake was van onbekendheid met de criteria. Hierdoor ontvingen sommigen ten onrechte een tegemoetkoming maar andere rechthebbenden juist niet. Daarom is aan alle ambtenaren een opgave gestuurd van de gegevens die ten grondslag liggen aan de berekening van de BTZR-betalingen. Iedere ambtenaar moest de juistheid hiervan expliciet bevestigen en het formulier ondertekend retourneren. Op basis van de bevindingen bij de controles in de afgelopen jaren bedraagt de M&O-problematiek circa drie procent van de uitgaven. In 2004 is in totaal EUR 8,7 miljoen uitgekeerd.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de uitvoering van de regelingen voor wachtgelden, WW-uitkeringen en bovenwettelijke uitkeringen. De feitelijke uitvoeringvindt plaats door de UWV USZO. De genoemde regelingen zijn gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O), omdat voor de aspecten van het arbeidsverleden en neveninkomsten gebruik wordt gemaakt van de gegevens van de betrokkene zelf. De UWV USZO heeft hiervoor een controlebeleid ontwikkeld. De declaraties van de uitgekeerde bedragen uit hoofde van de wachtgeldregeling zijn als voorschot aan de UWV USZO voldaan en in de extracomptabele voorschottenadministratie opgenomen. De definitieve vaststelling zal plaatsvinden op basis van een bij de jaarstukken van de UWV USZO behorende accountantsverklaring.

7. BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

Evenals voorgaande jaren is het overall beeld van de bedrijfsvoering over 2004 bij Buitenlandse Zaken positief. Een aantal acties is ondernomen om de kwaliteit van de bedrijfsvoering verder te optimaliseren en te waarborgen. Op basis van een risicoanalyse zijn de belangrijkste resterende aandachtspunten geïdentificeerd, te weten kennis, integriteit, Piramide en resultaatgericht management. In de bedrijfsvoeringsparagraaf worden enkele belangrijke resultaten op deze terreinen over het afgelopen jaar beschreven. Aanvullend zijn in de paragraaf opmerkelijke ontwikkelingen opgenomen die van invloed zijn geweest op de bedrijfsvoering, in het bijzonder de taakstelling en het EU-voorzitterschap.

Kennis

Het leren en het behouden van kennis is binnen BZ nog niet optimaal georganiseerd waardoor gebrek aan kennis kan ontstaan en het rendement van verbetermaatregelen te laag is. Over 2004 zijn diverse maatregelen getroffen, die samen met de daarbij ingezette vervolgacties moeten bijdragen aan een verbeterde kennisfunctie binnen het departement. Belangrijke in 2004 gerealiseerde verbeteringen liggen op het terrein van de regelgeving en het personeelsbeleid.

Regelgeving verminderd, beter uitvoerbaar en beter toegankelijk

Over 2004 is de interne regelgeving van het ministerie doorgelicht met als doel de regelgeving te verminderen, beter uitvoerbaar en beter toegankelijk te maken. Alleen de regelgeving die wettelijk is voorgeschreven of uit het oogpunt van risicobeheersing van de interne bedrijfsvoering noodzakelijk wordt geacht is in een vernieuwd Handboek Bedrijfsvoering opgenomen dat wereldwijd via intranet aan de BZ-medewerkers wordt aangeboden. Het resultaat is een sterk vereenvoudigd handboek dat in omvang tenminste 65% is afgenomen. Tevens zijn maatregelen getroffen om de kwaliteit van het handboek duurzaam te borgen. Het vernieuwde handboek moet samen met maatregelen als het bijspijkeren van de kennis van medewerkers via training en opleiding, plus een verbeterd toezicht op de naleving van de regels uiteindelijk leiden tot verbeteringen in de bedrijfsvoering.

Personeelsbeleid

In een sterk mobiele dienst is het vergaren, maar vooral ook het behouden van kennis een voortdurend aandachtspunt. Op het personele vlak heeft het loopbaanbeleid verder vorm gekregen met duidelijke kaders voor doorstroom van medewerkers en flexibilisering van de formatie. Eind 2003 is de pilot Management Development van start gegaan. De pilot moet inzichtelijk maken wat op lange termijn de meest wenselijke en geschikte Management Development-systematiek voor BZ is. Gekozen is voor een aanpak waarin zittende medewerkers in een vroeg stadium op managementcapaciteiten en -kwaliteiten worden geselecteerd. Zo wordt een tijdige en adequate planning van de toekomstige bezetting van leidinggevende functies mogelijk en krijgen medewerkers met leidinggevende ambities vroegtijdig teruggekoppeld of hun toekomstbeeld realistisch is. Op basis van een tussentijdse evaluatie is besloten dat de pilot in 2005 een vervolg zal krijgen. De pilot zal tweede helft 2005 uitgebreid worden geëvalueerd.

Integriteit

Integriteit is een belangrijk aandachtspunt bij Buitenlandse Zaken ondermeer vanwege de financiële en consulaire processen. Om te verzekeren dat integriteit de aandacht krijgt die het verdient is een Coördinator Integriteit aangesteld. Screening van lokale medewerkers op vertrouwensfuncties heeft in dit kader prioriteit.

Coördinator Integriteit

De departementsleiding hecht aan een verdere versterking van het integriteitsbeleid en de uitvoering daarvan. Conform het besluit van het SG-beraad is daarom in 2004 ook voor BZ een Coördinator Integriteit aangesteld. Deze functionaris ressorteert rechtstreeks onder de departementsleiding en stuurt andere vanuit het onderwerp integriteit relevante actoren binnen het ministerie aan. Kort na het aantreden van de coördinator werd bovendien de BZ gedragscode Integriteit met de titel «Grensinzicht» gepresenteerd en onder de personeelsleden op de posten en binnen het departement verspreid. Daarmee gepaard ging een voorlichtingscampagne.

Screening medewerkers

In 2004 zijn voorbereidingen getroffen om lokale medewerkers op vertrouwensfuncties te screenen en zijn in een aantal Europese landen en in Latijns Amerika verschillende onderzoeken uitgevoerd. In samenwerking met alle betrokken partijen (BZ, departement en posten en de AIVD) zijn afspraken gemaakt om een soepele uitvoering van de screening mogelijk te maken. De daadwerkelijke uitvoering zal voornamelijk in 2005 plaatsvinden. Tegelijkertijd is in januari 2005 een begin gemaakt met de evaluatie van vertrouwensfuncties op posten, zowel uitgezonden als lokale krachten.

Management Informatiesysteem Piramide

Met de wereldwijde invoering Piramide in 2003 beschikt Buitenlandse Zaken over een nieuw management informatiesysteem, waarin beleidsinformatie en financiële informatie samenkomen.

De inspanningen over het afgelopen jaar hebben geresulteerd in het overgaan van het systeem van de projectorganisatie naar de lijnorganisatie. Voor het beheer van het systeem is een organisatie opgezet. In de toekomst is een verdere verankering van het systeem binnen de organisatie van groot belang. Dit krijgt hoge prioriteit.

Vereenvoudiging en verbeteren gebruik

Ondanks de inspanningen om de kennis en vaardigheden van de medewerkers met het systeem te verbreden en te verdiepen, worden de mogelijkheden die het nieuwe systeem biedt nog niet optimaal benut. Het komende jaar zal verder gewerkt worden aan vereenvoudiging en verbetering van het gebruik van Piramide. In dit kader zal een verdere optimalisering van de procesvoering onderzocht worden. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden die concentratie van taken binnen het financieel administratieve proces biedt. Doelstelling is om de kwaliteit van de administratie verder te verbeteren en de flexibiliteit van de organisatie te verhogen, zonder dat het concept van integraal management wordt aangetast. Tevens zal het gebruik van Piramide bevorderd worden door opleiding en opfriscursussen. Het op eenvoudige en efficiënte wijze vastleggen en verkrijgen van managementinformatie blijft een belangrijk aandachtspunt.

Result based management

Het ministerie van Buitenlandse Zaken werkt stapsgewijs toe naar een resultaatgericht werkende organisatie die inzichtelijk maakt hoe zij haar resultaten weet te bereiken. Op het terrein van het sturen op prestaties en prestatiemeting zijn nog verbeteringen nodig. Daarin is een rol weggelegd voor het instrument risicoanalyse. In 2004 zijn verschillende stappen in die richting gezet.

Meerjarig strategische plannen

In 2004 hebben de posten in bijna alle OS-partnerlanden voor het eerst een meerjarig strategisch plan (MJSP) geschreven. Het MJSP stelt de posten instaat om op efficiënte wijze een relatie te leggen tussen de MvT en het jaarplan. Hierdoor kan binnen ontwikkelingssamenwerking beter op resultaten worden gestuurd. Eén van de aspecten die de basis vormt van het MJSP is een risicoanalyse waarin zowel beleids- als beheersaspecten worden meegenomen. In 2004 is tevens ervaring opgedaan met het MJSP voor niet OS posten. Eerste helft 2005 zal worden besloten over een bredere implementatie van dit instrument binnen BZ.

Monitoring en evaluatie

Als gevolg van resultaatgericht plannen en sturen ontstaat er behoefte aan goede monitoring en evaluatie. Instrumenten gericht op het leren van de uitvoering van beleid worden steeds belangrijker.

Vooruitlopend op vereenvoudigingen die inmiddels rijksbreed worden voorgesteld is in 2004 de indeling van de begroting voor 2005 ingrijpend herzien. Doel van de nieuwe indeling is een verbeterde toegankelijkheid, een betere aansluiting op de prioriteiten van het buitenlandbeleid en meer resultaatgerichtheid. Bij de herziening is gestreefd naar een verbeterde evalueerbaarheid van de doelstellingen en is een plan uitgewerkt om te komen tot een betere kwaliteit van beleidsevaluaties.

Om de resultaatbereiking van de bilaterale hulp inzichtelijk te maken beschikt Buitenlandse Zaken over het waarderingssysteem activiteiten en sectoren. Gebruik van het waarderingssysteem zal in de toekomst aan belang winnen. In dit kader zal het verbeteren van het gebruik van gegevens uit het waarderingssysteem aandacht krijgen.

Risicoanalyse

In het Audit Committee zijn belangrijke stappen gezet op het terrein van risicoanalyse. Uit het totaal van gesignaleerde risico's zijn de belangrijkste risico's op het terrein van de bedrijfsvoering geïdentificeerd die de komende jaren blijvende aandacht van het management vragen. Ook de afstemming over de totstandkoming en uitvoering van de departementale auditprogrammering heeft verder vorm gekregen.

Overig

Taakstelling

Met het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken vanaf 2003 structurele taakstellingen voor volume, efficiency en inhuur externen opgelegd gekregen. De invulling van deze taakstelling over de periode 2004 en volgende jaren geschiedt onder andere via inkrimping van de formatie, de sluiting van een aantal posten, verbetering en versobering van de bedrijfsvoering van de posten en het departement.

EU-voorzitterschap

Het tweede halfjaar van 2004 stond beheersmatig in belangrijke mate in het teken van het Nederlands EU-voorzitterschap. De grote beheersinspanning van zowel de inhoudelijke als ondersteunende afdelingen hebben bijgedragen aan een ook op organisatorisch vlak goed verlopen voorzitterschap. De Centrale Projectorganisatie EU 2004 was verantwoordelijk voor de interdepartementale coördinatie van organisatorische en logistieke aspecten van het voorzitterschap. Deze coördinatie heeft geleid tot interdepartementale samenwerking op het gebied van kalenderbeheer, aanbesteding, beveiliging, accreditatie, opleiding, tolken en vertalingen. Hierdoor zijn schaalvoordelen bereikt en is gekomen tot uniformiteit in aanpak en vormgeving. De hiervoor noodzakelijke interdepartementale investering in menskracht in de maanden voorafgaand aan het voorzitterschap heeft zich gedurende het voorzitterschap terugbetaald.

C. Jaarrekening

8. DE VERANTWOORDINGSSTAAT VAN HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Departementale verantwoordingsstaat 2004 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V)Bedragen in EUR1000
  (1)(2)(3)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  verplichtingenuitgavenontvangstenverplichtingenuitgavenontvangstenverplichtingenuitgavenontvangsten
 TOTAAL 9 413 999507 941 9 514 890703 110 100 891195 169
           
Beleidsartikelen          
1Internationale ordening66 89980 3497487 42087 85711820 5217 50844
2Vrede, veiligheid en conflictbeheersing88 08888 179905160 79598 08481672 7079 905– 89
3Humanitaire hulp173 586173 58632249 910249 915076 32476 329– 32
4Goed bestuur, mensenrechten en vredesopbouw32 59042 027 59 61967 175 27 02925 148 
5Europese Integratie5 719 3265 721 217426 5005 523 9435 526 939466 384– 195 383– 194 27839 884
6Bilaterale ontwikkelingssamenwerking698 983770 40545 784396 591953 494113 551– 302 392183 08967 767
7Programma's en fondsen van de EU090 071 0122 148 032 077 
8VN-instellingen261 633305 738860309 179375 628047 54669 890– 860
9Internationale Financiële instellingen32 68581 009 – 71 486148 261 – 104 17167 252 
10Samenwerking met maatschappelijke organisaties252 485744 971 269 032738 731 16 547– 6 240 
11Samenwerking op het terrein van internationaal onderwijs66 79184 467 75 58287 910 8 7913 443 
12Samenwerking met het bedrijfsleven76 925255 338pm102 442221 708025 517– 33 6300
13Politieke en Economische belangenbehartiging85 23878 188 44 90640 062 – 40 332– 38 126 
14Asiel, migratie en consulaire dienstverlening202 447202 44719 129114 405106 07125 696– 88 042– 96 3766 567
15Internationaal cultuurbeleid13 73913 739 15 57917 609 1 8403 870 
           
Niet-beleidsartikelen          
16Geheimpmpm 00 00 
17Nominaal en onvoorzien37 81937 819 3939 – 37 780– 37 780 
18Algemeen651 159644 44914 657674 396673 25996 54523 23728 81081 888

Ons bekend,

De Minister van Buitenlandse Zaken,

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

9. SALDIBALANS

Saldibalans per 31 december 2004 en toelichting

Ministerie van Buitenlandse Zaken (V)

I Saldibalans per 31 december 2004
  EUR1000  EUR1000
1Uitgaven ten laste van de begroting9 514 8552Ontvangsten ten gunste van de begroting703 109
      
3Liquide middelen25 6916aRekening-courant RHB8 843 377
      
8Intra-comptabele vorderingen17 9629Intra-comptabele schulden12 022
      
 Intra-comptabele activa9 558 508 Intra-comptabele passiva9 558 508
      
11Extra-comptabele vorderingen483 63611aT.r. extra-comptabele vorderingen483 636
      
13Voorschotten4 560 07613aT.r. voorschotten4 560 076
      
14aT.r. garantieverplichtingen750 56314Garantieverplichtingen750 563
      
15aT.r. openstaande verplichtingen5 557 46015Openstaande verplichtingen5 557 460
      
 Extra-comptabele activa11 351 735 Extra-comptabele passiva11 351 735
 Totaal activa20 910 243 Totaal passiva20 910 243

II Inleiding

1. Algemeen

De saldibalans is een financiële staat waarop de standen van de intra- en extra-comptabele rekeningen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden verantwoord.

Het intra-comptabele deel van de saldibalans geeft inzicht in de kasstromen. Het gaat hier voornamelijk om de uitgaven en ontvangsten van dienstjaar 2004, die nog met het Ministerie van Financiën moeten worden verrekend. Na goedkeuring van de Rijksrekening vindt de verrekening plaats. De tegenrekening van de uitgaven en ontvangsten is de post «Rijkshoofdboekhouding» (RHB), de rekening-courant tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Financiën. Onder het intra-comptabele deel zijn ook de liquide middelen van het Ministerie opgenomen. De uitgaven en ontvangsten buiten begrotingsverband, die met derden zullen worden verrekend en niet ten laste c.q. ten gunste van de begroting zijn gebracht, zijn verantwoord onder de intra-comptabele vorderingen en schulden.

Het extra-comptabele deel van de saldibalans geeft enerzijds inzicht in de standen van de uitstaande vorderingen en voorschotten die in het verleden tot kasstromen hebben geleid (ten laste c.q. ten gunste van de begrotingen van voorgaande jaren). Anderzijds bevat dit deel van de saldibalans de post openstaande verplichtingen. Deze post geeft inzicht in de toekomstige kasstromen. Openstaande verplichtingen kunnen leiden tot uitgaven ten laste van begrotingen van volgende jaren. De extra-comptabele rekeningen worden met behulp van diverse tegenrekeningen in evenwichtsverband geboekt.

2. Waarderingsgrondslagen

De uitgaven en verplichtingen in vreemde valuta worden gedurende het jaar met behulp van een vaste koers (corporate rate) omgerekend. Voor wat betreft de uitgaven is in 2004 91% gerealiseerd in Euro, 6% in US dollar en 3% in ruim 100 andere vreemde valuta. Voor wat betreft de verplichtingen ligt dit percentage respectievelijk op 93% Euro, US dollar 6% en overige valuta 1%.

De corporate rate 2004 van de USD was vastgesteld op 1 USD = 0,9 euro. Voor 2005 is dit 1 USD = 0,83 euro.

De balansposten per 31 december worden gewaardeerd naar de corporate rate van het volgende boekjaar. Intra-comptabel betreft dit de liquide middelen, extra-comptabel betreft het de vorderingen, voorschotten en openstaande verplichtingen. De herwaardering die hieruit voortvloeit wordt verwerkt in de kas- en verplichtingenstroom van het afgelopen jaar.

De overige in de saldibalans en de toelichting opgenomen bedragen zijn gewaardeerd tegen de historische waarde.

III Toelichting op de saldibalans per 31 december 2004 (in EUR1000)

1 Uitgaven ten laste van de begroting (debet 9 514 855 x EUR1000)

Onder deze post zijn de gerealiseerde uitgaven opgenomen van het jaar 2004. Na goedkeuring van de slotwet door de Staten-Generaal wordt dit bedrag verevend met het Ministerie van Financiën.

2 Ontvangsten ten gunste van de begroting (credit 703 109 x EUR1000)

Onder deze post zijn de gerealiseerde ontvangsten opgenomen van het jaar 2004. Na goedkeuring van de slotwet door de Staten-Generaal wordt dit bedrag verevend met het Ministerie van Financiën.

3 Liquide middelen (debet 25 691 x EUR1000)

De liquide middelen omvatten girale en chartale gelden, alsmede gelden onderweg en hebben betrekking op het Departement en de Vertegenwoordigingen in het buitenland. Het treasury-beleid is er, met betrekking tot de gelden van Hoofdstuk V van de Rijksbegroting, op gericht te komen tot een optimale beheersing van de geldomvang en een kostenminimalisatie ten aanzien van bankkosten en rentederving. Hierbij spelen aspecten als liquiditeitenbeheer, valutarisicobeheer, debiteuren- en crediteurenbeheer een grote rol.

Specificatie x EUR1000
 31 december 200431 december 2003
3.1 Kassaldi2 0562 281
3.2 Banksaldi25 40618 712
3.3 Girosaldi4819
3.4 Gelden onderweg– 1 819– 1 350
Totaal25 69119 662

3.1 Kassaldi (debet 2 056 x EUR1000)

Uit oogpunt van een adequaat liquiditeitenbeheer wordt ernaar gestreefd de hoogte van de kassaldi zoveel mogelijk te beperken. Naast de normale kassaldi worden op 26 Vertegenwoordigingen contanten in voorraad gehouden in verband met eventuele calamiteiten. Per 31 december 2004 bedroegen deze Noodreserves EUR 0,9 mln. Enkele Vertegenwoordigingen worden regelmatig voorzien van contanten, omdat giraal bankverkeer niet mogelijk is. Het merendeel van de kassaldi wordt in vreemde valuta aangehouden.

3.2 Banksaldi (debet 25 406 x EUR1000)

Specificatie x EUR1000
 31 december 200431 december 2003
Banksaldi buitenland25 89319 215
Banksaldi binnenland– 487– 503
Totaal25 40618 712

Van de banksaldi binnenland betreft EUR 126,6 mln. de Vertegenwoordigingen en EUR -/- 127,1 mln. het Departement. De bankrekeningen die de Vertegenwoordigingen in Nederland aanhouden zijn tezamen met een van de bankrekeningen van het Departement ondergebracht in een pool waarbij saldo nul het uitgangspunt is. De Vertegenwoordigingen kunnen op basis van een vooraf ingediende liquiditeitsplanning zelfstandig gelden uit de pool overtrekken naar de lokale bankrekeningen. Van de in het buitenland aanwezige bankgelden bedroeg het tegoed in euro's EUR 10,8 mln. en het equivalent van het saldo in vreemde valuta EUR 15,1 mln.

3.4 Gelden onderweg (credit 1 819 x EUR1000)

Specificatie x EUR1000
 31 december 200431 december 2003
Betalingsopdrachten binnenland013
Kruisposten42145
Overmakingen van het Departement naar de Vertegenwoordigingen en tussen Vertegenwoordigingen010
Betalingsopdrachten Vertegenwoordigingen– 1 861– 1 518
Totaal– 1 819– 1 350

Betalingopdrachten Vertegenwoordigingen betreft uitgegeven cheques die per 31 december nog niet zijn afgeschreven van de bankrekeningen van de Vertegenwoordigingen.

6a Rekening-courant RHB (credit 8 843 377 x EUR1000)

Op de Rekening-courant met de Rijkshoofdboekhouding is de financiële verhouding met het Ministerie van Financiën weergegeven. Het verschuldigde saldo op de Rekening-courant met de Rijkshoofdboekhouding is in overeenstemming met de opgave van de RHB.

8 Intra-comptabele vorderingen (debet 17 962 x EUR1000)

Onder deze post zijn de vorderingen opgenomen, die zijn ontstaan als gevolg van uitgaven ten behoeve van derden.

Specificatie x EUR1000
 31 december 200431 december 2003
8.1 Ministeries8 4057 673
8.2 Persoonlijke rekeningen366487
8.3 Externe debiteuren4 8094 183
8.4 Overige vorderingen4 3829 137
Totaal17 96221 480

Onderstaand overzicht geeft inzicht in de mate van opeisbaarheid van de intra-comptabele vorderingen en de ouderdom.

Specificatie x EUR1000
 Totaal2004200320022001 en ouder
–Direct opeisbaar ministeries8 4057 94645540
–Direct opeisbaar persoonlijke rekeningen1096019300
–Direct opeisbaar externe debiteuren4 7132 6751 2707635
–Direct opeisbaar overige vorderingen4 0172 5371 1952814
Totaal direct opeisbare vorderingen17 24413 2182 9391 0789
Op termijn opeisbare vorderingen96    
Geconditioneerde vorderingen622    
Totaal17 962    

8.1 Ministeries (debet 8 405 x EUR1000)

Specificatie x EUR1000
 31 december 200431 december 2003
Nog in te vorderen1 9203 358
Ingevorderd6 4854 315
Totaal8 4057 673

Het nog in te vorderen bedrag per 31 december 2004 betreft de volgende ministeries:

– Defensie 798

– Economische Zaken (Economische Voorlichtingsdienst) 330

– Landbouw, Natuurbeheer en Visserij 411

– Overige ministeries   381

Totaal 1 920

8.3 Externe debiteuren (debet 4 809 x EUR1000)

Deze categorie vorderingen heeft betrekking op derden zoals particulieren, bedrijven en dergelijke. Het betreft onder meer vorderingen die ontstaan zijn met betrekking tot uitgaven in het kader van dienstverlening dan wel afrekeningen van projecten in de OS-sector. Deze vorderingen ontstaan zowel op het Departement als op de Vertegenwoordigingen in het buitenland.

Specificatie x EUR1000
 31 december 200431 december 2003
Nog in te vorderen1 532992
Ingevorderd3 2773 191
Totaal4 8094 183

8.4 Overige vorderingen (debet 4 382 x EUR1000)

Onder deze categorie worden vorderingen opgenomen die niet in de overige categorieën vallen. Hieronder vallen ook vorderingen ontstaan naar aanleiding van een uitgave, die ter plaatse op de Vertegenwoordiging verrekend wordt.

Specificatie x EUR1000
 31 december 200431 december 2003
Te vorderen BTW2 6214 401
Ter plaatse te verrekenen uitgaven buitenland1 3294 401
Overlopende rekeningen oude boekjaar60105
Diverse vorderingen372230
Totaal4 3829 137

9 Intra-comptabele schulden (credit 12 022 x EUR1000)

Hieronder vallen schulden ontstaan door ontvangsten en inhoudingen die met derden verrekend zullen worden.

Specificatie x EUR1000
 31 december 200431 december 2003
Loonheffing en premies10 0859 272
Overlopende rekeningen oude boekjaar132351
Ter plaatse te verrekenen1 759856
Diverse overige schulden4621 836
Totaal12 02232 315

Loonheffing en premies zijn op de salarissen van december 2004 ingehouden en zijn begin 2005 afgedragen.

De sterke daling van de post Diverse overige schulden wordt verklaard doordat in 2004 het bedrag van 22,5 mln dat van de Verenigde Naties uit hoofde van de zgn. Escrow regeling was ontvangen is afgeboekt.

Navolgend overzicht geeft inzicht in de mate van opeisbaarheid van de intra-comptabele schulden en de ouderdom.

Specificatie x EUR1000
 Totaal2004200320022001 en ouder
Direct opeisbare schulden12 02211 9761378

11 Extra-comptabele vorderingen (debet 483 636 x EUR1000)

Dit betreffen vorderingen die reeds ten laste van de begroting zijn gebracht en extra-comptabel worden bewaakt. Deze vorderingen hebben vaak een langdurig karakter.

Specificatie x EUR1000
 31 december 200431 december 2003
Te ontvangen aflossingen op begrotingsleningen329 083324 093
Verrichte garantiebetalingen NIO94 50198 136
Stichting ECDPM18 37818 378
Diverse extra-comptabele vorderingen41 67446 430
Totaal483 636487 037

Navolgend overzicht geeft inzicht in de mate van opeisbaarheid van de extra-comptabele vorderingen en de ouderdom.

Specificatie x EUR1000
 Totaal2004200320022001 en ouder
–Op termijn opeisbaar begrotingsleningen329 08310 57988 50449 352180 648
–Op termijn opeisbaar overige vorderingen3 2170003 217
Totaal op termijn opeisbare vorderingen332 30010 57988 50449 352183 865
–Direct opeisbaar garantiebetalingen94 5018 95310 0809 56265 906
–Direct opeisbaar overige vorderingen35 21529 4143 9381 027836
Totaal direct opeisbare vorderingen129 71638 36714 01810 58966 742
Geconditioneerde vorderingen21 620    
Totaal483 636    

Te ontvangen aflossingen op begrotingsleningen

Saldo per 1 januari 2004 324 093

Bij: Consolidaties 2004 10 579

Af: Kwijtscheldingen in 2004 0

Af: Aflossingen in 2004 5 589

Saldo per 31 december 2004 329 083

De begrotingsleningen zijn voornamelijk met OS-landen afgesloten. Overeenkomstig het in de leningovereenkomsten vastgestelde aflossingsschema zal het saldo per 31 december 2004 in de volgende jaren worden afgelost. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele toekomstige kwijtscheldingen en nog op te nemen begrotingsleningen (consolidaties).

2005 11 627

2006 6 703

2007 6 744

2008 10 152

2009 13 680

Na 2009 280 177

329 083

Verrichte garantiebetalingen Ned. Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden (NIO)

Saldo per 1 januari 2004 98 136

Bij: Overmakingen aan de NIO (garanties) in 2004 8 265

Af: Ontvangsten van de NIO (garanties) in 2004 1 584

Af: Kwijtscheldingen in 2004 8 789

Af: Consolidaties 1 527

Saldo per 31 december 2004 94 501

Stichting ECDPM

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking heeft in 1986 besloten in totaal EUR 18,4 mln. ter belegging aan de Stichting European Centre for Development Policy Management ter beschikking te stellen. De opbrengst van de belegde middelen zal worden aangewend ter dekking van de personeels- en exploitatiekosten van de Stichting. Het is de Stichting verboden de beschikbaar gestelde bedragen te beleggen in risicodragend vermogen. De overeenkomst met het Centrum liep oorspronkelijk tot 31 december 2002 en werd verlengd tot 31 december 2006. Bij beëindiging van deze overeenkomst staan de belegde middelen ter beschikking van de Staat.

Diverse extra-comptabele vorderingen

De post Diverse extra-comptabele vorderingen bestaat uit:

Te ontvangen rente op begrotingsleningen en garantiebetalingen 17 952

Restfondsen bij de Wereldbank en VN-organisaties 16 679

Vorderingen RSS 3 217

(Huur)Waarborgsommen 2 906

Ingevorderde voorschotten 584

Buiteninvordering gestelde vorderingen 336

Saldo per 31 december 2004: 41 674

Het saldo restfondsen bij de Wereldbank en VN-organisaties betreft het daar fysiek aanwezige saldo.

Niet uit de saldibalans blijkende extra-comptabele vorderingen

Het ministerie stelt geld beschikbaar voor de vorming van fondsen. Deze fondsen dienen voor lange termijn financiering van OS-gerelateerde activiteiten. Bij beëindiging van het fonds vloeien de resterende middelen terug naar de Staat. Aangezien de einddatum van het fonds niet is bepaald en ook de vordering niet vooraf is te bepalen, worden deze vorderingen niet in de saldibalans opgenomen.

13 Extra-comptabele voorschotten (debet 4 560 076 x EUR1000)

Dit betreffen nog openstaande voorschotten, waarvan de uitgaven reeds ten laste van de begroting zijn gebracht. Afwikkeling vindt plaats op basis van ontvangen verantwoordingen. In 2004 is de getrapte afboeking (om voorschotten zichtbaar te maken die door de uitvoerende organisatie wel verantwoord zijn, maar waarop nog geen accountantsverklaring is ontvangen) afgeschaft. Dit heeft geen gevolgen voor de stand. Voorschotten worden pas afgeboekt op het moment dat de vereiste accountantsverklaringen bij de uitgaven zijn ontvangen.

Sinds de introductie van een nieuw financieel systeem in 2003 is het mogelijk om een ouderdomsanalyse op de voorschottenstand te geven. Hierop geldt echter wel de beperking dat het niet mogelijk is om het saldo van tot en met 2002 verstrekte voorschotten nader uit te splitsen.

OuderdomsanalyseTotaal EUR x 1 000
Verstrekt in 2002 of eerder1 444 583
Verstrekt in 2003857 086
Verstrekt in 20042 258 407
Totaal4 560 076

De opbouw van stand per ultimo 2003 naar ultimo 2004 is als volgt:

Stand per 31 december 2003 4 602 496

Bij: Verstrekte voorschotten 2004 2 322 211

Af: Verantwoord in 2004 2 269 379

Herwaardering naar corporate rate 2005 – 95 252

Stand per 31 december 2004 4 560 076

Ten opzichte van 2003 is de voorschottenstand afgenomen met EUR 42,4 mln (0,9%). Herwaardering vindt plaats over de openstaande voorschotten in vreemde valuta. Van het openstaande saldo van EUR 4 560 076 staat het equivalent van 1 274 734 EUR uit in vreemde valuta. Dit betreft grotendeels USD voorschotten (tegenwaarde in EUR: 1 079 446 EUR).

De specificatie van de openstaande voorschotten (> EUR 25 mln.) per 31 december 2004 is als volgt:

Wereldbank Partnership Programma 361 958

WHO Partnership Programma 238 178

MFP-subsidie ICCO 2003–2006 108 092

MFP-subsidie CORDAID 2003–2006 105 698

MFP-subsidie NOVIB 2003–2006 98 353

FMO uitvoering Oret-Miliev programma 2003–2004 82 768

SNV-subsidie 2002–2006 74 608

MFP-subsidie HIVOS 2003–2006 62 186

Internationaal Onderwijsprogr., Subsidies NUFFIC inzake het ID en HRD-progr. 59 622

FMO infrastructuurfonds voor de MOL's 48 576

UNDP Partnership Programma 46 929

UNICEF Partnership Programma 45 071

WB cofinancieringprogramma Onderwijsontwikkeling Tanzania 41 500

Macrosteun PRSP Tanzania 40 242

ILO Partnership Programma 37 987

Rehabilitatiesteun Mozambique 37 350

Programma Samenwerkende Opkomende Markten (PSOM 1998–2003) 35 768

Afghan Reconstruction Trust Fund 35 000

UNICEF-GAVI 32 042

MFP-subsidie PLAN Nederland 2003–2006 27 920

UNEP MAD-programma 26 200

UNFPA 25 520

Overige openstaande voorschotten (< EUR 25 mln.) 2 888 508

Totaal 4 560 076

14 Openstaande garantieverplichtingen (credit 750 563 x EUR1000)

Dit betreffen door de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingssamenwerking (NIO) onder staatsgarantie verstrekte kapitaalmarktleningen aan ontwikkelingslanden, de garantstelling inzake Suriname (raffinaderij Staatsoliemaatschappij en de in 2002 aangegane garantie t.o.v. het Ministerie van Financiën van Suriname) en de garantstelling inzake de levering van Fokkers aan Ethiopië.

Opbouw garantieverplichtingen:

Garantieverplichtingen per 1 januari 2004 1 212 653

Bij: Aangegane verplichtingen in 2004 1 424

Af: Tot betaling gekomen verplichtingen 2004 8 167

Aflossingen ontwikkelingslanden 420 909

Consolidaties in 2004 197

Kwijtscheldingen Ontwikkelingslanden 10 706

Bijstelling Garantstelling Fokkers Ethiopië 4 763

Bijstelling Garantstelling Raffinaderij Suriname 5 000

Bijstelling Garantstelling Ministerie van Financiën Suriname 13 772

455 347

Garantieverplichtingen per 31 december 2004 750 563

De specificatie van de garantieverplichtingen (> EUR 25 mln.) per 31 december 2004 luidt als volgt:

Indonesië 331 059

Garantstelling Ministerie van Financiën Suriname 96 408

Egypte 56 178

Pakistan 46 605

Jamaica 31 387

Angola 29 051

Overige verplichtingen (< EUR 25 mln. per verplichting) 159 875

Totaal 750 563

15 Openstaande verplichtingen (credit 5 557 460 x EUR1000)

Opbouw openstaande verplichtingen:

Openstaande verplichtingen per 1 januari 2004 6 597 907

Bij: Aangegane verplichtingen in 2004 8 466 241

Af: Tot betaling gekomen verplichtingen 2004 9 506 688

Openstaande verplichtingen per 31 december 2004 5 557 460

De oorzaken van de gedaalde verplichtingenstand zijn:

– bij de reguliere beëindiging van een aantal projecten zijn de totale kosten verbonden aan de uitvoering lager uitgevallen dan oorspronkelijk begroot;

– een aantal projecten werd voortijdig beëindigd;

– bij een aantal projecten vonden projectonderdelen geen doorgang;

– herwaardering van de resterende verplichting in vreemde valuta (ca. -/- EUR 58,5 mln, met name veroorzaakt door een lagere corporate rate van de US dollar in 2005).

De specificatie van de openstaande verplichtingen (> EUR 25 mln.) per 31 december 2004 is als volgt:

Europees ontwikkelingsfonds (EOF) 1 049 199

Medefinancieringsorganisaties, waarvan: 849 936

– MFP-subsidie ICCO 2003–2006 224 371

– MFP-subsidie CORDAID 2003–2006 219 403

– MFP-subsidie NOVIB 2003–2006 211 533

– MFP-subsidie HIVOS 2003–2006 126 674

– MFP-subsidie PLAN Nederland 2003–2006 57 955

– MFP-subsidie Terre des Hommes 2003–2006 10 000

Wereldbank Partnership Programma 245 082

SNV-subsidie 2002–2006 184 601

Programma Samenwerkende Opkomende Markten (PSOM 2003–2009) 168 874

FMO infrastructuurfonds voor de MOL's 125 581

NIO rentesubsidie 116 986

FMO uitvoering Oret-Miliev programma 2003–2004 100 526

Global Environment Facility (GEF) 87 506

PSO subsidie 2003–2006 61 500

Outputfinanciering KIT 2004–2007 54 000

Bolivia/POMA 2004–2008 Education SWAP 53 950

GTZ Energizing Development 2005–2008 53 000

Internationaal Onderwijsprogr., Subsidies NUFFIC ID en HRD-progr. 46 391

Subsidie FNV Mondiaal 2005–2008 45 674

Programma voorlichting meningsvorming duurzame ontw. 2003–2006 41 408

Bangladesh/Support to PEDP II (basic education) 37 114

IFAD VI 33 267

Bangladesh/Verbetering elektriciteitsvoorziening 28 818

Nederlands Investerings Matching Fonds (NIMF) 28 639

Bangladesh/BRAC Education Programme phase-IV 27 000

Prins Claus Fonds 2002–2011 26 778

Overige openstaande verplichtingen (< EUR 25 mln.) 2 091 630

Totaal 5 557 460

Niet uit de saldibalans blijkende verplichtingen:

– Rente/Aflossing leningenportefeuille NIO

De NIO financiert haar leningenportefeuille met opgenomen obligatieleningen, onderhandse leningen en «Medium Term Notes». De Staat der Nederlanden heeft zich garant gesteld voor de betaling van rente en aflossing. De nominale waarde hiervan bedroeg per 31 december 2004 EUR 1 060 mln. (31 december 2003 EUR 1 273 mln.). Deze verplichting is niet in de saldibalans opgenomen aangezien de door de NIO verstrekte leningen en de toekomstige rentesubsidies reeds als garantieverplichting respectievelijk als acute verplichting zijn opgenomen.

– Verdragsmiddelen Suriname

Het restant van de verplichting uit hoofde van de verdragsmiddelen Suriname bedraagt EUR 94,4 mln. per 31 december 2004. Voor dit restant zijn nog geen activiteiten gecommitteerd.

– Hervestigingsfonds

In 2002 is als gevolg van de vijfde kapitaalsuitbreiding van de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa het bedrag waarvoor Nederland garant staat toegenomen tot EUR 119,3 mln. De ophoging is deels een overheveling uit de reserves van de Bank.

– Huisvesting OPCW

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat sedert 1998 garant voor een deel van de huisvesting OPCW. De garantie beloopt per ultimo 2004 circa EUR 10 mln.

Mutatieoverzicht verplichtingen in EUR (x 1 000)(afwijkingen t.o.v. de verantwoordingstaten worden veroorzaakt door afronding)
SubBeleidsartikelOpenstaande verplichtingen op 1 jan 2004aangegane verplichtingen in 2004uitgaven ten laste van de begroting 2004openstaande verplichtingen per 31 dec 2004
 1. Internationale Ordening    
01Verenigde Naties3 97244 44648 4180
02OESO04 8164 8160
03Bijdragen Internationaal Recht22 10022 69012 40732 383
04AIV05045040
05Overige Bijdragen1732 8732 865181
06Internationaal Strafhof24 88812 08818 84418 132
 Totaal Beleidsartikel 151 13387 41787 85450 696
      
 2. Vrede, Veiligheid en Conflictbeheersing    
01NAVO1 1273 7604 8870
02WEU2669431 2090
03OVSE07 9167 9160
04OPCW01 3311 3310
05CTBTO01 4581 4580
07POBB/VB2 3836 3228 075630
08Subsidies en bijdragen1812 9633 043101
09Stabiliteitsfonds46 203136 09770 162112 138
 Totaal Beleidsartikel 250 160160 79098 081112 869
      
 3. Humanitaire Hulp    
01Noodhulpontwikkelingslanden13 160159 392160 34912 203
02Noodhulp niet-DAClanden5605 4204 4681 512
04VN-Vluchtelingenprogramma's057 69857 6980
05Wereldvoedselprogramma027 22727 2270
06Internationaal Comité Rode Kruis01721720
 Totaal Beleidsartikel 313 720249 909249 91413 715
      
 4. Goed Bestuur, Mensenrechten en Vredesopbouw    
01Cent. Programma GMV in Ontw. landen17 18515 87025 3057 750
02Matra/Goed Bestuur63 23224 96537 64750 550
03POBB/MR3721 5131 351534
04Gemeente-initiatieven017 2692 87014 399
 Totaal Beleidsartikel 480 78959 61767 17373 233
      
 5. Europese Integratie    
01Vierde Eigen Middel EU02 913 9822 913 9820
02BTW-afdrachten0713 215713 2150
03Landbouwheffingen0440 328440 3280
04Invoerrechten01 431 3741 431 3740
05Matra/Pré Accessie21 26511 71014 94218 033
06Raad van Europa08 2788 2780
07Europese Bewustwording2532 1731 937489
08Benelux-bijdrage02 8802 8800
 Totaal Beleidsartikel 521 5185 523 9405 526 93618 522
      
 6. Bilaterale Ontwikkelingssamenwerking    
01Landenspec. Sect. Samenwerking1 099 070609 292671 6301 036 732
02Thematische Samenwerking137 453153 94088 701202 692
03Macro-georienteerde Programmahulp130 666105 396161 14674 916
04Deskundigenprogramma8233 3723 507688
06Rentesubs. & App.kn NIO162 767– 26 79618 541117 430
08Macro-steun niet DAC-landen5 9845 3071 8009 491
 Totaal Beleidsartikel 6 (excl. 6.05)1 536 763850 511945 3251 441 949
      
 7. Programma's en Fondsen van de EU    
01Europees Ontwikkelingsfonds1 171 3470122 1481 049 199
 Totaal Beleidsartikel 71 171 3470122 1481 049 199
      
 8. VN-Instellingen    
01UNDP1 50086 47486 0741 900
02UNICEF13 74645 52955 6453 630
03UNFPA084 05884 0580
04UNIFEM/INSTRAW01 0001 0000
05UNAIDS024 22424 2240
07UNEP8 4004 1328 2914 241
08GEF/Montreal Protocol126 622– 49231 77294 358
09Verwoestijningsverdrag01191190
10IFAD40 00006 73333 267
11Gemeenschappelijk Grondstoffenfonds5 066– 2769673 823
12Speciale multilaterale activiteiten65 24654 46658 38661 326
13Multilateraal deskundigenprogramma56 5279 94018 35548 112
 Totaal Beleidsartikel 8317 107309 174375 624250 657
      
 9. Internationale Financiële Instellingen    
01WB-Partnership Programma380 003– 84 436124 604170 963
02IMF/PRGF23 824010 21013 614
03Speciale multi. activiteiten IFI's6 44612 95013 4445 952
 Totaal Beleidsartikel 9410 273– 71 486148 258190 529
      
 10. Samenw. met Maatschappelijke Org.    
01Medefinanc. Particuliere Org.1 367 17365 128455 506976 795
02SNV249 4325 94070 166185 206
03Kleine plaatselijke activiteiten22 4423187 06815 692
04Speciale activiteiten385 725178 094151 261412 558
05Voorlichting op het terrein59 8014 46222 66641 597
06Communicatieprogramma15 1041035 6389 569
07Onderzoeksprogramma50 20814 98326 42338 768
 Totaal Beleidsartikel 102 149 885269 028738 7281 680 185
      
 11. Samenw. Internationaal Onderw.    
01Internationaal Onderw. Porgramma136 34275 58187 909124 014
 Totaal Beleidsartikel 11136 34275 58187 909124 014
      
 12. Samenwerking met het Bedrijfsleven    
01Bedrijfslevenprogramma390 51674 796111 349353 963
02FMO208 29413 11095 822125 581
03CBI014 53614 5360
 Totaal Beleidsartikel 12598 810102 442221 707479 545
      
 13. Politieke en Economische Belangenbehartiging    
01Programma Kleine Projecten1 26514 49812 5043 259
02POBB/Algemeen6 23012 0608 9979 293
03Voorzitterschappen en Staatsbez.24817 53017 74236
04Diverse Bijdragen06256250
05Internationale Manifestatie01901900
 Totaal Beleidsartikel 137 74344 90340 05812 588
      
 14. Asiel, Migratie en Consulaire Dienstverlening    
01Opvang Asielzoekers538105 37098 0027 906
02Asielen Migratie5407941 189145
03Consulaire Dienstverlening02 1641 849315
04Gedetineerdenbegeleiding1281 4261 202352
05Overig144 6493 826837
 Totaal Beleidsartikel 141 220114 403106 0689 555
      
 15. Internationaal Cultuurbeleid    
01Internationaal Cultuurbeleid17 19614 95815 60816 546
02Bijdragen aan Instituten4 5426212 0003 163
 Totaal Beleidsartikel 1521 73815 57917 60819 709
      
 17. Nominaal en Onvoorzien    
02Onvoorzien039390
 Totaal Niet-beleidsartikel 17039390
      
 18. Algemeen    
01Apparaatsuitgaven29 359674 391673 25530 495
02Koersverschillen/wettelijke rente0330
 Totaal Niet-beleidsartikel 1829 359674 394673 25830 495
 Totaal acute verplichtingen6 597 9078 466 2419 506 6885 557 460
      
 6. Bilaterale Ontwikkelingssamenwerking    
 Garantieverplichtingen    
05GarantiesInternationale Samenwerking1 212 653– 453 9238 167750 563
 Totaal Beleidsartikel 6 (alleen 6.05)1 212 653– 453 9238 167750 563
 Totaal garantieverplichtingen1 212 653– 453 9238 167750 563
 Totaal verplichtingen7 810 5608 012 3189 514 8556 308 023

10. DE VERANTWOORDINGSSTAAT VAN HET AGENTSCHAP CBI

Samenvattende verantwoordingsstaat 2004 inzake baten-lastendiensten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V)Bedragen in EUR1000
  (1)(2)(3)=(2)-(1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
 Baten-lastendienst CBI   
     
 Totale baten8 1127 369– 743
 Totale lasten8 1107 583– 527
 Saldo van baten en lasten2– 214– 216
     
 Totale kapitaalontvangsten50566
 Totale kapitaaluitgaven125121– 4

Ons bekend,

De Minister van Buitenlandse Zaken,

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

CENTRUM TOT BEVORDERING VAN DE IMPORT UIT ONTWIKKELINGSLANDEN (CBI)

Baten-lastendienst CBI

Balans per 31 december 2004

Bedragen in EUR1000
 31.12.200431.12.2003
Activa  
Immateriële activa00
Materiele activa  
*grond en gebouwen113158
*installaties en inventarissen4467
*overige materiele vaste activa99107
Voorraden8321 172
Debiteuren2027
Nog te ontvangen2 0131 861
Rekening courant RHB088
Liquide middelen00
Totaal activa3 1213 480
   
Passiva  
Eigen Vermogen  
*exploitatiereserve363354
*verplichte reserves00
*onverdeeld resultaat– 2149
Leningen bij het MvF164141
Voorzieningen00
Crediteuren317511
Overige schulden2 4892 465
Rekening courant RHB20
Totaal passiva3 1213 480

Baten-lastendienst CBI

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2004Bedragen in EUR1000
 (1)(2)(3) = (2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst moederdepartement7 7777 125– 652
Opbrengst overige departementen000
Opbrengst derden260237– 23
Rentebaten757– 68
Buitengewone baten000
Exploitatiebijdrage000
Totaal baten8 1127 369– 743
    
Lasten   
Apparaatskosten   
*personele kosten1 0901 376286
*materiele kosten6 8866 032– 854
Rentelasten95– 4
Afschrijvingskosten   
*materieel12014828
*immaterieel000
Dotaties voorzieningen52217
Buitengewone lasten000
Totaal lasten8 1107 583– 527
    
Saldo van baten en lasten2– 214– 216

Baten-lastendienst CBI

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2004Bedragen in EUR1000
 (1)(2)(3) = (2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1Rekening-courant RHB 1 januari 200435188– 263
    
2Totaal operationele kasstroom100– 25– 125
    
Totaal investeringen (-/-)– 50– 74– 24
Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)0– 14– 14
3Totaal investeringskasstroom– 50– 88– 38
    
Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)000
Eenmalige storting aan moederdepartement (+)000
Aflossingen op leningen (-/-)– 62– 4715
Beroep op leenfaciliteit (+)507020
4Totaal financieringskasstroom– 122335
    
5Rekening- courant RHB 31 december 2004 (=1+2+3+4)389– 2– 391

Toelichting

Algemeen

In 2004 zijn op basis van de uitgevoerde CBI programma's met 13 bedrijfsondersteunende organisaties partnerschappen opgebouwd. Ook is in 2004 op verschillende momenten samengewerkt met relevante actoren als PUM, UNCTAD, ITC, USAID, NORAD, UNDP en SIPPO.

Het CBI heeft, middels haar participatie in de werkgroep Productnormen binnen de Coherentie Eenheid, bijgedragen aan de volgende resultaten:

– De Europese Commissie heeft Maca, een biodiversiteitproduct uit de Andes-regio, van de lijst van novel foods gehaald waardoor dit product zonder onnodig zware testprocedures naar de EU geëxporteerd kan worden.

– Bij de interpretatie van de verordening inzake «end of life-vehicles» – is door de EU een uitzondering gemaakt op het verbod inzake het gebruik van lood in vervangingsonderdelen voor auto's van vóór 2003. Bedrijven in ontwikkelingslanden hebben daardoor méér tijd om hun productieprocessen aan te passen.

Daarnaast zijn ten behoeve van de informele OS-Raad in St. Gerlach vijf coherentiecases gepresenteerd.

Nader onderzoek naar de voor het CBI interessante sectoren leverde drie sectoren op waarin het CBI in 2005 ook actief zal worden. Het zijn: (1) medische instrumenten en -laboratoriumuitrusting, (2) informatieverwerking, internetdiensten en klantcontactcentra en (3) engineering producten.

Een drietal landen in West-Afrika (Mali, Benin en Burkina Faso) werd aan de CBI-landenlijst toegevoegd. Daarmee komt de nieuwe landenlijst op 35 landen.

In 2004 werd accountmanagement, een nieuwe huisstijl en een gestandaardiseerde evaluatiepraktijk ingevoerd.

Sectorale Exportontwikkelingsprogramma's

In 2004 was gepland om 70 bedrijven voor te bereiden op export naar de EU. 51 bedrijven zijn in 2004 hierop voorbereid. Het verschil is veroorzaakt door uitstel van oplevering in het programma chemische producten. De kostprijs per bedrijf in het IT diensten programma is 6% lager dan gepland. Het programma voor elektronische componenten liep vertraging op vanwege ontwikkelingen op de markt; het programma werd verlengd. In het programma biologische levensmiddeleningrediënten stroomden 260 meer kandidaat deelnemers in dan gepland.

De bedrijven die deelnamen aan door CBI georganiseerde beursparticipaties toonden zich daarover tevreden. In 2003 beoordeelden 60% van de deelnemers de beurs als zeer waardevol en 40% als waardevol. In 2004 bedroegen deze percentages resp. 66% en 28%. Deelnemers aan hooggespecialiseerde beurzen en congressen zijn relatief het meest tevreden.

Business Support Organziation Development

In 2004 konden twee institutionele ontwikkelingstrajecten worden gerealiseerd. Het betrof: een Train the Trainer (TTT) programma in India en een vergelijkbaar programma in Zuid-Afrika. In 2004 ontving het CBI uit handen van de president van Ecuador een onderscheiding als waardering voor de samenwerking met de Ecuadoriaanse handelsbevorderende organisatie Corpei. Het BSOD programma met de drie organisaties in Midden-Amerika (respectievelijk in Costa Rica, Guatemala en El Salvador) verloopt conform planning. Die met Egypte en Cuba verlopen moeizaam. In Egypte functioneert de locale counterpart FTDC tot dusverre zeer matig. Het programma met Cuba stagneert aangezien de Cubaanse overheid in 2004 geen hulp accepteerde van overheidsorganisaties uit de Europese Unie.

In 2004 werd een driejarig programma gestart in Oost-Afrika. Dit programma is gericht op marktinformatiesystemen, het trainen van vertegenwoordigers van organisaties en ministeries, consultants en commercial attachés. Het betreft een samenwerking van drie organisaties uit respectievelijk Oeganda, Kenia en Tanzania, de drie landen van de East-African Customs Union die in 2004 werd ge(her)start. Een vergelijkbaar programma is in 2004 gestart met het Ethiopian Export Promotion Department. Het BSOD-programma in Zuid-Afrika werd geëvalueerd. Hieruit is gebleken dat in deze programma's tot dusverre onvoldoende aandacht aan didactische vaardigheden is besteed. Op basis hiervan is het gehele curriculum van de TTT programma's geanalyseerd hetgeen hetzelfde beeld opleverde.

Marktinformatie

De geplande productie marktinformatie-eenheden was 48% hoger dan gepland. Dit werd met name veroorzaakt door de sterk toegenomen distributie via de website. Daarbij geldt bovendien dat in 2004 voor het eerst de gedownloade eenheden uit niet-CBI landen buiten beschouwing zijn gelaten in de berekening van de realisatie. Begin 2004 is de overstap gemaakt naar verspreiding van de studies per cd-rom/internet. Alle inputdoelstellingen zijn gerealiseerd. Het betreft o.a. zes edities van het CBI News Bulletin, 32 sectorale marktstudies en twee edities van de modeprognose. Voor vijf productsectoren werd wet- en regelgeving van vijftien EU lidstaten – voorzover die van de EU regelgeving afweek – toegevoegd aan de AccessGuide database. De introductie van de nieuwe CBI website werd uitgesteld omdat – gezien de doorgaande technologische ontwikkelingen – een meer structurele «verbouwing» nodig en mogelijk is. De geplande integratie van de AccessGuide in de CBI website is daardoor niet gerealiseerd.

Bedrijfsbemiddeling

Het gerealiseerde aantal bemiddelde bedrijven bedraagt 86 en blijft daarmee achter bij het geplande aantal van 300 bemiddelde bedrijven. Het aantal van 86 heeft overigens slechts betrekking op een kwart van de deelnemende exporteurs; de overige 75% reageerde niet op de mailing om informatie te verschaffen. Er is nog onvoldoende bekendheid met het instrument. Ook de aparte dus dubbele – login voor deelnemende bedrijven in de database speelt een rol. Dit probleem zal worden verholpen op de vernieuwde CBI website. Tenslotte dienen de minder gunstige economische omstandigheden in Nederland en andere EU landen in ogenschouw genomen te worden. Dit heeft mogelijk een ongunstige uitwerking gehad op de interesse onder deelnemende importeurs. Zo is de toename van het aantal importeurs met 200 nieuwe bedrijven achtergebleven bij het geplande aantal van 1000. In 2004 heeft Norad/HSH in Noorwegen toegang gekregen tot de exporteurs in de CBI database ten behoeve van importeurs in Noorwegen.

Human Resources Development

In 2004 zijn aanzienlijk meer personen getraind dan gepland, door een sterke toename van het aantal vertegenwoordigers van bedrijven dat deelnam aan door het CBI in de doelgroeplanden georganiseerde trainingen. Dit heeft de kostprijs in 2004 verder verlaagd. Datamining/market research werd als nieuw workshop programma uitgewerkt en is tweemaal in Ethiopië uitgevoerd. Nieuw was ook dat in 2004 door het CBI getrainde experts uit ontwikkelingslanden konden worden ingezet als trainers.

ITC

Het CBI heeft in 2004 EUR 225 000 bijgedragen aan het Global Trustfund voor de onderwerpen «South-South Trade Promotion» en «Export Led Poverty Reduction». Onder het Netherlands Trustfund zijn voor EUR 1 361 000 activiteiten uitgevoerd op het gebied van marktinformatie (bijvoorbeeld het verzamelen van markttrends o.a. op het gebied van prijsontwikkelingen voor snijbloemen, farmaceutische producten, tropische vruchten, medicinale planten, specerijen en vruchtensappen en het verspreiden van die kennis); training op het gebied van handelspolitiek en participatie in handelspolitieke processen door sectoren; leerexport vanuit Afrika (website met informatie, beursorganisatie en -deelname); verpakkingsmaterialen voor producten uit ontwikkelingslanden.

D. BIJLAGEN

Licence