Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

B. Financieel deel bij het jaarverslag van de baten-lastendienst Rgd

Deze jaarrekening is opgesteld volgens de voorschriften van de Comptabiliteitswet (CW2001) en de nadere uitwerking hiervan in de Rijksbegrotings- en verantwoordingsvoorschriften (RBV), de Regeling Departementale Begrotingsadministratie 2007 (RDB 2007) en de Regeling Baten-lastendiensten 2011. De Rijksgebouwendienst heeft bij de invoering van het rijkshuisvestingsstelsel met het ministerie van Financiën nadere afspraken gemaakt omtrent bepaalde onderdelen van de jaarrekening. Deze afspraken zijn herijkt in het kader van de Regeling Baten-lastendiensten 2007 (en daarna in 2011). In deze Regeling is in beginsel het Burgerlijk Wetboek 2 (BW 2), titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ) van toepassing verklaard. De afwijkingen van BW 2 titel 9 en RJ zijn goedgekeurd door het ministerie van Financiën en FEZ van het moederdepartement. De afwijkingen zijn nader toegelicht bij de betreffende posten van de balans en de staat van baten en lasten. De aard en omvang van deze afwijkingen hebben ertoe geleid dat er bij de financiële overzichten in het interne jaarverslag van de Rgd een getrouwbeeldverklaring onder toepassing van een stelsel voor bijzondere doeleinden is afgegeven (met een goedkeurende strekking).

Samenvattende verantwoordingsstaat 2010 inzake baten-lastendienst Rijksgebouwendienst

Baten-lastendienst Rijksgebouwendienst (Bedragen in € 1 000)

 

1

2

(3) = (2) – (1)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en begroting

    

Rijksgebouwendienst

   

Totale baten

1 483 931

1 465 557

– 18 374

Totale lasten

1 483 471

1 463 223

– 20 248

Saldo van baten en lasten

460

2 334

1 874

    

Totale kapitaalontvangsten

470 000

877 923

407 923

Totale kapitaaluitgaven

725 371

1 302 687

577 316

Balans baten-lastendienst Rgd per 31 december 2010

Balans

(Bedragen in € 1 000)

31 december 2010

31 december 2009

ACTIVA

  
   

Vaste activa

  

Materiële vaste activa:

  

Grond en gebouwen

5 179 649

4 941 802

Onderhanden huisvestingsprojecten (leenfaciliteit)

1 050 896

751 609

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen

133

245

 

6 230 678

5 693 656

   

Egalisatierekening

746 308

743 296

   

Financiële Vaste Activa

198 208

138 953

   

Vlottende activa

  

Onderhanden werk services, adviezen en overig

53 925

60 594

Debiteuren en overige vorderingen

53 042

69 613

Overlopende activa

15 265

30 914

 

122 232

161 121

Liquide middelen

  

Bank/kas

7 756

7 399

In bewaring genomen gelden NRA

4 283

20 076

RHB

436 781

570 494

 

448 820

597 969

   

TOTAAL ACTIVA

7 746 246

7 334 995

   

PASSIVA

  
   

Eigen vermogen

  

Exploitatiereserve

130 000

153 505

Bestemmingsreserves

77 950

90 412

Onverdeeld resultaat

2 334

– 5 717

 

210 284

238 200

Voorzieningen

  

Voorziening Asbestverontreiniging

32 379

36 551

Voorziening Herstel Onderhoud

43 540

29 050

Overige voorzieningen

8 598

15 116

 

84 517

80 717

Langlopende schulden

  

Leenfaciliteit Financiën

6 428 459

5 997 075

Overige langlopende schulden

197 450

137 911

 

6 625 909

6 134 986

Kortlopende schulden

  

Nazorgbudgetten

28 957

30 871

Crediteuren

28 885

18 571

Overige schulden en overlopende passiva

326 802

423 720

Kortlopend deel langlopende schulden

440 892

407 930

 

825 536

881 092

   

TOTAAL PASSIVA

7 746 246

7 334 995

Egalisatierekening

Het gebruik van de egalisatierekening is verbonden met de regeling Rekenmethodiek Rijksgebouwendienst (RMR). Deze methodiek is, als onderdeel van het rijkshuisvestingsstelsel, door de ministerraad vastgesteld. Het ministerie van Financiën heeft bij brief BZ 2006-878 dd. 23/01/2007 ingestemd met de egalisatierekening. Met brief BZ 2007-00 220 dd. 26/11/2007 is de egalisatierekening aangemerkt als geaccepteerde afwijking van de Regeling baten-lastendiensten 2007. Ook de Algemene Rekenkamer heeft aangegeven met de regeling RMR in te stemmen bij brief 6 004 413R dd. 31/08/2006.

De gebruiksvergoeding wordt bij aanvang zodanig vastgesteld dat gedurende de contractperiode de netto contante waarden van de kosten (inclusief rente en afschrijvingen) en de opbrengsten elkaar dekken. Hierbij wordt bij de berekening van de gebruiksvergoeding uitgegaan van een verwachte inflatie. Voor de departementen leidt dit over de gehele periode tot een vaste gebruiksvergoeding, die uitsluitend door de stijging van het prijsindexcijfer wordt beïnvloed.

De totale kosten van rente en afschrijvingen dalen over de jaren. Het verschil tussen kosten en opbrengsten wordt jaarlijks op contractniveau geëgaliseerd en in de balans tot uitdrukking gebracht in een langlopende afdwingbare vordering op de gebruikers van de objecten. De vordering wordt over de totale contractperiode geneutraliseerd en is bij afloop van het contract nihil. Bij vroegtijdige contractontbinding wordt de opgebouwde vordering (= egalisatie) door de klant afgekocht. Dit bedrag wordt dan gecrediteerd op de egalisatierekening.

De egalisatie is berekend op basis van de aannames bij de berekening van de gebruiksvergoeding en de vooraf geraamde inflatie. Omdat het ministerie van Financiën in haar brief BZ 2007-07 210 dd. 21/12/2007 heeft aangegeven dat dit ministerie vanaf het verslaggevingsjaar 2007 het inflatierisico draagt op rente en afschrijving dat de Rijksgebouwendienst loopt als gevolg van de regeling RMR, hebben de verschillen tussen de geraamde en de werkelijke inflatie geen gevolgen voor het resultaat van de Rijksgebouwendienst. Ingeval van een positief resultaat wordt dit afgedragen aan het ministerie van Financiën, ingeval van een negatief resultaat wordt de Rijksgebouwendienst hiervoor gecompenseerd door het ministerie van Financiën.

Het inflatieresultaat over 2010 bedraagt € 98 859,– negatief en zal worden gevorderd van het ministerie van Financiën.

Egalisatierekening (Bedragen in € 1 000)

Egalisatie afschrijvingskosten 1 januari 2010

 

309 436

 

Egalisatie rentekosten 1 januari 2010

+/+

433 860

 

Stand per 1 januari 2010

  

743 296

    

Mutaties

   

Egalisatie afschrijvingskosten 2010

+/+

4 673

 

Egalisatie rentekosten 2010

+/+

4 353

 

Afgekochte egalisatie afschrijvingskosten

–/–

2 067

 

Afgekochte egalisatie rentekosten

–/–

3 947

 

Totaal mutaties 2010

  

3 012

    

Egalisatie afschrijvingskosten per 31 december 2010

 

312 042

 

Egalisatie rentekosten 31 december 2010

+/+

434 266

 

Stand per 31 december 2010

  

746 308

Financiële Vaste Activa

De financiële vaste activa (€ 198,2 mln) bestaan uit de langlopende vorderingen PPS (€ 192,5 mln) en de afkoop BTW (€ 5,7 mln).

Recent is de Regeling Baten-lastendiensten 2007 aangepast en met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 van kracht geworden onder de naam Regeling Baten-lastendiensten 2011. Deze regeling zou door artikel 17 lid 9 voor de Rijksgebouwendienst tot gevolg hebben dat een ongelijksoortige behandeling van PPS-projecten zou ontstaan. Het ministerie van Financiën heeft toestemming verleend om de huidige verwerkingswijze van de PPS-projecten te handhaven en als financieel vast actief in de balans op te nemen.

PPS – vorderingen

De Rijksgebouwendienst heeft sinds 2008 een 25-jarige vordering op het ministerie van Financiën gebaseerd op het leveringscontract met Financiën; het rentepercentage is 5,32 %. In 2010 is een tweede PPS-project opgeleverd. Het betreft een detentiecentrum. De looptijd van deze vordering is 25 jaar en het rentepercentage is 4,77 %. De vorderingen omvatten de geïndexeerde renovatiekosten respectievelijk bouwkosten van een in publiek, privaat samenwerking (PPS) uitgevoerd project. Tegenover deze vorderingen staat een zelfde bedrag aan schulden aan de twee consortia in verband met het design, build, finance maintain and operate (DBFMO)-contracten die ten behoeve van deze projecten zijn afgesloten.

PPS contracten (Bedragen in € 1 000)

Stand per 1 januari 2010

 

136 240

   

Mutaties

  

Oprenting

+/+

8 953

Aflossing

–/–

12 647

Nieuw contract

+/+

64 216

Stand per 31 december 2010

 

196 762

   

Kortlopend deel

 

4 280

Langlopend deel

 

192 482

Afkopen BTW

In 2010 hebben twee BTW afkoop plaatsgevonden, die niet direct met de gebruikers van de huurpanden zijn verrekend. Deze afkopen worden in de gebruiksvergoeding opgenomen en in 10 jaar verrekend. Activering van afgekochte BTW vindt plaats op basis van goedkeuring van het ministerie van Financiën.

Toelichting op het eigen vermogen

Het is de Rgd toegestaan een genormeerd eigen vermogen aan te houden van minimaal € 35 mln en maximaal € 130 mln. Het overzicht vermogensontwikkeling laat zien dat het Rgd vermogen zich boven het gemaximeerde niveau van € 130 mln bevindt.

Overzicht vermogensontwikkeling 2009–2010 excl. Bestemmingsreserves (x € 1 000)

Eigen vermogen per 1-1-2010

238 200

Corr. Bestemmingsres. per 1-1-2010

– 90 412

Uitkering aan het moederdepartement

– 17 788

Exploitatiereserve

130 000

Saldo van baten lasten 2010

2 334

Rgd vermogen ultimo 2010 tbv normering eigen vermogen

132 334

De bestemmingsreserves tellen niet mee voor het genormeerd eigen vermogen en zijn dus uit het eigen vermogen gehaald.

Voorzieningen

De voorzieningen worden gevormd voor egalisatie van kosten en voorzienbare specifieke risico’s en verplichtingen die uitgaan boven het algemene bedrijfsrisico dat aan het bedrijfsproces van de Rgd is verbonden. De voorzieningen zijn opgebouwd door kwantificering van de voorzienbare redelijkerwijs in te schatten risico’s.

Overzicht voorzieningen per 31 december 2010 ( x € 1 000)
 

Stand 1-1-2010

Onttrekking

Dotatie

Vrijval

Saldo 31-12-2010

Asbestverontreiniging

36 551

– 10 533

6 580

– 219

32 379

Wachtgelden en FPU uitk.

4 598

– 1 582

281

0

3 297

Bodemsanering

3 224

– 1 953

1 907

– 2

3 176

Verlieslatende contracten

1 941

– 179

0

– 5

1 757

Herstel onderhoud

29 050

– 5 521

23 056

– 3 045

43 540

Geschillen en rechtsgedingen

5 353

– 4 163

706

– 1 527

368

Sub-totaal

80 717

– 23 931

32 530

– 4 798

84 517

Dubieuze debiteuren

2 636

0

877

– 1 286

2 227

Totaal:

83 353

– 23 931

33 407

– 6 084

86 744

Niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen bestaan uit:

Post

Omschrijving

Bedrag

Markthuren

De totale nominale betalingsverplichting voor de gehele contractsduur, die voortvloeit uit panden welke zijn gehuurd uit de markt.

looptijd < 1 jaar € 327 mln

looptijd > 1 ≤ 5 jaar € 851 mln

looptijd > 5 jaar € 489 mln

Geïntegreerde contracten (PPS)

De waarderingsgrondslag voor de niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen in het jaarverslag 2010 is identiek aan de gevolgde systematiek 2009.

 
 

– Herhuisvesting Belastingsdienst en Informatie Beheer Groep Groningen

€ 361 mln

 

– Nieuwbouw justitieel complex Schiphol

€ 336 mln

 

– Nieuwbouw Belastingkantoor Doetinchem

€ 47 mln

   
 

Daarnaast vloeien uit het DBFMO-contracten (onderdeel onderhoud en facilitaire diensten) financiële verplichtingen voort:

 
 

• Min.v. Financiën (Korte Voorhout 7)

€ 154 mln

 

• Rotterdam – Detentiecentrum

€ 84 mln

Projecten

De verplichting is gelijk gesteld aan de geraamde betalingen in 2011 en volgende jaren ten behoeve van de projecten in projectadministratie.

€ 833 mln

allen hebben een looptijd korter dan 5 jaar.

Verplichting afdracht eigen vermogen boven € 130 mln

De Rgd draagt het eigen vermogen af voor zover dit het genormeerd eigen vermogen van € 130 mln overstijgt danwel voegt dit toe aan de bestemmingsreserves. Het eigen vermogen ultimo 2010 is € 132,3 mln.

€ 2,3 mln

Begrotings- en realisatiecijfers van de baten-lastendienst Rijksgebouwendienst 2010 (Bedragen in € 1 000)
 

(1)

(2)

(3) = (2) – (1)

 

Omschrijving

Oorspronkelijke begroting

Realisatie

Verschil realisatie en begroting

Realisatie 2009

Baten

    

Leveren producten en diensten:

    

Opbrengsten departementen

1 348 290

1 394 474

46 184

1 382 093

Opbrengsten moederdepartement

105 753

23 088

– 82 665

98 989

Opbrengsten derden

11 650

12 021

371

11 778

Bedrijfsvoering:

    

Rentebaten

5 151

3 571

– 1 580

2 801

Overige baten

13 087

32 403

19 316

38 886

     

Totaal baten

1 483 931

1 465 557

– 18 374

1 534 547

     

Lasten

    

Product huisvesting:

    

Apparaatskosten

89 473

90 085

612

78 416

Huren

328 132

307 079

– 21 053

336 250

Rentelasten

329 122

283 915

– 45 207

288 670

Afschrijvingen

302 634

326 763

24 129

313 458

Onderhoud

155 438

145 526

– 9 912

171 979

Mutaties voorzieningen

19 406

27 322

7 916

43 307

Belastingen

24 056

23 500

– 556

23 187

Investeringen buiten gbv

139 968

133 358

– 6 610

144 526

Overige producten:

    

Services

65 975

61 929

– 4 046

58 303

Adviezen

5 807

8 318

2 511

7 553

Beleidsondersteuning

7 773

7 735

– 38

8 322

PPS lasten

10 400

19 363

8 963

16 958

Overige lasten

5 287

28 330

23 043

49 335

     

Totaal lasten

1 483 471

1 463 223

– 20 248

1 540 264

     

Saldo van baten en lasten

460

2 334

1 874

– 5 717

Toelichting op de staat van baten en lasten uitgaande van baten-lastendienst Rgd

Baten

Baten: leveren producten en diensten

De opbrengsten huisvesting (€ 1 303,5 mln) hebben betrekking op:

  • de opbrengsten van de interne verhuurcontracten met de ministeries (€ 1 162,6 mln) volgens het huur-verhuurmodel (gebruiksvergoedingen). De belangrijkste wijziging is de systeemwijziging input, voor de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat, het ministerie van Algemene Zaken en voor de 3 staatspaleizen wordt een gebruiksvergoeding in rekening gebracht (€ 22,8 mln). WWI heeft, als verantwoordelijke in 2010 voor de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken alsmede de paleizen, de gebruiksvergoeding aan de Rijksgebouwendienst voldaan. Desondanks is sprake van een daling van de opbrengst gebruiksvergoeding ten opzichte van 2009. Dit is in lijn met de verwachtingen rondom de krimpende rijksoverheid en de afnemende vraag naar rijkshuisvesting;

  • de kleine, à fonds perdu gefinancierde, huisvestingsprojecten voor ministeries (€ 131,9 mln); In 2010 is sprake van aanzienlijk hogere á fonds perdu bijdragen t.o.v. 2009 (€ 106,9 mln);

  • het verschil tussen de ontvangen gebruiksvergoeding en de afschrijvings- en rentekosten van de vaste activa (egalisatie) van € 9,0 mln). Hoewel er van een afname van de egalisatierekening is uitgegaan in de begroting, is als gevolg van substantiele activeringen gedurende de laatste jaren, toch sprake van een toename van de egalisatie. In de begroting was hiermee geen rekening gehouden.

Het onderdeel services (€ 63,3 mln) betreft de opbrengsten voor werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar die op verzoek van de afnemers, voor zover rijksoverheid, door de Rijksgebouwendienst worden verricht.

Services worden door de Rijksgebouwendienst uitgevoerd zowel via incidentele opdrachten als via servicecontracten.

De opbrengsten adviezen (€ 8,3 mln) hebben betrekking op de opbrengsten van niet-projectgebonden huisvestingsadviezen aan rijksoverheden.

De klantvraag met betrekking tot serviceprojecten en adviesopdrachten is vooraf lastig in te schatten. Tegenover hogere/lagere baten staan ook hogere/lagere lasten.

De PPS – opbrengsten (€ 19,4 mln) omvatten de totale vergoeding, die de gebruikers uit hoofde van het DBFMO-contract verschuldigd zijn, minus de aflossingscomponent van de langlopende vordering. In de resultatenrekening zijn de opbrengstcomponenten «onderhoud en dienstverlening» en «rente» opgenomen. Deze transacties hebben per saldo geen resultaatconsequenties, aangezien deze opbrengsten gelijk zijn aan de PPS kosten. Medio 2010 heeft oplevering plaatsgevonden van detentiecentrum Rotterdam, waardoor de PPS – baten zijn gestegen ten opzichte van 2009.

Opbrengsten moeder

Onder inputfinanciering buiten de huur- verhuurrelatie vallen het beheer van monumenten met een erfgoedfunctie (inclusief Paleis Soestdijk), de beleidsondersteunende taken van de Rijksgebouwendienst en het Energiebesparingsprogramma Rijkshuisvesting. Voor de dekking van de inputfinanciering wordt zorg gedragen door het moederdepartement. Het moederdepartement verstrekt gedurende het jaar voorschotten aan de Rijksgebouwendienst en op basis van de definitieve realisatiecijfers worden de kosten het jaar daarop afgerekend.

Het verschil tussen de voorschotten (en overige ontvangsten) en de realisatie wordt afgerekend met het moederdepartement. De kosten en opbrengsten zijn per saldo aan elkaar gelijk.

De gebruiksvergoeding voor de Hoge Colleges van Staat, het ministerie van Algemene Zaken en de paleizen worden door de systeemwijziging inputfinanciering met ingang van 1-1-2010 verantwoord onder de opbrengsten departementen. De opbrengsten moederdepartement zijn om deze reden in de 1e suppletoire begroting 2010 met € 79,7 mln verminderd.

In 2010 is er een voorschot ontvangen van het moederdepartement, per saldo resteert er een schuld van € 200 439,– aan het moederdepartement.

Opbrengsten derden

De opbrengsten van derden betreffen de huuropbrengsten die de Rijksgebouwendienst via RVOB ontvangt. Onder deze post vallen tevens de opbrengsten voor de exploitatie van de bijzondere objecten. Hiertoe behoren met name de opbrengsten van de parkeergarages en de grafelijke zalen.

Baten: Bedrijfsvoering

Rentebaten

Specificatie rentebaten (Bedragen in € 1 000)
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Rentebaten rekening-courant RHB

551

70

5 151

Rentebaten projecten

629

3 352

0

Rentebaten deposito RHB nazorg

712

0

0

Overige rentebaten

909

149

0

Totaal

2 801

3 571

5 151

De lage rente is een gevolg van het rentepercentage op de rekening-courant RHB dat nagenoeg nihil is.

Per 1-1-2010 is het nazorgdeposito RHB nazorg opgeheven.

Rentebaten projecten betreffen rentebaten op à fonds perdu projecten. Tegenover deze baten staan lasten voor de Rijksgebouwendienst als gevolg van voorfinanciering tijdens de realisatiefase.

Overige baten

Onder deze post worden de baten verantwoord die niet onder één van de voorgaande categoriën vallen. Het betreft onder andere boekwinsten als gevolg van afstoot en resultaten op investeringsprojecten. Een deel van de overige baten heeft betrekking op omzet voorgaande boekjaren.

De baten voorgaande boekjaren (€ 7,5 mln) bestaan onder meer uit (nagekomen) verhuuropbrengsten.

Het per saldo positieve resultaat op investeringsprojecten (€ 0,4 mln) bestaat uit voornamelijk uit enkele positieve (totaal € 5,8 mln) en negatieve resultaten (totaal € 5,2 mln).

De post diverse overige baten (€ 18,5 mln) betreft met name de opbrengsten uit de bestemmingsreserve ten behoeve van apparaats- en onderhoudskosten brandveiligheid ad € 12,5 mln, de bijbehorende kosten worden bij de overige lasten gepresenteerd. Daarnaast is sprake van bijzondere baten als gevolg van de definitieve financiële afwikkeling rondom de Schipholbrand, waarvoor eerder een schuld was opgenomen op de balans, die achteraf te hoog is gebleken (€ 2,9 mln). Ook is € 2,1 mln ontvangen in verband met een te verhalen waterschade.

Lasten: product huisvesting

Apparaatskosten

Deze post omvat alle apparaatskosten, die niet gedekt worden uit de overige producten te weten huisvestingsprojecten, adviezen, services en beleid maar die gedekt dienen te worden uit 1-opslag Gebruiksvergoeding. De apparaatskosten zijn de kosten voor intern en extern personeel plus de materiële kosten, zoals eigen huisvestingskosten en ICT-kosten. De correctie technisch advies heeft betrekking op de uitgevoerde advies werkzaamheden die direct ten laste van de projecten komen.

Specificatie apparaatskosten (Bedragen in € 1 000)
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Totaal (bruto) kosten Personeel

109 741

108 324

110 691

Totaal (bruto) kosten Materieel

36 428

37 313

44 960

Totaal personele en materiële kosten

146 169

145 637

155 651

Correctie Technisch Advies

4 134

1 172

9 744

Apparaatskosten (bruto)

142 035

144 465

145 907

    

Totaal toegerekend aan overige producten

63 619

54 380

56 434

Totaal apparaatskosten (= netto)

78 416

90 085

89 473

De correctie technisch advies is aanzienlijk lager dan begroot, hetgeen in lijn is met de ingezette organisatieontwikkeling om deze activiteiten aan de markt uit te besteden, die sneller gerealiseerd is dan waar in de begroting vanuit werd gegaan.

Huren

Het betreft hier de huren die de Rijksgebouwendienst aan de markt betaalt. De afwijking ten opzichte van de begroting is deels te verklaren door de aankoop van 7 rechtbanken van de ING ultimo 2009, die daarvoor uit de markt werden gehuurd.

Rentelasten

Onder deze post worden de rentekosten van de rentedragende leningen en (eventuele) debetrente van de rekening courant RHB verantwoord.

Door de omzetting van de leningen van een annuïtair model naar een lineair model en vervroegde aflossing als gevolg van bijvoorbeeld afstoten of vroegtijdige beëindiging van contracten zijn de rentelasten lager dan begroot.

Afschrijvingen

De afschrijvingskosten gebouwen, inclusief inbouwpakketten betreffen de reguliere afschrijvingen. De kosten stijgen met € 24,1 mln en zijn in belangrijke mate in de 1e suppletoire begroting 2010 (€ 22,9 mln) opgenomen.

Onderhoud

Onder deze post vallen dagelijks onderhoud, planmatig onderhoud, het beheer van monumenten en bijzondere objecten.

De onderhoudskosten in objecten ten behoeve van de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken en de 3 staatspaleizen worden als gevolg van de systeemwijziging input onder de kosten dagelijks- en planmatig onderhoud verantwoord. Met betrekking tot Paleizen werden tot en met 2009 ook investeringen in deze tabel toegelicht, dit is nu onderdeel van onderhanden werk en – na oplevering – van de materiële vaste activa. De Functionele Kosten van het Koninklijk Huis zijn per 1-1-2010 overgeheveld naar de begroting van het ministerie van Algemene Zaken.

Mutaties voorzieningen

Deze post bestaat enerzijds uit dotaties aan de voorzieningen (ad € 33,4 mln) en anderzijds uit vrijval van voorzieningen (ad € 6,1 mln). Een specifieke toelichting op de dotatie of de vrijval is terug te vinden bij de toelichting op de balans bij de betreffende voorziening.

Belastingen

Het betreft hier het eigenaarsdeel van de onroerend zaakbelasting (OZB) over de verhuurde voorraad onroerend goed. De OZB is afgedragen aan Domeinen.

Investeringen buiten gebruiksvergoedingen

Onder deze post zijn investeringen opgenomen die niet leiden tot een (aanpassing van de) gebruiksvergoeding. Het betreft hier kleine projecten voor ministeries (€ 131,9 mln) en het energiebesparingsprogramma rijkshuisvesting (€ 1,5 mln). Kleine projecten voor ministeries betreffen de integrale kosten van de door de Rijksgebouwendienst uitgevoerde kleine, à fonds perdu gefinancierde, projecten voor ministeries alsmede à fonds perdu bijdragen aan investeringsprojecten.

Overige producten

Services

De post services betreft de integrale kosten (inclusief apparaatskosten) voor werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar op verzoek van de afnemers door de Rgd worden verricht en overige services. Hieronder valt ook het facilitymanagement. De service projecten komen pas in het uitvoeringsjaar in beeld en de totale omvang fluctueert jaarlijks.

Adviezen

De Rgd levert op verzoek van de gebruikers niet-projectgebonden adviezen. De kosten betreffen zowel de interne als externe kosten. De hogere realisatie is gevolg van het uitvoeren van meer adviesaanvragen voor de diverse ministeries. De adviesvraag van klanten aan de Rgd fluctueert over de jaren heen.

Beleidsondersteuning

Onder deze post zijn opgenomen de door het moederdepartement gefinancierde kosten voor beleidsondersteuning.

PPS Lasten

De PPS-lasten omvatten de totale vergoeding, die Rijksgebouwendienst uit hoofde van 2 DBFMO-contracten verschuldigd is aan de consortia, minus de aflossingscomponent van de langlopende schuld. In de resultatenrekening zijn de kostencomponenten «onderhoud en dienstverlening» en «rente» opgenomen. Aangezien deze PPS-lasten gelijk zijn aan de PPS-baten heeft deze transacties per saldo geen resultaatconsequenties.

Overige Lasten

De overige lasten ad € 28,3 mln hebben betrekking

  • apparaats- en onderhoudskosten van brandveiligheid € 12,5 mln;

  • boekwaardecorrecties € 4,1 mln;

  • bouwkundig tekenwerk € 3,8 mln;

  • lasten voorgaande boekjaren € 4,0 mln;

  • huurrestitutie € 0,9 mln;

  • resultaat op investeringsprojecten ad € 1,5 mln;

  • afdracht DGOBR € 1,0 mln;

  • kosten ondernemingsplan € 0,5 mln.

Toelichting op het resultaat

In de onderstaande tabel is het resultaat van de Rijksgebouwendienst gepresenteerd op productniveau. Ook op productniveau zijn de baten en lasten in evenwicht. Daarbij dient opgemerkt te worden dat binnen het product huisvesting sprake is van een component die vanuit tarieven (gebruiksvergoeding, a fonds perdu) gefinancierd wordt, de grootste posten betreffen rente & afschrijving, huren uit de markt en 1-opslag. Daarnaast is sprake van een component die, ten laste van het eigen vermogen komt (bijvoorbeeld boekwaardecorrecties, dotaties aan voorzieningen). In de eerste categorie is sprake van positief resultaat (€ 20,6 mln), terwijl in de tweede sprake is van een negatief resultaat van € 19,6 mln.

Specificatie resultaat 2010 per product (bedragen in € 1 000)
 

Baten

Lasten

Resultaat

Huisvesting

1 386 211

1 385 241

970

Services

63 318

61 929

1 389

Adviezen

8 293

8 318

– 25

Beleidsondersteuning

7 735

7 735

Totaal Rijksgebouwendienst

1 465 557

1 463 223

2 334

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2010 (Bedragen in € 1 000)
  

(–1)

(–2)

(3) = (2) – (1)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

     

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2010

304 923

570 494

265 571

     

2.

Totaal operationele kasstroom

293 418

291 051

– 2 367

     

3a. –/–

Totaal investeringen

– 425 000

– 874 450

– 449 450

3b. +/+

Totaal boekwaarde desinvesteringen

45 000

4 506

– 40 494

3.

Totaal investeringskasstroom

– 380 000

– 869 944

– 489 944

     

4a. –/–

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

– 17 788

– 17 788

4b. +/+

Eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

4c. –/–

Aflossingen op leningen

– 300 371

– 410 449

– 110 078

4d. +/+

Beroep op leenfaciliteit

425 000

873 417

448 417

4.

Totaal financieringskasstroom

124 629

445 180

320 551

     

5.

Rekening courant RHB 31 december 2010

342 970

436 781

93 811

     
 

(= 1 + 2 + 3 + 4)

   
 

(maximale roodstand 0,5 mln euro)

   

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen in de verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en op welke wijze gebruik is gemaakt van deze middelen. Aan de hand van het kasstroomoverzicht worden de kapitaaluitgaven en -ontvangsten toegelicht. In dit model vormen de posten 3a, 4a en 4c de kapitaaluitgaven, terwijl de posten 3b, 4b en 4d de kapitaalontvangsten vormen.

Operationele kasstroom

Bij het bepalen van de operationele kasstroom is uitgegaan van het saldo van baten en lasten, dat is gecorrigeerd voor de afschrijvingen en de mutaties in de balansposten egalisatie, voorzieningen en kortlopende activa en passiva en langlopende activa en passiva, voor zover dit niet betreft de leenfaciliteit van het ministerie van Financiën.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom bestaat uit het saldo van investeringen en (boekwaarde van de) desinvesteringen.

Per 31 december 2010 is in de volgende vaste activa geïnvesteerd:

 
  

Onderhanden werk (investeringen)

€ 492,3 mln

Aankopen

€ 224,8 mln

Conversielening

€ 157,3 mln

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen

€ 0,0 mln

  

De desinvesteringen kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
  

Grond en gebouwen

€ 4,5 mln

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen

€ 0,0 mln

Het verschil tussen de realisatie desinvesteringen en de oorspronkelijk vastgestelde begroting komt door de lagere – dan begrote – afstootresultaten, die niet door de Rijksgebouwendienst te beïnvloeden zijn.

Financieringskasstroom

De aflossingen op leningen bestaan uit de aflossing op de leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën (€ 410,4 mln).

Alleen voor de investeringen in huisvestingsprojecten en voor de terugbetaling van de voorfinancieringen wordt een beroep op de leenfaciliteit gedaan. De samenstelling van het «Beroep op leenfaciliteit» is als volgt:

Beroep op de leenfaciliteit (Bedragen x € 1 000)

Beroep leenfaciliteit 1e tot en met 3e kwartaal 2010

 

303 668

Beroep leenfaciliteit 4e kwartaal 2010

+/+

569 749

Beroep leenfaciliteit conform Financiën

 

873 417

Afgeroepen kasberoep in 2010

–/–

873 417

Nog af te roepen bij Financiën

 

0

Baten-lastendienst: Dienst van de Huurcommissie

Het werkterrein van de Dienst van de Huurcommissie wordt gevormd door het gereguleerde deel van de markt voor huurwoonruimte. Als huurders en verhuurders er onderling niet uitkomen, doet de Dienst van de Huurcommissie op verzoek uitspraken in geschillen tussen huurders en verhuurders omtrent de hoogte van huurprijzen en servicekosten. Duidelijke informatie over de huurprijswetgeving kan verschillen van mening tussen huurders en verhuurders in een vroeg stadium oplossen en zo procedures bij de Dienst van de Huurcommissie voorkomen. Via vernieuwde brochures, de internetsite en de telefonische helpdesk heeft de Dienst van de Huurcommissie die informatie in 2010 verschaft. Daarnaast beantwoordt de Dienst van de Huurcommissie verzoeken van de Belastingdienst over de redelijkheid van huurprijzen in het kader van de uitvoering van de huurtoeslag door de Belastingdienst.

Op 1 april 2010 is de wetswijziging van kracht geworden op grond waarvan de 59 afzonderlijke ZBO’s zijn omgevormd tot één landelijke ZBO Huurcommissie. Dit ZBO wordt ondersteund door de Dienst van de Huurcommissie, die met ingang van 1 januari 2010 de status van baten-lastendienst heeft verkregen.

Hierdoor wordt het mogelijk om het verband te leggen tussen de kostprijzen enerzijds en de kwantiteit en kwaliteit van de diensten anderzijds.

In 2010 is veel energie gestoken in de voorbereiding van een nieuw ICT-systeem dat de primaire processen ondersteunt. Dit nieuwe systeem, dat in januari 2011 is ingevoerd, moet het mogelijk maken om de werkzaamheden doelmatiger te verrichten en de sturing hierop te verbeteren, waardoor de doorlooptijden verkort kunnen worden.

Algemene grondslagen voor de waardering

Deze jaarrekening is opgesteld volgens de voorschriften van de Comptabiliteitswet en de nadere uitwerking hiervan in de Rijksbegrotingsvoorschriften 2011, de Regeling departementale begrotingsadministratie en de Regeling Baten-lastendiensten 2011.

Samenvattende verantwoordingsstaat 2010 inzake baten-lastendienst Dienst van de Huurcommissie van de begroting Wonen, Wijken en Integratie (bedragen in € 1 000)
 

(1)

(2)

(3) = (2) – (1)

 

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

realisatie

verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Dienst van de Huurcommissie

   

Totale baten

20 176

22 637

2 461

Totale lasten

20 176

23 231

3 055

Saldo van baten en lasten

0

– 594

– 594

    

Totale kapitaalontvangsten

0

0

0

Totale kapitaaluitgaven

3 757

2 201

– 1 556

Ter compensatie van het negatief exploitatieresultaat in 2010 heeft het moederdepartement in 2010 een eenmalige bijdrage beschikbaar gesteld, die conform de Regeling baten-lastendiensten 2011 in de balans verantwoord is onder de exploitatiereserve.

Gespecificeerde Staat van baten en lasten Bedragen x € 1 000
 

(1)

(2)

(3) = (2) – (1)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie t-1

Baten

    

Opbrengst moederdepartement

15 731

17 008

1 277

nvt

Opbrengst overige departementen

0

0

0

nvt

Opbrengst derden

1 151

322

– 829

nvt

Rentebaten

0

0

0

nvt

Vrijval voorzieningen

0

1 185

1 185

nvt

Bijzondere baten

3 294

4 122

828

nvt

Totaal baten

20 176

22 637

2 461

nvt

     

Lasten

    

Apparaatskosten

    

– personele kosten

8 717

11 119

2 402

nvt

– materiële kosten

6 916

5 389

– 1 527

nvt

Rentelasten

128

31

– 97

nvt

Afschrijvingskosten

    

– materieel

545

523

– 22

nvt

– immaterieel

576

198

– 378

nvt

Overige lasten

    

– dotaties voorzieningen

0

603

603

nvt

– bijzondere lasten

3 294

5 368

2 074

nvt

Totaal lasten

20 176

23 231

3 055

nvt

Saldo van baten en lasten

0

– 594

– 594

nvt

Toelichting op de staat van baten en lasten

Baten

Opbrengst moederdepartement

De voornaamste baten van de Dienst van de Huurcommissie bestaan uit de vergoeding door de opdrachtgevende WWI-beleidsdirectie voor het aantal gerealiseerde zaken. Deze vergoeding wordt bepaald door de gerealiseerde aantallen geschilzaken respectievelijk redelijkheiduitspraken te vermenigvuldigen met het tarief per soort zaak, onder aftrek van de gerealiseerde legesontvangsten.

In 2010 is de opbrengst als volgt berekend:

Soort zaak

aantal zaken

tarief

vergoeding

Huurverhogingsgeschillen

7 455

1 340

9 989

Servicekostengeschillen

4 161

1 496

6 225

Redelijkheid huurprijzen

1 608

694

1 116

Totaal

13 224

 

17 330

Gerealiseerde leges

  

– 322

Bijdrage moederdepartement

  

17 008

Het positieve verschil tussen begroting en realisatie is het gevolg van enerzijds een hogere productie dan geraamd (13 224 in plaats van 13 000) en anderzijds gemiddeld genomen hogere tarieven dan in de begroting verondersteld. Eind 2009 bestond in het kader van de offertevoorbereiding een beter inzicht in de hoogte van de kosten in 2010 dan aan het begin van 2009. De tarieven zullen in de komende jaren kunnen en moeten dalen als gevolg van een doelmatigheidsstijging die mogelijk wordt door de invoering van het nieuwe ICT-systeem.

Opbrengst derden

De opbrengst van de leges is aanzienlijk lager dan bij de begroting de inschatting was. Op dat moment werd nog uitgegaan van invoering van het nieuwe legesregime per 1 januari 2010, waarin de nieuwe hogere tarieven van toepassing werden. Hierin is sprake van een legesbijdrage door de partij die in het ongelijk is gesteld van € 25 voor natuurlijke personen en van € 450 voor rechtspersonen. Dit is uiteindelijk 1 april 2010 geworden, waardoor ook de verhoging van de legesinkomsten later in beeld kwam. Daarnaast bleek ook het aantal geschillen dat beslecht werd onder het nieuwe legesregime lager dan geraamd omdat de instroom van geschillen na 1 april op een substantieel lager niveau lag dan daarvoor. In de periode van 1 januari 2009 tot 1 april 2010 was deze instroom per maand gemiddeld 1 100, in de periode van 1 april tot en met 31 december bedroeg de gemiddelde instroom per maand 800.

Vrijval voorzieningen

De voorziening voor uitgaven ten behoeve van medewerkers die de dienst gaan of hebben verlaten, kon neerwaarts bijgesteld worden.

Bijzondere baten

Ten behoeve van kosten van een aantal specifieke projecten heeft het moederdepartement een specifieke bijdrage toegezegd. De hoogte van deze bijdrage wordt bepaald op basis van daadwerkelijk gemaakte kosten, die in 2010 hoger waren dan geraamd (zie lasten).

Lasten

Apparaatskosten: personele kosten

De personele kosten waren in 2010 aanzienlijk hoger dan begroot. Een voorname oorzaak hiervan was een tragere instroom van ambtelijk personeel dan verwacht. De reden hiervoor was dat DHC conform de departementale afspraken in eerste aanleg alleen kon werven onder VROM-medewerkers. Nadat gebleken was dat bepaalde functies op deze wijze niet vervuld konden worden, verkreeg DHC toestemming om breder te werven. In verband daarmee waren de kosten voor (duurder) tijdelijke externe medewerkers hoger dan geraamd. Daarnaast is in 2010 veel tijd vrijgemaakt voor de voorbereiding van de invoering van een nieuw ICT-systeem in de vorm van opleidingen en trainingen. Teneinde dit niet ten koste te laten gaan van de reguliere productie, zijn extra tijdelijke medewerkers aangetrokken.

Apparaatskosten: materiële kosten

Deze kosten waren aanzienlijk lager dan begroot. Eén van de oorzaken daarvan was het besluit om het nieuwe ICT-systeem niet in de tweede helft van 2010, maar in januari 2011 in gebruik te nemen. Derhalve zijn er in 2010 nog geen beheerskosten voor dat systeem gemaakt.

Afschrijvingskosten: immaterieel

Door het hiervoor genoemde uitstelbesluit met betrekking tot het nieuwe ICT-systeem, is er in 2010 ook niet afgeschreven op dit systeem, terwijl dat in de begroting wel was voorzien.

Dotaties voorzieningen

In verband met in 2010 gemaakte afspraken met medewerkers die de dienst gaan verlaten, zijn de voorzieningen verhoogd.

Bijzondere lasten

Ultimo 2010 was de voorraad onderhanden werk lager dan aan het begin van het jaar. De afname van de voorraad ad € 1,246 mln is tegen de kostprijzen 2010 ten laste van het resultaat gebracht. In de begroting was met deze afname geen rekening gehouden.

In 2010 zijn kosten gemaakt voor de invoering van een nieuw ICT-systeem, voor het aanpassen van de systemen en processen in verband met het introduceren van het energielabel in het woningwaarderings-stelsel en voor medewerkers die in samenhang met de reorganisatie in 2009 de dienst hebben verlaten. De kosten van deze onderwerpen waren € 0,83 mln hoger dan begroot.

Saldo van baten en lasten

Over 2010 is een negatief exploitatieresultaat behaald. Dit is het gevolg van het feit dat in de gehanteerde tarieven een hoger aantal zaken is verondersteld (op basis van de instroom in 2009) dan uiteindelijk is gerealiseerd. Ter compensatie van dit negatief exploitatieresultaat, heeft het moederdepartement in 2010 een eenmalige bijdrage toegezegd en beschikbaar gesteld, die conform de Regeling baten-lastendiensten 2011 in de balans is verantwoord onder de exploitatiereserve.

Om toekomstige verliezen te voorkomen, is bij het berekenen van de tarieven voor 2011 uitgegaan van een productie-aantal dat nauw aansluit bij de sinds 1 april 2010 lagere instroom van geschillen.

Balans per 31 december 2010 (voor verwerking van het resultaat) (Bedragen x € 1 000)
 

31 december 2010

1 januari 2010

Activa

  

Immateriële activa

3 609

1 786

Materiële activa:

  

– Grond en gebouwen

0

0

– Installaties en inventarissen

92

396

– overige materiële vaste activa

270

310

Voorraden

3 664

4 909

Debiteuren

210

4 602

Nog te ontvangen

70

2

Liquide middelen

3 340

0

Totaal activa

11  255

12 005

   

Passiva

  

Eigen vermogen:

  

– exploitatiereserve

1 000

0

– onverdeeld resultaat

– 594

0

Leningen bij het MvF

0

2 491

Voorzieningen

1 590

2 171

Crediteuren

74

0

Nog te betalen

9 185

7 343

Totaal passiva

11 255

12 005

De Dienst van de Huurcommissie stelt voor om het negatieve bedrijfsresultaat ad € 0,594 mln ten laste van de exploitatiereserve te brengen. Dit bedrijfsresultaat is veroorzaakt doordat in de gehanteerde tarieven een hoger aantal zaken is verondersteld dan uiteindelijk is geresulteerd. Zoals hierboven vermeld, is hiervan geleerd ten behoeve van het tarievenvoorstel en offerte voor 2011.

Toelichting op de balans

Activa

Grondslagen voor waarderingactiva

De in de balans opgenomen waarde van de immateriële en materiële activa is gebaseerd op historische kostprijzen minus een lineaire afschrijving. De restwaarde van alle materiële activa wordt geschat op nul. De materiële activa zijn geheel gefinancierd met een initiële lening bij het ministerie van Financiën.

Voor afschrijvingen op activa worden de volgende termijnen gehanteerd: verbouwingen 10 jaar, inventaris 5 jaar, hardware, installaties en software 3 jaar. Voor het bedrijfssoftwarepakket Themis zal gezien de geschatte gebruiksduur een afschrijvingstermijn van 5 jaar worden gehanteerd.

Immateriële activa

De immateriële activa bestaan uit aangeschafte software en het Themis bedrijfssoftwarepakket dat in opdracht van de Dienst van de Huurcommissie door derden in 2010 is ontwikkeld. Het Themis pakket is in januari 2011 in productie genomen. Op bedragen van de post Themis zal worden afgeschreven vanaf het moment van ingebruikname, dus 2011.

Materiële activa

De materiële activa bestaan uit inventaris, hardware, installaties en verbouwingen die in de afgelopen jaren zijn gedaan aan het kantoor Den Haag van de Dienst van de Huurcommissie. De Dienst van de Huurcommissie huurt haar kantoorruimten, deze panden staan daarom niet op de balans als activa.

Het grootste deel van de activa is begin deze eeuw aangeschaft waardoor de restwaarde beperkt is. Veel activa worden nog gebruikt terwijl ze inmiddels afgeschreven zijn.

Categorie

Boekwaarde 1-1-2010

Investering 2010

Afschrijving 2010

Boekwaarde 31-12-2010

Immateriële activa

1 786

2 021

198

3 609

     

Materiële activa

    

– verbouwingen

330

0

279

50

– installaties/inventaris

81

– 12

27

42

– hardware

295

192

217

270

– totaal

706

180

523

362

Voorraden

Dit betreft het onderhanden werk, gewaardeerd tegen kostprijzen 2010. Doordat in 2010 meer zaken zijn afgewikkeld dan er zijn ingestroomd, is het aantal onderhanden zaken afgenomen, en derhalve de waarde van deze post.

Passiva

Eigen vermogen

Het eigen vermogen wordt gevormd door enerzijds de exploitatiereserve en anderzijds het onverdeeld resultaat. Het eigen vermogen bedraagt 2,4% van de omzet in 2010.

Leningen bij het Ministerie van Financiën

In 2010 is bij het Ministerie van Financiën in afwijking van het voornemen geen initiële lening opgenomen ter financiering van de betaling aan het moederdepartement voor de overgenomen activa. Dit zal in 2011 alsnog geschieden. Evenmin is een lening opgenomen ter financiering van de investeringen, deze konden gefinancierd worden uit de beschikbare liquide middelen.

Voorzieningen

De voorziening die op de balans staat betreft herplaatsingskosten en maatwerkafspraken.

De hoogte van de herplaatsingskosten is berekend aan de hand van de te verwachten loonkosten van desbetreffende medewerkers die ultimo 2010 de status van herplaatser hebben voor de periode dat ze aan deze status rechten kunnen ontlenen.

De maatwerkafspraken betreffen kosten voor personeelsleden die in het kader van de reorganisatie van 2009 vervroegd zijn uitgetreden. Deze kosten staan vast. Uitbetaling zal tot en met 2012 plaatsvinden.

 

Stand 1-1-2010

Vrijval

Dotatie

Saldo 31-12-2010

Herplaatsers

740

– 455

245

530

Maatwerkafspraken

1 431

– 730

359

1 060

Totaal

2 171

– 1 185

604

1 590

De kosten voor deze twee posten zijn in 2010 vergoed door het moederdepartement, zodat geen onttrekking heeft plaatsgevonden, en de verlaging van de verplichting als vrijval ten goede komt aan de exploitatiereserve.

Op de balans is geen voorziening voor jubilea opgenomen, omdat dit bedrag niet doelmatig is.

Crediteuren

Dit betreft ontvangen maar per ultimo 2010 nog niet betaalde facturen voor gemaakte kosten die betrekking hebben op 2010.

Nog te betalen

Deze post bestaat uit nog te ontvangen facturen, legesvoorschotten, vooruitontvangen vergoedingen door de opdrachtgever en het moederdepartement, alsmede verplichtingen jegens het personeel.

Onder deze post is ook de schuld aan het moederdepartement voor de overgenomen activa opgenomen.

Niet in de balans opgenomen verplichtingen

Het totaal van de niet in de balans opgenomen meerjarige verplichtingen bedraagt € 2.385.000. Deze bestaan uit de volgende posten:

  • De jaarlijkse huurverplichting voor de kantoorruimte in Den Haag: € 820.000

  • ICT-onderhoudscontracten voor diverse programma’s: € 1.392.000

  • Contract met callcenter: € 173.000

Kasstroomoverzicht per 31 december 2010 (Bedragen x € 1 000)
  

Oorspronkelijk vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting (3) = (2) – (1)

1.

Rekening-courant RHB 1 januari + stand deposito-rekeningen

0

0

0

     

2.

Totaal operationele kasstroom

1 121

– 2 304

– 3 425

     

3a.

Totaal investeringen (–/–)

– 3 757

– 2 201

1 556

3b.

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

3.

Totaal investerings-stroom

– 3 757

– 2 201

1 556

     

x.

Specifieke uitgaven

– 3 294

0

3 294

     

4a.

Eenmalige uitkering aan moeder-departement (–/–)

0

0

0

4b.

Eenmalige storting door het moeder-departement (+)

3 294

7 845

4 551

4c.

Aflossingen op leningen (–/–)

– 1 121

0

1 121

4d.

Beroep op leenfaciliteit (+)

3 757

0

– 3 757

4.

Totaal financieringskasstroom

5 930

7 845

1 915

     

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2010 + stand deposito-rekeningen

0

3 340

3 340

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Ten tijde van het opstellen van de begroting is verondersteld dat de reguliere bedrijfsvoering de liquide middelen zou genereren die nodig zijn voor het aflossen van de lening die in 2010 zou worden opgenomen bij het ministerie van Financiën. In 2010 is evenwel geen beroep gedaan op de leenfaciliteit, en was er derhalve ook geen sprake van aflossingen. De uitgaven voor de bijzondere projecten en de investeringen konden gefinancierd worden door de eenmalige storting door het moederdepartement. Deze was hoger dan begroot omdat deze was afgestemd op de uitvoering van een aantal specifieke projecten die in opdracht van het moederministerie in uitvoering zijn genomen. Voor een deel zijn deze projecten nog niet afgerond; het daarmee samenhangend bedrag is als «vooruitontvangen vergoeding» onderdeel van de balanspost «Nog te betalen».

Doelmatigheidsindicatoren

Doorlooptijden

Voor de doorlooptijden van geschilbeslechting staat in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte een termijn van vier maanden. Zoals hiervoor is aangegeven, is in 2010 gewerkt aan de voorbereiding van een nieuw ICT-systeem met behulp waarvan de huidige doorlooptijden verkort kunnen worden. De in de begroting vermelde streefwaarden voor 2010 zijn gerealiseerd.

 

Begroting

Realisatie

% huurprijsgeschillen afgerond binnen 6 maanden

80%

82%

% servicekostengeschillen afgerond binnen 7 maanden

80%

83%

% huurverhogingsgeschillen afgerond binnen 6 maanden

80%

85%

Integrale kostprijzen

Op basis van de werkelijke kosten over 2010 en de werkelijke aantallen afgehandelde zaken, zijn de integrale kostprijzen per product bepaald.

Integrale kostprijzen

Begroting

Realisatie

Geschil Huurprijs

€ 1 297

€ 1 257

Geschil Servicekosten

€ 1 405

€ 1 620

Verklaring redelijkheid huurprijs

€ 1 065

€ 915

De kostprijs voor servicekostengeschillen op basis van definitieve realisatie is fors hoger, vanwege de hogere kosten van personele inzet bij servicekostenonderzoeken.

De lagere definitieve kostprijzen bij verklaring van redelijkheid ligt aan de doorbelasting van de kosten voor bouwtechnisch onderzoek. Deze zijn aanzienlijk lager dan voorheen ingeschat omdat minder kosten voor bouwtechnisch onderzoek aan de verklaringen zijn toegerekend.

Ingroeimodel

Voor de begroting 2012 zal bezien worden welke doelmatigheidsindicatoren toegevoegd kunnen worden, rekening houdend met het bijzondere karakter van de werkzaamheden van de Dienst van de Huurcommissie.

Licence