Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

2 Werken aan leefbare wijken, krachtige steden en vitale regio’s

Doel:

  • Ontwikkelen van krachtige, vitale steden;

  • Verbeteren van de leefbaarheid en inlopen van de achterstand van wijken;

  • Bevorderen van productie en kwaliteit nieuwbouw;

  • Voorkomen van neerwaartse spiraal in regio’s met bevolkingsdaling;

  • Realiseren van de klimaat- en energiedoelstellingen in de bestaande bouw (tot 2020 2,4 mln bestaande gebouwen tenminste 30% energiezuiniger) en nieuwbouw (nieuwe woningbouw in 2020 energieneutraal en nieuwe utiliteitsgebouwen in 2017 50% energiezuiniger);

  • Mogelijkheden bieden voor het beheersen van de energielasten voor bewoners en bedrijven.

Doelbereik

Ad 1: Uit de evaluatie Grotestedenbeleid 2005–2009 (GSB III) blijkt dat het beleid aantoonbaar heeft bijgedragen aan de verbetering van de leefbaarheid in de steden en wijken (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 30 995, nr. 87, www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/steden/documenten-en-publicaties).

Daarnaast verschijnt in het tweede kwartaal 2011 de eindmeting GSB III, waarin enerzijds de realisatie van de vijf landelijke doelstellingen is opgenomen, en anderzijds de mate van realisatie door de G31 van de met het Rijk gemaakte resultaatafspraken.

Hieruit blijkt dat de licht positieve trend, die uit de midterm review bleek tussen 2005 en 2007 (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15), zich heeft doorgezet voor de meeste doelstellingen.

Ten eerste heeft de verbetering van de objectieve veiligheid zich in de G31 op alle onderdelen voorgedaan. Burgers in de grote steden zijn in de periode 2005–2009 minder vaak slachtoffer geworden van woninginbraak, fietsendiefstal, autodiefstal en -vernieling, en van geweldsdelicten; met name de G4 laten een sterke verbetering zien ten aanzien van autodelicten. Ook is in de G31 als geheel het veiligheidsgevoel in deze periode licht gestegen, waarbij de steden onderling wel sterk verschillen.

Ten tweede is de fysieke kwaliteit van de leefomgeving in de G31 gemiddeld verbeterd wat betreft verloedering (bekladding, hondenpoep, zwerfafval, vernieling).

Ten derde is de sociale kwaliteit van de samenleving in de grote steden ten aanzien van de arbeidsparticipatie nauwelijks gestegen, en qua perceptie van de woonomgeving (in welke mate mensen elkaar kennen en met elkaar omgaan, saamhorigheidsgevoel) gelijk gebleven.

Ten vierde zijn de G27 in staat geweest iets beter de middeninkomens vast te houden dan de G4; voor de hoge inkomens zijn de G4 daar beter in geslaagd. Ten aanzien van de laatste doelstelling, vergroten van de economische kracht van de steden, is de waardering van ondernemers voor het ondernemingsklimaat in hun stad toegenomen (Kamerstukken II, 2009–2010, 30 128, nr. 20), en het bruto stedelijk product gemiddeld gelijk gebleven.

In het kader van de verantwoording over GSB III is de rijksbijdrage voor de drie brede doeluitkeringen (sociaal, fysiek, economie) vastgesteld voor de G31. De vaststelling is gebaseerd op de door de steden via «single information/single audit» ingediende verantwoording over zowel de rechtmatige besteding van de BDU’s, als over de realisatie van de met het Rijk overeengekomen meerjaren resultaatafspraken. Voor het afronden van enkele afspraken (o.a. inburgeringstrajecten) is de termijn verlengd tot en met 2011; de verantwoording hiervan en de vaststelling van de rijksbijdrage op deze onderdelen vindt in 2012 plaats.

Ad 2: De wijkaanpak is nu twee jaar in uitvoering, waarbinnen de partners gezamenlijk gewerkt hebben aan afspraken op gebied van wonen, werken, leren & opgroeien, wijkeconomie, gezondheid, veiligheid en integratie.

Gemeenten en corporaties ervaren de meerwaarde van het partnerschap en de grote betrokkenheid van bewoners wordt als positief ervaren. Burgers nemen weer zelf verantwoordelijkheid voor het eigen bestaan en de eigen leefomgeving.

Dit resulteert erin dat op een derde van de periode 2007–2017, die in de charters is afgesproken, er vooruitgang is in de aandachtswijken en opbrengsten zichtbaar zijn. Lokale partners zijn er in geslaagd met de wijkenaanpak een effectieve methode te ontwikkelen om de leefomgeving in achterstandswijken een impuls te geven. De wijkenaanpak leert dat versterking van buurten en wijken een samenhangende, sociaalfysieke aanpak vergt en dat vooruitgang wordt geboekt wanneer burgers meer verantwoordelijkheid hebben. De aanpak wordt geconsolideerd en de lessen worden breder ingezet in andere gebieden. Het wijkgericht werken heeft een plek gekregen in de nieuwe collegeprogramma’s van de betrokken gemeenten.

Ad 3: Als gevolg van de economische crisis is de woningproductie in 2010 teruggevallen naar 62 003 woningen (inclusief 6 004 woningen via productie anderszins). Vergeleken met 2009 is de woningproductie met 1/3 deel gedaald.

Het aantal in particulier opdrachtgeverschap gebouwde woningen in de stedelijke regio’s bedroeg in 2010 3 459 woningen (8,5% van de totale productie in de stedelijke regio’s). Ook dat is ongeveer 1/3 minder dan in de afgelopen jaren, maar blijft, gerelateerd aan de totale landelijke woningproductie, relatief op het niveau van de afgelopen 5 jaar.

Ad 4: Ter voorkoming van een negatieve spiraal in regio’s met bevolkingsdaling is uitvoering gegeven aan het Actieplan bevolkingsdaling (zie verder ad 7 in onderstaand overzicht).

Ad 5: In 2010 is in de bestaande bouw in 112 000 woningen additioneel energiebesparing behaald (minimaal 20 tot 30% energiebesparing, hetgeen overeenkomt met ongeveer twee labelstappen). Voor de nieuwbouw geldt dat er ten opzichte van vorige jaren sprake is van een stijgende trend in het aantal vergunningen met een EPC die significant lager is dan de eis. In 2010 is bijna 6% van de afgegeven woningbouwvergunningen minimaal 25% lager dan de referentie-eis van 2007. Bij de utiliteitsbouw wordt met name bij de onderwijssector en de kantorensector al op grote schaal lager dan de referentie-eis van 2007 gebouwd (in de onderwijssector was bijvoorbeeld in 2010 10% van de afgegeven vergunningen zelfs minimaal 50% lager).

Ad 6: Met het in 2008 afgesloten convenant energiebesparing corporatiesector hebben Aedes en de Woonbond een inspanningsverplichting aanvaard gericht op lagere woonlasten voor de huurder. Het betrof hierbij een inspanningsverplichting, gekoppeld aan het nemen van energiebesparende maatregelen en gemiddeld lagere woonlasten op complexniveau.

Aedes en Woonbond hebben hiertoe gezamenlijk het instrument Woonlastenwaarborg ontwikkeld. Het gebruik hiervan nam in 2010 toe, maar nog wel op beperkte schaal. De voorziene evaluatie van het instrument wordt op dit moment uitgevoerd.

Realisatie prestaties «Werken aan leefbare wijken, krachtige steden en vitale regio’s»

Beoogde prestaties in 2010

Bereikt resultaat in 2010

1. Uitvoeren van het nieuwe stedenbeleid 2010–2014 en voorbereiden decentralisatie Investeringsbudget Stedelijke vernieuwing (ISV)

Gerealiseerd

Het Rijk en de G31 rechtstreekse gemeenten hebben aan het begin van 2010 gezamenlijk prestatieafspraken op het gebied van stedelijke vernieuwing geformuleerd (ISV3). Ook is in samenwerking met de steden en provincies voor ISV3 een instrument ontwikkeld om de voortgang op de landelijke doelstellingen te kunnen volgen; een nulmeting is inmiddels uitgevoerd. Het ISV3-budget is in de ontwerpbegroting 2011 gedecentraliseerd via het Gemeente- en Provinciefonds.

Tevens is op basis van het manifest «Bestrijding overlast en verloedering» (september 2009) door de daarbij betrokken 40 steden in 2010 uitvoering gegeven aan de door hen geformuleerde maatregelen gericht op het tegengaan van de sociale overlast en de fysieke verloedering. Ook op andere terreinen zijn in 2010 diverse (nadere) afspraken gemaakt, dan wel in uitvoering gekomen (o.a. Plan van Aanpak maatschappelijke opvang/Stedelijke Kompassen, en bevordering participatie van overbelaste jongeren).

  

2. Realiseren doelstellingen in de 40 aandachtswijken volgens de charters

Gerealiseerd

Het woonaanbod wordt diverser in de aandachtswijken, de werkloosheid is minder gestegen, de leefbaarheid is meer dan gemiddeld toegenomen, de inkomenspositie is iets gestegen, de investeringen in beheer en de leefomgeving zijn geïntensiveerd, organisaties komen weer achter de voordeur om een helpende hand te bieden en burgerparticipatie heeft een nieuwe impuls gekregen. De meeste steden liggen goed op koers. De behaalde resultaten worden met de gemeenten individueel besproken bij de bestuurlijke overleggen tussen de minister en het stadsbestuur. Sommige gemeenten hebben doelstellingen en afspraken bijgesteld of anders geprioriteerd, afhankelijk van de ontwikkelingen in de wijk en gemeente. De bijlage Nog meer wijken in uitvoering 2010 bij de Voortgangsrapportage Wijkaanpak 2010 geeft de behaalde resultaten per gemeente uitgebreid weer.

  

3. Lessen uit de wijkenaanpak en 40+ budget inzetten in andere wijken

Gerealiseerd

Niet alleen binnen de 40 wijken, maar ook richting de 37 40+ wijken (en uiteindelijk van en naar alle wijken waar gebiedsgericht werken wordt geïntroduceerd) worden de opgedane kennis, voorbeelden en oplossingen uit de afgelopen drie jaar wijkenaanpak gedeeld en verspreid. Het rijk heeft in dit kader meerdere rollen; die van expert, innovator, makelaar en vraagbaak. Accountmanagers bezoeken met regelmaat de wijken. De 40+ gemeenten hebben uitgebreide ondersteuning ontvangen bij het opstellen van hun wijkactieplannen. Onder andere voor de zeven experimenten worden meerdere keren per jaar leerkringen georganiseerd. Om professionals te ondersteunen, hen een netwerk te bieden en kennis te verspreiden zijn samen met de Buurtalliantie regionale en landelijke bijeenkomsten georganiseerd.

  

4. Samen met gemeenten uitvoeren van een externe visitatieronde

Gerealiseerd

De Visitatiecommissie Wijkenaanpak is sinds mei 2010 in bedrijf en geeft advies in hoeverre de inzet van instrumenten en ingezette middelen in de wijk(en) in haar ogen maatschappelijk «rendement» oplevert. De commissie ondersteunt de partners (gemeenten, corporaties, rijk en bewoners) om succesvolle methoden te herkennen en te verankeren. In 2010 heeft de Visitatiecommissie 16 van de 18 gemeenten bezocht. Dit heeft voor iedere individuele gemeente een eindrapport opgeleverd met aanbevelingen om goed werkende lokale aanpakken te verankeren en met effectieve oplossingen voor knelpunten om processen te versnellen, waar gemeenten mee aan de slag zijn gegaan. Het eindverslag van de Visitatiecommissie wordt mei 2011 opgeleverd.

  

5. Verstedelijkingsafspraken 2010–2020 met stedelijke gebieden

Gerealiseerd

De afspraken over de verstedelijking in de stedelijke regio’s voor de periode 2010–2020, zijn eind 2009 gemaakt in het BO-MIRT (kamerstukken II, 32 123 A, nr. 19). In tegenstelling tot de woningbouw-afspraken, heeft het Rijk ten behoeve van de Verstedelijkingsafspraken geen budget beschikbaar om regio’s en gemeenten te ondersteunen bij het realiseren van de opgave. Mede als gevolg hiervan is het karakter van de afspraken verandert van prestatieafspraken naar intentieafspraken. In alle regio’s zijn afspraken gemaakt over de verstedelijkingsopgave voor de periode tot 2020 en de daaruit voortvloeiende programma’s en majeure projecten zoals neergelegd in de gebiedsagenda’s. Voor de woningbouw zijn nadere afspraken gemaakt over (de nadere uitwerking van) kwantiteit, kwaliteit en locaties.

  

6. (Verder) uitvoeren van het pakket stimuleringsmaatregelen bouw

Gerealiseerd

In 2010 is gecontroleerd of de woningbouwprojecten waarvoor op grond van de 1e en 2e tranche van de Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouwprojecten subsidie is verleend overeenkomstig de voorwaarden in de subsidieregeling zijn gestart. Terugontvangen subsidiegelden van niet tijdig gestarte projecten zijn eind 2010 opnieuw ingezet bij de 3e tranche van de stimuleringsregeling.

Voor de 3e tranche moest uiterlijk op 31 december 2010 zijn gestart met de bouw. Ook voor deze projecten wordt steekproefsgewijze gecontroleerd of tijdig met de bouw is gestart.

Voorts zijn betrokken partijen (met name gemeenten en corporaties) door de WWI-accounts aangesproken op de voortgang van concrete woningbouwprojecten en de woningproductie in algemene zin. In het kader van de Verstedelijkingsafspraken heeft afstemming plaatsgehad over het tijdig beschikbaar hebben van voldoende bestemmingsplancapaciteit.

Ter verbetering van het functioneren van de woningmarkt is een aantal maatregelen op het terrein van de woning- en bouwmarkt genomen, waaronder het tot 31 december 2011 verhogen van de verwervingskostengrens van de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) van € 265 000 naar € 350 000. Dit heeft ertoe geleid dat ongeveer de helft van alle verkochte woningen tussen € 265 000 en € 350 000 gefinancierd is met NHG. Onder de reguliere kostengrens van € 265 000 was dat bijna 90%. Tevens is de mogelijkheid tot gebruik van de woonlastenfaciliteit (WLF) verbeterd, waardoor meer eigenaar-bewoners met een door de NHG geborgde hypotheek die buiten hun schuld om in betalingsproblemen komen, een beroep kunnen doen op de WLF. De VNG heeft in samenwerking met WWI een brochure uitgebracht waarin gemeenten gewezen worden welke mogelijkheden de Leegstandswet biedt om een koopwoning tijdelijk te verhuren. Om te voorkomen dat de hypotheekrente vervalt bij tijdelijke verhuur is vanaf 1 januari 2010 een tijdelijke regeling ingegaan die het mogelijk maakt hypotheekrente voor een periode van 3 jaar af te trekken voor mensen die twee huizen bezitten. Voorts is geregeld dat als in 2011 een woning wordt gekocht en datzelfde huis binnen een jaar wordt doorverkocht bij de tweede verkoop alleen overdrachtsbelasting verschuldigd is over de eventuele winst.

  

7. Uitvoeren Actieplan bevolkingsdaling

Gerealiseerd

Het op 17 februari 2010 in de Tweede Kamer behandelde Actieplan bevolkingsdaling is in 2010 verder uitgevoerd op de punten Regionale actieplannen (opgesteld door de 3 krimpregio’s), uitbetaling van € 31 mln aan krimpregio’s en het starten met de krimpexperimenten. Daarnaast is het onderzoek naar knellende regelgeving op het gebied van wonen en onderwijs afgerond. Enkele acties (krimpexperimenten, monitoring leefbaarheid platteland en de tijdelijke krimpmaatstaf in het Gemeentefonds) lopen in 2011 door.

  

8. Verwerken energieprestatie in het woningwaarderingsstelsel

Niet gerealiseerd

Het wetsvoorstel tot Wijziging van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte is op 29 januari 2010 ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 302, nr. 2). Dit voorstel is gebaseerd op de overweging, dat het wenselijk is een wettelijke grondslag te creëren voor het bij algemene maatregel van bestuur stellen van regels omtrent de waardering van de energieprestatie van huurwoningen. De Tweede Kamer heeft dit wetsvoorstel op 8 maart 2011 aanvaard. Het voorstel is ter behandeling aan de Eerste Kamer aangeboden.

Beleidsconclusie

Na drie jaar wijkaanpak zijn de resultaten en de vooruitgang zichtbaar. Lokale partners worden ondersteund met kennis en kunde. Het Rijk faciliteert zonder dat het verantwoordelijkheden overneemt. Het integraal werken, de bewoner centraal stellen, vitale coalities smeden en het vraaggericht werken zijn lessen die worden verspreid en gedeeld met de 40+wijken. Burgers zelf worden in staat gesteld en ondersteund bij het nemen van verantwoordelijkheid. Waar de problemen te complex zijn, springen gemeente en professional in met adequate hulp. De aanpak wordt geconsolideerd en breder ingezet. Het Kabinet blijft de uitvoering en verankering van de aanpak in deze nieuwe fase, van bouwen naar borgen, op lokaal niveau ondersteunen.

Als gevolg van de economische crisis is de woningproductie in 2010 teruggevallen naar 62 003 woningen. In het eerste kwartaal van 2011 verschijnt de monitor van de convenanten energiebesparing gebouwde omgeving met de gegevens over 2010. Dan kan worden vastgesteld of de eerdere trend is vastgehouden.

Licence