Base description which applies to whole site

Baten-lastenagentschap Rijksgebouwendienst (Rgd)

Inleiding

De Rijksgebouwendienst draagt bij aan het succesvol functioneren van zijn klanten, door het bieden van efficiënte en effectieve huisvestingsoplossingen. Met het in stand houden van monumenten draagt de Rijksgebouwendienst bij aan het behoud van ons cultureel erfgoed. De Rijksgebouwendienst heeft de status van baten-lastenagentschap. Deze status vloeit voort uit het in 1999 vernieuwde Rijkshuisvestingsstelsel. Het Rijkshuisvestingsstelsel is in deze opzet ingevoerd met als doel een rijksbrede vergroting van de doelmatigheid in de huisvesting van de rijksoverheid.

In 2008 is het Besluit Rijksgebouwendienst 1999 gewijzigd (Stb. 2008, 381). Daarmee is onder andere besloten om de verantwoordelijkheid voor de kaderstelling voor het rijksbrede beleid van rijkshuisvesting bij het DG Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk (DGOBR) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) te beleggen.

De Rijksgebouwendienst levert de producten huisvesting, services, adviezen en beleidsondersteuning. Het product huisvesting bestaat uit het ontwikkelen, realiseren en leveren van huisvesting. De Rijksgebouwendienst handhaaft de afgesproken kwaliteit van de geleverde huisvesting volgens de Regeling Taakverdeling Beheer Rijkshuisvesting.

Oprichting Rijksvastgoedbedrijf (RVB)

De voorbereidingen voor de oprichting van het Rijksvastgoedbedrijf zijn in 2013 opgepakt. In april 2013 hebben de Minister van Defensie en de Minister voor Wonen en Rijksdienst besloten de Dienst Vastgoed Defensie (DVD) al bij de start van het Rijksvastgoedbedrijf onderdeel van dit nieuwe bedrijf te laten zijn. Om dit te realiseren is de startdatum van het Rijksvastgoedbedrijf van 1 januari 2014 naar 1 juli 2014 verzet.

Rapportage aan de Autoriteit Consument en Markt

De Rijksgebouwendienst heeft een meldpunt mededinging, dat fungeert als aanspreekpunt voor de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Bij dat meldpunt kunnen zowel medewerkers van de Rijksgebouwendienst als externe partijen vermoedens van prijs- of marktverdelingsafspraken of andere overtredingen van de Wet Markt en Overheid melden.

In 2013 zijn analyses van inschrijvingsbegrotingen uitgevoerd. Deze analyses zijn periodiek gerapporteerd aan en besproken met de ACM.

Overige prestaties

Indicator/kengetal

Streefwaarde 2013

Realisatie 2013

Energieambitie 2020

Starten met uitvoering maatregelen FCIB kantoorpanden tranche 3

Uitvoering tranche 3 kantoorpanden is gestart

Aantal monumenten in beheer

107

104

Gebruiksgraad monumenten

95%

98%

Voortgang programma Energieambitie 2020

In 2013 is conform afspraak gestart met tranche 3 (objecten met een kantoorfunctie) van de uitvoering maatregelen «Energiebesparing» in het kader van FCIB.

Monumenten in beheer

De telling van het aantal monumenten (objecten) in beheer is gebaseerd op de eigen objectenadministratie van de Rijksgebouwendienst.

Gebruiksgraad monumenten

Uit de begroting van BZK wordt de instandhouding bekostigd van de monumenten met een erfgoedfunctie (maar zonder rijkshuisvestingsfunctie). De gebruiksgraad op 31 december 2013 van deze monumenten met erfgoedfunctie is 98% (was 98% ultimo 2012). De gebruiksgraad is het aantal m2 bruto vloeroppervlak (bvo) per object dat in gebruik is in verhouding tot het totaal aantal m2 bvo. Een deel van de monumenten is naar hun aard niet geschikt voor gebruik, zoals gedenknaalden of grafmonumenten. Deze zijn buiten de berekening gehouden.

Staat van baten en lasten van het baten-lastenagentschap Rgd

Deze jaarrekening is opgesteld volgens de voorschriften van de Comptabiliteitswet (CW2001) en de nadere uitwerking hiervan in de Rijksbegrotings- en verantwoordingsvoorschriften (RBV), de Regeling Departementale Begrotingsadministratie 2007 (RDB 2007) en de Regeling Agentschappen 2012. In deze Regeling is in beginsel het Burgerlijk Wetboek 2 (BW 2), titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ) van toepassing verklaard. De afwijkingen van BW 2 titel 9 en RJ zijn goedgekeurd door het Ministerie van Financiën. De afwijkingen zijn nader toegelicht bij de betreffende posten van de balans en de staat van baten en lasten. Voor zover niet anders is vermeld, worden de activa en passiva gewaardeerd tegen nominale waarde.

Staat van baten en lasten van het baten-lastenagentschap RGD (bedragen x € 1.000)
 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

(4)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2012

Baten

       

Leveren producten/diensten

   

 

Omzet moederdepartement

21.271

22.060

789

24.044

Omzet overige departementen

1.362.952

1.355.306

– 7.646

1.394.204

Omzet derden

12.524

12.312

– 212

15.212

Bedrijfsvoering

   

 

Vrijval voorzieningen

 

12.447

12.447

6.007

Rentebaten

 

997

997

1.498

Overige baten

13.130

34.698

21.568

14.597

Totaal baten

1.409.877

1.437.820

27.943

1.455.562

     

 

Lasten

   

 

Product Huisvesting

   

 

Apparaatskosten (netto)

70.482

68.531

– 1.951

76.540

Huren

287.676

255.253

– 32.423

276.638

Rentelasten

294.204

282.222

– 11.982

261.618

Afschrijvingen

356.844

356.963

119

344.029

Onderhoud

139.809

134.199

– 5.610

142.561

Dotaties voorzieningen

15.650

33.337

17.687

24.610

Belastingen en heffingen

22.957

23.200

243

23.800

Investeringen buiten gebruiksvergoedingen

90.931

78.221

– 12.710

141.806

PPS lasten

51.900

51.277

– 623

46.329

Overige producten

   

 

Services

46.220

37.860

– 8.360

46.398

Adviezen

8.080

11.631

3.551

10.387

Beleidsondersteuning

6.341

5.326

– 1.015

8.194

Overige lasten

27.270

85.727

58.457

74.473

Totaal lasten

1.418.365

1.423.747

5.382

1.477.383

         

Saldo van baten en lasten

– 8.488

14.073

22.561

– 21.821

Omzet departementen

De opbrengsten huisvesting hebben betrekking op:

  • de opbrengsten van de interne verhuurcontracten met de ministeries volgens het huur-verhuurmodel (gebruiksvergoedingen);

  • de PPS-opbrengsten op basis van leveringsovereenkomsten met de ministeries. Deze omvatten de totale vergoeding, die de gebruikers uit hoofde van het Design Build Finance Maintain Operate (DBFMO)-contract verschuldigd zijn, minus de aflossingscomponent van de langlopende vordering. In de resultatenrekening zijn de opbrengstcomponenten «onderhoud en dienstverlening» en «rente» opgenomen;

  • de à fonds perdu gefinancierde huisvestingsprojecten voor ministeries (investeringen buiten de gebruiksvergoeding);

  • het verschil tussen de ontvangen gebruiksvergoeding en de afschrijvings- en rentekosten van de vaste activa (egalisatie). In 2013 is er sprake van een afname van de egalisatierekening.

Bij verlenging per 1-1-2013 van contracten voor kantoren heeft geen herberekening van de gebruiksvergoedingen plaatsgevonden (bevriezing gebruiksvergoeding). Voor deze contracten geldt dat geen egalisatieberekening meer wordt toegepast met ingang van 1-1-2013. Deze maatregel is één van de eerste stappen bij de implementatie van het nieuwe Rijkshuisvestingstelsel, waarin de Rijksgebouwendienst met ingang van 1-1-2013 verantwoordelijk is voor de instandhouding in kantorenvoorraad.

Het onderdeel services betreft de opbrengsten voor werkzaamheden, die volgens de Regeling Taakverdeling Beheer (RTB) tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar die op verzoek van de afnemers, voor zover rijksoverheid, door de Rijksgebouwendienst worden verricht.

Services worden door de Rijksgebouwendienst uitgevoerd zowel via incidentele opdrachten als via servicecontracten.

De opbrengsten adviezen hebben betrekking op de opbrengsten van niet-projectgebonden huisvestingsadviezen aan rijksoverheden.

De klantvraag met betrekking tot serviceprojecten en adviesopdrachten is vooraf lastig in te schatten. Tegenover hogere/lagere baten staan ook hogere/lagere lasten.

De PPS-opbrengsten omvatten de totale vergoeding, die de gebruikers uit hoofde van het DBFMO-contract verschuldigd zijn, minus de aflossingscomponent van de langlopende vordering. In de resultatenrekening zijn de opbrengstcomponenten «onderhoud en dienstverlening» en «rente» opgenomen.

Omzet moederdepartement

Onder inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie vallen het beheer van monumenten met een erfgoedfunctie (inclusief Paleis Soestdijk), de beleidsondersteunende taken van de Rijksgebouwendienst en het Energiebesparingsprogramma Rijkshuisvesting. Voor de dekking van de inputfinanciering wordt zorg gedragen door het moederdepartement. Het moederdepartement verstrekt gedurende het jaar voorschotten aan de Rijksgebouwendienst en op basis van de definitieve realisatiecijfers worden de kosten het jaar daarop afgerekend. Het verschil tussen de voorschotten en de realisatie (€ 2,1 mln.) wordt afgerekend met het moederdepartement. De kosten en opbrengsten zijn per saldo aan elkaar gelijk.

Omzet derden

De opbrengsten van derden betreffen de huuropbrengsten die de Rijksgebouwendienst via het RVOB ontvangt. Onder deze post vallen tevens de opbrengsten uit de exploitatie van de bijzondere objecten (parkeergarages en de grafelijke zalen).

Vrijval voorzieningen

Er zijn vier posten vrijgevallen voor een bedrag van € 12,0 mln. De vrijval is grotendeels het gevolg van nadere financieringsafspraken met de gebruiker.

Specificatie rentebaten

(bedragen x € 1.000)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Begroting 2013

Rentebaten rekening-courant RHB

0

267

0

Rentebaten projecten

1.273

517

0

Overige rentebaten

225

213

0

Totaal

1.498

997

0

Het rentepercentage op de rekening-courant RHB is nagenoeg nihil. Rentebaten projecten betreffen rentebaten op à fonds perdu projecten. Tegenover deze baten staan lasten voor de Rijksgebouwendienst als gevolg van voorfinanciering tijdens de realisatiefase.

Specificatie overige baten

(bedragen x € 1.000)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Begroting 2013

Boekwinstverkoop onroerend goed

0

11.671

0

Resultaat op investeringsprojecten

1.523

0

0

Resultaat op nazorg

2.562

6.465

0

Baten voorgaande boekjaren

7.530

11.788

0

Diverse overige baten

2.982

4.773

13.130

Totaal

14.597

34.697

13.130

De post diverse overige baten betreffen de opbrengsten uit de bestemmingsreserve ten behoeve van apparaats- en onderhoudskosten brandveiligheid ad € 3,3 mln. Daarnaast is sprake van boeterente bij de voortijdige afkoop van leaseovereenkomsten die door de gebruiker aan de Rijksgebouwendienst is vergoed (€ 1,5 mln.), dit is als buitengewone bate verantwoord. De bijbehorende kosten worden bij de overige lasten gepresenteerd.

Apparaatskosten

Deze post omvat alle apparaatskosten, die niet zijn toegerekend aan de overige producten, huisvestingsprojecten, adviezen, services en beleid) en die gedekt dienen te worden uit 1-opslag Gebruiksvergoeding. De apparaatskosten zijn de kosten voor intern en extern personeel plus de materiële kosten, zoals eigen huisvestingskosten en ICT-kosten.

Specificatie apparaatskosten

(bedragen x € 1.000)

 

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Begroting 2013

Totaal (bruto)kosten Personeel

 

83.385

81.919

82.442

Totaal (bruto)kosten Materieel

+/+

36.688

28.897

33.040

Totale personele en materiële kosten

 

120.073

110.816

115.482

Correctie Technisch Advies

-/-

1.700

0

0

Apparaatskosten (bruto)

 

118.373

110.816

115.482

         

Totaal toegerekend aan overige producten

-/-

41.833

42.285

45.000

Totaal apparaatskosten (= netto)

 

76.540

68.531

70.482

De gerealiseerde bruto apparaatskosten 2013 liggen € 4,7 mln. lager dan begroot, het betreft voornamelijk lagere materiële kosten dan oorspronkelijk geraamd.

Huren

Het betreft hier de huren die de Rijksgebouwendienst aan de markt betaalt. De realisatie is lager dan oorspronkelijk geraamd, door de daling van de voorraad huurpanden in 2012 en 2013. Deze daling was nog niet in deze mate in de begrotingsraming verwerkt.

Rentelasten

Onder deze post worden de rentekosten van de rentedragende leningen en (eventuele) debetrente van de rekening courant RHB verantwoord. De rentelasten in 2013 bedragen € 282,2 mln. De realisatie is lager dan de oorspronkelijke raming als gevolg van de lage actuele rentepercentages.

Afschrijvingen

Onder deze post worden de afschrijvingskosten voor materiële vaste activa (gebouwen, inclusief inbouwpakketten en bedrijfsmiddelen) verantwoord. De begrotingsraming is gebaseerd op de geplande opleveringen in de totale projectenportefeuille en de daadwerkelijke realisatie is afhankelijk van de werkelijke opleveringen en activeringen.

Onderhoud

Onder deze post vallen dagelijks onderhoud, planmatig onderhoud, het beheer van monumenten en bijzondere objecten.

Voorzieningen

Deze post bestaat enerzijds uit dotaties aan de voorzieningen (ad € 33,3 mln.) en anderzijds uit vrijval van voorzieningen (ad € 12,3 mln.). Een specifieke toelichting op de dotatie of de vrijval is terug te vinden bij de toelichting op de balans bij de betreffende voorziening.

Belastingen

Het betreft hier het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting (OZB) over de verhuurde voorraad onroerend goed. De OZB is afgedragen aan het RVOB.

Investeringen buiten gebruiksvergoedingen

Onder deze post zijn investeringen opgenomen die niet leiden tot een (aanpassing van de) gebruiksvergoeding. Het betreft hier kleinere projecten voor ministeries en het energiebesparingsprogramma rijkshuisvesting. Kleine projecten voor ministeries betreffen de integrale kosten van de door de Rijksgebouwendienst uitgevoerde kleine, à fonds perdu gefinancierde, projecten voor ministeries alsmede à fonds perdu bijdragen aan investeringsprojecten. Het betreft hier over het algemeen (ver)bouwactiviteiten van relatief geringe financiële omvang.

PPS-Lasten

De PPS-lasten omvatten de totale vergoeding, die de Rijksgebouwendienst uit hoofde van DBFMO-contracten verschuldigd is aan consortia, gecorrigeerd voor de aflossingscomponent van de langlopende schuld (indien van toepassing).

Services

De post services betreft de integrale kosten (inclusief apparaatskosten) voor werkzaamheden, die volgens de Regeling Taakverdeling Beheer tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar op verzoek van de afnemers door de Rgd worden verricht en overige services. Hieronder valt ook het facilitymanagement. De service projecten komen pas in het uitvoeringsjaar in beeld en de totale omvang fluctueert jaarlijks.

Adviezen

De Rijksgebouwendienst levert op verzoek van de gebruikers niet-projectgebonden adviezen. De kosten betreffen zowel de interne als externe kosten. De adviesvraag van klanten aan de Rijksgebouwendienst fluctueert over de jaren heen.

Beleidsondersteuning

Onder deze post zijn opgenomen de door het moederdepartement gefinancierde kosten voor beleidsondersteuning.

Specificatie overige lasten

(Bedragen x € 1.000)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Begroting 2013

Boekwaardecorrecties

47.861

67.138

6.565

Afstootkosten onroerend goed

1.001

1.198

0

Resultaat op inversteringsprojecten

8.396

2.593

2.020

Lasten voorgaande boekjaren

3.670

1.403

0

Inflatieresultaat

2.115

0

0

Diverse overige lasten

11.430

13.395

18.685

Totaal

74.473

85.727

27.270

De diverse overige lasten betreffen:

  • kostprijs brandveiligheid € 3,3 mln.

  • buitengewone lasten € 2,8 mln.

  • bouwkundig ruimtelijk tekenwerk € 5,1 mln.

  • afkoop boete huur € 2,2 mln.

Toelichting op het resultaat

In de onderstaande tabel is het resultaat van de Rijksgebouwendienst gepresenteerd op productniveau.

Specificatie resultaat 2013 per product

(Bedragen x € 1.000)

Baten

Lasten

Resultaat

Huisvesting

1.381.032

1.368.930

12.102

Services

39.831

37.860

1.971

Adviezen

11.631

11.631

0

Beleidsondersteuning

5.326

5.326

0

Totaal

1.437.820

1.423.747

14.073

Binnen het product huisvesting is sprake van een categorie die vanuit de tarieven (gebruiksvergoeding, à fonds perdu) gefinancierd wordt, de grootste posten betreffen rente & afschrijving, huren uit de markt, 1-opslag en investeringen buiten de gebruiksvergoeding. Daarnaast is sprake van een component die geen onderdeel uitmaakt van de tarieven (bijvoorbeeld boekwaardecorrecties en dotaties aan voorzieningen). In de eerste categorie is sprake van een positief resultaat (€ 84,1 mln.), terwijl in de tweede sprake is van een negatief resultaat van € 70,9 mln. (met name boekwaardecorrecties € 67,1 mln., vrijval/dotaties aan voorzieningen per saldo € 20,9 mln. negatief, projectresultaten en afstootresultaten per saldo € 10,5 mln. positief).

Balans per 31 december 2013

Balans per 31 december 2013 (bedragen x € 1.000)
 

Balans 2013

Balans 2012

Activa

   

Immateriële activa

   

Materiële activa

5.864.741

6.340.764

– grond en gebouwen

5.680.551

6.167.045

– onderhanden huisvestingsprojecten (leenfaciliteit)

184.167

173.682

– inventaris en overige bedrijfsmiddelen

23

37

Financiële vaste activa

988.070

1.032.647

– Egalisatiereserve

598.785

674.158

– PPS en Afkopen BTW

389.285

358.489

Vlottende activa

134.468

121.736

– onderhanden werk services, adviezen en overig

46.273

40.731

– debiteuren en overige vorderingen

67.551

62.297

– uitsplitsing debiteuren

   

moederdepartement

2.858

 

overige departementen

25.733

 

externe partijen (incl. musea)

24.610

 

– overlopende activa

20.644

18.708

Liquide middelen

128.463

357.398

– bank/kas

0

0

– in bewaring genomen gelden NRA

 

11.034

– RHB

128.463

346.364

Totaal activa

7.115.742

7.852.545

     

Passiva

   

Eigen Vermogen

135.272

124.499

– exploitatiereserve

54.516

76.337

– bestemmingsreserves

66.683

69.983

– onverdeeld resultaat

14.073

– 21.821

Voorzieningen

81.155

70.461

– asbestverontreiniging

38.841

26.902

– herstel onderhoud

35.630

36.215

– overig

6.684

7.344

Langlopende schulden

6.133.563

6.702.288

– leenfaciliteit Financiën

5.742.593

6.343.383

– overige langlopende schulden

390.970

358.905

Kortlopende schulden

765.752

955.297

– nazorgbudgetten

29.882

72.604

– crediteuren

23.112

31.089

– uitsplitsing crediteuren

   

moederdepartement

192

 

overige departementen

135

 

externe partijen

22.785

 

– overige schulden en overlopende passiva

195.082

331.683

overlopende passiva zijnde nog te ontvangen facturen

32.573

 

moederdepartement

3.144

 

overige departementen

15

 

externe partijen

29.413

 

– kortlopend deel langlopende schulden

517.676

519.921

Totaal passiva

7.115.742

7.852.545

Materiële Vaste Activa

De regionale masterplannen kantoorhuisvesting zijn in 2013 door de Minister voor Wonen en Rijksdienst goedgekeurd en vastgesteld. Daarmee is ook bekend welke panden in de voorraad op basis van die plannen overtollig worden. Op basis van waardebepalingen (door RVOB en externe taxateurs) is de verwachte opbrengstwaarde bepaald en is indien noodzakelijk overgegaan tot afwaardering van de voorraad.

De versobering van het gevangeniswezen is vormgegeven in het Masterplan DJI. Naar aanleiding van kritiek op het eerste Masterplan DJI, heeft Staatssecretaris Teeven op 19 juni 2013 een aangepast Masterplan naar de Tweede Kamer gestuurd. Op 24 april 2013 is een kaderovereenkomst getekend door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Rijksgebouwendienst. In deze overeenkomst zijn de financiële consequenties van Masterplan DJI uitgewerkt. De restboekwaardes worden door de DJI aan de Rijksgebouwendienst vergoed. Pas bij sluiting van een penitentiaire inrichting en na instemming van DJI op de individuele afkoopbrieven wordt overgegaan tot facturatie. In 2013 heeft voor 16 complexen de financiële afwikkeling plaatsgevonden. De boekwaarde van die complexen is hierna nihil.

Egalisatierekening

Het gebruik van de egalisatierekening is verbonden met de regeling Rekenmethodiek Rijksgebouwendienst (RMR).

De gebruiksvergoeding voor rente en afschrijving wordt bij aanvang zodanig vastgesteld dat gedurende de contractperiode de netto contante waarden van de kosten en de opbrengsten elkaar dekken. Hierbij wordt bij de berekening van de gebruiksvergoeding uitgegaan van een verwachte inflatie. Voor de departementen leidt dit over de gehele periode tot een vaste gebruiksvergoeding, die uitsluitend door de stijging van het prijsindexcijfer wordt beïnvloed.

De totale kosten van rente en afschrijvingen dalen over de jaren. Het verschil tussen kosten en opbrengsten wordt jaarlijks op contractniveau geëgaliseerd en in de balans tot uitdrukking gebracht in een langlopende afdwingbare vordering op de gebruikers van de objecten. De vordering wordt over de totale contractperiode geneutraliseerd en is bij afloop van het contract nihil. Bij vroegtijdige contractontbinding wordt de opgebouwde vordering (= egalisatie) door de klant afgekocht.

Er wordt geen egalisatieberekening meer toegepast op verhuurcontracten die niet zijn herberekend bij verlenging per 1-1-2013 (bevriezing gebruiksvergoeding).

Egalisatierekening

(Bedragen x € 1.000)

   

Saldo per 1 januari 2013

   

Egalisatie afschrijvingskosten

282.415

 

Egalisatie rentekosten

391.743

 
   

674.158

Mutaties

   

Egalisatie afschrijvingskosten

– 20.526

 

Egalisatie rentekosten

– 23.912

 

Afgekochte egalisatie afschrijvingskosten

– 13.696

 

Afgekochte egalisatie rentekosten

– 17.239

 
   

– 75.373

Saldo per 31 december 2013

   

Egalisatie afschrijvingskosten

248.193

 

Egalisatie rentekosten

350.592

 

Saldo per 31 december 2013

 

598.785

Vorderingen PPS

De Regeling Agentschappen 2013 is van toepassing bij de Rijksgebouwendienst. Deze Regeling zou door artikel 17 lid 9 voor de Rijksgebouwendienst tot gevolg hebben dat een ongelijksoortige behandeling van PPS-projecten zou ontstaan. Het Ministerie van Financiën heeft toestemming verleend om de huidige verwerkingswijze van de PPS-projecten te handhaven en deze worden als financieel vast actief op de balans opgenomen.

PPS Contracten

(Bedragen x € 1.000)

     

Saldo per 1 januari 2013

   

364.522

       

Mutaties

     

Oprenting

+/+

19.579

 

Betalingen

-/-

29.620

 

Correctie

+/+

43.858

 
     

33.817

Saldo per 31 december 2013

   

398.339

Toelichting PPS Contracten

(Bedragen x € 1.000)

     

Kortlopend deel

   

11.905

Langlopend deel

   

386.434

Saldo per 31 december 2013

   

398.339

In 2013 is geen nieuw PPS-project opgeleverd waarbij activering noodzakelijk is. De vorderingen omvatten de geïndexeerde renovatiekosten respectievelijk bouwkosten van een in publiek, privaat samenwerking (PPS) uitgevoerd project. Tegenover deze vorderingen staat een zelfde bedrag aan schulden aan de consortia in verband met de design, build, finance maintain and operate (DBFMO)-contracten die ten behoeve van deze projecten zijn afgesloten.

Afkoop BTW

(Bedragen x € 1.000)

     

Saldo per 1 januari 2013

   

5.234

       

Mutaties

     

Afname

-/-

1.533

 

Afgekochte BTW

+/+

0

 
     

– 1.533

Saldo per 31 december 2013

   

3.681

Toelichting Afkoop BTW

(Bedragen x € 1.000)

     

Kortlopend deel

   

830

Langlopend deel

   

2.851

Saldo per 31 december 2013

   

3.681

Activering van afgekochte BTW vindt plaats op basis van goedkeuring van het Ministerie van Financiën. De afkopen worden opgenomen in de gebruiksvergoeding.

In 2013 hebben zich geen BTW afkopen voorgedaan waarvoor een beroep is gedaan op de leenfaciliteit voor financiering met activering als gevolg. Door DJI is één contract afgekocht.

Overzicht vermogensontwikkeling 2013
excl. bestemmingsreserves

(Bedragen x € 1.000)

 

Saldo per 1 januari 2013

124.499

Correctie bestemmingsreserves

– 69.983

Bijdrage door het moederdepartement

0

Uitkering aan het moederdepartement

0

Exploitatiereserve

54.516

Saldo van baten en lasten

14.073

Rgd eigen vermogen ultimo 2013 t.b.v. normering eigen vermogen

68.589

Uit voorgaande opstelling blijkt dat het vermogen van de Rijksgebouwendienst per 31-12-2013 binnen de bandbreedte van het toegestane eigen vermogen blijft.

Voorzieningen

Een voorziening wordt opgenomen indien:

  • de Rijksgebouwendienst een bestaande verplichting heeft ten gevolge van een gebeurtenis in het verleden;

  • het waarschijnlijk is dat voor de afwikkeling van die verplichting een uitstroom van middelen noodzakelijk is;

  • een betrouwbare schatting kan worden gemaakt van de omvang van de verplichting.

Overzicht voorzieningen per 31 december 2013

(Bedragen x € 1.000)

Stand 01-01-2013

Onttrekking

Dotatie

Vrijval

Stand 31-12-2013

Asbestverontreiniging

26.902

– 3.308

15.375

– 128

38.841

Wachtgelden en FPU uitk.

1.322

– 604

214

0

932

Bodemsanering

4.588

– 56

0

0

4.532

Verlieslatende contracten

1.399

– 179

0

0

1.220

Herstel onderhoud

36.215

– 6.279

17.743

– 12.049

35.630

Geschillen en rechtsgedingen

35

– 35

0

0

0

Totaal

70.461

– 10.461

33.332

– 12.177

81.155

Niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen bestaan uit

Post

Omschrijving

Bedrag

Markthuren

De totale nominale betalingsverplichting voor de gehele contractsduur, die voortvloeit uit panden welke zijn gehuurd uit de markt.

looptijd < 1 jaar € 10,1 mln.

looptijd > 1 ≤ 5 jaar € 455,1 mln.

looptijd > 5 jaar € 1.332,7 mln.

Geïntegreerde contracten (PPS)

De waarderingsgrondslag voor de niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen in het jaarverslag 2013 is identiek aan de gevolgde systematiek in voorgaande jaren.

 
 

Er zijn per 31 december 2013 2 nieuwe DBFMO contracten waar financial close heeft plaatsgevonden, waarvan de oplevering in 2016 wordt verwacht.

 
 

– PI Zaanstad

– Nieuwbouw Hoge Raad (Den Haag)

€ 474,0 mln.

€ 223,7 mln.

 

Opgeleverde DBFMO-contracten waarbij sprake is van een financiële verplichting m.b.t. onderhoud en facilitaire diensten (4 contracten)

€ 510,6 mln.

PPS contract zonder eigendom

Opgeleverd DBFMO-contract zonder eigendom (1 contract)

€ 44,3 mln.

Maincontracting

De verplichting voor de gehele contractsduur:

€ 8,4 mln.

Asbest

Bij één object is er nog onzekerheid over de kosten voor het saneren van asbest. Momenteel wordt een inventarisatie gedaan.

Ca. € 9,0 mln.

Projecten

De verplichting is gelijk gesteld aan de geraamde betalingen in 2014 en volgende jaren ten behoeve van de projecten in projectadministratie.

€ 442,4 mln.

Verplichting afdracht eigen vermogen boven € 130 mln.

De Rijksgebouwendienst draagt het eigen vermogen af voor zover dit het genormeerd eigen vermogen van maximaal € 130 miljoen overstijgt dan wel voegt dit toe aan de bestemmingsreserves.

Het positieve resultaat ad € 14,1 mln. wordt aan de exploitatiereserve toegevoegd. Er is geen sprake van overschrijding van het toegestane maximum eigen vermogen.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht over 2013 (bedragen x € 1.000)
   

Oorspronkelijk vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting (3)=(2)-(1)

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2013 + stand depositorekeningen

331.499

357.398

25.899

2.

Totaal operationele kasstroom

379.624

394.270

14.646

3a.

Totaal investeringen (-/-)

– 425.000

– 155.158

269.842

3b.

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

97.157

136.559

39.402

3.

Totaal investeringskasstroom

– 327.843

– 18.599

309.244

4a.

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

4b.

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

4c.

Aflossingen op leningen (-/-)

– 496.560

– 745.247

– 248.687

4d.

Beroep op leenfaciliteit (+)

425.000

140.642

– 284.358

4.

Totaal financieringskasstroom

– 71.560

– 604.605

– 533.045

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2013 + stand depositorekeningen (1+2+3+4) (maximale roodstand 0,5 miljoen €)

311.720

128.463

– 183.256

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen in de verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en op welke wijze gebruik is gemaakt van deze middelen. Aan de hand van het kasstroomoverzicht worden de kapitaaluitgaven en -ontvangsten toegelicht. In dit model vormen de posten 3a, 4a en 4c de kapitaaluitgaven, terwijl de posten 3b, 4b en 4d de kapitaalontvangsten vormen.

Operationele kasstroom

Bij het bepalen van de operationele kasstroom is uitgegaan van het saldo van baten en lasten, dat is gecorrigeerd voor de afschrijvingen en de mutaties in de balansposten egalisatie, voorzieningen en kortlopende activa en passiva en langlopende activa en passiva, voor zover dit niet betreft de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom bestaat uit het saldo van investeringen en (boekwaarde van de) desinvesteringen. De afwijking ten opzichte van de begroting is het gevolg van lagere investeringen en dientengevolge een lager kasberoep, dit is bij de 2e suppletoire begroting als mutatie verwerkt.

Financieringskasstroom

De aflossingen op leningen bestaan uit de aflossing op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën (€ 745 mln.). Alleen voor de investeringen in huisvestingsprojecten en voor de terugbetaling van de voorfinancieringen wordt een beroep op de leenfaciliteit gedaan. De afwijking ten opzichte van de begroting wordt verklaard door extra aflossingen (€ 266 mln.) en een lager beroep op de leenfaciliteit, verwerkt in de 2e suppletoire begroting.

Doelmatigheidsindicatoren

Producten en diensten

2010

2011

2012

Streefwaarde 2013

Realisatie 2013

Omzet product huisvesting * € 1.000

1.246.328

1.365.730

1.387.719

1.308.652

1.381.032

Omzet product adviezen * € 1.000

5.801

8.819

10.422

8.080

11.631

Omzet product services * € 1.000

59.100

45.996

49.227

46.220

39.831

           

Saldo van baten en lasten * € 1.000

2.334

– 53.633

– 21.821

– 8.488

14.073

Saldo van baten en lasten (%)

0,2

– 3,8

– 1,5

– 0,6

1,2

           

Huisvestingsvoorraad in mln m2 BVO

7.144

7.068

7.013

6.691

6.859

waarvan verhuurd

 

6.717

6.460

6.209

6.153

Leegstand voor rekening Rgd

3,8%

4,8%

5,3%

7,2%

6,3%

ITK

2,32

2,21

2,29

2,1 – 2,8

2,32

           

Bedrijfsvoering

         

Gemiddelde bezetting fte's

927

873

794

770

766

Gemiddelde loonkosten * € 1

74.816

75.864

77.668

n.v.t.

80.270

Bruto Apparaat/omzet

9,9%

9,1%

8,1%

8,2%

7,7%

Leegstand

De leegstand voor rekening van de Rijksgebouwendienst (6,3%) is lager dan begroot (7,2%), omdat de masterplannen voor de herhuisvesting van het Rijk minder snel dan voorzien tot uitvoering zijn gekomen.

ITK

De indicator technische kwaliteit (ITK) geeft in een cijfer de technische kwaliteit van de vastgoedportefeuille weer op een bepaald tijdstip. Het cijfer loopt van 1 (nieuwbouw) tot 6 (zeer slecht). De ITK is een gewogen gemiddelde van de technische condities van alle gebouwelementen. Deze technische condities worden bepaald door inspecties. De ITK in 2013 is 2,32 en voldoet aan de doelstelling doordat deze tussen de 2,1 en 2,8 blijft.

Bezetting in fte’s

De gemiddelde bezetting over 2013 was 766 fte. De werkelijke bezetting per 31 december 2013 bedroeg 750 fte.

Gemiddelde loonkosten

Onder de loonkosten ambtelijk personeel vallen de salarissen, inclusief aanspraken op vakantiegeld en eindejaarsuitkering, alsmede incidentele beloningen. De stijging van de gemiddelde loonkosten is met name het gevolg van uitgekeerde stimuleringspremies in het kader van sociaal flankerend beleid in 2013.

Apparaatsindicator bruto apparaat/omzet

De apparaatsindicator continueert een dalende lijn en geeft daarmee een indicatie van een toenemende efficiency. De omzet is nagenoeg gelijk aan het voorgaande jaar terwijl sprake is van een reductie van de apparaatskosten.

Licence