Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

11. STUDIEFINANCIERING

Artikel

Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (vanaf 18 jaar) de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren: De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd: er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering door de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren over studiefinanciering wordt verwezen naar Trends in Beeld.

Beleidsconclusies

Zie ook het beleidsverslag 2015.

In januari 2015 is de Wet studievoorschot hoger onderwijs aangenomen door de Eerste Kamer; deze trad vervolgens per 1 september 2015 in werking. Vanaf dat moment hebben nieuwe studenten in het hoger onderwijs niet langer recht op een basisbeurs, maar kunnen zij gebruik maken van het studievoorschot: een lening bij de overheid onder sociale voorwaarden en een lage rente. Terugbetalen mag in 35 jaar, en oud-studenten hoeven slechts 4% van hun inkomen boven het minimumloon in te zetten voor aflossing. Bij een inkomen onder het wettelijk minimumloon, hoeft de oud-student niet af te lossen.

Het studentenreisproduct, de eenoudertoeslag en de aanvullende beurs voor studenten van minder draagkrachtige ouders blijven wel bestaan. De aanvullende beurs wordt daarbij verhoogd met € 130 maximaal per maand. Zo is verzekerd dat iedereen die wil studeren, ook in staat is om te studeren.

Door deze maatregelen komt er geld vrij op de begroting om te investeren in de toegankelijkheid en kwaliteit van het hoger onderwijs en aan hoger onderwijs gerelateerd onderzoek.

Afgesproken is dat vanaf 1 januari 2017 ook minderjarige deelnemers aan het mbo recht krijgen op de OV-studentenreisvoorziening.

Het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS) omvat de integrale vernieuwing van de uitvoering van de studiefinanciering bij de Dienst Uitvoering Onderwijs en zorgt voor een toekomstvaste en efficiëntere uitvoering. PVS is begin 2015, vanwege de invoering van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, herijkt zodat het programma ook kan voorzien in de structurele uitvoering van deze wet. De kosten en looptijd van PVS zijn hierdoor gewijzigd en PVS is naar verwachting eind 2016/begin 2017 afgerond. In 2015 heeft PVS belangrijke mijlpalen bereikt, inclusief de livegang van een aantal nieuwe ICT-systemen.

In lijn met de rijksbrede aanpak van fraude zijn voor enkele specifieke onderdelen van de studiefinanciering aanvullende maatregelen getroffen om fraude en misbruik krachtig tegen te gaan. De handhaving is met name versterkt ten aanzien van buitenlandse studenten die in Nederland komen studeren en Nederlandse (ex-)studenten die naar het buitenland vertrekken en studenten met een eenoudertoeslag. Het betreft verbetering van de voorlichting, een investering in fraudedetectie en uitbreiding van al bestaande maatregelen (controles en invordering).

Op grond van de Wet studiefinanciering 2000 komen studerenden in aanmerking voor een extra beurs in geval ze uitwonend zijn. Met de invoering van het studievoorschot geldt dit vanaf 1 september 2015 niet meer voor nieuwe ingeschrevenen in het hoger onderwijs.

Om misbruik met de uitwonendenbeurs te voorkómen en straffer aan te pakken, worden sinds 2012 extra preventieve en repressieve maatregelen genomen. In 2015 zijn circa 3.000 uitwonende studenten met een hoog misbruikrisico op het BRP-adres gecontroleerd. In bijna de helft van de geselecteerde gevallen – 48%, ongeveer gelijk aan de bevindingen uit 2014 – is vastgesteld (voor bezwaar en beroep) dat de studerende niet op het in de BRP geregistreerde adres woonachtig was. Het resterende misbruikrisico uitwonendenbeurs wordt geschat op een jaarlijks bedrag tussen de € 12 en € 22 miljoen (in 2010 nog tussen de € 40 en € 55 miljoen). Het gevoerde beleid is daarmee zeer succesvol. De verwachting is dat het risico de komende jaren nog verder zal afnemen als gevolg van de voortzetting van de controles en mede door het vervallen van het onderscheid tussen uit- en thuiswonenden onder het studievoorschot.

In 2015 is de integrale controle afgerond op de studerenden, die in 2014 een toekenning eenoudertoeslag hebben gehad. Het beleid is succesvol geweest: de onterechte toekenningen zijn inmiddels stopgezet en zoveel als mogelijk met terugwerkende kracht gecorrigeerd. In totaal is voor € 7,3 miljoen aan toekenningen teruggevorderd en ontvangen, waarvan € 5 miljoen in 2015.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (bedragen x € 1.000)
           

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

   

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

Verplichtingen

4.131.887

3.807.055

4.150.351

4.846.345

4.367.687

4.246.402

121.285

Uitgaven

4.131.887

3.807.055

4.150.351

4.846.345

4.367.687

4.246.402

121.285

                   

Inkomensoverdracht

2.688.924

2.270.346

2.446.647

3.011.892

2.261.813

2.214.066

47.747

Basisbeurs

1.041.952

1.176.404

1.226.945

1.363.422

1.307.103

1.224.947

82.156

 

Gift (R)

873.052

915.853

1.001.245

989.938

1.045.073

1.053.070

– 7.997

 

Prestatiebeurs (NR)

168.900

260.551

225.700

373.484

262.030

171.877

90.153

Aanvullende beurs

583.500

612.222

616.913

683.797

736.390

690.044

46.346

 

Gift (R)

489.800

499.865

528.140

537.091

579.340

579.416

– 76

 

Prestatiebeurs (NR)

93.700

112.357

88.774

146.706

157.051

110.628

46.423

Reisvoorziening

 

803.237

292.937

450.303

819.053

167.521

135.506

32.015

 

Bijdrage aan vervoersbedrijven (R)

996.331

539.319

681.165

1.124.222

384.717

414.922

– 30.205

 

Gift (R)

463.234

497.253

541.148

521.861

594.044

577.661

16.383

 

Prestatiebeurs (R)

– 656.328

– 743.635

– 772.010

– 827.030

– 811.239

– 857.077

45.838

Overige uitgaven

260.235

188.783

152.485

145.620

50.798

163.569

– 112.771

 

Overige uitgaven relevant (R)

69.108

96.589

100.891

170.521

97.552

115.113

– 17.561

 

Caribisch Nederland (R)

1.340

1.868

2.809

2.129

3.013

2.129

884

 

Overige uitgaven niet-relevant (NR)

189.787

90.326

48.785

– 27.030

– 49.767

46.327

– 96.094

                   

Leningen

1.354.449

1.423.416

1.576.661

1.713.785

1.974.217

1.913.040

61.176

 

Rentedragende lening (NR)

1.252.579

1.300.675

1.434.492

1.551.003

1.771.421

1.723.876

47.545

 

Collegegeldkrediet (NR)

101.870

122.741

142.169

162.782

202.796

189.164

13.632

                 

Bijdrage aan agentschappen

88.514

113.293

127.043

120.668

131.657

119.296

12.361

 

Dienst Uitvoering Onderwijs (R)

88.514

113.293

127.043

120.668

131.657

119.296

12.361

Ontvangsten

662.979

694.980

737.384

751.400

764.976

804.481

– 39.505

 

Ontvangen rente en relevante hoofdsom (R)

240.832

234.426

213.912

186.151

154.920

236.592

– 81.672

 

Kortlopende vorderingen (R)

61.536

76.206

105.077

96.423

92.801

88.329

4.472

Terugontvangen hoofdsom (NR)

360.611

384.348

418.395

468.826

517.254

479.560

37.694

N.B.: Verschillen in de optellingen van (sub)totalen worden veroorzaakt door afrondingsverschillen.

Tabel 11.2 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en Niet-relevant (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

Totaal programma-uitgaven

4.131.887

3.807.055

4.150.351

4.846.345

4.367.687

4.246.402

121.285

Relevante uitgaven:

2.325.051

1.920.405

2.210.431

2.639.400

2.024.156

2.004.530

19.626

Niet-relevante uitgaven:

1.806.836

1.886.650

1.939.920

2.206.945

2.343.531

2.241.872

101.659

Totaal ontvangsten

662.979

694.980

737.384

751.400

764.976

804.481

– 39.506

Relevante ontvangsten:

302.368

310.632

318.989

282.574

247.722

324.921

– 77.199

Niet-relevante ontvangsten:

360.611

384.348

418.395

468.826

517.254

479.560

37.694

Toelichting op de financiële instrumenten

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenkader. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door de studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na behalen diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeurs (zolang die nog niet is omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenkader, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld.

De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

Het verschil tussen de oorspronkelijke begroting en de uitgavenrealisatie in 2015 is € 121,3 miljoen, waarvan € 19,6 miljoen relevant en € 101,7 miljoen niet-relevant.

Het verschil tussen de oorspronkelijke begroting en de ontvangstenrealisatie in 2015 is – € 39,5 miljoen, waarvan – € 77,2 miljoen relevant en € 37,7 miljoen niet-relevant.

De verschillen tussen de begrotingsramingen en de realisaties 2015 worden hierna bij de instrumenten toegelicht.

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Een basisbeurs is een algemene voorziening die er toe bijdraagt dat studenten in het hoger onderwijs (ho) en deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg (bol) financieel in staat worden gesteld om onderwijs te volgen in Nederland en daarbuiten.

Tabel 11.3 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

Studerenden met een basisbeurs

618.730

629.184

645.065

665.088

630.872

647.900

– 17.028

bol

220.271

223.172

229.484

237.993

238.947

247.000

– 8.053

hbo

266.876

271.003

277.294

283.878

265.655

274.000

– 8.345

wo

131.583

135.009

138.287

143.217

126.270

126.900

– 630

Alleen (nul)lening

99.020

101.745

104.322

109.981

153.663

140.900

12.763

bol

2.146

4.632

5.409

6.235

6.975

5.800

1.175

hbo

43.151

44.706

48.277

52.994

75.663

69.300

6.363

wo

53.723

52.407

50.636

50.752

71.025

65.800

5.225

Totaal

717.750

730.929

749.387

775.069

784.535

788.800

– 4.265

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Uit de realisatiecijfers blijkt dat het totaal aantal studerenden met studiefinanciering in 2015 iets lager is dan geraamd, namelijk 4.265 studenten. In de tabel zijn studenten die te maken hebben met het studievoorschot opgenomen in de categorie «alleen (nul)lening», omdat zij geen basisbeurs ontvangen. Deze categorie bevat ook studerenden die hun recht op basisbeurs reeds hebben verbruikt. Het totaal aantal studenten bij de bol is lager dan was geraamd. Bij het hbo is in de realisatie ten opzichte van de raming vooral een schuif zichtbaar van aantallen met basisbeurs naar aantallen met alleen een (nul)lening en is het totale aantal iets lager. Bij het wo is het totaal aantal studerenden wat hoger, wat zich vooral uit in het aantal met (nul)lening.

Tabel 11.4 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

bol direct gift (bol 1/2 en 3/4 met diploma)

112,5

107,0

110,6

115,6

103,2

129,3

– 26,1

bol omzettingen prestatiebeurs in gift

159,2

173,8

187,2

201,3

209,5

207,4

2,1

ho direct gift (ho met diploma)

3,5

4,9

2,9

2,7

2,4

5,0

– 2,6

ho omzettingen prestatiebeurs in gift

597,8

630,1

700,5

670,3

730,0

711,4

18,6

Totaal

873,1

915,9

1.001,2

989,9

1.045,1

1.053,1

– 8,0

Bron: realisatiegegevens DUO

Tabel 11.5 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

bol toekenningen

222,0

222,5

234,2

251,8

256,7

261,0

– 4,3

bol omzettingen

– 158,5

– 173,0

– 187,2

– 200,1

– 208,0

– 226,9

18,9

ho toekenningen

873,0

884,5

925,6

977,9

933,7

932,1

1,6

ho omzettingen

– 767,7

– 673,5

– 746,9

– 656,1

– 720,4

– 794,3

73,9

Totaal

168,9

260,6

225,7

373,5

262,0

171,9

90,1

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

In de beroepsopleidende leerweg (bol) is in 2015 per saldo € 30,4 miljoen (€ 26,1 miljoen en € 4,3 miljoen) minder aan basisbeurs uitbetaald dan geraamd. De € 26,1 miljoen lagere uitgaven worden voornamelijk veroorzaakt door het lagere studentenaantal bol niveau 1/2. Ook is het aantal eenoudertoeslagen, die qua bedrag ook onder basisbeursbedragen vallen, voor deze groep wat lager dan geraamd. Er is € 4,3 miljoen minder aan basisbeurs als prestatiebeurs in de bol toegekend dan geraamd.

In 2015 is per saldo € 2,1 miljoen meer basisbeurs prestatiebeurs bol in gift of definitieve lening omgezet dan geraamd.

In het ho is ten opzichte van de raming € 18,6 miljoen meer basisbeurs omgezet in gift, waarvan € 14,6 miljoen bij het hbo.

De toekenningen als gift van basisbeurzen aan ho-studenten die al een diploma hebben zijn € 2,6 miljoen lager dan geraamd.

In 2014 is DUO een andere boekingsmethode gaan hanteren bij het registreren van omzettingen van prestatiebeurs naar gift en rentedragende leningen. Deze andere boekingsmethode resulteert op deze post, namelijk de omzettingen prestatiebeurs ho, in hogere niet-relevante uitgaven van € 73,9 miljoen. Deze gewijzigde boekingsmethode was nog niet verwerkt in de begrotingsraming 2015. Dit boekhoudkundige effect treedt ook elders op, zie de tabellen 11.8 en 11.11.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de investering in hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde veronderstelde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studerenden een extra financiële belemmering te overwinnen. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Tabel 11.6 Totaal aantal studerenden met aanvullende beurs
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

bol

102.301

103.469

106.760

112.519

115.390

114.500

890

hbo

81.252

81.821

82.873

85.600

88.881

87.400

1.481

wo

25.785

26.133

26.765

28.077

29.202

27.300

1.902

Totaal

209.338

211.423

216.398

226.196

233.473

229.200

4.273

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Het aantal verstrekte aanvullende beurzen is in 2015, met name bij het hoger onderwijs, wat hoger uitgekomen dan geraamd.

Tabel 11.7 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

bol direct gift

113,6

117,0

219,1

232,4

239,8

247,6

– 7,8

bol omzettingen prestatiebeurs in gift

198,7

209,2

121,2

130,9

135,4

130,6

4,8

ho direct gift

36,8

35,0

34,7

36,5

48,1

52,3

– 4,2

ho omzettingen prestatiebeurs in gift

140,7

138,6

153,1

137,3

156,0

149,0

7,1

Totaal

489,8

499,9

528,1

537,1

579,3

579,4

– 0,1

Bron: realisatiegegevens DUO

Tabel 11.8 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

bol toekenningen

137,7

145,5

146,7

158,2

167,7

163,7

4,0

bol omzettingen

– 103,2

– 110,9

– 121,2

– 128,2

– 132,8

– 141,0

8,2

ho toekenningen

217,4

233,1

234,3

250,3

275,7

257,0

18,7

ho omzettingen

– 158,2

– 155,3

– 171,0

– 133,6

– 153,6

– 169,1

15,5

Totaal

93,7

112,4

88,8

146,7

157,0

110,6

46,4

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

De toekenningen van aanvullende beurzen in de bol zijn in 2015 per saldo € 3,8 miljoen lager uitgekomen. Dit betreft voor – € 7,8 miljoen direct gift, wat voornamelijk veroorzaakt wordt door een lager aantal studenten bol niveau 1/2. Daarnaast is € 4,0 miljoen meer toegekend aan prestatiebeurs aanvullende beurs bol dan begroot.

De omzettingen van prestatiebeurs bol naar gift zijn € 4,8 miljoen hoger dan geraamd.

De toekenningen als gift van aanvullende beurzen aan ho-studenten zijn € 4,2 miljoen lager dan geraamd. Dit komt voornamelijk door een lagere instroom in het ho. Bij de toekenningen aanvullende beurs als prestatiebeurs in het ho is het verschil ten opzichte van de raming € 18,7 miljoen. Bij de uitgaven omzettingen van aanvullende beurzen in gift bij het ho is het verschil € 7,1 miljoen. Zie voor de wijzigingen van boekingen van omzettingen ook de toelichting bij tabel 11.5.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 11.9 Aantal studenten met een reisvoorziening
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

Aantal gebruikers van het reisrecht

644.700

656.510

642.618

657.972

668.303

670.300

– 1.997

bol

192.548

194.599

204.514

210.984

215.151

217.200

– 2.049

ho

452.152

461.911

438.104

446.988

453.152

453.100

52

Aantal RBS

17.828

18.964

17.688

19.345

20.614

18.400

2.214

bol

2.418

2.609

2.553

2.809

2.978

2.700

278

ho

15.410

16.355

15.135

16.536

17.636

15.700

1.936

Totaal

662.528

675.474

660.306

677.317

688.917

688.700

217

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Het aantal studenten dat gebruik maakt van de reisvoorziening is in 2015 per saldo iets hoger (totaal 217) dan begroot.

In de bol zijn ten opzichte van de raming 2.049 minder OV-kaarthouders, in het ho ligt het aantal OV-kaarthouders ten opzichte van de raming 52 hoger.

Het aantal studenten dat in 2015 een financiële vergoeding voor studeren in het buitenland ontving is 2.214 hoger dan geraamd, voornamelijk bij het ho.

Tabel 11.10 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

Betaling aan vervoersbedrijven

996,3

539,3

681,2

1.124,2

384,7

414,9

– 30,2

bol prestatiebeurs

– 174,3

– 200,4

– 222,7

– 242,2

– 238,9

– 252,3

13,3

bol omzettingen

118,0

129,7

145,0

159,4

181,5

171,2

10,3

ho prestatiebeurs

– 482,0

– 543,3

– 549,3

– 584,8

– 572,3

– 604,8

32,5

ho omzettingen

325,7

343,9

370,3

335,6

385,7

378,3

7,4

RBS en overig

19,5

23,7

25,9

26,9

26,9

28,1

– 1,3

Totaal

803,2

292,9

450,3

819,1

167,5

135,5

32,0

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

De realisatie 2015 van de uitgaven reisvoorziening is totaal € 32,0 miljoen hoger dan geraamd.

Bij de betaling aan vervoersbedrijven is het verschil tussen begroting en realisatie in 2015 per saldo – € 30,2 miljoen. De vergoeding aan de vervoersbedrijven is in 2015 € 19,9 miljoen lager uitgevallen dan geraamd. Daarnaast was de afrekening met de vervoersbedrijven over 2014 € 10,3 miljoen lager dan geraamd. Beide verlagingen worden veroorzaakt door een lagere gemiddelde kaartprijs dan waar aanvankelijk mee was gerekend.

De reisvoorziening is voor de meeste studerenden onderdeel van de prestatiebeurs. Deze prestatiebeurzen worden relevant negatief geboekt als tegenhanger van de betaling aan de vervoersbedrijven. De verlaging van de gemiddelde prijs zorgt hier voor een lager negatief bedrag, waardoor het een stijgend effect op de uitgaven heeft. Het gaat om € 45,8 miljoen hogere uitgaven reisvoorziening als prestatiebeurs (bol € 13,3 miljoen, ho € 32,5 miljoen).

De omzettingen van prestatiebeurs naar gift in 2015 zijn € 17,7 miljoen hoger dan de raming voor 2015 (bol € 10,3 miljoen, ho € 7,4 miljoen).

Het verschil tussen begroting en realisatie 2015 bij de reisvergoeding aan studerenden in het buitenland is – € 1,3 miljoen. De realisatie van dit aantal studerenden is hoger dan geraamd. In 2015 zijn de gemiddelde maandvergoedingen aan studerenden in het buitenland lager uitgevallen.

Overige uitgaven

De overige uitgaven omvatten voornamelijk technische boekingen, waaronder achterstallige rechten, omzettingen van prestatiebeurzen in gift of naar rentedragende lening en overige technische correcties tussen relevante- en niet-relevante uitgaven. Daarnaast komen ten laste van dit artikelonderdeel ook uitgaven gedaan aan Caribisch Nederland, EG-studerenden, voorschotten en handbetalingen. Tot slot worden ook niet-relevante uitgaven aan de reisvoorziening hieronder geschaard. Het totale verschil tussen raming en realisatie 2015 bij overige uitgaven bedraagt – € 112,8 miljoen, waar van – € 17,6 miljoen relevant en – € 96,1 miljoen niet-relevant.

Leningen

De leenmogelijkheden in de studiefinanciering stellen studerenden in staat om hun eigen bijdrage tegen relatief gunstige voorwaarden via de rijksoverheid te financieren.

Naast een rentedragende lening voor levensonderhoud kunnen studenten in het hoger onderwijs gebruik maken van het collegegeldkrediet.

Tabel 11.11 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

rentedragende lening

1.169,1

1.212,8

1.343,5

1.567,1

1.780,9

1.580,2

200,7

omzettingen prestatiebeurs naar rentedragende lening

83,4

87,9

91,0

– 16,1

– 9,5

143,7

– 153,2

collegegeldkrediet

101,9

122,7

142,2

162,8

202,8

189,2

13,6

Totaal

1.354,4

1.423,4

1.576,7

1.713,8

1.974,2

1.913,0

61,2

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Per saldo zijn in 2015 de niet-relevante uitgaven aan de leenfaciliteit € 61,2 miljoen hoger dan geraamd. De uitgaven aan de rentedragende lening zijn in 2015 per saldo € 200,7 miljoen hoger dan geraamd. Dit bedrag bestaat voor € 139,4 miljoen uit werkelijk hogere uitgaven aan de lening en voor € 61,3 miljoen uit meer technische bijstellingen, zoals prestatiebeursuitgaven die verschuiven naar een lening en omzettingen van achterstallig lagere rechten in langlopende vorderingen. In heel 2015 zijn meer studenten gaan lenen dan aanvankelijk was geraamd. Vanaf 1 september 2015 is het leenvolume ook gestegen als gevolg van de invoering van het studievoorschot.

De omzettingen van prestatiebeurzen in een rentedragende lening zijn in 2015 € 153,2 miljoen minder dan geraamd. Dit houdt verband met de gewijzigde boekingssystematiek door DUO in 2014. Zie ook de toelichting onder tabel 11.5.

Er is in 2015 € 13,6 miljoen meer aan collegegeldkrediet verstrekt dan geraamd.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Het verschil tussen raming en realisatie 2015 bedraagt € 12,4 miljoen. Dit is onder meer het gevolg van een overboeking van € 3,0 miljoen van 2014 naar 2015 en voor € 7,7 miljoen extra kosten voor het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS). Het resterend verschil tussen raming en realisatie ontstaat voornamelijk door de terugboeking van een niet doorgegaan dereguleringsvoorstel, een compensatie voor de ondernemingsraad van DUO en kosten van de bovensectorale loonruimteafspraak.

Ontvangsten

Het terugbetalingssysteem van leningen is naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Tabel 11.12 Terugbetaling studieleningen (langlopende vorderingen) (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

Hoofdsom (NR)

360,6

384,3

418,4

468,8

517,3

479,6

37,7

relevante rentedragende lening

8,5

5,5

3,7

2,4

2,2

2,3

– 0,1

rente-ontvangsten

227,5

223,8

204,9

177,7

146,5

229,1

– 82,6

renteloos voorschot

4,9

5,1

5,3

6,1

6,2

5,2

1,0

Totaal

601,4

618,8

632,3

655,0

672,2

716,2

– 44,0

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

In vergelijking met de raming terugbetaling studieleningen is er in 2015 per saldo € 44,0 miljoen minder terugbetaald. Dit saldo wordt voornamelijk gevormd door € 37,7 miljoen meer niet-relevante ontvangsten hoofdsom studielening en € 82,6 miljoen minder relevante rente-ontvangsten als gevolg van een lagere gemiddelde rente dan waarmee in de raming rekening werd gehouden.

Tabel 11.13 Bedrag aan uitstaande leningen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2011

2012

2013

2014

2015

renteloze voorschotten t/m 1986

28,2

27,5

27,3

28,8

25,5

rentedragende leningen verstrekt voor 1992

33,1

25,7

21,2

15,5

13,1

rentedragende leningen verstrekt na 1992

10.645,4

11.598,0

12.637,1

13.759,0

15.044,4

collegegeldkrediet

296,7

397,7

488,1

583,3

699,9

Totaal

11.003,4

12.048,9

13.173,7

14.386,6

15.782,9

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Tabel 11.13 geeft de vorderingstanden aan het einde van het jaar. Het betreft de vorderingen op oud-studenten en op actieve studenten, exclusief de uitgaven aan prestatiebeursleningen.

Tabel 11.14 Ontvangsten op kortlopende vorderingen (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

achterstallig lager recht (ALR)

45,2

48,1

48,7

50,8

47,6

48,7

– 1,1

reisvoorziening

16,1

16,9

46,7

35,1

35,2

30,9

4,3

overig

0,2

11,2

9,7

10,5

10,0

8,8

1,2

Totaal

61,5

76,2

105,1

96,4

92,8

88,3

4,5

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Het verschil tussen realisatie en raming 2015 bij de ontvangsten op kortlopende vorderingen bedraagt totaal € 4,5 miljoen, voornamelijk meer-ontvangsten reisvoorziening door opbrengsten incasso OV-kaart.

Artikel

Licence