Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

4.6 Btw-compensatiefonds

A. Algemene doelstelling

Gemeenten, provincies en andere regionale openbare lichamen als bedoeld in de Wet op het Btw-compensatiefonds hebben de mogelijkheid om een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Het Btw-CompensatieFonds (BCF) is opgericht om een eind te maken aan de factor btw bij de afweging door decentrale overheden tussen het uitbesteden van werkzaamheden of het uitvoeren ervan door de eigen organisatie. Decentrale overheden kunnen de door hen betaalde btw terugvragen bij het BCF. Daardoor speelt de factor btw geen rol meer bij de afweging tussen inbesteden en uitbesteden bij decentrale overheden. Om btw terug te kunnen vragen bij het BCF, moet de betaalde btw aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet de btw betaald zijn over een niet-ondernemerstaak en mag geen sprake zijn van verstrekking aan een individuele derde. Voorbeelden van taken waarvoor gemeenten btw kunnen terugclaimen zijn de inzameling van huisvuil, het onderhoud aan gebouwen, het straatbeheer, schoonmaakactiviteiten, archivering, ingenieurswerkzaamheden en groenbeheer.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor en heeft een uitvoerende rol bij:

  • het verstrekken, verzamelen en controleren van de opgaafformulieren en het uitbetalen van de compensabele btw en

  • het beheer van het BCF.

C. Beleidsconclusies

In 2016 hebben zich qua beoogde resultaten geen bijzonderheden voorgedaan. In 2016 is het BCF geëvalueerd. De conclusie van de beleidsdoorlichting18 luidt dat de algemene en operationele doelstelling van het BCF worden behaald: door de invoering van het BCF speelt btw geen rol meer bij de afweging tussen zelf doen of uitbesteden. Hierdoor ontstaat er een grotere vrijheid voor gemeenten en provincies in de keuze tussen in- en uitbesteden en kan er een efficiëntievoordeel worden bereikt. Verder is geconcludeerd dat het plafond niet afdoet aan de effectiviteit van het BCF.

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 6 Btw-compensatiefonds (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

2.664.772

2.715.812

2.953.836

2.870.250

3.003.566

2.851.726

151.840

               

Uitgaven

2.664.772

2.715.812

2.953.836

2.870.250

3.003.566

2.851.726

151.840

               

(1) Programma-uitgaven

2.664.772

2.715.812

2.953.836

2.870.250

3.003.566

2.851.726

151.840

               

waarvan bijdragen aan gemeenten en kaderwetgebieden

2.360.993

2.413.355

2.614.164

2.546.903

2.618.435

2.515.341

103.094

waarvan bijdragen aan provincies

303.779

302.457

339.672

323.347

385.131

336.385

48.746

               

Ontvangsten

2.664.772

2.715.812

2.953.836

2.870.250

3.003.566

2.851.726

151.840

Uitgaven

Gemeenten declareren in absolute zin meer Btw bij het Btw-compensatiefonds dan provincies. In relatieve zin declareren de provincies echter meer bij het Btw-compensatiefonds. De provincies zijn vooral actief op het gebied van verkeer en vervoer, een uitgavencategorie die veelal voor compensatie van Btw in aanmerking komt. Dit is een mogelijke verklaring voor het feit dat provincies in vergelijking tot gemeenten een relatief groot beroep doen op het Btw-compensatiefonds.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn gelijk aan de uitgaven omdat de terugbetaalde Btw-bedragen tevens belastinginkomsten zijn.

Plafond

Plafond BCF (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2016

2016

2016

Plafond

3.160.935

3.130.917

30.018

W.v. grondslag miljoenennota 2016

3.130.917

   

W.v. overhevelingen i.v.m. taakmutaties

24.169

   

W.v. accres

5.849

   

Uitgaven

3.003.566

2.851.726

151.840

W.v. Gemeenten

2.618.435

2.515.341

103.094

W.v. Provincies

385.131

336.385

48.746

Ruimte onder plafond

157.369

279.190

– 121.791

W.v. Gemeenten

137.190

246.257

– 109.067

W.v. Provincies

20.179

32.933

– 12.754

Het plafond op het BCF is gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds en provinciefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond wordt overschreden, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds en provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het gemeentefonds en provinciefonds. De toevoeging of uitname moet worden verdeeld over gemeenten en provincies. Er is afgesproken in het Financieel akkoord dit te doen op basis van de verhouding van wat de gezamenlijke gemeenten en provincies in het afgelopen jaar ook daadwerkelijk hebben ontvangen uit het BCF.

Aan de hand van de realisatiecijfers wordt in het FJR (Financieel Jaarverslag van het Rijk) de definitieve ruimte onder het BCF-plafond bepaald. Het verschil tussen de voorlopige afrekening die bij Miljoenennota 2017 heeft plaatsgevonden (€ 219 miljoen) en de definitieve ruimte onder het plafond (€ 157 miljoen), wordt bij Voorjaarsnota verrekend met het gemeentefonds en provinciefonds.

E. Toelichting op de instrumenten

Compensatie

De Belastingdienst is belast met het verstrekken en verzamelen van opgaafformulieren en het compenseren van de Btw over niet-ondernemersactiviteiten.

Controle- en toezichtsbeleid

Bij de uitvoering van de Wet op het Btw-compensatiefonds is een centrale rol toegekend aan de Belastingdienst. Dit vanwege de nauwe relatie tussen de heffing van de omzetbelasting op grond van de Wet op de omzetbelasting en de compensatie van de omzetbelasting op grond van het Btw-compensatiefonds. Uit het oogpunt van eenvoud en doelmatigheid is ervoor gekozen de Wet op het Btw-compensatiefonds in belangrijke mate aan te laten sluiten bij het systeem van heffing van omzetbelasting in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit betekent onder meer dat de controle van het Btw-compensatiefonds onderdeel uitmaakt van de reguliere controle van de aangiften van omzetbelasting bij gemeenten en provincies. De handelwijze van de Belastingdienst met betrekking tot de opgaven voor het Btw-compensatiefonds is, gezien de nauwe relatie met het systeem van heffing van omzetbelasting, niet anders dan die met betrekking tot de aangifte van omzetbelasting. Dit betekent de mogelijkheid van controle achteraf gedurende een periode van vijf jaar. Inherent aan het systeem van heffing van omzetbelasting (voldoening op de aangifte met slechts beperkte informatie) is dat de controle op de juistheid van de ingediende aangiften achteraf en op basis van risicoafweging plaatsvindt. Dit is ook het geval indien er sprake is van een zogenoemde negatieve aangifte (de voorbelasting overtreft de verschuldigde belasting). Slechts in uitzonderingsgevallen vormt de aangifte van omzetbelasting zelf aanleiding tot het instellen van een boekenonderzoek. Voornoemde handelswijze met betrekking tot het Btw-compensatiefonds betekent dat de Belastingdienst niet per uitkeringsjaar vaststelt in welke mate de uitbetaalde bedragen rechtmatig zijn geweest, maar binnen het algemene handhavingsbeleid zich er op richt om in de actualiteit te beoordelen welke gemeenten en provincies op welke aspecten het meest voor nadere toezichtactiviteiten in aanmerking komen.

De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van de compliance bij belastingplichtigen. Hierbij maakt de Belastingdienst gebruik van de mogelijkheden die Horizontaal Toezicht (HT) biedt. Van de 400 gemeenten en provincies zijn er 362 beoordeeld op de mogelijkheden voor HT en is met 164 gemeenten en provincies een individueel toezichtconvenant gesloten. HT werkt een gemeente of provincie zichtbaar aan het onderhouden en versterken van de fiscale beheersing, met als doel het opstellen en indienen van aanvaardbare belastingaangiften en opgaven voor het Btw-compensatiefonds. De Belastingdienst bespreekt met de gemeenten en provincies hoe zij hun verantwoordelijkheid voor naleving van fiscale wet- en regelgeving nemen en zorgdragen voor volledige en juiste aangiften en opgaven. Daarbij krijgt de Belastingdienst zicht op hoe de gemeenten en provincies omgaan met fiscaliteit en of de randvoorwaarden voor een adequate beheersing daarvan zijn ingevuld. De gemeenten en provincies beoordelen vervolgens zelf de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen. De resultaten daarvan delen zij met de Belastingdienst. Met deze informatie bepaalt de Belastingdienst in welke mate gesteund kan worden op de interne beheersing en in hoeverre aanvullende eigen werkzaamheden noodzakelijk zijn. Wanneer daar aanleiding toe is kunnen ook boekenonderzoeken worden ingezet. Dit kunnen volledige boekenonderzoeken zijn waarvan het Btw-compensatiefonds onderdeel uitmaakt of deelonderzoeken die specifiek zijn gericht op de juistheid van de door gemeenten en provincies ingediende opgaven voor het Btw-compensatiefonds. In 2016 zijn 20 specifieke boekenonderzoeken voor het Btw-compensatiefonds bij gemeenten en provincies uitgevoerd. Deze onderzoeken hebben per saldo geleid tot een correctie van ruim € 6,4 miljoen.

Realisatie meetbare gegevens
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Prestatie-indicator (in %)

2013

2014

2015

2016

2016

Percentage gevalideerde gemeenten en provincies voor horizontaal toezicht1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

85

91

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

1

De prestatie-indicator is ten opzichte van het jaarverslag 2015 gewijzigd (percentage in plaats van aantallen) om beter aansluiting te behouden bij het toezichtsproces zoals de Belastingdienst dat uitvoert. Hiermee wordt eveneens consistentie bereikt met de indicatoren zoals opgenomen in de toelichting bij beleidsartikel 1 Belastingen. De waarde van deze nieuwe indicator werd in 2015 en daarvoor nog niet geregistreerd.

Licence