Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

9.1 Agentschap SZW (AGSZW)

Algemeen

Het Agentschap SZW voert (Europese) subsidieregelingen en overige complexe opdrachten uit voor opdrachtgevers en aanvragers.

Bij de uitvoering van de subsidieregelingen ligt de nadruk op het waarborgen van de rechtmatigheid en de doelmatigheid. Hieronder staat een opsomming van de subsidieregelingen die het AGSZW in 2016 heeft uitgevoerd.

Het Europees Sociaal Fonds (ESF) verbetert de kansen van mensen op de arbeidsmarkt. Opdrachtgever is het Ministerie van SZW. De vorige ESF-programmaperiode 2007–2013 loopt tot en met 2015, met afrondende werkzaamheden in de jaren daarna. In 2014 zijn de eerste tijdvakken van de huidige ESF-programmaperiode 2014–2020 opengesteld. De uitvoering van de huidige periode loopt in ieder geval tot en met 2022.

Uit het ESF worden vanaf 2015 ook projecten gefinancierd uit het Europees Fonds voor Meest Behoeftigen (EFMB). De regeling EFMB wordt ingezet om de sociale participatie van kwetsbare ouderen (met een laag besteedbaar inkomen) te stimuleren.

Het Europees Globalisatiefonds (EGF) is een andere Europese subsidieregeling die het AGSZW uitvoert voor het Ministerie van SZW. Bedrijven en sectoren die zijn getroffen door grote veranderingen in de wereldhandelspatronen of door de wereldwijde economische financiële crisis, kunnen bij massaontslag gebruikmaken van geld uit het EGF.

In opdracht van het Ministerie van V&J voert het AGSZW met ingang van 2014 de subsidieregelingen van de Europese Migratie- en VeiligheidsFondsen (EMVF) uit. Deze fondsen zijn bedoeld om projecten te subsidiëren waarmee migratie- en integratieprocessen binnen de EU worden verbeterd. Net als bij het ESF is de uitvoering opgedeeld in programmaperioden en is de verwachte looptijd van deze activiteiten tot en met 2022. De lopende programmaperiode 2014–2020, die in 2015 is gestart, bestaat uit het Asiel-, Migratie- en IntegratieFonds en het fonds voor de Interne Veiligheid.

Daarnaast voert het AGSZW enkele Nationale Regelingen uit:

  • Regeling cofinanciering sectorplannen (RCSP) voor het Ministerie van SZW. Looptijd: 1 oktober 2013 tot en met 2018. Werkgevers- en werknemersorganisaties krijgen een financiële bijdrage van de overheid als zij gezamenlijk plannen maken om mensen aan het werk te krijgen en te houden. Een betere werking van de arbeidsmarkt, het bieden van werkzekerheid en het voorkomen van werkloosheid staan centraal;

  • Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt (DWSRA). Deze regeling is een spinoff van de RCSP en wordt voor het Ministerie van SZW uitgevoerd. Het doel van deze regeling is het voorkomen van werkloosheid en het bevorderen van de overgang van werk naar werk. Er kan subsidie worden aangevraagd voor projecten op het gebied van dienstverlening aan werkzoekenden en op het gebied van samenwerking in de arbeidsmarktregio’s. Looptijd: 1 juli 2016 tot en met 31 december 2018.

  • Kinderopvang Versterking taal- en interactievaardigheden voor het Ministerie van SZW. Looptijd: eind 2014 tot en met 2018. Deze regeling heeft ten doel om de taal- en interactieve vaardigheden te verbeteren van gastouders en medewerkers in de kinderopvang.

  • Regeling Claims Vakantiedagen (RCV). Tot 1 januari 2012 was in het Burgerlijk Wetboek (BW) geregeld dat een zieke werknemer alleen vakantiedagen opbouwde gedurende de laatste zes maanden van ziekte. Dit bleek in strijd met de Europese Arbeidstijdenrichtlijn. De Hoge Raad heeft op 18 september 2015 geoordeeld dat de Nederlandse Staat aansprakelijk is voor de schade die werknemers (vóór 1 januari 2012) hebben geleden doordat zij bij ontslag na langdurige ziekte te weinig vakantiedagen uitbetaald hebben gekregen. In opdracht van het Ministerie van SZW beoordeelt het AGSZW de schadeclaims die tot 23 november 2016 konden worden ingediend. Looptijd: 1 mei 2016 met doorloop tot in het eerste kwartaal van 2017.

Het jaar 2016 stond in het teken van een heroriëntatie op de taken en de inrichting van het AGSZW. Geconcludeerd is dat positionering als directie met kas-verplichtingenstelsel beter past dan de huidige status van het AGSZW. Het streven is dit op 1 januari 2018 te realiseren.

Waarderingsgrondslagen

Het AGSZW volgt bij de opstelling van de financiële verantwoordingen de waarderingsgrondslagen zoals die zijn opgenomen in de Comptabiliteitswet 2001 en daarmee samenhangende regelingen, waaronder de Regeling agentschappen. Deze regeling geeft aan dat (met enkele uitzonderingen) de jaarrekening moet zijn gebaseerd op titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving.

De waardering van de activa en passiva is tegen nominale waarden, tenzij anders vermeld.

  • De materiële vaste activa zijn gewaardeerd op aanschafwaarde minus de desbetreffende afschrijvingen (lineair). De afschrijvingstermijn is afhankelijk van de economische levensduur van de activa en is conform de Regeling agentschappen.

  • De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd op aanschafwaarde minus de desbetreffende afschrijvingen (lineair). De investeringen worden in drie jaar afgeschreven, in overeenstemming met de Regeling agentschappen. De investeringen die voor specifieke regelingen worden gedaan, worden eveneens geactiveerd en in drie jaar afgeschreven. De afschrijvingskosten worden als out-of-pocketkosten (OOP) rechtstreeks in rekening worden gebracht bij opdrachtgever.

  • Het eigen vermogen dat wordt aangehouden stoelt op de Regeling agentschappen (maximaal 5% van de gemiddelde omzet over de afgelopen drie boekjaren).

  • AGSZW heeft geen voorziening opgenomen voor jubileumuitkeringen vanwege een onevenredige beheerslast.

  • Voorzieningen voor benoemde risico’s komen in overleg met de eigenaar en de directie FEZ tot stand.

  • Er is een reorganisatievoorziening gevormd voor de financiële gevolgen van de reorganisatie, die op 1 maart 2013 is gerealiseerd. De hoogte van de reorganisatievoorziening wordt jaarlijks geactualiseerd.

  • In de schulden is een post voor nog op te nemen vakantiedagen begrepen. De nog op te nemen verlofuren zijn gewaardeerd tegen de gemiddelde loonkosten per uur die ten behoeve van de tarievennotitie per tariefklasse zijn berekend.

  • De omzet is gewaardeerd tegen opbrengstwaarde (aantal producten x productprijs of uren x tarief) en wordt als gerealiseerd beschouwd in de periode waarin de diensten zijn verricht en/of de producten zijn geleverd. AGSZW stuurt op volledige uitvoering van uitgebrachte offertes en/of afgesproken producten (kalenderjaar gebonden). Hierdoor is waardering van een post onderhanden werk niet/nauwelijks aan de orde. Het financiële belang van afwijkingen in de uitvoering is gering. In de jaarrekening is dan ook geen post onderhanden werk opgenomen.

  • Lasten en overige baten worden toegerekend aan de periode waarop deze betrekking hebben.

Staat van baten en lasten

Tabel 9.1 Staat van baten en lasten AGSZW 2016 (bedragen x € 1.000)
     

(1) Vastgestelde begroting 2016

(2) 1e suppletoire begroting 2016

(3) Realisatie 2016

(4)=(3)–(1) Verschil 2016

(5) Realisatie 2015

Baten

         

Opbrengst moederdepartement1

13.400

16.520

16.497

3.097

13.729

Opbrengst overige departementen

1.600

1.050

922

– 678

2.814

Opbrengst derden

Rentebaten

Vrijval voorzieningen

Bijzondere baten

Totaal baten

15.000

17.570

17.419

2.419

16.543

               

Lasten

         
 

Personele kosten

         
   

waarvan eigen personeel

8.550

9.290

9.211

661

9.302

   

waarvan externe inhuur

500

2.210

2.391

1.891

2.013

   

waarvan overige personele kosten

600

700

670

70

666

 

Materiële kosten

         
   

waarvan apparaat ICT

1.500

1.500

1.627

127

1.594

   

waarvan bijdrage aan SSO’s

1.000

1.000

1.076

76

962

   

waarvan overige materiële kosten

1.850

1.600

1.131

– 719

1.460

Rentelasten

     

Afschrijvingskosten

         
 

Immaterieel

1.000

1.020

1.027

27

781

 

Materieel

1

1

1

Overige lasten

         
 

dotaties voorzieningen

 

bijzondere lasten

Totaal lasten

15.000

17.320

17.134

2.134

16.779

               

Saldo van baten en lasten

0

250

285

285

– 236

1

Het verschil met de in tabel 5.98.1 genoemde Bijdrage aan AGSZW wordt hoofdzakelijk veroorzaakt doordat in die tabel de bijdragen op rekeningen buiten begrotingsverband, ter cofinanciering van de uitvoeringskosten van Europese regelingen, niet zijn opgenomen.

In kolom 1 van tabel 9.1 is de stand van de vastgestelde begroting 2016 weergegeven. Ten tijde van het opstellen van de begroting was er nog geen volledig zicht op de in 2016 uit te voeren opdrachten. Op basis van de toen voorhanden zijnde informatie is een globale inschatting gemaakt van de voor 2016 verwachte omzet en de daarbij behorende lasten. Dit verklaart voor een belangrijk deel het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie van 2016.

Kolom 2 van tabel 9.1 betreft de stand van de 1e suppletoire begroting, waarin de offertes zijn verwerkt die begin 2016 aan de opdrachtgevers zijn verzonden. Deze stand is een betrouwbaardere inschatting van de te verwachten baten en de daarbij behorende uitvoeringslasten dan die uit de begroting. Daarom zijn in onderstaande toelichting de realisaties ook afgezet tegen de stand van de 1e suppletoire begroting. Dit geldt niet voor tabel 9.5. Aangezien bij de 1e suppletoire begroting de indicatoren niet zijn herberekend, zijn de indicatoren opgenomen die in de begroting 2016 stonden.

Opbrengst moederdepartement en overige departementen

Ten tijde van de opstelling van de begroting kon nog geen goede schatting gemaakt worden van de opbrengsten, omdat de orderportefeuille nog niet bekend was. De realisatie van de opbrengst is ten opzichte van de begroting € 2,4 miljoen hoger door de nieuwe regelingen DWSRA (€ 0,7 miljoen) en RCV (€ 0,5 miljoen) en door de gesaldeerde afwijking van de realisatie ten opzichte van de begroting voor de andere regelingen. Per saldo is de gerealiseerde opbrengst € 0,15 miljoen lager dan de aan de opdrachtgevers geoffreerde uitvoeringskosten (1e suppletoire begroting 2016). De grootste afwijkingen tussen de realisatie en de suppletoire begroting zijn:

  • ESF2014–2020 (– € 0,74 miljoen): bij de actie Duurzame Inzetbaarheid (DI) zijn circa 500 minder einddeclaraties vastgesteld dan begroot; dit komt doordat een aantal projecten is ingetrokken en doordat de behandeling van een aantal projecten is doorgeschoven naar 2017. Tevens zijn door prioritering van werkzaamheden minder uren besteed aan monitoring van lopende projecten;

  • ESF 2007–2013 (+ € 0,58 miljoen): de einddeclaratiecontroles van de laatste projecten hebben meer tijd gevergd dan begroot. Dit komt mede omdat deze een aantal probleemgevallen bevatten;

  • RCV (+ € 0,32 miljoen): door nieuwe wensen van de opdrachtgever en doordat de afhandeling van de vakantieclaims tijdsintensiever is dan begroot, is de omzet 2016 hoger uitgevallen dan oorspronkelijk geoffreerd.

Personele kosten

In 2016 bedroeg de gemiddelde bezetting 114,4 fte (vaste medewerkers, contractanten en IF-inleen) – tegen 126,1 fte in 2015 – en is gemiddeld 27,5 fte (2015: 21,7 fte) aan externe medewerkers ingehuurd. Ten tijde van de begrotingsopstelling kon nog geen goede schatting worden gemaakt van de te verwachten werkzaamheden en daarbij behorende kosten, omdat de orderportefeuille nog niet bekend was. De realisatie van de personele kosten is € 2,6 miljoen hoger dan begroot. Dit heeft een directe relatie met de grotere gerealiseerde omzet in 2016 ten opzichte van de begroting. Doordat meer activiteiten zijn uitgevoerd dan begroot, is meer ambtelijk personeel aangesteld (€ 0,7 miljoen meer kosten dan begroot). De grotere bedrijfsdrukte heeft er vooral toe geleid dat er meer externe inhuur is geweest (€ 1,9 miljoen meer dan begroot) en dat de ambitie tot verlaging van de externe inhuur niet kon worden gerealiseerd. Doordat in 2016 meer medewerkers in dienst zijn geweest dan begroot, zijn de overige personeelskosten € 0,1 miljoen hoger dan begroot.

Ten tijde van de 1e suppletoire begroting was de impact van de extra werkzaamheden duidelijker en kon een betere inschatting worden gemaakt van de kosten van eigen personeel en externe inhuur. De totale personeelskosten werden bij deze begroting geraamd op € 12,2 miljoen; de realisatie over 2016 bedraagt afgerond € 12,3 miljoen.

Het Agentschap SZW neemt (verplicht) deel aan de pensioenregeling bij het ABP. De pensioenregeling is een middelloonstelstel. Indexatie van opgebouwde pensioenaanspraken vindt plaats voor zover de dekkingsgraad van het ABP dit toestaat. In het geval van een te lage dekkingsgraad heeft het Agentschap SZW geen verplichting tot het voldoen van aanvullende bijdragen aan het pensioenfonds anders dan hogere toekomstige premies.

Materiële kosten

De materiële kosten omvatten huisvestings-, kantoor-, communicatie-, ICT- en onderzoekskosten. Het verschil tussen de begroting en de realisatie van de totale materiële kosten bedraagt – € 0,5 miljoen. Ten tijde van de opstelling van de begroting kon nog geen goede schatting worden gemaakt van de te verwachten werkzaamheden en daarbij behorende kosten, omdat de orderportefeuille nog niet bekend was. Vooral de regelinggebonden kosten die rechtstreeks aan de opdrachtgever worden doorberekend (OOP) zijn – achteraf gezien – te hoog geschat.

De gerealiseerde materiële kosten zijn € 0,3 miljoen lager dan in de offertes begroot (1e suppletoire begroting). Dit wordt met name veroorzaakt door:

  • de kosten van extra werkplekken in verband met de grotere bedrijfsdrukte zijn lager dan begroot (€ 0,1 miljoen);

  • incidentele meevaller automatiseringkosten in de afrekening van de DVO 2015 (€ 0,1 miljoen);

  • lagere realisatie van de advies- en onderzoekskosten (€ 0,1 miljoen).

Afschrijvingskosten (im-)materiële vaste activa

De afschrijvingskosten hebben betrekking op investeringen in het ontwikkelen van software en aanschaffingen van hard- en software. In de immateriële afschrijvingskosten zijn begrepen de afschrijvingen op de investeringen in de ontwikkeling van het case management system van het subsidieverleningsproces (DIANE) en het e-portaal.

Saldo van baten en lasten

Eind 2016 resteert een positief saldo van baten en lasten van € 0,285 miljoen (2015: € 0,236 miljoen negatief). De begroting 2016 was een sluitende begroting. Het gerealiseerde resultaat is € 0,035 miljoen groter dan bij het uitbrengen van de offertes was geschat. Het resultaat wordt toegevoegd aan het eigen vermogen per 1 januari 2017.

Bij de tariefsberekening is de integrale kostprijs het uitgangspunt. Dit resulteert jaarlijks in een sluitende begroting; dit geldt ook voor 2016.

Balans

Tabel 9.2 Balans AGSZW per 31 december 2016 (bedragen x € 1.000)
 

Balans 2016

Balans 2015

Activa

   

Immateriële vaste activa

2.920

1.526

Materiële vaste activa

1

2

Vlottende activa

   
 

Debiteuren

26

100

 

Overige vorderingen en overlopende activa

801

524

 

Liquide middelen

539

2.231

Totaal activa

4.287

4.383

       

Passiva

   

Eigen vermogen

   
 

Exploitatiereserve

781

1.017

 

Onverdeeld resultaat

285

– 236

Voorzieningen

9

14

Kortlopende schulden

   
 

Crediteuren

249

571

 

Overige verplichtingen en overlopende passiva

2.963

3.017

Totaal passiva

4.287

4.383

(Im)materiële vaste activa

De immateriële vaste activa bestaan hoofdzakelijk uit investeringen in DIANE en het bijbehorende e-portaal. De toename in 2016 is het gevolg van investeringen die gedaan zijn voor de noodzakelijke upgrade van DIANE en de bouw van een nieuw e-portaal. Ook investeringen in immateriële activa voor specifieke regelingen worden vanaf 2015 geactiveerd en afgeschreven.

Tabel 9.3 Verloopstaat vaste activa (bedragen x € 1.000)
 

Immateriële vaste activa

Materiële vaste activa

Boekwaarde 1 januari 2016

1.526

2

Bij: aanschaffingen 2016

2.421

Af: afschrijvingen 2016

– 1.027

– 1

Boekwaarde 31 december 2016

2.920

1

Debiteuren

Deze post heeft volledig betrekking op vorderingen op andere departementen.

Overige vorderingen en overlopende activa

Van de overige vorderingen en overlopende activa heeft een bedrag van € 0,73 miljoen betrekking op het Ministerie van SZW, € 0,02 miljoen op overige departementen en € 0,05 miljoen op derden.

Liquide middelen

Dit betreft de stand van de rekening-courant die bij het Ministerie van Financiën wordt aangehouden. Het saldo is vrij opneembaar.

Eigen vermogen

Het eigen vermogen per 1 januari 2017, na verwerking van het onverdeeld resultaat 2016, bedraagt € 1,066 miljoen. Het maximaal toegestane eigen vermogen van AGSZW (5% van de gemiddelde omzet van de laatste drie jaren) bedraagt € 0,89 miljoen. Conform de Regeling Agentschappen zal het surplus ad € 0,176 miljoen bij de 1e suppletoire begroting 2017 door de eigenaar van het AGSZW worden afgeroomd.

Voorzieningen

Ultimo 2012 is een reorganisatievoorziening getroffen in het kader van de reorganisatie in 2013. Deze voorziening betreft de geschatte kosten inzake medewerkers die naar ander werk worden begeleid. Per 1 januari 2016 zijn alle herplaatsings-kandidaten elders tewerkgesteld. In 2016 is voor € 0,005 miljoen aan betaalde loonsuppletie ten laste van de voorziening geboekt.

Crediteuren

Het bedrag van de openstaande crediteuren heeft geheel betrekking op facturen van derden.

Overige verplichtingen en overlopende passiva

Van de overige verplichtingen en overlopende passiva heeft in totaal € 1,11 miljoen betrekking op het Ministerie van SZW, € 0,16 miljoen op andere departementen en € 1,69 miljoen op derden.

Kasstroomoverzicht

Tabel 9.4 Kasstroomoverzicht AGSZW (bedragen x € 1.000)
   

(1) Vastgestelde begroting 2016

(2) Realisatie 2016

(3)=(2)–(1) Verschil realisatie en vastgestelde begroting

1

Rekening-courant RHB 1 januari 2016 + stand depositorekeningen

973

2.231

1.258

         
 

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

 

17.052

 
 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (–/–)

 

– 16.323

 

2

Totaal operationele kasstroom

1.000

729

– 271

         
 

Totaal investeringen (–/–)

– 1.000

– 2.421

– 1.421

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

3

Totaal investeringskasstroom

– 1.000

– 2.421

– 1.421

         
 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (–/–)

 

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

 

Aflossingen op leningen (–/–)

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

4

Totaal financieringskasstroom

0

0

0

         

5=1+2+3+4

Rekening-courant RHB 31 december 2016 + stand depositorekeningen

973

539

– 434

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in het werkkapitaal (mutaties in vlottende debetposten en kortlopende creditposten op de balans).

Het verschil tussen de geschatte en de gerealiseerde operationele kasstromen kan worden verklaard doordat ten tijde van de begrotingsopstelling nog geen volledig zicht was op de in 2016 uit te voeren opdrachten. Op basis van de toen voorhanden zijnde informatie is een inschatting gemaakt van de voor 2016 verwachte ontvangsten en uitgaven.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom is het totaal van de investeringen en de boekwaarde van de desinvesteringen. Met investeringen worden uitgaven voor de aanschaf van vaste activa bedoeld. De investeringen in 2016 betreffen de update en verbetering van DIANE en het e-portaal.

De afwijking van de gerealiseerde investeringskasstroom ten opzichte van de begroting wordt veroorzaakt doordat ten tijde van het opstellen van de begroting nog geen volledig zicht was op de in 2016 uit te voeren opdrachten. Hierdoor kon geen volledige inschatting worden gemaakt van de noodzakelijke investeringen in DIANE.

Financieringskasstroom

De totale financieringskasstroom is het saldo van de posten eenmalige uitkering aan het moederdepartement, eenmalige storting door het moederdepartement, aflossingen op leningen en beroep op leenfaciliteit. In 2016 waren deze posten niet van toepassing.

Doelmatigheidsindicatoren

Het streven naar grotere doelmatigheid is de hoofddoelstelling van elke baten-lastendienst. Voor het AGSZW betekent dit het streven naar betere prestaties, bij optimaal gebruik van de ingezette middelen.

Tabel 9.5 Overzicht doelmatigheidsindicatoren AGSZW
 

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Vastgestelde begroting 2016

Generieke doelmatigheidsindicatoren

         
           

Uurtarieven

         

Integraal kostentarief p.uur (voorcalculatorisch) (€)

89,58

90,93

98,68

110,41

109,05

Index reëel uurtarief (gecorrigeerd voor inflatie, 2011=100)

95,6

96,1

103,6

115,6

111,9

Omzet per fte (€)

         

Totale omzet in € 1.000

20.529

19.458

16.543

17.419

15.000

fte-totaal

133,1

152,0

147,8

141,9

125,5

Omzet per fte (€)

154.284

127.979

111.928

122.755

119.522

Saldo van baten en lasten (%)

         

Saldo van baten en lasten

– 86

– 690

– 236

285

% van de totale lasten

– 0,4

– 3,4

– 1,4

1,7

Productiviteit:

         

Declarabiliteit (facturabele/beschikbare uren)(%)

70,9

70,4

65,5

67,0

70,0

Ziekteverzuim (totaal incl.langdurig) (%)

3,8

3,2

3,0

3,7

2,5

           

Kwalitatieve indicatoren

         
           

Klanttevredenheid: algemeen oordeel enquête

nb

nb

7,1

7,5

Beroepsprocedures

         

% beschikkingen die leiden tot beroepsprocedure

0,3

1,5

0,6

0,3

0,5

% beroepsprocedures geheel of deels gegrond

11

13

22

17

15

Tijdigheid beschikken en betalen

         

% tijdige beschikkingen

89

82

91

97

90

% tijdige betalingen

99

98

99,5

98,3

99

           

Specifieke indicatoren

         
           

Kosten subsidieproces in % vd subsidie/subsidiabele kosten per project

         

Europese subsidieregelingen

1,8

1,5

1,7

3,4

1,6

Nationale subsidieregelingen

         

RUS-variant 1a: One Touch (direct vaststellen)

14,1

11,3

nvt

nvt

RUS-variant 1b: One Touch (ambtshalve vaststellen)

nb

nb

7,4

5,1

17,5

RUS-variant 3: Presteren en inzicht in kosten

nb

0,1

0,2

0,2

0,2

  • Uurtarieven:

    De voorcalculatorische uurtarieven zijn integrale kostenprijzen (alle kosten / facturabele uren). In de berekening van de reële indexcijfers van de uurtarieven is het effect van de jaarlijkse prijsstijgingen geëlimineerd. De stijging van het uurtarief van 2016 ten opzichte van 2015 wordt met name veroorzaakt doordat de begrote directe uren (omzet) 28% lager waren. Dit heeft tot gevolg dat de (vaste) overheadkosten door minder directe uren moet worden gedekt, hetgeen leidt tot hogere uurtarieven.

  • Productiviteit:

    De productiviteit is ten opzichte van 2015 licht gestegen. Desondanks blijft de productiviteit ten opzichte van eerdere jaren laag. Dit wordt met name veroorzaakt doordat veel uren besteed zijn aan indirecte werkzaamheden zoals de bouw van een nieuw e-portaal, de upgrade van DIANE en de strategievorming.

  • Klanttevredenheid:

    In 2015 is het laatste klanttevredenheidsonderzoek onder opdrachtgevers en aanvragers uitgevoerd. De aanvragers waardeerden de dienstverlening van het AGSZW met een gemiddeld cijfer van 7,1. In 2017 zal een nieuw klanttevredenheidsonderzoek plaatsvinden.

  • Kosten subsidieproces:

    De uitvoeringskosten per project in verhouding tot de gemiddelde projectomvang wordt, vanwege de grote verschillen in de uitvoering, afzonderlijk berekend voor Europese en nationale subsidieregelingen. De indicator van de Europese subsidieregelingen betreft een gewogen gemiddelde van de uitvoeringskosten van het ESF en de EMVF. Ten opzichte van 2015 is deze indicator toegenomen van 1,7% naar 3,4%. Dit komt met name doordat vanaf 2016 arbeidsintensieve controles van de ESF-subsidies aan de Arbeidsmarktregio’s plaatsvinden. Ten tijde van het opstellen van de begroting 2016 is hiermee onvoldoende rekening gehouden.

    Voor de Nationale subsidieregelingen die het Agentschap SZW uitvoert, worden de uitvoeringskosten inzichtelijk gemaakt per uitvoeringsvariant die in het Rijksbreed geldende Raamwerk voor Uitvoering van Subsidies (RUS) wordt onderscheiden. De niet aan afzonderlijke projecten toe te rekenen activiteiten en out-of-pocketkosten worden in deze berekening niet meegenomen.

Toelichting

Licence