XIV Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
nr. 4RAPPORT BIJ HET JAARVERSLAG 2007 VAN HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT (XIV)
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
’s-Gravenhage, 21 mei 2008
Hierbij bieden wij u aan het op 8 mei 2008 door ons vastgestelde «Rapport bij het Jaarverslag 2007 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV)».
Algemene Rekenkamer
drs. Saskia J. Stuiveling,
president
Jhr. mr. W.M. de Brauw,
secretaris
| Deel I: Samenvatting en bestuurlijke reactie | 5 | |
| 1 | Samenvatting | 7 |
| 2 | Reactie minister en nawoord Algemene Rekenkamer | 12 |
| Audit Actielijst 2008 van het Ministerie van LNV | 14 | |
| Deel II: Onderzoeksbevindingen en oordelen | 15 | |
| 1 | Inleiding | 17 |
| 1.1 | Over het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit | 17 |
| 1.2 | Over dit onderzoek | 19 |
| 2 | Jaarverslag | 21 |
| 2.1 | Oordeel over de financiële informatie | 21 |
| 2.2 | Oordeel over de saldibalans en toelichting | 22 |
| 2.3 | Oordeel over de informatie over de bedrijfsvoering | 23 |
| 2.4 | Oordeel over de informatie over het gevoerde beleid | 23 |
| 3 | Bedrijfsvoering | 25 |
| 3.1 | Oordeel over het financieel beheer en materieelbeheer | 25 |
| 3.1.1 | Departementale begrotingsadministratie | 25 |
| 3.1.2 | Beheer programma-uitgaven (onderzoek subsidiebeheer) | 26 |
| 3.2 | Ontwikkeling in de bedrijfsvoering | 27 |
| 3.2.1 | Vooruitgang bedrijfsvoering | 28 |
| 3.2.2 | Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG): geen aansluiting bij sisa | 29 |
| 3.2.3 | Interne controle | 31 |
| 3.2.4 | EU-geldstromen | 33 |
| 3.2.5 | Aansturing baten-lastendiensten | 33 |
| 3.2.6 | Personele uitgaven | 34 |
| 4 | Informatie over beleid nader beschouwd | 35 |
| 4.1 | Beschikbaarheid van de beleidsinformatie | 35 |
| 4.2 | Bruikbaarheid van de beleidsinformatie | 39 |
| 4.3 | Informatie over ICT-projecten in het jaarverslag | 39 |
| Bijlage 1 | Overzicht fouten en onzekerheden in de financiële informatie in het Jaarverslag 2007 van het Ministerie van LNV | 42 |
| Bijlage 2 | Gebruikte afkortingen | 49 |
| Bijlage 3 | Verklarende woordenlijst | 50 |
| Literatuur | 59 | |
DEEL I: SAMENVATTING EN BESTUURLIJKE REACTIE
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) draagt verantwoordelijkheid voor het realiseren van een duurzame landbouw, een vitale natuur, een vertrouwd platteland en een hoogwaardig voedselaanbod en voor het agrarisch onderwijs. Het beleid wordt grotendeels decentraal gerealiseerd door lagere bestuursorganen en belangenorganisaties. Het ministerie zelf verstrekt vooral subsidies.
Het ministerie moet toezicht houden op enkele tientallen organisaties die als rechtspersoon met een wettelijke taak en/of als zelfstandig bestuursorgaan zijn aangemerkt.
De invloed van de Europese Unie (EU) op het beleid van LNV is groot. Als lidstaat is Nederland gehouden het EU-beleid uit te voeren. Wanneer Europese wet- en regelgeving in Nederland niet wordt nageleefd, loopt het ministerie financiële risico’s: de EU claimt geld terug, verstrekt geen bijdragen meer en/of legt boetes op.
De uitgaven van het Ministerie van LNV bedroegen in 2007 € 2 384,4 miljoen. De verplichtingen bedroegen € 5 339,4 miljoen en de ontvangsten € 496,9 miljoen. In het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het structuurbeleid van de EU heeft het Ministerie van LNV in 2007 een EU-bijdrage van omstreeks € 1,05 miljard ontvangen. Deze ontvangsten worden buiten begrotingsverband met de bijbehorende uitgaven verrekend.
Van de gerealiseerde uitgaven in 2007 is € 607,9 miljoen uitgegeven aan de bekostiging van agrarische opleidingscentra en de Wageningen Universiteit. De Dienst Landbouwkundig Onderzoek heeft een bedrag van € 181 miljoen voor onderzoek ontvangen.
Verder is een bedrag van € 439 miljoen uitgegeven voor de inrichting van het landelijk gebied. Ten slotte was een bedrag van € 264 miljoen bestemd voor «duurzaam ondernemen».
In 2007 hebben zich bij het Ministerie van LNV enkele belangrijke ontwikkelingen voorgedaan. Zo is in het gemeenschappelijk landbouwbeleid de Bedrijfstoeslagregeling (BTR) ingevoerd, die Nederland in «gedeeld beheer» (i.e. samen met de Europese Commissie) uitvoert. Daarnaast is het aantal betaalorganen dat voor het Ministerie van LNV Europese subsidies beheert, getransformeerd van vijf naar twee. Deze ontwikkelingen hebben druk gezet op de uitvoering van de reguliere processen bij met name het betaalorgaan Dienst Regelingen.
Ondanks deze omvangrijke organisatorische ontwikkelingen heeft het ministerie in 2007 serieus aandacht besteed aan het doorvoeren van verbeteringen op de terreinen waar de Algemene Rekenkamer vorig jaar onvolkomenheden en aandachtspunten signaleerde. De ontwikkeling van het financieel beheer is dan ook positief, al blijven verdere verbeteringen noodzakelijk.
Ook in 2008 spelen er belangrijke organisatorische ontwikkelingen binnen het ministerie. Zo zullen er nieuwe ICT-toepassingen binnen het departement worden ontwikkeld en geïmplementeerd. Daarnaast zullen de inspecties die nu nog afzonderlijk onder het ministerie functioneren (de Algemene Inspectiedienst, de Plantenziektenkundige Dienst en de Voedsel- en Warenautoriteit), worden samengevoegd.
In onderstaand overzicht vatten wij onze oordelen over het Jaarverslag 2007 en de bedrijfsvoering van het Ministerie van LNV samen. Wij verwijzen daarbij naar de plaats in deel II van dit rapport waar we dieper ingaan op onze oordelen en de achterliggende bevindingen presenteren.
| Oordelen over het jaarverslag 2007 en de bedrijfsvoering van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit | |||
| Oordeel | Meer informatie in deel II | ||
| Jaarverslag | Financiële informatie | Voldoet | § 2.1 |
| Saldibalans | Voldoet | § 2.2 en 3.3 | |
| Informatie over bedrijfsvoering | Voldoet | § 2.4 | |
| Informatie over beleid | Voldoet | § 2.5 | |
| Bedrijfsvoering | Financieel beheer en materieelbeheer | Voldoet aan de daarvoor geldende eisen, met uitzondering van de departementale begrotingsadministratie en het beheer van programma-uitgaven. | § 3.1 |
In deze samenvatting gaan wij in op onze belangrijkste conclusies over de financiële informatie, de bedrijfsvoering en de beleidsinformatie van het Ministerie van LNV.
Achter in deze samenvatting hebben wij een lijst opgenomen met punten waarvan wij vinden dat de minister van LNV ze met voorrang moet oppakken, de zogenaamde Audit Actielijst (AAL).
Jaarverslag/financiële informatie voldoet aan de eisen
Wij hebben vastgesteld dat het Jaarverslag 2007 van het Ministerie van LNV voldoet aan de eisen die de Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001) daaraan stelt.
Ontwikkeling fouten en onzekerheden
Vorig jaar rapporteerden wij bij vier artikelen een overschrijding van de kwantitatieve toleranties, nu bij geen enkel artikel. Voor een belangrijk deel is dit het gevolg van het experiment met de verruimde tolerantiegrenzen (zie hiervoor ons rapport Rijk Verantwoord 2007, dat net als het voorliggende rapport op 21 mei 2008 verschijnt).
Om toch iets te kunnen zeggen over de ontwikkeling ten opzichte van 2006, hebben we de fouten en onzekerheden die dit jaar op artikelniveau zijn geconstateerd gerelateerd aan de tolerantiegrens van vorig jaar. Op grond hiervan concluderen wij dat er sprake is van een verbetering.
Bedrijfsvoering verbeterd, nog twee onvolkomenheden
De bedrijfsvoering van het Ministerie van LNV is in 2007 verbeterd. Er zijn belangrijke maatregelen getroffen die bijdragen aan een beter beheer. Dit komt ook tot uitdrukking in een afname van het aantal fouten en onzekerheden in de financiële verantwoording. De volgende twee onvolkomenheden die in 2007 zijn geconstateerd vragen naar onze mening nog de nodige aandacht:
– de departementale begrotingsadministratie (zie ook § 3.1.1 in deel II);
– het beheer van programma-uitgaven (zie ook § 3.1.2 in deel II).
Hieronder geven we een beknopte toelichting bij de twee geconstateerde onvolkomenheden. Daarnaast bespreken wij kort de ontwikkelingen bij de implementatie van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en het feit dat de Europese Commissie haar goedkeuring van de rekeningen over 2007 van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), die worden beheerd door de Dienst Regelingen, voorlopig heeft opgeschort.
De departementale begrotingsadministratie
Door tekortkomingen in het proces van totstandkoming van het departementale jaarverslag is het proces van controle onder druk komen te staan.
Als gevolg van het feit dat er verder in een erg laat stadium nog diverse omvangrijke correcties op de te publiceren cijfers moesten plaatsvinden is het jaarverslag van het departement te laat opgeleverd. Het uitgebrachte verslag bevatte bovendien voor de Dienst Regelingen nog voorlopige cijfers omdat voor deze dienst de gecertificeerde jaarrekening niet kon worden opgeleverd. Deze bevindingen duiden op een onvoldoende beheerst administratief totstandkomingproces. Hierdoor loopt het ministerie belangrijke risico’s en komt de kwaliteit van de controle door de departementale auditdienst en de Algemene Rekenkamer onnodig onder druk te staan.
Het ministerie werkt aan een structurele maatregel om bovenstaande problemen het hoofd te bieden. Dit neemt echter niet weg dat zij haar toezeggingen inzake een tijdelijke maatregel (de zogenoemde tussentijdse afsluitingen die onverminderd noodzakelijk blijven in 2008) moet nakomen.
Beheer van 9% van de programma-uitgaven nog onvolkomenheid
Wij hebben vastgesteld dat er bij het Ministerie van LNV sprake is van een onvolkomenheid in het beheer van programma-uitgaven. Dit bedrag omvat programma-uitgaven die de beleidsdirecties rechtreeks (i.e. zonder tussenkomst van een uitvoeringsinstelling) aan een groot aantal kleine relaties betalen.1 Het financieel belang van deze categorie uitgaven bedraagt € 162 miljoen.
Vorig jaar spraken wij ten aanzien van deze onvolkomenheid over subsidiebeheer van de beleidsdirecties. De problematiek strekt zich echter ook uit over andere overdrachts- en transactie-uitgaven van de beleidsdirecties.
In 2007 heeft het Ministerie van LNV belangrijke maatregelen getroffen en aangekondigd om deze onvolkomenheid in het financieel beheer op termijn weg te nemen. Ten opzichte van vorig jaar is de omvang van de financiële populatie waar de knelpunten zich kunnen voordoen (door maatregelen en compartimentering) terug gebracht tot € 162 miljoen.2 Wij concluderen op basis hiervan dat er sprake is van een substantiële verbetering. Wel menen wij dat de effectiviteit van de in 2007 getroffen maatregelen deels nog zal moeten blijken, en een deel van de maatregelen pas in 2008 daadwerkelijk zal worden ingezet. Op grond van onze bevindingen zal de aandacht van het ministerie zich wat deze programma-uitgaven betreft vooral moeten richten op de tijdigheid van de verplichtingenregistratie, de kwaliteit van de in beschikkingen gestelde voorwaarden, een kritische beoordeling van voorschotbetalingen (heeft de aanvrager het voorschot werkelijk nodig?) en de kwaliteit van de dossiervorming.
ILG: geen aansluiting op «sisa»
Het Ministerie van LNV heeft in 2007 ruim € 439 miljoen aan ILG-gelden in het Nationaal Groenfonds gestort ten behoeve van de provincies, die het rijksbeleid voor het landelijk gebied moeten uitvoeren. De provincies hebben € 264 miljoen voor de bestedingen in dat jaar aan het budget onttrokken. Er is daardoor ruim € 175 miljoen aan rijksbegrotingsgeld niet tot besteding gekomen. Wij zijn van mening dat, indien rekening wordt gehouden met het kasstelsel, een adequaat begrotingsbeheer vereist dat de betalingen van het Rijk en de bestedingen door de provincies gelijke tred houden.
De Tweede Kamer heeft de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in 2007 als groot project aangewezen. Deze aanwijzing betekent een verzwaring van de verantwoordingsplicht voor het ministerie die op gespannen voet lijkt te staan met de bepalingen uit de Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) en de afspraken die op grond hiervan met de provincies zijn gemaakt. Deze afspraken gaan uit van het principe dat de verantwoording door de provincies aan het departement pas in 2013 behoeft plaats te vinden.
Vorig jaar gaven wij aan dat de wijze waarop de provincies jaarlijks het Ministerie van LNV over hun prestaties en bestedingen in het kader van het ILG zouden informeren, als toereikend kon worden beschouwd. Hierbij speelde een belangrijke rol dat de provincies als gevolg van afspraken die het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) over de verantwoording van specifieke uitkeringen had gemaakt bij hun jaarverslagen gecertificeerde informatie over de bestedingen en prestaties moest overleggen.
In 2007 heeft het ministerie besloten dat de afspraken over de verantwoording en controle van specifieke uitkeringen niet van toepassing zijn op de informatie over de bestedingen uit het ILG. Als gevolg hiervan is onzeker dat de jaarlijks door de provincies in het kader van de bestuursovereenkomsten te overleggen informatie zal worden gecertificeerd. Wij achten dit, zeker nu de Tweede Kamer de EHS tot groot project heeft verklaard, van evident belang voor de betrouwbaarheid van de over te leggen gegevens.
De auditdienst van het ministerie voert bij de Dienst Landelijk Gebied en de Dienst Regelingen controles uit voor de provincies. Wij zijn van mening dat met deze opzet de objectiviteit van de adviesfunctie van de auditdienst en van haar oordeelsvorming over de kwaliteit van het toezicht onder druk komt te staan. Wij bevelen aan om de huidige inzet van de auditdienst in de bestaande controlestructuren en de verschillende rollen die zij hiermee vervult, nog eens kritisch tegen het licht te houden.
Europese goedkeuring rekening opgeschort
Nederland ontvangt op basis van het gemeenschappelijk landbouwbeleid veel geld uit de EU; in 2007 heeft ons land € 1,05 miljard gedeclareerd. Het beheer, de verantwoording en de controle rondom (de besteding van) deze gelden voldoen in het algemeen aan de Europese eisen.
Problemen deden zich echter wel voor bij het geautomatiseerde systeem voor de uitvoering van de Bedrijfstoeslagregeling (BTR), die in 2007 EU-breed is ingevoerd.1 Dit systeem werkte nog onvoldoende, waardoor informatie te laat beschikbaar was en niet kon worden onderworpen aan alle relevante interne controles. Door middel van extra gegevensgerichte werkzaamheden heeft de auditdienst uiteindelijk voldoende controle-informatie verkregen. De dienst is op basis daarvan tot een positieve conclusie gekomen over de verwerking van de BTR-toeslagen.
De audits van de auditdienst resulteerden voor betrokken betaalorganen, de Dienst Regelingen en de Dienst Landelijk Gebied, uiteindelijk in vijf respectievelijk twee belangrijke aanbevelingen voor verbetering van het interne beheersysteem.
De goedkeuring die de Europese Commissie op 30 april 2008 had moeten verlenen aan de rekeningen over 2007 van de Dienst Regelingen, is aangehouden. Voor nadere informatie verwijzen wij naar ons rapport bij de lidstaatverklaring, dat binnenkort zal worden gepubliceerd.
Beleidsinformatie in «experimenteel» jaarverslag
Tijdens Verantwoordingsdag 2007 heeft de Tweede Kamer haar zorgen geuit over de kwaliteit van het verantwoordingsproces. Naar aanleiding daarvan heeft de minister van Financiën in overleg met de Algemene Rekenkamer en de Tweede Kamer besloten tot een experiment met jaarverslagen bij drie departementen. Doel van het experiment is om de departementale jaarverslagen meer focus en politieke zeggingskracht te geven en de verantwoordingslasten te verminderen. Het Ministerie van LNV participeert, samen met de Ministeries van Buitenlandse Zaken (BuZa) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), in het experiment jaarverslag.
Het experiment houdt in dat de betrokken ministers zich in het beleidsverslag van hun jaarverslag uitgebreid verantwoorden over de kabinetsprioriteiten uit het coalitieakkoord en over enkele departementspecifieke beleidsprioriteiten. Over beleidsartikelen die niet onder deze prioriteiten vallen, neemt de minister in het jaarverslag alleen een financiële verantwoording op.
In het LNV-jaarverslag is de focus op kabinetsprioriteiten duidelijk zichtbaar. Er worden tien kabinetsdoelen opgevoerd en vier additionele onderwerpen «die in 2007 gespeeld hebben». De kabinetsdoelen worden behandeld op volgorde van de nummering die zij in het beleidsprogramma van het kabinet hebben. Door deze keuze zijn niet direct de typische LNV doelen (natuur, boeren, dieren, voedselkwaliteit en agrarisch onderwijs) zichtbaar. Met het beleidsverslag wordt (90%) procent van de uitgaven van het ministerie afgedekt. In het verslag is dit door middel van een tabel helder aangegeven.
Wij hebben ook onderzocht of de informatie in het jaarverslag bruikbaar is. De Tweede Kamer moet zich met deze informatie een oordeel kunnen vormen over de mate waarin een minister de kabinetsprioriteiten en departementspecifieke beleidsprioriteiten heeft gerealiseerd met behulp van de daarvoor geleverde prestaties en ingezette middelen. Wij merken daarover het volgende op:
• De verbinding tussen kabinetsdoel, bijbehorend LNV-artikel (op het niveau van operationele doelstelling) en de bijbehorende uitgaven heeft LNV aan de hand van een tabel inzichtelijk gemaakt. De bruikbaarheid van het jaarverslag kan verder verbeteren door de verbinding met de geleverde prestaties in de tabel aan te brengen. Hierdoor is het eenvoudiger om de samenhang tussen doelen, prestaties en middelen vast te stellen.
• Wij hebben vastgesteld dat de indicatoren voor bepaalde doelstellingen (bijvoorbeeld de welzijnsnormen voor dieren in de veehouderij) zijn gewijzigd ten opzichte van hetgeen daarover staat vermeld in het jaarverslag over 2006. Daardoor biedt het jaarverslag over 2007 onvoldoende inzicht in de voortgang.
• De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft naar onze mening een te positief beeld van het toezicht op externe relaties en gaat ten onrechte niet in op de stand van zaken rond de EHS en de relatie met het ILG (zie hiervoor).
In deel II van dit rapport lichten wij onze bevindingen toe aan de hand van concrete voorbeelden.
2 REACTIE MINISTER EN NAWOORD ALGEMENE REKENKAMER
De minister van LNV heeft op 25 april 2008 op ons onderzoek gereageerd. Hierna volgt een samenvatting van haar reactie. De volledige reactie is te vinden op www.rekenkamer.nl.
In ons rapport beschrijven we een aantal positieve ontwikkelingen in de bedrijfsvoering van het Ministerie van LNV in het afgelopen jaar. De minister heeft hiervan met genoegen kennisgenomen. Zij benoemt nog eens de belangrijkste maatregelen en de daarmee bereikte resultaten, die wij ook elders in dit rapport aan de orde stellen. Verder vestigt zij de aandacht op ons positieve oordeel over de bedrijfsvoering en noemt de twee onvolkomenheden die wij daarin constateren.
Over de eerste onvolkomenheid, in de departementale begrotingsadministratie, merkt de minister op dat het totstandkomingsproces van het departementale jaarverslag is vertraagd doordat er op een laat moment nog handmatige correcties zijn doorgevoerd in de administratie. Dit had volgens de minister met name te maken met de conversie van de verplichtingen en de te late jaarafsluiting van de Dienst Regelingen. Verder wijst zij erop dat ons oordeel mede was gebaseerd op het feit dat de maatregel van de tussentijdse afsluitingen in 2007 niet voldoende is geëffectueerd.
In reactie op de tweede onvolkomenheid, het beheer van programma-uitgaven, benadrukt de minister dat dit in feite een herformulering is van de bestaande onvolkomenheid in het subsidiebeheer. Zij constateert dat het financieel belang van deze onvolkomenheid inmiddels, mede door de maatregelen die in 2007 zijn getroffen, substantieel is afgenomen.
De minister schrijft dat in 2007 veel energie is gestoken in de verbetering van de bedrijfsvoering. Het ministerie heeft diverse activiteiten en instrumenten ontwikkeld en geïmplementeerd. Zij refereert daarbij aan:
• de oprichting van het Financieel Dienstencentrum;
• de uitvoering van het programma «Versterking Financiële Functie LNV»;
• de actie «Wegwerken oude voorschotten»;
• de professionalisering en verzakelijking van de aansturing van de Dienst Landouwkundig Onderzoek (DLO);
• de vervanging van financiële systemen LNV;
• het actieplan subsidiebeheer;
• de verbetering van de aansturing van baten-lastendiensten;
• de verbetering van de aansturing van zbo’s en rwt’s.
De minister geeft aan dat al deze activiteiten en bewust ingezette instrumenten hebben bijgedragen en nog verder zullen bijdragen aan de verbetering van de bedrijfsvoering van LNV. Hiermee komt zij tegemoet aan de aanbevelingen die zijn benoemd in de Audit Actielijst 2008.
Volgens de minister zijn de twee onvolkomenheden die wij in de bedrijfsvoering hebben geconstateerd, niet goed onderbouwd. Volgens haar rechtvaardigen onze bevindingen de geformuleerde conclusies niet. Bovendien zouden volgens de minister onze oordelen meer recht moeten doen aan de aard van de problematiek en de positieve ontwikkelingen die LNV in de bedrijfsvoering doormaakt. De minister vindt het niet motiverend en ook niet effectief als niet op waarde wordt geschat welke extra inspanningen de medewerkers van LNV leveren voor de verbetering van de bedrijfsvoering. Hierbij moeten wij ons realiseren dat de inspanningen naast de reguliere werkzaamheden zijn geleverd.
Verder is het de minister opgevallen dat de analyses en verbeteringen die het ministerie zelf heeft uitgevoerd, het vertrekpunt lijken te zijn geweest van ons onderzoek. De minister vindt dat wij de analyses van het ministerie hebben gebruikt ter onderbouwing van de onvolkomenheden. Zij doelt hierbij voornamelijk op het actieplan subsidiebeheer en de introductie van het nieuwe financiële systeem. Over deze laatste actie geeft zij aan dat deze juist is geïnitieerd om tegemoet te komen aan de toekomstige kwetsbaarheid van de administratieve systemen en uitvoeringssystemen.
De minister constateert ook dat onze normen onduidelijk zijn en/of steeds verschuiven. Onze conclusies wekken bij haar de indruk dat de lat steeds een stukje hoger wordt gelegd, waardoor het ministerie nooit aan de normen kan voldoen. Zij noemt hierbij als voorbeeld onze conclusie over de beheersing van het administratief proces rond de totstandkoming van het jaarverslag. De minister geeft aan dat de late oplevering van het jaarverslag vooral te maken had met de omvang van alle veranderingen die de Dienst Regelingen moest doorvoeren. Zij is van mening dat daarmee sprake is van een incidenteel probleem met een beperkte reikwijdte. Zij merkt hierbij op dat ze verwacht dat iets pas als onvolkomenheid wordt gekwalificeerd als iets een structureel, breed voorkomend probleem is. De minister wijst er bovendien op dat tussentijdse afsluiting de vertraging niet zou hebben kunnen voorkomen.
Nawoord van de Algemene Rekenkamer
Wij betreuren het dat de minister ten onrechte de indruk heeft gekregen dat wij geen waardering hebben voor de inspanningen van haar medewerkers. Wij benadrukken daarom dat juist deze inspanningen hebben geleid tot ons oordeel dat er sprake is van een verbetering in de bedrijfsvoering. Verder zullen wij bij het rechtmatigheidsonderzoek 2008 nog uitdrukkelijker met het ministerie communiceren over de normen en de werkwijze die wij hanteren.
Audit Actielijst 2008 van het Ministerie van LNV
De Audit Actielijst (AAL) laat zien op welke punten de Algemene Rekenkamer vindt dat het ministerie actie moet ondernemen. De lijst meldt ook welke maatregelen de minister heeft aangekondigd om de onvolkomenheden die wij hebben geconstateerd op te lossen.1
| Eerste jaar constatering, artikel en bedrag | Stand van zaken en conclusie | Aanbeveling | Toezegging minister | Meer informatie in deel II |
|---|---|---|---|---|
| Departementale begrotingsadministratie | ||||
| 2007 alle financiële processen | Nieuw systeem is in ontwikkeling; wordt in 2009 in gebruik genomen. Tot die tijd zijn tus- sentijdse afsluitingen absolute noodzaak om te komen tot adequate en tijdige verantwoording. De jaarafsluiting bij de Dienst Regelingen is in 2007 proble- matisch verlopen. | Toezegging over tussentijdse afsluitingen in 2008 volledig nakomen. Vroegtijdig depar- tementsbrede afspraken maken over nieuw op te stellen rekeningschema en daarin te hanteren boekingssystematiek. Verscherpen intern toezicht op administratieve proces bij de Dienst Regelingen. | Vervanging van financiële systemen (lopend traject). Zie verder de activiteiten bij de onvolkomenheid van programma-uitgaven. | § 3.1.1 |
| Beheer programma-uitgaven | ||||
| 2004 verschillende artikelen € 162 miljoen | Op basis van omvangrijk actieplan zijn in 2007 belangrijke maatregelen getroffen en voor 2008 aangekondigd. | Probleem afbakenen: meer inzicht verkrijgen in locatie en omvang ervan, zodat maatre- gelen gerichter kunnen wor- den ingezet. Maatregelen verder vooral richten op: 1. tijdigheid verplichtingenregistratie; 2. kwaliteit in beschikkingen gestelde voorwaarden; 3. kritische beoordeling voorschotbetalingen; 4. kwaliteit dossiervorming. | Verdere ontwikkeling, implementatie en uitvoering van lopende trajecten voor: – Financieel Dienstencentrum; – programma «Versterking Financiële Functie»; – actie wegwerken oude voorschotten; – professionalisering en verzakelijking aansturing DLO; – actieplan subsidiebeheer; – verbetering aansturing baten-lastendiensten, zbo’s en rwt’s. | § 3.1.2 |
DEEL II: ONDERZOEKSBEVINDINGEN EN OORDELEN
In dit deel van het rapport vindt u de oordelen en de belangrijkste bevindingen van ons rechtmatigheidsonderzoek bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Een uitgebreide samenvatting en de bestuurlijke reactie op ons rapport is opgenomen in deel I.
Hieronder geven we eerst een beschrijving van het ministerie. Ook gaan we in op onze onderzoeksaanpak en wijze van rapporteren. In hoofdstuk 2 presenteren wij vervolgens onze oordelen over het Jaarverslag 2007 van het Ministerie van LNV. In hoofdstuk 3 gaan wij in op de bedrijfsvoering van het ministerie. Ten slotte gaan we in hoofdstuk 4 nader in op de beleidsinformatie in begroting en jaarverslag.
1.1 Over het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Wij rapporteren per begrotingshoofdstuk over de resultaten van ons onderzoek. In totaal zijn er 26 begrotingshoofdstukken. Dit rapport gaat over begrotingshoofdstuk XIV: het Ministerie van LNV.
Het Ministerie van LNV draagt verantwoordelijkheid voor het realiseren van een duurzame landbouw, een vitale natuur, een vertrouwd platteland en een hoogwaardig voedselaanbod en voor het agrarisch onderwijs. Het beleid wordt grotendeels decentraal gerealiseerd door lagere bestuursorganen en belangenorganisaties. Het ministerie zelf verstrekt vooral subsidies. De uitvoering van subsidieregelingen vindt voor een belangrijk deel plaats bij de departementale baten-lastendiensten.
De uitgaven van het ministerie in 2007 bedroegen € 2 384,4 miljoen. De verplichtingen bedroegen € 5 339,4 miljoen en de ontvangsten € 496,9 miljoen. In het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het structuurbeleid ontvangt LNV jaarlijks een EU-bijdrage van ongeveer € 1,05 miljard.
Het Europese speelveld en de Europese spelregels zijn sterk bepalend voor het beleid van de minister van LNV. Hoewel een groot deel van de genoemde EU-ontvangsten en -uitgaven buiten begrotingsverband wordt verantwoord, blijft het ministerie verantwoordelijk voor een rechtmatige en doelmatige besteding van deze middelen. Voor meer achtergrondinformatie en voor ons oordeel bij de lidstaatverklaring over het beheer, verantwoording en controle van de Europese gelden in relatie tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid, verwijzen wij naar ons rapport bij de Nederlandse EU-lidstaatverklaring, dat binnenkort wordt gepubliceerd.
Periferie: rwt’s, zbo’s en fondsen
De periferie van het Ministerie van LNV kent een groot aantal externe organisaties waarmee het ministerie een (financiële) relatie onderhoudt. Uit de bijlage bij het jaarverslag 2007 blijkt dat het ministerie toezicht moet houden op dertig (categorieën van) organisaties die als rechtspersoon met een wettelijke taak en/of als zelfstandig bestuursorgaan zijn aangemerkt.1 In 2007 heeft het ministerie€ 938,5 miljoen bijgedragen in de exploitatie van deze rwt’s en zbo’s.
In onderstaand overzicht geven wij een beschrijving van het Ministerie van LNV aan de hand van een aantal kengetallen.
| Overzicht 1. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV) in kengetallen | |
|---|---|
| Totaal verplichtingen | € 5,3 miljard |
| Totaal begrotingsuitgaven | € 2,4 miljard |
| Totaal begrotingsontvangsten | € 497 miljoen |
| Eindsaldo post «Uitgaven buiten begrotingsverband» | € 315 miljoen |
| – waarvan ELGF | € 275 miljoen |
| Apparaatsuitgaven | € 0,7 miljard |
| – waarvan personeelsuitgaven | € 484 miljoen |
| Programma-uitgaven | € 1,7 miljard |
| – waarvan uitgaven voor kennis en innovatie | € 901 miljoen |
| Aantal begrotingsartikelen | 9 |
| – waarvan beleidsartikel | 7 |
| – waarvan niet-beleidsartikel | 2 |
| Aantal personen werkzaam (in fte’s)* | 6 919 |
| Baten-lastendiensten | 5 (PD, DR, AID, VWA, DLG) in 2007. Vanaf 2008 is ook DICTU een baten-lastendienst |
| Aantal directies en diensten (Ministerie van LNV heeft geen DG’s) | 17 in 2007; 16 per 2008 |
| Begrotingsfonds | Diergezondheidsfonds |
| Rechtspersonen met wettelijke taak | 39 |
| – waarvan begrotingsgefinancierd | 27 (€ 935 miljoen) |
| – waarvan heffing gefinancierd | 0 |
| – waarvan premie- en tariefgefinancierd | 12 |
| Recent onderzoek van de Algemene Rekenkamer op het terrein van het Ministerie van LNV | • Terugblikonderzoek Belasting als beleidsinstrument (2008) • Terugblikonderzoek Voedselveiligheid en diervoeders (2008) • Terugblikonderzoek Fysieke controles op Europese subsidies voor boter (2008) • Ecologische Hoofdstructuur (2006) Voedselveiligheid en diervoeders (2005) |
| Grote ICT-projecten | LNV besteedt gemiddeld genomen per jaar € 40 a € 45 miljoen aan ICT-ontwik- keling. Opgeteld over de jaren heen pas- seren twee projecten de grens van € 20 miljoen: – Relatie Identificatie LNV voor de invoering van BSN en BIN; – Elektronische Dienstverlening LNV voor de verbetering van de elektronische dienstverlening. |
* Bron: Sociaal Jaarverslag Rijk 2007 (21 mei 2008).
Ministers verantwoorden zich in hun jaarverslagen over de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van het ministerie (financiële informatie), over de manier waarop het ministerie heeft gefunctioneerd (informatie over de bedrijfsvoering) en over vraag of de doelen en prestaties die in de begroting van het ministerie waren afgesproken, ook zijn gerealiseerd (informatie over het beleid).
De Algemene Rekenkamer doet jaarlijks rechtmatigheidsonderzoek bij de rijksoverheid. Dit doen wij door na te gaan of de jaarverslagen van de ministers voldoen aan de eisen die de Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001) stelt: is de financiële informatie, de informatie over bedrijfsvoering en de informatie over beleid tot stand gekomen volgens de daarvoor geldende regels en goed weergegeven?
Daarnaast onderzoeken we ook de bedrijfsvoering zelf. Hiervoor gaan we onder andere na of het financieel beheer en materieelbeheer voldoen aan de eisen die de CW 2001 stelt.
Figuur 1 laat zien wat wij wanneer onderzoeken en voor wie.

Op basis van een risicoanalyse hebben we een programma opgesteld voor het rechtmatigheidsonderzoek 2007 bij het Ministerie van LNV. Op grond van dit programma hebben we dit jaar onder meer specifiek aandacht besteed aan de volgende onderwerpen:
– onvolkomenheden (subsidiebeheer en interne controle) en aandachtspunten uit de Audit Actielijst 2007;
– EU-aanbestedingen.
In ons rapport bij het jaarverslag melden we zowel de fouten en onzekerheden in de financiële informatie die de kwantitatieve tolerantiegrenzen overschrijden als de fouten en onzekerheden in de financiële informatie die dekwalitatieve tolerantiegrenzen overschrijden. Daarnaast vermelden we de onvolkomenheden die wij constateren in de bedrijfsvoering. Onder «fouten» verstaan we financiële informatie die niet rechtmatig tot stand gekomen is (het begrotingsgeld is niet volgens de regels uitgegeven) of die niet deugdelijk is weergegeven (er is geen goede verantwoording afgelegd in het jaarverslag). Van «onzekerheden» spreken we wanneer we door onvolkomenheden in het financieel beheer niet kunnen vaststellen of er al dan niet sprake is van fouten.
Op www.rekenkamer.nl kunt u meer lezen over hoe onze rapporten bij de jaarverslagen tot stand komen.
De Algemene Rekenkamer heeft het Jaarverslag 2007 van het Ministerie van LNV beoordeeld. Wij hebben onderzocht of de minister het begrotingsgeld volgens de regels heeft uitgegeven en ontvangen en of hij daarover in het jaarverslag goed verantwoording heeft afgelegd.
Verder hebben we onderzocht of de informatie in het jaarverslag over de bedrijfsvoering en over het gevoerde beleid, deugdelijk tot stand is gekomen en voldoet aan de daaraan te stellen kwaliteitsnormen.
In dit hoofdstuk lichten wij ons oordeel over het jaarverslag toe. Dit oordeel bestaat uit deeloordelen over:
• de financiële informatie (§ 2.1);
• de departementale saldibalans (§ 2.2);
• de informatie over de bedrijfsvoering (§ 2.3);
• de informatie over het gevoerde beleid (§ 2.4).
2.1 Oordeel over de financiële informatie
De financiële informatie in het jaarverslag bestaat uit de volgende onderdelen:
• de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten in de verantwoordingsstaat en de toelichting daarbij;
• de baten, lasten, kapitaaluitgaven, kapitaalontvangsten en balansposten in de samenvattende verantwoordingsstaat van de baten-lastendiensten en de toelichting daarbij.
De financiële informatie dient op grond van de CW 2001:
• rechtmatig tot stand te zijn gekomen;
• deugdelijk te zijn weergegeven;
• te voldoen aan de verslaggevingsvoorschriften.
De financiële informatie in het Jaarverslag 2007 van het Ministerie van LNV voldoet aan de eisen die de CW 2001 stelt. Dit betekent dat wij geen belangrijke fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid en de deugdelijke weergave hebben geconstateerd die de kwantitatieve tolerantiegrenzen overschrijden.
Vorig jaar rapporteerden wij bij vier artikelen een overschrijding van de kwantitatieve toleranties, nu bij geen enkel artikel. Voor een belangrijk deel is dit het gevolg van het experiment met de verruimde tolerantiegrenzen (zie hiervoor ons rapport Rijk Verantwoord 2007, dat net als voorliggend rapport op 21 mei 2008 verschijnt).
In bijlage 1 van dit deel van het rapport staat een overzicht van alle fouten en onzekerheden.
Het bedrag aan verplichtingen omvat in totaal € 24,3 miljoen aan overschrijdingen op de begrotingsartikelen 27 en 29. Het bedrag aan uitgaven omvat in totaal € 15,9 miljoen aan overschrijdingen op de begrotingsartikelen 21, 22, 23, 27 en 29. Gaan de Staten-Generaal niet akkoord met de hiermee samenhangende slotwetmutaties, dan moeten wij ons oordeel over de financiële informatie mogelijk herzien.
Naleving Europese aanbestedingsregels
De Tweede Kamer heeft de afgelopen jaren geïnformeerd naar het naleven van de Europese aanbestedingsregels door de ministeries. Wij constateren dat bij het Ministerie van LNV in vier gevallen deze regels niet nageleefd zijn. In totaal gaat het hier om een bedrag van € 13 382 286. De grootste post betreft de afkoop van licenties voor het gebruik van Oracle-software, waarmee een bedrag gemoeid is van € 12 684 811, te betalen over de jaren 2007 tot en met 2011. Wij komen tot de conclusie dat deze post onrechtmatig is omdat een goede vastlegging (op het moment) van het niet-Europees aanbesteden niet in het dossier is opgenomen. De overige drie posten, met een totaalbedrag van € 697 475, hebben betrekking op uitgaven voor schoonmaak, organisatieadvies en communicatie. Voor deze posten heeft ten onrechte geen Europese aanbesteding plaatsgevonden.
Ontwikkeling van fouten en onzekerheden
Om iets te kunnen zeggen over de ontwikkeling van fouten en onzekerheden hebben we de dit jaar geconstateerde fouten en onzekerheden op artikelniveau gerelateerd aan de tolerantiegrens van vorig jaar. Op grond hiervan concluderen wij dat er sprake is van een verbetering. Hieronder hebben wij dit nader toegelicht.
Bij de verplichtingen en ontvangsten is op basis van de «oude» toleranties geen overschrijding van fouten en onzekerheden op artikelniveau geconstateerd. Vorig jaar was nog bij twee respectievelijk één artikel(en) een overschrijding vastgesteld.
Bij de uitgaven is op basis van de «oude» toleranties sprake van een overschrijding van fouten en onzekerheden op één artikel terwijl vorig jaar nog bij vier artikelen een overschrijding is geconstateerd.
Op basis van de «nieuwe» toleranties laat de saldibalans op postniveau geen overschrijding in de fouten en onzekerheden zien. Met toepassing van de «oude» toleranties is sprake van een overschrijding bij de vorderingen en de voorschotten.
Ook de afgerekende voorschotten laten op basis van de «nieuwe» toleranties geen overschrijding van de fouten en onzekerheden zien. Bij toepassing van de «oude» toleranties zou dit, evenals vorig jaar, wel het geval zijn geweest.
2.2 Oordeel over de saldibalans en toelichting
De saldibalans is een overzicht van de posten die aan het eind van het jaar nog openstaan en die naar het volgende jaar moeten worden meegenomen. Bij de saldibalans hoort een toelichting waarin nadere informatie wordt verstrekt over de afzonderlijke posten op deze balans.
De informatie in de saldibalans dient op grond van de CW 2001:
• rechtmatig tot stand te zijn gekomen;
• deugdelijk te zijn weergegeven;
• te voldoen aan de verslaggevingsvoorschriften.
De informatie in de saldibalans in het Jaarverslag 2007 van het Ministerie van LNV voldoet aan de eisen die de CW 2001 stelt. Dit betekent dat wij geen belangrijke fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid en de deugdelijke weergave hebben geconstateerd die de kwantitatieve tolerantiegrenzen overschrijden.
In 2007 heeft het Ministerie van LNV voor een bedrag van € 1,8 miljard aan openstaande voorschotten afgerekend.
Wij hebben vastgesteld dat deze afrekeningen voldoen aan de daaraan te stellen eisen.
In bijlage 1 van dit deel van het rapport staat een overzicht van alle fouten en onzekerheden.
2.3 Oordeel over de informatie over de bedrijfsvoering
In de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag van een ministerie verantwoordt de minister zich over de rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering (of het begrotingsgeld volgens de regels is uitgegeven), over de totstandkoming van de beleidsinformatie, over het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer en over de overige aspecten van de bedrijfsvoering.
De informatie over de bedrijfsvoering dient op grond van de CW 2001:
• op deugdelijke wijze tot stand te zijn gekomen;
• te voldoen aan de verslaggevingsvoorschriften.
Deze twee aspecten betrekken wij in ons oordeel over de informatie over de bedrijfsvoering. We zeggen daarmee niets over de kwaliteit van de informatie zelf.
Om tot een oordeel te komen over de al dan niet deugdelijke wijze van totstandkoming van de informatie over de bedrijfsvoering hebben wij de volgende aspecten ervan onderzocht:
• Beschikt de minister over een procedure voor de totstandkoming van de bedrijfsvoeringsparagraaf waarin de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van alle actoren zijn vastgelegd?
• Heeft de minister vooraf criteria geformuleerd voor wat moet worden aangemerkt als opmerkelijke zaken en tekortkomingen in de bedrijfsvoering?
• Is het verloop van de totstandkoming controleerbaar en is het afwegingsproces daarbij transparant vastgelegd?
Oordeel over de informatie over de bedrijfsvoering
De informatie over de bedrijfsvoering in het Jaarverslag 2007 van het Ministerie van LNV is op deugdelijke wijze tot stand gekomen en voldoet aan de verslaggevingsvoorschriften.
De resultaten van ons onderzoek naar de bedrijfsvoering zelf staan in hoofdstuk 3.
2.4 Oordeel over de informatie over het gevoerde beleid
In het jaarverslag verstrekt de minister ook beleidsinformatie:
informatie over de gerealiseerde effecten van zijn beleid, de daartoe geleverde prestaties en de daarmee gemoeide kosten.
De Algemene Rekenkamer beoordeelt ieder jaar de totstandkoming van de beleidsinformatie en of deze informatie voldoet aan de verslaggevingseisen. Voor ons oordeel sluiten we aan bij de eisen die aan het totstandkomingsproces van beleidsinformatie worden gesteld in de Regeling periodiek evaluatieonderzoek en beleidsinformatie 2006. In ons onderzoek naar de jaarverslagen kijken wij ook naar de beschikbaarheid en de bruikbaarheid van de beleidsinformatie. Hierop gaan we in hoofdstuk 4 in.
De informatie over het gevoerde beleid in het Jaarverslag 2007 van het Ministerie van LNV is op deugdelijke wijze tot stand gekomen en voldoet aan de verslaggevingseisen.
Wij vragen aandacht voor het experiment waar het Ministerie van LNV aan meewerkt om het jaarverslag meer nadruk en politieke zeggingskracht te geven. In hoofdstuk 4 gaan we hier nader op in.
De Algemene Rekenkamer heeft de bedrijfsvoering van het Ministerie van LNV onderzocht. Onder de bedrijfsvoering vallen alle bedrijfsprocessen die ervoor zorgen dat een ministerie functioneert: het financieel beheer en het materieelbeheer en de processen op het gebied van personeel, informatievoorziening, administratie, communicatie en huisvesting.
Wij geven in dit hoofdstuk een oordeel over het financieel beheer en het materieelbeheer en de daartoe bijgehouden administraties. Daarbij gaan we dieper in op de eventuele onvolkomenheden op deze terreinen (§ 3.1).
Verder gaan we in dit hoofdstuk in op een aantal andere onderdelen van de bedrijfsvoering, die geen onderdeel zijn van ons oordeel over het financieel beheer en materieelbeheer. Ook schetsen we een beeld van de bedrijfsvoering in de afgelopen drie jaar (§ 3.2).
3.1 Oordeel over het financieel beheer en materieelbeheer
Het financieel beheer, het materieelbeheer en de daartoe bijgehouden administraties moeten op grond van de CW 2001 voldoen aan de eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid.
De onderzochte onderdelen van het financieel beheer, het materieelbeheer en de daartoe bijgehouden administraties van het Ministerie van LNV voldeden in 2007 aan de in de CW 2001 gestelde eisen, met uitzondering van:
– de administratie van het LNV-concern; en,
– het beheer van programma-uitgaven.
Hieronder gaan we dieper in op deze onvolkomenheden.
3.1.1 Departementale begrotingsadministratie
Vorig jaar noemde de Algemene Rekenkamer in de Audit Actielijst (AAL) de administratie van het LNV-concern een aandachtspunt. Aandacht is nodig voor de foutgevoeligheid en de diverse met de hand tot stand te brengen aansluitingen in de departementale begrotingsadministratie. In verband hiermee heeft het departement aan de Algemene Rekenkamer toegezegd dat er meer aandacht zou worden gegeven aan de zogenoemde tussentijdse afsluitingen die het proces van totstandkoming van de financiële verantwoording voor alle betrokkenen, dus ook voor de controle instanties moeten versoepelen.
Ten opzichte van vorig jaar is er echter geen verbetering opgetreden in de beheersing van het administratieve proces. De tussentijdse afsluitingen zijn niet zoals toegezegd door alle directies uitgevoerd en op de (voor de oplevering van delen van het jaarverslag) vastgestelde data voldeed geen enkel onderdeel aan de redelijkerwijs te stellen kwaliteitseisen. De tijdige totstandkoming van het jaarverslag kwam als gevolg hiervan onder druk te staan hetgeen ook gevolgen heeft voor het proces dat de controle-instanties (als de departementale auditdienst en de Algemene Rekenkamer) voor een deel op basis van voorlopige concepten moeten uitvoeren. De kwaliteit van de overgelegde concepten bepaalt in belangrijke mate de druk die op het controleproces ontstaat.
Ook door andere oorzaken is de totstandkoming van het LNV-jaarverslag in 2007 niet goed verlopen. Niet alleen kwam de tijdige oplevering door het vorenstaande onder druk te staan, het definitieve jaarverslag was een week te laat beschikbaar voor de controle door de departementale auditdienst en de Algemene Rekenkamer.
Correcties in de saldibalans en in de verantwoordingen van baten-lastendiensten waren in een te laat stadium nog noodzakelijk. De correcties betroffen onder andere de overdracht aan de provincies van € 1,3 miljard uit het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG). Met name de administratieve jaarafsluiting bij de Dienst Regelingen vormde dit jaar een knelpunt bij het tijdig opleveren van de jaarverantwoording van het ministerie. Op 15 april 2008, na het uitbrengen van het LNV-jaarverslag, kon de Algemene Rekenkamer nog niet beschikken over een gecertificeerde jaarrekening van de Dienst Regelingen en een overzicht van de daarin geconstateerde fouten en onzekerheden. De auditdienst gaf aan dat de fouten en onzekerheden geen gevolgen kunnen hebben voor het oordeel over het jaarverslag. Als oorzaken van de problemen bij de Dienst Regelingen gaf de auditdienst aan dat bij de centrale administratie van deze baten lastendienst sprake was van een gebrek aan financiële kennis die mogelijk verband hield met personele wisselingen.
Bovenstaande bevindingen duiden op een onvoldoende beheerst administratief totstandkomingproces. Als gevolg daarvan loopt het ministerie het risico dat de jaarlijkse verantwoording fouten en onzekerheden bevat, die door de korte tijdspanne tussen oplevering en publicatie ook door de controle-instanties niet vroegtijdig kunnen worden opgemerkt. Hierdoor ontstaan er op momenten dat daar echt geen ruimte meer voor bestaat inhoudelijke discussies over materiële bedragen. Dergelijke discussies dienen in een vroegtijdig stadium door het departement en de genoemde controle-instanties te kunnen worden gevoerd.
Daarnaast kunnen er als gevolg van het niet-nakomen van de toezegging met betrekking tot de tussentijdse aansluitingen ook in de uitvoering van het begrotingsproces financiële risico’s ontstaan als gevolg van fouten in de gegevensverwerking. Het verplichtingenbudget kan bijvoorbeeld worden overschreden doordat niet tijdig wordt opgemerkt dat verplichtingen niet of niet juist in de administratie zijn verwerkt.
Het ministerie is in 2007 begonnen met de ontwikkeling van een nieuw geautomatiseerd financieel systeem. De ingebruikname van dit systeem kan bijdragen aan een ordelijke en tijdige totstandkoming van de financiële verantwoording, mits vroegtijdig departementsbrede afspraken worden gemaakt over het nieuw op te stellen rekeningschema en de daarin te hanteren boekingssystematiek.
Het departement werkt, zo blijkt uit het vorenstaande, aan een structurele oplossing voor de problemen in dit kader. Dit laat echter onverlet dat naleving van afspraken over tussentijdse afsluitingen en specificaties van de departementale administraties ook in 2008 onverminderd noodzakelijk blijven.
3.1.2 Beheer programma-uitgaven (onderzoek subsidiebeheer)
Naar aanleiding van onze bevindingen over 2006 heeft het ministerie in 2007 een actieplan subsidiebeheer opgesteld. Wij hebben de opzet en uitvoering van dit plan kritisch beoordeeld. Daarnaast hebben we bij de beleidsdirecties onderzoek gedaan naar de werking van de door het departement getroffen maatregelen. Vorig jaar spraken wij ten aanzien van deze onvolkomenheid over subsidiebeheer van de beleidsdirecties. De problematiek strekt zich echter ook uit over de andere overdrachts- en transactie-uitgaven van de beleidsdirecties. Vandaar dat wij verder spreken van programma-uitgaven.
Wij hebben vastgesteld dat in 2007 de monitoring van en het toezicht op de uitvoering van het actieplan op adequate wijze is vormgegeven. Aan de uitvoering van het plan is van hoog tot laag in de organisatie deelgenomen. Van de diverse voortgangsgesprekken die in een breed verband met de auditdienst, de directie Financieel-Economische Zaken (FEZ) en beleidsdirecties zijn gevoerd is uitgebreid verslag gedaan en de in dat verband gemaakte afspraken zijn schriftelijk vastgelegd.
Uit dossieronderzoek blijkt dat bij de beleidsdirecties in 2007 sprake was van:
• te laat boeken van verplichtingen (voor een deel volgend op het jaar van aangaan);
• afwijken van aan derden opgelegde voorwaarden zonder dat de reden daarvan was vastgelegd;
• voorbijgaan aan de betekenis van beperkingen in accountantsverklaringen;
• onvolledigheid dossiers bij het Financieel Dienstencentrum (FDC);
• onjuiste verstrekking voorschotten aan derden.
Ten opzichte van vorig jaar is de omvang van de financiële populatie waar de knelpunten zich kunnen voordoen (door maatregelen en compartimentering) terug gebracht tot € 162 miljoen.1 Het financieel belang van deze categorie begrotingsuitgaven is ongeveer 9% van de totale programma-uitgaven van het ministerie. Een belangrijke maatregel die het financieel belang van de onvolkomenheid subsidiebeheer 2006 heeft teruggebracht is het aanpakken van de onjuiste afrekening van de aan de Dienst Landbouwkundig Onderzoek verstrekte voorschotten.
Wij concluderen op basis van het financieel belang waarop de onvolkomenheid maximaal betrekking heeft dat er sprake is van een substantiële verbetering. Wel menen wij dat de effectiviteit van de in 2007 getroffen maatregelen deels nog moet blijken, en een deel van de maatregelen zal pas in 2008 daadwerkelijk worden ingezet. Op grond van onze bevindingen zal de aandacht van het ministerie zich wat deze programma-uitgaven betreft vooral moeten richten op de tijdigheid van de verplichtingenregistratie, de kwaliteit van de in beschikkingen gestelde voorwaarden, een kritische beoordeling van voorschotbetalingen (heeft de aanvrager het voorschot werkelijk nodig?) en de kwaliteit van de dossiervorming.
3.2 Ontwikkeling in de bedrijfsvoering
In figuur 2 hebben we de ontwikkeling in de bedrijfsvoering in de afgelopen drie jaar opgenomen. De figuur laat zien welke (ernstige) onvolkomenheden wij de laatste jaren hebben aangetroffen in het financieel beheer en materieelbeheer en in de overige onderdelen van de bedrijfsvoering, en welke onvolkomenheden zijn opgelost.

Hieronder gaan we in op enkele belangrijke ontwikkelingen en onderwerpen waar het ministerie aandacht aan moet blijven besteden om de recht- en doelmatige besteding van publieke middelen te bewaken.
3.2.1 Vooruitgang bedrijfsvoering
Er heeft zich in 2007 een aantal positieve ontwikkelingen voorgedaan in de bedrijfsvoering van het ministerie. Zo draagt de oprichting van het Financieel Dienstencentrum (FDC) op 1 juli 2007 bij aan harmonisering van de financieel-administratieve processen en aan versterking van de interne controle. Het managementcontrolsysteem is verbeterd door de introductie van rondetafelgesprekken tussen de beleidsdirecties, de directie FEZ en de auditdienst, waarbij inhoudelijk wordt gesproken over geconstateerde tekortkomingen en lopende vraagstukken. Hierdoor kunnen problemen sneller worden herkend, kan tijdig worden bijgestuurd en kan het lerend vermogen van betrokken actoren worden vergroot.
Managementcontrolsysteem voor verbetering vatbaar
Er zijn enkele kanttekeningen te plaatsen bij de effectiviteit van het managementcontrolsysteem (MCS). Zo heeft de auditdienst vastgesteld dat afwijkingen die zijn gemeld in de MCS-rapportages afkomstig zijn van tussentijdse bevindingen uit de accountantscontrole en niet zozeer uit eigen waarneming. Bovendien valt het op dat zodra directies en diensten een aandachtspunt onderkennen, dit aandachtspunt veelal op «groen» wordt gezet. De redenatie is: onderkenning van probleem en een stellig voornemen tot actie betekent dat men «in control» is. De MCS-rapportage verliest op die manier haar informatiewaarde en is het niet goed bruikbaar voor risicomanagement. Naast het vaststellen van een plan van aanpak en het daadwerkelijk treffen van maatregelen (opzet van administratieve organisatie) is het van belang om inzicht te hebben in de effectiviteit van de geïmplementeerde maatregelen (werking van administratieve organisatie en de daarin vervatte maatregelen van interne controle). In dit kader benadrukken wij het belang van adequaat toezicht vanuit de verantwoordelijke stafdirecties bij het Ministerie van LNV. Hierbij kan niet worden volstaan met het overnemen van MCS-rapporten, maar zal actief verbijzonderde interne controle moeten plaatsvinden. Het is namelijk niet mogelijk dat de auditdienst in volle omvang de werking van alle relevante processen elk jaar in de audit betrekt. De directie FEZ heeft ons via haar concept-toezichtsprogramma inzicht gegeven in de wijze waarop zij deze toezichtsrol gaat invullen.
Inhoud bedrijfsvoeringsparagraaf
De bedrijfsvoeringsparagraaf gaat naar onze mening ten onrechte niet in op de stand van zaken rond de implementatie van het ILG (zie § 3.2.2) en geeft een te positief beeld van het toezicht op externe relaties. Ten aanzien van dit toezicht is vermeld dat slechts 0,2% van de rechtstreekse bijdrage over 2006 van LNV aan externe relaties nog niet is gedekt door een rechtmatigheidsoordeel. Indien in deze beoordeling de cijfers over 2007 waren betrokken dan had het resultaat er, door de stortingen in het Nationaal Groenfonds, veel ongunstiger uitgezien. Het rechtmatigheidsoordeel dient bovendien behalve genoemde uitgaven ook de saldi en mutaties te omvatten die zijn gevormd door:
– de door het Rijk gedane stortingen in voorgaande jaren;
– de door het Rijk gedane onttrekkingen, alsmede de gelden die direct uit deze «fondsen/reserves» tot besteding zijn gekomen.
Voor de aansturing van externe relaties is de ontwikkeling weliswaar positief, maar uit de onderliggende managementinformatie blijkt dat er ook in 2008 nog acties moeten plaatsvinden. De belangrijkste van deze acties zijn hieronder genoemd:
• De vijf ontbrekende aansturingsarrangementen moeten worden opgesteld en enkele reeds bestaande arrangementen zijn inmiddels toe aan actualisering.
• Het professionaliseringstraject moet in 2008 van start gaan om de kwaliteit van de aansturing te verbeteren.
• Het aantal ambtenaren in het bestuur en het secretariaat van de externe organisaties moet worden teruggebracht.
• Van zeven externe relaties moeten nog accountantsverklaringen komen die tevens een uitspraak doen over de rechtmatigheid.
Er bestaat bij het ministerie (het Bureau Bestuursraad) overigens een goed inzicht in de stand van zaken en de noodzakelijke verbetermaatregelen en het Audit Committee wordt hierover goed geïnformeerd.
De naar onze mening ontbrekende informatie in de bedrijfsvoeringsparagraaf over het ILG is toegelicht in § 3.2.2.
3.2.2 Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG): geen aansluiting bij sisa
De implementatie van de in 2007 in werking getreden Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) is nog gaande. Op grond van deze wet betaalt het Rijk gedurende een periode van zeven jaar in totaal een bedrag van € 3,2 miljard, via het Nationaal Groenfonds, aan de provincies. In 2007 is in dit kader € 439,2 miljoen aan «ILG-gelden» in het Nationaal Groenfonds gestort.
Wij zijn van mening dat, indien rekening wordt gehouden met het kasstelsel, een adequaat begrotingsbeheer vereist dat de betalingen van het Rijk en de bestedingen door de provincies gelijke tred houden. De provincies moeten met de door het Rijk ter beschikking gestelde gelden prestaties realiseren die aansluiten op de doelen van het rijksbeleid voor het landelijk gebied. Inmiddels is een bedrag van € 263,7 miljoen door de provincies aan het Nationaal Groenfonds onttrokken. Er is in 2007 derhalve ruim € 175 miljoen aan rijksbegrotingsgelden nog niet tot besteding gekomen.
De omvangrijkste prestatie die door de provincies moet worden gerealiseerd is de totstandkoming van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in 2018. De Tweede Kamer heeft de EHS in 2007 als groot project aangewezen. Deze aanwijzing brengt een zware verantwoordingsplicht met zich mee voor het Ministerie van LNV dat zich dienovereenkomstig door de provincies op betrouwbare wijze periodiek moet laten informeren over de voortgang. Deze verzwaring van de verantwoordingsplicht voor het ministerie lijkt op gespannen voet te staan met het uitgangspunt van de Wilg, dat de verantwoording door de provincies aan het departement pas in 2013 hoeft plaats te vinden.
In 2006 hebben wij de wijze beoordeeld waarop de provincies jaarlijks het Ministerie van LNV over hun prestaties en bestedingen in het kader van het ILG zouden informeren. Wij gaven aan dat die wijze als toereikend kan worden beschouwd. De informatie bestond uit:
1. overzichten die als bijlage bij de jaarverslagen van de provincies zouden worden gevoegd, op grond van afspraken van het Ministerie van BZK met de provincies over specifieke uitkeringen (de zogenoemde sisa-systematiek);1
2. gedetailleerde gegevensoverzichten die op grond van de bestuursovereenkomsten jaarlijks aan het Ministerie van LNV moeten worden aangeleverd.
De afspraak met het Ministerie van BZK dat de provincies in hun jaarverslagen gecertificeerde informatie (vermeld onder 1) moesten opnemen, heeft een belangrijke rol gespeeld bij onze positieve beoordeling. Via deze afspraken over de jaarverslagen en de controle daarop waren wij er immers van verzekerd dat de jaarlijks door de provincies aan LNV op te leveren informatie zou worden gecertificeerd. In 2007 heeft het Ministerie van LNV echter besloten dat de afspraken van BZK over de verantwoording van specifieke uitkeringen toch niet van toepassing zullen zijn op de voortgangsinformatie die in het kader van het ILG moet worden overgelegd. Als gevolg van dit besluit bestaat nu onduidelijkheid over de vraag of de resterende voortgangsinformatie in het kader van het ILG (vermeld onder 2) zal worden gecertificeerd.
Dit achten wij een probleem waarvan het belang door de verzwaring van de verantwoordingsprocedure met betrekking tot de EHS nog eens aanzienlijk is toegenomen. Wij vinden het van belang dat op korte termijn alsnog duidelijk wordt vastgesteld welke informatie jaarlijks beschikbaar moet zijn. Daarnaast zal duidelijkheid moeten komen over de eisen die aan de controle van de voortgangsinformatie wordt gesteld. Hierbij is onder meer van belang:
• de nauwkeurigheid waarmee de controle wordt uitgevoerd (welke toleranties worden gehanteerd?);
• de mate van diepgang waarmee de niet-financiële informatie (als opgeleverde hectares) wordt gecontroleerd;
• de wijze waarop zekerheid wordt verkregen over de kwaliteit van de niet-financiële informatie. Behalve door middel van accountantsonderzoeken kan over de kwaliteit van de niet-financiële informatie ook zekerheid worden verkregen door periodieke visitaties uitgevoerd door deskundigen op de desbetreffende gebieden.
Idealiter wordt de controle op de voortgangsinformatie in het kader van het ILG afgestemd op de eisen die aan de EHS als groot project worden gesteld. Tevens is het uit doelmatigheidsoverwegingen aan te bevelen de controle van de voortgangsinformatie zodanig vorm te geven dat zonder al te veel extra controle-inspanningen na zeven jaar met de provincies kan worden afgerekend.
Verder constateren wij in de controle- en verantwoordingsstructuur een mogelijk belangenconflict. Het gaat hierbij om de objectiviteit van de auditdienst binnen de toezichtstructuur en bij de uitoefening van haar adviesfunctie. De auditdienst van het Ministerie van LNV is in de huidige opzet door de provincies belast met de controle bij de Dienst Landelijk Gebied en de Dienst Regelingen. Om vast te stellen dat zij op deze controle kan steunen, voert de accountant van de provincie een review uit op het werk van de auditdienst. Aan de «achterkant» dient de verantwoordelijke beleidsdirectie vanuit haar toezichtfunctie toe te zien op het werk van de provinciale accountant. De auditdienst moet zich vervolgens een oordeel vormen over de kwaliteit van het toezicht dat deze directies houden op de bestedingen uit het ILG. Doordat echter de auditdienst thans wordt ingezet bij de controles voor de provincies, komt de objectiviteit van dit oordeel onder druk te staan. Dit geldt ook voor de objectiviteit die nodig is bij de uitoefening van haar adviesfunctie inzake de inrichting van de toezichtstructuur.
Wij bevelen derhalve aan om de huidige inzet van de auditdienst in de bestaande controlestructuren en de verschillende rollen die zij hiermee vervult nog eens kritisch tegen het licht te houden.
Mede door in § 3.2.1 beschreven maatregelen kwalificeren we het (toezicht op functioneren) interne controle niet langer als onvolkomenheid. Wel willen wij naar aanleiding van de werkzaamheden die wij in 2007 hebben uitgevoerd naar de onvolkomenheid uit 2006, enkele verbeterpunten naar voren brengen.
De stafdirectie Informatiebeleid en Facilitaire Zaken (IFZ) kan het toezicht op de naleving van de inkoopkaders verder verbeteren door ook zelfstandig te toetsen of de diensten/directies de inkoopkaders naleven. In het bijzonder bevelen wij aan dat de directie IFZ ook de naleving van de Europese aanbesteding in het toezicht betrekt.
Ten aanzien van het beheer van materiële uitgaven1 signaleren wij de volgende verbeterpunten:
• Dossiervorming
Voor een goede werking van de interne controle zullen documenten als contracten en offertes standaard in het dossier opgenomen moeten zijn. Deze documenten zijn nodig om de rechtmatigheid van de uitgaven vast te stellen. Wij bevelen aan de dossiervorming verder te verbeteren.
• Functiescheiding ten aanzien van de prestatielevering inbedden in de administratieve organisatie (AO)
Binnen het departement is niet (structureel) geregeld wie bevoegd is om de prestatielevering te accorderen. Bij de beoordeling van een aantal materiële uitgaven hebben wij vastgesteld dat de opdrachtverstrekking en de prestatielevering door dezelfde persoon werd gegeven. Een dergelijke functievermenging brengt het risico van onrechtmatige betalingen en ook fraude met zich mee. Wij adviseren deze tekortkoming in de opzet van de AO te corrigeren.
• Contractbeheer
De juistheid, volledigheid en actualiteit van het contractenregister (Contracto) is niet gewaarborgd. Voorts is in 2007 vastgesteld dat niet alle daarvoor in aanmerking komende contracten in Contracto staan geregistreerd. Hierdoor bestaat het risico dat diensten en directies overeenkomsten afsluiten waarvoor reeds een (raam)overeenkomst aanwezig is, en dat niet tijdig nieuwe aanbestedingen worden gedaan bij aflopende contracten. Wij bevelen aan contracten consequent te registreren in Contracto, hierop binnen directies interne controle uit te voeren en daarop door IFZ toezicht uit te laten oefenen.
Met ingang van 1 januari 2008 is de Dienst ICT Uitvoering (DICTU) een batenlasten-dienst. DICTU is ontstaan door bundeling van uitvoerende ICT-activiteiten van alle diensten en directies van het Ministerie van LNV. In 2007 heeft de auditdienst de opzet, het bestaan en de werking van de administratieve organisatie en interne controle bij DICTU beoordeeld. De rapportages van de auditdienst laten een stijgende lijn in het beheer van de materiële uitgaven zien. Desalniettemin constateren wij nog een aantal belangrijke aandachtspunten:
• Europese aanbestedingsrichtlijnen
Het vastleggen van afwegingen in het kader van de Europese aanbestedingsregels vormt een belangrijk verbeterpunt. Tijdens ons onderzoek hebben wij vastgesteld dat bij de afkoop van Oracle-licenties in 2007 voor een bedrag van € 12,7 miljoen (te betalen over de jaren 2007 tot en met 2011) ten onrechte geen Europese aanbesteding heeft plaatsgevonden (zie ook § 2.1 Oordeel over de financiële informatie). Een goede vastlegging van het feit dat en de reden waarom er niet Europees zou worden aanbesteed, is niet in het dossier opgenomen.
Wij hebben vernomen dat DICTU momenteel bezig is met terugwerkende kracht tot begin 2007 een aantal dossiers waarvan de uitgaven boven de grens van de Europese aanbestedingen uitkomen maar waarvan geen aanbesteding heeft plaatsgevonden, na te lopen en te onderbouwen. Wij dringen erop aan voor de daarvoor in aanmerking komende contracten na te gaan of aanbesteding alsnog kan plaatsvinden.
Bij verlenging van contracten voor inhuur zal DICTU moeten nagaan of de verwachte uitgaven de Europese aanbestedingsdrempels overschrijden. Daarnaast heeft de auditdienst vastgesteld dat DICTU elke transactie afzonderlijk toetst aan de Europese aanbestedingsgrenzen. DICTU loopt hierdoor het risico dat verschillende transacties samen feitelijk één opdracht zijn die boven de Europese aanbestedingsgrens uitkomt.
• Offerteprocedure en dossiervorming
Uit de dossiers blijkt niet altijd duidelijk wat de overwegingen zijn geweest om af te wijken van de (interne) voorschriften of welke motivatie ten grondslag ligt aan besluiten in bijzondere situaties. Ook het vastleggen van de motivatie van de keuze van een leverancier na beoordeling van offertes vormt een aandachtspunt. Tevens hebben wij vastgesteld dat niet alle relevante documenten als (getekende) contracten en offertes in de dossiers zijn terug te vinden. Deze onvolledigheid van de dossiers komt ten dele voort uit het verleden. Echter, ook voor de toekomst blijft een adequate dossiervorming een aandachtspunt.
Europese regelgeving speelt een belangrijke rol op het beleidsterrein van het Ministerie van LNV. Nederland ontvangt op basis van het gemeenschappelijk landbouwbeleid veel geld uit de EU; in 2007 heeft ons land € 1,05 miljard gedeclareerd. Het beheer, de verantwoording en de controle rondom (de besteding van) deze gelden voldoet in het algemeen aan de eisen.
Problemen deden zich voor bij het geautomatiseerde systeem voor de uitvoering van de Bedrijfstoeslagregeling (BTR), die in 2007 EU-breed is ingevoerd.1 Dit systeem werkte nog onvoldoende, waardoor informatie te laat beschikbaar was en niet kon worden onderworpen aan alle relevante interne controles. Door middel van extra gegevensgerichte werkzaamheden heeft de auditdienst uiteindelijk voldoende controle-informatie verkregen. De dienst is op basis daarvan tot een positieve conclusie gekomen over de verwerking van de BTR-toeslagen.
De audits van de auditdienst resulteerden voor betrokken betaalorganen, de Dienst Regelingen en de Dienst Landelijk Gebied, uiteindelijk in vijf respectievelijk twee belangrijke aanbevelingen voor verbetering van het interne beheersysteem.
De goedkeuring die de Europese Commissie op 30 april 2008 had moeten verlenen aan de rekeningen over 2007 van de Dienst Regelingen, is aangehouden. Voor nadere informatie verwijzen wij naar ons rapport bij de lidstaatverklaring, dat binnenkort zal worden gepubliceerd.
3.2.5 Aansturing baten-lastendiensten
Het Ministerie van LNV kent vijf baten-lastendiensten. Wij hebben enkele knelpunten in het beheer bij de baten-lastendiensten geconstateerd die nog aandacht vragen:
– Procedures voor het eindejaarstraject zijn aangepast, maar worden niet integraal door de Dienst Landelijk Gebied toegepast. Dit betreft met name enkele procedures met betrekking tot de post onderhanden werk.
– De centrale financiële administratie en de centrale controllersorganisatie van de Dienst Regelingen zijn te weinig inhoudelijk betrokken bij de onderbouwing en consolidatie van de diverse jaarrekeningposten. Daarbij komt dat de aansturing van de decentrale onderdelen van de Dienst Regelingen via instructies op dit punt te wensen heeft overgelaten. Als gevolg van deze tekortkomingen in de administratieve organisatie heeft de opstelling van de jaarrekening 2007 ernstige vertraging ondervonden.
Inzicht in uitvoeringskosten van baten-lastendienst
Een kritieke succesfactor voor een baten-lastendienst is een goede kostencalculatie en daarop gebaseerde tarieven. De concerncontroller heeft in 2007 actie ondernomen om de nacalculatie van kosten van geleverde producten te verbeteren om zo meer inzicht te krijgen in de oorzaken van de kostenoverschrijdingen. Wij vinden dit een positieve ontwikkeling.
| Transparantie over de door de overheid geleverde prestaties (uitvoeringskosten) | ||||
| Wij hechten belang aan inzicht en transparantie van door de overheid geleverde pres- taties en de daarop betrekking hebbende kosten en baten. Een organisatie of burger die verplicht is te betalen voor bepaalde diensten, dient inzicht te krijgen in de service en de kosten die met de uitvoering zijn gemoeid. Om hier meer inzicht in te krijgen zijn wij nagegaan op welke wijze het Ministerie van LNV (in casu de VWA) inzicht biedt in de uitvoeringskosten van exportcertificering. | ||||
| Omdat het jaarverslag 2007 nog niet gereed was, hebben wij ons gericht op het jaarverslag 2006 van de VWA. Dit jaarverslag geeft inzicht in de activiteiten van de VWA en de daarbij behorende opbrengsten en kosten op totaal niveau. Dit jaarverslag bevat ook een accountantsverklaring die zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van de in het jaarverslag opgenomen informatie. Het jaarverslag bevat echter geen gedetailleerde informatie over bijvoorbeeld de exportcertificering en de hierbij beho- rende kosten en in rekening gebrachte retributies. De van toepassing zijnde verslag- gevingsregelsRegeling baten-lastendiensten 2007 en de artikelen 361 tot en met 391, uitgezonderd artikel 383 van Titel 9 van het Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. schrijven dit ook niet voor. Het Ministerie gaf aan dat het financieel belang van de exportcertificering in geen relatie staat tot de totale baten en lasten van de VWA. Zij staat echter niet afkerig tegenover de wens naar meer transparantie in de kosten, tarieven en procedures. De huidige procedure is dat het ministerie het bedrijfs- leven consulteert voordat een nieuwe retributieregeling wordt vastgesteld. Daarnaast worden bijeenkomsten georganiseerd om de regeling toe te lichten en inzage te geven in de kostenstructuur en de prestaties die hiervoor door de VWA worden geleverd. De VWA heeft ons aangegeven dat zij streeft naar meer transparantie en uitsplitsing van de kosten en opbrengsten in het jaarverslag. |
Naast de periodieke salarisbetalingen zijn er incidentele of tijdelijke betalingen aan personeel. De praktijk wijst uit dat de kans op fouten bij dergelijke betalingen groot is. Ook dit jaar zijn enkele fouten geconstateerd. De fouten bij dergelijke uitgaven zijn weliswaar niet snel materieel in kwantitatieve zin, maar vragen zeker in een politiek bestuurlijke context voldoende aandacht. Ter illustratie van het type mutaties zijn hieronder de in 2007 bij het Ministerie van LNV geconstateerde fouten weergegeven:
– De volgens de regels te korten betalingen bij langdurig zieken zijn te laat geëffectueerd.
– Er zijn schadeloosstellingen door directies vastgesteld boven de volgens mandaat toegestane € 1000.
– Tijdelijke toelagen worden onvoldoende actief bewaakt.
4 INFORMATIE OVER BELEID NADER BESCHOUWD
In dit hoofdstuk gaan we in op onze bevindingen van ons jaarlijkse aanvullende onderzoek naar de beschikbaarheid (§ 4.1) en bruikbaarheid (§ 4.2) van beleidsinformatie in de begroting en het jaarverslag.
Ten slotte gaan we in op een specifiek aspect van de bruikbaarheid van jaarverslagen voor de Tweede Kamer: informatievoorziening over ICT-projecten (§ 4.3).
Het Jaarverslag 2007 van het Ministerie van LNV is onderdeel van een experiment waartoe de minister van Financiën heeft besloten, in overleg met de Algemene Rekenkamer en de Tweede Kamer. Het doel van het experiment is om het jaarverslag meer focus en politieke zeggingskracht te geven en de verantwoordingslasten te verminderen. Het experiment houdt in dat de minister zich in het beleidsverslag in het jaarverslag uitgebreid verantwoordt over de kabinetsprioriteiten uit het coalitieakkoord en over enkele beleidsprioriteiten die specifieke zijn voor het departement. Over beleidsartikelen die niet onder deze prioriteiten vallen, neemt de minister in het jaarverslag alleen een financiële verantwoording op. Informatie over de realisatie van prestaties en doelen op het niveau van beleidsartikelen ontbreekt in het jaarverslag.
De jaarverslagen over 2007 van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en van Buitenlandse Zaken (BuZa) maken eveneens deel uit van het experiment.1
4.1 Beschikbaarheid van de beleidsinformatie
Wij onderzoeken ieder jaar hoe de minister zich in zijn jaarverslag verantwoordt over het realiseren van doelen, prestaties en de inzet van middelen die met de begroting zijn afgesproken. Door het experiment heeft de minister van LNV in zijn jaarverslag geen informatie opgenomen over de realisatie van doelen en prestaties op het niveau van beleidsartikelen. Daarom hebben we ons gebruikelijke onderzoek naar de beschikbaarheid van beleidsinformatie bij dit ministerie alleen uitgevoerd op de begroting 2008. We zijn hiervoor nagegaan of de minister per operationele doelstelling informatie heeft opgenomen over doelen, prestaties en middelen en zo niet, of het ontbreken van die informatie uitgelegd wordt (het zogenoemde «comply or explain»-principe)?
De resultaten van ons onderzoek zijn weergegeven in figuur 3. Om de ontwikkeling in de tijd te laten zien hebben we de beschikbaarheid van informatie in de begroting 2008 vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar begroting en jaarverslag 2005 en 2006 en de begroting 2007.

Uit onze beoordeling blijkt dat de begroting van het Ministerie van LNV in 2008 veel meer inzicht geeft in de beoogde effecten van het beleid dan de begroting 2007. Dit komt vooral doordat in de nieuwe begroting bij meer operationele doelen concreet antwoord is gegeven op de vraag «wat willen we bereiken?» Zo bevat de nieuwe LNV-begroting meer indicatoren waarmee kan worden gemeten in hoeverre het beoogde effect is gerealiseerd. Slechts bij twee operationele doelen ontbreekt een dergelijke indicator, bij één daarvan wordt dit in de leeswijzer toegelicht (explain).
Bij de informatie over de te leveren prestaties is het oordeel anders uitgevallen dan vorig jaar ook al waren er in de tekst van het betreffende artikel nauwelijks wijzigingen aangebracht. De informatie over de te leveren prestaties wordt minder positief beoordeeld dan in de vorige begroting. Dat komt doordat de prestaties in de nieuwe begroting meer specifiek, meetbaar en tijdgebonden geformuleerd kunnen worden. Een voorbeeld is beleidsartikel 21. Doelstelling 21.12 bijvoorbeeld, wordt onderverdeeld in acht «subdoelstellingen» (zie kader).
| OD 21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn. | ||||
| De minister van LNV wil de milieubelasting verminderen en een voortrekkersrol vervul- len bij het verbeteren van dierenwelzijn. Ze heeft de volgende doelstellingen: | ||||
| • ontwikkelen en stimuleren van duurzame en diervriendelijke productie en con- sumptie; | ||||
| • het ethisch aanvaardbaar toepassen van biotechnologie bij planten en dieren; | ||||
| • het waarborgen en verbeteren van het welzijn van landbouwhuisdieren en gezel- schapsdieren aansluitend op de EU-normen; | ||||
| • het verlagen van het gehalte aan stikstof en fosfaat in grond- en oppervlaktewater; | ||||
| • het bevorderen van de teelt van en handel in gezond en kwalitatief hoogwaardig plantaardig materiaal waarbij aan de internationale fytosanitaire eisen wordt voldaan; | ||||
| • het voorkomen van problemen op het gebied van milieu, voedselveiligheid- en arbeidsbescherming door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen; | ||||
| • het benutten van biodiversiteit in het primaire productieproces; | ||||
| • het coëxisteren van de drie teeltmethoden: gangbaar, biologisch en genetisch gemodificeerd. |
Slechts vijf van deze doelstellingen zijn uitgewerkt in instrumenten. Veel van deze instrumenten zijn echter niet specifiek en/of meetbaar geformuleerd, waardoor niet duidelijk is welke prestaties de minister van LNV in 2008 concreet gaat leveren. Een aantal voorbeelden daarvan is opgenomen in onderstaand kader.
| Uitwerking van doelstellingen in instrumenten | ||||
| • In het kader van de nota dierenwelzijn, die dit najaar aan de Tweede Kamer wordt aangeboden, en de uitwerking van het coalitieakkoord, zet LNV in op het ontwikkelen en demonstreren van nieuwe diervriendelijke en duurzame stal- en houderijsystemen en het stimuleren van duurzame en diervriendelijke productie en consumptie. | ||||
| • LNV zet zich ervoor in dat de internationale fytosanitaire regelgeving uitvoerbaar is voor het bedrijfsleven en aansluit bij de economische belangen van Nederland. | ||||
| • LNV stimuleert duurzame manieren van produceren en consumeren door financiële bijdragen aan projecten. | ||||
| • LNV bevordert, samen met andere ministeries en waterschappen, door middel van programmatisch handhaven de realisatie van doelstellingen. |
Er zijn ook voorbeelden van doelstellingen waarin wél concrete prestaties zijn geformuleerd (zie kader).
| OD 21.15 Bevorderen van duurzame ketens (instrumenten, 2 uit 5) | ||||
| • Bijdrage aan agro-economische samenwerkingsactiviteiten met het programma Bilaterale Economische Samenwerking. Onder dit programma (...) vallen handelsmissies, netwerkbijeenkomsten, marktanalyses, seminars etc. (uitgewerkt in presta- tie-indicator aantal gerealiseerde bilaterale economische samenwerkingsactiviteiten); | ||||
| • Agrologistiek (platform en pilotprojecten). LNV verzorgt o.a. het sceretariaat voor het platform dat pilots ondersteunt op ruimtelijk en bestuurlijk vlak bij het wegnemen van (bestuurlijke) knelpunten (uitgewerkt in prestatie-indicator aantal gerealiseerde agrologistieke pilotprojecten). |
Verder geeft het ministerie, net als voorgaande jaren, in de begroting uitstekend inzicht in de vraag «wat mag het kosten?». Voor alle operationele doelen is aangegeven welk budget beschikbaar is, vaak zelfs tot op het niveau van individuele instrumenten.
Kabinetsprioriteiten in jaarverslag
Wij hebben ook onderzocht hoe de minister van LNV zich in het jaarverslag verantwoordt over het realiseren van de kabinetsprioriteiten en de departementale beleidsprioriteiten, de daarvoor geleverde prestaties en de daarmee gemoeide uitgaven. We zijn daarvoor nagegaan gaan of de minister zich heeft verantwoord over de kabinetsprioriteiten die zijn toe te rekenen aan haar ministerie. Verder hebben we onderzocht over welk deel van de uitgaven de minister verantwoording aflegt in het beleidsverslag in het jaarverslag.
LNV kiest duidelijk voor de invalshoek van kabinetsdoelen. Er worden tien kabinetsdoelen opgevoerd en vier additionele onderwerpen «die in 2007 gespeeld hebben». De kabinetsdoelen zijn:
1 – krachtige EU
6 – duurzame economische ontwikkeling
11 – hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval
14 – versterken innovatief vermogen
16 – minder regels, minder instrumenten, minder loketten
22 – duurzame consumptie en productie
24 – landschap en groene gebieden
25 – dierenwelzijn
29 – complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven en
41 – maatschappelijke stages in het voortgezet onderwijs
De additionele onderwerpen waar het ministerie aandacht aan besteedt betreffen:
– diergezondheid;
– perspectief voor een duurzame visserij;
– de Voedsel- en Warenautoriteit;
– jachtbeleid.
In het LNV-jaarverslag is de focus op kabinetsprioriteiten duidelijk zichtbaar. De kabinetsdoelen worden behandeld op volgorde van de nummering die zij in het beleidsprogramma van het kabinet hebben. Door deze keuze zijn niet direct de typische LNV-doelen (natuur, boeren, dieren, voedselkwaliteit en agrarisch onderwijs) zichtbaar. Met het beleidsverslag wordt 90% van de uitgaven van het ministerie afgedekt. In het verslag is door middel van een tabel helder aangegeven welke beleidsartikelen en bijbehorend financieel belang in het beleidsverslag is afgedekt.
4.2 Bruikbaarheid van de beleidsinformatie
Wij hebben niet alleen gekeken naar de beschikbaarheid van informatie over beleid in het beleidsverslag 2007 en de begroting 2008. Wij hebben ook onderzocht of de informatie in het beleidsverslag bruikbaar is voor de Tweede Kamer. De Tweede Kamer moet zich met deze informatie een oordeel kunnen vormen over de mate waarin een minister de kabinetsprioriteiten en departementspecifieke beleidsprioriteiten heeft gerealiseerd met behulp van de daarvoor geleverde prestaties en ingezette middelen.
In het algemeen kan worden geconstateerd dat in het LNV-beleidsverslag de verbinding tussen kabinetsdoel, bijbehorend LNV-artikel (op het niveau van operationele doelstelling) en de bijbehorende uitgaven aan de hand van een tabel inzichtelijk is gemaakt. De verbinding met de geleverde prestaties is in deze tabel echter niet gelegd.
Wel geeft het beleidsverslag in de conclusies een duidelijke weergave van de stand van zaken die goed is onderbouwd met prestatiegegevens en grafieken. Een aandachtspunt is het aantal grafieken dat ter onderbouwing wordt opgevoerd en voorts de mate van detaillering van de visualisaties. Het beleidsverslag is goed leesbaar en duidelijk vormgegeven.
Wij hebben het afgelopen jaar onderzoek gedaan naar de bruikbaarheid van de indicator percentage naleving bestaande dierenwelzijnsnormen. De door LNV gehanteerde doelstelling was 70% naleving van de welzijnsnormen. Het ministerie beschikt echter niet over een betrouwbaar meetinstrument. Dit blijkt ook uit nalevingsonderzoeken die de afgelopen jaren in de verschillende sectoren zijn gehouden (zowel door de AID als door anderen). Hieruit komen wisselende nalevingspercentages naar voren, variërend van 45% tot 78%. Deze percentages kunnen niet veralgemeniseerd worden, omdat de controles zowel select als aselect bij verschillende soorten bedrijven plaatsvinden.
Hoe de nieuwe doelstelling van 5% integraal diervriendelijke stallen zich verhoudt tot de oude doelstelling van 70% naleving van de welzijnsnormen, geeft het LNV-beleidsverslag niet aan. Zeggen beide indicatoren evenveel? Over hetgeen bereikt is ten aanzien van het nalevingspercentage wordt in het beleidsverslag niet gerept.
Het moge duidelijk zijn dat de verandering van de formulering van de (indicator voor) de dierenwelzijnsdoelstelling het inzicht in de voortgang in hetgeen bereikt is naar een grotere mate van dierenwelzijn, bemoeilijkt. Wij raden het ministerie aan om volgend jaar behalve een omschrijving van hetgeen verstaan wordt onder «integraal diervriendelijke stallen» ook een verduidelijkende passage op te nemen over de relatie tussen beide percentages.
4.3 Informatie over ICT-projecten in het jaarverslag
De Tweede Kamer heeft de Algemene Rekenkamer in 2007 verzocht onderzoek te doen naar de problemen met ICT-projecten bij de overheid. Deze projecten vragen vaak meer geld en tijd dan gepland en de Tweede Kamer wilde weten wat daarvan de oorzaak is.
Op 29 november 2007 is het eerste deel van het onderzoek gepubliceerd: Lessen uit ICT-projecten bij de overheid; deel A (Algemene Rekenkamer, 2007). Het tweede deel van het onderzoek wordt verwacht in juni 2008.
Wij zijn nagegaan of de departementale jaarverslagen de Tweede Kamer informatie verschaffen over ICT-projecten bij de overheid.
De minister van LNV meldt in de bedrijfsvoeringsparagraaf de volgende ICT-projecten:
• Digitalisering documentenbeheer kerndepartement.
• Programma E-procurement: Ontwikkelen van elektronische inkopen. Er is aansluiting gezocht met implementatie van nieuw financieel systeem voor het ministerie.
• Verbetering financiële bedrijfsvoeringssystemen.
Het beleidsartikel 21.15 Bevorderen duurzame ketens meldt de volgende ICT-beleidsprogramma’s:
– Transparantie en ICT: LNV wil in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven de noodzakelijke informatie-uitwisseling tussen partners in de voedselketen en de overheid optimaliseren.
– CLIENT Export. Dit programma heeft als doel de administratieve en logistieke processen bij export van landbouwgoederen te verbeteren door middel van elektronische exportcertificering. Een bedrag via suppletoire begroting toegekend van € 3,5 miljoen.
– Bijdrage aan Dienst Regelingen in kader van project elektronische dienstverlening. Deze bijdrage is verhoogd met € 4,8 miljoen.
Het belang van goede informatiebeveiliging bij het Ministerie van LNV neemt toe. Enerzijds stelt Brussel strengere eisen aan de geautomatiseerde gegevensverwerking en anderzijds is het noodzakelijk dat er vernieuwing plaatsvindt van het bestaande financieel administratieve systeem.
Op basis van ons onderzoek concluderen wij dat verbeteringen in het ICT-beleid zijn aangebracht en dat centralisatie van het beheer van de geautomatiseerde systemen bij DICTU een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit kan leveren. Er zijn echter nog enkele (financiële) risico’s te identificeren. Het management van een aantal staf- en beleidsdirecties heeft te weinig aandacht voor informatiebeveiliging. Zo hebben verschillende diensten en directies de voor de implementatie van het nieuwe Algemeen Kader Informatiebeveiliging (AKI) geplande stappen niet genomen. De stappen betreffen onder meer het opstellen van een plan van aanpak en het vaststellen van de risico’s. Een gevaar van het niet of niet op tijd nemen van de stappen is dat het nieuwe AKI later en/of minder goed tot stand komt. Dat risico is overigens beperkt door het feit dat er al wel een (oude) versie van het AKI operationeel is en dat in het kader van de totstandkoming van die versie wel risicoanalyses zijn uitgevoerd.
Uit een door de auditdienst uitgevoerde audit naar betaalsystemen bij het ministerie komt naar voren dat er belangrijke kanttekeningen zijn te plaatsen bij:
• de opzet van de administratieve organisatie (het ontbreken van functiescheiding tussen systeembeheer en betaalfunctie);
• de werking van de administratieve organisatie (aandacht voor afhandeling van uitzondering- en foutsituaties);
• maatregelen van interne controle (periodieke controle van rechten en de beheersing van beveiligingsinstellingen).
Uiteindelijk heeft de auditdienst op basis van aanvullende werkzaamheden vastgesteld dat het bestaan van deze risico’s niet heeft geresulteerd in fouten en of onzekerheden.
Het ministerie beschikt inmiddels over een Meerjaren Investeringsplan ICT, dat met ingang van 2007 is gebruikt voor de sturing op ICT. In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt aangegeven dat dit tot heldere besluitvorming in de Bestuursraad heeft geleid.
Een ander belangrijk aspect van ICT is de beheersing van de kosten en de waardering van de immateriële vaste activa bij bijvoorbeeld de baten-lastendiensten. Deze diensten investeren relatief veel in ICT. De investeringen in immateriële vaste ICT-activa in 2007 bedroegen € 32 miljoen (exclusief licentiekosten). De ontwikkeling van informatiesystemen vindt veelal plaats door DICTU, die de kosten doorbelast aan de baten-lastendienst. Het komt echter ook voor dat dergelijke systemen door derden worden ontwikkeld. Er is een reëel risico dat de kosten van een in maatwerk ontwikkeld systeem hoger zijn dan de kosten van een aan de specifieke situatie aangepast standaardpakket. Het is noodzakelijk dat het management van de diensten aandacht heeft voor de waarderingsproblematiek en dat DICTU en de overige diensten op eenzelfde golflengte opereren.
nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING
| A. | Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel | 2 |
| B. | Begrotingstoelichting | 4 |
| Lijst met afkortingen | 149 | |
| Trefwoordenregister | 152 |
A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL
Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)
De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor het jaar 2007 vast te stellen.
Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2007 Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2007.
Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2007 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van Toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).
Wetsartikel 2 (begrotingsstaat baten-lastendienst(en))
Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten Algemene Inspectiedienst, Dienst Landelijk Gebied, Dienst Regelingen, Plantenziektenkundige Dienst en Voedsel en Waren Autoriteit voor het jaar 2007 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel en de paragraaf inzake de diensten die een baten-lastenstelsel voeren».
In maart 2005 is door de Minister van Financiën met de Tweede Kamer overleg gevoerd over de uitkomsten van het interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) regeldruk en controletoren en de naar aanleiding daarvan door het kabinet in december 2004 gedane voorstellen. Tijdens het algemeen overleg op 2 en 3 maart 2005 en in de brief van 9 maart 2005 (Kamerstukken II, 29 949 en 29 950, nr. 5) is toegezegd de getrouwbeeldverklaring van de departementale auditdiensten parallel aan de gewijzigde bedrijfsvoeringsparagraaf over het verslagjaar 2007 in te voeren. De departementen hebben sindsdien belangrijke voortgang geboekt met het treffen van de hiervoor noodzakelijke maatregelen. Om op het ingroeitraject naar met name de getrouwbeeldverklaring geen wettelijke obstakels te laten ontstaan, dienen enkele bepalingen in de Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001) te worden aangepast. Dat zal regulier gebeuren via het moderniseringsproject van die wet dat thans gaande is. Om de getrouwbeeldverklaring al over het jaar 2007 te kunnen toepassen is echter een tijdelijke – op het jaar 2007 gerichte – afwijking van de wet nodig. Dat gebeurt via het onderhavige wetsartikel. Het betreft concreet de aanpasing van artikel 66, vijfde en zesde lid, van de CW 2001. De gewijzigde insteek voor de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag leidt niet tot een aanpassing van de CW 2001. De inhoud van die paragraaf wordt in de Rijksbegrotingsvoorschriften geregeld.
Samengevat komen de wijzigingen in de bedrijfsvoeringsparagraaf en in de accountantsverklaring op het volgende neer.
Over eventuele rechtmatigheidsfouten en -onzekerheden die de terzake gestelde artikelsgewijze tolerantiegrenzen te boven gaan, zal door de betrokken minister in de bedrijfsvoeringsparagraaf van zijn departementaal jaarverslag worden gerapporteerd. De departementale auditdienst verstrekt bij het aldus opgestelde jaarverslag (en saldibalans) een getrouwbeeldverklaring in plaats van een zogenaamde eisenverklaring. De getrouwbeeldverklaring heeft betrekking op de elementen die onder a tot en met d van het nieuwe zesde lid van artikel 66 in de CW 2001 zijn opgenomen. Daarbij beoordeelt de auditdienst op grond van onderdeel b of de rapportage over de rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering klopt en op grond van onderdeel d of er in het jaarverslag eventueel sprake is van strijdigheid tussen de gepresenteerde financiële informatie en de opgenomen beleidsinformatie.
Om aan te sluiten bij de in artikel 58 gehanteerde terminologie wordt in lid 6 van artikel 66 gesproken van deugdelijke weergave in plaats van de in accountantskring gebruikelijke formulering van getrouwe weergave. Daarmee wordt echter hetzelfde bedoeld. Het is geen bezwaar dat de accountant in zijn verklaring het begrip getrouwe weergave gebruikt.
De oordeelsvorming van de Rekenkamer blijft ten opzichte van het verleden ongewijzigd.
In het oude vijfde lid van artikel 66 kan de reikwijdte van de accountantsverklaring (een verklaring omtrent de financiële informatie in het jaarverslag en de saldibalans) worden geschrapt. De reikwijdte staat thans geheel in het zesde lid.
De formulering van de aanhef van het onderhavige wetsartikel luidende: «...komt voor de accountantsdienst van het ministerie van ..... voor het jaar 2007 als volgt te luiden» is zodanig gekozen, dat de accountantsdienst de gewijzigde reikwijdte van de verklaring zowel dient toe te passen met betrekking tot het departementale jaarverslag van het betrokken departement als met betrekking tot een eventueel niet-departementaal jaarverslag waarvoor de betrokken minister verantwoordelijk is (zoals bijvoorbeeld een jaarverslag van een begrotingsfonds of van een van de begrotingshoofdstukken I, II, IV of IXA).
Er wordt in de wettekst nog gesproken van accountantsdienst in plaats van auditdienst, omdat die terminologie in de Comptabiliteitswet 2001 nog wordt gehanteerd. Bij de voorziene modernisering van de Comptabiliteitswet zal accountantsdienst worden vervangen door auditdienst.
| 1. | Leeswijzer | 5 |
| 2. | Het beleid | 9 |
| 2.1 | Beleidsagenda | 9 |
| 2.1.1 | Hoofdlijnen van beleid | 9 |
| 2.1.2 | Financieel kader voor 2007 | 23 |
| 2.2 | De beleidsartikelen | 30 |
| 21 Duurzaam ondernemen | 30 | |
| 22 Agrarische ruimte | 47 | |
| 23 Natuur | 52 | |
| 24 Landschap en Recreatie | 63 | |
| 25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid | 71 | |
| 26 Kennis en Innovatie | 79 | |
| 27 Bodem, water en reconstructie zandgebieden | 91 | |
| 2.3. | De niet-beleidsartikelen | 96 |
| 28 Nominaal en onvoorzien | 96 | |
| 29 Algemeen | 97 | |
| 3. | Bedrijfsvoering | 100 |
| 4. | Diensten die een baten-lastenstelsel voeren | 102 |
| Algemene Inspectie Dienst (AID) | 102 | |
| Dienst Landelijk Gebied (DLG) | 107 | |
| Plantenziektenkundige Dienst (PD) | 112 | |
| Dienst Regelingen (DR) | 117 | |
| Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) | 123 | |
| 5. | Verdiepingshoofdstuk | 128 |
| Bijlage Moties en Toezeggingen | 137 | |
| Bijlage ZBO’s en RWT’s | 143 | |
| Bijlage Europese geldstromen | 144 | |
| Lijst met afkortingen | 149 | |
| Trefwoordenregister | 152 | |
Het LNV-beleidsprogramma 2004–2007, dat u met de begroting 2004 is aangeboden, heeft als titel «Vitaal en samen». De meeste concrete beleidsvoornemens uit «Vitaal en samen» zijn de afgelopen jaren uitgevoerd. Nu ligt vooral de nadruk op de begrippen «vertrouwen» en «verbinden».
De Beleidsagenda is ingedeeld in de vier hoofdthema’s die ik ook in «Vitaal en samen» heb gebruikt. Het zoeken naar verbinding zal daarin vaak terugkomen.
In de Beleidsartikelen wordt verder toegespitst aangegeven wat LNV wil bereiken, wat daarvoor gedaan wordt en wat dat mag kosten.
Maatschappelijke effecten in de begroting
In het Algemeen Overleg met de Commissie voor de Rijksuitgaven van 26 april 2006 is afgesproken dat de Tweede Kamer op de hoogte zal worden gesteld van de stand van zaken omtrent het presenteren van de maatschappelijke effecten en de prestaties in de Rijksbegrotingen. Daarbij is aan ieder departement gevraagd om het «comply-or-explain» principe toe te passen en de Kamer daarover in juni te informeren.
Met brief (TRCFEZ/2006/1067, 21-6-2006) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijze waarop de verschillende outcome- en outputindicatoren in de LNV-begroting 2007 worden weergegeven.
In deze brief is naar voren gebracht dat in de LNV-begroting van 2006 de doelstellingen reeds zoveel mogelijk waren voorzien van outcome- en outputindicatoren. Die positieve ontwikkeling is mede onderkend door de Algemene Rekenkamer (zie rapport bij Jaarverslag 2005).
Bij het opstellen van de LNV begroting 2007 is ingezet op het verder verbeteren van de indicatoren. Zo is op artikel 21 de «maatschappelijke appreciatiescore» nader uitgewerkt, wordt voor artikel 22 als outcome-indicator de «toegevoegde waarde primaire sector» gehanteerd en wordt op artikel 25 de indicator «basisscholen met smaaklessen» geïntroduceerd.
Nagenoeg alle algemene en operationele beleidsdoelstellingen in de LNV begroting 2007 zijn daarmee voorzien van een indicator «comply». De laatste open eindjes liggen vooral op de beleidsterreinen die gelieerd zijn aan doelstellingen van het Rijksmeerjarenprogramma van de Agenda Vitaal Platteland (MJP2). De Tweede Kamer heeft begin 2006 weliswaar al met de doelstellingen ingestemd, maar de vertaling naar outcome- en output indicatoren is nog niet op alle punten afgerond. Dit heeft met name betrekking op onderdelen van artikel 24 Landschap & Recreatie en artikel 27 Reconstructie.
De verwachting is dat als de streefwaarden en het bijbehorende meetinstrumentarium voor de artikelen 24 en 27 in de loop van 2007 zijn vastgesteld, in de LNV begroting 2008 alle beleidsdoelstellingen zijn voorzien van outcome- en outputindicatoren.
Meerjarenprogrammering beleidsdoorlichting
Naar aanleiding van aanbevelingen uit de VBTB-evaluatie zijn in de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften 2006 van de minister van Financiën voorschriften opgenomen voor de programmering van beleidsdoorlichtingen per beleidsartikel. Het nieuwe aan beleidsdoorlichting is dat dit een evaluatie is op het niveau van de algemene (of operationele) doelstelling, waar reguliere evaluaties zich veelal richten op een deel van het beleid of een beleidsinstrument. Beleidsterreinen dienen eens in de 5 à 7 jaar doorgelicht te worden, afhankelijk van de beleidscyclus. De totale programmering voor LNV ziet er als volgt uit:
2007: Voedselkwaliteit/Diergezondheid (artikel 25)
2008: Realiseren Natuur (artikel 23)
2009: Duurzaam ondernemen (artikel 21)
2010: Agrarische Ruimte, Landschap en recreatie en Reconstructie (artikelen 22, 24 en 27)
In 2006 vindt de beleidsdoorlichting Kennis en Innovatie (artikel 26) plaats.
De programmering van de beleidsdoorlichtingen zijn bij de desbetreffende beleidsartikelen opgenomen in het overzicht «Onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid».
Er zijn in de LNV-begroting twee overzichtsconstructies opgenomen, nl. de overzichtsconstructies ILG en Groene Hart. Daarnaast zijn in de begrotingen van Buiza en VROM respectievelijk de overzichtsconstructies HGIS en Milieu opgenomen, waar ook LNV-middelen deel van uitmaken.
De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is een aparte budgettaire constructie binnen de Rijksbegroting. In de HGIS worden de buitenlanduitgaven van de verschillende departementen gebundeld. Zo wordt inzicht verschaft in de belangrijkste uitgaven die Nederland jaarlijks doet in het kader van internationale samenwerking. De coördinatie van deze overzichtsconstructie ligt bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor wat betreft LNV maken deel uit van de HGIS de uitgaven uit hoofde van de Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland, de contributie aan de Food and Agricultural Organisation (FAO), de bijdrage aan het Afrika Studie Centrum en een deel van de bekostiging van de niet-EU studenten bij de Wageningen Universiteit en het groene HBO.
LNV draagt tevens de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor internationale natuurprojecten die voortvloeien uit internationale verdragen. Het betreft projecten die worden gefinancierd uit middelen die op de begroting van LNV staan en die deel uitmaken van de HGIS. De desbetreffende uitgaven worden nader toegelicht in beleidsartikel 23 onder de operationele doelstelling «beheer van de natuur en beschermen van de internationale biodiversiteit».
De overzichtsconstructie «Milieu» geeft inzicht in de beleidsvoornemens en de daarbij behorende uitgaven voor de jaren 2007 tot en met 2011 voor het onderwerp Milieu. De coördinatie van deze overzichtsconstructie ligt bij het ministerie van VROM. De hiermee gemoeide LNV-uitgaven hebben betrekking op diverse artikelen van de LNV-begroting.
De in deze LNV-begroting opgenomen overzichtsconstructie Groene Hart biedt inzicht in de Rijksmiddelen die in het Groene Hart neerslaan.
Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en overzichtsconstructie ILG
Met ingang van 1 januari 2007 treedt naar verwachting de Wet inrichting Landelijk Gebied (WILG) in werking. Deze wet vormt de basis voor het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) dat aan de provincies ter beschikking wordt gesteld ter realisering van de Rijksdoelen uit het tweede Meerjarenprogramma van de Agenda Vitaal Platteland (MJP2). In december 2006 worden hiertoe tussen Rijk en provincies bestuursovereenkomsten gesloten waarin de prestaties en de bijbehorende budgetten worden vastgelegd. In deze begroting zijn de budgettaire consequenties van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) van LNV op een consistente en transparante wijze verwerkt.
Op vier beleidsartikelen van de LNV-begroting staan budgetten die per 1 januari 2007 opgaan in het ILG (artikel 22, 23, 24 en 27). Per beleidsartikel is op instrumentniveau aangegeven welke budgetten van de LNV-begroting in het ILG opgaan.
Tevens zijn in deze begroting op basis van het Rijksbod de ILG-prestaties opgenomen voor de totale ILG-periode (2007–2013). In de begroting 2008 zullen de prestaties worden opgenomen, die definitief in de bestuursovereenkomsten tussen Rijk en provincies zullen worden vastgelegd. De provincies verantwoorden zich hierover na zeven jaar. In de tussenliggende jaren zal de voortgang in de realisatie van de prestaties niet in de LNV-jaarverslagen worden gepresenteerd. Wel zullen de jaarlijkse voortgangsrapportages van de provincies u ter informatie worden toegezonden. In 2010 vindt een midterm review van het ILG plaats.
Om een goed inzicht te bieden in de totale omvang van het totaal beschikbare ILG-budget en de herkomst ervan is de overzichtsconstructie opgesteld over de totale ILG-periode van 2007–2013. In deze overzichtsconstructie zijn ook de bijdragen van andere departementen aan het ILG opgenomen. In het kader van het ILG is afgesproken dat de andere betrokken departementen (VROM, V&W en OCW) hun bijdragen overboeken naar de LNV-begroting en dat de minister van LNV zorgdraagt voor de jaarlijkse stortingen ten behoeve van de provincies. De bijdragen van andere departementen dienen in een aantal gevallen nog naar LNV te worden overgeheveld.
Hoewel in de begroting 2007 de budgetten meerjarig tot en met 2011 worden vastgelegd, is er in de overzichtsconstructie voor gekozen de budgetten tot en met 2013 (dus voor de gehele ILG-periode) weer te geven. Voor de jaren 2012 en 2013 zijn de budgetten opgenomen onder het voorbehoud van definitieve extrapolatie van deze budgetten in de begrotingen van 2008 en 2009.
De Regeling Rijksbegrotingvoorschriften 2006 van de minister van Financiën vermeldt voorschriften voor het opnemen van de juridisch verplichte uitgavenbudgetten in de ontwerpbegroting. Deze budgetten zijn per beleidsartikel opgenomen in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid». Net zoals in de begroting 2006 is als toelichting op de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» grafisch per doelstelling een overzicht gegeven van de budgetten die gelden als juridisch verplicht, bestuurlijk gebonden of beleidsmatig gereserveerd voor het begrotingsjaar 2007.
Het beleidsinstrumentarium dat LNV inzet om zijn doelstellingen te realiseren bestaat naast de instrumenten die de LNV-begroting belasten, ook uit fiscale instrumenten. Deze fiscale instrumenten worden, voor zover ze direct betrekking hebben op een beleidsartikel, benoemd onder de beleidsinstrumenten bij de operationele doelstellingen van dat beleidsartikel. Er zijn ook fiscale instrumenten die niet direct aan een beleidsartikel zijn te koppelen, omdat ze worden ingezet ter realisering van een breder scala aan doelstellingen. Dit kunnen maatregelen zijn die specifiek op LNV zijn gericht dan wel algemene maatregelen.
| Doelgroep | Directe belastingen | Indirecte belastingen |
| LNV-specifiek | Landbouwvrijstelling | Landbouwregeling |
| Algemeen | O.m. zelfstandigenaftrek, doorschuiving stakingswinst, bedrijfsopvolgingsfacili- teit uit successiewet, aftrek speur-/ontwikkelingswerk, vervroegde afschrij- ving milieu-investeringen, energie- en milieu-investeringsaftrek. | O.m. tariefdifferentiatie accijnzen tractoren en mobiele werktuigen, vrijstelling overdrachtsbelasting bij overdracht aan de volgende generatie |
De budgettaire gevolgen van de fiscale instrumenten zijn onder de noemer belastinguitgaven te vinden in de bijlage bij de Miljoenennota 2007.
Plattelandsbeleid, gemeenschappelijk visserijbeleid en structuurbeleid
In 2005 heeft de Raad van Ministers een nieuwe verordening inzake steun voor plattelandsontwikkeling vastgesteld. Deze verordening vormt de basis van het Europese plattelandsbeleid voor de periode 2007–2013. De EU-bijdrage voor plattelandsontwikkeling aan de lidstaten moet nog definitief worden vastgesteld. Naar verwachting kan Nederland in de hele programma-periode rekenen op een EU bijdrage van € 490 mln. voor plattelandsontwikkeling, inclusief de modulatiegelden (middelen uit de eerste pijler GLB die worden toegevoegd aan het plattelandsbudget).
In de periode 2007–2013 vervangt het Europees Visserijfonds (EVF) het huidige Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV). De Europese Commissie wil de komende periode haar middelen inzetten op verduurzaming van het visserijbeleid. Op basis van een voorlopig verdelingsvoorstel kan Nederland rekenen op een EU-bijdrage van € 48 mln. in de hele programma-periode.
Daarnaast zal Nederland voor de periode 2007–2013 een bedrag ontvangen uit de structuurfondsen. Het grootste deel hiervan heeft betrekking op Doelstelling 2 Regionale Concurrentiekracht en Werkgelegenheid waaruit Nederland bijna € 1,5 miljard ontvangt.
De EU-bijdragen voor plattelandsbeleid, gemeenschappelijk visserijbeleid en structuurbeleid aan de lidstaten zijn nog niet definitief vastgesteld en nog niet meerjarig in de LNV-begroting verwerkt. Een nadere toelichting is opgenomen in de bijlage Europese geldstromen.
Verbinden door vertrouwen (Beleidsagenda 2007)
Het LNV-beleidsprogramma 2004–2007, dat u met de begroting 2004 is aangeboden, heeft als titel «Vitaal en samen». De kern van de beleidsopgave luidde: «het realiseren van een duurzame landbouw, een vitale natuur, een vertrouwd platteland en een hoogwaardig voedselaanbod op een samenhangende wijze te combineren met de wensen van burgers op het gebied van wonen, werken en vrije tijd. Door een integrale benadering kunnen nieuwe verbindingen worden gelegd tussen landbouw, natuur en landschap. Vitaliteit zag en zie ik als een absolute voorwaarde voor de beleidsterreinen die vallen onder LNV. Het «Samen» kwam voort uit de filosofie dat de overheid beperkt is in haar mogelijkheden, anderen nodig heeft om maatschappelijke doelen te bereiken en een belangrijke rol heeft in het samenbrengen van mensen.
De meeste concrete beleidsvoornemens uit «Vitaal en samen» zijn de afgelopen jaren uitgevoerd. Nu ligt vooral de nadruk op de begrippen «vertrouwen» en «verbinden».
In de beleidsagenda’s van 2005 en 2006 is aandacht besteed aan «vertrouwen». Aan hoe welvaart en concurrentievermogen van een land afhangen van één overheersend aspect van de cultuur, namelijk de mate van onderling vertrouwen tussen burgers. Het «van zorgen voor, naar zorgen dat»-principe dat zo’n centrale rol speelt in mijn beleid, is er op gericht dat onderling vertrouwen te versterken. Door mensen om de tafel te brengen, maatschappelijke dialogen te organiseren en aan ontstane initiatieven van burgers ruimte te geven door belemmeringen weg te nemen, kan de overheid veel tot stand helpen brengen.
De Spaanse socioloog Manuel Castells heeft in zijn boek «The Rise of the Network Society» beschreven dat de sociale structuur in de wereld ingrijpend aan het veranderen is door vooral de opkomst van informatietechnologie. Hij ziet twee belangrijke gevolgen hiervan. De eerste is het ontstaan van een economie op wereldschaal. Een nieuwe economische ordening die weinig respect heeft voor landsgrenzen, reputaties en tradities en diep ingrijpt in het dagelijks leven van mensen. Het tweede gevolg: een toenemende sociale fragmentarisering. Vergaande decentralisatie en de desintegratie van grote verticale organisaties hebben geleid tot kleine flexibele netwerken van kleine verspreide eenheden. De vaste verbindingen die men gewend was, zijn verdwenen en een netwerkeconomie is ontstaan. Deze netwerkeconomie wordt in wezen door niemand beheerst, het is een autonoom gegeven. «Politici en bestuurders moeten leren hoe om te gaan met deze nieuwe werkelijkheid. Ze moeten trachten de verbanden te doorzien, proberen nieuwe verbindingen te leggen, mensen, bedrijven en instellingen aan elkaar te knopen», aldus Castells.
Het «samen» uit het beleidsprogramma duidt op deze verbindingen. Door samen te werken ontstaat het vertrouwen dat nodig is om slagvaardig, efficiënt en ook plezierig te kunnen opereren. Ik leg daarom de nadruk op het leggen van verbindingen tussen personen en functies. Meer in het bijzonder op mijn eigen beleidsterrein:
• De stedeling en het platteland en ons landschap
• De consument en zijn voedsel
• De ondernemer en de markt
• De burger en de natuur
• De landbouw en het landschap
Vaak bestaan die verbindingen nu nog niet. Zo heeft de consument vaak geen inzicht waar zijn voedsel vandaan komt, hoe het gemaakt is en wat er in verwerkt is. Gezien het essentieel belang van voedsel voor mensen is het belangrijk binding met dat voedsel te houden. Te weten dat melk van een koe komt en boerenkool van het land. Met eigen ogen zien hoe boeren en tuinders op veilige en schone wijze voedsel produceren geeft vertrouwen en zekerheid.
Soms is men zich te weinig bewust van een bepaalde verbinding of is deze verdwenen. Landbouw en landschap bijvoorbeeld. Boeren beheren tweederde van ons grondoppervlak. Naast melk, graan en aardappelen «produceren» zij rust, ruimte en een keur aan cultuurlandschappen. Tot nu toe betaalt de samenleving daar weinig voor. Dat cultuurlandschap wordt als een gegeven beschouwd. Maar omdat ruimte in ons land schaars is, moet meer geïnvesteerd worden in een mooi, toegankelijk cultuurlandschap. En boeren dienen waardering te ondervinden voor de essentiële rol die zij daarbij vervullen.
Deze twee voorbeelden illustreren de dieper liggende belangen bij bepaalde verbindingen. Die verbindingen leiden tot vertrouwen. Dit is het algemene kader waarbinnen wij vanuit LNV werken aan het versterken van de concurrentiekracht, de vernieuwing van het platteland en de versterking van de positie van de natuur. Dit alles in onderlinge samenhang en niet gescheiden. Juist op het vlak van verbindingen tussen natuur, platteland en landbouw doen zich tal van mogelijkheden voor in de vorm van verbreding van de landbouw, van een combinatie van functies en van versterking van de concurrentiekracht gekoppeld aan verbetering van de vitaliteit, de inkomensvorming en daarmee de leefbaarheid van dorpen op het platteland.
Om zelf die verbindingen te onderzoeken en te versterken heb ik het Programma Ontmoetingen ontwikkeld. Met dit programma investeer ik in publieke relaties in brede zin, en met name in gesprekspartners die voor LNV nieuw zijn. Het doel is om het werkveld, de spanningsvelden en dilemma’s van LNV onder de aandacht te brengen van een breed publiek en daarover in gesprek te gaan. Aanvullend toets ik of de publieke waarden, en de tot de taak van de overheid behorende waarden met betrekking tot de landbouw, het platteland en de natuur door deze gesprekspartners worden gesteund en nagaan of eventuele waarden moeten worden toegevoegd.
Het Nederlandse landschap speelt een cruciale rol in het leggen van verbindingen. Het landschap is de fysieke grondlegger voor alle ruimtelijke ingrepen. Door allerlei oorzaken is het Nederlandse landschap er de afgelopen decennia niet mooier op geworden. Door de ruimtelijke druk zijn de landschappelijke kwaliteiten terug gelopen. Om krachtige verbindingen te realiseren heb ik gekozen tot het opzetten van een Programma Landschap. Het programma Landschap heeft als hoofddoel de kwaliteit van het Nederlands landschap verhogen, met als speerpunt het in beeld brengen van de maatschappelijke baten van de Rijksinvesteringen.
Ook het verbinden van beleid en uitvoering heeft mijn aandacht. Een belangrijk deel van de realisatie van LNV-beleid is inmiddels gedecentraliseerd. Zo wordt het beleid dichter bij de praktijk en bij ondernemers en burgers gebracht. De inwerkingtreding van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) per 1 januari 2007 is daarbij een belangrijke mijlpaal. Ook in de periode daarna is het zaak dat het opereren van LNV en de signalen uit de praktijk over de werking van het beleid met elkaar verbonden blijven. Door goed te luisteren naar deze signalen kan het ministerie het contact met de maatschappij versterken.
De administratieve lasten zijn inmiddels met 33% gereduceerd. Daarmee is in kwantitatieve zin nu reeds een resultaat geboekt dat duidelijk uitgaat boven de doelstelling van 25%. Het grootste deel van het laag- en middelhoog hangende fruit is geoogst. Dit betekent echter geenszins dat de ambitie om de administratieve lasten verder te reduceren vermindert. De additionele reducties zullen echter voor een belangrijk deel in meer kwalitatieve trajecten worden gerealiseerd, zoals in de voortgang van de aanpak van de beleefde lasten, de verdere stroomlijning van het wetgevingsstelsel, het verbeteren van de dienstverlening en het verder reduceren van de handhavings- en inspectiedruk. Daarnaast zal ook de aanpak van interbestuurlijke lasten meer op de voorgrond treden en wordt op EU-niveau het traject van vereenvoudiging van het GLB voortgezet.
In het wetsvoorstel «Werken aan winst» heeft het kabinet fiscale maatregelen voorgesteld om de internationale concurrentiepositie van Nederland te versterken en daarmee de positie van Nederland als vestigingsplaats voor ondernemingen te verbeteren. Voorgesteld wordt een forse verlaging van het vennootschapsbelastingtarief (Vpb-tarief) van 29,1% naar 25,5%. Het bestaande MBK-tarief in de Vpb voor winsten tot € 25 000 wordt verlaagd van 24,5% naar 20% en voor winsten van € 25 000–€ 60 000 wordt een tussentarief ingevoerd van 23,5%. Voor zelfstandigen die onder de inkomstenbelasting vallen wordt een MKB-winstvrijstelling ingevoerd van 10%. Ter versterking van het innovatiebeleid van het kabinet wordt in de Vpb een optionele octrooibox ingevoerd, waarvan de winst wordt belast tegen een tarief van 10%. Voorts wordt een optionele rentebox ingevoerd, waarvan de winst wordt belast tegen een tarief van 5%. De maatregelen zullen ingaan per 1 januari 2007. Bovenstaande maatregelen zijn voor de internationaal georiënteerde Agrosector van groot belang.
Financiering van het Vpb-pakket vindt deels plaats uit grondslagverbredende maatregelen en deels uit lastenverlichting. Zo zal de afschrijving op gebouwen in eigenlijk gebruik worden beperkt tot 50% van de WOZ-waarde en op gebouwen die worden verhuurd tot 100% van de WOZ-waarde.
Voor de landbouwsector is in het Vpb-pakket € 75 miljoen aan specifieke maatregelen opgenomen. Dit bedrag betreft met name een compensatie voor de grondslagverbredende maatregelen. Invulling van dit bedrag zal plaatsvinden door middel van een drietal maatregelen. Ten eerste zal de beperking van de afschrijving op gebouwen in eigen gebruik tot 50% van de WOZ-waarde niet van toepassing zijn op VAMIL-investeringen in gebouwen (met name Groen Label Kasen en duurzame stallen). De VAMIL-investeringen in gebouwen kunnen dan, net als nu, tot de restwaarde worden afgeschreven. Ten tweede zal de milieu-investeringsaftrek (MIA) worden verbreed met dierenwelzijn- en plattelandsinvesteringen en zullen de aftrekpercentages worden verhoogd. Het aftrekpercentage voor de Groen Label Kas zal worden verhoogd naar 50% en voor investeringen in duurzame stallen naar 60%, welk percentage eveneens zal gelden voor plattelandsinvesteringen. Ten derde zal een integrale vrijstelling van de overdrachtsbelasting voor bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond worden ingevoerd. Voor de twee eerstgenoemde maatregelen zal in verband met een onderzoek naar staatssteunaspecten instemming nodig zijn van de Europese Commissie.
De Milieuinvesteringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving (VAMIL) zullen vanaf 1 januari 2007 worden ingezet op de duurzame maatlat veehouderij (MDV) en mogelijk ook het Borgstellingsfonds+. Deze maatlat is in samenwerking met VROM ontwikkeld. Dierenwelzijn en milieu zijn binnen de maatlat de twee duurzaamheidsthema’s waarmee gestart wordt. Op termijn kunnen ook andere duurzaamheidsthema’s worden toegevoegd. De maatlat biedt dan ook goede mogelijkheden om dierenwelzijn en milieu te stimuleren. Het ligt verder in de bedoeling duurzame veehouderij in de loop van 2007 voor Groen Beleggen in aanmerking te laten komen. Met de inzet van de maatlat worden investeringen in duurzame ontwikkeling, vooral bij nieuwbouw en verbouw van huisvestingssystemen voor dieren, ondersteund en worden innovaties uitgelokt.
Vanaf 1 januari 2007 zullen rundvee, schapen, geiten, varkens en paarden onder het algemene BTW-tarief, nu 19% gaan vallen. Voor dieren die bestemd zijn voor de voortbrenging of productie van voedingsmiddelen dan wel gebruikt worden in de landbouw blijft het verlaagde BTW-tarief, nu 6% gelden. Het algemene BTW-tarief zal onder meer an toepassing zijn voor ren-, rij-, spring-, dressuur en manegepaarden, en voor leveringen van rundvee, geiten, schapen en varkens voor hobby-doeleinden. Een en ander vloeit voort uit EU-regelgeving.
Europese en mondiale samenwerking staan ook in 2007 hoog op de agenda van LNV en maken dan ook integraal deel uit van deze begroting.
In de periode 2003–2005 is het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) fundamenteel hervormd. De Europese Commissie zal begin 2008 een evaluatierapport presenteren over de implementatie van de overeengekomen hervormingen van het GLB. Naar verwachting zal zij voorstellen voor een brede «review» van het GLB presenteren. Nederland zal zich daarom in 2007 moeten prepareren op de discussies, die medio 2007 waarschijnlijk in Brussel gaan spelen.
In multilateraal verband streeft LNV naar een meer duurzame rurale en landbouwontwikkeling (people, planet, profit) in met name ontwikkelingslanden en Oost Europa. Partnerschappen voor met name verbetering van de markttoegang, integraal ketenbeheer en de bestrijding van dierziekten (zoals Aviaire Influenza in Azië en Oost-Europa), zijn daarbij instrumenten die ook in 2007 zullen worden ingezet.
Verder zal de EU in 2007 tot partnerschapovereenkomsten dienen te komen met haar grote handelspartners om de illegale kap en handel aan te pakken (FLEGT). De inzet voor legaal hout maakt onderdeel uit van een samenhangende inzet van LNV gericht op het behoud en duurzaam beheer van bossen. Het VN-Bossenforum, dat door Nederland (in casu LNV) in 2006–2007 wordt voorgezeten, heeft daarbij de opdracht om te komen tot een wereldwijd internationaal instrument voor duurzaam beheer van alle bossen. De Internationale Tropisch Hout Raad (ITTO) vormt een prima kader voor het bevorderen van duurzaam bosbeheer en de handel in hout uit duurzaam beheerde tropische bossen.
In juni 2007 zal verder in Den Haag de 14e Conferentie worden gehouden van landen die het CITES-verdrag hebben geratificeerd. Met ons gastheerschap onderstrepen we het belang van een effectieve en strikte regulering van handel in bedreigde planten- en diersoorten.
Groen ondernemen, innovatieve kracht
Drijvende kracht achter duurzame ontwikkeling is innovatief ondernemerschap. Innovatie is in de eerste plaats een opdracht voor bedrijven en ondernemers. De opdracht en verantwoordelijkheid voor LNV is te zorgen voor een goed innovatieklimaat voor het verbinden, afstemmen en waar nodig uitlokken van initiatieven en structuren bij het bedrijfsleven. De overheid moet ook ruimte bieden aan ondernemers. Het kenmerk van innovatie is de bereidheid en de mogelijkheid om door koppeling van kennis aan initiatief te komen tot vernieuwingen, tot ongedachte nieuwe combinaties die voor die tijd onmogelijk leken of niet waren opgekomen en tot een nieuwe samenstelling leiden van oude onderdelen of vernieuwing van die onderdelen.
Voor het (beroeps)onderwijs is een belangrijke rol weggelegd, niet alleen voor de opleiding van toekomstige beroepsbeoefenaren, maar ook als partij bij regionale kenniscirculatie en innovatie. Leerlingen en docenten komen immers meer dan voorheen in contact met de beroepspraktijk en onderzoek via onder andere stages, leerbedrijven en kenniskringen.
Wisselwerking tussen wetenschap, beleid en praktijk, tussen bedrijven en kennisinstellingen en tussen beroepsonderwijs en hoger onderwijs is essentieel. In de Groene Kenniscoöperatie wordt daaraan gewerkt. Via deze Groene Kenniscoöperatie werken Agrarische Onderwijscentra, HBO-groen en Wageningen UR samen op het gebied van onderwijsvernieuwing en kenniscirculatie, en de ICT-ondersteuning daarvan. Hierover zijn met de gezamenlijke groene kennisinstellingen binnen de Groene Kenniscoöperatie meerjarenafspraken gemaakt (2006–2010). Een project «kennisbenutting» is gestart om te bevorderen dat ontwikkelde kennis een maximaal maatschappelijk effect heeft. Onderzoeksresultaten moeten bruikbaar en gemakkelijk beschikbaar zijn: publicatie van resultaten op Internet wordt een voorwaarde voor financiering. Netwerken die gebruik en uitwisseling van kennis aanjagen krijgen steun, zoals ondernemers die samen leerkringen starten, bijvoorbeeld in de melkveehouderij en in de tuinbouw.
Het kennisstelsel wordt gewaarborgd door structureel een belangrijk deel van de onderzoeksinfrastructuur voor voedsel en groen te financieren via de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) als onderdeel van Wageningen UR. Het Kabinet wil de samenhang in het beleidsondersteunende onderzoek versterken, o.a. in het overheidsbrede traject voor meer vraaggestuurd onderzoek (Brugfunctie TNO en Grote Technologische Instituten).
Een departementale aanpak van innovatie is ontwikkeld en samen met het bedrijfsleven worden innovatie-agenda’s opgezet. Extra aandacht gaat uit naar het door het Innovatieplatform genoemde sleutelgebied Flowers & Food, waarvoor samen met het ministerie van Economische Zaken een innovatieprogramma is opgesteld. De deelgebieden Food and Nutrition, Tuinbouw, en Groene Genetica (veredeling) ontwikkelen innovatieagenda’s.
Om innovatie echt ingang te doen vinden is het ontsluiten van kennis voor initiatiefnemers en intermediairen van wezenlijk belang. Ik zal het initiatief nemen om in samenspraak met de provincies concrete acties te benoemen om de toegang tot kennis en kennisontwikkelaars op de werkvelden van LNV te verbeteren. Wellicht kan mijn ministerie een rol spelen als «kennismakelaar» in de regio.
De LNV-beleidsvisie ten aanzien van duurzaam ondernemen is ik in de nota «Kiezen voor landbouw» uitgebreid uiteengezet. Het is een voorbeeld van de verbindende rol die ik voor de overheid zie weggelegd. Verbinden van mensen en kennis. Door de kennis breed beschikbaar te maken help ik de ondernemer zich te wapenen tegen de onzekerheden van de toekomst. Daarbij zijn de drie elementen van duurzaam ondernemen – people, planet, profit – leidend. De ontwikkelingen rond het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zullen de komende jaren van groot belang zijn voor de duurzaamheid van de agrosector.
Om de ondernemers in het algemeen beter te faciliteren is het zogenaamde ondernemersprogramma opgezet. Onder deze noemer worden het subsidiestelsel vereenvoudigd, de elektronische dienstverlening sterk verbeterd en de administratieve lastendruk verder verminderd.
Specifieke aandacht zal ook in 2007 uitgaan naar jonge agrariërs. De Investeringsregeling Jonge Agrariërs zal daarom gecontinueerd worden.
LNV richt zich op de totstandkoming in de markt van een vorstschadeverzekering vóór de winter van 2007. Daarbij zal het rijk voor een deel garant staan zodat de verzekeringspremie laag kan blijven.
Voor de dierlijke sectoren staat een doorgaande ontwikkeling van verduurzaming in het beleid centraal. Samen met de sectoren worden innovatieagenda’s opgesteld en goede initiatieven worden ondersteund.
Samen met VROM zal ik de introductie van luchtwassers stimuleren om niet alleen fijn stof, maar ook geurhinder en de uitstoot van ammoniak sterk te reduceren.
Het verbeteren van dierenwelzijn blijft een speerpunt dat zoveel mogelijk in Europees verband wordt aangepakt. Ik zal de Europese Commissie steunen in de uitwerking van het Actieplan dierenwelzijn. Specifiek aandacht wordt besteed aan het zo snel mogelijk overbodig maken het castreren van biggen. Het naleven van de Transportverordening zodat dieren op verantwoorde wijze binnen Europa worden vervoerd heeft grote aandacht.
De aanpak ter verbetering van het welzijn van gezelschapsdieren is een mooi voorbeeld van de verbinding tussen samenleving en overheid. Vanuit een gezamenlijke doelstelling en aanpak kunnen overheid en maatschappelijke organisaties samen meer bereiken dat ieder apart. Het Actieplan van het Forum Gezelschapsdieren zal worden uitgevoerd. Goede informatie en voorlichting, kwaliteitsverbetering door de sector zelf (certificering) en betere handhaving zijn de belangrijkste elementen van deze aanpak.
Het mestbeleid vraagt veel van de agrarische ondernemers, zeker in de beginfase. In 2007 zal door middel van een officiële evaluatie de tussenbalans worden opgemaakt. Er is een koers ingezet die voldoet aan de eisen vanuit de Europese Commissie en perspectief biedt voor de komende jaren. Waar er ruimte ontstaat voor verbetering en stroomlijning zal die worden benut. Het betreft onder andere de verhandeling van de overige meststoffen die vaak ontstaan als bijproduct van de voedingsmiddelenindustrie.
Ook bij de be- en verwerking van dierlijke mest ontstaan nieuwe mogelijkheden. Ik zal deze ontwikkelingen actief ondersteunen. Zowel in Europees verband als via onderzoek. Ik overweeg een nieuwe openstelling van de regeling waarbij bedrijven die alle mest verwerken en afzetten buiten de Nederlandse landbouw in aanmerking kunnen komen voor gedeeltelijke vrijstelling voor de aankoop van mestrechten.
De ontwikkelingen rond co-vergisting wil ik verder stimuleren. Samen met het bedrijfsleven streef ik in dat kader naar uitbreiding van de positieve lijst voor organische stoffen die met mest vergist mogen worden. In Europa pleit ik voor het creëren van mogelijkheden om producten uit mestverwerking aan te merken als kunstmestvervanger. Daarnaast laat ik onderzoeken of naast maïs alle landbouwgewassen vergist kunnen worden waarbij het restant als meststof kan worden afgezet. Ik streef ernaar de resultaten van dit onderzoek te betrekken bij de vereenvoudiging van de kwaliteitsregels voor het verhandelen van meststoffen per 1 januari a.s. Ten algemene laat ik een integrale strategische studie uitvoeren naar de perspectieven van co-vergisting. Het bedrijfsleven kan de uitkomsten gebruiken bij haar keuzes en het geeft de overheid inzicht op welke wijze deze ontwikkeling kan worden begeleid en ondersteund.
De toegenomen kosten in de glastuinbouw als gevolg van de snel gestegen energieprijzen geven aanleiding tot zorgen. Een versnelde transitie naar minder gebruik van fossiele brandstoffen in de glastuinbouw is dringend gewenst. Hiertoe is het nodig dat innovatieve energieconcepten- en systemen worden doorontwikkeld en zijn forse investeringen noodzakelijk. Het kabinet wil de glastuinbouwsector helpen de transitie aan te gaan door een krachtige investeringsimpuls te geven. Deze impuls richt zich op het gebruik van alternatieve energiebronnen (aardwarmte en biobrandstoffen), innovatieve samenwerking middels aanleg van gezamenlijke energie-infrastructuur en innovatieve energiebesparingsmaatregelen op bedrijfsniveau.
In de periode 2007–2009 wordt in totaal € 210 mln. beschikbaar gesteld, waarvan € 105 mln. via de LNV-begroting. Daarnaast kunnen bedrijven die investeren in innovatieve energiebesparingsmaatregelen gebruik maken van het bestaand fiscaal instrumentarium. Dit zal naar verwachting eveneens € 105 mln. beslaan.
Daarnaast, en deels ook in samenhang hiermee, is van belang dat het proces van herstructurering en modernisering van het tuinbouwcluster niet stagneert, maar verder vorm krijgt. Hier ligt een gezamenlijke opgave voor bedrijfsleven en overheden, zoals ook is verwoord in de gezamenlijke «Greenportvisie».
Ook om andere redenen (en breder dan glastuinbouw) is voortgaande inzet op verduurzaming van belang. Innovatie is een belangrijk instrument om tot deze verduurzaming te komen. Goede voorbeelden zijn naast het programma «Kas als energiebron» het project Kennis op de Akker (KODA) en de Kennis- en Innovatieagenda Flowers & Food.
Daarnaast wordt in het kader van het convenant Gewasbescherming en het doelgroepenoverleg Glastuinbouw en Milieu gewerkt aan verdere verduurzaming. Hier blijkt dat ook langs andere wegen dan technische innovaties aanzienlijke verbeteringen mogelijk zijn. Zo leidt het project «Schone bronnen» van VEWIN, Unie van Waterschappen, LTO en Nefyto tot gezamenlijk inzicht in zowel het probleem dat bepaalde stoffen in het water veroorzaken, als mogelijke oplossingen daarvoor. Met deze aanpak wordt actief geanticipeerd op de Kaderrichtlijn Water, onder het motto: voorkomen is beter dan genezen.
Het fytosanitair beleid heeft de afgelopen 2 jaar extra versterking gekregen. Dit heeft ondermeer geleid tot overeenstemming tussen bedrijfsleven en overheid over de uitkomsten van het project «Plantkeur». Deze overeenstemming betreft een andere inrichting van de keuringen voor fytosanitair en kwaliteit. De implementatie van Plantkeur is inmiddels ter hand genomen.
Biologische landbouw heeft een nauwe band met de natuurlijke omgeving en de bewuste consument. Biologische veehouders en natuurbeheerders werken al geruime tijd samen ten voordele van beiden. Veel biologische ondernemers staan in direct contact met de sociale omgeving, er zit een verhaal achter de producten dat burgers en consumenten aanspreekt. Vaak gaat de verbinding nog verder door het leveren van diensten als zorg en recreatie en door het verkorten van de keten met directe huisverkoop. De verbinding is duidelijk, maar kent ook een hogere prijs. Daarom is mijn inzet gericht op de consument, en op kwaliteitsverbetering in de keten. Dit loopt via de Task Force Marktontwikkeling Biologische Landbouw. LNV geeft het goede voorbeeld door 100% biologische catering op het ministerie in Den Haag vanaf 2007.
De komende jaren zal de druk op de overheid blijven bestaan om de visserij te ondersteunen in de overgang naar een kleinere, maatschappelijk aanvaarde, en beter renderende sector. Het imago van vis ondergaat een positieve herwaardering. Vis is gezond en lekker. Een aantal zaken moet de sector zelf oppakken. De mogelijkheden van de overheid om het proces te ondersteunen door belemmerende nationale en Europese regelgeving te versoepelen of weg te nemen zijn beperkt.
In de visserij op de Noordzee is een grote cultuuromslag dringend noodzakelijk. Dat concludeert de Task Force Duurzame Noordzeevisserij in het advies, van begin 2006. De belangrijkste opgave is tweeledig: rendementsverbetering en tegelijkertijd werken aan een in alle opzichten duurzame visserij. Innovatie van de keten, energie-efficiency, alternatieve vangsttechnieken, kwaliteitsverbetering en het onderling delen van kennis daarover zijn doorslaggevende factoren in dit proces.
Om innovatie verder te stimuleren wordt een Visserij Innovatie Platform ingesteld. Daarnaast draagt LNV, via een garantieregeling en middelen ter stimulering van aanpassing en vernieuwing van de sector (incl. pulskor), bij aan de noodzakelijke cultuuromslag. Hiervoor is met ingang van 2007 jaarlijks € 7 mln. aan de LNV-begroting toegevoegd.
In lijn met het advies van de Task Force Duurzame Noordzeevisserij blijft LNV zich inzetten om verbinding te brengen tussen de visserij, de keten, en de maatschappelijke organisaties en zo het zelfregulerend vermogen te vergroten. Daarbij is de consument het sluitstuk van de keten.
De schelpdiersector heeft op grond van het beleidsbesluit «ruimte voor een zilte oogst» tot 2020 de tijd zich om te vormen tot een rendabele bedrijfstak, die ecologisch verantwoord werkt en brede maatschappelijke acceptatie heeft. De sector heeft de handschoen opgepakt en ontwikkelt, onder meer via het innovatieplatform aquacultuur, initiatieven om naar die situatie toe te groeien. De mosselsector heeft een eigen innovatieagenda opgesteld en er lopen tal van experimenten met alternatieve visserijmethoden. De eerste resultaten daarvan zullen in de loop van 2007 zichtbaar worden en een rol spelen bij de verdere implementatie van het schelpdierbeleid.
LNV zal een aantal proefprojecten ondersteunen die leiden tot betere afspraken over duurzaam beheer en duurzame benutting van de visbestanden in de binnenwateren. Voor het IJsselmeer zal in 2007 een visstandbeheercommissie worden opgericht. Verder draagt LNV in het kader van de Europese Aalverordening bij aan het doorlichten van de omvang van het nationale palingbestand en stemt beheermaatregelen hierop af.
Het voedselkwaliteitsbeleid verbindt verschillende waarden die raken aan voedsel en voedselproductie. Veiligheid van voedsel moet onbetwistbaar zijn en blijven. Maar ik constateer dat de samenleving de kwaliteit van voedsel steeds vaker afmeet aan de mate waarin bij de productie daarvan rekening is gehouden met andere waarden als gezondheid, dierenwelzijn (scharrelvlees), natuur en milieu, landschap (koeien in de wei), authenticiteit (rauwmelkse kaas en streekproducten) en eerlijke handel en arbeidsomstandigheden (fair trade). Daarmee is voedselkwaliteit een dynamisch domein geworden, waarbij gezocht moet worden naar een juist evenwicht tussen en samenhang in de genoemde voedselwaarden. Het beleid voor voedselkwaliteit is niet alleen gericht op producenten en product maar nadrukkelijk ook op consumenten. Onder meer het Voedingscentrum is gevraagd om tot 2010 aandacht te besteden aan de diverse waarden van Voedselkwaliteit en invloed die consumenten daarop hebben.
Voedselveiligheid is de basis van voedselkwaliteit. Instrumenten en maatregelen moeten daarop worden afgestemd. Naar aanleiding van de in 2006 uitgevoerde onderzoeken naar bredere afweging, en het in 2006 geformuleerde kabinetsstandpunt over «Nuchter omgaan met risico’s» zullen maatregelen en instrumenten worden bepaald die aan dit bredere perspectief invulling kunnen geven.
Voor het vertrouwen in voedsel van goede kwaliteit is ook transparantie vereist. In 2006 is ervaring opgedaan met de openbaarmaking van controlegegevens. Na evaluatie hiervan zal in 2007 de openbaarmaking van controlegegevens verder worden vormgegeven en zal – met de VWA en het ministerie van VWS – gezocht worden naar verbreding van dit instrument.
Bijzondere aandacht wil ik besteden aan het verbinden van de jeugd met voedsel en natuur. De smaaklessen maken kinderen bewust van voedsel en het productieproces. Een kind gaat anders over mayonaise denken als het heeft gezien hoeveel olie daar ingaat. Bewuster met voedsel omgaan zal kinderen de mogelijkheid geven gezonder te eten. Niet omdat het moet, maar omdat ze het zelf willen. Voor de periode tot medio 2007 (schooljaar 2006–2007) zal worden ingezet op het bereiken van tenminste 500 basisscholen met smaaklespakketten. In het verlengde hiervan wordt een actieprogramma opgesteld om de doelstelling voor de langere termijn (bereik van tenminste 25% van de jongeren door middel van smaaklessen) te kunnen realiseren. Hiermee zal in het schooljaar 2007–2008 een begin worden gemaakt.
Begin 2007 komt een rapportage gereed over de «Staat van voedselkwaliteit in Nederland». Dit rapport zal bezien welke opvattingen er in de samenleving leven over waarden van voedsel: voor welke doelgroep zijn welke waarden belangrijk. De resultaten daarvan hebben ongetwijfeld betekenis voor het beleid ten aanzien van voedselkwaliteit.
Het dierziektebestrijdingsbeleid is de aflopen jaren maatschappelijk meer acceptabel gemaakt. De uitbraken die in Nederland in de afgelopen tien jaar plaats hebben gehad, hebben duidelijk gemaakt dat de maatschappij het doden van grote aantallen gezonde dieren niet meer accepteert. Ook is duidelijk geworden dat in Nederland weliswaar het overgrote deel van de landbouwhuisdieren om economische redenen wordt gehouden, maar dat het aantal houders van landbouwhuisdieren voor niet-economisch doeleinden zeer groot is. Er zijn naar schatting enkele honderdduizenden van deze hobbydierhouders, mensen die vanzelfsprekend een heel andere belang hebben dan commerciële dierhouders. Nederland heeft er dan ook veel aan gedaan om het alternatief voor ruiming, vaccinatie van dieren die een risico lopen, Europees en wereldwijd geaccepteerd te krijgen. Mede dankzij die inspanningen is het nu mogelijk te vaccineren tegen een aantal belangrijke dierziekten. In 2007 heeft het doen ontwikkelen van vaccins tegen vogelgriep die ook in noodsituaties toegepast kunnen worden prioriteit.
Wereldwijd groeit de ongerustheid over een mogelijk catastrofale grieppandemie: een snelle uitbraak van een zeer ernstige, menselijke griepvariant. Nieuw is dat nu een ernstig ziekmakend vogelgriepvirus H5N1 zich snel over de wereld verspreid zonder dat er adequate bestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn. Dit H5N1-virus blijkt in staat ook een reeks zoogdiersoorten, inclusief de mens, te kunnen besmetten en daarbij nu al dodelijke slachtoffers te kunnen maken. De beste preventie voor het uitbreken van een grieppandemie is de bestrijding van vogelgriep onder gehouden vogels. Vaccinatie speelt daarbij een grote rol.
Er is € 15 mln. uitgebrokken voor een vierjarig onderzoek voor versnelde ontwikkeling van veterinaire vogelgriepvaccins die gericht en grootschalig kunnen worden ingezet bij vogels en andere diersoorten die in de overgang van dier–dier naar mens–mens transmissie een rol kunnen spelen. Het onderzoek bouwt voort op eens tevig fundament an Nederlandse kennis over veterinaire vaccins en zal dat fundament verder uitbreiden en versterken.
Vertrouwd platteland, verrassend perspectief
Het jaar 2007 zal voor het platteland vooral in het teken staan van de inwerkingtreding van het ILG. Daarmee wordt de decentralisatie van de inrichting van het landelijk gebied een feit. Onder regie van de provincies zal op lokaal en provinciaal niveau samenwerking plaatsvinden tussen diegenen die zelf in het gebied wonen en werken. Overheden, ondernemers en maatschappelijke organisaties zullen elkaar moeten vinden om gezamenlijk tot mooie resultaten te komen. Een duidelijk voorbeeld van verbinden. Tot 2013 krijgen de provincies de tijd om de doelen zoals met het Rijk vastgelegd te bereiken. Expliciet heeft het Rijk hiermee een groot vertrouwen naar de provincies vorm gegeven. Desgevraagd zal mijn ministerie de provincies daarbij ondersteunen en adviseren, zodat we er gezamenlijk voor zorgen dat het ILG een succes wordt.
Met inwerkingtreding van de WILG komen diverse instrumenten en regelingen te vervallen.
Platteland Ontwikkelingsprogramma (POP2)
In 2007 zal het tweede Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP2) operationeel worden voor de periode 2007–2013. Dit programma vormt de basis voor Europese medefinanciering van onderdelen van het plattelandsbeleid in Nederland zoals neergelegd in Kiezen voor Landbouw, Agenda en Meerjarenprogramma Vitaal Platteland alsmede provinciale beleidsvisies. De basis voor het POP2 is neergelegd in de Nationale Plattelandsstrategie. Ik streef er naar het POP2 in te zetten op ondersteuning van de integrale (agrarische) transformatieopgave, waarvoor de doelen van de Lissabonstrategie een belangrijk uitgangspunt vormen. Innovatie en versterking van ondernemerschap zijn daarom belangrijke ijkpunten binnen het aanstaande POP. Geheel in de filosofie van Kiezen voor Landbouw zal het POP in belangrijke mate worden gericht op versterking van het agrarisch ondernemerschap en op de rol van de landbouw voor het behoud van natuur en landschap. Voor het POP komt in de hele programmaperiode naar verwachting 490 miljoen euro aan cofinanciering uit het EU-Plattelandsfonds voor Nederland beschikbaar.
In de reconstructie van de zandgebieden komt het in samenhang versterken van de concurrentiekracht, de vernieuwing van het platteland en de versterking van de positie van de natuur bij uitstek naar voren. De uitvoering is nu goed op stoom. Dit biedt kansen voor ondernemers, maatschappelijke groepen en burgers. Onder regie van de provincies worden in gebieden het geld en nieuwe instrumenten als ruimte voor ruimte ingezet voor landbouwontwikkelingsgebieden de natuurkwaliteit, verbetering van het landschap en de leefbaarheid van dorpen.
Begin 2007 wordt de evaluatie van de reconstructie zandgebieden afgerond waarin ook lering wordt getrokken uit regionale ervaringen.
In de Agenda Vitaal Platteland en in de nota Ruimte is onderscheid gemaakt tussen het beleid voor behoud en ontwikkeling in de Nationale Landschappen en het generieke landschapsbeleid. Een grote zorg voor het behoud en ontwikkeling van het Nederlandse landschap zit in de gebieden buiten de Nationale Landschappen. Deze gebieden vallen ook onder de kwaliteitsagenda landschap. Want ook in deze gebieden bevinden zich karakteristieke landschappen. Het Nederlandse landschap is interessant, omdat het land voor bijna 100% met mensenhanden is ingericht en hiermee een product is van de samenleving.
De zorg voor mogelijk kwaliteitsverlies van het landschap wordt breed gevoeld in onze samenleving. We zien het landschap langs de snelwegen ingevuld worden met bedrijventerreinen en we maken ons zorgen over de toekomst van de landbouw, die vanouds de belangrijkste beheerder is van 70% van de Nederlandse open ruimte. Bovendien staan we de komende tijd voor een aantal grote transformaties in ons land als gevolg van klimaatverandering, de grote wateropgave, veiligheid en wellicht ontwikkelingen in de energiesector. Deze transformaties zullen de toekomst van het Nederlandse landschap voor een belangrijk deel beïnvloeden. Onder andere via het actieprogramma Ruimte en Cultuur 2005–2008 krijgt ruimtelijke kwaliteit de aandacht die het verdient. LNV wil voor het landschapsbeleid adequaat gebruik maken van de bewegingen, opvattingen en signalen in de samenleving.
In de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland zijn 20 Nationale Landschappen aangewezen. Het zijn de landschappelijk meest waardevolle gebieden van ons land, deels uniek in Europa en verdienen een extra inzet van het Rijk. Ze hebben elk een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen en vertellen daarmee het verhaal van het Nederlandse landschap. Met provincies zijn afspraken gemaakt over begrenzing, uitwerken van de kwaliteiten in streekplannen en het opstellen van uitvoeringsprogramma’s. De eerste plannen zijn klaar en uitvoeringsprojecten zijn gestart. Nationale Landschappen is één van de thema’s waarover in ILG verband voor de komende 7 jaren prestatie-afspraken worden gemaakt. 2007 wordt dus in dat opzicht een belangrijk jaar voor de Nationale Landschappen. Ook monitoring van landschapskwaliteit , communicatie, kennis en ondersteuning van provincies zijn belangrijke thema’s in 2007.
Ligging, omvang en karakter van het Groene Hart rechtvaardigen extra rijksbetrokkenheid bij dit Nationale Landschap. In de Nota Ruimte is aangegeven dat een ontwikkelings- en gebiedsgerichte aanpak nodig is. Om die reden is het Groene Hart één van de vier gebieden (de overige zijn de Noordvleugel, de Zuidvleugel en ZO-Brabant/N-Limburg) waarop de programma-aanpak van toepassing is. Dat houdt in dat door een gecoördineerde rijksinzet de uitwerking van de opgaven in deze gebieden door decentrale overheden en marktpartijen wordt ondersteund. Het rijksprogramma Groene Hart (waarin ook opgenomen zijn de Nationale Landschappen Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam) wordt door mijn ministerie gecoördineerd en bevat de projecten en thema’s waar het rijk prioriteit aan wil geven. Dit programma vormt het kader voor het door de drie betrokken provincies in gang gezette Ontwikkelingsprogramma Groene Hart. In 2006 zal door de betrokken provincies in dat verband een Uitvoeringsprogramma Groene Hart worden opgesteld zodat in 2007 realisatie van een aantal belangrijke Groene Hart-projecten van start kan gaan.
Het recreatiebeleid is bij uitstek geschikt om een brug te slaan tussen de stedeling en het platteland. Iedereen in ons land moet kunnen recreëren en vakantie houden op ons platteland. De aantrekkelijkheid van het platteland als recreatieve gebruiksruimte wordt bepaald door een mix van omgevingskwaliteiten (natuur, groen, landschap en water), de aanwezigheid van openbare recreatieve infrastructuur en de inspanningen van recreatie ondernemers en agrarische ondernemers. Er ontstaat zo een wisselwerking: het platteland biedt mensen rust ruimte en ontspanning; toerisme en recreatie worden steeds belangrijker als economische drager van het platteland. De nadruk blijft ook in 2007 liggen op het realiseren van grootschalige recreatiegebieden in de stedelijke omgeving en op de landelijke routes. Daarnaast blijf ik actief om de toegankelijkheid van het platteland te vergroten.
Voor water ligt de komende jaren het accent op de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) en Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Meer concreet gaat het om het zo goed mogelijk in beeld brengen van kosten en baten voor landbouw, natuur en recreatie en het realiseren van een maximale synergie tussen maatregelen op gebied van kwaliteit en kwantiteit. LNV gaat voor voldoende (schoon) water in het landelijk gebied; zodanig dat een duurzame ontwikkeling van de sectoren in het landelijk gebied mogelijk is. Uitgangspunt is een level playing field in Europa, met een haalbare & betaalbare implementatie van de KRW. In 2007 is tevens de doorwerking van de evaluatie van het mestbeleid in 2007 in het waterspoor aan de orde.
Natuur is een essentiële levensbehoefte voor de mens. Dat realiseren we ons soms te weinig. En natuur verbindt mensen en functies. Zo wordt ons economisch vestigingsklimaat er mede door bepaald, is de luchtkwaliteit ook afhankelijk van het aantal bossen in ons land, wordt door de mogelijkheid te bewegen in het groen onze gezondheid verbeterd enzovoort. Niet voor niets heb ik vaker aangegeven dat investeringen in groen zich op vele wijzen terugbetalen. Maar die investeringen in zowel geld als aandacht zijn wel nodig om de natuur die functie te laten behouden. Daarom investeer ik veel in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar heeft ook de natuur daarbuiten mijn aandacht.
Voor natuur is het van essentieel belang dat mensen zich ermee verbonden voelen. Als de natuur van anderen, van de overheid is, zal het nooit duurzaam behouden kunnen blijven. Dat is een van de voornaamste redenen dat ik zoveel nadruk leg op agrarisch en particulier natuurbeheer. Juist ook bij de totstandbrenging van de EHS. Diegenen die letterlijk in de natuur wonen en werken worden er, door hen medeverantwoordelijk te maken, nog sterker mee verbonden. Maar de natuur dient nog beter verankerd te geraken bij mensen.
Speciale aandacht is in 2007 nodig voor jongeren en natuur. Net als bij voedsel is het van belang dat jongeren zich de waarden van natuur beter gaan realiseren. Zeker nu steeds grotere aantallen jongeren opgroeien in een stedelijke omgeving is regelmatig contact met «natuur» in de breedste zin des woord helaas géén vanzelfsprekendheid. Een versterkte inzet is hier nodig. Dat kan door fysieke voorzieningen zoals speelbossen en door het aanbieden van programma’s, zoals excursies naar natuurgebieden, en andere projecten zoals Ecokids, Wildzoekers en «Groene Hangplekken», die ik via de Regeling Draagvlak Natuur ondersteun. Maar mijn aandacht gaat ook uit naar de natuur in de directe leefomgeving en de betekenis hiervan voor spelen, gezondheid en mogelijkheden voor educatie. Samen met VROM en OCW presenteer ik nog dit jaar een vernieuwd beleid voor natuur en milieu-educatie. Ook een breder programma Jeugd, natuur en gezondheid heb ik in voorbereiding.
De vorming van de EHS ligt nog altijd goed op schema. De laatste grondaankopen worden naar verwachting in 2015 uitgevoerd, op enkele robuuste verbindingen na, die ook daarna nog moeten plaatsvinden. Voor de natte natuur zullen reeds in 2008 de laatste grondaankopen plaatsvinden om conform de nota ruimte deze gebieden in de bestemmingsplannen opgenomen te hebben. Vanaf 2007 wordt de positie van de provincies bij het realiseren van de EHS, in het kader van het ILG, nog prominenter dan zij al was. Dat geldt ook voor de aanleg van robuuste verbindingszones, als fundamenteel onderdeel van de EHS, en de aanpak van knelpunten met de Rijksinfrastructuur in deze zones, zoals omschreven in het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO). De ingezette omslag van minder verwerving naar meer agrarisch en particulier natuurbeheer wordt in 2007 geëvalueerd. Zoals in de Nota Ruimte is vermeld, zullen met provincies en terreinbeheerders afspraken worden gemaakt over de kwaliteit van de natuur.
Natuurbeschermingswet en Natura 2000
Met de inwerkingtreding van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 per 1 oktober 2005 zijn de Vogel- en Habitatrichtlijn adequaat geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Conform de Natuurbeschermingswet worden in 2007 162 Natura 2000-gebieden aangewezen en zal een begin worden gemaakt met het opstellen van beheerplannen voor deze gebieden. Het aanwijzen van de betreffende gebieden, die overigens voor meer dan 95% door de EHS overlapt worden, levert een bijdrage aan het Europese netwerk van natuurgebieden, Natura 2000.
De afgelopen jaren hebben zich regelmatig spanningen voorgedaan tussen de wettelijke bescherming van flora en fauna en bedrijven met plannen voor economische (bouw)initiatieven. Vertragingen in bouwprojecten waren veelal het gevolg. Om deze reden is er bij overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties een grote behoefte aan betrouwbare informatievoorziening over de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in die gebieden waarin de komende decennia economische ontwikkelingen plaats zullen vinden. Er is besloten eenmalig € 20 mln. te reserveren voor het opzetten van een Gegevensautoriteit Natuur. Via de Gegevensautoriteit Natuur worden de initiatiefnemers van ruimtelijke economische ontwikkelingen in staat gesteld om – zonder dat sprake is van economische fricties of onevenredig hoge kosten – te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke bescherming van natuurwaarden. Daarnaast wordt via de leefgebiedenaanpak een aantal gerichte maatregelen getroffen zodat de overlevingskansen van beschermde soorten in kansrijke leefgebieden worden vergroot.
De Waddenzee is het grootste en internationaal bekendste natuurgebied dat Nederland herbergt. Ook hier speelt de verbinding met mensen die er wonen, werken en recreëren een belangrijke rol. Heel concreet is dit aan de orde bij de nominatie van de Waddenzee als werelderfgoed. Ik zal een proces in gang zetten dat in 2007 zal leiden tot een door de regio gedragen nominatie. Verder heeft dit kabinet in de Derde Nota Waddenzee een ontwikkelingsperspectief geschetst voor de natuur en de sociaal economische thema’s in het waddengebied. De regio kleurt het ontwikkelingsperspectief nader in. Het kabinet heeft de komende 20 jaar € 800 mln beschikbaar gesteld voor de realisatie van dit ontwikkelingsperspectief. In 2007 zullen op het gebied van natuur en duurzame vormen van landbouw, visserij en recreatie de eerste projectenaanvragen voor het Waddenfonds naar verwachting worden gehonoreerd.
2.1.2 Financieel kader voor 2007
De begroting van de uitgaven voor 2007 is ten opzichte van de meerjarencijfers in de begroting 2006 bijgesteld met € 85 mln. Deze bijstelling bestaat uit de mutaties, zoals opgenomen in onderstaande tabel.
| Bedragen x € 1 mln. | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand begroting 2006 | 2 135 | 2 166 | 2 141 | 2 138 | 2 118 | 2 118 |
| 1 Nota van Wijziging | 9 | 15 | – 3 | – 3 | – 3 | – 3 |
| 2 Ramingsbijstelling | – 20 | – 20 | – 20 | – 20 | – 20 | – 20 |
| 3 Eindejaarsmarge | – 14 | |||||
| 4 Nadeelcompensatie kokkelvisserij Waddenzee | 104 | |||||
| 5 Sanering kottervisserij | 13 | |||||
| 6 Dierziekten | 32 | |||||
| 7 EU-verplichtingen (Nitraatrichtlijn) | 12 | 10 | 8 | 6 | ||
| 8 Loon-/prijsbijstelling | 39 | 35 | 35 | 35 | 35 | 34 |
| 9 Bijdragen derden landinrichting | – 26 | – 26 | – 26 | – 26 | – 26 | |
| 10 Energietransitieglastuinbouw | 35 | 35 | 35 | |||
| 11 FES | 20 | 17 | 10 | 12 | 10 | 1 |
| 12 Verduurzaming Visserij | 7 | 7 | 7 | 7 | 7 | |
| 13 Welzijn Gezelschapsdieren | 1 | 3 | 3 | 3 | 3 | 3 |
| 14 BTW-compensatie praktijkleren | 5 | 5 | 5 | 5 | 5 | |
| 15 POP2 | 7 | 7 | 7 | 7 | ||
| 16 Reconstructie correctie extrapolatie | 17 | |||||
| 17 Sanering Kottervloot | – 5 | – 5 | ||||
| 18 Gegevensautoriteit Natuur | 20 | |||||
| 19 Overig | 11 | 4 | 5 | 2 | 3 | – 48 |
| Stand begroting 2007 | 2 362 | 2 251 | 2 207 | 2 196 | 2 151 | 2 078 |
De mutaties 1 t/m 8 zijn reeds in de eerste suppletore wet samenhangende met de Voorjaarsnota 2006 aan de Kamer voorgelegd.
Het betreft een efficiency-taakstelling VWA (€ 3 mln negatief structureel) en versnelde inrichting Groene Hart als Nationaal Landschap (€ 12 mln in 2006 en € 18 mln in 2007).
In relatie tot een aantal intensiveringen, is besloten tot een ramingsbijstelling structureel van € 20 mln. op de LNV-begroting.
De LNV-begroting wordt uit hoofde van de negatieve eindejaarsmarge 2005 met € 14 mln. verlaagd.
4. Nadeelcompensatie kokkelvisserij Waddenzee
Om schade aan het Wadden-milieu te voorkomen, is besloten om met ingang van 1-1-2005 geen vergunningen meer te verlenen voor de mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee. Een deel van de compensatie voor de kokkelvissers voor het beëindigen van deze vergunningen is al in 2005 betaald; het resterende bedrag wordt in 2006 uitgekeerd.
In verband met de kosten voor de sanering van de Noordzee-kottervloot, wordt in 2006 € 13,3 mln. vanuit het Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Visserij (O&S-fonds Vis) aan de LNV-begroting toegevoegd.
Ten behoeve van destructie en preventieve maatregelen als vaccinatie in het kader van wering en bestrijding van dierziekten, is € 32 mln. aan de LNV-begroting toegevoegd. Onderzocht zal worden of het mogelijk is om deze uitgaven via het Diergezondheidsfonds (DGF) te laten lopen.
7. EU-verplichtingen (Nitraatrichtlijn)
Nederland heeft eind 2005 van de Europese Commissie een derogatiebeschikking ontvangen voor de Nitraatrichtlijn. Voor o.a. onderzoeks- en monitoringsverplichtingen die uit deze derogatie voortvloeien worden voor de periode 2006–2009 middelen aan de LNV-begroting toegevoegd.
De loon- en prijsbijstelling 2006 is overgeboekt naar de departementen.
9. Bijdragen derden landinrichting
Met de komst van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) krijgen vanaf 2007 de provincies de verantwoordelijkheid voor het realiseren van bijdragen van derden voor landinrichtingsprojecten. Dat leidt tot verlaging van de uitgaven en ontvangsten voor dit doel op de LNV-begroting.
10. Energietransitie glastuinbouw
Voor innovatieve projecten gericht op ondersteuning van de glastuinbouw in de overgang naar minder gebruik van fossiele brandstoffen worden middelen aan de LNV-begroting toegevoegd.
Dit betreft diverse kennisprojecten in het kader van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) te weten: AI-vaccinontwikkeling (€ 15 mln.), praktijklokalen VMBO (€ 4,3 mln), beroepskolom MBO (€ 16,3 mln.), transitie duurzame landbouw (€ 1,5 mln.), Potato Genome Sequencing (€ 3,0 mln), Phytophtora (€ 9,9 mln.), Technologisch Top Instituut (TTI) Groene Genetica (€ 20,0 mln.).
Ten behoeve van een verdere verduurzaming in de visserijsector wordt met ingang van 2007 jaarlijks € 7 mln aan de LNV-begroting toegevoegd. Deze middelen zullen onder meer worden ingezet voor onderzoek naar en introductie van duurzame vistechnieken als de pulskor en ter dekking van mogelijke verliesdeclaraties uit hoofde van een te introduceren garantieregeling voor de visserij.
Om het welzijn van gezelschapsdieren beter te beschermen, worden middelen aan de LNV-begroting toegevoegd voor extra voorlichting, verstevigen en uitbreiden van de handhaving, kennisontwikkeling en het opzetten van een certificatiesysteem.
14. BTW-compensatie praktijkleren
In verband met de beëindiging van de bekostigingsrelatie tussen LNV en de Innovatie- en Praktijkcentra (IPC’s) vervalt de wettelijke status volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Hierdoor is met ingang van 1 januari 2007 BTW verschuldigd aan de IPC’s. De LNV-begroting wordt hiervoor gecompenseerd.
In verband met een lagere EU-bijdrage POP2 ten opzichte van POP1 is vanaf 2008 € 7 mln. aan de LNV-begroting toegevoegd.
16. Reconstructie extrapolatie
Dit betreft een technische correctie samenhangend met de extrapolatie 2010.
Dit betreft de terugbetaling aan V&W van de bijdrage in 2005 aan de sanering kottervloot (€ 10 mln).
Er is € 20 mln. gereserveerd voor het oprichten van een Gegevensautoriteit Natuur. Met dit systeem wordt het bedrijfsleven in staat gesteld om bij geplande ruimtelijke activiteiten op een effectieve manier rekening te houden met de wettelijke verplichtingen op het gebied van de natuurregelgeving.
De verlaging 2011 betreft het saldo van extra budget van oplopende beheerslasten en een verlaging in verband met het aflopen van ICES2.
De begroting van de ontvangsten voor 2007 is ten opzichte van de meerjarencijfers in de begroting 2006 technisch neerwaarts bijgesteld met € 7 mln.
| Bedragen x € 1 mln. | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand begroting 2006 | 478 | 403 | 393 | 392 | 392 | 392 |
| 1 Sanering kottervisserij | 13 | |||||
| 2 Bijdragen derden landinrichting | – 26 | – 26 | – 26 | – 26 | – 26 | |
| 3 FES | 20 | 17 | 10 | 12 | 10 | 1 |
| 4 Overig | 16 | 2 | – 2 | – 4 | – 4 | – 12 |
| Stand begroting 2007 | 527 | 396 | 375 | 374 | 372 | 355 |
Voor het uit de vaart nemen van kotters in verband met de sanering van de Noordzee-kottervloot, wordt in 2006 13,3 mln. vanuit het Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Visserij (O&S-fonds Vis) aan de LNV-begroting toegevoegd.
2. Bijdragen derden landinrichting
Als gevolg van het in werking treden van het Investeringsbudget Landelijk Gebied met ingang van 2007 lopen de bijdragen van derden aan uitgaven voor landinrichtingsprojecten niet meer via LNV maar via de provincies. Dit leidt tot een verlaging van de uitgaven en ontvangsten.
Dit betreft de bijdrage voor diverse kennisprojecten in het kader van het Fonds Economische Structuurversterking (FES).
deel B. Overzichtsconstructies
Om een goed inzicht te bieden in de totale omvang van het totaal beschikbare ILG-budget en de herkomst ervan is overzichtsconstructie opgesteld over de totale ILG-periode van 2007–2013. In deze overzichtsconstructie zijn ook de bijdragen van andere departementen aan het ILG opgenomen. In het kader van het ILG is afgesproken dat de andere betrokken departementen (VROM, V&W en OCW) hun bijdragen overboeken naar de LNV-begroting en dat de minister van LNV zorgdraagt voor de jaarlijkse stortingen ten behoeve van de provincies. De bijdragen van andere departementen dienen in een aantal gevallen nog naar LNV te worden overgeheveld.
Hoewel in de begroting 2007 de budgetten meerjarig tot en met 2011 worden vastgelegd, is er in de overzichtsconstructie voor gekozen de budgetten tot en met 2013 (dus voor de gehele ILG-periode) weer te geven. Voor de jaren 2012 en 2013 zijn de budgetten opgenomen onder het voorbehoud van definitieve extrapolatie van deze budgetten in de begrotingen van 2008 en 2009.
De totale omvang van het ILG-budget komt uit op € 3,2 miljard. Hierin is de reservering ten behoeve van de tweede fase van de uitvoering Wester-Schelde inbegrepen. Dit budget is exclusief de bijdragen van onder andere de EU en exclusief de bedragen die via de PNB-leningconstructie worden aangewend.
De minister van LNV zal op basis van de bestuursovereenkomsten met de provincies namens het Rijk per provincie een verplichting aangaan voor de gehele ILG-periode. De hiertoe benodigde verplichtingenruimte zal bij Najaarsnota 2006 worden aangevraagd. Dit zal leiden tot een correctie (verplichtingenschuif) op de gepresenteerde ILG-verplichtingenbudgetten in de jaren 2007 en volgende jaren.
Meerjarig overzicht ILG-budgetten
| ILG overzichtsconstructie | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| OD | Naam | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | Totaal |
| Reeds beschikbaar op de LNV-begroting | |||||||||
| 22.11 | Grondgebonden landbouw* | 16 228 | 21 054 | 28 348 | 16 379 | 24 424 | 25 082 | 25 175 | 156 690 |
| 22.12 | Infrastructuur glastuinbouw | 1 000 | 9 000 | 8 000 | 7 400 | – | – | – | 25 400 |
| 23.11 | Verwerving EHS* | 36 307 | 26 276 | 28 068 | 40 416 | 33 353 | 35 948 | 37 812 | 238 180 |
| Verwerven en inrichting Westerschelde | 9 382 | 15 862 | 20 682 | 10 209 | p.m. | p.m. | p.m. | 56 135 | |
| 23.12 | Inrichting EHS* | 48 774 | 67 911 | 58 055 | 55 520 | 62 440 | 63 507 | 63 496 | 419 703 |
| Milieukwaliteit EHS/VHR | 29 045 | 23 050 | 11 400 | 7 200 | 3 600 | 3 600 | 3 600 | 81 495 | |
| Waarvan V&W verdrogin | 3 600 | 3 600 | 3 600 | 3 600 | 14 400 | ||||
| 23.13 | Programma beheer binnen EHS | 91 001 | 96 244 | 101 654 | 105 591 | 101 785 | 107 725 | 114 115 | 718 115 |
| 23.14 | Nationale parken | 3 922 | 3 922 | 3 923 | 3 923 | 3 850 | 3 850 | 3 850 | 27 240 |
| Soortenbescherming | 1 200 | 1 200 | 1 200 | 1 200 | 1 200 | 1 200 | 1 200 | 8 400 | |
| Beheer buiten EHS | 8 198 | 8 198 | 8 950 | 9 711 | 10 649 | 11 309 | 12 019 | 69 034 | |
| 24.11 | Nationale Landschappen* | 20 429 | 17 473 | 20 359 | 21 463 | 20 130 | 21 142 | 21 407 | 142 403 |
| Waarvan Belvedere, incl. VROM/OCW5 | 2 282 | 2 282 | 2 282 | 6 846 | |||||
| 24.12 | Landschapgeneriek | 2 874 | 2 719 | 953 | 13 | 13 | 13 | 14 | 6 599 |
| 24.13 | Recreatie om de stad | 54 580 | 45 333 | 45 673 | 45 924 | 39 582 | 40 049 | 40 208 | 311 349 |
| 24.14 | Landelijke routenetwerken | 5 437 | 5 437 | 5 437 | 5 437 | 5 437 | 5 437 | 4 756 | 37 378 |
| Waarvan V&W Stichting recreatie toervaart6 | 681 | 681 | 681 | 681 | 681 | 681 | 0 | 4 086 | |
| Ontwikkelen & versterken toegankelijkheid* | 10 321 | 7 321 | 6 821 | 6 221 | 4 051 | 3 167 | 2 967 | 40 869 | |
| 27.11 | ReconstructieZandgebieden* | 81 574 | 78 879 | 81 383 | 74 711 | 69 697 | 69 686 | 68 996 | 524 926 |
| Nog toe te voegen aan de LNV-begroting van andere departementen | |||||||||
| Vrom | |||||||||
| 22.11 | VROM Duurzaam ondernemen1 | 659 | 1 062 | 2 070 | 2 070 | 2 070 | 2 070 | 10 001 | |
| 23.11/ 24.13 | VROM bufferzones EHS/rods2 | 8 360 | 6 072 | 5 283 | 5 845 | 5 845 | 5 845 | 5 845 | 43 095 |
| 23.12 | Waarvan VROM milieukwaliteit3 | 3 886 | 6 265 | 12 212 | 12 212 | 12 212 | 12 212 | 58 999 | |
| 27.12 | VROM Bodemsanering7 | 17 000 | 17 000 | 17 000 | 17 000 | 68 000 | |||
| VROM Duurzaam bodemgebruik9 | 356 | 573 | 1 118 | 1 118 | 1 118 | 1 118 | 5 401 | ||
| V&W | |||||||||
| 23.12 | V&W verdroging4 | 3 600 | 3 600 | 3 600 | 10 800 | ||||
| 27.12 | V&W Waterbodem8 | 9 075 | 9 075 | 9 075 | 9 075 | 36 300 | |||
| FES | |||||||||
| 23.11 | Westerschelde vanaf 2011 | 80 000 | |||||||
| Totaal | 428 632 | 440 852 | 444 089 | 458 638 | 431 131 | 442 635 | 450 535 | 3 176 512 | |
* inclusief terugbetaling provinciale voorfinanciering.
Ten aanzien van de bijdragen van de andere betrokken ministeries geldt het volgende:
1. Het ILG budget voor duurzaam ondernemen zijn vooralsnog opgenomen in de VROM begroting onder Operationeel Doel 7.2.5 Bevorderen duurzame landbouw. Dit budget zal naar de LNV-begroting worden overgeboekt.
2. De ILG budgetten voor bufferzones (Verwerven EHS; Recreatie om de stad) zijn vooralsnog opgenomen in de VROM begroting onder OD 5.2.2 «Landelijke Gebieden van nationaal belang». Dit budget zal naar de LNV-begroting worden overgeboekt.
3. De bijdrage van VROM ten behoeve van de milieukwaliteit EHS/Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) is vooralsnog opgenomen in de VROM begroting onder OD 7.2.4 «Bevorderen gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijk gebied». Dit budget zal naar de LNV-begroting worden overgeboekt.
4. De bijdrage van V&W voor verdroging, is reeds tot en met 2010 overgeheveld naar de LNV-begroting. In de begroting 2011 zullen de budgetten van 2011 tot en met 2013 worden overgeboekt.
5. In het ILG-budget voor Nationale Landschappen is een deel van het Belvedère budget opgenomen (gedurende drie jaar een bedrag van € 2 282 000). In dit budget zijn de bijdragen van VROM en OCW inbegrepen.
6. De bijdrage van V&W voor routenetwerken is een subsidie aan de Stichting Recreatie Toervaart (SRN) en loopt tot en met 2012. Dit budget is reeds overgeheveld naar de LNV-begroting.
7. Vanaf 2010 tot en met 2013 is er vanuit de VROM-begroting onder OD 7.2.2 «Saneren verontreinigde bodems» voorlopig jaarlijks 17 mln beschikbaar voor bodemsanering. Bij de midterm review in 2010 wordt het aandeel van bodemsanering in het ILG definitief bepaald.
8. Het budget voor sanering van waterbodems van jaarlijks ca. € 9 mln staat nu nog op VROM begroting OD 7.2.3. «Verbeteren milieukwaliteit water», maar komt vanaf 2010 beschikbaar op de V&W-begroting. Het zal vanaf dat moment via de LNV-begroting in het ILG opgaan.
9. Tot slot heeft VROM nog € 5,4 mln beschikbaar op haar begroting voor duurzaam bodembeheer onder OD 7.2.1 «Verbeteren milieukwaliteit bodem». Ook dit budget zal naar de LNV-begroting worden overgeboekt.
| Projecten | Te nemen besluiten | Verantwoordelijkheidsverdeling | Begroting | Operationeel doel | Bedragen |
|---|---|---|---|---|---|
| Nationaal landschap Groene Hart | Standpunt over Uitvoeringsprogramma | Vakministerie: LNV/VROMRegie: Provincies | XIV | 22.11, 23, 24, (ILG t/m 2013) | € 239 mln. |
| Besluit over medefinanciering | |||||
| Nieuwe Hollandse Waterlinie | Vaststellen begrenzing | Vakministerie: LNVRegie: Linicommissie | XIV | pm. | |
| Voordragen werelderfgoed | |||||
| Stelling van Amsterdam | Vaststellen begrnzing | Vakministerie: LNVRegie: liniecommissie | |||
| Veenweiden | Vakministerie: LNVRegie: convenant: Utrecht, Fesmiddelen: LNV | XIV | diverse | ||
| a: uitwerking veenweideagenda | toekennen 40 000 ha | Vakministerie: LNVRegie: convenant: Utrecht | |||
| b: PVA FES-gelden Veenweiden | toekennen FES-geld | Vakministerie: LNVREgie: Fesmiddelen: LNV | Versnelling FES | pm | |
| FES 2011–2014 | pm | ||||
| Natte As | Vaststellen begrenzing | Vakministerie: LNVRegie: Provincies | XIV | ||
| Toekennen hectares | |||||
| Transformatiezone Leiden Alphen Bodegraven | Vakministerie: VROM/EZRegie: Zuid-Holland | XI en XIII | pm | ||
| Afronden gebiedsuitwerking OUde Rijnzone | Standpunt over gebiedsvisie | Vakministerie: VROMRegie: Zuid Holland | |||
| Realisatie herstructurering bedrijventerreinen Oude Rijnzone | Standpunt over herstructurering | Vakministerie: EZRegie: Zuid-Holland | € 7,5 mln. | ||
| Infrastructuur (A12 en Rijn-Gouwelijn Oost) | Vakministerie: V&WRegie: V&W | XII | |||
| a. Voorbereiden uitvoeringsbesluit A12 | uitvoeringsbesluit A12 | Vakministerie: V&WRegie: V&W | € 204 mln. | ||
| b. Voorbereiden uitvoeringsbesluit Rijn-Gouwelijn Oost | Uitvoeringsbesluit RIjn-Gouwelijn Oost | Vakministerie: V&WRegie: V&W | € 140 mln. |
Een vitaal en duurzaam agrocomplex met inbegrip van de visserij.
LNV streeft naar een vitaal en duurzaam agrocomplex – met inbegrip van de visserij, waarbij:
• de nationale en internationale marktpositie van het agrocomplex wordt behouden en versterkt;
• van natuurlijke hulpbronnen een duurzaam gebruik wordt gemaakt;
• betrouwbare en hoogwaardige producten voortgebracht worden.
Deze beleidsdoelstelling richt zich op de verduurzaming van het agrocomplex in Nederland, waarbij zoveel mogelijk de Europese kaders worden gevolgd. De verduurzaming geldt niet alleen de milieuaspecten, maar ook de sociale en economische aspecten (bedrijfsontwikkeling en ondernemerschap).
Van grote invloed op het halen van deze beleidsdoelstelling zijn de ontwikkelingen die zich afspelen bij het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB), het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en de Doha-ronde van de WTO. Zo is met ingang van 1 januari 2006 in het kader van het vernieuwde GLB de ontkoppelde steunregeling van kracht geworden. Daarnaast is een nieuw plattelandskader voor 2007–2013 ontwikkeld (POP2). Dit nieuwe POP bevat een uitwerking van de nieuwe Kaderverordening Platteland, en sluit aan bij de nationale beleidsprioriteiten. Eveneens voor de periode 2007–2013 wordt een nieuw Europees Visserijfonds (EVF) ontwikkeld, dat inzet op verdere vergroening van het visserijbeleid.
Procentuele verdeling uitgaven 2007 over operationele doelstellingen en apparaat.

LNV is verantwoordelijk voor het bevorderen van gunstige randvoorwaarden vóór en het faciliteren van de ontwikkeling van het agrofoodcomplex en voor het maken van robuuste wet- en regelgeving. Een krachtige positie van het agrocomplex is in de eerste plaats de verdienste, maar ook de blijvende opgave van ondernemers. LNV definieert niet precies de eindsituatie, laat staan dat het deze effectueert. LNV stelt de randvoorwaarden vast en ondersteunt de ontwikkeling van het agrocomplex, waarbij ruimte is voor duurzaam ondernemerschap en een goed klimaat voor innovatie. Daar waar nodig zorgt LNV voor kennisontwikkeling, bevordert innovatie en samenwerking, stelt robuuste regelgeving en toezichtskaders op en geeft gerichte (al dan niet financiële) ondersteuning.
Het behalen van deze doelstelling hangt af van:
• het nemen van de eigen verantwoordelijkheid door de ondernemers;
• ontwikkelingen op de (internationale) markten;
• ontwikkeling van de internationale en binnenlandse markt voor duurzame kwaliteitsproducten;
• internationale handelsafspraken (zoals de Doha-ronde van de WTO);
• ontwikkelingen in het Gemeenschappelijk Landbouw- en Visserijbeleid o.a. middels een nieuw Europees Visserijfonds (EVF).
Het behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:
• de economische positie van de ondernemingen binnen het Nederlandse agrocomplex op internationaal niveau minimaal op peil blijft;
• het milieu minder wordt belast;
• betrouwbare en kwalitatief hoogwaardige producten in Nederland worden voortgebracht en verhandeld;
• de appreciatie van de Nederlandse samenleving van de economische, maar ook de ecologische en sociale bijdrage van het agrocomplex.
| Indicator | Referentie-waarde | Peil datum | Raming 2007 | Trendgegevens | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Toegevoegde waarde per fte in Ned. primaire sector1 | € 43 200 | 2005 | Hoger dan EU-15 | LEI | |||
| Toegevoegde waarde per fte in primaire sector EU 15 | € 23 100 | 2005 | LEI | ||||
| Overschot agrarische handelsbalans | € 22,4 mld. | 2005 | Op peil | LEI | |||
| Milieubelasting meststoffen & gewasbeschermingsmiddelen2 | 100 | 2003 | Dalende lijn | DL | |||
| Energie efficiencyverbetering– Glastuinbouw | 49% | 2003 | 65% | 2010 | Senter | ||
| – Voedings- en genotmiddelenindustrie (tov 2001)3 | 3,3% | 2005 | 15% | 2012 | Senter/Novem | ||
| Maatschappelijke appreciatiescore4 | 8 | 2005 | 8 | 2010 | TNS/NIPO | ||
1 De toegevoegde waarde per FTE wordt alleen gerekend over de primaire sector. Vanwege een betere beschikbaarheid van de gegevens verhoogt dit zowel de vergelijkbaarheid als de betrouwbaarheid van de indicator.
2 De uitwerking van milieubelastingindex is afhankelijk van het effectonderzoek die dit jaar op het terrein van gewasbescherming wordt uitgevoerd.
3 Deze indicator is een gemiddelde van verschillende sectoren in de voedings- en genotsmiddelenindustrie. De samenstelling van deze groep is gewijzigd door toetreding van nieuwe sectoren. De nieuwe sectoren hebben een relatief minder resultaat behaald, waardoor de referentiewaarde in 2005 is gedaald van 4,5% naar 3,3%. Op basis van de oude samenstelling van de groep was de energie-efficiencyverbetering in 2005 uitgekomen op 5,95%.
4 De maatschappelijke appreciatiescore is gebaseerd op een door TNS NIPO uitgevoerd onderzoek naar de waardering van Nederlandse burgers over de agrarische sector.
• Vitaal en Samen(LNV-beleidsprogramma 2004–2007).
• Nota Ruimte (TK 2004–2005, 29 435, nr. 154).
• Groeien in Concurrentie(TK 2004–2005, 29 939, nr. 1).
• Nota Kiezen voor Landbouw(TK 2005–2006, 30 252, nr. 1).
Budgettaire gevolgen van beleid
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Verplichtingen | 303 138 | 401 249 | 291 875 | 279 303 | 268 939 | 222 535 | 207 048 |
| Uitgaven | 278 591 | 421 005 | 301 572 | 269 080 | 253 784 | 211 068 | 202 667 |
| Programma-uitgaven | 98 769 | 222 578 | 123 349 | 113 015 | 101 845 | 59 213 | 51 378 |
| – waarvan juridisch verplicht | 39 626 | 19 737 | 10 399 | 7 833 | 3 370 | ||
| 21.11 Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat | 2 217 | 15 036 | 6 655 | 5 255 | 4 005 | 4 005 | 4 005 |
| – Jonge agrariërs | 579 | 11 735 | 5 400 | 2 750 | 1 500 | 1 500 | 1 500 |
| – Ondernemerschap | 1 638 | 3 301 | 1 255 | 2 505 | 2 505 | 2 505 | 2 505 |
| 21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn | 19 097 | 27 936 | 21 278 | 18 758 | 16 075 | 9 440 | 7 840 |
| – Verbetering dierenwelzijn | 1 471 | 1 798 | 4 286 | 3 971 | 3 958 | 3 958 | 3 958 |
| – Nieuw mestbeleid | 13 390 | 18 425 | 11 150 | 8 700 | 6 575 | 450 | 450 |
| – Fytosanitairbeleid | 759 | 2 907 | 2 527 | 2 885 | 2 525 | 2 090 | 490 |
| – Gewasbeschermingsbeleid | 3 477 | 4 806 | 3 315 | 3 202 | 3 017 | 2 942 | 2 942 |
| 21.13 Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen w.o. biologische landbouw | 36 726 | 41 322 | 76 988 | 72 839 | 66 702 | 30 705 | 24 470 |
| – Glastuinbouw | 14 403 | 18 853 | 49 482 | 43 465 | 43 954 | 12 101 | 7 141 |
| – Biologische landbouw | 7 865 | 10 915 | 7 065 | 5 200 | 4 082 | 4 407 | 4 382 |
| – Intensieve veehouderij | 1 900 | 500 | 4 600 | 3 525 | 2 500 | 1 450 | |
| – Melkveehouderij | 2 885 | 2 422 | 6 714 | 9 878 | 5 719 | 665 | 465 |
| – Akkerbouw | 1 369 | 1 852 | 1 773 | 1 705 | 1 705 | 1 205 | 1 205 |
| – Overige sectoren | 329 | 342 | 171 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| – Innovatie + Samenw. duurzame landbouw | 9 875 | 5 038 | 11 283 | 7 991 | 7 717 | 9 827 | 9 827 |
| 21.14 Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren | 34 099 | 128 831 | 11 365 | 9 100 | 9 100 | 9 100 | 9 100 |
| – Innovatie, Kennisontw. en verspreiding | 3 601 | 700 | 1 700 | 1 700 | 1 700 | 1 700 | 1 700 |
| – Binnenvisserij | 20 967 | 104 068 | 400 | 400 | 400 | 400 | 400 |
| – Verduurzaming Noordzeevisserij | 9 531 | 24 063 | 9 265 | 7 000 | 7 000 | 7 000 | 7 000 |
| 21.15 Bevorderen van duurzame ketens | 6 630 | 9 453 | 7 063 | 7 063 | 5 963 | 5 963 | 5 963 |
| – Bilaterale Economische Samenwerking | 2 987 | 3 310 | 3 338 | 3 338 | 3 338 | 3 338 | 3 338 |
| – Agrologistiek | 512 | 909 | 400 | 400 | 400 | 400 | 400 |
| – ICT Beleidsprogramma’s | 940 | 2 998 | 1 100 | 1 100 | |||
| – Energie en overig | 2 191 | 2 236 | 2 225 | 2 225 | 2 225 | 2 225 | 2 225 |
| Apparaatsuitgaven | 179 822 | 198 427 | 178 223 | 156 065 | 151 939 | 151 855 | 151 289 |
| U21.21 Apparaat | 19 064 | 18 143 | 17 246 | 16 988 | 16 995 | 16 995 | 16 988 |
| U21.22 baten-lastendiensten | 160 758 | 180 284 | 160 977 | 139 077 | 134 944 | 134 860 | 134 301 |
| Ontvangsten | 33 230 | 51 444 | 16 938 | 13 719 | 11 704 | 11 069 | 9 369 |
Toelichting op de programma-uitgaven
De verplichtingen en uitgaven zijn in 2006 incidenteel hoger in verband met te vergoeden nadeelcompensatie aan de kokkelsector. In de periode 2007–2009 is er jaarlijks € 35 mln. beschikbaar gesteld voor het versneld doorvoeren van innovatieve, energiebesparende maatregelen in de glastuinbouwsector.
Toelichting op de apparaatsuitgaven
De apparaatsuitgaven op dit artikel hebben met name betrekking op de uitvoering van EU-regelingen door de Directie Regelingen (DR).
De geleidelijke afname van apparaatsuitgaven houdt verband met afbouw van regelingen die worden vervangen door de Bedrijfstoeslagregeling (gemeenschappelijk landbouwbeleid) en de afbouw van het oud mestbeleid.
Er is sprake van incidenteel hogere ontvangsten in 2006 voornamelijk als gevolg van bijdrage vanuit het O&S-fonds voor de Visserij ter dekking van LNV-uitgaven met betrekking tot de sanering kottervloot.

Toelichting op de apparaatsuitgaven
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| Ambtelijk Personeel Directie Landbouw | 5 166 |
| Ambtelijk Personeel Directie Industrie en handel | 2 451 |
| Ambtelijk Personeel Directie Visserij | 5 515 |
| Materieel | 3 984 |
| Overig apparaat | 130 |
| Bijdrage aan AID | 39 173 |
| Bijdrage aan DLG | 621 |
| Bijdrage aan VWA | 7 |
| Bijdrage aan DR | 106 389 |
| Bijdrage aan PD | 14 787 |
| Totaal apparaatsuitgaven | 178 223 |
De ontvangsten op artikel 21 bestaan voornamelijk uit Europese co-financiering voor nationale regelingen (o.a. POP en FIOV).
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| EU-bijdrage jonge agrariërs | 2 100 |
| EU-bijdrage Biologische Landbouw | 1 882 |
| EU-bijdrage overige sectoren | 689 |
| Ontvangsten Visserij (o.a. FIOV) | 7 446 |
| Overige | 4 821 |
| Totaal ontvangsten | 16 938 |
Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
| Onderzoek onderwerp | AD of OD | A. start B. afgerond | Vindplaats | |
| Beleidsdoorlichting | Duurzaam ondernemen | 21 | A: 2009 | |
| Effectenonderzoek ex post | – Emancipatie | 21.11 | A: 2006 | |
| – Meststoffenwet 2006 | 21.12 | A: 2007 | ||
| – Duurzame gewasbescherming | 21.12 | A: 2006 | ||
| – Herstructurering bedrijfsstructuur Glastuinbouw | 21.13 | A: 2008 | ||
| – Energie-efficiency | 21.15 | B: 2010 | ||
| Overig evaluatieonderzoek | – Agrologistiek | 21.15 | A: 2008 | |
| – TRANSIT | 21.15 | A: 2009 | ||
| – Bilaterale agro economische samenwerking | 21.15 | A: 2008 |
21.11 Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat
LNV wil het concurrentievermogen van de agrarische ondernemers versterken. Het beleid, dat zich hierop richt, wordt vormgegeven door het stimuleren van goed ondernemerschap bij de Nederlandse agrariërs en het creëren van een goed ondernemersklimaat, met een zo laag mogelijke administratieve lastendruk en waarbij ondernemers zich bewust zijn van de voorwaarden verbonden aan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). LNV richt zich verder op het faciliteren van ondernemers bij duurzame investeringen en het bieden van een gunstig perspectief voor jonge agrariërs bij de overname van een bedrijf.
Jonge agrariërs
• Met de Kaderregeling Kennis & Advies subsidieert LNV jonge agrariërs bij het inhuren van kennis voor het opstellen van een ondernemingsplan in het kader van een bedrijfsovername.
• Voor jonge agrariërs die na de bedrijfsovername willen investeren in kwaliteitsverbetering, innovatie, dierenwelzijn, milieu en kostenverlaging biedt de Investeringsregeling Jonge Agrariërs financiële ondersteuning.
• Met de Kaderregeling Kennis & Advies subsidieert LNV de agrariërs die kennis inhuren met betrekking tot GLB en bedrijfsperspectief.
• Op het gebied van garantstellingen kunnen twee onderdelen worden onderscheiden. Ten eerste worden investeringen in de agrarische sector verder gestimuleerd met het Borgstellingsfonds, dat zich voor leningen garant stelt. Ten tweede geeft het Rijk ook garantstellingen af om private weerschadeverzekeringen mogelijk te maken.
• Met het opzetten van het Ondernemersprogramma streeft LNV ernaar het subsidiestelsel te vereenvoudigen, de administratieve lastendruk te verminderen en de klantvriendelijkheid te vergroten. Het programma bestaat uit een modulair subsidiestelsel, elektronische dienstverlening en één LNV loket.
• Het LNV loket is ontwikkeld in het kader van elektronische dienstverlening. Aan dit loket kunnen ondernemers terecht met vragen en verzoeken (bijvoorbeeld op het terrein van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het nieuwe mestbeleid en het ondernemersprogramma).
• Overige ICT-faciliteiten die bijdragen aan de reductie van administratieve lasten betreffen het meervoudig gebruik van eenmalig ingewonnen gegevens en de mogelijkheid van elektronische aangifte.
• Brief over de implementatie van het hervormde Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (TK 2003–2004, 21 501-32, nr. 73).
• Brief over Subsidieregeling Jonge Agrariërs (TK 2004–2005, 29 800, nr. 84).
• Jaarverslag 2005 Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw.
• Pakketbrief Administratieve Lasten (TK 2003–2004, 29 515, nr. 4).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentie-waarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Outcome | ||||||
| % innoverende agrarische bedrijven1 | 16,7% | 2004 | pm | pm | LEI | |
| Administratieve lastenreducties2 | 33% | 2006 | op peil | |||
| Output | ||||||
| Investeringsbedrag garant gesteld door Borgstellingfonds | € 107,1 mln. | 2004 | nvt | nvt | nvt | BF |
1. De indicator % innoverende agrarische bedrijven heeft ten opzichte van de begroting 2006 een bredere invulling gekregen. Naast innovatoren zijn nu ook de volgers meegenomen. De verdere vervolmaking van de indicator is gekoppeld aan de innovatie-agenda, waarin LNV zijn ambities ten aanzien van het innovatiebeleid nader zal uitwerken.
2. De kwantitatieve doelstelling van 25% reductie is ruimschoots gehaald. De nadruk ligt nu meer op het wegnemen van knelpunten in de beleving
21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn
LNV richt zich op het verminderen van de milieubelasting en het waarborgen van dierenwelzijn.
Dit komt onder meer tot uitdrukking in de volgende doelstellingen:
• het waarborgen en verbeteren van het welzijn van landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren aansluitend op de EU normen;
• het ethisch aanvaardbaar toepassen van biotechnologie bij planten en dieren;
• het verlagen van het gehalte aan stikstof en fosfaat in grond- en oppervlaktewater;
• het bevorderen van de teelt van en handel in gezond en kwalitatief hoogwaardig plantaardig (uitgangs)materiaal waarbij zo goed mogelijk aan de internationale fytosanitaire eisen kan worden voldaan;
• het voorkomen van problemen op het gebied van milieu, voedselveiligheid- en arbeidsbescherming als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;
• het benutten van biodiversiteit in het primaire productieproces;
• het coëxisteren van de 3 teeltmethoden (gangbaar, biologisch en genetisch gemodificeerd).
Dierenwelzijn
• Belangrijkste overheidstaak voor het waarborgen van dierenwelzijn bij landbouwhuisdieren is het stellen en handhaven van regelgeving. Dit betekent concreet het ontwikkelen en formuleren van normen in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) en de daarop gebaseerde regelgeving. Via deze wet worden ook de Europese verordeningen en richtlijnen, waaronder de transportverordening, geïmplementeerd. Om te komen tot objectieve kennis voor de normering, of het zoeken naar oplossingen in de praktijk, wordt veel onderzoek verricht. Zo werkt LNV o.a. aan het ontwikkelen van een dierenwelzijnsindex. Daarnaast wordt via het verlenen van fiscale voordelen geprobeerd ondernemers vrijwillig te laten investeren in o.a. dierenwelzijn.
• Met betrekking tot gezelschapsdieren is communicatie en voorlichting naar de houders van de dieren een speerpunt voor LNV. Hiertoe wordt bijvoorbeeld samen met andere partijen een landelijk informatiecentrum opgericht. Om de fokkerij en handel verdergaand te professionaliseren en transparant te maken, wordt ingezet op certificatie door de sector zelf. Het opzetten ervan wordt financieel door LNV ondersteund. Daarnaast stelt LNV, gekoppeld aan certificatie, doelvoorschriften op. Om adequaat overtreders te kunnen aanpakken wordt tot slot tevens de handhavingscapaciteit uitgebreid. De inzet daarbij zal vooral gericht zijn op degenen die niet gecertificeerd zijn.
• Kennisverspreiding en bewustwording vindt plaats door middel van nieuwsbrieven, inzet van het LNV-loket en andere vormen van voorlichting.
• LNV geeft financiële ondersteuning aan o.a. de Landelijke Inspectiedienst voor Dieren (LID).
• Het nieuwe mestbeleid houdt onder meer in dat vanaf 1 januari 2006 gebruiksnormen gelden voor de toepassing van meststoffen. LNV bepaalt daarbij op welke momenten en onder welke omstandigheden de meststoffen mogen worden uitgereden. Om de naleving van het beleid te vergroten wordt gestreefd naar een strikte handhaving van de gebruiksnormen en -regels.
• LNV ondersteunt de kennisverspreiding over een aangepaste bedrijfsvoering. De resultaten van het mestbeleid, die bereikt worden in de agrarische praktijk en in het milieu worden gemonitord.
• Nederland heeft eind 2005 van de Europese Commissie een derogatiebeschikking ontvangen voor de Nitraatrichtlijn. Deze is van toepassing t/m 2009. In de komende jaren wordt een aantal onderzoeks- en monitoringsactiviteiten uitgevoerd die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de voorwaarden die de Europese Commissie aan de derogatieverlening gesteld heeft.
• LNV ziet toe op naleving van de Plantenziektenwet, Zaaizaad- en Plantgoedwet en de Landbouwkwaliteitswet, monitoort de fytosanitaire status van Nederland en maakt bilaterale afspraken met niet EU-landen.
• Een belangrijk onderdeel van het fytosanitaire beleid betreft het aanpassen van de Plantenziektenwet, waarmee de resultaten uit de projecten Slim Fruit en Plant Keur worden geïmplementeerd. De fytosanitaire keuringen zullen vanaf 2007 door de plantaardige keuringsdiensten worden uitgevoerd.
• LNV continueert de versterkte beleidsmatige inzet in internationale gremia voor fytosanitaire beleidsvorming, om te borgen dat internationale regelgeving uitvoerbaar is voor het bedrijfsleven en aansluit bij de economische belangen van Nederland.
• LNV levert een financiële bijdrage aan het Kwaliteits Controle Bureau (KCB).
• LNV heeft samen met het ministerie van VROM, de VEWIN en de Unie van Waterschappen een convenant gesloten met een aantal sectorpartijen om de milieudoelstellingen van de nota Duurzame gewasbescherming te realiseren.
• LNV stimuleert de toepassing van kennis over geïntegreerde gewasbescherming onder meer door demoprojecten, kennisverspreiding door bijscholingsbijeenkomsten (t.b.v. vakbekwaamheidsbewijzen) en informatievoorziening over goede praktijken met als doel het gedrag van telers positief te beïnvloeden.
• LNV geeft vergunningen af voor en een financiële stimulans aan de toelating van gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen, gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong met als doel het instandhouden van een effectief middelenpakket.
• LNV stimuleert duurzame manieren van produceren (en consumeren) door gerichte financiële bijdragen aan projecten.
• LNV bevordert middels programmatisch handhaven de realisatie van nalevingsdoelstellingen voor de diverse plantaardige sectoren.
• LNV levert een financiële bijdrage aan het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB).
• Door middel van verschillende pilotprojecten, zowel van Rijk als provincies, wordt in de praktijk getest hoe biodiversiteit in het primaire productieproces kan worden benut om tot een milieuvriendelijkere bedrijfsvoering te komen. LNV start samen met VROM en het landbouwbedrijfsleven een hierop gericht kennis- en leertraject. De uitkomsten zullen een rol spelen bij de evaluatie van de beleidsbrief«Biodiversiteit in de landbouw» die in 2007 zal worden uitgevoerd.
• Nota Houden van Dieren (TK 2001–2002, 28 286, nr. 2).
• Brief Herijking Nota Houden van Dieren (TK 2003–2004, 28 286, nr. 4).
• Verslag Conferentie Gezelschapsdieren (TK 2004–2005, 28 286, nr. 22).
• Beleidsbrief Mestbeleid 2006–2009 (TK 2003–2004, 28 385, nr. 26).
• Brief Derogatieverzoek (TK 2004–2005, 28 385, nr. 51).
• Brief uitkomsten project Slim fruit (TK 2004–2005, 29 800, nr. 9).
• Brief Ontwikkelingen binnen het fytosanitaire beleidsveld (TK 2004–2005, 29 800, nr. 89).
• Brief Fytosanitaire ontwikkeling (TK 2005–2006, 29 800, nr. 109).
• Brief Fytosanitair inspectiestelsel: overeenstemming tussen LNV en het bedrijfsleven (TK 2005–2006, 30 300, nr. 85).
• Nota duurzame gewasbescherming (TK 2003–2004, 27 858, nr. 47).
• Beleidsbrief Biodiversiteit in de Landbouw (TK 2004–2005, 26 407, nr. 22).
• Brief Convenant Coëxistentie (TK 2004–2005, 29 404, nr. 8).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Outcome | ||||||
| – Gewasbescherming | ||||||
| % afname aantal milieubelastingspunten t.o.v. 1998 (in NMI) | Pm | 2005 | 95% | 2010 | NMP | |
| % afname overschrijdingen residunormen voedselproducten t.o.v. 2003 | Pm | 2005 | 50% | 2010 | NMP | |
| – Dierenwelzijn | ||||||
| % naleving v. bestaande welzijnsnormen1 | 70% | 2005 | 70% | Pm | Pm | AID |
| – Nieuw Mestbeleid | ||||||
| nationaal fosfaatoverschot | 420 mln. kg. | 2002 | Evenwicht | 2 015 | CBS | |
| Nationaal stikstofoverschot | 82 mln. kg. | 2002 | Evenwicht | 2 015 | CBS | |
| – Fytosanitairbeleid: | ||||||
| % afgekeurde zendingen naar het buitenland2 | 0,6% | 2005 | 0,6% | 0,6% | 2010 | PD |
1 Het percentage naleving bestaande welzijnsnormen is een gemiddelde over diverse sectoren (kalveren, varkens, legbatterijen).
2 Het percentage afgekeurde zendingen heeft slechts betrekking op een deel van het fytosanitaire beleid, nl. de export
21.13 Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen w.o. biologische landbouw
LNV streeft ernaar om in de verschillende sectoren van de land- en tuinbouw de duurzaamheid te bevorderen en te continueren.
Door de biologische landbouw te stimuleren draagt LNV bij aan het bieden van een alternatief perspectief. Met de biologische productiemethode wordt een bijdrage geleverd aan milieuverbetering en dierenwelzijnsaspecten.
LNV stimuleert de duurzaamheid in de glastuinbouwsector. Dit betreft aspecten als milieu, klimaat, ruimtelijke inrichting en gebruik van fossiele energie.
De vernieuwing van de intensieve veehouderij wordt gefaciliteerd, zodat de sector kan voldoen aan de door de maatschappij gewenste voorwaarden op het gebied van dierenwelzijn, milieu, landschap, marktgerichtheid en concurrentievermogen.
De ontwikkeling van de melkveehouderij naar een economische vitale en minder milieubelastende sector wordt gestimuleerd evenals het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de akkerbouwsector.
LNV bevordert en faciliteert sector- en sectoroverschrijdende initiatieven met betrekking tot samenwerking tussen in ketens en in regio’s. Hiermee wordt ingezet op het tot stand komen van een breed gedragen innovatieagenda, -programma en -projecten.
LNV stimuleert de innovatie en de duurzaamheid van de landbouwsectoren door de innovatieve initiatieven van bedrijven, consortia of maatschappelijke organisaties te subsidiëren, door kennisverspreiding te stimuleren en door het in beeld brengen van verandering en verduurzaming in de landbouw. Verder is het organiseren van ontmoeting en debat een belangrijk onderdeel van het beleid.
• Het beleid van LNV is vooral gericht op de vraagkant van de biologische markt. In het Convenant Marktontwikkeling Biologische Landbouw zijn hier afspraken over gemaakt.
Concreet betekent dit het uitvoeren van een generieke voorlichtingscampagne, het implementeren van meerjarige opschalingsplannen met convenantpartijen en het subsidiëren van voorlichtings- en demoprojecten op het gebied van de biologische landbouw.
• LNV geeft financiële ondersteuning t.b.v. certificeringkosten van biologische bedrijven via de Stimuleringsregeling Voortzetting Biologische Productie (SVBP). Daarnaast wordt subsidie verstrekt aan regionale projecten en aan organisaties (o.a. Biologica) die bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de biologische landbouw.
• LNV streeft er naar om binnen de Rijksoverheid het aandeel biologische catering te laten stijgen.
• LNV ziet toe op uitvoering van het Besluit Glastuinbouw 2004 en geeft subsidie aan glastuinbouwers voor kennisverspreiding in het kader van de Kaderregeling Kennis en Advies.
• Herstructurering van de glastuinbouw vormt onderdeel van het bevorderen van een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw. De structuur van de glastuinbouwgebieden wordt verbeterd door enerzijds afbraak van oude kassen (glasopstanden) en anderzijds investeringen in nieuwe kassen. LNV subsidieert dit met de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG).
• Met betrekking tot de 5 Greenports wordt de integrale, ruimtelijk-economische opgave ondersteund, zodat de concurrentiekracht van het tuinbouwcluster behouden blijft.
• De inrichting van duurzame glastuinbouwgebieden buiten de Greenports wordt ondersteund via de regeling Stimuleren Duurzame Glastuinbouwgebieden (Stidug). De nieuwe Stidugprojecten, die via het ILG gefinancierd worden, staan op beleidsartikel 22.
• Het energiebesparingsbeleid van LNV is er onder meer op gericht om partijen bij elkaar te brengen om de integrale milieutaakstelling te verwezenlijken (GLAMI-convenant). Dit geldt voor de gebieden gewasbescherming, mineralen, energie en ruimte en Meerjarenafspraak-e bloembollen en Meerjarenafspraak-e paddestoelen (MJA’s).
• Om een versnelde transitie naar minder gebruik van fossiele brandstoffen ven efficiënt energiegebruik binnen de glastuinbouw te stimuleren worden investeringen in innovatieve energieconcepten financieel ondersteund.
• Onder de glastuinbouw-, bloembollen- en paddestoelenondernemers wordt kennisverspreiding over energiebesparende maatregelen en duurzaam energieverbruik gestimuleerd.
• Via de CO2-regeling worden zgn. early adopters gestimuleerd om innovatieve, energiebesparende maatregelen door te voeren in hun glastuinbouwbedrijven.
• Om de transitie naar duurzame productiemethoden binnen de intensieve veehouderij te faciliteren wordt kennis verspreid over innovaties, worden innovatieve investeringen direct gesubsidieerd en fiscaal ondersteund en wordt samenwerking via onderzoek en kennis bevorderd.
• Door het ontwikkelen van een Maatlat Duurzame Veehouderij stimuleert LNV in samenwerking met VROM investeringen in duurzame stallen in de pluimveehouderij, melkveehouderij en varkenshouderij.
• Het «Programma luchtwassers» is erop gericht om via onderzoek nieuwe milieutechnologie (bijv. gecombineerde luchtwassers) te optimaliseren en om de controle op de werkzaamheid en de handhaafbaarheid te verbeteren. Daarnaast is het openstellen van een investeringsregeling voor gecombineerde luchtwassers erop gericht om versnelde inzet van deze nieuwe milieutechnologie in de praktijk mogelijk te maken.
• De beleidsopgave voor de grondgebonden landbouw richt zicht op de verbetering van de functionele en fysieke inrichting van landbouwbedrijven en de verduurzaming van de landbouwproductie.
• Projecten voor een gebiedsgerichte extensivering van de melkveehouderij worden gesubsidieerd.
• LNV ondersteunt praktijkgericht onderzoek ter bevordering van innovaties en de verspreiding van deze innovaties (o.a. Melkvee Academie).
• Het herverkavelen en herinrichten van landbouwgrond ter vergroting van bedrijfsoppervlak dichtbij de stalruimte vormt een belangrijk onderdeel van de structuurverbetering (zie verder beleidsartikel 22 Agrarische Ruimte).
• Om de kwaliteit, rendement en duurzaamheid van de productie van de belangrijkste akkerbouwgewassen (consumptie- en industrieaardappelen, suiker, graan en groenten) te bevorderen worden praktijkgerichte vernieuwingen gestimuleerd (project KODA).
Belangrijk onderdeel is een betere informatie-uitwisseling tussen onderzoek en ondernemers en de ontwikkeling van betere sturing vanuit de markt/ketens. Daarbij krijgt de ondernemer praktische hulpmiddelen aangereikt. Samenwerking in de keten staat hierbij voorop, met de ondernemer centraal.
• Binnen de akkerbouwsector wordt met de set aside regeling gepoogd de braaklegging van de akkerbouwgrond te verminderen.
• Door het organiseren van ontmoetingen en debatten in onder meer de melkveesector en de intensieve veehouderij wil LNV het formuleren van strategische (innovatie) agenda’s stimuleren. Deze agenda’s zijn gericht op diverse toekomstige ontwikkelingen en de bijbehorende acties van alle betrokken partijen, waaronder de overheid. Hierdoor vindt een bundeling van krachten plaats waardoor de inzet meer gecoördineerd en effectiever kan worden.
• Op innovatie gerichte samenwerking in sectoren (o.a. Flower&Food, varkensketen, eiersector) en voorbeeldprojecten in regio’s worden financieel ondersteund.
• Er worden kennis- en innovatievouchers ontwikkeld die hierop aansluiten.
• Ngo-initiatieven die het samenwerken voor duurzaamheid op programmaniveau bevorderen worden op incidentele basis financieel ondersteund.
• Transitiebrief (december 2002).
• Beleidsnota Biologische Landbouw 2005–2007(TK 2004–2005, 29 842, nr. 1).
• Convenant Glastuinbouw en milieu 1995–2010 (13 november 1997).
• Brief over nadere uitwerking ruimtelijk beleid Glastuinbouw (TK 2004–2005, 29 800, nr. 111).
• Brief Toekomst van de Intensieve Veehouderij (TK 2004–2005, 28 973, nr. 13).
• Groeien in Concurrentie(TK 2004–2005, 29 939, nr. 1)zie paragraaf «Inzet Koopmansgelden».
• Brief Toekomstvisie agrarische sector(TK 2005–2006, 30 252, nr. 3).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Outcome | ||||||
| Biologische Landbouw | ||||||
| Aandeel biologische landbouw op totaal landbouwareaal | 2,5% | 2005 | 10% | 2010 | SKAL | |
| Aandeel biologische landbouw in consumentenbestedingen | 1,8% | 2005 | 5% | 2010 | Biologica | |
| Glastuinbouw | ||||||
| Aandeel duurzame energie in glastuinbouw tov totaal energieverbruik | > 0,5% | 2003 | 4% | 2010 | Senter | |
| Energie-efficiencyverbetering (tov 1995) bloembollen* | 14,3% | 2003 | 20% | 20% | 2007 | Senter |
| Energie-efficiencyverbetering (tov 1995) paddestoelen* | 20,6% | 2003 | 22% | 22% | 2007 | Senter |
| Output | ||||||
| aantal ha geherstructureerd glastuinbouwareaal (RSG) | 738 | 2005 | 1 000 ha. | 2008 | DR | |
| Inrichting ontwikkelingslocaties (Stidug) | 1 298 | 2005 | nvt | 1998 | 2010 | DLG |
* De werkingsduur van de MJA-E’s bloembollen en paddestoelen is met een jaar verlengd tot 2007. In 2007 zullen in het kader van de nieuw op te stellen MJA-E’s tevens actuele realisatiecijfers worden opgeleverd.
21.14 Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren
Het visserijbeleid van LNV richt zich op de ontwikkeling van een duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren om:
• evenwicht te bewerkstelligen tussen natuurlijke vis- en schelpdierbestanden enerzijds en de vangstcapaciteit van de visserijsector anderzijds;
• het aquatische ecosysteem te beschermen;
• de beschikbaarheid van vis en schelpdieren te bevorderen.
Zowel de overheid als het bedrijfsleven hebben hierbij een eigen verantwoordelijkheid. De overheid heeft als taak en eerste verantwoordelijkheid het scheppen en borgen van de wettelijke minimum kaders, lange termijn doelstellingen en randvoorwaarden, waarbinnen de visserijketen kan opereren. In het verlengde daarvan schept de overheid ruimte voor ondernemen door onder meer vermindering van regeldruk en administratieve lasten en door het stimuleren van zelfregulering en innovatie. De primaire verantwoordelijkheid voor de verdere uitwerking en maatschappelijke verantwoording daarvan ligt bij de visserijketen.
• Wet- en regelgeving (Verordeningen EU op het gebied van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, De Visserijwet 1963)
• Controle en handhaving van visserijregelgeving.
1. Verduurzaming Noordzeevisserij
• LNV draagt bij aan maatregelen (o.a. middels een garantstelling) in de Noordzeevisserij die leiden tot verbetering van energie-efficiency, vermindering van negatieve effecten op de natuur en kwaliteitsverbetering (visserijmethodes als de pulsvisserij, schepen).
2. Innovatie, kennisontwikkeling en verspreiding
• LNV stimuleert en faciliteert een innovatieklimaat in de Noordzeevisserij, de schelpdiercultuur en de viskweek.
• LNV levert een financiële bijdrage aan het F-project. Het F-project is een samenwerkingsproject tussen de visserijsector en de wetenschappers van het Institute for Marine Resources & Ecosystem Studies(IMARES). Het doel is om wetenschappelijke informatie aan te vullen met informatie uit de praktijk om daarmee bestandsinschattingen te verbeteren.
• LNV draagt door het faciliteren van onder meer proefprojecten bij aan de versterking van het comanagement in de beroepsbinnenvisserij en de totstandkoming van een Visstandbeheercommissie IJsselmeer.
• Ter bescherming van de aalstand zijn op Europees niveau beheersmaatregelen nodig. Deze zijn door de Europese Commissie vastgesteld. Een nationaal aalbeheersplan dat voldoet aan Europese Aalverordening is eind 2007 gereed. LNV draagt bij aan een monitoringsprogramma. Hiermee dient inzicht te ontstaan in de omvang van het nationale aalbestand, zodat de maatregelen hierop kunnen worden afgestemd.
• Vitaal en Samen (LNV-beleidsprogramma 2004–2007).
• Nota Viskweek in Nederland als beleidskader voor innovatie in de viskweek (TK 2004–2005, 29 200, nr. 73).
• Beleidsbesluit schelpdiervisserij «Ruimte voor een zilte oogst» (TK 2004–2005, 29 675, nr. 3).
• Brief Task Force Duurzame Noordzeevisserij (TK 2006–2007, 29 675, nr. 19).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentiewaarde | Peil datum | Raming 2007 | Trendgegevens | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Visquota1 | 100% | VIRIS2 | |||||
| Tong | 13 085 | 2005 | Niet bekend | ||||
| Schol | 21 470 | ||||||
| Kabeljauw | 2 226 | ||||||
| Haring | 79 936 | ||||||
| Makreel | 20 954 | ||||||
| Horsmakreel | 46 096 | ||||||
| Voorzorgsniveau3 | ACFM4 | ||||||
| Scholbestand | 205 000 ton | 2005 | Niet bekend | 230 000 ton | 2010 | ||
| Tongbestand | 41 000 ton | 2005 | 35 000 ton | 2010 | |||
| Discards | 80% | 40% | 2013 | CVO (WUR)5 | |||
| Alternatieve visserijmethoden Noordzeevisserij | 1 kotter | 2006 | 110 kotters | 2013 | VIRIS | ||
| Verhuur Staatsbinnenwater | 80 000 ha | 80 000 ha | VIRIS | ||||
| Verhuur mossel- en oesterpercelen | 8 260 ha | 8 260 ha |
1 Het betreft de quota voor 2006. Visquota worden jaarlijks in december opnieuw vastgesteld door de Europese Landbouw en Visserijraad en gemeten in tonnen
2 Visserij Registratie en Informatie Systeem
3 Parameters kunnen worden bijgesteld op grond van besluiten van de Europese Raad Landbouw en Visserij.
4 Advisory Committee on Fishery Management.
5 Centrum voor Visserijonderzoek, Wageningen Universiteit en Researchcentrum.
Evenwicht tussen bestanden en vangstcapaciteit:
• Geen overschrijding van de nationale visquota.
Vermindering druk op aquatische ecosysteem:
• In 2010 is de omvang van de schol- en tongbestanden boven het voorzorgsniveau.
• In 2013 is de vangst van commercieel niet interessante vis (discards) met 50% afgenomen.
Om dit te bewerkstelligen zal regelgeving in 2007 worden aangepast.
• In 2013 gebruikt 40% van het huidige aantal Noordzeekotters dat vist met de traditionele boomkor een alternatieve visserijmethode.
Beschikbaarheid vis- en schelpdieren:
Het verhuren van 80 000 ha. Staatsbinnenwater en 8 260 ha. mossel- en oesterpercelen in de Waddenzee, de Oosterschelde en het Grevelingenmeer.
21.15 Bevorderen van duurzame ketens
Het LNV-beleid richt zich op het versterken van een op eigen kracht werkend, internationaal concurrerend agrocomplex binnen het kader van maatschappelijk ondernemen (people, planet, profit). Dit komt onder meer tot uitdrukking in de volgende subdoelstellingen:
• Een zo groot mogelijke participatie en presentatie van Nederlandse bedrijven en verwerkte agrarische producten op buitenlandse markten (waarbij LNV als partner voor andere overheden en het bedrijfsleven optreedt).
• Een optimale informatieoverdracht in ketens en koppeling keteninformatie.
• Een innoverende en vervoersefficiënte agrologistiek, waarbij aandacht wordt geschonken aan aspecten als dierenwelzijn, concurrentiekracht, landschappelijke kwaliteit en vermindering milieubelasting.
• Een hogere mate van energie-efficiency in de voedings- en genotmiddelenindustrie.
• Ter bevordering van de internationale presentatie en participatie levert LNV een bijdrage aan agro-economische samenwerkingsactiviteiten met het programma Bilaterale Economische Samenwerking (BES). Onder dit programma vallen handelsmissies, netwerkbijeenkomsten, marktanalyses, seminars, onderhandelingen over vermindering van handelsbelemmeringen (op veterinair en fytosanitair terrein) en vakbeurzen. Hierbij speelt ook de LNV Vertegenwoordiging Buitenland een grote rol.
• LNV stimuleert koppelingen in de voedselketeninformatie. Dit betekent het koppelen van publieke en private informatiesystemen om o.a. voor de slacht vereiste voedselketen-informatie beschikbaar te krijgen. Dit is relevante informatie voor de keuring door de VWA.
• LNV organiseert diverse ICT beleidsprogramma’s zoals CLIENT Export, SALDO en TRANSIT.
Deze programma’s zijn gericht op het optimaliseren van informatieoverdracht.
CLIENT Export richt zich op een efficiënte inrichting van informatiestromen en controleprocessen bij uitgaan van landbouwgoederen. SALDO beoogt een efficiëntere uitwisseling van informatie tussen overheid en bedrijfsleven door meer aan te sluiten bij datastromen en definities van het bedrijfsleven. Deze ICT beleidsprogramma’s leveren naar verwachting een positieve bijdrage leveren aan het terugdringen van administratieve lasten in het agrocomplex. TRANSIT richt zich vooral op het snel en transparant beschikbaar maken van informatie in de voedselketen. Zodoende wordt een positieve bijdrage geleverd aan de voedselveiligheid, ketenbrede tracking en tracing en de informatie-uitwisseling tussen bedrijfsleven, consument en overheid.
• Overleg Agrologistiek (platform en pilotprojecten). LNV verzorgt o.a. het secretariaat voor het Platform Agrologistiek. Dit Platform ondersteunt pilots op ruimtelijk en bestuurlijk vlak bij het wegnemen van (bestuurlijke) knelpunten.
• Convenant Meerjarenafspraken energie efficiency. LNV ondersteunt het opstellen, uitvoeren en monitoren van energiebesparingplannen op zowel bedrijfs- als brancheniveau.
• MJA2, Meerjarenafspraken Energie-efficiency 2001–2012, Senter Novem.
• Visie Agrologistiek, Voortgangsrapportage Agrologistiek (TK 2005–2006, 28 141, nr. 6).
• Nota internationaal ondernemen (Ministerie van EZ).
• WRR rapport «Nederland Handelsland, het perspectief van de transactiekosten».
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentie-waarde | Peil- datum | Raming 2007 | Trendgegevens | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Output | |||||||
| Aantal gerealiseerde bilaterale economische samenwerkingsactiviteiten | 102 | 2005 | 831 | 2007 | I&H | ||
| Aantal gerealiseerde agrologistieke pilotprojecten | 2 | 2004 | 11 | 132 | 2007/2008 | I&H |
1 Het streven is om 75% van de geprogrammeerde activiteiten te realiseren. Aangezien het totaal aantal geprogrammeerde BES activiteiten in 2007 110 bedraagt leidt dit tot een streefwaarde van 83 activiteiten.
2 De pilotprojecten zijn in uitvoering. In 2007 wordt aan de Tweede Kamer gerapporteerd over de resultaten/voortgang van de projecten.
Een toekomstgerichte, concurrerende landbouw als economische drager in het landelijk gebied.
Een vitale land- en tuinbouw is als producent van kwalitatief goede en veilige producten en als beheerder van het landelijk gebied van belangrijke economische betekenis voor Nederland. De bedrijven hebben een economisch duurzaam perspectief nodig om deze rol ook in de toekomst te kunnen blijven vervullen. Het Rijk wil daarom de positie van de primaire landbouw versterken door optimale condities te scheppen en ontwikkelingsmogelijkheden te bieden.
Procentuele verdeling uitgaven 2007 over operationele doelstellingen en apparaat Agrarische ruimte

• LNV faciliteert via de provincies de agrarische sector bij de versterking van de ruimtelijke inrichting van de grondgebonden landbouwbedrijven. Primair zijn de landbouwsectoren verantwoordelijk voor het formuleren van de eigen inrichtingsbehoefte. Naar verwachting treedt de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG) op 1 januari 2007 in werking. Hierdoor krijgen de provincies de regie op het realiseren van de Rijksdoelen die opgenomen zijn onder het ILG. De regie betreft dan zowel de programmering als de uitvoering van inrichtingsprojecten.
• Daarnaast ondersteunt LNV de ontwikkeling van de agrarische (infra)structuur bij de niet grondgebonden landbouw.
• De samenwerking en afspraken met provincies en andere overheden.
• De uitwerking en de uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP-2).
Het behalen van deze doelstelling heeft als effect een betere, competitieve landbouwstructuur, zodat een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van de (inter)nationale marktpositie van de land- en tuinbouw en daarmee ook aan een vitaal en aantrekkelijk agrarisch cultuurlandschap.
Op artikel 21 Duurzaam Ondernemen wordt de economische positie van de Nederlandse primaire sector uitgedrukt in toegevoegde waarde per fte (ten opzichte van het EU gemiddelde). Deze outcome-indicator is tevens van toepassing op dit beleidsartikel.
• Nota Agenda Vitaal Platteland (TK 2003–2004, 29 576, nr. 1).
• Nota LNV beleidsprogramma Vitaal & Samen 2004–2007 (LNV Rijksbegroting 2004).
• Meerjarenprogramma-2 (TK 2005–2006, 29 576, nr. 19).
Budgettaire gevolgen van beleid
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Verplichtingen | 67 554 | 24 011 | 10 913 | 11 347 | 13 343 | 11 000 | 9 550 |
| Uitgaven | 51 185 | 56 267 | 31 444 | 44 574 | 50 256 | 34 332 | 33 974 |
| Programma-uitgaven | 42 267 | 47 836 | 20 978 | 33 674 | 39 628 | 23 779 | 24 424 |
| – waarvan juridisch verplicht | 20 978 | 33 674 | 39 628 | 23 779 | 24 424 | ||
| 22.11 Ruimte voor grondgebonden landbouw | 41 145 | 42 836 | 16 228 | 21 054 | 28 348 | 16 379 | 24 424 |
| waarvan ILG: | |||||||
| – Grondgebonden landbouw | 16 228 | 21 054 | 28 348 | 16 379 | 24 424 | ||
| waarvan niet ILG: | |||||||
| – Landinrichtingsprojecten landbouw | 39 701 | 41 182 | |||||
| – Kavelruil | 1 444 | 1 654 | |||||
| 22.12 Ruimte voor niet grondgebonden | |||||||
| landbouw | 1 122 | 5 000 | 4 750 | 12 620 | 11 280 | 7 400 | |
| waarvan ILG: | |||||||
| – Stidug-projecten | 1 000 | 9 000 | 8 000 | 7 400 | |||
| waarvan niet ILG | |||||||
| – Infrastructuurregeling Glastuinbouw | 1 122 | 5 000 | 3 750 | 3 620 | 3 280 | ||
| Apparaatsuitgaven | 8 918 | 8 431 | 10 466 | 10 900 | 10 628 | 10 553 | 9 550 |
| U22.21 Apparaat | 193 | 124 | 123 | 123 | 123 | 123 | 123 |
| U22.22 baten-lastendiensten | 8 725 | 8 307 | 10 343 | 10 777 | 10 505 | 10 430 | 9 427 |
| Ontvangsten | 67 553 | 76 107 | 45 911 | 42 161 | 42 161 | 42 161 | 42 161 |
Toelichting op de programma-uitgaven
Ten opzichte van 2006 is sprake van structureel lagere uitgaven en ontvangsten landinrichting omdat de bijdragen van derden met ingang van 2007 als gevolg van het in werking treden van het Investeringsbudget Landelijk Gebied niet meer via LNV maar via de provincies lopen.
Het budget voor structuurverbetering is opgenomen onder OD22.11 Grondgebonden landbouw. Dit budget is samengesteld uit de onderdelen kavelruil en landinrichting.
In de periode 2007 t/m 2013 zetten het Ministerie van LNV (vanuit de Koopmansgelden) en de provincies ieder € 20 mln. aan kavelruilmiddelen in. Met Europese co-financiering (POP-2) kan dit bedrag oplopen tot € 80 mln. Daarnaast zet LNV voor iedere euro die de provincies extra inzetten eenzelfde bedrag in (met een maximum van € 20 mln.). Verder heeft LNV nog t/m 2013 betalingsverplichtingen ten aanzien van uitstaande projecten klassieke landinrichting en modulaire landinrichtingsprojecten.

Toelichting op de apparaatuitgaven
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| Ambtelijk Personeel DP | 109 |
| Materieel | 14 |
| Overig apparaat | |
| Bijdrage aan DLG | 10 343 |
| Totaal apparaatsuitgaven | 10 466 |
Ten opzichte van 2006 is sprake van een structureel lagere ontvangstenraming omdat de bijdragen van derden inzake landinrichting met ingang van 2007 als gevolg van het in werking treden van het Investeringsbudget Landelijk Gebied niet meer via LNV maar via de provincies lopen.
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| Landinrichtingsrente | 42 161 |
| O&S-fonds IRG | 3 750 |
| Totaal ontvangsten | 45 911 |
Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
| Onderzoek onderwerp | AD of OD | A. start B. afgerond | Vindplaats | |
| Beleidsdoorlichting | Agrarische ruimte | 22 | A 2010 | |
| Overig evaluatieonderzoek | Midterm review ILG | 22.11 | A. 2010 | – |
Bij de ILG afspraken is voorzien in een midtermevaluatie (MTE) in 2010. Hierbij zullen Rijk en provincies bestaande afspraken herijken.
22.11 Ruimte voor grondgebonden landbouw
Een economisch vitale grondgebonden landbouw is van essentiële betekenis voor het bereiken en in stand houden van een vitaal platteland. De beleidsopgave voor de grondgebonden landbouw richt zich in het algemeen op de verbetering van de functionele en fysieke inrichting van landbouwbedrijven, waarbij door een optimale bedrijfsinrichting een efficiëntere en een op duurzaamheid gerichte bedrijfsvoering mogelijk wordt gemaakt.
Voor de grondgebonden landbouw is het uitgangspunt van het Rijk vergroting en verbetering van de landbouwkavels waardoor landbouwbedrijven meer concurrerend (efficiënter) kunnen produceren.
Het Rijk wil daarnaast het duurzaam gebruik en beheer van natuurlijke hulpbronnen door de landbouw stimuleren. Om de kennis op dit gebied te vergroten zullen Rijk, provincies en landbouwsector gezamenlijk een aantal pilots agrobiodiversiteit en duurzaam bodemgebruik opzetten en uitvoeren. De resultaten van de pilots duurzame productie zullen worden gebruikt voor visievorming op de duurzame landbouw.
• In 2005 heeft LNV met de gedeputeerden van de provincies een convenant afgesloten om met elkaar en met behulp van Europese POP-gelden vanaf 2007 optimaal in te zetten op de verbetering van de fysieke structuur van de grondgebonden landbouw.
• In de ILG-convenanten met de 12 provincies worden deze afspraken per provincie vastgelegd: hierin worden 7-jarige afspraken gemaakt over structuurverbetering van de grondgebonden landbouw.
• De provincies zetten als gebiedsregisseur de plannen om in de uitvoering van gebiedsprojecten waarin voor de landbouw kavelruil en bijbehorende kavelaanvaardingswerken worden ingezet.
• Het Rijk stelt financiële bijdragen beschikbaar voor de uitfinanciering van lopende inrichtingsprojecten onder regie van de provincies (via het landinrichtingsinstrumentarium).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1. Oppervlakte in te richten conform kwaliteitseis (voorheen kavelruil) | 0 ha | 2005 | 0 ha | 129 000 ha | 2013 | MJP-2 |
22.12 Ruimte voor niet grondgebonden landbouw
Het realiseren van een goede ruimtelijke structuur voor een perspectiefvolle en duurzame ontwikkeling van de niet grondgebonden en/of kapitaalintensieve landbouw.
Voor de niet-grondgebonden en/of kapitaalintensieve landbouw (tuinbouw onder glas) wordt gestreefd naar vormen van ruimtelijke concentratie, waarbij de ontwikkeling van bedrijvigheid vooral binnen begrensde ontwikkelingsgebieden wordt gestimuleerd.
In samenwerking met de gemeenten zal daarnaast in en rond het Westland en Aalsmeer een herinrichting van de wegen en sloten plaatsvinden. Dit levert een bijdrage aan de verbetering van de agrologistiek in deze economisch vitale glastuinbouwgebieden.
• De Infrastructuurregeling Glastuinbouw (IRG) levert een financiële bijdrage aan de verbetering van de infrastructuur in de glastuinbouwgebieden Westland en Aalsmeer.
• Met de Stimuleringsregeling Duurzame Glastuinbouwgebieden (STIDUG) wordt de inrichting van duurzame glastuinbouwgebieden ondersteund. De financiering loopt via het ILG.
• Brief over de nadere uitwerking van het ruimtelijk beleid in de glastuinbouw (TK 2004–5005, 29 800 XIV, nr. 111).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Aantal Infrastructurele projecten Westland/Aalsmeer | 0 | 2005 | 12 | 21 | 2009 | DLG |
| Aantal ha Stidug-projecten (ILG) | 0 | 2006 | 700 | 2 013 | DLG |
Het Rijk streeft naar het zekerstellen van de biodiversiteit en het vergroten van de kwaliteit van de leefomgeving. De achteruitgang van de rijkdom aan planten, dieren en ecosystemen moet een halt worden toegeroepen, omdat anders deze functies verloren gaan. Biodiversiteit vervult vele functies, waaronder het voldoen aan recreatieve behoeften en het voorzien in een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat. Het behoud van biodiversiteit is een onderdeel van de internationale afspraken zoals vastgelegd in de Biodiversiteitsconventie 1992. Biodiversiteitsbehoud staat daarom centraal in het natuurbeleid dat gericht is op de 2010 doelstelling, het stoppen van de verdere achteruitgang van de soorten rijkdom.
Natuur is een essentiële levensbehoefte voor de mens. Zij verbindt mensen en functies zoals economisch vestigingsklimaat, luchtkwaliteit, gezondheid en recreatie. Behoud en op termijn verbetering van de biodiversiteit zijn een belangrijke voorwaarde voor de natuur in ons land en daarmee voor een leefbare samenleving. Een sterke biodiversiteit is de levensverzekering voor huidige en toekomstige generaties.
Om de biodiversiteit te versterken worden wettelijke kaders (Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet), subsidie-instrumenten (voor verwerving, inrichting en beheer van natuur) en voorlichting (in 2007 speciaal aan jongeren) ingezet. Op deze manier moet in 2018 in Nederland 728 500 ha Ecologische Hoofdstructuur EHS tot stand zijn gekomen met een natuurkwaliteit zoals die omschreven staat in het Rijksprogramma van de Agenda Vitaal Platteland (MJP2) voor de periode 2007–2013 en de Nota Ruimte.
Voor de natuur is het van essentieel belang dat mensen zich er mee verbonden voelen. Daarom wordt veel nadruk gelegd op het agrarisch en particulier natuurbeheer, juist ook bij de totstandbrenging van de EHS.
Daarnaast levert Nederland een bijdrage aan het Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Dit zijn verplichtingen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn.
Het realiseren van de gewenste milieu- en watercondities draagt bij aan het behoud en ontwikkeling van de biodiversiteit in de EHS en de Natura 2000-gebieden.
Het beschermen en behouden van de landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden van de EHS vindt plaats via bestaande wettelijke en ruimtelijke kaders (bijvoorbeeld Monumentenzorg en Nota Ruimte) en beheer (zoals het beheer van landschapselementen in de Nationale Landschappen, zie 24.11.).
In het natuurbeleid wordt steeds meer ingezet op de ontwikkeling van een integrale benadering van soorten en gebieden. Soorten worden gekoppeld aan leefgebieden waardoor met maatregelen meerdere soorten tegelijk actief beschermd worden. Deze benadering betekent een versterking van de traditionele soortenbescherming.
Het natuurbeleid richt zich verder op het beheren van natuur buiten de EHS zoals het weidevogelbeheer en de opvang van wintergasten. Dit alles gebeurt in samenhang met het beheer en herstel van belangrijke (agrarische) cultuurlandschappen zoals geformuleerd in het beleid voor de Nationale Landschappen. In hoofdstuk 24 (Landschap en Recreatie) wordt hierop nader ingegaan.
Nederland levert een belangrijke bijdrage aan de internationale afspraken die tot doel hebben het verlies aan biodiversiteit in de wereld tegen te gaan en werkt mee aan een wereldwijde aanpak van duurzame ontwikkeling en behoud van biodiversiteit. Daartoe worden onder andere overeenkomsten gesloten met internationale organisaties en worden subsidies verstrekt aan internationale projecten.
De komende jaren ligt het accent op het versterken van de kwaliteit van de EHS. Zoals in de Nota Ruimte is vermeld, zullen met provincies en terreinbeheerders afspraken worden gemaakt over de kwaliteit van de natuur.
Procentuele verdeling uitgaven 2007 over operationele doelstellingen en apparaat Realiseren natuur

LNV draagt verantwoordelijkheid voor:
• Het nakomen van de internationale afspraken op het gebied van het behoud en de ontwikkeling van de biodiversiteit in de wereld;
• Het (doen) uitvoeren van wet- en regelgeving op het terrein van natuurbescherming en natuurontwikkeling, waaronder de Natuurbeschermingswet en de Flora- en Faunawet;
• De totstandkoming van de Ecologische Hoofdstructuur in 2018;
• Het vergroten van de deelname van agrariërs en andere particuliere grondeigenaren aan de realisatie van de EHS;
• Het beheer van natuur en landschap buiten de EHS;
• Via de Wet Inrichting Landelijk Gebied, die naar verwachting vanaf 1 januari 2007 in werking treedt, krijgen de provincies de regie op het realiseren van Rijksdoelen waarover het Rijk en de provincies afspraken maken in de eind 2006 af te sluiten ILG convenanten.
De Rijksdoelen die via het ILG worden gerealiseerd staan herkenbaar opgenomen onder de operationele doelen. LNV stelt hiertoe het Investeringsbudget Landelijk Gebied ter beschikking aan de provincies.
De verbinding tussen burger en natuur is van groot belang om het natuurbeleid te laten slagen. Daarnaast is het behalen van de doelstellingen afhankelijk van de medewerking van andere overheden, terreinbeherende organisaties, waterschappen, particuliere grondeigenaren en agrariërs. Ook is het realiseren van de gewenste milieu- en watercondities, de planologische veiligstelling en ruimtelijke bescherming van belang.
Het behalen van de doelstellingen met betrekking tot de biodiversiteit en de EHS heeft als effect:
• dat in Nederland een leefklimaat wordt gecreëerd waarin het prettig is te wonen, te werken en te recreëren;
• dat goederen, grondstoffen en diensten geleverd kunnen worden die nodig zijn om te eten, te drinken, te wonen en te werken;
• dat planten en dieren in Nederland duurzaam kunnen voorbestaan.
De uitwerking van de indicatoren die samenhangen met het Meerjarenprogramma voor een Vitaal Platteland zal dit jaar plaatsvinden, zodat de indicatoren en bijbehorende streefwaarden in de begroting van 2008 volledig kunnen worden opgenomen.
• Nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur (NvM) (Aanbiedingsbrief TK 1999–2000, 27 235, nr. 1).
• Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal (TK 2001–2002, 28 450, nr. 1).
• Beleidsprogramma Programma Beheer.
• Nota Ruimte (TK 2004–2005, 29 435, nr. 154).
• Agenda voor een Vitaal Platteland Meerjarenprogramma 2007–2013.
• Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbeleid 2005–2010.
• Flora- en Faunawet (TK 2004–2005, 29 446, nr. 26).
• Natuurbeschermingswet (TK 2004–2005, 29 800 XIV, nr. 94).
• Meerjarenprogramma Ontsnippering (2004).
Budgettaire gevolgen van beleid
| Bedragen x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 23 Natuur | 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 |
| Verplichtingen | 474 938 | 670 619 | 401 969 | 402 698 | 399 060 | 410 647 | 460 045 |
| Garanties (Leningen Natuurmon.) | 74 166 | 53 642 | 49 021 | 52 323 | 33 497 | ||
| Uitgaven | 365 890 | 445 962 | 448 760 | 466 705 | 461 874 | 468 458 | 442 017 |
| Programma-uitgaven | 309 480 | 388 276 | 385 564 | 399 973 | 395 855 | 402 712 | 375 918 |
| – waarvan juridisch verplicht | 278 224 | 294 843 | 289 072 | 296 993 | 288 533 | ||
| 23.11 Verwerven Ecologische Hoofdstructuur | 81 045 | 72 046 | 80 075 | 76 483 | 86 122 | 90 018 | 77 703 |
| waarvan ILG: | |||||||
| – Verwerven EHS | 36 307 | 26 276 | 28 068 | 40 416 | 33 353 | ||
| – Verwerven en inrichten Westerschelde | 9 382 | 15 862 | 20 682 | 10 209 | |||
| waarvan niet ILG: | |||||||
| – Verwerven droge EHS | 53 675 | 28 814 | |||||
| – Rente en aflossing | 18 358 | 23 618 | 30 558 | 30 658 | 33 658 | 35 658 | 40 620 |
| – Grondwaardebepaling | 3 000 | 3 001 | |||||
| – Natte natuur | 6 012 | 16 613 | |||||
| – NURG en Maaswerken | 3 828 | 3 687 | 3 714 | 3 735 | 3 730 | ||
| 23.12 Inrichten Ecologische Hoofdstructuur | 25 998 | 66 141 | 90 090 | 105 353 | 86 617 | 83 733 | 71 180 |
| waarvan ILG: | |||||||
| – Inrichten EHS | 48 774 | 67 911 | 58 055 | 55 520 | 62 440 | ||
| – Milieukwaliteit EHS en VHR | 29 045 | 23 050 | 11 400 | 7 200 | 3 600 | ||
| waarvan niet ILG: | |||||||
| – Inrichten EHS | 19 437 | 53 259 | |||||
| – Natte Natuur | 6 561 | 12 882 | |||||
| – NURG en Maaswerken | 751 | 5 412 | 5 452 | 5 483 | 5 140 | ||
| – IJsselmeer en Rijkswateren | 11 520 | 8 980 | 11 710 | 15 530 | |||
| 23.13 Beheren Ecologische Hoofdstructuur | 139 491 | 164 134 | 150 938 | 156 424 | 162 201 | 166 540 | 163 090 |
| waarvan ILG: | |||||||
| – Programma Beheer | 91 001 | 96 244 | 101 654 | 105 591 | 101 785 | ||
| waarvan niet ILG: | |||||||
| – Beheer door Staatsbosbeheer | 52 831 | 48 899 | 47 197 | 47 645 | 47 921 | 48 265 | 48 610 |
| – Beheer door particuliere natuurbeschermingsorganisaties (SN) | 25 145 | 33 304 | |||||
| – Particulier natuurbeheer (SN-functiewijziging) | 4 818 | 9 500 | |||||
| – Agrarisch natuurbeheer (SAN) | 54 144 | 70 066 | |||||
| – Behoud en herstel historische buitenplaatsen | 2 553 | 2 365 | 3 075 | 3 075 | 3 075 | 3 075 | 3 075 |
| – Overig beheer | 9 665 | 9 460 | 9 551 | 9 609 | 9 620 | ||
| 23.14 Beheer natuur buiten EHS en beschermen van de internationale biodiversiteit | 62 946 | 85 955 | 64 461 | 61 713 | 60 915 | 62 421 | 63 945 |
| waarvan ILG: | |||||||
| – Bijdrage nationale parken | 3 922 | 3 922 | 3 923 | 3 923 | 3 850 | ||
| – Soortenbescherming | 1 200 | 1 200 | 1 200 | 1 200 | 1 200 | ||
| – Beheer van natuur buiten EHS | 8 198 | 8 198 | 8 950 | 9 711 | 10 649 | ||
| waarvan niet ILG: | |||||||
| – Gegevensautoriteit natuur | 20 000 | ||||||
| – Beheer door Staatsbosbeheer | 9 894 | 10 796 | 10 912 | 11 280 | 11 824 | 12 444 | 13 064 |
| – Beheer door particuliere natuurbeschermingsorganisaties (SN) | 6 132 | 7 000 | |||||
| – Bijdrage nationale parken | 5 465 | 5 840 | 1 907 | 1 907 | 1 907 | 1 907 | 1 974 |
| – Faunafonds | 10 257 | 9 200 | 8 700 | 8 700 | 8 700 | 8 700 | 8 700 |
| – Overige nationale bijdragen | 29 277 | 31 192 | 17 702 | 16 011 | 15 941 | 15 941 | 15 914 |
| – Internationale subsidies en contributies | 1 921 | 1 927 | 2 488 | 2 088 | 2 088 | 2 088 | 2 087 |
| – Natuurbeschermingswet | 8 812 | 7 787 | 5 762 | 5 887 | 5 887 | ||
| – Soortenbescherming | 620 | 620 | 620 | 620 | 620 | ||
| Apparaatsuitgaven | 56 410 | 57 686 | 63 196 | 66 732 | 66 019 | 65 746 | 66 099 |
| 23.21 apparaat | 7 568 | 6 534 | 6 459 | 6 461 | 6 462 | 6 462 | 6 459 |
| 23.22 agentschappen | 48 842 | 51 152 | 56 737 | 60 271 | 59 557 | 59 284 | 59 640 |
| Ontvangsten | 33 696 | 37 644 | 7 889 | 9 889 | 9 889 | 10 889 | 2 889 |
Toelichting op de programma-uitgaven
In 2006 worden voor ca. € 180 mln. extra verplichtingen aangegaan in het kader van de Subsidieregeling Natuurbeheer en de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer, waartoe verplichtingenbudget uit latere jaren naar 2006 is geschoven.

Toelichting op de apparaatuitgaven
| Raming 2007 | |
| Ambtelijk personeel Directie Natuur | 5 573 |
| Materieel | 886 |
| Overig apparaat | – |
| Bijdrage aan DLG | 35 210 |
| Bijdrage aan DR | 17 951 |
| Bijdrage aan AID | 3 576 |
| Totaal apparaatsuitgaven | 63 196 |
| Raming 2007 | |
| EU-bijdragen verwerving en inrichting | 1 296 |
| EU-bijdragen beheer | – |
| EU-bijdragen Stimulering bos op landbouwgronden | |
| Opbrengst jachtakten | 1 031 |
| Bijdragen van derden | 5 000 |
| Overige | 562 |
| Totaal | 7 889 |
Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
| Onderzoek onderwerp | AD of OD | A. start B. afgerond | Vindplaats | |
| Beleidsdoorlichting | 23 | A: 2008 | ||
| Effectenonderzoek | – Realisatie EHS | 23.11/12 | B: 2006 | |
| – Natuurbalans | 23.11 t/m 14 | A: 2006 B: 2009 | ||
| – Kosteneffectiviteit van het natuurbeleid | 23.11 t/m 14 | B: 2006 | ||
| – Effectiviteit Programma Beheer | 23.13/14 | B: 2007 | ||
| – Flora- en Faunawet | 23.14 | B: 2007 | ||
| – Nederlandse voorbereiding op de EU-evalutie Vogel- en Habitatrichtlijn 2007 | 23.14 | B: 2006 | ||
| Overig evaluatieonderzoek | – Overgangscontract ILG2005–2006 | 23.11 t/m 23.14 | B: 2006 |
23.11 Verwerven Ecologische Hoofdstructuur
Voor het realiseren van de EHS stelt het ministerie van LNV financiële middelen beschikbaar om grond te verwerven ten behoeve van de terreinbeherende organisaties.
• Investeringsbudget Landelijk Gebied.
• Verwerven EHS: Voor Staatsbosbeheer door middel van Rijksfinanciering van grondaankopen door de Dienst Landelijk Gebied/Bureau Beheer Landbouwgronden (DLG/BBL.) Vanwege de geplande afronding van de EHS in 2018 worden de laatste grondaankopen in 2015 uitgevoerd. Alleen voor de tweede tranche robuuste verbindingen wordt ook na 2015 nog grond aangekocht.
• Rente en aflossing: Voor de aankopen voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties (de Vereniging Natuurmonumenten en de 12 provinciale Landschappen) wordt het Rijksaandeel in de grondverwerving gefinancierd door middel van jaarlijkse leningen van de Staat aan de Vereniging Natuurmonumenten waarbij het Rijk de kosten van de rente en aflossing voor zijn rekening neemt. Voor de grondaankopen ontvangen de particuliere terreinbeherende organisaties een subsidie van LNV in de kosten van de grondverwerving. Het aandeel van de provincies in de aankopen voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties wordt gefinancierd via provinciale regelingen.
• Om de maatschappelijke betrokkenheid en verantwoordelijkheid voor de natuur te vergroten zal de komende jaren de EHS een groter aandeel natuur door agrariërs en andere particuliere grondeigenaren worden gerealiseerd (Beleidskader omslag.) Hierdoor zal minder worden gerealiseerd door terreinbeherende organisaties.
• In 2010 is de voor Nederland karakteristieke natte natuur met 6500 hectare uitgebreid.
Hiervan wordt 3000 hectare verworven in de Zuid-Hollandse Delta. Het resterende areaal is reeds in overheidsbezit. In 2008 worden de laatste grondaankopen uitgevoerd om in 2010 de natte natuurdoelstelling te kunnen realiseren. In de Nota Ruimte is de afspraak opgenomen dat de natte natuur als onderdeel van de netto begrensde EHS in 2008 in de bestemmingsplannen opgenomen moet zijn.
• In de Ontwikkelingsschets Westerschelde 2010 staan de maatregelen beschreven die worden genomen om de Westerschelde wederom te verdiepen, veiligheidsvoorzieningen te treffen (ophogen dijken langsde Westerschelde in Vlaanderen) en de kwaliteit van de natuur een impuls te geven door het realiseren van 600 hectare nieuwe estuariene natuur door middel van ontpolderingen. Het ministerie van LNV is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de natuur, de overige activiteiten vallen onder het ministerie van V&W. De uitvoering loopt via het ILG (provincie Zeeland.)
• Nota Natuur voor Mensen, mensen voor natuur(Aanbiedingsbrief TK 1999–2000, 27 235, nr. 1).
• Agenda voor een Vitaal Platteland Meerjarenprogramma 2007–2013.
• Nota Ruimte (TK 2004–2005, 29 435, nr. 154).
Meetbare gegevens bij de Operationele doelstelling
| 23.11 Verwerving EHS | Oorspronkelijke taakstelling | Prognose restant taakstelling 1-1-2007 | Prognose taakstelling 2007–2013 | Prognose taakstelling 2007 (niet ILG-onderdelen) |
| NIEUWE EHS | 130 904 ha | 38 649 ha | 23 611 ha | |
| Nieuwe natuur | 111 741 ha | 23 619 ha | 16 032 ha | |
| – waarvan NURG | 7 000 ha | 1 394 ha | 207 ha | |
| – waarvan Maaswerken | 1 320 ha | 903 ha | 36 ha | |
| – waarvan overige nieuwe natuur | 2 827 ha | 710 ha | 14 640 ha | |
| Robuuste verbindingen | 16 303 ha | 13 481 ha | 5 722 ha | |
| Natte Natuur | 2 860 ha | 1 745 ha | 1 857 ha | |
| Westerschelde | 600 ha | 600 ha | 600 ha |
Toelichting op de verwervingstabel
De prestaties voor de periode 2007–2013 zijn berekend op basis van het LNV-budget en de bijdragen van derden (V&W, VROM, Provincies)
23.12 Inrichten Ecologische Hoofdstructuur
Gronden in de EHS worden ingericht om de juiste fysieke condities te verkrijgen die nodig zijn om de gewenste natuurdoelen en de gewenste kwaliteit te kunnen realiseren. Het aanwezig zijn van de juiste fysieke condities maakt vervolgens een effectief beheer mogelijk. De inrichting betreft zowel gronden die LNV verwerft en doorlevert aan de terreinbeherende organisaties als gronden die in bezit zijn van particulieren.
• Investeringsbudget Landelijk Gebied
• Landinrichting.
• Natuur buiten landinrichting (projectsubsidies).
• Inrichtingsmaatregelen via Programma Beheer.
• Inrichting op grond van de Nota Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) en Maaswerken via V&W.
Inrichting van gronden vindt plaats wanneer de planologische functie wijzigt van bijvoorbeeld de bestemming «landbouw» in de bestemming «natuur». Het inrichtingsinstrumentarium wordt afgestemd op de verschuiving van minder grondaankopen naar meer agrarisch en particulier natuurbeheer. De inrichting is mede gericht op de ter plaatse voorkomende bedreigde soorten met name de doelsoorten in het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbeleid.
In de periode 2007–2013 wordt 1064 hectare natte natuur in oppervlakte en kwaliteit versterkt en is duurzaam gebruik gewaarborgd. Dit omvat het versterken van natte natuur in combinatie met maatregelen die onderdeel zijn van de Samenwerkingsovereenkomst Veiligheid en Natte Natuur (2000), waarbij zowel natuur als veiligheid doestelling zijn. Hiermee worden de recreatiemogelijkheden vergroot en wordt de identiteit van Nederland als waterland versterkt.
De inrichting betreft:
• grootschalige, kenmerkende natte natuur in en langs de grote wateren van zowel de Zuid Hollandse Delta als het IJsselmeergebied met mogelijkheden voor recreatief medegebruik;
• realisatie van beekherstel en natte oeverlanden in de drie noordelijke provincies (herstel van reeds bestaande natuur);
• het reguliere programma Herstel en Inrichting Rijkswateren van Verkeer en Waterstaat. Dit programma betreft herstel- en inrichtingsmaatregelen ter verbetering van de ecologische kwaliteit van de Rijkswateren;
• Zandmaas pakket II (460 ha): grootschalige kenmerkende natte natuur in de Zandmaas, waarbij waar mogelijk de natuurontwikkeling gecombineerd wordt met hoogwaterbescherming.
Het tegengaan van versnippering en het slechten van barrières die de natuur doorkruisen, is belangrijk voor het succesvol realiseren van de EHS. Het Rijksbeleid ter zake vormt het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO), dat in maart 2005 met de Tweede Kamer is besproken. Het LNV-gedeelte uit het MJPO bestaat uit het, onder regie van provincies en in samenwerking met alle betrokken partijen, zo veel mogelijk oplossen van knelpunten tussen natuur en Rijksinfrastructuur (weg, spoor, water) in de robuuste verbindingen. Hiervoor is tot en met 2018 € 160 miljoen beschikbaar. In de bestuursovereenkomsten in het kader van het ILG zijn afspraken gemaakt met provincies over de aan te pakken knelpunten tot en met 2013.
Het Rijk heeft voor de EHS inmiddels veel grond gekocht. Een groot deel hiervan is nog niet ingericht. In veel gevallen gaat het hierbij om zogenaamde ruilgronden die bij de verwerving reeds aan de EHS worden toegerekend. Deze ruilgronden worden gebruikt in landinrichtingsprojecten. Het systeem van landinrichting brengt echter met zich mee dat het enkele jaren duurt voordat een project wordt afgerond. Gedurende die jaren worden er wel inrichtingskosten gemaakt (het «onderhanden werk».) Deze hectares worden «natuur» als het gehele project gereed is en de ruilgronden worden doorgeleverd aan een particuliere natuurbeschermingsorganisatie of Staatsbosbeheer. Dit leidt er toe dat er pas sprake is van afgeronde inrichting ten behoeve van de EHS als het landinrichtingsproject in zijn geheel wordt opgeleverd. Onder hieronder vermelde prestaties zijn de afgeronde hectares weergegeven.
• Nota Natuur voor Mensen, mensen voor natuur. (Aanbiedingsbrief TK 1999–2000, 27 235, nr. 1).
• Agenda voor een Vitaal Platteland (TK 2003–2004, 29 576, nr. 1).
• Nota Ruimte (TK 2004–2005, 29 435, nr. 154).
Meetbare gegevens bij de Operationele doelstelling
| 23.12 Inrichten EHS | Oorspronkelijke taakstelling | Prognose restant taakstelling 1-1-2007 | Prognose taakstelling 2007–2013 | Prognose taakstelling 2007 (niet ILG-onderdelen) |
| NIEUWE EHS | 173 675 ha | 108 428 ha | 56 699 ha | |
| Nieuwe natuur | 146 450 ha | 85 095 ha | 45 714 ha | |
| – waarvan NURG | 7 000 ha | 4 366 ha | 443 ha | |
| – waarvan Maaswerken | 1 320 ha | 1 080 ha | 52 ha | |
| – waarvan overige nieuwe natuur | 100 594 ha | 79 446 ha | 39 527 ha | |
| Robuuste verbindingen | 24 365 ha | 21 319 ha | 7 230 ha | |
| Natte Natuur | 6 500 ha | 4 110 ha | 3 755 ha | |
| Aanpak verdroging, ver- | ||||
| zuring en vermesting | 300 projecten | 300 projecten | 300 projecten |
Toelichting op inrichtingtabel
De prestaties voor de periode 2007–2013 zijn berekend op basis van het LNV-budget en de bijdragen van derden (V&W en Provincies).
23.13 Beheren Ecologische Hoofdstructuur
Het in een samenhangend netwerk beheren van bestaande natuur, de aangewezen Natuurbeschermingsgebieden en 18 Nationale Parken. Een belangrijke nevendoelstelling van beheer is het voldoen aan recreatieve behoeften en de openstelling van natuur die beheerd wordt door particulieren en particuliere natuurbeschermingsorganisaties, tenzij bijzondere soorten of ecosystemen daardoor niet goed kunnen voortbestaan.
Het beheer biedt voldoende mogelijkheden en garanties voor de bescherming van de bedreigde soorten die van de beheerde gebieden afhankelijk zijn (met name de doelsoorten van het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbeleid).
De budgetten Beheer binnen en buiten de EHS maken voor een groot deel onderdeel uit van het ILG en omvatten het natuurbeheer, agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer, zowel binnen als buiten de EHS. Onder de OD’s 23.13 en 23.14 is aangegeven welke onderdelen niet via het ILG lopen (bijv. beheer door Staatsbosbeheer).
• Wet- en regelgeving (Internationale afspraken Wetlands-conventie, Vogel- en Habitatrichtlijn; Natuurbeschermingswet.
• Subsidies en het Investeringsbudget Landelijk Gebied.
• De voorlopige Landelijke Natuurdoelenkaart.
• Soortenbeschermingsprogramma’s.
• Behoud en herstel historische buitenplaatsen.
• Convenanten met terreinbeherende organisaties.
• Het beheer omvat in 2019 453 500 hectare bestaande natuur, de aangewezen Natuurbeschermingswetgebieden en het beheer van 18 Nationale Parken. Voor 2/3 van de bestaande natuur wordt door LNV budget ter beschikking gesteld. Het overige gedeelte valt onder de verantwoordelijkheid van andere overheden of wordt beheerd en gefinancierd door derden.
• In 2018 worden 151 500 hectare nieuwe natuurgebieden en 27 000 hectare robuuste verbindingen beheerd. De EHS bestaat voor 90 000 ha uit beheersgebieden. In beheersgebieden wordt natuur gerealiseerd via agrarisch natuurbeheer met behoud van de agrarische functie. Het beheer van natte natuur betreft 6500 hectare Zuid-Hollandse delta, IJsselmeergebied en Noord-Nederland. In 2018 worden 80 000 ha ganzenfoerageergebieden beheerd, waarvan 65 000 met inzet van agrarisch natuurbeheer.
• De omslag van minder verwerving naar meer agrarisch en particulier natuurbeheer in de nieuwe natuurgebieden en de robuuste verbindingen heeft geleid tot een wijziging van de taakstellingen voor agrarisch en particulier natuurbeheer. Na verwerving en inrichting komen circa 120 000 hectares nieuwe natuurgebieden en robuuste verbindingen in beheer bij Staatsbosbeheer of een particuliere natuurbeschermingsorganisatie (PNB.) Het overige gedeelte wordt gerealiseerd via particulier en agrarisch natuurbeheer.
• Nota Natuur voor Mensen, mensen voor natuur (aanbiedingsbriefTK 1999–2000, 27 235, nr. 1).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| 23.13 Beheren EHS | Oorspronkelijke taakstelling | Prognose restant taakstelling 1–1-2007 | Taakstelling 2007–2013 |
| NIEUWE EHS | 275 000 ha | 125 846 ha | 73 410 ha |
| Paticulier beheer | 110 043 ha | 57 924 ha | 33 789 ha |
| – door PNB ’s | 67 272 ha | 25 283 ha | 14 749 ha |
| – door functiewijziging | 42 771 ha | 32 641 ha | 19 041 ha |
| Agrarisch natuur beheer | 97 685 ha | 38 067 ha | 22 206 ha |
| Staatsbosbeheer | 67 272 ha | 12 275 ha | 7 160 ha |
| BESTAANDE EHS | 453 500 ha | ||
| – door PNB’s | 182 174 ha | ||
| – door Staatsbosbeheer | 130 168 ha | ||
| Behoud en herstel historische buitenplaatsen | 200 plaatsen | 200 plaatsen | 200 plaatsen |
23.14 Beheer natuur buiten EHS en beschermen van de internationale biodiversiteit
Nationaal
• Natuurbeheer, agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer.
• Voldoen aan de internationale verplichting om een of meer nationaal of internationaal belangrijke ecosystemen als nationaal park aan te wijzen.
• Het bieden van duurzame bescherming aan alle doelsoorten van het soortenbeleid.
• Subsidiëring van het LNV-aandeel in de kosten van verwerving van bestaande en nieuwe natuur (de subsidieregeling particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties).
• Voldoen aan de internationale verplichtingen die tot doel hebben het verlies aan biodiversiteit in de wereld een halt toe te roepen.
• Bijdragen aan een wereldwijde aanpak van een duurzame ontwikkeling en behoud van biodiversiteit.
• Identificeren van het PAN-Europees-Ecologische Netwerk.
• Investeringsbudget Landelijk Gebied.
• Wet- en regelgeving zoals Flora- en faunawet, Vogel- en habitatrichtlijn, Internationale verdragen en richtlijnen binnen de EU, Subsidies.
• Overeenkomsten met internationale organisaties.
• Soortenbeschermingsprogramma ’s, mogelijk geïntegreerd via de leefgebieden.
• Het beheer buiten de EHS heeft betrekking op bestaande natuur (door SBB en anderen) en agrarisch natuurbeheer (ganzenfoerageergebieden, wintergasten, weidevogels en natuurbraak.)
• Het soortenbeleid heeft als doelstelling om voor de belangrijkste doelsoorten tijdig duurzame bescherming te bieden. Voor alle doelsoorten wordt getracht een gunstige staat van instandhouding te realiseren.
• Nederland heeft zich in internationaal verband verplicht om grootschalige gebieden die één of meer nationaal of internationaal belangrijke ecosystemen vertegenwoordigen, als Nationaal Park aan te wijzen. Het voorgenomen stelsel van 18 nationale parken is met de instelling van het 18e park De Alde Feanen in 2006 afgerond. De aandacht gaat nu uit naar de kwaliteitsverbetering van de parken door uitbreiding, bevorderen van (ook internationale) samenwerking tussen de parken en uitvoering van een investeringsprogramma.
• De doelstelling van het internationale natuurbeleid wordt gerealiseerd door:
1. het nakomen door Nederland van internationale verplichtingen;
2. het actief bijdragen van Nederland in internationaal verband aan de wereldwijde aanpak van een duurzame ontwikkeling en behoud van de biodiversiteit. Dit vindt plaats door het versterken van beschermde gebieden, bufferzones en andere elementen van ecologische netwerken, het verduurzamen van het gebruik van biodiversiteit, met speciale aandacht voor agrobiodiversiteit en het verminderen van negatieve effecten van Nederlands handelen op de biodiversiteit in het buitenland.
3. Het organiseren van de 14e bijeenkomst van partijen van het CITES-verdrag
Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal (TK 2001–2002, 28 450, nr. 1)
Meetbare gegevens bij de Operationele Doelstelling
| 23.14 Beheer buiten EHS en beschermen interntionale biodiversiteit | Taakstelling | Prognose restant taakstelling 1–1-2005 | Prognose realisatie 2007 |
| Agrarisch natuurbeheer buiten EHS | 51 000 ha | 23 763 ha | 12 876 ha |
| – waarvan Ganzenfoerageergebied buiten EHS | 30 000 ha | 12 333 ha | 12 333 ha |
| Bestaand bos, natuur en landschap | 96 500 ha | ||
| – door PNB’s | 48 628 ha | ||
| – door Staatsbosbeheer | 32 542 ha | ||
| Internationale natuurprojecten en contributies | 75 projecten | 75 projecten | 75 projecten |
Behoud en ontwikkeling van landschap en een recreatief aantrekkelijk Nederland.
Het landschap heeft belangrijke waarden voor de samenleving. De verschillende landschappen hebben een eigen identiteit en kwaliteit en vertegenwoordigen belangrijke cultuurhistorische, architectonische en ecologische waarden. Het Rijk wil het Nederlands landschap in al zijn diversiteit voor de toekomst behouden en ontwikkelen.
Alle Nederlanders willen zich in hun vrije tijd ontspannen. Het aanbod en de diversiteit van gebieden en plaatsen voor dagrecreatie is niet toereikend om tegemoet te komen aan maatschappelijke behoefte. De toegankelijkheid van het landelijk gebied voor recreatief gebruik is nog onvoldoende en staat bovendien onder grote druk. Daarom wil het Rijk het landelijk gebied aantrekkelijk en toegankelijk maken voor dagrecreatie. Het huidige accent in het beleid ligt op het realiseren van grootschalige recreatiegebieden in en om steden en op landelijke routenetwerken. Tevens is ruimte voor recreatief ondernemerschap noodzakelijk met name ter vergroting van het aanbod van recreatieve voorzieningen.
Procentuele verdeling uitgaven 2007 over operationele doelstellingen en apparaat Landschap en recreatie

LNV is verantwoordelijk voor:
• Vier nationale beleidsprioriteiten: nationale landschappen, recreatie om de stad (RodS), landelijke routenetwerken en beheer recreatieve voorzieningen. De minister van VROM is mede verantwoordelijk voor de ruimtelijke aspecten bij de uitvoering van nationale landschapsbeleid.
• De Rijksdoelen die via het ILG worden gerealiseerd. Deze staan herkenbaar opgenomen onder de operationele doelen. LNV stelt hiertoe het budget ter beschikking aan de provincies.
• Faciliteren en stimuleren van activiteiten gericht op het generieke landschapsbeleid, de genoemde beleidsdoelstellingen en van overige zaken, zoals projectfinanciering en landschapsplanning.
• Versterking recreatiesector, onder andere door het leveren van kennis en deskundigheid.
Behalen van deze beleidsdoelstelling hangt vooral af van de
• Samenwerking met regionale en lokale overheden en de participatiebereidheid van particuliere organisaties.
Het behalen van de beide algemene beleidsdoelstellingen heeft als effecten:
• Behoud van de landschappelijk kwaliteiten van de nationale landschappen;
• Verbeterde kernkwaliteiten (natuurwaarde, culturele waarde, gebruikerswaarde en belevingswaarde) van nationale en overige landschappen;
• Toegankelijke recreatiegebieden op zowel het platteland als in en om de stad;
• Toegenomen gebruikerswaarde van recreatiegebieden.
De uitwerking van de indicatoren die samenhangen met het Meerjarenprogramma voor een Vitaal Platteland zal dit jaar plaatsvinden, zodat de indicatoren en bijbehorende streefwaarden in de begroting van 2008 volledig kunnen worden opgenomen.
• Agenda Vitaal Platteland (TK 2004–2005, 29 576, nr. 1).
• Nota Ruimte (TK 2004–2005, 29 435, nr. 154).
• Nota Belvedere (TK 1998–1999, 26 663, nr. 2).
• Meerjarenprogramma-2 (TK 2005–2006, 29 576, nr. 19).
Budgettaire gevolgen van beleid
| Bedragen x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Verplichtingen | 160 115 | 133 803 | 143 518 | 126 062 | 126 644 | 125 673 | 113 477 |
| Uitgaven | 140 562 | 151 125 | 162 237 | 144 781 | 145 363 | 144 392 | 130 926 |
| Programma-uitgaven | 110 381 | 123 740 | 130 715 | 112 650 | 113 634 | 113 025 | 100 430 |
| – Waarvan juridisch verplicht | 114 180 | 98 823 | 99 785 | 99 600 | 89 749 | ||
| 24.11 Nationale Landschappen | 19 020 | 18 931 | 25 842 | 22 986 | 25 872 | 26 536 | 25 203 |
| waarvan ILG | |||||||
| – Nationale landschappen | 20 429 | 17 473 | 20 359 | 21 463 | 20 130 | ||
| waarvan niet ILG | |||||||
| – Versterking, beheer en behoud landschapskwaliteiten | 6 603 | 8 903 | 1 929 | 1 929 | 1 929 | 1 929 | 1 929 |
| – Cultuurhistorie/Belvedere | 2 722 | 440 | 440 | 440 | |||
| – Monitoring en onderzoek | 952 | 1 212 | 3 044 | 3 144 | 3 144 | 3 144 | 3 144 |
| – Landinrichting | 11 465 | 6 094 | |||||
| 24.12 LandschapAlgemeen | 6 055 | 6 040 | 8 100 | 4 846 | 3 081 | 2 141 | 2 141 |
| waarvan ILG | |||||||
| – Landschapgeneriek | 2 874 | 2 719 | 953 | 13 | 13 | ||
| waarvan niet ILG | |||||||
| – Projectfinanciering | 3 155 | 3 126 | 5 226 | 2 127 | 2 128 | 2 128 | 2 128 |
| – Inrichting, verbeteren ruimtelijke natuur | 2 900 | 2 914 | |||||
| 24.13 Recreatie om de stad | 45 524 | 50 655 | 57 314 | 48 052 | 48 412 | 48 679 | 39 596 |
| waarvan ILG | |||||||
| – Recreatie om de stad (grootschalig groen) | 54 580 | 45 333 | 45 673 | 45 924 | 39 582 | ||
| waarvan niet ILG | |||||||
| – Verwerving recreatie in en om de stad | 36 498 | 27 004 | |||||
| – Inrichting recreatie in en om de stad | 6 126 | 20 737 | |||||
| – Kaderwet LNV projectbijdrage | 2 900 | 2 914 | 2 734 | 2 719 | 2 739 | 2 755 | 14 |
| 24.14 Recreatie algemeen | 39 782 | 48 114 | 39 459 | 36 766 | 36 269 | 35 669 | 33 490 |
| waarvan ILG | |||||||
| – Groene Hart Impuls | 10 321 | 7 321 | 6 821 | 6 221 | 4 051 | ||
| – Routenetwerken | 5 437 | 5 437 | 5 437 | 5 437 | 5 437 | ||
| waarvan niet ILG | |||||||
| – Inrichting voor toegankelijkheid buiten nationale landschappen | 4 510 | 3 454 | |||||
| – Routenetwerken | 4 856 | 5 631 | 225 | 225 | 225 | 225 | 225 |
| – Groene Hart Impuls | 1 793 | 14 889 | |||||
| – Kennis en deskundigheid voor recreatie | 2 366 | 2 514 | 2 230 | 2 136 | 2 137 | 2 137 | 2 134 |
| – Staatsbosbeheer voor recreatieve voorzieningen | 22 003 | 20 919 | 20 539 | 20 540 | 20 542 | 20 542 | 20 536 |
| – Midden-Delfland en Grevelingen | 4 254 | 707 | 707 | 1 107 | 1 107 | 1 107 | 1 107 |
| Apparaatsuitgaven | 30 181 | 27 385 | 31 522 | 32 131 | 31 729 | 31 367 | 30 496 |
| U24.21 Apparaat | 5 135 | 4 254 | 4 138 | 4 138 | 4 139 | 4 139 | 4 138 |
| U24.22 baten-lastendiensten | 25 046 | 23 131 | 27 384 | 27 993 | 27 590 | 27 228 | 26 358 |
| Ontvangsten | 3 727 | 800 | 750 | 750 | 750 | 750 | 750 |

Toelichting op de apparaatuitgaven
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| Ambtelijk Personeel Directie Platteland | 3 474 |
| Ambtelijk Personeel Directie Natuur | 260 |
| Materieel | 404 |
| Overig apparaat | 0 |
| Bijdrage aan DLG | 26 577 |
| Bijdrage aan DR | 717 |
| Bijdrage aan AID | 90 |
| Totaal apparaatuitgaven | 31 522 |
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| Overige | 750 |
| Totaal ontvangsten | 750 |
Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
| Onderzoek onderwerp | AD of OD | A. start B. afgerond | Vindplaats | |
| Beleidsdoorlichting | Landschap en recreatie | 24 | A. 2010 | – |
| Overig evaluatieonderzoek | Regeling BOL (Landschapsontwikkelingsplan) | 24.12 | B. 2006 | |
| Mid term evaluatie ILG | 24.11 en 24.13 | A. 2010 |
Bij de ILG afspraken is voorzien in een midtermevaluatie (MTE) in 2010. Hierbij zullen Rijk en provincies bestaande afspraken herijken.
Behouden, beheren en versterken van de unieke landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van 20 Nationale Landschappen.
• De Wet Inrichting Landelijk gebied; via het ILG worden subsidies verleend ten behoeve van: investeringsprojecten; agrariërs en terreinbeherende organisaties t.b.v. landschapsbeheer (Programma beheer, Groene Diensten, Landschapsbeheer Nederland); Landschapsbeheer Nederland t.b.v. Meetnet Kleine Landschapselementen.
• De Nationale Landschappen zullen door de provincies exact worden begrensd op basis van door het Rijk aangegeven globale gebiedsaanduiding in de Nota Ruimte. De planologische bescherming conform de voorwaarden die hierover gesteld zijn in de Nota Ruimte wordt gerealiseerd in de provinciale streekplannen. Met de provincies zullen op basis van de provinciale uitvoeringsprogramma’s in ILG-verband prestatieafspraken over Nationale Landschappen worden gemaakt over investerings- en beheersmaatregelen.
• Het Rijk concentreert zijn verantwoordelijkheid en middelen voor het landschapsbeheer en investeringen in landschap in de Nationale Landschappen.
• Het Rijk heeft een specifieke verantwoordelijkheid voor het behoud en de ontwikkeling van de cultuurhistorie in de Nationale Landschappen. Een deel van het Belvedere-budget is daarom ingebracht in het ILG.
• Ook buiten de reikwijdte van het ILG zet het Rijk zich in om het Belvédère doel «behoud door ontwikkeling» te realiseren (Nota Belvedere). Dit gebeurt onder andere door de subsidieregeling Belvédère en door het activiteitenprogramma van het projectbureau Nieuwe Hollandse Waterlinie. In 2005 is het actieprogramma ruimte & cultuur (ARC) van start gegaan. Hierin zijn de activiteiten van het Belvedere-beleid gestroomlijnd met activiteiten van het architectuurbeleid.
• Monitoring en evaluatie: Het Rijksbeleid voor Nationale Landschappen zal grotendeels door de provincies worden uitgevoerd. Ter evaluatie van dit beleid heeft het Rijk wel een taak om de beschreven kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen te monitoren.
Daarvoor wordt in overleg met het ministerie van VROM en het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) een meetsysteem opgezet en per landschap metingen uitgevoerd.
• Voorlichting: Voor de ontwikkeling en instandhouding van de 20 Nationale Landschappen is draagvlak bij burgers, ondernemers en maatschappelijke organisaties noodzakelijk. LNV heeft daartoe in 2006 in overleg met provincies een communicatieplan opgesteld voor voorlichtings- en communicatieactiviteiten voor het brede publiek en landelijke organisaties. Daaraan zal in 2007 uitvoering worden gegeven.
• Actieprogramma Ruimte & Cultuur (TK 2004–2005, 30 081, nr. 1).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| ILG | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Indicator | Restant taakstelling per 1 januari 2005 | Raming 2005–2006 (obv UC) | Planning 2007–2013 (obv ILG) | Tabel | Bron |
| Aantal hectares verworven bos en landschap | 664 | 166 | 498 | 23 | Rapport nulmeting |
| Aantal hectares ingericht bos & landschap | 2 946 | – | 2 946 | 40 | Rapport nulmeting |
| Aantal hectares ingericht landschap in km2 | 2 403 | – | 2 403 | 40 | Rapport nulmeting |
| Niet ILG | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Indicator | Realisatiewaarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
| Nulmeting kwaliteit Nationale landschappen | 0-metingen | 2006 | 10 | 20 | 2008 | LNV |
| Communicatie-acties Nationale landschappen | 0-acties | 2006 | 2 | 14 | 2013 | LNV |
Het Rijk heeft de provincies de verantwoordelijkheid gegeven voor de basiskwaliteit van het landschap. Deze is omschreven als behoud en versterking van de natuurlijke, culturele, gebruiks- en belevingskwaliteit van het landschap. Het Rijk heeft hierbij een faciliterende en stimulerende rol. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de rol van de rijksadviseur voor het landschap. Om provincies en gemeenten verder te ondersteunen en te stimuleren ontwikkelt het Rijk in 2006 de Handreiking Kwaliteitsagenda Landschap.
• Voorlichting en communicatie.
• Wet Inrichting Landelijk Gebied.
• Investeringsbudget Landelijk Gebied.
• Projectfinanciering. Hieronder vallen o.a. Programmering Groeneveld; financiering architectuurinstellingen, ontwerpateliers e.d.
• Monitoring en evaluatie.
• Actieprogramma Ruimte & Cultuur (TK 2004–2005, 30 081, nr. 1).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
Subsidiering van landschapsontwikkelingsplannen (LOP’s) vond plaats met behulp van de Regeling Besluit Ontwikkeling Landschappen (BOL). De BOL regeling heeft een tijdelijk karakter en is in 2006 geëvalueerd. Besloten is om de regeling niet opnieuw te verlengen. Het Rijk verwacht van provincies en gemeenten dat zij de landschapsontwikkeling integraal meenemen in de plannen voor gebiedsontwikkeling. De prestatie «aantal LOP’s bij gemeentes» is derhalve komen te vervallen.
Het Rijk wil 16 000 ha Recreatie om de Stad (RodS), grootschalig groen, realiseren. Hiervan zullen delen specifiek in rijksbufferzones worden gerealiseerd. Van belang is dat het grootschalig groen intensief gebruikt wordt, goed bereikbaar is vanuit de woonomgeving – met name via voetpaden en fietspaden – en volledig opengesteld en gratis toegankelijk is. Ook wil het Rijk meer groen in de stad. Het realiseren van dit zogenaamde openbaar grootschalig groen loopt via de convenanten die in het kader van GSB zijn afgesloten met de 31 grote steden.
• Wet- en regelgeving, waaronder de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG).
• Het Investeringsbudget Landelijk Gebied.
• Het Plattelands Ontwikkelings Programma (POP-2).
• Het uitvoering geven aan rijksconvenanten en -samenwerkingsverbanden, zoals het Bufferzoneconvenant.
• Convenant Grote Steden Beleid (GSB). Op 1 januari 2005 is het tweede Investeringsregeling Stedelijke Vernieuwing ingegaan. Deze loopt tot 31 december 2009.
• Agenda Vitaal Platteland (TK 2004–2005, 29 576, nr. 1).
• Nota Ruimte (TK 2004–2005, 29 435, nr. 154).
• Meerjarenprogramma-2 (TK 2005–2006, 29 576, nr. 19).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| ILG | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Indicator | Taakstelling | Restant taak-stelling per 1 januari 2005 | Raming 2005–2006 (obv UC) | Planning 2007–2013 (obv ILG) | Tabel | Bron |
| 1. Verwerven RodS | 15 942 ha | 6 413 ha | 1 522 ha | 4 096 ha | 20 | Rapport nulmeting |
| 2a. Inrichten RodS (nieuw) | 15 942 ha | 9 630 ha | 1 533 ha | 1 739 ha | 39 | Rapport nulmeting |
| 2b. Inrichten RodS (lopend) | – | – | – | 2 380 ha | – | MJP2 |
| 2c. Inrichten RodS (km’s) | n.v.t. | 23 km | – | 23 km | 40 | Rapport nulmeting |
| Niet ILG | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Indicator | Realisatiewaarde | Peildatum | Streefwaarde | Planning | Bron |
| 1. Regionaal groen | 0 ha | 2005 | 492 ha | 2010 | MJP2 |
Het Rijk wil een hoogwaardig voorzieningenniveau in recreatiegebieden en financiert hiertoe de recreatieve beheeropgave van Staatsbosbeheer en het recreatieschap Midden Delfland. Daarnaast schept het Rijk ruimte voor recreatief ondernemerschap. Bovendien wil het Rijk 492 ha regionaal groen gekoppeld aan grote woningbouwlocaties realiseren in 2010. Daarbij is van belang dat deze gebieden volledig opengesteld en gratis toegankelijk zijn.
De toegankelijkheid van het landelijk gebied voor recreatief medegebruik wordt onder andere versterkt door het realiseren en instandhouden van landelijke, aaneengesloten routenetwerken voor wandelen (4750 km), fietsen (4500 km) en varen (4400 km) in 2013 en hier bekendheid aan te geven. Concreet gaat het om het kwalitatief verbeteren van de reeds bestaande Landelijke Routenetwerken (LR) voor wandelen, fietsen en varen door knelpunten in de routes op te lossen.
• Wet Verzelfstandiging Staatsbosbeheer.
• Wet Inrichting Landelijk Gebied
• Investeringsbudget Landelijk Gebied.
• Regeling Rijksrecreatieschappen. Hierin is uitsluitend nog de bijdrage voor Midden Delfland opgenomen. De bijdrage aan Grevelingen wordt in termijnen afgekocht en de reguliere rijksbijdrage via de LNV begroting is hierdoor vervallen.
• Het uitvoering geven aan rijksconvenanten en -samenwerkingsverbanden, het Meerjarenprogramma Ontsnippering, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het convenant over de uitvoering beleidsvisie recreatietoervaart.
• Agenda Vitaal Platteland (TK 2004–2005, 29 576, nr. 1).
• Nota Ruimte (TK 2004–2005, 29 435, nr. 154).
• Meerjarenprogramma-2 (TK 2005–2006, 29 576, nr. 19).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| ILG | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Indicator | Taakstelling | Restant taak-stelling per 1 januari 2005 | Raming 2005–2006 (obv UC) | Planning 2007–2013 (obv ILG) | Tabel | Bron |
| 1a. LR: varen | 4 400 km | 2 306 km | 512 km | 1 794 km | 29 | Rapport nulmeting |
| 1b. LR: fietsen | 4 500 km | p.m. | p.m. | p.m. | 28 | Rapport nulmeting |
| 1c. LR: wandelen | 4 750 km | p.m. | p.m. | p.m. | 27 | – |
| 2a. Toegankelijkheid (ha) | n.v.t. | 295 ha | – | 295 ha | 40 | Rapport nulmeting |
| 2b. Toegankelijkheid (km’s) | n.v.t. | 445 km | – | 445 km | 40 | Rapport nulmeting |
| Niet ILG | |||
|---|---|---|---|
| Recreatieterreinen (excl. rijksrecreatieschappen) | Realisatie ha in beheer 2005 | Begroting 2006 | Begroting 2007 |
| Staatsbosbeheer | 216 901 ha | 218 702 ha | 220 500 ha |
25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid
Een kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon en een hoog gezondheidsniveau van de Nederlandse veestapel.
Deze doelstelling richt zich zowel op de productie als consumptie van voedsel. Dierhouders, producenten en consumenten hebben hierin een eigen verantwoordelijkheid. Dierhouders en producenten van voedsel zijn primair verantwoordelijk voor het waarborgen van de diergezondheid en voedselveiligheid. Consumenten hebben een eigen verantwoordelijkheid om op een zorgvuldige en veilige manier met voedsel om te gaan. LNV heeft als taak om – veelal in internationaal en Europees verband – eisen en voorwaarden te stellen waarbinnen partijen hun verantwoordelijkheid kunnen invullen en LNV controleert op transparante en consequente wijze. Zo worden de gezondheidseffecten van voedselrisico’s beheerst, en blijft het vertrouwen in voedsel behouden.
Procentuele verdeling uitgaven 2007 over operationele doelstellingen en apparaat Voedselkwaliteit en diergezondheid

In internationaal en Europees verband worden normen gesteld aan de voedselkwaliteit en diergezondheid. LNV draagt namens Nederland bij aan het totstandkomen van deze normen. Binnen de internationale kaders:
• stelt LNV eisen en voorwaarden waarbinnen de voedselproductie kan plaatsvinden en controleert op transparante en consequente wijze;
• stelt LNV eisen en voorwaarden aan de preventie, early warning en effectieve bestrijding van dierziekten;
• zorgt LNV dat de consument in staat wordt gesteld om een geïnformeerde keuze te kunnen maken ten aanzien van voedselkwaliteit.
LNV is op de beleidsterreinen voedselkwaliteit en diergezondheid verantwoordelijk voor het bieden van de (wettelijke) kaders waarbinnen producenten en consumenten elk hun verantwoordelijkheid kunnen invullen. LNV is ook verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van wettelijke kaders.
Op het gebied van voedselveiligheid deelt LNV de verantwoordelijkheid met VWS. LNV is verantwoordelijk voor de vleeskeuring en voor de goedkeuring van de hygiënecodes voor bedrijven in de primaire productie.
Op het gebied van diergezondheid is LNV in geval van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte verantwoordelijk voor een zo snel en effectief mogelijke bestrijding van de ziekte.
Het behalen van deze doelstelling hangt af van:
• de naleving van het normenkader ten aanzien van voedselveiligheid, kwaliteit, handel en diergezondheid;
• bewustzijn en bereidheid van de consumenten, producenten en retail tot een verantwoorde productie, behandeling, aankoop en bereiding van voedsel;
• de mogelijkheid om aangifteplichtige dierziekten buiten Nederland te houden.
Het behalen van deze doelstelling heeft als beoogde maatschappelijke effecten dat:
• vertrouwen van consumenten, EU en handelspartners in in Nederland geproduceerd voedsel wordt behouden;
• dieren gezond zijn en blijven en de kosten van uitbraken van dierziekten worden beperkt.
| Indicator | Referentiewaarde | Peil datum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Het vertrouwen van consumenten in voedsel | 3,1 | 2004 | 3,1 | Behoud consumenten-vertrouwen | – | VWA-monitor voedselveiligheid |
| Aantal bedrijven besmet met een aangifteplichtige dierziekte | 60 | 2005 | 0 | 0 | – | VWA |
De VWA meet jaarlijks het vertrouwen van consumenten in voedsel. Dit wordt uitgedrukt in een waarde op de schaal 1–5 (hoe hoger de waarde hoe hoger het vertrouwen).
Omdat een zo klein mogelijk aantal (0) uitbraken van aangifteplichtige ziekten een permanent geldende doelstelling is, is voor deze streefwaarde geen einddatum opgenomen in de kolom «Planning». Dat zich desondanks besmettingen voordoen is onvermijdelijk; zo was er bijvoorbeeld in 2005 sprake van 37 bedrijven waarop scrapie werd geconstateerd en 12 gevallen van Psittacose. De aantallen betreffen bedrijven die onderzocht zijn naar aanleiding van een klinische verdenking en positief bevonden dieren uit de reguliere monitoringsprogramma’s (bijv. BSE en TSE).
De omvang van de kosten en gevolgschade bij een uitbraak van een dierziekte wordt per uitbraak geëvalueerd. Daarom zijn hiervoor geen jaarlijkse raming en streefwaarde opgenomen.
• Nota voedselveiligheid (TK 2004–2005, 26 991, nr. 115 en119).
Budgettaire gevolgen van beleid
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 25 Voedselkwaliteit en diergezondheid | 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 |
| Verplichtingen | 109 978 | 124 473 | 75 847 | 70 933 | 70 641 | 70 640 | 68 013 |
| – waarvan garanties | |||||||
| Uitgaven | 110 856 | 124 473 | 75 847 | 70 933 | 70 641 | 70 640 | 68 013 |
| Programma-uitgaven | 55 735 | 72 131 | 31 718 | 30 918 | 30 719 | 30 719 | 28 110 |
| – waarvan juridisch verplicht | 14 145 | 12 645 | 12 645 | 12 645 | 12 645 | ||
| 25.11 Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon | 27 932 | 55 077 | 10 542 | 12 142 | 11 842 | 11 842 | 11 840 |
| – Risicomanagement | 1 904 | 1 630 | 3 446 | 3 946 | 3 646 | 3 646 | 3 645 |
| – Voedselveiligheid | 7 922 | 1 779 | 2 000 | 2 500 | 2 500 | 2 500 | 2 500 |
| – Consument, transparantie en ketenomkering | 85 | 4 198 | 4 426 | 5 026 | 5 026 | 5 026 | 5 025 |
| – Destructie | 17 934 | 47 000 | |||||
| – Biotechnologie | 87 | 40 | 240 | 240 | 240 | 240 | 240 |
| – Overig (erkenning BSElaboratoria) | 430 | 430 | 430 | 430 | 430 | 430 | |
| 25.12 Handhaven diergezondheidsniveau | 27 803 | 17 054 | 21 176 | 18 776 | 18 877 | 18 877 | 16 270 |
| – Preventieve diergezondheid | 448 | 105 | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 |
| – I&R | 4 715 | 5 419 | 4 500 | 2 900 | 2 900 | 2 900 | 2 900 |
| – Monitoring, early warning en bewaking | 9 546 | 3 224 | 5 191 | 5 191 | 5 192 | 5 192 | 5 190 |
| – Handhaving veterinaire veiligheid | 1 224 | 230 | 685 | 685 | 685 | 685 | 680 |
| – Crisisorganisatie en -management | 3 691 | 4 660 | 6 300 | 6 300 | 6 300 | 6 300 | 6 300 |
| – Overig (BSE, BTW-varkenspest, Vogelpest (AI), schikking fokverbod KVP, overig) | 8 179 | 3 416 | |||||
| – AI-Vaccinonderzoek | 4 300 | 3 500 | 3 600 | 3 600 | 1 000 | ||
| Apparaatsuitgaven | 55 121 | 52 342 | 44 129 | 40 015 | 39 922 | 39 921 | 39 903 |
| U25.21 Apparaat | 7 429 | 6 739 | 6 718 | 6 705 | 6 549 | 6 549 | 6 545 |
| U25.22 baten-lastendiensten | 47 692 | 45 603 | 37 411 | 33 310 | 33 373 | 33 372 | 33 358 |
| ONTVANGSTEN | 15 295 | 40 854 | 14 770 | 5 970 | 6 070 | 6 070 | 3 470 |
Toelichting op de programma-uitgaven:
De uitgavenraming in 2006 zijn incidenteel hoog omdat € 32 mln is toegevoegd voor Destructie.
In de ontvangstenraming 2006 wordt uitgegaan van € 24 mln EU-ontvangsten AI 2003.
Uit het FES wordt € 15 mln beschikbaar gesteld voor AI-vaccinontwikkeling. Van dit bedrag wordt € 5 mln als een renteloze lening versterkt die vanaf 2011, met € 1 mln per jaar aan het FES wordt terugbetaald.

Toelichting op de apparaatsuitgaven
| Raming 2007 | |
| Ambtelijk Personeel Directie Voedselkwaliteit en Diergezondheid | 5 173 |
| Ambtelijk Personeel RDA | 125 |
| Materieel | 1 141 |
| Overig apparaat | 528 |
| Bijdrage aan VWA | 22 050 |
| VWA BTW-compensatie | 5 220 |
| Bijdrage aan AID | 8 326 |
| Bijdrage aan DR | 1 566 |
| Totaal apparaatsuitgaven | 44 129 |
De BTW-compensatie houdt verband met de overdracht roosvleeskeuringen naar het bedrijfsleven.
| Raming 2007 | |
| EU-bijdrage AI | 0 |
| Uitvoering I&R varkens | 2 040 |
| Overdracht roodvleeskeuring en BTW compensatie | 8 000 |
| AI-Vaccinontwikkeling | 4 300 |
| Overig | 430 |
| Totaal | 14 770 |
Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
| Onderzoek onderwerp | AD of OD | A. start B. afgerond | Vindplaats | |
| Beleidsdoorlichting | VoedselkwaliteitDiergezondheid | 25 | A. 2007 B. 2007 | |
| Effectenonderzoek ex post | Voedselveiligheid | 25.11 | A. 2006 B. 2007 | |
| Diergezondheid | 25.12 | A. 2006 B. 2007 | ||
| Overig evaluatieonderzoek |
25.11 Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon
Het voedselkwaliteitsbeleid richt zich op het brede spectrum aan waarden dat verbonden is met de productie en consumptie van voedsel. Het Rijk wil niet alleen een hoog voedselveiligheidsniveau handhaven, maar ook bevorderen dat andere kwaliteitsaspecten worden geïntegreerd in de voedselkolom. Producenten en handelaren worden aangezet tot de productie en afzet/levering van kwalitatief hoogwaardige producten, daarbij strevend naar verhoging van het nalevingsniveau van de ketenpartijen. Consumenten, inclusief de jeugd, worden gestimuleerd om, op basis van een adequate informatievoorziening, een bewuste en – vanuit kwaliteitsperspectief bezien – verantwoorde keuze te maken bij de samenstelling van het voedselpakket. Daarbij wil het Rijk de consument ook bewust maken van het belang van een zorgvuldige voedselbehandeling en -bereiding. Uiteindelijk doel is het voedingspatroon bij consument én jeugd te verbeteren en de gezondheidseffecten als gevolg van voedselrisico’s te beheersen.
• Wet- en regelgeving (meest Europese wet- en regelgeving op het gebied van voedsel- en diervoederveiligheid en diergeneesmiddelen, Destructiewet, Kaderwet Diervoeders, Diergeneesmiddelenwet, Landbouwwet, Wet uitvoering Diergeneeskunde, hygiënecodes op het gebied van traceerbaarheid, Regeling vleeskeuring en HACCP, Gezondheids- en welzijnswet voor Dieren).
• Overleg/coördinatie/diplomatie (internationale samenwerking, interdepartementaal overleg crisismanagement en terrorismebestrijding).
• Inspecties/controle (controle en handhaving van wet- en regelgeving door AID en VWA, keuring dierlijke (bij)producten, inclusief de Beleidsagenda hormonen en de Kaderwet diervoeders).
• Voorlichting, communicatie en educatie (voorlichting over biotechnologie en I&R).
• Risicomanagement: implementeren en uitvoeren van bovengenoemde Europese regelgeving voor de veiligheid van diervoeders en voedingsmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong; onderzoek en monitoring zoönosen en TSE’s; bepaling beleidsstandpunt inzake antibioticumresistentie; bijdrage aan scrapiefokkerijprogramma en aan het COKZ.
• Voedselveiligheid: uitvoeren van pilotprojecten en onderzoek t.b.v. de ontwikkeling van toezicht op controle in de diervoedersector; uitvoering van de pilots alternatieve verwerking slachtafvallen; versterking internationale samenwerking door middel van capacitybuilding, verlenen van technische assistentie en ondersteuning exportcertificering.
• Consument, transparantie en ketenomkering: subsidies aan het Voedingscentrum Nederland (€ 3,6 mln. basis- en projectsubsidie) en de Consumentenbond; voorlichting, communicatie en educatie; openbaarmaking van controlegegevens uit de pilotprojecten, uitvoeren van bijbehorende evaluatie en aanzet geven tot een definitieve vormgeving van openbaarmaking van controlegegevens; introductie smaaklessen op basisscholen; verzorgen van themabijeenkomsten Consumentenplatform; onderzoek naar risico’s en kansen bij nanotechnolgie en verbreding van de afweging t.a.v. voedselveiligheidsmaatregelen ten opzichte van andere voedselkwaliteitswaarden.
• Destructie: subsidie (overheidsbijdrage) op destructie t.b.v. transport en verwerking kadavers.
• Crisismanagement en -organisatie, inclusief oefeningen en beleidsstrategie chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair (CBRN) terrorisme.
• Nota «Veilig voedsel voor iedereen; een gezamenlijke verantwoordelijkheid» (TK 2004–2005, 26 991, nr. 115) Brief «verantwoordelijkheidsverdeling tussen VWS en LNV voor voedselveiligheid» (TK 2004–2005, 26 991, nr. 119).
• Brief «Uitvoering destructiewetgeving» (TK 2005–2006, 27 495, nr. 32).
• Brief «Openbaarmaking controlegegevens Voedsel en Waren Autoriteit» (TK 2005–2006, 26 991, nr. 138).
• Jaarverslag van de Voedsel en Waren Autoriteit over het jaar 2005.
Meetbare gegevens bij de Operationele doelstellingen
| Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Aantal positief bevonden dieren uit monitoring BSE | 3 | 2005 | blijvend laag | 0 | 2008 | VWA |
| Aantal positief bevonden bedrijven uit monitoring scrapie | 37 | 2005 | 15–35* | 5–25* | 2008 | VWA |
| Productie van voedsel cf. Hygiëne-verordeningen, conform nalevingsniveau van X% | geen | 2004 | 85% | 90% | 2008 | VWA/AID |
| Nalevingsniveau aanmelden kadavers gemiddeld over sectoren rund, varken, schaap/geit | 75–99%** | 2004 | 95% | 95% | 2008 | AID |
| Vastgelegde toezichts-arrangementen op basis van toezicht op controle*** | 0 | 2005 | 2 | – | – | VD |
| Aantal projecten ikv capacitybuilding | 2 | 2005 | 4 | 5 | 2007 | VD |
| Beschikbare actuele beleidsstrategie t.a.v. CBRN-terrorisme | actueel | 2005 | geactualiseerd | actueel houden | permanent | VD |
| Aantal basisscholen met smaaklessen | beperkt aantal | 2005 | 500 | 500 | 2007 | VD/DK |
* Op basis van te verwachten EU besluitvorming zal de monitoringintensiteit met ingang van 2007 mogelijk met een factor 2.5 toenemen, hetgeen van invloed zal zijn op het aantal positief bevonden bedrijven.
** verschilt per sector
*** omdat het instrument «toezicht op controle» zich nog in de fase van pilotprojecten bevindt, is het momenteel niet mogelijk om streefwaarden vast te stellen na 2007.
25.12 Handhaven diergezondheidsniveau
Het diergezondheidsbeleid is gericht op het voorkomen van uitbraken van aangifteplichtige dierziekten. Indien zich desondanks toch een uitbraak voordoet, zijn de inspanningen van LNV erop gericht dat de gevolgen van een uitbraak van een dierziekte beperkt blijven. In dat geval staan centraal het behoud van de gezondheid van de dierpopulatie en de bescherming van de volksgezondheid tegen risico’s die verband houden met dierziekten. Daarbij wordt rekening gehouden met de intrinsieke (eigen) waarde van het dier en worden verstoringen van de (inter)nationale handel zo veel mogelijk voorkomen.
• Wet- en regelgeving (Europese wet- en regelgeving op het gebied van diergezondheid en dierziektebestrijding, Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren).
• Overleg/coördinatie/diplomatie (beïnvloeding van het Europese dierziektebeleid, beleidsdraaiboeken dierziektecrises, productie en beheer van vaccinvoorraden).
• Inspecties/controle (controle en handhaving van wet- en regelgeving door AID en VWA).
• Nederlandse inzet voor aanpassing Europees non-vaccinatiebeleid.
• Preventieve diergezondheid: voorlichting en communicatie over bestrijding en preventie, inclusief de hobbydierhouderij; project informatie- en toezichtsnetwerk.
• Identificatie en registratie: implementatie en voorlichting nieuwe EU regelgeving m.b.t. I&R schapen en geiten, inclusief nieuwbouw centrale database I&R schapen en geiten, continuering I&RVL varkens.
• Monitoring, early warning en bewaking: onderzoek en monitoring van dierziekten als scrapie, en BSE.
• Handhaving veterinaire veiligheid: door middel van het uitvoeren van bewakingsprogramma’s brucellose, leukose, brucella, KVP, MKZ, AI, etc.
• Crisisorganisatie en -management: bijdrage aan crisisorganisatie dierziekte en voedselveiligheid; organisatie van paraatheidoefeningen; onderzoek en stimulatie vaccinproductie en voorraadbeheer vaccins; opstellen en actualiseren van beleidsdraaiboeken.
• AI-vaccinontwikkeling: een vierjarig onderzoek voor het ontwikkelen van kansrijke kandidaatvaccins, diagnostische testen en vaccinatiestrategieën voor toepassing op gehouden pluimvee. Dit onderzoek wordt gefinancierd uit het FES.
• Begroting Diergezondheidsfonds 2007.
• Brief over wijziging «Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten LNV-PVV-PPE-PZ»(TK 2004–2005, 29 800 F, nr. 6).
• Brief over preventiebeleid dierziekten schapensector, elektronische identificatie schapen- en geitensector en scrapie-aanpak (TK 2004–2005, 29 683 en29 800 XIV, nr. 3).
Meetbare gegevens bij operationele doelstellingen
| Indicator | Referentiewaarde | Peil datum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Early warning bestrijdingsplichtige ziekten: aantal dagen tussen besmetting (vermeerderd met de ziekteafhankelijke incubatieperiode) en ontdekking | 20 | 2005 | 8 | 4 | 2010 | evaluatie |
| Vaccinbanken | 2 | 2006 | 3 | 3 | 2008 | VD |
| Aantal beleidsdraaiboeken voor bestrijdingsplichtige ziekten en voedselkwaliteit | 5 | 2005 | 13 | 16 | 2008 | VD |
| Controles I&R rund | 5% | 2006 | 5% | 5% | permanent | AID |
| Controles I&R schapen en geiten | 3% | 2006 | 3% | 3% | permanent | AID |
Hoogwaardige kennis voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte en optimale benutting van deze kennis.
Kennis en innovatie zijn belangrijk voor de realisatie van de beleidsdoelstellingen van LNV Veranderingen in concurrentiepositie en maatschappelijke randvoorwaarden binnen alle LNV-sectoren vragen om regelmatige herijking van kennisnetwerken, kennisvoorzieningen en instrumenten teneinde optimale kennisbenutting door actoren en beleid te bereiken.
LNV opteert voor een integraal kennis- en innovatiebeleid waarbij regionaal en (inter)nationaal wordt samengewerkt. De grotere rol van de EU komt specifiek voor kennisbeleid tot uitdrukking in onder andere de Lissabonafspraken (vermindering voortijdig schoolverlaten, verhoging van opleidingsniveau, deelname leven lang leren, het stimuleren van beta-studies). LNV zet er op in dat voor Nederland belangrijke thema’s op de EU-onderzoeksagenda (Zevende Kaderprogramma) komen. Bovendien werkt LNV mee aan de ontwikkeling van gezamenlijke onderzoeksagenda’s met andere landen, rond thema’s als voedselkwaliteit, plantgezondheid en biologische landbouw.
De beschikbare kennis kan sneller ontsloten en benut worden o.a. door meer samenwerking van universiteiten, onderzoeksinstellingen en bedrijven. Binnen de Groene Kennis Coöperatie wordt samengewerkt tussen groene kennisinstellingen. Voor het (beroeps)onderwijs is een belangrijke rol weggelegd, niet alleen voor de opleiding van toekomstige beroepsbeoefenaren, maar ook als partij bij regionale kenniscirculatie en innovatie. Leerlingen en docenten komen immers meer dan voorheen in contact met de beroepspraktijk en onderzoek via onder andere stages, leerbedrijven en kenniskringen.
Procentuele verdeling uitgaven 2007 over operationele doelstellingen en apparaat Kenis en innovatie

LNV is verantwoordelijk voor het in stand houden van de kennisbasis voor de agrofoodsector en de groene ruimte. Daarnaast faciliteert LNV de benutting van kennis binnen LNV en bij stakeholders.
LNV wil vooroplopen met het groene kennissysteem door pro-actief in te spelen op kennisbehoeften vanuit stakeholders en het LNV-beleid. Ontwikkeling, verspreiding en toepassing van kennis en onderwijs moeten aansluiten op datgene wat voor innovaties nodig is en waar ondernemers en andere maatschappelijke partijen behoefte aan hebben. LNV is bezig de huidige infrastructuur die sterk kennisgedreven is om te buigen naar een meer innovatiegedreven structuur. Via een Beleidskader kennisbenutting wordt bewerkstelligd dat ontwikkelde kennis een maximaal maatschappelijk effect heeft. Het groene beroepsonderwijs moet meer benut worden voor kenniscirculatie ter ondersteuning van LNV-beleid. Vernieuwing en samenwerking van het initiële onderwijs zijn daarvoor een noodzakelijke voorwaarde. Hierover zijn met de gezamenlijke groene kennisinstellingen binnen de Groene Kennis Coöperatie meerjarenafspraken gemaakt (2006–2010) in het verlengde van gezamenlijke afspraken met OCW per geleding. Er is met de instellingen een toegesneden overleg- en uitvoeringsstructuur ingericht.
Samengevat zorgt LNV dat:
• het kennisstelsel wordt gewaarborgd en vernieuwd;
• de samenhang tussen instellingen wordt verbeterd en bestendigd;
• de ontwikkeling en benutting van kennis in het agrofoodcomplex en de groene ruimte wordt bevorderd in lijn met de beleidsdoelstellingen van LNV.
Samenwerking met bedrijven en andere overheden (op nationaal en internationaal niveau), onderwijs- en onderzoeksinstellingen is onontbeerlijk om kennis in de maatschappij te verankeren.
Behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:
• kennis in het agrofoodcomplex en de groene ruimte bijdraagt aan innovatief ondernemerschap, duurzaam ondernemen, veilig voedsel, levende natuur en vitaal platteland;
• er voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren zijn voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte;
• er een internationaal hoogwaardig kenniscentrum is voor agrofoodcomplex en groene ruimte (in de vorm van Wageningen Universiteit en Researchcentrum).
| Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Percentage kennisinstellingen (WUR, HBO-groen) dat voldoet aan visitatienormen1 | 100% | 2005 | 100% | 100% | instellingen | |
| Gediplomeerde uitstroom groen onderwijs | instellingen | |||||
| • VMBO | 7 200 | 2004/2005 | 7 200 | Stabiel | ||
| • MBO | 6 531 | 2004/2005 | 6 531 | Stabiel | ||
| • HBO | 1 808 | 2004/2005 | 1 808 | Stabiel | ||
| • WO | 1 038 | 2004/2005 | 1 038 | Stabiel | ||
| Percentage gediplomeerden met een baan op minimaal eigen niveau | Stoas-onderzoek | |||||
| • MBO-BBL | 45% | 2004 | 45% | Stijging | ||
| • MBO-BOL | 49% | 2004 | 49% | Stijging | ||
| • HBO | 66% | 2004 | 66% | Stijging | ||
| • WO | 60% | 2004 | 60% | Stijging | ||
| Percentage gediplomeerden met een baan in de eigen richting | Stoas-onderzoek | |||||
| • MBO-BBL | 53% | 2004 | 53% | Stabiel | ||
| • MBO-BOL | 61% | 2004 | 61% | Stabiel | ||
| • HBO | 68% | 2004 | 68% | Stabiel | ||
| • WO | 74% | 2004 | 74% | Stabiel | ||
| Aantal promoties WU | 192 | 2005 | 192 | Stabiel | WU | |
| Benutting van afgerond onderzoek in beleidsproces LNV2 | 70% | 2005 | 70% | 80% | LNV |
1 De onderzoeksinstellingen van DLO worden afzonderlijk één maal per vier jaar gevisiteerd door een (internationaal) panel van deskundigen. De onderzoeksscholen van Wageningen Universiteit, waarbinnen alle onderzoek is georganiseerd, worden eenmaal per 6 jaar beoordeeld door de KNAW op thematische organisatie van onderzoek en de kwaliteit van opleiding van jonge onderzoekers. Opleidingen van universiteiten en hogescholen worden binnen een cyclus van 6 jaar gevisiteerd door een visiterende en beoordelende instantie die wordt erkend door de NVAO volgens de systematiek van de NVAO.
2 Voor deze indicator wordt gestreefd naar verbreding van de gemeten benutting naar maatschappelijke benutting.
• Beleidsbrief groen onderwijs 2010 (TK 2001–2002, 27 417, nr. 5).
• Plan van aanpak harmonisatie groen onderwijs (TK 2003–2004, 27 417, nr. 7).
• Uitvoering plan van aanpak harmonisatie groen onderwijs (TK 2005–2006 27 417 nr. 10).
• Meerjarenafspraak Groene Kennis Coöperatie (»Kennis voor kwaliteit van leven» Meerjarenafspraak 2006–2010. Groene kennisinstellingen, Groene Kennis Coöperatie en LNV. 20 juni 2006).
Budgettaire gevolgen van beleid
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 26 Kennis en Innovatie | 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 |
| Verplichtingen | 882 992 | 935 095 | 893 722 | 884 110 | 890 076 | 881 892 | 877 495 |
| – waarvan garanties | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Uitgaven | 864 588 | 884 942 | 900 204 | 892 938 | 896 424 | 895 914 | 890 658 |
| Programma-uitgaven | 859 640 | 871 310 | 886 895 | 879 617 | 883 102 | 882 592 | 877 341 |
| – waarvan juridisch verplicht | 859 640 | 871 310 | 803 694 | 602 896 | 600 796 | 600 260 | 599 950 |
| 26.11 Waarborgen van het kennisstelsel | 605 666 | 620 407 | 634 683 | 635 772 | 637 028 | 638 426 | 642 295 |
| – Bekostiging WU | 140 717 | 140 966 | 140 364 | 140 597 | 141 623 | 142 200 | 142 094 |
| – Bekostiging DLO | 32 581 | 37 412 | 42 149 | 42 069 | 42 097 | 42 124 | 46 457 |
| – Bekostiging groen onderwijs HBO/MBO/VMBO | 431 504 | 440 747 | 450 890 | 451 826 | 452 027 | 452 821 | 452 464 |
| – Afrika Studiecentrum/ Akademie- hoogleraren | 864 | 1 282 | 1 280 | 1 280 | 1 281 | 1 281 | 1 280 |
| 26.12 Benutten van samenhang tussen instellingen | 34 390 | 32 892 | 33 419 | 33 455 | 33 460 | 33 460 | 33 433 |
| – Bijdrage InnovatieNetwerk | 3 220 | 3 761 | 3 798 | 3 798 | 3 799 | 3 799 | 3 797 |
| – Bijdrage IPC’s | 17 779 | 14 902 | 15 030 | 15 062 | 15 064 | 15 064 | 15 052 |
| – AEQUOR | 4 245 | 4 270 | 4 261 | 4 262 | 4 262 | 4 262 | 4 259 |
| – Coöperatie incl. ICT | 4 053 | 4 684 | 4 048 | 4 050 | 4 051 | 4 051 | 4 046 |
| – Overige subsidies ondersteuningsstructuur | 5 093 | 5 275 | 6 282 | 6 283 | 6 284 | 6 284 | 6 279 |
| 26.13 Vernieuwen van het kennisstelsel | 33 382 | 52 298 | 61 167 | 54 624 | 56 175 | 54 267 | 45 178 |
| – Onderzoeksvernieuwing | 2 204 | 8 750 | 9 550 | 10 750 | 11 207 | 9 298 | 250 |
| – Praktijkleren | 12 500 | 12 750 | 18 018 | 18 019 | 18 021 | 18 021 | 18 009 |
| – onderwijskundige innovatieprojecten | 3 342 | 4 062 | 4 070 | 4 070 | 4 071 | 4 071 | 4 067 |
| – Subsidies onderwijsvernieuwing | 15 336 | 26 736 | 29 529 | 21 785 | 22 876 | 22 877 | 22 852 |
| 26.14 Ondersteunen van LNV-beleid met kennis | 186 202 | 165 713 | 157 626 | 155 766 | 156 439 | 156 439 | 156 435 |
| – DLOonderzoeksprogramma’s | 106 412 | 83 882 | 71 799 | 69 324 | 69 824 | 69 824 | 69 824 |
| – Open programmering onderzoek | 2 275 | 5 412 | 8 601 | 8 851 | 9 201 | 9 201 | 9 201 |
| – Stimuleringsprogramma’s | 5 966 | 11 363 | 8 500 | 8 540 | 8 140 | 8 140 | 8 140 |
| – DLO wettelijke onderzoekstaken | 63 321 | 54 427 | 53 942 | 53 863 | 53 863 | 53 863 | 53 863 |
| – Regionale innovatieprojecten | 2 769 | 4 605 | 4 077 | 4 077 | 4 078 | 4 078 | 4 074 |
| – Voorlichtingsprojecten | 5 459 | 6 024 | 9 407 | 9 811 | 10 033 | 10 033 | 10 033 |
| – Kenniskringen/lerende netwerken | 1 300 | 1 300 | 1 300 | 1 300 | 1 300 | ||
| Apparaatsuitgaven | 4 948 | 13 632 | 13 309 | 13 321 | 13 322 | 13 322 | 13 317 |
| 26.21 apparaat | 4 184 | 12 845 | 12 699 | 12 701 | 12 702 | 12 702 | 12 697 |
| 26.22 baten- lastendiensten | 764 | 787 | 610 | 620 | 620 | 620 | 620 |
| Ontvangsten | 13 048 | 34 688 | 27 662 | 20 545 | 21 030 | 19 148 | 14 433 |

Toelichting op de apparaatsuitgaven
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| Ambtelijk Personeel Directie Kennis | 10 519 |
| Ambtelijk Personeel InnovatieNetwerk | 860 |
| Materieel | 1 220 |
| Overig apparaat | 100 |
| Bijdrage aan DR | 610 |
| Totaal apparaatsuitgaven | 13 309 |
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| Rente en aflossing over de verstrekte lening aan de Stichting DLO inzake aankoop van grond en gebouwen | 8 802 |
| FES-ontvangsten | 18 690 |
| Overige ontvangsten | 170 |
| Totaal ontvangsten | 27 662 |
Voor een aantal projecten zijn ten laste van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) middelen aan de LNV-begroting toegevoegd.
Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
| Onderzoek onderwerp | AD of OD | A. start B. afgerond | Vindplaats | |
| Beleidsdoorlichting | Effectiviteit van het kennis- en innovatie beleid | 26.11/26.14 | A. 2005 B. 2006 | |
| Effectenonderzoek ex post | ||||
| Overig evaluatieonderzoek | – Kennisbasis DLO | 26.11 | A. 2007 | |
| – InnovatieNetwerk | 26.12 | A. 2010 | ||
| – Praktijkleren in het groene onderwijs | 26.12/26.13 | A. 2009 | ||
| – Regeling innovatie groen onderwijs | 26.13/26.14 | A. 2009 | ||
| – Beleidsondersteunend onderzoek | 26.14 | A. 2007 | ||
| – Open programmering onderzoek | 26.14 | A. 2008 | ||
| – Wettelijke onderzoekstaken | 26.14 | A. 2009 | ||
| – Voorlichting | 26.14 | A. 2009 |
26.11 Waarborgen van het kennisstelsel
Een kwalitatief hoogwaardig en doelmatig functionerend en innovatief stelsel van groen onderzoek en onderwijs garanderen.
LNV hecht aan een solide kennisbasis op het terrein van voedsel en groen. LNV financiert in dit kader structureel een belangrijk deel van het fundamenteel onderzoek voor voedsel en groen via de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) als onderdeel van Wageningen UR. LNV oefent op de invulling van de kennisbasis invloed uit door op hoofdlijnen gewenste accenten aan te geven (strategische agenda). Een prioriteit is het Phytophtora-onderzoek waarvoor in 2006 € 9,9 mln. (FES-middelen voor meerdere jaren) beschikbaar is gesteld.
Het onderwijs (VMBO, MBO, HAO en Wageningen Universiteit), onder beleidsmatige verantwoordelijkheid van LNV, is een uiting van de sterke historische banden in de LNV-sectoren tussen onderwijs, onderzoek, voorlichting en bedrijfsleven. In het kader van de harmonisatie groen onderwijs volgt LNV het algemeen onderwijsbeleid. Als vakministerie stuurt LNV met name op de inzet en functies van het groen onderwijs voor de sector. Gelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor groen en overig onderwijs zijn daarbij cruciaal. In 2007 wordt verder uitvoering gegeven aan de in januari 2006 vastgestelde brief Uitvoering plan van aanpak harmonisatie groen onderwijs.
Onderzoek
• Regeling subsidie Stichting DLO voor subsidie van het Kennisbasisonderzoek.
• Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) op basis waarvan het hoger en wetenschappelijk onderwijs en onderzoek worden bekostigd, alsmede het hierop gebaseerde bekostigingsbesluit.
• Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) op basis waarvan AOC’s (VBO en MBO) worden bekostigd.
• Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) op basis waarvan categoriale scholen VBO, mavo’s, scholengemeenschappen, en afdelingen praktijkonderwijs worden bekostigd.
• Wet op het Onderwijs Toezicht op basis waarvan het toezicht wordt uitgevoerd.
• Afspraken met betrekking tot (gelijke) bekostiging van onderwijs LNV t.o.v. OCW. Het betreft overeenkomstige behandeling bij mutaties in onderwijsvraag en als gevolg van beleidsintensiveringen of ombuigingen.
• Subsidies (Afrika Studie Centrum en Akademie Hoogleraren KNAW).
• Maatregelen ter verbetering van verantwoording, toezicht en controle.
• Kaders van KNAW en NVAO voor visitatie en beoordeling.
• Beleidsbrief groen onderwijs 2010 (TK 2001–2002, 27 417, nr. 5).
• Plan van aanpak harmonisatie groen onderwijs (TK 2003–2004, 27 417, nr. 7).
• Uitvoering plan van aanpak harmonisatie groen onderwijs (TK 2005–2006, 27 417, nr. 10).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Positieve beoordeling van de kwaliteit | ||||||
| • DLO | 100% | 2005 | 100% | 100% | visitatierapporten | |
| • WO/HBO | 100% | 2005 | 100% | 100% | NVAO | |
| • MBO/VMBO1 | 83% | 2005 | 83% | 100% | onderwijsinspectie | |
| Financiële indicatoren onderwijsinstellingen op orde | ||||||
| • WU | 100% | 2004 | 100% | 100% | Jaarverslag WU | |
| • HBO | 17% | 2004 | 100% | 100% | jaarverslagen | |
| • MBO/VMBO | 85% | 2004 | 100% | 100% | jaarverslagen | |
| Diplomering | ||||||
| • WU (percentage van de uitstroom) | 81% | 2004/2005 | ≤81% | stabiel | WU | |
| • HBO (percentage van de uitstroom) | 65% | 2004/2005 | ≤65% | stabiel | HAO-instellingen | |
| • MBO (percentage van de uitstroom) | 65% | 2004/2005 | ≤65% | stabiel | AOC’s | |
| • VMBO (percentage van de uitstroom in klas 4) | 95% | 2004/2005 | ≤95% | stabiel | AOC’s | |
| Acceptabele tijdsduur waarin de kwalificatie wordt behaald2 | ||||||
| • WO/HBO/VMBO | 100% | 2004/2005 | 100% | 100% | OCW/HAO’s/AOC’s | |
| • MBO | 61% | 2004/2005 | 100% | 100% | AOC’s |
1 De wet op het onderwijstoezicht bepaalt dat de onderwijsinspectie de kwaliteitszorg bij de instellingen periodiek beoordeelt. Weergegeven is het percentage van de instellingen dat aan de norm voldoet.
2 De gemiddelde verblijfsduur van ingeschreven deelnemers waarin het einddiploma wordt behaald moet volgens de norm minder dan 15% boven het landelijk gemiddelde liggen. Het percentage geeft het aantal instellingen aan waar dit het geval is.
26.12 Benutten van de samenhang tussen instellingen
Kennis en faciliteiten delen tussen groene kennisinstellingen, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, LNV en overige departementen.
LNV wil samen met de instellingen investeren in een functionele, efficiënte en samenhangende ondersteuningsstructuur. Deze structuur is gericht op het delen van faciliteiten en kennis tussen (groene) kennisinstellingen, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en LNV zowel bij structurele activiteiten (zie 26.11) als bij vernieuwingen (zie 26.13 en 26.14).
LNV zorgt dat de ondersteuningsstructuur, die deels specifiek groen is en deels onderdeel uitmaakt van de algemene infrastructuur (onderwijsbeleid OCW/innovatiebeleid EZ), in stand kan worden gehouden en zich kan ontwikkelen. De ontwikkelingen moeten aansluiten bij de veranderingen in de LNV-sectoren en bij algemene en «groene» onderwijsveranderingen. De doelstellingen en activiteiten voor vernieuwing van de initiële groene opleidingen (zie 26.13) en kenniscirculatie voor het LNV-beleid (zie 26.14) zijn daarbij richtinggevend. De uitwerking is vastgelegd in de meerjarenafspraak Groene Kennis Coöperatie.
• Subsidie aan het InnovatieNetwerk voor het bij elkaar brengen van kennis uit praktijk- en onderzoekswereld ten behoeve van het ontwikkelen van innovaties.
• Afspraken over flankerende maatregelen met IPC’s. Voornemen is dat bij wetsvoorstel per 1 januari 2007 de bekostigingsrelatie met IPC’s wordt verbroken. De middelen voor het simuleren van praktijksituaties met specifieke en dure apparatuur en faciliteiten zullen dan vraaggestuurd worden ingezet.
• Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) op basis waarvan Aequor wordt bekostigd en het convenant betreffende toezicht op Aequor. Aequor zorgt in overleg met het bedrijfsleven voor selectie/begeleiding van leerbedrijven en een landelijke kwalificatiestructuur voor MBO (ontwikkeling naar een competentiegerichte kwalificering).
• Groene Kennis Coöperatie voor het benutten van gemeenschappelijke (ICT) voorzieningen (Groen Kennisnet).
• Subsidies aan overige ondersteunende instellingen. Ontwikkelen van leermiddelen (Ontwikkelcentrum). Het verzorgen van onderwijskundige begeleiding (LPC’s).
Kwaliteitsverbetering examens MBO (KCE). Vernieuwing van de examens VMBO in aansluiting op competentiegericht MBO en toetsing (CITO). Dienstverlening vernieuwing groen onderwijs (WU Vakgroep ECS).
• Beleidsbrief groen onderwijs 2010 (TK 2001–2002, 27 417, nr. 5).
• Plan van aanpak Harmonisatie groen onderwijs (TK 2003–2004, 27 417, nr. 7).
• Uitvoering plan van aanpak harmonisatie groen onderwijs (TK 2005–2006, 27 417, nr. 10).
• Meerjarenafspraak Groene Kennis Coöperatie («Kennis voor kwaliteit van leven» Meerjarenafspraak 2006–2010. Groene kennisinstellingen, Groene Kennis Coöperatie en LNV. 20 juni 2006).
• Convenant toezicht op Kenniscentra Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (Staatscourant 25-4, nr. 80).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentiewaarde | Peil datum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Aantal leerlingcursistweken Innovatiepraktijkcentra (IPC’s)1 | 17 886 | 2004/2005 | 17 886 | stabiel | IPC’s | |
| Aantal leerbedrijven2 | 23 800 | 2006 | 21 500 | stabiel | Aequor | |
| Aantal gedefinieerde profielen competentiegerichte kwalificatiestructuur op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving | 17 | 2004 | 30 | stabiel | Aequor | |
| Aantal beleidsthema’s vastgelegd in virtueel kennisplatform. | 3 | 2005 | 20 | stabiel | LNV | |
| Aantal aansluitingen Groen Kennisnet | 45 145 | 2005 | 65 000 | stabiel | LNV | |
| Aantal ondersteunende projecten groen onderwijs | 27 | 2005 | 27 | stabiel | LNV |
1 Ingaande 2007 is bij wetsvoorstel de bekostigingsrelatie met de IPC’s verbroken.
Er wordt met het oog op efficiency gestreefd naar een afname van het aantal leerbedrijven.
26.13 Vernieuwen van kennisstelsel
Stimuleren van vernieuwing van onderzoek en onderwijs in de groene onderzoek- en onderwijsinstellingen, in lijn met algemeen beleid van de overheid, maar rekening houdend met de specifieke situatie van het groene onderwijs en onderzoek.
Voor het onderzoek worden – in lijn met het kabinetsbeleid – drie strategische speerpuntprogramma’s bij onderzoekinstellingen en samenwerkingsverbanden gefinancierd. LNV zet hierbij steeds in op een zo effectief mogelijke benutting van de beschikbare middelen voor de LNV-terreinen. Het project Transitie Duurzame Landbouw beoogt het inbedden van alle relevante partijen in een kennisketen om zodoende een duurzame, pluriforme en meerwaardige landbouw te bereiken. Voor de projecten TTI Groene Genetica en Potato Genome Sequencing werd in 2006 respectievelijk € 20 mln. en € 3 mln. (FES-middelen) beschikbaar gesteld.
Voor de onderwijsvernieuwing zijn Vitaal & Samen en het OCW-beleid richtinggevend c.q. kaderstellend. Het curriculum van de groene opleidingen zal steeds meer de vorm krijgen van een competentiegerichte leeromgeving met doorlopende leerlijnen. Deze richt zich op de individuele wensen en mogelijkheden van de leerling/student en op leren in een praktische context in aansluiting op de eisen vanuit de beroepspraktijk (bedrijfsleven). Onderwijsinstellingen kunnen zich op deze wijze ontwikkelen tot kenniscentra met een schakelfunctie tussen enerzijds (praktijk)onderzoek en LNV en anderzijds bedrijfsleven en maatschappij als geheel.
Onderzoek
• Subsidie voor het stimuleren van samenwerkingsverbanden en strategische speerpuntprogramma’s bij onderzoeksinstellingen gericht op verbeteren kennisinfrasructuur (Transitie duurzame landbouw, TTI Groene Genetica en Potato Genome Sequencing).
• Subsidie aan AOC’s voor het stimuleren van praktijkleren (vraagsturing).
• Subsidie aan groene onderwijsinstellingen voor OCW-conforme vernieuwingsprojecten en/of vakdepartementale vernieuwing waaronder competentiegericht toetsen en examineren, leren op maat, leren in/uit de praktijk, nieuwe leertrajecten en instellen lectoren en kenniskringen binnen het hoger onderwijs. Door clustering in drie categorieën van de maatregelen naar aard (basisstrategie m.n. bekostiging, breedtestrategie indien OCW-conform bijv. innovatiebox en dieptestrategie voor specifieke projecten) wordt gestreefd naar efficiënte subsidieverstrekking.
De wijze van subsidieverstrekking zal in 2007 worden heroverwogen in relatie tot de meerjarenafspraak met de Groene Kennis Coöperatie. De huidige regeling Innovatie groen onderwijs wordt aangepast.
• Beleidsbrief Groen Onderwijs 2010 (TK 2001–2002, 27 417, nr. 5).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentiewaarde | Peil datum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| • Aantal onderwijskundige innovatieprojecten groen onderwijs | 55 | 2005 | 80 | stabiel | LNV | |
| • Aantal OCW-conforme projecten gericht op realiseren competentie-gerichte kwalificatiestructuur, doorlopende leerlijnen en verbetering kenniscirculatie1 | 40 | 2005 | 35 | lager | LNV | |
| • Doorstroom leerlingen2 | ||||||
| – van VMBO- naar MBO-groen | 33%3 | 2005 | ≤33% | hoger | LNV | |
| – van MBO-groen naar HBO-groen | 13%4 | 2005 | ≤13% | hoger | ||
| Aantal kenniskringen/lectoren HBO-groen | 11 | 2005 | 11 | stabiel | HBO-raad |
1 Het betreft de projecten in het kader van de (OCW-conforme) breedtestrategie. Door clustering binnen de zogenaamde innovatiebox neemt het aantal afzonderlijke projecten af
2 Het groene onderwijs is betrokken bij het onderzoek van de onderwijsinspectie naar de doorstroming in de beroepskolom
3 Daarnaast stroomt ca. 46% door naar het niet groen MBO
4 Betreft de doorstroom gediplomeerden MBO-groen niveau 3 en 4. Daarnaast stroomt ca. 5% door naar het niet groen HBO
26.14 Ondersteunen LNV-beleid met kennis
Kennisvragen uit het beleidsproces in relatie tot vraagstellingen van overheid, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven beantwoorden, wettelijke onderzoekstaken uitvoeren en kennisdoorstroming realiseren over beleidsmatige ontwikkelingen met betrekking tot de thema’s van LNV-beleid.
LNV verstrekt onderzoeksopdrachten aan publieke en private instellingen. Opdrachten komen tot stand door het formuleren van kennisvragen uit het beleidsproces. Dit gebeurt bijna altijd in interactie met de vragende partijen en op basis van beleidsambities, verkenningen en maatschappelijke signalen. De onderzoekopdrachten worden langs twee lijnen uitgezet. Er wordt gewerkt met programmering van DLO-activiteiten op basis van de regeling subsidie Stichting DLO. Om de scope van het beleidsondersteunende onderzoek te verbreden en onderzoek daar uit te zetten waar de meeste kennis aanwezig is worden ook opdrachten aanbesteed in een open kennismarkt. Een voorbeeld daarvan is het SBIR-programma. SBIR staat voor Small Business Innovation Research. De kern van het programma bestaat er uit dat de overheid een deel van haar O&O budget rechtstreeks bij het midden- en kleinbedrijf (MKB) aanbesteedt in verschillende, opeenvolgende fasen. Het doel daarbij is het ontwikkelen van innovaties door het MKB op het gebied van maatschappelijk relevante thema’s. In dat kader heeft LNV (in samenwerking met EZ) twee pilots gestart: «biobased economy» en«stimulering bio-innovatie».
Wettelijke onderzoekstaken zijn gebaseerd op wettelijke verplichtingen en internationale verdragen. Het betreft onderzoek naar diergezondheid, voedselveiligheid, visserij, natuur en milieu, genetische bronnen en economische informatievoorziening. LNV stelt deze taken veilig door structurele financiering van faciliteiten en de uitvoering van dit onderzoek. Deze taken worden met de financiering vastgelegd in uitvoeringsovereenkomsten.
LNV ziet een belangrijke rol voor het onderwijs weggelegd in de beantwoording van beleidsgerelateerde kennisvragen, met name in regionale netwerken met het midden- en kleinbedrijf. LNV wil het onderwijs meer benutten als schakel tussen enerzijds (praktijk)onderzoek en LNV en anderzijds de regionale ontwikkelingen (bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, e.d.). LNV stimuleert genoemde regionale ontwikkelingen via de eerder bij 26.13 aangeduide herziene innovatie-systematiek in relatie tot de Groene Kennis Coöperatie.
Betrokkenen moeten de juiste maatregelen kunnen treffen om aan doelstellingen van LNV-beleid te voldoen. Voor het communiceren met diverse doelgroepen worden voorlichtingsopdrachten verstrekt die aansluiten bij de LNV-hoofdthema’s duurzaam ondernemen, veilig voedsel, levende natuur, vitaal platteland.
Via kenniskringen van belanghebbenden (lerende netwerken) wordt uitwisseling van kennis gestimuleerd.
• Subsidie (Regeling subsidie Stichting DLO) voor onderzoeksprogrammering en wettelijke onderzoekstaken.
• Subsidie aan instellingen voor onderzoeksprojecten.
• Subsidie aan groene onderwijsinstellingen voor het in samenwerking met bedrijfsleven en onderzoeksinstellingen, bevorderen van kennisdoorstroming, kennisbenutting en professionaliseren van het groen onderwijs als kenniscentrum.
• Subsidies voor voorlichtingsprojecten.
• Subsidies aan kenniskringen/lerende netwerken: weidevogels en Overlevingsplan Bos en Natuur (OBN).
• Meerjarenafspraak Groene Kennis Coöperatie («Kennis voor kwaliteit van leven» Meerjarenafspraak 2006–2010. Groene kennisinstellingen, Groene Kennis Coöperatie en LNV. 20 juni 2006).
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| • Percentage positief beoordeelde onderzoeksprogramma’s DLO | 100% | 2004 | 100% | 100% | LNV | |
| • Aantal onderzoeken open programmering | 30 | 2005 | 30 | stabiel | LNV | |
| • Aantal stimuleringsprogramma’s | 70 | 2005 | 70 | stabiel | LNV | |
| • Percentage jaarprogramma’s WOT met positieve beoordeling | 100% | 2005 | 100% | 100% | DLO | |
| • Aantal regionale groene innovatieprojecten | 77 | 2005 | 80 | stabiel | LNV | |
| • Aantal voorlichtingsprojecten | 44 | 2005 | 45 | stabiel | LNV | |
| • Aantal lerende netwerken onderzoek | 2 | 2006 | 2 | stabiel | LNV |
27 Bodem, water en reconstructie zandgebieden
Het creëren van een vitaal platteland in de zandgebieden in Zuid- en Oost-Nederland.
Het Rijk geeft prioriteit aan de reconstructie van de zandgebieden in Zuid- en Oost-Nederland (Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg). Het doel van deze reconstructie is het realiseren van een goede ruimtelijke structuur, in het bijzonder met betrekking tot duurzame landbouw, de natuur, het milieu en een duurzame waterhuishouding, alsmede het creëren van een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat in de zandgebieden.
Procentuele verdeling uitgaven 2007 over operationele doelstellingen en apparaat Reconstructie

LNV is verantwoordelijk voor het wettelijk kader Reconstructie, middelen voor de Rijksdoelen en coördinatie van Rijksinzet. LNV faciliteert de provincies bij het tot stand komen van gebiedsgericht (integraal) beleid waarin de sectorale Rijksdoelen gerealiseerd worden. Voor bodem en water zijn respectievelijk VROM en V&W de eerst verantwoordelijk ministeries.
Het budget wordt via het ILG aan de provincies ter beschikking gesteld.
Behalen van deze doelstelling hangt af van het bestuurlijke draagvlak in de betreffende regio’s.
Het behalen van de algemene beleidsdoelstelling voor reconstructie zandgebieden heeft als effecten:
• Een verbeterde structuur van de landbouw in de extensiverings-, verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden;
• Een verbeterde structuur van bedrijvigheid in de reconstructiegebieden, zowel binnen als buiten de landbouw;
• Een adequaat voorzieningenniveau in de plattelandsgemeenten.
De uitwerking van de indicatoren die samenhangen met het Meerjarenprogramma voor een Vitaal Platteland zal dit jaar plaatsvinden, zodat de indicatoren en bijbehorende streefwaarden in de begroting van 2008 kunnen worden opgenomen.
• Agenda Vitaal Platteland (TK 2003–2004, 29 576, nr. 1).
• Voortgangsrapportages Reconstructie (TK 2004–2005, 29 200, nr. 76; TK 2004–2005, 29 200, nr. 14;TK 2004–2005, 29 200, nr. 85).
• Meerjarenprogramma deel 2 (TK 2005–2006, 29 576, nr. 19).
Budgettaire gevolgen van beleid
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 27 Bodem, water en reconstructiezandgebieden | 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 |
| Verplichtingen | 68 974 | 46 511 | 107 307 | 99 702 | 100 412 | 108 429 | 86 794 |
| Uitgaven | 46 637 | 52 574 | 112 152 | 99 702 | 100 412 | 108 429 | 86 794 |
| Programma-uitgaven | 33 357 | 39 832 | 92 257 | 79 985 | 81 746 | 90 731 | 69 714 |
| waarvan juridisch verplicht | 81 574 | 78 879 | 81 383 | 74 711 | 69 714 | ||
| 27.11 Reconstructiezandgebieden | 33 357 | 39 832 | 92 257 | 79 985 | 81 746 | 90 731 | 69 714 |
| waarvan ILG | |||||||
| – Reconstructiezandgebieden | 81 574 | 78 879 | 81 383 | 74 711 | 69 714 | ||
| waarvan niet ILG | |||||||
| – Flankerende maatregelen EHS | 31 | 853 | |||||
| – Duurzaam waterbeheer | 27 | 9 388 | |||||
| – Duurzame landbouw | 27 | ||||||
| – Overige maatregelen | 10 | 2 560 | |||||
| – Agenda Vitaal Platteland | 4 800 | 3 881 | 5 975 | ||||
| – Rijksacties | 4 028 | 2 687 | 2 614 | 1 106 | 363 | 16 020 | |
| – Landschap | 2 094 | ||||||
| – SGB UC 2001–2004 | 6 913 | ||||||
| – SBG UC 2005–2006 | 24 434 | 13 550 | |||||
| 27.12 Bodem en Water | |||||||
| waarvan ILG | |||||||
| – Duurzaam bodemgebruik | |||||||
| – Bodemsanering | |||||||
| – Waterbodemsanering | |||||||
| Apparaatsuitgaven | 13 280 | 12 742 | 19 895 | 19 717 | 18 666 | 17 698 | 17 080 |
| 27.21 Apparaat | 193 | 180 | 178 | 178 | 178 | 178 | 178 |
| 27.22 Baten- lastendiensten | 13 087 | 12 562 | 19 717 | 19 539 | 18 488 | 17 520 | 16 902 |
| Ontvangsten | 49 | 3 650 | |||||
Toelichting op de programmauitgaven
De hogere uitgaven vanaf 2007 zijn het gevolg van het volledig tot uitvoering komen van de reconstructie.

Toelichting op de apparaatsuitgaven
Zowel de programmauitgaven als de apparaatsuitgaven liggen vanaf 2007 op een hoger niveau als gevolg van het volledig tot uitvoering komen van reconstructieprojecten
| Raming 2007 | |
| Ambtelijk Personeel Directie Platteland | 164 |
| Materieel | 14 |
| Overig apparaat | – |
| Bijdrage aan DLG | 19 717 |
| Totaal apparaatsuitgaven | 19 895 |
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| EU inkomsten POP-2 | p.m. |
| Totaal ontvangsten | p.m. |
Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
| Onderzoek onderwerp | AD of OD | A. start B. afgerond | Vindplaats | |
| Beleidsdoorlichting | Bodem, water en reconstructie zandgebieden | 27 | A. 2010 | – |
| Overig evaluatieonderzoek | – Reconstructiewet | 27.11 | A. 2007 | – |
| Mid term evaluatie ILG | 27 | A. 2010 | – |
In 2007 zal de evaluatie van Reconstructiewet plaatsvinden. Bij de ILG afspraken is voorzien in een midtermevaluatie (MTE) in 2010. Hierbij zullen Rijk en provincies bestaande afspraken herijken over reconstructie, bodem & water.
In 2006 heeft het Ministerie van V&W de Maatschappelijke Kosten Batenanalyse (MKBA) voor water opgestart. Daarnaast zal het Ministerie van VROM een MKBA opstarten voor Bodemsanering en een separate evaluatie houden over het Bodembesluit (operationeel doel 27.12).
27.11 Reconstructie zandgebieden
Het realiseren van een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat door het verbeteren van de ruimtelijke structuur van de zandgebieden, in het bijzonder ten behoeve van de landbouw, natuur, milieu en water.
De reconstructie zandgebieden is als zodanig geen Rijksdoel, maar een gebiedscategorie waarbinnen diverse doelen worden gerealiseerd. Deze doelen liggen op het terrein van:
• Flankerend natuurbeleid binnen en buiten de EHS. Het betreft het terugdringen van ammoniakemissie, ontsnippering robuuste verbindingen en verdrogingbestrijding;
• Duurzaam waterbeheer en duurzaam bodemgebruik;
• Realiseren van duurzame landbouw;
• Overige Rijksdoelen.
• Wet- en regelgeving: de Reconstructiewet en de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG).
• Investeringsbudget Landelijk Gebied.
• Rijksconvenanten en -samenwerkingsverbanden, zoals het Bufferzoneconvenant en het Meerjarenprogramma Ontsnippering en het Nationaal Bestuursakkoord Water.
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
| Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2007 | Streefwaarde | Planning | Bron |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Aantal gerealiseerde reconstructieplannen | 0 plannen | 2006 | p.m. | 12 plannen | 2015 | MJP-2 |
De vijf betrokken provincies hebben voor de in hun provincie gelegen reconstructiegebieden plannen opgesteld met bijbehorende uitvoeringsprogramma’s. De reconstructieplannen zijn inmiddels goedgekeurd door het Rijk en moeten in 2015 zijn uitgevoerd.
In aansluiting op de doelen in het MJP2 en het ILG is onder het Beleidsartikel 27 een extra operationeel doel «Bodem en Water» opgenomen. Op dit OD worden de middelen verantwoord die vanuit VROM en V&W beschikbaar worden gesteld ten behoeve van de ILG-doelen Waterkwaliteit, bodemsanering en duurzaam bodemgebruik. Vanwege een goede aansluiting tussen het MJP2, het ILG en de Rijksbegroting is er voor gekozen reeds nu dit OD in de LNV-begroting op te nemen.
Het bodemgebruik en de (water)bodemkwaliteit zijn op elkaar afgestemd. Realisatie vindt plaats binnen de kaders van o.a. de Beleidsbrief bodem en de Kaderrichtlijn Water. Verder vindt realisatie plaats van de gewenste bodemkwaliteit in het landelijk gebied door sanering, eveneens binnen kader van Beleidsbrief Bodem. Bij waterbodems is het doel het bereiken van een goede ecologische en chemische kwaliteit in het Nederlandse deel van de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems, plus de kwaliteit in de Noordzee. Voor waterkwaliteit, en daarnaast ook waterkwantiteit en veiligheid zie ook beleidsartikel 23 Natuur. De middelen voor deze OD zullen in de begroting 2008 worden opgenomen.
• WILG per 1 januari 2007.
• Reconstructiewet.
• Investeringsbudget Landelijk Gebied.
• Nationale Beleidsbrief Bodem.
• Europese Bodemstrategie.
• EU Kaderrichtlijn Water.
Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling
Voor bodem en water zijn vooralsnog geen indicatoren opgenomen omdat de middelen pas vanaf 2008 beschikbaar komen. De indicatoren zijn dan ook nog in ontwikkeling met uitzondering van bodemsanering. Hiervoor zal de realisatie van het aantal bodemprestatie eenheden (BPE) maatgevend zijn.
Dit niet-beleidsartikel bevat de posten prijsbijstelling, loonbijstelling en onvoorzien.
Budgettaire gevolgen van beleid
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 28 Nominaal en onvoorzien | 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 |
| Verplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Uitgaven | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 28.11 Prijsbijstelling | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 28.12 Loonbijstelling | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 28.13 Onvoorzien | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Ontvangsten | |||||||
Op dit onderdeel worden de uit de aanvullende post prijsbijstelling ontvangen bedragen geboekt tot toerekening plaatsvindt aan prijsgevoelige begrotingsartikelen. De toerekening van de prijsbijstelling 2006 heeft inmiddels plaatsgevonden.
Op dit onderdeel wordt de loonbijstelling verwerkt in het kader van algemene salarismaatregelen en de overige specifieke salarismaatregelen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en premie sociale zekerheid. Vanuit dit artikel wordt de loonbijstelling toegedeeld aan de loongevoelige beleidsartikelen.
Onder artikel 28.13 «Onvoorzien» is de PIA inkooptaakstelling (professioneel Inkopen en aanbesteden) en de taakstelling elektronische overheid opgenomen waarmee de LNV-begroting is verlaagd. Deze taakstellingen zijn nu verdeeld over de relevante artikelen.
Op dit artikel worden de uitgaven, zowel apparaat als programma, toegelicht die niet vallen onder de beleidsartikelen. Dit betreft de apparaatsuitgaven van een aantal algemene onderdelen van het kerndepartement, internationale contributies en de uitvoering van EU maatregelen door onder meer de productschappen.
Procentuele verdeling uitgaven 2007 over operationele doelstellingen en apparaat

Budgettaire gevolgen van beleid
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 29 Algemeen | 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 |
| Verplichtingen | 238 409 | 221 530 | 217 447 | 220 411 | 217 366 | 217 361 | 222 467 |
| Uitgaven | 238 408 | 225 216 | 218 443 | 218 207 | 217 362 | 217 357 | 222 463 |
| Programma-uitgaven | 49 612 | 42 354 | 43 680 | 40 680 | 40 680 | 40 680 | 40 680 |
| 29.11 Internationale contributies | 8 256 | 8 420 | 10 421 | 7 421 | 7 421 | 7 421 | 7 421 |
| 29.12 Uitvoering van EU-maatregelen | 41 356 | 33 934 | 33 259 | 33 259 | 33 259 | 33 259 | 33 259 |
| Apparaatsuitgaven | 188 796 | 182 862 | 174 763 | 177 527 | 176 682 | 176 677 | 181 783 |
| 29.21 Apparaat | 188 796 | 174 694 | 166 680 | 169 445 | 168 599 | 168 594 | 173 704 |
| 29.22 Baten-lastendiensten | 0 | 8 168 | 8 083 | 8 082 | 8 083 | 8 083 | 8 079 |
| Ontvangsten | 420 646 | 282 121 | 281 944 | 281 944 | 281 944 | 282 190 | 281 823 |
29.11 Internationale contributies
LNV voldoet jaarlijks aan de contributieverplichtingen uit hoofde van het Nederlands lidmaatschap van internationale organisaties die zich bewegen op het beleidsterrein van LNV. De contributie aan de FAO (Food and Agricultural Organisation) van de Verenigde Naties is veruit de grootste en behelst ca. 80 procent van het budget voor internationale contributies. De FAO-contributie wordt toegerekend aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). Dit is het cluster van buitenlanduitgaven en -ontvangsten op de Rijksbegroting.
29.12 Uitvoering van EU-maatregelen
Op dit artikel worden uitgaven geraamd die samenhangen met de uitvoering van het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie. Concreet gaat het hier om de interventiekosten, de medebewindskosten, de uitgaven uit hoofde van de apurementprocedure en de kosten van schikkingen die samenhangen met de uitvoering van de Regeling Superheffing. Onder «interventiekosten» worden de kosten van in-, op- en uitslag verstaan van de marktordeningproducten zuivel, rundvlees en granen.
De medebewindskosten betreffen de vergoedingen voor taken die door de productschappen in medebewind worden verricht. Deze taken omvatten de uitvoering van maatregelen in het kader van het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie en hebben in hoofdzaak betrekking op het opleggen van heffingen, het verlenen van exportrestituties, alsmede de administratie hiervan. Onder apurement vallen de uitgaven in het kader van financiële correcties door de Europese Commissie op de uitkering van Europese subsidies.
Toelichting op de apparaatsuitgaven
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| Personeel algemene leiding en stafdirecties | 34 145 |
| Personeel overige directies | 34 356 |
| Materieel | 23 091 |
| Materieel Ministerie algemeen en huisvesting | 37 181 |
| Overig personeel en post-actieven | 37 907 |
| Bijdrage aan AID | 8 083 |
| Totaal apparaatsuitgaven | 174 763 |
Personeel algemene leiding en stafdirecties betreffen de personele uitgaven van de algemene leiding en de stafdirecties Bureau Bestuursraad, Personeel en Organisatie, Financieel Economische Zaken, Informatiemanagement en Facilitaire Zaken, de Auditdienst en de directie Voorlichting.
Personeel overige directies betreffen de personele uitgaven voor de directies Juridische Zaken, Internationale Zaken (inclusief de vertegenwoordiging buitenland) Regionale Zaken en de projectdirecties.
Op dit artikel worden tevens de algemene concernbrede materiële uitgaven geraamd, zoals huisvestings- en automatiseringsuitgaven, die niet zijn toe te rekenen aan de beleidsartikelen.
Voorts wordt geraamd de bijdrage voor opsporingsactiviteiten van de AID. Voor deze activiteiten is vooraf niet aan te geven ten laste van welk beleidsartikel een opsporingsonderzoek plaats vindt. In het jaarverslag zal deze toedeling naar beleidsartikelen voor de opsporingsactiviteiten wel plaatsvinden.
| Bedragen x € 1 000 | |
|---|---|
| Raming 2007 | |
| Landbouwheffingen | 270 000 |
| EU-ontvangsten | 5 684 |
| Overige ontvangsten | 6 260 |
| Totaal ontvangsten | 281 944 |
De ontvangsten hebben met name betrekking op de landbouwheffingen. In de bijlage Europese geldstromen worden de ontvangsten uit hoofde van de landbouwheffingen nader toegelicht. Daarnaast worden op dit artikel ontvangsten geraamd voor de uitvoering van EU-landbouwmaatregelen. Tot slot is sprake van diverse overige ontvangsten, met name apparaatsontvangsten.
Organisatorische ontwikkelingen
De met de Houtskoolschets van 2002 ingezette herinrichting van de LNV-organisatie is in 2006 nagenoeg afgerond. Aan de orde is nog de bundeling van financieel-uitvoerende taken van het kernministerie en van de ondersteunende personeelsgerichte taken. Dit laatste houdt verband met de beoogde vorming van een Rijksbreed P-direkt. Oogmerk is dat de nieuwe gevormde Dienst Uitvoering ICT (Dictu) een baten-lasten dienst wordt. In 2007 start de voorhangprocedure.
Uit de prognoses van de ontwikkelingen van het personeelsbestand afgezet tegen de prognoses van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt blijkt dat LNV extra moet investeren in arbeidsmarktbeleid om ook op termijn de juiste mensen te kunnen werven en behouden. Daartoe is een scenario-instrument ontwikkeld waarmee binnen LNV per dienstonderdeel de behoefte kan worden bepaald. In 2007 zal dit breder binnen LNV worden toegepast. In dat kader wordt ook de extra inzet op diversiteitsbeleid en leeftijdsbeleid in 2007 voortgezet.
Een vergroting van de wendbaarheid en flexibiliteit van de Rijksoverheid is een belangrijk beleidsdoel waaraan LNV in 2007 werkt zowel in de eigen organisatie als in interdepartementaal verband.
Pilot baten-lasten verantwoording
Conform de afspraak met de Tweede Kamer zal over 2007 naast de wettelijk voorgeschreven verantwoording in het Jaarverslag eveneens een zgn baten-lasten verantwoording worden afgelegd. Het is de bedoeling via deze pilot inzicht te verwerven over drie domeinen:
• Ontstaat er beter informatie, met name voor het Parlement, over de kosten van beleid, bezien vanuit een meerjarig kader.
• Wordt de bedrijfsvoering binnen een departement doelmatiger.
• Wat zijn de mogelijke consequenties voor een rijksbrede invoering van het baten-lastenstelsel.
Een projectorganisatie bij LNV bereidt samen met Financiën de te treffen maatregelen en voorzieningen alsmede de realisatie van deze «andere verantwoording» over Hoofdstuk XIV voor.
De aanwijzing van Dienst Regelingen van LNV als Nederlandse Certificeringsautoriteit voor betalingsaanvragen bij de Europese Structuurfondsen krijgt in 2007, het eerste jaar van de nieuwe EU-programmaperiode die tot 2013 loopt, effect. Daarnaast zal DR met ingang van het EU-begrotingsjaar 2007 (dat op 15 oktober a.s. aanvangt) de zgn. betaalorgaanfunctie voor maatregelen gefinancierd uit het Europees Landbouw garantiefonds (ELGF) overnemen van de productschappen. De productschappen blijven wel in medebewind als gedelegeerde organen mede-uitvoerder van de regelingen. De Dienst Landelijk gebied (DLG) is aangewezen voor de uitvoering van de maatregelen gefinancierd uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). De nieuwe financieringsverordening van de EU leidt onder meer tot de introductie van een «borgingsverklaring» (af te geven door het hoofd van een betaalorgaan bij de jaardeclaratie) en een nieuwe verdeling tussen EU en lidstaat van de financiële last (50/50) bij lang openstaande terugvorderingen van betalingen aan eindbegunstigden.
LNV neemt deel aan de interdepartementale samenwerking op het vlak van salarisbetaling en de adminstratieve personeelsprocessen. In dat kader heeft LNV een eigen kwaliteits-en efficiency traject ingezet. Voor 2007 zal LNV blijven aansluiten bij de interdepartementaal afgesproken deelprojecten.
Interdepartementaal HR Ontwikkel- en Expertisecentrum (OC/EC)
Doel van het interdepartementaal HR Ontwikkel- en Expertisecentrum (OC/EC) is efficiency- en kwaliteitsverbetering van de HR-functie binnen het Rijk door het gezamenlijk met alle departementen ontwikkelen van HR-instrumenten en het bundelen van de op de verschillende departementen aanwezige expertise. In 2006 heeft LNV financieel en personeel bijgedragen aan de ontwikkeling van OC/EC. In 2007 zal LNV middels OC/EC bij blijven dragen aan de verbetering van kwaliteit en doelmatigheid van de HR-functie van het Rijk.
Programma elektronische dienstverlening
Het programma elektronische dienstverlening (EDV) beoogt de elektronische dienstverlening aan de doelgroepen van LNV gestructureerd en versneld uit te bouwen. De ambitie is om iedere nieuwe of vernieuwde regelgeving volledig elektronisch ondersteund aan te bieden. EDV ontwikkelt de instrumenten die dat mogelijk maken en geeft daarmee tevens invulling aan een aantal acties uit het Programma Andere Overheid. In 2007 zal tenminste 65% van de diensten van LNV via internet of anderszins elektronisch worden aangeboden, met de bedoeling om de hele transactie elektronisch af te handelen. Daarnaast zal het in 2007 voor doelgroepen mogelijk zijn om in «Mijn LNV Dossier» de eigen gegevens via internet in te zien en enkele daarvan te wijzigen.
Belangrijk accent voor LNV ligt op vermindering van regeldruk en administratieve lasten. Hoewel de taakstelling voor 2007 inmiddels al gerealiseerd, gaat de inzet van LNV op dit thema onverminderd door. Ook de rijksbrede aanpak ter vermindering van het aantal vergunningen speelt hier een rol. Het onderzoek naar beleving van administratieve lasten krijgt steeds meer nadruk.
4. DIENSTEN DIE EEN BATEN-LASTENSTELSEL VOEREN
Algemene Inspectie Dienst (AID)
De Algemene Inspectiedienst (AID) is een handhavingorganisatie van het ministerie van LNV die, door middel van de instrumenten controle, verificatie en opsporing, de naleving van de LNV-regelgeving op programmatische wijze bevordert. Waar effectief uit oogpunt van naleving wordt de inzet van hiervoor bedoelde instrumenten begeleid door handhavingcommunicatie. Op basis van waarnemingen en ervaringen in de handhavingpraktijk adviseert de AID de minister en beleidsdirecties van LNV over voorgenomen of reeds vigerend beleid en regelgeving. Ten behoeve van de uitvoering van deze taak beschikken de ambtenaren AID over toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden in onderlinge samenhang ingezet. Opsporing vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2007
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 realisatie | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Baten | |||||||
| opbrengst moederdepartement | 60 199 | 63 637 | 59 248 | 56 715 | 56 517 | 56 517 | 56 496 |
| opbrengst overige departementen | |||||||
| opbrengst derden | 832 | 300 | 300 | 300 | 300 | 300 | 300 |
| rentebaten | 91 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 |
| buitengewone baten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| exploitatiebijdrage | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totale baten | 61 122 | 63 977 | 59 588 | 57 055 | 56 857 | 56 857 | 56 836 |
| Lasten | |||||||
| apparaatskosten | |||||||
| * personele kosten | 39 905 | 42 658 | 38 372 | 36 549 | 37 026 | 37 020 | 37 099 |
| * materiele kosten | 16 166 | 17 528 | 16 821 | 15 045 | 13 716 | 13 045 | 12 769 |
| rentelasten | 225 | 412 | 547 | 628 | 673 | 689 | 679 |
| afschrijvingskosten | |||||||
| * materieel | 2 239 | 2 438 | 2 943 | 3 681 | 4 076 | 4 447 | 4 542 |
| * immaterieel | 715 | 941 | 905 | 1 152 | 1 366 | 1 656 | 1 747 |
| dotaties voorzieningen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| buitengewone lasten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totale lasten | 59 250 | 63 977 | 59 588 | 57 055 | 56 857 | 56 857 | 56 836 |
| Saldo van baten en lasten | 1 872 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Van het moederdepartement wordt jaarlijks een opdracht ontvangen, zoals afgesproken in het aansturingprotocol AID. De opbrengst van de AID wordt gevormd door te leveren diensten in aantallen productieve uren te vermenigvuldigen met de vastgestelde prijs. Voor de omzet van de AID is uitgegaan van de bedragen zoals opgenomen in de meerjarenbegroting LNV.
In onderstaande tabel is aangegeven hoe de totale omzet van de AID over vijf producten is verdeeld. Inmiddels is een traject gestart, waarin programmatisch handhaven centraal staat. De uitkomst hiervan zal invloed hebben op de toekomstige productencatalogus.
| Producten en omzetaandeel (%) | |||
|---|---|---|---|
| 2005 | 2006 | 2007 | |
| Product | |||
| Controle | 70,5 | 67,5 | 72 |
| Verificatie | 13 | 16 | 12,5 |
| Opsporing | 13 | 14 | 13 |
| Beleidsadvisering | 3 | 2 | 2 |
| Handhavingscommunicatie | 0,5 | 0,5 | 0,5 |
| Totaal | 100 | 100 | 100 |
De reguliere opbrengsten derden hebben betrekking op:
de ontvangen vergoeding voor het gebruik van dienstauto’s door medewerkers, subsidies voor investeringen in handhavinginstrumentarium door de Europese Cie en incidentele dienstverlening aan andere handhavingorganisaties.
De rentebaten worden verkregen uit het positieve saldo op de rekening courant en het plaatsen van termijndeposito’s. Er is gerekend met de rentetarieven voor deposito’s welke, afhankelijk van de looptijd, variëren van 1,86 tot 1,89%.
De personele kosten hebben betrekking op de salariskosten van zowel vast als tijdelijk personeel.
Voor 2007 is uitgegaan van een gemiddelde personele formatie van 725 fte. De gemiddelde personele kosten per fte bedragen in 2007 circa 53 duizend euro.
De gemiddelde personele bezetting zal zich ontwikkelen naar gelang de omvang van de opdracht die de komende jaren door de opdrachtgevers bij de AID wordt neergelegd. De meerjarenbegroting laat thans een dalende trend zien. Gezien de daling van het werkpakket is er in de begroting van uitgegaan dat vanaf het jaar 2007 geen externe krachten meer zullen worden ingehuurd. Bovendien is er rekening gehouden met een daling van het personeelsbestand door natuurlijk verloop.
De voor 2007 begrote materiële kosten bestaan uit beleidsondersteunende specifieke kosten (1,4 mln. euro), de directe kosten voor de operationele uitvoering (6,9 mln. euro) en indirecte kosten (8,5 mln. euro).
Specifieke kosten hebben betrekking op (veelal) constante kosten die een specifieke en eenduidige relatie hebben met één product. Een voorbeeld hiervan zijn de kosten die het gevolg zijn van externe ondersteuning bij visserijcontroles. Directe materiële kosten hebben een direct, ondersteunend verband met de uitvoering van een bepaalde controle- of opsporingsactiviteit. Hieronder vallen bijvoorbeeld de kosten van dienstauto’s, telefonie en dergelijke.
De rentelasten zijn het gevolg van de leningen die de AID afsluit voor investeringen via de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën.
De afschrijvingskosten volgen uit de geraamde boekwaarde van de activa per 1 januari van elk jaar. Bij de waarde van de activa wordt rekening gehouden met het meerjarig investeringsprogramma van de AID. Dit programma is gericht op continuïteit. Daarbij wordt ook rekening gehouden met noodzakelijke investeringen om nieuwe wetgevingscomplexen te kunnen handhaven.
De ambitie is om de jaarlijkse investeringen op termijn in de pas te laten lopen met de jaarlijkse afschrijvingen. De economische levensduur van de verschillende activaklassen zijn in overeenstemming met de richtlijnen van het Ministerie van Financiën.
Het begrote saldo van baten en lasten is nul.
| Bedragen x € 1 000 | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 realisatie | 2006 prognose | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | ||
| 1. | Rekeningcourant RHB 1 januari (incl. deposito) | 0 | 4 692 | 3 570 | 3 166 | 2 916 | 2 307 | 1 140 |
| 2. | Totaal operationele kasstroom | 8 200 | 1 552 | 2 722 | 4 107 | 4 416 | 4 745 | 4 870 |
| 3a. -/- | totaal investeringen | – 12 075 | – 6 818 | – 6 083 | – 5 985 | – 6 125 | – 6 125 | – 6 125 |
| 3b. + | totaal boekwaarde desinvesteringen | 147 | 250 | 250 | 250 | 250 | 250 | 250 |
| 3. | Totaal investeringskasstroom | – 11 928 | – 6 568 | – 5 833 | – 5 735 | – 5 875 | – 5 875 | – 5 875 |
| 4a. -/- | eenmalige uitkering aan moederdepartement | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 4b. + | eenmalige storting door moederdepartement | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 4c. -/- | aflossingen op leningen | – 2 822 | – 2 924 | – 3 376 | – 4 607 | – 5 275 | – 6 162 | – 6 615 |
| 4d. + | beroep op leenfaciliteit | 11 242 | 6 818 | 6 083 | 5 985 | 6 125 | 6 125 | 6 125 |
| 4. | Totaal financieringskasstroom | 8 420 | 3 894 | 2 707 | 1 378 | 850 | – 37 | – 490 |
| 5. | Rekeningcourant RHB 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4) | 4 692 | 3 570 | 3 166 | 2 916 | 2 307 | 1 140 | – 355 |
Dit kasstroomoverzicht toont dat de AID meerjarig een positief saldo op de rekening courant bij het Ministerie van Financiën voorziet. De investeringen zijn gebaseerd op de meerjarige investeringsbegroting van de AID. De investeringen in immateriële vaste activa hebben hoofdzakelijk betrekking op de aanschaf van nieuwe beleidsondersteunende informatiesystemen en de update van bestaande systemen. De investeringen in materiële vaste activa hebben betrekking op de reguliere vervangingsinvesteringen voor ICT, vervoermiddelen en inventaris. De stijging van de investeringen leidt ook tot stijgingen van de jaarlijkse aflossingen bij het Ministerie van Financiën.
De prestaties die de AID levert worden gevormd door het aantal directe uren per product/dienst waarvoor de AID een opdracht heeft gekregen en de daarmee bereikte resultaten. Deze resultaten worden onder meer gemeten door middel van een aantal doelmatigheidscriteria.
De AID onderscheidt een mix van indicatoren en prikkels ten behoeve van het meten van de doelmatigheid. Deze kengetallen zijn opgenomen in een meetplan. De meeste normen hebben een relatief vast karakter. Met name de efficiencynormen zullen de komende jaren verder worden aangescherpt met gemiddeld 0,5 à 1% per jaar. De normering voor het ziekteverzuim is op de Verbaannorm afgestemd en zal derhalve meebewegen met onder andere de demografische samenstelling van het personeelsbestand.
| Normering meetplan doelmatigheid AID | |||
|---|---|---|---|
| 2005 | 2006 | 2007 | |
| Gegronde klachten versus contacten met gecontroleerden (%) | 0,0196 | 0,0196 | 0,0196 |
| Goedkeurende accountantsverklaring | Ja | Ja | Ja |
| Gemiddelde kostprijs (€/ uur) | 76,47 | 73,92 | 79,00 |
| Gerealiseerde verkoopbare uren als percentage totale aanbod productieve formatie (%) | 100 | 100 | 100 |
| Ziekteverzuim (%) | 5,2 | 4,3 | 4,3 |
| Treffers bij selecte controles (%) | 15 | 15 | 15 |
| Tijdigheid uitgevoerde verificaties (%) | 60 | 70 | 80 |
| Kosten per controle (€/stuk) | 910 | 900 | 895 |
| Kosten per verificatie (€/stuk) | 602 | 600 | 595 |
| Kosten per onderzoek (€/stuk) | 324. 500 | 320 000 | 315 000 |
De mate van selectiviteit van controles bepaalt onder meer de effectiviteit van de AID: het gericht controleren daar waar de kans op overtreding (treffers) zo groot mogelijk is geeft een maximaal effect van het instrument handhaving. De kwaliteit van risicoanalyse beïnvloedt het percentage treffers. Het percentage treffers bij de selecte controles is een indicator voor de kwaliteit van het product controle.
Op basis van risicoanalyse is door de betaalorganen en/of de Europese Commissie bepaald dat verificaties binnen een bepaalde periode uitgevoerd moeten worden. Het percentage tijdig uitgevoerde verificaties is een indicator voor de kwaliteit van het product verificatie.
Met de opdrachtgevers is dan ook afgesproken dat met de indicatoren treffers bij de selecte controles en tijdig uitgevoerde verificaties de kwaliteit wordt gemeten en deze direct invloed heeft op de bekostiging van de output van de AID. Deze indicatoren omvatten ongeveer 80% van de output van de AID. De AID heeft over 2005 een genormeerde doelmatigheid met gemiddeld 18% overtroffen. De ervaringen met het doelmatigheidsmeetplan zijn positief. De AID zal in de aanloop naar 2007 bezien op welke wijze het meetplan op basis van voortschrijdend inzicht verder kan worden verbeterd.
De implementatie van het concept «programmatisch handhaven» zal hoogstwaarschijnlijk leiden tot een aanpassing van de kwaliteitsindicatoren die van toepassing zijn op de primaire processen. Deze zullen in toenemende mate worden gericht op effectmeting (outcome) in plaats van output.
Met betrekking tot de kwaliteit van de AID worden – naast monitoring met behulp van de genoemde indicatoren – ook kwaliteitsaudits uitgevoerd door onder meer de interne auditafdeling, die nagaat of er conform de wet- en regelgeving en AO’s door de AID wordt gewerkt. Daarnaast voert de Europese Commissie ten aanzien van betaalorgaanactiviteiten inspecties uit op de werkwijze en uitvoering van de AID.
De Dienst Landelijk Gebied is een uitvoerende dienst van LNV die in opdracht van het Rijk, provincies en andere overheden beleid voor het inrichten van groene gebieden voor Natuur, Recreatie, Milieu en Landbouw, vertaalt naar uitvoering in concrete projecten. DLG verwerft hiervoor via het Bureau Beheer Landbouwgronden gronden, richt die gronden opnieuw in en draagt gebieden vervolgens over aan gebiedsbeherende instanties en agrariërs. Daarnaast worden geldstromen bij elkaar gebracht. DLG zoekt naar samenwerking en oplossingen die passen bij de (bestuurlijke) wensen en de eigenschappen van het gebied. Als EU-betaalorgaan is DLG verantwoordelijk voor het uitbetalen van een breed scala aan POP-regelingen.
De producten van DLG ten behoeve van LNV en provincies zijn gericht op uitvoeren van beleid dat is vastgelegd in de LNV-begroting in de artikelen 21, 22, 23, 24 en 27.
DLG werkt binnen één opdracht doorgaans voor meerdere overheden, gericht op het realiseren van publieke doelen. De kracht van DLG ligt in de combinatie van het kennen van het gebied, het kennen van de mensen in het gebied en het kennen van het beleid van verschillende overheden.
De invoering van het ILG betekent onder meer dat de provincies rechtstreeks opdrachtgever worden van DLG bij het inzetten van Rijksmiddelen. In het kader van het ILG worden hierover afspraken gemaakt met de provincies. De aansturing, werkprocessen en wijze van verantwoording van DLG veranderen hierdoor substantieel.
Het werkgebied van DLG is zeer divers. DLG werkt aan ruim 150 gebiedsgerichte projecten in het landelijk gebied. Waar voorheen projecten een lange looptijd hadden, zijn de landinrichtingsprojecten tegenwoordig opgeknipt in termijnen met kortere doorlooptijden. Daarbij worden steeds vaker nieuwe media als internet en GIS-visualisaties ingezet.
DLG stimuleert en begeleidt grondeigenaren zoveel mogelijk om gronden vrijwillig te ruilen. Eén derde van de groenprojecten van DLG ligt binnen een straal van 10 km van de grote steden. DLG helpt steden (zoals Rotterdam en Breda) met ontwikkelingsgericht werken, PPS-constructies en anticiperend aankopen, de groenprojecten in de stadsranden te realiseren. DLG/BBL koopt daarnaast grond aan voor de realisatie van de EHS.
De producten/diensten van DLG zijn weergegeven in onderstaande tabel.
| Bedrijfsproces | Product/Dienst |
| 1. Omzetten grond | 1.1 Verwerving grond |
| 1.2 Vervreemding grond | |
| 1.3 Exploitatie grond | |
| 2. Inrichten landelijk gebied | 2.1 Planvorming |
| 2.2 Planuitvoering | |
| 3. Uitvoeren subsidieregelingen | 3.1 Adviezen aanvragen |
| 3.2 Uitvoering subsidieregelingen | |
| 4. Adviseren | 4.1 Advisering algemeen en beleid |
| 4.2 Informatieverstrekking |
De grondverwervingtransacties die plaatsvinden in het bedrijfsproces Omzetten grond (1.) worden verricht door het ZBO Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL). De medewerkers van DLG voeren de werkzaamheden uit voor BBL.
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2007
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Baten | |||||||
| Opbrengst moederdepartement | 79 026 | 73 011 | 92 468 | 96 445 | 93 348 | 91 088 | 87 041 |
| Opbrengst overige departementen | 871 | 1 932 | 2 234 | 2 266 | 2 337 | 2 520 | 2 629 |
| Opbrengst derden | 13 239 | 9 039 | 9 349 | 9 481 | 9 781 | 10 544 | 11 002 |
| Rentebaten | 240 | 292 | 514 | 514 | 514 | 514 | 514 |
| Buitengewone baten | – | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Exploitatiebijdrage | – | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Verborgen opbrengsten | 6 718 | 6 800 | 6 800 | 6 800 | 6 800 | 6 800 | 6 800 |
| Totale baten | 100 094 | 91 074 | 111 365 | 115 506 | 112 780 | 111 466 | 107 986 |
| Lasten | |||||||
| Apparaatskosten | |||||||
| * personeel | 69 065 | 58 412 | 75 746 | 77 050 | 74 922 | 73 837 | 71 083 |
| * materieel | 17 226 | 19 585 | 19 744 | 20 962 | 20 674 | 20 982 | 20 915 |
| Rentelasten | 239 | 621 | 823 | 954 | 758 | 616 | 539 |
| Afschrijvingskosten | |||||||
| * materieel | 2 516 | 2 508 | 4 089 | 3 725 | 5 144 | 4 668 | 4 370 |
| * immaterieel | 817 | 2 698 | 4 063 | 5 915 | 4 382 | 4 463 | 4 179 |
| Dotaties aan voorzieningen | 2 636 | 450 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Buitengewone lasten | 39 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Verborgen lasten | 6 718 | 6 800 | 6 800 | 6 800 | 6 800 | 6 800 | 6 800 |
| Totale lasten | 99 256 | 91 074 | 111 365 | 115 506 | 112 780 | 111 466 | 107 986 |
| Saldo van baten en lasten | 838 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Het moederdepartement geeft jaarlijks een opdracht aan DLG, zoals afgesproken in het aansturingprotocol DLG. In die opdracht wordt vastgesteld welke werkzaamheden DLG verricht en welke bijdrage van het moederdepartement hiervoor wordt ontvangen.
De opbrengsten overige departementen hebben voornamelijk betrekking op het ministerie van Verkeer en Waterstaat en samenwerkingsverbanden tussen diverse departementen.
De opbrengsten derden hebben voornamelijk betrekking op provincies en samenwerkingsverbanden waarin ook gemeenten en waterschappen participeren.
Rentebaten: gerekend is met 1,49% rente.
De verborgen opbrengsten betreffen huisvestingskosten, voor zover deze kosten en opbrengsten niet via de rekening van DLG lopen.
De personele kosten hebben betrekking op de salariskosten van zowel vast als tijdelijk personeel. De gemiddelde sterkte ambtelijk personeel is geraamd op 1232 fte tegen een gemiddelde prijs van € 52 191.
Daarnaast zijn er kosten geraamd voor de inhuur van derden om werk te kunnen uitvoeren. Het betreft o.a. kosten verband houdend met de DICTU.
De materiële kosten bestaan uit personeelsgerelateerde kosten (reis- en verblijfskosten, opleidingskosten) 27%, bureaukosten 16%, huisvestingskosten 32%, automatiseringsuitgaven 5% en overige kosten (waaronder diensten derden) 9%. Onder de materiële kosten vallen ook de (additionele) uitvoeringskosten voor opdrachten van het moederdepartement en voor opdrachten voor tweeden en derden, 11%.
De rentelasten vloeien voort uit de financiering van de investeringen van DLG via de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën. De gehanteerde rentepercentages zijn:
3 jaar: 2,52%
4 jaar: 2,64%
7 jaar: 3,00%
De afschrijvingskosten hebben betrekking op materiële en immateriële vaste activa. De afschrijvingskosten volgen uit de boekwaarde van de activa en uit het investeringsprogramma van DLG. De afschrijvingen vinden lineair plaats met een afschrijvingstermijn van 3 tot 7 jaar.
Onder de materiële activa vallen onder andere kantoorverbouwingen en kantoorinventaris, beide met een afschrijvingstermijn van 7 jaar, en computerhardware met een afschrijvingstermijn van 4 jaar. De immateriële vaste activa betreffen voor het grootste deel software uit eigen ontwikkeling met een afschrijvingstermijn van 4 jaar en daarnaast uit softwarelicenties die in 3 jaar worden afgeschreven. Deze software is door extern personeel ontwikkeld.
Dotaties aan voorzieningen: als dotaties aan voorzieningen zijn opgenomen: dubieuze debiteuren.
De verborgen lasten betreffen huisvestingskosten, voor zover deze kosten en opbrengsten niet via de rekening van DLG lopen.
Het saldo van baten en lasten is nul.
| Bedragen x € 1 000 | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 realisatie | 2006 prognose | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | ||
| 1. | Rekeningcourant RIC 1 januari | 7 985 | 11 791 | 11 791 | 11 791 | 11 791 | 11 791 | 11 791 |
| 2. | Totaal operationele kasstroom | 3 639 | 5 206 | 8 153 | 9 640 | 9 527 | 9 131 | 8 549 |
| 3a. -/- | totaal investeringen | – 3 996 | – 16 475 | – 16 095 | – 5 800 | – 3 300 | – 9 163 | – 9 163 |
| 3b. + | totaal boekwaarde desinvesteringen | 1 185 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 3. | Totaal investeringskasstroom | – 2 811 | – 16 475 | – 16 095 | – 5 800 | – 3 300 | – 9 163 | – 9 163 |
| 4a. -/- | uitkering aan moederdepartement | – 546 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 4b. + | storting door moederdepartement | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 4c. -/- | aflossingen op leningen | – 2 538 | – 5 206 | – 8 153 | – 9 640 | – 9 527 | – 9 131 | – 8 549 |
| 4d. + | beroep op leenfaciliteit | 6 062 | 16 475 | 16 095 | 5 800 | 3 300 | 9 163 | 9 163 |
| 4. | Totaal financieringskasstroom | 2 978 | 11 269 | 7 942 | – 3 840 | – 6 227 | 32 | 614 |
| 5. | Rekeningcourant RIC 31 december (incl. deposito) | 11 791 | 11 791 | 11 791 | 11 791 | 11 791 | 11 791 | 11 791 |
De stijging van de operationele kasstroom (vanaf 2006) wordt met name veroorzaakt door stijging van de afschrijvingskosten als gevolg van investeringen.
De investeringen betreffen vervangingsinvesteringen van bestaande materiële en immateriële vaste activa. Het bedrag voor 2007 is als volgt opgebouwd:
– Verbouwingen € 4,58 mln
– Hard- en software, inventaris, overige materiële vaste activa € 3,52 mln
– Immateriële vaste activa (software uit eigen ontwikkeling) € 8,00 mln
De prestaties die DLG levert worden gevormd door het aantal directe uren per product/dienst waartoe DLG een opdracht heeft verkregen en de daarmee bereikte resultaten.
| Uren en % van totaal uren | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Producten | Realisatie 2005 | Raming 2006 | Raming 2007 | |||
| Verwerving grond | 116 259 | 12% | 117 078 | 12% | 118 230 | 11% |
| Vervreemding grond | 19 245 | 2% | 19 513 | 2% | 37 574 | 3% |
| Exploitatie grond | 18 217 | 2% | 19 513 | 2% | 22 358 | 2% |
| Planvorming | 111 605 | 11% | 107 321 | 11% | 119 270 | 11% |
| Planuitvoering | 408 924 | 42% | 370 746 | 38% | 532 575 | 48% |
| Adviezen aanvragen | 66 869 | 7% | 48 782 | 5% | 68 661 | 6% |
| Uitvoering subsidieregelingen | 92 339 | 9% | 78 052 | 8% | 108 945 | 10% |
| Advisering algemeen en beleid | 125 405 | 13% | 146 347 | 15% | 81 812 | 7% |
| Informatieverstrekking | 25 846 | 3% | 68 295 | 7% | 17 291 | 2% |
| Totaal | 984 709 | 100% | 975 648 | 100% | 1 106 716 | 100% |
| Aantallen | ||||
|---|---|---|---|---|
| Producten | Prestatie | Realisatie 2005 | Raming 2006 | Raming 2007 |
| Verwerving grond | Ha verworven | 8 800 | 6 414 | 6 500 |
| Vervreemding grond | Ha vervreemd | 6 500 | 5 553 | 8 000 |
| Exploitatie grond | Ha gemiddeld in bezit | 43 700 | 41 740 | 42000 |
| Planvorming | Ha onderhanden | 283 910 | 348 469 | 380 000 |
| Planuitvoering | Ha onderhanden | 638 762 | 562 059 | 700 000 |
| Adviezen aanvragen | Geleverde adviezen aanvragen | 5 750 | 6 797 | 7 000 |
| Advisering algemeen en beleid | Schriftelijke Adviesopdrachten 1e, 2e en 3e | 232 | 146 | 100 |
| Informatieverstrekking | N.v.t. | |||
De cijfers geven het resultaat van de realisatie over 2005 alsmede een raming van de indicatoren over 2006 en 2007. De prestatie-indicatoren geven een beeld van wat DLG realiseert met de inzet van uren op de verschillende producten van DLG. Daar de inzet van aantallen uren per product niet geheel door DLG is te beïnvloeden maar deze wel een directe relatie hebben met de daar tegenover staande prestaties, is DLG niet af te rekenen op verschuivingen in prestaties.
De cijfers m.b.t. grond hebben betrekking op opdrachten eersten, tweeden en derden en zijn excl. toedeling en inbreng van het Bureau Beheer Landbouwgronden in landinrichtingsprojecten.
Projecten die DLG uitvoert dragen veelal bij aan realisatie van meerdere beleidsartikelen. Producten zijn daarom niet rechtstreeks aan één artikel te koppelen.
| Doelmatigheidsindicatoren | realisatie 2005 | raming 2006 | raming 2007 |
| Gem. aantal direct productieve uren per fte werkzaam in de projecten | 1 150 | 1 160 | 1 170 |
| Verhouding tussen directe en indirecte uren | 67%/33% | 65,4%/34,6% | 66%/34% |
| Verhouding tussen directe en indirecte uren waarbij fin toeslag is toegerekend aan dir uren | 70%/30% | 69%/31% | 69%/31% |
| Gemiddelde prijs per uur (LNV tarief) | € 86,33 | € 89,29 | 88,84 |
Plantenziektenkundige Dienst (PD)
De Plantenziektenkundige Dienst (PD) ondergaat in 2007 een verandering. De dienst draagt het grootste deel van de uitvoeringsinspecties op het gebied van weren en vrijwaren over aan de keuringsdiensten. Het hoofdaccent van de PD komt daarmee te liggen bij toezicht-op-toezicht.
In deze hoedanigheid draagt de dienst bij aan de volgende beleidsdoelen:
• Het voorkomen dat ziekten en plagen en ongewenste planten binnen Nederland en over de wereld worden verspreid (weren en vrijwaren);
• De bevordering van een duurzame beheersing van ziekten en plagen (monitoren, beheersen en bestrijden);
• Borgen van de kwaliteit van uitbestede taken (operationele sturing en operationeel toezicht);
• Het behoud en ontwikkeling van kennis op het gebied van plantgezondheid.
De PD realiseert deze beleidsdoelen door:
• Advisering, vertegenwoordiging en beleidsimplementatie op gebied van fytosanitair en natuur beleid in opdracht van LNV;
• Kennis- en methodenontwikkeling binnen het werkveld plantgezondheid;
• Uitvoering van wettelijke taken (o.a. inspecties, certificaten, operationeel toezicht, diagnoses en beschikkingen);
• Kaderstellend referentielaboratorium op het gebied van fytosanitaire diagnostiek.
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2007
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Baten | |||||||
| opbrengst moederdepartement | 14 400 | 15 850 | 14 787 | 14 713 | 14 715 | 14 714 | 14 710 |
| opbrengst overige departementen | |||||||
| opbrengst derden | 15 183 | 14 700 | 2 150 | 2 150 | 2 150 | 2 150 | 2 150 |
| rentebaten | 44 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| buitengewone baten | 381 | – | – | – | – | – | – |
| Bijzondere baten | 4 | – | – | – | – | – | – |
| exploitatiebijdrage | |||||||
| Totale baten | 30 012 | 30 600 | 16 987 | 16 913 | 16 915 | 16 914 | 16 910 |
| Lasten | |||||||
| apparaatskosten | |||||||
| * personele kosten | 18 284 | 19 389 | 8 877 | 8 728 | 8 730 | 8 729 | 8 725 |
| * materiele kosten | 11 457 | 9 900 | 6 800 | 6 875 | 6 875 | 6 875 | 6 875 |
| rentelasten | 202 | 150 | 280 | 280 | 280 | 280 | 280 |
| afschrijvingskosten | |||||||
| * materieel | 650 | 570 | 600 | 600 | 600 | 600 | 600 |
| * immaterieel | 444 | 450 | 400 | 400 | 400 | 400 | 400 |
| dotaties voorzieningen | 134 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |
| Bijzondere lasten | 39 | – | – | – | – | – | – |
| Totale lasten | 31 210 | 30 489 | 16 987 | 16 913 | 16 915 | 16 914 | 16 910 |
| Saldo van baten en lasten | – 1 198 | 111 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
De opbrengst van het moederdepartement bedraagt € 14,8 mln. Dit betreft een vergoeding voor de uitvoering van wettelijke taken, advies, vertegenwoordiging, beleidsimplementatie en kennis en methodenontwikkeling.
| Omschrijvingen (x € 1 000) | Bedragen |
| Inspecties | 2 641 |
| Audits | 654 |
| Diagnoses en adviezen | 2 196 |
| Adviezen derden en overige overheden | 2 585 |
| Beschikkingen | 101 |
| Implementatie | 4 063 |
| Kennis | 2 547 |
| Totaal | 14 787 |
De opbrengsten derden hebben betrekking op uitvoering van wettelijke taken en opdrachten derden.
| Omschrijvingen | Bedragen |
| Inspecties | 200 |
| Audits | 200 |
| Diagnoses en adviezen | 500 |
| Adviezen derden en overige overheden | 1 000 |
| Beschikkingen | 250 |
| Totaal | 2 150 |
De personeelkosten van € 8,9 mln. zijn gebaseerd op een formatie van 169 fte in 2007 en 168 fte in de jaren daarna. De gemiddelde kosten per fte (ambtelijk personeel) bedragen € 49 000.
De materiële kosten bedragen € 6,8 mln. Deze kosten bestaan onder andere uit de huisvestingskosten (huur RGD, onderhoud, gas, water en licht, circa 42%) en het onderhoud aan ICT-systemen (circa 23%).
De rentelasten hebben met name betrekking op leningen, waarbij van de Regeling Leen- en depositofaciliteit is gebruik gemaakt. De rentepercentages zijn afhankelijk van de looptijd van de leningen en varieert van 2,52% tot 5,55%.
De afschrijvingskosten bedragen € 1,0 mln. De afschrijvingskosten zijn uitgeplitst naar materiële en immateriële afschrijvingen. De gehanteerde afschrijvingstermijn voor automatiseringsapparatuur en datacommunicatie bedraagt 3 jaar. De gebruikte afschrijvingstermijn voor investeringen in inventaris, installaties laboratorium en telecommunicatie is 5 jaar en afschrijvingen op inventaris is 10 jaar.
De dotatie voorzieningen betreffen dotaties assurantie eigen risico en dubieuze debiteuren.
Het saldo van baten en lasten is nihil.
| Bedragen x € 1 000 | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | ||
| 1. | Rekeningcourant RHB 1 januari (incl. deposito) | 1 989 | 892 | 973 | 793 | 613 | 433 | 253 |
| 2. | Totaal operationele kasstroom | 623 | 1 151 | 1 020 | 1 020 | 1 020 | 1 020 | 1 020 |
| 3a. -/- | totaal investeringen | – 951 | – 2 000 | – 2 000 | – 2 000 | – 2 000 | – 2 000 | – 2 000 |
| 3b. +/+ | totaal boekwaarde desinvesteringen | – | – | |||||
| 3. | Totaal investeringskasstroom | – 951 | – 2 000 | – 2 000 | – 2 000 | – 2 000 | – 2 000 | – 2 000 |
| 4a. -/- | eenmalige uitkering aan moederdepartement | – | – | – | – | – | – | – |
| 4b. +/+ | eenmalige storting door moederdepartement | – | 130 | – | – | – | – | – |
| 4c. -/- | aflossingen op leningen | – 1 069 | – 1 200 | – 1 200 | – 1 200 | – 1 200 | – 1 200 | – 1 200 |
| 4d. + | beroep op leenfaciliteit | 300 | 2 000 | 2 000 | 2 000 | 2 000 | 2 000 | 2 000 |
| 4. | Totaal financieringskasstroom | – 769 | 930 | 800 | 800 | 800 | 800 | 800 |
| 5. | Rekeningcourant RHB 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4) | 892 | 973 | 793 | 613 | 433 | 253 | 73 |
De investeringen hebben betrekking op het ontwikkelen en aanpassen van hardware, zodat onder andere wordt voldaan aan de uitkomsten van de instellingseisen baten-lastendiensten.
| 2007 | |
| Inspecties | 28 490 |
| Audits | 8 418 |
| Diagnoses | 23 958 |
| Beschikkingen | 6 475 |
| Implementatie | 39 886 |
| Advies | 34 059 |
| Kennis | 24 994 |
Alle prestaties zijn vermeld in uren. In het kader van de implementatie van PlantKeur kunnen in de bovenstaande categorieën nog wijzigingen optreden.
| 2005 | 2006 | 2007 | |
| 1a. Bezetting (fte) | 339 | 389 | 168 |
| 2a. Productiviteit PD | 48% | 52% | 60% |
| 3a. Facturabiliteit PD | pm | 92% | 90% |
| 4. Verhouding vast-inhuur | 88,4% | 80% | |
| 5. Verzuimpercentage | 5,59% | < 4,7% | < 4,7% |
| 6. Meldingsfrequentie | 1,75 | < 1,5 | < 1,5 |
| 7. Verzuimduur | 8,06 | < 15,04 | < 15,04 |
| 8. % P4 gesprekken | 68% | 100% | 100% |
| 2005 | 2006 | 2007 | |
| 1a Weren | 1,46% | 0,88% | 0,88% |
| 2b Monitoren | 0,57% | 1% | 1% |
| 3c Vrijwaren | 0,04% | 1% | 1% |
| 4d Notificaties (inkomend) | 0,47% | 1% | 1% |
| 5 Aantal Quick scans | 55 | 76 | 76 |
| 6f Aantal PRA’s | 3 | 5 | 5 |
| 7 Tijdigheid opgelegde maatregel | 8,8 dgn | pm | 8 dgn |
| 2005 | 2006 | 2007 | |
| 1 Expertbijdragen | 207 | 150 | 150 |
| 2 Publicaties | 25 | 25 | 25 |
| 3 Eliminatiescenario’s | – | 34 | 34 |
| 4 Diagnostische protocollen | – | 23 | 23 |
| 2005 | 2006 | 2007 | |
| 1 Bezwaar | 20 | 16 | 16 |
| 2 Klachten | 17 | 8 | 8 |
| 3 Klanttevredenheid/Klachten product advies | 4 | >3,5 | >3,5 |
| 4 Doorlooptijd | |||
| Doorlooptijd inspecties | 58 min | pm | pm |
| Doorlooptijd diagnoses | 94% | nvt | nvt |
De Dienst Regelingen (DR) is sedert 1 januari 2006 een baten-lastendienst van het Ministerie van LNV. DR heeft als ambitie om overheidsregelingen uit te voeren op een servicegerichte, transparante en toegankelijke wijze voor zowel de opdrachtgevers als de doelgroepen. Daartoe wordt hard gewerkt aan het transparanter maken van uitvoeringsprocessen en aan de communicatie met de sector.
Op termijn is het streven door middel van actieve acquisitie te komen tot 15 à 20% overheids-opdrachtgevers buiten LNV. DR streeft er naar partner in beleid voor opdrachtgevers te zijn, onder meer door het werken met uitvoeringsscenario’s waardoor kennis van de uitvoering wordt ingebracht in het beleidstraject.
Een belangrijke ambitie van DR is om uit te groeien tot het Europese Betaalorgaan van de overheid. DR is benoemd tot Certificerende Autoriteit voor de Structuurfondsen ESF en EFRO (de financiële gevolgen hiervan zijn nog niet verwerkt in deze begroting). Daarnaast wordt de Europese betaalfunctie overgenomen van de productschappen. De belangrijkste opdrachtgever van DR blijft het Ministerie van LNV. Naast enkele andere uitvoerende organisaties van LNV, zoals DLG en de AID, is de DR «huisuitvoerder» van LNV regelingen. De werkvelden waarop DR in opdracht van LNV werkzaam is, zijn onder meer:
• De uitvoering van EU-regelingen, verordeningen en verplichtingen;
• Identificatie en Registratie van dieren, relaties en bedrijven;
• Vergunningen en ontheffingen voor het landelijk gebied;
• Subsidieregelingen en financieringsregelingen;
• Het plattelandsontwikkelingsbeleid;
• Het mestbeleid;
• Facilitaire ondersteuning bij crisisbestrijding.
Het gaat hierbij enerzijds om het uitvoeren van subsidieregelingen (bijvoorbeeld: Bedrijfstoeslagregeling), waarbij de subsidieverkrijger «voordeel» heeft bij de uitvoering. Anderzijds gaat het om het uitvoeren van «regulerende regelingen» (bijvoorbeeld het mestbeleid, dat gericht is op het bereiken van milieudoelstellingen). Doelgroepen zijn enerzijds agrarische ondernemers, anderzijds organisaties als bijvoorbeeld natuurbeschermingsorganisaties.
Het takenpakket van DR is aan aanzienlijke wijzigingen onderhevig. Dit wordt niet alleen veroorzaakt door de genoemde ontwikkelingen op het gebied van Europees Betaalorgaan. Het in 2006 in exploitatie genomen Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en het Nieuw Mestbeleid (NMB) heeft met name in 2007 gevolgen voor de omvang van het productenpakket. Een groot aantal oude regelingen komt met de invoering van deze twee belangrijke nieuwe regelingen te vervallen. Dit leidt per saldo tot een geleidelijke afbouw van het totale productenpakket.
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2007
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Baten | |||||||
| opbrengst moederdepartement | 118 248 | 147 179 | 127 233 | 108 292 | 105 014 | 105 513 | 106 881 |
| opbrengst overige departementen | 1 174 | 2000 | 587 | 1 659 | 1 659 | 1 659 | 1 659 |
| opbrengst derden | 21 615 | 15 750 | 10 784 | 10 048 | 10 048 | 10 048 | 10 048 |
| rentebaten | 868 | 600 | 600 | 600 | 600 | 600 | 600 |
| buitengewone baten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| exploitatiebijdrage | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totale baten | 141 905 | 165 529 | 139 204 | 120 599 | 117 321 | 117 820 | 119 188 |
| Lasten | |||||||
| apparaatskosten | |||||||
| * personele kosten | 67 813 | 86 063 | 73 095 | 61 230 | 58 357 | 60 251 | 62 018 |
| * materiële kosten | 62 091 | 63 276 | 48 730 | 40 821 | 38 904 | 40 167 | 41 346 |
| rentelasten | 659 | 934 | 1 137 | 1 137 | 1 137 | 1 137 | 1 137 |
| afschrijvingskosten | |||||||
| * materieel | 3 913 | 2 459 | 934 | 681 | 643 | 532 | 539 |
| * immaterieel | 4 966 | 12 797 | 15 308 | 16 730 | 18 280 | 15 733 | 14 148 |
| dotaties voorzieningen | 965 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| buitengewone lasten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totale lasten | 140 407 | 165 529 | 139 204 | 120 599 | 117 321 | 117 820 | 119 188 |
| Saldo van baten en lasten | 1 498 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
De opbrengst moederdepartement betreft het budget ter uitvoering van LNV-opdrachten. In 2006 was sprake van een piek waarin zowel oude regelingen (Mac Sharry regelingen en oud Mestbeleid) nog werden uitgevoerd, maar tegelijkertijd nieuwe producten (GLB en NMB) in exploitatie zijn genomen. Vanaf 2007 is de opbrengst moederdepartement lager als gevolg van een afname in uitvoeringskosten voor GLB en NMB en de afbouw van de oude regelingen. In deze reeks zijn nog niet de gevolgen van de ontwikkelingen op het gebied van Europees Betaalorgaan verwerkt.
De opbrengst overige departementen hebben betrekking op de uitvoering van regelingen in opdracht van de Ministeries van VROM en BZK. Met name de crisisregelingen bij BZK zijn wat teruggelopen.
De opbrengst derden betreffen onder meer de opbrengsten uit hoofde van I&R activiteiten, Grondkamers, opdrachten voor gemeenten en overige opdrachtgevers.
De rentebaten hebben betrekking op de rentevergoeding over het saldo van de rekening-courant en deposito’s bij het Ministerie van Financiën.
De personele kosten hebben betrekking op de salariskosten van zowel de vaste als tijdelijke formatie. Het aantal ambtelijk personeel komt uit op ca. 1 300 fte’s.
De materiële kosten hebben betrekking op huisvestingskosten (huurkosten, schoonmaak onderhoud installaties, energiekosten etc.), automatiseringskosten, logistieke kosten, diensten derden en overig personeelsgebonden kosten (opleiding, reis- en verblijfkosten e.d.).
De rentelasten hebben betrekking op de financiering van de vaste activa d.m.v. leningen bij het Ministerie van Financiën.
De afschrijvingskosten bedragen € 16,2 mln. en hebben betrekking op de materiële en immateriële vaste activa. De afschrijvingen vinden lineair plaats en zijn gebaseerd op de historische aanschafwaarde met de volgende afschrijvingstermijnen:
Verbouwingen 10 jaar
Kantoorinventaris 7 jaar
Hardware en software 4 jaar
(Kantoor)machines en installaties 7 jaar
Transportmiddelen 5 jaar
Verbouwingen, kantoorinvantaris, (kantoor)machines en installaties, hardware en transportmiddelen vallen onder de materiële vaste activa. De immateriële vaste activa betreft met name de ICT-systemen die voor de uitvoering van de regelingen benodigd is. De afschrijvingen op materiële vaste activa lopen terug, omdat de ICT niet meer zelf door DR wordt aangeschaft, maar door de Dienst ICT-Uitvoering binnen LNV. De afschrijvingen op immateriële vaste activa nemen sterk toe als gevolg van de grote investeringen voor de uitvoering van het GLB en het NMB.
Het begrote saldo van baten en lasten is nul.
| Bedragen x € 1 000 | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 realisatie | 2006 prognose | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | ||
| 1. | Rekeningcourant RHB 1 januari (incl. deposito) | 26 846 | 36 975 | 33 226 | 32 633 | 33 481 | 34 459 | 33 240 |
| 2. | Totaal operationele kasstroom | 17 491 | 7 256 | 14 242 | 15 411 | 16 923 | 14 265 | 12 687 |
| 3a. -/- | totaal investeringen | – 20 690 | – 20 000 | – 12 400 | – 11 900 | – 17 651 | – 15 000 | – 15 000 |
| 3b. + | totaal boekwaarde desinvesteringen | 180 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 3. | Totaal investeringskasstroom | – 20 510 | – 20 000 | – 12 400 | – 11 900 | – 17 651 | – 15 000 | – 15 000 |
| 4a. -/- | eenmalige uitkering aan moederdepartement | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 4b. + | eenmalige storting door moederdepartement | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 4c. -/- | aflossingen op leningen | – 6 267 | – 11 005 | – 14 835 | – 14 563 | – 15 945 | – 15 484 | – 14 257 |
| 4d. + | beroep op leenfaciliteit | 19 415 | 20 000 | 12 400 | 11 900 | 17 651 | 15 000 | 15 000 |
| 4. | Totaal financieringskasstroom | 13 148 | 8 995 | – 2 435 | – 2 663 | 1 706 | – 484 | 743 |
| 5. | Rekeningcourant RHB 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4) (maximale roodstand 0,5 mln.euro) | 36 975 | 33 226 | 32 633 | 33 481 | 34 459 | 33 240 | 31 670 |
De operationele kasstroom bestaat uit het saldo baten en lasten, de afschrijvingen en de mutaties werkkapitaal.
| Artikel | Beleidsartikel (aantal regelingen) | Aantal prestaties (uitvoering) | Integrale kosten(in € x mln.) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2006 | 2007 | 2008 | 2006 | 2007 | 2008 | ||
| Art. 21 Duurzaam ondernemen | Inputgestuurd | 38 | 10 | 10 | 9,0 | 11,6 | 7,7 | |||
| Outputgestuurd | 61 | 72 | 66 | 619 772 | 401 956 | 384 227 | 117,4 | 94,8 | 79,2 | |
| Subtotaal art. 21 | 99 | 82 | 76 | 619 772 | 401 956 | 384 227 | 126,4 | 106,4 | 86,9 | |
| Art. 23 Natuur | Inputgestuurd | 3 | 1 | 1 | – 0,2 | 0,0 | – 0,7 | |||
| Outputgestuurd | 12 | 23 | 23 | 47 099 | 48 672 | 48 672 | 17,8 | 17,9 | 19,2 | |
| Subtotaal art. 23 | 15 | 24 | 24 | 47 099 | 48 672 | 48 672 | 17,7 | 18,0 | 18,6 | |
| Art. 24 Landschap en recreatie | Inputgestuurd | 5 | 4 | 4 | – | – 0,2 | – 0,0 | |||
| Outputgestuurd | 18 | 33 | 33 | 12 738 | 11 298 | 11 298 | 0,7 | 0,9 | 0,7 | |
| Subtotaal art. 24 | 23 | 37 | 37 | 12 738 | 11 298 | 11 298 | 0,7 | 0,7 | 0,7 | |
| Art. 25 Voedselkwaliteit en diergezondheid | Inputgestuurd | 12 | 10 | 10 | 0,6 | 0,5 | 0,8 | |||
| Outputgestuurd | 5 | 14 | 14 | 2 545 | 957 | 957 | 1,0 | 1,0 | 0,8 | |
| Subtotaal art. 25 | 17 | 24 | 24 | 2 545 | 957 | 957 | 1,6 | 1,6 | 1,6 | |
| Art. 26 Kennis en Innovatie | Inputgestuurd | 12 | 2 | 2 | 0,3 | – 0,0 | – 0,0 | |||
| Outputgestuurd | 5 | 12 | 12 | 1 125 | 1 458 | 1 458 | 0,4 | 0,6 | 0,6 | |
| Subtotaal art. 26 | 17 | 14 | 14 | 1 125 | 1 458 | 1 458 | 0,7 | 0,6 | 0,6 | |
| Eindtotaal | 171 | 181 | 175 | 683 279 | 464 341 | 446 612 | 147,1 | 127,2 | 108,3 | |
DR maakt in het prestatieoverzicht onderscheid tussen regelingen die inputgestuurd en outputgestuurd zijn, om zo de relatie tussen uitvoeringskosten en prestaties inzichtelijk te houden. Onder outputgestuurde regelingen wordt verstaan regelingen waaraan prestaties kunnen worden gekoppeld (bijv. aantal aanvragen of aantal vergunningen). Bij inputgestuurde regelingen (zoals het in stand houden van een virtuele crisisorganisatie) is dat niet het geval.
Het aantal prestaties neemt, in lijn met de uitvoeringskosten, in 2007 af. Vooral de afbouw van de regelingen die worden vervangen door de Bedrijfstoeslagregeling (BTR), en de afbouw van het Oud Mestbeleid, dragen hieraan bij.
In het agentschapstraject zijn formeel een aantal doelmatigheidsindicatoren vastgesteld voor begroting en verantwoording. Hieronder worden deze weergegeven.
In de nulmeting kwaliteitsindicatoren is een aantal normen voor 2006 voorgesteld richting de Tweede Kamer. Deze normen worden overgenomen in de doelmatigheidsindicatoren 2007.
DR besteedt aandacht aan het verbeteren van het bezwaar- en beroeptraject. Tegelijkertijd wordt hiermee energie gestoken in het terugdringen van het aantal gegrondverklaringen. DR verwacht in 2007 35% van de bezwaren gegrond te zullen verklaren, waarvan slechts 3% als gevolg van onjuist handelen van DR mag zijn.
Een risico dat zich in 2007 voordoet is dat vanuit de vaststelling van de initiële rechten (GLB/BTR) het aantal bezwaren toeneemt en hierdoor ook het aantal bezwaren dat gegrond wordt verklaard kan toenemen.
| Omschrijving/jaar | 2005 | 2006 | 2007 |
| Percentage gegrond | 53% | 35% | 35% |
In voorgaande jaren heeft DR het tarief constant weten te houden, ondanks de inflatie. In het tarief voor 2007 is een stijging in verband met gestegen kosten noodzakelijk.
| Omschrijving/jaar | 2005 | 2006 | 2007 |
| Uurtarief | 57,38 | 57,38 | 58,35 |
DR blijft veel waarde hechten aan de tevredenheid van de doelgroep en stelt zichzelf als doel in 2007 opnieuw een verbetering in de relatie met de klant te bewerkstelligen. Dit wordt gemeten door een klanttevredenheidsonderzoek.
| Omschrijving/jaar | 2005 | 2006 | 2007 |
| Score | 6,2 | 7,0 | 7,0 |
De productiviteit van de ambtelijke medewerkers zegt iets over de doelmatigheid van bedrijfsvoering: hoe efficiënt is de dienst, gegeven de inzet van ambtelijk personeel, in het realiseren van haar doelstellingen en de uitvoering van haar productenpakket? Directe uren buiten jaarplan en indirecte (productieve) uren worden meegenomen. Uren voor ziekte en verlof worden buiten beschouwing gelaten. Hoe hoger dit percentage, hoe efficiënter het omzettingsproces beschikbare uren naar productieve uren. Dit heeft een kostenverlagend effect.
| Omschrijving/jaar | 2005 | 2006 | 2007 |
| Percentage | 79,2% | 76,5% | 76,5% |
Een van de indicatoren die een groot effect heeft op de tevredenheid van de doelgroepen is de telefonische bereikbaarheid. De doelstelling voor 2007 is om 70% van de gesprekken binnen 20 seconden te beantwoorden.
| Omschrijving/jaar | 2005 | 2006 | 2007 |
| Telefonische bereikbaarheid | 88% | 70% binnen 20 seconden | 70% binnen 20 seconden |
De ontvangen klachten zijn divers en variëren van te lange doorlooptijden en onjuiste registraties tot regelgeving en het beleid van LNV. De afwijking ten opzichte van 2005 komt doordat DR in 2006 volgens een nieuwe klachtenprocedure werkt waarbij klachten beter worden geregistreerd. Daarnaast worden brieven uit klantvriendelijke overwegingen eerder als formele klachtbrief aangemerkt en met de daarbij behorende procedure afgehandeld. DR stelt zichzelf als doel in 2007 minder dan 50 formele klachten te ontvangen.
| Omschrijving/jaar | 2005 | 2006 | 2007 |
| Aantal ontvangen formele klachtenbrieven | 19 | 50 | < 50 |
Aantal incidenten met betrekking tot DR
Door middel van kwartaalrapportages en overige communicatie richting bijvoorbeeld de Tweede Kamer wil DR het aantal incidenten met betrekking tot de uitvoeringsaspecten van de diverse regelingen zo veel mogelijk beperken.
| Omschrijving/jaar | 2005 | 2006 | 2007 |
| Aantal incidenten waarover gesproken wordt dat te maken heeft met DR | beperkt | beperkt | beperkt |
Uit een evaluatie van de praktijkpanels, waarbij ook een enquête onder deelnemers is gehouden, blijkt dat het voor 82% van de deelnemers goed duidelijk is wat er met de uitkomsten wordt gedaan. De oorspronkelijke indicator betrof het aantal regelingen waarbij praktijkpanels werden ingezet. Deze iets gewijzigde indicator geeft beter het effect weer van de praktijkpanels.
| Omschrijving/jaar | 2005 | 2006 | 2007 |
| Tevredenheid praktijkpanels over opvolging adviezen | voldoende | voldoende | voldoende |
Voedsel en Waren Autoriteit (VWA)
De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) werkt aan veilig en gezond voedsel, veilige producten en gezonde dieren. Daartoe brengt de VWA risico’s in beeld, beoordeelt ze, communiceert erover met, en maakt ze beheersbaar in de samenleving.
De VWA draagt bij aan het beheersen en verminderen van gezondheids- en veiligheidsrisico’s. Hiertoe bewaakt de VWA de veiligheid van voedsel, consumentenartikelen en diergezondheid in de hele productie- en handelsketen.
De VWA wil haar missie realiseren door het uitoefenen van drie kerntaken, die samen de strategische driehoek vormen:
• Toezicht op naleving van wet- en regelgeving op het gebied van voedsel, waren, diergezondheid en dierenwelzijn;
• Risicobeoordeling en onderzoek: het signaleren en analyseren van (mogelijke) bedreigingen en het uitvoeren van wetenschappelijke risicobeoordeling;
• Risicocommunicatie: het communiceren over risico’s en het beheersen en verminderen daarvan op basis van betrouwbare informatie.
De VWA ontvangt een bijdrage van het moederdepartement LNV(beleidsartikel 21 en 25) en van VWS (beleidsartikel 41).
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2007
| Bedragen x € 1 000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 realisatie | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Baten | |||||||
| opbrengst moederdepartement | 33 372 | 25 361 | 22 057 | 18 288 | 18 237 | 18 237 | 17 321 |
| opbrengst overige departementen | 80 700 | 76 718 | 73 356 | 73 356 | 73 348 | 73 348 | 73 348 |
| opbrengst DGF | 300 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| opbrengst derden | 73 381 | 56 490 | 55 750 | 55 250 | 54 750 | 54 250 | 53 750 |
| rentebaten | 217 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| overige baten | 956 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| buitengewone baten | 1 508 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| exploitatiebijdrage | 3 175 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totale baten | 193 609 | 158 669 | 151 263 | 146 994 | 146 435 | 145 935 | 144 519 |
| Lasten | |||||||
| apparaatskosten | 187 776 | 151 816 | 140 309 | 134 825 | 133 602 | 132 837 | 132 416 |
| * personele kosten | 114 587 | 104 437 | 95 122 | 91 055 | 90 764 | 90 484 | 90 210 |
| * materiele kosten | 73 189 | 47 379 | 45 187 | 43 770 | 42 838 | 42 353 | 42 206 |
| rentelasten | 1 506 | 1 072 | 1 235 | 1 259 | 1 219 | 1 145 | 888 |
| afschrijvingskosten | 6 157 | 6 218 | 8 311 | 9 877 | 10 488 | 10 302 | 10 134 |
| * materieel | 5 484 | 5 586 | 6 328 | 6 902 | 7 163 | 7 194 | 7 134 |
| * immaterieel | 674 | 632 | 1 983 | 2 975 | 3 325 | 3 108 | 3 000 |
| dotaties voorzieningen | 1 074 | 500 | 408 | 404 | 400 | 396 | 392 |
| buitengewone lasten | 61 | 0 | 1 000 | 500 | 0 | 0 | 0 |
| Totale lasten | 196 574 | 159 606 | 151 263 | 146 865 | 145 709 | 144 680 | 143 830 |
| Saldo van baten en lasten | – 2 965 | – 937 | 0 | 129 | 726 | 1 255 | 689 |
De opbrengst moederdepartement bestaat uit de middelen die LNV beschikbaar stelt voor de uitvoering van specifieke werkzaamheden zoals inspecties van diervoeder- en vleesverwerkende bedrijven, monsteronderzoeken, keuringen, de ontwikkeling van toezichtarrangementen en risicocommunicatie. Ook wordt in 2007 een éénmalige bijdrage ontvangen voor de kosten in verband met de overdracht van de roodvleeskeuring (€ 3,7 mln.).
Opbrengst overige departementen
De post opbrengsten overige departementen heeft volledig betrekking op de bijdragen van het ministerie van VWS voor de uitvoering van keuringen, monsters, inspecties, bestuurlijke boeten, productmanagement en risicocommunicatie. De bijdrage is inclusief de middelen voor RIVM-onderzoek.
De opbrengst derden bestaat vooral uit de retributie-inkomsten die bij het bedrijfsleven voor keuringen en inspecties in rekening worden gebracht (ruim € 54 mln.). Vanaf 2007 is rekening gehouden met een jaarlijkse opbrengstendaling van 1% als gevolg van een verwachte marktkrimp voor deze activiteiten.
Tevens worden vergoedingen ontvangen voor de uitvoering van ringonderzoeken, die in onderling overleg met binnenlandse en buitenlandse laboratoria worden uitgevoerd ter validatie van de gehanteerde analysemethoden van de diverse laboratoria, en het afgeven van export-certificaten (€ 1 mln.). Ten slotte is rekening gehouden met € 0,5 mln. opbrengsten uit het Diergezondheidsfonds (DGF) die verband houden met taken op het gebied van dierziektebestrijding.
De personele lasten bestaan uit salarissen, sociale lasten en overige direct aan het personeel gerelateerde kosten van 1769 fte. Voor 2007 is uitgegaan van € 53 750 per fte.
Voor de materiële kosten is uitgegaan van ca. € 21 000 per fte. Dit is inclusief reis-, verblijf- en bureaukosten, ict- en analysekosten e.d.. Voor de gebruikersvergoeding RGD is een bedrag geraamd van € 8,5 mln. De overige huisvestingskosten bedragen ruim € 4 mln. De meerjarige daling van de materiële kosten is het gevolg van de daling van het aantal fte. en van lagere kosten voor huisvesting.
Er wordt rente betaald voor de leningen en voor roodstand op de rekening courant. De rente op leningen 2007 varieert van ca. 3,47% tot 3,73%.
De materiële- en immateriële afschrijvingen zijn het gevolg van investeringen in vaste activa. Laboratoriumapparatuur, verbouwingen en inventaris worden afgeschreven in 7 jaar, auto’s in 5 jaar en soft-/hardware en immateriële activa in 3 jaar. De afschrijvingskosten stijgen door hogere investeringen in dienstauto’s en labapparatuur en vanwege het grotere aandeel van investeringen met een korte afschrijvingstermijn (ICT).
De dotatie aan de voorzieningen heeft betrekking op het debiteurenrisico. Uitgegaan wordt van 0,75% van de opbrengsten keuringen.
De reorganisatiekosten hebben betrekking op tijdelijke formatieplaatsen voor vaktechnische administratie.
Het begrote saldo van baten en lasten is nul.
| Bedragen x € 1 000 | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2005 realisatie | 2006 prognose | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | ||
| 1. | Rekeningcourant RHB 1 januari (incl. deposito) | 10 526 | 137 | 2 068 | 3 882 | 5 884 | 7 426 | 9 188 |
| 2. | Totaal operationele kasstroom | – 6 387 | 5 280 | 8 311 | 10 006 | 11 213 | 11 557 | 10 823 |
| 3a. -/- | totaal investeringen | – 3 960 | – 6 170 | – 10 380 | – 7 730 | – 7 730 | – 7 730 | – 7 730 |
| 3b. + | totaal boekwaarde desinvesteringen | 71 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 1 |
| 3. | Totaal investeringskasstroom | – 3 889 | – 6 170 | – 10 380 | – 7 730 | – 7 730 | – 7 730 | – 7 729 |
| 4a. -/- | eenmalige uitkering aan moederdepartement | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 4b. + | eenmalige storting door moederdepartement | 0 | 2 217 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 4c. -/- | aflossingen op leningen | – 3 307 | – 5 566 | – 6 497 | – 8 004 | – 9 671 | – 9 795 | – 8 832 |
| 4d. + | beroep op leenfaciliteit | 3 195 | 6 170 | 10 380 | 7 730 | 7 730 | 7 730 | 7 730 |
| 4. | Totaal financieringskasstroom | – 112 | 2 821 | 3 883 | – 274 | – 1 941 | – 2 065 | – 1 102 |
| 5. | Rekeningcourant RHB 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4) (maximale roodstand 0,5 mln.euro) | 137 | 2 068 | 3 882 | 5 884 | 7 426 | 9 188 | 11 180 |
De operationele kasstroom bestaat uit het saldo baten en lasten, de afschrijvingen en de mutaties werkkapitaal.
De investeringen bestaan uit labapparatuur (€ 2,5 mln.), dienstauto’s (€ 2 mln.), ICT-gerelateerde uitgaven (€ 5,6 mln.) en inventaris (€ 0,2 mln.). Voor de financiering van de investeringen zal een beroep worden gedaan op de leenfaciliteit.
De stijging van de investeringskasstroom in 2007 (en het beroep op de leenfaciliteit) ten opzichte van 2006 houdt verband met het activeren van ICT-kosten en de aanschaf van dienstauto’s en laboratoriumapparatuur.
Telefonische bereikbaarheid van de VWA
Ten aanzien van de bereikbaarheid van het melden van klachten in het kader van product- en voedselveiligheid (meldkamer) is het beleid van de VWA een bereikbaarheid van 24 uur per dag 7 dagen per week. Voor de bereikbaarheid van de regiokantoren ten behoeve van het aanvragen van keuringen is het beleid om bereikbaar te zijn tijdens kantooruren. De kantooruren voor de VWA zijn van 8.00 uur tot 17.00 uur van maandag tot en met vrijdag behalve op nationale feestdagen.
Deze indicator heeft betrekking op de uitvoering van het beleid door VWA medewerkers (inclusief facturering). Het beleid zelf is vastgesteld door de beide opdrachtgevers, de ministeries van LNV en VWS. In de onderstaande tabel staat behalve het absolute aantal klachten ook het relatieve belang ervan weergegeven in de kolom %. Dit percentage is berekend door het aantal klachten te delen door het aantal inspecties respectievelijk monsteranalyses en -voor de keuringen- door het aantal uren.
| werkzaamheden | streefwaarde 2007 | raming 2006 | realisatie 2005 | |
|---|---|---|---|---|
| % | % | aantal | % | |
| inspecties | 0.07 | 0.07 | 102 | 0.07 |
| monsteranalyses | 0.06 | 0.06 | 80 | 0.06 |
| keuringen | 0.02 | 0.02 | 215 | 0.02 |
Afhandelsnelheid informatieverzoeken en klachten/incidentmeldingen
Het streven is dat de informatieverzoeken en klachten/incidentmeldingen die bij de meldkamer van de VWA binnenkomen binnen 6 weken worden afgehandeld. Voor een deel van deze verzoeken kan de behandeltermijn van 6 weken vaak niet worden gehaald, omdat het handhavingstraject langer is.
| streefwaarde 2007 | |
| totale hoeveelheid verzoeken en klachten/meldingen | 40 000 |
| waarvan klachten over voedsel, producten en dieren | 6 500 |
| percentage behandeling verzoeken, klachten/meldingen < 6 weken | 90% |
Met betrekking tot de naamsbekendheid van de VWA wordt een onderscheid gemaakt tussen spontane en geholpen naamsbekendheid. Op middellange termijn wordt gestreefd naar een spontane naamsbekendheid van 25% en van een geholpen naamsbekendheid van 50%.
| streefwaarde 2007 | raming 2006 | realisatie 2005 | |
|---|---|---|---|
| spontaan | 10% | 5% | 3.4% |
| geholpen | 50% | 35% | 28.9% |
| totaal | 60% | 40% | 32.3% |
Gevoel van product- en voedselveiligheid
Algemene doelstelling is dat het gevoel van veiligheid niet achteruit gaat.
De indicator voedselveiligheid heeft betrekking op het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedingsmiddelen (consumentenmonitor). De indicator heeft een schaal van 1 (helemaal niet mee eens) tot 5 (helemaal mee eens). De VWA meet de onderstaande drie stellingen.
M.b.t. productveiligheid zal in 2007 worden gestart met de meting van het consumentenvertrouwen.
| voedselveiligheid | streefwaarde 2007 | raming 2006 | realisatie 2005 |
| Voedingsmiddelen worden steeds veiliger | 3.4 | 3.4 | 3.41 |
| Ik maak me zorgen over de veiligheid van voedingsmiddelen | 2.7 | 2.7 | 2.72 |
| Ik voel me onbehaaglijk over de veiligheid van voedingsmiddelen | 2.5 | 2.5 | 2.55 |
In dit hoofdstuk is de artikelsgewijze toelichting opgenomen van de mutaties die hebben plaatsgevonden vanaf de stand ontwerpbegroting 2006.
Beleidsartikel 21 Duurzaam ondernemen
| A. Opbouw uitgaven beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 292 207 | 246 191 | 214 341 | 201 668 | 196 199 | |
| Mutatie NvW 2006 | ||||||
| Mutatie amendement 2006 | ||||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | 124 295 | 6 533 | 10 598 | 8 446 | 2 446 | |
| Nieuwe mutaties: | ||||||
| 1. Energietansitie Glastuinbouw | 35 000 | 35 000 | 35 000 | |||
| 2. POP2 | 7 000 | 7 000 | 7 000 | |||
| 3. Intensieve veehouderij | 4 500 | 4 500 | 4 500 | 4 500 | ||
| 4. Stidug-projecten ILG | – 1 000 | – 9 000 | – 8 000 | – 7 400 | ||
| 5. Verduurzaming visserijsector | 7 000 | 7 000 | 7 000 | 7 000 | ||
| Overig | 4 503 | 3 348 | – 359 | – 1 830 | 1 323 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 421 005 | 301 572 | 269 080 | 253 784 | 211 068 | 202 667 |
1. Energietransitie Glastuinbouw
Voor innovatieve projecten gericht op ondersteuning van de glastuinbouw in de overgang naar minder gebruik van fossiele brandstoffen worden middelen aan de LNV-begroting toegevoegd.
In verband met een lagere bijdrage POP2 (2007–2013) ten opzichte van POP1 is vanaf 2008 € 7 mln. aan de LNV-begroting toegevoegd.
Vanuit de reconstructiemiddelen wordt vanaf 2007 jaarlijks € 4,5 mln. toegevoegd aan artikel 21 ten behoeve van de transitie naar een meer duurzame intensieve veehouderij.
Deze mutatie is toegelicht bij de uitgaven onder artikel 22.
5. Verduurzaming visserij sector
Om de duurzaamheidsopgaven voor de visserij (oa. introductie Pulskor) te kunnen realiseren en om de voor Nederland beschikbare EU-middelen uit het Europese Visserij Fonds volledig te kunnen matchen is met ingang van 2007 jaarlijks een bedrag van € 7 mln. extra beschikbaar gesteld.
| B. Opbouw ontvangsten beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 36 595 | 17 027 | 14 208 | 12 598 | 12 163 | |
| Mutatie NvW 2006 | ||||||
| Mutatie amendement 2006 | ||||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | 11 235 | – 989 | – 989 | – 1 194 | – 1 194 | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. Onderzoek luchtkwaliteit | 500 | 500 | 500 | 300 | 100 | |
| 2. Overig | 3 114 | 400 | ||||
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 51 444 | 16 938 | 13 719 | 11 704 | 11 069 | 9 369 |
Voor onderzoek naar verbetering van de luchtkwaliteit in de agrarische sector is vanuit het FES in totaal € 10 mln. toegekend. Een deel hiervan (in totaal € 1,9 mln) is rechtstreeks toegevoegd aan de LNV begroting. Het overige deel loopt via de begroting van VROM.
Beleidsartikel 22 Agrarische ruimte
| A. Opbouw uitgaven beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 51 675 | 57 687 | 63 043 | 68 093 | 56 093 | |
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | – 121 | – 2 203 | – 2 | – 2 | – 2 | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. Infrastructuurregeling Glastuinbouw | 4 562 | 3 750 | ||||
| 2. Stidug-projecten ILG | 1 000 | 9 000 | 8 000 | 7 400 | ||
| 3. Onderbedeling | 2 815 | 2 800 | 2 821 | 2 837 | ||
| 4. Bijdragen derden | – 22 554 | – 22 554 | – 22 554 | – 22 554 | ||
| 5. Bestrijding verdroging | – 3 600 | – 3 600 | – 3 600 | – 3 600 | ||
| 6. Gebiedsgerichte projecten | – 3 000 | |||||
| 7. Ramingsbijstelling | – 1 840 | – 3 380 | – 1 72 0 | – 5 000 | ||
| 8. Inkooptaakstelling | – 201 | – 201 | – 201 | |||
| 9. Loonbijstelling | 151 | 121 | 123 | 125 | 125 | |
| 10. Overige | – | – 732 | – 655 | – 706 | – 766 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 56 267 | 31 444 | 44 574 | 50 256 | 34 332 | 33 974 |
1. Infrastructuurregeling Glastuinbouw
Ten behoeve van uitgaven in het kader van de Infrastructuurregeling Glastuinbouw worden in 2006 en 2007 middelen vanuit het Ontwikkeling- en Saneringsfonds naar de LNV-begroting overgeheveld.
Drie nieuwe locaties in het kader van de Stimuleringsregeling Duurzame Glastuinbouwgebieden worden ondergebracht bij het ILG. Daarvoor wordt voor de jaren 2007–2010 in totaal € 25,4 mln. overgeboekt van artikel 21 naar dit artikel.
Het budget «onderbedeling»is bedoeld als tegemoetkoming aan agrariërs als gevolg van onderbedeling bij landinrichtingsprojecten. Tot nu toe werden de uitgaven hiervoor verantwoord op artikel 23 Natuur. Thans vindt overheveling plaats naar het onderhavige artikel omdat het hierop qua doel beter aansluit.
Als gevolg van het in werking treden van het Investeringsbudget Landelijk Gebied met ingang van 2007 lopen de bijdragen van derden aan uitgaven voor landinrichtingsprojecten niet meer via LNV maar via de provincies. Dit leidt tot een verlaging van de uitgaven en ontvangsten.
Deze mutatie is toegelicht bij de uitgaven onder artikel 23.
Deze mutatie is toegelicht bij de uitgaven onder artikel 24.
| B. Opbouw ontvangsten beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 67 545 | 62 715 | 62 715 | 62 715 | 62 715 | |
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | 2 000 | – | – | – | – | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. Ramingsbijstelling | 2 000 | 2 000 | 2 000 | 2 000 | 2 000 | |
| 2 Bijdragen derden | – 22 554 | – 22 554 | – 22 554 | – 22 554 | ||
| 3 Infrastructuurregeling Glastuinbouw | 4 562 | 3 750 | ||||
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 76 107 | 45 911 | 42 161 | 42 161 | 42 161 | 42 161 |
Deze mutatie is toegelicht onder punt 4 bij de uitgaven.
3. Infrastructuurregeling Glastuinbouw
Deze mutatie is toegelicht onder punt 1 bij de uitgaven.
Beleidsartikel 23 Realiseren natuur
| A. Opbouw uitgaven beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 433 727 | 426 179 | 455 776 | 464 680 | 473 227 | |
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | – 2 156 | – 2 567 | – 8 853 | – 8 778 | – 8 553 | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. Bestrijding verdroging | 29 045 | 23 050 | 11 400 | 7 200 | ||
| 2. Gegevensautoriteit Natuur | 20 000 | |||||
| 3. Flankerende maatregelen EHS | 5 400 | 5 900 | 5 900 | 5 900 | ||
| 4. Ramingsbijstelling | – 7 500 | – 4 400 | – 4 800 | – 7 000 | – 5 000 | |
| 5. Bijdragen derden | – 3 175 | – 3 175 | – 3 175 | – 3 175 | ||
| 6. Onderbedeling | – 2 815 | – 2 800 | – 2 821 | – 2 837 | ||
| 7. Loonbijstelling | 2 442 | 1 816 | 1 927 | 2 042 | 2 107 | |
| 8. Overige | – 551 | – 723 | – 320 | – 374 | – 411 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 445 962 | 448 760 | 466 705 | 461 874 | 468 458 | 442 017 |
De budgetten ten behoeve van het bestrijden van verdroging, waaronder het budget van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB) worden ingezet ten behoeve van de Ecologische Hoofdstructuur en worden derhalve overgeheveld van de artikelen 22 en 27 naar dit artikel.
Het artikel wordt met € 20 mln. verhoogd ten behoeve van het opzetten van een Gegevensautoriteit Natuur en voor de leefgebiedenbenadering. Via de Gegevensautoriteit Natuur worden de initiatiefnemers van ruimtelijke economische ontwikkelingen in staat gesteld om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke bescherming van natuurwaarden. Daarnaast wordt via de leefgebiedenaanpak een aantal gerichte maatregelen getroffen in kansrijke leefgebieden zodat de overlevingskansen van beschermde soorten wordt vergroot en zodat in minder kansrijke leefgebieden ruimte ontstaat voor economische ontwikkeling.
3. Flankerende maatregelen EHS
Het budget voor flankerende maatregelen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) wordt vanaf 2007 overgeheveld van artikel 27 Reconstructie naar dit artikel aangezien de uitgaven voor de EHS op het onderhavige artikel worden geraamd.
Als gevolg van het in werking treden van het Investeringsbudget Landelijk Gebied met ingang van 2007 lopen de bijdragen van derden aan uitgaven voor landinrichtingsprojecten niet meer via LNV maar via de provincies. Dit leidt tot een verlaging van de uitgaven en ontvangsten.
Deze mutatie is toegelicht bij de uitgaven onder artikel 22.
| B. Opbouw ontvangsten beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 37 644 | 11 064 | 13 064 | 13 064 | 14 064 | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. Bijdragen derden | – 3 175 | – 3 175 | – 3 175 | – 3 175 | ||
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 37 644 | 7 889 | 9 889 | 9 889 | 10 889 | 2 889 |
Deze mutatie is toegelicht bij punt 5 van de uitgaven.
Beleidsartikel 24 Landschap en recreatie
| A. Opbouw uitgaven beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 141 635 | 146 390 | 147 443 | 147 544 | 146 544 | |
| Mutatie NvW 2006 | 12 000 | 18 000 | ||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | – 2 647 | – 3 408 | – 2 753 | – 2 753 | – 253 | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. Gebiedsgerichte projecten | 3 000 | |||||
| 2. Ramingsbijstelling | – 1 200 | – 1 200 | – 800 | – 800 | – 3 300 | |
| 3. Inkooptaakstelling | – 656 | – 656 | – 656 | |||
| 4. Loonbijstelling | 510 | 406 | 409 | 417 | 417 | |
| 5. Prijsbijstelling | 149 | 146 | 146 | 146 | 146 | |
| 6. Overige | 678 | – 1 097 | 992 | 1 465 | 1 494 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 151 125 | 162 237 | 144 781 | 145 363 | 144 392 | 130 926 |
Ten behoeve van de uitfinanciering van diverse restant verplichtingen met betrekking tot oudere veelal gebiedsgerichte projecten wordt het budget op dit artikel voor 2007 met € 3 mln. verhoogd ten laste van artikel 22.
| B. Opbouw ontvangsten beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006/2007 | 800 | 750 | 750 | 750 | 750 | 750 |
Beleidsartikel 25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid
| A. Opbouw uitgaven beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 105 871 | 86 410 | 77 727 | 78 426 | 78 426 | |
| Mutatie NvW 2006 | ||||||
| Mutatie amendement 2006 | ||||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | 25 962 | – 6 143 | – 2 309 | – 2 308 | – 2 308 | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. Dierlijke EU-verordeningen | – 3 000 | – 3 000 | – 3 000 | – 3 000 | – 3 000 | |
| 2. Ramingsbijstelling | – 3 000 | – 3 400 | – 3 400 | – 3 400 | – 3 400 | |
| 3. Loonbijstelling | 509 | 353 | 335 | 343 | 342 | |
| 4. Inkooptaakstelling (PIT) | – 834 | – 834 | – 834 | |||
| 5. AI-vaccinontwikkeling | 4 300 | 3 500 | 3 600 | 3 600 | ||
| 6. Overig | – 1 869 | – 2 673 | – 1 086 | – 2 186 | – 2 186 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 124 473 | 75 847 | 70 933 | 70 641 | 70 640 | 68 013 |
De kosten voor inspecties en werkzaamheden door de VWA op het terrein van dierlijke EU-verordeningen kunnen in gevolge van het kabinetsbeleid niet in rekening gebracht worden bij het bedrijfsleven.
Uit het FES wordt € 15 mln. beschikbaar gesteld voor een vierjarig onderzoek voor het ontwikkelen van kansrijke kandidaatvaccins tegen Aviaire Influenza (vogelgriep), diagnostische testen en vaccinatiestrategieën voor toepassing op landbouwhuisdieren. Van dit bedrag wordt € 5 mln. als een renteloze lening verstrekt dat vanaf 2011.
| B. Opbouw ontvangsten beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 32 940 | 13 040 | 5 040 | 5 040 | 5 040 | |
| Mutatie NvW 2006 | ||||||
| Mutatie amendement 2006 | ||||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | 6 954 | |||||
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. Dierlijke EU-verordeningen | – 3 000 | – 3 000 | – 3 000 | – 3 000 | – 3 000 | |
| 2. MPA | 3 200 | |||||
| 3. AI-vaccinontwikkeling | 4 300 | 3 500 | 3 600 | 3 600 | ||
| 4. Overig | 760 | 430 | 430 | 430 | 430 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 40 854 | 14 770 | 5 970 | 6 070 | 6 070 | 3 470 |
Deze mutatie is toegelicht bij de uitgaven onder punt 1.
Deze mutatie is toegelicht bij de uitgaven onder punt 5.
Beleidsartikel 26 Kennis en Innovatie
| A. Opbouw uitgaven beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 860 593 | 874 741 | 872 480 | 870 906 | 870 696 | |
| Mutatie NvW 2006 | ||||||
| Mutatie amendement 2006 | ||||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | 6 908 | – 570 | – 619 | – 672 | – 672 | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. Loonbijstelling | 10 961 | 9 777 | 9 821 | 9 927 | 9 931 | |
| 2. Prijsbijstelling | 1 765 | 1 790 | 1 802 | 1 790 | 1 790 | |
| 3. FES-projecten | 9 745 | 13 280 | 7 166 | 7 586 | 5 914 | |
| 4. BTW-compensatie praktijkleren | 5 300 | 5 300 | 5 300 | 5 300 | ||
| 5. Raad voor de Plantenrassen | – 3 621 | – 3 621 | – 3 700 | – 3 700 | – 3 700 | |
| 6. Ramingsbijstelling | – 2000 | – 6 800 | – 5 800 | – 5 000 | – 5 000 | |
| 7. OCW-projecten | 1 695 | 4 309 | 5 171 | 8 970 | 10 338 | |
| 8. Overig | – 1 104 | 1 998 | 1 317 | 1 317 | 1 317 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 884 942 | 900 204 | 892 938 | 896 424 | 895 914 | 890 658 |
Voor een viertal projecten zijn ten laste van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) middelen aan de LNV-begroting toegevoegd. Dit betreft de projecten voor praktijklokalen VMBO, Phytophtora, Potato Genome Sequencing en Technologisch Top Instituut (TTI) Groene Genetica.
4. BTW-compensatie praktijkleren
In verband met de beëindiging van de bekostigingsrelatie tussen LNV en de Innovatie- en Praktijkcentra (IPC’s) vervalt de wettelijke status volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Hierdoor zijn de AOC’s met ingang van 1 januari 1997 BTW verschuldigd aan de IPC’s. Het budget van de AOC’s wordt daartoe opgehoogd.
Deze mutatie is toegelicht onder artikel 29.
Vanuit de begroting van OCW worden middelen toegevoegd aan de LNV-begroting met name ter dekking van hogere huisvestingsuitgaven WO, het op peil houden van normprijzen WU/HBO en voor risicoleerlingen MBO in het kader van terugdringen voortijdig schoolverlaten.
| B. Opbouw ontvangsten beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 14 319 | 14 304 | 13 379 | 13 444 | 13 234 | |
| Mutatie NvW 2006 | ||||||
| Mutatie amendement 2006 | ||||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | 10 624 | 78 | 0 | 0 | 0 | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. FES-projecten | 9 745 | 13 280 | 7 166 | 7 586 | 5 914 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 34 688 | 27 662 | 20 545 | 21 030 | 19 148 | 14 433 |
Voor een viertal projecten ten laste van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) worden middelen aan de LNV-begroting toegevoegd.
Beleidsartikel 27 Bodem, water en reconstructie zandgebieden
| A. Opbouw uitgaven beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 51 241 | 135 208 | 117 224 | 111 074 | 102 074 | |
| Mutatie NvW 2006 | ||||||
| Mutatie amendement 2006 | ||||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | 5 721 | 6 096 | 8 498 | 4 198 | 17 015 | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. V&W Uitvoeringscontracten SGB | 7 200 | |||||
| 2. V&W Verdroging | 3 600 | 3 600 | 3 600 | 3 600 | ||
| 3. Bestrijding verdroging (artikel 23) | – 25 445 | – 19 450 | – 7 800 | – 3 600 | ||
| 4. Negatieve eindejaarsmarge 2005 | – 11 800 | |||||
| 5. Flankerende maatregelen EHS | – 5 400 | – 5 900 | – 5 900 | – 5 900 | ||
| 6. Intensieve veehouderij | – 4 500 | – 4 500 | – 4 500 | – 4 500 | ||
| 7. Inkooptaakstelling | – 302 | – 302 | – 302 | |||
| 8. Loonbijstelling | 62 | 38 | 40 | 42 | 42 | |
| 9. Overige | 150 | 2 555 | 492 | – | – | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 52 574 | 112 152 | 99 702 | 100 412 | 108 429 | 86 794 |
1. V&W Uitvoeringscontracten SGB
Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat levert voor 2006 een bijdrage ten behoeve van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid in het kader van het uitvoeringscontract 2005–2006.
Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat stelt extra middelen beschikbaar ten behoeve van activiteiten ter bestrijding van de verdroging.
Deze mutatie is toegelicht bij de uitgaven onder artikel 23.
5. Flankerende maatregelen EHS
Deze mutatie is toegelicht bij de uitgaven onder artikel 23.
Deze mutatie is toegelicht bij de uitgaven onder artikel 21.
| B. Opbouw ontvangsten beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006/2007 | 3 650 | |||||
Beleidsartikel 28 Nominaal en onvoorzien
| A. Opbouw uitgaven beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | – 9 115 | – 13 073 | – 13 143 | – 13 203 | – 13 233 | |
| Mutatie NvW 2006 | – 3 000 | – 3 000 | – 3 000 | – 3 000 | – 3 000 | |
| Mutatie amendement 2006 | ||||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | 9 288 | 24 253 | 18 320 | 13 474 | 13 330 | |
| Nieuwe mutaties: | ||||||
| 1. Prijsbijstelling | – 14 035 | – 13 957 | – 13 990 | – 13 848 | – 13 606 | |
| 2. Loonbijstelling | – 26 276 | – 22 227 | – 21 831 | – 22 166 | – 22 206 | |
| 3. Invulling ramingsbijstelling | 20 000 | 20 000 | 20 000 | 20 000 | 20 000 | |
| 4. Negatieve eindejaarsmarge 2005 | 14 300 | |||||
| 5. Compensatie EHS/sanering kottervloot | 5 800 | 5 800 | 5 000 | 5 000 | ||
| 6. Inkooptaakstelling | 12 904 | 12 904 | 12 904 | |||
| 7. Overig | 3 038 | 2 204 | 740 | 839 | 811 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
1. Prijsbijstelling/2. Loonbijstelling
De loon- en prijsbijstelling 2006, die bij 1e suppletore begroting aan de LNV-begroting is toegevoegd, wordt verdeeld over de relevante onderdelen van de LNV-begroting.
3. Invulling ramingsbijstelling
Bij Voorjaarsnota 2006 is besloten tot een structurele ramingsbijstelling van € 20 mln. Hiervan is € 2 mln. gevonden door een structurele verhoging van de ontvangsten landinrichtingsrente en de overige € 18 mln. is verdeeld over de diverse LNV-artikelen op grond van de budgetflexibiliteit.
4. Negatieve eindejaarsmarge 2005
De compensatie van de negatieve eindejaarsmarge 2005 wordt grotendeels gevonden op artikel 27. Een deel van de reconstructie-uitgaven wordt gefinancierd uit het restant vrije middelen uit het Groenfonds.
De rijksbrede inkooptaakstelling waartoe het kabinet bij Voorjaarsnota 2005 heeft besloten wordt thans voor de jaren 2008 en verder ingevuld naar rato van de gerealiseerde inkoopvolumes 2005.
| A. Opbouw uitgaven beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 207 420 | 205 829 | 205 759 | 208 578 | 208 329 | |
| Mutatie NvW 2006 | ||||||
| Mutatie amendement 2006 | ||||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | 22 | 527 | 1 330 | 1 255 | 1 030 | |
| Nieuwe mutaties | ||||||
| 1. Loonbijstelling | 7 460 | 6 259 | 5 806 | 5 838 | 5 802 | |
| 2. Instelling Raad voor de Plantenrassen | 1 626 | 1 649 | 1 728 | 1 728 | 1 974 | |
| 3. Prijsbijstelling | 7 717 | 3 696 | 7 439 | 3 825 | 4 144 | |
| 4. Overig | 971 | 483 | – 3 855 | – 3 862 | – 3 922 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 225 216 | 218 443 | 218 207 | 217 362 | 217 357 | 222 463 |
2. Instelling Raad voor de Plantenrassen
Voor een toelichting op deze mutatie wordt verwezen naar de toelichting bij de ontvangsten.
| B. Opbouw ontvangsten beleidsartikel x (€ 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Stand ontwerpbegroting 2006 | 284 534 | 284 334 | 284 334 | 284 334 | 284 334 | |
| Mutatie NvW 2006 | ||||||
| Mutatie amendement 2006 | ||||||
| Mutatie 1e suppletore begroting 2006 | – 418 | – 418 | – 418 | – 418 | – 418 | |
| Nieuwe mutaties: | ||||||
| 1. Raad voor de Plantenrassen | – 1 995 | – 1 972 | – 1 972 | – 1 972 | – 1 726 | |
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 282 121 | 281 944 | 281 944 | 281 944 | 282 190 | 281 823 |
Met de instelling van de Raad voor de Plantenrassen zijn de tarieven aangepast, waardoor de onderzoekskosten niet langer via de Rijksbegroting lopen maar rechtstreeks worden afgewikkeld tussen aanvrager en onderzoeksinstelling.
BIJLAGE MOTIES EN TOEZEGGINGEN
Door de Staten-Generaal aanvaarde moties
| Omschrijving motie | Vindplaats | Stand van zaken |
| Verzoekt de regering een analyse te maken van de potentie van de multifunctionele landbouw; Verzoekt de regering een Taskforce Multifunctionele Landbouw op te zetten, waarin naast plattelandsorganisaties in ieder geval de ministeries van LNV, SZW, VWS, EZ en VNG en IPO vertegenwoordigd zijn. | 30 252, nr. 4, Motie Waalkens en Atsma | Zie brief aan TK d.d. 16-06-2006 |
| Verzoekt de regering de correctiefactor van 0,95 (die wordt gebruikt t.a.v. forfaitaire normen) ook voor de bedrijfsspecifieke normen van toepassing te verklaren. | 28 385, nr. 70, Motie Waalkens c.s. | Wordt uitgevoerd. |
| Verzoekt de regering het groen label systeem vanaf 2010–2012 alleen ter verplichten in nieuw te bouwen stallen. | 30 252, nr. 6, Motie Oplaat c.s. | VROM informeert Tweede Kamer. |
| Stelt vast dat de middelen uit het Waddenfonds voor minimaal de helft dienen te worden aangewend voor projecten ter versterking van een duurzame economische ontwikkeling en voor het resterende deel voor versterking van de ecologie van het Waddengebied. | 30 300 XIV, nr. 36, Motie Atsma c.s. | Zie brief minister VROM aan TK d.d. 21-12-2005 |
| Verzoekt de regering het door de Commissie Schadebepaling Kokkelvisserij voorgestelde uitkoopbedrag over te nemen en op korte termijn hierover een besluit te nemen. | 30 300 XIV, nr. 37, Motie Atsma en Snijder-Hazelhoff | Zie brief aan TK d.d. 18-11-2005 |
| Verzoekt de regering maatregelen te nemen die ertoe leiden dat de verplichtingen tot het bijhouden van het Gewasbeschermingsplan met ingang van 1 januari 2006 worden afgeschaft. | 30 300 XIV, nr. 38, Motie Koopmans c.s. | Zie brief aan TK d.d. 26-01-2006 |
| Verzoekt de regering bij de eerste tranche in 2006 uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) de economische ontwikkeling en het realiseren van de benodigde infrastructuur van de 5 Greenports (Zuid-Hollands Glasdistrict, Aalsmeer e.o., Venlo e.o., Boskoop en de Bollenstreek) te ondersteunen bovenop de Stidug-middelen. | 30 300 XIV, nr. 39, Motie Koopmans c.s. | Zie brief aan TK d.d. 27-04-2006 |
| Verzoekt de regering in overleg met de betrokken sectoren nader onderzoek uit te laten voeren naar de effecten van de prijzenoorlog op de inkomenspositie van primaire producenten. | 30 300 XIV, nr. 40, Motie Van Velzen en Atsma | Zie brief aan TK d.d. 21-06-2006 |
| Verzoekt de regering het dwangvoederen van ganzen op de Europese agenda te zetten en een Europees verbod op productie en de handel in deze ganzenlever te bepleiten. | 30 300 XIV, nr. 42, Motie Van Velzen c.s. | Zie brief aan TK d.d. 10-11-2005 |
| Motie spreekt uit dat de € 50 mln. (Koopmansgelden voor milieuprobleemgebieden) ingezet moet worden voor (huis)kavelvergroting, vrijwillige kavelruil en structuurverbetering van melkveebedrijven in het gehele land. | 30 300 XIV, nr. 44, Motie Snijder-Hazelhoff en Atsma | Zie brief staatssecretaris VROM aan TK d.d. 13-07-2006 |
| Roept de regering op met de grootst mogelijke inspanning en met de grootst mogelijke spoed tot een EU-toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen te komen. | 30 300 XIV, nr. 51, Motie Van den Brink en Koopmans | Zie brief aan TK d.d. 10-11-2005 |
| Verzoekt de regering ervoor te zorgen dat in de nul-optie-gebieden geen wilde zwijnen voorkomen. | 30 300 XIV, nr. 53 Brink, W. van den (LPF) | Motie wordt uitgevoerd, in een brief aan betrokkenen (w.o. provincies) heeft minister het bestaande beleid van het nulstandbeheer nogmaals bevestigd. Zij zijn tevens gevraagd de mogelijkheden die zij hebben te benutten om uitvoering te geven aan dit nulstandbeheer |
Door de bewindspersoon gedane toezeggingen aan de Tweede Kamer
| Toezegging | Vindplaats | Stand van zaken |
| Algemeen | ||
| De minister zal de Kamer, in de reguliere rapportage de vermindering van administratieve lasten, informeren over «nationale koppen» op Europese verplichtingen. | Begrotingsbehandeling LNV en DGF d.d. 26/27-10-2005 | Zal worden meegenomen in de nul-meting van 2007. |
| De minister zal alle LNV-vergunningen toetsen op nut en noodzaak en zal eventuele eenvoudigere alternatieven zoeken. In 2006 zullen, in het kader van een interdepartementaal project, besluiten worden genomen. | Begrotingsbehandeling LNV en DGF d.d. 26/27-10-2005 | Zie brief aan TK d.d. 28-04-2006 |
| Vitaal platteland, natuur en recreatie | ||
| De minister zal nog eens nagaan of fondsvorming (ten behoeve van de continuïteit van agrarisch natuurbeheer) helpt. | Begrotingsbehandeling LNV en DGF d.d. 26/27-10-2005 | Zie brief aan TK d.d. 03-04-2006 |
| De minister zal de TK informeren over de probleem- gebiedenvergoeding, voordat daarover tijdens de volgende begrotingsbehandeling een besluit wordt genomen. | Begrotingsbehandeling LNV en DGF d.d. 26/27-10-2005 en brief aan TK d.d. 03-04-2006 | De Tweede Kamer zal conform de toezegging worden geïnformeerd. |
| De evaluatie van de FF-wet zal direct na het zomerreces 2006 aan de TK worden gestuurd. Daarbij wordt ingegaan op de gedragscodes en op de administratieve rompslomp. | AO FF-wet d.d. 27-09-2005 | TK wordt spoedig geïnformeerd. |
| De TK ontvangt de beleidsstrategie soorten als die gereed is. | Brief aan TK d.d. 26-09-2005 | In overleg met de provincies wordt strategie opgesteld. |
| De minister zal het een en ander over de natuurbegraafplaatsen onderzoeken en de Kamer hierover informeren. | Begrotingsbehandeling LNV en DGF d.d. 26/27-10-2005 | Zie brief aan TK d.d. 04-04-2006 |
| Een commissie van (inter)nationale deskundigen zal worden gevraagd advies uit te brengen over de toekomst van de Oostvaardersplassen. | AO Oostvaardersplassen d.d. 08-09-2005 | Zie brief aan TK d.d. 22-06-2006 |
| De minister is bereid om nog 80 000 hectare van de ganzenfoerageergebieden onder de SAN af te sluiten. | Begrotingsbehandeling LNV en DGF d.d. 26/27-10-2005 | Agrariërs kunnen (in aangewezen ganzenfourageergebieden) subsidie voor ganzenopvang aanvragen |
| De notitie over de paardensector zal in juni 2006 aan de TK worden gezonden. | Notaoverleg Kiezen voor Landbouw d.d. 03-04-2006 | Zie brief aan TK d.d 07-07-2006 |
| De Kamer ontvangt een brief over de vermeende bevoorrechte positie van klassieke terreinbeherende organisaties bij de aankoop van natuur, nadat de minister de genoemde signalen van de Kamerleden heeft mogen ontvangen. | WO Jaarverslagen 2005 en slotwetten van het ministerie van LNV (30 550 XIV) en het Diergezondheidsfonds (30 550 F) d.d. 15-06-2006 | Zie brief aan TK d.d 30-06-2006 |
| Duurzaam ondernemen | ||
| De minister zal bezien of het LEI bij nadere beschouwing naar de gevolgen van de prijzenoorlog op de inkomens in de primaire sector tot nieuwe inzichten komt. | Begrotingsbehandeling LNV en DGF d.d. 26/27-10-2005 | Zie brief aan TK d.d. 21-06-2006 |
| Met V&W wordt overleg gevoerd over strijdige, of onwerkbare regels inzake dierstransport. Saveetra wordt hierbij uitgenodigd. | Brief aan TK d.d. 24-02-2006 | Overleg LNV, VWA en sector loopt, in november 2006 wordt de TK de resultaten op de hoogte gesteld |
| Vervolgonderzoek VWA naar aanwezigheid honden- en kattenbont op Nederlandse markt wordt afgerond in december, waarna de resultaten naar de Kamer worden gestuurd. | Brief aan TK d.d. 14-10-2005 | Zie brief aan TK d.d. 12-05-2006. |
| De minister zal de Kamer informeren over de voortgang van de onderhandelingen over PlantKeur en de reorganisatie van de PD. | AO Fytosanitaire ontwikkeling en toekomstplannen PDd.d. 14-09-2005 | Zie brieven aan TK d.d. 13-04-2006 en 19-05-2006 |
| De Kamer ontvangt in oktober een brief over hoe de minister omgaat met de verdeling van de nationale reserve GLB. | AO DR d.d. 26-01-2006 | Zal conform toezegging worden uitgevoerd. |
| Wanneer er een verzekering van de grond komt met dezelfde voorwaarden als de verzekering voor boven- matige regenval en als ondernemers zich daadwerkelijk verzekeren, wil de minister zich conform werkwijze bij de vorstschade in de fruitteelt van maart 2005, zich inspannen voor een beperkte tegemoetkoming in de geleden sneeuwschade. Dit natuurlijk onder voorwaarde van Europese goedkeuring. | Brief aan de TK d.d. 19 januari 2006 & AO Sneeuwschade d.d. 19 januari 2006 | Afhankelijk van initiatieven van de sector. |
| De minister zal stimuleren dat het risico van zware vorstschade in de fruitteelt een verzekerbaar risico wordt. Wanneer een dergelijke verzekering is gerea- liseerd zal de minister zich inspannen om ondernemers die zich voor tenminste vijf jaar tegen vorstschade in fruitteelt verzekeren, een tegemoetkoming te geven in de schade die in 2005 is geleden (betreft beperkte tegemoetkoming voor de opbrengstderving). | AO LVR d.d. 26-05-2005 en brieven aan TK d.d. 24-08-2005 & 10-10-2005. | Overleg tussen sector en overheid ter zake bevindt zich in gevorderd stadium. |
| Brief over mogelijke invulling van een flatrate vóór oktober 2006 naar Tweede Kamer. | Notaoverleg Kiezen voor Landbouw d.d. 03-04-2006 | Wordt conform toezegging uitgevoerd. |
| Brief met LEI-onderzoek melkquotering & consequenties van mogelijke afschaffing in 2e helft van 2006 naar de Tweede Kamer. | Notaoverleg Kiezen voor Landbouw d.d. 03-04-2006 | Wordt conform toezegging uitgevoerd. |
| Brief aan de Kamer – in het derde kwartaal van 2006, of zoveel eerder als mogelijk – over de mogelijkheden voor fiscale maatregelen met betrekking tot het dierenwelzijn en landschap. | Notaoverleg Kiezen voor Landbouw d.d. 03-04-2006 | Brief volgt in najaar 2006. |
| De minister zal een negatieflijst voor gezelschapsdieren opstellen die wordt opgenomen in regelgeving. | Brief aan TK d.d. 15-05-2006 | Brief aan Tweede Kamer wacht op RDA-advies. |
| Op 1 december 2006 moet er een voorstel liggen over hoe het aantal ingrepen in de varkenshouderij is terug te brengen tot twee. Hiervoor moet overleg gevoerd worden met alle relevante partijen. De TK wordt voor eind 2006 geïnformeerd zodat begin 2007 besluitvorming kan plaatsvinden. | AO Ontwikkeling in identificatie en registratie bij landbouwhuisdieren en het Ingrepenbesluit d.d. 01-06-2006 | Wordt conform toezegging uitgevoerd. |
| De minister onderschrijft de strekking van de motie Koopmans (30 300 XIV, nr. 39) en de motie Van der Vlies c.s. (30 300, nr. 31). In lijn met de wens van de Kamer om te komen tot het versterken van de econo- mische ontwikkeling en infrastructuur van de Green- ports respectievelijk de duurzaamheid binnen de land- en tuinbouw en de visserij heeft de minister verschillende FES-claims ingediend. Eind juni is de besluitvorming in het kabinet omtrent alle ingediende claims voorzien. Daarna zal de TK zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld van de uitkomsten. | Brief aan TK d.d. 27-04-2006 | Na besluitvorming in het Kabinet. |
| De minister zal met de sector (LTO, NAV) overleggen over de knelpunten bij de mestafzet en het wegnemen van de angst bij akkerbouwers voor het afnemen van dierlijke mest en de Kamer over de uitkomsten van dit overleg informeren. | AO Uitvoering Mestwetgeving d.d. 01-06-2006 | Brief is gedurende zomerreces 2006 aan TK verzonden. |
| Minister zegt toe in Brussel het verzoek van de Kamer te bepleiten, het gebruik van hokdiermest tot 170kg N toe te staan aangevuld tot 250 kg N uit graasdiermest bij bedrijven die gebruik maken van de derogatie en zal de Kamer over de uitkomsten informeren. VAO Uitvoering mestwetgeving d.d. 15-06-2006 | Wordt conform toezegging uitgevoerd. | |
| De Kamer ontvangt een brief na afronding van het LEI-onderzoek naar de risico’s voor extreme weersituaties voor (agrarische) bedrijven en de verzekerbaarheid daarvan. | AO Sneeuwschade d.d. 19-01-2006 | Onderzoeksresultaten worden in het najaar van 2006 verwacht. |
| De overgangstermijn in de vrijstelling voor het aantal ingrepen in de varkenshouderij wordt verlengd tot 1 mei 2007. | AO Ontwikkeling in identificatie en registratie bij landbouwhuisdieren en het Ingrepenbesluit d.d. 01-06-2006 | Regelingswijziging wordt voor september 2006 gepubliceerd. |
| Voor de zomer ontvangt de Tweede Kamer een analyse van het LEI over de gevolgen van het suikerakkoord. | AO LVR d.d. 16-02-2006 | Zie brief aan TK d.d. 03-07-2006 |
| Dit najaar komt een kabinetsnotitie over de review van het GLB in 2008. | AO LVR d.d. 20-04-2006 | In verband met de vervroegde verkiezingen wordt hier terughoudend mee omgegaan. |
| Visserij | ||
| In maart of april 2006 zal de Task Force Duurzame Noordzeevisserij een rapportage uitbrengen over mogelijkheden om te komen tot duurzame innovatieve oplossingen voor de brede problematiek. De TK kan de kabinetsreactie voor de zomer verwachten. | Begrotingsbehandeling LNV en DGF d.d. 26/27-10-2005 | Zie brief aan TK d.d. 27-06-2006 |
| Tweede Kamer wordt geïnformeerd over uitkomsten brede overleg mosselvisserij. | AO LVR d.d. 20-04-2006 | Wordt conform toezegging uitgevoerd. |
| Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid | ||
| In het voorjaar van 2006 zal de minister de Kamer een evaluatie toezenden van de gevolgde aanpak en de feitelijke risico’s van vogeltrek in voor- en najaar, vergezeld van een voorstel voor passende maatregelen voor het komend seizoen en een routekaart om preventieve vaccinatie in de EU te laten accepteren. | AO Vogelpest d.d. 29-09-2005 | Zie brief aan TK d.d. 16-03-2006 |
| De Minister gaat door met zijn nadere onderzoek naar de herziening van het destructiebestel (o.a. mogelijkheid meer marktwerking) | AO destructie d.d 10-02-2005 | Zie brief aan TK d.d. 27-04-2006 |
| De Minister zal de mogelijkheden van het stoppen met vaccineren tegen Aujeszky bij vleesvarkens bezien | AO Dierziektenbestrijding 08/12/2005 | Zie brief aan TK, d.d. 27-04-2006 |
| De Minister zal de Tweede Kamer informeren over een «firebrigade» instellen die bij een AI-uitbraak onmid- dellijk in actie kan komen | AO Aviaire Influenza 19-01-2006 | Zie brief aan TK d.d. 23-02-2006 |
| De minister zal de Vaccinatie strategie hobbypluimvee naar de TK sturen, nadat deze is goedgekeurd door EC. | AO Dierziektenbestrijding d.d. 08-12-2005 | Zie brief aan TK d.d. 23-02-2006 |
| Voor 1 maart 2006 krijgt de Tweede Kamer de actuele draaiboeken AI. | AO Aviaire Influenza d.d 12-04-2006 | Zie brief aan TK d.d. 06–03–2006 |
| De voorbereiding van een aparte wettelijke regeling tot de openbaarmaking van controlegegevens kan ter hand worden genomen, maar de uitkomsten van de pilots moeten worden afgewacht. | AO retributies VWA en openbaarmaking VWA-controlegegevens d.d. 16-03-2006 | TK is over het te doorlopen traject geïnformeerd per brief d.d. 23-02-2006. |
| De Minister zal de TK informeren hoe concreet zal worden omgegaan de versoepeling van het beleid rondom ongeidentificeerde runderen | AO LVR d.d. 14 juni 2006 | Zie brief aan TK d.d. 06-07-2006 |
Door de bewindspersoon gedane toezeggingen aan de Eerste Kamer
| Toezegging | Vindplaats | Stand van zaken |
| Wij hebben nog een hele stapel NLRO-verkenningen liggen uit het verleden. Ik wil bekijken in hoeverre die actualisatie verdienen. Dat moet van geval tot geval bekeken worden. Over de Veenkoloniën kan ik nu al zeggen bereid te zijn om de situatie nog eens aan een verkenning te onderwerpen. Ook in het licht van de eindigheid van de zetmeelsteun is het aan de orde om dit aspect onder ogen te nemen. Actieve participatie bij de problematiek en het genereren van de wil tot oplossing van de problematiek in het Noorden, daar gaat het om. Misschien kan het ingepast worden in het kader van de ontmoetingen. Ik zeg toe dat er een reële verkenning komt van de mogelijkheden en van welke rol de overheid daarbij kan spelen. | Begrotingsbehandeling LNV en DGF d.d. 04-04-2006 | De verkenningen worden momenteel geanalyseerd. |
| De minister zegt toe schriftelijk terug te komen op de door dhr. Rabbinge gewenst vernieuwing van de hele kennis- en innovatieinfrastructuur om de innovaties verder van onderop te stimuleren. Voormalige IKC’s moeten een rol spelen bij de kennisdeling. | Begrotingsbehandeling LNV en DGF d.d. 04-04-2006 | De brief aan de Eerste Kamer is in het reces verzonden. |
| De minister zal zoeken naar mogelijkheden om aan te sluiten bij Connect, bijvoorbeeld via innovatievouchers of vanuit het in 2007 te starten project inzake praktijknetwerken. | Notaoverleg Kiezen voor Landbouw d.d. 03-04-2006 | In uitvoering. |
| Instelling | RWT | ZBO | Bijdrage LNV 2007 (x € 1 000) | (Beleids-)artikel(en) |
| 1. Hogere Agrarische Onderwijsinstellingen(HAS) (6) | j | n | 56 923 | 26 |
| 2. Wageningen Universiteit | j | n | 140 364 | 26 |
| 3. Agrarische Opleidingscentra (AOC’s) (13) | j | n | 393 827 | 26 |
| 4. Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst Tuinbouw | j | j | ||
| 5. Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdiensten (Zaaizaad en Pootgoed Landbouwgewassen) (NAK) | j | j | ||
| 6. Stichting Bloembollenkeuringsdienst (BKD) | j | j | ||
| 7. Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ) | j | j | 500 000 | 25 |
| 8. Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en eiproducten(CPE) | j | j | ||
| 9. Stichting Kwaliteitscontrolebureau voor Groente en Fruit (KCB) | j | j | 248 | 21 |
| 10. Stichting Kwaliteitscontrole Alternatieve Landbouwproductiemethoden (SKAL) | j | j | ||
| 11. Staatsbosbeheer | j | j | 77 445 | 23 en 24 |
| 12. Faunafonds | j | j | 8 700 | 23 |
| 13. Bureau Beheer landbouwgronden | j | j | 51 991 | 23 en 24 |
| 14. Commissie Beheer Landbouwgronden | n | j | ||
| 15. Centrale Grondkamer | n | j | 29 | |
| 16 Regionale Grondkamers Z, ZW, NW, N, O | n | j | ||
| 17. Reconstructiecommissie Midden Delfland | n | j | 707 | 24 |
| 18. College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) | j | j | 261 | 21 |
| 19. Stichting Landelijke Inspectie Dienst voor Dieren (LID) | n | j | 182 | 21 |
| 20. Raad voor Plantenrassen | n | j | 1 249 | 29 |
| 21. Voedselvoorzienings in- en verkoopbureau | j | j | ||
| 22. Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw (BF) | j | j | ||
| 23. Stichting Ontwikkelings- en saneringsfonds voor de Landbouw | j | j | ||
| 24. Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Visserij | j | j | – | |
| 25. Kamer voor de Binnenvisserij | n | j | – | |
| 26. Stichting examens vakbekwaamheid honden en kattenbesluit (SEV) | j | j | ||
| 27. Erkende stamboekverenigingen (28x) | n | j | ||
| 28. Stichting DLO | j | n | 164 269 | 26 |
| 29. Rendac | j | n | 0 | 25 |
| 30. Stichting Nationaal Groenfonds | j | n | – | 23,24 en 27 |
Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen die relevant zijn voor de beleidsterreinen van het ministerie van LNV. Zij bevat een samenhangend overzicht van deze geldstromen en de co-financiering met LNV-middelen en middelen van andere overheden en private partijen. De betreffende EU-middelen zijn gestoeld op het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en het Structuurbeleid.
Binnen het GLB zijn twee pijlers te onderscheiden. De eerste pijler bestaat uit het markt- en prijsbeleid, de tweede pijler uit het plattelandsbeleid. Het markt- en prijsbeleid richt zich op het stabiliseren van de landbouwprijzen en -inkomens. Hiervoor worden instrumenten ingezet als exportrestituties, interventiemaatregelen en inkomenssteun. Het plattelandsbeleid richt zich op de kwaliteit van alle plattelandsgebieden in de Unie.
Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld onder andere ten aanzien van minimummaaswijdten, minimum maten, gesloten tijden en gebieden en beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van stabiliteit van de vismarkt.
Het structuurbeleid is tot slot gericht op versterking van de sociale en economische cohesie tussen de regio’s in de EU. Naast het plattelandsbeleid uit de tweede pijler, zijn ook vanuit dit beleid maatregelen gericht op de ontwikkeling van het platteland aan de orde.
Aan de genoemde elementen van het Europese beleid op het terrein van LNV zijn geldstromen naar de lidstaten verbonden. De subsidies uit hoofde van de eerste pijler komen met ingang van 2007 uit het Europese Garantie fonds voor de Landbouw (EGFL) en die van de tweede pijler uit het Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). De geldstromen uit de eerste pijler hebben voornamelijk betrekking op prijs- en inkomensondersteunende instrumenten en worden volledig Europees gefinancierd. Bij de plattelandsmaatregelen uit de tweede pijler dient er sprake te zijn van nationale co-financiering uit publieke middelen.
Het GVB bestaat voornamelijk uit gezamenlijke afspraken en regelgeving op communautair niveau, die nationaal wordt gecontroleerd. De afspraken en regelgeving uit het GVB worden ondersteund door subsidies uit het nog te vormen Europees Visserijfonds.
De geldstromen verbonden aan het structuurbeleid komen uit diverse financieringsbronnen. Voor LNV zijn de geldstromen verbonden met Doelstelling 2 relevant. Net als bij de tweede pijler van het GLB dient ook hier sprake te zijn van co-financiering.
In tabel 1 is een overzicht van de geraamde landbouwsubsidies in het kader van markt- en prijsbeleid vanuit de EU opgenomen. Deze uitgaven zijn niet zichtbaar op de begroting van LNV maar komen via betaalorganen in Nederland rechtstreeks vanuit de EU bij de belanghebbende terecht. Deze uitgaven worden door de betaalorganen (buiten de LNV-begroting) verantwoord richting de Europese Commissie. Voor de uitgaven in 2007 voor plattelandsbeleid, gemeenschappelijk visserijbeleid en structuurbeleid in Nederland kunnen op dit moment nog geen ramingen in deze begroting worden gegeven. Voor deze onderwerpen worden nationale programma’s opgesteld, die moeten worden goedgekeurd door Brussel.
| Tabel 1. Geraamde programma-uitgaven voor het jaar 2007 (bedragen x 1 mln.) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Financieringsbron Beleid | EU | LNV | Overig | Totaal |
| GLB | ||||
| Landbouwsubsidies | 1 100 | n.v.t. | n.v.t. | 1 100 |
| Plattelandsontwikkelingsprogramma | p.m | p.m | p.m | p.m |
| GVB | ||||
| Europees Visserijfonds | p.m | p.m | p.m | p.m |
| Structuurbeleid | ||||
| Doelstelling 2 | p.m | p.m | p.m | p.m |
Tegenover de Europese subsidie-uitgaven staan ook afdrachten aan de EU. De voor LNV relevante afdrachten zijn de zogenaamde douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen, die onderdeel uitmaken van de Eigen Middelen van de Europese Unie. Deze ontvangsten worden verantwoord op artikel 29 van de LNV-begroting. Tabel 2 bevat de ramingen van deze ontvangsten in 2007. Deze ontvangsten worden onder aftrek van een perceptiekostenvergoeding (25%) afgedragen aan de EU.
| Tabel 2. Geraamde ontvangsten aan landbouwheffingen (bedragen x 1 mln.) | |
|---|---|
| 2007 | |
| 1. Douanerechten op landbouwproducten | 245 |
| 2. Productieheffingen | 25 |
| Totaal douanerechten en productieheffingen | 270 |
3. Markt- en prijsbeleid: de eerste pijler van het GLB
Het markt- en prijsbeleid richt zich op de stabilisatie van landbouwprijzen en -inkomens. Sinds 1992 is er sprake van continue hervormingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. In hoofdlijnen kan worden gesteld dat de klassieke instrumenten als exportrestituties, productiesteun en interventie getransformeerd worden naar vormen van inkomenscompensatie.
In juni 2003 is een nieuwe fase ingegaan in het proces van de hervorming van het GLB. Het Belangrijkste kenmerk van deze hervorming is dat de inkomenssteun ontkoppeld wordt van de productie en omgezet wordt in de bedrijfstoeslag. Andere kenmerken zijn:
– Om in aanmerking te (blijven) komen voor de inkomenssteun moet de agrarische producent voldoen aan maatschappelijke randvoorwaarden (ten aanzien van dierenwelzijn, voedselveiligheid, milieu, etc.), de zogeheten cross-compliance,. Bij onvoldoende naleving wordt de producent gekort op zijn inkomenssteun.
– Verplichte afroming (modulatie) van middelen van de eerste pijler (markt- en prijsbeleid) ten behoeve van de tweede pijler (plattelandsbeleid) van het GLB.
De controle op cross-compliance is per 2005 gestart. In 2006 heeft de ontkoppeling van de productie plaatsgevonden. Hierdoor is een aantal steunregelingen (zoals akkerbouw, dierlijke regelingen met uitzondering van slachtpremies) vervallen. Deze zijn opgenomen in de bedrijfstoeslagregeling. Ook de compensatie voor de verlaging van de suikerprijs als gevolg van de hervorming van de marktordening voor suiker is in de bedrijfstoeslag opgenomen. In 2007 wordt ook de melkpremie ontkoppeld en toegevoegd aan de bedrijfstoeslag.
Ten aanzien van het markt- en prijsbeleid is LNV verantwoordelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering. De nationale uitvoering van het markt- en prijsbeleid is aan stringente Europese voorwaarden gebonden die met name de rechtmatigheid van de uitvoering moeten waarborgen. Het aantal en de omvang van financiële correcties (apurement) geven een indicatie van de mate van rechtmatigheid van de uitvoering.
Zoals gesteld betreft de hervorming van het GLB een continu proces. Op de WTO-top van eind 2005 zijn in Hongkong afspraken gemaakt over de uitfasering van exportrestituties.
Daarnaast is er met ingang van 2007 een nieuw financieel regime op het GLB van toepassing. De eerste pijler en de tweede pijler van het GLB worden dan vanuit twee aparte fondsen (Europees Garantie fonds voor de Landbouw (EGFL) en Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)) gefinancierd. In de volgende paragraaf wordt de vorming van het ELFPO nader toegelicht. Tenslotte is in 2008 een rapportage van de Europese Commissie voorzien over de mid-term review van het GLB.
4. Het plattelandsbeleid: de tweede pijler van het GLB
In 2005 heeft de Raad van Ministers een nieuwe verordening inzake steun voor plattelandsontwikkeling (verordening (EG) nr. 1698/2005) vastgesteld. Deze verordening vormt de basis van het Europese plattelandsbeleid voor de periode 2007–2013. De verordening streeft vier doelen na. Drie doelen zijn inhoudelijk van aard, te weten verbetering van de concurrentiekracht van de land- en de bosbouw; verbetering van het milieu en het platteland; en verhogen van de leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie. Een vierde doel is veel meer procesmatig van aard en betreft het bevorderen van locale plattelandsontwikkeling via de Leaderaanpak. Deze doelstellingen sluiten goed aan bij de prioriteiten van Nederland.
Tevens wordt er een belangrijke slag gemaakt in de vereenvoudiging van de uitvoering door de vorming van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). In dit fonds worden de geldstromen voor het huidige plattelandsbeleid uit het GLB (POP) en de geldstromen voor twee onderdelen van de structuurfondsen die gericht zijn op het platteland (Doelstelling 1 en Leader +) samengebracht. Voor deze geldstromen zal dan één beheers- en controlemechanisme van toepassing zijn. Hiermee wordt het plattelandsbeleid voor deze onderdelen vereenvoudigd en worden de administratieve lasten voor bedrijfsleven en overheid verminderd.
De nieuwe plattelandsverordening is samen met de communautaire strategische richtsnoeren voor plattelandsontwikkeling (programmeringsperiode 2007–2013) (besluit 2006/144/EG) en de uitvoerings- en overgangsverordening bij de plattelandsverordening de Europese basis voor de Nederlandse Plattelandsstrategie en het Nederlandse Plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2007–2013 (POP2). Nationaal wordt POP2 ingevuld op basis van de Agenda Vitaal Platteland en bijbehorend Meerjarenprogramma, de provinciale Meerjarenprogramma’s, de nota «Natuur voor mensen, mensen voor natuur»en de nota «Kiezen voor Landbouw».
Het POP2 zal naar verwachting in september 2006 ter goedkeuring aan de Europese Commissie worden voorgelegd. Pas na goedkeuring (naar verwachting eind 2006) treedt het POP2 in werking. POP2 is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk en provincies. Uitvoering van het POP2 zal voornamelijk gebeuren via de provinciale meerjarenprogramma’s en via het ondernemersprogramma van het Rijk. Het Rijk is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van het POP2.
De EU-bijdrage voor plattelandsontwikkeling aan de lidstaten moet nog definitief worden vastgesteld. Naar verwachting kan Nederland in de periode 2007–2013 rekenen op een EU bijdrage van € 490 mln. voor plattelandsontwikkeling inclusief de modulatiegelden (middelen uit de eerste pijler GLB die worden toegevoegd aan het plattelandsbudget).
5. Gemeenschappelijk Visserijbeleid: Europees Visserijfonds
In de periode 2007–2013 vervangt een nieuw Europees Visserijfonds EVF) het huidige Financierings-instrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV). De Europese Commissie wil met het nieuwe fonds haar middelen inzetten op verduurzaming van het visserijbeleid. In de voorstellen wordt nadrukkelijk aandacht geschonken aan verdere sanering van de visserijvloot, de omschakeling naar meer selectieve visserijmethoden, stimulering van innovatie en viskweek, verbrede ontwikkeling van de kustzone en de economische positie van jonge vissers. Op basis van een voorlopig verdelingsvoorstel kan Nederland rekenen op een EU bijdrage van € 48 mln. in de periode 2007–2013.
6. De structuurfondsen: Doelstelling 2
Vanuit de structuurfondsen is voor LNV Doelstelling 2 (D2) van belang. D2 levert een bijdrage aan de ondersteuning van regionale concurrentiekracht en werkgelegenheid.
Voor D2 worden binnen de lidstaten meerjarige uitvoeringsprogramma’s opgesteld. Deze programma’s, op basis waarvan de subsidies uit de structuurfondsen worden toegekend, worden veelal opgesteld en uitgevoerd door andere overheden in samenwerking met private partijen op regionaal of lokaal niveau. De decentrale uitvoerders zijn middels convenanten gedelegeerd verantwoordelijk voor de operationele programma’s. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor horizontale aspecten, zoals interpretaties van wet- en regelgeving, de verwerking van onregelmatigheden en houdt toezicht op de decentrale uitvoering en verzorgt de rapportage aan de Tweede Kamer.
De structuurprogramma’s binnen D2 ontvangen vanuit de EU bijdragen uit het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO). Rijk, provinciale en lokale overheden en private partijen nemen de co-financiering vanuit Nederland voor hun rekening.
Voor de periode 2007–2013 zal Nederland naar verwachting een bedrag van ruim € 1,6 miljard ontvangen uit de structuurfondsen. Het grootste deel hiervan (€ 1,5 miljard) heeft betrekking op Doelstelling 2 Regionale Concurrentiekracht en Werkgelegenheid. 50% van de middelen voor Doelstelling 2 zal bestaan uit het EFRO (Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling) en 50% zal bestaan uit het ESF (Europees Sociaal Fonds). Het EFRO zal decentraal door provincies en steden worden uitgevoerd in landsdelige programma’s.
In het Nationaal Strategisch Referentiekader voor de structuurfondsen (NSR) geeft het Rijk aan waar de structuurfondsenprogramma’s zich in de periode 2007–2013 primair op zullen moeten richten. In deze strategie is bepaald dat de structuurfondsen een belangrijke bijdrage moeten gaan leveren aan het behalen van de Lissabondoelstellingen. Voor de Doelstelling 2 EFRO-programma’s betekent dit dat tenminste 60% van de programma’s zich moet richten op kennis en innovatie. Voor LNV is in dat verband de versterking van de innovatieve kracht van het agrocomplex van belang en de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden zoals Foodvalley en Greenports.
Naast directe investeringen in kennis en innovatie zijn ook de randvoorwaarden van belang om de concurrentiekracht van regio’s te versterken. Het gaat dan met name om het versterken van het vestigings- en leefklimaat. Voor dit type maatregelen ter versterking van de attractiviteit van de regio’s is een ruimtelijke focus aangebracht op de stedelijke netwerken en economische kerngebieden.
Voor LNV gaat het hier met name om groen-blauwe doelen, zoals Groen in en om de Stad en Natura 2000, die bijdragen aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat en duurzaam toerisme en recreatie. Ook het versterken van de landschappelijke kwaliteit speelt hierbij een belangrijke rol.
Aangezien de operationele programma’s en ook de provinciale MJP’s nog niet gereed zijn is er nog geen inschatting van de bijdrage van de structuurfondsen aan de verschillende LNV-thema’s.
| ACFM | Advisory Committee on Fishery Management |
| AD | Algemene Doelstelling |
| AI | Aviaire influenza |
| AID | Algemene Inspectiedienst |
| AMvB | Algemene Maatregel van Bestuur |
| AOC | Agrarisch Opleidingscentrum |
| ARC | Actieprogramma Ruimte & Cultuur |
| AVP | Agenda Vitaal Platteland |
| BBL | Bureau Beheer Landbouwgronden |
| BBL | Beroepsbegeleidende Leerweg |
| BES | Bilaterale Economische Samenwerking |
| BOL | Beroeps Opleidende Leerweg |
| BOL | Besluit Ontwikkeling Landschap |
| BPE | bodemsanering prestatie eenheden |
| BSE | Bovine Spongiform Encephalopathy |
| BZ | Ministerie van Buitenlandse Zaken |
| CITO | Ontwikkeling examens en toetsing |
| COKZ | Centraal Orgaan Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel |
| CBRN | Beleidsstrategie chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair |
| CLIENT | Controles op Landbouwgoederen bij Im- en export naar een Nieuwe Toekomst |
| CTB | College Toelating Bestrijdingsmiddelen |
| DK | Directie Kennis |
| DL | Directie Landbouw |
| DLG | Dienst Landelijk Gebied |
| DGF | Diergezondheidsfonds |
| DLO | Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek |
| DR | Dienst Regelingen |
| EFRO | Europees Fonds voor de Regionele Ontwikkeling |
| EHS | Ecologische Hoofd Structuur |
| EIA | Energie-Investeringsaftrek |
| ELFPO | Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling |
| ELGF | Europees Landbouwgarantiefonds |
| EPD | Enkelvoudig Programmerings Document |
| EU | Europese Unie |
| EVF | Europese Visserijfonds |
| EZ | Ministerie van Economische Zaken |
| FAO | Food and Agricultural Organisation |
| FES | Fonds Economische Structuurversterking |
| FIOV | Financieringsinstrument voor de oriëntatie van de Visserij |
| GIOS | Groen in en om de Stad |
| Glami | Convenant Glastuinbouw en Milieu |
| GLB | Gemeenschappelijke Landbouwbeleid |
| GNO | Gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong |
| GSB | Grote Steden Beleid |
| GVB | Gemeenschappelijke Visserijbeleid |
| GWWD | Gezondheids- en Welzijnswet Dieren |
| HAO | Hoger Agrarisch Onderwijs |
| HACCP | Hazards Analysis of Critical Control Points |
| HBO | Hoger Beroeps Onderwijs |
| HGIS | Homogene Groep International Samenwerking |
| HPA | Hoofdproductschap Akkerbouw |
| I&R | Identificatie en Registratie |
| ICT | Informatie Communicatie Technologie |
| ILG | Inrichting landelijk gebied |
| IMARES | Institute for Marine Resources & Ecosystem Studies |
| INGRA | Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster |
| IPC | Innovatie praktijkcentra |
| IPO | Interprovinciaal overleg |
| IPSV | Innovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing |
| IRG | Infrastructuurregeling Glastuinbouw |
| ISV | Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing |
| IVN | Instituut voor Natuurbeschermingeducatie |
| KCB | Kwaliteits Controlebureau Groenten en Fruit |
| KCE | Kwaliteitsverbetering examens |
| KiGH | Subsidiering kwaliteit Groene Hart |
| KNAW | Koninklijke Nederlandse Agrarische Wetenschappen |
| KVP | Klassieke varkenspest |
| LEI | Landbouw-Economisch Instituut |
| LID | Landelijke Inspectiedienst voor Dieren |
| LNV | Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit |
| LPC | Landelijk pedagogische centra |
| Mavo | Middelbaar Algemeen Voortgezet Onderwijs |
| MBL | Marktontwikkeling Biologische Landbouw |
| MBO | Middelbaar beroepsonderwijs |
| MIA | Milieu-Investeringsaftrek |
| MJA | Meerjaren afspraken |
| MJP | Meerjarenprogramma Vitaal Platteland |
| MKB | Midden- en Kleinbedrijf |
| MKZ | Mond- en klauwzeer |
| MKBA | Maatschappelijke Kosten Batenanalyse |
| MTE | midtermevaluatie |
| NCVS | Nationaal Centrum voor Visstand en Sportvisserij |
| NMI | Nederlands Mediation Instituut |
| NURG | Nadere Uitwerking Rivierengebied |
| NVAO | Nederlandse Vlaamse Accreditatie Organisatie |
| NvM | Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur |
| NVVS | Nederlandse Vereniging van Sportvissersfederaties |
| OC/EC | Ontwikkel- en Expertisecentrum |
| OCW | Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen |
| OD | Operationele Doelstelling |
| PD | Plantenziektenkundige Dienst |
| PEEN | Pan-Europees Ecologische Netwerk |
| PIA | Professioneel Inkopen en Aanbesteden |
| PNB | Particulier Natuurbeheer |
| POP2 | Plattelandsontwikkelingsprogramma |
| PT | Productschap Tuinbouw |
| PVV | Productschap voor Vee en Vlees |
| PPE | Productschap voor Pluimvee en eieren |
| PZ | Productschap Zuivel |
| RBB | Regeling bedrijfshervestiging en -beëindiging |
| RBON | Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling |
| RBV | Regeling Beëindiging Veehouderij-takken |
| RGD | Rijksgebouwendienst |
| RoDS | Recreatie om de Stad |
| RSG | Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw |
| RVR | Regeling versterking recreatie |
| RWT | Rechtspersoon met een wettelijke taak |
| SAN | Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer |
| SBB | Staatsbosbeheer |
| SBIR | Small Business Innovation Research Program |
| SGB | Subsidie gebiedsgericht beleid |
| SN | Subsidieregeling Natuurbeheer |
| SNLW | Subsidieregeling regionaal netwerk landelijke wandelpaden |
| SRN | Stichting Recreatie Toervaart |
| Stidug | Stimulering Duurzame Glastuinbouwgebieden |
| SVBP | Stimuleringsregeling Voortzetting Biologische Productie |
| TSE | Transmissible Spongiform Encephalopathies |
| V&W | Ministerie van Verkeer en Waterstaat |
| VAMIL | Regeling Vervroegde Afschrijving Milieu-investeringen |
| VBO | Voorbereidend Beroepsonderwijs |
| VD | Voedselkwaliteit en Diergezondheid |
| VEWIN | Vereniging van Waterbedrijven in Nederland |
| VIRIS | Visserij Registratie Informatie Systeem |
| VMBO | Voortgezet Middelbaar Beroepsonderwijs |
| VNBBL | Versterking natuur- en bosbeheer bij bos- en landgoedeigenaren |
| VROM | Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu |
| VWA | Voedsel en Waren Autoriteit |
| VWS | Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| WEB | Wet Educatie en Beroepsonderwijs |
| WHW | Wet Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek |
| WILG | Wet Inrichting Landelijk Gebied |
| WO | Wetenschappelijk onderwijs |
| WOT | Wettelijke onderzoekstaken |
| WTO | World Trade Organisation |
| WU | Wageningen Universiteit |
| WUR | Wageningen Universiteit en Research centrum |
| WVO | Wet op het voortgezet onderwijs |
| ZBO | Zelfstandig bestuursorgaan |
Agrarische ruimte 4, 47, 129
Agrobiodiversiteit 38, 50, 62
Agrocluster 150
Agrofoodcomplex 31, 79, 80, 81
Agrologistiek 33, 35, 44, 45, 46, 51
AID 4, 34, 39, 56, 66, 74, 75, 76, 77, 78, 98, 102, 103, 104, 105, 106, 117, 149
Aviaire Influenza 12, 133, 141
Biodiversiteit 6, 37, 38, 39, 52, 53, 54, 55, 61, 62
Biologische landbouw 16, 39, 40, 42, 79
Biotechnologie 37, 73, 75
BSE 72, 73, 76, 77, 149
Concurrentiekracht 8, 10, 19, 40, 45, 146, 147, 148
Dierenwelzijn 12, 14, 17, 32, 35, 37, 39, 45, 123, 139, 145
Diergezondheid 4, 6, 71, 72, 73, 74, 75, 77, 89, 120, 123, 132, 141, 151
Diergezondheidsfonds 24, 77, 124, 139, 149
Diergezondheidsniveau 73, 77
Dierziekten 12, 18, 23, 24, 71, 72, 77, 141
DLO 13, 81, 82, 83, 84, 85, 88, 89, 90, 143, 149
DR 4, 33, 34, 42, 56, 66, 74, 83, 100, 117, 119, 120, 121, 122, 139, 149
Duurzaam ondernemen 4, 6, 14, 27, 30, 31, 81, 89, 128
Duurzame ontwikkeling 12, 13, 21, 51, 52, 62
Energiebesparingsbeleid 40
FAO 6, 97, 149
FIOV 8, 35, 147, 149
Fytosanitair 16, 32, 37, 38, 39, 45, 112, 115, 139
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 14, 117
Gewasbescherming 16, 32, 35, 38, 39, 40, 137
Gewasbeschermingsmiddelen 32, 37, 38, 137, 149
Glastuinbouw 15, 16, 23, 24, 27, 32, 33, 35, 39, 40, 41, 42, 48, 51, 128, 129, 130, 149, 150, 151
Greenports 137, 148
Habitatrichtlijn 22, 52, 57, 60, 62
HGIS 6, 97, 150
ILG 6, 7, 11, 19, 20, 22, 26, 27, 28, 29, 40, 47, 48, 50, 51, 53, 54, 55, 57, 58, 59, 60, 63, 64, 65, 67, 68, 69, 70, 91, 92, 93, 94, 95, 107, 128, 129, 150
Innovatie 4, 6, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 19, 24, 25, 31, 33, 35, 36, 40, 41, 42, 43, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 86, 87, 88, 89, 90, 120, 128, 133, 140, 141, 142, 147, 148, 150
Kennisontwikkeling 25, 31, 43
Kiezen voor landbouw 14
Landinrichting 23, 24, 25, 26, 48, 49, 50, 58, 59, 64, 107, 111, 129, 130, 131, 135
Landschap en recreatie 6, 132
Landschap 4, 5, 9, 10, 11, 17, 19, 20, 21, 23, 27, 28, 29, 39, 45, 47, 52, 53, 57, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 67, 68, 69, 92, 120, 139, 148, 149
Meerjarenafspraken Energie 45
Melkveehouderij 13, 32, 40, 41
Mestbeleid 15, 21, 32, 33, 36, 37, 38, 39, 117, 118, 120
Meststoffenwet 35
Nationale landschappen 20, 63, 68
Nationale Parken 60
Natte natuur 22, 57, 59, 61
Natuur voor mensen, mensen voor natuur 54
Natuurbeschermingswet 22, 54, 55, 60
Nitraatrichtlijn 23, 24, 38
Non-vaccinatiebeleid 77
Onderwijsbeleid 84, 86
PD 34, 39, 112, 115, 139, 149, 150
Plattelandsbeleid 8, 144, 145, 146
Plattelandsontwikkeling 8, 19, 47, 117, 144, 145, 146, 147, 150
POP 19, 23, 25, 30, 35, 47, 48, 50, 69, 93, 107, 128, 146, 147, 150
Programma Beheer 54, 57, 58
Realiseren natuur 53, 130
Reconstructie 4, 5, 6, 19, 23, 25, 27, 91, 92, 93, 94, 95, 128, 131, 134, 135, 143
RSG 40, 42, 151
SAN 55, 138, 151
Scrapie 72, 75, 76, 77
Staatsbosbeheer 55, 57, 59, 60, 61, 62, 65, 70, 143, 151
Stidug 40, 42, 48, 51, 128, 129, 137, 151
Transitie 15, 23, 40, 41, 42, 87, 128
Veenweiden 29
Visserij 8, 16, 17, 23, 24, 25, 26, 30, 31, 33, 34, 35, 42, 43, 44, 89, 103, 128, 137, 140, 143, 144, 145, 147, 149, 150, 151
Voedsel en groen 13, 84
Voedselkwaliteit 1, 2, 3, 4, 6, 17, 18, 71, 73, 74, 75, 76, 78, 79, 120, 132, 141, 150, 151
Voedselveiligheid 17, 45, 71, 72, 73, 75, 76, 77, 89, 125, 127, 141, 145
Vogelpest 73, 141
Wageningen UR 13, 84
WEB 84, 86, 151
WILG 6, 19, 47, 69, 94, 95, 151
WTO 30, 31, 146, 151
nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING
A ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL
De begrotingsstaten die deel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2007 wijzigingen aan te brengen in:
a. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).
OVERZICHT BELANGRIJKSTE SUPPLETORE UITGAVENMUTATIES 2007 (NAJAARSNOTA)
| Art.nr. | Uitgaven 2007 | |
|---|---|---|
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 2 250,7 | |
| Stand 1e suppletore begroting 2007 | 2 401,2 | |
| Belangrijkste suppletore mutaties: | ||
| 1) Voedsel en Warenautoriteit | 25 | 9,3 |
| 2) Ganzenbeheer | 23 | 7,6 |
| 3) Programmabeheer | 23 | 7,1 |
| 4) Bufferzones, milieukwaliteit EHS en bodemsanering | 23/24 | 5,9 |
| 5) Apurement | 29 | 6,7 |
| 6) Project Mainport Rotterdam | 23 | 4,1 |
| 7) Glastuinbouw | 21 | –/- 34,0 |
| 8) Onderzoek | 26 | –/- 9,4 |
| 9) Inrichten EHS – natte natuur | 23 | –/- 5,0 |
| 10) Vernieuwen kennisstelsel | 26 | –/- 5,0 |
| 11) Overige mutaties | div. | 0,6 |
| Stand 2e suppletore begroting 2007 | 2 389,1 |
Als gevolg van lagere opbrengsten van derden, die met name worden veroorzaakt door het feit dat het nieuwe kostendekkende retributiestelsel nog niet in werking is getreden, door een krimpende markt voor VWAdiensten en tevens hogere apparaatskosten wordt de bijdrage aan de VWA verhoogd.
Voor het ganzenbeheer in de fourageergebieden zijn voor het seizoen 2006/2007 éénjarige overeenkomsten aangegaan. De hiermee samenhangende kosten bedragen € 7,6 mln.
De uitvoeringskosten en controlekosten van het Programmabeheer (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer) vallen hoger uit dan geraamd o.a. door hogere ICT kosten ten behoeve van uitvoering Programmabeheer, hogere kosten van extra bezwaar- en beroepszaken, de inregelkosten van ILG met de provincies en kosten ten behoeve van ondersteuning Natura 2000.
4) Bufferzones, milieukwaliteit EHS en bodemsanering
Er vinden uitgaven plaats voor de aankoop van bufferzones in natuurgebieden en rond de steden in het kader van het ILG. De Ministeries van VROM en V&W leveren middels jaarlijkse betaling hieraan een bijdrage (zie ook de ontvangsten).
Correcties door de Europese Commissie in verband met de Moderniserings-richtlijn POP-1 en boetes in verband met oninbaar gebleken vorderingen leiden tot betaling van zogenaamde apurementskosten aan Brussel.
Het Ministerie van VROM levert middels een budgetoverheveling een bijdrage ten behoeve van de aanleg van natuurgebieden in het kader van het Project Mainport Rotterdam.
In de begroting 2007 is voor de periode 2007–2009 jaarlijks € 35 mln. beschikbaar gesteld voor het versneld doorvoeren van innovatieve, energiebesparende maatregelen in de glastuinbouwsector. Rekening houdend met de openstelling, planning en uitfinanciering van de maatregelen is een intemporele verschuiving verwerkt.
De lagere uitgaven zijn het gevolg van een aangepaste bevoorschotting, in de uitvoering van onderzoeksprojecten. De vertraging hangt mede samen met het inlopen van een achterstand in reeds lopende onderzoeken.
9) Inrichten EHS – Natte natuur
De uitvoering van projecten door het Ministerie van Verkeer & Waterstaat op het gebied van natte natuur heeft vertraging opgelopen. De bijdrage die het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zou leveren aan V&W valt derhalve lager uit.
De uitgaven die in het kader van de verzelfstandiging van de Innovatieve PraktijkCentra (IPC’s) zijn gemaakt, vallen lager uit dan geraamd. Om de verzelfstandiging te realiseren moeten afspraken gemaakt worden over overgangsbepalingen. Over de overgangsbepalingen is nog geen overeenstemming bereikt, waardoor bepaalde uitgaven nog niet gerealiseerd zijn.
OVERZICHT BELANGRIJKSTE SUPPLETORE ONTVANGSTENMUTATIES 2007 (NAJAARSNOTA)
| Art.nr. | Ontvangsten 2007 | |
|---|---|---|
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 395,9 | |
| Stand 1e suppletore begroting 2007 | 430,6 | |
| Belangrijkste suppletore mutaties: | ||
| 1) Landbouwheffingen | 29 | 75,2 |
| 2) Regeling Bedrijfsbeëindiging Veehouderijtakken | 21 | 5,2 |
| 3) Bufferzones, milieukwaliteit EHS en bodemsanering | 23/24 | 4,1 |
| 4) Verkoop gronden Bureau Beheer Landbouwgronden | 24 | –/- 7,0 |
| Overige mutaties | div. | 4,0 |
| Stand 2e suppletore begroting 2007 | 512,1 |
Naar de huidige inzichten vallen de ontvangsten landbouwheffingen in verband met hogere importvolumes ca. € 75 mln. hoger uit.
2) Regeling Bedrijfsbeëindiging Veehouderijtakken
De hogere ontvangsten houden verband met het feit dat voorgaande jaren LNV het provinciale deel (voor sloop) van de Regeling Bedrijfsbeëindiging Veehouderijtakken heeft voorgefinancierd. Deze middelen worden van de provincies terug ontvangen.
3) Bufferzones, milieukwaliteit EHS en bodemsanering
De Ministeries van VROM en V&W leveren middels jaarlijkse betaling een bijdrage aan de aankoop van bufferzones in natuurgebieden en rond de steden in het kader van het ILG (zie ook de uitgavenmutaties).
4) Verkoop gronden Bureau Beheer Landbouwgronden
De ontvangstentaakstelling voor verkoop van gronden door Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) wordt in 2007 niet volledig gehaald. Dit deel schuift door naar 2008 en volgende jaren. Het niet halen van de taakstelling wordt veroorzaakt door bestuurlijke vertraging vanwege medezeggenschap van de provincies, aangezien de verkoop van BBL-gronden deel uit maakt van het ILG.
ONDERDEEL B. TOELICHTING OP DE BELEIDSARTIKELEN
Budgettaire gevolgen van beleid
| (1) | (2) | (3) | (4)=(2+3) | |
|---|---|---|---|---|
| 21 Duurzaam ondernemen | Stand ontwerp-begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutaties 2e suppletore begroting 2007 | Stand 2e suppletore begroting 2007 |
| Verplichtingen | 289 775 | 296 137 | 33 271 | 329 408 |
| Uitgaven | 299 472 | 301 007 | – 36 934 | 264 073 |
| Programma-uitgaven: | 121 249 | 117 023 | – 51 302 | 65 721 |
| – waarvan juridisch verplicht | 39 626 | |||
| 21.11 Verbeteren van ondernemerschap en | ||||
| ondernemersklimaat | 6 655 | 6 655 | – 2 798 | 3 857 |
| 21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn | 21 178 | 18 573 | 2 190 | 20 763 |
| 21.13 Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen w.o. biologische landbouw | 76 988 | 75 667 | 47 742 | 27 925 |
| 21.14 Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren | 11 365 | 11 065 | – 5 953 | 5 112 |
| 21.15 Bevorderen van duurzame ketens | 5 063 | 5 063 | 3 001 | 8 064 |
| Apparaatsuitgaven | 178 223 | 183 984 | 14 368 | 198 352 |
| 21.21 Apparaat | 17 246 | 17 653 | 1 273 | 18 926 |
| 21.22 Baten-lastendiensten | 160 977 | 166 331 | 13 095 | 179 426 |
| Ontvangsten | 16 938 | 17 657 | 5 688 | 23 345 |
De mutaties op de programma-uitgaven houden met name verband met het volgende:
– Er is een kasverschuiving van € 34 mln. van 2007 naar latere jaren verwerkt (OD 21.13). De kasbudgetten voor regelingen in het kader van innovatieve, energiebesparende maatregelen in de glastuinbouw worden hiermee in overeenstemming gebracht met de verwachte uitfinanciering.
– In 2007 wordt € 16 mln. minder uitgegeven voor onder andere monitoring derogatie (OD 21.12), glastuinbouw (OD 21.13) en verduurzaming in de visserijsector (OD 21.14). Hiervan komt een deel in 2008 tot betaling, waarvan in elk geval € 4,5 mln. voor verduurzaming in de visserijsector.
– Met ingang van 2007 is de EU-cofinanciering ad € 4,7 mln. voor de LNV-regelingen Investeringsregeling Jonge Agrariërs en Regeling Stimulering Biologische Productie buiten begrotingsverband gebracht (OD 21.11 en 21.13).
– Voor de uitvoering van een project in het kader van de Stimuleringsregeling Duurzame Glastuinbouwgebieden (Stidug) wordt € 3,6 overgeboekt naar OD 22.12. De nieuwe Stidug-projecten worden via het Investeringsbudget (ILG) gefinancierd.
– Als gevolg van de verlenging van de verrekeningstermijn van de Mineralenheffing kunnen in het verleden betaalde Mineralenheffingen over een periode van 6 jaar worden verrekend (OD 21.12). Er vindt in 2007 naar verwachting € 7,5 mln. terugbetalingen aan boeren plaats.
– Voor de ontwikkeling van het beleidsprogramma Client-export wordt € 3 mln. meer uitgegeven (OD 21.15)
De hogere bijdrage aan de baten-lastendiensten wordt als volgt verklaard:
– de toedeling van de loonbijstellingstranche 2007 (+ € 3,1 mln.)
– een bijdrage aan de Plantenziektenkundige Dienst (PD) in verband met compensatie voor verschil in loon van medewerkers die als gevolg van Plantkeur naar de keuringsdiensten overgaan (+ € 2,9 mln.)
– een bijdrage aan de Dienst Regelingen voor het programma Electronische Dienstverlening (+ € 4,8 mln.)
– de implementatie van het programma Client-export (+ € 1,0 mln.)
De ontvangstenraming wordt verhoogd met per saldo € 5,7 mln. De belangrijkste oorzaken zijn:
– ontvangsten Mineralenheffing (+ € 3,0 mln.);
– overheveling vanuit het Ontwikkeling- en Saneringsfonds voor de Landbouw voor schadeclaims Wet Herstructurering mestbeleid en voor de uitvoering van het EZ-innovatieprogramma (+ € 2,9 mln.);
– terugontvangsten van de provincies in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (+ € 5,2 mln.)
– het buiten begrotingsverband brengen van de EU-cofinanciering voor de LNV-regelingen Investeringsregeling Jonge Agrariërs en Regeling Stimulering Biologische Productie (-/- € 4,7 mln.)
Budgettaire gevolgen van beleid
| (1) | (2) | (3) | (4)=(2+3) | |
|---|---|---|---|---|
| 22 Agrarische ruimte | Stand ontwerp-begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutaties 2e suppletore begroting 2007 | Stand 2e suppletore begroting 2007 |
| Verplichtingen | 10 913 | 190 596 | 4 232 | 194 828 |
| Uitgaven | 31 444 | 31 344 | 4 999 | 36 343 |
| Programma-uitgaven | 20 978 | 20 878 | 4 762 | 25 640 |
| – waarvan juridisch verplicht | 20 978 | |||
| 22.11 Ruimte voor grondgebonden landbouw | 16 228 | 16 128 | 1 162 | 17 290 |
| 22.12 Ruimte voor niet grondgebonden landbouw | 4 750 | 4 750 | 3 600 | 8 350 |
| Apparaatsuitgaven | 10 466 | 10 466 | 237 | 10 703 |
| 22.21 apparaat | 123 | 123 | 3 | 126 |
| 22.22 baten-lastendiensten | 10 343 | 10 343 | 234 | 10 577 |
| Ontvangsten | 45 911 | 45 911 | – 2 161 | 43 750 |
De mutaties op dit artikel houden verband met het volgende:
– De terugbetaling voorfinanciering van de landinrichtingsrente wordt sneller uitgevoerd dan gepland (OD 22.11). De provincie Zeeland heeft in het kader van het uitvoeringscontract 05/06 voorfinanciering gedaan op het gebied van de grondgebonden landbouw. De aanvankelijke afspraken voor terugbetaling was eerst voorzien vanaf 2008.
– In het kader van de Stimuleringsregeling duurzame glastuinbouwgebieden (Stidug) wordt het zogenaamde project Berlikum uitgevoerd. Bij dit project wordt bij de verwarming van kassen aardwarmte gebruikt. Aangezien de nieuwe Stidug-projecten via het ILG worden gefinancierd, wordt € 3,6 mln. overgeboekt van OD 21.13 naar OD 22.12.
Uit hoofde van de landinrichtingsrente wordt in 2007 € 2,1 mln. minder ontvangen.
Budgettaire gevolgen van beleid
| (1) | (2) | (3) | (4)=(2+3) | |
|---|---|---|---|---|
| 23 Natuur | Stand ontwerp-begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutaties 2e suppletore begroting 2007 | Stand 2e suppletore begroting 2007 |
| Verplichtingen | 406 969 | 2 233 309 | 122 529 | 2 355 838 |
| – waarvan garanties | 74 166 | 74 166 | 47 790 | 121 956 |
| Uitgaven | 453 760 | 497 325 | 21 007 | 518 332 |
| Programma-uitgaven | 390 564 | 434 020 | 11 169 | 445 189 |
| – waarvan juridisch verplicht | 278 224 | |||
| 23.11 Verwerven Ecologische Hoofdstructuur | 80 075 | 84 410 | 393 | 84 803 |
| 23.12 Inrichten Ecologische Hoofdstructuur | 90 090 | 117 994 | 5 270 | 123 264 |
| 23.13 Beheren Ecologische Hoofdstructuur | 150 938 | 156 122 | 13 734 | 169 856 |
| 23.14 Beheer van de natuur buiten de EHS en beschermen van de internationale biodiversiteit | 69 461 | 75 494 | – 8 228 | 67 266 |
| Apparaatsuitgaven | 63 196 | 63 305 | 9 838 | 73 143 |
| 23.21 apparaat | 6 459 | 6 568 | 323 | 6 891 |
| 23.22 baten-lastendiensten | 56 737 | 56 737 | 9 515 | 66 252 |
| Ontvangsten | 7 889 | 9 975 | 5 184 | 15 159 |
Het verplichtingenbudget wordt verhoogd met € 122,6 mln. Dit wordt veroorzaakt door het volgende:
– Er wordt voor € 47,8 mln. meer garantieverplichtingen aangegaan voor leningen ten behoeve van de Particuliere Natuurbeschermingsorganisaties.
– De verplichtingen met betrekking tot de loonbijstelling op de ILG-onderdelen worden geheel in 2007 aangegaan, het verschil met de uitgavenverhoging is € 19 mln.
– In het kader van het Investeringsbudget Landelijk Gebied wordt het verplichtingenbudget verhoogd met € 19 mln. voor onder meer projecten in het kader van Natura 2000.
– In de ILG-overeenkomst wordt rekening gehouden met een bedrag voor oplopende beheerslasten natuurgebieden voor 2012 en 2013. Het verplichtingenbudget wordt op grond hiervan verhoogd met € 18,2 mln.
De verhoging van de uitgaven voor Inrichten Ecologische Hoofdstructuur (OD 23.12) met € 5,3 mln. houdt voornamelijk verband met het volgende:
– De uitfinanciering van inrichtingsprojecten in het kader van de Nota Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) vindt sneller plaats dan geraamd (+ € 3,2 mln.)
– Het Ministerie van VROM draagt bij aan het Project Mainport Rotterdam (+ € 4,1 mln.) en projecten in het kader van de milieukwaliteit van de EHS (+ € 3,5 mln.).
– De uitvoering van projecten door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (V&W) op het gebied van natte natuur heeft vertraging opgelopen. Hierdoor valt de bijdrage aan het Ministerie van V&W lager uit (-/- € 5 mln.).
Het uitgavenbudget Beheren Ecologische Hoofdstructuur (OD 23.13) wordt verhoogd met € 13,7 mln. De belangrijkste oorzaken zijn:
– Voor het ganzenbeheer in de fourageergebieden zijn voor het seizoen 2006/2007 éénjarige overeenkomsten aangegaan. De hiermee samenhangende kosten bedragen € 7,6 mln.
– De loonbijstellingstranche 2007 is toegedeeld (+ € 3,1 mln.)
– Er wordt een hogere bijdrage (+ € 1 mln.) aan de provincie Drenthe verleend voor uitvoering van de Subsidieregeling Natuurbeheer, onderdeel functieverandering. Deze bijdrage maakt deel uit van het ILG.
De verlaging van de uitgaven voor Beheer buiten EHS (OD 23.14) met € 8,2 mln. houdt met name verband met het volgende:
– Er is vertraging opgetreden in de uitvoering van projecten in het kader van Natura 2000, Leefgebiedenbenadering en de oprichting van de Gegevensautoriteit Natuur (-/- € 3,7 mln.);
– Er wordt een bijdrage geleverd aan de Dienst Landelijk Gebied voor de uitvoering van projecten in het kader van Natura 2000 (-/- € 1,2 mln.)
– LNV levert een bijdrage aan het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijk Ordening en Milieubeheer voor de kosten van de Commissie Milieu Effect Rapportage (-/- € 1,7 mln.)
– Voor de uitvoering van de wettelijke onderzoekstaak informatievoorziening Natuur door DLO worden middelen overgeboekt naar artikel 26 (-/- € 1 mln.).
De hogere bijdrage aan baten-lastendiensten wordt als volgt verklaard:
– De uitvoeringskosten en controlekosten van het Programmabeheer (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer) vallen € 7,1 mln. hoger uit dan geraamd o.a. door hogere ICT kosten ten behoeve van uitvoering Programmabeheer, hogere kosten van extra bezwaar- en beroepszaken, de inregelkosten van ILG met de provincies en kosten ten behoeve van ondersteuning Natura 2000.
– De bijdrage aan de Dienst Landelijk Gebied wordt verhoogd voor de uitvoering van projecten in het kader van Natura 2000 (+ € 1,2 mln.)
De verhoging van de ontvangstenraming wordt voornamelijk veroorzaakt door:
– een bijdrage van VROM voor de aankoop van bufferzones in natuurgebieden en rond de steden (+ € 1,2 mln.) Deze bijdrage maakt deel uit van het ILG.
– terugontvangsten van Staatsbosbeheer, die verband houden met lagere waterschapslasten, niet verrekenbare BTW en opbrengsten uit verkopen en ruilingen van doelstellingsgerichte gronden uit 2006 (+ € 1,3 mln.).
– hogere inkomsten van derden verband houdende met hogere uitgaven door de snellere uitvoering van inrichtingsprojecten in het kader van de Nota Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) (+ € 0,8 mln.)
– een bijdrage van het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking voor het project «Leren voor Duurzaamheid» (+ € 0,9 mln.)
Budgettaire gevolgen van beleid
| (1) | (2) | (3) | (4)=(2+3) | |
|---|---|---|---|---|
| 24 Landschap en recreatie | Stand ontwerp-begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutaties 2e suppletore begroting 2007 | Stand 2e suppletore begroting 2007 |
| Verplichtingen | 143 518 | 685 331 | 1 610 | 686 941 |
| Uitgaven | 162 237 | 182 434 | 2 298 | 184 732 |
| Programma-uitgaven | 130 715 | 150 738 | 734 | 151 472 |
| – waarvan juridisch verplicht | 114 180 | |||
| 24.11 Nationale Landschappen | 25 842 | 19 813 | – 1 473 | 18 340 |
| 24.12 Landschap Algemeen | 8 100 | 11 074 | – 3 165 | 7 909 |
| 24.13 Groen en de Stad | 57 314 | 80 252 | 4 826 | 85 078 |
| 24.14 Recreatie algemeen | 39 459 | 39 599 | 546 | 40 145 |
| Apparaatsuitgaven | 31 522 | 31 696 | 1 564 | 33 260 |
| 24.21 apparaat | 4 138 | 4 312 | 947 | 5 259 |
| 24.22 baten-lastendiensten | 27 384 | 27 384 | 617 | 28 001 |
| Ontvangsten | 750 | 23 650 | – 2 274 | 21 376 |
De mutaties op dit artikel houden verband met het volgende:
– Als gevolg van vertraging in de verwerving van bos- en landschap wordt € 1,5 mln. minder uitgegeven (OD 24.11).
– Door vertraging in investeringen voor Veenweidegebieden wordt € 3 mln. minder uitgegeven (OD 24.12).
– Voor de aankoop van bufferzones in natuurgebieden en rond de steden in het kader van het ILG wordt € 4,7 mln. meer uitgegeven (OD 24.13). Hiervoor ontvangt LNV een bijdrage van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (zie ook de ontvangsten)
– De apparaatsuitgaven worden verhoogd met € 1,6 mln. in verband met de toedeling van de loonbijstellingstranche 2007 (OD 24.21 en 24.22).
De ontvangstenraming wordt verlaagd met per saldo € 2,3 mln. Dit wordt veroorzaakt door het volgende:
– De ontvangstentaakstelling voor verkoop van gronden door Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) wordt in 2007 niet volledig gehaald (-/- € 7 mln.). Dit deel schuift door naar 2008 en volgende jaren.
– Van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijk Ordening en Milieubeheer wordt een bijdrage ad € 4,7 mln. ontvangen voor de aankoop van bufferzones in natuurgebieden en rond de steden. Deze bijdrage maakt deel uit van het ILG.
Budgettaire gevolgen van beleid
| (1) | (2) | (3) | (4)=(2+3) | |
|---|---|---|---|---|
| 25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid | Stand ontwerp-begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutaties 2e suppletore begroting 2007 | Stand 2e suppletore begroting 2007 |
| Verplichtingen | 75 947 | 105 502 | 11 146 | 116 648 |
| Uitgaven | 75 947 | 104 302 | 9 183 | 113 485 |
| Programma-uitgaven | 31 818 | 38 990 | – 5 624 | 33 366 |
| waarvan juridisch verplicht | 14 145 | |||
| 25.11 Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon | 10 542 | 21 528 | – 717 | 20 811 |
| 25.12 Handhaven diergezondheidsniveau | 21 276 | 17 462 | 4 907 | 12 555 |
| Apparaatsuitgaven | 44 129 | 65 312 | 14 807 | 80 119 |
| U25.21 Apparaat | 6 718 | 6 529 | 273 | 6 802 |
| U25.22 baten-lastendiensten | 37 411 | 58 783 | 14 534 | 73 317 |
| Ontvangsten | 14 770 | 11 987 | 536 | 12 523 |
De verhoging van het uitgaven- en verplichtingenbudget op dit artikel houdt voornamelijk verband met een hogere bijdrage aan de baten-lastendiensten:
– Als gevolg van lagere opbrengsten van derden, die met name worden veroorzaakt door het feit dat het nieuwe kostendekkende retributiestelsel nog niet in werking is getreden, door een krimpende markt voor VWA-diensten en tevens hogere apparaatskosten wordt de bijdrage aan de VWA verhoogd met € 9,3 mln.
– De bijdrage aan de Algemene Inspectiedienst wordt verhoogd met € 2,5 mln. in verband met de recente uitbraak van Bluetongue (BT), de MKZ-dreiging vanaf augustus 2007, de dreiging in 2007 van de hoogpathogene variant van de Vogelgriep (AI), voor handhavingskosten op het gebied van voedselveiligheid en controle van de aan- en afvoer van schapen en geiten van en naar de slachthuizen en verzamelcentra op basis van hygiëne-voorschriften.
De mutaties op de programma-uitgaven worden als volgt verklaard:
– De bouw van een database voor de identificatie en registratie van schapen en geiten is door opstartproblemen later op gang gekomen, waardoor er € 2 mln. minder wordt uitgegeven (OD 25.12)
– De Regeling Varkensleveringen is in 2007 ingetrokken. Hierdoor worden zowel de uitgaven als de ontvangsten verlaagd met -/- € 1,2 mln. (OD 25.12).
– Voor de uitvoering van onderzoeksprojecten door DLO op het gebied van de MKZ-bestrijding wordt € 0,7 mln. overgeboekt van OD 25.12 naar OD 26.14.
– Vanuit OD 25.12 wordt € 0,5 mln. bijgedragen aan de Algemene Inspectiedienst voor het inzetten van mobiele AID/VWA-teams ter controle van de aan- en afvoer van schapen en geiten van en naar de slachthuizen en verzamelcentra op basis van hygiëne-voorschriften.
– Vanuit OD 25.12 wordt € 0,6 mln. bijgedragen aan de Dienst Regelingen voor de voortzetting van de tijdelijke centrale database Identificatie en Registratie van schapen en geiten en het daaraan gekoppelde communicatietraject.
Budgettaire gevolgen van beleid
| (1) | (2) | (3) | (4)=(2+3) | |
|---|---|---|---|---|
| 26 Kennis en Innovatie | Stand ontwerp-begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutaties 2e suppletore begroting 2007 | Stand 2e suppletore begroting 2007 |
| Verplichtingen | 890 722 | 932 390 | 70 913 | 1 003 303 |
| Uitgaven | 897 204 | 920 364 | 7 843 | 928 207 |
| Programma-uitgaven | 883 895 | 906 587 | 7 088 | 913 675 |
| – waarvan juridisch verplicht | 803 694 | |||
| 26.11 Waarborgen van het kennisstelsel | 634 683 | 651 070 | 2 079 | 653 149 |
| 26.12 Benutten van samenhang tussen instellingen | 33 419 | 35 171 | 7 632 | 42 803 |
| 26.13 Vernieuwen van het kennisstelsel | 61 167 | 63 321 | – 7 258 | 56 063 |
| 26.14 Ondersteunen van LNV-beleid met kennis | 154 626 | 157 025 | 4 635 | 161 660 |
| Apparaatsuitgaven | 13 309 | 13 777 | 755 | 14 532 |
| 26.21 apparaat | 12 699 | 12 917 | 300 | 13 217 |
| 26.22 baten-lastendiensten | 610 | 860 | 455 | 1 315 |
| Ontvangsten | 27 662 | 39 169 | – 650 | 38 519 |
De verhoging van het verplichtingenbudget op dit artikel met € 70,9 mln. houdt met name verband met het volgende:
– Door de Dienst Landbouwkundig Onderzoek worden diverse projecten uitgevoerd met name op het gebied van MKZ, gewasbescherming en bemesting (+ € 10,6 mln.)
– De loonbijstellingstranche 2007 is toegedeeld (+ € 36,5 mln.)
– Ten aanzien van praktijkleren zijn meerjarige afspraken met de betrokken instellingen gemaakt over overgangsbepalingen in het kader van de verzelfstandiging van de Innovatieve PraktijkCentra (IPC’s). Hiervoor wordt het verplichtingenbudget met € 25 mln. verhoogd.
De mutaties op de uitgaven houden voornamelijk verband met het volgende:
– Voor de uitvoering van diverse projecten door DLO met name op het gebied van MKZ, gewasbescherming en bemesting wordt OD 26.14 verhoogd met € 7,1 mln.
– De loonbijstellingstranche 2007 is toegedeeld (+ € 18,6 mln.)
– In het kader van de verzelfstandiging van de Innovatieve Praktijkcentra (IPC’s) wordt in 2007 € 5,0 mln. minder uitgegeven dan geraamd (OD 26.13).
– Als gevolg van een aangepaste bevoorschotting voor de uitvoering van onderzoeksprojecten vallen de uitgaven € 9,5 mln. lager uit. De vertraging hangt mede samen met het inlopen van een achterstand in reeds lopende onderzoeken (OD 26.11/26.14).
– Bij amendement 30 800 XIV nr. 17 van Gent is € 2,0 mln. toegevoegd aan OD 26.14 voor onderzoek naar het vroegtijdig prenataal «sexen» van kippeneieren. In 2007 is € 0,4 mln. uitgegeven. De resterende € 1,6 mln. komt in 2008 en 2009 tot betaling.
– Bij amendement 30 800 XIV nr. 22 van Velzen is € 0,9 mln. toegevoegd aan OD 26.14 voor onderzoek naar alternatieven voor dierproeven. In 2007 is € 0,35 mln. uitgegeven. De resterende € 0,550 mln. wordt in 2008 uitgegeven.
Budgettaire gevolgen van beleid
| (1) | (2) | (3) | (4)=(2+3) | |
|---|---|---|---|---|
| 27 Reconstructie | Stand ontwerp-begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutaties 2e suppletore begroting 2007 | Stand 2e suppletore begroting 2007 |
| Verplichtingen | 107 307 | 440 873 | – 9 094 | 431 779 |
| Uitgaven | 112 152 | 89 889 | – 7 219 | 82 670 |
| Programma-uitgaven | 92 257 | 69 994 | – 7 670 | 62 324 |
| – waarvan juridisch verplicht | 81 574 | |||
| 27.11 Reconstructie zandgebieden | 92 257 | 69 994 | – 7 670 | 62 324 |
| 27.12 Bodem en water | – | – | – | – |
| Apparaatsuitgaven | 19 895 | 19 895 | 451 | 20 346 |
| 27.21 apparaat | 178 | 178 | 5 | 183 |
| 27.22 baten-lastendiensten | 19 717 | 19 717 | 446 | 20 163 |
| Ontvangsten | – | – | – | – |
De mutatie op OD 27.11 houdt verband met de vrijval van projecten in het kader van de Reconstructiegebieden (€ 5,0 mln.) en een bijdrage aan VROM voor het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV, € 2,3 mln.) en voor projecten in het Bestaand Rotterdams Gebied (€ 0,4 mln.).
Budgettaire gevolgen van beleid
| (1) | (2) | (3) | (4)=(2+3) | |
|---|---|---|---|---|
| 28 Nominaal en onvoorzien | Stand ontwerp-begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutaties 2e suppletore begroting 2007 | Stand 2e suppletore begroting 2007 |
| Verplichtingen | 0 | 44 931 | – 44 931 | 0 |
| Uitgaven | 0 | 44 931 | – 44 931 | 0 |
| 28.11 Prijsbijstelling | 9 648 | – 9 648 | 0 | |
| 28.12 Loonbijstelling | 35 283 | – 35 283 | 0 | |
| 28.13 Onvoorzien | ||||
| Ontvangsten | 0 |
In verband met de toedeling van de loon- en prijsbijstelling 2007 aan de betreffende artikelen op de LNV-begroting vindt een verlaging plaats van het verplichtingen en uitgavenbudget met respectievelijk € 35,3 mln. en € 9,6 mln.
Budgettaire gevolgen van beleid
| (1) | (2) | (3) | (4)=(2+3) | |
|---|---|---|---|---|
| 29 Algemeen | Stand ontwerp-begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutaties 2e suppletore begroting 2007 | Stand 2e suppletore begroting 2007 |
| Verplichtingen | 217 447 | 228 624 | 31 651 | 260 275 |
| Uitgaven | 218 443 | 229 624 | 31 647 | 261 271 |
| Programma-uitgaven | 43 680 | 43 680 | 6 750 | 50 430 |
| 29.11 Internationale contributies | 10 421 | 10 421 | 0 | 10 421 |
| 29.12 Uitvoering van EU-maatregelen | 33 259 | 33 259 | 6 750 | 40 009 |
| Apparaatsuitgaven | 174 763 | 185 944 | 24 897 | 210 841 |
| 29.21 Apparaat | 166 680 | 177 861 | 24 377 | 202 238 |
| 29.22 Baten-lastendiensten | 8 083 | 8 083 | 520 | 8 603 |
| Ontvangsten | 281 944 | 282 275 | 75 201 | 357 476 |
De mutaties op dit artikel houden verband met het volgende:
– Hogere apurementsuitgaven als gevolg van correcties door de Europese Commissie in verband met de Moderniseringsrichtlijn POP-1 en oninbaar gebleken vorderingen (+ € 6,7 mln.);
– Toegekende loon- en prijsbijstelling 2007 (+ € 4,9 mln. en + € 3,3 mln.);
– De uitgaven voor de renovatie huisvesting LNV (+ € 9,0 mln.);
– Uitgaven voor de implementatie van P-direct (+ € 3,1 mln.);
– De personele lasten van herplaatsingskandidaten als gevolg van reorganisaties en de uitgaven voor personeelsbemiddeling (+ € 2,9 mln.).
Naar de huidige inzichten vallen de ontvangsten landbouwheffingen in verband met hogere importvolumes ca. € 75 mln. hoger uit.
nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING
A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL
De begrotingsstaten die deel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2007 wijzigingen aan te brengen in:
a. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).
1. Leeswijzer 3
2. Het beleid 3
A. Overzicht belangrijkste uitgaven- en ontvangstenmutaties 3
B. De beleidsartikelen 6
C. De niet-beleidsartikelen 11
3. Baten-lastendiensten 12
De suppletore begroting geeft een geactualiseerd beeld van de uitvoering van de begroting 2007. In onderdeel A, de begrotingstoelichting, worden de belangrijkste beleidsmatige mutaties in een overzichtstabel weergegeven en toegelicht.
In onderdeel B van deze suppletore begroting is bij ieder beleidsartikel de tabel «Budgettaire gevolgen van beleid» opgenomen. In deze tabel zijn alle mutaties, zowel beleidsmatig relevante als technische mutaties, opgenomen. De beleidsmatig relevante mutaties worden onder de tabel toegelicht.
A. Overzicht belangrijkste uitgaven- en ontvangstenmutaties
Overzicht belangrijkste suppletore uitgavenmutaties 2007 (Voorjaarsnota) (x € 1 mln.)
| Art.nr. | Uitgaven 2007 | |
|---|---|---|
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 2 250,7 | |
| Belangrijkste suppletore mutaties: | ||
| Overtollige ruilgronden voor recreatie om de stad | 24 | 22,9 |
| Voedsel en Warenautoriteit | 25 | 20,0 |
| Stijging leerlingenaantallen | 26 | 5,4 |
| Loon- en prijsbijstelling | 28 | 44,9 |
| Eindejaarsmarge en Gegevensautoriteit | div. | 36,8 |
| Diversen | div. | 20,5 |
| Stand 1e suppletore begroting 2007 | 2 401,2 |
Overtollige ruilgronden voor recreatie om de stad
Conform het 2e meerjarenprogramma van de Agenda Vitaal Platteland worden de verkoopopbrengsten van ruilgronden ingezet voor de aankoop van gronden ten behoeve van het beleidsdoel recreatie om de stad. Deze aankopen en de financiering daarvan maken deel uit van het ILG.
Er is een aantal ontwikkelingen, die bij de recent georganiseerde Voedsel en Warenautoriteit (VWA) cumuleert en leidt tot tekorten: de markt voor VWA diensten krimpt, het nieuwe retributiestelsel om de kosten door te berekenen is door de Tweede Kamer aangehouden en de nieuwe EU-regels in 2006 hebben als gevolg dat het bedrijfsleven een toegenomen eigen controleverantwoordelijkheid heeft gekregen, waardoor de noodzaak tot keuringen en controles door de VWA zijn afgenomen.
Dit betreft een structurele ramingbijstelling van de bekostiging van extra geleverde prestaties door de Wageningen Universiteit en van de bekostiging van Voorbereidende en Ondersteunende Activiteiten (VOA) in het MBO groen vanwege een stijging in het leerlingenaantal.
De loon- en prijsbijstelling 2007 wordt op artikel 28 nominaal en onvoorzien geplaatst. Verdeling over de relevante onderdelen van de LNV-begroting vindt plaats in de ontwerpbegroting 2008.
Eindejaarsmarge en Gegevensautoriteit
De eindejaarsmarge betreft onder meer de reguliere overheidsbijdrage voor het voor het ophalen en verwerken van kadavers. Naast de eindejaarsmarge is € 20 mln overgeheveld voor de oprichting van een Gegevensautoriteit Natuur
Overzicht belangrijkste suppletore ontvangstenmutaties 2007 (Voorjaarsnota) (x € 1 mln.)
| Art.nr. | Ontvangsten 2007 | |
|---|---|---|
| Stand ontwerpbegroting 2007 | 395,9 | |
| Belangrijkste suppletore mutaties: | ||
| Recreatie om de stad | 24 | 22,9 |
| Overige mutaties | div. | 11,8 |
| Stand 1e suppletore begroting 2007 | 430,6 |
Overtollige ruilgronden voor recreatie om de stad
Zie de toelichting bij de uitgavenmutaties.
Aanpassingen Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG)
Eind 2006 zijn met de provincies bestuursovereenkomsten gesloten met betrekking tot het Investeringsbudget Landelijk Gebied. De 7-jarige verplichtingen op basis van deze overeenkomsten worden geheel in 2007 aangegaan. Dit houdt in dat de verplichtingenbudgetten voor 2008 t/m 2013 naar 2007 worden geschoven. Met onderstaande mutatie wordt de benodigde verplichtingenruimte in 2007 beschikbaar gesteld. Hiervoor zijn de verplichtingen in de komende jaren naar 2007 geschoven. Tevens zijn hierbij de verplichtingenbudgetten voor de niet-ILG onderdelen gecorrigeerd.
| Verplichtingen | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| U22.11 Grondgebonden landbouw | 160 252 | 8 526 | 3 732 | 6 991 | 3 526 | 6 068 |
| U22.12 Niet grond gebonden landbouw | 25 400 | |||||
| U23.11 Verwerven EHS | 339 683 | – 48 867 | – 51 250 | – 52 990 | – 57 214 | – 59 809 |
| U23.12 Inrichten EHS | 704 687 | – 115 451 | – 100 902 | – 90 172 | – 85 737 | – 80 230 |
| U23.13 Beheren EHS | 715 605 | – 9 843 | – 15 253 | – 20 510 | – 84 424 | – 90 364 |
| U23.14 Beh.buiten EHS | 91 870 | – 12 244 | – 12 997 | – 15 357 | – 16 222 | – 16 882 |
| U24.11 Nationale landschappen | 109 053 | – 8 191 | – 14 034 | – 12 881 | – 12 448 | – 13 460 |
| U24.12 Landschap algemeen | 4 196 | – 2 719 | – 953 | – 131 | – 131 | – 131 |
| U24.13 Recreatie i/o de stad | 359 387 | – 60 699 | – 61 039 | – 61 290 | – 32 048 | – 32 515 |
| U24.14 Recreatie algemeen | 68 306 | – 5 991 | – 6 082 | – 5 482 | – 4 582 | – 3 698 |
| U27.11 Reconstructie zandgebieden | 257 386 | – 43 662 | – 44 464 | – 37 386 | – 36 706 | – 44 280 |
| U27.12 Bodem en water | 107 720 |
In verband met de hiervoor vermelde verplichtingenschuif in het kader van de ILG-bestuursovereenkomsten en om het daarvoor benodigde kas en verplichtingenbudget op de juiste begrotingsonderdelen zijn mutaties uitgevoerd tussen ILG-budgetten en niet-ILG-budgetten. Dit bleek noodzakelijk om de meerjarenraming volledig af te stemmen op de afspraken in de 12 ILG-bestuursovereenkomsten. De wijzigingen bij U23.12 en U27.11 betreffen o.m. het verschuiven van van de budgetten naar robuuste verbindingen en milieukwaliteit vanuit het budget voor flankerende maatregelen EHS, dat gepositioneerd stond onder Reconstructie zandgebieden op artikel 27.
| Uitgaven=verplichtingen | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| U22.11 Grondgebonden landbouw | – 100 | – 1 560 | – 5 088 | 4 464 | – 118 | – 118 |
| U23.11 Verwerven EHS | 6 729 | 6 729 | 2 500 | 2 365 | ||
| U23.12 Inrichten EHS | 20 234 | 30 636 | 37 038 | 30 722 | 31 693 | 25 301 |
| U24.11 Nationale land-schappen | – 4 900 | – 1 600 | 1 357 | – 900 | ||
| U24.12 Landschap algemeen | 118 | 118 | 118 | |||
| U24.13 Recreatie i/o de stad | 38 | |||||
| U24.14 Recreatie algemeen | 262 | – 591 | ||||
| U27.11 Reconstructie zandgebieden | – 22 263 | – 33 614 | – 35 807 | – 36 769 | – 31 693 | – 25 301 |
Gelet op de bepalingen in de Wet op het BTW-compensatiefonds kunnen provincies compensabele BTW declareren bij het BTW-compensatiefonds. Conform de afspraken vastgelegd in de ILG-Bestuursovereenkomst wordt ter voeding van het BTW-compensatiefonds 3,7% van het ILG-budget afgeroomd. In 2007 vindt nog geen afdracht aan het BTW-compensatiefonds plaats. Vanaf 2008 t/m 2013 wordt 3,7% per jaar afgedragen aan het BTW-compensatiefonds en tenslotte wordt in 2013 ook de 3,7% over het voorschot van 2007 aan het BTW-compensatiefonds afgedragen.
Ten aanzien van de verplichtingenbudgetten 2007 waar het gehele meerjarige ILG beeld in is verwerkt wordt vooralsnog alleen het gedeelte voor 2008 t/m 2013 overgeheveld.
| 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Verplichtingen 2007 | Uitgaven 2008 t/m 2012 | |||||
| U22.11 Grondgeb.landbouw | – 4 966 | – 674 | – 865 | – 783 | – 958 | – 864 |
| U22.12 Niet gr.geb.landb. | – 903 | – 333 | – 296 | – 274 | 0 | 0 |
| U23.11 Verwerven EHS | – 12 568 | – 1 872 | – 1 942 | – 2 006 | – 2 162 | – 2 258 |
| U23.12 Inrichten EHS | – 25 671 | – 4 827 | – 4 357 | – 4 302 | – 4 201 | – 4 004 |
| U23.13 Beheren EHS | – 27 547 | – 3 662 | – 3 870 | – 4 983 | – 4 776 | – 4 996 |
| U23.14 Beh.buiten EHS | – 3 357 | – 493 | – 521 | – 549 | – 581 | – 605 |
| U24.11 Nationale landsch. | – 3 853 | – 484 | – 701 | – 658 | – 642 | – 679 |
| U24.12 Landsch.algemeen | – 156 | – 101 | – 35 | – 5 | – 5 | – 5 |
| U24.13 Recreatie i/o de stad | – 13 018 | – 2 740 | – 2 689 | – 2 699 | – 1 617 | – 1 634 |
| U24.14 Recreatie algemeen | – 2 299 | – 450 | – 453 | – 431 | – 351 | – 318 |
| U27.11 Reconstr.zandgeb. | – 9 277 | – 1 615 | – 1 645 | – 1 383 | – 1 358 | – 1 638 |
Bovengenoemde ILG mutaties worden niet meer bij de artikelen waarop de ILG-mutaties betrekking hebben toegelicht (artikelen 22, 23, 24 en 27). De niet ILG mutaties worden wel afzonderlijk op de artikelen 22, 23, 24 en 27 toegelicht.
Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
| 21 Duurzaam ondernemen | Stand ontwerpbegroting 2007 | Mutaties via NvW en amendementen | Mutaties 1e suppletore begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutatie 2008 | Mutatie 2009 | Mutatie 2010 | Mutatie 2011 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | (4)=(1+2+3) | |||||
| Verplichtingen | 291 875 | – 2 100 | 6 362 | 296 137 | – 5 168 | – 1 082 | 941 | – 76 |
| Uitgaven | 301 572 | – 2 100 | 1 535 | 301 007 | – 2 871 | – 4 160 | – 82 | – 76 |
| Programma-uitgaven: | 123 349 | – 2 100 | – 4 226 | 117 023 | – 8 924 | – 10 272 | – 2 611 | – 116 |
| – waarvan juridisch verplicht | 39 626 | 39 626 | ||||||
| 21.11 Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat | 6 655 | 6 655 | 450 | 1 668 | ||||
| 21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn | 21 278 | – 100 | – 2 605 | 18 573 | – 2 449 | – 4 025 | ||
| 21.13 Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen w.o. biologische landbouw | 76 988 | – 1 321 | 75 667 | – 6 675 | – 7 915 | – 2 611 | – 116 | |
| 21.14 Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren | 11 365 | – 300 | 11 065 | – 250 | ||||
| 21.15 Bevorderen van duurzame ketens | 7 063 | – 2 000 | 5 063 | |||||
| Apparaatsuitgaven | 178 223 | 5 761 | 183 984 | 6 053 | 6 112 | 2 529 | 40 | |
| 21.21 Apparaat | 17 246 | 407 | 17 653 | 40 | 34 | 34 | 40 | |
| 21.22 Baten-lastendiensten | 160 977 | 5 354 | 166 331 | 6 013 | 6 078 | 2 495 | ||
| Ontvangsten | 16 938 | 719 | 17 657 | – 200 | – 200 | – 200 | – 200 |
De mutaties op dit artikel houden met name verband met het volgende:
• Voor de uitvoering (door de Dienst Landbouwkundig Onderzoek) van diverse projecten op het gebied van gewasbescherming en bemesting worden er vanuit OD 21.12 middelen overgeboekt naar artikel 26.
• In het kader van de zogenaamde raamwerkregeling Subsidieregeling LNV vinden in 2007 o.m. diverse openstellingen plaats op het terrein van Landbouw. Hiervoor wordt vanuit OD 21.13 budget overgeboekt naar OD 21.11 en (voor de uitvoering € 1,4 mln.) naar OD 21.22.
• In 2007 wordt een groot deel van de import- en exportinspecties, die nu door de PD worden uitgevoerd, overgedragen aan de keuringsdiensten (Convenant Plantkeur). Als gevolg van uitstel van de transitie Plantkeur (wordt naar verwachting per 1 september 2007 i.p.v. 1 januari 2007) heeft de PD te maken met € 3,1 mln. hogere kosten dan waarmee in de begroting rekening is gehouden.
• In 2006 zijn er als gevolg van vertraging in het kader van het Plantkundig Onderzoek en Onderzoek Luchtkwaliteit minder middelen overgeheveld vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) naar de LNV-begroting. De uitgaven vinden in 2007 plaats, waardoor zowel de uitgaven als de ontvangsten worden verhoogd.
Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
| 22 Agrarische ruimte | Stand ontwerpbegroting 2007 | Mutaties via NvW en amendementen | Mutaties 1e suppletore begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutatie 2008 | Mutatie 2009 | Mutatie 2010 | Mutatie 2011 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | (4)=(1+2+3) | |||||
| Verplichtingen | 10 913 | 179 683 | 190 596 | 6 966 | – 1 356 | 11 455 | 3 408 | |
| Uitgaven | 31 444 | – 100 | 31 344 | – 2 567 | – 6 249 | 3 407 | – 1 076 | |
| Programma-uitgaven | 20 978 | – 100 | 20 878 | – 2 567 | – 6 249 | 3 407 | – 1 076 | |
| – waarvan juridisch verplicht | 20 978 | |||||||
| 22.11 Ruimte voor grondgebonden landbouw | 16 228 | – 100 | 16 128 | – 2 234 | – 5 953 | 3 681 | – 1 076 | |
| 22.12 Ruimte voor niet grondgebonden landbouw | 4 750 | 4 750 | – 333 | – 296 | – 274 | |||
| Apparaatsuitgaven | 10 466 | 10 466 | ||||||
| 22.21 apparaat | 123 | 123 | ||||||
| 22.22 baten-lastendiensten | 10 343 | 10 343 | ||||||
| Ontvangsten | 45 911 | 45 911 |
De mutaties hebben betrekking op het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en zijn toegelicht in het algemene deel van de Memorie van Toelichting.
Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
| 23 Natuur | Stand ontwerpbegroting 2007 | Mutaties via NvW en amendementen | Mutaties 1e suppletore begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutatie 2008 | Mutatie 2009 | Mutatie 2010 | Mutatie 2011 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | (4)=(1+2+3) | |||||
| Verplichtingen | 401 969 | 5 000 | 1 826 340 | 2 233 309 | – 148 975 | – 140 801 | – 145 460 | – 211 215 |
| – waarvan garanties | 74 166 | |||||||
| Uitgaven | 448 760 | 5 000 | 43 565 | 497 325 | 29 127 | 31 489 | 24 350 | 23 283 |
| Programma-uitgaven | 385 564 | 5 000 | 43 456 | 434 020 | 29 020 | 31 383 | 24 244 | 23 174 |
| – waarvan juridisch verplicht | 278 224 | |||||||
| 23.11 Verwerven Ecologische Hoofdstructuur | 80 075 | 4 335 | 84 410 | 3 925 | – 374 | – 573 | – 3 094 | |
| 23.12 Inrichten Ecologische Hoofdstructuur | 90 090 | 27 904 | 117 994 | 29 972 | 36 887 | 30 669 | 31 741 | |
| 23.13 Beheren Ecologische Hoofdstructuur | 150 938 | 5 184 | 156 122 | – 3 778 | – 3 986 | – 5 099 | – 4 892 | |
| 23.14 Beheer van de natuur buiten de EHS en beschermen van de internationale biodiversiteit | 64 461 | 5 000 | 6 033 | 75 494 | – 1 099 | – 1 144 | – 753 | – 581 |
| Apparaatsuitgaven | 63 196 | 109 | 63 305 | 107 | 106 | 106 | 109 | |
| 23.21 apparaat | 6 459 | 109 | 6 568 | 107 | 106 | 106 | 109 | |
| 23.22 baten- lastendiensten | 56 737 | 56 737 | ||||||
| Ontvangsten | 7 889 | 2 086 | 9 975 |
De mutaties inzake het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) zijn toegelicht in het algemene deel van de Memorie van Toelichting.
De overige mutaties op dit artikel houden met name verband met het volgende:
• In 2006 zijn er als gevolg van vertraging in het kader van het project Westerschelde minder middelen overgeheveld vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) naar de LNV-begroting. De uitgaven vinden in 2007 plaats, waardoor zowel de uitgaven als de ontvangsten op Verwerven EHS met € 2,1 mln. worden verhoogd.
• Voor het inrichten van de uiterwaarden in het kader van de uitvoering van de nota «Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG)» wordt € 3,5 mln. overgeboekt van «Verwerven EHS» naar «Inrichten EHS».
• Ten behoeve van de uitvoering van het project Mainport Rotterdam, dat door LNV wordt gecoördineerd, is meerjarig een bedrag toegevoegd van € 4,2 mln. (OD 23.12). Hiervan is € 2,1 mln. afkomstig van de begroting van Economische Zaken.
• De bijdrage aan Staatsbosbeheer (€ 2,3 mln) is aangepast aan de opdrachtverlening voor 2007.
• OD 23.13 is verhoogd met € 3,0 mln. voor weidevogelbeheer in Noord-Holland en Friesland conform toezegging van de minister van LNV bij de begrotingsbehandeling 2007.
• In 2006 is € 20 mln. aan de LNV-begroting toegevoegd voor het oprichten van de Gegevensautoriteit Natuur. Deze middelen zijn in 2006 niet benut. De uitgaven vinden plaats vanaf 2007. OD 23.14 wordt hiervoor verhoogd met € 6 mln in 2007 waarbij de meerjarige doorwerking volgt bij de begroting 2008. De verlaging vanaf 2008 houdt onder meer verband met de budgetoverheveling naar artikel 26 ten behoeve van de uitvoering van onderzoeksprojecten op het gebied van natuur door de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO).
Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
| 24 Landschap en recreatie | Stand ontwerpbegroting 2007 | Mutaties via NvW en amendementen | Mutaties 1e suppletore begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutatie 2008 | Mutatie 2009 | Mutatie 2010 | Mutatie 2011 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | (4)=(1+2+3) | |||||
| Verplichtingen | 143 518 | 541 813 | 685 331 | – 58 084 | – 58 984 | – 58 738 | – 50 162 | |
| Uitgaven | 162 237 | 20 197 | 182 434 | 15 741 | 19 246 | 17 253 | – 3 568 | |
| Programma-uitgaven | 130 715 | 20 023 | 150 738 | 15 567 | 19 073 | 17 080 | – 3 742 | |
| – waarvan juridisch verplicht | 114 180 | |||||||
| 24.11 Nationale Landschappen | 25 842 | – 6 029 | 19 813 | – 3 213 | – 473 | – 2 687 | – 1 771 | |
| 24.12 Landschap Algemeen | 8 100 | 2 974 | 11 074 | – 217 | – 151 | – 3 | – 3 | |
| 24.13 Recreatie om de Stad | 57 314 | 22 938 | 80 252 | 20 160 | 20 211 | 20 201 | – 1 617 | |
| 24.14 Recreatie algemeen | 39 459 | 140 | 39 599 | – 1 163 | – 514 | – 431 | – 351 | |
| Apparaatsuitgaven | 31 522 | 174 | 31 696 | 174 | 173 | 173 | 174 | |
| 24.21 apparaat | 4 138 | 174 | 4 312 | 174 | 173 | 173 | 174 | |
| 24.22 baten- lastendiensten | 27 384 | 27 384 | ||||||
| Ontvangsten | 750 | 22 900 | 23 650 | 22 900 | 22 900 | 22 900 |
De mutaties inzake het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) zijn toegelicht in het algemene deel van de Memorie van Toelichting.
De overige mutaties op dit artikel houden met name verband met het volgende:
• Ten behoeve van de uitvoering van het project Mainport Rotterdam, dat door LNV wordt gecoördineerd, vindt meerjarige compensatie plaats van € 1,1 mln. vanuit OD 24.11 ten gunste van Inrichten EHS op artikel 23.
• De verhoging op Landschap algemeen voor 2007 houdt voornamelijk verband met extra investeringen in veenweidegebieden ter voorkoming van bodemdaling. Het budget hiervoor ad € 3 mln. is in 2006 aan de begroting toegevoegd en onbesteed gebleven.
• Conform de Agenda Vitaal Platteland worden de verkoopopbrengsten van ruilgrond bij het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) ingezet voor de aankoop van recreatiegronden om de stad. Deze aankopen en de financiering daarvan maken deel uit van het ILG. Dit leidt tot een verhoging van de uitgaven en ontvangsten in de jaren 2007–2010 met € 22,9 mln.
Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
| 25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid | Stand ontwerpbegroting 2007 | Mutaties via NvW en amendementen | Mutaties 1e suppletore begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutatie 2008 | Mutatie 2009 | Mutatie 2010 | Mutatie 2011 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | (4)=(1+2+3) | |||||
| Verplichtingen | 75 847 | 100 | 29 555 | 105 502 | 8 824 | – 78 | – 3 178 | – 574 |
| Uitgaven | 75 847 | 100 | 28 355 | 104 302 | 10 024 | – 78 | – 3 178 | – 574 |
| Programma-uitgaven | 31 718 | 100 | 7 172 | 38 990 | 200 | 100 | – 3 000 | – 400 |
| waarvan juridisch verplicht | ||||||||
| 25.11 Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon | 10 542 | 10 986 | 21 528 | |||||
| 25.12 Handhaven diergezondheidsniveau | 21 176 | 100 | – 3 814 | 17 462 | 200 | 100 | – 3 000 | – 400 |
| Apparaatsuitgaven | 44 129 | 21 183 | 65 312 | 9 824 | – 178 | – 178 | – 174 | |
| U25.21 Apparaat | 6 718 | – 189 | 6 529 | – 176 | – 178 | – 178 | – 174 | |
| U25.22 baten-lastendiensten | 37 411 | 21 372 | 58 783 | 10 000 | ||||
| Ontvangsten | 14 770 | – 2 783 | 11 987 | – 2 683 | – 2 783 | – 2 783 | – 183 |
Het budget voor destructie wordt met ca € 11 mln. verhoogd. Het betreft hier de reguliere overheidsbijdrage voor het ophalen en verwerken van kadavers.
De verlaging ad € 3,8 mln. houdt o.m. verband met het feit dat de FES-middelen van het project Aviaire Influenza ad € 4,3 mln. (uitgaven en ontvangsten) meerjarig worden overgeheveld naar beleidsartikel 26 waar het wordt meegenomen in de DLO-programmering. Voorts is voor 2007 € 2,5 mln. overgeheveld naar beleidsartikel 26 ten behoeve van de uitvoering van projecten inzake onderzoek naar mond- en klauwzeer. Daartegenover staat een verhoging met € 3,1 mln. voor 2007 t/m 2009 voor uitvoeringskosten van monitoring en bestrijding van dierziekten.
De bijdrage aan de VWA wordt verhoogd met € 20 mln in 2007. Deze verhoging is noodzakelijk vanwege een daling van de opbrengst derden en uitstel van het nieuwe retributiestelsel.
Daarnaast wordt de bijdrage aan de Algemene Inspectiedienst met € 1,3 mln. verhoogd voor werkzaamheden in het kader van de preventie van dierziekten. De compensatie vindt plaats vanuit hogere ontvangsten op I&R runderen (€ 0,7 mln) en I&R varkens (€ 0,6 mln).
De verlaging van de ontvangsten van € 2,8 mln. houdt enerzijds verband met de meerjarige overheveling ad € 4,3 mln. van de FES-middelen van het project Aviaire Influenza in de DLO-programmering (artikel 26) en anderzijds met hogere ontvangsten voor I&R runderen (€ 0,7 mln) en I&R varkens (€ 0,6 mln).
Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
| 26 Kennis en Innovatie | Stand ontwerpbegroting 2007 | Mutaties via NvW en amendementen | Mutaties 1e suppletore begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutatie 2008 | Mutatie 2009 | Mutatie 2010 | Mutatie 2011 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | (4)=(1+2+3) | |||||
| Verplichtingen | 893 722 | – 3 000 | 41 668 | 932 390 | 13 774 | 9 716 | 9 290 | 6 765 |
| Uitgaven | 900 204 | – 3 000 | 23 160 | 920 364 | 12 151 | 13 794 | 9 290 | 6 765 |
| Programma-uitgaven | 886 895 | – 3 000 | 22 692 | 906 587 | 11 935 | 13 579 | 9 075 | 6 545 |
| – waarvan juridisch verplicht | 803 694 | |||||||
| 26.11 Waarborgen van het kennisstelsel | 634 683 | 16 387 | 651 070 | 14 265 | 15 450 | 14 700 | 12 100 | |
| 26.12 Benutten van samenhang tussen instellingen | 33 419 | 1 752 | 35 171 | 1 744 | 1 744 | 1 744 | 1 744 | |
| 26.13 Vernieuwen van het kennisstelsel | 61 167 | 2 154 | 63 321 | – 4 003 | – 5 088 | – 4 338 | – 4 338 | |
| 26.14 Ondersteunen van LNV-beleid met kennis | 157 626 | – 3 000 | 2 399 | 157 025 | – 71 | 1 473 | – 3 031 | – 2 961 |
| Apparaatsuitgaven | 13 309 | 468 | 13 777 | 216 | 215 | 215 | 220 | |
| 26.21 apparaat | 12 699 | 218 | 12 917 | 216 | 215 | 215 | 220 | |
| 26.22 baten- lastendiensten | 610 | 250 | 860 | |||||
| Ontvangsten | 27 662 | 11 507 | 39 169 | 3 500 | 3 600 | 3 600 | 1 000 |
• De uitvoering van het project TTI Groene Genetica welke vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) wordt gefinancierd leidt tot het doorschuiven van € 2,1 mln. naar 2007. De verplichting voor het hele project (€ 20,1 mln.) wordt in 2007 aangegaan. (OD 26.13)
• Het project Aviaire Influenza waarvan financiering vanuit het FES plaatsvindt, wordt geraamd op beleidsartikel 26 (voorheen beleidsartikel 25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid) en gaat deel uitmaken van de DLO-programmering. (€ 4,3 mln. in 2007.) (OD 26.11)
• De uitvoering van het project Transitie Duurzame Landbouw welke vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) wordt gefinancierd leidt tot het doorschuiven van € 3,5 mln. naar 2007. (OD 26.13)
• Voor overige FES-projecten (Potato Genomics Sequencing en Phytophtora) wordt € 1,0 mln. doorgeschoven naar 2007. (OD 26.11/26.13)
• Voor de bekostiging van relevante prestaties binnen het wetenschappelijk onderwijs en voor Voorbereidende en Ondersteunende Activiteiten (VOA) binnen het MBO-groen zijn structureel extra middelen aan de begroting toegevoegd. (€ 5,4 mln.) (OD 26.11)
• Uitvoering van diverse projecten (door de Dienst Landbouwkundig Onderzoek) o.a. op het gebied van gewasbescherming en bemesting (OD 26.14)
De verhoging van de ontvangsten hangt samen met projecten en ontvangsten uit hoofde van het FES.
Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
| 27 Bodem, water en reconstructie zandgebieden | Stand ontwerpbegroting 2007 | Mutaties via NvW en amendementen | Mutaties 1e suppletore begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutatie 2008 | Mutatie 2009 | Mutatie 2010 | Mutatie 2011 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | (4)=(1+2+3) | |||||
| Verplichtingen | 107 307 | 333 566 | 440 873 | – 77 276 | – 80 271 | – 74 155 | – 68 399 | |
| Uitgaven | 112 152 | – 22 263 | 89 889 | – 35 229 | – 37 452 | – 38 152 | – 33 051 | |
| Programma-uitgaven | 92 257 | – 22 263 | 69 994 | – 35 229 | – 37 452 | – 38 152 | – 33 051 | |
| – waarvan juridisch verplicht | 81 574 | |||||||
| 27.11 Reconstructie zandgebieden | 92 257 | – 22 263 | 69 994 | – 35 229 | – 37 452 | – 38 152 | – 33 051 | |
| 27.12 Bodem en water | ||||||||
| Apparaatsuitgaven | 19 895 | 19 895 | ||||||
| 27.21 apparaat | 178 | 178 | ||||||
| 27.22 baten- lastendiensten | 19 717 | 19 717 | ||||||
| Ontvangsten |
De mutaties hebben betrekking op het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en zijn toegelicht in het algemene deel van de Memorie van Toelichting.
Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
| 28 Nominaal en onvoorzien | Stand ontwerpbegroting 2007 | Mutaties via NvW en amendementen | Mutaties 1e suppletore begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutatie 2008 | Mutatie 2009 | Mutatie 2010 | Mutatie 2011 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | (4)=(1+2+3) | |||||
| Verplichtingen | 44 931 | 44 931 | 44 270 | 44 046 | 43 415 | 42 922 | ||
| Uitgaven | 44 931 | 44 931 | 44 270 | 44 046 | 43 415 | 42 922 | ||
| 28.11 Prijsbijstelling | 9 648 | 9 648 | 9 510 | 9 188 | 8 483 | 8 024 | ||
| 28.12 Loonbijstelling | 35 283 | 35 283 | 34 760 | 34 858 | 34 932 | 34 898 | ||
| 28.13 Onvoorzien | ||||||||
| Ontvangsten |
De prijs- en loonbijstellingstranche 2007 zijn aan de LNV-begroting toegevoegd (OD’s 28.11 en 28.12). De toedeling van de loon- en prijsbijstelling wordt verwerkt in de ontwerp-begroting 2008.
Op het onderdeel Onvoorzien (OD 28.13) is de volgende mutatie verwerkt:
• De toevoeging van de eindejaarsmarge 2006 is op onvoorzien geboekt en tegelijkertijd toebedeeld naar de relevante onderdelen bij Voorjaarsnota 2007.
Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
| 29 Algemeen | Stand ontwerpbegroting 2007 | Mutaties via NvW en amendementen | Mutaties 1e suppletore begroting 2007 | Stand 1e suppletore begroting 2007 | Mutatie 2008 | Mutatie 2009 | Mutatie 2010 | Mutatie 2011 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | (4)=(1+2+3) | |||||
| Verplichtingen | 217 447 | 11 177 | 228 624 | 251 | 266 | 266 | 247 | |
| Uitgaven | 218 443 | 11 181 | 229 624 | 251 | 266 | 266 | 247 | |
| Programma-uitgaven | 43 680 | 43 680 | ||||||
| 29.11 Internationale contributies | 10 421 | 10 421 | ||||||
| 29.12 Uitvoering van EU-maatregelen | 33 259 | 33 259 | ||||||
| Apparaatsuitgaven | 174 763 | 11 181 | 185 944 | 251 | 266 | 266 | 247 | |
| 29.21 Apparaat | 166 680 | 11 181 | 177 861 | 251 | 266 | 266 | 247 | |
| 29.22 Baten-lastendiensten | 8 083 | 8 083 | ||||||
| Ontvangsten | 281 944 | 331 | 282 275 | 331 | 331 | 331 | 331 |
De mutaties op dit onderdeel houden met name verband met het volgende:
• Een herschikking van de apparaatbudgetten op basis van een herijkte norm materieel budget per fte en een bijstelling uit de eindejaarsmarge voor de betaling van vertraagde projecten.
• Uitvoeringskosten van regiebureau POP (plattelandsontwikkelingsprogramma) voor de uitvoering van het nieuwe EU meerjaren programma POP2.
• Diverse interdepartementale overhevelingen van LNV naar andere departementen voor de uitvoering van programma’s binnen het Rijksprogramma «Andere Overheid».
• Loon- en prijsbijstellingen voor de buitenland vertegenwoordiging van LNV en een bijdrage aan de Universiteit Wageningen vanuit de HGIS-begroting.
Voedsel en Waren Autoriteit (VWA)
De begroting van de Voedsel en Waren Autoriteit wordt op grond van onderhavig wetsvoorstel als volgt gewijzigd:
| Omschrijving | Oorspronkelijk vastgestelde begroting | Mutaties (+ of –) 1e suppletore begroting |
|---|---|---|
| Baten | ||
| Opbrengst moederdepartement | 22 057 | 20 000 |
| Opbrengst overige departementen | 73 356 | 1 563 |
| Opbrengst DGF | ||
| Opbrengst derden | 55 750 | – 13 525 |
| Rentebaten | 100 | – 100 |
| Buitengewone baten | ||
| Exploitatiebijdragen | ||
| Totaal Baten | 151 263 | 7 938 |
| Lasten | ||
| Apparaatskosten | 140 309 | 14 191 |
| – personele kosten | 95 122 | 6 254 |
| – materiële kosten | 45 187 | 7 937 |
| Rentelasten | 1 235 | – 85 |
| Afschrijvingskosten | 8 311 | – 11 |
| – materieel | 6 328 | 1 972 |
| – immaterieel | 1 983 | – 1 983 |
| Dotaties voorzieningen | 408 | 392 |
| Buitengewone lasten | 1 000 | – 500 |
| Totaal lasten | 151 263 | 13 987 |
Met betrekking tot het thans voorziene verschil tussen de baten en de lasten ad € 6,0 mln., zal bij najaarsnota 2007 worden bekeken op grond van het actuele inzicht in de vermoedelijke realisatie, hoe dit verschil zal worden opgelost.
Als gevolg van significante lagere opbrengsten van derden en een stijging van de apparaatskosten wordt vanuit de rijksbegroting een additionele bijdrage van € 20 mln. door LNV beschikbaar gesteld.
De totale opbrengsten moederdepartement zijn gebaseerd op de beschikbare budgetten op de begroting van LNV. Deze zijn als volgt opgebouwd:
| opbrengsten LNV | |
|---|---|
| bijdrage jaarplan LNV/VD | 18 370 |
| waterkippen LNV/IH | 7 |
| transitiebudget | 3 680 |
| Subtotaal opbrengsten LNV ex additionele bijdrage | 22 057 |
| Additionele bijdrage | 20 000 |
| Totaal opbrengsten LNV | 42 057 |
De totale opbrengsten overige departementen zijn gebaseerd op de beschikbare budgetten op de begroting van VWS, inclusief volledige loon- en prijsbijstelling en is als volgt opgebouwd:
| opbrengsten VWS | |
|---|---|
| structurele bijdrage VWS | 66 992 |
| BUR | 303 |
| RIVM | 6 774 |
| SOMS | 50 |
| loon en prijscompensatie 2007 | 800 |
| Totale opbrengst VWS | 74 919 |
De opbrengsten derden vallen aanzienlijk lager uit dan geraamd. Door de marktkrimp en het uitstel van het retributiestelsel kan minder worden doorbelast aan het bedrijfsleven.
De hogere uitgaven worden voornamelijk veroorzaakt door een loonstijging voortvloeiend uit de CAO-afspraken. Voorts heeft de VWA tijdelijke administratieve krachten in dienst als gevolg van het uitstel van het retributiestelsel. Tevens bestaat een tekort aan dierenartsen waarvoor de inzet van practitioners noodzakelijk is.
De materiële kosten zijn € 8 mln. hoger dan begroot o.m. als gevolg van extra automatiseringskosten en bureau- en overige bedrijfskosten.
De dotaties voor voorzieningen is € 0,4 mln. hoger dan geraamd in verband met het niet betalen door debiteuren.
De buitengewone lasten zijn geraamd op € 0.5 mln. voor de afhandeling van tijdelijk personeel. Dit is € 0,5 mln. lager dan geraamd.
| Omschrijving | (1) Oorspronkelijk vastgestelde begroting | (2) Mutaties (+ of –)1e suppletore begroting |
|---|---|---|
| 1. Rekening Courant RHB 1-1-2007 | 2 068 | – 2 139 |
| 2. Totaal operationele kasstroom | 8 311 | – 6 060 |
| Totaal investeringen (-/-) | – 10 380 | 1 000 |
| Totaal boekwaarde | – | – |
| desinvesteringen (+) | – | |
| 3. Totaal investeringkasstroom | – 10 380 | 1 000 |
| eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-) | – | – |
| eenmalige storting door het moederdeparte- ment (+) | – | – |
| aflossingen op leningen (-/-) | – 6 497 | 997 |
| beroep op leenfaciliteit (+) | 10 380 | – |
| 4. Totaal financieringskasstroom | 3 883 | 997 |
| 5. Rekening Courant RHB 31-12-2007 | 3 882 | – 6 202 |
* noot: maximale roodstand € 0,5 mln
BIJLAGE 1
OVERZICHT FOUTEN EN ONZEKERHEDEN IN DE FINANCIËLE INFORMATIE IN HET JAARVERSLAG 2007 VAN HET MINISTERIE VAN LNV
| Art. nr. | Omschrijving | Verantwoord bedrag | Fout | Onzekerheid | Totaal F + O | Tolerantie overschreden? | Onzekerheid over volledig-heid | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | ||||||
| Beleidsartikelen | |||||||||
| 21 | Duurzaam ondernemen | 326 815 | 3 739 | – | 609 | – | 4 348 | nee | – |
| 22 | Agrarische ruimte | 189 117 | 209 | – | – | – | 209 | nee | – |
| 23 | Natuur | 2 325 621 | 1 324 | – | – | – | 1 324 | nee | – |
| 24 | Landschap en recreatie | 685 225 | 571 | – | – | – | 571 | nee | – |
| 25 | Voedselkwaliteit en diergezondheid | 115 479 | 1 471 | – | 340 | – | 1 811 | nee | – |
| 26 | Kennis en innovatie | 980 764 | 46 | – | – | – | 46 | nee | – |
| 27 | Bodem, water en reconstructie zandgebieden | 448 919 | 406 | – | – | – | 406 | nee | – |
| Niet-beleidsartikelen | |||||||||
| 28 | Nominaal en onvoorzien | – | – | – | – | – | – | – | |
| 29 | Algemeen | 267 442 | 2 383 | – | – | – | 2 383 | nee | – |
| Totaal | 5 339 382 | 10 149 | – | 949 | – | – | |||
Individuele fouten in de deugdelijke weergave die de tolerantie overschrijden
| Art. nr. | Post | Fout | |
|---|---|---|---|
| Totaal individuele fouten | 0 | ||
| Totaal verplichtingen | 5 339 382 | ||
| Procentuele fout | 0,19% | Tolerantiegrens niet overschreden | |
| Procentuele onzekerheid | 0,02% | Tolerantiegrens niet overschreden |
B/C. Uitgaven + ontvangsten (€ x 1000)
| Art. nr. | Omschrijving | Verantwoord bedrag | Fout | Onzekerheid | Totaal F + O | Tolerantie overschreden? | Onzekerheid over volledig-heid | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | ||||||
| Beleidsartikelen | |||||||||
| 21 | Duurzaam ondernemen | 287 613 | 981 | – | 2 251 | – | 3 232 | nee | – |
| 22 | Agrarische ruimte | 93 672 | 52 | – | 126 | – | 179 | nee | – |
| 23 | Natuur | 535 545 | 6 039 | – | 796 | – | 6 835 | nee | – |
| 24 | Landschap en recreatie | 203 766 | 157 | – | 344 | – | 500 | nee | – |
| 25 | Voedselkwaliteit en diergezondheid | 121 644 | 554 | – | 885 | – | 1 440 | nee | – |
| 26 | Kennis en innovatie | 942 466 | 46 | – | 634 | – | 681 | nee | – |
| 27 | Bodem, water en reconstructie zandgebieden | 84 111 | 102 | – | 244 | – | 346 | nee | – |
| Niet-beleidsartikelen | |||||||||
| 28 | Nominaal en onvoorzien | – | – | – | – | – | – | – | |
| 29 | Algemeen | 612 505 | 881 | – | 2 989 | 36 | 3 906 | nee | – |
| Totaal | 2 881 322 | 8 812 | – | 8 271 | 36 | – | |||
| (1) | Totaal uitgaven en ontvangsten | 2 881 322 | Omvangsbasis uitgaven + ontvangsten | ||||||
| Procentuele fout | 0,31% | Tolerantiegrens niet overschreden | |||||||
| Procentuele onzekerheid | 0,29% | Tolerantiegrens niet overschreden | |||||||
| (2) | Totaal | 3 059 495 | Omvangsbasis uitgaven + ontvangsten + bijdrage(n) van derden baten-lastendiensten | ||||||
| Procentuele fout | 0,29% | Tolerantiegrens niet overschreden | |||||||
| Procentuele onzekerheid | 0,27% | Tolerantiegrens niet overschreden | |||||||
| Art. nr. | Omschrijving | Verantwoord bedrag | Fout | Onzekerheid | Totaal F + O | Tolerantie overschreden? | Onzekerheid over volledig-heid | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | ||||||
| Beleidsartikelen | |||||||||
| 21 | Duurzaam ondernemen | 264 536 | 981 | – | 2 251 | – | 3 232 | nee | – |
| 22 | Agrarische ruimte | 42 530 | 52 | – | 126 | – | 179 | nee | – |
| 23 | Natuur | 520 330 | 6 039 | – | 796 | – | 6 835 | nee | – |
| 24 | Landschap en recreatie | 180 276 | 157 | – | 344 | – | 500 | nee | – |
| 25 | Voedselkwaliteit en diergezondheid | 110 588 | 554 | – | 885 | – | 1 440 | nee | – |
| 26 | Kennis en innovatie | 914 919 | 46 | – | 634 | – | 681 | nee | – |
| 27 | Bodem, water en reconstructie zandgebieden | 83 964 | 102 | – | 244 | – | 346 | nee | – |
| Niet-beleidsartikelen | |||||||||
| 28 | Nominaal en onvoorzien | – | – | – | – | – | – | – | |
| 29 | Algemeen | 267 278 | 881 | – | 2 989 | 36 | 3 906 | nee | – |
| Totaal | 2 384 421 | 8 812 | – | 8 271 | 36 | – | |||
Individuele fouten in de deugdelijke weergave die de tolerantie overschrijden
| Art. nr. | Post | Fout | |
|---|---|---|---|
| Totaal individuele fouten | 0 | ||
| Totaal uitgaven | 2 384 421 | ||
| Procentuele fout | 0,37% | Tolerantiegrens niet overschreden | |
| Procentuele onzekerheid | 0,35% | Tolerantiegrens niet overschreden |
| Art. nr. | Omschrijving | Verantwoord bedrag | Fout | Onzekerheid | Totaal F + O | Tolerantie overschreden? | Onzekerheid over volledig-heid | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | ||||||
| Beleidsartikelen | |||||||||
| 21 | Duurzaam ondernemen | 23 077 | – | – | – | – | – | – | |
| 22 | Agrarische ruimte | 51 142 | – | – | – | – | – | – | |
| 23 | Natuur | 15 215 | – | – | – | – | – | – | |
| 24 | Landschap en recreatie | 23 490 | – | – | – | – | – | – | |
| 25 | Voedselkwaliteit en diergezondheid | 11 056 | – | – | – | – | – | – | |
| 26 | Kennis en innovatie | 27 547 | – | – | – | – | – | – | |
| 27 | Bodem, water en reconstructie zandgebieden | 147 | – | – | – | – | – | – | |
| Niet-beleidsartikelen | |||||||||
| 28 | Nominaal en onvoorzien | – | – | – | – | – | – | – | |
| 29 | Algemeen | 345 227 | – | – | – | – | – | – | |
| Totaal | 496 901 | – | – | – | – | – | |||
Individuele fouten in de deugdelijke weergave die de tolerantie overschrijden
| Art. nr. | Post | Fout | |
|---|---|---|---|
| Totaal individuele fouten | 0 | ||
| Totaal ontvangsten | 496 901 | ||
| Procentuele fout | 0,00% | ||
| Procentuele onzekerheid | 0,00% |
D. Baten-lastendiensten (€ x 1000)
| Art. nr. | Omschrijving | Verantwoord bedrag | Fout | Onzekerheid | Totaal F + O | Tolerantie overschreden? | Onzekerheid over volledigheid | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | ||||||
| Algemene Inspectie dienst Baten | 68 495 | 19 | – | – | – | 19 | – | ||
| Dienst Landelijk Gebied Baten | 119 978 | 207 | 87 | – | 335 | 629 | – | ||
| Dienst Regelingen Baten | 164 503 | – | – | – | – | – | – | ||
| Plantenziektenkundige Dienst Baten | 34 098 | 27 | – | – | 102 | 129 | – | ||
| Voedsel- en Warenautoriteit Baten | 170 213 | 268 | 756 | 399 | 617 | 2 041 | – | ||
| Totaal | 557 287 | 521 | 843 | 399 | 1 054 | – | |||
| Totale baten baten-lastendiensten | 557 287 | ||||||||
| Procentuele fout | 0,24% | Tolerantiegrens niet overschreden | |||||||
| Procentuele onzekerheid | 0,26% | Tolerantiegrens niet overschreden | |||||||
| Art. nr. | Omschrijving | Verantwoord bedrag | Fout | Onzekerheid | Totaal F +O | Onzekerheid over volledig-heid | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | |||||
| 3 | Liquide middelen | 37 504 | – | 486 | – | 1 | 487 | – |
| 5 | Uitgaven buiten begrotingsverband | 314 634 | – | – | – | 12 316 | 12 316 | – |
| 6 | Ontvangsten buiten begrotingsverband | 64 371 | – | – | – | 23 | 23 | – |
| 7 | Openstaande rechten | – | – | – | – | – | – | – |
| 8 | Extra-comptabele vorderingen | 1 995 051 | – | – | – | 15 700 | 15 700 | – |
| 9 | Extra-comptabele schulden | 3 | – | – | – | – | – | – |
| 10 | Voorschotten | 1 357 722 | – | 2 051 | – | 23 490 | 25 541 | – |
| 11 | Garantieverplichtingen | 402 629 | – | – | – | – | – | – |
| 12 | Openstaande verplichtingen | 4 108 851 | – | – | – | 16 625 | 16 625 | – |
| 13 | Deelnemingen | – | – | – | – | – | – | – |
| Totaal beoordeeld | 8 280 765 | – | 2 537 | – | 68 156 | – | ||
| * De tolerantiegrens wordt afgeleid van totaal beoordeeld | ||||||||
| Totaal saldibalans | 8 280 765 | |||||||
| Procentuele fout | 0,03% | Tolerantiegrens niet overschreden | ||||||
| Procentuele onzekerheid | 0,82% | Tolerantiegrens niet overschreden | ||||||
F. Afgerekende voorschotten (€ x 1000)
| Omschrijving | Verantwoord bedrag | Fout | Onzekerheid | Totaal F + O | Tolerantie overschreden? | Onzekerheid over volledig-heid | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | Rechtmatigheid | Deugdelijke weergave | ||||||
| Afgerekende voorschotten | 1 840 569 | 6 349 | – | 18 143 | – | 24 492 | nee | – | |
| Totaal afgerekende voorschotten | 1 840 569 | 6 349 | – | 18 143 | – | – | |||
| Totaal afgerekende voorschotten | 1 840 569 | ||||||||
| Procentuele fout | 0,34% | Tolerantiegrens niet overschreden | |||||||
| Procentuele onzekerheid | 0,99% | Tolerantiegrens niet overschreden | |||||||
BIJLAGE 2
| AID | Algemene Inspectiedienst |
| AKI | Algemeen Kader Informatiebeveiliging |
| CW 2001 | Comptabiliteitswet 2001 |
| DICTU | Dienst ICT Uitvoering |
| DLG | Dienst Landelijk Gebied |
| DR | Dienst Regelingen |
| EHS | Ecologische Hoofdstructuur |
| EOGFL | Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw |
| FEZ | (directie) Financieel-Economische Zaken |
| IFZ | Informatiebeleid en Facilitaire Zaken |
| ILG | Investeringsbudget Landelijk Gebied |
| LNV | (Ministerie van) Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit |
| MCS | Managementcontrolsysteem |
| PD | Plantenziektenkundige Dienst |
| Rwt | Rechtspersoon met een wettelijke taak |
| Sisa | Single information, single audit |
| VWA | Voedsel- en Warenautoriteit |
| Wilg | Wet inrichting landelijk gebied |
| Zbo | Zelfstandig bestuursorgaan |
BIJLAGE 3
Hieronder vindt u in alfabetische volgorde een aantal veel voorkomende woorden en begrippen uit het rechtmatigheidsonderzoek van de Algemene Rekenkamer. Van iedere term wordt de betekenis omschreven. Waar relevant wordt ook het gebruik van de term in het onderzoek uitgelegd.
Cursief weergegeven woorden worden elders in de lijst nader toegelicht.
Accountantsrapport/auditrapport
Schriftelijk verslag van een accountant/auditor over de uitkomsten van zijn onderzoek. Bij de rijksoverheid zijn dit de bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar: (a) de totstandkoming van de bedrijfsvoeringsinformatie en de beleidsinformatie van een departement, (b) het financieel beheer en het materieelbeheer van een departement en (c) de financiële informatie in het jaarverslag van een departement (dan wel in het jaarverslag van het Rijk).
Schriftelijke mededeling van een accountant (van een departementale auditdienst) waarin een oordeel wordt gegeven over het getrouwe beeld van de in het jaarverslag opgenomen jaarrekening met de daarbij behorende financiële toelichtingen en (bij het Rijk) over de in de bedrijfsvoeringsparagraaf opgenomen rapportage over de rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering. De accountantsverklaring geeft ook aan of het jaarverslag is opgesteld overeenkomstig de daarvoor geldende verslaggevingsvoorschriften en of de in het jaarverslag opgenomen niet-financiële informatie niet-strijdig is met de financiële informatie.
Wanneer een accountant in het jaarverslag fouten en onzekerheden constateert die het getrouwe beeld van de financiële informatie in het jaarverslag of het getrouwe beeld van de rechtmatigheidsinformatie in de bedrijfsvoeringsparagraaf aantasten, geeft hij geen goedkeurende accountantsverklaring.
Uitgaven voor personeel en materieel die nodig zijn om het departement te doen functioneren, zoals salarisuitgaven, (onderhouds)uitgaven voor de huisvesting, overheaduitgaven. Andere uitgaven die een ministerie doet zijn programma-uitgaven.
Artikelsgewijze oordeelsvorming
Wijze waarop het oordeel van de Algemene Rekenkamer over begrotingsartikelen tot stand komt. Ten behoeve van het budgetrecht van de Tweede Kamer voor de afzonderlijke begrotingsartikelen, hanteert de Algemene Rekenkamer kwantitatieve tolerantiegrenzen op het niveau van begrotingsartikelen. Dat wil zeggen: per begrotingsartikel wordt gekeken hoeveel fouten en/of onzekerheden er zijn, hoeveel geld daarmee in totaal gemoeid is en of dit totaal het bedrag te boven gaat dat de Algemene Rekenkamer voor het begrotingsartikel in kwestie nog toelaatbaar acht.
Eén van de taken van de Staten-Generaal is het goedkeuren van de begroting van ieder departement. Dit betekent dat zij bepalen hoeveel een minister maximaal kan besteden en aan welke doelen. Zie ook budgetrecht.
Post in de balans van een baten-lastendienst met de activa (bezittingen) en passiva (eigen vermogen en schulden) van de dienst.
De (op een staat van baten en lasten op te nemen) bedragen die worden beschouwd als voordelen die verband houden met de activiteiten in de betreffende periode.
Een dienstonderdeel van een ministerie met een grotere zelfstandigheid dan andere departementale diensten. Deze grotere zelfstandigheid laat onverlet dat er sprake is van ministeriële verantwoordelijkheid en dat het budgetrecht van de Tweede Kamer van toepassing is.
Een baten-lastendienst heeft een afzonderlijke plaats in de begroting en de financiële verantwoording van het moederministerie. Ook voert een baten-lastendienst een eigen administratie, los van de begrotingsadministratie van het moederministerie. De term «basten-lastendienst» verwijst naar de boekhoudmethode die deze diensten hanteren, het baten-lastenstelsel.
Bij een stelsel van baten en lasten worden de opbrengsten en uitgaven voor een geleverde of ontvangen dienst verantwoord in het jaar waarin die dienst geleverd of ontvangen is. Deze methode verschilt van het kasstelsel, waarbij het moment van uitgeven of ontvangen bepalend is voor het moment waarop een post wordt opgenomen in de verantwoording.
Onder de bedrijfsvoering vallen alle processen die ervoor zorgen dat een ministerie kan functioneren: het financieel beheer en het materieelbeheer en de processen op het gebied van personeel, informatievoorziening, administratie, communicatie en huisvesting.
Bedrijfsvoeringsparagraaf/bedrijfsvoeringsinformatie
In de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag van een ministerie verantwoordt de minister zich over (a) de rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering (of het begrotingsgeld volgens de regels is uitgegeven), (b) de totstandkoming van de beleidsinformatie, (c) het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer en (d) de overige aspecten van de bedrijfsvoering.
De bedrijfsvoeringsparagraaf heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage: de minister meldt alleen fouten en onzekerheden in de begrotingsuitvoering die de tolerantiegrenzen overschrijden.
De Rijksbegroting bestaat uit de begrotingen van het Huis der Koningin, de Hoge Colleges van Staat, de Kabinetten, alle ministeries en alle begrotingsfondsen. In totaal omvat de rijksbegroting 26 afzonderlijke hoofdstukken: de zogenoemde begrotingshoofdstukken. Elk hoofdstuk heeft een eigen begroting, een eigen jaarverslag en een eigen rapport bij het jaarverslag.
Begrotingsartikel/Beleidsartikel
Ieder begrotingshoofdstuk kent twee soorten begrotingsartikelen: beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen. In de beleidsartikelen geeft de minister een toelichting op de door hem te realiseren beleidsresultaten. Een beleidsartikel bestaat uit een overkoepelende (algemene) doelstelling, en indien van toepassing één of meer operationele doelstellingen, met bijbehorende prestatiegegevens. Aan niet-beleidsartikelen wordenverplichtingen, uitgaven en ontvangsten toegerekend die geen verband houden met het realiseren van beleidsdoelstellingen.
Beleidsinformatie in het jaarverslag is de informatie die de minister geeft over de gerealiseerde effecten als gevolg van het gevoerde beleid, de daartoe geleverde prestaties en de daarmee gemoeide kosten. De beleidsinformatie in het jaarverslag wordt ook wel niet-financiële informatie genoemd.
Tot «bestuurskosten» worden gerekend: (a) de uitgaven voor de voorzieningen die aan ministers en staatssecretarissen ter beschikking worden gesteld en die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun ambt, en (b) de vaste vergoedingen voor de kosten van voorzieningen die voor eigen rekening van de ministers en staatssecretarissen komen en die door hen mede worden aangewend ten behoeve van de vervulling van hun ambt.1
De Algemene Rekenkamer kan bezwaar maken wanneer een minister in strijd met de regels geld heeft uitgegeven of (niet) heeft ontvangen. Zij kan ook bezwaar maken wanneer een minister onvolkomenheden in het financieel beheer en materieelbeheer van zijn departement heeft laten voortbestaan. De Algemene Rekenkamer doet dit niet snel. Zij brengt de minister eerst op de hoogte van het voornemen om bezwaar te maken en overlegt met hem. Pas als dat niet tot verbeteringen leidt, komt de bezwaarprocedure in beeld. De bezwaarprocedure is bedoeld als signaal dat maatregelen dringend nodig zijn. De bezwaarprocedure is wettelijk geregeld in de artikelen 88 en 89 van de Comptabiliteitswet 2001.
Voordat de Algemene Rekenkamer besluit om bezwaar te maken, doet zij nader onderzoek naar het betreffende probleem. Dergelijk onderzoek heet een bezwaaronderzoek. De bevindingen uit dit onderzoek dienen als mogelijke onderbouwing van het bezwaar. Op grond van de resultaten van dit onderzoek neemt de Algemene Rekenkamer een besluit over het al dan niet maken van bezwaar.
Recht van de Staten-Generaal om van tevoren toestemming te verlenen aan een minister voor het aangaan van verplichtingen, het doen van uitgaven en het innen van ontvangsten (belastingen). Zie ook autoriseren.
De Tweede Kamer heeft budgetrecht op artikelniveau. Een begrotingsartikel is de kleinste eenheid van een begrotingswet waarin de bedragen voor de aan te gane verplichtingen, te verrichten uitgaven en te innen ontvangsten zijn opgenomen. De Tweede Kamer kan het door het recht van amendement een begrotingsartikel wijzigen.
De Eerste Kamer heeft budgetrecht op hoofdstukniveau. Nadat de Tweede Kamer op de begrotingswetten (en daarmee de begrotingen) op artikelniveau heeft goedgekeurd, kan de Eerste Kamer alleen de begrotingswet als geheel (het begrotinghoofdstuk) goedkeuren of verwerpen.
«Pas toe of leg uit». In het departementale jaarverslag moet de minister per operationele doelstelling informatie opnemen over de realisatie van de doelen van zijn beleid, de daartoe geleverde prestaties en de daarvoor uitgegeven middelen (comply). Sinds 2005 mag de minister afzien van het opnemen van concrete beleidsinformatie in zijn jaarverslag (motie-Douma c.s., 2005). Hij moet dan wel uitleggen waarom hij het niet zinvol of relevant acht om die informatie op te nemen (explain).
De Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001) regelt de financiële gang van zaken binnen ministeries en tussen de ministers en het parlement. De CW 2001 schrijft ook de taken van de Algemene Rekenkamer voor. Deze wet draagt de Algemene Rekenkamer onder meer op om jaarlijks te onderzoeken of de jaarverslagen van de ministeries voldoen aan een aantal nader omschreven eisen.
Het financieel beheer van een ministerie is controleerbaar als de beheershandelingen duidelijk zijn vastgelegd, opdat de organisatie goed kan functioneren en opdat audits efficiënt kunnen worden uitgevoerd.
Het stelsel van control (sturing en beheersing van beleids- en beheersprocessen), controle (verificatie) en (budgettair) toezicht binnen het Rijk.
Goedkeuring door de Staten-Generaal van de begrotingsuitvoering van de minister. Na Verantwoordingsdag keuren de Staten-Generaal de slotwetten goed. Daarmee verlenen ze decharge aan de ministers: deze laatsten worden ontheven van hun verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid en de daaraan verbonden financiële consequenties, waarover ze zich in de jaarverslagen hebben verantwoord.
Departementale auditdienst (DAD)
De DAD is een onderdeel van het ministerie dat onder meer belast is met de controle van het departementale jaarverslag, het onderzoek naar het financieel beheer, het materieelbeheer en de ten behoeve daarvan bijgehouden administraties en het onderzoek naar de totstandkoming van de niet-financiële informatie. De DAD voert daarmee een wettelijke taak uit. De Algemene Rekenkamer beschouwt de DAD als een interne accountant, die relatief onafhankelijk functioneert. Een waarborg voor deze relatieve onafhankelijkheid vormt het feit dat de taak en de plaats van de DAD wettelijk geregeld zijn. Deze plaats, direct onder de secretaris-generaal van het betreffende ministerie, waarborgt de onafhankelijkheid ten opzichte van de te controleren afdelingen en diensten van het ministerie. Verder kan de DAD rechtstreeks aan de minister rapporteren.
Deugdelijke/ondeugdelijke weergave
De in het jaarverslag opgenomen financiële informatie dient deugdelijk te zijn weergegeven. Dit houdt in dat de informatie betrouwbaar, aanvaardbaar en toereikend moet zijn, zodat de Tweede Kamer zich als gebruiker van die informatie een oordeel kan vormen over de uitkomsten.
Regels voor het openstellen van overheidsopdrachten voor leveranciers uit alle Europese lidstaten. De regels zijn gericht op een transparant aanbestedingsproces op basis van objectieve selectie- en gunningscriteria.
Het financieel beheer van een ministerie omvat het geheel van beslissingen, handelingen en regels die zijn bedoeld voor de sturing en beheersing van, alsmede de verantwoording over, de financiële transacties en de saldi waarvoor de minister (mede)verantwoordelijkheid draagt. Deze begripsomschrijving is gebaseerd op de Comptabiliteitswet 2001.
Financiële informatie betreft de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van een ministerie in de verantwoordingsstaat en de toelichting daarbij (en voor zover van toepassing: de baten, lasten, kapitaaluitgaven, kapitaalontvangsten en balansposten in de samenvattende verantwoordingsstaat van de onder een ministerie vallende baten-lastendiensten en de toelichting daarbij).
Financieel jaarverslag en saldibalans van het Rijk
Het Financieel jaarverslag van het Rijk en de saldibalans van het Rijk vormen tezamen de jaarlijkse financiële verantwoording van het Rijk. Het Financieel jaarverslag van het Rijk bevat de rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk, die aansluit op de in de departementale en niet-departementale jaarverslagen opgenomen verantwoordingsstaten. De saldibalans van het Rijk sluit aan op de departementale saldibalansen. Beide documenten worden opgesteld door de minister van Financiën.
Fouten zijn afwijkingen van de criteria rechtmatigheid en deugdelijke weergave. We spreken van een fout als bepaalde verplichtingen, uitgaven of ontvangsten onrechtmatig zijn (de minister heeft het geld niet uitgegeven of ontvangen volgens de daarvoor geldende wetten en regels) of ondeugdelijk zijn weergegeven (de minister heeft de financiële informatie niet juist of volledig verantwoord).
Een verklaring waarin de accountant aangeeft of hij tot het oordeel is gekomen dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de werkelijkheid, in overeenstemming met de van toepassing zijnde grondslagen voor de verslaggeving.
Wetsvoorstel bedoeld om een bezwaar van de Algemene Rekenkamer op te heffen. In een indemniteitswet vraagt de minister de Tweede Kamer om de verplichtingen, uitgaven of ontvangsten, ondanks het bezwaar van de Algemene Rekenkamer toch goed te keuren.
Bij de rijksoverheid bestaat het jaarverslag uit verantwoordingsinformatie over:
(a) beleidsinformatie: het door het departement gevoerde beleid;
(b) financiële informatie: de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van het departement en voor zover van toepassing de baten, lasten, kapitaaluitgaven, kapitaalontvangsten en balansposten van de onder een ministerie vallende baten-lastendiensten;
(c) bedrijfsvoeringsinformatie: het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer (bedrijfsvoeringsinformatie).
Kapitaaluitgaven/kapitaalontvangsten
Uitgaven respectievelijk ontvangsten in verband met investeringen en desinvesteringen in kapitaalgoederen, alsmede de financiering daarvan.
In een kasstelsel is het moment van uitgeven of ontvangen van het geld bepalend voor het moment waarop een post wordt opgenomen in de verantwoording.
De (op een staat van baten en lasten op te nemen) bedragen die worden beschouwd als nadelen die verband houden met de activiteiten in de betreffende periode.
M&O staat voor misbruik en oneigenlijk gebruik. M&O-beleid is het geheel van maatregelen dat een minister neemt om misbruik en oneigenlijk gebruik van weten regelgeving zoveel mogelijk te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.
Het materieelbeheer van een ministerie behelst de zorg voor alle niet-geldelijke zaken, vanaf het moment van ontvangst tot aan het moment van afstoting.
Zie beleidsinformatie.
Onvolkomenheid/ernstige onvolkomenheid
De Algemene Rekenkamer spreekt van een «onvolkomenheid» wanneer sprake is van een overschrijding van de kwalitatieve tolerantiegrenzen die zij hanteert bij de beoordeling van de bedrijfsvoering van een departement. Of een onvolkomenheid als «ernstig» wordt gekwalificeerd hangt af van de frequentie van voorkomen en de zwaarte van de onvolkomenheid.
De Algemene Rekenkamer kwalificeert financiële informatie als «onzeker» wanneer zij door onvolkomenheden in het financieel beheer niet kan vaststellen of bepaalde verplichtingen, uitgaven of ontvangsten rechtmatig zijn of deugdelijk zijnweergegeven.
Het financieel beheer is ordelijk als het is opgezet volgens adequate, in de administratieve organisatie vastgelegde, procedureregels en functioneert in overeenstemming met die procedureregels.
Operationele doelstellingen zijn een nadere uitwerking van de algemene beleidsdoelstelling die bij een beleidsartikel hoort.
Overdrachtsuitgaven zijn uitgaven aan personen of instellingen in de vorm van – onder andere – subsidies en (specifieke) uitkeringen, waarvoor geen tegenprestaties in de vorm van levering van goederen of diensten worden gevraagd.
Het geheel van afspraken en maatregelen, inclusief het tijdschema, dat moet leiden tot een beheerste bedrijfsvoering, waaronder opstelling en uitvoering van de begroting.
Onvolkomenheden in het financieel beheer of fouten en onzekerheden in de financiële informatie in het jaarverslag die de kwalitatieve of kwantitatieve tolerantiegrenzen van de Algemene Rekenkamer overschrijden.
Prestatiegegevens zijn kwantitatieve of kwalitatieve indicatoren waarmee de minister inzicht biedt in de door hem gerealiseerde beleidsresultaten. Onder prestatiegegevens kunnen zowel effect(indicator)en als informatie over de prestaties van de overheid worden verstaan.
Programma-uitgaven zijn alle uitgaven die de minister doet in het kader van de uitvoering van zijn beleid, met uitzondering van de apparaatsuitgaven.
Norm waaraan het financieel beheer, het materieelbeheer en de daartoe bijgehouden administraties, alsmede de financiële informatie in het jaarverslag moeten voldoen. Voor de financiële informatie houdt dit in dat zij tot stand is gekomen in overeenstemming met de begrotingswetten en met andere van toepassing zijnde wetten en wettelijke regelingen.
Voor haar oordelen over het jaarverslag maakt de Algemene Rekenkamer zo veel mogelijk gebruik van de werkzaamheden van de departementale auditdienst (DAD). Om te bepalen of ze de bevindingen van de DAD kan overnemen, beoordeelt zij de controlewerkzaamheden die door de DAD zijn uitgevoerd. Dit wordt «review» genoemd.
De Algemene Rekenkamer onderzoekt niet alle processen en geldstromen tot in detail, maar maakt daarbij gebruik van risicoanalyses. Dat betekent dat zij haar onderzoeksinspanningen vooral richt op die onderdelen, processen of geldstromen waar essentiële knelpunten of risico’s zijn geïdentificeerd.
De saldibalans is een overzicht van de posten die aan het einde van het jaar nog openstaan en die naar het volgende jaar moeten worden meegenomen. Het gaat hierbij om posten als: vorderingen, voorschotten, schulden en openstaande verplichtingen.
Single information single audit (sisa)
«Single information» houdt in dat de reguliere jaarlijkse financiële verantwoording aan het lokale bestuur ook wordt gebruikt voor de verantwoording over specifieke uitkeringen. Hierdoor hoeven provincies en gemeenten zich niet over elke specifieke uitkering te verantwoorden met een afzonderlijke verantwoording. Zij kunnen volstaan met hun reguliere jaarverslagen, met daarin een bijlage met de meest noodzakelijke informatie per specifieke uitkering. «Single audit» betekent dat de controle over de specifieke uitkeringen onderdeel uitmaakt van de controle van de jaarlijkse financiële verantwoording. Hierdoor hoeft de accountant geen afzonderlijke accountantsverklaring meer af te geven voor elke specifieke uitkering.
Uitkering van de rijksoverheid aan een andere overheid ten behoeve van het uitvoeren van bepaalde activiteiten of het realiseren van een specifiek doel.
De slotwet is de laatste wet in de begrotingscyclus, waarmee de geraamde uitgaven, verplichtingen en ontvangsten formeel in overeenstemming worden gebracht met de uiteindelijke realisaties. De slotwet wordt gelijk met het jaarverslag aangeboden aan de Tweede Kamer.
Onder «taakstelling» verstaan we in dit rapport de uitwerking van de bezuinigingsmaatregelen voor de rijksdienst uit het regeerakkoord van het vierde kabinet-Balkenende.
Tolerantiegrenzen worden zowel door de ministers als door de Algemene Rekenkamer gehanteerd om te bepalen welke fouten en onzekerheden worden gerapporteerd in respectievelijk de bedrijfsvoeringsparagraaf van de departementale jaarverslagen en in de rapporten bij de jaarverslagen van de Algemene Rekenkamer.
Op voorstel van de minister van Financiën en met instemming van de Algemene Rekenkamer en de Tweede Kamer wordt in 2007 en 2008 een experiment uitgevoerd met verruimde tolerantiegrenzen. In ons rapport Rijk verantwoord 2007 en op www.rekenkamer.nl staat een overzicht van de (aangepaste) tolerantiegrenzen.
De presentatie van de informatie in het jaarverslag moet voldoen aan de verslaggevingseisen zoals die zijn opgenomen in de Rijksbegrotingsvoorschriften.
Ieder jaar worden op de derde woensdag van mei de departementale en niet-departementale jaarverslagen en het Financieel jaarverslag Rijk gepubliceerd. Met het jaarverslag leggen ministers verantwoording af over het door hen gevoerde (financiële) beleid en de bedrijfsvoering in het voorgaande jaar. Deze dag wordt dan ook wel «Verantwoordingsdag» genoemd.
De Algemene Rekenkamer publiceert op Verantwoordingsdag de resultaten van haar jaarlijkse rechtmatigheidsonderzoek in de rapporten bij de jaarverslagen en het rapport bij het Financieel jaarverslag van het Rijk: Rijk verantwoord.
In de verantwoordingsstaat in het jaarverslag worden per begrotingsartikel de gerealiseerde bedragen van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten opgenomen.
In de samenvattende verantwoordingsstaat van de baten-lastendiensten staan de baten, de lasten, het saldo van baten en lasten, de kapitaaluitgaven en de kapitaalontvangsten van de baten-lastendiensten die onder het ministerie vallen.
Een verplichting is een juridische verbintenis die (a) ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking, een verbintenis of een op een controleerbare wijze vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen en die (b) tot uitgaven leidt of kan leiden.
Onder een voorschot wordt verstaan (a) een vooruitbetaling door het Rijk in verband met door een derde aan het Rijk te leveren producten, te verlenen diensten of te verrichten werken; of (b) een vooruitbetaling van het Rijk op een aan een derde verstrekte aanspraak op een subsidie, bijdrage of lening of op een aanspraak uit hoofde van een verstrekte garantie.
Algemene Rekenkamer (2007). Lessen uit ICT-projecten bij de overheid. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 26 643, nr. 100. Den Haag: Sdu.
Algemene Rekenkamer (2008). Rijk Verantwoord 2007. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 444, nr. 2. Den Haag: Sdu.