Base description which applies to whole site

B Gemeentefonds

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave blz.

A.Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel2
   
B.Begrotingstoelichting3
   
1.Leeswijzer3
   
2.Het beleid4
2.1.De beleidsagenda4
2.1.1.Beleidsmutaties4
   
2.2.Het beleidsartikel5
2.2.1.Algemene beleidsdoelstelling5
2.2.2.Verantwoordelijkheid minister5
2.2.3.Succesfactoren van beleid5
2.2.4.Budgettaire gevolgen van beleid6
2.2.5.Operationele doelstellingen8
   
3.Het verdiepingshoofdstuk11
3.1.Opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting11
3.2.Integratie-uitkeringen17
3.3.Decentralisatie-uitkeringen18
3.4.Financieel overzicht gemeenten 200920
3.5.Specifieke uitkeringen25
3.6.Opbrengst lokale heffingen 200928
   
4.Bijlagen bij de begroting33
Bijlage 1Periodiek Onderhoudsrapport gemeentefonds 201035
Bijlage 2Beleidsmutaties83
Bijlage 3Moties en toezeggingen in het vergaderjaar 2008–200985
Bijlage 4Lijst met afkortingen86
Bijlage 5Lijst met belangrijke termen en hun betekenis87

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2010 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten samen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2010. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2010.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2010 vastgesteld. Het begrotingsartikel dat in de begroting van het gemeentefonds is opgenomen wordt in onderdeel B. van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 3 (verplichtingenbedrag bedoeld in artikel 5 van de Financiële-verhoudingswet)

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet juncto artikel 6, vierde lid van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet, hebben de gemeenten gezamenlijk recht op het bedrag dat in de begroting als verplichting voor het totaal van de algemene uitkering c.a. en de aanvullende uitkeringen is opgenomen. Het in dit wetsartikel opgenomen bedrag is niet rechtstreeks uit de begrotingsstaat af te leiden. Het bedrag wordt nader onderbouwd in paragraaf 2.2.4. van deze memorie.

De staatsecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

De minister van Financiën,

W. J. Bos

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

De gemeentefondsbegroting maakt onderdeel uit van de Rijksbegroting maar heeft daarbinnen, evenals de provinciefondsbegroting, een eigen bijzonder karakter. Zo kent de gemeentefondsbegroting in tegenstelling tot een departementale begroting slechts één beleidsartikel: het gemeentefonds. Het beleid dat wordt gevoerd ter realisatie van de algemene beleidsdoelstelling is direct verbonden met dit ene beleidsartikel. Voorts zijn de fondsbeheerders systeemverantwoordelijk voor het gemeentefonds en niet voor de resultaten die gemeenten met hun budget uit dit fonds realiseren. Gemeenten zijn, met inachtneming van de wet- en regelgeving, autonoom in het voeren van hun beleid bekostigd uit het gemeentefonds. De begroting van het gemeentefonds bevat geen output- en/of outcomegegevens. Deze worden door de gemeenten in hun begrotingen gepresenteerd.

De voorliggende toelichting bij de begroting 2010 van het gemeentefonds kent de volgende indeling.

Na dit hoofdstuk met de leeswijzer start hoofdstuk 2 met de beleidsagenda van het gemeentefonds, waarin onder meer de beleidsprioriteiten voor 2010 en de belangrijkste beleidsmutaties worden beschreven. Vervolgens wordt ingezoomd op hét beleidsartikel: het gemeentefonds. Hierin komen de met het beleid samenhangende algemene beleidsdoelstelling en nader geoperationaliseerde doelstellingen aan bod. Ook worden de hierbij behorende prestatie-indicatoren behandeld. De tabel Budgettaire gevolgen van beleid geeft inzicht in de integrale uitgaven die samenhangen met de algemene beleidsdoelstelling.

Hoofdstuk 3 is het verdiepingshoofdstuk. In dit hoofdstuk wordt de opbouw aangegeven van verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van het gemeentefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2009 naar de stand ontwerpbegroting 2010. In hoofdstuk 3 wordt ook ingegaan op de ontwikkeling van de integratie- en decentralisatie-uitkeringen. Verder wordt in dit hoofdstuk het gemeentefonds in een breder kader geplaatst, waarbij nader wordt ingegaan op de andere inkomstenbronnen van de gemeenten de specifieke uitkeringen.

In hoofdstuk 4 treft u de bijlage Periodiek Onderhoudsrapport gemeentefonds 2010 aan, het verslag van het jaarlijkse onderzoek naar de verdeling van het gemeentefonds.

Tot slot van deze leeswijzer verdienen de apparaatuitgaven enige aandacht. De apparaatuitgaven in de zin van materiële en personele uitgaven van de medewerkers bij de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën die betrokken zijn bij het fondsbeheer, zijn niet in de tabel Budgettaire gevolgen van beleid opgenomen. Deze kosten worden in de respectievelijke departementale begrotingen verantwoord. Dit geldt eveneens voor het algemene beleid inzake decentrale overheden als gemeenten en provincies, waarbij deze uitgaven zijn terug te vinden in de begroting van het ministerie van BZK.

2. HET BELEID

2.1. De beleidsagenda

Voor burgers vormen Rijk, gemeenten en provincies één overheid. De burger verwacht een slagvaardig openbaar bestuur. Dit vraagt om een duidelijke taakverdeling tussen de verschillende overheden en goede interbestuurlijke en financiële verhoudingen. Het gemeentefonds voorziet gemeenten van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken. Daarnaast voorziet het in een dusdanige verdeling van de beschikbare financiële middelen over gemeenten dat deze in staat zijn om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lasten te kunnen leveren.

Met gemeenten zijn voor de komende jaren afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het gemeentefonds. De bestaande normeringssystematiek is als gevolg van de financieel economische crisis en de daarmee samenhangende druk op de overheidsuitgaven tijdelijk buiten werking gesteld. In plaats daarvan is er met de gemeenten voor deze jaren een reeks van nominale uitkeringen voor het gemeentefonds overeengekomen. De behoedzaamheidsreserve is daarmee ook tijdelijk komen te vervallen.

Hoewel gemeenten door deze maatregel wellicht minder of meer ontvangen dan wanneer de normeringssystematiek zou zijn gehandhaafd, weten zij voor de komende jaren precies waar zij in financiële zin aan toe zijn. Zekerheid in onzekere tijden dus. Tegelijkertijd is afgesproken dat medeoverheden tijdelijk extra EMU-ruimte krijgen voor automatische stabilisatie en investeringsversnellingen.

Daarnaast is bij het Wmo onderdeel huishoudelijke verzorging afgeweken van de afgesproken budgetsystematiek, hetgeen heeft geleid tot een aanzienlijk hoger bedrag in het gemeentefonds dan anders het geval zou zijn geweest.

In 2010 zal verder worden gewerkt aan het terugdringen van het aantal specifieke uitkeringen naar 45. Deze operatie heeft tot gevolg dat het aantal decentralisatie-uitkeringen fors toeneemt. Het uiteindelijke streven is er op gericht om deze middelen zoveel als mogelijk te integreren in de algemene uitkering van het gemeentefonds.

In 2007 en 2008 zijn bestuursakkoorden afgesloten met respectievelijk de VNG en het IPO. Het Bestuursakkoord met de VNG is aangevuld met afspraken kabinetsstandpunt D’Hondt. De afspraken over decentralisatie worden geïmplementeerd. Over de voortgang vindt regelmatig overleg plaats met VNG en IPO. Ook nieuwe beleidsvoornemens worden steeds beoordeeld op het decentralisatiegehalte.

2.1.1. Beleidsmutaties

Door wijzigingen in beleid van verschillende departementen kan worden overgegaan tot het beleggen of juist onttrekken van taken bij gemeenten. Soms gaat dit gepaard met een toevoeging aan of een uitname uit het gemeentefonds. In tabel 2.1.1. worden de mutaties per uitgavencategorie weergegeven als gevolg van de beleidsmutaties. Voor een overzicht van de beleidsmatige mutaties vanaf ontwerpbegroting 2009 wordt verwezen naar bijlage 2. In tabel 3.1.2. wordt vanaf de stand ontwerpbegroting 2009 een aansluiting gegeven naar de stand ontwerpbegroting 2010. De weergegeven mutaties worden in de verdiepingsbijlage (paragraaf 3) afzonderlijk toegelicht voor zover dit nog niet gebeurd is in een eerder begrotingsstuk.

Tabel 2.1.1. Beleidsmutaties (x € 1 000)
 200920102011201220132014
Apparaatuitgaven      
1. Kosten Financiële-verhoudingswet1 00000000
2. Kosten Waarderingskamer12100000
3. Budget A+O-fonds0109109109109109
4. Bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten000000
       
Programma-uitgaven      
1. Algemene uitkering ca en de aanvullende uitkeringen– 153 626– 110 509– 128 506– 123 013– 98 099– 121 179
2. Integratie-uitkeringen50 313100 997103 996104 543110 420107 300
3. Decentralisatie-uitkeringen199 338713 637412 751317 986301 011301 011
Totaal mutaties (inclusief meerjarige doorwerking 1e suppletore 2009)97 146704 234388 350299 625313 441287 241

2.2. Het beleidsartikel

2.2.1. Algemene beleidsdoelstelling

Via het gemeentefonds wordt bewerkstelligd dat de gemeenten de juiste middelen krijgen toebedeeld om hun taken naar behoren uit te voeren. Deze doelstelling valt uiteen in twee onderdelen:

1. De omvang van de middelen moet adequaat zijn;

2. De verdeling van de middelen moet adequaat zijn.

2.2.2. Verantwoordelijkheid minister

De fondsbeheerders, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – i.c. de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – en de minister van Financiën, zijn verantwoordelijk voor de financiële verhoudingen tussen Rijk, provincies en gemeenten. Zij dragen daarbij zorg voor een adequate omvang alsmede een goede werking van de verdeelsystematiek van het gemeentefonds. De fondsbeheerders zijn niet verantwoordelijk voor de resultaten die gemeenten met hun bijdrage uit dit fonds realiseren: gemeenten zijn, met inachtneming van de wet- en regelgeving, autonoom in het voeren van hun beleid bekostigd uit het gemeentefonds. Ook de eigen gemeentelijke belastingsopbrengsten kennen deze karakteristiek.

Dit in tegenstelling tot de overige inkomstenbronnen van gemeenten, specifieke uitkeringen en heffingen en retributies. Niet alleen de bestedingsrichting, ook de effectiviteit van de inzet van de middelen is een gemeentelijke verantwoordelijkheid, waarin het college van B&W wordt gecontroleerd door de gemeenteraad.

2.2.3. Succesfactoren van beleid

Het feit dat de fondsbeheerders systeemverantwoordelijk zijn, neemt niet weg dat van tijd tot tijd vragen opkomen of de gemeenten als collectiviteit geen andere prioriteiten zouden moeten stellen, bijvoorbeeld ter ondersteuning van gezamenlijk onderschreven prioriteiten van het Rijk. In een dergelijk geval kunnen het Rijk en de gemeenten bestuurlijke afspraken maken over de accenten in de bestedingsrichting van de gemeenten. De desbetreffende vakministers spelen hier naast de fondsbeheerders een belangrijke rol. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor resultaten blijft bij de gemeenten.

2.2.4. Budgettaire gevolgen van beleid

In onderstaande tabel worden voor zowel de verplichtingen, de uitgaven als de ontvangsten de budgettaire gevolgen van beleid van het gemeentefonds weergegeven.

Tabel 2.2.1. Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1000)
 200920102011201220132014
Verplichtingen:17 439 23618 046 56917 701 50317 610 06117 623 98017 601 780
       
Uitgaven:17 518 32418 046 56917 701 50317 610 06117 623 98017 601 780
       
Apparaatuitgaven      
1. Kosten Financiële-verhoudingswet3 0912 0912 0912 0912 0912 091
2. Kosten Waarderingskamer1 2791 1581 1581 1581 1581 158
3. Budget A+O-fonds5 8875 9965 9965 9965 9965 996
4. Bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten1 0001 0001 0001 0001 0001 000
       
Programma-uitgaven      
1. Algemene uitkering ca en de aanvullende uitkeringen15 679 58215 626 98615 595 34215 598 55815 623 57515 604 495
2. Integratie-uitkeringen1 614 6471 682 2011 669 6651 669 7721 675 6491 672 529
3. Decentralisatie-uitkeringen212 838727 137426 251331 486314 511314 511
       
Ontvangsten:17 518 32418 046 56917 701 50317 610 06117 623 98017 601 780
       
Apparaatontvangsten      
1. Terugontvangsten Waarderingskamer      
       
Programma-ontvangsten      
1. Ontvangsten ex art. 4 Fvw17 518 32418 046 56917 701 50317 610 06117 623 98017 601 780

Normaliter is er een verschil in enig jaar tussen de verplichtingen en de uitgaven. Dit verschil wordt veroorzaakt door de behoedzaamheidsreserve (€ 208 739 000), die wel in de verplichtingenstand wordt meegenomen, maar pas in het jaar na afloop van het begrotingsjaar – doorgaans voor een deel – tot uitkering komt. De behoedzaamheidsreserve wordt dan verrekend met de nacalculatie van de accressen. Echter, door het tijdelijk buitenwerking stellen van de normeringssystematiek en de daarbij behorende tijdelijke afschaffing van de behoedzaamheidsreserve (zie hiervoor ook paragraaf 2.1.) is er vanaf 2010 geen verschil tussen het verplichtingenbedrag en het uitgavenbedrag. Beide bedragen komen voor 2010 uit op € 18 046 569 000. Het verplichtingenbedrag voor 2010 van de algemene uitkering bedraagt € 15 626 986 000.

In tegenstelling tot een departementale begroting zijn bij een fonds als het gemeentefonds de verplichtingen leidend. Dit houdt in dat zij, eenmaal geaccordeerd, altijd geheel tot uitbetaling komen. Geld dat in enig jaar nog niet aan gemeenten wordt uitgekeerd, wordt automatisch aan het volgende begrotingsjaar toegevoegd. Zo bezien kunnen de uitgaven niet worden beïnvloed.

Ontvangsten

Wetsartikel 4, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet regelt dat bij (begrotings)wet voor ieder uitkeringsjaar een bedrag aan middelen voor het Rijk wordt afgezonderd ten behoeve van het gemeentefonds. Op grond van het tweede lid zijn de uitgaven en de afgezonderde inkomsten over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Gelet hierop is ten behoeve van de dekking van de uitgaven ten laste van het gemeentefonds een post Ontvangsten ex artikel 4 van de Financiële-verhoudingswet geraamd (zie in tabel 2.2.1. onder Programma-ontvangsten).

Ter informatie geeft figuur 2.2.2. het verloop van de uitkering uit het gemeentefonds (totaal programma-uitgavenbedrag) per inwoner van 1999–2014 weer. De bedragen 1999 tot en met 2008 zijn op basis van de jaarverslagen. De bedragen 2009 tot en met 2014 zijn op basis van de miljoenennota 2010.

Figuur 2.2.2. Uitkering gemeentefonds in € per inwoner

kst-32123-B-2-1.gif

De gemeenten ontvangen in 2010 uit het gemeentefonds € 18 036 324 000 (programma-uitgaven). Per inwoner komt de uitkering uit op een landelijk gemiddelde van € 1 091 per inwoner. Ten opzichte van 2009 betekent dit een stijging van €  28 per inwoner door voornamelijk de stijging van het aantal decentralisatie-uitkeringen. De stijging in 2009 ten opzichte van 2008 en de stijging in 2008 ten opzichte van 2007 komt voornamelijk door de omvang van het accres. De stijging in 2007 ten opzichte van 2006 komt voornamelijk door de compensatie in het kader van de afschaffing van het gebruikersdeel OZB en het accres 2006. De daling van 2004 ten opzichte van 2003 is het gevolg van de uitname in verband met het BTW-compensatiefonds. De daling van de algemene uitkering per inwoner in 2005 ten opzichte van 2004 vloeit voornamelijk voort uit de afschaffing van de € 45,38-maatregel.

2.2.5. Operationele doelstellingen

De bijdrage van de fondsbeheerders om te komen tot het bewerkstelligen dat de gemeenten via het gemeentefonds de juiste middelen krijgen toebedeeld om hun taken naar behoren uit te voeren wordt geoperationaliseerd door twee doelstellingen:

• De gemeenten via het gemeentefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken;

• Een verdeling van de beschikbare financiële middelen over gemeenten die elk van de gemeenten in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren.

Operationele doelstelling 1: De gemeenten via het gemeentefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken.

Motivering

De omvang van het gemeentefonds ontwikkelt zich normaliter volgens de normeringssystematiek en door de toevoegingen en/of onttrekkingen aan het fonds in verband met specifieke taakmutaties. De normeringssystematiek houdt in dat het fonds meebeweegt met de netto gecorrigeerde rijksuitgaven, volgens het principe: «samen de trap op, samen de trap af». Op die wijze wordt het jaarlijkse groeipercentage (het zogenaamde accres) bepaald. Deze systematiek werkt sinds 1995 en berust op een bestuurlijke afspraak tussen het Rijk, de VNG en het IPO. Zoals gemeld in paragraaf 2.1 geven zwaarwegende redenen echter aanleiding om deze systematiek tijdelijk buiten werking te stellen. Daarnaast zijn er jaarlijks diverse specifieke taakmutaties die tot toevoegingen en/of onttrekkingen aan het gemeentefonds kunnen leiden. Het Rijk zorgt voor de uitwerking van de afspraak door de precieze accresberekeningen te maken en de gemeenten te informeren door middel van de circulaires. Daarnaast heeft het Rijk een verantwoordelijkheid bij het bepalen van de hoogte van specifieke uitnamen en/of toevoegingen als gevolg van taakmutaties.

In de relatie tussen Rijk en decentrale overheden, en daarmee ook de besprekingen over de omvang van het gemeentefonds zijn mede richtinggevend: de code Interbestuurlijke verhoudingen, het in 2007 gesloten Bestuursakkoord «Samen aan de Slag» en het aanvullend akkoord tussen Rijk en gemeenten/provincies/waterschappen van april 2009.

Activiteiten 2010

Het Bestuurlijk overleg financiële verhouding (Bofv) tussen de fondsbeheerders, de VNG en het IPO zal twee keer per jaar plaats vinden, rond het verschijnen van de Voorjaarsnota en de Miljoenennota. Iedere partij is gerechtigd om agendapunten in te brengen (open agenda). De deelnemers aan het overleg zijn de fondsbeheerders, de VNG en het IPO. Indien noodzakelijk en gewenst kunnen ook andere bewindslieden aanwezig zijn.

Het kabinet zal artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet onverkort toepassen en naleven. De vakministers zijn primair verantwoordelijk voor het aangeven van de kosten en bekostigingswijze van taakwijzigingen van gemeenten. Daartoe treden zij tijdig in overleg met de fondsbeheerders en daarna – conform de Code interbestuurlijke verhoudingen – met de VNG. Er zal daarbij meer aandacht zijn voor de gevolgen van nieuw Europees beleid om met de gemeenten en provincies te bezien of er sprake is van financiële consequenties en op welke wijze die (kunnen) worden gedekt.

In het aanvullend beleidsakkoord wordt aangegeven dat het kabinet de medeoverheden heeft verzocht in te zetten op het vermijden van stijging van lokale lasten in 2009 en 2010. Tijdens het Bofv van 1 april 2009 is aan de VNG verzocht om er bij haar leden op aan te dringen de lokale belastingen niet of slechts minimaal te laten stijgen. Het wettelijk kader rond de macronorm OZB blijft verder gewoon van toepassing. De macronorm OZB voor het begrotingsjaar 2010 is 4,30% over € 2,906 miljard. Dit is de opbrengst van 2008 (op basis van CBS gegevens is dit € 2,739 miljard ) vermenigvuldigd met de macronorm van 2009: 6,11%. Daarvoor zijn de volgende gegevens gebruikt. Op basis van het CEP 2009 bedraagt de pNB 1,25%. Samen met de reële trendmatige groei van 2% wordt de macronorm 3,25%. De 30,65 miljoen precario geeft nog 1,05% extra ruimte in de macronorm (= 30,65 / 2 906) waardoor deze in totaal op 4,3% wordt vastgesteld. In het bestuursakkoord Rijk gemeenten van 2007 (p. 12) staat dat de afspraken over de macronorm in 2010 worden geëvalueerd.

Prestatie-indicatoren

De vraag of de omvang van het gemeentefonds als adequaat kan worden beschouwd, wordt beantwoord in het Bestuurlijk overleg financiële verhouding (Bofv). Wanneer één van de partijen (Rijk of VNG/IPO) de uitkomsten van de normeringssystematiek op enig moment onredelijk vindt, kan dit in het Bestuurlijk overleg aan de orde worden gesteld. In dit verband moeten ook de kerngegevens Financieel Overzicht Gemeenten worden genoemd: de analyse van de financiële positie van de gemeenten. De kerngegevens vormen een kwantitatieve onderbouwing van het oordeel over de toereikendheid van het gemeentefonds. Nadere informatie is daarover te vinden in paragraaf 3.4.

Een andere indicator over de financiële posities van gemeenten en daarmee indirect over de omvang van het gemeentefonds, is het aantal gemeenten dat een beroep moet doen op artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet. Dat aantal is de laatste jaren beperkt gebleven zoals onderstaande tabel laat zien.

Tabel 2.2.3. Gemeenten artikel 12 Financiële-verhoudingswet
 2002200320042005200620072008*2009*
Aantal34555344
Bedrag (x€1 000)19 07919 86921 08023 39826 55621 97020 76524 912

* Raming.

Operationele doelstelling 2: Een verdeling van de beschikbare financiële middelen over gemeenten die elk van de gemeenten in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lasten te kunnen leveren.

Motivering

Het budget van de algemene uitkering van het gemeentefonds wordt over de gemeenten verdeeld via een verdeelsysteem van 60 verdeelmaatstaven. Het Rijk is verantwoordelijk voor het ontwikkelen en onderhouden van het systeem van verdeelmaatstaven dat de verdeling tot stand brengt. Dit verdeelsysteem stelt gemeenten in staat hun voorzieningen op een onderling gelijkwaardig niveau te brengen tegen globaal gelijke lastendruk en rekening houdend met de structuurkenmerken van de gemeenten. De gemeenten kunnen zelf bepalen aan welke voorzieningen zij hun geld bij voorkeur besteden (eigen prioriteitenstelling). Zij leggen resultaatverantwoording af aan de gemeenteraad. Zolang voor een uitkeringsjaar de voor de verdeelmaatstaven noodzakelijke statistische gegevens nog niet bekend of definitief zijn, worden de gemeenten bevoorschot op basis van voorlopige cijfers. Hierbij wordt ernaar gestreefd de voorschotten zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de algemene uitkering waarop een gemeente uiteindelijk recht heeft, zoals deze vastgesteld kan worden nadat de statistische gegevens definitief zijn vastgesteld.

Het gedurende en na afloop van het uitkeringsjaar beschikbaar komen van bepaalde definitieve volumegegevens leidt tot bijstellingen in de bevoorschotting. Aangezien voor het gemeentefonds de verplichtingen leidend zijn, zullen deze altijd tot uitkering komen.

Voor de bevoorschotting van de integratie- en decentralisatie-uitkeringen geldt eveneens dat ernaar gestreefd wordt deze zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de integratie- en decentralisatie-uitkeringen waarop een gemeente uiteindelijk recht heeft.

Prestatie-indicator

Voor wat betreft de verdeling van de beschikbare financiële middelen is het Periodiek Onderhoudsrapport (POR) de belangrijkste indicator. Daarin wordt door de fondsbeheerders bijgehouden of de verdeling nog adequaat is, d.w.z. of deze nog voldoende aansluit bij de daadwerkelijke uitgaven van de gemeenten zoals blijkt uit de begrotingen. Het POR verschijnt jaarlijks als bijlage bij de begroting. Kortheidshalve wordt voor een samenvatting en conclusies van het POR verwezen naar bijlage 1.

3. HET VERDIEPINGSHOOFDSTUK

In paragraaf 3.1. wordt de opbouw van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de stand ontwerpbegroting gemeentefonds 2009 naar de stand van de voorliggende ontwerpbegroting 2010 beschreven. De mutaties die hierin worden genoemd die betrekking hebben op de 1e suppletore begroting 2009 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2008–2009, 31 956 B, nr. 1) kunt u in genoemde begrotingsstukken terugvinden. De nieuwe mutaties worden toegelicht.

In paragraaf 3.2. wordt een overzicht van de integratie-uitkeringen gegeven en in 3.3 van de decentralisatie-uitkeringen. In 3.4. wordt ingegaan op het Financieel Overzicht Gemeenten (FOG). Paragraaf 3.5. betreft de specifieke uitkeringen. Tevens wordt in dit verdiepingshoofdstuk aandacht gegeven aan de opbrengst lokale heffingen 2009 in paragraaf 3.6.

3.1. Opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting

Verplichtingen

Onderstaande tabel geeft de opbouw aan van de verplichtingen van het gemeentefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2009 naar de stand ontwerpbegroting 2010.

Tabel 3.1.1. Opbouw verplichtingen gemeentefonds (x € 1000)
 200920102011201220132014
Stand ontwerpbegroting 200917 629 91717 551 07417 521 89217 519 17517 519 27817 523 278
Nota van wijziging (Kamerstukken II 2008–2009, 31 700 B, nr. 5)33 00012 2004 0004 0004 0004 000
Mutaties 1e suppletore begroting 2009– 270 883– 364 005– 436 556– 456 090– 430 490– 455 490
Stand 1e suppletore begroting 200917 392 03417 199 26917 089 33617 067 08517 092 78817 071 788
Nieuwe mutaties47 202847 300612 167542 976531 192529 992
Stand ontwerpbegroting 201017 439 23618 046 56917 701 50317 610 06117 623 98017 601 780
Waarvan verplichtingenbedrag kosten Financiële-verhoudingswet3 0912 0912 0912 0912 0912 091
Waarvan verplichtingenbedrag kosten waarderingskamer1 2791 1581 1581 1581 1581 158
Waarvan verplichtingenbedrag budget A+O-fonds5 8875 9965 9965 9965 9965 996
Waarvan bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten1 0001 0001 0001 0001 0001 000
Waarvan verplichtingenbedrag algemene uitkering15 600 49415 626 98615 595 34215 598 55815 623 57515 604 495
Waarvan verplichtingenbedrag integratie-uitkeringen1 614 6471 682 2011 669 6651 669 7721 675 6491 672 529
Waarvan verplichtingenbedrag decentralisatie-uitkeringen212 838727 137426 251331 486314 511314 511

Uitgaven

Onderstaande tabel geeft de opbouw aan van de uitgaven van het gemeentefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2009 naar de stand ontwerpbegroting 2010.

Tabel 3.1.2. Opbouw uitgaven gemeentefonds (x € 1 000)
 200920102011201220132014
Stand ontwerpbegroting 200917 421 17817 342 33517 313 15317 310 43617 310 53917 314 539
Nota van wijziging (Kamerstukken II 2008–2009, 31 700 B, nr. 5)33 00012 2004 0004 0004 0004 000
Mutaties 1e suppletore begroting 200916 944– 155 266– 227 817– 247 351– 221 751– 246 751
Stand 1e suppletore begroting 200917 471 12217 199 26917 089 33617 067 08517 092 78817 071 788
Mutaties nog niet eerder opgenomen in een begrotingsstuk:      
1a) Accres tranche 2010 75 39275 39275 39275 39275 392
1b) Incidentele bijdrage 2010 90 000    
1c) Accres tranche 2011  74 21574 21574 21574 215
2a) WMO nominale indexatie (integratie-uitkering) 25 80025 80025 80025 80025 800
2b) WMO reële indexatie (integratie-uitkering) 34 40034 40034 40034 40034 400
3) Pilot gemengde scholen (decentralisatie-uitkering)140200200   
4) Opvang mannen G4 (verlenging 2010) 800    
5) Kinderopvang sociaal medische problematiek 28 18428 18428 18428 18428 184
6a) Indexatie WOZ-kosten regeling2 1022 1022 1022 1022 1022 102
6b) Indexatie WOZ-kosten regeling Waterschappen788788788788788788
7) Regeling cultuurparticipatie (decentralisatie-uitkering)5 7855 7855 7855 784  
8) Bevorderen maatschappelijke participatie vrouwen uit etnische minderheden (toevoeging Delft) (Decentralisatie-uitkering)505050   
9) Uitstel Wet Electronische Bekendmaking175     
10a) Maatschappelijke stages VWS-deel 2 5002 5002 5002 5002 500
10b) Maatschappelijke stages OCW-deel 2 5002 5002 5002 5002 500
11a) Overheveling BDU SIV: leefbaarheid en veiligheid (WWI-deel) (decentralisatie-uitkering) 57 56631 750   
11b) Overheveling BDU SIV: leefbaarheid en veiligheid (BZK)-deel) (decentralisatie-uitkering) 31 99031 990   
11c) Overheveling BDU SIV: maatschappelijke opvang (decentralisatie-uitkering) 289 211289 211289 211289 211289 211
11d) Overheveling BDU SIV: onderwijsachterstandenbeleid (decentralisatie-uitkering) 164 632    
11e) Overheveling BDU SIV: gezond in de stad (decentralisatie-uitkering) 5 0005 0005 0005 0005 000
12) Budget 40+ wijken (decentralisatie-uitkering)30 00030 000    
13) Antillianengemeenten overbrugging 2009 (decentralisatie-uitkering)4 462     
14) SLOK extra middelen (decentralisatie-uitkering)2 7003 6004 500   
15a) Bijdrage aan de apparaatsuitgaven A+O-fonds 109109109109109
15b) Bijdrage uit de algemene uitkering aan het A+O-fonds – 109– 109– 109– 109– 109
16) Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (Justitie-deel) (decentralisatie-uitkering) 5 4005 4005 400  
17) Maatregelen psychosociaal in AWBZ (decentralisatie-uitkering)1 0006 8006 8006 8006 8006 800
18) Bijdrage WWB 65+ – 15 400– 14 400– 15 100– 15 700– 16 900
Totaal nieuwe mutaties47 202847 300612 167542 976531 192529 992
Stand ontwerpbegroting 201017 518 32418 046 56917 701 50317 610 06117 623 98017 601 780
Waarvan uitgavenbedrag kosten Financiële-verhoudingswet3 0912 0912 0912 0912 0912 091
Waarvan uitgavenbedrag kosten waarderingskamer1 2791 1581 1581 1581 1581 158
Waarvan uitgavenbedrag budget A+O-fonds5 8875 9965 9965 9965 9965 996
Waarvan bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten1 0001 0001 0001 0001 0001 000
Waarvan uitgavenbedrag algemene uitkering15 679 58215 626 98615 595 34215 598 55815 623 57515 604 495
Waarvan uitgavenbedrag integratie-uitkeringen1 614 6471 682 2011 669 6651 669 7721 675 6491 672 529
Waarvan uitgavenbedrag decentralisatie-uitkeringen212 838727 137426 251331 486314 511314 511

Toelichting op de nieuwe mutaties

1 a t/m c) Accres 2010, incidentele bijdrage 2010 en accres 2011

Met VNG en IPO zijn afspraken gemaakt over de groei van het gemeentefonds in de jaren tot en met 2011. De financiële gevolgen zijn vanaf 2010:

• Voor de jaren 2010 en 2011 wordt het reële accres op 0% gesteld, de bijbehorende nominale accressen bedragen respectievelijk € 75 miljoen en € 74 miljoen. Het nominale accres voor de jaren 2010–2011 ligt daarmee vast.

• Er wordt voor de periode 2009–2011 niet meer gewerkt met een behoedzaamheidsreserve en er zal over 2009–2011 geen nacalculatie plaatsvinden.

• Gemeenten ontvangen een incidentele bijdrage van € 90 miljoen in 2010.

2a en b) Nominale en reële index Wmo (Integratie-uitkering)

De nominale index 2010 bedraagt 2,00% en de reële index 2010 2,38%.

3) Pilots gemengde scholen (decentralisatie-uitkering)

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft vanaf 2008 via het gemeentefonds middelen beschikbaar gesteld voor het uitvoeren van pilots gemengde scholen. De gemeenten Amersfoort, Leiden, Schiedam en Tilburg krijgen in 2009 t/m 2011 nu ook middelen. De gemeenten gaan een aantal maatregelen uitproberen om segregatie in het onderwijs tegen te gaan. Zo zal er onder meer geëxperimenteerd worden met het opzetten van samenwerkingsverbanden tussen scholen om daarmee de contacten tussen leerlingen met verschillende achtergronden te bevorderen. Daarnaast zullen ouderinitiatieven worden gestimuleerd, zal de schoolkeuzevoorlichting aan ouders worden verbeterd en komen er in enkele gemeenten vaste aanmeldmomenten. Voor de uitvoering van de pilot gedurende het resterende deel van 2009, ontvangen deze gemeenten een bedrag van € 35 000. Voor de overige jaren (2010 en 2011) ontvangen zij een bedrag van € 50 000 per kalenderjaar. De betaling vindt plaats in de vorm van een decentralisatie-uitkering.

4) Opvang mannen G4 (verlenging 2010)

Voor de jaren 2008 en 2009 is tussen de G4 en VWS een convenant gesloten ten behoeve van een pilot mannenopvang eergerelateerd geweld waarbij jaarlijks € 0,8 miljoen is toegevoegd aan het gemeentefonds. Daarvoor worden 4 maal 10 bedden beschikbaar gesteld aan mannen die ernstige dreiging ondervinden van geweld in afhankelijkheidsrelaties. In verband met het lopende stelselonderzoek vrouwenopvang naar opvang voor specifieke groepen wordt de pilot mannenopvang met één jaar verlengd tot en met 2010.

5) Kinderopvang sociaal medische problematiek

De huidige regeling voor tegemoetkoming voor kinderopvang op basis van sociaal-medische indicatie wordt vanaf 2010 structureel voortgezet. Dit betekent dat de hiervoor beschikbare € 28,2 miljoen vanaf 2010 structureel wordt overgeboekt naar het gemeentefonds.

6a en b) Indexatie WOZ-kosten regeling

De verantwoordelijkheid voor de waardering van onroerende zaken is opgedragen aan de gemeenten. De waarderingskosten worden gedragen door de drie overheden, te weten het Rijk (Belastingdienst), de gemeenten en de waterschappen. In het bestuurlijk overleg WOZ (d.d. 3 juli 2007) is afgesproken dat de uitvoeringskosten die toen nog via de specifieke uitkering «kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken» werden gefinancierd met ingang van 2009 worden overgeheveld naar het gemeentefonds om op deze manier gemeenten meer vrijheid te geven bij de besteding van de middelen. Het rijksdeel in 2008 van € 53, 5 miljoen (dit is exclusief BTW) en van de waterschappen van € 21 miljoen is per 2009 overgeheveld naar het gemeentefonds. De BTW-component van € 2,540 miljoen van de huidige specifieke uitkering is al in 2008 door het Rijk aan het gemeentefonds toegevoegd in de netteringsoperatie van de specifieke-uitkeringen. De indexatie voor 2009 is voor het rijksdeel € 2 102 170 en voor het deel van de Waterschappen € 788 314.

7) Regeling cultuurparticipatie (decentralisatie-uitkering)

Het Actieplan Cultuurbereik is met ingang van 2009 beëindigd. Daarvoor in de plaats komt de Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten 2009–2012. Hierover zijn op 2 april 2008 bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de minister van OCW, het IPO en de VNG. De regeling is bedoeld voor de provincies en voor de 35 gemeenten die per 1 januari 2007 meer dan 90 000 inwoners hebben en/of cultuurconvenantgemeente zijn. Zij komen in aanmerking voor een bijdrage van € 1,13 (voor de G4, Arnhem, Eindhoven, Enschede, Groningen en Maastricht) dan wel € 0,79 per inwoner (voor de overige gemeenten en voor de provincies). De regeling wordt uitgevoerd door het Fonds voor Cultuurparticipatie (FCP). De missie van dit fonds is dat iedere Nederlander, te beginnen met jongeren, in aanraking komt met een cultuurdiscipline, zodat een culturele loopbaan mogelijk wordt. De centrale doelen die de missie ondersteunen, zijn dat meer mensen meedoen aan cultuur en dat er betere faciliteiten en ondersteuning voor hen beschikbaar komen. Om deze doelstellingen te realiseren, zijn er drie programmalijnen bepaald, te weten: amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur en drie doorsnijdende thema’s: diversiteit, vernieuwing en verankering.

8) Bevorderen maatschappelijke participatie vrouwen uit etnische minderheden (toevoeging Delft) (Decentralisatie-uitkering)

Om de maatschappelijke participatie van vrouwen uit etnische minderheden te bevorderen heeft de minister van OCW eerder € 2,7 miljoen beschikbaar gesteld voor de periode 2008 t/m 2011, via de decentralisatie uitkering van het gemeentefonds. De gemeente Delft wordt toegevoegd en ontvangt voor de periode 2009 t/m 2011 € 150 000.

9) Uitstel Wet Electronische Bekendmaking

In het wetsontwerp Elektronische Bekendmaking, dat op 25 november 2008 door de Eerste Kamer is aanvaard, wordt onder meer geregeld dat de Staatscourant in de toekomst in elektronische vorm wordt uitgegeven. Daarbij is berekend dat bij de gemeenten en provincies ca. € 5,2 miljoen aan advertentiekosten zal worden bespaard. Uitgaande van inwerkingtreding van de wet per 1 januari 2009 is een deel daarvan, namelijk € 0,6 miljoen (GF 0,35 miljoen en PF 0,25 miljoen) vanaf 2009 uitgenomen t.b.v. de kosten die gemoeid zijn met de elektronische bekendmaking van publicaties van gemeenten en provincies in de Staatscourant. Aangezien de inwerkingtreding van de wet is uitgesteld van 1 januari naar 1 juli 2009, dient de uitname in 2009 te worden verminderd. (GF € 175 000 en PF € 125 000).

10a en b) Maatschappelijke stages VWS-deel en OCW-deel

De ministeries van VWS en OCW hebben op 21 december 2007 met de VNG een convenant gesloten over de verdere ontwikkeling van een makelaarsfunctie ten behoeve van maatschappelijke stage en de stimulering van vrijwilligerswerk.

In het kader van dit convenant worden vanaf 2008 middelen aan het gemeentefonds toegevoegd. Voor 2010 wordt de tranche van € 5 miljoen toegevoegd. Het totale bedrag voor de makelaarsfunctie komt hiermee uit op € 19,8 miljoen. De helft van het bedrag wordt verdeeld via de maatstaf inwoners (en dus verdeeld over alle gemeenten), de andere helft via de maatstaf leerlingen voortgezet onderwijs (een bedrag per gemeente met hoofd- of erkende nevenvestiging van een VO-school gebaseerd op het aantal leerlingen in die gemeente).

11a t/m e) Overheveling BDU SIV

In het kabinetsstandpunt-d’Hondt1 is afgesproken dat na afloop van de derde GSB-periode, het kabinet de doorlopende middelen van de brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (BDU SIV) omzet in een decentralisatie-uitkering. Met als uitzondering de middelen waarvoor al een andere bestemming gevonden was, zoals het participatiebudget.

a en b) Leefbaarheid en veiligheid: Het Rijk en een groep van 40 gemeenten hebben nadere afspraken gemaakt om de veiligheidsdoelstellingen uit het Bestuursakkoord te realiseren met een focus op de reductie van sociale overlast en fysieke verloedering.

Onderdeel van die afspraak is dat de veiligheids- en leefbaarheidmiddelen van de Ministeries van BZK en WWI, in 2010 en 2011 onder deze gemeenten worden verdeeld. Het betreft de G31, de zogenaamde Ortega-gemeenten (Almere, Apeldoorn, Ede, Haarlemmermeer, Zoetermeer) en 4 gemeenten met ernstige problematiek inzake overlastgevende Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (Culemborg, Gouda, Veenendaal en Zeist).

c) Maatschappelijke opvang en openbare geestelijke gezondheidszorg: Met ingang van 1 januari 2010 ontvangen de 43 centrumgemeenten maatschappelijke opvang, openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingsbeleid via een decentralisatie-uitkering middelen ten behoeve van beleid op deze prestatievelden uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

d) Onderwijsachterstandenbeleid: Voor de periode na 1 augustus 2010 is een wijziging van de wetgeving van het onderwijsachterstandenbeleid in voorbereiding (wetsvoorstel ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie). In het wetsvoorstel is opgenomen dat steden gaan zorgdragen voor een dekkend aanbod van voorschoolse educatie voor alle doelgroepkinderen. De middelen voor het onderwijsachterstandenbeleid zullen voor de G31 in de periode van 1 januari tot 31 december 2010 uitgekeerd worden via een decentralisatie-uitkering. Voor 2010 is hier ongeveer € 164 miljoen mee gemoeid.

e) Gezond in de stad: De middelen van VWS voor «Gezond in de stad» (totaal € 5 miljoen per jaar) komen vanaf 2010 via een decentralisatie-uitkering beschikbaar voor de G31. Hiermee blijven deze steden extra middelen ontvangen voor uitvoering van de gemeentelijke taken in het kader van de Wet publieke gezondheid. Daarmee kunnen de steden zich extra inzetten om gezondheidsachterstanden zoveel mogelijk terug te dringen via een wijkgerichte integrale aanpak gericht op gezonde bewoners, gezonde leefomgeving en een samenhangende eerstelijnszorg met preventief aanbod.

12) Budget 40+ wijken (decentralisatie-uitkering)

Voor het preventiebudget voor problemen in wijken buiten de 40 aandachtswijken wordt in de periode 2009–2010 een budget van € 60 miljoen vrijgemaakt. Dit budget wordt in twee tranches opengesteld voor projectaanvragen. Het betreft hier wijken met substantiële en cumulatieve problemen op meerdere terreinen van de wijkenaanpak op het gebied van wonen, werken, leren en opgroeien, integreren en veiligheid.

13) Antillianengemeenten overbrugging 2009 (decentralisatie-uitkering)

Op 31 december 2008 is de uitvoering van de Bestuurlijke Arrangementen Antilliaanse Risicojongeren geëindigd. De Taskforce Antilliaanse Nederlanders heeft op 1 september 2008 een advies uitgebracht inzake het vervolg op de Bestuurlijke Arrangementen. Het definitieve besluit over het vervolg zal pas genomen kunnen worden na de Tweede Kamerbehandeling van de kabinetsreactie op dit advies. Om een soepele overgang van de Bestuurlijke Arrangementen naar de volgende periode te waarborgen, heeft de toenmalige minister voor WWI aangegeven dat 2009 een financieel overbruggingsjaar zal zijn. De minister meldt in haar brief aan de 21 Antillianengemeenten in juli 2008 (kenmerk DGW/I&I 2008 066 221) dat zij bereid is voor de duur van 1 jaar een bedrag van in totaal € 4,5 miljoen toe te kennen

14) SLOK extra middelen (decentralisatie-uitkering)

De minister van VROM heeft in totaal voor de periode 2009 tot en met 2011 middelen beschikbaar gesteld in het kader van structurele initiatieven voor duurzame en efficiënte energievoorziening en de reductie van broeikasgassen. De bedragen worden uitgekeerd op basis van een aanvraagprocedure. Voor deze periode worden nu extra middelen beschikbaar gesteld.

15a en 15b) Bijdrage aan de apparaatsuitgaven A+O-fonds

De bijdrage aan het A+O-fonds voor het jaar 2010 en verder is vastgesteld op een bedrag van € 5 996 000. Ten opzichte van de 1e suppletore begroting 2009 betekent dit een verhoging van € 109 000. Deze verhoging wordt aan de algemene uitkering van het gemeentefonds onttrokken en overgeboekt naar het onderdeel Bijdrage aan het A+O-fonds.

16) Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (decentralisatie-uitkering)

Op 30 januari 2009 is de kabinetsbrief Grenzen stellen en Perspectief bieden, aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, vergaderjaar 2008–2009, 31 268 nr. 13). Hierin is aangekondigd dat Rijk en gemeenten samen de problemen aan gaan pakken. Het Rijk stelt hiertoe middelen beschikbaar aan een aantal gemeenten waar deze problematiek sterk speelt. De Minister van justitie stelt hiertoe een bedrag van € 5,4 miljoen in 2010, 2011 en 2012 beschikbaar. Het deel dat beschikbaar wordt gesteld door de minister van WWI volgt nog.

17) Maatregelen psychosociaal in AWBZ (decentralisatie-uitkering)

Om de uitvoering van de maatregelen psychosociaal af te ronden wordt voor de opvanginstellingen een bedrag van € 0,4 miljoen structureel vanaf 2009 beschikbaar gesteld. In 2009 wordt dit bedrag via de begroting van VWS aan de betreffende gemeenten uitgekeerd, vanaf 2010 via het gemeentefonds (decentralisatie-uitkering). Voor de niet opvanginstellingen wordt het bedrag met € 1,0 miljoen opgehoogd in 2009 en met € 6,4 miljoen structureel vanaf 2010.

18) Bijdrage WWB 65+

Met ingang van 1 januari 2010 berust de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de WWB 65-plus niet meer bij gemeenten, maar bij de Sociale Verzekeringsbank. De SVB neemt de uitvoering over van alle gemeenten, waardoor één loket ontstaat voor (onvolledige) AOW en WWB 65-plus. Hiermee gepaard vindt een overdracht plaats van uitvoeringskosten uit het Gemeentefonds naar de begroting van het Ministerie van SZW ten behoeve van de SVB. De uit te nemen uitvoeringskosten zijn gebaseerd op de geraamde uitvoeringskosten van de SVB. Vanwege demografische ontwikkelingen (vergrijzing) neemt het aantal mensen met onvolledige AOW en daarmee het beroep op de WWB 65-plus na 2010 nog steeds toe. De uitvoeringskosten stijgen daardoor.

3.2. Integratie-uitkeringen

Als een toevoeging aan de algemene uitkering van het gemeentefonds in één keer bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten wordt normaliter gesproken een integratie-uitkering toegepast. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang van specifieke uitkering of eigen inkomsten naar de algemene uitkering.

Tabel 3.2.1. Overzicht integratie-uitkeringen gemeentefonds (x € 1000)
 200920102011201220132014
Ontwerpbegroting 2009:      
WMO1 492 3001 519 3001 519 3001 519 3001 519 3001 519 300
Amendement De Pater25 00025 00025 00025 00025 00025 000
WUW-middelen19 41616 06113 13213 13213 13213 132
Tijdelijke stimuleringsregeling intensivering en controle (TSIOC)9 6909 690    
Regionale Platforms Fraudebestrijding2 0062 0062 0062 0062 0062 006
Ondersteuning bibliotheken5 7915 7915 7915 7915 7915 791
Drank- en Horecawet (Pilot) BZK-deel1 087     
Drank- en Horecawet (Pilot) VWS-deel1 088     
Pilot VVE Groningen1 600     
Pilot VVE Limburg en Drenthe3 000     
Koplopers regeling homo emancipatiebeleid440440440   
Aanpak Kindermishandeling2 9162 916    
Stand ontwerpbegroting 20091 564 3341 581 2041 565 6691 565 2291 565 2291 565 229
1e suppletore begroting 2009:       
WMO: Dure woningaanpassingen12 00012 00012 00012 00012 00012 000
WMO: Volledig Pakket Thuis27 70035 10035 10035 10035 10035 100
Correctie waterschapswegen (knelpunten verdeelproblematiek)2 7502 8442 9273 0343 120 
Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2008– 45      
Correctie aanpak kindermishandeling– 2 916– 2 916    
Drank- en Horecawet (Pilot) BZK-deel– 1 087      
Drank- en Horecawet (Pilot) VWS-deel– 1 088      
Pilot VVE Groningen– 1 600     
Pilot VVE Limburg en Drenthe– 3 000      
Koplopers regeling homo emancipatiebeleid– 440– 440– 440   
Ondersteuning bibliotheken– 5 791– 5 791– 5 791– 5 791  
Uitvoeringskosten inburgering23 830     
Stand 1e suppletore begroting 20091 614 6471 622 0011 609 4651 609 5721 615 4491 612 329
Nog niet eerder opgenomen in een begroting:       
WMO: nominale indexatie 25 80025 80025 80025 80025 800
WMO: reële indexatie 34 40034 40034 40034 40034 400
Stand ontwerpbegroting 20101 614 6471 682 2011 669 6651 669 7721 675 6491 672 529

3.3. Decentralisatie-uitkeringen

Met ingang van de begroting 2009 bestaat binnen het gemeentefonds naast de algemene uitkering en de integratie-uitkering ook de decentralisatie-uitkering. Deze nieuwe uitkering is noodzakelijk om de kabinetsdoelstelling om het aantal specifieke uitkeringen te verminderen te realiseren. De verdeling van de decentralisatie-uitkering volgt evenmin als de integratie-uitkering de regels van de verdeling van de algemene uitkering van het gemeentefonds. Anders dan bij de integratie-uitkering, waar de termijn van overheveling naar de algemene uitkering van tevoren vaststaat, ontbreekt bij de decentralisatie-uitkering een dergelijke termijn. Dat maakt de uitkering geschikt voor de overheveling van specifieke uitkeringen, ook als die termijn nog niet bekend is. Ook maakt het de uitkering geschikt voor middelen die slechts tijdelijk beschikbaar zijn. In de praktijk voorziet de decentralisatie-uitkering in een behoefte. Alleen al door zijn aankondiging heeft hij nieuwe specifieke uitkeringen voorkomen en zijn bestaande specifieke uitkeringen overgeheveld naar het gemeentefonds. In tabel 3.3.1. is een overzicht opgenomen.

Tabel 3.3.1. Overzicht decentralisatie-uitkeringen gemeentefonds (x € 1 000)
200920102011201220132014
Ontwerpbegroting 2009:       
Beeldende kunst en vormgeving13 50013 50013 50013 50013 50013 500
Stand ontwerpbegroting 200913 50013 50013 50013 50013 50013 500
1e suppletore begroting 2009:       
Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2008619     
Wijkactieplannen58 50058 500    
Bewonersinitiatieven wijken G319 3009 300    
Bewonersinitiatieven wijken G1815 00015 00015 000   
Regeling taalcoaches G502 529843843   
Polarisatie en radicalisering1 27225564   
Pilot gemengde scholen550550550   
Bevorderen maatschappelijke participatie vrouwen uit etnische minderheden900900487   
Correctie aanpak kindermishandeling2 9162 916    
Drank- en Horecawet (Pilot) BZK-deel1 087      
Drank- en Horecawet (Pilot) VWS-deel1 088      
Pilot VVE Groningen1 600      
Pilot VVE Limburg en Drenthe3 000      
Impuls Brede scholen Combinatiefuncties OC&W-deel 1e tranche4 700      
Impuls Brede scholen Combinatiefuncties OC&W-deel 2e tranche2 830      
Impuls Brede scholen Combinatiefuncties VWS-deel 1e tranche3 750     
Impuls Brede scholen Combinatiefuncties VWS-deel 2e tranche13 223      
Koplopers regeling homo emancipatiebeleid440440440   
Sport en bewegen7 7643 882    
Stimulering lokaal klimaatbeleid (SLOK)13 09511 7906 615   
Ondersteuning bibliotheken5 7915 7915 7915 791  
Regeling taalcoaches overig3 0601 8361 224   
Gezinsmanagers Gouda300      
Innovatietrajecten: Deltaplan inburgering1 8871 4001 051   
Stand 1e suppletore begroting 2009168 701126 90345 56519 29113 50013 500
Nog niet eerder opgenomen in een begroting:       
Pilot gemengde scholen140200200   
Regeling cultuurparticipatie5 7855 7855 7855 784  
Bevorderen maatschappelijke participatie vrouwen uit etnische minderheden (toevoeging Delft)505050   
Overheveling BDU SIV: leefbaarheid en veiligheid (WWI-deel) 57 56631 750   
Overheveling BDU SIV: leefbaarheid en veiligheid (BZK-deel) 31 99031 990   
Overheveling BDU SIV: maatschappelijke opvang 289 211289 211289 211289 211289 211
Overheveling BDU SIV: onderwijsachterstandenbeleid 164 632    
Overheveling BDU SIV: gezond in de stad 5 0005 0005 0005 0005 000
Budget 40+ wijken30 00030 000    
Antillianengemeenten overbrugging 20094 462      
Slok extra middelen2 7003 6004 500   
Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (Justitie-deel) 5 4005 4005 400  
Maatregelen psychosociaal in AWBZ1 0006 8006 8006 8006 8006 800
Stand ontwerpbegroting 2010212 838727 137426 251331 486314 511314 511

In artikel 13 lid 5 van de Fvw wordt bepaald dat jaarlijks, in overleg met de ministers die het aangaat, wordt bezien of een decentralisatie-uitkering kan worden gewijzigd in een integratie-uitkering of een algemene uitkering. In de toelichting op de begrotingen van het provinciefonds en van het gemeentefonds wordt hiervan verslag gedaan.

In bovenstaande tabel zien we dat alle bij voorjaarsnota 2009 opgenomen decentralisatie-uitkeringen niet structureel zijn. Van omzetting naar integratie-uitkering of algemene uitkering is dan ook vooralsnog geen sprake. Voor de decentralisatie-uitkering «Beeldende kunst en vormgeving» geldt dat deze aan een beperkt aantal gemeenten wordt uitgekeerd. Overboeking naar een integratie-uitkering (met als doel op termijn op te nemen in de algemene uitkering) of rechtstreeks naar de algemene uitkering is nu niet mogelijk. Van de nog niet eerder in een begroting opgenomen decentralisatie-uitkeringen wordt bij begroting 2011 bezien of ze kunnen worden omgezet naar integratie-uitkering of algemene uitkering.

3.4. Financieel Overzicht Gemeenten 2009

Uit de analyse van de gemeentefinanciën volgens de vaste methode van het Financieel Overzicht Gemeenten blijkt een kentering. De afgelopen periode is gekenmerkt door ruime inkomstenstijgingen en een expansief uitgavenbeleid op de gemeentelijke beleidsterreinen. Voor de komende jaren kondigt zich in het bijzonder voor het gemeentefonds een nominale daling aan. Nieuwe gemeenteraden krijgen te maken met aanzienlijk minder budgettaire ruimte dan de zittende.

Deze analyse wijst op de noodzaak voor gemeenten zich te bezinnen op hun komend beleid. Vanuit de goede uitgangspositie moet deze opdracht goed te vervullen zijn. In het navolgende wordt de analyse in meer detail uiteengezet.

Terugblik

Hierna is weergegeven op welke taken de gemeenten tussen 2004 en 2009 meer middelen hebben ingezet (figuur 3.4.1.) en vanuit welke inkomstenbronnen of bezuinigingen op taken deze inzet is bekostigd (figuur 3.4.2.). De verschillen zijn afgeleid van de gemeentelijke begrotingscijfers die door het CBS zijn opgesteld. Het gaat daarbij steeds om de netto-uitgaven: de lasten zijn verminderd met de taakgebonden baten, zoals ontvangen specifieke uitkeringen en de opbrengst van heffingen. De verschillen tussen 2004 en 2009 zijn gecorrigeerd voor de effecten van veranderingen in het gemeentelijke takenpakket (taakmutaties), van prijsontwikkeling en van de groei van inwoners, woningen en andere gemeentelijke ontwikkelingen (areaalontwikkeling). De uitkomsten geven volgens deze aanpak een zo goed mogelijke benadering van de gevolgen van gemeentelijke keuzes. In de Periodieke Onderhoudsrapportage gemeentefonds, die als bijlage is bijgevoegd, is een analyse gemaakt van de begrotingsgegevens zonder dat de genoemde correcties zijn aangebracht.

In figuur 3.4.1. wordt de stijging per uitgavencluster weergegeven, na correctie voor taakmutaties, prijsontwikkeling en areaalontwikkeling, over de periode 2004 tot 2009.

Figuur 3.4.1. Intensiveringen tussen 2004 en 2009 (bedragen in € miljoen)

kst-32123-B-2-2.gif

De intensiveringen totaliseren tot een bedrag van € 2,5 miljard. De gemeenten hebben op vrijwel alle taakclusters extra middelen ingezet. De grootste absolute intensivering heeft plaatsgevonden op het cluster Wegen en water. Ook de stijging op het cluster Werk en inkomen is groot, en is in relatieve termen het grootste. Het grootste cluster, Maatschappelijke zorg, kent een kleine stijging in procenten die zich laat vergelijken met de procentuele stijging van de clusters Educatie en Bestuursorganen.

In figuur 3.4.2. is weergegeven met welk bedrag, na correctie voor taakmutaties, prijsontwikkeling en areaalontwikkeling, de inkomsten tussen 2004 en 2009 zijn gestegen en daarmee de bekostiging van de extra uitgaven vorm heeft gekregen.

Figuur 3.4.2. Bekostiging intensiveringen tussen 2004 en 2009 (bedragen in € miljoen)

kst-32123-B-2-3.gif

De opgetelde inkomstenstijgingen bedragen € 2,5 miljard. Zichtbaar is dat gemeenten de intensiveringen tussen 2004 en 2009 vooral dekken vanuit de groei van de inkomsten uit de Algemene uitkering en de Overige eigen middelen (o.a. door de groei van de inkomsten vanuit de bouwgrondexploitatie). Ook de clusters Reiniging en Riolering leveren dekking voor de extra uitgaven op andere terreinen. De bijdrage uit de algemene middelen aan deze clusters daalt, omdat van de vrijwel even grote baten en lasten op deze clusters, de baten iets sneller stijgen.

Op de gemeentelijke inkomsten uit specifieke uitkeringen en uit rechten en heffingen wordt in de paragrafen 3.5 en 3.6 ingegaan. In beginsel staan tegenover de ontwikkelingen in die inkomsten vergelijkbare ontwikkelingen bij de uitgaven. Zodoende werken zij neutraal door in de analyse. Voor zover dat in de voorbije periode niet het geval is geweest blijken de effecten niet van een zodanige omvang dat zij zichtbaar zijn geworden in de analyse.

Vooruitblik

In tabel 3.4.1. is een beeld gegeven van de financiële ruimte van de gemeenten voor de jaren 2008 tot en met 2013. De basis wordt ontleend aan gemeentefondsgegevens over 2009, gegevens uit de Onderhoudsrapportage specifieke uitkeringen 2009 en gemeentelijke begrotingsgegevens over overige inkomsten. De ontwikkeling van jaar op jaar bestaat voornamelijk uit correcties voor taakmutaties, prijsontwikkeling en areaalontwikkeling. Een deel van de mutaties vloeit voort uit het afgesloten Bestuursakkoord Rijk-gemeenten van 2007. De accressen gemeentefonds zijn ontleend aan de Aanvullende bestuurlijke afspraken overheden van 15 april 2009.

Tabel 3.4.1. Ontwikkeling inkomsten en uitgaven 2008–2013 (cumulatief in miljoenen euro’s)
 200820092010201120122013
Kostenontwikkeling7141 8132 2212 9693 2713 864
Algemene middelen       
Taakmutaties uit bestuursakkoord7014021028000
Overige taakmutaties27143591537536571
  Areaal44862075237681 012
  Prijzen3981 0021 0881 1741 2641 353
Specifieke middelen      
  Taakmutaties– 75– 237– 707– 707– 707– 707
  Areaal2553150423614780
  Prijzen225626682738796855
       
Inkomstenontwikkeling1 2082 6332 6793 0143 3123 643
Gemeentefonds      
  Accres8821 7481 6031 5881 5881 588
  Taakmutaties19126565503494520
OZB101238292347382439
OEM317993121145168
Specifieke uitkeringen175442125454703928
Financiële ruimte4948204584541– 221

Aan de inkomstenkant zien we dat vooral het accres afneemt als gevolg van de afspraak in het Aanvullend Beleidsakkoord om de normeringssystematiek tot en met 2011 buiten werking te stellen. De inzichten voor 2012 en verder zijn door bijzonder veel onzekerheden omgeven. Zo is het op dit moment niet mogelijk zinvolle inschattingen te maken van de economische situatie voor die periode, wordt de normeringssystematiek geëvalueerd en betreft het een volgende kabinetsperiode.

Om decentrale overheden ten behoeve van het maken van meerjarenbegrotingen desondanks een handreiking te bieden, hebben de fondsbeheerders geadviseerd voor de accressen 2012 en 2013 vooralsnog van nul uit te gaan1. Deze aanname is (bij gebrek aan beter) ook voor de berekingen in dit FOG gehanteerd, derhalve is de cijfermatige uitkomst (met name in 2012 en 2013) met veel onzekerheden omgeven.

In de tabel is te zien dat de financiële ruimte ontstaat in de eerste jaren. De ruimte neemt daarna af. Na de huidige kabinetsperiode verslechtert de situatie en ontstaat in 2013 een negatieve financiële ruimte. De grootste stijging bij de gemeentelijke kosten doet zich voor bij areaal. Deze stijging is vooral het gevolg van de groei van het aantal bijstandsontvangers. Daaraan hangt voor de gemeenten een hoog prijskaartje. In 2012 eindigt de afspraak uit het Bestuursakkoord dat gemeenten uit hun middelen € 280 miljoen inzetten op beleidsterreinen van OCW, SZW en Jeugd en Gezin. Dat heeft een positief effect op de financiële ruimte van € 280 miljoen. Het jaar 2010 pakt extra negatief uit door de beëindiging van de tijdelijke toevoeging van middelen voor Openbare orde en veiligheid. Hetzelfde jaar laat een verschuiving zien van specifieke naar algemene middelen. Deze verschuiving is het gevolg van de decentralisatie van het grotestedenbeleid en heeft geen invloed op de financiële ruimte.

De prijsontwikkeling is beperkt van omvang.

Ontwikkeling vermogenspositie

In deze paragraaf (tabel 3.4.2.) wordt de ontwikkeling van de vermogenspositie van gemeenten aangegeven voor de periode 2002 tot en met 2007 op basis van de rekeningen.

Tabel 3.4.2. Ontwikkeling eigen en vreemd vermogen en voorzieningen 2002–2007 (x € miljard)
 200220032004200520072007
Eigen vermogen25,025,424,225,327,528,2
waarvan algemene reserve5,45,37,19,710,410,8
waarvan bestemmingsreserve19,020,117,015,615,716,0
waarvan resultaat0,60,00,10,01,51,3
       
Vreemd vermogen40,140,641,940,138,837,1
Voorzieningen5,26,79,310,311,310,6

Bron: CBS.

Het eigen vermogen is in de periode 2002 tot en met 2007 toegenomen van € 25,0 miljard tot € 28,2 miljard. Het overgrote deel van deze stijging komt vanuit de groei van de algemene reserve. Tegenover de daling van de bestemmingsreserves staat een stijging van de voorzieningen in diezelfde periode. Dit wordt veroorzaakt door een definitieverandering van de begrippen voorzieningen en bestemmingsreserves in het kader van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

De gegevens in de tabel laten zien dat het niveau van het vreemd vermogen over de periode 2002–2007 eerst in lichte mate is gestegen, vanaf 2005 is een daling waarneembaar. Het totaal aan vreemd vermogen is in 2007 € 37,1 miljard. De post voorzieningen laat in de periode 2002–2007 een stijging zien van € 5,4 miljard. Zoals genoemd wordt een deel van deze stijging veroorzaakt door veranderingen vanuit het BBV in 2004.

In vorige gemeentefondsbegrotingen is gewaarschuwd voor overhaaste conclusies op basis van de tabel. Die waarschuwing is nog steeds van kracht. Een eerste kanttekening betreft het gegeven dat in de praktijk verschillen in de wijze van boekhouding bestaan. Daarnaast is bij de interpretatie van de omvang van het eigen vermogen van belang welke risico’s daar tegenover staan. Een deel van de risico’s wordt afgedekt door verzekeringen en voor een deel moeten verplicht voorzieningen worden gevormd. Voor de resterende risico’s dient vooral de algemene reserve als buffer. Van deze risico’s ontbreekt een systematisch en kwantitatief beeld. Voorts betreffen de hier gepresenteerde cijfers een macrobeeld. Gemeenten verschillen sterk in de omvang van de vermogenspositie. Ten slotte gebruikt een aantal gemeenten het eigen vermogen om bespaarde rente toe te voegen aan de exploitatie. De verhouding tussen geblokkeerd eigen vermogen ten behoeve van de exploitatie en vrij aanwendbaar ligt per gemeente anders, zodat alleen op gemeentelijk niveau een uitspraak mogelijk is om incidentele tegenvallers met reserves op te vangen.

3.5. Specifieke uitkeringen

3.5.1. Inleiding

Om een uniform gebruik van het begrip specifieke uitkeringen te bevorderen is het begrip specifieke uitkering in artikel 18 van de Financiële-verhoudingswet vastgelegd. De definitie is niet nieuw, maar geëxpliciteerd. Belangrijke kenmerken zijn dat sprake is van het bereiken van rijksdoelen en van openbaar belang. In die situatie spelen specifieke uitkeringen een wezenlijke rol in de verhouding tussen Rijk en medeoverheden. Twee aspecten hebben in het bijzonder aandacht gekregen. Niet alleen de verstrekking direct door een minister, maar ook indirect, bijvoorbeeld vanuit een agentschap, resulteert in een specifieke uitkering. Daarnaast is verwoord dat bij meerdere groepen ontvangers het deel van de geldstroom dat de medeoverheden ontvangen als specifieke uitkering wordt aangemerkt. De enige uitzondering hierop is als voor alle ontvangers dezelfde voorwaarden gelden en de medeoverheid niet vanuit het algemene openbare belang handelt. In die gevallen is er sprake van een subsidie.

Het kabinet streeft naar een meer volwassen invulling van de verhoudingen tussen het Rijk en medeoverheden. Hiertoe behoort onder meer dat waar mogelijk aan medeoverheden de ruimte wordt geboden om specifieke uitkeringen naar de lokale behoefte uit te voeren, zolang deze aanpak maar bijdraagt aan het rijksdoel. Verder meende het kabinet dat de controle-eisen van het Rijk te hoog, de gestelde voorwaarden te omvangrijk en daardoor ook de gevraagde informatie omvangrijk is. Daarnaast kan de interbestuurlijke informatiestroom, zo is de verwachting, meer worden gestroomlijnd.

In lijn met aangehaalde constateringen heeft het kabinet onder andere als doelstelling dat aan het einde van de kabinetsperiode het aantal specifieke uitkeringen is gehalveerd. Dit betekent een beoogde eindstand van 45 specifieke uitkeringen. Om dit te bewerkstelligen zijn de decentralisatie-uitkering en de verzameluitkering ingevoerd. Daarnaast maakt de door het kabinet voorgestelde wijziging van de Fes-wet (Fonds economische structuurversterking) het mogelijk onder bepaalde voorwaarden Fes-bijdragen aan decentrale overheden in de vorm van een decentralisatie-uitkering te verstrekken.

Decentralisatie-uitkering

De keuze tussen bekostiging uit het gemeentefonds en het provinciefonds of via een specifieke uitkering is in het verleden nog wel eens op de laatste gevallen, omdat de verdeling van de fondsen te weinig flexibel kon worden toegepast. Om in die lacune te voorzien is bij de herziening van de Financiële-verhoudingswet de decentralisatie-uitkering ingevoerd. Daarmee komt de kabinetsdoelstelling van vermindering van het aantal specifieke uitkeringen een belangrijke stap dichterbij. De uitkering is bestemd voor tijdelijke middelen en voor structurele middelen waarvan nog niet duidelijk is of dan wel wanneer zij kunnen overgaan naar de algemene uitkering uit het gemeentefonds (is de termijn wel duidelijk dan is sprake van een integratie-uitkering).

Verzameluitkering

Tegen de achtergrond van talrijke kleine specifieke uitkeringen met een relatief grote bureaucratische last is bij de herziening van de Financiële-verhoudingswet de verzameluitkering ingevoerd. Dit is een bundeling van kleinere thema’s per departement, waarbij idealiter aanvraag, toekenning en verantwoording op onbureaucratische wijze plaatsvindt. Thema’s met een beslag van minder dan tien miljoen euro per jaar worden onderdeel van de verzameluitkering. Op dit moment hanteren vier departementen een verzameluitkering voor hun thema’s. Voor 2010 is een uitbreiding voorzien. Niet alle bestaande kleine specifieke uitkeringen zijn namelijk al opgegaan in de verzameluitkering. Daarnaast zijn nieuwe thema’s te verwachten. Naar huidig inzicht vervallen in totaal ca. 30 specifieke uitkeringen en stijgt het aantal verzameluitkeringen naar acht.

Fonds economische structuurversterking

Een aantal specifieke uitkeringen wordt met middelen uit het Fonds economische structuurversterking (Fes) bekostigd. Deze middelen worden verstrekt voor investeringsprojecten. Medeoverheden komen er alleen voor in aanmerking als er sprake is van – veelal minimaal 50% – cofinanciering door de medeoverheid. Door de verantwoordingseisen die voortvloeien uit de Fes-systematiek was het niet mogelijk om deze specifieke uitkeringen over te hevelen naar het gemeentefonds en het provinciefonds of op te nemen in de verzameluitkering. Ook heeft deze Fes-systematiek als consequentie dat elk project een afzonderlijke specifieke uitkering is. Dit raakt aan de doelstellingen van het kabinetsbeleid ten aanzien van specifieke uitkeringen: hooguit 45 aan het einde van de kabinetsperiode, sturen op hoofdlijnen en vermindering van administratieve lasten. In het voorstel om de Fes-wet te wijzigen, dat op 29 juni 2009 naar Tweede Kamer is verstuurd (Kamerstukken II, vergaderjaar 2008–2009, 31 993, nrs. 1–3), maakt het kabinet het daarom mogelijk om onder voorwaarden middelen uit het Fes over te hevelen naar het gemeentefonds of provinciefonds als decentralisatie-uitkering.

3.5.2. Specifieke uitkeringen in cijfers

Tabel 3.5.1. geeft inzicht in het aantal specifieke uitkeringen. Het overzicht betreft de periode 2006–2012 en omvat niet alleen de specifieke uitkeringen aan gemeenten, maar ook die aan de andere medeoverheden.

Tabel 3.5.1. Aantal specifieke uitkeringen per departement (2006–2009: realisatie, 2010–2012: verwachte ontwikkeling)
Ministerie200620072020082009*201020112012
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties131266222
Economische Zaken101087974
Financiën1110000
Jeugd en Gezin0065443
Justitie91045444
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit8443333
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap28211410555
Sociale Zaken en Werkgelegenheid1922109666
Verkeer en Waterstaat910861097
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer24261913191918
Volksgezondheid, Welzijn en Sport151897544
Wonen, Wijken en Integratie001211311
Totaal13613410182706457

Bron: Onderhoudsrapportage Specifieke Uitkeringen 2009.

* Exclusief 27 uitkeringen uit Fes-gelden.

Na het totaal van 136 specifieke uitkeringen in 2006, 134 in 2007 en 101 in 2008 is in 2009 sprake van 82 specifieke uitkeringen. Naast deze 82 specifieke uitkeringen zijn er 27 Fes-gerelateerde specifieke uitkeringen. In 2009 zijn enerzijds specifieke uitkeringen gebundeld, in verzameluitkeringen opgegaan, afgelopen enzovoorts. Anderzijds zijn vooral nieuwe specifieke uitkeringen ontstaan op basis van middelen uit het Fonds economische structuurversterking. Voor 2010 en verder wordt een verdere daling verwacht van het aantal specifieke uitkeringen doordat er meer en meer gebruikt gemaakt gaat worden van decentralisatie-uitkeringen, doordat veel kleine bestaande specifieke uitkeringen zullen opgaan in een verzameluitkering en doordat de aanpassing van de Fes-wet het mogelijk maakt Fes-gerelateerde specifieke uitkeringen over te hevelen naar gemeentefonds of provinciefonds.

Tabel 3.5.2. geeft per ministerie inzicht in het aandeel van specifieke uitkeringen in het totale begrotingsbedrag. Het overzicht omvat niet alleen de specifieke uitkeringen aan gemeenten, maar ook die aan de andere medeoverheden.

Tabel 3.5.2. Aandeel specifieke uitkeringen per departement (x € miljoen)
MinisterieUitgavenSpecifieke uitkeringen
totaalbedrag%
Algemene Zaken6800,0
Buitenlandse Zaken9 93000,0
Justitie5 73910,0
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties6 935961,4
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap35 1279282,6
Financiën4 25700,0
Defensie8 47200,0
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 21660249,5
Verkeer en Waterstaat8 7942 13024,2
Economische Zaken2 778903,2
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2 47751120,6
Sociale Zaken en Werkgelegenheid25 1838 13032,3
Volksgezondheid, Welzijn en Sport14 5831110,8
Jeugd en Gezin6 2131 32221,3
Wonen, Wijken en Integratie4 8821 34727,6
Totaal136 65415 26811,2

Bron: Onderhoudsrapportage Specifieke Uitkeringen 2009 en Miljoenennota 2009.

De betekenis van specifieke uitkeringen verschilt van departement tot departement. Enkele departementen verstrekken in het geheel geen middelen aan de decentrale overheden. Andere departementen, te weten VenW, LNV, SZW, JenG en WWI, gaat tussen de 20% en 30% van de uitgaven in de vorm van specifieke uitkeringen naar de medeoverheden. Bij VROM gaat zelfs 50% van de uitgaven via specifieke uitkeringen naar de medeoverheden.

Volgens de genoemde bron is de verdeling over gemeenten, provincies en Wgr-gebieden 11 620 miljoen euro, 1 694 miljoen euro respectievelijk 1 494 miljoen euro (460 miljeon euro is niet verdeeld). Die bedragen hadden moeten luiden: 10 839 miljoen euro, 2 228 miljoen euro en 1 741 miljoen euro. De bedragen van de specifieke uitkering Jeugdzorg waren niet correct in het overzicht opgenomen.

3.6. Opbrengst lokale heffingen 2009

3.6.1. Inleiding

Sinds 1996 heeft het kabinet in de Monitor Inkomsten uit Lokale Heffingen (MILH) zijn visie op de ontwikkeling van de begrote opbrengsten uit lokale heffingen op het niveau van de gemeente, de provincie en het waterschap gegeven. Vanaf 2007 is het overzicht van de begrote opbrengsten uit lokale heffingen als bijlage aan de begroting van het gemeentefonds toegevoegd. De in dit overzicht gebruikte gegevens zijn afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) en de Rijksbelastingdienst.

Tabel 3.6.1. Opbrengsten lokale heffingen 2009 (x € miljoen)
 200720082009% stijging i.v.m. 2008Stijging in miljoenenStijging in % van de totale stijging
Onroerende-zaakbelastingen (1)2 6352 7392 8684,712929,3
Hondenbelasting (1)5456571,810,2
Toeristenbelasting (1)11311913110,1122,7
Precariobelasting (1)85921008,781,8
Parkeerbelasting (1)4454945337,9398,9
Reinigingsheffingen (1)1 6521 7321 7672,0358,0
Rioolrechten (1)1 0931 1681 2456,67717,5
Bouwvergunningen (1)4384875227,2358,0
Secretarieleges (1)2242472698,9225,0
Provinciale opbrengsten op de MRB (2)1 1381 3291 3693,0409,1
Waterschapslasten (1)2 0772 1232 1652,0429,5
Totale opbrengst9 95410 58611 0264,2440100

(1) Bron Centraal Bureau voor de Statistiek.

(2) Bron Belastingdienst.

3.6.2. Gemeentelijke heffingen

De gemeentelijke belastingtarieven worden vastgesteld door de gemeenten. De afweging en de verantwoording over de hoogte van de tarieven vindt plaats in de gemeenteraden. Het kostendekkingspercentage van de rechten, de rioolheffing en de reinigingsheffing mag maximaal 100 procent zijn.

3.6.2.1. Opbrengsten uit gemeentelijke algemene belastingen

De begrote opbrengsten uit gemeentelijke algemene belastingen bedragen in 2009 € 6,701 miljard. In vergelijking met 2008 is dit een stijging van 4,7 procent. Het grootste deel van deze stijging wordt, zoals blijkt uit tabel 3.6.2., veroorzaakt door de stijging van de OZB-opbrengst. De opbrengsten van het vrij te besteden gedeelte van de gemeentelijke algemene belastingen is gestegen naar 3,689 miljard in 2009. Dit is ten opzichte van 2008 een stijging van 5,4 procent.

Tabel 3.6.2. Gemeentelijke belastingen (x € miljoen)
 200720082009% stijging t.o.v. 2008Stijging in miljoenen
Onroerende-zaakbelastingen2 6352 7392 8684,7129
Hondenbelasting5456571,81
Toeristenbelasting11311913110,112
Precariobelasting85921008,78
Parkeerbelasting4454945337,939
Reinigingsheffingen1 6521 7321 7672,035
Rioolheffingen1 0931 1681 2456,677
Totale opbrengst6 0776 4006 7014,7301

In het kader van de woonlasten zijn vooral de opbrengst van de rioolheffing en de opbrengst van de reinigingsheffing interessant. Beide heffingen zijn wettelijk gemaximeerd tot 100% kostendekkendheid. Hieronder wordt voor de rioolheffing en de reinigingsheffingen aangegeven hoe de opbrengst en de kostendekkingsgraad zich ontwikkelen.

A: Reinigingsheffing

De begrote opbrengsten uit reinigingsheffingen (afvalstoffenheffing en reinigingsrecht samen) stijgen met € 56 miljoen tot € 1,767 miljard. Ten opzichte van 2008 is dit een stijging van 2 procent. Voor gezinshuishoudingen heeft dit de volgende implicaties:

Tabel 3.6.3. Reinigingsheffing per gezinshuishouden (in euro’s)
 2007200820092007–20082008–2009
Alleenstaande2082112141,2%1,6%
Meerpersoonshuishouden2622652701,2%1,6%

Nultarieven zijn meegerekend.

Uit tabel 3.6.3. blijkt dat een alleenstaande in 2009 gemiddeld 214 euro aan reinigingsheffingen betaalt. Dit is ten opzichte van 2008 een toename van 1,6 procent. Een meerpersoonshuishouden betaalt in 2009 gemiddeld 270 euro. Ook dat is een stijging van 1,6 procent. De reinigingsheffing dekt gemiddeld 97,2 procent van kosten. Bij 86 procent van de gemeenten is het kostendekkingspercentage 100%.

B: Rioolheffing

De begrote opbrengsten uit rioolheffingen stijgen in 2009 tot € 1,245 miljard, wat een stijging van 6,6 procent is. Als gevolg van de stijging van de opbrengsten neemt het gemiddelde kostendekkingspercentage per gemeente van de rioolheffing toe tot 96,7 procent. In 79 procent van de gemeenten bedraagt de kostendekking van de rioolheffing 100 procent.

Tabel 3.6.4. Rioolrecht per gezinshuishouden* (in euro’s)
 2007200820092007–20082008–2009
Alleenstaande, gebruiker707074– 0,1%5,3%
Alleenstaande, eigenaar1421421500,3%5,2%
Meerpersoonshuishouden, gebruiker828286– 0,1%5,2%
Meerpersoonshuishouden, eigenaar1541541620,2%5,2%

* Nultarieven zijn meegerekend. Woningwaarde: modaal.

N.B. Deze tabel toont de stijging van de tarieven, tabel 3.6.1. toont de stijging van de opbrengst.

Voor de opbrengsten OZB geldt in 2009 de WOZ-waarde op 1 januari 2008. In 2008 gold de waardepeildatum 1 januari 2007. Hierdoor zijn de effecten van de onrust op de financiële markten hierin nog niet zichtbaar in de OZB en de WOZ-waarde. Daar in 2010 de WOZ-waarde op 1 januari 2009 zal gelden, zal dit naar alle waarschijnlijkheid in 2010 een omgekeerd beeld opleveren. De totale WOZ-waarde zal wat dalen, waardoor de tarieven iets zullen stijgen om zodoende dezelfde OZB-opbrengst te genereren. Sinds 2008 wordt voor de totale OZB-opbrengst van gemeenten een macronorm gehanteerd. Deze is voor 2010 vastgesteld op 4,30%. Uitgaande van de grondslag van € 2,906 miljard betekent dit dat de OZB-opbrengst over 2010 macro maximaal € 3,031 miljard mag bedragen.

Tabel 3.6.5. Gemiddelde onroerende zaakbelasting per gezinshuishouden (in euro’s)
Waarde in 2008Waarde in 2009200820092008–2009
182 759188 9731711773,5%
279 971289 4902602714,2%
340 632352 2133183293,5%

Bron Coelo (betreft woningen).

De cijfers in tabel 3.6.5. moeten als volgt gelezen worden: de OZB voor een huis met een gemiddelde waarde van €  182 759 in 2008 is gestegen van € 171 naar € 177. Dit is een stijging van 3,5 procent.

3.6.2.2. Precariobelasting

Voor 1 januari 2010 is een wetswijziging van de Gemeentewet voorzien. Hierdoor zal de onder- en bovengrondse infrastructuur van nutsbedrijven en netbeheerders vrijgesteld worden van precario. De precariobelasting blijft bestaan als regulerend instrument voor gemeenten ter zake van o.a. terrassen en andere objecten boven, op en in de openbare grond. In de voor de OZB geldende macronorm voor 2010 zal ruimte geboden worden om dekking van de gederfde inkomsten te vinden De extra ruimte bedraagt 30,65 miljoen, ofwel 1,05%.

3.6.2.3. Opbrengsten uit retributies

Retributies zijn de tarieven die de overheid in rekening brengt voor het verlenen van concrete diensten. Voorheen vielen hier tevens de reinigingsheffing en de rioolheffing onder. Door de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken veranderden de reinigingsheffing en de rioolheffing in een nieuwe gemeentelijke bestemmingsheffing. Gemeenten dienen uiterlijk 1 januari 2010 de rioolheffing en de reinigingsheffing ingevoerd te hebben. Gevolg hiervan is dat, hoewel deze heffingen een retributief karakter hebben, zij niet meer onder de retributies vallen. In dit overzicht vallen onder de retributies bouwvergunningen en secretarieleges. De begrote opbrengst uit deze retributies bedraagt in 2009 € 791 miljoen. In vergelijking met 2008 is dat een stijging van 7,8 procent.

3.6.3. Provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting

Provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting mogen door provincies worden geheven op basis van artikel 222 Provinciewet. De opcenten worden geheven bovenop het rijkstarief van de motorrijtuigenbelasting.

De hoogte van de provinciale opcenten is wettelijk gemaximeerd. De vaststelling van de opcenten geschiedt door Provinciale Staten. Omdat het een algemene belasting betreft komt de opbrengst toe aan de algemene middelen van de provincie.

Voor de periode vanaf 1 april 2009 tot en met 31 maart 2010 mag het aantal opcenten ten hoogste 111,9 procent bedragen. Geen enkele provincie heft het maximum aantal opcenten daar de opcenten variëren van 67,9 tot 95,0. In vergelijking met 2008 is de opbrengst in 2009 met € 127 miljoen gestegen tot € 1,369 miljard. Dit is een stijging van 10,2 procent.

3.6.4. Waterschapsomslagen

In 2009 zijn er 27 waterschappen. Tot en met 2008 bestonden de waterschapsheffingen uit de zogeheten waterschapsomslagen en de verontreinigingsheffing. Met ingang van 2009 is de gemoderniseerde Waterschapswet van kracht. Waterschappen leggen nu verschillende soorten heffingen op, te weten de watersysteemheffing, de heffing wegenbeheer, de niet taakgebonden heffing, de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing. Niet alle waterschappen leggen een niet taakgebonden heffing op. Waterschappen kunnen er ook voor kiezen de niet taakgebonden kosten te dekken uit de watersysteemheffing en de heffing wegenbeheer. De waterschapslasten zijn de enige inkomstenbron van de waterschappen en daarmee per definitie kostendekkend. De ontwikkeling van de opbrengsten van de waterschapsheffingen in de periode 2007–2009 is weergegeven in tabel 3.6.6.

Tabel 3.6.6. Ontwikkeling opbrengsten waterschapsheffingen 2007–2009 (x € miljoen)
 2007200820092008–2009
Totaal waterschapslasten (1)20772 1232 1652,0%

(1) Bron CBS.

4. BIJLAGEN BIJ DE BEGROTING

BIJLAGE 1:

Periodiek Onderhouds Rapport gemeentefonds 2010

INHOUDSOPGAVE

1.Inleiding en samenvatting39
   
1.1Inleiding39
1.1.1Doel van het POR39
1.1.2Andere rapportages financiële verhouding40
1.1.3Korte toelichting op de werking van het verdeelstelsel40
1.1.4Opbouw van het POR 201041
   
1.2Samenvatting41
1.2.1De onderhoudsagenda41
1.2.2De belangrijkste bevindingen uit de scan41
   
2.Onderwerpen van de lopende onderhoudsagenda43
   
2.1Onderwerpen uit het verdeelstelsel43
2.1.1De inkomstenclusters Overige eigen middelen (OEM) en Onroerende zaakbelasting (OZB)43
2.1.2Cluster Kunst en ontspanning/Oudheid43
2.1.3Cluster Educatie44
2.1.4Cluster Openbare orde en veiligheid44
2.1.5Cluster Wegen en water45
2.1.6Cluster Groen45
2.1.7Krimpgemeenten45
2.1.8Positie G 4 in verdeelstelsel46
   
2.2Beleidsvoornemens departementen46
2.2.1Wet werk en bijstand46
2.2.2Wet maatschappelijke ondersteuning46
2.2.3ISV47
2.2.4Centra voor Jeugd en Gezin47
   
2.3Integratie- en decentralisatie-uitkeringen48
2.4Afgeronde onderwerpen49
2.4.1Wabo49
2.4.2Maatschappelijke stages49
2.4.3Participatiebudget49
2.4.4Overige onderwerpen49
   
3.SCAN50
   
3.1Inleiding50
   
3.2Samenvatting50
   
3.3Over de scan als instrument51
3.3.1Het doel en de aard van de scan51
3.3.2De inhoud en reikwijdte van de scan51
   
3.4Ontwikkeling van gemeentelijke inkomsten en uitgaven in alle gemeenten53
3.4.1Het niveau van de begrote gemeentelijke inkomsten53
3.4.2De begrote gemeentelijke netto-uitgaven (alle gemeenten)55
   
3.5De scan van inkomsten en uitgaven bij 419 gemeenten56
3.5.1Inleiding56
3.5.2De scan van veronderstelde versus feitelijke inkomstenstructuur57
3.5.3IJkpunten versus feitelijke inkomstenstructuur60
3.5.4De scan van gemeenten met een krimpende bevolking67
   
 Bijlage 1 bij hoofdstuk 3: samenstelling clusters81

HOOFDSTUK 1: INLEIDING EN SAMENVATTING

1.1 Inleiding

1.1.1 Doel van het POR

Het Periodiek Onderhoudsrapport (POR) is een jaarlijks rapport, dat tot doel heeft inzicht te geven in de werking van het verdeelstelsel van het gemeentefonds in vergelijking met de ontwikkeling van de kostenstructuur bij de gemeenten. Ook geeft het POR inzicht in vraagstukken die spelen in de financiële verhouding in bredere zin.

De achtergond van het POR ligt in de parlementaire behandeling van de Financiële verhoudingswet (Fvw) in 1996–1997. Toen werd geconstateerd dat het nodig is om het verdeelstelsel van het gemeentefonds voortdurend op zijn werking te bezien en indien nodig bij te stellen, zodat grote schoksgewijze veranderingen als in 1997 zouden kunnen worden vermeden.

Jaarlijks voeren de fondsbeheerders dit periodiek onderhoud uit en dit vindt zijn neerslag in het POR, dat aan de Tweede Kamer wordt aangeboden als bijlage bij de begroting van het gemeentefonds.

In het POR 2010 staan de volgende twee vragen centraal:

1. Welke effecten hebben beleidsvoornemens en -maatregelen van het Rijk op de verdeelsystematiek en op de financiële verhouding in brede zin?

Een overzicht hiervan wordt gepresenteerd in hoofdstuk 2.

2. Is het verdeelstelsel van het gemeentefonds nog in voldoende mate in overeenstemming met de ontwikkeling van de kostenstructuur van de gemeenten?

Om deze vraag te beantwoorden is een Scan ontwikkeld, waarbij de algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt geconfronteerd met de gegevens zoals die uit de gemeentelijke begrotingen naar voren komen. De bevindingen worden, deels in grafische vorm, gepresenteerd in hoofdstuk 3.

Uit de twee genoemde vragen vloeien de onderwerpen voort die een plaats krijgen op de Onderhoudsagenda van het verdeelstelsel. Zie tabel 2.1. Op deze Onderhoudsagenda is per onderwerp aangegeven in welke fase van het onderhoud het onderwerp zich bevindt, waarbij drie fasen worden onderscheiden: signalering, onderzoek en aanpassing.

«Signalering» betekent dat het onderwerp door de fondsbeheerders wordt gevolgd met het oog op de vraag of nader onderzoek nodig is; «Onderzoek» betekent dat er nader onderzoek naar dit onderwerp plaatsvindt en «Aanpassing» houdt in dat daadwerkelijke aanpassingen in de financiële verhouding aan de orde zijn. Indien relevant is aangegeven op welk uitgavencluster van het gemeentefonds het onderwerp betrekking heeft. Bij elk onderwerp is tevens aangegeven wanneer de Tweede Kamer opnieuw zal worden geïnformeerd.

Overigens worden er naast de onderhoudsonderwerpen die voortkomen uit de financiële verhouding, ook onderhoudsactiviteiten van meer technische aard uitgevoerd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de kwaliteit en de werking van de verdeelmaatstaven.

1.1.2 Andere rapportages financiële verhouding

Naast het Periodiek Onderhoudsrapport zijn nog andere documenten voor de fondsbeheerders van belang in het kader van hun verantwoordelijkheid voor de financiële verhouding.

Financiële Overzichtsgegevens in de begroting

In het Bestuurlijk overleg financiële verhouding tussen de fondsbeheerders en VNG en IPO is afgesproken geen afzonderlijk Financieel Overzicht Gemeenten (FOG) meer uit te brengen. In plaats daarvan zullen de relevante gegevens in de fondsbegroting worden opgenomen. Het gaat daarbij om gegevens die inzicht geven in de totale financiële ruimte van gemeenten. Dit inzicht speelt een rol bij het oordeel over de vraag of de omvang van het gemeentefonds toereikend is, en of de werking van de normeringssystematiek adequaat is.

Circulaires gemeentefonds

Twee maal per jaar, in mei en september (en indien nodig vaker), verschijnt de circulaire gemeentefonds. Deze informeert de gemeenten over de ontwikkeling van de algemene uitkering, die het gevolg is van de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven (het accres) én van allerlei beleidsmaatregelen van het Rijk die leiden tot toevoegingen en uitnames. De informatie uit de circulaire is voor gemeenten dus cruciaal voor het opstellen van de eigen begroting. De circulaire is aldus een belangrijke schakel tussen de ontwikkeling van de rijksbegroting en de financiële doorwerking daarvan in de gemeenten. Het moment van verschijnen is dan ook gekoppeld aan de voorjaarsnota respectievelijk de miljoenennota van het Rijk. Daarnaast is er nog een circulaire in maart, gekoppeld aan de Jaarrekening van het Rijk. In deze circulaire wordt achteraf de definitieve stand opgemaakt van het gemeentefonds in het voorafgaande jaar.

De circulaires worden ter kennisneming naar de Eerste en Tweede Kamer gezonden.

1.1.3 Korte toelichting op de werking van het verdeelstelsel

De belangrijkste uitgangspunten van het verdeelstelsel zijn globaliteit en kostenoriëntatie. Globaliteit omdat het gemeentefonds geen geoormerkte budgetten bevat, maar een algemene geldstroom vormt, waaraan geen bestedingsvoorwaarden zijn gesteld zoals dat bij specifieke uitkeringen wel het geval is.

Kostenoriëntatie betekent dat deze globale verdeelsystematiek wél moet inspelen op verschillen in kostenstructuur tussen gemeenten. De verdeling moet zodanig zijn dat gemeenten over een gelijkwaardige voorzieningencapaciteit kunnen beschikken bij een gelijke belastingdruk. Of de voorzieningen in de gemeenten daadwerkelijk hetzelfde zijn is daarbij niet relevant: dat is een kwestie van gemeentelijk beleid. Waar het om gaat is dat gemeenten een gelijkwaardige uitgangspositie hebben en niet vanwege bepaalde structuurkenmerken een voor- of nadeel ondervinden. De belastingcapaciteit wordt ook bij die afweging betrokken.

Deze uitgangspunten zijn uitgewerkt in een stelsel van verdeelmaatstaven, die met hun relatieve gewichten zijn gegroepeerd in zogenaamde clusters die een globaal beleidsveld bestrijken. Deze clusters vormen het uitgangspunt van de meso-analyse die wordt gemaakt in de Scan, die wordt gepresenteerd in hoofdstuk 3. Daar wordt op clusterniveau een vergelijking gemaakt tussen de uitgaven volgens de gemeentelijke begrotingen en de uitgaven zoals die door het verdeelstelsel aan een bepaald cluster worden toebedeeld. Clusters zijn geijkt, waarbij bepaalde kostenfactoren wel, en bepaalde kostenfactoren niet worden gehonoreerd. De ijking bevat dus een expliciete normstelling.

Zoals aangegeven bevat het gemeentefonds een algemene geldstroom en is het nadrukkelijk geen optelsom van verschillende deel-budgetten. Toch kan de vraag zich voordoen «hoeveel er in het gemeentefonds zit voor taak x». Dan is sprake van zogenaamde fictieve budgetten. Deze vraag kan spelen wanneer er bijvoorbeeld een uitname uit het gemeentefonds plaats gaat vinden in verband met de overheveling van taken naar andere partijen.

Er zijn verschillende manieren om een fictief budget te bepalen; elke methode heeft zijn eigen onderbouwing en ook zijn eigen financiële uitkomst. De fondsbeheerders hebben in het Bestuurlijk overleg financiële verhouding (kortweg Bofv) met VNG en IPO afspraken gemaakt over hoe daarmee om te gaan en welke methode in welk geval de voorkeur verdient. Afgesproken is dat de zogenaamde accresmethode wordt gehanteerd in geval er sprake is van duidelijk traceerbare toevoegingen, die minder dan tien jaar geleden zijn gedaan. Dat houdt in dat de oorspronkelijke toevoeging als uitgangspunt wordt genomen en wordt vermeerderd met de jaarlijkse accressen.

1.1.4 Opbouw van het POR 2010

De verdere opbouw van het POR 2010 is als volgt: Hoofdstuk 2 behandelt de onderwerpen van de onderhoudsagenda. Hoofdstuk 3 bevat de resultaten van de Scan.

1.2 Samenvatting

1.2.1 De onderhoudsagenda

De onderhoudsagenda was afgelopen jaar behoorlijk in beweging en zal dat komend jaar ook blijven. De inkomstenclusters en 5 uitgavenclusters van het gemeentefonds worden op basis van de bevindingen uit dit POR aan de agenda toegevoegd. Ook de Wmo blijft in beweging.

Daarnaast leidt de decentralisatieagenda, die is vastgelegd in het Bestuursakkoord «Samen aan de Slag» dat op 4 juni 2007 werd gesloten met de VNG, tot veel nieuwe ontwikkelingen in het gemeentefonds. Met ingang van 1 augustus 2008 is de Financiële verhoudingswet gewijzigd, waardoor er in het gemeentefonds naast de reeds bestaande integratie-uitkering voortaan ook een zogenaamde decentralisatie-uitkering is geïntroduceerd. Daardoor komen veel nieuwe geldstromen naar het gemeentefonds, die niet, of niet meteen, worden geïntegreerd in de algemene uitkering. In het POR 2010 worden de komende decentralisatie-uitkeringen vermeld in een apart overzicht, dat naast de reguliere POR onderhoudsagenda staat. Het vakdepartement (in tabel opgenomen) adviseert aan de fondsbeheerders over de verdeling van de decentralisatie-uitkeringen. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de verdeling van het gemeentefonds (ook de decentralisatie-uitkeringen) ligt bij de fondsbeheerders.

1.2.2 De belangrijkste bevindingen uit de scan

De centrale vraag van de scan is of de bij de verdeling van het gemeentefonds veronderstelde gemeentelijke inkomsten- en uitgavenpatronen voldoende aansluiten bij de werkelijke. Dat wordt bepaald door«geijkte» inkomsten en uitgaven te confronteren met de werkelijke inkomsten en uitgaven, zoals die zijn verwerkt in de gemeentelijke begrotingen.

Scan: veronderstelde versus feitelijke inkomsten en uitgaven

In de scan is dit jaar opnieuw, evenals vorig jaar, speciale aandacht besteed aan de problematiek van de krimpgemeenten. Daarnaast is extra aandacht uitgegaan naar het cluster Maatschappelijke zorg. De uitgaven in het kader van de WMO maken onderdeel uit van het cluster Maatschappelijke zorg. De bevindingen worden nader besproken in hoofdstuk 3.

Uit de reguliere scan komt, zoals al meerdere jaren geconstateerd, naar voren dat de gemeentelijke inkomsten uit de Overige eigen middelen (OEM) en de Onroerendzaakbelasting (OZB) hoger zijn dan in het verdeelstelsel wordt aangenomen. We zullen hiernaar nader onderzoek doen. In geval van de OEM is dat een betrekkelijk technisch getint onderzoek. Bij de OZB zijn er ook bestuurlijke vragen aan de orde, in het bijzonder wat een adequaat niveau voor het ijkpunt OZB in het verdeelstelsel is.

Uit de scan komen ook de verdeelformules «ijkpunten» van diverse uitgavenclusters naar voren als mogelijke onderwerpen van nader onderzoek. De nadere onderzoeken van de inkomstenclusters en uitgavenclusters zullen in samenhang met elkaar plaatsvinden. We zullen nader onderzoek doen naar de verdeling en omvang van de uitgavenclusters Educatie, Openbare orde en veiligheid, Wegen en water, Groen, Kunst en ontspanning en Oudheid.

HOOFDSTUK 2: ONDERWERPEN VAN DE LOPENDE ONDERHOUDSAGENDA

Dit hoofdstuk bevat een rapportage over de ontwikkelingen op de verschillende onderwerpen die in het POR 2009 waren geagendeerd, alsmede op nieuwe onderwerpen die van belang zijn voor de financiële verhouding. Bij elk onderwerp wordt opnieuw gewogen in welke fase van het onderhoud het zich bevindt: signalering, aanpassing of onderzoek.

In paragraaf 2.1 wordt eerst ingegaan op de onderhoudsonderwerpen die voortkomen uit het verdeelstelsel zelf, vervolgens komen in paragraaf 2.2 de beleidsvoornemens van de departementen aan bod. In paragraaf 2.4 worden de onderwerpen behandeld die zijn afgerond en daarom worden afgevoerd van de onderhoudsagenda.

Bij elk onderwerp is aangegeven wat de stand van zaken is en welke fase (Signalering, Onderzoek, Aanpassing) en wat het eerstvolgende moment is dat de Tweede Kamer opnieuw wordt geïnformeerd.

Tabel 2.1 Onderhoudsagenda 2010
OnderwerpAgenda 2010Volgende informatiemomentAgenda 2009
Overige eigen middelenOnderzoekNajaar 2009N.v.t.
OZBOnderzoekNajaar 2009N.v.t.
Cluster Kunst en ontspanning/OudheidOnderzoekNajaar 2009Onderzoek
Cluster EducatieOnderzoekNajaar 2009N.v.t.
Cluster Openbare orde en veiligheidOnderzoekNajaar 2009N.v.t.
Cluster Wegen en waterOnderzoekNajaar 2009N.v.t.
Cluster GroenOnderzoekNajaar 2009N.v.t.
KrimpgemeentenOnderzoekNajaar 2009Onderzoek
Positie G 4 in het verdeelstelselSignaleringVoorjaar 2010Signalering
Wet werk en bijstandSignaleringNajaar 2010Signalering
Wet maatschappelijke ondersteuningAanpassingNajaar 2009Aanpassing
Investeringsbudget stedelijke vernieuwingAanpassingVoorjaar 2010N.v.t.

2.1 Onderwerpen uit het verdeelstelsel

2.1.1 De inkomstenclusters Overige eigen middelen (OEM) en Onroerende zaakbelasting (OZB)

Uit de reguliere scan komt, zoals al meerdere jaren, naar voren dat de gemeentelijke inkomsten uit de overige eigen middelen (OEM) en de Onroerende zaakbelasting (OZB) hoger zijn dan in het verdeelstelsel wordt aangenomen. We zullen hiernaar nader onderzoek doen. In geval van de OEM is dat een betrekkelijk technisch getint onderzoek, bij de OZB zijn er ook principiële vragen aan de orde, in het bijzonder wat een adequaat niveau voor het ijkpunt OZB in het verdeelstelsel is. De uitkomsten van het onderzoek naar de OEM en OZB zullen in samenhang worden bekeken met de conclusies uit de nadere onderzoeken naar de uitgavenclusters die hieronder worden beschreven.

2.1.2 Cluster Kunst en ontspanning/Oudheid

Het cluster laat al enkele jaren een beeld zien waarbij de feitelijke uitgaven van gemeenten boven het ijkpunt liggen van het gemeentefonds. Vooral bij grote gemeenten en gemeenten met een centrumfunctie is dit het geval. In het POR 2007 en het POR 2008 hebben we dit beeld al wat nader geanalyseerd. Toen bleek dat de hogere uitgaven vooral lagen op het terrein van sport. De uitgaven bleken tamelijk willekeurig verdeeld over de soorten gemeenten, zodat er direct niet een structuurkenmerk in het oog sprong waarmee deze kosten zouden kunnen samenhangen. Daarbij kwam nog, dat de uitgaven op het gebied van Kunst en ontspanning (het gaat vooral om bibliotheken, kunst, sport) in aanzienlijke mate het gevolg zijn van eigen beleidskeuzes van de gemeente.

Deze redenen waren voor de fondsbeheerders aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. Dat heeft in de loop van 2008 plaatsgevonden en omvatte naast het cluster Kunst en ontspanning ook het cluster Oudheid. De voornaamste conclusie was dat er geen reden was de verdeling aan te passen. Nu we zien dat het verschil opnieuw oploopt zullen we dit standpunt heroverwegen in samenhang met het onderzoek naar de inkomstenclusters (OEM en OZB). Zie verder ook de Scan in hoofdstuk 3.

2.1.3 Cluster Educatie

Ook dit jaar geven de gemeenten gezamenlijk minder uit aan Educatie dan het ijkpunt. Tot nu toe gingen we ervan uit dat dit het gevolg is van de administratieve verwerking van de huisvestingslasten. Het ijkpunt houdt immers rekening met kapitaallasten (rente en afschrijving) voor onderwijsgebouwen, terwijl de gemeenten deze lasten nog niet volledig in hun boeken hebben opgenomen omdat in het verleden een deel van de onderwijsgebouwen à fonds perdu werd gefinancierd. Dat boekhoudkundig effect echter, zou langzaamaan tot het verleden moeten behoren, zodat het «overschot» op dit cluster geleidelijk zou moeten verdwijnen. Op dit moment zien we dit nog niet gebeuren en is voor ons reden tot nader onderzoek in combinatie met de inkomstenclusters. Ondanks dat het verschil tussen ijkpunt en de feitelijke uitgaven verder toeneemt blijkt uit dit POR dat de uitgaven voor Educatie van alle gemeenten wel zijn gestegen. Het groeiende verschil wordt dus veroorzaakt doordat het cluster Educatie in het gemeentefonds sneller in omvang toeneemt dan de feitelijke uitgaven op dit onderwerp. Een mogelijke onderzoeksrichting is of de toedeling van het accres, aan het cluster een relatie heeft met de kostenontwikkeling van het cluster. Op dit moment is de toedeling van het accres aan het cluster naar rato van de omvang van het cluster binnen het gemeentefonds.

2.1.4 Cluster Openbare orde en veiligheid

Bij het cluster Openbare orde en veiligheid is het verschil tussen de veronderstelde uitgaven volgens het ijkpunt en de feitelijke uitgaven van 2008 op 2009 gestegen; in 2008 lagen de uitgaven van de 419 gemeenten 12 euro per inwoner boven het ijkpunt, in 2009 is dat 15 euro per inwoner of wel 20% van het totaal. Een verandering van 12 naar 15 euro per inwoner is als zodanig niet veel, maar is in dit geval toch opmerkelijk omdat het ijkpunt in 2007 nog is herzien. Daarbij is zowel de verdeling aangepast als de omvang. Het gevolg was dat tussen 2007 en 2008 het verschil tussen feitelijke en veronderstelde uitgaven daalde. De stijging van de uitgaven treedt verhoudingsgewijs sterk op bij het onderdeel (overige) openbare orde en veiligheid en dan met name bij gemeenten van 50 000 inwoners en meer. Ook de kleine gemeenten geven relatief veel uit wat wellicht samenhangt met toenemende kosten door professionalisering van vrijwillige brandweerkorpsen. De middelgrote gemeenten blijven verhoudingsgewijs dicht bij het ijkpunt. In dit POR wordt geconcludeerd dat nader onderzoek naar de ontwikkeling van dit cluster gewenst is in combinatie met de inkomstenclusters.

2.1.5 Cluster Wegen en water

Bij het cluster Wegen en water is het verschil tussen veronderstelde en feitelijke uitgaven in 2008 en 2009 ongeveer even groot gebleven. Dat verschil (8 euro per inwoner) is relatief niet zo groot, maar het doet zich al meerdere jaren voor; het is dus geen incidentele kwestie.

Daar komt bij de verdeling. In hoofdstuk 3 blijkt dat de positie van kleine en grote gemeenten nogal uiteenloopt. De gemeenten groter dan 50 000 inwoners geven rond 34 per inwoner meer uit dan het ijkpunt aangeeft. De gemeenten met minder dan 20 000 inwoners geven gemiddeld minder uit dan het ijkpuntniveau. Nader onderzoek naar de achtergronden hiervan in combinatie met de inkomstenclusters is gewenst.

2.1.6 Cluster Groen

Dit cluster laat een lichte stijging zien ten opzichte van vorig jaar in de afwijking tussen uitgaven en het ijkpunt. Een verschil tussen feitelijke en veronderstelde uitgaven bestaat al langere tijd. Tot dit jaar was dat geen reden voor nader onderzoek, ook omdat werd verondersteld dat dit beleidsterrein zich kenmerkt door een grote beleidsvrijheid, zodat een zeker verschil tussen ijkpunt en feitelijke uitgaven minder klemmend is dan bij andere clusters. De veronderstelling van de fondsbeheerders over het uitgavenniveau van gemeenten aan het cluster Groen is altijd geweest dat dit niveau minder wordt bepaald door «harde» externe factoren. Hier staan clusters tegenover waarvan de uitgavenontwikkeling meer bepaald wordt door externe factoren die onvermijdelijk zijn. We constateren nu in dit POR dat de uitgaven voor Groen en de inkomsten uit OZB en OEM hoger zijn dan verondersteld in de verdeling van het gemeentefonds. Dit roept de vraag op of het cluster Groen nog wel kan worden gezien als een minder hard cluster. Omdat het verschil in afwijking tussen uitgaven en ijkpunt oploopt en ook de verdeling wat scheef lijkt, zullen we ook dit cluster in beginsel aan een nader onderzoek onderwerpen in samenhang met de inkomstenclusters.

2.1.7 Krimpgemeenten

De Raad voor het openbaar bestuur (Rob) en de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) hebben in 2008 aandacht gevraagd voor de positie van gemeenten met een krimpende bevolking in het verdeelstelsel. In het Kabinetsstandpunt op het Rob/Rfv-advies over bevolkingsdaling heeft het Kabinet aangegeven in samenwerking met VNG en IPO te komen met een interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling. Naar verwachting zal dit actieplan in het najaar aan de Tweede Kamer worden gestuurd. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Minister WWI en de Staatssecretaris van BZK.

De fondsbeheerders hebben naar aanleiding van het advies van de Rfv in het kader van de Scan (zie hoofdstuk 3) in het vorige POR nader laten analyseren hoe de krimpgemeenten in het verdeelstelsel zitten. Vorig jaar inventariseerden we mogelijke effecten van een dalende bevolking door te kijken naar het recente verleden. In dit POR is dat opnieuw gebeurd, maar dan met de nieuwste cijfers (2009). Bovendien is een denkbeeldige herverdeling berekend van het gemeentefonds op basis van de CBS-bevolkingsprognose voor 2020. Op die manier is onderzocht wat diverse gemeentegroepen zouden ontvangen uit het fonds wanneer zich de verwachte bevolkingsontwikkeling voor 2020 al feitelijk in 2009 had voor gedaan. Beide exercities bevestigen de conclusies van vorig jaar.

Gebleken is dat in de uitgaven- en inkomstenpatronen onderdelen zijn aan te wijzen die «typisch» bij krimpgemeenten behoren, zoals minder kosten aan onderwijshuisvesting en minder opbrengsten uit de grondexploitatie. Los van de vraag of het voor hen «typisch» is, hebben krimpgemeenten een wat zwakkere sociale structuur en daarmee verbonden hogere kosten. Ook de meeste andere kosten zijn eenvoudig te duiden als uitvloeisel van hun sociale, demografische en economische omstandigheden.

Bezien vanuit het gemeentefonds is naar onze mening sprake van een redelijke vergoeding voor de diverse uitgaven van krimpgemeenten, zonder dat het fonds doelbewust op «krimp» is ingericht, evenmin als het op stationaire of groeigemeenten als zodanig is geënt.

2.1.8 Positie G 4 in het verdeelstelsel

De G 4 hebben een wat specifieke positie in de verdeelsystematiek van het gemeentefonds, met name door het bestaan van een vast bedrag voor deze gemeenten. Bij de behandeling van de gemeentefondsbegroting 2008 in de Tweede Kamer is dit aan de orde geweest, de vraag was daarbij in hoeverre een specifieke de positie van de G 4 (nog) gerechtvaardigd is.

De fondsbeheerders hebben daarbij aangegeven dit te zullen bezien. Naar verwachting verschijnt rond de jaarwisseling een advies van de Rfv over dit onderwerp. Op basis daarvan zullen de fondsbeheerders bepalen welke stappen nodig zijn.

2.2 Beleidsvoornemens departementen

2.2.1 Wet werk en bijstand

In het afgelopen seizoen 2008/2009 is opnieuw aandacht besteed aan het financieel verdeelmodel, zowel voor het I-deel (het budget ter bekostiging van de bijstandsuitkeringen) als voor het W-deel (de re-integratiebudgetten). Het ministerie van BZK is, vanuit de verantwoordelijkheid voor de financiële verhouding, bij het onderhoud van het model betrokken. Daarbij wordt gelet op de samenhang van de Wwb met de rest van de financiële verhouding, en de gevolgen van de Wwb voor financiële ruimte en spankracht van de gemeenten.

Gezien de huidige stand van zaken kan BZK dit onderwerp in de signaleringsfase blijven volgen. De Tweede Kamer zal opnieuw worden geïnformeerd bij het POR 2011.

2.2.2 Wet maatschappelijke ondersteuning

In 2007 is de Wmo in werking getreden. Een deel van de Wmo-middelen was al onderdeel van het gemeentefonds, namelijk de Welzijnswet en de Wet voorzieningen gehandicapten. De middelen die er nieuw zijn bij gekomen, hangen samen met huishoudelijke verzorging, en met een aantal voormalige subsidie-regelingen uit de Awbz. Deze middelen, samen meer dan 1 miljard euro, zijn aan het gemeentefonds toegevoegd in de vorm van een integratie-uitkering met een langlopend karakter.

Doordat het een integratie-uitkering betreft is het normale gemeentefondsaccres niet van toepassing. Deze middelen hebben een eigen groeivoet, die jaarlijks zal worden bepaald op basis van een advies van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). Ook kennen deze middelen een specifieke verdeling, op basis van een speciaal ontwikkeld objectief verdeelmodel. Dat wordt toegepast met ingang van 2008. Het tweede voorlopig SCP advies is in het voorjaar van 2009 verschenen. Tijdens een bestuurlijk overleg hebben de fondsbeheerders, VWS en VNG op basis van dit rapport het macrobudget voor 2010 vastgesteld. In het voorlopig advies constateert het SCP dat in 2008 een bedrag van € 257 miljoen niet tot besteding is gekomen. Volgens de afgesproken systematiek zou het budget voor 2010 dan met een bedrag van € 257 miljoen lager moeten worden vastgesteld. Tijdens het overleg is echter afgesproken om hiervan af te wijken en het hele bedrag van € 257 miljoen bij de gemeenten te laten. Een deel van dat bedrag, ter grootte van € 130,4 miljoen, wordt daarbij beschouwd als dekking voor de financiële gevolgen van voorziene prijsstijgingen en de wetswijziging Wmo (waardoor de keuzemogelijkheid tussen de voorziening in natura en het persoonsgebonden budget wordt aangepast). Het resterende deel ter grootte van € 127 miljoen dient in ieder geval ter dekking van de gevolgen van de pakketmaatregel Awbz. Voor de positionering en de verdeling van deze € 127 miljoen is afgesproken dat de VNG een voorstel zou doen dat met de fondsbeheerders en VWS zou worden besproken. Tijdens een bestuurlijk overleg op 31 augustus is het VNG voorstel besproken. Afgesproken is dat er van de € 127 miljoen er € 25 miljoen aan de integratie-uitkering wordt toegevoegd en€ 102 miljoen aan de algemene uitkering. Op verzoek van de VNG wordt in 2010 van deze € 102 miljoen een bedrag van € 34 miljoen bestemd voor de zogenaamde nadeelgemeenten. De afspraken zijn «for better and for worse», dit houdt in dat als het SCP in het nog te verschijnen definitieve rapport over 2008 een lagere of hogere onderuitputting constateert dan de eerdergenoemde € 257,5 miljoen, de gemaakte afspraken over de omvang en dé inzet van de onderuitputting 2008 gehandhaafd blijven.

In april heeft de Tweede Kamer met de staatssecretaris van VWS en BZK gedebatteerd over het WMO budget. Hierin kwam de kritiek van een aantal gemeenten op het verdeelsysteem aan de orde. De staatssecretaris van BZK heeft toegezegd hier een onderzoek naar een aanpassing van het model te doen waarover afzonderlijk wordt bericht. Ook zal zij in het najaar voor de Tweede kamer een technische briefing over de verdeelsystematiek organiseren.

2.2.3 ISV

Met ingang van 2010 begint een nieuw vijfjarig tijdvak voor het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing. Het Ministerie van WWI zal vanaf dat jaar een nieuwe omvang en verdeling van het budget hanteren. Binnen het gemeentefonds zal een overeenkomstige aanpassing worden doorgevoerd, naar analogie van de aanpassing bij de start van het tweede tijdvak in 2006.

Het voornemen is daarnaast om vanaf 2011 het budget over te hevelen van de begroting van WWI naar het gemeentefonds en het provinciefonds en de middelen uit te keren via een decentralisatie-uitkering. Dit als onderdeel van de beoogde decentralisatie, conform de bestuursakkoorden met gemeenten en provincies. De uitwerking zal in de eerste maanden van 2010 plaatsvinden.

2.2.4 Centra voor Jeugd en Gezin

Via de tijdelijke regeling CJG worden tot en met 2011 met een brede doeluitkering middelen aan gemeenten ter beschikking gesteld voor jeugdgezondheidszorg, maatschappelijke ondersteuning jeugd, afstemming jeugd en gezin en het realiseren van Centra voor Jeugd en Gezin (CJG). In het bestuursakkoord «Samen aan de slag» van 4 juni 2007 hebben het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) afgesproken dat de middelen vanaf 1 januari 2012 structureel aan het gemeentefonds toe te voegen als er sprake is van een landelijke dekking van Centra voor Jeugd en Gezin. Van een landelijke dekking is sprake wanneer voor iedere ouder en voor elke jeugdige een CJG toegankelijk is. Nadien heeft het kabinet besloten de middelen, indien gekomen wordt tot overheveling naar het gemeentefonds, onderdeel te laten worden van de Decentralisatie-uitkering Jeugd.

Gezien de tussen Rijk en VNG afgesproken voorwaarde is nu nog niet duidelijk wanneer besluitvorming over de overheveling kan plaatsvinden. In het POR 2011 wordt de Tweede Kamer hierover opnieuw geïnformeerd.

2.3 Integratie- en decentralisatie-uitkeringen

In het kader van het Bestuursakkoord «Samen aan de Slag«, dat het kabinet met de VNG heeft gesloten op 4 juni 2007, is een ambitieuze decentralisatie-agenda gemaakt, waaruit een groot aantal decentralisatievoornemens voortvloeit. Dit is bestendigd met een wijziging van de Financiële verhoudingswet, die op 1 augustus 2008 ingaat, en waarmee in het gemeentefonds een zogenaamde decentralisatie-uitkering wordt geïntroduceerd.

Dat heeft de afgelopen jaren geleidt tot een behoorlijke dynamiek op het gebied van de integratie- en decentralisatie-uitkeringen in het gemeentefonds. Ook de komende periode worden weer een aantal nieuwe decentralisatie-uitkeringen verwacht. Een actueel overzicht van de huidige integratie- en decentralisatie-uitkering is opgenomen in de begroting van het gemeentefonds. In onderstaand is een overzicht opgenomen van de nog verwachte decentralisatie-uitkeringen:

Verwachte DU/IUDepartement
Spoorse doorsnijdingenV&W
Herbestemming aandachtswijkenOCW
Veilige publieke taakBZK
Versterking uitvoering externe veiligheidVROM
Bestrijding jeugdwerkloosheidSZW
Aanpak eergerelateerd geweldWWI
ISVWWI
BodemsaneringVROM
Voorbeeldprojecten wijkeconomieEZ
Proeftuinen inburgeraarsVROM
SchuldhulpverleningSZW
Koplopers tijdbeleidOCW
Versterking peuterspeelwerkOCW
Voortijdig schoolverlatenOCW

Het vakdepartement (in tabel opgenomen) adviseert aan de fondsbeheerders over de verdeling van de decentralisatie-uitkeringen. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de verdeling van het gemeentefonds (ook de decentralisatie-uitkeringen) ligt bij de fondsbeheerders. Sommige decentralisatie-uitkeringen kennen een aanvraagprocedure, waarbij gemeenten plannen indienen die door het vakdepartement beoordeeld worden. Op dit oordeel wordt vervolgens een verdeling van de middelen over gemeenten gebaseerd. Bij andere decentralisatie-uitkeringen is de verdeling gebaseerd op bestuurlijke afspraken van het vakdepartement met de gemeenten, bijvoorbeeld in de vorm van een convenant.

De verdeling wordt vervolgens door de fondsbeheerders uitgevoerd en vastgelegd in een aparte verdeel-AMvB.

In deze gevallen is de taak van de fondsbeheerders beperkt tot het uitvoeren en vastleggen van de verdeling, alsmede om de gemeenten hierover te informeren door middel van de gemeentefondscirculaires. Informatie die betrekking heeft op de beleidsinhoud is primair de verantwoordelijkheid van het betreffende vakdepartement.

2.4 Afgeronde onderwerpen

Onderstaande onderwerpen zijn afgevoerd van de onderhoudsagenda.

2.4.1 Wabo

Er is overeenstemming tussen de VNG en de minster van VROM over de hoogte van de compensatie van de invoeringskosten van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Kamerstukken II, 2006/07, 30 844). De invoering van de WABO hoeft daarom geen onderdeel meer uit te maken van de onderhoudsagenda.

2.4.2 Maatschappelijke stages

De ministeries van OCW en VWS en de VNG hebben op 21 december 2007 een convenant gesloten over de (verdere) ontwikkeling van een makelaarsfunctie ten behoeve van maatschappelijke stages en de stimulering van vrijwilligerswerk. Hiertoe zijn middelen aan het gemeentefonds toegevoegd en kan het onderwerp worden afgevoerd van de agenda.

2.4.3 Participatiebudget

Met ingang van 1 januari 2009 is de Wet participatiebudget (Staatsblad 588, 2008) in werking getreden. Er is op dit moment geen bijzondere aandacht van de fondsbeheerders meer noodzakelijk.

2.4.4 Overige onderwerpen

Er zijn dit jaar geen onderwerpen van de onderhoudsagenda overgeheveld naar bovenstaande lijst van integratie- en decentralisatieuitkeringen.

HOOFDSTUK 3: SCAN

3.1 Inleiding

Uitgangspunt bij het verdeelstelsel van het gemeentefonds is dat alle gemeenten een gelijk voorzieningenniveau voor hun burgers kunnen realiseren. Daarom wordt binnen het verdeelstelsel zowel rekening gehouden met kostenverschillen door sociale en fysieke structuur en centrumfunctie, als met ongelijke mogelijkheden eigen inkomsten te genereren. Dat laatste gebeurt door verevening van een deel van de capaciteit van de OZB, de voornaamste lokale belasting.

Bij het periodiek onderhoud van het verdeelstelsel van het gemeentefonds worden veranderingen in de gemeentelijke kostenstructuur stelselmatig gevolgd. Dat gebeurt door «de scan» op het niveau van clusters van uitgaven. Het doel van de scan is wijzigingen in de kostenstructuur te signaleren die consequenties kunnen hebben voor de verdeling. Eveneens worden de inkomsten van de gemeenten gevolgd.

Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd: 3.2 biedt een samenvatting van de uitkomsten van de scan van dit jaar en 3.3 geeft een korte beschrijving van de methodiek van de scan. Dan volgt in 3.4 een schets van het verloop van de inkomsten van alle gemeenten tezamen, die dient als achtergrond voor de eigenlijke scan. In 3.5 tenslotte worden de resultaten van de scan beschreven. Het geeft inzicht in de ontwikkeling van de uitgaven en inkomsten in 2008/09 en – vooral – de verdeling ervan over groepen gemeenten.

3.2 Samenvatting

Evenals vorig jaar, behandelt de scan van dit jaar naast de gebruikelijke onderwerpen ook het thema van de financiële gevolgen van een krimpende bevolking voor zover die van belang zijn voor het verdeelstelsel van het gemeentefonds. Vorig jaar inventariseerden we de mogelijke effecten van een dalende bevolking door te kijken naar het recente verleden. Dat doen we nu weer, maar dan met de nieuwste cijfers (2009). Bovendien hebben we een denkbeeldige herverdeling berekend van het gemeentefonds op basis van de CBS-bevolkingsprognose voor 2020. Op die manier is onderzocht wat diverse gemeentegroepen zouden ontvangen uit het fonds wanneer zich de verwachte bevolkingsontwikkeling voor 2020 al feitelijk in 2009 had voor gedaan. Beide exercities bevestigen de conclusies van vorig jaar, waarvan wij daarom de relevante passages herhalen:

• «In de uitgaven- en inkomstenpatronen zijn onderdelen aan te wijzen die «typisch» bij krimpgemeenten behoren, zoals minder kosten aan onderwijshuisvesting en minder opbrengsten uit de grondexploitatie. (...) Los van de vraag of het voor hen «typisch» is, hebben krimpgemeenten een wat zwakkere sociale structuur en daarmee verbonden hogere kosten. Ook de meeste andere kosten zijn eenvoudig te duiden als uitvloeisel van hun sociale, demografische en economische omstandigheden.»

• «Bezien vanuit het gemeentefonds is naar onze mening sprake van een redelijke vergoeding voor de diverse uitgaven van krimpgemeenten, zonder dat het fonds doelbewust op «krimp» is ingericht, evenmin als het op stationaire of groeigemeenten als zodanig is geënt. (...) Naar momentele kennis (ligt) de introductie van een «groei of krimp»-factor in het gemeentefonds, niet in de rede.»

Daarbij merken we op dat de analyse van vorig jaar de mogelijkheid open liet dat de wat hogere kosten voor Openbare orde en veiligheid en Bevolkingszaken met de krimp samenhingen. Die mogelijkheid wordt door het onderzoek van dit jaar niet bevestigd; er zijn zelfs lichte aanwijzingen voor het tegendeel.

Uit de reguliere scan komt, zoals al meerdere jaren, naar voren dat de gemeentelijke inkomsten uit de overige eigen middelen (OEM) en de Onroerende zaakbelasting (OZB) hoger zijn dan in het verdeelstelsel wordt aangenomen, terwijl de tarieven voor Riool en Reiniging iets lager liggen. We zullen hiernaar nader onderzoek doen. In geval van de OEM is dat een betrekkelijk technisch getint onderzoek, bij de OZB zijn er ook bestuurlijke vragen aan de orde, in het bijzonder wat een adequaat niveau voor het ijkpunt OZB in het verdeelstelsel is.

Uit de scan komen ook de verdeelformules («ijkpunten») van diverse uitgavenclusters naar voren als mogelijke onderwerpen van nader onderzoek. De nadere onderzoeken van de inkomstenclusters en uitgavenclusters zullen in samenhang met elkaar plaatsvinden. Daarmee kan de rol worden bepaald die beide inkomstenbronnen spelen bij de gemeentelijke uitgaven op de clusters (ijkpunten).

We zullen nader onderzoek doen naar de verdeling en omvang van de clusters Educatie, Openbare orde en veiligheid, Wegen en water en Groen. De clusters Kunst en ontspanning en Oudheid waren vorig jaar al onderwerp van nader onderzoek, waaruit we concludeerden dat een aanpassing van het verdeelstelsel niet nodig is. Naar aanleiding van de scan van dit jaar en afhankelijk van de uitkomsten van de nadere andere onderzoeken zullen we dat standpunt heroverwegen.

3.3 Over de scan als instrument

3.3.1 Doel en de aard van de scan

Het doel van de scan is het signaleren van wijzigingen in de gemeentelijke kostenstructuur die consequenties kunnen hebben voor de verdeling van de middelen uit het gemeentefonds. Het verdeelstelsel van het gemeentefonds beoogt de beschikbare middelen te verdelen met een globale aansluiting op de gemeentelijke kostenstructuren, rekening houdend met het vermogen eigen middelen te vergaren.

De scan is een eenvoudig instrument; dit correspondeert met de eerste fase van het periodiek onderhoud: de signalering. Op basis van de scan wordt bestuurlijk besloten of een waargenomen verandering in de kostenstructuur aanleiding geeft tot nader onderzoek, de tweede fase van het periodiek onderhoud. De resultaten van dit onderzoek kunnen aanleiding vormen om tot de derde onderhoudsfase te besluiten. De fase van aanpassing.

3.3.2 Inhoud en reikwijdte van de scan

IJkpunten: de veronderstelde uitgaven en inkomsten in het verdeelstelsel

De algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt verdeeld met een groot aantal maatstaven, zoals inwonertal, oppervlakte en bebouwingsdichtheid. Al deze maatstaven zijn gegroepeerd tot veertien uitgavenclusters en twee inkomstenclusters. Een uitgavencluster is een samenhangend geheel van beleidsterreinen.

De clusters in het gemeentefonds zijn:

Uitgavenclusters*:Inkomstenclusters:
Werk & InkomenOnroerende zaakbelasting
EducatieOverige eigen middelen
Zorg 
Kunst & Ontspanning 
Groen 
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Stedelijke vernieuwing 
Oudheid 
Riolering 
Reiniging 
Wegen & Water 
Openbare Orde en Veiligheid 
Fysiek milieu 
Bevolkingszaken 
Bestuursorganen 
(Bijlage I. bij dit hoofdstuk bevat een gedetailleerd overzicht van de samenstelling van de clusters.)

* Er is nog het cluster Algemene ondersteuning. Dit wordt evenredig verdeeld over de andere clusters, behalve over Bestuursorganen.

Voor elk van de uitgavenclusters is een zogeheten ijkpunt opgesteld. Dat is een formule die het veronderstelde kostenniveau van een gemeente in een cluster weergeeft. Een eenvoudig voorbeeld is Bevolkingszaken. Daarvan luidt de ijkpuntformule (in ronde bedragen):

12 x inwoners + 21 x minderheden + 15 000.

De gemeenten krijgen dus een bedrag per inwoner, daar bovenop een bedrag voor inwoners die tot etnische minderheden behoren en een vast bedrag.

Voor het inkomstencluster Onroerende zaakbelasting is eveneens een ijkpunt opgesteld. Voor het inkomstencluster Overige eigen middelen is dat niet gedaan. Van deze gemeentelijke middelen wordt eenvoudigweg aangenomen dat ze 5% bedragen van de som van de ijkpunten van de uitgavenclusters.

De omvang van de algemene uitkering van een gemeente wordt bepaald door het totaal van alle uitgavenclusters bij elkaar, minus het totaal van de inkomstenclusters.

We benadrukken dat gemeenten – binnen het raamwerk van hun wettelijke taken – vrij zijn in de besteding van de algemene uitkering. Een gemeente die volgens het ijkpunt een X bedrag ontvangt voor uitgavencluster A, is dus niet verplicht dat bedrag daadwerkelijk aan A te besteden.

Feitelijke uitgaven en inkomsten volgens gemeentelijke begrotingen

Wat de gemeenten daadwerkelijk uitgeven voor de uitgavenclusters en ontvangen uit de inkomstenclusters leiden wij af uit de gemeentelijke begrotingen. Strikt genomen komt de realiteit beter tot uiting in de gemeenterekening, maar gebruik van de rekening heeft als nadeel dat de actualiteitswaarde van de scan vermindert. Voor deze scan (POR 2010) kunnen wij ons baseren op de begrotingen 2009, of op de rekeningen van 2007. Omwille van de actualiteit kiezen we voor de begrotingen – dit te meer vanwege de grote dynamiek in de gemeentelijke wereld en dus de gemeentefinanciën. Bovendien is uit diverse onderzoeken gebleken dat de verschillen tussen rekening en begroting op het niveau van groepen van gemeenten doorgaans niet spectaculair zijn.

Vergelijking van ijkpunten en feitelijke uitgaven en inkomsten

Deze vergelijking is het hart van de scan. Als de scan grote verschillen laat zien tussen de ijkpunten en de feitelijke omvang van clusters bij alle, of bij groepen van gemeenten, dan kan deze «scheefheid» reden zijn verder te kijken.

Zoals hierboven is betoogd, hoeft een verschil als zodanig geen probleem te zijn. Als gevolg van de gemeentelijke beleidsvrijheid kan een gemeente meer of minder besteden dan de ijkpunten aangeven. Bovendien is het stelsel globaal: het kan en wil geen maatpak zijn voor elke afzonderlijke gemeente.

In de scan van het POR zijn er twee standaardmanieren om verschillen tussen veronderstelde en feitelijke uitgaven en inkomsten op het spoor te komen. Ten eerste een toets op het verschil tussen ijkpunt en feitelijke omvang voor alle gemeenten die onderwerp van de scan zijn. Ten tweede een toets op het verschil tussen ijkpunt en feitelijke omvang voor twee groepen van gemeenten, namelijk kleine versus grote.

Als deze toetsen zicht geven op verschillen die a) relatief groot zijn, b) bestendig zijn en c) vermoedelijk samenhangen met structurele, voor gemeenten weinig beïnvloedbare kenmerken of met wettelijke voorschriften, dan wijden we er een nadere beschouwing aan in het kader van deze scan. (Soms is dat op zijn beurt aanleiding voor nader onderzoek buiten het kader van het POR.) Naast deze standaardaanpak, kan ook de actualiteit reden zijn een onderwerp te behandelen. Vorig jaar is er specifiek gekeken naar gemeenten met een krimpende bevolking. Ook dit jaar besteden we daar extra aandacht aan.

Reikwijdte van de scan

De scan richt zich op alle gemeenten behalve de vijf Waddengemeenten en de vier grote steden. Door hun positie in het verdeelstelsel is het nauwelijks relevant hen in de analyse te betrekken. De grafieken van de eigenlijke scan in paragraaf 3.5 hebben dus betrekking op de Nederlandse gemeenten zonder deze negen. Potentieel betreft dat 432 gemeenten, waarvan er om datatechnische redenen dertien buiten de onderzoekgroep vallen. De scan zoals gepresenteerd in paragraaf 3.5 gaat dus over 419 gemeenten; de spreiding van de dertien «uitvallers» is zodanig dat de 419 zeer representatief voor het geheel zijn.

3.4 Ontwikkeling van de gemeentelijke inkomsten en uitgaven in alle gemeenten

Als achtergrond van de scan in paragraaf 3.5 schetsen we hier het verloop van uitgaven en inkomsten in 2008 en 2009 voor alle Nederlandse gemeenten gezamenlijk, inclusief de vier grote steden en de vijf Waddengemeenten.

3.4.1 Het niveau van de begrote gemeentelijke inkomsten

Figuur 3.1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van het totaal aan gemeentelijke inkomsten volgens de gemeentebegrotingen in 2008 en 2009. De figuur onderscheidt zes inkomstenbronnen1:

i. de Onroerende zaakbelasting (OZB),

ii. andere belastingen dan de OZB,

iii. gemeentelijke rechten en heffingen,

iv. iv. de baten uit de resterende Overige eigen middelen (OEM),

v. de algemene uitkering,

vi. een restgroep van inkomsten die vooral bestaat uit specifieke uitkeringen.

Figuur 3.1 Ontwikkeling van begrote gemeentelijke inkomsten 2008–2009 (miljarden euro’s, alle gemeenten)

kst-32123-B-2-4.gif

We gaan nu op deze zes onderdelen nader in.

i. De Onroerende zaakbelasting (OZB)

De OZB stijgt van € 2,7 miljard in 2008 naar € 2,9 miljard in 2009, een toename van 4,7%. Dat is wat meer dan de stijging van 4,0%, die in het vorige POR werd waargenomen.

ii. Andere belastingen dan de OZB

Alle andere gemeentelijke belastingen buiten de OZB bedragen tezamen «slechts» € 0,9 miljard. Hun omvang groeide tussen 2008 en 2009 met 11,9%, dus meer dan het dubbele van de stijging van 4,7% van vorig jaar. Binnen het totaal steeg de parkeerbelasting (d.i. parkeergelden en leges van parkeervergunningen) meer dan gemiddeld.

iii. Gemeentelijke rechten en bestemmingsheffingen

Dit betreft inkomsten waar specifieke prestaties tegenover staan. Hun begrote bedrag mag niet hoger zijn dan de begrote kosten. Daarin onderscheiden deze inkomsten zich van de belastingen, waaraan geen specifieke prestaties gekoppeld hoeven te zijn en waar kostendekkendheid bij de toegestane hoogte geen rol speelt. Het begrote bedrag van deze groep gemeentelijke inkomsten is in 2009 € 3,9 miljard, tegen € 3,7 miljard het jaar ervoor. Dat is een stijging van 5,6%, iets meer dan de stijging van vorig jaar.

Van de rechten zijn het reinigingsrecht en de afvalstoffenheffing financieel de grootste. In 2009 beliepen ze € 1,8 miljard, wat een groei betekent van 3,3% ten opzichte van 2008. Qua financieel belang volgen dan de rioolrechten. Deze stegen met 7,2% bovengemiddeld en bereikten daarmee een niveau van ruim € 1,2 miljard in 2009. Eveneens bovengemiddeld stegen de bouwleges en de secretarieleges (8,4% respectievelijk 8,5%).

iv. De baten uit Overige eigen middelen (OEM)

Hier heeft het begrip OEM betrekking op de baten van de betreffende begrotingsposten, samen goed voor zo’n € 10,1 miljard in 2009. In het fonds figureert van de OEM alleen het saldo van baten en lasten; dat saldo is veel lager en komt aan de orde bij de eigenlijke scan in paragraaf 3.5, onderdeel 3.5.2.

De hier besproken OEM-baten bestaan voor bijna driekwart uit revenuen van de grondexploitatie. Het resterende deel wordt vooral gevormd door opbrengsten uit geldleningen en beleggingen. De OEM-baten stegen van 2008 op 2009 met 4%.

v. De algemene uitkering

Deze steeg van € 15,6 miljard in 2008 naar € 17,0 miljard in 2009. Het verschil van € 1,4 miljard is voor grootste deel het gevolg van het hoge algemene accres van het gemeentefonds.

vi. Overige inkomsten

Deze groep bestaat vooral uit specifieke uitkeringen. Een beperkt deel betreft bijdragen van provincies en de Europese Unie. De CBS-begrotingsstatistiek maakt het niet mogelijk specifieke uitkeringen afzonderlijk of als categorie te bepalen, zodat het verloop van «overige inkomsten» slechts een globale indruk geeft van de ontwikkeling van het bedrag aan specifieke uitkeringen.

Het totaal van de overige inkomsten ging volgens de begrotingen van € 16,5 miljard in 2008 naar € 18,1 miljard in 2009, een stijging van 9%.

3.4.2 De begrote gemeentelijke netto-uitgaven (alle gemeenten)

In het verdeelstelsel staan niet bruto-uitgaven, maar netto-uitgaven centraal. Dit is het saldo van lasten en specifieke baten. Het saldo van de diverse uitgavenclusters wordt afgebeeld in Figuur 3.2. De gemiddelde groei tussen 2008 en 2009 is 7,8%, dus meer dan de 6,5% van vorig jaar. Gezien de hoge groei van de algemene uitkering is dat een logische ontwikkeling: met een bedrag van ruim € 18 miljard, is de algemene uitkering namelijk goed voor 63% van de algemene middelen1.

De netto-uitgaven van clusters Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing, Bevolkingszaken en – in mindere mate – Openbare orde en veiligheid en Fysiek milieu liggen met hun groei duidelijk boven dat gemiddelde; de clusters Educatie, Werk en inkomen, Oudheid en Bestuursorganen groeien lager dan gemiddeld.

Figuur 3.2 Netto-uitgaven per cluster voor de jaren 2008 en 2009 (miljarden euro’s, alle gemeenten)

kst-32123-B-2-5.gif

3.5 Scan van inkomsten en uitgaven bij 419 gemeenten

3.5.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de eigenlijke scan, het hart van hoofdstuk 3. Hier worden de ijkpunten uit het gemeentefonds vergeleken met de feitelijke ontwikkeling van uitgaven en inkomsten, zoals af te leiden uit de CBS-begrotingsstatistiek. Het onderzoek is gebaseerd op de begrotingsjaren vanaf 2005, maar concentreert zich op de jaren 2008 en 2009, en de veranderingen daartussen.

Zoals gezegd heeft de scan betrekking op de meeste, maar niet alle 441 gemeenten. Vanwege hun bijzondere positie in het verdeelstelsel worden de Waddengemeenten en de vier grote steden erbuiten gehouden. Vanwege de kwaliteit van het basismateriaal zijn dertien gemeenten buiten beschouwing gelaten, zodat de scan over 419 gemeenten gaat.

De opbouw van deze paragraaf is als volgt.

In 3.5.2 vergelijken we de veronderstelde inkomsten met de feitelijke inkomsten, namelijk de netto-inkomsten uit de Onroerend zaakbelasting (OZB), de Overige eigen middelen (OEM) en de riool- en reinigingsrechten.

Dan volgen in 3.5.3 de verschillen tussen de veronderstelde en de feitelijke uitgaven. Daarin besteden we in het bijzonder aandacht aan het cluster Zorg, exclusief de huishoudelijke hulp c.a. en het cluster Openbare orde en veiligheid.

Naast de behandeling van de gebruikelijke onderwerpen, besteden we in subparagraaf 3.5.4 aandacht aan gemeenten met een krimpende bevolking, wat we vorig jaar op advies van de Raad voor de financiële verhoudingen voor het eerst hebben gedaan.

3.5.2 De scan van veronderstelde versus feitelijke inkomstenstructuur

Deze subparagraaf begint met de gebruikelijke analyse en sluit af met een aankondiging van nader onderzoek naar de veronderstelde Overige eigen middelen (OEM) en Onroerendzaakbelasting (OZB).

Analyse

In Figuur 3.3 is voor de jaren 2006–2009 van de belangrijkste eigen inkomsten (riool- en reinigingsrechten, OZB en het saldo van de Overige eigen middelen) het verschil weergegeven tussen het feitelijke niveau en de ijkpunten van het gemeentefonds1.

Figuur 3.3 Verschil tussen de feitelijke en veronderstelde netto inkomsten bij de clusters Riool, Reiniging, OZB en OEM (exclusief de mutatie reserves), 2006 t/m 2009 (euro’s per inwoner; 419 gemeenten)

kst-32123-B-2-6.gif

Voor de clusters Riool en Reiniging tezamen geldt dat hun saldo van baten en lasten in 2008 en 2009 lager is begroot dan in de ijkpunten van het gemeentefonds wordt verondersteld, terwijl er voordien min of meer gelijkheid was tussen feitelijk saldo en het ijkpunt. De feitelijke kostendekkendheid is dus lager dan de veronderstelde. Dat heeft vooral te maken met het BTW-compensatiefonds. Nadat was gebleken dat de gemeenten méér uit het BTW-compensatiefonds ontvangen dat verwacht, is in 2008 het gemeentefonds gekort. Dat werkt ook door in de ijkpunten Riool en Reiniging. Vergeleken met deze ijkpunten hebben de gemeenten hun riool- en reinigingsrechten in 2008 en 2009 weinig verhoogd. Op zichzelf zijn deze riool- en reinigingsrechten overigens wel verhoogd, zoals bleek in subparagraaf 3.4.1 over alle gemeenten. In de 419 gemeenten die we hier beschouwen was dat ook het geval.

Terwijl de heffingen voor riool- en reiniging wat lager zijn dan in het verdeelstelsel wordt verondersteld, liggen de OZB-tarieven al langere tijd boven het rekentarief van het gemeentefonds2. Tussen 2008 en 2009 is dat verschil vrij sterk gegroeid. De oorzaak was dat de begrote OZB-opbrengst met 5,1% steeg; dat is meer dan de in het gemeentefonds veronderstelde groei van 2,9%.

Het grootst is het verschil bij de het saldo van de Overige eigen middelen (OEM). In het gemeentefonds gaan we ervan uit dat de OEM circa 5% van de (netto)uitgaven bedragen. Feitelijk is hun niveau hoger en is het verschil met die 5% in de loop der jaren groter geworden. Tussen 2008 en 2009 is het verschil voor het eerst in jaren wat gedaald. Dat is het resultaat van uiteenlopende «plussen en minnen», waaronder lagere inkomsten uit grondexploitatie en rente.

Bij elkaar genomen genereren de clusters Riool, Reiniging, OZB en OEM circa 80 euro per inwoner meer gemeentelijke inkomsten dan in het verdeelstelsel van het gemeentefonds wordt verondersteld (zie de meest rechtse staven in Figuur 3.3). Dat komt vooral doordat OZB en OEM boven het veronderstelde niveau liggen.

In Figuur 3.4 zien we voor het jaar 2009 een verdeling van de clusters Riool, Reiniging, OZB en OEM over vijf groottegroepen. Die verdeling is «klassiek». Naarmate gemeenten groter zijn, neemt de kostendekkendheid van de riool- en reinigingsrechten af. Tegelijkertijd heffen de gemeenten meer OZB, naarmate ze groter worden. Soms was dit gevolg van de expliciete beleidskeuze om lagere inkomens relatief te ontzien door een deel van de kosten van riool en reiniging te dekken uit de OZB. Het belang van deze keuze is allengs minder geworden. Al in eerdere jaren constateerden we dat de grote(re) gemeenten meer en meer overgaan op kostendekkende tarieven. Zien we af van het effect van het BTW-compensatiefonds, dan is het tekort op riool en reiniging minder dan enkele jaren geleden, bovendien zijn de verschillen tussen kleine en grote gemeenten wat afgenomen.

Bij de OEM is het verschil tussen feitelijke en veronderstelde omvang redelijk gelijkmatig over de groottegroepen verdeeld. Zoals al vaker opgemerkt, kan het verschil van gemeente tot gemeente desalniettemin zeer uiteenlopen.

Figuur 3.4 Verschil tussen de feitelijke en veronderstelde netto inkomsten bij de clusters Riool, Reiniging, OZB en OEM (exclusief de mutatie reserves) in 2009 naar groottegroepen (euro’s per inwoner; 419 gemeenten)

kst-32123-B-2-7.gif

Aankondiging onderzoek naar OEM en OZB

Bij de start van het huidige verdeelstelsel in 1997 werd de veronderstelde Overige eigen middelen (OEM) gelijk gesteld aan de feitelijke. De veronderstelde verdeling over de gemeenten werd gekoppeld aan het totaal van de uitgavenijkpunten: elke gemeenten werd geacht 5% van die uitgavenijkpunten te bekostigen uit de OEM. Toen en nu was bekend dat in de praktijk er vele gemeenten zijn waar de feitelijke OEM afwijkt van het landelijke gemiddelde. Bij sommige gemeenten is het veel meer dan 5%, bij andere veel minder. In 1997 en in de jaren nadien was de conclusie steeds dat het onmogelijk en/of onwenselijk is dit simpele «ijkpunt» te vervangen door een complexere verdeling. Twee jaar geleden trokken we die conclusie opnieuw, nadat we op aanraden van de Raad voor de financiële verhoudingen een nader onderzoek deden, waarvan we in POR2008 (september 2007) verslag hebben gedaan.

Toen bleek ook dat de gestage groei sinds 1997 van de omvang van de OEM tot ver boven 5% geen lastenverzwaring impliceert. Het grootste deel van de OEM bestaat namelijk uit inkomsten die verbonden zijn met financieel beheer, zoals rente op reserves. Slechts een tiende bestaat uit belastingen die rechtstreeks van burgers en bedrijven worden geheven – bijvoorbeeld hondenbelasting en toeristenbelasting. Zaken in de sfeer van deze belastingen worden gevolgd in het POR (zie paragraaf 3.4). Ondertussen is het wel onpraktisch om jaarlijks uit te leggen dat het verschil tussen feitelijke en veronderstelde OEM niet relevant is voor de omvang en de verdeling van het gemeentefonds. Anders dan het rekentarief OZB is de OEM nooit «normatief» bepaald maar als rekenkundige uitkomst opgevat. We hebben daarom besloten de veronderstelde OEM te verhogen van 5% naar 9% van de uitgavenijkpunten. Daarmee komt bovenstaande Figuur 3.4. er heel anders uit te zien: de «staafjes» OEM verdwijnen en alleen de verschillen tussen veronderstelde en feitelijke omvang van de cluster Riool, Reiniging en OZB blijven over. Deze nieuwe OEM-formule is ook verwerkt in de navolgende Figuren 3.5 en 3.6.

De aanpassing van de formule heeft geen enkel gevolg voor de feitelijke verdeling, dus voor de gemeenten heeft het generlei financieel effect. Wel beïnvloedt de verandering het POR als instrument om de verdeling te monitoren. We komen hierop terug bij bespreking van de figuren 3.5 en 3.6.

Ook bij de OZB zien we al lange tijd dat het feitelijke niveau hoger is dan het ijkpunt. Vorig jaar hebben we daarna een beperkt nader onderzoek gedaan. Daaruit kwam onder meer naar voren dat verhogingen van de OZB niet in een specifiek beleidsterrein worden besteed. Dat betekent dat een licht vermoeden uit eerdere scans niet werd bevestigd, namelijk het vermoeden dat een OZB-niveau boven het ijkpunt samenhing met extra uitgaven voor het cluster Kunst en ontspanning. De OZB is dus inderdaad wat het heet te zijn, namelijk een algemeen dekkingsmiddel dat op het hele terrein van gemeentelijk beleid wordt aangewend.

Evenmin hebben wij duidelijke informatie of signalen dat de OZB-stijging van voorbije jaren in het algemeen als een uiting van financiële nood kan worden gezien.

Met dit alles is niet gezegd dat het ijkpunt OZB «dus goed» en de feitelijke OZB «dus te hoog». We zullen daarom een nader onderzoek doen om ons een oordeel te kunnen vormen over de vraag of een verschil tussen norm en praktijk een aanpassing van de norm rechtvaardigt of niet. Zo’n aanpassing zal dan uiteraard wel herverdeeleffecten tot gevolg hebben.

3.5.3 IJkpunten versus feitelijke uitgaven

Verschillen tussen veronderstelde en feitelijke uitgavenpatronen komen in theorie in twee vormen voor; in de praktijk zien we ze vaak in combinatie. De eerste vorm is dat voor alle gemeenten bij elkaar de omvang van de feitelijke uitgaven afwijkt van de veronderstelde uitgaven. De tweede uitingsvorm is dat de feitelijke verdeling van uitgaven over groepen van gemeenten verschilt van de veronderstelde verdeling, zelfs als de totalen voor alle gemeenten aan elkaar gelijk zijn. Beide vormen worden in beeld gebracht in Figuur 3.5 respectievelijk in Figuur 3.6.

De clusters zijn genummerd naar hun grootte, zoals weergegeven in Figuur 3.2. De grootste is 1, Maatschappelijke zorg, waarvan onder andere de huishoudelijke hulp deel uit maakt.

Bij de bespreking van de inkomsten zagen, hebben de gemeenten meer eigen middelen dan in het gemeentefonds wordt verondersteld. Dat extra geld besteden ze op uiteenlopende beleidsterreinen, zodat daar de uitgaven hoger zijn dan in het fonds wordt verondersteld. Dat is ook te zien aan Figuur 3.5. Bij de meeste clusters is het verschil uitgavenijkpunt minus feitelijke uitgaven negatief, dat wil zeggen dat de feitelijke uitgaven hoger zijn dan de geijkte uitgaven. Zoals betoogd in subparagraaf 3.5.2 hebben we de OEM-formule aangepast, waardoor het aangezicht van de Figuren 3.5 en 3.6 is veranderd. De «negatieve staafjes» – die een uiting zijn van extra uitgaven bovenop diverse ijkpunten – vloeien nu niet meer voort uit de hoge OEM. Ze zijn nu uitsluitend het gevolg van hetzij extra OZB, hetzij lagere uitgaven op andere clusters (dus clusters met een «positief staafje»).

We zullen de diverse clusters nu bespreken aan de hand van de Figuren 3.5 en 3.6. De eerste laat zien hoe de veronderstelde en de feitelijke omvang zich verhoudt voor alle onderzochte 419 gemeenten tezamen in de jaren 2007–2009. Figuur 3.5 toont het verschil tussen feitelijke en gelijkte uitgaven voor 170 kleine en 64 grote gemeenten in het lopende jaar 2009.

Figuur 3.5 IJkpunten minus feitelijke uitgaven per cluster in 2007 t/m 2009 (euro per inwoner, 419 gemeenten)

kst-32123-B-2-8.gif

Figuur 3.6 IJkpunten minus feitelijke uitgaven 2009, per cluster in kleine en grote gemeenten (euro per inwoner, 170 resp. 64 gemeenten)

kst-32123-B-2-9.gif

1. Maatschappelijke zorg

Dit cluster is het grootste van de binnen het gemeentefonds te onderscheiden beleidsterreinen. Dat was al zo voor 2007; door de toevoeging in 2007 van de gelden voor de huishoudelijke hulp en enkele andere voorzieningen is dat sindsdien nog meer het geval. Gezien de omvang van het cluster van 258 euro per inwoner in 2007 oplopend tot bijna 305 euro in 2009, zijn de afwijkingen tussen de ijkpunten en de feitelijke uitgaven beperkt. Afhankelijk van het jaar en de groep, zoals afgebeeld in de Figuren 3.5 en 3.6 hierboven, varieert de afwijking tussen 1 en 12 euro per inwoner; dat is maximaal 3%. De eerste signalen zoals die uit deze scan kunnen worden afgeleid geven dus geen aanleiding tot nader onderzoek.

In dit POR kijken we globaal naar de cijfermatige verhouding tussen de «oude» en de «nieuwe» Wmo-taken. De «oude» zijn de taken die tegenwoordig onder de Wmo vallen, maar al lange tijd tot het gemeentelijk domein behoren. Het betreft de taken op het brede gebied van welzijn en gehandicaptenzorg, die eerder geregeld werden in de Welzijnswet en Wet voorzieningen gehandicapten. Kortheidshalve duiden we dit hierna aan met «Welzijn & WVG». De «nieuwe» Wmo-taken, die vooral liggen op het terrein van de huishoudelijke hulp, duiden we daarom aan met «huishoudelijk hulp». We verdelen het cluster Maatschappelijke zorg dus in «Welzijn & WVG» en «Huishoudelijke hulp». Eerst volgt de ontwikkeling voor de 419 gemeenten die object zijn van de scan als geheel (Tabellen 3.1.A t/m 3.1.C), daarna volgt de verdeling over de groottegroepen.

In onderstaande Tabel 3.1.A is de ontwikkeling weergegeven van de feitelijke (begrote) uitgaven in het cluster en beide onderdelen van 2006 t/m 2009. Hieruit blijkt dat zowel Welzijn & WVG als de in 2007 toegevoegde Huishoudelijke hulp een gestage groei laten zien, waarbij het financiële beslag van Welzijn & WVG tweemaal groter is dan voor huishoudelijke hulp.

Tabel 3.1.A Feitelijke (begrote) uitgaven cluster Maatschappelijke zorg en de onderdelen Welzijn & WVG en Huishoudelijke hulp in 2006 t/m 2009 (euro per inwoner, 419 gemeenten)
Uitgaven Welzijn & WVGUitgaven Huishoudelijke hulpTotaal uitgaven cluster Maatschappelijke zorg
20061710171
200717879257
200818985274
200920492296

In Tabel 3.1.B hieronder is vermeld met welke bedragen in het gemeentefonds rekening wordt gehouden, dus wat de omvang van het ijkpunt in het verdeelmodel is. Daartoe hebben we het ijkpunt Maatschappelijke zorg gesplitst in een Welzijn & WVG-deel en een Huishoudelijke hulp-deel. Grosso modo laten de veronderstelde uitgaven dezelfde trend zien als de feitelijke uitgaven.

Tabel 3.1.B Veronderstelde (geijkte) uitgaven cluster Maatschappelijke zorg en de onderdelen Welzijn & WVG en Huishoudelijke hulp in 2006 t/m 2009 (euro per inwoner, 419 gemeenten)
Sub-ijkpunt Welzijn & WVGSub-ijkpunt Huishoudelijke hulpIJkpunt cluster Maatschappelijke zorg
20061670167
200717880258
200818791278
200920897305

Tabel 3.1.C hieronder brengt tenslotte de verschillen tussen veronderstelde en feitelijke uitgaven in beeld. Zoals gebruikelijk worden de veronderstelde uitgaven van de feitelijke uitgaven afgetrokken. Een negatief getal betekent dat gemeenten «tekort» komen en een positief bedrag betekent dat ze «overhouden».

Door de bank genomen geven de gemeenten ongeveer uit wat het sub-ijkpunt Welzijn & WVG indiceert en besteden zij wat minder dan het sub-ijkpunt Huishoudelijke hulp aangeeft. Over het geheel van het cluster Maatschappelijke zorg gaven de 419 gemeenten in 2006/09 gezamenlijk wat minder uit dan in het verdeelstelsel wordt verondersteld.

Tabel 3.1.C Veronderstelde minus feitelijke uitgaven cluster Maatschappelijke zorg en de onderdelen Welzijn & WVG en Huishoudelijke hulp in 2006 t/m 2009 (euro per inwoner, 419 gemeenten)
Sub-ijkpunt Welzijn & WVGSub-ijkpunt Huishoudelijke hulpTotaal cluster Maatschappelijke zorg
2006– 40– 4
2007011
2008– 264
2009459

De uitkomsten voor het sub-ijkpunt Huishoudelijke hulp liggen globaal gesproken in lijn met de bevindingen van het SCP, maar zijn daarmee niet helemaal vergelijkbaar. De raming van het macro-budget baseert het SCP op een extrapolatie op basis van de rekeningscijfers 2007 voor alle gemeenten; onderhavige overzichten zijn gebaseerd op de begrotingscijfers voor 419 gemeenten, waartoe niet de grote vier steden behoren1.

We richten ons nu op de verdeling over groepen van gemeenten.

Kijkt men naar de verdeling van uitgaven en (sub)ijkpunt(en) over groepen van gemeenten, dan zijn voor de hand liggende patronen te zien: hoe groter het aantal ouderen, des te hoger de feitelijke en de veronderstelde uitgaven; hoe groter het aantal huishoudens met een laag inkomen, des te hoger de feitelijke en de veronderstelde uitgaven, enzovoorts. Dit geldt – zij het in verschillende mate – voor beide onderdelen van het ijkpunt Zorg.

Neemt men de verschillen van uitgaven en (sub)ijkpunt(en) in het vizier – wat iets zegt over de kwaliteit van de verdeelmodellen -, dan is het beeld veel minder eenduidig.

Wat betreft het onderdeel Welzijn & WVG zijn de verschillen tussen de in het verdeelmodel veronderstelde en de feitelijke uitgaven«willekeurig». Er is dus geen factor te vinden die duidt op een«missing link» in de verdeling. De herijking van enkele jaren geleden is klaarblijkelijk goed geweest.

Bij het onderdeel Huishoudelijke hulp is er enige relatie in de verschillen tussen de veronderstelde en de feitelijke uitgaven enerzijds en de sociaal-economische situatie in een gemeente anderzijds.

Over de verhouding tussen de onderdelen Huishoudelijke hulp en Welzijn & WVG, merken we het volgende op. Een doel van de Wmo is dat op lokaal niveau wordt beoordeeld welke voorziening het best kan. Dat kan leiden tot «substitutie», dat wil zeggen uitwisseling tussen Huishoudelijke hulp en andere voorzieningen. Tegen die achtergrond kan men zich voorstellen dat relatief hoge (of lage) uitgaven voor Huishoudelijke hulp gepaard gaan met relatief lage (of hoge) uitgaven voor Welzijn & WVG. Een dergelijke relatie tussen beide onderdelen van het cluster is in het cijfermateriaal niet gevonden, mogelijk omdat het beleid zich nog moet «zetten».

De slotsom is dat de verdeling van het ijkpunt Maatschappelijk zorg grotendeels goed is. Of enige verbetering mogelijk is door invoering van de factoren medicijngebruik en gemiddeld inkomen, zoals aan de orde gesteld door het SCP, wordt momenteel onderzocht1. Over de resultaten ervan wordt in een afzonderlijke notitie bericht.

2. Wegen en water

Bij het cluster Wegen en water is het verschil tussen veronderstelde en feitelijke uitgaven in 2008 en 2009 ongeveer even groot gebleven. Dat verschil (8 euro per inwoner) is relatief niet zo groot, maar het doet zich al meerdere jaren voor; het is dus geen incidentele kwestie.

Daar komt bij de verdeling. Figuur 3.6 laat zien dat de positie van kleine en grote gemeenten nogal uiteenloopt. De gemeenten groter dan 50 000 inwoners geven rond 34 per inwoner meer uit dan het ijkpunt aangeeft. De gemeenten met minder dan 20 000 inwoners geven gemiddeld minder uit dan het ijkpuntniveau.

We concluderen daarom dat een nader onderzoek naar de achtergronden hiervan gewenst is.

3. Kunst en ontspanning en 12. Oudheid

Figuur 3.5 laat zien dat bij deze clusters ook in 2009 het verschil tussen het ijkpunt en de feitelijke uitgaven weer wat groter is geworden. Voor Kunst en ontspanning geven de gemeenten gezamenlijk ruim een tiende meer uit dan het ijkpunt indiceert, voor het op zich kleine cluster Oudheid het dubbele. Uit Figuur 3.6 blijkt dat die extra uitgaven vooral door grote gemeenten worden gedaan. Deze trend is al langer gaande en was vorig jaar aanleiding voor nader onderzoek. Daaruit bleek een grote samenhang met centrumfunctie en een historische bebouwing. Toen zagen we geen reden de verdeling aan te passen. Nu het verschil opnieuw oploopt, zullen we dit standpunt heroverwegen in samenhang met het onderzoek naar de inkomstenclusters.

4. Educatie

Gezamenlijk geven 419 de gemeenten ook dit jaar minder uit dan het ijkpunt. Tot nu toe gingen we ervan uit dat dit het gevolg is van de administratieve verwerking van de huisvestingslasten. Het ijkpunt houdt immers rekening met kapitaallasten (rente en afschrijving) voor onderwijsgebouwen, terwijl de gemeenten deze lasten nog niet volledig in hun boeken hebben opgenomen omdat in het verleden een deel van de onderwijsgebouwen à fonds perdu werd gefinancierd. Dat boekhoudkundig effect echter, zou langzaamaan tot het verleden moeten behoren, zodat het «overschot» op dit cluster geleidelijk zou moeten verdwijnen. Op dit moment zien we dit nog niet gebeuren en is voor ons reden tot nader onderzoek in combinatie met de inkomstenclusters. Ondanks dat het verschil tussen ijkpunt en de feitelijke uitgaven verder toeneemt blijkt uit dit POR dat de uitgaven voor Educatie van alle gemeenten wel zijn gestegen. Het groeiende verschil wordt dus veroorzaakt doordat het cluster Educatie in het gemeentefonds sneller in omvang toeneemt dan de feitelijke uitgaven op dit onderwerp. Een mogelijke onderzoeksrichting is of de toedeling van het accres, aan het cluster een relatie heeft met de kostenontwikkeling van het cluster. Op dit moment is de toedeling van het accres aan het cluster naar rato van de omvang van het cluster binnen het gemeentefonds.

5. Werk en inkomen

Bij het cluster Werk en inkomen neemt het toch al kleine verschil tussen de veronderstelde en feitelijke uitgaven af. Figuur 3.6 laat zien dat het de grote gemeenten zijn die deze «plus» op het ijkpunt Werk & Inkomen zetten; bij de kleine is er vrijwel geen verschil tussen ijkpunt en feitelijke uitgaven. Zoals ook vorig jaar opgemerkt is hier naar ons oordeel sprake van eigen beleid bij de grote gemeenten, zodat er geen reden is tot nader onderzoek over te gaan.

6. Groen

Volgens Figuur 3.5 doet zich bij dit cluster een lichte stijging voor in de afwijking tussen uitgaven en het ijkpunt; inmiddels is die afwijking opgelopen tot circa 16% in 2009. In de verhouding tussen kleine en grote gemeenten is weinig veranderd.

Een verschil tussen feitelijke en veronderstelde uitgaven bestaat al langere tijd. Tot dit jaar was dat geen reden voor nader onderzoek, ook omdat werd verondersteld dat dit beleidsterrein zich kenmerkt door een grote beleidsvrijheid, zodat een zeker verschil tussen ijkpunt en feitelijke uitgaven minder klemmend is dan bij andere clusters. De veronderstelling van de fondsbeheerders over het uitgavenniveau van gemeenten aan het cluster Groen is altijd geweest dat dit niveau minder wordt bepaald door «harde» externe factoren. Hier staan clusters tegenover waarvan de uitgavenontwikkeling meer bepaald wordt door externe factoren die onvermijdelijk zijn. We constateren nu in dit POR dat de uitgaven voor Groen en de inkomsten uit OZB en OEM hoger zijn dan verondersteld in de verdeling van het gemeentefonds. Dit roept de vraag op of het cluster Groen nog wel kan worden gezien als een minder hard cluster. Omdat het verschil in afwijking tussen uitgaven en het ijkpunt volgens Figuur 3.5 oploopt en volgens Figuur 3.6 ook de verdeling wat scheef lijkt, zullen we ook dit cluster aan een nader onderzoek onderwerpen.

7. Openbare orde en veiligheid

Uit Figuur 3.5 blijkt dat het verschil tussen veronderstelde uitgaven volgens het ijkpunt en de feitelijke uitgaven van 2008 op 2009 is gestegen; in 2008 lagen de uitgaven van de 419 gemeenten 12 euro per inwoner boven het ijkpunt, in 2009 is dat 15 euro per inwoner of wel 20% van het totaal. Een verandering van 12 naar 15 euro per inwoner is als zodanig niet veel, maar is in dit geval toch opmerkelijk. Het ijkpunt werd in 2007 nog herzien. Daarbij is de verdeling aangepast en de omvang vergroot. Het gevolg was dat tussen 2007 en 2008 het verschil tussen feitelijke en veronderstelde uitgaven daalde1. De stijging van de uitgaven treedt verhoudingsgewijs sterk op bij het onderdeel (overige) openbare orde enveiligheid en dan met name bij gemeenten van 50 000 inwoners en meer. Ook de kleine gemeenten geven relatief veel uit wat wellicht samenhangt met toenemende kosten door professionalisering van vrijwillige brandweerkorpsen. De middelgrote gemeenten blijven verhoudingsgewijs dicht bij het ijkpunt.

We concluderen dat nader onderzoek naar de ontwikkeling van dit cluster gewenst is.

8. Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing (VHROSV)

Wat de verdeling over de groottegroepen betreft, blijkt uit Figuur 3.6 dat deze ongelijk is. Dit doet zich voor in een mate die in eerdere jaren ook al uit de cijfers bleek. Grote gemeenten geven wat minder uit dan het ijkpunt, kleine juist meer. We menen dat er nog geen reden is tot nader onderzoek over te gaan.

9. Bestuursorganen

Figuren 3.5 en 3.6 laten kleine veranderingen zien in vergelijking met vorig jaar. Naar dit cluster heeft in 2006 nader onderzoek plaatsgevonden. Omdat er ten opzichte van dat onderzoek geen nieuwe feiten zijn gebleken is er nu geen reden tot nader onderzoek.

10. Fysiek milieu

Ook hier treden slechts kleine veranderingen op, zodat er geen reden voor nader onderzoek is.

11. Bevolkingszaken

Figuur 3.5 laat een kleine toename zien in het verschil tussen ijkpunt en feitelijke uitgaven; ook in de verdeling over kleine en grote gemeenten is nauwelijks sprake van verandering. De leges stijgen in 2009 wat minder sterk dan in 2008, namelijk met 8,5% tegen 10% in 2008. Er is nog geen reden voor nader onderzoek.

12. Oudheid

Zie 3. Kunst en ontspanning.

13. Riolering en 14. Reiniging

In 3.5.2 gingen we al in op de tarieven voor het riool en de reiniging. Het reinigingsrecht en de afvalstoffenheffing stegen gemiddeld met 3% en de rioolrechten met ruim 7%. Deze percentages zijn beide hoger dan vorig jaar, toen ze respectievelijk 1% en 5% bedroegen. Hier is er evenmin nader onderzoek nodig.

Resumé

Het geheel van de veertien uitgavencluster overziende zijn er nogal wat signalen voor scheefheid in verdeling en/of omvang. Grotendeels komen die overeen met de signalen uit het vorige POR. Opgemerkt hierbij wordt de in dit POR gemaakte aanpassing van de OEM-formule. Als zodanig heeft de aanpassing geen enkele invloed op de verdeling. Wel verandert ze enigszins het beeld dat de scan geeft van de verdeling.

Het nader onderzoek naar het verschil tussen feitelijk en geijkt niveau van de OZB ook een bestuurlijke oordeel met zich mee. Dat oordeel betreft de vraag of een verschil tussen norm en praktijk een aanpassing van de norm rechtvaardigt of niet. Los van het precieze oordeel dat wij na het onderzoek mogelijk vormen, kan een onderzoek naar de OZB feiten opleveren die van invloed zijn op hoe tegen de hierboven behandelde «scheefheden» bij diverse uitgavenclusters wordt aangekeken. We zullen daarom de nadere onderzoeken van de OEM en OZB in samenhang uitvoeren met de genoemde uitgavenclusters.

3.5.4 De scan van gemeenten met een krimpende bevolking

I. Inleiding1

Vorig jaar besteden we voor het eerst aandacht aan het fenomeen van de krimpende bevolking in een deel van de gemeenten. We concludeerden toen dat het gemeentefonds een redelijke vergoeding geeft voor de diverse uitgaven van krimpgemeenten, zonder dat het fonds doelbewust op «krimp» is ingericht, evenmin als het op stationaire of groeigemeenten als zodanig is geënt. Met de kennis van vorig jaar lag de introductie van een «groei of krimp-factor» in het gemeentefonds niet in de rede.

Dit jaar gaan we opnieuw en uitgebreider in op het thema. Ten eerste zullen we de exercitie van vorig jaar op een meer verfijnde manier herhalen en daar de nieuwste cijfers bij betrekken. Ten tweede, en dat is nieuw, blikken we vooruit.

Vorig jaar wezen we al op de methodische complicatie dat het POR zich op het lopende en de recente begrotingsjaren baseert, terwijl het grootste deel van de krimp zich pas in de toekomst zal voltrekken, een toekomst waarvoor geen ramingen van gemeentelijke uitgaven en inkomsten bestaan. Die ramingen zijn er nog steeds niet en het is zeer de vraag of het überhaupt mogelijk is op een termijn van 10 tot 20 jaar een zinvolle raming te maken. Om toch een indruk te krijgen van de inkomsten uit het gemeentefonds, hebben we een denkbeeldige herverdeling berekend van de algemene uitkering 2009 op basis van bevolkingsgroei en -daling in de jaren 2009–2020. Daarmee wordt niet de algemene uitkering van 2020 berekend, gemeenten kunnen dit scenario dus niet gebruiken voor een eventuele lange termijnbegroting. Wel wordt een goede indicatie gegeven van de effecten van de demografische ontwikkeling op het verdeelstelsel. Met andere woorden: de exercitie zegt iets over de relatieve positie van groei- en krimpgemeenten maar laat geen uitspraak toe over de omvang van de toekomstige uitgaven en inkomsten.

De «scan van gemeenten met een krimpende bevolking» bestaat dit jaar dus uit twee delen:

• deel II. gaat over de recente jaren tot en met 2009;

• deel III. kijkt vooruit door een denkbeeldige herverdeling van de algemene uitkering 2009 op basis van de demografische voorspellingen van het CBS voor het jaar 2020.

II. Gemeenten met dalende, stabiele en groeiende bevolking in 2002–2009

Introductie

Vorig jaar werd de demografische verandering 2002–2007 in beeld gebracht via een driedeling van de gemeenten (krimp/stationair/groei). Bij toepassing hiervan op de bevolkingscijfers 2002–2009 kwam naar voren, dat er een aanzienlijk «verkeer» was langs de grenswaarden tussen de stationaire en de aanpalende categorieën. Flink wat stationaire gemeenten bleken bij de huidige classificatie net over de grens te vallen naar krimpof groeigemeenten, terwijl omgekeerd een aantal krimp- en groeigemeenten aan de andere kant van de scheidslijn bij de stationaire gemeenten terecht kwam.

Bij de vijfdeling worden daarom uiterste categorieën afgescheiden met waarden die ongeveer het laagste en het hoogste deciel afbakenen. Zodoende wordt onder de krimpgemeenten een knip aangebracht tussen de gemeenten met maximale krimp en de overige gemeenten met een teruglopende bevolking. Onder de groeigemeenten wordt een knip aangebracht tussen de gemeenten met een maximale bevolkingsgroei en de overige gemeenten met een uitbreidende bevolking. Die twee uiterste categorieën zijn door de tijd heen stabieler van samenstelling, dan de groepen met een gematigde bevolkingsfluctuatie.

Tabel 3.2 De gemeenten van POR 2010 geclassificeerd naar de bevolkingsgroei 2002–2009
Gemeenten getypeerd naar groeiClassificatie naar groei 2002–2009Aantal gemeentenGemiddelde groei
Krimpgemeenten> – 2,5%43– 4,1%
Overige teruglopende gemeenten– 1% t/m – 2,5%61– 1,6%
Stationaire gemeenten– 1% t/m + 1%119– 0,0%
Overige uitbreidende gemeenten+ 1% t/m + 2,5%157+ 3,1%
Groeigemeenten> + 2,5%40+ 11,9%
Totaal 420+ 2,2%

In deze tabel valt op dat de laatste jaren in de meerderheid van de Nederlandse gemeenten nog steeds sprake is van bevolkingsgroei. De uitgesproken krimpgemeenten vertonen sinds de eeuwwisseling een vrij constante daling.

Deze «harde kern» van 43 gemeenten vinden we vooral in het Noorden en Zuiden, waaronder 16 in de provincie Limburg en 7 in de provincie Groningen. Opvallend is dat in deze categorie ook 10 Zuid-Hollandse gemeenten vallen. Het betreft met name randgemeenten van de grote steden met wat oudere bebouwing en weinig mogelijkheden voor verdere uitbreiding, zoals Rijswijk en Vlaardingen.

De groeigemeenten vinden we met name in de drie Westelijke provincies en Flevoland (27 van de 40). Dat zijn vooral gemeenten in de buurt van de vier grote steden, zoals Zoetermeer, Houten, Almere1. Buiten de Randstad vinden we ook provinciale centrumsteden in deze categorie. Over het geheel genomen zijn de groeigemeenten veel groter dan de krimpgemeenten (gemiddeld 49 000 inwoners, tegen 28 000 bij de krimpgemeenten). In de perifere provincies zijn groeigemeenten zeldzaam (in Limburg 1, Noord-Brabant 1, Groningen 0, etc).

Figuur 3.7 brengt vier kenmerken van deze vijf groepen van gemeenten in beeld. Het betreft het aandeel ouderen en uitkeringsgerechtigden binnen de bevolking, de woningbezetting (aantal inwoners per woonruimte) en de WOZ-waarde per woning. Voor elke groep is de afwijking ten opzichte van het landelijke gemiddelde bepaald.

Figuur 3.7 Het contrast tussen krimp- en groeigemeenten op een aantal sociaal-economische kenmerken (percentuele afwijking van het landelijk gemiddelde in 2009, 420 gemeenten)

kst-32123-B-2-10.gif

Figuur 3.7 laat zien dat krimp- en groeigemeenten niet alleen afwijken voor wat betreft de bevolkingsdynamiek, maar ook in de sociale structuur.

De afwijkingen in leeftijdsopbouw en woningbezetting hebben een samenhang met interne groei en migratie: de krimpgemeenten worden gekenmerkt door een lage vruchtbaarheid en/of hoge emigratie van jongeren en middelbaren, zodat ouderen en kleine huishoudens resteren. De groeigemeenten vertonen juist een toevloed van jongeren en middelbaren met kinderen, zodat huishoudens gemiddeld jonger en groter zijn.

Uitgaven van de krimp- en groeigemeenten in 2009

Vorig jaar brachten we voor groei- en krimpgemeenten de verschillen tussen ijkpunten en feitelijke uitgaven in beeld. Dit jaar kiezen we voor een wat andere presentatie. Per cluster presenteren we voor de vijf groepen zowel het ijkpunt, als de mate waarin de feitelijke uitgaven daarvan verschillen. Daardoor worden de onderlinge verhoudingen tussen de diverse groepen wat duidelijker, dan wanneer alleen de verschillen tussen uitgaven en ijkpunten worden afgebeeld.

Figuur 3.8.A. bevat de clusters op sociaal en cultureel terrein, Figuur 3.8.B. die op fysiek en bestuurlijk gebied. Bij de toelichting op deze figuren zullen we ons concentreren op de beschrijving van de twee uiterste groepen, de krimp- en de groeigemeenten, en slechts incidenteel op de drie middengroepen ingaan.

De grootste verschillen tussen krimp- en groeigemeenten zien we in de sociale clusters: Werk en inkomen (W&I), Maatschappelijke zorg en Educatie. Aan de verschillen van de ijkpunten – de donkere delen van de staven in de figuren – zien we dat de uiteenlopende sociale omstandigheden van de beide groepen tot uiting komt in de toedeling van de middelen uit het gemeentefonds. Per inwoner ontvangen de krimpgemeenten circa 45 euro meer voor het terrein Werk en inkomen en 60 euro per inwoner meer voor Maatschappelijke zorg. Dat is logisch, omdat in de krimpgemeenten relatief veel meer mensen wonen die op deze voorzieningen zijn aangewezen.

Bij Werk en inkomen valt verder op dat de feitelijke uitgaven alleen in de krimpgemeenten wat onder het ijkpunt liggen (In de figuur ligt het lichte deel van de staaf in het negatieve deel van de schaal). De andere groepen geven allemaal wat meer uit, dan ze vanuit het gemeentefonds ontvangen. Aangezien de krimpgemeenten op diverse andere clusters wel meer uitgeven, suggereert dit dat de toedeling van middelen wat betreft Werk en inkomen zeker niet onvoldoende is.

Bij het ijkpunt Educatie is de verhouding vanzelfsprekend omgekeerd: hier ontvangen juist de groeigemeenten met hun jonge bevolking veel meer. De feitelijke uitgaven liggen voor alle groepen wat lager, wat samenhangt met de aanpassing van het ijkpunt enige jaren geleden. (Zie de reguliere scan, subparagraaf 3.5.3, Figuur 3.5.) Bij de overige drie clusters uit Figuur 3.8.A – Kunst en ontspanning (K&O), Oudheid en Groen verschillen de ijkpunten van groep tot groep maar weinig. In alle gevallen zijn ook de feitelijke uitgaven hoger (in de figuur bevindt het lichte deel van de staaf zich in het positieve deel van de schaal). Opvallend is dat de krimpgemeenten voor Kunst en ontspanning relatief en absoluut meer extra uitgaven boven het ijkpunt doen, dan de andere groepen. Uit achterliggende gegevens blijkt dat dit wordt veroorzaakt door zeer hoge scores bij een drietal steden. Dit spoort met de bevinding uit de reguliere scan. Centrumgemeenten geven meer uit aan Kunst en ontspanning, dan de verdeelsleutel veronderstelt.

Figuur 3.8.A IJkpunten vs. netto feitelijke uitgaven 2009 voor krimp- en groeigemeenten, uitgavenclusters op sociaal en cultureel terrein (in euro’s per inwoner, 419 gemeenten)

kst-32123-B-2-11.gif

Voor de clusters op fysiek en bestuurlijk gebied, zoals afgebeeld in Figuur 3.8.B, lijken de krimp- en groeigemeenten veel meer op elkaar dan op de sociale en culturele beleidsterreinen. De grootste verschillen zien we bij het ijkpunt Wegen en water. Daaruit ontvangen de krimpgemeenten duidelijk meer dan de groeigemeenten. Het feit dat de gemeenten met een licht dalende bevolking (in de figuur «teruglopend» genoemd) en de stationaire gemeenten nog meer ontvangen, laat zien dat in dit ijkpunt ook andere factoren dan krimp een rol spelen. Dat de krimpgemeenten op dit ijkpunt relatief gunstig scoren hangt deels samen met het landelijke karakter van een deel van deze groep en met het feit dat het ijkpunt enkele vaste bestanddelen bevat die ongevoelig zijn voor krimp (zie deel III van deze «krimp-scan»).

Wat betreft de feitelijke uitgaven voor het cluster Wegen en water valt het hoge extra bedrag bij de groeigemeenten op. Dit hangt deels samen met incidenteel zeer hoge uitgaven in twee gemeenten.

Bij de andere clusters zijn de verschillen tussen de vijf groepen beperkt. Binnen die kleine marges is wel op te merken dat voor de krimpgemeenten de meeste ijkpunten per inwoner relatief gunstig uitpakken ten opzichte van de meeste andere groepen, zeker vergeleken met de groeigemeenten. Dat is te zien aan (de donkere staven bij) de clusters Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing (VHROSV), Fysiek milieu (FM), Openbare orde en veiligheid (OOV) en Bestuur; alleen bij Bevolkingszaken (BEV) is dit niet het geval. Verder blijkt uit Tabel 3.8.B dat bij de krimpgemeenten geen sprake is van uitzonderlijk hoge extra uitgaven bovenop het niveau van de ijkpunten.

Figuur 3.8.B IJkpunten vs. netto feitelijke uitgaven 2009 voor krimp- en groeigemeenten, uitgavenclusters op fysiek en bestuurlijk terrein (in euro’s per inwoner, 419 gemeenten)

kst-32123-B-2-12.gif

Inkomsten van de krimp- en groeigemeenten in 2009

Om een beeld te schetsen van de inkomsten van de vijf groepen gemeenten zijn in Figuur 3.9 voor elke groep de totale uitgaven per inwoner opgenomen met daarnaast de mate waarin deze worden gedekt uit het gemeentefonds, de OZB en de Overige eigen middelen (OEM).

Het blijkt dat in 2009 zowel de krimpgemeenten, als de gemeenten met een lichte groei («uitbreidend») de hoogste feitelijke uitgaven hebben. Heel groot zijn de verschillen met de andere groepen overigens niet. De gelijkenis tussen «krimp» en «uitbreidend» is deels gelegen in het feit dat beide vrij veel inwoners met een sociale achterstand binnen hun grenzen hebben, al is de samenstelling van die groepen verschillend. Een verschil tussen krimp- en de «uitbreidende» gemeenten is dat de laatste gemiddeld vaker een centrumfunctie vervullen, waarmee ook kosten samenhangen.

Kijken we naar de inkomsten, dan valt op dat de krimpgemeenten absoluut en relatief de hoogste gemeentefondsuitkering hebben. Van hun uitgaven wordt 80% bekostigd via het gemeentefonds, bij de andere vier is dat rond 76%.

De mate van bekostiging uit de OZB (uit woningen en niet-woningen) varieert tussen 13% en 15%. Met 14,3% ligt dit percentage bij de krimpgemeenten wat boven het gemiddelde. De achterliggende gegevens wijzen op twee oorzaken. Ten eerste betekent de lage woningbezetting (weinig inwoners per woning) logischerwijs dat de verhouding woningen per inwoner juist hoog is. Daar volgt uit dat de OZB-opbrengst per inwoner relatief hoog is, ondanks de wat lagere woningwaarde. Ten tweede kenmerken de krimpgemeenten zich gemiddeld door een wat hoger aandeel in de «waarde niet-woningen» (onder meer door een sterk industrieel verleden), waaruit ook OZB kan worden gegenereerd.

Het relatief grootste verschil treedt op bij de overige eigen middelen (OEM), waaruit de krimpgemeenten maar half zoveel dekken als de andere gemeenten. Uit scan van vorig jaar bleek dat dit deels samenhangt met lagere revenuen uit de grondexploitatie. Tegelijk is de algehele invloed daarvan niet zo groot, omdat de OEM maar een beperkte rol speelt in de bekostiging van het totaal aan gemeentelijke uitgaven

Figuur 3.9 Totale netto-uitgaven 2009 en hun dekking voor verschillende typen krimp- en groeigemeenten (in euro’s per inwoner, 420 gemeenten)

kst-32123-B-2-13.gif

Conclusies over krimp- en groeigemeenten in het jaar 2009

We concluderen dat in het jaar 2009 de uitgavenijkpunten van het gemeentefonds in redelijke mate tegemoet komen aan de omstandigheden waarin de krimpgemeenten zich onderscheiden van andere gemeenten en in het bijzonder de groeigemeenten. Dat onderscheid is gelegen in een verhoudingsgewijs oude, niet zo welvarende bevolking en die juist daarom meer dan elders is aangewezen op gemeentelijke voorzieningen. Met name in de ijkpunten van de clusters Werk en inkomen en Maatschappelijke zorg zijn sociaal-economische en demografische indicatoren opgenomen waarop krimpgemeenten hoog «scoren».

Een verdere conclusie is dat de vergelijking tussen ijkpunten en feitelijke uitgaven geen aanwijzing bevatten dat er sprake is van een «stelselmatige onderbedeling» van krimpgemeenten.

Kijken we naar de inkomsten dan staat voorop dat het grootste deel van de netto-uitgaven wordt bekostigd uit het gemeentefonds. Bij de krimpgemeenten is dat aandeel beduidend hoger dan bij de andere gemeenten, zoals het aandeel Overige eigen middelen juist beduidend kleiner is. In zekere zijn is hier sprake van «indirect communicerende» vaten: de lage inkomsten uit grondexploitatie vertonen samenhang met een dalende bevolking, maar dat wordt indirect gecompenseerd doordat de kosten van de krimp worden vergoed via de (uitgaven)ijkpunten van het verdeelstelsel.

Ontwikkeling van de uitgaven van de krimp- en groeigemeenten in 2006–2009

Om de analyse over het jaar 2009 wat te verbreden zijn we ook nagegaan wat de ontwikkeling van de uitgaven in de jaren 2006–2009 is. Dit kan licht werpen op eventuele trends.

De verandering in de gemeentelijke uitgaven werd in deze periode gedomineerd door de toevoeging van de middelen voor de Wet maatschappelijke opvang (Wmo), in het bijzonder de huishoudelijke hulp, zoals al bleek uit de beschrijving van het cluster Maatschappelijke zorg in subparagraaf 3.5.3. Rond driekwart van de groei van de netto-uitgaven (en het gemeentefonds waaruit ze bekostigd worden) heeft hiermee te maken.

We zagen al dat de krimpgemeenten door hun sociale structuur relatief veel ontvangen en besteden op de «sociale» clusters. Voor de groei van die inkomsten en uitgaven geldt dat ook. Uithoofde van de huishoudelijke hulp werd aan de fondsuitkering voor de krimpgemeenten circa 30 euro per inwoner méér toegevoegd dan voor de andere gemeenten. Gezien hun sociale structuur stonden daar voor de krimpgemeenten ook hogere uitgaven tegenover. De Wmo-operatie leidde dus tot verhoging van de inkomsten uit het ijkpunt Maatschappelijke zorg en tegelijk tot meer uitgaven.

Omdat het in het Periodiek Onderhoudsrapport primair gaat om de kwaliteit van het verdeelstelsel, concentreren we ons daarin doorgaans op de verschillen tussen de ijkpunten en de feitelijke uitgaven. In deze «krimp-scan» hebben we óók naar de uitgaven en ijkpunten afzonderlijk gekeken om een beeld te schetsen van de hoeveelheid middelen die de diverse gemeentegroepen ontvangen. In dit onderdeel van de «krimp-scan» keren we weer terug naar de verschillen tussen ijkpunten en uitgaven en gaan na hoe dat verschil zich tussen 2006 en 2009 heeft ontwikkeld; het gaat dus om een wat abstract begrip, namelijk de verandering van een verschil.

We presenteren die ontwikkeling in Figuur 3.10 voor de meest relevante clusters en voegen daarin de rest samen tot «overige».

We zullen deze nu een voor een bespreken.

Op het cluster Werk en inkomen zijn de krimpgemeenten er sterk op vooruit gegaan. In 2006 hadden ze op dat onderdeel een «tekort», gaven dus meer uit dan ze uit het fonds kregen; in 2009 is dat een klein «overschot». Bij de groei gemeenten deed zich eveneens enige verbetering van het saldo voor, maar nog steeds geven zij meer uit dan het ijkpunt veronderstelt.

Voor het cluster Maatschappelijke zorg laat Figuur 3.10 zien dat alle vijf groepen «voordeel» hebben gehad in 2006–2009. De voornaamste reden is dat de krachtens de Wmo overgehevelde bedragen in deze eerste jaren nog niet volledig zijn besteed.

Ook bij het cluster Educatie trad bij alle vijf de categorieën een verbetering op van het verschil tussen ijkpunt en uitgaven, wat deels samenhangt met een verhoging van het ijkpunt terwijl daar om boekhoudkundige redenen nog geen hogere uitgaven tegenover staan.

Bij de clusters Kunst en ontspanning en Groen gebeurde het tegenovergestelde. Bij Kunst en ontspanning is sprake van enige vertekening door incidenteel hoge uitgaven in drie krimpgemeenten die een centrumfunctie vervullen. Opvallend is de grote verandering voor de krimpgemeenten bij Groen. In 2006 gaven ze daarvoor ongeveer evenveel uit als het ijkpunt aangeeft. In 2009 besteden ze daar een vijfde méér aan.

De som van alle overige clusters laat voor de krimpgemeenten een gunstig beeld zien, terwijl de drie van de vier andere groepen hier «in de min» gaan; alleen bij de licht krimpende gemeenten is de ontwikkeling budgettair neutraal.

Over het geheel van alle clusters impliceert Tabel 3.10 een voor de krimpgemeenten budgettair licht positieve ontwikkeling: de inkomsten uit het gemeentefonds namen meer toe dan de feitelijke uitgaven. Dat correspondeert met het beeld dat naar voren komt uit Tabel 3.9 hierboven. Ook de verdeling over de clusters is min of meer in overeenstemming met wat bleek uit de Figuren 3.8.A en 3.8.B: de krimpgemeenten houden enigszins «over» op de clusters Werk en inkomen, Zorg en Educatie en besteden dit onder meer door extra uitgaven voor Groen en Kunst en ontspanning. De inhoudelijke duiding van de verdeling over de clusters is op grond van het onderhavige onderzoek niet te geven.

Figuur 3.10 De veranderingen in de uitkomsten van de ijkpunten minus de feitelijke uitgaven 2006–2009 bij relevante clusters voor de diverse krimpen groeigemeenten (euro’s per inwoner, 420 gemeenten)

kst-32123-B-2-14.gif

Ontwikkeling van de inkomsten van de krimp- en groeigemeenten in 2006–2009

De verandering op het gebied van de inkomsten zijn indirect al aan de orde geweest, namelijk een sterke verhoging van de inkomsten uit het gemeentefonds door de overheveling van middelen (en taken) op het gebied van de Wmo. Voor het overige brengt de analyse van de verandering tussen de feitelijke en de geijkte inkomsten geen aanvullende inzichten bovenop wat in Figuur 3.9 over de inkomsten in 2009 aan de orde kwam.

Conclusie over de ontwikkeling van krimp- en groeigemeenten in 2006–2009

Om de analyse over de positie van de krimpgemeenten in het verdeelstelsel in 2009 te verbreden, hebben we ook naar de ontwikkeling vanaf 2006 gekeken. Dat leidt tot de conclusie dat de positie van de krimpgemeenten in die jaren per saldo licht is verbeterd. Daarbij zijn wel verschuivingen opgetreden tussen de diverse clusters. Tot een wezenlijk ander beeld dan uit de analyse van het jaar 2009 was getrokken leidt dit niet.

III. Gemeenten met dalende, stabiele en groeiende bevolking in 2009–2020

Introductie

In dit deel presenteren we een denkbeeldige herverdeling van de algemene uitkering 2009 op basis van de demografische voorspellingen van het CBS voor het jaar 2020.

Eerst volgt een classificatie van gemeenten in vijf groepen op grond van de CBS-bevolkingsprognose voor het jaar 2020. Dan schetsen we de methodische aanpak van deze «herverdeling» en geven we de resultaten.

Indeling van gemeenten in vijf groepen

Het CBS heeft in de zomer van 2008 haar meest recente regionale bevolkingsprognoses gepubliceerd. Het betreft modelmatige ramingen van de bevolkingsopbouw van de gemeenten tot en met 2025. In deze scan worden de ramingen voor het jaar 2020 gebruikt. Net als bij de terugblik zijn de gemeenten in vijf categorieën ingedeeld op grond van hun krimp- of groei. Onderstaande tabel toont alle huidige gemeenten, exclusief de Waddeneilanden en de vier grote steden.

Tabel 3.3 De gemeenten van 2009 geclassificeerd naar de geprognosticeerde bevolkingsgroei 2009–2020
Gemeenten getypeerd naar groeiClassificatie naar groei 2009–2020Aantal gemeentenGemiddelde groei
Krimpgemeenten> – 5%57– 7,40%
Overige teruglopende gemeenten– 1% tm – 5%155– 2,9%
Stationaire gemeenten– 1% tm + 1%84+ 0,0%
Overige uitbreidende gemeenten+ 1% tm + 5%89+ 2,8%
Groeigemeenten> + 5%47+ 9,2%
Totaal 432+ 1,4%

In verhouding tot de huidige situatie neemt het aantal gemeenten met een teruglopende bevolking toe. Ten opzichte van Tabel 3.2 blijkt de modale categorie te verschuiven van gemeenten met lichte groei naar gemeenten met een lichte krimp. Dit is in lijn met de algemene trend van dalende bevolkingsgroei.

Onder de 57 krimpgemeenten vinden we er 13 in de drie westelijke provincies. De bulk is echter te vinden in de periferie. Op enkele uitzonderingen na (bijvoorbeeld Heerlen-Kerkrade-Landgraaf, Den Helder) betreft het plattelandsgemeenten of kleine suburbane gemeenten zonder bouwgrond. Uit een snelle inspectie komt een beeld naar voren dat tamelijk overeenkomt met de krimpgemeenten uit de terugblik. De lijn wordt doorgetrokken. Toch lijkt de nadruk iets minder te liggen op Limburg en Groningen en iets minder op oudere en grotere suburbane gemeenten. Bijgevolg wordt deze categorie iets meer gekenmerkt door plattelandsgemeenten in de andere provincies buiten de Randstad, zoals Gelderland, Overijssel, Drenthe en Noord-Brabant.

De groep groeigemeenten komt nog sterker overeen met de groeigemeenten uit de terugblik. Wederom betreft het merendeels gemeenten uit de drie westelijke provincies en Flevoland (31 van de 47). In de perifere provincies gaat het vooral om de grotere centrumsteden. Wat betreft de omvang zullen de categorieën krimp- en groeigemeenten in 2020 nog verder uiteenlopen dan nu reeds het geval is: gemiddeld 19 000 inwoners bij de krimpgemeenten tegen 74 000 inwoners bij de groeigemeenten.

Methode van verdeling gemeentefonds 2009 met demografische prognoses 2020

Voor al deze gemeenten is de verdeling van het gemeentefonds benaderd onder verwerking van de regionale prognoses voor 2020. Uitgangspunt is de verdeling 2009, zoals die ook elders in het POR 2010 is gehanteerd. Op de verdeelmaatstaven van de algemene uitkering is zo goed als mogelijk het effect van de groei en krimp 2009–2020 geprojecteerd. De rest (o.a. de integratie- en decentralisatie-uitkeringen) is gelaten zoals het is. Dit is dus een poging het effect van groei en krimp te benaderen onder «ceteris paribus»-condities.

Voor een aantal verdeelmaatstaven zijn CBS-prognoses 2020 per gemeente beschikbaar. De bevolkingsprognose levert ramingen van het totale inwonertal en de aantallen jongeren (< 20 jaar) en ouderen (> 65 jaar) daarbinnen. Uit de allochtonenprognose zijn de minderheden te halen (1e en 2e generatie immigranten uit Suriname, Nederlandse Antillen, Marokko en Turkije). Daarnaast is er de prognose van het aantal huishoudens, waaraan ramingen ontleend kunnen worden van het totale aantal huishoudens en het aantal eenouder-huishoudens in 2020. Verder is de mutatie 2009–2020 in het aantal huishoudens gebruikt om de mutatie op de verdeelmaatstaf woonruimten te indiceren1.

Met de genoemde maatstaven wordt ruim een kwart van de algemene uitkering verdeeld. Dat is dus het gedeelte dat direct door CBS-prognoses bijgesteld kon worden. Omdat de groei en krimp van de bevolking en de bouwactiviteit ook van invloed zijn op andere maatstaven, is een reeks daarvan eveneens bijgesteld, zij het dat de mutatie daarbij is afgeleid van de bovengenoemde directe mutaties. Zo is de maatstaf ouderen (> 75 jaar) opgehoogd aan de hand van het groeipercentage van de ouderen (> 65 jaar). De maatstaven klantenpotentieel lokaal en regionaal, bijstandsontvangers, uitkeringsgerechtigden en bedrijfsvestigingen zijn bijgesteld met het groeipercentage inwoners2. Analoog zijn de bebouwingsmaatstaven oppervlakte bebouwing, dichtheid (OAD) en alle bijbehorende varianten met bodemgesteldheid bijgesteld met behulp van het groeipercentage bij de woonruimten. Hetzelfde geldt voor de WOZ-waarde woningen en de aantallen huishoudens met laag inkomen per gemeente. Al met al bepalen deze op indirecte wijze aangepaste maatstaven wederom ruim een kwart van de verdeling van de algemene uitkering.

Meer dan de helft van de algemene uitkering wordt dus bepaald door demografische groei en krimp. Soms direct, soms indirect. Door de hiervoor beschreven aanpassing van de maatstaven wijzigt de uitkeringsbasis. Niet alleen per gemeente, maar ook op het nationale niveau. Door de verwerking van de prognoses komt de totale uitkeringsbasis ruim 3% hoger uit, dan de uitkeringsbasis van de oorspronkelijke verdeling gemeentefonds 2009. Om het uitgangspunt van deze exercitie (herverdeling van het gemeentefonds 2009 o.g.v. demografische verandering tot 2020) te handhaven is de uitkeringsfactor 2009 zodanig verlaagd dat de omvang van de te verdelen middelen in 2009 en 2020 gelijk blijft1. Zoals in de inleiding uiteengezet, zijn de hierna te noemen bedragen voor 2020 daarom niet te beschouwen als een financiële voorspelling voor 2020. Het zijn de denkbeeldige bedragen 2009 op basis van de bevolkingsprognose 2020. Daarom zijn in Tabel 3.4 (in de onderste regel) de bedragen in miljoenen voor alle 419 gemeenten gezamenlijk ook gelijk gebleven; het bedrag per inwoner daalt daarentegen licht, omdat de totale bevolking tot 2020 nog steeds groeit.

Effect van de demografische verandering tot 2020

Het resultaat van deze doorrekening van het gemeentefonds is paradoxaal, zoals blijkt uit Tabel 3.4. Deze tabel geeft de uitgaven weer die van de gemeenten verwacht kunnen worden o.g.v. de verdeling van het gemeentefonds (inclusief de toegerekende OZB en OEM). Deze veronderstelde uitgaven worden ook elders in het POR gebruikt, ze geven de beschikbare middelen weer o.g.v. het verdeelmodel.

Tabel 3.4 Het effect van de demografische verandering 2009–2020 op het gemeentefonds
Gemeenten getypeerd naar groeiAantalVeronderstelde uitgaven in miljoenen euro Veronderstelde uitgaven in euro per inwoner
20092020Verschil20092020Verschil
Krimpgemeenten571 2761 199– 771 1081 12820
Overige teruglopende gemeenten1553 9293 814– 1151 0361 0394
Stationaire gemeenten842 6772 645– 321 0811 072– 9
Overige uitbreidende gemeenten894 3304 355251 1531 133– 21
Groeigemeenten473 6863 8851991 1651 128– 37
Totaal43215 89715 89801 1091 097– 11

De paradox van de uitkomst ligt in het verschil tussen absolute en relatieve cijfers. Uiteraard blijkt uit de absolute cijfers dat de krimpgemeenten minder middelen uit het gemeentefonds zullen krijgen en de groeigemeenten meer. Iets anders is niet te verwachten, omdat – zoals hierboven uiteengezet – veel maatstaven gevoelig zijn voor demografische verandering. De relatieve cijfers laten echter het omgekeerde beeld zien. Gerekend per inwoner gaan de krimpgemeenten er op vooruit en blijven de groeigemeenten achter.

De verklaring van dit beeld is het feit dat het gemeentefonds weliswaar sterk beïnvloed wordt door genoemde voor demografische verandering gevoelige maatstaven, maar niet in zijn geheel daardoor wordt bepaald. Weliswaar wordt ruim de helft van het gemeentefonds verdeeld via deze maatstaven, maar voor de rest zijn veel stabielere maatstaven verantwoordelijk. Dat betekent dat een bevolkingsdaling bij een krimpgemeente niet 1-op-1 doorklinkt in de algemene uitkering. In het rekenmodel is de bevolkingsdaling bij de krimpgemeenten weliswaar -7,4%, de afname van de middelen uit het gemeentefonds is echter slechts -5,7%. Bij de groeigemeenten zien we het omgekeerde. De bevolkingstoename is daar gemiddeld +9,2%. De toename van de middelen uit het gemeentefonds blijft daar met +5,8% op achter. In beide gevallen wordt het effect van de demografische verandering op het gemeentefonds gedempt, ten eerste doordat niet alle groeimaatstaven gelijk opgaan met de bevolkingsmutatie (bij de huishoudens en de woonruimten is de mutatie veel geringer), ten tweede door het aanzienlijke aantal stabiele maatstaven in de fysieke sfeer (oppervlak e.d.).

Ten slotte presenteren we Tabel 3.5. Daarin is het totale effect op de uitgaven per inwoner – dus de meest rechtse kolom in Tabel 3.4 – opgesplitst in naar beleidsterreinen zoals ze in het verdeelmodel worden onderscheiden, en wel naar die clusters die het sterkst betrekking hebben op bevolking en bebouwing.

Tabel 3.5 Het effect van de demografische verandering op geselecteerde clusters (mutatie 2020 t.o.v. 2009 in veronderstelde uitgaven per inwoner)
Gemeenten getypeerd naar groeiAantalTotaalW&IZORGEDUW&WOOVOverig
Krimpgemeenten5724118– 7435
Overige teruglopende gemeenten1554011– 1022– 1
Stationaire gemeenten84– 9– 26– 1001– 4
Overige uitbreidende gemeenten89– 21– 41– 9– 2– 1– 6
Groeigemeenten47– 37– 7– 5– 11– 4– 1– 9
Totaal432– 11– 25– 9– 10– 4

Het contrast krimp- vs. groeigemeenten wordt inderdaad voor het overgrote deel bepaald in de getoonde clusters Werk en inkomen (W&I) tot en met Openbare orde en veiligheid (OOV). In de andere clusters tikt het ook door, maar in mindere mate.

De grootste verschillen treden op bij het cluster Maatschappelijke zorg. Dat is logisch omdat de veronderstelde uitgaven sterk worden bepaald door het aantal ouderen. Hier is het verschil tussen krimp en groei het best te zien. Opvallend is het feit dat dit bij het cluster Educatie (EDU) helemaal niet blijkt, terwijl men intuïtief zou denken dat de veronderstelde uitgaven, gekoppeld als ze zijn aan jongeren in het algemeen en leerlingen in het bijzonder, in krimpgemeenten meer zouden dalen dan in groeigemeenten. Een verklaring daarvoor is nog niet gevonden. Puur naar de uitkomst gekeken, is deze niet ongunstig voor de krimpgemeenten. De veronderstelde uitgaven volgens het ijkpunt Educatie reageren niet sterk op de bevolkingskrimp, wat aansluit bij het gegeven dat het bestand aan schoolgebouwen niet van de ene op de andere dag kan worden aangepast.

Aan de uitkomsten van het cluster Werk en inkomen is te zien dat het verdeelstelsel de kosten van sociale achterstand deels compenseert. De krimpgemeenten, bij wie gemiddeld genomen een achterblijvende sociaal-economische ontwikkeling wordt verwacht, stijgen de veronderstelde uitgaven voor bijstand en dergelijke.

Grote verschillen zijn er tenslotte bij het cluster Wegen en water (W&W). Ook hier hebben de krimpgemeenten relatief voordeel ten opzichte van de groeigemeenten. Dat komt door het verhoudingsgewijs grote gewicht van stabiele maatstaven in de fysieke sfeer (oppervlakte, aantal kernen e.d.), maatstaven dus die geen «last» hebben van dalende bevolking1.

Conclusie over denkbeeldige herverdeling

De verkenning van de verdeling in 2020 zoals ze hier is ondernomen, leidt tot de conclusie dat in absolute bedragen gemeten de krimpgemeenten minder middelen zullen ontvangen dan nu, omdat de verdeling ervan deels is gekoppeld aan het inwonertal of daarmee direct bevonden deelgroepen uit de bevolking (jongeren, ouderen, uitkeringsgerechtigden enzovoorts). Relatief echter – in euro’s per inwoner – zullen ze in 2020 meer ontvangen dan in 2009 terwijl de stabiele en (licht) groeiende gemeenten juist minder zullen ontvangen.

Deels komt dat doordat het verdeelstelsel rekening houdt met specifieke kosten van de krimp in de sfeer van sociaal-culturele en zorgvoorzieningen, deels door de aanwezigheid van enkele vaste componenten in de kostenformules die meer in de fysieke en de bestuurlijke sfeer liggen.

BIJLAGE 1

bij POR hoofdstuk 3: Samenstelling clusters

Cluster in gemeentefondsSamenstelling in termen van begrotingsfuncties uit Besluit Begrotingen en Verantwoording (BBV 2004)
Educatiefie. 419, Openbaar basisonderwijs, exclusief onderwijshuisvesting fie. 421, Openbaar basisonderwijs, onderwijshuisvesting fie. 422, Bijzonder basisonderwijs, exclusief onderwijshuisvesting fie. 419, Bijzonder basisonderwijs, onderwijshuisvesting fie. 430, Openbaar (voortgezet) speciaal onderwijs, exclusief onderwijshuisvesting fie. 431, Openbaar (voortgezet) speciaal onderwijs, onderwijshuisvesting fie. 432, Bijzonder (voortgezet) speciaal onderwijs, exclusief onderwijshuisvesting fie. 433, Bijzonder (voortgezet) speciaal onderwijs, onderwijshuisvesting fie. 440, Openbaar voortgezet onderwijs, exclusief onderwijshuisvesting fie. 441, Openbaar voortgezet onderwijs, onderwijshuisvesting fie. 442, Bijzonder voortgezet onderwijs, exclusief onderwijshuisvesting fie. 443, Bijzonder voortgezet onderwijs, onderwijshuisvesting fie. 480, Gemeenschappelijke baten en lasten van het onderwijs fie. 482, Volwasseneneducatie
  
Maatschappelijke zorgfie. 620, Maatschappelijke begeleiding en advies fie. 621, Vreemdelingen fie. 622, Huishoudelijke verzorging fie. 630, Sociaal-cultureel werk fie. 641, Tehuizen fie. 650, Kinderdagopvang fie. 651, Dagopvang gehandicapten fie. 652, Voorzieningen gehandicapten fie. 711, Ambulancevervoer fie. 712, Verpleeginrichtingen fie. 714, Openbare gezondheidszorg fie. 715, Jeugdgezondheidszorg (uniform deel) fie. 716, Jeugdgezondheidszorg (maatwerk deel)
  
Werk en inkomenfie. 610, Bijstandsverlening fie. 611, Werkgelegenheid fie. 612, Inkomensvoorzieningen vanuit het Rijk fie. 613, Overige sociale zekerheidsregelingen vanuit het Rijk fie. 614, Gemeentelijk minimabeleid
  
Kunst en ontspanningfie. 510, Openbaar bibliotheekwerk fie. 511, Vormings- en ontwikkelingswerk fie. 530, Sport fie. 540, Kunst fie. 580, Overige recreatieve voorzieningen
  
Groenfie. 531, Groene sportvelden en terreinen fie. 550, Natuurbescherming fie. 560, Openbaar groen en openluchtrecreatie fie. 724, Lijkbezorging fie. 732, Baten begraafplaatsrechten
  
Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing (VHROSV)fie. 810, Ruimtelijke ordening fie. 820, Woningexploitatie/woningbouw fie. 821, Stads- en dorpsvernieuwing fie. 822, Overige volkshuisvesting fie. 823, Bouwvergunningen
  
Oudheidfie. 541, Oudheidkunde/musea
Rioolfie. 722, Riolering en waterzuivering (gecombineerd) fie. 729, Huishoudelijk/bedrijfsafvalwater fie. 730, Hemelwater fie. 731, Grondwater fie. 726, Baten rioolheffing (gecombineerd) fie. 727, Baten rioolheffing huishoudelijk/bedrijfsafvalwater fie. 728, Baten rioolheffing grond- en hemelwater
  
Reinigingfie. 721, Afvalverwijdering en -verwerking fie. 725, Baten reinigingsrechten en afvalstofheffing
  
Wegen en waterfie. 210, Wegen, straten en pleinen fie. 211, Verkeersmaatregelen te land fie. 214, Parkeren fie. 215, Baten parkeerbelasting fie. 221, Binnenhavens en waterwegen fie. 223, Veerdiensten fie. 240, Waterkering, afwatering en landaanwinning
  
Openbare orde en veiligheidfie. 120, Brandweer en rampenbestrijding fie. 140, Openbare orde en veiligheid
  
Fysiek milieufie. 723, Milieubeheer
  
Bevolkingszakenfie. 003, Burgerzaken fie. 004, Baten secretarieleges burgerzaken
  
Bestuursorganenfie. 001, Bestuursorganen fie. 006, Bestuursondersteuning raad en rekenkamer(functie)
  
Algemene ondersteuning*fie. 002, Bestuursondersteuning college van burgemeester en wethouders fie. 005, Bestuurlijke samenwerking fie. 922, Algemene baten en lasten fie. 930, Uitvoering Wet WOZ fie. 940, Lasten heffing en invordering gemeentelijke belastingen fie. 960, Saldo van kostenplaatsen fie. 990, Saldo van de rekening van baten en lasten na bestemming
  
Onroerende zaakbelasting (OZB)fie. 931, Baten onroerende-zaakbelasting gebruikers fie. 932, Baten onroerende-zaakbelasting eigenaren fie. 941, Lastenverlichting rijk
  
Overige eigen middelen (OEM)fie. 212, Openbaar vervoer fie. 220, Zeehavens fie. 230, Luchtvaart fie. 310, Handel en ambacht fie. 311, Baten marktgelden fie. 320, Industrie fie. 330, Nutsbedrijven fie. 340, Agrarische productie en ontginning fie. 341, Overige agrarische zaken, jacht en visserij fie. 830, Bouwgrondexploitatie fie. 911, Geldleningen en uitzettingen korter dan 1 jaar fie. 913, Overige financiële middelen fie. 914, Geldleningen en uitzettingen langer of gelijk aan 1 jaar fie. 933, Baten roerende woon- en bedrijfsruimten fie. 934, Baten baatbelasting fie. 935, Baten forensenbelasting fie. 936, Baten toeristenbelasting fie. 937, Baten hondenbelasting fie. 938, Baten reclamebelasting fie. 939, Baten precariobelasting fie. 980, Mutaties reserves die verband houden met de hoofdfunctie 0 tot en met 9

* In het Periodiek Onderhoudsrapport worden de bedragen van dit cluster «uitgesmeerd» over alle andere clusters, behalve bestuursorganen; hij is dus niet afzonderlijk zichtbaar.

BIJLAGE 2:

BELEIDSMUTATIES

Beleidsmutaties (x € 1 000)
 200920102011201220132014
Nota van wijziging (Kamerstukken II 2008–2009, 31 700 B, nr. 5)33 00012 2004 0004 0004 0004 000
Structurele doorwerking nacalculatie accres 2008– 129 651– 129 651– 129 651– 129 651– 129 651– 129 651
Uitkering behoedzaamheidsreserve 2008/nacalculatie accres 200879 088     
Bijstelling Accres 2009– 354 522– 354 522– 354 522– 354 522– 354 522– 354 522
Afschaffen Behoedzaamheidsreserve208 739208 739208 739208 739208 739208 739
Incidentele bijdrage 200990 000     
Bijdrage WABO22 000     
WMO: Dure woningaanpassingen12 00012 00012 00012 00012 00012 000
WMO: Volledig Pakket Thuis27 70035 10035 10035 10035 10035 100
Correctie waterschapswegen (knelpunten verdeelproblematiek) algemene uitkering– 2 750– 2 844– 2 927– 3 034– 3 120 
Correctie waterschapswegen (knelpunten verdeelproblematiek) integratie-uitkering2 7502 8442 9273 0343 120 
Overloop 2008/2009 kosten Financiele-verhoudingswet1 000     
Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2008– 77 346     
Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2008– 45     
Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2008619     
Wijkactieplannen (Decentralisatie-uitkering)58 50058 500    
Bewonersinitiatieven wijken G31 (Decentralisatie-uitkering)9 3009 300    
Bewonersinitiatieven wijken G18 (Decentralisatie-uitkering)15 00015 00015 000   
Regeling taalcoaches G50 (Decentralisatie-uitkering)2 529843843   
Polarisatie en radicalisering (Decentralisatie-uitkering)1 27225564   
Pilot gemengde scholen (Decentralisatie-uitkering)550550550   
Bevorderen maatschappelijke participatie vrouwen uit etnische minderheden (Decentralisatie-uitkering)900900487   
Correctie aanpak kindermishandeling (integratie-uitkering)– 2 916– 2 916    
Correctie aanpak kindermishandeling (decentralisatie-uitkering)2 9162 916    
Drank- en Horecawet (Pilot) BZK-deel (integratie-uitkering)– 1 087     
Drank- en Horecawet (Pilot) BZK-deel (decentralisatie-uitkering)1 087      
Drank- en Horecawet (Pilot) VWS-deel (integratie-uitkering)– 1 088      
Drank- en Horecawet (Pilot) VWS-deel (decentralisatie-uitkering)1 088      
Pilot VVE Groningen (integratie-uitkering)– 1 600      
Pilot VVE Groningen (decentralisatie-uitkering)1 600      
Pilot VVE Limburg en Drenthe (integratie-uitkering)– 3 000      
Pilot VVE Limburg en Drenthe (decentralisatie-uitkering)3 000      
Impuls Brede scholen Combinatiefuncties OC&W-deel 1e tranche (decentralisatie-uitkering)4 700      
Impuls Brede scholen Combinatiefuncties OC&W-deel 2e tranche (decentralisatie-uitkering)2 830      
Impuls Brede scholen Combinatiefuncties VWS-deel 1e tranche (decentralisatie-uitkering)3 750      
Impuls Brede scholen Combinatiefuncties VWS-deel 2e tranche (decentralisatie-uitkering)13 223      
Koplopers regeling homo emancipatiebeleid (integratie-uitkering)– 440– 440– 440   
Koplopers regeling homo emancipatiebeleid (decentralisatie-uitkering)440440440    
Sport en bewegen (decentralisatie-uitkering)7 7643 882    
Kosten Waarderingskamer121     
Kosten Waarderingskamer uit de Algemene uitkering– 121     
Financiering ontwikkeling mGBA en ORRA– 4 800– 12 700– 6 900– 60025 000 
Stimulering lokaal klimaatbeleid (SLOK) (decentralisatie-uitkering)13 09511 7906 615   
Financiering basisregistratie topografie– 810– 738– 667– 667– 667– 667
Ondersteuning bibliotheken (integratie-uitkering)– 5 791– 5 791– 5 791– 5 791  
Ondersteuning bibliotheken (decentralisatie-uitkering)5 7915 7915 7915 791  
Financiering exploitatiekosten C2000 (Brandweertaak)– 7 300– 7 300– 7 300– 7 300– 7 300– 7 300
Uitname t.b.v. Digitaal Klantdossier fase II– 2 623     
Bijdrage Haagse proeftuin excellentie250      
Regeling taalcoaches overig (decentralisatie-uitkering)3 0601 8361 224   
Aanpassing vergoeding gemeente Den Haag, bureau vestigingsregister– 500– 750– 750– 750– 750– 750
Pilots kinderopvang en inburgering355      
Gezinsmanagers Gouda (decentralisatie-uitkering)300      
Correctie op toevoeging Dijkstal II– 9 700– 9 700– 9 700– 9 700– 9 700– 9 700
Uitvoeringskosten inburgering (integratie-uitkering)23 830     
Innovatietrajecten: Deltaplan inburgering (decentralisatie-uitkering)1 8871 4001 051   
Accres tranche 2010 75 39275 39275 39275 39275 392
Incidentele bijdrage 2010 90 000    
Accres tranche 2011  74 21574 21574 21574 215
WMO nominale indexatie (integratie-uitkering) 25 80025 80025 80025 80025 800
WMO reële indexatie (integratie-uitkering) 34 40034 40034 40034 40034 400
Pilot gemengde scholen (decentralisatie-uitkering)140200200    
Opvang mannen G4 (verlenging 2010) 800    
Kinderopvang sociaal medische problematiek 28 18428 18428 18428 18428 184
Indexatie WOZ-kosten regeling2 1022 1022 1022 1022 1022 102
Indexatie WOZ-kosten regeling Waterschappen788788788788788788
Regeling cultuurparticipatie (decentralisatie-uitkering)5 7855 7855 7855 784  
Bevorderen maatschappelijke participatie vrouwen uit etnische minderheden (toevoeging Delft) (Decentralisatie-uitkering)505050    
Uitstel Wet Electronische Bekendmaking175      
Maatschappelijke stages VWS-deel 2 5002 5002 5002 5002 500
Maatschappelijke stages OCW-deel 2 5002 5002 5002 5002 500
Overheveling BDU SIV: leefbaarheid en veiligheid (WWI-deel) (decentralisatie-uitkering) 57 56631 750   
Overheveling BDU SIV: leefbaarheid en veiligheid (BZK deel) (decentralisatie-uitkering) 31 99031 990   
Overheveling BDU SIV: maatschappelijke opvang (decentralisatie-uitkering) 289 211289 211289 211289 211289 211
Overheveling BDU SIV: onderwijsachterstandenbeleid (decentralisatie-uitkering) 164 632    
Overheveling BDU SIV: gezond in de stad (decentralisatie-uitkering) 5 0005 0005 0005 0005 000
Budget 40+ wijken (decentralisatie-uitkering)30 00030 000    
Antillianengemeenten overbrugging 2009 (decentralisatie-uitkering)4 462      
SLOK extra middelen (decentralisatie-uitkering)2 7003 6004 500   
Bijdrage aan de apparaatsuitgaven A+O-fonds 109109109109109
Bijdrage uit de algemene uitkering aan het A+O-fonds – 109– 109– 109– 109– 109
Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (Justitie-deel) (decentralisatie-uitkering) 5 4005 4005 400  
Maatregelen psychosociaal in AWBZ (decentralisatie-uitkering)1 0006 8006 8006 8006 8006 800
Bijdrage WWB 65+ – 15 400– 14 400– 15 100– 15 700– 16 900
Totaal mutaties (inclusief meerjarige doorwerking 1e suppletore 2009)97 146704 234388 350299 625313 441287 241

BIJLAGE 3:

MOTIES EN TOEZEGGINGEN IN HET VERGADERJAAR 2008–2009

A. Door de Staten-Generaal aanvaarde moties

Onderdeel A.1 Afgedaan

Niet van toepassing

Onderdeel A.2 In behandeling

Geen.

B. Door de bewindspersonen gedane toezeggingen

Onderdeel B.1 Afgedaan

Omschrijving van de toezeggingVindplaatsStand van zaken
De staatssecretaris van BZK zal de Tweede Kamer informeren over haar standpunt met betrekking tot de pm-ramingen voor de acressen in de jaren 2012 en verder voor het gemeentefonds en provinciefonds zoals opgenomen in de meicirculaire gemeentefonds 2009 en junicirculaire provinciefonds 2009Verslag AO over Financiële positie van de decentrale overheden d.d. 30 juni 2009De staatssecretaris van BZK heeft de Tweede Kamer per brief van 6 juli 2009 met kenmerk 2009-0000367202 geïnformeerd over haar standpunt (Kamerstuk 2008–2009, 31 700 B, nr. 19, Tweede Kamer)

Onderdeel B.2 In behandeling

Geen

BIJLAGE 4:

LIJST MET AFKORTINGEN

AMvBAlgemene maatregel van bestuur
A+O fondsArbeidsmarkt- en Opleidingsfonds Gemeenten
AWBZAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten
BCFBTW-compensatiefonds
BDURBesluit doeluitkering rampen en zware ongevallen
BofvBestuurlijk overleg financiële verhouding
CBSCentraal Bureau voor de statistiek
EKD JGZ en VWIElektronisch kinddossier in de Jeugdgezondheids- zorg en de verwijsindex
EMUEconomische en Monetaire Unie
FESFonds Economische Structuurversterking
FOGFinancieel Overzicht Gemeenten
FOPFinancieel Overzicht Provincies
FvwFinanciële-verhoudingswet
GFGemeentefonds
GSBGrote stedenbeleid
IPOInterprovinciaal Overleg
MILHMonitor Inkomsten Lokale Heffingen
OEMOverige Eigen Middelen
OOVOpenbare orde en veiligheid
OSUOnderhoudsrapportage Specifieke Uitkeringen
OWBOntwerpbegroting
OZBOnroerende-zaakbelastingen
PFProvinciefonds
PORPeriodiek Onderhoudsrapport
SiSaSingle information Single audit
UWVUitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
VNGVereniging Nederlandse Gemeenten
WmoWet maatschappelijke ondersteuning
WvgWet voorzieningen gehandicapten

BIJLAGE 5:

LIJST MET BELANGRIJKE TERMEN EN HUN BETEKENIS

Aanvullende uitkeringUitkering op aanvraag van gemeenten waar de algemene middelen aanmerkelijk en structureel tekortschieten om in de noodzakelijke uitgaven te voorzien, ondanks een redelijk peil van de eigen inkomsten.
  
AccresBedrag waarmee het beschikbare bedrag van het gemeentefonds jaarlijks wordt aangepast, gebaseerd op een bestuurlijk overeengekomen normeringssystematiek (zie ook normeringssystematiek).
  
Algemene uitkering uit het gemeentefondsUitkering aan alle gemeenten die ten goede komt aan de algemene middelen.
  
Artikel 12-uitkeringZie aanvullende uitkering uit het gemeentefonds
  
BehoedzaamheidreserveGedeelte van de algemene uitkering (€ 208 739 000 per jaar) dat niet aan de gemeenten wordt uitgekeerd, maar als reservering apart wordt gehouden. Eventuele fluctuaties in de hoogte van de algemene uitkering uit hoofde van de normeringssystematiek worden na afloop van het begrotingsjaar verrekend met de behoedzaamheidreserve. Indien er achteraf voldoende ruimte is om de behoedzaamheidreserve uit te keren, dan gebeurt dit ook. Het kan echter ook gebeuren dat de behoedzaamheidreserve slechts ten dele of helemaal niet wordt uitgekeerd.
  
ClusterSamenhangend geheel van beleidsterreinen uit oogpunt van kostenoriëntatie en verdeling.
  
Decentralisatie-uitkering uit het gemeentefondsSinds 2008 bestaat binnen het gemeentefonds naast de algemene uitkering (zie algemene uitkering uit het gemeentefonds) en de integratie-uitkering (zie integratie-uitkering uit het gemeentefonds) ook de decentralisatie-uitkering. De verdeling van de decentralisatie-uitkering volgt evenmin als de integratie-uitkering de regels van de verdeling van de algemene uitkering van het gemeentefonds. Anders dan bij de integratie-uitkering, waar de termijn van overheveling naar de algemene uitkering van tevoren vaststaat, ontbreekt bij de decentralisatie-uitkering een dergelijke termijn. Dat maakt de uitkering geschikt voor de overheveling van specifieke uitkeringen, ook als die termijn nog niet bekend is. Ook maakt het de uitkering geschikt voor middelen die slechts tijdelijk beschikbaar zijn.
  
Financiële-verhoudingswet (Fvw)Wet waarin is vastgelegd dat er een gemeentefonds en provinciefonds is. De wet regelt daarnaast globaal de wijze van verdeling van het gemeentefonds. In de wet zijn tevens regels opgenomen met betrekking tot de aanvullende uitkering. Per 1 januari 1997 is de wet voor het gemeentefonds herzien.
  
Integratie-uitkering uit het gemeentefondsUitkering die wordt toegepast als overheveling van een specifieke uitkering of eigen middelen naar de algemene uitkering bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang naar de algemene uitkering.
  
NormeringssystematiekBepaling van het accres van het gemeentefonds op basis van een norm. De norm is de jaarlijkse procentuele ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven. De netto gecorrigeerde rijksuitgaven zijn de bruto-rijksuitgaven minus de niet-belastingontvangsten van het Rijk gecorrigeerd voor onder meer de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking, de Europese Unie, het gemeentefonds en het provinciefonds. Als de netto gecorrigeerde rijksuitgaven stijgen (dalen), nemen het gemeentefonds en het provinciefonds met hetzelfde percentage toe (af). Deze systematiek staat ook wel bekend onder het principe van «samen de trap op en samen de trap af».
  
Periodieke onderhoudsrapportage (POR)Jaarlijkse rapportage aan de Staten-Generaal over de staat van de verdeelmaatstaven van het gemeentefonds. Wanneer de bestaande verdeling niet meer voldoet aan de kostenstructuren bij de gemeenten, dan wordt gerapporteerd hoe de verdeling kan worden aangepast, c.q. welke onderzoeken op dat gebied lopen. Het rapport verschijnt als bijlage bij de gemeentefondsbegroting.
  
Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv)Adviesorgaan op het terrein van de gemeentelijke en provinciale financiën.
  
UitkeringsbasisDe uitkeringsbasis wordt berekend door de vermenigvuldiging van het aantal eenheden van een set van verdeelmaatstaven met de bijbehorende gewichten (bedragen per eenheid).
  
UitkeringsfactorVia de normeringssystematiek wordt jaarlijks de omvang van het gemeentefonds bepaald (voeding). De uitkeringsfactor is de verhouding tussen de voeding en de totale landelijke uitkeringsbasis. De uitkeringsfactor wordt afgerond op 3 decimalen achter de komma. Het derde decimaal achter de komma wordt ook wel een «punt» uitkeringsfactor genoemd. Als de uitkeringsfactor bijvoorbeeld stijgt van 1,253 naar 1,265 is dit een stijging van 12 punten.
  
UitkeringsjaarHet kalenderjaar waarover het recht op uitkering ontstaat.
  
VerdeelmaatstafMaatstaf ter verdeling van de algemene uitkering die verband houdt met de gemeentelijke behoefte aan algemene middelen.
  
VerdeelreserveGedeelte van de algemene uitkering dat niet aan de gemeenten wordt uitgekeerd, maar als reservering apart wordt gehouden. De verdeelreserve dient om onverwachte effecten bij de meting van maatstaven op te vangen. Op het moment dat maatstaven definitief zijn of geen onverwachte ontwikkelingen meer kunnen doormaken wordt de verdeelreserve verrekend.
  
WaarderingskamerZelfstandig bestuursorgaan dat toeziet op een correcte waardering van onroerende zaken in Nederland. De gemeenten dragen via het gemeentefonds bij aan de bekostiging van dit orgaan.

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2010 te wijzigen.

Het in die begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel B. van deze memorie van toelichting toegelicht.

Wetsartikel 3

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet juncto artikel 6, vierde lid van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet, hebben de gemeenten gezamenlijk recht op het bedrag dat in de begroting als verplichting voor het totaal van de algemene uitkeringen en de aanvullende uitkeringen is opgenomen. Een toelichting op het bedrag van € 15 783 143 000 dat is vermeld in wetsartikel 3 wordt gegeven in paragraaf 3.1. De verplichtingenbedragen bedoeld in artikel 5, tweede lid van de Financiële-verhoudingswet ter zake integratie-uitkeringen en decentralisatie-uitkeringen zijn respectievelijk € 1 639 792 000 en € 1 170 938 000.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner

De staatssecretaris van Financiën,

F. H. H. Weekers

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en dus ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2010 te wijzigen.

Het in die begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel B van deze memorie toegelicht.

Wetsartikel 3 (verplichtingenbedrag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Fvw)

Als gevolg van artikel 5, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) juncto artikel 6, vierde lid van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet (IFvw), hebben de gemeenten gezamenlijk recht op het bedrag dat in de begroting als verplichting voor het totaal van de algemene uitkering c.a. en de aanvullende uitkeringen is opgenomen.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner

De staatssecretaris van Financiën,

F. H. H. Weekers

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2010 te wijzigen.

Het in die begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

Wetsartikel 3 (verplichtingenbedrag bedoeld in artikel 5 van de Financiële-verhoudingswet)

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet juncto artikel 6, vierde lid van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet, hebben de gemeenten gezamenlijk recht op het bedrag dat in de begroting als verplichting voor het totaal van de algemene uitkering c.a. en de aanvullende uitkeringen is opgenomen van € 15 761 844 000.

Ingevolge artikel 5, tweede lid van de Financiële-verhoudingswet, hebben de gemeenten gezamenlijk recht op de bedragen die in de begroting als verplichting voor het totaal van de integratie-uitkeringen en het totaal van de decentralisatie-uitkeringen zijn opgenomen van respectievelijk € 1 639 792 000 en € 983 009 000.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

De minister van Financiën,

J. C. de Jager

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Onderdeel uitgaven, verplichtingen en ontvangsten

Uitgaven

In onderstaande tabel wordt een nadere uitsplitsing gegeven van de totstandkoming van het uitgavenbedrag van het gemeentefonds. Ten opzichte van de tweede suppletore begroting 2010 is het uitgavenbedrag van het gemeentefonds met € – 249 634 000 gewijzigd. De in de tabel weergegeven mutaties worden onder de tabel nader verklaard.

Tabel 1: Totstandkoming uitgavenbedrag gemeentefonds (x € 1 000)

Stand uitgavenbedrag vastgestelde begroting 2010

 

18 046 569

Stand uitgavenbedrag 1e suppletore begroting 2010

 

18 421 667

Stand uitgavenbedrag 2e suppletore begroting 2010

 

18 630 735

   

Voorgestelde mutaties bij slotwet 2010:

  

1) Vrouwenopvang (decentralisatie-uitkering)

500

 

2) Impuls Brede Scholen Sport en Cultuur (decentralisatie-uitkering)

215

 

3) Realisatie Kosten Financiële-verhoudingswet

– 1 409

 

4a) Nabetaling budget WMO 2009

6 578

 

4b) Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2009

– 6 578

 

5) Realisatie WMO 2010

– 3 652

 

6) Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2010

6

 

7) Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2010

– 748

 

8) Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2010

– 244 546

 
   

Totaal mutaties bij slotwet

 

– 249 634

   

Stand uitgavenbedrag slotwet begroting 2010

 

18 381 101

Waarvan uitgavenbedrag Kosten Financiële-verhoudingswet

 

1 451

Waarvan uitgavenbedrag Kosten Waarderingskamer

 

1 328

Waarvan uitgavenbedrag Budget A+O-fonds

 

5 996

Waarvan uitgavenbedrag Bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten

 

1 000

Waarvan uitgavenbedrag Bijdrage gemeenten inzake KING

 

6 436

Waarvan uitgavenbedrag Algemene uitkeringen c.a.

 

15 549 679

Waarvan uitgavenbedrag Integratie-uitkeringen

 

1 643 813

Waarvan uitgavenbedrag Decentralisatie-uitkeringen

 

1 171 398

De wijziging van het uitgavenbedrag is het saldo van een aantal mutaties:

1) Vrouwenopvang (decentralisatie-uitkering)

Centrumgemeenten ontvangen een aanvulling van € 0,5 miljoen bovenop de middelen van € 1,9 miljoen, die in de 2de suppletore begroting 2010 (Kamerstukken II 2010–2011, 32 565 B, nr. 1 en 2) in het kader van de vrouwenopvang beschikbaar zijn gesteld.

2) Impuls Brede Scholen Sport en Cultuur (decentralisatie-uitkering)

Het gemeentefonds wordt incidenteel met € 215 000 verhoogd ten gunste van de gemeenten Dronten, Etten-Leur, Hof van Twente, Koggenland, Leudal, Medemblik, Midden-Drente, Opsterland, Oude IJsselstreek en Waalwijk. Dat is een correctie in verband met de afspraak dat gemeenten die geen deel meer nemen aan de regeling Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur, voor het jaar waarin zij uitstappen de middelen voor het gehele jaar ontvangen.

3) Realisatie kosten Financiële-verhoudingswet

Het gerealiseerde bedrag komt door de slotwetmutatie € – 1 409 000 lager uit dan na de stand 2de suppletore begroting 2010 werd geraamd. Dit komt doordat niet alle onderzoeken die voor 2010 gepland waren, daadwerkelijk in 2010 zijn uitgevoerd. De realisatie voor de post kosten Financiële-verhoudingswet komt hiermee op € 1 451 000. Het bedrag zal gedeeltelijk alsnog in 2011 tot besteding komen. Daarom zullen de uitgaven «kosten Financiële verhoudingswet» bij 1ste suppletore begroting 2011 met een bedrag van € 1 000 000 opwaarts wordenbijgesteld, conform de bestaande afspraken hierover met het ministerie van Financiën. Deze mutatie bij 1ste suppletore begroting 2011 heeft dus nog betrekking op een onderuitputting van het begrotingsjaar 2010. Het verplichtingen- en uitgaven bedrag voor artikel 1.1.1 zal met € – 1 409 000 worden verlaagd.

4) Nabetaling budget WMO 2009

De definitieve begrotingsstand 2009 van het gemeentefonds is voor de integratie-uitkering WMO € 6,758 miljoen hoger uitgekomen dan aan gemeenten is betaald. Dit bedrag, dat onderdeel was van de «wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2009», is in 2010 aan de gemeenten uitbetaald.

5) Realisatie WMO 2010

Door indexatie en beleidsmatige mutaties is er in 2010 voor de integratie-uitkering WMO € 3,652 miljoen minder betaald dan begroot.

6 en 7) Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2010 en integratie-uitkeringen 2010

Bij Voorlopige Rekening is vastgesteld hoe de in 2010 gerealiseerde uitbetalingen voor de decentralisatie-uitkeringen (DU) en integratie-uitkeringen (IU) aan de gemeenten zich verhouden tot het bedrag dat bij de 2de suppletore begroting 2010 voor de uitbetalingen is geraamd. Daarbij is gebleken dat er in totaal lagere uitbetalingen zijn gedaan dan bij 2de suppletore begroting 2010 werden verwacht. Het gaat hierbij om een verschil van € 6 000 (positief) bij de integratie-uitkeringen en € – 748 000 (negatief) bij de decentralisatie-uitkeringen. In onderstaande tabel wordt een specificatie gegeven van deze bedragen. Deze onderdelen zullen bij 1ste suppletore begroting 2011 opwaarts worden bijgesteld. Deze mutaties in de uitgaven bij 1ste suppletore begroting 2011 hebben dus nog betrekking op het begrotingsjaar 2010.

Tabel 2: Specificatie Integratie- en decentralisatie-uitkeringen 2010 (x € 1 000)
 

Budget na NJN

Slotwet

Budget totaal

Uitgegeven

Verschil

Integratie-uitkeringen

     

Amendement De Pater

25 000

 

25 000

23 922

– 1 078

Ondersteuning bibliotheken

5 791

 

5 791

5 791

0

Regionale Platforms Fraudebestrijding

2 006

 

2 006

2 006

0

Tijdelijke stimuleringsregeling intensivering en controle (TSIOC)

9 690

 

9 690

9 690

0

Waterschapswegen (knelpunten verdeelproblematiek)

2 844

 

2 844

2 844

0

WMO

1 538 000

2 926

1 540 926

1 540 964

38

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ nadeelgemeenten

34 000

 

34 000

34 000

0

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ

6 400

 

6 400

6 415

15

WUW-middelen

16 061

 

16 061

16 061

0

Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2009

7 667

– 6 578

1 089

2 120

1 031

TOTAAl IU

1 647 459

– 3 652

1 643 807

1 643 813

6

      

Decentralisatie-uitkeringen

     

Alle troeven in handen

700

 

700

700

0

Antillianengemeenten

4 485

 

4 485

4 485

0

Arbeidsparticipatie alleenstaande ouders

2 600

 

2 600

2 600

0

Bedrijventerreinen: Topperprojecten

18 360

 

18 360

18 359

– 1

Beeldende kunst en vormgeving

13 500

 

13 500

13 500

0

Bewonersinitiatieven wijken G18

15 000

 

15 000

15 000

0

Bewonersinitiatieven wijken G31

9 300

 

9 300

9 300

0

Bodemsanering

32 405

 

32 405

32 406

1

Budget 40+ wijken

30 000

 

30 000

30 000

0

Cultuurparticipatie

5 785

 

5 785

5 785

0

Drank & Horecawet

2 175

 

2 175

2 175

0

Drugspilots

2 694

 

2 694

2 694

0

Emancipatie 1 001 kracht

900

 

900

900

0

Gemengde scholen

800

 

800

800

0

Gezond in de stad

5 000

 

5 000

5 023

23

Herbestemming aandachtswijken

2 002

 

2 002

1 996

– 6

Herstructurering bedrijventerreinen

25 000

 

25 000

25 000

0

Hogeschool Almere

10 000

 

10 000

10 000

0

Homo emancipatiebeleid

480

 

480

480

0

Impuls Brede Scholen Sport en Cultuur

28 071

215

28 286

28 286

0

Inburgering (innovatietrajecten)

1 400

 

1 400

1 400

0

Inburgering (instapcursussen)

14 211

 

14 211

14 211

0

Inburgering (knelpunten)

47 475

 

47 475

47 475

0

Inburgering (uitvoeringskosten)

10 440

 

10 440

10 440

0

Jeugd

21 780

 

21 780

21 700

– 80

Jeugdwerkloosheid 2010

70 200

 

70 200

70 200

0

Kindermishandeling

2 916

 

2 916

2 916

0

Krimp

16 250

 

16 250

16 250

0

Leefbaarheid en veiligheid (incl. parktijkteam zaltbommel)

90 106

 

90 106

90 106

0

Loondispensatie

5 880

 

5 880

5 880

0

Maatschappelijke opvang

307 828

 

307 828

307 828

0

Maatschappelijke participatie vrouwen uit etnische minderheden

950

 

950

950

0

Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren

12 400

 

12 400

12 400

0

Onderwijsachterstandenbeleid

173 211

 

173 211

173 210

– 1

Polarisatie en radicalisering

3 883

 

3 883

3 882

– 1

Regiospecifiekpakket Zuiderzeelijn

13 039

 

13 039

13 039

0

Rolstoelvoorzieningen Arnhem

1 400

 

1 400

1 400

0

Spoorse doorsnijdingen

37 321

 

37 321

37 321

0

Sport en bewegen

8 667

 

8 667

8 667

0

Stimulering lokaal klimaatbeleid (SLOK)

15 390

 

15 390

15 220

– 170

Taalcoaches

2 679

 

2 679

2 679

0

Tijdbeleid

450

 

450

450

0

Vadercentra

699

 

699

700

1

Veilige publieke taak

161

 

161

161

0

Versterking peuterspeelzaalwerk

35 000

 

35 000

35 000

0

Vrouwenopvang

1 900

500

2 400

2 400

0

Wachtlijsten kinderopvang

2 700

 

2 700

2 700

0

Wijkactieplannen

58 500

 

58 500

58 500

0

Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2009

493

 

493

7

– 486

Winkelstraatmanagement

1 418

 

1 418

1 390

– 28

WWIK (uitvoeringskosten)

3 427

 

3 427

3 427

0

TOTAAL DU

1 171 431

715

1 172 146

1 171 398

– 748

      

TOTAAL

2 818 890

– 2 937

2 815 953

2 815 211

– 742

8) Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2010

Bij Voorlopige Rekening is vastgesteld hoe de in 2010 gerealiseerde uitbetalingen aan de gemeenten zich verhouden tot het bedrag dat bij de 2de suppletore begroting 2010 voor de uitbetalingen is geraamd. Daarbij is gebleken dat er lagere uitbetalingen zijn gedaan dan bij de 2de suppletore begroting 2010 werd verwacht. Het gaat hierbij om een verschil van € – 244 546 000 (negatief).

De reden van het verschil ligt in het feit dat zolang de uitkeringsfactor1 niet definitief is de omvang van betalingen aan de gemeenten kan afwijken ten opzichte van wat in de begroting vermeld staat. De oorzaak ligt bij het verschil tussen raming van de verdeelmaatstaven voor de bepaling van voorlopige uitkeringsfactor en de verdeelmaatstaven die bij de betalingen worden gebruikt. Indien bij de betalingen de definitieve verdeelmaatstaven niet beschikbaar zijn, worden de gegevens van het vorige jaar gebruikt. Op het moment dat de definitieve gegevens beschikbaar komen, kan het gat tussen begroting en uitbetaling gedicht worden door de uitkeringsfactor aan te passen. Het onderdeel wijziging betalingsverloop algemene uitkering zal bij 1ste suppletore begroting 2011 dan ook met dit bedrag opwaarts worden bijgesteld. Deze mutatie bij 1ste suppletore begroting 2011 heeft dus nog betrekking op het begrotingsjaar 2010.

Verplichtingen

In de volgende tabel wordt ter toelichting een nadere uitsplitsing gegeven van de totstandkoming van het verplichtingenbedrag van het gemeentefonds.Ten opzichte van de 2de suppletore begroting 2010 is het verplichtingenbedrag met € – 4 346 000 gewijzigd.

Tabel 3: Totstandkoming verplichtingenbedrag gemeentefonds (x € 1 000)

Stand verplichtingenbedrag vastgestelde begroting 2010

 

18 046 569

Stand verplichtingenbedrag 1e suppletore begroting 2010

 

18 402 425

Stand verplichtingenbedrag 2e suppletore begroting 2010

 

18 611 493

   

Voorgestelde mutaties bij slotwet 2010:

  

1) Vrouwenopvang (decentralisatie-uitkering)

500

 

2) Impuls Brede Scholen Sport en Cultuur (decentralisatie-uitkering)

215

 

3) Realisatie Kosten Financiële-verhoudingswet

– 1 409

 

4a) Nabetaling budget WMO 2009

6 578

 

4b) Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2009

– 6 578

 

5) Realisatie WMO 2010

– 3 652

 
   

Totaal mutaties bij slotwet

 

– 4 346

   

Stand verplichtingenbedrag slotwet begroting 2010

 

18 607 147

Waarvan verplichtingenbedrag Kosten Financiële-verhoudingswet

 

1 451

Waarvan verplichtingenbedrag Kosten Waarderingskamer

 

1 328

Waarvan verplichtingenbedrag Budget A+O-fonds

 

5 996

Waarvan verplichtingenbedrag Bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten

 

1 000

Waarvan verplichtingenbedrag Bijdrage gemeenten inzake KING

 

6 436

Waarvan verplichtingenbedrag Algemene uitkeringen c.a.

 

15 783 143

Waarvan verplichtingenbedrag Integratie-uitkeringen

 

1 636 140

Waarvan verplichtingenbedrag Decentralisatie-uitkeringen

 

1 171 653

De wijziging van het uitgavenbedrag is het saldo van een aantal mutaties. Voor de verklaringen van de in de tabel weergegeven mutaties wordt verwezen naar de verklaringen bij de overeenkomende mutaties van de «uitgaven»

Ontvangsten

Sinds de invoering van de Financiële-verhoudingswet zijn de uitgaven en de inkomsten op grond van artikel 4 van die wet over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Ten opzichte van de 2de suppletore begroting 2010 worden de ontvangsten met € – 249 634 000 verlaagd.

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Inhoudsopgave

blz.

   
 

Leeswijzer

3

   

1.

Het beleid

3

 

Overzicht uitgavenmutaties

3

 

Toelichting op de beleidsmutaties

5

   

2.

Het beleidsartikel

14

 

Toelichting

15

   

3.

Integratie-uitkeringen

17

   

4.

Decentralisatie-uitkeringen

18

Leeswijzer

Bij de eerste suppletore begroting ligt de nadruk niet op de beleidsprioriteiten, zoals in de ontwerpbegroting 2010, maar op de mutaties ten opzichte van deze ontwerpbegroting. De terugkoppeling over het gevoerde beleid in relatie tot de beleidsprioriteiten, zal centraal staan in de financiële verantwoording over 2010.

De indeling van deze suppletore begroting is als volgt. Paragraaf 1 start met het beschrijven van de beleidsmutaties. Kort zal worden toegelicht wat de omvang en de reden van de uitgavenmutaties is. Vervolgens wordt in paragraaf 2 («het beleidsartikel»), ingegaan op de «budgettaire gevolgen van beleid». Deze paragraaf geeft inzicht in de integrale uitgaven die samenhangen met de hoofdbeleidsdoelstelling. Hierin worden de veranderingen op artikelonderdeel-niveau belicht. Tot slot staan in paragraaf 3 en 4 respectievelijk een overzicht van de integratie-uitkeringen en een overzicht van de decentralisatie-uitkeringen.

1. LEESWIJZER

Bij een suppletore begroting ligt de nadruk niet op de beleidsprioriteiten, zoals in de ontwerpbegroting 2010, maar op de mutaties ten opzichte van deze ontwerpbegroting. De terugkoppeling over het gevoerde beleid in relatie tot de beleidsprioriteiten, zal centraal staan in de financiële verantwoording over 2010.

De indeling van deze suppletore begroting is als volgt. Paragraaf 2.1. start met het beschrijven van de beleidsmutaties. Kort zal worden toegelicht wat de omvang en de reden van de uitgavenmutaties is. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2. («het beleidsartikel»), ingegaan op de «budgettaire gevolgen van beleid». Deze paragraaf geeft inzicht in de integrale uitgaven die samenhangen met de hoofdbeleidsdoelstelling. Hierin worden de veranderingen op artikelonderdeel-niveau belicht. In paragraaf 3.1. worden de mutaties in de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten weergegeven vanaf de 1e suppletore begroting. De mutaties die nog niet eerder zijn opgenomen in een begrotingshoofdstuk worden vervolgens toegelicht in paragraaf 3.2. Tot slot wordt in de paragrafen 3.3. en 3.4. ingegaan op respectievelijk de integratie-uitkeringen en de decentralisatie-uitkeringen

1. Het beleid

Overzicht uitgavenmutaties

In de onderstaande overzichtstabel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste mutaties die zich in de periode vanaf de ontwerpbegroting 2010 tot en met de eerste suppletore begroting 2010 hebben voorgedaan in de uitgaven. De weergegeven mutaties (€  375 098 000 in totaliteit) worden onder de tabel afzonderlijk toegelicht.

Tabel B1: Overzichtstabel suppletore uitgavenmutaties (x € 1 000)
  

Uitgaven

Stand uitgavenbedrag ontwerpbegroting 2010

18 046 569

   

Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:

 
   

1)

Spoorse doorsnijdingen (decentralisatie-uitkering)

33 709

2)

Herbestemming aandachtswijken (decentralisatie-uitkering)

1 602

3)

Polarisatie en radicalisering tranche 2009 (decentralisatie-uitkering)

588

4a)

WMO: nominale indexatie 2009 huishoudelijke hulp (integratie-uitkering)

– 5 100

4b)

WMO: dure woningaanpassingen (integratie-uitkering)

6 000

4c)

WMO: nominale indexatie 2009 voormalige Awbz subsidieregelingen (integratie-uitkering)

4 700

4d)

WMO: toevoeging i.v.m dure woningaanpassingen (integratie-uitkering)

3 000

5)

Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (WWI-deel) (decentralisatie-uitkering)

7 000

6)

Koplopers regeling homo emancipatiebeleid: toevoeging (decentralisatie-uitkering)

40

7)

Alle troeven in handen (decentralisatie-uitkering)

700

8)

Overloop 2009/2010 kosten Financiele-verhoudingswet

1 000

9)

Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2009

11 082

10)

Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2009

7 667

11)

Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2009

493

12)

Uitname t.b.v. specificaties aanvullende modules MGBA

– 1 000

13)

Spoorse doorsnijdingen 2e tranche aanvulling (decentralisatie-uitkering)

3 612

14a)

Kosten Waarderingskamer

170

14b)

Kosten Waarderingskamer uit de algemene uitkering

– 170

15a)

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ (decentralisiatie-uitkering)

– 6 800

15b)

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ (integratie-uitkering)

6 400

15c)

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ (algemene uitkering)

400

16a)

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ (integratie-uitkering)

– 102 000

16b)

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ (algemene-uitkering)

68 000

16c)

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ nadeelgemeenten (integratie-uitkering)

34 000

17)

Versterking toezicht en handhaving gastouderopvang

10 000

18)

Toezicht en handhaving peuterspeelzalen en voorschoolse educatie

2 084

19)

Versterking peuterspeelzaalwerk (decentralisatie-uitkering)

35 000

20a)

Bijdrage gemeenten inzake KING

6 436

20b)

Bijdrage gemeenten inzake KING uit de algemene uitkering

– 6 436

21)

Taken gemeentelijke lijkschouwer bij registratie euthanasie

350

22)

Overheveling BDU SIV: jeugd (decentralisatie-uitkering)

21 780

23)

Bodemsanering (decentralisatie-uitkering)

25 765

24a)

Ondersteuning bibliotheken (decentralisatie-uitkering)

– 5 791

24b)

Ondersteuning bibliotheken (integratie-uitkering)

5 791

25)

Leefbaarheid en veiligheid: inzet straatcoaches Culemborg (decentralisatie-uitkering)

150

26)

Maatschappelijke opvang: aanpassing budget (decentralisatie-uitkering)

8 317

27a)

Toezicht Drank & Horecawet (BZK-deel) (decentralisatie-uitkering)

1 088

27b)

Toezicht Drank & Horecawet (VWS-deel) (decentralisatie-uitkering)

1 087

28)

Beheer 14+ netnummer gemeenten

– 1 900

29)

Praktijkteam Zaltbommel (decentralisatie-uitkering)

100

30)

Vervangingsregeling raadsleden

300

31)

Verkiezingsproces

100

32)

Jeugdwerkloosheid 2010 1e tranche (decentralisatie-uitkering)

30 000

33)

Financiële functie gemeenten

– 71

34)

Leefbaarheid en veiligheid: toevoeging middelen Gouda (decentralisatie-uitkering)

300

35)

Aanpassing Financieringsarrangement mGBA/ORRA

12 700

36)

Herstructurering bedrijventerreinen (decentralisatie-uitkering)

10 000

37a)

Uitvoeringskosten inburgering (algemene uitkering)

50 430

37b)

Uitvoeringskosten inburgering (decentralisatie-uitkering)

10 440

38)

Antillianengemeenten (decentralisatie-uitkering)

4 485

39)

Instapcursussen Inburgering (decentralisatie-uitkering)

14 159

40a)

Impuls Brede Scholen 1e en 2e tranche 2010 (VWS-deel) (decentralisatie-uitkering)

11 153

40b)

Impuls Brede Scholen 1e en 2e tranche 2010 (OCW-deel) (decentralisatie-uitkering)

5 210

41)

Hogeschool Almere (decentralisatie-uitkering)

10 000

42)

Vadercentra (decentralisatie-uitkering)

699

43)

Emancipatie 1001 kracht (decentralisatie-uitkering)

900

44)

Regiospecifiekpakket Zuiderzeelijn (decentralisatie-uitkering)

13 039

45)

Overheveling BDU SIV: Onderwijsachterstandenbeleid nabetaling (decentralisatie-uitkering)

8 579

46)

Rolstoelvoorzieningen Arnhem (decentralisatie-uitkering)

1 400

47)

Sport en bewegen (decentralisatie-uitkering)

4 134

48)

Uitvoeringskosten WWIK (decentralisatie-uitkering)

3 427

49)

WMO: vergoeding voor uitvoeringskosten Wtcg (integratie-uitkering)

2 800

50)

WMO: bijstelling raming compensatiekosten Wtcg (integratie-uitkering)

2 000

   

Totaal nieuwe mutaties

375 098

Stand 1ste suppletore begroting 2010

18 421 667

Toelichting op de beleidsmutaties:

1) Spoorse doorsnijdingen (decentralisatie-uitkering)

Het kabinet heeft voor een tweede tranche spoorse doorsnijdingen een plafondbedrag van € 141 miljoen ter beschikking gesteld. Doel van deze middelen is het opheffen of verminderen van de barrièrewerking van het spoor, ook wel spoorse doorsnijdingen genoemd. Ook deze tweede tranche is erop gericht decentrale overheden te stimuleren om bestaande plannen op korte termijn uit te voeren. De uitkeringen lopen als decentralisatie-uitkering via het gemeentefonds. Voor 2010 betreft het een bedrag van € 33,7 miljoen.

2) Herbestemming aandachtswijken (decentralisatie-uitkering)

In de nota «Een cultuur van ontwerpen, visie architectuur en ruimtelijk ontwerp» is voor de periode 2009–2012 een impuls van € 8 miljoen aangekondigd voor het stimuleren van herbestemming van waardevol en karakteristiek erfgoed en herontwikkeling van bijzondere terreinen in de veertig aandachtswijken. De impuls is bedoeld als financiële bijdrage in de planontwikkelingsfase van herbestemmings- en herontwikkelingsprojecten. Het budget zal in twee tranches worden uitgekeerd aan gemeenten. Negen gemeenten ontvangen vanuit de eerste tranche in totaal een bedrag van € 3,6 miljoen voor 28 herbestemmings- en herontwikkelingsprojecten in verschillende aandachtswijken. Het bedrag voor 2010 is € 1,6 miljoen.

3) Polarisatie en radicalisering tranche 2009 (decentralisatie-uitkering)

Op 27 augustus 2007 heeft het kabinet het actieplan Polarisatie en Radicalisering aan de Tweede Kamer aangeboden. Belangrijkste onderdeel van dit actieplan is ondersteuning en stimulering van de aanpak van polarisatie en radicalisering op lokaal niveau. De wijze van ondersteuning en stimulering van de aanpak op lokaal niveau geschiedt via het gemeentefonds in de vorm van een decentralisatie-uitkering polarisatie en radicalisering. In 2010 wordt deze aan twee gemeenten uitgekeerd voor een totaalbedrag van € 0,588 miljoen.

4a) WMO: nominale indexatie 2009 huishoudelijke hulp (integratie-uitkering)

De beschikbare middelen voor het budget huishoudelijke hulp WMO 2009 worden bijgesteld op grond van het definitieve nominale indexpercentage van 3,17%. Het voorcalculatorische percentage 2009 was 3,67%. Hierdoor wordt het budget met € 5,1 miljoen neerwaarts bijgesteld.

4b) WMO: dure woningaanpassingen (integratie-uitkering)

De beschikbare middelen voor de dure woningaanpassingen op de VWS-begroting moeten uiteindelijk geheel aan het WMO budget worden toegevoegd. In 2008 is er een bedrag van € 9 miljoen incidenteel aan het WMO budget toegevoegd. Vanaf 2009 is er een bedrag van € 12 miljoen structureel toegevoegd. Dit bedrag wordt nu met € 6 miljoen structureel verhoogd.

4c) WMO: nominale indexatie 2009 voormalige Awbz subsidieregelingen (integratie-uitkering)

De beschikbare middelen voor enkele voormalige Awbz subsidieregelingen (DBWZ, Zvp GGZ, CVTM en VTA en collectieve GGZ) en voor de uitvoeringskosten WMO worden voor 2009 geïndexeerd op grond van het definitieve nominale indexpercentage van 3,17%. Dit leidt tot een positieve bijstelling van € 4,7 miljoen structureel.

4d) WMO: toevoeging i.v.m dure woningaanpassingen (integratie-uitkering)

Voor 2010 wordt structureel € 3 miljoen overgeboekt naar de integratie-uitkering WMO. Dit betreft het niet uitgegeven deel van het budget voor dure woningaanpassingen van de begroting van VWS.

5) Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (WWI-deel) (decentralisatie-uitkering)

Op 30 januari 2009 is de kabinetsbrief Grenzen stellen en Perspectief bieden, aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, vergaderjaar 2008–2009, 31 268 nr. 13). Hierin is aangekondigd dat Rijk en gemeenten samen de problemen aan gaan pakken. Het Rijk stelt hiertoe middelen beschikbaar aan een aantal gemeenten waar deze problematiek sterk speelt. De Minister van WWI stelt hiertoe een bedrag van € 7 miljoen per jaar in 2010 t/m 2012 beschikbaar.

6) Koplopers regeling homo-emancipatiebeleid: toevoeging (decentralisatie-uitkering)

De minister van OCW heeft koploperovereenkomsten homo-emancipatiebeleid gesloten met een aantal gemeenten. De koploper overeenkomst vloeit voort uit de nota «Gewoon homo zijn», waarin het kabinet het homo-emancipatiebeleid van 2008 tot en met 2011 uiteenzet. Gemeenten die de overeenkomst getekend hebben ontvangen een bedrag voor de uitvoering van de overeenkomsten. Voor 2010 t/m 2011 is ook met Dordrecht en Heerlen een overeenkomst gesloten. In 2010 is er voor deze gemeenten € 40.000 beschikbaar.

7) Alle troeven in handen (decentralisatie-uitkering)

De minister van OCW investeert in de landelijke uitrol van effectieve emancipatieprojecten ter versterking van het lokale emancipatiebeleid van gemeenten en het emancipatieproces van kwetsbare vrouwen. Hiertoe zijn 18 best practices geselecteerd uit de projecten die op basis van de subsidieregeling emancipatieprojecten 2004–2007 gesubsidieerd zijn. In totaal stelt de minister van OCW voor de periode 2009–2011 een bedrag van € 1,329 miljoen beschikbaar aan gemeenten. Voor 2010 is dit € 0,7 miljoen.

8) Overloop 2009/2010 kosten Financiële-verhoudingswet

In 2009 is het budget Kosten Financiële verhoudingswet niet geheel tot besteding gekomen. Daarvan wordt € 1 miljoen aan de begroting voor 2010 toegevoegd.

9) Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2009

B0j Voorlopige Rekening is vastgesteld hoe de in 2009 gerealiseerde uitbetalingen aan de gemeenten zich verhouden tot het bedrag dat bij de 2e suppletore begroting 2009 voor de uitbetalingen is geraamd. Daarbij is gebleken dat er lagere uitbetalingen zijn gedaan dan bij Najaarsnota 2009 werden verwacht. Het gaat hierbij om een verschil van € – 11 082 000 (negatief). Voor een verklaring van dit verschil wordt verwezen naar de slotwet (Kamerstukken II 2009–2010, 32 360 B, nrs. 3 en 4). Het gemeentefonds zal bij Voorjaarsnota 2010 met het bedrag van € 11 082 000 omhoog worden bijgesteld.

10 en 11) Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen en decentralisatie-uitkeringen 2009

Bij Voorlopige Rekening is vastgesteld hoe de in 2009 gerealiseerde uitbetalingen voor de decentralisatie-uitkeringen (DU) en integratie-uitkeringen (IU) aan de gemeenten zich verhouden tot het bedrag dat bij de 2e suppletore begroting 2009 voor de uitbetalingen is geraamd. Daarbij is gebleken dat er in totaal lagere uitbetalingen zijn gedaan dan bij Najaarsnota 2009 werden verwacht. Het gaat hierbij om een verschil van € – 7 667 000 (negatief) voor de integratie-uitkeringen en € – 493 000 (negatief) voor de decentralisatie-uitkeringen. Voor een verklaring van deze verschillen wordt verwezen naar de slotwet (Kamerstukken II 2009-2010, 32 360 B, Nrs. 3 en 4). Bij Voorjaarsnota 2010 zullen de decentralisatie-uitkeringen met € 493 000 en de integratie-uitkeringen met € 7 667 000 omhoog worden bijgesteld.

12) Uitname t.b.v. specificaties aanvullende modules MGBA

In het bestuurlijk akkoord van BZK met de VNG d.d. 5 maart 2009 over de modernisering van de Gemeentelijke Basisadministratie (MGBA) is afgesproken dat een bedrag van € 1 miljoen zal worden uitgelicht om een budget te creëren voor het, onder verantwoordelijkheid van de gemeenten uit te voeren, project «Aanvullende Modules». Deze afspraak wordt bij voorjaarsnota 2010 geëffectueerd.

13) Spoorse doorsnijdingen 2e tranche aanvulling (decentralisatie-uitkering)

Betreft een aanvulling op de middelen voor de spoorse doorsnijdingen van € 3,6 miljoen in 2010. Zie ook onder punt 1.

14 a en b) Kosten Waarderingskamer

Op 20 november 2009 heeft de Waarderingskamer haar begroting voor het jaar 2010 vastgesteld. De begrote uitgaven belopen € 2 666 000. Het aandeel van de gemeenten in die begroting beloopt een bedrag van € 1 328 000. In de ontwerpbegroting 2010 is een bedrag opgenomen van € 1 158 000. Het verschil van € 170 000 wordt vanuit de algemene uitkering overgeboekt naar de Waarderingskamer.

15 a t/m c) WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ

In tegenstelling tot wat vermeld is in de ontwerpbegroting 2010, waarin het gehele bedrag (€ 6,8 miljoen) als decentralisatie-uitkering is opgenomen, is in 2010 de «maatregelen psychosociaal in AWBZ» voor de niet opvanginstellingen een integratie-uitkering (€ 6,4 miljoen) en moet voor de opvanginstellingen het bedrag (€ 0,4 miljoen) verdeeld worden via de maatstaven van het cluster Maatschappelijke zorg in de algemene uitkering van het gemeentefonds. Vanaf 2011 wordt het gehele bedrag (€ 6,8 miljoen) verdeeld via de maatstaven van het cluster Maatschappelijke zorg in de algemene uitkering van het gemeentefonds.

16 a t/m c) WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ

In de integratie-uitkering WMO resteert een bedrag van € 127 miljoen voor de AWBZ-pakketmaatregel. In het Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen van 31 augustus 2009 is afgesproken dat deze € 127 miljoen beschikbaar blijft voor de gevolgen van het AWBZ-pakket. Daarnaast is afgesproken dat in 2010 € 68 miljoen wordt toegevoegd aan de algemene uitkering (verdeeld via de maatstaven in het cluster Maatschappelijke zorg ) en € 25 miljoen in de integratie-uitkering WMO blijft. De resterende € 34 miljoen wordt op verzoek van de VNG specifiek verdeeld over die gemeenten die bij de overgang van het historische naar het objectieve verdeelmodel WMO een negatief herverdeeleffect hadden van meer dan € 5,00 per inwoner.

17) Versterking toezicht en handhaving gastouderopvang

Per 1 januari 2010 is het stelsel van gastouderopvang herzien. Dat heeft ook gevolgen voor het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit van de gastouderopvang. Zo zal de GGD rechtstreeks toezicht gaan houden op individuele gastouders in plaats van alleen op gastouderbureaus. Vanwege deze wetswijziging wordt in 2010 € 10 miljoen aan de algemene uitkering van het gemeentefonds toegevoegd. De verdeling van de middelen vindt plaats met de maatstaven bijstandsontvangers (50%), inwoners (40%) en minderheden (10%).

18) Toezicht en handhaving peuterspeelzalen en voorschoolse educatie

In het kader van de landelijke kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt de verantwoordelijkheid voor toezicht en handhaving bij de gemeenten en de GGD’s gelegd. Hiervoor zal vanaf 2010 structureel € 4 miljoen aan de algemene uitkering van het gemeentefonds worden toegevoegd. Voor het toezicht op de voorschoolse educatie zal vanaf 2010 structureel € 1 miljoen aan de algemene uitkering van het gemeentefonds worden toegevoegd. In het uitkeringsjaar 2010 worden deze bedragen naar rato (5/12 deel) van de inwerkingtredingdatum toegevoegd. In 2010 gaat het om € 1,667 miljoen voor toezicht en handhaving peuterspeelzalen en € 0,417 miljoen voor toezicht op voorschoolse educatie. De verdeling van de middelen vindt plaats met de maatstaven bijstandsontvangers (50%), inwoners (40%) en minderheden (10%).

19) Versterking peuterspeelzaalwerk (decentralisatie-uitkering)

In het kader van het wetsvoorstel OKE (Ontwikkelkansen door Kwaliteit en Educatie) wordt structureel € 35 miljoen als decentralisatie-uitkering toegevoegd aan het gemeentefonds. Het doel van het wetsvoorstel OKE is om voor jonge kinderen in peuterspeelzalen en kindercentra een veilige, stimulerende omgeving te creëren waarbij medewerkers in staat zijn om een risico op een taalachterstand in het Nederlands te signaleren en dat effectief aan te pakken. Door deze investering worden peuterspeelzalen in een betere positie gebracht om de laagdrempelige voorziening te kunnen behouden. De kwaliteit wordt verhoogd door het maximale aantal kinderen per leidster te verlagen en opleidingseisen te verhogen.

20 a en b) Bijdrage gemeenten inzake KING.

Het bestuur van de VNG heeft de Staatssecretaris van BZK verzocht mee te werken aan een bekostigingsconstructie voor de oprichting van de het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten (KING). Deze Stichting is mede opgericht door de VNG, maar zal functioneren als een zelfstandige taakorganisatie. Doel van de stichting KING is bij te dragen aan een duurzame kwaliteitsverbetering van het lokale bestuur en gemeentelijke dienstverlening. De leden van de VNG hebben ingestemd met een voorstel van het bestuur om een bedrag uit het gemeentefonds (ten laste van de algemene uitkering) rechtstreeks ter beschikking te stellen aan de stichting KING. Voor het jaar 2010 zal € 6.436.000 en voor 2011 en volgende jaren € 7.464.000 structureel worden uitgenomen uit de algemene uitkering van het fonds. Dit bedrag zal worden toegevoegd aan het apparaatartikel van het gemeentefonds om van daaruit jaarlijks betaalbaar te worden gesteld aan de stichting KING.

21) Taken gemeentelijke lijkschouwer bij registratie euthanasie

Sinds de inwerkingtreding van de euthanasiewetgeving, begin jaren ’90, betaalt het ministerie van Justitie (Openbaar Ministerie) op declaratiebasis aan de gemeentelijke lijkschouwers een vergoeding voor de melding bij euthanasie. Onder andere in het kader van vermindering van de administratieve lasten is de afspraak gemaakt tussen Justitie, de VNG en de fondsbeheerders van het gemeentefonds om m.i.v. 2010 de middelen (€ 0,35 miljoen) onder te brengen in de algemene uitkering van het gemeentefonds.

22) Overheveling BDU SIV: jeugd (decentralisatie-uitkering)

Vanaf 2010 worden de middelen voor het preventieve lokale jeugdbeleid gefaseerd aan het gemeentefonds toegevoegd via de decentralisatie-uitkering Jeugd (DU-Jeugd). Tot 2009 was in de BDU SIV € 21,8 miljoen beschikbaar voor het tegengaan van voortijdig schoolverlaten in het kader van het Grote Stedenbeleid (GSB). Deze middelen voor het tegengaan van voortijdig schoolverlaten liepen in 2009 af. Het kabinet heeft er uitdrukkelijk voor gekozen om deze middelen beschikbaar te houden voor gemeenten, via de DU Jeugd. Op die manier kunnen zij de aanpak van overbelaste jongeren op het niveau van het vmbo en mbo meer sluitend maken opdat meer jongeren hun schoolloopbaan succesvol kunnen afronden. In vergelijking met de aanpak voortijdig schoolverlaten worden de middelen nu toegespitst op een sluitende zorg- en hulpaanbod voor overbelaste jongeren.

23) Bodemsanering (decentralisatie-uitkering)

Met ingang van 1 januari 2010 wordt een deel van het bodemsaneringsbudget uitgekeerd aan gemeenten via de decentralisatie-uitkering Bodemsanering in het gemeentefonds. Dit is het gevolg van de bestuursafspraken met de VNG in 2008. Mede in het vervolg hierop is op 10 juli 2009 het «Convenant Bodem – ontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties» ondertekend door het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen. Met de ondertekening van het Convenant wordt ook de definitieve stap gezet naar de verdere decentralisatie van de middelen. Met de middelen in het gemeentefonds kunnen de gemeenten de beleidsafspraken uit het convenant uitvoeren.

24 a en b) Ondersteuning bibliotheken

In tegenstelling tot wat vermeld is in de Voorjaarsnota 2009, waarin het bedrag als decentralisatie-uitkering is opgenomen, is de «ondersteuning bibliotheken» een integratie-uitkering.

25) Leefbaarheid en veiligheid: inzet straatcoaches Culemborg (decentralisatie-uitkering)

Naar aanleiding van ongeregeldheden rond de jaarwisseling 2009–2010 is besloten om in 2010 middelen voor de bekostiging van straatcoaches uit te keren aan de gemeente Culemborg. De middelen worden toegevoegd aan de decentralisatie-uitkering Veiligheid en Leefbaarheid. De gemeente Culemborg ontvangt in 2010 € 150.000.

26) Maatschappelijke opvang: aanpassing budget (decentralisatie-uitkering)

Met ingang van 1 januari 2010 ontvangen de 43 centrumgemeenten maatschappelijke opvang, openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingsbeleid via een decentralisatie-uitkering middelen ten behoeve van beleid op deze prestatievelden uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij voorjaarsnota 2010 wordt het bestaande macrobudget van € 289,211 miljoen opgehoogd met:

  • A) € 0,393 miljoen vanwege een correctie van de compensatiemiddelen die de centrumgemeenten Amsterdam, Eindhoven en Vlaardingen hebben ontvangen in verband met het schrappen van de grondslag psychosociale problematiek in de AWBZ en

  • B) € 7,924 miljoen vanwege 3,42% loon- en prijsindexatie over 80% van het budget.

27 a en b) Toezicht Drank & Horecawet (decentralisatie-uitkering)

In november 2007 is de zogenaamde Alcoholbrief naar de Tweede Kamer verstuurd. Daarin is beschreven dat het de bedoeling is om de Drank- en Horecawet (DHW) dusdanig aan te passen dat het toezicht op de DHW overgaat naar gemeenten. Vooruitlopend op deze wetswijziging hebben vijftien (regio’s van) gemeenten in 2008 en 2009 alvast proefgedraaid met dit toezicht. Het doel van de pilot is om inzicht te krijgen in de ervaringen van gemeenten met het overdragen van het toezicht op de DHW van de Voedsel en Warenautoriteit naar gemeenten. Inzicht in mogelijke knelpunten maakt een soepele overdracht van taken na de wetswijziging mogelijk. Het wetsvoorstel tot wijziging van de DHW is in juli 2009 aangeboden aan de Tweede kamer. De parlementaire behandeling zal tot in 2010 doorlopen. Dat betekent dat het toezicht op de DHW voorlopig nog niet kan worden overgedragen aan de gemeenten. Om de ervaring die is opgedaan in de pilot niet verloren te laten gaan is besloten de pilot te verlengen in 2010 en hiervoor de benodigde middelen via het gemeentefonds beschikbaar te stellen.

28) Beheer 14+ netnummer gemeenten

Gemeenten hebben met het 14+netnummer een eenvoudig herkenbaar nummer als telefonische ingang voor de burger. In de bestuurlijke regiegroep dienstverlening en e-overheid is overeengekomen dat de VNG de opdrachtgever is voor het beheer van de centrale voorzieningen voor dit nummer. Voor de uitvoering van het beheer wordt in 2010 € 1,9 miljoen voorzien en vanaf 2011 € 2,1 miljoen structureel. Overeen is gekomen dat de dekking hiervan geschiedt via een uitname uit het gemeentefonds.

29) Praktijkteam Zaltbommel (decentralisatie-uitkering)

Naar aanleiding van de problematiek met 50 overlastgevende Marokkaans-Nederlandse jongeren in Zaltbommel is het «Praktijkteam overlastgevende Marokkaans-Nederlandse jongeren» ingezet. Na overleg tussen de burgemeester van Zaltbommel en het praktijkteam, onder voorzitterschap van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is besloten om in 2010 middelen beschikbaar te stellen. Deze middelen worden besteed aan effectieve interventies om de overlast op straat tegen te gaan. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van de inzet van straatcoaches. De gemeente Zaltbommel ontvangt in 2010 € 100.000.

30) Vervangingsregeling raadsleden

Het Rijk heeft middelen toegezegd aan de gemeenten voor een tijdelijke vervangingsregeling voor zwangere en langdurig zieke raadsleden vanaf 2007. Deze middelen zijn echter nooit structureel toegevoegd aan het gemeentefonds. Deze middelen worden nu voor 2010 en verder structureel toegevoegd. Voor de gemeenten gaat het om € 300 000 per jaar.

31) Verkiezingsproces

Bij de gemeenteraadsverkiezingen dienen kiezers zich te legitimeren met een geldig identiteitsdocument. Gebleken is echter dat circa 1,5% van de Nederlandse kiesgerechtigden niet beschikt over een paspoort of identiteitskaart. Het is wenselijk dat gemeenten deze kiezers er middels een brief persoonlijk op wijzen dat zij zonder geldig identiteitsdocument niet kunnen stemmen. Het ministerie van BZK is met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken overeengekomen dat gemeenten hiervoor een vergoeding krijgen. Hiervoor wordt bij voorjaarsnota 2010 eenmalig € 100.000 aan het gemeentefonds toegevoegd.

32) Jeugdwerkloosheid 2010 1e tranche (decentralisatie-uitkering)

Om de jeugdwerkloosheid te bestrijden heeft het kabinet onder meer met 30 regiogemeenten met Werkplein Plus-vestigingen convenanten afgesloten om op regionaal niveau uitvoering te geven aan het Actieplan Jeugdwerkloosheid. In 2009 hebben de 30 regiogemeenten in dit kader een bedrag van € 60 miljoen ontvangen door middel van een decentralisatie-uitkering. Voor 2010 is er uit het stimuleringspakket uit het aanvullend beleidsakkoord in totaal € 70 miljoen beschikbaar voor de 30 regiogemeenten. Hiervan zal € 30 miljoen worden verdeeld op basis van het aantal schoolverlaters en aantal jeugdwerklozen in de regio, waarbij beide indicatoren even zwaar wegen. Dit bedrag wordt bij voorjaarsnota 2010 aan het gemeentefonds toegevoegd. Het resterende bedrag voor 2010 van € 40 miljoen is afhankelijk gesteld van de behaalde resultaten in de regio’s en wordt later toegevoegd aan het gemeentefonds.

33) Financiële functie gemeenten

Betreft een overboeking van het gemeentefonds naar het Ministerie van BZK van € 0,071 miljoen van het onderzoeksartikel «Kosten Financiële- verhoudingswet» ten behoeve van het evaluatieonderzoek van de financiële functie van gemeenten en provincies.

34) Leefbaarheid en veiligheid: toevoeging middelen Gouda (decentralisatie-uitkering)

Het Rijk en een groep van 40 gemeenten hebben nadere afspraken gemaakt om de veiligheidsdoelstellingen uit het Bestuursakkoord te realiseren met een focus op de reductie van sociale overlast en fysieke verloedering. Onderdeel van die afspraak is dat de veiligheids- en leefbaarheidmiddelen van de Ministeries van BZK en WWI, in 2010 en 2011 onder deze gemeenten worden verdeeld. Tot en met 2009 waren deze middelen nog onderdeel van de brede doeluitkering Sociaal, Integratie en Veiligheid binnen het Grote Steden Beleid. Deze middelen zijn bij begroting 2010 (Kamerstukken II 2009–2010, 32 123 B, nrs. 1 en 2) als decentralisatie-uitkering naar het gemeentefonds overgeboekt. Bij voorjaarsnota 2010 worden ook de extra middelen voor Gouda in het kader van de aanpak van de problematiek van Marokkaans-Nederlandse jongeren voor 2010 en 2011 naar deze decentralisatie-uitkering overgeboekt.

35) Aanpassing Financieringsarrangement mGBA/ORRA

Voor de financiering van de ontwikkeling van de Modernisering Gemeentelijke Basisregistratie Persoonsgegevens (mGBA) en de Online Raadpleegbare Reisdocumenten Administratie (ORRA) zijn de VNG en BZK overeengekomen dat de investeringen in 2009 tot en met 2012 door een tijdelijke, renteloze uitnamereeks uit het gemeentefonds (van respectievelijk € 4,8 miljoen, € 12,7 miljoen, € 6,9 miljoen en € 0,6 miljoen) worden gefinancierd. In 2013 zal BZK de totale uitname uit het gemeentefonds van in totaal € 25 miljoen weer aanvullen. Het financieringsarrangement is bij voorjaarsnota 2009 (Kamerstukken II 2008–2009, 31 965 B, nrs. 1 en 2) geboekt. Dit financieringsarrangement mGBA/ORRA is echter niet meer actueel, doordat de programma's vertraging hebben opgelopen. Om de budgetten in lijn te brengen met de financieringsbehoefte zijn BZK en de VNG een ander ritme van de lening overeengekomen (€ 4,8 miljoen in 2009 en € 20,2 miljoen in 2012). Het totaal van de lening blijft gelijk en wordt in 2013 weer aangevuld in het gemeentefonds.

36) Herstructurering bedrijventerreinen (decentralisatie-uitkering)

Het gemeentefonds wordt bij voorjaarsnota 2010 met in totaal € 10 miljoen incidenteel verhoogd ten gunste van twee gemeenten (Oldenzaal en Noordoostpolder). Dit naar aanleiding van en conform de Motie Van Heugten (Kamerstuknummer 31 700 XI, nummer 16 herdruk) betreffende de herstructurering van bedrijventerreinen. Randvoorwaarden hierbij zijn dat de medeoverheden voor tenminste een gelijkwaardig bedrag mee investeren en dat het project binnen drie jaar tot uitvoering komt.

37a) Uitvoeringskosten inburgering (algemene uitkering)

De minister voor Wonen, Wijken en Integratie heeft de uitvoeringskosten voor de Wet inburgering overgeheveld naar het gemeentefonds. In 2009 is € 23,8 miljoen overgeboekt, omdat de middelen toen alleen bestemd waren voor niet G 31 gemeenten. Daarom kreeg de uitkering in 2009 de vorm van een integratie-uitkering. De G 31 gemeenten kregen de middelen in 2009 nog via de brede doeluitkering SIV. Vanaf 2010 krijgen alle gemeenten deze middelen (in totaal € 50,43 miljoen) via het gemeentefonds en zal het daarom in de vorm van de algemene uitkering verstrekt worden.

37b) Uitvoeringskosten inburgering (decentralisatie-uitkering)

Het betreft een overboeking van middelen (€ 10,44 miljoen) die vanuit het ministerie van WWI beschikbaar zijn voor gemeenten die een bijdrage leveren aan de gewenste volumeverhoging van het aantal inburgeringvoorzieningen. Gemeenten ontvangen binnen de algemene uitkering van het fonds een bijdrage voor de uitvoeringskosten inburgering gemoeid met een basis aantal inburgeringtrajecten. Voor deze tijdelijke decentralisatie-uitkering is gekozen omdat daarmee vorm kan worden gegeven aan een tijdelijke impuls aan het aantal inburgeringtrajecten zoals vastgelegd in het Deltaplan inburgering.

38) Antillianengemeenten (decentralisatie-uitkering)

Op 31 december 2008 is de uitvoering van de Bestuurlijke Arrangementen Antilliaanse Risicojongeren geëindigd. Om een soepele overgang van de Bestuurlijke Arrangementen naar de volgende periode te waarborgen is 2009 als een financieel overbruggingsjaar aangemerkt. De jaren 2010 t/m 2013 zullen gebruikt worden om enerzijds de problematiek verder terug te dringen en anderzijds de benodigde specifieke kennis en deskundigheid bij reguliere instanties onder te brengen. Het Rijk stelt hiervoor van 2010 t/m 2013 jaarlijks € 4,485 miljoen beschikbaar.

39) Instapcursussen Inburgering (decentralisatie-uitkering)

Het betreft een overboeking van € 14,159 miljoen van het ministerie van WWI inzake extra middelen voor de organisatie door gemeenten van instapcursussen die voorafgaan aan het inburgeringtraject. Het is een concretisering van de door de minister van WWI aangekondigde maatregel in zijn brief van 25 augustus 2009 aan de Tweede Kamer. De groep van gemeenten in kwestie ontvangen de middelen via een decentralisatie-uitkering.

40 a en b) Impuls Brede Scholen 1e en 2e tranche 2010 (decentralisatie-uitkering)

De impuls brede scholen richt zich op de realisatie van de zogenaamde combinatiefuncties. Dit zijn functies waarbij een werknemer in dienst is bij één werkgever, maar werkzaam is ten behoeve van twee of meer sectoren. Op 10 december 2007 hebben het Rijk (OCW en VWS), de VNG en vertegenwoordigers van de onderwijs-, sport- en cultuursector bestuurlijke afspraken gemaakt met als doel de realisatie van in totaal 2500 (fte’s) combinatiefuncties in 2012. In 2008 is de eerste tranche van 30 gemeenten gestart. Per 1 januari 2009 is de tweede tranche gestart van 98 gemeenten. In 2010 is voor deze eerste en tweede tranche € 11,153 miljoen vanuit VWS en € 5,21 miljoen vanuit OCW beschikbaar.

41) Hogeschool Almere (decentralisatie-uitkering)

In het Integraal Afspraken Kader (IAK), dat op 29 januari jl. is ondertekend door de gemeente Almere en het kabinet, is vastgelegd dat de ministeries van VROM en OCW, de provincie Flevoland, de gemeenten Almere en Lelystad en de Christelijke Hogeschool Windesheim gezamenlijk een netto contant bedrag van € 72 miljoen bijeen brengen voor de dekking van aanlooptekorten samenhangend met de realisatie van een hogeschool in Flevoland. In dit kader wordt thans via het gemeentefonds € 10 miljoen beschikbaar gesteld aan Almere uit het stimuleringspakket uit het aanvullend beleidsakkoord.

42) Vadercentra (decentralisatie-uitkering)

De ministers van OCW en WWI zetten gezamenlijk in op de realisatie van nieuwe vadercentra in Nederland om de emancipatie en integratie van allochtone mannen en vaders te bevorderen. Een vadercentrum is een geschikt instrument om de soms lastig te bereiken doelgroep allochtone mannen op een structurele manier te bereiken en hun emancipatie- en integratieproces te stimuleren. Aan de hand van een aanvraagprocedure onder de 56 grootste gemeenten met het hoogste aandeel minderheden plus de gemeenten die vallen onder de «Samenwerkingsgemeenten aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren», zijn gemeenten geselecteerd om in aanmerking te komen voor een bijdrage van in totaal € 0,699 miljoen per jaar van 2010 tot en met 2012.

43) Emancipatie 1001 kracht (decentralisatie-uitkering)

De emancipatie van vrouwen en meisjes uit etnische minderheden vraagt om ondersteuning. De positie van vrouwen en meisjes uit etnische minderheden blijft achter bij autochtone vrouwen. Het accent ligt de komende jaren op verbetering van de positie van laagopgeleide vrouwen en meisjes uit etnische minderheden die in een kwetsbare situatie verkeren. Hierbij gaat het in eerste instantie om het stimuleren van de maatschappelijke participatie van vrouwen. Gemeenten ontvangen hiervoor in de jaren 2010 en 2011 € 0,9 miljoen per jaar van het ministerie van OCW via een decentralisatie-uitkering in het gemeentefonds.

44) Regiospecifiekpakket Zuiderzeelijn (decentralisatie-uitkering)

In november 2007 besloot het kabinet op voorstel van de minister van Verkeer en Waterstaat om af te zien van de aanleg van de Zuiderzeelijn, de geplande hogesnelheidslijn tussen Schiphol en Groningen. In plaats daarvan is een alternatief pakket aan investeringen in Noord-Nederland en de Noordoostpolder met een sterke infrastructurele focus samengesteld. Hiervoor ontvangt de gemeente Assen € 13,039 miljoen.

45) Overheveling BDU SIV: Onderwijsachterstandenbeleid nabetaling (decentralisatie-uitkering)

Betreft een aanvulling van de DU «Onderwijsachterstandenbeleid». De aanvulling bestaat grotendeels uit de verhoging van het bedrag per leerlinggewicht en voor een klein deel uit de nabetaling over 2009. Zie voor een beschrijving van deze DU de begroting 2010 van het gemeentefonds (Tweede Kamer, Vergaderjaar 2009–2010, 32 123 B, nr. 2).

46) Rolstoelvoorzieningen Arnhem (decentralisatie-uitkering)

Betreft een extra uitkering aan de gemeente Arnhem voor de extra uitgaven waarmee de gemeente zich geconfronteerd zag vanwege het verstrekken van rolstoelvoorzieningen aan bewoners in AWBZ-instellingen op grond van het per 1 april 2003 gewijzigde artikel 15 BZA/AWBZ. Vanwege de aanwezigheid van grootschalige AWBZ-instellingen voor zowel lichamelijk als verstandelijk gehandicapten neemt Arnhem voor wat betreft de gevolgen van de wijziging een uitzonderingspositie in. Arnhem ontvangt daarom € 1,4 miljoen in 2010 en € 0,3 miljoen in 2011 en 2012.

47) Sport en bewegen (decentralisatie-uitkering)

Betreft de tweede tranche van € 4,134 miljoen van de decentralisatie-uitkering «National actieplan sport en bewegen» in 2010. Zie voor een beschrijving van deze DU de 1e suppletore begroting 2009 (Tweede Kamer, Vergaderjaar 2008–2009, 31 965 B, nr. 2).

48) Uitvoeringskosten WWIK (decentralisatie-uitkering)

Voor de uitvoeringskosten Wet Werk en Inkomen Kunstenaars (WWIK) wordt via een decentralisatie-uitkering in het gemeentefonds in 2010 € 3,427 miljoen en in € 3,437 miljoen aan een aantal gemeenten uitbetaald. De WWIK geeft kunstenaars een aanvulling op hun inkomen als zij niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Startende kunstenaars kunnen de WWIK-uitkering gebruiken bij de opbouw van een winstgevende beroepspraktijk. Gevestigde kunstenaars kunnen met een WWIK-uitkering een tijdelijke terugval in het inkomen opvangen.

49) WMO: vergoeding voor uitvoeringskosten Wtcg (integratie-uitkering)

Vergoeding voor extra uitvoeringskosten als gevolg van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg). Gemeenten moeten hiervoor hun registraties aanpassen en meer gegevens aanleveren over Wmo-cliënten aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK) ten behoeve van de tegemoetkoming op grond van de Wtcg.

50) WMO: bijstelling raming compensatiekosten Wtcg (integratie-uitkering)

Bijstelling van de raming van de compensatiekosten als gevolg van de verminderde eigen bijdrage opbrengsten vanwege Wtcg. Eerder hebben gemeenten hiervoor structureel € 10 miljoen ontvangen via de integratie-uitkering Wmo. Vanwege de Wtcg hoeven cliënten 33% minder eigen bijdrage te betalen.

2. DE BELEIDSMUTATIES

2. Het beleidsartikel

In onderstaande tabel worden voor de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten de budgettaire gevolgen van beleid van het gemeentefonds weergegeven. Hiermee worden de integrale uitgaven die samenhangen met de samengestelde beleidsdoelstelling (het nastreven van een adequate omvang van het gemeentefonds en het nastreven van een adequate verdeling van de middelen over de gemeenten) inzichtelijk gemaakt.

Tabel B2: Bugettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 

Stand ontwerpbegroting 2010 (1)

Mutaties 1ste suppletore begroting 2010 (2)

Stand 1ste suppletore begroting 2010 (3)=(1+2)

Mutatie 2011

Mutatie 2012

Mutatie 2013

Mutatie 2014

Mutatie 2015

Verplichtingen

18 046 569

355 856

18 402 425

173 935

106 618

129 911

101 812

84 403

Uitgaven:

18 046 569

375 098

18 421 667

173 935

106 618

129 911

101 812

84 403

         

Apparaatsuitgaven

        

1.

Kosten Financiële- verhoudingswet

2 091

929

3 020

0

0

0

0

0

2.

Kosten Waarderingskamer

1 158

170

1 328

0

0

0

0

0

3.

Budget A+O-fonds

5 996

0

5 996

0

0

0

0

0

4.

Bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten

1 000

0

1 000

0

0

0

0

0

5.

Bijdrage gemeenten inzake KING

0

6 436

6 436

7 464

7 464

7 464

7 464

7 464

         

Programma-uitgaven

        

1.

Algemene uitkering c.a. en de aanvullende uitkeringen

15 626 986

145 940

15 772 926

77 786

51 286

70 886

70 886

70 886

2.

Integratie-uitkeringen

1 682 201

– 34 742

1 647 459

– 49 809

– 49 809

– 55 600

– 55 600

– 55 600

3.

Decentralisatie-uitkeringen

727 137

256 365

983 502

138 494

97 677

107 161

79 062

61 653

         

Ontvangsten:

18 046 569

375 098

18 421 667

173 935

106 618

129 911

101 812

84 403

         

Apparaatsontvangsten

        

1.

Terugontvangsten Waarderingskamer

0

0

0

0

0

0

0

0

          

Programma-ontvangsten

        

1.

Ontvangsten ex art. 4. Fvw

18 046 569

375 098

18 421 667

173 935

106 618

129 911

101 812

84 403

Toelichting

Mutaties 1ste suppletore begroting

Verplichtingen

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de verplichtingen van het gemeentefonds voor het jaar 2010 met €  355 856 000 te verhogen en te brengen op € 18 402 425 000. De mutaties worden hieronder in tabel B3 opgesomd. De toelichting bij de mutaties die onderdeel vormen van het totaalbedrag dat in deze tabel is vermeld is reeds gegeven in § 1.

Tabel B3: Verplichtingenbedrag gemeentefonds 2010 (x € 1 000)

Stand verplichtingenbedrag ontwerpbegroting 2010

18 046 569

Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:

 
  

Spoorse doorsnijdingen (decentralisatie-uitkering)

33 709

Herbestemming aandachtswijken (decentralisatie-uitkering)

1 602

Polarisatie en radicalisering tranche 2009 (decentralisatie-uitkering)

588

WMO: nominale indexatie 2009 huishoudelijke hulp (integratie-uitkering)

– 5 100

WMO: dure woningaanpassingen (integratie-uitkering)

6 000

WMO: nominale indexatie 2009 voormalige Awbz subsidieregelingen (integratie-uitkering)

4 700

WMO: toevoeging i.v.m dure woningaanpassingen (integratie-uitkering)

3 000

Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (WWI-deel) (decentralisatie-uitkering)

7 000

Koplopers regeling homo emancipatiebeleid: toevoeging (decentralisatie-uitkering)

40

Alle troeven in handen (decentralisatie-uitkering)

700

Overloop 2009/2010 kosten Financiele-verhoudingswet

1 000

Uitname t.b.v. specificaties aanvullende modules MGBA

– 1 000

Spoorse doorsnijdingen 2e tranche aanvulling (decentralisatie-uitkering)

3 612

Kosten Waarderingskamer

170

Kosten Waarderingskamer uit de algemene uitkering

– 170

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ (decentralisiatie-uitkering)

– 6 800

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ (integratie-uitkering)

6 400

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ (algemene uitkering)

400

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ (integratie-uitkering)

– 102 000

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ (algemene-uitkering)

68 000

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ nadeelgemeenten (integratie-uitkering)

34 000

Versterking toezicht en handhaving gastouderopvang

10 000

Toezicht en handhaving peuterspeelzalen en voorschoolse educatie

2 084

Versterking peuterspeelzaalwerk (decentralisatie-uitkering)

35 000

Bijdrage gemeenten inzake KING

6 436

Bijdrage gemeenten inzake KING uit de algemene uitkering

– 6 436

Taken gemeentelijke lijkschouwer bij registratie euthanasie

350

Overheveling BDU SIV: jeugd (decentralisatie-uitkering)

21 780

Bodemsanering (decentralisatie-uitkering)

25 765

Ondersteuning bibliotheken (decentralisatie-uitkering)

– 5 791

Ondersteuning bibliotheken (integratie-uitkering)

5 791

Leefbaarheid en veiligheid: inzet straatcoaches Culemborg (decentralisatie-uitkering)

150

Maatschappelijke opvang: aanpassing budget (decentralisatie-uitkering)

8 317

Toezicht Drank & Horecawet (BZK-deel) (decentralisatie-uitkering)

1 088

Toezicht Drank & Horecawet (VWS-deel) (decentralisatie-uitkering)

1 087

Beheer 14+ netnummer gemeenten

– 1 900

Praktijkteam Zaltbommel (decentralisatie-uitkering)

100

Vervangingsregeling raadsleden

300

Verkiezingsproces

100

Jeugdwerkloosheid 2010 1e tranche (decentralisatie-uitkering)

30 000

Financiële functie gemeenten

– 71

Leefbaarheid en veiligheid: toevoeging middelen Gouda (decentralisatie-uitkering)

300

Aanpassing Financieringsarrangement mGBA/ORRA

12 700

Herstructurering bedrijventerreinen (decentralisatie-uitkering)

10 000

Uitvoeringskosten inburgering (algemene uitkering)

50 430

Uitvoeringskosten inburgering (decentralisatie-uitkering)

10 440

Antillianengemeenten (decentralisatie-uitkering)

4 485

Instapcursussen Inburgering (decentralisatie-uitkering)

14 159

Impuls Brede Scholen 1e en 2e tranche 2010 (VWS-deel) (decentralisatie-uitkering)

11 153

Impuls Brede Scholen 1e en 2e tranche 2010 (OCW-deel) (decentralisatie-uitkering)

5 210

Hogeschool Almere (decentralisatie-uitkering)

10 000

Vadercentra (decentralisatie-uitkering)

699

Emancipatie 1001 kracht (decentralisatie-uitkering)

900

Regiospecifiekpakket Zuiderzeelijn (decentralisatie-uitkering)

13 039

Overheveling BDU SIV: Onderwijsachterstandenbeleid nabetaling (decentralisatie-uitkering)

8 579

Rolstoelvoorzieningen Arnhem (decentralisatie-uitkering)

1 400

Sport en bewegen (decentralisatie-uitkering)

4 134

Uitvoeringskosten WWIK (decentralisatie-uitkering)

3 427

WMO: vergoeding voor uitvoeringskosten Wtcg (integratie-uitkering)

2 800

WMO: bijstelling raming compensatiekosten Wtcg (integratie-uitkering)

2 000

Totaal nieuwe mutaties:

355 856

Stand verplichtingenbedrag bij 1ste suppletore begroting 2010

18 402 425

Waarvan verplichtingenbedrag kosten Financiële-verhoudingswet

3 020

Waarvan verplichtingenbedrag kosten Waarderingskamer

1 328

Waarvan verplichtingenbedrag budget A+O-fonds

5 996

Waarvan verplichtingenbedrag bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten

1 000

Waarvan verplichtingenbedrag bijdrage gemeenten inzake KING

6 436

Waarvan verplichtingenbedrag algemene uitkering

15 761 844

Waarvan verplichtingenbedrag integratie-uitkeringen

1 639 792

Waarvan verplichtingenbedrag decentralisatie-uitkeringen

 

983 009

Het verplichtingenbedrag voor de algemene uitkeringen c.a., zoals opgenomen in artikel 3 van dit wetsvoorstel, is € 15 761 844 000. Dit bedrag is het verschil tussen het verplichtingenbedrag gemeentefonds van € 18 402 425 000 en de som van de verplichtingenbedragen voor de Integratie-uitkeringen van € 1 639 792 000, de decentralisatie-uitkeringen van € 983 009 000 en de apparaatskosten van € 17 780 000.

Uitgaven

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de uitgaven van het gemeentefonds voor het jaar 2010 met €  375 098 000 te verhogen en te brengen op € 18 421 667 000. Deze verhoging wordt hieronder in tabel B4 toegelicht. De mutaties die plaatsvinden met betrekking tot de verplichtingen zijn ook van toepassing op de uitgaven. Er zijn echter nog drie mutaties, die wel effect hebben op het uitgavenbedrag 2009, maar niet op het verplichtingenbedrag 2009. Het gaat om de «wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2009» (€ 11 082 000), «wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2009» (€ 7 667 000) en «wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2009» (€ 493 000). De toelichting bij de mutaties die onderdeel vormen van het totaalbedrag dat in deze tabel is vermeld is reeds gegeven in § 1.

Tabel B4: Uitgavenbedrag gemeentefonds 2010 (x € 1 000)

Stand uitgavenbedrag ontwerpbegroting 2010

18 046 569

Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:

 
   

Saldo mutaties in de verplichtingen (verplichtingen=uitgaven) (zie tabel B3)

355 856

 

Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2009

11 082

 

Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2009

7 667

 

Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2009

493

 
   

Totaal nieuwe mutaties:

375 098

Stand uitgavenbedrag bij 1ste suppletore begroting 2010

18 421 667

Waarvan uitgavenbedrag kosten Financiële-verhoudingswet

3 020

Waarvan uitgavenbedrag kosten waarderingskamer

1 328

Waarvan uitgavenbedrag budget A+O-fonds

5 996

Waarvan uitgavenbedrag bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten

1 000

Waarvan uitgavenbedrag bijdrage gemeenten inzake KING

6 436

Waarvan uitgavenbedrag algemene uitkering

15 772 926

Waarvan uitgavenbedrag integratie-uitkeringen

1 647 459

Waarvan uitgavenbedrag decentralisatie-uitkeringen

983 502

Ontvangsten

Sinds de invoering van de Financiële-verhoudingswet zijn de uitgaven en de ontvangsten op grond van artikel 4 van die wet over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting van het gemeentefonds voor 2010 worden de ontvangsten, analoog aan de uitgaven, met €  375 098 000 verhoogd en gebracht op € 18 421 667 000.

2.1. Overzicht beleidsmutaties

Tabel B: Beleidsmutaties (x € 1 000)
 

2010

Mutaties opgenomen in Ontwerpbegroting 2011 als Voorlopige Uitkomsten 2010:

 

Pilots gemengde scholen (decentralisatie-uitkering)

50

Bommenregeling

22 100

Terugontvangsten Waarderingskamer 2009 naar AU

149

Herbestemming aandachtswijken 2e tranche (decentralisatie-uitkering)

400

Pieken in de Deltaproject Amsterdam

400

Maatschappelijke opvang: aanpassing budget (decentralisatie-uitkering)

10 300

Uitname t.b.v. Militaire bijstand en steunverlening

– 1 750

Impuls Brede Scholen 3e tranche en correctie 1e en 2e tranche 2010 (VWS-deel)

7 766

Impuls Brede Scholen 3e tranche en correctie 1e en 2e tranche 2010 (OCW-deel)

3 627

Totaal

43 042

  

Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:

 

Jeugdwerkloosheid 2e tranche (decentralisatie-uitkering)

40 200

Tegemoetkoming pilot loondispensatie (decentralisatie-uitkering)

5 880

Krimp (decentralisatie-uitkering)

16 250

Nationaal actieplan sport en bewegen (decentralisatie-uitkering)

651

Bevordering arbeidsparticipatie alleenstaande ouders (decentralisatie-uitkering)

2 600

Wachtlijsten kinderopvang (decentralisatie-uitkering)

2 700

Drugspilots (decentralisatie-uitkering)

2 694

Koplopers tijdbeleid (decentralisatie-uitkering)

450

Veilige publieke taak (decentralisatie-uitkering)

161

Vrouwenopvang: tijdelijke middelen 2010 (decentralisatie-uitkering)

1 900

Winkelstraatmanagement (decentralisatie-uitkering)

1 418

Polarisatie en radicalisering tranche 2010 (decentralisatie-uitkering)

3 040

Knelpunten inburgering (decentralisatie-uitkering)

47 475

Instapcursussen inburgering (decentralisatie-uitkering)

52

Mannenopvang

400

Impuls Brede Scholen 2010 (OCW-deel) (decentralisatie-uitkering)

– 47

Impuls Brede Scholen 2010 (VWS-deel) (decentralisatie-uitkering)

362

Herstructurering bedrijventerreinen (decentralisatie-uitkering)

15 000

Bodemsanering (decentralisatie-uitkering)

6 640

Bedrijventerreinen: Topperprojecten (decentralisatie-uitkering)

18 360

Onderzoek BCF en schartkistbankieren (Kosten Financiële-verhoudingswet)

– 160

Totaal nieuwe mutaties

166 026

Totaal mutaties (uitgaven = verplichtingen)

209 068

2.2. Het beleidsartikel

In onderstaande tabel worden voor de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten de budgettaire gevolgen van beleid van het gemeentefonds weergegeven. Hiermee worden de integrale uitgaven die samenhangen met de samengestelde beleidsdoelstelling (het nastreven van een adequate omvang van het gemeentefonds en het nastreven van een adequate verdeling van de middelen over de gemeenten) inzichtelijk gemaakt.

Tabel B1: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 

Stand ontwerpbegroting 2010

(1)

Mutaties 1ste suppletore begroting 2010

(2)

Stand 1ste suppletore begroting 2010

(3)=(1+2)

Mutaties 2de suppletore begroting 2010

(4)

Stand 2de suppletore begroting 2010

(5)=(3+4)

Verplichtingen

18 046 569

355 856

18 402 425

209 068

18 611 493

Uitgaven:

18 046 569

375 098

18 421 667

209 068

18 630 735

      

Apparaatsuitgaven

     

1. Kosten Financiële-verhoudingswet

2 091

929

3 020

– 160

2 860

2. Kosten Waarderingskamer

1 158

170

1 328

0

1 328

3. Budget A+O-fonds

5 996

0

5 996

0

5 996

4. Bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten

1 000

0

1 000

0

1 000

5. Bijdrage gemeenten inzake KING

0

6 436

6 436

0

6 436

      

Programma-uitgaven

     

1. Algemene uitkeringen en de aanvullende uitkeringen

15 626 986

145 940

15 772 926

21 299

15 794 225

2. Integratie-uitkeringen

1 682 201

– 34 742

1 647 459

0

1 647 459

3. Decentralisatie-uitkeringen

727 137

256 365

983 502

187 929

1 171 431

      

Ontvangsten:

18 046 569

375 098

18 421 667

209 068

18 630 735

      

Apparaatsontvangsten

     

1. Terugontvangsten Waarderingskamer

   

149

149

      

Programma-ontvangsten

     

1. Ontvangsten ex art. 4. Fvw

18 046 569

375 098

18 421 667

208 919

18 630 586

3. HET VERDIEPINGSHOOFDSTUK

3. Integratie-uitkeringen

In tabel B5 is een overzicht opgenomen van de integratie-uitkeringen.

Tabel B5: Overzicht integratie-uitkeringen gemeentefonds 2010 (x € 1 000)

Omschrijving

2010

Integratie-uitkering begroting 2010:

 

WMO

1 626 600

Amendement De Pater

25 000

WUW-middelen

16 061

Tijdelijke stimuleringsregeling intensivering en controle (TSIOC)

9 690

Regionale Platforms Fraudebestrijding

2 006

Correctie waterschapswegen (knelpunten verdeelproblematiek)

2 844

Ondersteuning bibliotheken

0

Subtotaal

1 682 201

  

Nog niet eerder opgenomen in een begroting:

 

WMO: nominale indexatie 2009 huishoudelijke hulp

– 5 100

WMO: dure woningaanpassingen

6 000

WMO: nominale indexatie 2009 voormalige Awbz subsidieregelingen

4 700

WMO: toevoeging i.v.m dure woningaanpassingen

3 000

Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2009

7 667

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ

6 400

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ

– 102 000

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ nadeelgemeenten

34 000

Ondersteuning bibliotheken

5 791

WMO: vergoeding voor uitvoeringskosten Wtcg

2 800

WMO: bijstelling raming compensatiekosten Wtcg

2 000

Subtotaal

– 34 742

Totaal:

1 647 459

3.1. Opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de 1 suppletore begroting

Verplichtingen

Het verplichtingenbedrag voor het totaal van de algemene uitkeringen en de aanvullende uitkeringen, zoals opgenomen in artikel 3 van dit wetsvoorstel, bedraagt € 15 783 143 000. Normaliter is dit bedrag opgebouwd uit het bedrag dat als verplichting geldt voor het totaal van de algemene uitkeringen en de aanvullende uitkeringen en de behoedzaamheidreserve (€ 208 739 000). Echter, door het tijdelijk buitenwerking stellen van de normeringssystematiek en de daarbij behorende tijdelijke afschaffing van de behoedzaamheidsreserve is het verplichtingenbedrag voor het totaal van de algemene uitkeringen en de aanvullende uitkeringen, zoals opgenomen in artikel 3 van dit wetsvoorstel, gelijk aan het bedrag dat als verplichting geldt voor het totaal van de algemene uitkeringen en de aanvullende uitkeringen.

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de verplichtingen van het gemeentefonds voor het jaar 2010 met € 209 068 000 te verhogen en te brengen op € 18 611 493 000.

De toelichting bij de mutaties, welke nog niet eerder zijn opgenomen in een begrotingsstuk, die onderdeel vormen van het bedrag van € 209 068 000 dat in tabel B2 is vermeld, wordt gegeven in paragraaf 3.2.

Tabel B2: Opbouw verplichtingenbedrag 2010 (x € 1 000)

Stand ontwerpbegroting 2010

 

18 046 569

Mutaties 1ste suppletore begroting 2010

 

355 856

Stand 1ste suppletore begroting 2010

 

18 402 425

Mutaties opgenomen in Ontwerpbegroting 2011 als Voorlopige Uitkomsten 2010

 

43 042

   

Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:

  

Jeugdwerkloosheid 2e tranche (decentralisatie-uitkering)

40 200

 

Tegemoetkoming pilot loondispensatie (decentralisatie-uitkering)

5 880

 

Krimp (decentralisatie-uitkering)

16 250

 

Nationaal actieplan sport en bewegen (decentralisatie-uitkering)

651

 

Bevordering arbeidsparticipatie alleenstaande ouders (decentralisatie-uitkering)

2 600

 

Wachtlijsten kinderopvang (decentralisatie-uitkering)

2 700

 

Drugspilots (decentralisatie-uitkering)

2 694

 

Koplopers tijdbeleid (decentralisatie-uitkering)

450

 

Veilige publieke taak (decentralisatie-uitkering)

161

 

Vrouwenopvang: tijdelijke middelen 2010 (decentralisatie-uitkering)

1 900

 

Winkelstraatmanagement (decentralisatie-uitkering)

1 418

 

Polarisatie en radicalisering tranche 2010 (decentralisatie-uitkering)

3 040

 

Knelpunten inburgering (decentralisatie-uitkering)

47 475

 

Instapcursussen inburgering (decentralisatie-uitkering)

52

 

Mannenopvang

400

 

Impuls Brede Scholen 2010 (OCW-deel) (decentralisatie-uitkering)

– 47

 

Impuls Brede Scholen 2010 (VWS-deel) (decentralisatie-uitkering)

362

 

Herstructurering bedrijventerreinen (decentralisatie-uitkering)

15 000

 

Bodemsanering (decentralisatie-uitkering)

6 640

 

Bedrijventerreinen: Topperprojecten (decentralisatie-uitkering)

18 360

 

Onderzoek BCF en schatkistbankieren (Kosten Financiële-verhoudingswet)

– 160

 

Subtotaal

 

166 026

Totaal mutaties 2de suppletore begroting 2010

 

209 068

Stand 2de suppletore begroting 2010

 

18 611 493

Waarvan verplichtingenbedrag Kosten Financiële-verhoudingswet

 

2 860

Waarvan verplichtingenbedrag Kosten Waarderingskamer

 

1 328

Waarvan verplichtingenbedrag Budget A+O-fonds

 

5 996

Waarvan verplichtingenbedrag Bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten

 

1 000

Waarvan verplichtingenbedrag Bijdrage aan gemeenten aan KING

 

6 436

Waarvan verplichtingenbedrag Algemene uitkeringen

 

15 783 143

Waarvan verplichtingenbedrag Integratie-uitkeringen

 

1 639 792

Waarvan verplichtingenbedrag Decentralisatie-uitkeringen

 

1 170 938

Uitgaven

In de onderstaande tabel B3 wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste mutaties die zich in de periode vanaf de ontwerpbegroting 2010 tot en met de tweede suppletore begroting 2010 hebben voorgedaan in de uitgaven. De weergegeven mutaties, welke nog niet eerder zijn opgenomen in een begrotingsstuk, worden in paragraaf 3.2 afzonderlijk toegelicht.

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de uitgaven van het gemeentefonds voor het jaar 2010 met € 209 068 000 te verhogen en te brengen op € 18 630 735 000.

Tabel B3: Opbouw uitgavenbedrag 2010 (x € 1 000)

Stand ontwerpbegroting 2010

 

18 046 569

Mutaties 1ste suppletore begroting 2010

 

375 098

Stand 1ste suppletore begroting 2010

 

18 421 667

Mutaties opgenomen in Ontwerpbegroting 2011 als Voorlopige Uitkomsten 2010

 

43 042

   

Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:

  

1) Jeugdwerkloosheid 2e tranche (decentralisatie-uitkering)

40 200

 

2) Tegemoetkoming pilot loondispensatie (decentralisatie-uitkering)

5 880

 

3) Krimp (decentralisatie-uitkering)

16 250

 

4) Nationaal actieplan sport en bewegen (decentralisatie-uitkering)

651

 

5) Bevordering arbeidsparticipatie alleenstaande ouders (decentralisatie-uitkering)

2 600

 

6) Wachtlijsten kinderopvang (decentralisatie-uitkering)

2 700

 

7) Drugspilots (decentralisatie-uitkering)

2 694

 

8) Koplopers tijdbeleid (decentralisatie-uitkering)

450

 

9) Veilige publieke taak (decentralisatie-uitkering)

161

 

10) Vrouwenopvang: tijdelijke middelen 2010 (decentralisatie-uitkering)

1 900

 

11) Winkelstraatmanagement (decentralisatie-uitkering)

1 418

 

12) Polarisatie en radicalisering tranche 2010 (decentralisatie-uitkering)

3 040

 

13) Knelpunten inburgering (decentralisatie-uitkering)

47 475

 

14) Instapcursussen inburgering (decentralisatie-uitkering)

52

 

15) Mannenopvang

400

 

16a) Impuls Brede Scholen 2010 (OCW-deel) (decentralisatie-uitkering)

– 47

 

16b) Impuls Brede Scholen 2010 (VWS-deel) (decentralisatie-uitkering)

362

 

17) Herstructurering bedrijventerreinen (decentralisatie-uitkering)

15 000

 

18) Bodemsanering (decentralisatie-uitkering)

6 640

 

19) Bedrijventerreinen: Topperprojecten (decentralisatie-uitkering)

18 360

 

20) Onderzoek BCF en schatkistbankieren (Kosten Financiële-verhoudingswet)

– 160

 
  

166 026

Totaal mutaties 2de suppletore begroting 2010

 

209 068

Stand 2de suppletore begroting 2010

 

18 630 735

Waarvan uitgavenbedrag Kosten Financiële-verhoudingswet

 

2 860

Waarvan uitgavenbedrag Kosten Waarderingskamer

 

1 328

Waarvan uitgavenbedrag Budget A+O-fonds

 

5 996

Waarvan uitgavenbedrag Bijdrage aan VNG inzake WOZ-kosten

 

1 000

Waarvan uitgavenbedrag Bijdrage aan gemeenten aan KING

 

6 436

Waarvan uitgavenbedrag Algemene uitkeringen

 

15 794 225

Waarvan uitgavenbedrag Integratie-uitkeringen

 

1 647 459

Waarvan uitgavenbedrag Decentralisatie-uitkeringen

 

1 171 431

Ontvangsten

Sinds de invoering van de Financiële-verhoudingswet zijn de uitgaven en de inkomsten op grond van artikel 4 van die wet over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting van het gemeentefonds voor 2010 worden de ontvangsten, analoog aan de uitgaven, met € 209 068 000 verhoogd en gebracht op € 18 630 735 000.

3.2. Toelichting op de nog niet eerder opgenomen mutaties

1) Jeugdwerkloosheid 2e tranche (decentralisatie-uitkering)

Om de jeugdwerkloosheid te bestrijden heeft het kabinet onder meer met 30 regiogemeenten met Werkplein Plus-vestigingen convenanten afgesloten om op regionaal niveau uitvoering te geven aan het Actieplan Jeugdwerkloosheid. Voor 2010 is er uit het stimuleringspakket uit het aanvullend beleidsakkoord in totaal € 70 miljoen beschikbaar voor de 30 regiogemeenten. Hiervan is € 30 miljoen verdeeld op basis van het aantal schoolverlaters en aantal jeugdwerklozen in de regio. Dit bedrag is bij 1e suppletore begroting 2010 aan het gemeentefonds toegevoegd. Het resterende bedrag voor 2010 van € 40 miljoen is afhankelijk gesteld van de behaalde resultaten in de regio’s (aantal plaatsingen op banen, leerwerkbanen en stages door gemeenten en UWV) en wordt nu bij 2e suppletore begroting 2010 toegevoegd aan het gemeentefonds.

2) Tegemoetkoming pilot loondispensatie (decentralisatie-uitkering)

In de pilot loondispensatie krijgen gemeenten de mogelijkheid het instrument loondispensatie in te zetten voor hun inwoners van 23 jaar en ouder die bijstand ontvangen op grond van de WWB of een inkomensvoorziening op grond van de WIJ, en die langdurig / structureel verminderd arbeidsproductief zijn als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke, psychische of psychosociale beperking. De deelnemende gemeenten krijgen een tegemoetkoming in de uitvoeringskosten voor de genoemde pilot. Het is een tegemoetkoming in de kosten en is geen volledige vergoeding van alle door de gemeente gemaakte kosten in het kader van deelname aan de pilot. In totaal ontvangen de deelnemende gemeenten € 5,88 miljoen in 2010.

3) Krimp (decentralisatie-uitkering)

Met het interbestuurlijk actieplan bevolkingsdaling «Krimpen met kwaliteit» geven VNG, IPO en Rijk richting aan een gezamenlijke beleidsaanpak van bevolkingsdaling. Naast een gezamenlijke analyse van de problematiek worden concrete acties aangekondigd. Daarbij zijn in eerste instantie vooral gemeenten aan zet. In het actieplan zijn de volgende regio’s als krimpregio aangemerkt: Parkstad Limburg, Eemsdelta en Zeeuws-Vlaanderen. Ter voorkoming van de verwachte structurele leegstand tussen 2010 en 2020 stelt het Rijk voor de genoemde gebieden eenmalig in 2010 € 31 miljoen ter beschikking. De rijksbijdrage is op basis van bestuurlijke afspraken als volgt verdeeld: Parkstad Limburg en Eemsdelta elk € 14,75 miljoen en Zeeuws-Vlaanderen € 1,5 miljoen. Dit geld wordt in 2010 toegevoegd als decentralisatie uitkering aan het gemeentefonds (voor krimpregio’s Parkstad Limburg en Zeeuws-Vlaanderen) en het provinciefonds (voor krimpregio Eemsdelta).

4) Nationaal actieplan sport en bewegen (decentralisatie-uitkering)

Betreft een toevoeging van € 651 000 aan de decentralisatie-uitkering «Nationaal actieplan sport en bewegen» in 2010. Zie voor een beschrijving van deze decentralisatie-uitkering de 1e suppletore begroting 2009 (Tweede Kamer, Vergaderjaar 2008–2009, 31 965 B, nr. 2).

5) Bevordering arbeidsparticipatie alleenstaande ouders (decentralisatie-uitkering)

Het experiment bevordering arbeidsparticipatie alleenstaande ouders heeft als doel werken in deeltijd financieel aantrekkelijk te maken voor sollicitatieplichtige alleenstaande ouders. Met het experiment wordt beoogd inzicht te krijgen in de mate waarin een aantal maatregelen, al dan niet in combinatie, de doeltreffendheid van de arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders stimuleert, wat betreft de toetreding tot de arbeidsmarkt, de stabiliteit van de arbeidsinschakeling en de uitstroom uit de bijstand. De deelnemende gemeenten zetten daartoe de volgende instrumenten in: een inkomstenvrijlating gerelateerd aan het aantal gewerkte uren, scholing in combinatie met werken, een bonus voor die scholing, een uitstroompremie en (in een aantal gemeenten) een arbeidspool. Voor dit experiment ontvangen de deelnemende gemeenten € 2,6 miljoen in 2010.

6) Wachtlijsten kinderopvang (decentralisatie-uitkering)

Gemeenten met meer dan 100 000 inwoners, die werk willen maken van het inkorten van hun wachtlijsten in de kinderopvang, ontvangen daarvoor onder voorwaarden een financiële ondersteuning van het Rijk van in totaal maximaal € 2,7 miljoen voor de gemeenten samen. In totaal kunnen maximaal 20 gemeenten een convenant afsluiten met het Rijk. De uitbetaling vindt plaats via een decentralisatie-uitkering in het gemeentefonds.

7) Drugspilots (decentralisatie-uitkering)

In de hoofdlijnenbrief Drugs van het kabinet aan de Tweede Kamer wordt een traject van pilots met gemeenten voorgesteld gericht op het tegengaan van overlast door of vanwege coffeeshops. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Wonen, Wijken en Integratie hebben voor de jaren 2010 en 2011 een bedrag beschikbaar gesteld via het gemeentefonds ter vermindering van overlast en verloedering gerelateerd aan coffeeshops. De pilots zullen onder regie van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden begeleid en geëvalueerd. In totaal wordt via het gemeentefonds € 2,694 miljoen uitgekeerd aan de deelnemende gemeenten.

8) Koplopers tijdbeleid (decentralisatie-uitkering)

Het kabinet wil de combinatie van werk en privé beter mogelijk maken, ondermeer door meer flexibiliteit in openings- en arbeidstijden en door uitbreiding van plaatsonafhankelijke dienstverlening. Gemeenten en provincies spelen een belangrijke rol bij tijdbeleid. De minister van OCW heeft in juni 2007 en mei 2008 bestuurlijke afspraken over tijdbeleid gemaakt met een aantal provincies en gemeenten. Deze «koplopers» ambiëren een verdergaande rol in het organiseren van een flexibel aanbod van dienstverlening in de eigen provincie of gemeente. Zij kijken niet alleen naar de wensen voor bijstelling van de eigen dienstverlening, maar gaan ook het gesprek aan met zorg- en dienstverleners binnen de gemeente. In 2010 wordt de groep »koplopers» uitgebreid met negen gemeenten. Deze nieuwe «koplopers» worden voor het invullen van de voorbeeldrol ondersteund met een eenmalige financiële bijdrage van € 50 000 per gemeente.

9) Veilige publieke taak (decentralisatie-uitkering)

Het programma Veilige Publieke Taak stimuleert een effectieve aanpak van agressie en geweld door werkgevers met een publieke taak. Het Rijk voorziet ook op lokaal niveau in een gedeeltelijke financiering van de totstandkoming, invoering en borging van veiligheidsbeleid op het gebied van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. De wijze van ondersteuning en stimulering van de aanpak op lokaal niveau geschiedt via het gemeentefonds in de vorm van een decentralisatie-uitkering Veilige publieke taak. In 2010 wordt aan negen gemeenten in totaal € 161 000 uitgekeerd voor het uitvoeren van de door hen ingediende veiligheidsprojecten.

10) Vrouwenopvang: tijdelijke middelen 2010 (decentralisatie-uitkering)

In het kader van de beleidsbrief «Beschermd en weerbaar» ontvangen gemeenten in 2010 € 1,9 miljoen voor vrouwenopvang. Deze middelen zijn bedoeld voor de voorbereiding op de voorgenomen invoering van de Wet meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en voor het versterken van de regierol bij de uitvoering van de Wet tijdelijk huisverbod.

11) Winkelstraatmanagement (decentralisatie-uitkering)

Winkelstraatmanagement heeft als doel winkelgebieden veiliger en leefbaarder te maken en daardoor de economische positie van winkeliers te verbeteren. Om dit realiseren wordt een winkelstraatmanager aangesteld. Hiervoor ontvangen de deelnemende gemeenten 1,418 miljoen via een decentralisatie-uitkering uit het gemeentefonds.

12) Polarisatie en radicalisering tranche 2010 (decentralisatie-uitkering)

Op 27 augustus 2007 heeft het kabinet het actieplan Polarisatie en Radicalisering aan de Tweede Kamer aangeboden. Belangrijkste onderdeel van dit actieplan is ondersteuning en stimulering van de aanpak van polarisatie en radicalisering op lokaal niveau. De wijze van ondersteuning en stimulering van de aanpak op lokaal niveau geschiedt via het gemeentefonds in de vorm van een decentralisatie-uitkering polarisatie en radicalisering. In 2010 wordt deze aan 26 gemeenten uitgekeerd voor een totaalbedrag van € 3,04 miljoen. Hiermee worden 85 gemeenten bereikt, aangezien een aantal gemeenten van de mogelijkheid gebruik hebben gemaakt om namens meerdere gemeenten een plan van aanpak in te dienen.

13) Knelpunten inburgering (decentralisatie-uitkering)

Betreft extra middelen voor inburgering om met name meer vrijwillige inburgeraars voor het aanbod te interesseren. Hiervoor wordt in 2010 via een decentralisatie-uitkering in het gemeentefonds € 47,475 miljoen aan de betreffende gemeenten overgemaakt.

14) Instapcursussen inburgering (decentralisatie-uitkering)

Dit betreft een overboeking van € 52 000 voor de gemeenten Nieuwkoop, Kaag en Braassem en Ridderkerk van het ministerie van WWI inzake extra middelen voor de organisatie door gemeenten van instapcursussen die voorafgaan aan het inburgeringtraject. Het is een concretisering van de door de minister van WWI aangekondigde maatregel in zijn brief van 25 augustus 2009 aan de Tweede Kamer. De groep van gemeenten in kwestie ontvangen de middelen via een decentralisatie-uitkering. De middelen voor de overige gemeenten zijn reeds bij 1e suppletore begroting 2010 overgeboekt.

15) Mannenopvang

In het kader van de uitbreiding van de pilot mannenopvang eergerelateerd geweld wordt voor 2010 € 400 000 aan het gemeentefonds toegevoegd. Daarvoor worden bedden beschikbaar gesteld aan mannen die ernstige dreiging ondervinden van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Bij ontwerpbegroting 2010 was voor dit doel al € 800 000 toegevoegd aan het gemeentefonds.

16) Impuls Brede Scholen 2010 (decentralisatie-uitkering)

Het gemeentefonds wordt incidenteel met € 315 000 verhoogd ten gunste van de gemeenten Dronten, Etten-Leur, Hof van Twente, Koggenland, Leudal, Medemblik, Midden-Drente, Opsterland, Oude IJsselstreek en Waalwijk. Dat is een correctie in verband met de afspraak dat gemeenten die geen deel meer nemen aan de regeling, voor het jaar waarin zij uitstappen uit de Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur de middelen voor het gehele jaar ontvangen.

17) Herstructurering bedrijventerreinen (decentralisatie-uitkering)

Het gemeentefonds wordt bij 2e suppletore begroting 2010 met in totaal € 15 miljoen incidenteel verhoogd ten gunste van twee gemeenten (Soesterberg en Veendam). Dit naar aanleiding van en conform de Motie Van Heugten (Kamerstuknummer 31 700 XI, nummer 16 herdruk) betreffende de herstructurering van bedrijventerreinen. Randvoorwaarden hierbij zijn dat de medeoverheden voor tenminste een gelijkwaardig bedrag mee investeren en dat het project binnen drie jaar tot uitvoering komt.

18) Bodemsanering (decentralisatie-uitkering)

Met ingang van 1 januari 2010 wordt een deel van het bodemsaneringsbudget uitgekeerd aan gemeenten via de decentralisatie-uitkering Bodemsanering in het gemeentefonds.

  • a) Het «Convenant bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties» wordt in de periode 2010 tot en met 2014 in uitvoer gebracht door een uitvoeringsprogramma. De projectmiddelen van het uitvoeringsprogramma worden voor de jaren 2010 en 2011 door de gemeenten en provincies gedragen. De totale projectmiddelen van het uitvoeringsprogramma worden dan ook op basis van de verdeelsleutel «Apparaatskostenvergoeding» op de originele budgetverdeling in mindering gebracht. Het betreft een totaalbedrag voor de gemeenten van € 160 000. € 60 000 in 2010 en € 100 000 in 2011.

  • b) Ten behoeve van de knelpunten grondwatersanering Paleiskwartier Den Bosch en de pilot Botlek Rotterdams havengebied wordt in totaal € 6,7 miljoen in 2010 toegevoegd aan het gemeentefonds.

19) Bedrijventerreinen: Topperprojecten (decentralisatie-uitkering)

Voor de decentralisatie van een aantal Topperprojecten wordt het gemeentefonds eenmalig met € 18,36 miljoen verhoogd. Het doel van de Topperprojecten is de behoefteraming, de planning, de regionale samenwerking op het gebied van en de kwaliteit van en op bedrijventerreinen te verbeteren en daarnaast om bestaande bedrijventerreinen te herstructureren.

20) Onderzoek BCF en schatkistbankieren (Kosten Financiële-verhoudingswet)

De kosten van in totaal € 160 000 voor de evaluatie van het BTW-compensatiefonds en het onderzoek naar schatkistbankieren worden uit het onderzoeksartikel «Kosten Financiële-verhoudingswet» betaald.

3.3. Integratie-uitkeringen

Als een toevoeging aan de algemene uitkering van het gemeentefonds in één keer bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten wordt normaliter gesproken een integratie-uitkering toegepast. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang van specifieke uitkering of eigen inkomsten naar de algemene uitkering. In tabel B4 wordt een overzicht gegeven van de integratie-uitkeringen in 2010.

Tabel B4: Overzicht integratie-uitkeringen gemeentefonds (x € 1000)
 

2010

Ontwerpbegroting 2010:

 

WMO

1 626 600

Amendement De Pater

25 000

WUW-middelen

16 061

Tijdelijke stimuleringsregeling intensivering en controle (TSIOC)

9 690

Regionale Platforms Fraudebestrijding

2 006

Ondersteuning bibliotheken

 

Waterschapswegen (knelpunten verdeelproblematiek)

2 844

Stand ontwerpbegroting 2010

1 682 201

1ste suppletore begroting 2010:

 

WMO: nominale indexatie 2009 huishoudelijke hulp

– 5 100

WMO: dure woningaanpassingen

6 000

WMO: nominale indexatie 2009 voormalige Awbz subsidieregelingen

4 700

WMO: toevoeging i.v.m dure woningaanpassingen

3 000

Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2009

7 667

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ

6 400

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ

– 102 000

WMO: compensatie pakketmaatregel AWBZ nadeelgemeenten

34 000

WMO: vergoeding voor uitvoeringskosten Wtcg

2 800

WMO: bijstelling raming compensatiekosten Wtcg

2 000

Ondersteuning bibliotheken

5 791

Stand 1ste suppletore begroting 2010

1 647 459

Mutaties opgenomen in Ontwerpbegroting 2011 als Voorlopige Uitkomsten 2010:

 
  

2de suppletore begroting 2010:

 

Stand 2de suppletore begroting 2010

1 647 459

3.4. Decentralisatie-uitkeringen

Binnen het gemeentefonds bestaat naast de algemene uitkering en de integratie-uitkering ook de decentralisatie-uitkering. De verdeling van de decentralisatie-uitkering volgt evenmin als de integratie-uitkering de regels van de verdeling van de algemene uitkering van het gemeentefonds. Anders dan bij de integratie-uitkering, waar de termijn van overheveling naar de algemene uitkering van tevoren vaststaat, ontbreekt bij de decentralisatie-uitkering een dergelijke termijn. Dat maakt de uitkering geschikt voor de overheveling van specifieke uitkeringen, ook als die termijn nog niet bekend is. Ook maakt het de uitkering geschikt voor middelen die slechts tijdelijk beschikbaar zijn. In tabel B5 is een overzicht opgenomen van de decentralisatie-uitkeringen in 2010.

Tabel B5: Overzicht decentralisatie-uitkeringen gemeentefonds (x € 1000)
 

2010

Ontwerpbegroting 2010:

 

Aanpak kindermishandeling

2 916

Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (Justitie-deel)

5 400

Beeldende kunst en vormgeving

13 500

Bevorderen maatschappelijke participatie vrouwen uit etnische minderheden

950

Bewonersinitiatieven wijken G18

15 000

Bewonersinitiatieven wijken G31

9 300

Budget 40+ wijken

30 000

Innovatietrajecten: Deltaplan inburgering

1 400

Koplopers regeling homo emancipatiebeleid

440

Maatregelen psychosociaal in AWBZ

6 800

Ondersteuning bibliotheken

5 791

Overheveling BDU SIV: gezond in de stad

5 000

Overheveling BDU SIV: leefbaarheid en veiligheid (BZK-deel)

31 990

Overheveling BDU SIV: leefbaarheid en veiligheid (WWI-deel)

57 566

Overheveling BDU SIV: maatschappelijke opvang

289 211

Overheveling BDU SIV: onderwijsachterstandenbeleid

164 632

Pilot gemengde scholen

750

Polarisatie en radicalisering

255

Regeling cultuurparticipatie

5 785

Regeling taalcoaches G50

843

Regeling taalcoaches overig

1 836

Sport en bewegen

3 882

Stimulering lokaal klimaatbeleid (SLOK)

15 390

Wijkactieplannen

58 500

Stand ontwerpbegroting 2010

727 137

1ste suppletore begroting 2010:

 

Spoorse doorsnijdingen

33 709

Herbestemming aandachtswijken

1 602

Polarisatie en radicalisering tranche 2009

588

Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (WWI-deel)

7 000

Koplopers regeling homo emancipatiebeleid: toevoeging

40

Alle troeven in handen

700

Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2009

493

Spoorse doorsnijdingen 2e tranche aanvulling

3 612

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ

– 6 800

Versterking peuterspeelzaalwerk

35 000

Overheveling BDU SIV: jeugd

21 780

Bodemsanering

25 765

Ondersteuning bibliotheken

– 5 791

Leefbaarheid en veiligheid: inzet straatcoaches Culemborg

150

Maatschappelijke opvang: aanpassing budget

8 317

Toezicht Drank & Horecawet (BZK-deel)

1 088

Toezicht Drank & Horecawet (VWS-deel)

1 087

Praktijkteam Zaltbommel

100

Jeugdwerkloosheid 2010 1e tranche

30 000

Leefbaarheid en veiligheid: toevoeging middelen Gouda

300

Herstructurering bedrijventerreinen

10 000

Uitvoeringskosten inburgering

10 440

Antillianengemeenten

4 485

Instapcursussen Inburgering

14 159

Impuls Brede Scholen 1e en 2e tranche 2010 (VWS-deel)

11 153

Impuls Brede Scholen 1e en 2e tranche 2010 (OCW-deel)

5 210

Hogeschool Almere

10 000

Vadercentra

699

Emancipatie 1 001 kracht

900

Regiospecifiekpakket Zuiderzeelijn

13 039

Overheveling BDU SIV: Onderwijsachterstandenbeleid nabetaling

8 579

Rolstoelvoorzieningen Arnhem

1 400

Sport en bewegen

4 134

Uitvoeringskosten WWIK

3 427

Stand 1ste suppletore begroting 2010

983 502

Mutaties opgenomen in Ontwerpbegroting 2011 als Voorlopige Uitkomsten 2010:

 

Pilots gemengde scholen

50

Herbestemming aandachtswijken 2e tranche

400

Maatschappelijke opvang: aanpassing budget

10 300

Impuls Brede Scholen 3e tranche en correctie 1e en 2e tranche 2010 (VWS-deel)

7 766

Impuls Brede Scholen 3e tranche en correctie 1e en 2e tranche 2010 (OCW-deel)

3 627

  

2de suppletore begroting 2010:

 

Jeugdwerkloosheid 2e tranche

40 200

Tegemoetkoming pilot loondispensatie

5 880

Krimp

16 250

Nationaal actieplan sport en bewegen

651

Bevordering arbeidsparticipatie alleenstaande ouders

2 600

Wachtlijsten kinderopvang

2 700

Drugspilots

2 694

Koplopers tijdbeleid

450

Veilige publieke taak

161

Vrouwenopvang: tijdelijke middelen 2010

1 900

Winkelstraatmanagement

1 418

Polarisatie en radicalisering tranche 2010

3 040

Knelpunten inburgering

47 475

Instapcursussen inburgering

52

Impuls Brede Scholen 2010 (OCW-deel)

– 47

Impuls Brede Scholen 2010 (VWS-deel)

362

Herstructurering bedrijventerreinen

15 000

Bodemsanering

6 640

Bedrijventerreinen: Topperprojecten

18 360

Stand 2de suppletore begroting 2010

1 171 431

4. Decentralisatie-uitkeringen

In tabel B6 is een overzicht opgenomen van de decentralisatie-uitkeringen.

Tabel B6: Overzicht decentralisatie-uitkeringen gemeentefonds 2010 (x € 1 000)

Omschrijving

2010

Decentralisatie-uitkering begroting 2010:

 

Beeldende kunst en vormgeving

13 500

Wijkactieplannen

58 500

Bewonersinitiatieven wijken G31

9 300

Bewonersinitiatieven wijken G18

15 000

Regeling taalcoaches G50

843

Polarisatie en radicalisering

255

Pilot gemengde scholen

750

Bevorderen maatschappelijke participatie vrouwen uit etnische minderheden

950

Correctie aanpak kindermishandeling

2 916

Koplopers regeling homo emancipatiebeleid

440

Sport en bewegen

3 882

Stimulering lokaal klimaatbeleid (SLOK)

15 390

Ondersteuning bibliotheken

5 791

Regeling taalcoaches overig

1 836

Innovatietrajecten: Deltaplan inburgering

1 400

Regeling cultuurparticipatie

5 785

Overheveling BDU SIV: leefbaarheid en veiligheid (WWI-deel)

57 566

Overheveling BDU SIV: leefbaarheid en veiligheid (BZK-deel)

31 990

Overheveling BDU SIV: maatschappelijke opvang

289 211

Overheveling BDU SIV: onderwijsachterstandenbeleid

164 632

Overheveling BDU SIV: gezond in de stad

5 000

Budget 40+ wijken

30 000

Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (Justitie-deel)

5 400

Maatregelen psychosociaal in AWBZ

6 800

Subtotaal

727 137

  

Nog niet eerder opgenomen in een begroting:

 

Spoorse doorsnijdingen

33 709

Herbestemming aandachtswijken

1 602

Polarisatie en radicalisering tranche 2009

588

Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (WWI-deel)

7 000

Koplopers regeling homo emancipatiebeleid: toevoeging

40

Alle troeven in handen

700

Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2009

493

Spoorse doorsnijdingen 2e tranche aanvulling

3 612

WMO: maatregelen psychosociaal in AWBZ

– 6 800

Versterking peuterspeelzaalwerk

35 000

Overheveling BDU SIV: jeugd

21 780

Bodemsanering

25 765

Ondersteuning bibliotheken

– 5 791

Leefbaarheid en veiligheid: inzet straatcoaches Culemborg

150

Maatschappelijke opvang: aanpassing budget

8 317

Toezicht Drank & Horecawet (BZK-deel)

1 088

Toezicht Drank & Horecawet (VWS-deel)

1 087

Praktijkteam Zaltbommel

100

Jeugdwerkloosheid 2010 1e tranche

30 000

Leefbaarheid en veiligheid: toevoeging middelen Gouda

300

Herstructurering bedrijventerreinen

10 000

Uitvoeringskosten inburgering

10 440

Antillianengemeenten

4 485

Instapcursussen Inburgering

14 159

Impuls Brede Scholen 1e en 2e tranche 2010 (VWS-deel)

11 153

Impuls Brede Scholen 1e en 2e tranche 2010 (OCW-deel)

5 210

Hogeschool Almere (decentralisatie-uitkering)

10 000

Vadercentra

699

Emancipatie 1001 kracht

900

Regiospecifiekpakket Zuiderzeelijn

13 039

Overheveling BDU SIV: Onderwijsachterstandenbeleid nabetaling

8 579

Rolstoelvoorzieningen Arnhem

1 400

Sport en bewegen

4 134

Uitvoeringskosten WWIK

3 427

Subtotaal

256 365

Totaal:

983 502

Licence