Base description which applies to whole site

IXA Nationale Schuld

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2010 wijzigingen aan te brengen in de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA).

De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De minister van Financiën,

J. C. de Jager

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave blz.

A.Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel2
   
B.Begrotingstoelichting3
   
1.Leeswijzer3
   
2.Het beleid4
   
2.1De beleidsagenda6
2.2De beleidsartikelen7
2.2.1Financiering staatsschuld7
2.2.2Kasbeheer12
   
2.3Het niet-beleidsartikel18
2.3.1Nominaal en onvoorzien18
   
3Bedrijfsvoeringsparagraaf19
   
4Verdiepingshoofdstuk20
4.1Financiering staatsschuld20
4.2Kasbeheer21
4.3Nominaal en onvoorzien24
   
5Bijlagen25
5.1Lijst met afkortingen25
5.2Begrippenlijst25

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat van Nationale Schuld)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van Nationale Schuld voor het jaar 2010 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2010. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2010.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2010 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister van Financiën,

W. J. Bos

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Algemeen

De begroting Nationale Schuld (IXA) behandelt de schuld van de Nederlandse rijksoverheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de schuld die extern wordt gefinancierd, door beleggers zoals banken en pensioenfondsen en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen – via het geïntegreerd middelenbeheer – hebben bij het ministerie van Financiën. De begroting IXA is daarom opgebouwd uit twee beleidsartikelen:

1. Financiering staatsschuld

2. Kasbeheer

Het artikel over kasbeheer behandelt naast het geïntegreerd middelenbeheer ook het betalingsverkeer.

Opbouw ontwerpbegroting

De begroting bevat naast dit hoofdstuk (de leeswijzer) nog drie hoofdstukken.

Hoofdstuk twee behandelt het beleid en de twee beleidsartikelen.

De opbouw van de beleidsartikelen is als volgt:

• Algemene beleidsdoelstelling met toelichting;

• Tabel budgettaire gevolgen van beleid inclusief een toelichting op hoofdlijnen. Omdat de verplichtingen op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijkgesteld zijn aan de uitgaven, zijn de verplichtingen hierin niet opgenomen. Gezien de totale omvang van de uitgaven en ontvangsten op de begroting IXA is gekozen voor afronding in miljoenen euro’s;

• Operationele doelstellingen met toelichting;

• Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid.

Hoofdstuk 2 bevat ook de formele paragraaf waarin de loon- en prijsstelling relevant voor hoofdstuk IXA wordt gegeven. Hoofdstuk 3 behelst de bedrijfsvoeringsparagraaf.

Hoofdstuk 4 is het verdiepingshoofdstuk. Hierin worden de gedetailleerde tabellen besproken.

Tot slot geeft hoofdstuk 5 (als bijlage) een lijst met uitleg over de gehanteerde afkortingen en begrippen.

2. HET BELEID

Het ministerie van Financiën is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van het financieringsbeleid, waaronder ook het kasbeheer van het Rijk. In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de rentekosten en de staatsschuld in 2010 en op de belangrijkste mutaties sinds ontwerpbegroting 2009. Daarna wordt stilgestaan bij de beleidsartikelen voor 2010.

De omvang van de staatsschuld ultimo 2010 bedraagt naar verwachting circa € 328 mld., ofwel 56,6% van het BBP. De raming voor de rentekosten in 2010 bedraagt € 11,1 mld. Dit komt overeen met ongeveer 1,9% BBP. Tabel 1 geeft een overzicht van de gerealiseerde respectievelijk verwachte staatsschuld aan het einde van ieder jaar, alsmede de daarbij behorende rentekosten. Ook zijn de rentekosten behorend bij de interne schuldverhouding met aan de schatkist gelieerde instellingen opgenomen.

Tabel 1: Uitstaande staatsschuld en rentekosten (stand ontwerpbegroting 2009 x € 1 mld.)
 200820092010
EMU-schuld347343381
Staatsschuld conform EMU-definitie301294328
Schuldverhouding met Fortisbank NL– 44,3– 9,2– 5,9
Interne schuldverhouding10,5– 7,9– 15,8
    
Rentekosten staatsschuld (artikel 1)9,810,911,1
Rentekosten schuldverhouding Fortis Bank NL– 0,5– 0,6– 0,2
Rentekosten interne schuldverhoudingen1 (artikel 2)0,1– 0,4– 0,4
Rentekosten AOW-spaarfonds1,41,61,8
Rentekosten totaal10,811,512,4

1 Exclusief het AOW-spaarfonds.

In tabel 2 worden de belangrijkste mutaties in de rentekosten vanaf de ontwerpbegroting 2009 weergegeven. De operationele doelstellingen die ten grondslag liggen aan de beleidsmatige mutaties worden toegelicht in 2.2.

Tabel 2: Belangrijkste beleidsmatige mutaties sinds ontwerpbegroting 2009 (x € 1 mln.)
 200920102011201220132014artnr.
Stand ontwerpbegroting 2009111 64411 83812 01012 06211 797  
Mutaties:      1
Renteswaps273208208125120 1
Bijstelling kapitaalmarktberoep3511 2002 5213 9605 638 1
Bijstelling rekenrente– 2 222– 2 065– 2 225– 2 394– 2 741 1
Effect van schulduitgifte2 0151 7091 7571 8672 057 1
Bijstelling rente interne schuldverhoudingen– 601– 555– 729– 854– 1 023 2
Stand ontwerpbegroting 2010111 46112 33513 54314 76615 84816 675 

1 Stand ontwerpbegroting betreft in deze tabel het saldo van de rente-uitgaven en- ontvangsten vermeerderd met het saldo van de overige apparaatuitgaven en -ontvangsten. Dit totale saldo wordt aangeduid als rentekosten. Uitsplitsing vindt plaats in de beleidsartikelen en in de verdiepingsbijlage.

De rentekosten over de staatsschuld zijn aanzienlijk hoger dan eerder geraamd in de begroting van 2009, omdat destijds geen rekening kon worden gehouden met de maatregelen die in het najaar van 2008 noodzakelijk bleken in het kader van de kredietcrisis.

Mutaties in de rentekosten staatsschuld worden veroorzaakt door een aantal factoren. In de eerste plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe ramingen voor het saldo. Als de nieuwe saldoraming tegenvalt ten opzichte van de vorige raming dan stijgen de rentekosten, als de saldoraming meevalt, dalen de rentekosten. In de tweede plaats leiden bijstellingen in de rekenrente tot mutaties in de rentekosten. In de derde plaats ontstaan er mutaties als gevolg van dat deel van de schuld dat in een jaar wordt geherfinancierd. Als de rente waartegen schuld opnieuw wordt uitgegeven en de omvang van de uitgifte afwijken van de in de raming gemaakte veronderstellingen, heeft dit budgettaire consequenties. Tot slot wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe swaps afgesloten in de periode na het verschijnen van de vorige begroting.

De (interne) schuldverhouding van de Staat met de aan de schatkist gelieerde instellingen is aanzienlijk gewijzigd. Dit wordt veroorzaakt door de daling van de rekening courant tegoeden van de sociale fondsen. Als gevolg hiervan is er in 2009 en 2010 sprake van rentebaten voor de Staat.

2.1 De beleidsagenda

Artikel 1: Financiering Staatsschuld

De doelstelling schuldfinanciering tegen zo laag mogelijk rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting is vanaf 2008 vormgegeven met een 7-jaars gecentreerde portefeuille als benchmark. De benchmark vormt het huidige risicokader (de beoogde afruil tussen kosten en risico) en is afgestemd op de verwachting dat de schuldquote (staatsschuld als percentage van het bruto binnenlands produkt) verder zou dalen. In 2008 was door de crisis echter sprake van extra financieringsbehoefte waardoor de staatsschuld is opgelopen. Daarom wordt op dit moment nagegaan of het risicokader nog adequaat is. In 2010 kunnen eventuele aanpassingen worden doorgevoerd.

Artikel 2. Kasbeheer

Schatkistbankieren (geïntegreerd middelenbeheer)

De beleidsdoorlichting schatkistbankieren wordt in september 2009 afgerond. Het eveneens aangekondigde klanttevredenheidsonderzoek maakt deel uit van deze doorlichting. Een rapportage met aanbevelingen zal aangeboden worden aan de Tweede Kamer. Aanbevelingen volgend uit de beleidsdoorlichting zullen betrekking hebben op modaliteiten, voorwaarden en regelgeving en dragen bij aan een verder efficiënt en risicoarm beheer van publiek geld. Uitwerking van de aanbevelingen zal later in 2009 en 2010 opgepakt worden.

Betalingsverkeer

Het betalingsverkeer van de Belastingdienst wordt in 2010 opnieuw aanbesteed. Bij de aanbestedingen wordt gegund op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Onder kwaliteit wordt verstaan: snelle, betrouwbare, volledige en digitale informatie-uitwisseling, een stabiele betaalinfrastructuur, proactief en daadkrachtig account management en goede managementinformatie. Eveneens in 2010 zal het huidige buitenlandse betalingsverkeer van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden geëvalueerd. Bij positief resultaat zal het bestaande contract nog twee jaar doorlopen. In het andere geval wordt er opnieuw aanbesteed. Het overige betalingsverkeer van de departementen is opgenomen in een apart perceel. Dit perceel is in 2008 opnieuw aanbesteed en gegund aan Royal Bank of Scotland (RBS). Evaluatie van deze dienstverlening zal plaatsvinden in 2012.

2.2 De beleidsartikelen

2.2.1 Financiering staatsschuld

2.2.1.1 Algemene beleidsdoelstelling

Algemene doelstelling

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Het risicobeleid is gebaseerd op een zo efficiënt mogelijke financiering van de staatsschuld. Efficiënt wil zeggen tegen zo laag mogelijke kosten, gegeven een aanvaardbaar risico voor de begroting. Op basis van onderzoek1 wordt vanaf 2008 gewerkt met een 7-jaars gecentreerde portefeuille als benchmark. De benchmark is eenduidig gedefinieerd en schrijft voor hoe en tegen welk rendement in theorie zou moeten worden gefinancierd. In de praktijk zal de financiering afwijken van wat de benchmark voorschrijft, omdat de invulling van de werkelijke financiering een combinatie is van gecontinueerd uitgiftebeleid en het gebruik van renteswaps.

Gebruik van de benchmark als stuurvariabele is eenduidig en transparant en prikkelt tot slimme inzet van financieringsinstrumenten. De prestatiemeting komt neer op het beoordelen van de mate warin het Agentschap erin slaagt de benchmark te benaderen. Het gaat dan om zowel de kosten als het risico van een benchmark. Over de prestatie van het Agentschap wordt ex-post gerapporteerd.

Verantwoordelijkheid

De minister van Financiën is eindverantwoordelijk voor schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke kosten onder acceptabel risico voor de begroting.

Externe factoren

Fluctuaties in het renteniveau bepalen mede de rentelasten en het risico op mogelijke mee- of tegenvallers daarin. Met het risico- en financieringsbeleid wordt geprobeerd de kosten en het risico te beperken.

Daarnaast kunnen als gevolg van het algemene budgettaire beleid en de conjunctuur, via het begrotingssaldo, veranderingen optreden in de financieringsbehoefte van de Staat. In het financieringsbeleid wordt door een deel van de schuld te financieren op de geldmarkt getracht een buffer aan te brengen die onverwachte wijzigingen in de financieringsbehoefte kan opvangen.

2.2.1.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3: Budgettaire gevolgen van beleid art.1 Financiering staatsschuld (x € 1 mln.)1
 2008200920102011201220132014
Totaal Uitgaven31 47145 77834 46439 81536 78929 80429 575
        
Totaal Programma-uitgaven31 45845 75534 44139 79336 76729 78229 553
        
Totaal rentelasten schuld10 07910 91911 11012 07513 22714 64016 065
Rentelasten vaste schuld8 3389 0019 65510 65611 82013 26014 685
Rentelasten vlottende schuld1 7401 9181 4551 4191 4071 3801 380
Uitgaven voortijdige beëindiging0000000
        
Aflossing vaste schuld21 37934 83523 33127 71823 54015 14113 488
Mutatie vlottende schuld0000000
        
Totaal Apparaatuitgaven13232323232222
Apparaatuitgaven4665555
Overige kosten schulduitgifte9171717171717
        
Totaal Ontvangsten62 20063 32257 15355 41956 21449 18952 602
        
Totaal Programma- ontvangsten62 20063 32257 15355 41956 21449 18952 602
        
Totaal Rentebaten schuld806679216931585671 157
Rentebaten vaste schuld106000664741 067
Rentebaten vlottende schuld70167921693939390
Ontvangsten voortijdige beëindiging0000000
        
Uitgifte vaste schuld29 09248 09156 93755 32656 05648 62251 445
Mutatie vlottende schuld32 30214 55200000
Openingsbalans0000000

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting op budgettaire gevolgen van beleid

De totale uitgaven en totale ontvangsten zijn opgebouwd uit vier onderdelen. Ten eerste worden rentelasten en rentebaten verantwoord. Ten tweede zijn de aflossing en uitgifte vaste schuld in de tabel opgenomen. Als derde onderdeel is de mutatie vlottende schuld opgenomen. De vierde post betreft de apparaatuitgaven.

Rentelasten en rentebaten

Binnen de rentelasten wordt een onderscheid gemaakt tussen de rentelasten vaste schuld (schuld met een oorspronkelijke looptijd langer dan een jaar), de rentelasten vlottende schuld (korter dan een jaar) en uitgaven voortijdige beëindiging. De grootste post binnen de rentelasten wordt gevormd door de rentelasten over de vaste schuld. De raming hiervoor is opgebouwd uit de rentelasten van bestaande leningen en de rentelasten van nog uit te geven schuld. De wijze waarop deze raming tot stand komt, wordt verder toegelicht in de verdiepingsbijlage. De rentelasten over de vlottende schuld bestaan uit de rentelasten van DTC’s, CP’s en rentelasten vanwege overige kortlopende schulden.

De rentebaten vaste schuld bestaan volledig uit baten samenhangend met renteswaps. De Staat maakt gebruik van deze swaps sinds 2001. Nieuwe swapcontracten en wijzigingen van de raming voor de korte rente kunnen leiden tot een wijziging in deze baten.

De rentebaten vlottende schuld bestaan vooral uit een vergoeding over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van een positief schatkistsaldo. Ook de rentebaten over de tijdelijk overgenomen schulden van Fortis Bank Nederland vallen onder deze rubriek.

Aflossingen en uitgifte vaste schuld

Ieder jaar wordt een deel van de vaste schuld afgelost omdat het einde van de looptijd van leningen wordt bereikt. Daarnaast kan in het lopende jaar op beperkte schaal sprake zijn van vervroegde aflossingen, omdat de Staat een permanente inkoopfaciliteit beschikbaar stelt waarmee beleggers bepaalde oude leningen vroegtijdig kunnen terugverkopen aan de Staat.

De raming van de uitgifte van vaste schuld is opgebouwd uit de raming voor de aflossingen en de raming voor het tekort op kasbasis. Er wordt verondersteld dat de afgeloste schuld weer opnieuw wordt uitgegeven en dat daarnaast extra uitgifte van vaste schuld plaatsvindt om een eventueel begrotingstekort te financieren. In werkelijkheid zal de uitgifte van vaste schuld afwijken van de som van het tekort en de aflossingen, omdat de uit te geven hoeveelheid vaste schuld wordt verkleind of vergroot door de hoeveelheid kortlopende schuld te laten toe- of afnemen. Dit leidt tot een mutatie in de vlottende schuld. Op het moment dat het financieringsplan staatsschuld 2010 wordt gepubliceerd (december 2009) wordt de raming van de uitgifte vaste schuld voor 2010 definitief vastgesteld.

Apparaatuitgaven

De apparaatuitgaven staatsschuld bestaan uit de personele en materiële kosten van het Agentschap van het ministerie van Financiën dat het beheer van de staatsschuld uitvoert. Daarnaast worden hier kosten verantwoord die samenhangen met de uitgifte van schuld. Het grootste deel van deze kosten betreft provisies voor banken die DSL’s afnemen. Vanaf het begrotingsjaar 2010 worden hier ook de kosten voor het betalingsverkeer en het leeuwendeel van de kosten van het schatkistbankieren verantwoord.

Grafiek 1: Budgetflexibiliteit art.1 Financiering staatsschuld

kst-32123-IXA-2-1.gif

Toelichting

Voor de begroting IXA Nationale Schuld is de budgetflexibiliteit zeer gering, omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld. De verplichtingen die opgenomen zijn in de begroting IXA Nationale Schuld zijn daarom op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijk gesteld aan de uitgaven.

De ontvangsten en uitgaven zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot de operationele doelstelling bestaan uit renteontvangsten en rentebetalingen als gevolg van transacties op de geldmarkt en kapitaalmarkt.

2.2.1.3 Operationele doelstelling

Operationele doelstelling

Benaderen van de resultaten van de benchmark door zo efficiënt mogelijk te voorzien in de financieringsbehoefte van de Staat.

Motivering

Om van jaar tot jaar binnen het risicokader zo efficiënt mogelijk te voorzien in de financieringsbehoefte van de Staat en zo de benchmark zo goed mogelijk te benaderen.

Instrumenten

Voor het realiseren van de algemene doelstelling, schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke kosten onder acceptabel risico, kan de Staat een aantal instrumenten inzetten:

• uitgifte van leningen op de kapitaalmarkt: DSL’s;

• uitgifte van leningen op de geldmarkt: DTC’s;

• uitgifte van commercial paper (CP);

• geldmarktdeposito’s;

• renteswaps;

• inkoop van leningen op de kapitaalmarkt.

Elk jaar wordt vastgesteld wat de optimale inzet van instrumenten is. Op de kapitaalmarkt wordt uitgegeven in leningen met looptijden van 3 tot 30 jaar. Afhankelijk van de financieringsbehoefte worden jaarlijks één of meerdere nieuwe leningen uitgegeven. Door de inzet van swaps kan het risico in de portefeuille als gevolg van uitgifte van kapitaalmarktleningen worden bijgestuurd in de richting van de benchmark.

Bij de schuldfinanciering spelen overwegingen ten aanzien van de markt – die indirect bijdragen aan reputatie en lagere kosten – een belangrijke rol.

• Vanuit liquiditeitsoverwegingen is het belangrijk om leningen in voldoende omvang uit te geven;

• Een strip- en destripfaciliteit en ook een repofaciliteit dragen bij aan verhandelbaarheid en liquiditeit van staatsleningen;

• Daarnaast is jaarlijkse uitgifte van een nieuwe eurolening in het 10-jaars segment wenselijk om een volledige rentecurve tot 10 jaar te handhaven;

• Een transparant en consistent uitgiftebeleid wordt door de markt op prijs gesteld;

• Voor de plaatsing van leningen op de markt en het onderhouden van de markt voor staatsleningen wordt nauw samengewerkt met banken (Primary Dealers en Single Market Specialists);

• Door road-shows, presentatie, persberichten en publicaties (o.a. jaarbericht en kwartaalbericht) worden beleggers geïnformeerd (transparant en tijdig);

• Actuele informatie wordt geplaatst op de websitewww.dsta.nl.

Om schommelingen in de financieringsbehoefte te kunnen opvangen moet de geldmarkt voldoende groot zijn. Dit betreft zowel regulering van het schatkistsaldo als opvangen van fluctuaties in kasstromen als gevolg van uitgifte en aflossing van kapitaalmarktleningen. Ook met inkoop van kapitaalmarktleningen kunnen onvoorziene fluctuaties in de financieringsbehoefte worden opgevangen.

Na afloop van elk jaar wordt de prestatie van het Agentschap gespiegeld aan de benchmark. De rendementen waartegen in theorie in enig jaar gefinancierd moet worden zijn gebaseerd op de marktrendementen in dat jaar. Kosten voor de benchmark zijn daarom niet ex-ante vast te stellen.

2.2.1.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

 Onderzoek onderwerpAD of OD*StartAfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting     
Effectenonderzoek ex post     
Overig evaluatieonderzoekHerijking risicomanagementAD/OD20112011 

* AD = Algemene Doelstelling; OD = Operationele Doelstelling.

Het risicokader wordt in principe iedere vier jaar geëvalueerd. In 2009 is een tussentijdse analyse gepland. Zie hiervoor de beleidsagenda.

2.2.2 Kasbeheer

2.2.2.1 Algemene Beleidsdoelstelling

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Om publieke middelen doelmatig te beheren en daarbij financiële risico’s te voorkomen. Dit wordt nader toegelicht in de Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 (Kamerstukken II 2001/02, 28 035, nr. A).

Verantwoordelijkheid

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het beheer van publieke middelen en geldstromen.

Succesfactoren

• De bekendheid met de voordelen van geïntegreerd middelenbeheer bij daarvoor in aanmerking komende instellingen;

• De kwaliteit van de met het bankwezen afgesloten contracten ter afhandeling van het betalingsverkeer van de rijksoverheid.

2.2.2.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 Kasbeheer (x € 1 mln. )1
Algemene beleidsdoelstelling:Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.2008200920102011201220132014
Totaal Uitgaven6 96811 13210 9859 00810 04013 45618 427
        
Totaal Programma-uitgaven6 96611 13210 9859 00810 03913 45618 427
        
Rentelasten2 0481 7122 0672 2712 4872 7162 954
Verstrekte leningen1 9031 9271 5211 6411 8611 2831 274
Mutaties in rekening-courant en deposito’s23 0157 4927 3965 0965 6929 45614 198
Uitgaven bij voortijdige beëindiging0000000
        
Totaal Apparaatuitgaven2000000
        
Totaal Ontvangsten1 1441 5601 6651 9862 4601 8812 075
        
Totaal Programma-ontvangsten1 1431 5601 6651 9862 4601 8812 075
Rentebaten5065096437278089601 204
Ontvangen aflossingen6341 0511 0121 2591 652921870
Mutaties in rekening-courant en deposito’s20000000
Ontvangsten bij voortijdige beëindiging3000000

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

2 De posten uitgaven mutaties in rekening-courant en deposito’s en ontvangsten mutaties in rekening-courant en deposito’s zijn gesaldeerd weergegeven.

Toelichting op budgettaire gevolgen van beleid

Algemeen

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit vijf onderdelen:

(1) rentelasten en rentebaten;

(2) verstrekte leningen en ontvangen aflossingen;

(3) mutaties in rekening-courant en deposito’s;

(4) uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging en

(5) apparaatuitgaven.

Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen aan baten-lastendiensten, rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) en sociale fondsen over de bij het Rijk aangehouden middelen. Daarnaast maakt ook de rentevergoeding aan het AOW spaarfonds deel uit van de rentelasten, hoewel dit uitsluitend de interne boekhouding van het Rijk betreft. De rentebaten bestaan uit renteontvangsten over verstrekte leningen en roodstanden op de rekening courant. Leningen, aflossingen, rekening-courant saldi en deposito’s bepalen de schuldverhouding van het Rijk met de deelnemers van het geïntegreerd middelenbeheer (baten-lastendiensten, RWT’s en de sociale fondsen).

De apparaatuitgaven zijn met ingang van begrotingsjaar 2010 gedeeltelijk overgebracht naar artikel 1. De apparaatuitgaven zoals in tabel 4 opgenomen bevatten onder andere de vergoeding aan banken. Als gevolg van afronding zijn de uitgaven op nul gesteld.

Rentelasten en rentebaten

De saldi op de rekening courant en deposito bepalen samen met de rentetarieven de rente-uitgaven in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer. De rentelasten zullen de komende jaren voor het grootste deel bestaan uit de berekende rentevergoeding over het AOW spaarfonds. Door de jaarlijkse inbreng wordt de omvang van het AOW spaarfonds groter, hetgeen zorgt voor oplopende rentelasten voor de komende jaren.

De rentebaten worden bepaald door de stand van de uitstaande leningen, eventuele roodstand op de rekening courant tegoeden en de rentetarieven. De rentebaten zullen de komende jaren naar verwachting toenemen door oplopende roodstand van de sociale fondsen op hun rekening courant tegoeden.

Verstrekte leningen en aflossingen

De komende jaren zal elk jaar het bedrag dat aan nieuwe leningen wordt verstrekt groter zijn dan het bedrag dat op lopende leningen wordt afgelost. Hierdoor neemt het bedrag aan uitstaande leningen toe, hetgeen leidt tot meer rentebaten voor het Rijk. Dit geldt voor zowel de baten-lastendiensten als voor de RWT’s.

Mutaties in rekening courant en deposito’s

Deelnemers aan het schatkistbankieren kunnen via een rekening courant tegoed of deposito hun middelen aanhouden in de schatkist. Een daling van het rekening courant saldo of van de aangehouden deposito’s vormt een uitgave voor het Rijk, omdat minder middelen in de schatkist worden aangehouden. Andersom geldt dat een stijging van het saldo rekening courant of van de aangehouden deposito’s als ontvangst telt; er worden immers meer middelen in de schatkist aangehouden. Het verwachte verloop van de mutaties voor de komende jaren wordt volledig verklaard door de geraamde ontwikkeling van de rekening courant saldi van de sociale fondsen. De komende jaren zullen de rekening courant saldi van de sociale fondsen dalen, hetgeen leidt tot uitgaven voor het Rijk.

Grafiek 2: Budgetflexibiliteit art.2 Kasbeheer

kst-32123-IXA-2-2.gif

Toelichting

De ontvangsten en uitgaven zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot operationele doelstelling 1 bestaan uit rente-ontvangsten over aan baten-lastendiensten en RWT’s verstrekte leningen respectievelijk uit rentebetalingen over door baten-lastendiensten, RWT’s en sociale fondsen aangehouden rekening-couranttegoeden en deposito’s. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot operationele doelstelling 2 bestaan uit door banken in rekening gebrachte kosten voor het betalingsverkeer van het centrale kasbeheer.

2.2.2.3 Operationele doelstellingen

2.2.2.3.1 Operationele doelstelling 1

Operationele Doelstelling

Het kasbeheer van de rijksoverheid en de aan haar gelieerde instellingen doelmatig inrichten.

Motivering

Om publieke middelen risicoloos en tegen zo laag mogelijke rentelasten te beheren.

Instrumenten

• De verplichting tot het in de schatkist aanhouden van de middelen van Rijk, baten-lastendiensten, sociale fondsen en RWT’s;

• Het via centrale financiering voorzien in de leenbehoefte van aan geïntegreerd middelenbeheer deelnemende instellingen;

• Het begeleiden en adviseren van de deelnemende instellingen;

• Het benaderen van instellingen die op vrijwillige basis hun gelden mogen aanhouden in de schatkist met de daarbij behorende faciliteiten.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator
 2008200920102011201220132014
Aantal deelnemende RWT’s147170195220245270295
        
Totale voordeel publieke sector(als gevolg van deelname RWT’s)71001010203030

Het aantal deelnemers

Op basis van ervaring kan het aantal deelnemers met circa 25 per jaar toenemen. Dit aantal is exclusief eventuele partiële deelnemers. Partiële deelname houdt in dat instellingen die in aanmerking komen voor vrijwillig schatkistbankieren er voor kunnen kiezen een deel van hun publieke middelen via deposito’s aan te houden in de schatkist. Partiële deelnemers ontvangen een rente die lager is dan de rente die geldt voor integrale deelnemers (zie: brief van de minister van Financiën van 19 juni 2009, kamerstuk 31 371, nummer 219).

Schatkistbankieren is voordelig voor de publieke sector. Er is een effect voor de Staat en voor de deelnemers. Hieronder worden de voordelen en de hieraan ten grondslag liggende veronderstellingen besproken.

Voordelen voor de Staat

Door het aanhouden van de middelen hoeft de Staat minder te lenen en bespaart zij rentekosten. Hier staat weliswaar een rentevergoeding voor het aanhouden van de middelen tegenover, maar per saldo is er voordeel. De middelen worden aangehouden in rekening courant en kortlopende deposito’s terwijl de staatsschuld grotendeels uit langlopende leningen bestaat. Doordat de lange rente meestal hoger is dan de korte rente resulteren er baten voor de Staat.

Voordelen voor de RWT’s

Het financiële voordeel voor deelnemers wordt bepaald door de verschillen tussen tarieven gehanteerd door de Staat en private banken. De meeste tarieven van het schatkistbankieren sluiten aan bij de tarieven waartegen de Staat zichzelf financiert. Het voordeel voor deelnemers is echter niet eenduidig vast te stellen, omdat dit sterk bepaald wordt door de situatie op de financiële markten alsmede de individuele situatie van een instelling. Tevens is van belang of er sprake is van overtollige middelen dan wel van een leenbehoefte bij de deelnemende instelling. In een leensituatie is in de regel sprake van voordeel omdat de Staat vanwege haar hoogst mogelijke kredietwaardigheid als AAA partij tegen de meest aantrekkelijke tarieven geld kan aantrekken. Deelnemers profiteren van deze tarieven omdat deze worden doorgegeven door de Staat. Worden er door deelnemers middelen aangehouden bij de Staat dan is het eventuele voordeel moeilijker vast te stellen. Overtollige middelen kunnen worden aangehouden op deposito of rekening courant tegoed. Het eventuele voordeel op dergelijke uitzettingen verschilt sterk per instelling en is afhankelijk van de situatie op de geldmarkt.

Naast financieel voordeel biedt het schatkistbankieren nog andere voordelen voor RWT’s en andere deelnemers. Ten eerste lopen instellingen het geringst mogelijke risico op hun uitzettingen. Ten tweede is er voor instellingen – onder daarvoor geldende voorwaarden – altijd krediet beschikbaar zowel in de vorm van rekening courant als via leningen. Ten derde zorgt de mogelijkheid tot schatkistbankieren voor een aanzienlijke verbetering van de inkoopmacht van potentiële deelnemers bij commerciële banken. Ten vierde vereenvoudigt deelname aan schatkistbankieren de treasury-functie bij deelnemers omdat bij het uitzetten van middelen niet langer kredietrisicomanagement hoeft te worden gevoerd.

In bovenstaande tabel wordt het totale voordeel als gevolg van schatkistbankieren voor de publieke sector weergegeven. De aanzienlijke toename in 2009 weerspiegelt vooral het voordeel voor de Staat. Door de daling van de korte rente in 2009 zijn de rentelasten over aangehouden middelen bij de Staat aanzienlijk afgenomen. Vanwege de grote onzekerheid en de hoge volatiliteit op de financiële markten is dit voordeel voor latere jaren echter voorzichtiger geraamd. Voor latere jaren vallen de baten van het schatkistbankieren dan ook aanzienlijk terug.

2.2.2.3.2 Operationele doelstelling 2

Operationele Doelstelling

Het betalingsverkeer van het Rijk betrouwbaar en efficiënt afwikkelen.

Motivering

Om de kwaliteit van de dienstverlening bij het uitvoeren van het betalingsverkeer van het Rijk en de aanvaardbaarheid van de daaraan verbonden kosten te waarborgen.

Instrumenten

• Contracten met commerciële banken;

• Verlenging dan wel vernieuwing (via een Europese aanbesteding) van lopende contracten.

Meetbare gegevens

Gemiddeld stukstarief van de binnenlandse betalingen van de rijksoverheid;

Prestatie-indicator
 2008200920102011201220132014
Gemiddeld stukstarief:       
– absoluut (in eurocenten)3,03,02,92,92,82,82,8

Verwacht wordt dat het gemiddeld stukstarief van het binnenlands betalingsverkeer van de rijksoverheid zal dalen. Het betalingsverkeer van de departementen (met uitzondering van de Belastingdienst en het buitenlandse betalingsverkeer van Buitenlandse Zaken) is in 2008 aanbesteed en gegund aan Royal Bank of Scotland (RBS). Het betalingsverkeer van departementen zal hierdoor voordeliger worden. Dit wordt in 2010 zichtbaar, omdat de overgang in stappen plaats vindt en gestart is vanaf medio 2009.

Verder is van belang dat het betalingsverkeer van de Belastingdienst in 2010 opnieuw wordt aanbesteed. Ook hierdoor wordt verwacht dat het betalingsverkeer van de rijksoverheid voordeliger zal worden. Overgang naar een eventuele nieuwe bank zal naar verwachting gefaseerd en in de tweede helft van 2011 aanvangen. Daarom zal pas in 2012 een effect op de prestatie-indicator zichtbaar worden.

In eerdere begrotingen werd het gemiddeld stukstarief ook nog vergeleken met een vergelijkbaar gemiddeld markttarief. Deze indicator wordt vanaf 2010 niet meer gebruikt. De reden hiervoor is dat als bron voor de markttarieven de door de banken officiële gepubliceerde tarieven moeten worden gebruikt. Omdat deze tarieven niet per definitie door de banken bij alle klanten gehanteerd worden vormen deze tarieven geen goede benchmark voor de stukstarieven voor de rijksoverheid1.

2.2.2.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

 Onderzoek onderwerpAD of OD*StartAfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingGeïntegreerd MiddelenbeheerAD20082009 
Effectenonderzoekex post     
Overig evaluatieonderzoekAanbesteding betalingsverkeer departementen**OD 220072008 
      
 KlanttevredenheidsonderzoekOD 120082009 
      
 Evaluatie buitenlands betalingsverkeer van het ministerie van Buitenlandse ZakenOD 220092010 
      
 Aanbesteding betalingsverkeer BelastingdienstOD 220092010 
      
 Evaluatie betalingsverkeer departementen**OD 220122013 

* AD = Algemene Doelstelling; OD = Operationele Doelstelling.

** Bij deze bankcontracten is het betalingsverkeer van de Belastingdienst en het buitenlands betalingsverkeer van het ministerie van Buitenlandse Zaken uitgesloten.

Voor toelichting zie de beleidsagenda.

2.3 Het niet-beleidsartikel

2.3.1 Nominaal en Onvoorzien

Tabel 5: Artikelonderdelen en budgettaire gevolgen (x € 1000)
 2008200920102011201220132014
Uitgaven0000000
Loonbijstelling0000000
Prijsbijstelling0000000
Ontvangsten0000000

Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen IXA plaats.

3. DE BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

4. VERDIEPINGSHOOFDSTUK

4.1 Financiering Staatsschuld

In deze paragraaf wordt toegelicht hoe de raming voor rentekosten en rentebaten is opgebouwd. Ook wordt de totale mutatie sinds de ontwerpbegroting 2009 toegelicht.

Tabel 1 laat de opbouw van de rentelasten vaste schuld zien. De raming voor de rentelasten voor de vaste schuld is opgebouwd uit de rentelasten van de bestaande leningen en de verwachte rentelasten van de nog uit te geven leningen.

Tabel 1: Opbouw van de rentelasten vaste schuld, 2009–2014 (x € 1 mln.)1
 KMBRekenrente200920102011201220132014
Stand rentelasten bestaande schuld per 8 juli 2009  8 4957 7406 6345 7605 1074 531
Rentelasten resterend kapitaalmarktberoep 200911 9413,75%224448448448448448
Rentelasten kapitaalmarktberoep 201056 9374,00% 1 1392 2772 2772 2772 277
Rentelasten kapitaalmarktberoep 201155 3264,00%  1 1072 2132 2132 213
Rentelasten kapitaalmarktberoep 201256 0564,00%   1 1212 2422 242
Rentelasten kapitaalmarktberoep 201348 6224,00%    9721 945
Rentelasten kapitaalmarktberoep 201451 4454,00%     1 029
Rentelasten vaste schuld  8 7199 32610 46511 82013 26014 685

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

In tabel 2 worden de rentelasten vlottende schuld onderverdeeld in rentelasten voortvloeiend uit de DTC-portefeuille, rentelasten vanwege de CP-portefeuille en overige rentelasten korte schulden.

Tabel 2: Opbouw van de rentelasten vlottende schuld, 2009–2014 (x € 1 mln.)
 200920102011201220132014
Gemiddelde omvang DTC-portefeuille85 27670 50070 50071 50074 50074 500
Korte rekenrente1,50%1,50%1,50%1,50%1,50%1,50%
Rentelasten DTC’s1 2791 0581 0581 0731 1181 118
       
Gemiddelde omvang CP13 7508 0008 0008 0008 0008 000
Korte rekenrente1,50%1,50%1,50%1,50%1,50%1,50%
Rentelasten CP206120120120120120
       
Rentelasten overige korte schulden433278242215143143

In tabel 3 en 4 worden de opbouw van de uitgaven en ontvangsten sinds ontwerpbegroting 2009 weergegeven. Deze uitgaven en ontvangsten hebben zowel betrekking op rentekosten en -baten als op aflossingen en de uitgifte van schuld.

Tabel 3 bevat de optelling van alle uitgaven die samenhangen met de staatsschuld. Het gaat hierbij voornamelijk om de uitgaven voor rente en de uitgaven voor aflossingen.

Tabel 3: Opbouw uitgaven (x € 1 mln.)1
 200920102011201220132014
Stand ontwerpbegroting 200942 29232 91630 87822 42021 798 
Mutatie 1e suppletore begroting 20093 3952 3798 6488 9504 950 
Waarvan mutatie rentelasten8032 3842 3062 2762 399 
Waarvan mutatie aflossing vaste schuld2 590– 66 3416 6722 550 
Waarvan mutatie apparaatskosten22111 
Nieuwe mutaties91– 8312905 4203 056 
Waarvan mutatie rentelasten91– 1 256– 601 3063 056 
Waarvan mutatie aflossing vaste schuld04253504 1140 
Stand ontwerpbegroting 201045 77834 46439 81536 78929 80429 575

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Tabel 4 bevat de optelling van alle ontvangsten die samenhangen met de staatsschuld. Dit betreft voornamelijk ontvangsten door de uitgifte van vaste schuld. Belangrijke determinanten van de raming van de hoeveelheid uit te geven schuld zijn de aflossingen, het feitelijk tekort of overschot van het Rijk en de interne schuldverhouding met de aan het Rijk gelieerde instellingen (onder meer de sociale fondsen, UWV, SVB en CVZ).

Tabel 4: Opbouw ontvangsten (x € 1 mln.)1
 200920102011201220132014
Stand ontwerpbegroting 200929 00119 68915 6654 3742 113 
Mutatie 1e suppletore begroting 200930 5341496 4926 7822 662 
Waarvan mutatie rentebaten241155151110112 
Waarvan mutatie uitgifte vaste schuld19 293– 66 3416 6722 550 
Waarvan mutatie vlottende schuld11 0000000 
Nieuwe mutaties3 78737 31533 26145 05944 413 
Waarvan mutatie rentebaten235– 79– 168– 85269 
Waarvan mutatie uitgifte vaste schuld037 39433 42945 14444 144 
Waarvan mutatie uitgifte vlottende schuld3 552     
Stand ontwerpbegroting 201063 32257 15355 41956 21449 18952 602

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

4.2 Kasbeheer

In deze paragraaf komt de opbouw van de ramingen met betrekking tot het kasbeheer aan bod. Ook wordt de totale mutatie sinds de ontwerpbegroting 2009 toegelicht.

Afgezien van de interne boekhouding van het Rijk betreffende rentevergoedingen aan het AOW-spaarfonds, bestaan de rentelasten grotendeels uit rentebetalingen aan baten-lastendiensten en RWT’s in het kader van geïntegreerd middelenbeheer (tabel 5).

Tabel 5: Opbouw rentelasten (x € 1 mln.)1
 200920102011201220132014
Totale rentelasten1 7122 0672 2712 4872 7162 954
Rente baten-lastendiensten194646464646
Rente RWT’s en derden93230230230230230
Rente sociale fondsen000000
Rente AOW-spaarfonds1 5951 7751 9792 1952 4242 662
Overige rentelasten51616161616

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Het meerjarig verloop van de rentelasten in het kader van geïntegreerd middelenbeheer hangt onder meer samen met de verwachte mutaties in de rekening-couranttegoeden (tabel 6).

Tabel 6: Opbouw mutaties in rekening-courant en deposito’s (x € 1 mln.)1
 200920102011201220132014
Mutaties alle rc-tegoeden– 7 492– 7 396– 5 096– 5 692– 9 456– 14 198
Mutaties in rc baten-lastendiensten000000
Mutaties in rc RWT’s000000
Mutaties in rc sociale fondsen– 7 492– 7 396– 5 096– 5 692– 9 456– 14 198

1 Toename minus afname van de saldi; als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

De rentebaten bestaan vrijwel geheel uit rentebetalingen door baten-lastendiensten, sociale fondsen en RWT’s in het kader van geïntegreerd middelenbeheer (tabel 7).

Tabel 7: Opbouw rentebaten (x € 1 mln.)1
 200920102011201220132014
Totale Rentebaten5096437278089601 204
Rente baten-lastendiensten342356363369373373
Rente RWT’s en derden157158158147154185
Rente sociale fondsen6117193279420633
Rente FMS-account277777
Overige rentebaten266666

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Het meerjarige verloop van de rentebaten in het kader van geïntegreerd middelenbeheer hangt onder meer samen met de verwachte netto leningverstrekking (tabel 8).

Tabel 8: Opbouw leningen minus aflossingen (x € 1 mln.)1
 200920102011201220132014
Totaal leningen minus aflossingen877510382209363404
Netto leningen baten-lastendiensten558399255159136250
Netto leningen RWT’s31911012750227155

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

In tabel 9 en 10 wordt de opbouw van de uitgaven en ontvangsten sinds de ontwerpbegroting 2009 weergegeven.

Tabel 9: Opbouw uitgaven (x € 1 mln.)1
 200920102011201220132014
Stand ontwerpbegroting 20094 8073 7494 1874 8084 489 
Mutatie 1e suppletore begroting 20095 157– 346– 287– 433– 423 
Waarvan rentelasten– 384– 445– 486– 532– 522 
Waarvan verstrekte leningen100100200100100 
Waarvan mutaties in rek. courant en deposito’s5 4410000 
Nieuwe mutaties1 1697 5835 1095 6659 390 
Waarvan rentelasten– 2137– 49– 44– 81 
Waarvan verstrekte leningen587180611715 
Waarvan mutaties in rek. courant en deposito’s7957 3965 0965 6929 456 
Stand ontwerpbegroting 201011 13210 9859 00810 04013 45618 427

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Tabel 10: Opbouw ontvangsten (x € 1 mln.)1
 200920102011201220132014
Stand ontwerpbegroting 20091 3571 6413 8322 5751 486 
Mutatie 1e suppletore begroting 20093343456741 
Waarvan rentebaten00000 
Waarvan ontvangen aflossingen3343456741 
Waarvan mutaties in rek. courant en deposito’s00000 
Nieuwe mutaties170– 29– 1 891– 183354 
Waarvan rentebaten4117193279420 
Waarvan ontvangen aflossingen1676292930 
Waarvan mutaties in rek. courant en deposito’s0– 151– 2 113– 490– 96 
Stand ontwerpbegroting 20101 5601 6551 9862 4601 8812 075

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

4.3 Nominaal en onvoorzien

Tabel 11: Opbouw uitgaven (x € 1000)
 200920102011201220132014
Stand ontwerpbegroting 2009000000
Mutatie 1e suppletore begroting 2009000000
Nieuwe mutaties000000
Toedeling loon- en prijsbijstelling– 209– 198– 180– 178– 178– 178
Loonbijstelling181174156156156156
Prijsbijstelling282424222222
Stand ontwerpbegroting 2010000000

De nieuwe mutaties vloeien voort uit de toerekening van de loonbijstelling aan de loongevoelige begrotingsartikelen.

5. BIJLAGEN

5.1 Lijst met afkortingen

AOWAlgemene Ouderdomswet
BBPBruto Binnenlands Product
CPCommercial Paper
DSLDutch State Loan
DTCDutch Treasury Certificate
EMUEconomic and Monetary Union
EoniaEuropean Overnight Index Average
GMBGeïntegreerd Middelen Beheer
RWTRechtspersoon met een Wettelijke Taak

5.2 Begrippenlijst

Baten-lastendienst

Een onderdeel van de rijksoverheid waarvoor afwijkende beheersregels gelden gericht op het bevorderen van bedrijfsmatig werken. Belangrijk aspect hierbij is dat het batenlastenstelsel wordt toegepast en de dienst toegang heeft tot een leen- en depositofaciliteit bij de minister van Financiën.

Commercial Paper (CP)

Schuldbewijzen met een korte looptijd die kunnen worden ingezet om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. CP is een geldmarktinstrument dat wordt uitgegeven en verhandeld op discontobasis. CP kent flexibele uitgiftemomenten en looptijden. Bovendien bestaat de mogelijkheid uit te geven in vreemde valuta. CP is een aanvulling op het DTC-programma voor wat betreft de kortere looptijden.

Comptabiliteitswet 2001

In de Comptabiliteitswet 2001 is het beheer van de financiën van het Rijk vastgesteld. De diverse hoofdstukken in deze wet gaan in op onder andere de begroting, het begrotingsbeheer en de bedrijfsvoering van het Rijk, het toezicht van de ministers en de verantwoording van het Rijk.

Deposito

Het deposito is geld dat door een belegger voor een bepaalde rentevaste periode tegen een rentevergoeding is ondergebracht bij een bank of – in het geval van geïntegreerd middelenbeheer – bij de schatkist van de Rijksoverheid. De looptijd van een deposito kan variëren van een dag (zogeheten daggeld) tot meerdere jaren.

Dutch State Loans (DSL’s)

Engelse benaming voor Nederlandse staatsleningen.

Dutch Treasury Certificates (DTC’s)

Engelse benaming voor Nederlands schatkistpapier. Schuldbewijzen met een korte looptijd uitgegeven door het Rijk om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. DTC’s worden uitgegeven en verhandeld op discontobasis. DTC wordt uitgegeven in looptijden van 3 tot en met 12 maanden op vooraf vastgestelde data.

EMU-schuld

Het totaal van de uitstaande leningen ten laste van de gehele collectieve sector. Dit is de optelsom van de uitstaande leningen ten laste van het Rijk, de sociale fondsen en de lokale overheid, minus de onderlinge schuldverhoudingen tussen deze drie subsectoren. De EMU-schuld is een brutoschuldbegrip.

Gecentreerde portefeuille

Een portefeuille die gekenmerkt wordt door een gelijkmatig aflosprofiel dat in stand gehouden kan worden door voortdurend in één en dezelfde looptijd leningen uit te geven.

Geïntegreerd middelenbeheer

Het bundelen van publieke middelen gericht op een doelmatig kasbeheer. Publieke middelen zijn middelen die verkregen zijn bij of krachtens de wet ingestelde heffing(en).

Gevestigde schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar. Wordt veelal aangeduid met de term vaste schuld.

Liquiditeit

In een markt met voldoende liquiditeit kunnen grote aan- en verkooporders verhandeld worden zonder dat dit een substantieel effect op de prijs (koers) heeft.

Nationale schuld

Vaste (gevestigde) en vlottende schuld van de Staat zoals die samenhangt met het artikel Financiering staatsschuld en het artikel Kasbeheer in deze begroting.

Primary Dealers

Sinds 1999 maakt de Staat gebruik van een stelsel van Primary Dealers voor de distributie en promotie van Nederlandse staatsleningen. Het stelsel bestaat uit een groep banken (op dit moment 13). Bij het samenstellen van de groep Primary Dealers wordt veel aandacht besteed aan een goede balans tussen banken die zijn gericht op de lokale, de regionale, en de mondiale markten. Deze balans is gewenst met het oog op het bereiken van een brede spreiding aan eindbeleggers in Nederlandse staatsobligaties.

Het belangrijkste doel van de samenwerking met de Primary Dealers is om de markt voor Nederlandse staatsleningen liquide te houden. Met alle Primary Dealers is een éénjarig contract aangegaan. De Primary Dealers verplichten zich om DSL’s af te nemen, te verspreiden en te promoten. Tot de verplichtingen hoort ook een maandelijkse rapportage over de verrichte activiteiten. Tegenover deze verplichtingen staat het exclusieve recht om DSL’s bij het Agentschap af te nemen en gebruik te maken van de repo- en stripfaciliteit. De Primary Dealers ontvangen daarnaast een financiële vergoeding die afhankelijk is van de afgenomen hoeveelheid DSL’s bij emissies.

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak (RWT)

Een zelfstandige organisatie die in een wet geregelde taak uitvoert met behulp van publieke middelen.

Rekenrente

Boekhoudkundig veronderstelde rente in begroting en meerjarencijfers.

Renteswap

Een renteswap is een contract tussen twee partijen waarin wordt overeengekomen om gedurende de looptijd een vaste rente te ruilen tegen een variabele rente (meestal 6 of 3 maanden).

Repofaciliteit

Een instrument om de liquiditeit van staatsleningen en DTC’s te garanderen. Onder bepaalde condities kunnen Primary Dealers (en in het geval van DTC’s ook Single Market Specialists) in geval van schaarste staatsleningen of DTC’s lenen van de Staat tegen een vergoeding.

Schatkistsaldo

Saldo op de rekening van het Rijk bij De Nederlandsche Bank.

Single Market Specialists

Een aantal geselecteerde banken die naast de Primary Dealers deelnemen aan het DTC-marktstelsel, een in 2001 op initiatief van de Nederlandse Staat gestart marktstelsel. Onderdeel van het stelsel is de quotering van DTC’s op een electronisch handelsplatform. In het stelsel nemen zowel Primary Dealers als een aantal geselecteerde banken deel, die zich Single Market Specialists mogen noemen. Naast de verplichting tot het quoteren krijgen deze partijen exclusief toegang tot de elektronische veilingen DTC’s. Ook kunnen de partijen beroep doen op een repofaciliteit voor DTC’s.

Staatsschuld

Het totaal van de uitstaande geldelijke leningen van de Staat (vaste en vlottende schuld) is de bruto staatsschuld. Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar vormen de vaste (gevestigde) staatsschuld. Leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar vormen de vlottende staatsschuld. Soms wordt een ruimere definitie gebruikt voor de vlottende staatsschuld, namelijk bestaande uit leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal twee jaar. De staatsschuld is niet gelijk aan de EMU-schuld, die een breder begrip meet.

Strip- en destripfaciliteit

Een stripfaciliteit stelt beleggers in staat een bepaalde lening te ontbinden. Dat betekent dat de hoofdsom en elk van de coupons van de specifieke lening apart verhandeld kunnen worden. Een destripfaciliteit daarentegen biedt de mogelijkheid om een reeks van coupons aan een hoofdsom te binden en op deze manier een nieuwe lening te creëren.

Vaste schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar. Wordt ook wel gevestigde schuld genoemd.

Vlottende schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar.

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2010 wijzigingen aan te brengen in de begrotingsstaat van de Nationale Schuld.

De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De minister van Financiën,

J. C. de Jager

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2010 wijzigingen aan te brengen in de begrotingsstaat van Nationale Schuld.

De in die begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De minister van Financiën,

J. C. de Jager

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Over het algemeen wordt de slotwetmutatie voor elk begrotingsartikelonderdeel toegelicht voor zover dit verschil groter is dan 5% van het beschikbare bedrag na tweede suppletoire begroting en daarnaast groter is dan € 2,5 mln.

Beleidsartikelen

Beleidsartikel 1 Financiering Staatsschuld

Toelichting

Uitgaven

Rentelasten vaste schuld (– € 203,7 mln.)

De lange rekenrente (bron CPB) was hoger dan de rendementen waartegen de Staat geleend heeft. Hierdoor zijn de rentelasten vaste schuld lager dan geraamd bij de tweede suppletoire begroting.

Rentelasten vlottende schuld (– € 44,5 mln.)

De korte rekenrente (bron CPB) was hoger dan de rendementen waartegen de Staat zich heeft gefinancierd. De rentelasten voor de vlottende schuld zijn daardoor lager dan geraamd in de tweede suppletoire begroting.

Mutaties vlottende schuld (+ € 4 023,1 mln.)

Het tekort is lager uitgekomen dan geraamd. Dit is gebruikt om de vlottende schuld te verlagen.

De uitgaven vanwege de vlottende schuld zijn daarom hoger dan geraamd.

Ontvangsten

Rentebaten vlottende schuld (+ € 20,5 mln.)

De baten zijn hoger vanwege afgesloten eoniaswaps. De Staat financiert op de geldmarkt in principe tegen eonia tarief (daggeldtarief). Daarom sluit de Staat eonia swaps af om de tarieven op bijvoorbeeld schatkistpapier (tot en met 1 jaar) te ruilen tegen het eonia tarief. Gemiddeld genomen verdient de Staat op de eonia swaps omdat de Staat lang ontvangt (3, 6 en 12 maanden) en kort (eonia) betaalt.

Uitgifte vaste schuld (+ 1 140,6 mln)

De uitgifte vaste schuld valt hoger uit, vooral omdat de overname van de Antilliaanse schuld nog niet op deze post was verwerkt.

Mutaties vlottende schuld (– € 3 108,6 mln.)

Omdat het tekort lager is dan geraamd is de vlottende schuld gedaald. De toename van de vlottende schuld, die als ontvangst telt, is daarom nul.

Beleidsartikel 2 Kasbeheer

Toelichting

Uitgaven

Mutaties in rekening-courant (– € 3 604 mln.)

Deelnemers aan het schatkistbankieren houden via een rekening-courant tegoed en/of deposito hun middelen aan in de schatkist. Een daling van het rekening-courant saldo of van de aangehouden middelen in deposito vormt een uitgave voor het Rijk, omdat minder middelen in de schatkist worden aangehouden. Andersom geldt dat een stijging van het saldo rekening-courant of van de aangehouden deposito’s als ontvangst telt; er worden immers meer middelen in de schatkist aangehouden. De lagere uitgaven worden verklaard door hogere (minder negatieve) saldi bij de sociale fondsen en rechtspersonen met een wettelijke taak dan was geraamd

Rentelasten (+ € 56,0 mln.)

De rentelasten vanwege de rekening-courant saldi zijn hoger dan geraamd vanwege de hogere (minder negatieve) saldi bij de sociale fondsen.

Verstrekte leningen (+ € 1 941,9 mln.)

De verstrekte leningen zijn aanzienlijk groter dan gemeld bij tweede suppletoire begroting. Dit komt doordat aan de baten-lastendiensten voor ruim € 300 mln. meer leningen zijn verstrekt. Daarnaast is de lening aan BZK van € 1,6 mld. in het kader van de Antillen opgenomen in de slotwet.

Uitgaven bij voortijdige beëindiging (+ 8,1 mln.)

De uitgaven bij voortijdige beëindiging zijn iets hoger dan geraamd omdat meer vervroegd is afgelost op leningen dan geraamd.

Ontvangsten

Rentebaten (– € 13,3 mln.)

Rentebaten liggen voor het grootste deel vast, omdat het leeuwendeel van de rentebaten betrekking heeft op in eerdere jaren afgesloten leningen. De geringe mutatie wordt verklaard door verschillen tussen de rente van de afgesloten leningen en de gebruikte rekenrente.

Aflossingen (+ 124,6 mln.)

De aflossingen (deels vervroegd) zijn groter dan geraamd bij tweede suppletoire begroting. De belangrijkste oorzaak hiervoor zijn de hogere aflossingen bij de baten-lastendiensten voor ruim € 87 mln.

Mutaties in rekening-courant (+ € 402,5 mln.)

Deelnemers aan het schatkistbankieren houden via een rekening-courant tegoed en/of deposito hun middelen aan in de schatkist. Een daling van het rekening-courant saldo of van de aangehouden middelen in deposito vormt een uitgave voor het Rijk, omdat minder middelen in de schatkist worden aangehouden. Andersom geldt dat een stijging van het saldo rekening-courant of van de aangehouden deposito’s als ontvangst telt; er worden immers meer middelen in de schatkist aangehouden. De hogere ontvangsten worden verklaard door hogere (minder negatieve) saldi bij de sociale fondsen en rechtspersonen met een wettelijke taak.

Ontvangsten bij voortijdige beëindiging (+ € 5,9 mln)

De ontvangsten bij voortijdige beëindiging zijn iets hoger dan geraamd omdat meer vervroegd is afgelost op leningen dan geraamd.

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. Leeswijzer

Deze tweede suppletoire begroting bevat de voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2010. In deze begroting wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de schuld die extern wordt gefinancierd en anderzijds de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen hebben bij de minister van Financiën. De begroting IXA is daarom opgebouwd uit twee beleidsartikelen. Het artikel Financiering staatsschuld heeft betrekking op de extern gefinancierde schuld terwijl het artikel Kasbeheer betrekking heeft op de schuldverhouding tussen de minister van Financiën en de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd. De begroting IXA bestaat naast de twee hierboven beschreven beleidsartikelen tevens uit een niet-beleidsartikel in verband met loon- en prijsbijstelling.

In paragraaf 2.1 worden de belangrijkste mutaties gepresenteerd die zich voordoen op beide beleidsartikelen. In paragraaf 2.2 is in de tabel budgettaire gevolgen van beleid een overzicht opgenomen van alle mutaties die zich voordoen op de afzonderlijke beleidsartikelen en van de nieuwe standen. Hierbij is, gezien de totale omvang van de uitgaven en ontvangsten op de begroting IXA, gekozen voor afronding in hele miljoenen.

In de 2de suppletoire IXB zijn de mutaties met betrekking tot de kredietcrisis verwerkt op artikel 2,3 en 4. Een totaaloverzicht van de kredietcrisismaatregelen is opgenomen in de Najaarsnota.

Budgetflexibiliteit

De mate van budgetflexibiliteit kan worden afgeleid uit het nog niet-juridisch verplichte deel van de geraamde programma-uitgaven. Voor de begroting IXA Nationale Schuld is deze budgetflexibiliteit zeer gering, omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld. De verplichtingen die opgenomen zijn in de begroting IXA Nationale Schuld zijn daarom op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijk gesteld aan de uitgaven.

1. Leeswijzer

Deze eerste suppletore begroting bevat de voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de Ontwerpbegroting 2010. In deze begroting wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de schuld die extern wordt gefinancierd en anderzijds de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen hebben bij het ministerie van Financiën. De begroting IXA is daarom opgebouwd uit twee beleidsartikelen. Het artikel Financiering Staatsschuld heeft betrekking op de extern gefinancierde schuld van de Staat. Het artikel Kasbeheer heeft betrekking op de schuldverhouding tussen het ministerie van Financiën en de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd alsmede op het betalingsverkeer binnen de rijksoverheid. De begroting IXA bestaat naast de twee hierboven beschreven beleidsartikelen tevens uit een niet-beleidsartikel in verband met loon- en prijsbijstellingen.

In paragraaf 2.1 worden de belangrijkste beleidsrelevante mutaties gepresenteerd die zich voordoen op beide beleidsartikelen. In paragraaf 2.2 is in de tabel budgettaire gevolgen van beleid een overzicht opgenomen van alle mutaties die zich voordoen op de afzonderlijke beleidsartikelen en van de nieuwe standen die daaruit voortvloeien. Hierbij is, gezien de totale omvang van de uitgaven en ontvangsten op de begroting IXA, gekozen voor afronding in hele miljoenen. Paragraaf 2.3 bevat het niet-beleidsartikel.

Budgetflexibiliteit

De mate van budgetflexibiliteit kan worden afgeleid uit het niet-juridisch verplichte deel van de geraamde programma-uitgaven. Voor de begroting IXA Nationale Schuld is deze budgetflexibiliteit zeer gering, omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld. De verplichtingen die opgenomen zijn in de begroting IXA Nationale Schuld zijn daarom op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijk gesteld aan de uitgaven.

2. Het beleid

2. Het beleid

2.1. Belangrijkste mutaties

In de onderstaande tabel worden de mutaties in de netto rentekosten gepresenteerd. Er is een verdeling gemaakt naar achterliggende oorzaak.

Tabel 1 Overzicht mutaties in de netto rentekosten (x € 1 mln.)1
 

2010

Stand ontwerpbegroting 2010

12 335

  

Stand 1e Suppletoire begroting 2010

11 516

  

1. Renteswaps

286

2. Bijstelling kassaldo

– 15

3. Bijstelling rekenrente

– 151

4. Effect van schulduitgifte

– 479

5. Bijstelling rentekosten interne schuldverhoudingen

– 4

  

Stand 2e Suppletoire begroting 2010

11 153

1

Het saldo van de uitgaven en ontvangsten betreffende de rente, de apparaatsuitgaven en voortijdige beëindiging van schulden en swaps.

Hieronder worden de verschillende mutaties kort toegelicht. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de afzonderlijke artikelen en de toelichtingen onder de tabellen budgettaire gevolgen van beleid.

  • 1. Renteswaps worden afgesloten om het renterisico van de staatsschuld te sturen. Een renteswap is een overeenkomst tussen twee partijen waarmee gedurende de looptijd van de swap een vaste rente wordt geruild tegen een variabele rente. Als gevolg van verschillen tussen de rente die wordt betaald en de rente die wordt ontvangen, ontstaan netto rentebaten of -lasten. Door het afsluiten van nieuwe renteswaps zijn – in combinatie met renteontwikkelingen op de markt – de rentekosten gestegen.

  • 2. De raming voor het begrotingssaldo (op kasbasis) is neerwaarts bijgesteld. Dit leidt tot minder schulduitgifte en lagere rentelasten.

  • 3. Een verandering in de rekenrente leidt tot wijziging van de geraamde rentekosten. Zowel de lange als de korte rekenrente zijn neerwaarts bijgesteld. Dit geeft lagere rentelasten.

  • 4. De raming van de rentelasten in een lopend jaar bestaan uit rentelasten van al uitgegeven leningen (realisaties) en uit een raming van de rentelasten van leningen die nog uitgegeven gaan worden. In de loop van het jaar wordt een steeds groter deel bepaald door de realisaties. Omdat de realisaties lager zijn geweest dan de ramingen is de raming neerwaarts bijgesteld. Deze rubriek bevat ook de extra rentelasten van € 40 mln behorend bij de overgenomen schuld van de Antillen.

  • 5. Omdat de deelnemers van het schatkistbankieren meer geld inbrengen (via rekening courant en deposito’s) dan geld lenen is er sprake van een schuldpositie van de Staat ten opzichte van de deelnemers. De raming voor de rentekosten is nagenoeg gelijk gebleven, omdat zowel de aangehouden middelen alsook de uitstaande leningen zijn toegenomen. De toename van de middelen is weliswaar groter, maar het effect op de rentelasten is beperkt, vanwege de lagere rente.

2.1. Overzicht belangrijkste mutaties

In de onderstaande tabel worden de belangrijkste beleidsrelevante mutaties, welke de mutaties in de rentebaten en rentelasten omvatten, weergegeven. De mutatie in deze beleidsrelevante posten is ook opgenomen in de tabellen in paragraaf 2.2. In deze tabellen, welke de budgettaire gevolgen van beleid weergeven, worden ook de overige, niet-beleidsrelevante mutaties weergegeven. Hieronder vallen de aflossing en uitgifte van schuld, de apparaatsuitgaven en de mutaties in rekeningen-courant en deposito’s.

Tabel 1 Overzicht belangrijkste mutaties in de netto rentekosten (x € 1 mln.)
 

2010

Stand ontwerpbegroting 20101

12 335

1. Renteswaps

– 25

2. Bijstelling kassaldo

30

3. Bijstelling rekenrente

– 515

4. Effect van schulduitgifte (incl doorwerking vorig jaar)

– 172

5. Bijstelling rente interne schuldverhoudingen

– 137

  

Stand 1e Suppletore begroting 2010

11 516

1

Stand ontwerpbegroting betreft in deze tabel het saldo van de rente uitgaven en -ontvangsten vermeerderd met het saldo van de overige apparaatsuitgaven en -ontvangsten (uitgaven en ontvangsten voortijdige beëindiging en overige kosten schulduitgifte).

Hieronder worden de verschillende mutaties toegelicht:

  • 1. Bij de tot nu toe afgesloten EONIA swaps zijn netto (per saldo) rentebaten gerealiseerd. Financiering op de geldmarkt gebeurt door middel van uitgifte van kort schuldpapier zoals commercial paper (CP) en schatkistpapier (DTC, Dutch Treasury Certificates). Het streven is het korte geld te financieren tegen eonia-tarief (overnight). Daarom worden er eonia swaps afgesloten. Hierbij worden de rentetarieven van de CP’s en DTC’s geruild tegen het overnight tarief eonia.

  • 2. De raming voor het kassaldo is naar beneden bijgesteld. Dit leidt tot een groter beroep op de geldmarkt en dus hogere rentelasten.

  • 3. De korte en lange rekenrente zijn lager geworden. Daarom dalen de rentelasten.

  • 4. De effectieve rente op leningen die zijn uitgegeven na het opstellen van de ontwerpbegroting is lager dan de rekenrente. Dit effect wordt verwerkt in de raming voor de rentelasten. Daarnaast is hier het effect van het Financieringsplan 2010 meegenomen. Dit leidt tot een hoger geldmarktberoep en een lager kapitaalmarktberoep.

  • 5. De rentekosten vanwege de interne schuldverhoudingen betreffen de netto-rentekosten en zijn gelijk aan het verschil tussen de rente-uitgaven en rente-ontvangsten het Rijk. vanwege de interne schuldverhouding met de deelnemers aan het schatkistbankieren. De rentelasten dalen naar verwachting vanwege lagere rente en omdat minder middelen worden aangehouden. Met name de saldi rekening courant van de sociale fondsen komen lager uit dan eerder geraamd is. Ook de rentebaten zijn lager dan geraamd. De reden hiervoor is de lagere rente. De mutatie van de rentebaten is naar verwachting minder groot dan de mutatie van de rentelasten. De belangrijkste reden hiervoor is dat het leeuwendeel van de rentebaten betrekking heeft op leningen die voor 2010 zijn afgesloten. De rentebaten liggen daarom grotendeels vast. Ook is van belang dat prorail een aantal leningen vervroegd heeft afgelost. Het resultaat hiervan wordt meegerekend bij de rentekosten interne schuldverhoudingen.

2.2 De beleidsartikelen

2.2.1 Artikel 1 Financiering staatsschuld

In de onderstaande tabel worden de mutaties op artikel 1 Financiering staatsschuld, dat betrekking heeft op de extern gefinancierde schuld, weergegeven. Conform Europese voorschriften (ESR 95) worden inkomsten en uitgaven voor de staatsschuld op transactiebasis begroot en verantwoord.

Tabel 2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1; Financiering Staatsschuld (x € 1 mln.)1

Algemene beleidsdoelstelling: Het voorzien in de financieringsbehoeften van de staat en een effectief en efficiënt beheer van de staatsschuld.

Stand Ontwerp begroting 2010

Stand 1e suppletoire begroting

Mutaties 2e suppletoire begroting

Stand 2e suppletoire begroting

1

2

3

(4)=(2)+(3)

Totaal Uitgaven

34 464

33 775

– 334

33 440

     

Totaal Programma-uitgaven

34 441

33 751

– 336

33 415

     

Rentelasten vaste schuld

9 655

9 368

213

9 581

Rentelasten vlottende schuld

1 455

1 052

– 551

500

Aflossing vaste schuld

23 331

23 331

2

23 333

     

Totaal Apparaatuitgaven

23

24

2

26

Apparaatuitgaven

6

7

0

7

Overige kosten schulduitgifte

17

17

2

19

     

Totaal Ontvangsten

57 153

60 049

– 4 709

55 339

     

Totaal Programma-ontvangsten

57 153

60 049

– 4 709

55 339

     

Rentebaten vaste schuld

0

0

0

0

Rentebaten vlottende schuld

216

208

21

229

     

Uitgifte vaste schuld

56 937

50 000

2 002

52 002

Mutaties vlottende schuld

0

9 841

– 6 732

3 109

1

Als gevolg van afronding op miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting

Aflossing en uitgifte vaste schuld en mutatie vlottende schuld

De uitgifte van vaste schuld zal dit jaar circa € 52 mld bedragen. In de loop van het jaar is het financieringsplan aangepast en is besloten circa € 2 mld meer vaste schuld uit te geven en de vlottende schuld met ongeveer € 2 mld minder te laten oplopen. Samen met een lager kastekort van € 4,7 mld is de mutatie van de vlottende schuld hierdoor € 6,7 mld lager dan bij de eerste suppletoire begroting. Vanwege de overname van schuld van de Antillen van circa € 1,4 mld komen de aflossingen in 2010 € 2 mln hoger uit.

Rentelasten en rentebaten

De hogere rentelasten vanwege de vaste schuld wordt voor het grootste deel veroorzaakt door de uitgifte van nieuwe euriborswaps. In de raming wordt alleen rekening gehouden met al afgesloten swaps. Nieuwe swaps leiden derhalve tot mutaties bij de rentelasten of rentebaten.

Swaps worden ingezet om het renterisico van de schuldfinanciering te sturen. Het streven is een zodanig risicoprofiel te creëren waarmee de staatsschuld effectief tegen het 7-jaars rentetarief wordt gefinancierd.

De lagere raming voor de rentelasten op de vlottende schuld wordt grotendeels veroorzaakt doordat de tot nu toe gerealiseerde korte financiering plaatsvond tegen lagere rentetarieven dan de rekenrente.

De hogere rentebaten op de vlottende schuld wordt veroorzaakt door het afsluiten van eonia swaps. De korte schuld wordt gefinancierd door uitgifte van Commercial Paper en Dutch Treasury Certificates (schatkistpapier). De looptijden van dit schuldpapier varieert. De Staat streeft ernaar de korte schuld effectief te financieren tegen het overnight tarief (eonia3). Daarom worden er eoniaswaps afgesloten. Hierbij wordt bijvoorbeeld een 3-maands tarief geruild tegen het overnight tarief.

Apparaat

De apparaatuitgaven worden hoger omdat de veilingkosten dit jaar hoger waren, vanwege een hoger volume en een gemiddeld hogere provisie aan de primary dealers. Dit laatste komt door de uitgifte van een 30-jarige lening, waarvoor meer provisie wordt betaald.

2.2.2 Artikel 2 Kasbeheer

In de onderstaande tabel worden de mutaties op artikel 2 Kasbeheer, dat betrekking heeft op de schuldverhouding tussen de minister van Financiën en de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd, weergegeven.

Tabel 3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2; Kasbeheer (x € 1 mln.)1

Algemene beleidsdoelstelling:Het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen, die aan de schatkist zijn gelieerd, optimaliseren.

Stand Ontwerp begroting

Stand 1e suppletoire begroting

Mutaties 2e suppletoire begroting

Stand 2e suppletoire begroting

1

2

3

(4)=(2)+(3)

Totaal Uitgaven

10 985

13 468

– 5 823

7 645

     

Rentelasten

2 067

1 851

34

1 885

Verstrekte leningen

1 521

1 519

609

2 128

Mutaties in rekening-courant en deposito’s

7 396

10 097

– 6 466

3 631

     

Totaal Ontvangsten

1 665

2 645

1 475

4 119

     

Rentebaten

643

484

38

522

Ontvangen aflossingen

1 012

2 161

437

2 598

Mutaties in rekening-courant en deposito’s

0

0

1 000

1 000

1

Als gevolg van afronding op miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting:

Algemeen:

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen: (1) rentelasten en rentebaten, (2) mutaties in leningen en aflossingen, (3) mutaties in rekening-courant en deposito’s.

Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen aan de deelnemers van het schatkistbankieren over de aangehouden middelen (in rekening-courant en deposito). Daarnaast maken ook de – louter interne boekhouding van het Rijk betreffende – rentevergoedingen aan het AOW-spaarfonds deel uit van de rentelasten. Deze post verdwijnt met ingang van 2011, omdat het AOW-spaarfonds wordt opgeheven (conform het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte).

De rentebaten bestaan vrijwel in hun geheel uit renteontvangsten over verstrekte leningen door het Rijk aan de deelnemers van het schatkistbankieren.

Mutaties in leningen, aflossingen, rekening-courant en deposito’s bepalen de mutaties in de schuldverhouding van het Rijk met deelnemers aan het schatkistbankieren.

Verstrekte leningen en ontvangen aflossingen

De verstrekte leningen en aflossingen zijn hoger dan eerder geraamd. Zowel aan baten-lastendiensten als aan rechtspersonen met wettelijke taak zijn meer leningen verstrekt.

Mutaties in rekening-courant en deposito’s

Een daling van het rekening-courantsaldo van een deelnemer aan het schatkistbankieren telt als uitgave voor de Staat, omdat door de daling van het saldo minder geld wordt aangehouden in de schatkist. De minder grotere daling van de rekening-courantsaldi (uitgaven en ontvangsten bij elkaar opgeteld) wordt grotendeels veroorzaakt door de ontwikkelingen bij de sociale fondsen.

Rentelasten en rentebaten

De ramingen voor de rentelasten en rentebaten veranderen nauwelijks. De reden hiervoor is dat er tegengestelde effecten optreden. Er worden naar verwachting meer middelen aangehouden; dit leidt tot hogere rentelasten, maar dit wordt grotendeels teniet gedaan doordat de rentetarieven lager zijn geworden.

Een vergelijkbaar effect treedt op bij de rentebaten. Per saldo is het uitstaande leenbedrag toegenomen met € 250 mln (€ 609 mln meer verstrekkingen minus € 356 mln meer aflossingen), maar ook hier staat een lager rentetarief tegenover.

Artikel 3 Nominaal en onvoorzien

Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen IXA plaats. In de onderstaande tabel worden de mutaties in de loon- en prijsbijstelling weergegeven. Er zijn geen mutaties.

Bedragen x € 1 000
 

Stand Ontwerp begroting 2010

(1)

Stand 1e suppletoire begroting 2010

(2)

Mutaties 2e suppletoire begroting 2010

(3)

Stand 2e suppletoire begroting 2010

(4)= (2)+(3)

Verplichtingen

0

0

0

0

     

Uitgaven

0

0

0

0

Loonbijstelling

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

2.2. De beleidsartikelen

2.2.1. Financiering Staatsschuld

In de onderstaande tabel worden de mutaties op artikel 1 Financiering Staatsschuld weergegeven.

Artikel 1 Financiering Staatsschuld

Bedragen x € 1 mln.1

Algemene beleidsdoelstelling: Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

Stand Ontwerp begroting 2010

Mutaties 1e suppletore begroting 2010

Stand 1e suppletore begroting 2010

Mutatie 2011

Mutatie 2012

Mutatie 2013

Mutatie 2014

 

(1)

(2)

(3)=(1)+(2)

    

Totaal Uitgaven

34.464

– 689

33.775

– 744

3.169

– 587

45

        

Totaal Programma-uitgaven

34.441

– 690

33.751

– 745

3.169

– -587

45

        

Waarvan rentelasten vaste schuld

9.655

– 287

9.368

– 830

– 808

– 672

– 501

Waarvan rentelasten vlottende schuld

1.455

– 403

1.052

85

85

85

85

Waarvan aflossing vaste schuld

23.331

0

23.331

0

3892

0

461

        

Totaal Apparaatuitgaven

23

1

24

1

0

0

0

Waarvan apparaatuitgaven

6

1

7

1

0

0

0

Waarvan overige kosten schulduitgifte

17

0

17

0

0

0

0

        

Totaal Ontvangsten

57.153

2896

60.049

– 226

3368

– 855

– 613

        

Totaal Programma-ontvangsten

57.153

2896

60.049

– 226

3368

– 855

– 613

        

Waarvan rentebaten vaste schuld

0

0

0

0

0

0

0

Waarvan rentebaten vlottende schuld

216

– 8

208

– 20

– 20

– 20

– 20

        

Waarvan uitgifte vaste schuld

56.937

– 6937

50.000

– 206

3388

– 835

– 593

Waarvan mutatie vlottende schuld

0

9.841

9.841

0

0

0

0

1

Als gevolg van afronding op miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting

Algemeen

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen. Ten eerste worden de rentelasten en rentebaten verantwoord. Hierbinnen wordt onderscheid gemaakt tussen de rentelasten vaste schuld (schuld met een oorspronkelijke looptijd van langer dan een jaar) en de rentelasten vlottende schuld (looptijd korter dan een jaar). Ten tweede zijn de aflossing en de uitgifte van vaste schuld en de mutatie vlottende schuld in de tabel opgenomen. De derde en verreweg de kleinste post betreft de apparaatsuitgaven. Deze bestaat uit de apparaatsuitgaven ten behoeve van de directie die de staatsschuld beheert en uit kosten voor fees samenhangend met de uitgifte van schuld.

Toelichting op programmauitgaven en -ontvangsten

Rentebaten en rentelasten

De rentelasten vaste en vlottende schuld dalen in 2010, omdat de rekenrente lager is en de effectieve rente op de al uitgegeven leningen lager is dan de rekenrente. Ramingen van rentelasten op de schuld zijn gelijk aan het produkt van de rekenrente en het te verwachte beroep op de geld- en kapitaalmarkt. In de loop van het jaar wordt deze ramingen telkens aangepast als er leningen worden uitgegeven. Een deel van de raming van de rentelasten wordt dan vervangen door de realisatie.

Ontwikkeling vlottende en vaste schuld

De raming voor de uitgifte vaste schuld in 2010 is neerwaarts bijgesteld. Dit hangt samen met de ramingsregel die veronderstelt dat voor jaren na het lopend jaar tekorten gedekt worden door uitgifte van vaste schuld. Aangenomen wordt dat er geen mutatie van de vlotttende schuld optreedt. Na het opstellen van de ontwerpbegroting (najaar 2009) is het financieringsplan voor 2010 vastgesteld en gepubliceerd in de Outlook 2010. Hierin is een kapitaalmarktberoep van € 50 miljard ingepland. Dit is verwerkt in de ramingen voor 2010.

De mutatie vlottende schuld komt dan hoger uit. Deels vanwege het lagere kapitaalmarktberoep en deels door een opwaarste bijstelling van het verwachte kastekort in 2010.

2.2.2. Kasbeheer

In de onderstaande tabel worden de mutaties op artikel 2 Kasbeheer weergegeven. Deze hebben betrekking op de schuldverhouding tussen de minister van Financiën en de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd alsmede op het betalingsverkeer van de Rijksoverheid.

Beleidsartikel 2 Kasbeheer

Bedragen x € 1 mln.1

Algemene beleidsdoelstelling:Het optimaliseren van het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

Stand Ontwerp begroting 2010

Mutaties 1e suppletore begroting 2010

Stand 1e suppletore begroting 2010

Mutatie 2011

Mutatie 2012

Mutatie 2013

Mutatie 2014

 

(1)

(2)

(3)=(1)+(2)

    

Totaal Uitgaven

10.985

2.483

13.468

– 1.164

– 2.013

– 3.659

– 9.260

        

Totaal Programma-uitgaven

10.985

2.483

13.468

– 1.164

– 2.013

– 3.659

– 9.260

        

Rentelasten

2.067

– 216

1.851

– 160

– 160

– 161

– 163

Verstrekte leningen

1.521

– 2

1.519

– 483

– 634

0

0

Mutaties in rekening-courant en deposito's

7.396

2701

10.097

– 521

– 1.219

– 3.498

– 9.097

        

Totaal Ontvangsten

1.665

990

2644

– 728

– 885

– 244

– 249

        

Totaal Programma-ontvangsten

1.655

990

2.645

– 728

– 885

– 244

– 249

        

Rentebaten

643

– 159

484

– 180

– 158

– 142

– 154

Ontvangen aflossingen

1.012

1.149

2..161

– 548

– 727

– 102

– 95

Mutaties in rekening-courant en deposito's

      
1

Als gevolg van afronding op miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting

Algemeen

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen: (1) rentelasten en rentebaten, (2) mutaties in leningen en aflossingen en (3) mutaties in rekening-courant en deposito’s. Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen aan agentschappen, RWT’s en sociale fondsen over de bij het Rijk aangehouden rekening-couranttegoeden en deposito’s. Daarnaast maken ook de – louter de interne boekhouding van het Rijk betreffende – rentevergoedingen aan het AOW-spaarfonds deel uit van de rentelasten. De rentebaten bestaan vrijwel geheel uit renteontvangsten over aan agentschappen en RWT’s verstrekte leningen. Mutaties in leningen, aflossingen, rekening-courant en deposito’s bepalen de mutaties in de schuldverhouding van het Rijk met agentschappen, RWT’s en sociale fondsen in het kader van geïntegreerd middelenbeheer.

Rentelasten en rentebaten

Rentelasten en rentebaten zijn lager dan eerder geraamd. De lagere rentestanden zijn hiervoor de belangrijkste oorzaak. Ook is van belang dat minder middelen aangehouden worden (in rekening courant en deposito). Tenslotte heeft de vervroegde aflossing van leningen door prorail ook invloed. Dit leidt tot minder rentebaten

Mutaties in rekening-courant en deposito’s

De mutaties op de saldi rekening courant en deposito’s aan de uitgavenkant worden naar verwachting aanzienlijk hoger. Dit wordt voor het leeuwendeel veroorzaakt door de sociale fondsen. De grotere mutaties aan de uitgavenkant betekenen dat er minder middelen in de schatkist worden aangehouden.

Verstrekte leningen en aflossingen

De grote mutatie bij de aflossingen wordt veroorzaakt door het vervroegd aflossen van leningen door Prorail.

2.3 Niet-beleidsartikel

Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen IXA plaats. In de onderstaande tabel worden de mutaties in de loon- en prijsbijstelling weergegeven.

Licence