Base description which applies to whole site

2.2 De Beleidsartikelen

Artikel 31 Integraal waterbeleid

Algemene doelstelling

Het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het integrale waterbeleid en voor het deltaprogramma. De minister draagt zorg voor de afstemming van het waterbeheer op zee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems. Daarnaast houdt de minister toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving en streeft daar de volgende doelen na:

Bestuurlijke organisatie en instrumentatie

Het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium van het waterbeleid.

Waterveiligheid

Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en rivierengebied volgens het wettelijk niveau te waarborgen; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn op het niveau van 2001 (basiskustlijn).

Waterkwantiteit/Waterkwaliteit

Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en daarvoor het hoofdwatersysteem zo te beheren dat wateroverlast en -tekort voorkomen worden. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden, zodat problemen met wateroverlast en -tekort zoveel mogelijk voorkomen worden.

Het bereiken van een goede ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems en de Noordzee en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water.10

Water in gebieden

Het bevorderen dat het waterbelang een volwaardige plek krijgt in ruimtelijke afwegingen. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een gebiedsgerichte aanpak gericht op de gebieden met grote rijkswateren.

Hoogwaterbescherming

Indicatoren

De indicator voor hoogwaterbescherming is het toetsoordeel over de toestand van de primaire waterkeringen in Nederland (percentage van het totaal aantal kilometers). Het betreft een oordeel ten opzichte van de geldende wettelijke norm. Deze norm is uitgedrukt in de gemiddelde kans per jaar op een overstroming door het bezwijken van de betreffende waterkering. De grote stormvloedkeringen en grote voorliggende waterkeringen, zoals Afsluitdijk en Houtribdijk, vallen onder verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat. Het merendeel van de primaire waterkeringen is in het beheer bij de Waterschappen.

De resultaten van de 3e Landelijke Rapportage Toetsingen (LRT-3) komen in het najaar van 2011 beschikbaar. De Tweede Kamer zal nader over de uitkomsten worden geïnformeerd.

Elke zes jaar (was voorheen vijf) worden de primaire waterkeringen getoetst op grond van de Waterwet. Landelijke Rapportage Toetsingen (LRT) hebben plaatsgevonden in 2001 en 2006. In 2011 wordt over de derde toetsing gerapporteerd aan de Kamer.

Het wettelijk toetsinstrumentarium is eind 2008 zodanig aangepast en aangevuld om tot een substantiële reductie van de categorie «geen oordeel» te komen. De primair verantwoordelijke partijen – waterschappen en provincies – hebben zich aan dat streven gebonden.

Kust

De indicator voor kust is het percentage raaien (gedeelte van de Nederlandse kust) waar op het moment van toetsing de zee (de kustlijn) structureel verder landwaarts ligt dan de te handhaven norm (Basiskustlijn 2001). De methodiek wordt samengevat in het jaarlijks door Rijkswaterstaat, Waterdienst uitgegeven Kustlijnkaartenboek11. De kustsuppleties worden door Rijkswaterstaat uitgevoerd.

Indicator: Jaarlijkse hoeveelheden zandsuppleties en percentages raaien waarin de Basiskustlijn (BKL) is overschreden.

Indicator: Jaarlijkse hoeveelheden zandsuppleties en percentages raaien waarin de Basiskustlijn (BKL) is overschreden.

Toelichting

Het aantal raaien waarin de BKL overschreden wordt mag maximaal 15% zijn; het streven is om het aantal BKL-overschrijdingen rond de 10 procent te houden. De BKL werd in 2010 in ongeveer 10 procent van de gevallen overschreden. Dit betekent dat met het suppleren van zand de kustlijn nog juist op orde wordt gehouden. In artikelonderdeel 11.02 IF wordt dit nader toegelicht. De figuur geeft een overzicht van de hoeveelheden suppleties en het aantal BKL-overschrijdingen. Om de BKL en het kustfundament te kunnen handhaven wordt een suppletieprogramma uitgevoerd, waarbij jaarlijks gemiddeld 12 mln m3 zand aan het kustfundament wordt toegevoegd. Het suppleren van 12 mln m3 is een indicator om het doel te bereiken dat het kustfundament meegroeit met de zeespiegel (zoals vermeld in 3e kustnota). Met deze hoeveelheid zand moet tevens de BKL gehandhaafd worden.

Waterkwantiteit hoofdwatersysteem

De indicator voor waterkwantiteit in het hoofdwatersysteem is het percentage dagen dat de stuwen en de spuien van het hoofdwatersysteem beschikbaar zijn conform de beschikbaarheidseisen, om onacceptabele wateroverlast en -tekort te voorkomen. Deze indicator laat zien of de kunstwerken op orde zijn, zodat onder normale omstandigheden voldaan kan worden aan de gewenste waterkwantiteit voor de verschillende gebruiksfuncties (scheepvaart, veiligheid waterkeringen, natuur etc.).

Percentage dagen dat de stuen en sluizen van het HWS beschikbaar zijn

Percentage dagen dat de stuen en sluizen van het HWS beschikbaar zijn

Toelichting

De norm is 100%. De reden dat stuwen en spuien niet het hele jaar door beschikbaar zijn, komt omdat Rijkswaterstaat als beheerorganisatie soms te maken heeft met kleine onverwachte storingen aan bijvoorbeeld de regelsystemen van stuwen en spuien. Deze storingen hebben in de gestelde periode niet geleid tot wateroverlast of watertekort.

Waterkwaliteit hoofdwatersysteem

De uitvoeringsindicator voor goede chemische en ecologische waterkwaliteit in het hoofdwatersysteem is het aantal geplande maatregelen uit het Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2009–2015 (BPRW) dat daadwerkelijk in realisatie is getreden of is afgerond.

KRW maatregelen BPRW Stand van zaken maart 2011

KRW maatregelen BPRW Stand van zaken maart 2011

Toelichting

Deze indicator geeft aan of de uitvoering van het maatregelenprogramma uit de stroomgebiedbeheerplannen zoals opgenomen in het BPRW op schema ligt.

In maart 2011 zijn 40% van de maatregelen in voorbereiding, 44% zijn in uitvoering, 14% van de maatregelen zijn afgerond. 2% van de maatregelen zijn komen te vervallen. Het is de bedoeling dat in 2015 alle maatregelen in uitvoering zijn en zoveel als mogelijk zijn afgerond.

Majeure beleidswijzigingen

Op 21 april 2011 is het nieuwe Bestuursakkoord Water ondertekend. Met het uitvoeren van de maatregelen in dit Bestuursakkoord moet een doelmatigheidswinst worden bereikt van ca. 10% ten opzichte van de totale jaarlijkse kosten voor het beheer van het watersysteem en de waterketen in 2010. Hiermee kan een autonome kostenstijging worden beperkt. Het bestuursakkoord moet leiden tot (1) heldere verantwoordelijkheden en minder bestuurlijke drukte, (2) een beheersbaar programma voor de waterkeringen, (3) een doelmatig beheer van de waterketen, (4) het slim combineren van werkzaamheden en (5) aanpassingen van het waterschapsbestuur. De uitvoering van het bestuursakkoord brengt diverse wijzigingen van de Waterwet en de Waterschapswet met zich mee, bijvoorbeeld ten aanzien van de waterschapsverkiezingen. De voorbereidende werkzaamheden voor de wijziging van de waterwet zullen worden gecombineerd met reeds lopende activiteiten, namelijk: (1) technische wijzigingen van de Waterwet en uitvoeringsregelgeving inclusief wijzigingen ten aanzien van de verontreinigingsheffing (motie Madlener), indiening wetsvoorstel eerste helft 2012 en (2) het project Stroomlijn (onderhoudsplicht vegetatie), indiening wetsvoorstel medio 2012.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

67 419

67 771

39 139

45 492

46 345

46 495

46 398

Uitgaven

72 825

67 900

50 916

46 493

46 494

46 495

46 398

31.01 Bestuurlijke organisatie en instrumentatie

26 034

26 970

19 446

15 187

14 840

14 840

14 812

Opdrachten

   

5 160

5 094

5 304

5 304

5 276

Subsidies

   

1 070

557

0

0

0

HGIS Partners voor Water

   

13 216

9 536

9 536

9 536

9 536

31.02 Waterveiligheid

23 608

19 102

3 442

3 361

3 479

3 479

3 450

Opdrachten

   

3 442

3 361

3 479

3 479

3 450

31.03 Waterkwantiteit / Waterkwaliteit

218

306

5 738

5 732

5 882

5 883

5 856

Opdrachten

   

2 714

2 674

2 919

2 991

2 964

Subsidies

   

122

166

36

0

0

Bijdragen aan internationale organisaties

   

2 902

2 892

2 927

2 892

2 892

31.04 Water in Gebieden

22 965

21 522

3 147

3 099

3 179

3 179

3 166

Opdrachten

   

3 147

3 099

3 179

3 179

3 166

31.05 Bijdragen aan baten/lastendiensten

   

19 143

19 114

19 114

19 114

19 114

Ontvangsten

275

570

570

570

570

570

570

Budgetflexibiliteit

Van de uitgaven die op dit artikel worden verantwoord, heeft 38% betrekking op bijdragen aan baten-lastendiensten. Het betreft hier opdrachtverlening aan de baten-lastendienst RWS (onder andere voor beleidsonderzoek en advies op het gebied van water). Verder heeft 28% betrekking op opdrachtverlening bijvoorbeeld in het kader van de uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet (december 2009). 26% van de uitgaven heeft betrekking op de uitvoering van het programma «Partners voor Water»welke gefinancierd wordt vanuit HGIS-middelen. De overige uitgaven bestaan uit subsidies (2% ) en bijdragen aan internationale organisaties (6%) zoals de internationale riviercommissies, OSPAR en UNESCO.

31.01 Bestuurlijke organisatie en instrumentatie

Opdrachten Bestuur en Regie

Het in mei 2011 getekende bestuursakkoord water (TK 2010–2011, 27 625, nr. 204) bevat een aantal nog uit te werken thema’s en uit te voeren acties. Deze zijn in 2011 gestart, maar lopen deels door in 2012. Daarbij is voor onderdelen beleidsonderzoek noodzakelijk. De opdrachten hiervoor betreffen bijvoorbeeld de monitoring van de doelmatigheidswinst en de integratie en stroomlijning van plannen.

Het huidige Nationaal waterplan loopt tot 2016. Conform het bestuursakkoord water zal er geen nieuw afzonderlijk waterplan meer worden opgesteld, maar wordt water geïntegreerd in een breder nationaal beleidsplan. De inhoudelijke voorbereiding van het waterdeel van het beleidsplan begint in 2012. Hiervoor zijn opdrachten nodig voor verkennend beleidsonderzoek, bijvoorbeeld om te kunnen komen tot een goede selectie van prioritaire beleidsthema’s.

De huidige massamediale campagne «Nederland leeft met Water» wordt herijkt. Er zullen opdrachten worden gegeven voor het ontwerpen van een nieuwe communicatiestrategie. Zoals toegezegd (TK 2010–2011, 30 825, nr. 79) is 2012 een overgangsjaar voor de programma’s «Leren voor Duurzame Ontwikkeling» en «Natuur en MilieuEducatie». Dit betekent dat de aflopende programma’s worden afgerond en de nieuwe opzet wordt voorbereid.

De helpdesk water voorziet in een behoefte bij publiek en mensen die professioneel werkzaam zijn op het terrein van water. De helpdesk wordt op 50–50 basis door «beleid» en «uitvoering» (Rijkswaterstaat) bekostigd. In 2012 zal onderzocht worden of een vorm van samenwerking of integratie met het kenniscentrum Infomil (Agentschap NL) doelmatig is.

Opdrachten Uitvoering, monitoring en evaluatie

Het vastgestelde beleid wordt gemonitord op basis van de afspraken die zijn vastgelegd in het Nationaal Waterplan. In dit kader heeft het informatiehuis water als doel om waterinformatie efficient en effectief uit te wisselen tussen de waterpartners en ter beschikking te stellen aan derden. De inzet hiervoor betreft met name ICT-applicaties waarmee alle waterbeheerders de verplichte informatie voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) gaan aanleveren, bewerken, opvragen en presenteren richting buitenwereld.

Het opstellen van de «Waterbalans». Dit betreft een beschrijving van de toestand van het watersysteem en een analyse van de realisatie van de doelen uit het waterbeleid.

De Raad voor Deltaonderzoek en het Kennisplatform water voeren een aantal onderzoeken uit; zij worden daarvoor ondersteund in hun secretariaatvoering. Het beleid wordt geëvalueerd en de resultaten van de evaluaties worden waar mogelijk verankerd waarmee de effectiviteit wordt vergroot. Ook worden de mogelijkheden verkend voor het inzetten van innovatie en kennis in de reguliere beleidsprocessen, met name door de beleidsprioriteiten uit het Nationaal Waterplan.

Subsidies

Het ministerie van IenM compenseert de waterschappen voor de kadastrale kosten. Deze compensatie werd ingevoerd na de verzelfstandiging van het Kadaster in 1994, waarbij de kosteloze informatievoorziening aan waterschappen kwam te vervallen. De compensatie wordt in het kader van de vereenvoudiging van de administratieve lasten bij doelmatig waterbeheer, waarbij verantwoordelijkheden (ook de financiële) bij de waterschappen neergelegd worden, en om invulling te geven aan de taakstelling subsidies uit het Regeerakkoord, in drie stappen afgebouwd. Hierover vindt overleg plaats met de waterschappen.

HGIS Partners voor Water

Het programma Water Mondiaal is een belangrijk instrument bij het realiseren van de mondiale ambities. Door de krachten te bundelen en daarmee de internationale positie van de Nederlandse watersector te verbeteren wordt bijgedragen aan de oplossingen voor de wereldwaterproblematiek. De interdepartementale samenwerking tussen de ministeries van IenM, BuZa (incl. DGIS) en EL&I wordt gecontinueerd, onderdeel hiervan is het uitvoeringsprogramma Partners voor Water dat loopt tot en met 2015. De uitgaven worden via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd.

31.02 Waterveiligheid

Opdrachten Veiligheid

In 2012 wordt onder regie van het rijk, op basis van een nationaal Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) een uitwerking gegeven aan vier ORBP’s, die voor de vier stroomgebieden Eems, Rijn, Maas en Schelde moeten worden opgesteld. Deze vier ORBP’s zullen in 2015 aan de EC worden gerapporteerd. Samen met rijkspartners en andere overheden wordt in 2012 opdracht gegeven voor ondersteuning bij het opstellen van risicokaarten en ORBP’s.

Voor normering waterveiligheid worden in 2012 kennisbijeenkomsten georganiseerd, waarbij afstemming plaatsvindt tussen de betrokken partijen, om te komen tot geactualiseerde veiligheidsnormen. Hiervoor worden opdrachten verstrekt voor berekeningen, instrumenten voor kwaliteitsborging en aanvullend beleidsonderzoek.

Parallel aan de actualisering van de normering waterveiligheid wordt opdracht gegeven om te komen tot nieuwe concepten voor waterveiligheid. Tevens wordt verkennend onderzoek gedaan naar de haalbaarheid en toepasbaarheid van de Deltadijk.

Op basis van de derde ronde toetsing op veiligheid wordt opdracht gegeven tot het ontwikkelen van verbetermaatregelen, die in het HWBP-3 of de onderhoudsprogramma’s van de waterkeringbeheerders worden opgenomen.

De vierde toetsing op waterveiligheid (2017) wordt voorbereid. Op basis van technische ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht, wordt het wettelijk toetsinstrumentarium, te weten de Hydraulische Randvoorwaarden en het Voorschrift Toetsen op Veiligheid, geactualiseerd. Hiervoor worden opdrachten gegeven voor beleidsonderzoek en voor het organiseren van kennisuitwis-selingsbijeenkomsten.

31.03 Waterkwantiteit/Waterkwaliteit

Opdrachten Waterkwantiteit en Waterkwaliteit

De stroomgebiedbeheerplannen onder de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), beschikbaar op www.kaderrichtlijnwater.nl, kennen een 6-jaarlijkse cyclus. In 2012 wordt de voortgang van de uitvoering van de maatregelen gerapporteerd van de eerste generatie stroomgebiedbeheerplannen die in 2009 werden afgerond. In aanloop naar de volgende cyclus vinden diverse beleidsonderzoeken plaats, onder meer naar een verdieping van de kennis over ingreep-effectrelaties en verbetering van de kosten-baten module. De volgende versie van de stroomgebiedbeheerplannen moet in 2015 klaar zijn.

In 2011 is het Besluit bodemkwaliteit geëvalueerd. Daaruit is een verbeterplan voortgekomen. Binnen het waterdomein wordt onderzoek verricht naar het oplossen van watersysteemgerelateerde knelpunten (baggerspecie).

Net als de KRW kent de Europese Kaderrichtlijn Mariene strategie (KRM) een 6-jarige plancyclus. Nu wordt gewerkt in de eerste plancyclus. Voor de Initiële Beoordeling (IB), de Goede Milieu Toestand (GMT) en bijbehorende indicatoren zijn diverse onderzoeken lopende, die in 2012 worden afgerond. Op basis daarvan worden in 2012 de na te streven doelen voor het mariene milieu op de Noordzee (politiek) vastgesteld en aan de Europese Commissie aangeboden. Verder zijn er uitbestedingen voor de Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse en voor het opstellen van een concept-monitoringprogramma.

Subsidies

Subsidies worden verstrekt aan de Wageningen Universiteit IMARES voor het onderzoeksprogramma MEECE en het onderzoeksprogramma MESMA. Daarnaast wordt een subsidie verstrekt aan het NWO voor het nationaal programma voor Zee- en Kustonderzoek en is sprake van een subsidie aan Stichting de Noordzee voor het programma op weg naar een gezonde zee.

Bijdragen aan internationale organisaties

Nederland is partij in de verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, Maas en Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken, op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming. De contributie voor deze commissies wordt jaarlijks vastgesteld. Daarnaast worden de commissies ondersteund in de voorbereiding en de uitvoering van hun werkzaamheden.

Voor de internationale zee bestaat OSPAR, wat een soortgelijke commissie is als de riviercommissies, maar dan voor de internationale Noordzee. Ook voor OSPAR is jaarlijks contributie verschuldigd.

Middels twee Memoranda of Understanding (MOU’s) wordt UNESCO ondersteund. Het gaat hier om ondersteuning van het grondwaterinstituut «IGRAC» en om capacity building door UNESCO-IHE. De activiteiten versterken de langjarige samenwerking in de Deltalanden uit het Nationaal Waterplan.

31.04 Water in gebieden

Opdrachten gebieden

Op de Noordzee wordt ecologische monitoringsonderzoek gedaan naar de effecten van het aanleggen van windenergie gebieden op zee. Tevens wordt onderzoek verricht voor de aanwijzing van windenergiegebieden op zee. Ten slotte wordt een jaarlijkse bijdrage verstrekt voor het Noordzeeloket; een online loket voor informatie over de Noordzee.

In het Waddengebied wordt onderzoek uitgevoerd in het kader van waterveiligheid. Tevens zijn er activiteiten teneinde Nederlandse beleidsdoelen te realiseren in samenhang met activiteiten in Duitsland en Denemarken. Ten slotte wordt het secretariaat van het regionaal college Wadden ondersteund.

In het IJsselmeergebied wordt (buiten de activiteiten in het kader van het Deltaprogramma) onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor de noodzakelijke versterkingingen van de Markermeerdijken. In het kader van de RRAAM brief wordt onderzoek gedaan naar maatregelen in de Hoornse Hop als 1ste fase van het toekomstbestendig ecologisch systeem (TBES).

In de Zuidwestelijke Delta wordt onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de samenhangende besluitvorming (medio 2012) over de lopende MIRT-projecten in de ZW Delta, Volkerak-Zoommeer en Grevelingen, en de robuustheid daarvan voor de langere termijn als het gaat om veiligheid, waterberging, transport over water en ecologie.

In de Schelde wordt onderzoek gedaan (waaronder monitoring) ten behoeve van de uitvoering van de Scheldeverdragen met het oog op de (lange termijn) doelstellingen van deze verdragen: een duurzame balans tussen de pijlers veiligheid, toegankelijkheid en natuurlijkheid.

In 2012 wordt de evaluatie van de watertoets afgerond.

31.05 Bijdragen aan baten/lastendiensten

Er is budget gereserveerd voor de agentschapbijdrage aan de RWS voor beleidsonderzoek voortvloeiend uit de hiervoor genoemde operationele doelstellingen.

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds

Extracomptabele verwijzingen

Overzicht uitgaven waterbeleid op het Infrastructuurfonds (x € 1 000)

Art. Omschrijving

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

art 11. Hoofdwatersystemen

805 124

1 085 263

617 781

563 231

603 980

585 999

691 505

art 16.02 Ruimte voor de rivier

146 604

112 865

154 610

292 036

341 925

349 884

191 854

art 16.03 Maaswerken

33 585

46 315

34 769

39 614

30 402

29 323

26 075

art 16.04 Apparaatsuitgaven RWS

 

14 816

18 324

18 626

18 093

16 274

12 961

art 16.05 Hoogwaterbeschermingsprogramma 2

   

215 517

437 350

356 711

346 188

358 919

Artikel 32 Het bereiken van optimale veiligheid in of als gevolg van mobiliteit

Algemene doelstelling

De veiligheid van personen op de weg en op het spoor, alsmede de sociale veiligheid in het openbaar vervoer (OV), permanent verbeteren.

Omschrijving van de samenhang van beleid

Om risico’s voor verkeersdeelnemers te verminderen zodat het aantal verkeersslachtoffers op de weg en het aantal slachtoffers op het spoor permanent daalt en om de sociale veiligheid in het openbaar vervoer (OV) te verbeteren.

Verantwoordelijkheid

De minister is samen met provincies, gemeenten en waterschappen verantwoordelijk voor de uitvoering van het verkeersveiligheidsbeleid. Dit betekent betrokkenheid bij (EU-) wetgeving, vaststellen van nationale kaders voor de verkeersveiligheid en het vaststellen van de nationale doelstelling in goed overleg met decentrale overheden.

Ten aanzien van de veiligheid op het hoofdrailnet is de systeemverantwoordelijkheid vastgelegd door middel van de wetgeving (en daaruit voortvloeiende concessies) en de Kadernota «Veilig vervoeren, veilig werken, veilig leven met spoor12». De minister is verantwoordelijk voor de veiligheidskaders die gelden voor het railvervoer en de railinfrastructuur. Binnen de kaders en de randvoorwaarden van de rijksoverheid ligt de verantwoordelijkheid voor een veilige dagelijkse uitvoering van het railvervoer bij de betrokken bedrijven zelf. Dit wordt gemonitord.

Ten aanzien van de sociale veiligheid in het OV heeft IenM een coördinerende en stimulerende functie. Uitvoering vindt plaats door decentrale overheden en OV-bedrijven voor het stads- en streekvervoer en voor het hoofdrailnet via de concessies. Dit wordt gemonitord.

Daarnaast houdt de minister toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Dit toezicht bestaat uit toelating/continuering, inspectie/handhaving en kennis, advies en berichtgeving.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling is afhankelijk van:

  • De mate waarin in de periode tot en met 2012 de toename van het absolute aantal slachtoffers, veroorzaakt door toename van de mobiliteit, teniet wordt gedaan door autonome verbeteringen, met name: voertuigen worden veiliger en verkeersdeelnemers leren beter met verkeer om te gaan.

  • De verschillende decentrale overheden hun bijdrage leveren aan de afgesproken doelstelling.

  • De inspanningen van de transportsector en spoorsector de eigen verantwoordelijkheid op te pakken en daar invulling aan te geven.

  • In EU-verband een forse stap wordt gezet op het gebied van voertuigtechnologie.

Effecten van beleid

Het behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

  • er maximaal 500 verkeersdoden en 10 600 ernstig verkeersgewonden zijn in 2020.

  • de veiligheid van het railvervoer voldoet aan de doelen (risiconormen) die gesteld zijn in de Derde Kadernota «Veilig vervoeren, veilig werken, veilig leven met spoor».

  • reizigers en personeel zich veilig voelen in het stads- en streekvervoer en in de trein.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)

32 Optimale veiligheid

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

56 689

59 187

26 177

21 057

20 108

17 950

17 888

Uitgaven

57 676

59 082

26 849

21 303

20 118

17 950

17 888

32.01

Aantal verkeersslachtoffers op de weg verminderen

48 560

50 611

26 468

20 999

19 809

17 641

17 580

32.01.01

Algemene strategie en beleidsontwikkeling

2 026

2 075

1 206

1 202

1 204

1 204

1 203

32.01.02

Vereisten aan voertuig en technologie

3 833

3 888

4 353

4 323

4 357

4 357

4 340

32.01.03

Gedragsbeinvloeding

22 063

21 030

20 653

15 228

14 238

12 080

12 037

32.01.04

Aanpassingen aan weginfrastructuur

0

           

32.01.05

Inspectie Verkeer en Waterstaat

20 638

23 618

256

246

10

   

32.02

Aantal verkeersslachtoffers op het spoor verminderen

8 952

8 165

294

217

222

222

221

32.02.01

Algemene strategie en beleidsontwikkeling

725

527

294

217

222

222

221

32.02.02

Kadernota Railveiligheid «Veiligheid op de rails»

289

206

         

32.02.03

Inspectie Verkeer en Waterstaat

7 938

7 432

         

32.03

Sociale veiligheid OV verbeteren

164

306

87

87

87

87

87

32.03.01

Algemene strategie en beleidsontwikkeling

80

240

87

87

87

87

87

32.03.02

Uitvoeren beleidskader Sociale veiligheid OV

84

66

         

32.09

Ontvangsten

1 285

4 642

4 642

4 642

4 642

4 642

4 642

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2012

Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2012

32.01 Aantal verkeersslachtoffers op de weg verminderen

De juridisch verplichte en de bestuurlijk gebonden uitgaven hebben betrekking op het uitvoeren van verschillende verkeerscampagnes en de bijdragen aan de diverse verkeersveiligheidsorganisaties.

32.02 Aantal verkeersslachtoffers op het spoor verminderen

Alle programmamiddelen zijn juridisch verplicht ten behoeve van de actieplannen over de overwegveiligheid.

32.03 Sociale veiligheid OV verbeteren

De beleidsmatig verplichte uitgaven worden ingezet voor onderzoek

Operationele doelstellingen

32.01 Aantal verkeersslachtoffers op de weg verminderen

Operationele doelstelling

Motivering

Het maatschappelijk leed als gevolg van verkeersongevallen is groot. Daarnaast zijn de maatschappelijke kosten (medische kosten, productieverlies, materiële kosten en afhandelingskosten) die daarmee gemoeid zijn hoog.

Daarom streeft IenM naar een vermindering van het aantal verkeersdoden tot 500 en ernstig verkeersgewonden tot 10 600 in 2020.

Algemene strategie- en beleidsontwikkeling

Instrumenten

  • Strategisch Plan Verkeersveiligheid. In het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–202013 staan de beleidslijnen en aandachtsgebieden aan de hand waarvan de doelstellingen voor verkeersveiligheid door de gezamenlijke overheden kunnen worden bereikt. Elke twee jaar worden de hoofdlijnen van maatregelen in het kader van het Strategisch plan gebundeld in een gezamenlijk Actieprogramma Verkeersveiligheid. In 2012 wordt het Strategisch Plan geactualiseerd op basis van actuele trends en ontwikkelingen.

  • Actieprogramma Verkeersveiligheid 2011–2012, hierbij krijgen 4 thema’s extra aandacht: fietsers, enkelvoudige ongevallen, oudere verkeersdeelnemer en jonge beginnende bestuurders.

  • toezicht op een aantal uitvoerende organisaties: RDW14, Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen15 (CBR), Innovam16.

Vereisten aan voertuig en technologie

  • ISA: pilots met een verzekeraar en leasemaatschappij.

  • stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen middels deelname aan Euro NCAP17.

Gedragsbeïnvloeding

  • Netwerk Koers op Veilig, van start gegaan in 2011 (zie Kamerstukken 29 398, nr. 224, waar nog de werktitel «Roadsafety community» werd gehanteerd).

  • Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid

  • Verbeteren positie kwetsbare verkeersdeelnemers door:

    • onder meer onderzoek naar botsvriendelijke autofronten,

    • samenwerking met ouderenbonden en andere maatschappelijke organisaties,

    • uitvoering geven aan het meerjarenprogramma Blijf Veilig Mobiel.18

  • Subsidies aan

    • maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland19 (VVN), ANBO, Fietsersbond, Team Alert20 en wetenschappelijk onderzoek21 (SWOV);

    • World Health Organization22 (WHO) en de Nederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek23 (TNO);

    • CBR t.b.v. onderzoeken geschiktheid.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Algemene strategie- en beleidsontwikkeling

  • Opstellen en doen uitvoeren van een jaarlijks onderzoeksprogramma.

  • Kennisdeling ten aanzien van maatregelen met decentrale overheden (KpVV24).

  • Zorgen voor internationale afstemming van verkeersveiligheids-wetgeving en beleid.

  • Invulling geven aan de regiefunctie op het gebied van verkeersveiligheid; op basis van de Nota Mobiliteit en het strategisch plan verkeersveiligheid wordt samengewerkt aan het gezamenlijk met decentrale overheden behalen van de nationale verkeersveiligheidsdoelstelling.

  • Uitvoering geven aan het Actieprogramma Verkeersveiligheid 2011–2012.

  • Opstellen Actieprogramma Verkeersveiligheid 2013–2014.

  • Monitoren van voortgang strategisch plan en toetsen actualiteit strategisch plan.

Vereisten aan voertuig en technologie

  • Stimuleren van ontwikkeling van veiligere voertuigen door,

    • Actief participeren in het EU-wetgevingsproces omtrent voertuigen.

    • Deelnemen in (Europese) overleggen over de ontwikkelingen in de voertuigindustrie (European Road Transport Research Advisory Council25 (ERTRAChttp://www.ertrac.org/), eSafety26.

Gedragsbeïnvloeding

  • Uitvoeren van de specifieke maatregelen gericht op het goederenvervoer over de weg zoals opgenomen in het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–202027 (TK, 2007–2008, 29 398, nr. 120). Dit wordt concreet gemaakt in het 2-jaarlijkse actieprogramma.

  • Bevorderen van een veiligheidscultuur in transportbedrijven.

  • De maatregelen Actieplan «verbetering verkeersveiligheid motorrijders» worden uitgevoerd in de periode 2011–2012. In 2012 zullen de resultaten van het onderzoek naar zichtbaarheid van motorrijders beschikbaar komen. Daarnaast zullen ook de voortgezette rij-opleidingen ontwikkeld zijn, die meer een focus hebben op risico-perceptie.

  • Actief participeren in het EU-wetgevingstraject omtrent rijbewijzen, voorbereidingen implementatie derde Rijbewijsrichtlijn28, die onder andere tot doel heeft verdere Europese uniformering.

  • Uitvoering Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid.

  • Voorlichting over de gevaren van deelname aan het verkeer bij gebruik van bepaalde medicijnen.

  • De procesevaluatie van het alcoholslot gaat in 2012 van start.

  • In samenwerking met Veiligheid & Justitie wordt de herziening van het rijbewijshuis in gang gezet.

    Inmiddels is ook aan de Kamer gemeld wat die herziening precies inhoudt:

    • Uitbreiding recidiveregeling ernstige verkeersdelicten met drugsdelicten

    • Beginnersregeling van 3 naar 2 punten

    • Verbeterde uitvoering van huidige maatregelen

    • Oplossen van onwerkbare samenloop tussen maatregelen.

  • Wetswijziging wordt voorbereid ten behoeve van invoering drugstester (voortouw bij Veiligheid & Justitie).

  • continue internationale gegevensuitwisseling: beboeten van door buitenlanders begane verkeersovertredingen.

  • Verdere verbetering nationale databank voor ongevalsgegevens, door gebruik van meerdere gegevensbronnen naast de politieregistratie en alternatieve analysemethoden.

Aanpassingen aan weginfrastructuur

  • Programma met effectieve, niet MER-plichtige, infrastructurele maatregelen om de veiligheid op snelwegen en rijks-N-wegen te verbeteren.

  • De Europese Richtlijn betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur wordt op het betreffende deel van de rijkswegen toegepast.

De uitgaven voor ombouw, uitbouw en beheer en onderhoud (BenO) worden geraamd op het Infrastructuurfonds (IF artikel 12).

Algemene strategie- en beleidsontwikkeling

Indicator(en)

De meetbare gegevens voor dit product zijn hieronder bij de overige producten weergegeven. Aangezien de genoemde activiteiten gericht zijn op zowel vereisten aan voertuigtechnologie, gedragsbeïnvloeding en aanpassingen aan weginfra, zijn hiervoor geen aparte meetbare gegevens ontwikkeld.

Het beleid op het gebied van deze drie producten draagt bij aan het streven naar een vermindering van het aantal verkeersdoden tot 500 en ernstig verkeersgewonden tot 10 600 in 2020.

 

Basiswaarde 2002

2007

2008

2009

2010

Doelstelling 2010

Streefwaarde 20121

Doelstelling 2020

aantal verkeersdoden

1 066

791

750

720

640

750

700

500

ernstig verkeersgewonden

16 100

16 600

17 600

18 600

 

14 800

14 380

10 600

Bron: RWS/DVS, 2011

1

De streefwaarde voor 2012 is berekend door lineaire interpolatie tussen de doelstelling voor 2010 en de doelstelling voor 2020. Het aantal ernstig verkeersgewonden over 2010 is niet eerder beschikbaar dan in het najaar van 2011.

Toelichting

Deze indicator geeft informatie over de ontwikkeling van het aantal verkeersdoden en ernstig verkeersgewonden.

De streefwaarden voor 2020 zijn in overleg met de decentrale overheden vastgesteld. Dit aan de hand van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020 (TK, 2007–2008, 29 398, nr. 120, herdruk), dat in 2011 is getoetst op actualiteit en koers richting doelen, en in 2012 wordt bijgesteld. Het bijbehorende 2-jaarlijkse actieprogramma komt tezamen met de decentrale overheden tot stand. In 2011 wordt de versie voor 2011–2012 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Verwijzing Brede Doeluitkering (BDU)

Extracomptabele verwijzingen

Voor het verwezenlijken van deze doelstelling wordt een bijdrage verstrekt middels de Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer (zie artikel 39.02).

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds (IF)

De veiligheidscomponent is geïntegreerd in de reguliere aanleg- en beheer en onderhoudbudgetten.

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € 1 mln)

Art. Omschrijving

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Art 12 Hoofdwegennet

3 270

2 590

2 458

2 692

3 201

2 175

3 439

32.02 Aantal verkeersslachtoffers op het spoor verminderen

Operationele doelstelling

Motivering

De veiligheid van het railvervoer staat op een hoog niveau. Het handhaven van dit veiligheidsniveau en waar mogelijk en haalbaar verbetering tot stand brengen vraagt continue aandacht van alle betrokken partijen. De gezamenlijk afgesproken doelen voor 2012 staan verwoord in de Derde Kadernota «Veilig vervoeren, veilig werken, veilig leven met spoor» (TK 2009–2010, 29 893, nr. 106).

De verantwoordelijkheden van spoorondernemingen en de spoorbeheerder zijn in wet- en regelgeving geborgd. De verankering van veiligheid binnen deze organisaties wordt getoetst door de Inspectie Leefomgeving en Transport. In toenemende mate worden in internationaal verband afspraken gemaakt op het gebied van veiligheid. Bijvoorbeeld over algemene doelen en indicatoren of over specifieke voorschriften (TSI’s, Technical Specification for Interoperability). Daar waar relevant wordt dit geïmplementeerd in wet- en regelgeving.

Naast de hiervoor genoemde wet- en regelgeving is het van belang dat betrokken partijen een eigen verantwoordelijkheid hebben en nemen. De spoorsector neemt deze ten aanzien van het bereiken van de doelen uit de derde Kadernota Railveiligheid. In het beheerplan van ProRail en de jaarplannen van de vervoerders wordt daarover verantwoording afgelegd. De Inspectie monitort en toetst de resultaten.

Algemene strategie- en beleidsontwikkeling

Instrumenten

Railveiligheid

  • Om de doelstellingen ten aanzien van overwegveiligheid en preventie zelfdoding op het spoor uit de Derde Kadernota Railveiligheid te halen worden door ProRail actieplannen uitgevoerd. Deze actieplannen zijn als bijlage bij de Derde Kadernota Railveiligheid aan de Kamer gestuurd (bijlagen bij TK 2009–2010, 29 893, nr. 106). Het betreft actieplannen voor overwegveiligheid ( TK 2010–2011, 29 893, nr. 111; Veiligheid van het railvervoer; Spoorwegovergangen) en preventie zelfdoding op het spoor (TK 2010–2011, 22 894, nr. 296; Jaarrapportage Vermindering Suïcidaliteit 2010).

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Implementatie van vastgestelde EU-richtlijnen in wet- en regelgeving.

  • Uitbrengen van een tweetal voortgangsrapportages rondom de aanpak problematiek van Stop Tonend Sein (STS) passages door de Inspectie en de spoorsector.

  • Uitvoering van een eventuele herprioritering in het programma om risicovolle seinen te voorzien van ATB-Vv (TK 2009–2010, 29 893, nr. 94 (Veiligheid van het railvervoer) en TK 2010–2011, 29 893, nr. 118).

  • Jaarlijks uitbrengen van de Trendanalyse over het afgelopen jaar: Trends in de veiligheid van het spoorwegsysteem in Nederland.

  • Jaarrapportage Vermindering Suïcidaliteit 201029. Inzake preventie van zelfdoding op het spoor is de Kamer geïnformeerd via de Jaarrapportage Vermindering Suïcidaliteit 2010 (TK 2010–2011, 22 894, nr. 296).

Indicatoren / Kengetallen

Algemene strategie- en beleidsontwikkeling

De meetbare gegevens voor dit product zijn hieronder bij product Railveiligheid weergegeven. Aangezien de genoemde activiteiten hierop zijn gericht, zijn hiervoor geen aparte meetbare gegevens ontwikkeld.

Veiligheidsnormen

In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de veiligheidsnormen inzake reizigers, personeel en overige personen. In de komende jaren worden de streefcijfers nader uitgewerkt.

Indicator: Spoorveiligheid – Nationale Reference Value (NRV)

Nr.

Risicodrager

Omschrijving indicator

Streefwaarde

NRV 2010

Waarde 2010

1.1

Reiziger

Aantal FWSI1 bij reizigers per jaar / jaarlijks aantal mld reizigertreinkilometers

Permanente verbetering

6,16

3,4

1.2

Reiziger

Aantal FWSI bij reizigers per jaar / jaarlijks aantal mld reizigerkilometers

Permanente verbetering

0,05

0,03

2

Personeel

Aantal FWSI bij personeel per jaar / jaarlijks aantal mld treinkilometers

Permanente verbetering;

Structureel top 4 in EU

4,52

1,2

3.1

Overweggebruiker

Aantal FWSI bij overweggebruikers per jaar / jaarlijks aantal mld treinkilometers

Permanente verbetering

114,5

105,8

3.2

Overweggebruiker

Aantal FWSI bij overweggebruikers / [(Aantal treinkilometers per jaar * aantal spoorwegovergangen) / lijnkilometers]

Permanente verbetering

123,7

115,3

4

Anderen

Aantal FWSI bij anderen per jaar / jaarlijks aantal mld treinkilometers

Permanente verbetering

0,21

2,35

5

Onbevoegden

Aantal FWSI bij onbevoegden per jaar / jaarlijks aantal mld treinkilometers

Permanente verbetering

7,2

4,11

6

Maatschappij (derden)

Aantal FWSI per jaar in totaal / jaarlijks aantal mld treinkilometers

Permanente verbetering

133

120

Bron: Trendanalyse 2010, IVW (Inspectie Verkeer en Waterstaat)

1

FWSI = Fatalities and Weighted Serious Injuries = aantal doden + 0,1 * aantal zwaargewonden.

Toelichting

De tabel geeft op hoofdlijnen inzicht in de doelen en de trends. Het algemene beeld is dat de veiligheid op het spoor zich op een hoog niveau bevindt en zich positief ontwikkelt. In de Trendanalyse 2010 wordt de ontwikkeling nader toegelicht.

De streefwaarden in de tabel hebben betrekking op het voortschrijdende gemiddelde van het aantal dodelijke slachtoffers en zwaargewonden en zijn gebaseerd op de Derde Kadernota «Veilig vervoeren, veilig werken, veilig leven met spoor».

De NRV 2010 is de doelstelling voor de indicator 2010. De doelstelling voor latere jaren is permanente verbetering. Aangesloten wordt bij Europese indicatoren en definities. In Europees verband wordt gewerkt met zogenaamde voortschrijdende gemiddelden, de zogeheten national reference values (NRV). Deze systematiek wordt door alle Europese landen gehanteerd.

De NRV is een gewogen gemiddelde waarde van de voorgaande 4 jaar. Dus NRV 2010 is het gewogen gemiddelde van 2006 t/m 2009. De wijze van berekenen is toegelicht in de beschikking van de Europese Commissie, met kenmerk 2009/240/EG (EUR-Lex – 32 009D0240 – NL)30.

Verwijzing Infrastructuurfonds

Extracomptabele verwijzingen

Het AKI-programma op artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds wordt ingezet voor de verbetering van de beveiliging van overwegen.

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € mln)

Art. Omschrijving

t/m 2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Art. 13 Automatische Knipperlicht Installatie

289

12

23

17

17

8

0

32.03 Sociale veiligheid openbaar vervoer verbeteren

Operationele doelstelling

Motivering

Sociale veiligheid is onderdeel van het kabinetsbeleid om de veiligheid in de samenleving te verbeteren. Het is zowel voor reizigers als personeel belangrijk, alsook voor de beeldvorming over het openbaar vervoer. Gestreefd wordt naar een verbetering van het veiligheidsgevoel en naar een vermindering van het aantal incidenten in en rond het openbaar vervoer.

Instrumenten

Algemene strategie- en beleidsontwikkeling/Uitvoeren beleidskader Sociale Veiligheid OV (SVOV):

  • Algemene beleidsontwikkeling en -ondersteuning die productoverstijgend is, op het gebied van sociale veiligheid. Met uitvoering van Aanvalsplan Sociale Veiligheid, het vervolg Aanvalsplan en de maatregelen uit de Taskforce Sociale Veiligheid (de laatste onder regie van BZK) wordt een breed pakket activiteiten uitgevoerd.

  • Vervoerplan van NS. Voor het hoofdspoorvervoer maakt IenM jaarlijks afspraken over sociale veiligheid in het kader van het Vervoerplan van NS en het Beheerplan van ProRail31 (Spoor: vervoer- en beheerplan; Brief regering; Prestaties van NS en ProRail in 2010 en 2011).

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Algemene strategie- en beleidsontwikkeling/Uitvoeren beleidskader Sociale Veiligheid OV (SVOV)

  • Voortbouwen op de maatregelen en waar nodig met specifiek maatwerk aanvullen is de beleidslijn voor 2012.

  • Voor het stads- en streekvervoer zijn de decentrale OV-autoriteiten primair verantwoordelijk.

Indicatoren / Kengetallen

Algemene strategie- en beleidsontwikkeling

  • De meetbare gegevens voor dit product zijn hieronder bij product Uitvoeren beleidskader Sociale Veiligheid OV weergegeven. Aangezien de genoemde activiteiten hierop zijn gericht, zijn hiervoor geen aparte meetbare gegevens ontwikkeld.

Uitvoeren beleidskader Sociale Veiligheid OV

  • De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van maatregelen voor sociale veiligheid ligt bij de decentrale overheden die de concessies verlenen aan de vervoerders. De concessieverleners maken afspraken met de concessiehouder over de sociale veiligheid. Voor het stads- en streekvervoer is op basis van de Nota Mobiliteit afgesproken dat de decentrale overheden een streefcijfer voor de veiligheid van de reiziger tijdens de rit van 7,5 hanteren.

  • Decentrale overheden verantwoorden naar provinciale staten en algemene besturen van stadsregio’s hoe zij de middelen hiervoor inzetten en welke prestatie-indicatoren zij hanteren.

  • Er zijn geen streefcijfers voor personeel, omdat IenM niet treedt in de relatie werkgever-werknemer.

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer1
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde

– Reizigers

7,6

7,8

7,8

7,9

7,9

7,9

7,5

– Personeel2

6,5

6,3

nb

6,3

nb

6,5

 

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

             

– Reizigers3

25

25

23

23

24

23

 

– Personeel4

56

65

nb

69

nb

64

 

Bron: KpVV – Reizigersmonitor, 2010 [http://www.kpvv.nl/templates/mercury.asp?page_id=2035&onderwerp_sub=6]

1

Alle gegevens in de tabel hebben betrekking op het stads- en streekvervoer.

2

Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het voertuig. Vervoerders meten dit onderdeel tweejaarlijks.

3

Dit is het ongewogen gemiddelde van de bus-, tram-, metro- en regionale trein reizigers, die ooggetuige en/of slachtoffer zijn geweest van één of meerdere incidenten. Percentage per modaliteit is in 2010: bus 18%, tram 27%, metro 27% en regionale trein 18%.

4

Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Vervoerders meten dit onderdeel tweejaarlijks.

 

2007

2008

2009

2010

Klantoordeel veiligheid reizigers1

76

78

78

78

Reizigers die slchtoffer/ooggetuige zijn geweest van tenminste één incident

28

26

24

28

Percentage NSR-medewerkers dat haar/zijn gevoel van veiligheid overdag in de werkomgeving met een 7 of hoger beoordeelt

91

2

91

2

Percentage NSR-medewerkers dat haar/zijn gevoel van veiligheid 's avonds in de werkomgeving met een 7 of hoger beoordeelt

63

2

60

2

Percentage NSR-medewerkers dat één of meerdere incidenten heeft meegemaakt

19

20

20

20

Bron: NS, 2011

1

In het Vervoerplan van NS wordt voor sociale veiligheid, net als voor diverse andere zorggebieden, het klantoordeel gebruikt. Het klantoordeel veiligheid geeft een percentage en niet een cijfer. Het klantoordeel is het gewogen gemiddelde van de klantoordelen overdag en ’s avonds in de trein en overdag en ’s avonds op stations.

2

Wordt niet jaarlijks door NS gemeten. NS houdt gemiddeld een keer per twee jaar een enquête onder medewerkers. Sociale veiligheid is een van de onderwerpen die aan bod komen.

Artikel 33 Veiligheid gericht op de beheersing van veiligheidsrisico's

Algemene doelstelling

Het verkleinen van veiligheidsrisico’s van vervoer van personen en goederen over de weg, het spoor, het water en door de lucht.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Om de kans op letsel bij personen en schade aan goederen, infrastructuur en milieu als gevolg van ongevallen door goederenvervoer en luchtvaart te beperken, stelt IenM kaders voor de verbetering van de veiligheid en beveiliging door het voeren van beleid en het stellen van regels ter beheersing van veiligheidsrisico's. IenM houdt toezicht op de naleving van de regels. IenM helpt en motiveert betrokken partijen hun verantwoordelijkheid voor veiligheid en beveiliging te nemen en hierin samen te werken.

Verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • Het stellen van voorwaarden via beleid, wet- en regelgeving aan de veiligheid van het goederenvervoer- en luchtvaartsysteem.

  • Het houden van toezicht en het uitvoeren van inspecties op het nalevingsgedrag.

  • Het bijdragen aan en implementeren van internationale afspraken op het gebied van veiligheid en beveiliging.

  • Het leveren van een bijdrage aan de maatschappelijke aandacht voor streven naar het permanent verbeteren van de veiligheid en beveiliging.

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling hangt af van de betrokkenheid van en samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven, de internationale ontwikkelingen en de verhouding met andere ruimtelijke behoeften en ontwikkelingen in Nederland.

Effecten van beleid

Het behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

  • De Nederlandse luchtvaart en het goederenvervoer aan de internationale eisen voldoen, waardoor Nederland onderdeel is en kan blijven van het internationale transportsysteem.

  • Het aantal ongevallen vermindert en er minder slachtoffers, schade en de daarmee gepaard gaande externe effecten zijn.

  • Het lucht- en goederenvervoer veilig en vlot plaatsvindt.

  • Het vervoer van gevaarlijke stoffen onder veiliger omstandigheden kan plaatsvinden.

  • De binnenvaartsector zelf zich beter bewust is van de eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheden om de veiligheid te verbeteren.

  • De veiligheidsrisico’s voor het scheepvaartverkeer op het Nederlandse deel van de Noordzee bekend zijn.

  • Beheersmaatregelen op het gebied van verkeersmanagement alsmede op het gebied van de veiligheid van op de Noordzee varende schepen (inclusief de Nederlandse vloot) worden toegepast om een permanente verbetering van de veiligheid te garanderen.

  • Vitale objecten in de rijksinfrastructuur en het goed functioneren van het openbaar vervoer voldoende beveiligd zijn tegen de dreiging van terreuraanslagen.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)

33. Veiligheid gericht op de beheersing van veiligheidsrisico's

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

67 543

58 754

8 593

11 803

9 691

9 523

8 497

Uitgaven

66 033

59 180

10 655

9 844

9 786

9 621

9 348

33.01

Externe veiligheid

7 418

7 101

6 020

5 157

5 202

5 192

5 221

33.01.01

Verbeteren veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen

4 658

5 298

3 769

3 731

3 752

3 756

3 743

33.01.02

Externe veiligheid luchthavens

318

472

803

103

103

103

103

33.01.03

Aankoop LIB veiligheidssloop-zones Schiphol

2 442

1 331

1 448

1 323

1 347

1 333

1 375

33.01.04

Inspectie Verkeer en Waterstaat

0

           

33.02

Veiligheid goederenvervoer scheepvaart

21 687

21 853

2 314

2 320

2 296

2 291

2 289

33.02.01

Verbeteren veiligheid zeevaart

1 249

1 624

527

563

548

548

548

33.02.02

Verbeteren veiligheid zeehavens

454

985

710

686

686

686

686

33.02.03

Verbeteren veiligheid binnenwateren

441

531

152

146

137

132

130

33.02.04

IMO (HGIS)

372

416

416

416

416

416

416

33.02.05

Inspectie Verkeer en Waterstaat

18 678

17 788

         

33.02.06

Centrale Commissie voor de Rijnvaart CCR (HGIS)

493

509

509

509

509

509

509

33.03

Veiligheid luchtvaart

36 512

29 815

2 168

2 235

2 156

2 006

1 706

33.03.01

Verbetering veiligheid luchtvaart

1 592

1 615

369

235

256

256

256

33.03.02

ICAO en EASA (HGIS)

1 304

1 165

1 115

1 115

1 015

1 015

1 015

33.03.03

Internationaal

259

242

384

435

435

435

435

33.03.04

Inspectie Verkeer en Waterstaat

24 657

23 666

         

33.03.05

Luchtveiligheid BES-eilanden

8 700

3 127

         

33.03.06

Galileo Supervisory Authority (HGIS)

   

300

450

450

300

 

33.04

Bescherming tegen moedwillige verstoring

416

411

153

132

132

132

132

33.04.01

Beveiliging scheepvaart en zeehavens

81

97

153

132

132

132

132

33.04.02

Beveiliging luchtvaart

254

247

         

33.04.03

Beveiliging infrastructuur hoofdwegen

             

33.04.04

Beveiliging infrastructuur spoorwegen

81

67

         

33.04.05

Beveiliging openbaar vervoer

             

Ontvangsten

6

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

33.01 Externe veiligheid

De juridische en beleidsmatig vastgelegde verplichtingen hebben betrekking op het aankopen en slopen van woningen en woonboten binnen de LIB veiligheidssloopzones, de handhaving van het veiligheidsniveau Vervoer Gevaarlijke Stoffen, de baandrempel Maastricht en het beheer van het GEVERS-model.

33.02 Veiligheid goederenvervoer scheepvaart

De bestuurlijk gebonden en beleidsmatig verplichte uitgaven hebben voornamelijk betrekking op uitgaven in het kader van de systematisering verkeersveiligheid, de evaluatie Loodsenwet en het Comité veiligheid binnenvaart.

33.03 Veiligheid luchtvaart

De bestuurlijk gebonden en beleidsmatig verplichte uitgaven hebben voornamelijk betrekking op de uitgaven in het kader van de Dutch Expertgroup on Aviation Safety (DEGAS), de regiegroep Vogelaanvaringen, contributie ten behoeve van de ECAC en ABIS en de Galileo Supervisory Authority.

33.01 Verbeteren externe veiligheid

Motivering

Om in de omgeving van vervoer van personen en goederen, over de weg, het spoor en door de lucht, op een maatschappelijk verantwoorde wijze veilig te kunnen wonen en werken, wordt extern veiligheidsbeleid ontwikkeld en uitgevoerd. Hierdoor wordt dit vervoer blijvend mogelijk gemaakt en worden de veiligheidsrisico’s voor de omgeving zo veel als mogelijk beperkt.

Verbeteren veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen:

Instrumenten

  • De Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen (TK 2005–2006, 30 373, nr. 2).

Externe veiligheid luchthavens en aankoop in de LIB veiligheidssloopzones:

  • Wet Luchtvaart en Luchtvaartwet met onderliggende regelgeving, zoals het Luchthavenverkeerbesluit en het Luchthavenindelingbesluit (LIB) (met beperkingengebieden).

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Verbeteren veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen

  • Opstellen van een uitvoeringsagenda voor 2012 en verder behorende bij de Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen.

  • Inwerking treden van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen in de loop van 2012.

  • De nieuwe indicator voor externe veiligheid (vervoer van gevaarlijke stoffen) zal worden gebaseerd op de risicogrenzen van het Basisnet en is in ontwikkeling.

Externe veiligheid luchthavens

  • Actualiseren van de LIB-zones voor Schiphol aan de hand van de experimenten in het kader van het nieuwe handhavingstelsel en uitvoering geven aan het kabinetsstandpunt uit 2006 ten aanzien van groepsrisico.

  • Voorbereiden luchthavenbesluiten voor de overige luchthavens van nationale betekenis. Deze besluiten moeten uiterlijk in 2014 gereed zijn. Hiertoe wordt voor de regionale overheden een rekenmodel externe veiligheid beheerd en beschikbaar gesteld.

Aankoop LIB veiligheidssloopzones Schiphol

  • Het aankopen en slopen van 72 objecten (woningen en woonboten) binnen de veiligheidssloopzone van het LIB2004. De uitvoeringsverantwoordelijkheid ligt bij de omringende (deel)gemeenten.

Indicatoren/Kengetallen

Kengetal: Jaarlijkse TRG-score voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit
 

2006

2007

2008

2009

2010

Grens

TRG score

6,36

6,55

6,62

6,057

6,118

9,72

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol (AAS) 2010

Het totale risicogewicht (TRG) is de som van de vermenigvuldiging van het maximale startgewicht met de ongevalkans per vliegbeweging. Het streven is dat het TRG van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar niet meer dan 9,724 ton bedraagt (vastgelegd in het Luchthavenverkeersbesluit). Door het hanteren van een grenswaarde wordt het door het luchtverkeer veroorzaakte risico beheerst. De overheid ziet erop toe dat de gestelde grenswaarde niet wordt overschreden.

Indicator: Aantal aangekochte woningen en woonboten in de veiligheidssloopzones Schiphol
 

Tot en met 2008

Tot en met 2009

Tot en met 2010

Streefwaarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013 e.v.

Totaal

Aantal aangekochte woningen

43

43

45

2

2

9

58

Aantal aangekochte woonboten

14

14

14

0

0

0

14

Bron: Rijkswaterstaat, Voortgangsrapportage GIS nr. 13, tweede halfjaar 2010 (TK 2010–2011, 26 959, nr. 136)

Het streven is om uiteindelijk alle woningen en woonboten aan te kopen en te slopen of te verwijderen in de veiligheidssloopzone Schiphol. De doelstelling voor woonboten is al gehaald. Omdat eigenaren als gevolg van de motie-Hofstra (TK, 2001–2002, 27 603, nr. 74) niet gedwongen kunnen worden hun woning te verlaten, is de reeks op basis van ervaringsgegevens bepaald.

Wel zijn de eigenaren verplicht om – indien zij besluiten hun huis te verkopen – dit aan de gemeente (als uitvoerder van de rijksregeling) aan te bieden. Er is daarom geen einddatum te geven wanneer de resterende woningen door de omliggende gemeenten zullen zijn aangekocht.

33.02 Veiligheid scheepvaart

Motivering

Werken aan een permanente verbetering van de veiligheid van het scheepvaartverkeer op de Noordzee en van de Nederlandse vloot. Omdat het grootste deel van de schepen op de Noordzee uit het buitenland komt, is het beleid tevens gericht op de veiligheid van de mondiale vloot.

De ambitie is een permanente verbetering van de veiligheid in de binnenvaart te realiseren en daarbij maximaal beroep te doen op de eigen verantwoordelijkheid van de partners in de vervoersketen.

Verbeteren veiligheid zeevaart

Instrumenten

  • Inzet in IMO en EU verband op goed werkende, internationaal geldende veiligheidsregels en adequaat toezicht op de naleving, met een voorkeur voor het optimaliseren van bestaande regelgeving boven het ontwikkelen van nieuwe regels.

  • Het in juni 2010 bekrachtigde herziene STCW verdrag (Standards of Training Certification and Watchkeeping), voor het veilig bemannen van schepen en herziening van EU Richtlijn 2008/106 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden.

  • Beleidsontwikkeling en- handhaving op basis van risicoanalyses, waardoor zo gericht mogelijk op de oorzaken van onveiligheid kan worden gestuurd.

  • Diverse EU richtlijnen betreffende passagiersschepen.

Verbeteren veiligheid zeehavens

  • De Scheepvaartverkeerswet.

  • Havenmeesterconvenant met Havenbedrijf Rotterdam.

  • De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) als monitor van het ingestelde toezicht op het Loodswezen die ook de loodsgeldtarieven vaststelt en de efficiency bewaakt.

  • Een deel van de middelen voor het leveren van prestaties is begroot op het Infrastructuurfonds artikel 15.

Verbeteren veiligheid binnenwateren

  • Nationale en internationale regelgeving.

  • Een samenhangend stelsel van maatregelen. Het gaat daarbij om voorlichting, toezicht, vaarwegbeheer en risicomanagement.

  • Beleidsontwikkeling en -handhaving op basis van risicoanalyses, waardoor zo gericht mogelijk op de oorzaken van onveiligheid kan worden gestuurd.

  • Samenwerking tussen overheid en binnenvaartsector, waaronder het Comité Binnenvaartveiligheid, waarbij de eerste verantwoordelijkheid voor verbetering van de veiligheid bij de binnenvaartsector zèlf wordt gelegd.

  • Toezicht van Inspectie Leefomgeving en Transport die het principe «vertrouwen, tenzij» hanteert. Door het afsluiten van convenanten met goed en veilig opererende bedrijven, krijgt de inspectie ruimte om meer werk te maken van het controleren van slecht en onveilig opererende bedrijven. Ook toezicht op afstand – met digitale hulpmiddelen – gaat tot het moderne toezichtinstrumentarium behoren.

  • De subsidieregeling teneinde schepen van het Automatic Identification System (AIS)-transponders te voorzien.

  • Toezicht op CBR/CCV voor groot en beperkt groot vaarbewijs en op de Stichting VAMEX voor het klein vaarbewijs en groot pleziervaartbewijs.

IMO (HGIS)

  • Jaarlijkse contributie gefinancierd via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Centrale Commissie voor de Rijnvaart CCR (HGIS)

  • Financiering als één van de vijf leden van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Verbeteren veiligheid zeevaart

  • Implementatie in nationale wetgeving van het herziene STCW verdrag.

  • Opstellen van een standpunt ten aanzien van mogelijke goedkeuring van het IMO Fisheries verdrag (STCW for Fishing Vessel Personnel, 1995) in overleg met sociale partners en maritiem onderwijs; indien positief start met opstellen voorstel van invoering.

  • Aandringen op internationale maatregelen om overboord vallen van containers te voorkomen (aanbevelingen uit het project Lashing@Sea over het sjorren van containers aan boord van schepen), als opvolging van het in 2010 door Nederland bij de IMO ingediende voorstel.

  • Bijdragen aan herziening van diverse EU richtlijnen betreffende passagiersschepen, waaronder actieve deelname aan werkgroep onder het Committee on Safe Seas, onder andere over historische zeilschepen en personentenders voor de in aanbouw zijnde windparken in de Noordzee.

  • Onderzoeken van knelpunten in huidige wet- en regelgeving met betrekking tot (de commerciële exploitatie van) schepen voor het vervoer van technici naar windmolenparken in de Noordzee.

  • Het Plan van Aanpak «Veiligheidsrisico’s scheepvaart op de Noordzee» is uitgevoerd.

Verbeteren veiligheid zeehavens

  • Het aanpassen van onder andere de Scheepvaartverkeerswet om de Rijkshavenmeester binnen een pakket van verkeersmanagement maatregelen te laten komen tot een optimale mix van maatregelen in zijn havengebied, zoals vaarwegmarkering, verkeersbegeleiding, routering, beloodsing, verkeersmaatregelen en informatieverlening.

  • Uitvoeren van de beleidsvoornemens over het bevorderen van de innovatie en differentiatie in de loodsdienstverlening en de loodsplichtflexibilisering en het invoeren van een nieuwe tariefstructuur.

Verbeteren veiligheid binnenwateren

  • Het vergroten van het veiligheidsbewustzijn binnen de sector en de eigen verantwoordelijkheid van de sector veiligheid.

  • Het nemen van een samenhangend stelsel ter beheersing van risico’s. De risico top 5 voor de Nederlandse binnenwateren is (in willekeurige volgorde):

    • 1. Gebrekkig onderhoud van schepen.

    • 2. Slechte communicatie (aan boord, tussen schepen en tussen wal en schip).

    • 3. Onjuiste stabiliteit en stuwage.

    • 4. Menselijke fouten die leiden tot aan- en schadevaringen.

    • 5. Onjuiste vervoersdocumentatie.

  • Het vereenvoudigen van de nationale en internationale regelgeving waar dat wenselijk en mogelijk is teneinde de regeldruklasten voor bedrijven en burgers te verminderen;

  • De totstandkoming van één Reglement voor de politievoorschriften (CEVNI);

  • Invoering van River Information Services (RIS) om in Europa gestandaardiseerd informatie uit te wisselen over bijvoorbeeld schip, lading, route;

  • Bijdrage leveren aan de verbetervoorstellen van het Comité Binnenvaartveiligheid (CBV) op het gebied van de 5 grootste veiligheidsrisico’s.

IMO (HGIS)

  • Deelname aan de Internationale Maritime Organization (IMO), als het mondiale (VN-) forum voor een veilige zeescheepvaart, inclusief milieuveiligheid en security.

Centrale Commissie voor de Rijnvaart CCR (HGIS)

  • Het leveren van een bijdrage aan voorstellen voor de verdere verbetering van de veiligheid van het scheepvaartverkeer.

Indicatoren / Kengetallen

Verbeteren veiligheid zeevaart

Kengetal: Aantal scheepvaartongevallen (inclusief vissersvaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag)
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde

Zeer ernstige scheepvaartongevallen

1

1

1

0

0

1

1

 

Ernstige scheepvaartongevallen

7

4

2

6

3

7

9

 

Totaal

8

5

3

6

3

8

10

Een jaarlijkse vermindering

Bron: SOS database RWS-DVS, juni 2011

Nadat uit analyse van de ongevallen die in 2010 plaatsvonden is gebleken dat relatief veel vissersvaartuigen bij de ongevallen betrokken waren, is mede als gevolg hiervan het toezicht op de visserij aangescherpt.

Met ingang van 2011 is de registratieprocedure van de scheepsongevallen op het Nederlandse deel van de Noordzee aangepast, zodat ook ongevallen die plaatsvinden in de havenaanloopgebieden op zee, in de Westerscheldemonding en in de kustzones worden meegenomen. Daarnaast worden de ongevallen geclassificeerd volgens de internationale definities van de IMO. In de begroting wordt alleen gerapporteerd over de zeer ernstige scheepvaartongevallen (doden, verlies schip, ernstige milieuverontreiniging) en ernstige scheepvaartongevallen (ongevallen, waarbij sprake is van ernstige schade aan het schip of schade aan het milieu). Tevens bevatten de cijfers naast ongevallen met koopvaardij en visserij ook de zeer ernstige en ernstige ongevallen waarbij alleen recreatievaart is betrokken. Deze ongevallen waren voorheen niet meegenomen in de rapportage. Het streven is om in het kader van permanente verbetering van de veiligheid jaarlijks een vermindering van het totaal van het aantal zeer ernstige en ernstige scheepvaartongevallen op de Noordzee te bereiken.

Bovengenoemde wijzigingen leiden tot een nieuwe cijferreeks, die afwijkt van de rapportages in voorgaande jaren.

Kengetal: Aantal doden en gewonden als gevolg van scheepsongevallen wereldwijd met in Nederland geregistreerde schepen onder Nederlandse vlag (inclusief vissersvaartuigen en exclusief de slachtoffers van persoonsgebonden (ARBO) ongevallen)
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Aantal doden

11

3

4

10

0

0

8

Aantal gewonden

3

8

1

8

1

8

0

Bron: IVW, februari 2011

Verbeteren veiligheid zeehavens

Kengetal: Aantal significante ongevallen* met schepen op de Nederlandse binnenwateren
 

Gemiddelde 2003–2007

2008

2009

2010

Aantal significante scheepsongevallen in de haven van Rotterdam

11,6

16

17

15

Bron: Rijkswaterstaat, juni 2011

Voor wat betreft de veiligheid in de zeehavens wordt er door de haven van Rotterdam in het kader van het havenmeesterconvenant over diverse veiligheidscijfers gerapporteerd, waaronder significante scheepsongevallen. Voor de overige havengebieden lopen gesprekken om op dezelfde wijze over significante scheepsongevallen te rapporteren. Het streven is om voor de andere zeehavens deze cijfers in de begroting 2013 op te nemen.

De ongevallen waarover de haven Rotterdam rapporteert vormen ook onderdeel van het aantal significante scheepsongevallen op de Nederlandse binnenwateren (tabel hierboven).

Verbeteren veiligheid binnenwateren

Indicator: Aantal significante ongevallen1 met schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag) en aantal doden en gewonden
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde 2015

Aantal significante scheepsongevallen

117

96

123

150

127

121

164

115

Bron: Rijkswaterstaat, juni 2011

1

Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren wordt gebruik gemaakt van het begrip «significant scheepsongeval». Hieronder worden ongevallen verstaan met grote (im)materiële of milieuschade.

Kengetal: Aantal aantal doden en gewonden op schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag)
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Aantal doden

4

7

3

4

4

4

4

Aantal gewonden

29

49

54

30

51

56

45

Bron: Rijkswaterstaat, juni 2011

De effectiviteit van het veiligheidsbeleid wordt op de volgende 3 aspecten beoordeeld:

  • a. De ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren.

  • b. Het nalevingsniveau van de wet- en regelgeving.

  • c. Het veiligheidsbewustzijn van de binnenvaartsector.

In bovenstaande tabel is een overzicht gegeven van het aantal significante scheepsongevallen op de Nederlandse binnenwateren vanaf 2004.

Het Comité Binnenvaartveiligheid is om advies gevraagd naar de mogelijkheden om het aantal significante scheepsongevallen te laten dalen. Het comité acht het in zijn advies reëel om in 2015 tot een afname van 10 procent significante scheepsongevallen te komen. Dit betekent dat het aantal significante scheepsongevallen in 2015 zal moeten zijn gedaald tot 115. Om de beoogde daling te realiseren leverde het comité in de loop van 2011 een actieplan op, waarin wordt aangegeven welke initiatieven de binnenvaartsector hiertoe neemt.

Kengetal: Veiligheidsniveau bij sluizen en bruggen
 

2008

2009

2010

Aantal significante scheepsongevallen bij bruggen

4

8

14

Aantal significante scheepsongevallen bij sluizen

14

7

18

Bron: Rijkswaterstaat, juni 2011

In de begroting 2011 is voor het eerst gerapporteerd over het veiligheidsniveau bij sluizen en bruggen. Ook daarbij is gebruik gemaakt van het begrip significant scheepsongeval. Omdat het aantal significante scheepsongevallen bij sluizen en bruggen klein en variabel is, is het niet goed mogelijk om hiervoor een representatieve streefwaarde te formuleren. Daarom wordt volstaan met het opnemen van kengetallen in de begroting. Zodra voldoende representatieve informatie beschikbaar is zal worden overgegaan tot het formuleren van prestatie-indicatoren en een daaraan gekoppelde streefwaarde.

Kengetal: Naleving door Nederlandse reders
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Percentages aanhoudingen/inspecties

2,02%

2,87%

1,76%

1,99%

1,24%

1,06%

Positie Nederlandse vloot op internationale ranglijst

7

16

12

12

9

5

Bron: Jaarverslagen Paris Memorandum of Understanding

De gepresenteerde gegevens zeggen iets over de inspecties aan boord van schepen onder Nederlandse vlag door buitenlandse autoriteiten in het kader van Paris Memorandum of Understanding (MOU) on Port State Control (PSC). Het streven is om in 2012 minder dan 3% aanhoudingen naar aanleiding van inspecties te laten plaatsvinden en dat de positie van de Nederlandse vloot op de internationale ranglijst tot de beste tien behoort.

33.03 Veiligheid luchtvaart

Motivering

Om de permanente verbetering van de veiligheid in de luchtvaartsector te bereiken moet de overheid randvoorwaarden voor het veilig uitvoeren van luchtvaart vaststellen.

Verbetering veiligheid luchtvaart en Internationaal

Instrumenten

  • Regelgeving van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en EASA.

  • De in 2011 opgestelde Beleidsagenda Luchtvaartveiligheid 2011–2015, en het hieraan gekoppelde State Safety Program.

ICAO en EASA (HGIS)

  • Jaarlijkse contributie aan de ICAO gefinancierd via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

  • Bijdrage aan het trainingscentrum JAA/EASTO (Joint Aviation Authorities/European Aviation Safety Training Organisation) in 2012 van maximaal € 100 000.

Galileo Supervisory Authority (HGIS)

  • Het financieren van activiteiten ten behoeve van de vestiging in Noordwijk van een wezenlijk onderdeel van de Europese GNSS structuur.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Verbetering veiligheid luchtvaart

  • Het formuleren en inbrengen van Nederlands beleid in internationale gremia.

  • Het beïnvloeden van internationale regelgeving en het hiertoe voorbereiden en deelnemen aan internationaal overleg ten aanzien van de luchtvaartveiligheid (mondiaal en EU).

  • De doorvertaling van internationale regelgeving naar het nationale beleid en de nationale regelgeving.

  • Het formuleren, ontwikkelen en vaststellen van nationaal beleid en nationale regelgeving specifiek voor de Nederlandse luchtvaart.

  • Het uitvoeren Beleidsagenda Luchtvaartveiligheid 2011–2015, daarbij gaat het o.a. om aanpak vogelaanvaringen, invoering veiligheids-management en versterken van Just Culture (o.a. meldingsbereidheid van voorvallen en incidenten).

ICAO en EASA (HGIS)

  • Participatie in de International Civil Aviation Organization (ICAO) en EASA.

Internationaal

  • De behartiging van de Nederlandse belangen via haar optreden in de relevante internationale organisaties.

  • De Nederlandse positie (en belangen) optimaal te laten doorklinken in het EU standpunt en deze direct en via de EU (en EASA) te behartigen in de diverse overleg gremia (waarbij ECAC en ICAO voor de luchtvaart de belangrijkste zijn).

  • Breedgedragen en effectieve Nederlandse standpunten die vroegtijdig zijn afgestemd met de departementen, organisaties, de luchtvaartsector en de relevante stakeholders.

  • Prioriteit te zetten bij de inbreng en de behartiging van de belangen zo kosten effectief mogelijk te laten geschieden.

Galileo Supervisory Authority (HGIS)

  • Activiteiten ondernemen ten behoeve van de vestiging in Noordwijk van een wezenlijk onderdeel van de Europese GNSS structuur, welke naar verwachting in de periode 2011–2013 wordt gerealiseerd. De Europese Commissie heeft bevestigd het voornemen te hebben om in Noordwijk het Galileo Performance Centre te vestigen.

Indicatoren / Kengetallen

De Nederlandse commerciële luchtvaart en de commerciële luchtvaart van buitenlandse maatschappijen in Nederland maken integraal onderdeel uit van grotere internationale en mondiale luchtvaartsystemen.

Schiphol is uitgegroeid tot een majeur knooppunt van Europese en intercontinentale verbindingen met het wereldwijde netwerk. De voor het EASA-luchtvaartsysteem en voor het mondiale luchtvaartsysteem berekende ongevallenratio’s zijn goede graadmeters voor de veiligheid van het Nederlandse systeem en voor de buitenlandse deelnemers aan het systeem.

Echter omdat het Nederlandse luchtvaartsysteem beperkt van omvang is, is ook de invloed van de Nederlandse overheidsinspanningen op de ongevallenratio’s beperkt. Het zijn derhalve kengetallen en geen indicatoren voor de effecten van het Nederlandse beleid.

Kengetal: Aantal fatale ongevallen per miljoen vluchten
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Ongevalsratio wereldwijd

0,85

0,63

0,65

0,60

0,59

0,69

Ongevalsratio EASA operators

0,24

0,16

0,16

0,17

0,18

0,00

Bron: Inspectie Verkeer en Waterstaat, februari 2011

De veiligheid van de luchtvaart neemt nog steeds toe. Met een ongevallenratio van 0,00 was 2010 een veilig jaar en blijven EASA-landen, waaronder Nederland, ruim onder de doelstelling die Europese landen met elkaar zijn overeengekomen (maximaal 0,5 fatale ongevallen per miljoen vliegbewegingen).

Kengetal: Aantal ernstige incidenten en ongevallen in Nederland en met Nederlandse luchtvaarttuigen in het buitenland

Vliegtuigtype

Aantal ongevallen

Ernstige indicenten

Dodelijke slachtoffers

(Zwaar)gewonden

 

2007

2008

2009

2010

2007

2008

2009

2010

2007

2008

2009

2010

2007

2008

2009

2010

Commerciële verkeersvluchten

3

0

1

1

18

7

8

13

0

0

9

0

3

0

66

1

Helikopters

1

3

1

3

1

2

1

0

0

1

0

4

2

0

0

1

Privé/Zakenluchtvaart

6

9

8

8

7

7

6

4

3

0

5

0

0

0

2

1

Zweefvliegtuigen

6

4

9

4

4

2

2

2

1

0

1

0

5

0

1

0

Hete luchtballon

0

1

1

1

1

1

0

0

0

0

0

0

1

1

1

2

Bron: Inspectie Verkeer en Waterstaat, februari 2011

Hoewel het Rijk geen directe invloed heeft op de uitkomst van deze kengetallen, geven de aantallen ernstige incidenten en ongevallen een goede indicatie van de veiligheid.

De toename «ernstige incidenten» bij de commerciële verkeersvluchten is terug te voeren naar een aantal incidenten waarbij de seperatieminima tussen de grote commerciële luchtvaart en de recreatieve luchtvaart zijn onderschreden.

33.04 Bescherming tegen moedwillige verstoring

Motivering

Om de maatschappelijke en economische aspecten van de logistieke functie van Nederland in Europa blijvend te waarborgen en te versterken, dient de beveiliging van het verkeers- en vervoersysteem geoptimaliseerd te worden. Nederland staat als open en internationaal gerichte samenleving immers bloot aan de internationale dreiging van het terrorisme.

Beveiliging scheepvaart en zeehavens

Instrumenten

  • De Europese Verordening inzake beveiliging van zeeschepen en havens.

  • Financiële bijdrage aan het IMO Security Trust Fund.

Beveiliging luchtvaart

  • Internationale en nationale beleidsbepaling van wet- en regelgeving.

Beveiliging infrastructuur spoorwegen

  • Het in de Nota Security Spoor (een bijlage bij de Derde Kadernota Railveiligheid32) aan de spoorsector geboden richtinggevende kader voor het beheersen van de security.

  • Een spoorsector die haar verantwoordelijkheid neemt voor de beveiliging van de infrastructuur.

Beveiliging openbaar vervoer

  • Afspraken met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding33.

  • Een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid voor het stad- en streekvervoer.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Beveiliging scheepvaart en zeehavens

  • Nationaal en internationaal overleg gevoerd over (keten)security.

  • Bijdragen aan het Project Bescherming Vitale Infrastructuur (Vitaal) en het European Program for Critical Infrastructure Protection (EPCIP). In 2011/2012 zal een road map worden opgesteld.

  • Nationale en internationale inzet bij piraterijbestrijding.

  • Het vervullen van de Focal Point functie. De Europese Verordening inzake beveiliging van zeeschepen en havens verplicht lidstaten in Artikel 2.6 tot het hebben van een Focal Point voor maritieme beveiliging, ofwel een contactpunt/persoon voor de Commissie en lidstaten, die o.a. de toepassing van maritieme beveiligingsmaatregelen uit de verordening faciliteert, de follow up verzorgt en informatie verschaft.

Beveiliging luchtvaart

  • Implementatie van (inter)nationale wet- en regelgeving op het gebied van de beveiliging van luchthavens en de luchtvaart (passagiers en vracht), in het bijzonder de inflight security en supply chain security (in samenwerking met het Ministerie van Veilligheid en Justitie).

  • Goedkeuren van beveiligingsplannen van exploitanten van luchthavens en luchtvaartmaatschappijen in samenwerking met het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

  • Zorgdragen voor de beveiliging van de Luchtverkeersleidingsorganisaties en van het luchtruim in Nederland en op de BES-eilanden.

  • Afstemming vinden op internationale en nationale niveau op het terrein van de openbare orde en veiligheid in relatie tot bescherming van de vitale luchtvaartinfrastructuur (crisisbeheersing).

  • De harmonisatie en financiële transparantie van de securitykosten in de luchtvaart zijn verder bevorderd en ongewenste verstoringen van het level playing field zijn voorkomen.

Beveiliging infrastructuur spoorwegen

  • De verantwoordelijkheid van de spoorsector voor de beveiliging van de infrastructuur. De sector is aangesloten bij het Alerteringssysteem Terrorismebestrijding en neemt maatregelen in geval van dreiging.

  • Een verdere uitwerking en implementatie van het programma Security door ProRail in de reguliere bedrijfsvoering van de diverse bedrijfseenheden.

Indicator: Gehercertificeerde beveiligingsplannen voor de totale haven
 

Basiswaarde 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2012

Aantal gehercertificeerde beveiligingsplannen voor de totale haven

17

0

0

0

17

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, januari 2011

In de Europese Security Richtlijn 65/2005 is bepaald dat alle zeehavens die havenfaciliteiten hebben die onder Verordening 725/2004 vallen, per 15 juni 2007 moeten beschikken over een op een havenveiligheidsbeoordeling (analyse)gebaseerd goedgekeurd havenbeveiligingsplan (voor de hele haven).

Vanaf medio 2007 voldoen alle Nederlandse zeehavens aan de EU Richtlijn. In Nederland betreft dit 17 zeehavens. De havens dienen hun beveiligingsplannen actueel te houden en aan te passen in geval van wijzigingen in de haveninfrastructuur. Ieder gewijzigd plan dient op basis van de Richtlijn vervolgens opnieuw door de Minister van IenM goedgekeurd te worden. In 2012 (5 jaar na inwerkingtreding van de Richtlijn) dienen alle havenbeveiligingsplannen geëvalueerd te worden in verband met verplichte hercertificering.

Indicator: Gehercertificeerde beveiligingsplannen voor schepen en havenfaciliteiten
 

Basis waarde 2004

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streef waarde 2014

Aantal gehercertificeerde beveiligingsplannen schepen

700

0

700

0

700

Aantal gehercertificeerde beveiligingsplannen havenfaciliteiten

350

10

3501

0

350

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, januari 2011

1

cumulatief

Alle zeehavenfaciliteiten die onder Verordening 725/2004 vallen, dienen sinds 1 juli 2004 te beschikken over een op een veiligheidsbeoordeling (analyse) gebaseerd goedgekeurd beveiligingsplan. In Nederland betreft dit ongeveer 350 havenfaciliteiten in 17 zeehavens. Alle Nederlandse zeeschepen (circa 700) dienen volgens dezelfde verordening over een op een veiligheidsbeoordeling gebaseerd scheepsbeveiligingsplan te beschikken. Op basis van de bepalingen van de Verordening moeten de beveiligingsplannen van alle havens, havenfaciliteiten en schepen iedere vijf jaar worden geëvalueerd en gehercertificeerd. Hierbij wordt aangetekend dat de aantallen te evalueren en te hercertificeren havenfaciliteiten en schepen kunnen fluctueren als gevolg van bijvoorbeeld faillissementen, oprichten nieuwe ondernemingen en in- of uitvlaggen van zeeschepen.

Artikel 34 Realiseren van robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid door het verbeteren en in stand houden van regiospecifieke bereikbaarheidskwaliteiten

Algemene doelstelling

Realiseren van robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid door het verbeteren en in stand houden van regiospecifieke mobiliteitskwaliteiten.

Omschrijving van de samenhang van beleid

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)34 is een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt o.a. de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de MobiliteitsAanpak de Nota Mobiliteit35. Daarmee is de SVIR de «kapstok» voor uitwerkingen van beleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie is de integrale beleidsaanpak waarin de relatie tussen mobiliteit en ruimtelijke ontwikkeling wordt versterkt verder vorm gegeven. Centraal staat de versterking van de bereikbaarheid door verbetering van robuustheid en samenhang van het mobiliteitssysteem. Daarom zet de rijksoverheid in op de beleidsmix van Slim Investeren, Innoveren en Instandhouden. Met slim investeren worden knelpunten aangepakt waar de meeste economische waarde kan worden gegenereerd, in samenhang met de ruimtelijke ontwikkeling(en). Innovatie wordt ingezet om het mobiliteitssysteem beter te benutten en te verduurzamen. Instandhouden van de netwerken door goed beheer en onderhoud vormt het fundament voor het robuuste en samenhangende netwerk.

Met deze beleidsmix verschuift ook het accent van generiek beleid naar gebiedsgericht beleid en focus op regiospecifieke bereikbaarheidskwaliteiten. Via de gebiedsagenda’s wordt de inhoudelijke samenhang tussen (nationale) ruimtelijke projecten, verstedelijking, infrastructuur en (openbaar) vervoer zodanig in kaart gebracht dat het afgestemde investeringsbeslissingen tussen rijk en regio in het BO-MIRT ondersteunt.

Eens in de vier jaar, aan het einde van de kabinetsperiode, wordt een analyse uitgevoerd naar de staat van het mobiliteitsysteem, de Nationale Markt- en CapaciteitsAnalyse (NMCA). Met een brief d.d. 21 juni 2011 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten en conclusies op nationaal niveau inclusief regionale gebiedsuitwerking.36 , 37. De gebiedsgerichte uitwerking van de NMCA en definitieve resultaten zijn onderdeel van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en bieden onderbouwing voor de beleidskeuzes.

De besluitvorming rond het robuust maken van het netwerk door infrastructurele projecten wordt versneld en verbeterd als gevolg van de implementatie van de SVIR, het programma Beter Benutten38 en het Actieplan «Sneller en Beter»39. In SVIR is aangegeven hoe de Sneller & Beter werkwijze wordt toegepast in infrastructurele en gebiedsontwikkelingsprojecten.

Verantwoordelijkheid

IenM is voor het bereiken van de doelstelling afhankelijk van voldoende budgettaire middelen en richt zich op een integrale netwerkbenadering waarbij de relevante nationale belangen en verantwoordelijkheidsverdeling uit de SVIR leidend zijn. De minister is verantwoordelijk voor:

  • Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen.

  • Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen.

  • Het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.

  • Toepassing van Sneller en Beter werkwijze met betrekking tot besluitvorming over infrastructuur en gebiedsontwikkeling.

  • Middelen en instrumenten ontwikkelen die decentrale overheden in staat stellen om de regionale bereikbaarheid te verbeteren.

  • Kaders die bedrijven en personen in staat stellen zelf in hun mobiliteit te voorzien, zoals bijvoorbeeld mobiliteitsmanagement.

  • Het houden van toezicht op naleving van wet- en regelgeving door burgers en bedrijven. Dit toezicht bestaat uit de hoofdproducten toelating/continuering, inspectie/handhaving en kennis, advies en berichtgeving.

  • Een vierjaarlijkse analyse naar de staat van het mobiliteitssysteem, de Nationale Markt- en CapaciteitsAnalyse (NMCA).

  • Het aanpassen van relevante wetgeving en ontwikkelen van instrumenten die de doelen van het integrale mobiliteitsbeleid ondersteunen.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling is afhankelijk van:

  • De verwachte ontwikkeling van de mobiliteitsgroei in de Nationale Markt- en CapaciteitsAnalyse in relatie tot de feitelijke ontwikkeling van de mobiliteit en congestie op het hoofdwegennet.

  • Uitvoering van de MIRT-afspraken door rijksoverheid en decentrale overheden.

  • Samenwerking met en tussen de openbaar vervoersector, maatschappelijke organisaties, bedrijven, mainports, brainports en greenports.

  • Realiseren van doelmatige inpassing ten behoeve van de leefomgevingskwaliteit.

Effecten van beleid

Het behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

  • De ruimtelijk-economische structuur van Nederland wordt versterkt en in het bijzonder het internationaal vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren.

  • Regiospecifieke bereikbaarheid en mobiliteitskwaliteiten mogelijk worden gemaakt, verbeterd en in stand worden gehouden.

  • Netwerken en modaliteiten goed op elkaar zijn aangesloten en de aanwezige capaciteit van alle modaliteiten beter worden benut.

  • Reizigers en verladers meer keuzevrijheid in vervoerswijze hebben en profiteren van betere reisinformatie en betrouwbare reistijden.

  • De gemiddelde doorlooptijd van infrastructurele projecten door betere besluitvorming, samenwerking, wetgeving en budgettering wordt gehalveerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)

34. Betrouwbare netwerken en acceptabele reistijd

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

68 851

67 550

36 759

26 934

19 592

17 397

14 646

Uitgaven

105 316

88 711

58 697

48 188

33 082

17 397

14 646

34.01 Netwerk weg

16 493

11 089

6 201

5 446

2 958

2 958

2 953

34.01.01 Algemene strategie- en beleidsontwikkeling

14 894

9 804

6 201

5 446

2 958

2 958

2 953

34.01.02 Beheer en onderhoud

140

88

         

34.01.03 Anders betalen voor mobiliteit

 

633

         

34.01.04 Benutting en aanleg van weginfrastructuur

908

564

         

34.01.06 Weginfrastructuur voor het goederenvervoer

551

           

34.01.07 Inspectie Verkeer en Waterstaat

             

34.02 Netwerk vaarwegen

2 272

2 206

2 013

2 005

2 006

2 006

2 006

34.02.01 Vaarweginfrastructuur

2 272

2 206

2 013

2 005

2 006

2 006

2 006

34.03 Netwerk spoor

51 907

41 066

30 749

25 745

12 814

2 814

2 623

34.03.01 Algemene strategie- en beleidsontwikkeling

1 328

1 020

122

121

122

122

122

34.03.02 Aanleg en B&I

753

560

         

34.03.03 Beheer overig

700

639

         

34.03.04 Vervoer

49 006

38 703

30 627

25 624

12 692

2 692

2 501

34.03.05 Vervoer overig

120

144

         

34.04 Netwerk decentraal/regionaal vervoer

34 644

26 132

12 315

7 551

7 785

7 100

7 064

34.04.01 Algemene strategie- en beleidsontwikkeling

4 150

3 714

2 858

2 944

2 964

2 964

2 954

34.04.02 Samenwerking Rijk en decentrale overheden

1

           

34.04.03 Stim. dec. overh.,bedrijfsleven en maatsch. org.

136

           

34.04.04 Stimulering marktwerking OV

12 112

3 366

101

       

34.04.05 Stimulering toegankelijkheid OV

0

           

34.04.06 Stimulering marktwerking Taxi

126

           

34.04.07 Inspectie Verkeer en Waterstaat

3 624

940

         

34.04.08 Regionale Bereikbaarheid

6 237

11 155

7 576

3 224

3 183

2 488

2 472

34.04.09 Regionale OV systemen

8 258

6 957

1 780

1 383

1 638

1 648

1 638

34.05 Beter Benutten

 

8 218

7 419

7 441

7 519

2 519

 

34.05.01 Beter benutten

 

8 218

7 419

7 441

7 519

2 519

 

34.09 Ontvangsten

550

98

98

98

98

98

98

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

34.01 Netwerk weg

De beleidsmatig verplichte uitgaven hebben met name betrekking op onderzoekskosten. Verder worden op dit onderdeel de laatste kosten van de implementatie commissie Elverding verantwoord.

34.04 Netwerk decentraal en regionaal vervoer

De post beleidsmatig verplicht bestaat uit kosten voor het programma Filevermindering (decentrale projecten), onderzoeken op het gebied van decentraal/regionaal vervoer en uitgaven ter stimulering van de marktwerking OV.

34.05 Programma Beter Benutten

Het onlangs gestarte programma Beter Benutten kent naast de juridisch verplichte uitgaven die met name betrekking hebben op mobiliteitsmanagement vooralsnog een fors deel van de budgetten die nog beleidsmatig zullen worden ingevuld. De beoogde bestedingen richten zich op: nationale maatregelen, uitvoering van gebiedspakketten, onderzoek en communicatie.

Operationele doelstellingen

34.01 Netwerk Weg: Reistijden over de weg betrouwbaar en acceptabel maken; bijdragen aan een robuust mobiliteitssysteem

Operationele doelstelling

Motivering

Om goede bereikbaarheid van de economische kerngebieden, mainports en stedelijke netwerken in Nederland te realiseren, om de economische schade door onbetrouwbaarheid (bijvoorbeeld als gevolg van calamiteiten) en files te beperken en om de reistijd van deur tot deur waar nodig te verbeteren.

Om een robuust hoofdnetwerk (mobiliteitssysteem) van weg-, spoor- en vaarwegen te verkrijgen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen.

  • De SVIR en de NMCA zijn van belang bij de invulling en uitwerking van de gebiedsagenda’s.

Instrumenten

Beheer en onderhoud

  • Rijkswaterstaat is uitvoerder van het beheer en onderhoud van de hoofdwegen.

  • Middelen komen uit het Infrastructuurfonds artikel 12.

Benutten en aanleg weginfrastructuur

  • Een MIRT-verkenning, een MIRT-onderzoek of netwerkanalyse wordt gebruikt bij het zoeken naar oplossingen voor knelpunten.

  • Middelen komen uit het Infrastructuurfonds artikel 12.

Het hoofdwegennet en het onderliggend wegennet worden als één samenhangend netwerk benaderd. Bij knelpunten zoeken overheden gezamenlijk, in een MIRT-verkenning of als onderdeel van een netwerkanalyse, naar oplossingen. Dit kan bestaan uit benuttingsmaatregelen of aanleg van infrastructuur op zowel het hoofdwegennet als het onderliggend wegennet. Ook behoren ruimtelijke maatregelen of acties op het terrein van mobiliteitsmanagement tot de mogelijkheden. Bij de keuze van oplossingen staat verbetering van de deur-tot-deur bereikbaarheid voorop. Deze aanpak is in detail beschreven in de SVIR40.

Het optimaal benutten van de bestaande infrastructuur is een belangrijke pijler om de bereikbaarheid te vergroten, zie 34.05 Programma Beter Benutten.

Weginfrastructuur voor het goederenvervoer

Het goederenvervoer over de weg stelt vanuit zijn unieke karakter specifieke eisen aan de kwaliteit en beschikbaarheid van weginfrastructuur:

  • Uitvoeren van de vrachtspecifieke actielijnen (bijvoorbeeld verlenging in-/uitvoegstroken en wegvakken op specifieke locaties met veel vrachtverkeer).

  • Vooral via inzet van netwerkorganisatie Connekt zal in 2012 de verdere opschaling van stedelijke distributie-afspraken tussen gemeenten en bedrijfsleven worden voortgezet.

  • Realiseren van kleinschalige infrastructurele voorzieningen voor het wegvervoer, zoals verzorgingsplaatsen langs het hoofdwegennet.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Algemene strategie en beleidsontwikkeling

  • De kosten van de afbouw van de Commissie Tunnelveiligheid zullen op dit product plaatsvinden.

Beheer en onderhoud

  • Het Rijk is beheerder van het hoofdwegennet en de decentrale overheden beheren het onderliggend wegennet. Het beheer en onderhoud van de hoofdwegen wordt door Rijkswaterstaat uitgevoerd. Deze activiteiten zijn op het Infrastructuurfonds (artikel 12) terug te vinden.

Benutten en aanleg weginfrastructuur

  • In geval van knelpunten zullen overheden gezamenlijk zoeken, in een MIRT-verkenning of als onderdeel van een netwerkanalyse, naar oplossingen. Deze kunnen bestaan uit benuttingsmaatregelen of aanleg van infrastructuur, andere ruimtelijke maatregelen of acties op het terrein van mobiliteitsmanagement. In de nieuwe SVIR staat de aanpak in detail beschreven.

Weginfrastructuur voor het goederenvervoer

  • Realiseren van kleinschalige infrastructurele voorzieningen voor het wegvervoer.

Indicatoren/Kengetallen

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Er is een nieuwe bereikbaarheidsindicator ontwikkeld, deze is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze indicator is ontwikkeld om de kwaliteit van de bereikbaarheid voor de gebruiker beter te kunnen beoordelen. Deze indicator wordt gebruikt naast de huidige beleidsdoelen en zal doorontwikkeld worden, zodat deze medio 2012 in de begroting 2013 en ook in projectgerichte of gebiedsgerichte studies toepasbaar is.

Integrale bereikbaarheid

Zoals in de Structuurvisie beschreven brengt de nieuwe bereikbaarheidsindicator de integrale bereikbaarheid in beeld. Hierbij wordt met integrale bereikbaarheid zowel de bereikbaarheid over alle modaliteiten tezamen als de bereikbaarheid over alle netwerken (hoofd- en onderliggend) bedoeld, oftewel de bereikbaarheid van deur-tot-deur. Het is immers deze van deur-tot-deur bereikbaarheid die vanuit het perspectief van de reiziger relevant is. De indicator geeft dus inzicht in de kwaliteit van het totale mobiliteitssysteem. De bereikbaarheid wordt hierbij bepaald aan de hand van de moeite die het gemiddeld per kilometer kost om een bestemming te bereiken. Deze moeite wordt uitgedrukt in de gemiddelde kosten die reizigers per kilometer maken om hun plaats van bestemming te bereiken. Zoals in de Structuurvisie is aangegeven is de indicator geen absolute maatstaf of norm, maar een relatieve maat. Hiermee is de indicator een aanvulling op de bestaande absolute en sectorale indicatoren uit de Nota Mobiliteit die alle specifiek gericht zijn op de hoofdinfrastructuur van wegen, spoorwegen en vaarwegen.

De veelzijdigheid van de indicator in de begroting, maar ook de toepassing ingeval van projectspecifieke studies en op de diverse schaalniveaus wordt nog verder uitgewerkt. Dit is in de Structuurvisie als het doorontwikkelen van de indicator benoemd. Hierbij wordt ook het goederenvervoer over het spoor en de vaarwegen in de indicator geïntegreerd.

Algemene strategie en beleidsontwikkeling

De meetbare gegevens voor dit product zijn hieronder bij de overige producten weergegeven.

Beheer en onderhoud

De meetbare gegevens, zoals de prestatie-afspraken, de specificatie van het areaal en de oppervlakte van het wegdek staan vermeld in artikel 12 van het Infrastructuurfonds.

Benutting en aanleg van weginfrastructuur, weginfrastructuur voor het goederenvervoer

Er is geen aparte indicator voor de weginfrastructuur voor het goederenvervoer, omdat vrachtwagens van dezelfde infrastructuur gebruik maken als personenauto’s. De drie indicatoren (acceptabele reistijd, voertuigverliesuren, betrouwbaarheidspercentage HWN) gelden ook voor het goederenvervoer.

Bestaande indicatoren:

Indicator: Acceptabele reistijd
 

Basiswaarde 2000

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde 2020

Een acceptabele reistijd: percentage waar de streefwaarde wordt gehaald.

89%

80%

80%

84%

83%

100%

Bron: Rijkswaterstaat/DVS 2010

– De reistijd op een traject is acceptabel als de reistijd in de spits maximaal 1,5x de reistijd buiten de spits is (referentiesnelheid 100 km/uur). Op stedelijke ringen is de streefwaarde maximaal 2x de reistijd in de spits.

– Er zijn 188 trajecten (alle autosnelwegen binnen het hoofdwegennet). Hiervan zijn er 82 trajecten onbemeten. Aangenomen is dat deze onbemeten trajecten voldoen aan de streefwaarde omdat dit de minst drukke trajecten zijn.

– Voor de bepaling van de streefwaarde wordt verwezen naar de SVIR.

Het beoogde doel voor 2020 was dat op alle trajecten (100%) de reistijd voldoet aan de streefwaarden uit de Nota Mobiliteit. In 2010 geldt dat voor 83% van de trajecten. Door de toename van het reistijdjaarverlies is het percentage trajecten waar de streefwaarde gehaald wordt met 1% afgenomen ten opzichte van 2009. Het verdere bouwprogramma uit het MIRT projectenboek 2011 zorgt voor verhoging van het percentage trajecten.

Nieuwe indicator:

In de SVIR (bijlage 6) zijn nieuwe aangepaste streefwaarden opgenomen gericht op het jaar 202841.

Bestaande indicatoren:

Indicator: Betrouwbaarheidpercentage hoofdwegennet (HWN)
 

Basiswaarde 2000

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde 2020

Betrouwbaarheidspercentage: percentage van de verplaatsing in de spits op het HWN dat op tijd is1

94%

90%

90%

92%

91%

95%

Bron: Rijkswaterstaat/DVS, 2010

1

«Op tijd» wil zeggen op langere afstanden (boven 50 km) maximaal 20% vroeger of later dan de verwachte reistijd, en op korte afstanden maximaal 10 minuten korter of langer dan de verwachte reistijd op een bepaald tijdstip van de dag. Het werkelijke percentage zal iets hoger liggen dan in de tabel gepresenteerd, omdat de tabel betrekking heeft op de 106 trajecten in de Randstad, Gelderland en Noord-Brabant. De overige 82 trajecten zijn onbemeten en daarom niet in de betrouwbaarheidscijfers opgenomen. Deze 82 trajecten zijn het minst druk en daardoor het meest betrouwbaar.

Het beoogde doel in 2020 is dat 95% van de ritten «op tijd» afgewikkeld wordt. In 2010 geldt dat 91% van de ritten op tijd is, 1% minder dan in het jaar 2009. De toename van het reistijdjaarverlies in files met 6,7% is hiervan de directe oorzaak; hoe meer files hoe onbetrouwbaarder de reistijd. Het bouwprogramma uit het MIRT projectenboek 2011 zorgt voor een verbetering van de betrouwbaarheid.

Bestaande indicatoren:

Indicator: Voertuigverliesuren
 

Basiswaarde 2000

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde 2020

Voertuigverliesuren in files; index 2000 = 1001

100

157

158

140

149

60

Bron: Rijkswaterstaat/DVS, 2010

1

Het Rijk heeft de ambitie de filezwaarte (in voertuigverliesuren) op het hoofdwegennet in 2020 terug te brengen tot het niveau van 1992. De TK heeft bij de behandeling van de Nota Mobiliteit aangeven dat ook op deze doelstelling moet worden gestuurd.

De afgelopen jaren heeft een stijging van het aantal voertuigverliesuren in files laten zien. Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM)42 verwacht voor de periode 2011–2015 een verdere stijging van 16% t.o.v. het niveau in 2010. Hierbij is het uitgangspunt dat de MIRT projecten uit het projectenboek 2012 in de periode gerealiseerd worden. Zonder deze projecten zouden files in de periode 2011–2015 32% toenemen.

Extracomptabele verwijzingen

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds (IF)

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € 1 mln)

Art. Omschrijving

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Art 12 Hoofdwegennet

2 909

3 270

2 590

2 458

2 692

3 201

2 176

3 439

Belastinguitgaven

Meerjarenraming van belastinguitgaven (x € mln), budgettair belang op transactiebasis

Omschrijving

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Vervoer van personen (w.o. openbaar vervoer)

681

712

745

780

816

853

893

34.02 Netwerk Vaarwegen: Reistijden over het water betrouwbaar en voorspelbaar maken; bijdragen aan een robuust mobiliteitssysteem

Operationele doelstelling

Motivering

Om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden, mainports en binnenhavens in Nederland te realiseren en om de economische schade door onbetrouwbaarheid te beperken.

Om een robuust hoofdnetwerk (mobiliteitssysteem) van weg-, spoor- en vaarwegen te verkrijgen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen.

Vaarweginfrastructuur

Instrumenten

  • Het reguliere beheer en onderhoudsprogramma.

  • De extra impulsprogramma’s gericht op het wegwerken van het achterstallig onderhoud (zie voor concrete activiteiten het Plan van Aanpak Onderhoud (2003)43 en de latere extra impuls

  • Het MIRT-projectenboek wordt gebruikt als leidraad voor de aanleg en benutting van vaarweginfrastructuur.

  • Middelen uit het Infrastructuurfonds artikel 15.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Vaarweginfrastructuur

  • Uitvoeren van het achterstallig onderhoudsprogramma vaarwegen.

  • Uitvoeren van het reguliere beheer- en onderhoudsprogramma vaarwegen.

  • Verbeteren van het bedieningsniveau van sluizen en bruggen.

  • Uitvoeren van het aanlegprogramma vaarwegen.

  • Door samenwerking met de decentrale overheden in de Gebiedsagenda’s de zwakste schakels in de logistieke keten versterken.

  • In internationaal verband pleiten voor het opheffen van infrastructurele knelpunten in het Trans Europese Netwerk (TEN).

Indicatoren / Kengetallen

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Zie onder Indicatoren/Kengetallen 34.01

Vaarweginfrastructuur

Indicator: Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Streefwaarde 2012

Hoofdtransportas

63%

75%

68%

80%

85%

Hoofdvaarweg

84%

85%

81%

75%

75%

Overige vaarweg

92%

90%

88%

70%

70%

Bron: Rijkswaterstaat/Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS)

Bestaande indicatoren:

Om de effectiviteit van het vaarwegenbeleid te meten wordt sinds enige jaren de indicator «betrouwbaarheid reistijd vaarwegen» uitgewerkt. Deze indicator zal zich richten op de verschillende corridors en gevuld worden met gegevens over o.a. onderhoudsregime, verkeersmanagement, informatievoorziening naar de gebruiker, beschikbaarheid van ligplaatsen, passagetijd sluizen en bruggen. Veel van deze gegevens komen pas beschikbaar na invoering van River Information Services op de Nederlandse vaarwegen, inclusief het uitrusten van alle schepen met AIS transponders. Gezien de introductie van AIS is de verwachting dat een eerste aanzet voor zo’n nieuwe indicator vanaf 2013 kan worden gegeven.

Tot op heden is de indicator «passeertijd sluizen» uitgewerkt. De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. Elk type vaarweg correspondeert met een te realiseren percentage passages. Dit normpercentage biedt inzicht in het percentage schepen dat is gepasseerd binnen de normtijd.

De realisatie voor de hoofdtransportassen blijft achter bij de streefwaarden. Dit wordt enerzijds veroorzaakt door (de aanpak van) ac hterstallig onderhoud en anderzijds door capaciteitsproblemen bij enkele sluizen. Achterstallig onderhoud zorgt allereerst voor het frequenter optreden van storingen, maar ook de aanpak van het achterstallig onderhoud zelf leidt tot tijdelijke stremmingen die de passeertijden beïnvloeden. Daarnaast is er sprake van capaciteitsproblemen bij de Zeeuwse sluizen. Via het MIRT-aanlegprogramma wordt daaraan gewerkt met studies naar de capaciteit van de Volkeraksluizen en de sluis bij Terneuzen.

Als de realisatiecijfers 2010 van de verschillende hoofdtransportassen naar corridor worden gedifferentieerd dan leidt dat tot het volgende beeld:

Amsterdam-Rijnkanaal = 86%

Rijn-Scheldeverbinding = 66%

Westerschelde = 58%.

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds (IF)

Extracomptabele verwijzingen

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € 1 mln)

Art. Omschrijving

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

IF 15 Hoofdvaarwegennet

849

764

844

908

884

871

775

34.03 Netwerk Spoor: Betrouwbaarheid en capaciteit van het spoornetwerk vergroten; bijdragen aan een robuust mobiliteitssysteem

Operationele doelstelling

Motivering

Om de kerntaak van het spoor goed uit te voeren: 1. het bieden van een robuust netwerk van spoorverbindingen dat het hoogfrequent reizen en groei van het reizigersverkeer op de drukste corridors tussen de belangrijkste stedelijke regio’s mogelijk maakt; 2. het bijdragen aan de bereikbaarheid van alle landsdelen per spoor; 3. het bieden van een robuust netwerk van internationale spoorverbindingen voor het spoorgoederenvervoer.

Om een robuust hoofdnetwerk (mobiliteitssysteem) van weg-, spoor- en vaarwegen te verkrijgen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen.

Algemene strategie en beleidsontwikkeling

Instrumenten

In 2012 vindt verder uitvoering en implementatie plaats van de maatregelen die voortvloeien uit het kabinetsstandpunt over de evaluatie van de spoorwetgeving (TK 2008–2009, XII, 31 987, nr. 1; Evaluatie spoorwetgeving). Dit omvat o.a.:

  • het versterken van de aansturing van NS en ProRail.

  • het verbeteren van de spelregels voor gebruik van het spoor en

  • het organiseren van een betere positie voor decentrale overheden en overige vervoerders ten opzichte van ProRail en NS.

Aanleg en beheer en instandhouding

Het bestaande spoornet vertegenwoordigt een groot maatschappelijk geïnvesteerd kapitaal. Instandhouding hiervan is de eerste prioriteit.

  • Tot 1 januari 2015 heeft ProRail de beheerconcessie gekregen voor een doelmatig en doeltreffend beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur.

  • Tweede fase Herstelplan Spoor om met name de capaciteits- en punctualiteits-knelpunten op te lossen en het versneld uitvoeren van onderhoud en vervanging.

  • In het Infrastructuurfonds zijn diverse projecten opgenomen ter vergroting van de spoorcapaciteit voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast is inzet nodig op een aantal kleinere projecten die niet in het MIRT zijn opgenomen. Zoals kleine infra-aanpassingen en het beleid t.a.v. openbare laad- en losplaatsen en saneringsvraagstukken.

  • Voor het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer44 (Spoorboekloos reizen | Rijksoverheid.nl) worden vijf planstudies uitgevoerd.

  • Middelen uit het Infrastructuurfonds artikel 13.

Vervoer

  • Tot 1 januari 2015 heeft NV Nederlandse Spoorwegen een concessie gekregen voor het vervoer op het hoofdrailnet.

  • Per 1 juli 2009 is een 15-jarige publiekrechtelijke concessie van toepassing op het vervoer over de HSL-Zuid door High Speed Alliance (HSA).

  • Het subsidiëren van onrendabele lijnen in het Hoofdrailnet (HRN) en de contractsector. Middelen uit het Infrastructuurfonds artikel 13.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Algemene strategie en beleidsontwikkeling

Bij grote verstoringen is gebleken dat de robuustheid van het spoorsysteem te wensen overlaat en de informatievoorziening aan reizigers tekort schiet. Om het functioneren van het spoorsysteem te verbeteren is de aanpak om:

  • Cultuurverandering te bewerkstelligen waardoor de reiziger centraal komt te staan.

  • De samenwerking binnen de verkeersleiding te verbeteren en de organisatie ervan aan te passen.

  • De organisatie van de reisinformatie te verbeteren.

  • De output-sturing aan te scherpen en

  • De keten van infrastructuur, dienstregeling en logistiek van materieel en personeel te vereenvoudigen en meer betrouwbaar te maken.

Aanleg en beheer en instandhouding

  • ProRail draagt zorg voor een doelmatig en doeltreffend beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur.

  • De tweede fase Herstelplan Spoor uitvoeren om de doelstellingen in 2012 te kunnen realiseren en daarmee een basis te leggen voor de doelstellingen in de periode Nota Mobiliteit. Het gaat hierbij met name om het oplossen van capaciteits- en punctualiteits-knelpunten en het versneld uitvoeren van onderhoud en vervanging.

  • ProRail draagt ook zorg voor het beheer en uitvoering van onder andere fietsenstallingen bij de stations, tankplaten, studies capaciteitsmanagement, transferruimtes. Verder betreft dit de voorbereiding van het in beheer nemen van toekomstige hoofdspoorweginfrastructuur.

Vervoer

  • Toezicht houden op de naleving van de concessieovereenkomst met High Speed Alliance (HSA) voor het hogesnelheidsvervoer over de HSL-Zuid en de vervoerconcessie met NS voor het HRN.

  • In het kader van het actieplan Groei op het Spoor worden maatregelen ondersteund met een niet infrastructureel karakter, zoals op het vlak van treinaanbod, kaartjes en kennismaking en informatievoorziening.

  • Over alle 33 oorspronkelijke contractsectordiensten is een definitief besluit genomen:

    • 23 diensten zijn gedecentraliseerd.

    • 5 diensten zijn in het HRN opgenomen, waarvan 1 dienst (Zwolle-Enschede) per 2015 alsnog in aanmerking komt voor decentralisatie (na realisatie combi-tunnel Nijverdal).

    • 1 dienst wordt na realisatie van spoorverdubbeling Houten-Houten Castellum in het HRN opgenomen.

    • 4 diensten worden t/m 2014 door NS gereden.

Indicatoren / Kengetallen

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Zie onder Indicatoren/Kengetallen 34.01

Algemene strategie en beleidsontwikkeling

De meetbare gegevens voor dit product zijn hieronder bij de overige producten weergegeven. Aangezien de genoemde activiteiten gericht zijn op zowel het beheer van de spoorweginfrastructuur als het vervoer erover zijn hiervoor geen aparte meetbare gegevens ontwikkeld.

Aanleg, Beheer en instandhouding en vervoer

Binnen de beheerconcessie ProRail worden tussen IenM en ProRail concrete afspraken gemaakt over prestaties op het gebied van het spoor (29 984, nr. 167). Deze prestaties worden in het Beheerplan uitgewerkt in nadere indicatoren met bijbehorende grens- of richtwaarden. Met de Nederlandse Spoorwegen maakt IenM afspraken over het personenvervoer. Deze prestaties werkt NS in het Vervoerplan uit in nadere indicatoren met bijbehorende grens- of richtwaarden.

Vanaf 1 januari 2008 worden NS en ProRail (voor wat betreft het concessiedeel) op output gestuurd. Dat betekent dat afspraken worden gemaakt over prestaties in de vorm van grenswaarden. Hieronder zijn de belangrijkste indicatoren opgenomen.

Een uitgebreider overzicht is opgenomen in het Beheerplan en Vervoerplan en in de onderhoudsparagraaf van het MIRT-projectenboek.

De indicator betreft de in het jaarlijkse Beheerplan45 (Spoor: vervoer- en beheerplan; Brief regering; Prestaties van NS en ProRail in 2010 en 2011) afgesproken grenswaarde voor beschikbaarheid. Met de lagere grenswaarde voor beschikbaarheid in 2011 ten opzichte van 2010 is ingestemd vanwege het grote aantal uitbreidingsprojecten dat in 2011 op druk bereden baanvakken zal plaatsvinden.

Indicator: Beschikbaarheid Hoofdspoorweginfrastructuur (HSI, dit is incl. de regionale spoorlijnen, maar excl. BTR en HSL)
 

2007

2008

2009

2010

Grenswaarde 2011

Streefwaarde 2012

Beschikbaarheid HSI

99,4%

99,62%

99,51%

99,55%

99,45%

99,45%

Bron: Beheerplan 2010, Prorail

Met de NS is afgesproken om de punctualiteit te meten naar de 5 minuten-norm. De indicator 5-minuten-punctualiteit wordt gebruikt als indicator om de punctualiteit van de treindiensten te meten en in internationaal verband te vergelijken.

In onderstaand schema wordt ook nog de 3-minuten-norm gehanteerd.

Op grond van de 5 minutennorm zijn de in de tabel genoemde percentages vastgelegd.

Prestatie-indicator: Punctualiteit reizigersvervoer Hoofdrailnet (HRN)

Indicator

Basiswaarde 2003

2005

2007

2008

2009

2010

2011

Streefwaarde 2012

Grenswaarde 2009–2015

Indicator 3 minuten punctualiteit reizigersvervoer HRN1

83,1%

 

87,0%

86,8%

86,6%

86,5%

     

Indicator 5 minuten punctualiteit reizigersvervoer HRN1

     

93%

92,8%

92,5%

   

93%

Bron: Vervoerplan 2011, NS

1

afhankelijk van de uitvoering van de 2e fase van het Herstelplan (2007–2012)

Kwaliteit van spoorverbindingen voor het goederenvervoer

Aangezien sprake is van projecten ter vergroting van de spoorcapaciteit van het goederenvervoer en kleine infrastructuuraanpassingen wordt hier verwezen naar de artikelen 13 en 17 van het Infrastructuurfonds.

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds (IF)

Extracomptabele verwijzingen

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € 1 000)

Art. Omschrijving

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

IF 13 Spoorwegen

2 645

2 433

2 446

2 569

2 392

2 576

2 400

IF 17.02 Betuweroute (realisatie)

32

22

10

2

     

IF 17.03 Hogesnelheidslijn

54

90

         

IF 17.04 Anders Betalen voor Mobiliteit

34

3

         

34.04 Netwerk decentraal/regionaal vervoer: decentrale overheden in staat stellen een effectief regionaal mobiliteitsbeleid te voeren; bijdragen aan een robuust mobiliteitssysteem

Operationele doelstelling

Motivering

Om de stedelijke netwerken en economische kerngebieden bereikbaar te houden als voorwaarde voor economische groei en mede mogelijk te maken dat mensen kunnen meedoen aan de samenleving moeten de decentrale overheden in staat worden gesteld betrouwbaar, snel en gemakkelijk te gebruiken regionaal openbaar vervoer (regionaal en lokaal spoor, metro, tram, bus) aan te bieden aan de reiziger.

Om een robuust hoofdnetwerk (mobiliteitssysteem) van weg-, spoor- en vaarwegen te verkrijgen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen.

Algemene strategie en beleidsvorming

Instrumenten

  • Het wetgevend- en beleidskader opstellen voor OV-systemen. De decentrale overheden zijn primair verantwoordelijk voor het goed functioneren van regionale OV-systemen.

Betrouwbaar en veilig

  • De Europese Verordening voor passagiersrechten in het busvervoer. Het betreft bepalingen over onder meer aansprakelijkheid, toegankelijkheid, assistentie bij haltes, reisinformatie, klachtenbehandeling en handhaving.

  • De Quick scan van de gedecentraliseerde spoorlijnen.

Snel

  • Het Actieprogramma Regionaal Openbaar Vervoer (AROV) levert een bijdrage aan de inzet van het Rijk om samen met de decentrale overheden concrete maatregelen te realiseren om de snelheid en frequentie van het regionaal OV te verhogen.

  • Het programma «Ruimte voor de fiets» draagt bij aan de verbetering en uitbreiding van fietsparkeervoorzieningen bij stations.

Gemakkelijk en comfortabel in gebruik

  • Met de invoering van de OV-chipkaart als vervoer- en betaalbewijs in het openbaar vervoer kan de reiziger met één kaart door de OV-keten reizen.

Project Nationale Data OV-gegevens (NDOV)

  • Het voor de markt mogelijk maken om innovatieve reisinformatieapplicaties te maken teneinde de reiziger te voorzien van actuele ov-reisadviezen. De overheden (provincies, stadsregio’s en IenM) beogen met het project NDOV een impuls te geven aan de beschikbaarheid van ov-data.

  • Voor de weggebruiker geldt dat via de Nationale Databank Wegverkeersgegevens (NDW46) betere informatie beschikbaar komt voor meer wegvakken.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Algemene strategie en beleidsvorming

  • De modernisering en harmonisering van de regelgeving voor lokaal spoor treedt in werking in 2012:

  • Na het onherroepelijk worden van de concessies zal het concessiebeheer van de Waddenveren worden ingericht. Dat betekent onder meer dat jaarlijks een goedkeuringsprocedure voor de vervoerplannen van de concessiehouders moet worden doorlopen en monitoring zal starten.

  • Uitvoering van een experiment voor de verlaging van de minimumleeftijd voor buschauffeurs. De inwerkingtreding is per 1 januari 2011 gestart. Dit experiment loopt minimaal drie jaar en zal na afloop worden geëvalueerd.

  • IenM blijft de kennisuitwisseling met het Kennisplatform Verkeer en Vervoer ondersteunen voor een kwaliteitsverbetering van het regionaal OV. De professionalisering van de reizigersinspraak wordt sinds 2011 uitgevoerd door het Kennisplatform Verkeer en Vervoer (KpVV).

Betrouwbaar en veilig

  • De implementatie van de nieuwe Europese Verordening over passagiersrechten in het busvervoer in de Nederlandse wetgeving wordt in procedure gebracht. Het betreft bepalingen over onder meer aansprakelijkheid, toegankelijkheid, assistentie bij haltes, reisinformatie, klachtenbehandeling en handhaving.

  • Start van de uitvoeringsmaatregelen ter verbetering van de punctualiteit of de capaciteit op negen gedecentraliseerde spoorlijnen in het kader van de Quick scan van de gedecentraliseerde spoorlijnen.

  • Borging van de publieke belangen in het taxivervoer (veiligheid, betrouwbaarheid, beschikbaarheid, betaalbaarheid) door samenwerking van IenM met de grote steden, belangenorganisaties en de taxibranche ter verbetering van de kwaliteit van zowel het straattaxivervoer als het contractvervoer in Nederland.

  • Met ingang van 2011 verder invulling geven aan verschillende uitvoeringsmaatregelen die op basis van de Toekomstvisie Taxi47 (Taximarkt sturen op kwaliteit | Rijksoverheid.nl) zijn opgesteld in nauwe samenwerking met vertegenwoordigers van de grote steden, belangenorganisaties en de taxibranche.

Snel

  • Via het programma «Ruimte voor de fiets»48 is de verwachting dat er in 2012 circa 20 000 fietsparkeervoorzieningen worden gerealiseerd bij stations, waarvan 15 000 capaciteitsuitbreiding zijn en 5 000 plekken worden vervangen.

Gemakkelijk en comfortabel in gebruik

  • Het invoeringsproces van de OV-chipkaart wordt door IenM gevolgd, gefaciliteerd en waar nodig bijgestuurd.

Project Nationale Data OV-gegevens (NDOV)

  • De beschikbaarheid van de ov-data wordt waar nodig door IenM gefaciliteerd. De verwachting is dat eind 2012 de actuele ov-data beschikbaar zijn.

Indicatoren/Kengetallen

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Zie onder Indicatoren/Kengetallen 34.01

Algemene strategie en beleidsvorming

De meetbare gegevens voor dit product zijn hieronder bij de overige producten weergegeven. Aangezien de genoemde activiteiten gericht zijn op zowel het regionaal OV-systeem en de regionale bereikbaarheid zijn hiervoor geen aparte meetbare gegevens ontwikkeld.

Regionale bereikbaarheid

Klanttevredenheid geeft een indicatie van de waardering van het regionaal OV.

De aanbestedingsgraad geeft een beeld van de ontwikkeling van het procentuele aandeel van het totaal aantal OV-bedrijven waarvan het OV is aanbesteed.

De ontwikkeling van het aantal reizigerskilometers geeft een goed beeld van het gebruik van het OV. De decentrale overheden en vervoerders zijn hiervoor primair verantwoordelijk. IenM heeft een coördinerende en stimulerende functie.

Het Kennisplatform Verkeer en Vervoer (KpVV) voert jaarlijks in opdracht van IenM en de decentrale concessieverleners een onderzoek uit naar de klanttevredenheid van reizigers in het regionaal OV. Vanwege de verantwoordelijkheid van de decentrale overheden voor het regionaal OV worden geen landelijke streefcijfers vastgelegd.

De resultaten van de klantenbarometer worden door de decentrale overheden (de concessieverleners) gebruikt in het concessiebeheer. De resultaten worden met de concessiehouder besproken. In de concessies zijn bonus/malussen opgenomen met betrekking tot de resultaten van de Klantenbarometer.

Kengetal Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2007

2008

2009

2010

Algemeen oordeel

7,0

7,2

7,2

7,2

Informatie en veiligheid

7,3

7,5

7,5

7,5

Rijcomfort

7,0

7,2

7,2

7,3

Tijd en doorstroming

6,0

6,2

6,5

6,5

Prijs

6,3

6,5

6,3

6,0

Bron: KpVV – OV Klantenbarometer, 2011

Bestaande indicatoren:

Indicator: Aanbestedingsgraad regionaal OV
 

Basiswaarde 2002

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde

Aanbestedingsgraad regionaal Openbaar Vervoer (excl. G3)

5%

72%

92%

92%

92%

100%

G3-steden (A’dam, R’dam, Den Haag)

         

n.v.t.

Bron: IenM, 2010

Indicator: Aanbestedingsgraad regionaal OV
 

Basiswaarde 2002

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde

Aanbestedingsgraad regionaal Openbaar Vervoer (excl. G3)

5%

72%

92%

92%

92%

100%

G3-steden (A'dam, R'dam, Den Haag)

         

n.v.t.

Bron: IenM, 2010

De streefwaarde van 100% zal niet worden gehaald, omdat er voor enkele regionale spoorlijnen en een enkel gebied nog een ontheffing op de aanbestedingsplicht geldt ter overbrugging van een aanbesteding. In het Regeerakkoord is opgenomen dat er een verplichte aanbesteding komt voor het openbaar vervoer in de drie stadsregio’s: Amsterdam, Rotterdam en Haaglanden .

Kengetal Overzicht reizigerskilometers regionaal OV (x 1 mrd; excl. regionale trein)
 

2007

2008

2009

20101

Stadsregio's

3,6

3,6

3,7

3,8

Provincies

2,9

2,8

2,92

3,0

Totaal

6,5

6,4

6,53

6,73

Bron: Wroov 2010

1

Cijfers 2010 nog gebaseerd op een raming.

2

Verschil met Jaarverslag 2010 door herberekening op basis van recent afgeronde onderzoeken en interpolatie daarvan met voorgaande jaren.

3

Afrondingsverschil.

De ontwikkeling vertoont een min of meer stabiel beeld, met mogelijk een positieve ontwikkeling vanaf 2010. Deze lichte groei kan zijn veroorzaakt door minder zwartrijden in de metro als gevolg van de invoering van de chipkaart.

Verbeteren regionale OV-systemen

De decentrale overheden en vervoerders zijn primair verantwoordelijk voor het verbeteren van de regionale OV-systemen. Door middel van aanvullende gemeentelijke bevoegdheden in de nieuwe wet wordt het voor gemeenten mogelijk om, afhankelijk van de specifieke lokale situatie, maatwerk te leveren om de kwaliteit van het gemeentelijk straattaxivervoer te verbeteren en lokale problemen op te lossen. Deze maatregelen kunnen zich richten op herkenbaarheid, traceerbaarheid en groepsvorming. Als lid van een groep zijn individuele taxichauffeurs beter herkenbaar en aanspreekbaar op de geleverde prestatie. Daarnaast krijgen gemeenten ook de mogelijkheid om rechtstreeks op kwaliteit in te grijpen. Het wetsvoorstel behelst daarnaast een aantal wijzigingen ten behoeve van overzichtelijkheid en vereenvoudiging van de regelgeving voor taxivervoer. De verschillende maatregelen zijn opgenomen in een wijziging van de Wet Personenvervoer 2000 en het Besluit Personenvervoer 2000. De wijziging van de Wet Personenvervoer 2000 is in juni 2010 voorgelegd aan de Tweede Kamer. In september 2010 heeft de Kamer een Verslag vastgesteld. Als gevolg van de afspraken in het Regeerakkoord diende de wet aangepast te worden: er kwam een aanbestedingsverplichting voor het OV in de drie grote steden. In januari 2011 is hiertoe een nota van wijziging samen met de Nota naar aanleiding van het Verslag aan de Kamer gestuurd. De Kamer heeft vervolgens een tweede verslag opgestuurd. De nota naar aanleiding van het nader verslag zal naar verwachting medio 2011 naar de Kamer worden gezonden. Hierna dient het Besluit Personenvervoer gewijzigd te worden om het aan te passen aan de Wp2000 en in de besluitvormingsprocedure gebracht te worden. Het dient tegelijk met de Wp2000 in werking te treden. De behandeling van de Wp2000 door de Tweede Kamer wordt verwacht in de tweede helft van 2011. Om de stadsregio’s in de gelegenheid te stellen een aanbesteding fatsoenlijk voor te bereiden, is de verplichte aanbestedingsdatum voor bus en multimodale concessies in de drie grote steden opgeschoven. Voor de zomer 2011 wordt de laatste hand aan het besluit gelegd, waarna het in de zomer gepubliceerd kan worden.

Kengetallen taxi

Output

Verwachte ontwikkeling

Landelijke ontwikkeling relatief

4 grote steden

1. Waarderingconsument1 (gebruikers)

Verbetering

Constant hoog:

iets lager dan het landelijk gemiddelde:

2007: 7,2

2007: 7,1

2008: 7,3

2008: 7,4

2009: 7,2

2009: 7,2

2010: 7,5

2010: 7,2

2. Prijsontwikkeling

(straattaxi)2

Prijsdaling

2007: + 3,9%

2007: + 3,6%

2008: 1,2 %

2008: – 24,6% tot + 6%2

2009: varieert van 1,2% voor stadsrit en 1,1% voor buitenrit2

2009: varieert van 0,1% voor stadsrit en – 0,1% voor buitenrit2

2010: – 0,9% voor een stadsrit en 0,0% voor een buitenrit

2010: +0,2 voor een stadsrit en +0,4 voor een buitenrit

Bron: Waardering consument:

– Vier grote steden: Mysteryshopper Onderzoek 2006–2008; TNS Consult.

– Landelijke ontwikkeling: taximonitor gebruikers 2008–2010; I&O Research.

«Prijsontwikkeling»: De ontwikkeling van bedrijven en hun tarieven in de Nederlandse taximarkt in 2010: TNS Consult.

1

Jaarlijks vindt onderzoek plaats naar zowel de waardering van de consument als de prijsontwikkeling in de straattaxi. De gemiddelde waardering in de periode 2000–2010 bedraagt 7,3. In 2010 ligt de landelijke waardering met 7,5 iets hoger. Dit kan worden verklaard door hogere waarderingen voor met name: gedrag en rijstijl van de chauffeur, het comfort in de taxi en het inzicht in de ritkosten. In de vier grote steden ligt de klantenwaardering tussen 2005 en 2010 rond de 7,2. Ook in 2010 bedraagt de klantwaardering in de vier grote steden 7,2.

2

De landelijke prijsontwikkeling van de straattaxi wordt jaarlijks gemeten voor een tweetal referentieritten; één met 5 kilometer lengte (meest voorkomende rit in de steden) en één met een lengte van 15 kilometer (vooral kleinere steden en platteland).

OV-Chipkaart

Voor de invoering van de OV-chipkaart zijn hier geen meetbare gegevens opgenomen omdat de decentrale overheden en vervoerders verantwoordelijkheid dragen voor de uitrol.

Extracomptabele verwijzingen

Belastinguitgaven

Meerjarenraming van belastinguitgaven (x € mln.), budgettair belang op transactiebasis

Omschrijving

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Teruggaaf taxi's

 65

60

62

65

67

70

73

Vrijstelling taxi's

52

53

54

56

58

59

61

34.05 Programma Beter Benutten: Forse vermindering files in gebieden met hoogste spitsdruk en accommoderen van groei op het spoor; bijdragen aan een robuust mobiliteitssysteem

Operationele doelstelling

Motivering

Naar aanleiding van het Regeerakkoord en de Beleidsbrief Infrastructuur en Milieu (november 2010)49 is per 1 januari 2011 het programma Beter Benutten van start gegaan. De Tweede Kamer is op 14 juni 2011 over de doelstellingen, voornemens, activiteiten en inhoud van het programma geïnformeerd.38

Het programma Beter Benutten heeft als doelstelling:

  • In gebieden waar de meeste spitsdruk op de weg optreedt circa 25 000 voertuigen per dag in de spits te reduceren; hierdoor worden de files op de specifieke trajecten waar deze spits-problematiek zich voordoet de komende jaren met 20–30% verminderd.

  • Op spoorgebied de stijgende vraag te accommoderen en op de PHS-corridors een gemiddelde groei van 5% per jaar van het aantal reizigerskilometers mogelijk te maken tot 2020; hierbij tevens de spitsdruk op het spoor beter te verdelen over de dag en het reiscomfort te vergoten.

Het programma wil dit bereiken door te komen tot:

  • Gebiedspakketten in enkele specifieke regio’s (maatwerk-oplossingen).

  • Gerichte maatregelen op het hoofdwegennet en versnelling van enkele PHS-projecten.

  • Maatregelen op nationale schaal.

De focus ligt op het behalen van direct resultaat door het verlagen van de spitsdruk in specifieke regio’s en corridors, op de weg, het spoor en de vaarwegen. Het programma richt zich hierbij zowel op personen- als goederenvervoer. Daarnaast wil het programma de keuzemogelijkheden voor de gebruiker vergroten om bewuste (reis)keuzes te maken, reistijden verkorten, reis- en systeembetrouwbaarheid verbeteren en het comfort voor de reiziger vergroten.

  • Nationale maatregelen: intelligente transportsystemen (ITS), onderzoek naar treffende maatregelen op multimodale knooppunten waar overgestapt kan worden van de ene op de andere vervoerwijze, reisinformatie, fiscaliteit en logistiek.

  • Maatregelen en initiatieven gericht op gezamenlijke doelstellingen per prioritair gebied (gebiedspakket).

  • Gerichte maatregelen op het hoofdwegennet (verruimen openingstijden van spits- en plusstroken en onderzoeken permanente openstelling plusstroken) en versnelling van enkele PHS-projecten (fietsenstallingen, seinoptimalisaties en onderzoek versnelling Doorstroomstation Utrecht) en maatregelen gericht op het beter benutten van de vaarwegen.

  • Platform Slim Werken Slim Reizen50 waar werkgevers en werknemers afspraken maken over bijvoorbeeld gedragsverandering via mobiliteitsmanagement.

Instrumenten

Meetbare gegevens

Met het programma Beter Benutten wordt ingezet op:

  • In gebieden waar de meeste spitsdruk op de weg optreedt circa 25 000 voertuigen per dag in de spits te reduceren; hierdoor worden de files op de specifieke trajecten waar deze spitsproblematiek zich voordoet de komende jaren met 20–30% verminderd.

  • Op spoorgebied de stijgende vraag te accommoderen en op de PHS-corridors een gemiddelde groei van 5% per jaar van het aantal reizigerskilometers mogelijk te maken tot 2020; hierbij tevens de spitsdruk op het spoor beter te verdelen over de dag en het reiscomfort te vergoten.

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Start uitvoering van de gebiedspakketten.

  • Besluitvorming en start uitvoering nationale maatregelen

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds

Extracomptabele verwijzingen

De investeringen die samenhangen met het programma «Beter Benutten» worden met name verantwoord op artikel 12 «Hoofdwegennet» en 13 «Spoorwegen» van het Infrastructuurfonds.

Artikel 35 Mainports en logistiek

Algemene doelstelling

Het versterken van de Nederlandse mainports en realiseren van een efficiënt goederenvervoersysteem en luchtvaartbestel, binnen de randvoorwaarden voor geluid, veiligheid, leefbaarheid en ruimtelijke ordening.

Omschrijving van de samenhang van beleid

Goede (internationale) verbindingen en een efficiënte afwikkeling van de passagiers- en goederenstromen vanuit de mainports zijn onontbeerlijk voor de Nederlandse samenleving en economie. IenM zorgt voor het realiseren van de benodigde infrastructuur en voor de regelgeving op het gebied van marktordening, (verkeers-) veiligheid, milieu en security. IenM draagt bij aan het innovatief vermogen van het bedrijfsleven en het realiseren van een internationaal level playing field op de diverse vervoersmarkten. Dit gelijk speelveld omvat de afspraken die zijn overeengekomen om eerlijke concurrentie te waarborgen.

Verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • Goed functioneren van het systeem voor het goederenvervoer en de luchtvaart.

  • Ontwikkelen van kaders, bevoegdheden, middelen en instrumenten die de samenwerking met overige bestuurslagen en de bedrijven faciliteren en/of bevoegdheden daar positioneren waar voor het functioneren van het systeem dat het meest optimaal is.

  • Voorbereiden, implementeren en handhaven van de nationale wetgeving op het terrein van het goederenvervoer en de luchtvaart.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling is afhankelijk van:

  • Ontwikkelingen in internationale organen, zoals de Europese Unie (EU), Eurocontrol, European Aviation Safety Agency (EASA), International Maritime Organization (IMO), International Civil Aviation Organization (ICAO), International Labour Organization (ILO), Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR), Donaucommissie en Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO).

  • Innovatief vermogen op het gebied van logistiek bij het bedrijfsleven.

  • De internationale economische ontwikkelingen.

Effecten van beleid

Het behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

  • Gebruikers van de mainports, het goederenvervoer-systeem en het luchtvaartbestel «waar voor hun geld krijgen» binnen de bovengenoemde randvoorwaarden.

  • Nederland in 2020 beschikt over de meest efficiënte, innovatieve en duurzame logistieke draaischijf in Europa.

Deze draaischijf draagt bij aan:

  • De concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven, zowel het logistieke bedrijfsleven zelf als het overige bedrijfsleven.

  • De aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor internationaal opererende bedrijven en daarmee aan het behalen van de vernieuwde EU doelstellingen in termen van groei, duurzaamheid en werkgelegenheid door Nederland.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

35. Mainports en logistiek

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

43 281

33 385

18 797

15 790

15 343

13 681

14 980

Uitgaven

71 606

39 594

21 644

16 833

15 938

13 681

14 980

35.01

Mainport Schiphol en reg. Luchthavens

4 970

6 395

5 608

4 068

4 068

2 702

2 702

35.01.01

Kostenconvenant Schiphol

40

0

0

0

0

0

0

35.01.02

Ontwikkeling luchthavens

3 733

4 328

3 796

3 406

3 406

1 106

1 106

35.01.03

Evaluatie Schipholbeleid

0

0

0

0

0

0

0

35.01.04

Implementatie Schipholwet en luchthavenbesluiten

0

0

0

0

0

0

0

35.01.05

Regelgeving Regionale en Kleine Luchthavens

1 197

2 067

1 812

662

662

1 596

1 596

35.01.06

Inspectie Verkeer en Waterstaat

0

0

0

0

0

0

0

35.02

Mainport Rotterdam en overige zeehavens

1 263

1 492

426

452

427

427

427

35.02.01

Verbetering marktwerking

891

1 108

374

400

375

375

375

35.02.02

Formuleren maatschappelijke randvoorwaarden

205

197

0

0

0

0

0

35.02.03

Instandhouden en verbeteren infracapaciteit

167

187

52

52

52

52

52

35.03

Logistieke efficiëntie luchtvaart

35 912

10 167

3 367

2 851

2 775

2 674

3 978

35.03.01

Kennis luchtvaart en luchthavens

27 272

1 023

1 260

1 252

1 176

1 075

2 379

35.03.02

Luchtruim

2 054

2 231

660

660

660

660

660

35.03.03

Marktordening en markttoegang

2 931

3 516

1 447

939

939

939

939

35.03.04

Inspectie Verkeer en Waterstaat

3 655

3 397

0

0

0

0

0

35.04

Logistieke efficiëntie goederenvervoer

29 461

21 540

12 243

9 462

8 668

7 878

7 873

35.04.01

Vergroting strategische en internationale oriëntatie

4 325

3 572

1 530

1 524

1 496

1 419

1 414

35.04.02

Logistieke efficiëntie zee- en kustvaart

6 575

4 330

2 338

1 324

739

439

439

35.04.03

Logistieke efficiëntie binnenvaart

5 793

3 717

2 381

645

564

151

151

35.04.04

Logistieke efficiëntie wegvervoer

3 904

5 228

3 070

3 054

2 954

2 954

2 954

35.04.05

Logistieke efficiëntie spoorvervoer

8 864

4 693

2 924

2 915

2 915

2 915

2 915

35.04.06

Inspectie Verkeer en Waterstaat

0

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

10 646

2 068

2 042

2 042

2 042

2 042

2 042

35.09.01

Ontvangsten Stichting Buisleidingen-straat

0

2 068

2 042

2 042

2 042

2 042

2 042

35.09.02

Overige ontvangsten

10 646

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

35.01 Mainport Schiphol en regionale luchthavens

De beleidsmatig verplichte uitgaven hebben betrekking op de uitvoering van de activiteiten uit de Luchtvaartnota en de activiteiten voor de luchthavens van nationale betekenis.

35.02 Mainport Rotterdam en overige zeehavens

De bestuurlijk gebonden en beleidsmatig verplichte uitgaven hebben voornamelijk betrekking op gezamenlijk onderzoek in de havenalliantie en de monitoring van beleidsindicatoren.

35.03 Logistieke efficiëntie luchtvaart

De beleidsmatig verplichte uitgaven hebben voornamelijk betrekking op co-financiering van de Geschillencommissie Luchtvaart, de bijdrage aan de NMa voor de Loodsenwet en de Wet Luchtvaart, de subsidie aan het Knowledge Development Center (KDC) en experimenten in het kader van het nieuwe normen- en handhavingsstelsel.

35.04 Logistieke efficiëntie goederenvervoer

De verplichtingen zijn grotendeels (60%) al juridisch verplicht.

De bestuurlijk gebonden en beleidsmatig verplichte uitgaven hebben voornamelijk betrekking op een subsidie aan de Stichting Nederland Maritiem Land (NML), op de eeuwigdurende bestuursovereenkomst met de brandweer voor piketdiensten en worden ingezet voor activiteiten in het kader van logistieke efficiency weg- en spoorvervoer.

Operationele doelstellingen

35.01 Het versterken van de concurrentiepositie van de mainport Schiphol en de overige luchthavens

Operationele doelstelling

Motivering

De netwerkkwaliteit van de mainport Schiphol en de infrastructurele voorzieningen van de luchthavens verbeteren zodat de economie, de internationale concurrentiepositie en bereikbaarheid van Nederland structureel worden versterkt.

Ontwikkeling luchthavens:

Instrumenten

  • Wet Luchtvaart en Luchtvaartwet met onderliggende regelgeving, zoals het Luchthavenverkeersbesluit en het Luchthavenindelingenbesluit.

  • De Luchtvaartnota (TK 2008–2009, 31 936, nr. 1).

  • De actualisatiebrief (TK 2010–2011, 31 936, nr.47) waarin het luchtvaartbeleid is neergelegd. Het Aldersadvies Schiphol, waarin is gekozen voor een selectieve groei naar maximaal 510 000 vliegtuigbewegingen in 2020 voor vliegtuigbewegingen die bijdragen aan de mainportfunctie. Bij een verwachte vraag van 580 000 vliegtuigbewegingen op Schiphol in 2020, betekent dit dat voor 70 000 vliegtuigbewegingen niet-mainportgebonden verkeer extra capaciteit moet worden gecreëerd op in eerste instantie de luchthavens van Lelystad en Eindhoven. Het tempo waarin dit gebeurt moet passen bij de marktontwikkeling.

  • Het Aldersadvies Eindhoven (TK 2010–2011, 31 936, nr. 45).

  • Convenant hinderbeperking.

  • Convenant behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol.

  • De beleidsbrief Infrastructuur en Milieu 2011.

  • De nota Mobiliteit en Ruimte.

Voor Regelgeving Regionale en Kleine Luchthavens:

  • De wet RBML die op 1 november 2009 in werking is getreden. Hiermee is de besluitvorming met betrekking tot de luchthavens van regionale betekenis gedecentraliseerd naar de provincies. Het Rijk blijft vooralsnog verantwoordelijk voor de luchthavens van nationale betekenis.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Ontwikkeling luchthavens

  • De voorbereiding van een luchthavenbesluit voor Eindhoven voor 25 000 extra vliegtuigbewegingen conform het Aldersadvies.

  • De uitvoering van de afspraken in de intentieovereenkomst bij het Aldersadvies inzake de landzijdige bereikbaarheid en de deels te verplaatsen militaire reservefunctie wordt ter hand genomen.

  • Omdat Lelystad een belangrijke strategische reserve voor Schiphol vormt, zal het Rijk bezien of de problematiek in het luchtruim kan worden opgelost zonder nadelige effecten op de capaciteit van Schiphol. Dit vraagstuk is onderdeel van een nieuw luchtruimontwerp, dat het Rijk eind 2011 («luchtruimvisie») zal opleveren. Daarna brengt de heer Alders zijn definitieve advies over Lelystad uit.

  • Experimenten voor hinderbeperkende maatregelen worden gecontinueerd, experimenten in het kader van de invoering van CDA’s (glijvluchten) worden opgestart en door de Stichting voor de leefomgeving wordt er gewerkt aan het oplossen van de zogeheten «schrijnende gevallen» en worden nadere afspraken gemaakt voor de financiering van gebiedsgerichte projecten. De eerste vierjaarlijkse evaluatie van de afspraken vindt plaats.

  • Het nieuwe normen- en handhavingsstelsel voor Schiphol wordt voor het tweede jaar in een experiment beproefd en eind 2012 geëvalueerd, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de bescherming voor de omgeving, operationele uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en begrijpelijkheid. Begin 2013 wordt besloten of het vigerende normen- en handhavingsstelsel door het nieuwe stelsel wordt vervangen.

  • In een rijksprogramma voor de Schipholregio wordt met inbreng van de luchtvaartsectoren en de regionale partijen gewerkt aan een verkenning voor de Schipholregio. Dit moet leiden tot prioritering van ruimteclaims rond Schiphol, het stimuleren van Schipholafhankelijke prioriteiten en het gericht verbeteren van de landzijdige bereikbaarheid van Schiphol per weg en spoor. Deze prioriteiten zijn betrokken in de actualisatie Nota Mobiliteit en Nota Ruimte en zullen worden betrokken in het doortrekken van het Infrastructuurfonds 2021–2028.

Regelgeving Regionale en Kleine Luchthavens

  • De Aanwijzingsbesluiten van de luchthavens van nationale betekenis worden afgerond op basis van de oude wetgeving. Afhankelijk van de voortgang bij de diverse luchthavens in 2011 betreft dit de luchthavens van Rotterdam, Eelde, Maastricht en Lelystad.

  • Voor de militaire luchthaven Eindhoven worden in uitvoering op het Aldersadvies een luchthavenbesluit (Defensie) en een vergunning burgermedegebruik (Defensie en IenM) opgesteld.

  • Voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol, worden omzettingsregelingen – opgesteld die voldoen aan de vereisten van de nieuwe regelgeving (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML).

  • In aanloop naar de luchthavenbesluiten van Eelde en Maastricht en een eventueel luchthavenbesluit Twente zal worden bezien of het voor de regionaal-economische ontwikkeling beter is om het bevoegd gezag van het Rijk voor deze luchthavens te decentraliseren naar de provincies.

Indicatoren / Kengetallen

Luchthavens en omgeving

Kengetal: Aantal bestemmingen waarnaar wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

Waarde 2005

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Amsterdam

243

251

260

245

253

264

Frankfurt

279

283

287

293

282

288

London Heathrow

182

187

181

176

172

165

Parijs Charles de Gaulle

236

247

261

275

273

268

Brussel

133

131

159

194

184

186

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat, januari 2011

Kengetal: Aantal vliegbewegingen per luchthaven (x 1 000)
 

Waarde 2005

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Amsterdam

405

423

436

428

391

386

Frankfurt

482

482

485

480

458

458

London Heathrow

472

471

476

473

460

449

Parijs Charles de Gaulle

514

533

544

551

518

492

Brussel

231

232

241

236

212

205

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2011

Kengetal: Aantal passagiers in miljoenen per luchthaven
 

Waarde 2005

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Amsterdam

44

46

48

47

44

45

Frankfurt

52

53

54

53

51

53

London Heathrow

68

67

68

67

66

66

Parijs Charles de Gaulle

54

57

60

61

58

58

Brussel

16

17

18

19

17

17

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2011

Kengetal: Vrachttonnage per luchthaven (x 1 000 ton)
 

Waarde 2005

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Amsterdam

1 450

1 527

1 610

1 568

1 286

1 512

Frankfurt

1 864

2 031

2 074

2 021

1 808

2 199

London Heathrow

1 306

1 306

1 314

1 401

1 278

1 473

Parijs Charles de Gaulle

1 767

1 884

2 053

2 039

1 819

2 177

Brussel

700

706

762

659

449

476

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2011

In lijn met de Luchtvaartnota wordt ingezet op het optimaliseren van de netwerkkwaliteit in combinatie met een concurrerende en duurzame luchtvaart. De strategie van de rijksoverheid is gericht op het daartoe creëren van optimale randvoorwaarden. Voor de mainportpositie van Schiphol zijn de netwerkkwaliteit en de infrastructurele voorzieningen essentieel. De netwerkkwaliteit wordt mede bepaald door overheidstarieven en -maatregelen, maar is voor een groot deel niet direct beïnvloedbaar door het Rijk. Bovenstaande kengetallen geven de netwerkkwaliteit van Schiphol weer in vergelijking met andere grote Noordwest Europese luchthavens. Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal bestemmingen waarnaar gevolgen wordt. Het aantal bestemmingen geeft wel een goed beeld van de kwaliteit van het netwerk.

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd 2010

Streefwaarde 2020

 

390 000

386 000

510 000

Gerealiseerd aantal vliegtuigbewegingen tov plafond 510 000

76%

76%

100%

Bron: Wet Luchtvaart en luchthavenverkeersbesluit Schiphol en Amsterdam Airport Schiphol, januari 2011

Voor de luchthaven Schiphol is tot 2020 een plafond aan het aantal vliegtuigbewegingen aan de orde. Met het oog op netwerkkwaliteit moet binnen dit plafond ruimte blijven voor de ontwikkeling van mainport gebonden verkeer. In het convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol» is tussen Schiphol en het Rijk overeen gekomen dat op het moment dat 95% van het plafond van 510 000 vliegtuigbewegingen op Schiphol gerealiseerd wordt de afspraken uit het convenant in werking treden. Het Rijk is hierbij verantwoordelijk voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. De marktontwikkeling op Schiphol wordt daarom nauwlettend gevolgd.

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad
 

Basiswaarde 2009

Streefwaarde 2011

Streefwaarde 2015

Streefwaarde 2020

Luchthavencapaciteit Eindhoven

18 050

23 000

28 000

43 000

Luchthavencapaciteit Lelystad

0

0

5 000

35 000 – 45 000

Bron: Wet Luchtvaart en luchthavenverkeersbesluit Schiphol

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70 000 extra vliegtuigbewegingen per jaar) vindt plaats in een tempo en uitvoering waarmee de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt doordat Schiphol hiermee meer ruimte krijgt voor écht mainportverkeer, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol».

Op basis van het Aldersadvies Eindhoven heeft het kabinet in 2010 besloten tot uitvoering van de afspraken over het accommoderen en in een luchthavenbesluit vastleggen van 25 000 extra vliegtuigbewegingen waarmee het totaal in 2020 uitkomt op ca. 43 000 vliegbewegingen.

De feitelijke toevoeging van capaciteit vindt plaats op het moment dat deze is vastgelegd in het luchthavenbesluit. De procedure start in 2011 en zal naar verwachting in 2012 worden afgerond.

Voor de ontwikkeling van Lelystad is aan de heer Alders gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken voor een scenario van de ontwikkeling van totaal 35 000 – 45 000 vliegtuigbewegingen. De uitkomsten worden in 2012 verwacht.

Regelgeving regionale en kleine luchthavens

Stand van zaken aanwijzingen en beroepsprocedures regionale en kleine luchthavens (huidige wetgeving)

Veld

Stand van zaken/planning aanwijzing gereed

Beslissing Op Bezwaar

Beroep/RvS

Lelystad

2009

nvt

2011

Budel

Gereed

nvt

 

Ameland

Gereed

nvt

 

Hoogeveen

Gereed

nvt

 

Texel

Gereed

nvt

 

Terlet

Gereed

nvt

 

Seppe

Gereed

nvt

 

Noord-Oost polder

Gesloten

nvt

 

Teuge

Gereed

2009

2011

Maastricht

Gereed

2011

evt

Midden-Zeeland

Gereed

nvt

 

Eelde

Gereed

2010

2011

Rotterdam

2010

nvt

2011

Hilversum

Gereed

nvt

 

Drachten

Gereed

nvt

 

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, januari 2011

RvS = uitspraak Raad van State

Nvt = niet van toepassing; procedure is afgerond

Evt = mogelijk van toepassing; er is nog steeds mogelijkheid van beroep

Deze indicator geeft een beeld van de mate waarin alle zaken die nog lopen onder de Luchtvaartwet (aanwijzingen en beroepsprocedures) zijn afgerond. Onder het oude wettelijke regime was IenM het bevoegd gezag voor alle burgerluchthavens. Pas na de afronding van de omzettingsregelingen op basis van de RBML kunnen de taken en verantwoordelijkheden van het Rijk voor de luchthavens van regionale betekenis worden overgedragen aan de provincies. Het streven is dit in 2012 af te ronden. De verantwoordelijkheid voor de luchthavens van nationale betekenis blijft vooralsnog bij het Rijk liggen. In aanloop naar de luchthavenbesluiten van Eelde en Maastricht en een eventueel luchthavenbesluit Twente zal worden bezien of het voor de regionaal-economische ontwikkeling beter is om het bevoegd gezag van het Rijk voor deze luchthavens te decentraliseren naar de provincies.

Indicator: Stand van zaken omzettingsregelingen en luchthavenbesluiten

Veld

Gereed

 

Luchthavenbesluit

Omzettingsbesluit

Midden-Zeeland

 

2011

Hoogeveen

 

2010

Teuge

 

2010

Seppe

 

2011

Budel

 

2011

Drachten

 

2010

Ameland

 

2011

Stadskanaal

 

2012

Terlet

 

2011

Hilversum

 

2011

Texel

 

2011

Maastricht

voor 2015

 

Lelystad

voor 2015

 

Rotterdam

voor 2015

 

Groningen-Eelde

voor 2015

 

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, januari 2011

Het bevoegd gezag over de luchthavens, die geen functie hebben voor groot handelsverkeer en internationale bereikbaarheid en daarmee een beperkt nationaal belang dienen, is met de wet RBML gedecentraliseerd naar de provincies, omdat die beter in staat zijn om op regionaal niveau de kosten en baten van deze luchthavens af te wegen. Dit zijn de zogenaamde luchthavens van regionale betekenis. De wet RBML is op 1 november 2009 in werking getreden. Voor de burgerluchthavens van regionale betekenis moet het Rijk omzettingsregelingen vaststellen. Het eerste luchthavenbesluit onder de RBML voor de luchthavens van nationale betekenis moet uiterlijk op 1 november 2014 zijn vastgesteld.

35.02 Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Mainport Rotterdam en de overige zeehavens als vervoersknooppunt en vestigingsplaats voor bedrijven

Operationele doelstelling

Motivering

Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats laten blijven en de in Nederland gevestigde bedrijven een gunstige internationale concurrentiepositie geven.

Verbetering marktwerking

Instrumenten

  • Overleggen met de Europese Commissie.

  • Vooroverleg met de havens en de sector.

  • Samenwerking voor de visievorming met het ministerie van EL&I en de havensector in de zeehavenalliantie.

  • Inbreng in de Nationale Havenraad, waarin het overleg met overheden en bedrijfsleven concreet vorm krijgt.

Instandhouden en verbeteren infracapaciteit

  • Overleg met Vlaanderen ten aanzien van kanaalzone Gent-Terneuzen.

  • Bestuurlijk overleg met de haven van Amsterdam en de provincie Noord-Holland.

  • De middelen voor de uitvoering van deze activiteiten worden grotendeels begroot op het Infrastructuur artikel 15.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Verbetering marktwerking

  • Het ministerie is betrokken bij initiatieven gericht op het stroomlijnen van het logistieke proces in de zeehavens (bijvoorbeeld programma «Slim Geregeld Goed Verbonden») en het terugdringen van de toezichtlast (bijvoorbeeld programma «Vernieuwing Toezicht») met het oog op een level playing field tussen de Europese zeehavens.

  • Er wordt gestreefd om een goede marktwerking, een Europees level playing field en een goed vestigingsklimaat te waarborgen door te participeren in overleg met en beïnvloeden van de Europese Commissie over de herziening van de richtsnoeren staatssteun zeehavens en concessieverlening in zeehavens.

  • Een beleidslijn wordtontwikkeld op basis van resultaten van de drie onderzoeken verricht in opdracht van de Alliantie Zeehavens (waarbinnen de vier grootste havenbeheerders in Nederland samen met de ministeries van IenM en EL&I samenwerken aan gezamenlijke lange termijn visieontwikkeling). De onderzoeken betreffen: goederenvervoerstromen 2 040, ruimte en infrastructuur en samenwerking en marktfocus.

  • Deelnemen aan de plenaire vergaderingen van de Nationale Havenraad, waarin het overleg met overheden en bedrijfsleven concreet vorm krijgt.

  • Uitvoeren van de jaarlijkse Havenmonitor.

Instandhouden en verbeteren infracapaciteit

  • De zeetoegangen en de achterlandverbindingen worden beheerd en onderhouden.

  • De uitvoering verdieping Eemsgeul is gestart in 2012.

  • Naar verwachting afronden van de 1e fase van de planstudie Zeetoegang IJmond met een technisch en financieel haalbaar voorkeursbesluit begin 2012 en nader onderzoek ter voorbereiding van een realisatiebesluit naar verwachting eind 2012.

  • Uitvoeren van de planstudie maritieme toegankelijkheid Kanaalzone Gent Terneuzen indien in 2011 een positief planstudiebesluit genomen wordt.

Kengetallen

Voor de verschillende kengetallen geldt dat de inzet van de rijksoverheid op het nationaal zeehavenbeleid slechts één van de beïnvloedende factoren is.

In de Havenmonitor 2009 zijn op basis van recente inzichten een aantal nieuwe bedrijven toegevoegd. Ook zijn er een aantal correcties gepleegd op onjuistheden uit eerdere jaren. Hierdoor zijn de cijfers voor het aantal werkzame personen licht gewijzigd ten opzichte van eerdere publicaties.

Verbetering marktwerking, formuleren maatschappelijke randvoorwaarden

Kengetal: Ontwikkeling toegevoegde waarde Nederlandse zeehavens van 2003 tot en met 2009 (in mrd. Euro, lopende prijzen)
 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Directe toegevoegde waarde zeehavengebieden

18,1

19,8

22,4

23,0

24,8

26,5

20,5

In % van het BBP

3,8%

4,0%

4,4%

4,3%

4,3%

4,4%

3,6%

Indirecte toegevoede waarde

9,6

9,8

10,6

11,7

13,0

13,8

11,9

In % van het BBP

2,0%

2,0%

2,1%

2,2%

2,3%

2,3%

2,1%

Totale zeehavengerelateerde toegevoegde waarde

27,7

29,5

32,9

34,7

37,8

40,3

32,4

In % van het BBP

5,8%

6,0%

6,4%

6,4%

6,6%

6,8%

5,7%

Bruto binnenlands product (BBP)

476,9

491,2

513,4

540,2

571,8

596,2

572,0

Bron: Erasmus universiteit Rotterdam (RHV BV), Economische betekenis van de Nederlandse zeehavens 2009, Rotterdam, mei 2011

De toegevoegde waarde voor de sectoren dienstverlening aan het vervoer, opslag en overslag is op een andere wijze berekend. Het resultaat is een lagere inschatting van de toegevoegde waarde voor deze sectoren, die meer in lijn is met de publicatie van het CBS over deze bedrijfstakken. Verder zijn als gevolg van de overgang van SBI 93 naar SBI 08 (SBI codes worden door CBS gebruikt voor indeling bedrijven naar sectoren) ook een aantal bedrijven in havens in een andere categorie ingedeeld. Hierdoor zijn de reeds eerder gepubliceerde cijfers gewijzigd.

De verbetering van de marktwerking wordt gemeten door de ontwikkeling van de toegevoegde waarde en werkgelegenheid van de Nederlandse zeehavens.

Dit kengetal geeft informatie over de ontwikkeling van de toegevoegde waarde van Nederlandse zeehavens in de periode 2003–2009.

Om de versterking van het netwerk van de Mainport Rotterdam en de overige zeehavens te monitoren wordt de toegevoegde waarde samenhangend met het haven- en industrieel complex gemeten. Nadat er over de periode 2003–2008 een constante stijging heeft plaatsgevonden, is het aandeel dat zeehavens van de Nederlandse economie uitmaken in 2009 fors afgenomen. Met name de sectoren transport, Petrochemische industrie en aardolie industrie bleken tijdens de crisis extra te worden beïnvloed door de conjunctuur.

Kengetal: Ontwikkeling werkgelegenheid Nederlandse zeehavengebieden van 2003 tot en met 2009 (in aantallen werkzame personen)
 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Directe werkgelegenheid zeehavengebieden

161 945

157 707

160 456

163 560

168 163

170 704

163 387

In % van totale Nederlandse werkgelegenheid

2,0%

1,9%

1,9%

1,9%

2,0%

2,0%

1,9%

Indirecte werkgelegenheid

103 743

103 466

105 582

111 550

121 571

117 314

108 617

In % van totale Nederlandse werkgelegenheid

1,3%

1,3%

1,3%

1,3%

1,4%

1,3%

1,3%

Totale zeehavengerelateerde werkgelegenheid

265 688

261 173

266 038

275 109

289 754

288 018

272 003

In % van totale Nederlandse werkgelegenheid

3,2%

3,2%

3,2%

3,3%

3,4%

3,3%

3,2%

Totale Nederlandse werkgelegenheid

8 283 000

8 211 000

8 252 000

8 392 000

8 606 000

8 731 000

8 630 000

Bron: Erasmus universiteit Rotterdam (RHV BV), Economische betekenis van de Nederlandse Zeehavens 2009, Rotterdam, mei 2011

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de Nederlandse zeehavengebieden, uitgedrukt in aantallen werkzame personen in de periode 2003–2009. De ontwikkeling van de werkgelegenheid in de Nederlandse zeehavens is van vele factoren afhankelijk.

De werkgelegenheid in de Nederlandse zeehavens over de periode 2003–2009 laat in absolute aantallen zien dat een neerwaartse trend is gekeerd. Als percentage van de Nederlandse werkgelegenheid is ze stabiel. Ook in het crisisjaar 2009 is de werkgelegenheid in de zeehavens redelijk op peil gebleven.

Kengetal: Private investeringen in Nederlandse zeehavens
 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

Nederlandse zeehavens

2 096 000

2 285 968

2 203 792

2 967 344

3 025 369

4 233 867

Nederland totaal

x

x

6 609 163

8 562 016

9 277 817

13 104 903

Percentage

   

33%

35%

33%

32%

Bron: Erasmus universiteit Rotterdam (RHV BV), Economische betekenis van de Nederlandse Zeehavens 2009, Rotterdam, mei 2011

(x = niet beschikbaar)

Deze tabel met kengetallen geeft informatie over de ontwikkeling van de private investeringen in de Nederlandse zeehavengebieden, uitgedrukt in absolute bedragen en in verhouding tot de totale private investeringen in de periode 2003–2008. De ontwikkeling van de private investeringen in de Nederlandse zeehavens is van vele factoren afhankelijk.

Een aanzienlijk deel van de private investeringen in Nederland (ongeveer 1/3 van het totaal) vindt plaats in de Nederlandse zeehavens.

Kengetal: Ontwikkeling in zeehavengerelateerde bedrijfsvestigingen 2003–2009
 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Totaal aantal bedrijfsvestigingen

3 141

3 126

3 102

3 120

3 133

3 127

3 069

Bron: Erasmus universiteit Rotterdam (RHV BV), Economische betekenis van de Nederlandse Zeehavens 2009, Rotterdam, mei 2011

Deze tabel met kengetallen geeft informatie over de ontwikkeling van het aantal bedrijfsvestigingen in de Nederlandse zeehavengebieden in de periode 2003–2009. De ontwikkeling van het aantal bedrijfsvestigingen in de Nederlandse zeehavens is van vele factoren afhankelijk.

Nadat het aantal bedrijfsvestigingen in de Nederlandse zeehavens in de periode 2003–2008 betrekkelijk stabiel is gebleven, waren er in 2009 2% minder bedrijven dan in 2008.

Instandhouden en verbeteren infracapaciteit

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Totaal Nederlandse Zeehavens

45,5

45,9

44,4

44,9

44,9

44,2

44,5

45,0

46,9

47,8

Mainport Rotterdam

35,0

35,6

34,5

34,6

34,9

33,8

34,2

34,4

36,0

37,0

Overige Nederlandse Zeehavens

10,5

10,3

9,9

10,3

10,0

10,4

10,4

10,6

10,9

10,8

Bron: Nationale Havenraad, www.Havenraad.nl, maart 2011

Deze tabel met kengetallen geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde Hamburg-Le Havre range). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

Na een jarenlange stabilisatie van het marktaandeel is het marktaandeel in 2009 en 2010 aanzienlijk toegenomen. Met name de Mainport Rotterdam blijkt het relatief beter te doen dan de voornaamste concurrenten.

Extracomptabele verwijzingen

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds (IF)

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € 1 mln.)

Art. Omschrijving

2011

2012

2013

2014

2015

2016

IF 16.01.02 PMR realisatie

464

438

51

19

5

4

35.03 Aansluiting op het internationale luchtvaartnet versterken

Operationele doelstelling

Motivering

Het zeker stellen van de internationale bereikbaarheid van Nederland door de lucht.

Kennis luchtruim en ATM (Air Traffic Management)

Instrumenten

  • Een bijdrage van € 0,9 mln ter ondersteuning van het Knowledge Development Center (KDC, een samenwerkingsverband van LVNL, Air France-KLM en Schiphol Group).

Luchtruim

  • Het verdrag inzake de Functional Airspace Block Europe Central FABEC.

  • Single European Sky (SES).

  • EU-brede prestatiesturingssysteem en de heffingenverordening.

  • Nationale en internationale kaders voor het gebruik van het luchtruim.

  • De met de LVNL gemaakte afspraken inzake het LVNL terminal tarief 2009.

  • De operationele civiel-militaire samenwerking in het Nederlandse luchtruim.

  • Samenwerking met het ministerie van Defensie en LVNL, ook buiten de operationele sfeer (beleidsmatig, toezicht, bestuurlijk).

  • Het Aldersakkoord en het onderliggend convenant hinderbeperkende maatregelen.

Marktordening en markttoegang

  • EU regelgeving (luchthaventarieven, grondafhandeling en slots), waaronder EU-mandaatverlening.

  • Bilaterale luchtvaartrelaties, waaronder bilaterale onderhandelingen over o.a. landingsrechten.

  • Vergunningenverlening.

  • Afspraken tussen Staat en Air France-KLM.

  • Beleidskader Vracht en Logistiek.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Kennis luchtruim en ATM (Air Traffic Management)

  • Het stimuleren van de ontwikkeling van logistieke innovatie in het luchtruim én Air Traffic Management; en het daarbij onderkennen van een verantwoordelijkheid ten aanzien van het luchtvaartbedrijfsleven en daarin werkzame instellingen.

Luchtruim

  • De FABEC gaat in de loop van 2012 functioneren, mits het verdrag inzake de Functional Airspace Block Europe Central FABEC wordt geratificeerd.

  • Het Europa-brede prestatie-sturingssysteem treedt in werking; ten aanzien van capaciteit en milieu zal dat plaats hebben op FABEC-niveau; vanwege het ontbreken van een Single Unit Rate binnen het FABEC luchtruim zal prestatiesturing ten aanzien van kostenefficiëntie op het niveau van de individuele lidstaten plaats hebben.

  • Een bijdrage leveren aan de door te voeren maatregelen ter wijziging van het route netwerk systeem.

  • Het Nederlandse en route tarief in reële termen (prijspeil 2009) zal dalen ingevolge het EU-brede prestatiesturingssysteem en de nieuwe heffingenverordening. De LVNL heeft voorgesteld haar tarieven voor terminal met voor en route met 2% en 1% te verlagen ten opzichte van 2011.

  • De operationele civiel-militaire samenwerking in het Nederlandse luchtruim blijft intensief door het flexibel gebruik van het luchtruim: de gezamenlijke Airspace Flow Management Unit (AFMU) draagt bij aan minder omvliegen en daarmee minder vertragingen, kosten en CO2 uitstoot.

Marktordening en markttoegang

  • Een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van externe EU beleid.

  • Onderhouden bilaterale luchtvaartrelaties, waaronder bilaterale onderhandelingen over o.a. landingsrechten.

  • Verlenen vergunningen, waaronder goedkeuring chartervluchten, routevergunningen voor geregeld vervoer.

  • Het herzien van EU regelgeving (luchthaventarieven, grondafhandeling en slots).

  • De resterende afspraken tussen Staat en Air France-KLM worden nagekomen.

  • Het netwerk vanaf Schiphol, het vrachtnetwerk en de logistieke functie worden verder versterkt.

  • De positie van de consument en de informatievoorziening is versterkt.

  • Er is toezicht gehouden op een concurrerend kostenniveau.

Indicatoren / Kengetallen

Luchtruim

Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management (in minuten)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

2,8

2,44

2,08

1,72

1,4

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Gerealiseerd

3,1

1,8

1,2

1,2

1,3

1,4

1,6

1,9

1,2

0,9

Bron: Eurocontrol, Performance Review Report 2010 (www.eurocontrol.int/prc/public/standard_page/doc_prr.html) en LVNL 2011

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim. Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning en human resource management. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

Indicator: Stand van zaken experimenten

Omschrijving experiment

Start

Besluit obv evaluatie

Bochtstraal Hoofddorp/Nieuw Vennep

2010

2011

Uitbreiden CDA's

eind 2012

 

Alternatief M17

eind 2011

 

Nieuw normen en handhavingsstelsel

2010

begin 2013

Overige routemaatregelen

vanaf eind 2011

 

Bron: voor start Staatscourant en voor besluiten brieven aan de Tweede Kamer

De geplande experimenten komen voort uit de Aldersafspraken middellange termijn. IenM is verantwoordelijk voor de formele procedure (Artikel 8.23a Wet Luchtvaart). Voorwaarde hierbij is dat de CROS bij advies heeft aangegeven dat het experiment een gunstig effect kan hebben op de hinderbeleving. Belangrijke ijkpunten zijn de start van het experiment nadat de regeling gepubliceerd is en na de evaluatie het besluit over het al dan niet definitief uitvoeren van het experiment.

Ten aanzien van de CDA’s is aan de Alderstafel afgesproken om in de loop van 2012 te starten met het vliegen van nieuwe routes. Ten aanzien van maatregel 17, die voorziet in het verlengen van de nachtprocedure tot 06.30 in de ochtend, is afgesproken deze te continueren, zolang het verkeersvolume dit toelaat. Een alternatief hiervoor is vooralsnog nog niet aan de orde. Ten aanzien van het nieuwe normen en handhavingsstelsel is geen formeel experiment gestart cf 8.23a. Een formeel experiment is aan de orde op het moment dat der grenswaarden in handhavingspunten moeten worden aangepast. Wel is afgesproken het experiment na het eerste jaar (eind 2011/begin 2012) en na het tweede jaar (eind 2012/begin 2013) te evalueren. Op basis van de eindevaluatie wordt besloten het nieuwe stelsel al dan niet in te voeren en de wetgeving hiervoor aan te passen.

Marktordening en markttoegang

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Streefwaarde 2012

London Heathrow (LHR)

1

   

Parijs (CDG)

2

   

Frankfurt (FRA)

3

   

Gatwick

6

   

Schiphol

5

< LHR, FRA, CDG

< LHR, FRA, CDG

Zürich

4

   

München

7

   

Brussel

8

   

Madrid

9

   

Bron: SEO, oktober 2010

Het streven is om de huidige positie van Schiphol onder die van Londen Heathrow, Frankfurt en Parijs Charles de Gaulle te houden.

Extracomptabele verwijzingen

Meerjarenraming van belastinguitgaven (x € 1 miljoen), budgettair belang op transactiebasis
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Vrijstelling luchtvaartuigen

917

964

984

1 004

1 029

1 051

1 075

35.04 Logistieke efficiëntie goederenvervoer verbeteren

Operationele doelstelling

Motivering

De ontwikkeling en concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven en de mainports bevorderen en zo bijdragen aan de concurrentiepositie van Nederland als geheel door efficiënte en duurzame afwikkeling van het goederenvervoer.

Vergroting strategische en internationale oriëntatie

Instrumenten

  • Samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven.

    Ondersteuning aan het innovatieprogramma logistiek en supply chains.

  • Interdepartementale en internationale overleggen.

  • Topsector Logistiek zoals aangekondigd in het Regeerakkoord (Bedrijfslevenbrief).

  • Bilaterale relaties (inclusief de organisatie van werkbezoeken en -economische-missies) met andere landen en internationale organisaties.

Logistieke efficiëntie zee- en kustvaart

  • EU-beleid zoals EU maritieme strategie, integraal maritiem beleid en witboek over de toekomst van het vervoer.

  • Subsidiëring van de Stichting Nederland Maritiem Land (NML) met € 0,5 miljoen.

  • Ondersteuning van kennismakingsstages aan boord van koopvaardij- en baggerschepen (€ 0,3 miljoen).

  • Het ILO Maritiem Arbeidsverdrag (MLC 2006).

  • Het «Rotterdam Rules»-Verdrag van de Verenigde Naties inzake de overeenkomsten voor het internationaal vervoer van goederen geheel of gedeeltelijk over zee.

  • Het Nairobi Internationaal Verdrag inzake het opruimen van wrakken.

  • Het 2002 Verdrag van Athene inzake zeevervoer van passagiers en hun bagage.

  • De pilot verhogen efficiency bemanningen (uitkomst van het project Shore support).

Logistieke efficiëntie binnenvaart

  • Het rapport van de binnenvaartambassadeur.

  • Het Transitiecomité Binnenvaart.

  • Samenwerking met marktpartijen.

  • Scholing.

  • Impactanalyses in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR).

Logistieke efficiëntie wegvervoer

  • Betere regelgeving, gelijke implementatie van wetgeving in de lidstaten en de harmonisatie van uitvoering en handhaving daarvan.

  • De inzet van en samenwerking met decentrale overheden en bedrijven.

  • Connekt (SD TEAM).

  • Derde EU Rijbewijsrichtlijn.

  • Adviezen Commissie Noordzij.

  • Subsidiëring van de imagocampagne logistiek in het kader van het dieselakkoord 2008.

Logistieke efficiëntie spoorvervoer

  • Subsidie van € 0,185 mln. aan Railcargo.

  • Deelname aan werkgroepen van het spoorwegagentschap.

  • Bijdrage van ca. € 2,1 mln. ten behoeve van de Complete Lijn Uitschakeling en de inzet van de 25kV Spanningtester (CLU+) op Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met betrokken Veiligheidsregio’s.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Vergroting strategische en internationale oriëntatie

  • Logistieke initiatieven en Nederland Distributieland zijn ondersteund

  • Mainports en relevante economische sectoren in het buitenland zijn sterker gepositioneerd en geprofileerd.

  • Een gemeenschappelijk beleidskader en strategische kennis en innovatieagenda voor de mainports, logistiek, knooppunten en de achterlandverbindingen zijn ontwikkeld op basis van gericht onderzoek.

  • Er is uitvoering gegeven aan het vormen van de Topsector Logistiek.

  • Het innovatieprogramma logistiek en supply chains is ondersteund.

  • In EU trajecten zoals het witboek transport en de herziening van de trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-T) worden Nederlandse standpunten ingebracht en besluitvoering beïnvloed.

  • Bilaterale relaties zijn onderhouden met andere landen en internationale organsaties door o.a. de organisatie van werkbezoeken en -economische- missies.

Logistieke efficiëntie zee- en kustvaart

  • Bijdragen aan de herziening en ontwikkeling van EU beleid (zoals EU maritieme strategie, de veiligheid van passagiersschepen en een nieuw witboek over de toekomst van het vervoer).

  • De aanwas in het maritieme onderwijs is bevorderd.

  • Bestaande wetgeving voor de zeevaart als gevolg van wijzigingen in marktomstandigheden en internationale regels en ter reductie van administratieve lasten, zoals het HNS Protocol (Hazardous and Noxious Substances) is aangepast, daarnaast worden voorstellen ingediend voor goedkeuring en invoering.

  • Ratificatie van het ILO Maritiem Arbeidsverdrag (MLC 2006) heeft plaatsgevonden. Voorstellen zijn bij de Tweede Kamer ingediend ter goedkeuring en invoering van (1) het VN- «Rotterdam Rules» – Verdrag inzake de overeenkomsten voor internationaal vervoer over zee; (2) het Nairobi Internationaal Verdrag inzake het opruimen van wrakken; en (3) het 2002 Verdrag van Athene inzake zeevervoer van passagiers en hun bagage.

  • Implementatie van de EU Richtlijn Meldingsformaliteiten (maritieme «Single Window») in nationale wet- en regelgeving.

Logistieke efficiëntie binnenvaart

  • Initiatieven zijn ontwikkeld voor verbetering van de afhandelingscondities voor containers in de Rotterdamse haven.

  • Een Masterplan Achterlandlogistiek is tot stand gebracht in relatie tot de uitwerking van de Topsector Logistiek.

  • De professionaliteit in de sector wordt versterkt door scholing.

  • Administratieve lasten en onnodige regeldruk voor het bedrijfsleven worden zoveel mogelijk beperkt.

  • Het Transitiecomité Binnenvaart wordt gefaciliteerd met als doel de komende jaren de binnenvaart een grote rol te laten spelen bij het opvangen van de verwachte groei van het goederenvervoer vanuit de mainport Rotterdam. Basis hiervoor is het rapport van de Binnenvaartambassadeur.

Logistieke efficiëntie wegvervoer

  • De administratieve lasten zijn gereduceerd ter verbetering van de randvoorwaarden voor efficiënte logistieke ketens.

  • Het vrije verkeer van goederen en het internationale level playing field wordt verbeterd en bewaakt. Hierbij gaat het o.a. om implementatie van herziene regels voor toegang tot het beroep en de markt (o.a. cabotage) en streven naar internationale inzet voor LZV’s (Langere, Zwaardere Vrachtwagens).

  • De Derde EU Rijbewijsrichtlijn51 is uitgewerkt en geïmplementeerd; de richtlijn zorgt voor wijzigingen in het aantal rijbewijscategorieën, de toegang tot rijbewijsexamens en de eisen daaraan.

  • Nadat de conclusies over LZV-proeven positief zijn gebleken, blijft monitoring plaatsvinden t.a.v. ontwikkelingen verkeersveiligheid en mogelijke modal shift. Er wordt gewerkt aan verankering in nationale regelgeving.

  • De eis van een periodieke nascholing vakbekwaamheid beroepschauffeurs wordt ingevoerd.

  • De actieplannen in het kader van de adviezen van de Commissie Noordzij worden uitgevoerd.

  • Met een subsidie aan stichting VERN wordt getracht het imago van de logistieke sector te verbeteren met oog op verwachte personeelstekorten komende jaren, m.n. chauffeurs en logistieke medewerkers.

Logistieke efficiëntie spoorvervoer

  • Doorgaande internationale treinpaden worden aangeboden aan de goederenvervoerders.

  • Technische standaarden worden geharmoniseerd en het aantal nationale verschillen wordt verminderd.

  • De geharmoniseerde standaarden (TSI’s, Technische Specificaties voor de Interoperabiliteit) in nationale regelgeving worden geïmplementeerd.

  • Er is bijgedragen aan nieuwe EU-regelgeving door actief deel te nemen aan werkgroepen van het spoorwegagentschap.

  • Internationale spoorcorridors worden verder geoptimaliseerd, doordat de inframanagers per corridor samenwerken en de kwaliteit van de spoorinfrastructuur verbeteren.

  • In 2012 wordt verder gewerkt aan het onderzoeken en/of uitwerken van het vervolg van de exploitatie van de Betuweroute, die per september 2013 afloopt.

  • De ERTMS van de Betuweroute wordt naar versie 2.3.0d opgewaardeerd, die interoperabel is met het Europese net en de toekomstige ERTMS-locomotieven.

  • Het gebruik van goederenvervoer wordt bevorderd en het imago van de spoorsector wordt verbeterd.

Indicatoren / Kengetallen

Vergroting strategische en internationale oriëntatie

De meetbare gegevens voor dit product zijn hieronder bij de overige producten weergegeven. Daarnaast voert het CBS in opdracht van IenM een jaarlijkse monitor uit waarbij de omzet-ontwikkelingen van een deel van het logistieke bedrijfsleven in kaart worden gebracht aan de hand van een uitsplitsing van de logistieke waardeketen in een vijf lagen model. Dit kan onder andere worden gebruikt bij het beoordelen van de vorderingen van het innovatieprogramma Logistiek en Supply Chains.

De verwachting is dat deze nieuwe indicator in de begroting 2013 wordt gepresenteerd met als rapportagejaar 2009 (nulmeting).

Logistieke efficiëntie zee- en kustvaart

Kengetal: Directe toegevoegde waarde zeevaart en maritieme cluster (in € 1 miljard)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Zeevaart

1,1

1,1

1,1

1,1

1,2

1,2

1,2

1,2

0,8

Overige maritieme sector/ dienstverlening

3,5

3,2

3,1

3,2

3,3

       

Totaal brede maritieme sector1

4,6

4,3

4,2

4,3

4,5

       

Totaal maritieme cluster2

         

10,3

11,2

11,4

10,6

Bron: cijfers 2001–2005 uit Ecorys, Beleidsmonitor 2008, cijfers 2006–2009 uit PRC Maritieme monitor 2010

1

totaal brede maritieme sector: Zeevaart, Binnenvaart, Laad-, los en overslagactiviteiten, Opslag, Expediteurs, Dienstverlening vervoer water, Nieuwbouw en reparatie van schepen, Natte waterbouw (baggeren etc.), Verhuur van schepen, Groothandel in scheepsbenodigdheden.

2

totaal maritieme sector: Zeevaart, Scheepsbouw, Offshore, Binnenvaart, Waterbouw, Havens, Marine, Visserij, Maritieme dienstverlening, Watersportindustrie en Maritieme toeleveranciers.

De laatst genoemde definitie sluit aan bij de clusteractiviteiten van NML en bij de behoefte aan informatie over een breder spectrum van de onderdelen van de maritieme sector.

Dit kengetal geeft informatie over de ontwikkeling van de toegevoegde waarde zeevaart en maritieme sector in constante prijzen en meet hoe sterk de zeevaart zich ontwikkelt. De inzet van de Rijksoverheid is slechts één van vele beïnvloedende factoren.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag1
 

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Aantallen

                     

Handelsvaart

591

607

619

622

600

570

574

566

640

688

725

Zeesleepvaart

164

176

191

164

168

164

174

212

222

222

249

Waterbouw

150

156

157

156

160

151

148

139

118

121

120

Totaal

905

939

967

942

928

885

896

917

980

1 031

1 094

Bruto tonnage (GT) (x1000)

                     

Handelsvaart

4 393

4 760

4 780

4 755

4 934

4 932

5 031

5 114

5 980

6 313

6 075

Zeesleepvaart

194

205

228

188

186

178

181

243

264

237

310

Waterbouw

466

509

521

535

570

498

509

477

375

441

450

Totaal

5 053

5 474

5 529

5 478

5 690

5 608

5 721

5 834

6 619

6 991

6 835

Bron: Inspectie Verkeer en Waterstaat, februari 2011

1

schepen >100 GT en pontons >1 000 GT

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer1
 

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Aantallen

                     

Handelsvaart

309

411

448

435

418

375

434

462

395

410

433

Zeesleepvaart

246

262

272

301

306

329

284

332

358

406

459

Waterbouw

29

37

33

31

34

37

39

45

52

66

63

Totaal

584

710

753

767

758

741

757

839

805

882

955

Bruto tonnage (GT) (x1000)

                     

Handelsvaart

3 740

5 718

5 656

5 384

5 244

4 692

5 566

6 278

4 542

5 057

5 259

Zeesleepvaart

312

1 071

1 773

1 741

1 786

2 704

2 782

1903

1 423

1 217

1 011

Waterbouw

90

76

86

79

75

99

102

122

184

225

251

Totaal

4 142

6 865

7 515

7 204

7 105

7 495

8 450

8 303

6 149

6 499

6 521

Bron: cijfers tot 2006 Ecorys (dec 2008) en cijfers van 2006–2009 Policy Research Corporation (april 2010), cijfers 2010 IVW (april 2011). Alle op basis van Lloyd’s Register Fairplay.

De cijfers vanaf 2006 zijn berekend op basis van een herijkte methodologie die transparant en eenvoudig te actualiseren is door het meer direct aansluiten bij publiek beschikbare data.

1

schepen >100 GT en pontons >1 000 GT

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei of afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar van meerdere factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Kengetal: Ontwikkeling van werkgelegenheid Nederlandse zeevaartsector (in werkzame personen)
 

1997

2002

2005

2006

2007

2008

2009

Directe werkgelegenheid in Nederland

6 100

6 470

6 140

6 090

6 060

6 070

5 930

– waarvan Nederlandse zeevarenden

4 536

5 179

4 554

4 300

4 230

4 190

4 040

Indirecte werkgelegenheid in Nederland

5 200

5 500

5 470

5 070

5 050

5 420

5 120

Totaal Nederlandse werkgelegenheid

11 300

11 970

11 610

11 160

11 110

11 490

11 050

Totaal zeevarenden op Nederlandse vlagschepen

niet bekend

18 230

20 500

20 500

21 050

21 560

23 620

Bron: PRC Maritieme monitor 2010

Deze tabel over de werkgelegenheid geeft inzicht in de ontwikkeling van het aantal zeevarenden (Nederlandse en buitenlandse nationaliteit) in de Nederlandse zeevaart, plus de directe en indirecte werkgelegenheid in Nederland.

Logistieke efficiëntie binnenvaart

Kengetal: Toegevoegde waarde binnenvaart in lopende prijzen (in € miljard)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Binnenvaart

0,76

0,68

0,73

0,78

0,72

0,78

0,80

0,83

0,72

Bron: cijfers tot 2006 Goederenvervoermonitor Ecorys, december 2008 en cijfers vanaf 2006 De Nederlandse Maritieme Cluster Monitor, oktober 2010

De cijfers zijn vanaf deze Begroting gebaseerd op lopende prijzen.

Dit kengetal geeft informatie over de ontwikkeling van de toegevoegde waarde van de binnenvaart in constante prijzen en meet hoe sterk de binnenvaart zich ontwikkelt. De inzet van de Rijksoverheid is slechts één van vele beïnvloedende factoren. De daling in 2009 is te wijten aan de economische crisis die de binnenvaart hard raakte.

Logistieke efficiëntie wegvervoer

Door de relatief lage prijs van wegtransport en de zwakke positie van de transporteur versus de verlader is de innovatie en samenwerking in het wegvervoer niet groot en is er sprake van een relatief lage beladingsgraad. De sector heeft zelf (via Topsector Logistiek aanpak) een streven opgenomen om de beladingsgraad van 45 naar 65% te verhogen. Deze noodzakelijke vergroting van de efficiency is nodig om in te spelen op infrastructurele schaarste en knelpunten rond fossiele brandstofprijzen, luchtkwaliteit en klimaatverandering op zodanige wijze dat er ook nog geld verdiend wordt. IenM en EL&I beraden zich op de rol die daarin door overheden en bedrijfsleven moet worden gespeeld.

Logistieke efficiëntie spoorvervoer

Indicator: Aantal treinbewegingen per week op A15-tracé van Betuwelijn
 

2009

2010

Streefwaarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Aantal treinbewegingen

220

400

500

600

800

Bron: KeyRail

Deze indicator geeft inzicht in de omvang van het gebruik van dit tracé52. Dankzij de instroom van nieuwe (elektrische) locomotieven kan steeds meer verkeer over de Betuweroute worden afgewikkeld.

Extracomptabele verwijzingen

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds (IF)

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € 1 mln.)

Art. Omschrijving

2011

2012

2013

2014

2015

2016

IF 18.03.01 Intermodaal Vervoer realisatie

9

5

1

0

0

0

Belastinguitgaven

Meerjarenraming van belastinguitgaven (x € 1 mln.), budgettair belang op transactiebasis
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Willekeurige afschrijving zeeschepen

3

4

4

4

4

5

5

Keuzeregime winst uit zeescheepvaart (tonnagebelasting)

81

81

82

84

86

87

89

Afdrachtvermindering zeevaart

105

101

103

104

106

107

109

Vrijstelling cummunitaire wateren

878

861

843

827

813

798

783

Artikel 36 Bewaken, waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving, gegeven de toename van mobiliteit

Algemene doelstelling

Een schoner, zuiniger en stiller verkeer en vervoer realiseren.

Omschrijving van de samenhang van beleid

De kwaliteit van de leefomgeving waarborgen, door de negatieve effecten van mobiliteit op de leefomgeving te minimaliseren. IenM werkt aan normstelling voor lucht- en vaartuigen in nationaal en internationaal verband. IenM stimuleert systeem-vernieuwingen en innovaties om deze normen te realiseren. IenM beïnvloedt het gedrag van vervoerders en gebruikers. IenM lost de knelpunten in de ecologische hoofdstructuur op.

Verantwoordelijkheid

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor:

  • De nationale luchtkwaliteit en geluid voor zover deze samenhangen met rijksinfrastructuur (luchthavens, (water)wegen en spoor) en/of het vervoersysteem.

  • Het realiseren van Europese CO2 doelstellingen, waaraan de sector verkeer en vervoer haar bijdrage levert (artikel 53)

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling is afhankelijk van:

  • De daadwerkelijke vervoersgroei, voortvloeiend uit de economische ontwikkeling; in de Ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (TK 2010–2011, 32 660, nr. 17) zijn hiervoor scenario’s opgenomen.

  • Daadkracht op Europees en mondiaal niveau bij het vaststellen en handhaven en normstellingen (bronbeleid) voor voertuigen, lucht- en vaartuigen en de brandstofkwaliteit (EU, VN/ECE en VN/IMO).

  • Samenwerking met regionale, nationale en internationale partijen (waaronder effectuering van het sectorakkoord Duurzaamheid in Beweging).

  • Bereidheid en inzet van de private en publieke sector ten aanzien van innovatie, gedrag en technologische ontwikkelingen.

Effecten van beleid

Het behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

  • In 2015 alle knelpunten voor luchtkwaliteit langs het hoofdwegennet zijn opgelost met behulp van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit53.

  • In 2020 de meeste geluidsknelpunten gesaneerd zijn. De aanpak van een beperkt aantal saneringen zal doorschuiven tot kort na 2020 om deze te kunnen combineren met regulier beheer en onderhoud of andere projecten.

  • In 2020 de saneringsoperatie die onder de huidige wet geluidhinder valt is afgerond en zijn de woningen die onder deze wet een flinke groei van geluidbelastingen hebben ondervonden gesaneerd.

  • In 2018 alle ontsnipperingsknelpunten in de herijkte ecologische hoofdstructuur (EHS) vanwege doorsnijdingen door de rijksinfrastructuur zijn opgelost.

  • Het huidige niveau van de lokale luchtkwaliteit en het huidige niveau van relatief weinig ernstig gehinderden ten opzichte van andere Europese luchthavens wordt gehandhaafd, dan wel verbeterd.

  • Er verminderde uitstoot is van schadelijke stoffen door investeringen in techniek en terugdringen van het brandstofgebruik; Nederland gaat voldoen aan de Europese en mondiale milieudoelstellingen op het gebied van energie en klimaat.

  • De bijdrage van het vervoer aan de internationale klimaatproblematiek op de lange termijn zal worden gereduceerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

36. Bewaken, waarborgen en verbeteren van kwaliteit leefomgeving

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

66 551

83 303

20 565

12 324

9 554

11 254

8 356

Uitgaven

77 592

62 159

61 098

35 339

44 243

39 894

10 205

36.01

Leefomgeving hoofdwegen

24 237

17 290

21 890

12 607

22 378

14 867

8 013

36.01.01

Algemene strategie- en beleidsvorming

1 528

822

555

552

554

554

553

36.01.02

Investeringsimpuls voor innovatie

5 764

200

0

0

0

0

0

36.01.03

Maatregelen energie en klimaat

11 764

11 409

15 478

5 952

15 073

8 162

1 333

36.01.04

Maatregelen lokale luchtkwaliteit

1 070

1 026

930

928

931

931

929

36.01.05

Maatregelen geluid

169

150

0

0

0

0

0

36.01.06

Duurzaam weggoederenvervoer

3 942

3 683

4 927

5 175

5 820

5 220

5 198

36.02

Leefomgeving spoorwegen

9 195

9 120

9 076

9 076

9 076

9 076

0

36.02.01

Algemene strategie- en beleidsvorming

 

0

0

0

0

0

0

36.02.02

Bevorderen geluidsreducerende oplossingen voor personen- en goederenvervoer per spoor

119

44

0

0

0

0

0

36.02.03

Duurzaam personen- en goederenvervoer per spoor

9 076

9 076

9 076

9 076

9 076

9 076

0

36.03

Luchtvaart

41 529

33 916

29 760

13 303

12 441

15 608

1 854

36.03.01

Doorstorting heffingen GIS-1 aan Stichting GIS

9 878

6 097

0

0

0

0

0

36.03.02

Geluidsisolatie Schiphol fase 2 (GIS-2)

416

208

203

0

0

0

0

36.03.03

Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3)

14 510

14 709

14 470

0

0

10 476

0

36.03.04

Klachtenafhandeling Geluids- isolatie Schiphol

101

659

708

656

663

2 394

1 539

36.03.05

Woonschepen geluidszones Schiphol

11

219

0

0

0

0

0

36.03.06

Behandeling en uitbetaling schadeclaims Schiphol

13 453

10 096

13 264

12 333

11 463

2 422

0

36.03.07

Aankoop LIB geluidsloopzones Schiphol

802

1 327

600

0

0

0

0

36.03.08

Geluidsisolatie regionale luchthavens

567

0

0

0

0

0

0

36.03.09

Behandeling en uitbetaling schadeclaims regionale luchthavens

1

0

0

0

0

0

0

36.03.10

Duurzame luchtvaart

1 790

601

515

314

315

316

315

36.03.11

Groenvoorziening Schiphol

 

0

0

0

0

0

0

36.03.12

Inspectie Verkeer en Waterstaat

 

0

0

0

0

0

0

36.04

Scheepvaart

2 631

1 833

372

353

348

343

338

36.04.01

Duurzame zeevaart

532

641

227

226

228

228

227

36.04.02

Duurzame zeehavens

962

121

71

60

61

61

60

36.04.03

Duurzame binnenvaart

1 137

1 071

74

67

59

54

51

36.04.04

Inspectie Verkeer en Waterstaat

0

0

0

0

0

0

0

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

36. Bewaken, waarborgen en verbeteren van kwaliteit leefomgeving

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Ontvangsten

37 318

43 718

43 524

45 744

45 744

24 643

2 059

36.09.01

Ontvangsten heffingen GIS-1

9 914

6 097

0

0

0

0

0

36.09.02

Ontvangsten GIS klachten- afhandeling GIS-1

0

25 307

30 849

32 697

32 697

11 596

0

36.09.03

Ontvangsten heffingen GIS-2 & 3

16 850

12 039

12 400

12 772

12 772

12 772

1 784

36.09.04

Ontvangsten wensvoorzieningen GIS-2 & 3

216

0

0

0

0

0

0

36.09.05

Ontvangsten heffingen overige Schiphol projecten

10 085

250

250

250

250

250

250

36.09.06

Ontvangsten heffingen regionale luchthavens

197

0

0

0

0

0

0

36.09.07

Overige ontvangsten

56

25

25

25

25

25

25

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

36.01 Leefomgeving hoofdwegen

De uitgaven voor leefomgeving hoofdwegen zijn voor 75 % juridisch verplicht of er zijn afspraken gemaakt over de besteding van de beschikbare middelen. De resterende middelen worden ingezet voor maatregelen lokale luchtkwaliteit, energie en klimaat en maatregelen geluid.

36.03 Luchtvaart

De beleidsmatig verplichte uitgaven voor luchtvaart hebben voornamelijk betrekking op de uitvoering van de isolatieprojecten Schiphol, uitbetaling schadeclaims Schiphol en aankopen in de LIB-geluidssloopzones.

36.04 Scheepvaart

De beleidsmatig verplichte uitgaven hebben voornamelijk betrekking op uitgaven in het kader van klimaatonderzoek en onderzoek naar luchtkwaliteit.

Operationele doelstellingen

36.01 Leefomgeving Hoofdwegen: Uitstoot van schadelijke stoffen en van CO2 verminderen, lokale luchtkwaliteit verbeteren, te hoge geluidsbelastingen door wegvervoer zo veel mogelijk terugdringen en knelpunten door hoofdwegen in de ecologische hoofdstructuur oplossen

Operationele doelstelling

Motivering

De nationale en internationale verplichtingen op het gebied van milieukwaliteit nakomen en op de lange termijn (2030) een transitie naar een duurzaam mobiliteitssysteem realiseren.

Algemene strategie en beleidsvorming

Instrumenten

  • Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO). Het kader van het ontsnipperingsbeleid van IenM voor hoofdwegen in de periode 2006 t/m 2018.

  • BO-MIRT.

Maatregelen energie en klimaat

  • Het programma «De Auto van de Toekomst gaat rijden»54. IenM streeft ernaar om de energie en klimaatdoelstellingen voor verkeer en vervoer te realiseren en een transitie naar duurzame mobiliteit te realiseren naast bronbeleid dat in EU verband (CO2 normering voertuigen) wordt vastgesteld. Dat gebeurt door uitvoering te geven aan dit programma «» en het met private partijen opgestelde Sectorakkoord Duurzaamheid in beweging.

  • Subsidieverlening aan het Instituut voor Duurzame Mobiliteit (IvDM) dat zich richt op verduurzaming van de sector door innovatie en consumentenvoorlichting.

  • Met het programma Truck van de Toekomst55 wordt (vooruitlopend op EU normering) ingezet op het vergroten van de klimaatprestatie van de vrachtvoertuigen.

  • Experimentenregeling Duurzaam Openbaar Busvervoer.

  • Proeftuinen duurzame mobiliteit, een innovatieprogramma waarbij publiek en private partijen samenwerken om innovaties in de verkeer en vervoersector versneld naar de markt te brengen zoals elektrisch en hybride rijden, rijden op biobrandstoffen en op waterstof.

  • Stimuleringsprogramma Duurzame logistiek.

Maatregelen lokale luchtkwaliteit

  • Om overal in Nederland tijdig aan de EU-normen voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) te voldoen is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) ontwikkeld. Hierin staan zowel generieke als locatiespecifieke maatregelen opgenomen. Sinds 2009 is dit programma van kracht. Dit is een gezamenlijk programma van het ministerie van IenM en de decentrale overheden.

Maatregelen geluid

  • Wet geluidhinder. De wijziging van de Wet geluidhinder voor de rijksinfrastructuur door o.a. de introductie van geluidproductieplafonds (SWUNG I) is eind 2009 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 2009–2010 nr. 32 252). Dit wetsvoorstel is niet alleen efficiënter en kosteneffectiever, maar beschermt ook de burger tegen onbeheerste groei van geluidbelasting.

  • De invoeringswet (TK 2010–2011, 32 625, nr. 2) waarin het overgangsrecht naar SWUNG I en de saneringsoperatie rijkswegen en hoofdspoorwegen is geregeld.

  • Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG; MIRT Projectenboek 2012).

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Algemene strategie en beleidsvorming

  • Productoverstijgende beleidsontwikkeling en -ondersteuning op het gebied van leefomgeving hoofdwegen, zoals het uitvoeren van het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO).

  • De BO-MIRT heeft voor de gehele duur van het programma de programmering vastgesteld.

  • Als grote maatregelen komen 8 ecoducten gereed, Gelderland (4), Noord-Holland (1), Overijssel (1), Utrecht (1) en Limburg (1).

Maatregelen energie en klimaat

  • Het bevorderen van duurzaam (rij)gedrag van automobilisten en vrachtwagenchauffeurs door projecten voor energiebesparing in verkeer en vervoer. Dit is het vervolg op het Nieuwe Rijden bij het Instituut voor Duurzame Mobiliteit56.

  • Uitvoering van de Proeftuinen duurzame mobiliteit.

Maatregelen lokale luchtkwaliteit

Bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt gewerkt aan:

  • Het versterken van het internationaal bronbeleid door inzet op verdere aanscherping van emissienormen voor voer- en vaartuigen; bij emissienormen voertuigen vooral inzet op verbeteren praktijkprestaties euromotoren ten opzichte van testcyclus.

  • Versnelde introductie van toekomstige Euronormen, zoals euro 6 personenauto’s (BP 2010) en euro VI vrachtauto’s (eind 2011/begin 2012, afhankelijk van introductie euro VI op markt).

  • Locatiespecifieke maatregelen om de lokale luchtkwaliteit te verbeteren (financiële inzet vanuit Infrastructuurfonds artikel 12.05).

  • Bevorderen van versnelde marktintroductie van innovatieve brandstoffen en voertuigtechnologie die schoon, stil en zuinig zijn.

Maatregelen geluid

  • Onderliggende regelgeving van de invoeringswet wordt uitgewerkt en de IenM organisatie wordt voorbereid op een systeem van geluidproductieplafonds.

  • Aan de voorbereiding van de uitvoering van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG; Mirt Projectenboek 2012) is gewerkt. (Financiële inzet vanuit Infrastructuurfonds artikel 12.05).

  • Door middel van het MJPG zijn hoge geluidbelastingen langs de rijksinfrastructuur aangepakt. De uitvoerders van dit programma zijn Rijkswaterstaat en ProRail.

  • Stille wegdekken zijn verder ontwikkeld en toegepast; internationaal is ingezet op het aanscherpen van geluidsemissie-eisen die aan banden en voertuigen worden gesteld.

Indicatoren

Algemene strategie en beleidsvorming

De meetbare gegevens voor dit product zijn hieronder bij de overige producten weergegeven. Aangezien de genoemde activiteiten gericht zijn op klimaatbeleid personenvervoer, de enveloppe Innovatie en Energiebesparing, maatregelen lokale luchtkwaliteit, het bevorderen geluidsreducerende oplossingen wegvervoer, duurzaam weggoederenvervoer, zijn hiervoor geen aparte meetbare gegevens ontwikkeld.

Maatregelen energie en klimaat, maatregelen geluid en maatregelen lokale luchtkwaliteit

Indicatoren: Emissie NOx, SO2, VOS, CO2 in verkeer en vervoer, lokale luchtkwaliteit NO2, Geluidsknelpunten langs hoofdwegen, aantal opgeloste MJPO knelpunten gesommeerd
 

Waarde 1990

Waarde 1995

Waarde 2000

Waarde 2005

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Basiswaarde peildatum

Streefwaarde peildatum

Emissie NOx1,2

Bron: (A)

327

272

243

206

197

193

185

171

 

268 kton

2000

158 kton

2010–2020

Emissie SO2 1 2

Bron: (A)

19

18

9

6

6

5

3

3

 

9 kton

2000

4 kton

2010–2020

Emissie VOS (NM) 1 2

Bron: (A)

181

120

80

56

51

49

47

45

 

90 kton

2000

55 kton

2010–2020

Emissie CO2 in verkeer en vervoer3

30,5

33,5

36,8

38,9

39,7

39,0

39,8

38,1

 

36,6 Mton

30–34 mton

Bron: (B)

                     

Lokale luchtkwaliteit NO24

Bron: ( C )

                   

0 knelpunten langs rijkswegen

2015

Geluidsknelpunten langs hoofdwegen5

Bron: ( C en D)

       

12 000

12 000

12 000

12 000

7 500

12 000

0

Aantal opgeloste MJPO knelpunten gesommeerd6

Bron: (C en E)

       

17

29

41

43

55

0

208

Bronnen: (A) www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten , nr; (B) www.compendiumvoordeleefomgeving.nl Referentiecode: PBL/sep10/0168; (C) RWS/DVS; (D) dGmR Rapport V.2011 0068.00.R001; Samenvoeging saneringsbudgetten VenW en VROM; Actualisatie X-onderzoek; (E) www.mjpo.nl

1

Emissies NOx, SO2 en VOS in verkeer en vervoer berekend volgens het NEC-protocol. Bron: CBS-statline, natuur en milieu/lucht, update van 21 februari 2011. De cijfers over 2009 zijn indicatief. De voorlopige emissiecijfers voor 2010 zijn nog niet bekend. De vaststelling van de NEC-plafonds voor het jaar 2020 voor de stoffen NOx, SO2 en VOS zal binnen enkele jaren plaatsvinden.

2

Betreft mobiele bronnen, totaal. Mobiele bronnen zijn transportmiddelen en mobiele werktuigen met een verbrandingsmotor, inclusief buitenlandse transportmiddelen. Exclusief zeevaart.

3

Cijfer 2009 nog gebaseerd op voorlopige energie- en productiestatistieken van het CBS.

4

Voor lokale luchtkwaliteit geldt dat uiterlijk per 1 januari 2015 op alle locaties langs rijkswegen de grenswaarde voor NO2 gehaald moet worden. Tussenliggende waarden zijn niet vastgesteld. Voor PM10 wordt op alle locaties langs rijkswegen aan de grenswaarde voldaan voor juni 2011.

5

Het saneringsprogramma opheffen geluidsknelpunten langs spoor- en hoofdwegen gaat in 2011 van start. De geluidsknelpunten langs hoofdwegen (>65 dB Lden) worden opgelost, zoals in de Nota Mobiliteit geformuleerd. Voor 10% van de woningen zal de aanpak bestaan uit gevelisolatie en zal de belasting boven de 65 dB blijven. Indien mogelijk wordt nu al meteen bij reconstructie van een (spoor)weg om andere redenen dan geluid een geluidsknelpunt aangepakt. Uit onderzoek blijkt dat het aantal knelpunten langs hoofdwegen afgenomen is. Dit is enerzijds het effect van recent gerealiseerde maatregelen zoals geluidsschermen en stille wegdekken in infrastructuurprojecten en een aantal saneringsprojecten. Anderzijds is dit het effect van verbeterde en geüpdate databestanden (o.a. locaties geluidsschermen, adresbestanden saneringsobjecten).

6

Van toepassing vanaf 2006 i.v.m. Kamerbehandeling medio 2005.

Het streven is de emissies van verkeer en vervoer terug te dringen, de luchtkwaliteit te verbeteren en de MJPO-knelpunten door middel van ontsnipperingsmaatregelen op te lossen.

De uitstoot van NOx, SO2, VOS en NO2 geeft een indicatie van de maatregelen ten aanzien van de lokale luchtkwaliteit. Sinds 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL; Luchtkwaliteit) van kracht. Dit is een gezamenlijk programma van rijk en decentrale overheden gericht op het tijdig halen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het NSL beschermt de gezondheid van de Nederlandse bevolking en er ontstaat ruimte voor noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Door middel van jaarlijkse monitoring wordt gegarandeerd dat de normen voor luchtkwaliteit gehaald worden.

De CO2-uitstoot geeft een indicatie van de effectiviteit van het klimaat- en energiebeleid (Europees, nationaal, lokaal) dat voor verkeer en vervoer wordt ingezet. De indicatoren met betrekking tot knelpunten geven informatie over objecten, voornamelijk woningen in de (onmiddellijke) nabijheid van rijkswegen, waar de geluidsbelasting te hoog is volgens de geldende normen.

Indicator: aantal opgeloste MJPO knelpunten
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Aantal opgeloste knelpunten MJPO

10

7

12

12

2

12

14

16

16

15

21

26

22

23

Totaal aantal

10

17

29

41

43

55

69

85

101

116

137

163

185

208

Bron: DVS

De tabel geeft een indicatie van de planning van de aanpak van de MJPO-knelpunten. Deze knelpuntenzijn opgenomen in het Meerjarenprogramma Ontsnippering57 (MJPO) 2004.

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds (IF)

Extracomptabele verwijzingen

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € 1 mln.)

Art. Omschrijving

2011

2012

2013

2014

2015

2016

IF 12.02 Servicepakket meer kwaliteit leefomgeving

275

343

550

472

332

420

IF 12.03 Innovatieprogramma Geluid en Lucht

1 517

1 512

1 190

938

542

146

36.02 Leefomgeving Spoorwegen: te hoge geluidsbelastingen door spoorvervoer zo veel mogelijk terugdringen en knelpunten door spoorwegen in de ecologische hoofdstructuur en in de bodem op te lossen

Operationele doelstelling

Motivering

Alle nationale en internationale verplichtingen op het gebied van milieukwaliteit nakomen en op de lange termijn (2030) een transitie naar een duurzaam mobiliteitssysteem realiseren.

Duurzaam personen- en goederenvervoer

Instrumenten

  • De wijziging van de Wet geluidhinder en de bijbehorende invoeringswet. Deze wetswijziging leidt tot een betere bescherming van burgers, vereenvoudiging van de regelgeving en een efficiënte en kosteneffectieve uitvoering.

  • Meerjarenprogramma Ontsnippering57 (MJPO) voor spoorwegen.

  • Meerjarenprogramma geluidsanering spoor (MJPG spoor, Mirt Projectenboek 201158). Een wettelijk vastgelegd doelmatigheidscriterium bepaalt welke maatregelen getroffen dienen te worden. In dit programma worden geluidreducerende maatregelen getroffen

    • bij woningen met een geluidbelasting van meer dan 70 dB als gevolg van een hoofdspoorweg;

    • bij woningen die nog deel uit maken van de bestaande saneringsoperatie van de Wet geluidhinder;

    • bij woningen die als gevolg van verkeersgroei onder de huidige Wet geluidhinder een groei van meer dan 5 dB hebben ondergaan.

  • Middelen uit het Infrastructuurfonds, artikel 13.

  • Sinds 1996 doneren IenM en NS jaarlijks geld aan de Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen voor de landelijke aanpak van bodemverontreiniging in NS-percelen.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Duurzaam personen- en goederenvervoer

  • Invoeren van de wijziging van de Wet Geluidhinder.

  • Uitvoeren van het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO) voor spoorwegen in de periode 2007 t/m 2018. In 2010 is de uitvoering van de eerste tranche gestart en vanaf 2012 in uitvoering.

  • Starten met de uitvoering van het Meerjarenprogramma geluidsanering spoor (MJPG spoor, Mirt Projectenboek 2011).

  • Implementeren van nieuwe maatregelen voor geluidsreductie die een aantrekkelijk alternatief zijn voor geluidsschermen. Het gaat hierbij om implementatie van maatregelen uit het in 2007 afgeronde Innovatieprogramma Geluid59 (IPG, Innovatie programma Geluid (fluistertrein)) en de doorontwikkeling en de bepaling van de Life Cycle Costs (LCC) van enkele producten uit dat programma, waaronder de proeven met LL-blokken op goederentreinen en het bevorderen van een internationale vrijgave van LL-blokken60.

  • Opstellen vervolg uitvoeringsprogramma geluid emplacementen, waarin wordt gezorgd dat geluidschermen bij emplacementen worden gerealiseerd. Dit programma is opgenomen in het Beheerplan.

Indicatoren / Kengetallen

Duurzaam personen- en goederenvervoer

Indicator: Leefomgeving spoorwegen
 

Basiswaarde peildatum

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Streefwaarde peildatum

Geluidsknelpunten langs spoorwegen (1)

12 500 woningen

7 500 woningen

8 900 woningen

7 200 woningen

(3)

 

0 (in 2020)

Aantal opgeloste MJPO knelpunten (2)

0 (in 2004)

0

0

0

3

2

79 (in 2018)

Bron: (1) ProRail, (2) www.mjpo.nl/downloads/100 267-DWW-Jaarverslag09_LR1.pdf, (3) Zodra de nieuwe geluidwetgeving SWUNG in werking is getreden, zal de saneringsvoorraad bekend worden en kan het MJPG (meerjarenprogramma geluidsanering) formeel starten. Vanaf dat moment zal over de knelpunten uit het MJPG worden gerapporteerd.

Het streven is de geluidsemissies van verkeer en vervoer terug te dringen en de MJPO-knelpunten door middel van ontsnipperingsmaatregelen op te lossen. Door toenemende (verkeers)intensiteiten kan het aantal geluidsbelaste woningen toenemen. Zie voor meetbare gegevens onder artikelonderdeel 36.01.

Doelstellingen en gegevens over de bodemsanering van NS percelen zijn te vinden op www.sbns.nl/downloads.

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds (IF)

Extracomptabele verwijzingen

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € 1 mln.)

Art. Omschrijving

2011

2012

2013

2014

2015

2016

IF 13.03 Ontsnippering

8

14

12

14

12

13

IF 13.03 Geluid sanering spoorwegen

2

7

4

17

44

56

36.03 Duurzame luchtvaart bewerkstelligen en in stand houden

Operationele doelstelling

Motivering

Groei van de luchtvaart mogelijk maken binnen de wettelijke en beleidsmatige kaders voor milieu en leefomgeving.

Doorstorting heffingen GIS-1 aan Stichting GIS

Instrumenten

  • Geluidsheffingen

Geluidsisolatie Schiphol fase 2 (GIS-2)

  • Op grond van de PKB-Schiphol is in 1997 het project GIS-2 van start gegaan. De isolatie van GIS-2 panden is op 30 juni 2008 beëindigd. Tijdens GIS-2 zijn 8 465 panden geïsoleerd.

Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3)

  • De isolatie van woningen in het kader van het GIS-3 project is in 2011 afgerond. De financiële afwikkeling van het project zal in 2012 plaatsvinden.

Klachtenafhandeling Geluidsisolatie Schiphol

  • Na oplevering van een object geldt een garantieperiode van tien jaar. In deze periode zijn aannemers gehouden eventuele herstelwerkzaamheden uit te voeren. De garantietermijn voor objecten die in het kader van GIS-2 zijn geïsoleerd loopt uiterlijk tot en met 2018. De garantie op GIS-3 objecten loopt nog langer door.

Woonschepen geluidszones Schiphol

  • Aankoop woonschepen.

Behandeling en uitbetaling schadeclaims Schiphol

  • Schadevergoedingen.

Aankoop LIB geluidsloopzones Schiphol

  • Aankoop van woningen die een geluidsbelasting van meer dan 65 Ke hebben.

Geluidsisolatie regionale luchthavens

  • Het geluidsisolatieproject rondom de regionale luchthaven Maastricht Aachen Airport (Fase 2) bevindt zich in de uitvoeringsfase. De uitvoering is gestart in voorjaar 2008 en betreft circa 160 woningen. De isolatiewerkzaamheden zijn op één zaak na, waarin juridische stappen worden gezet, afgerond.

Behandeling en uitbetaling schadeclaims regionale luchthavens

  • Behandelen en uitbetalen van schadeclaims.

Duurzame luchtvaart

  • Internationale afspraken ten aanzien van de uitstoot van NOx, CO2 en andere gassen.

  • Conclusies Klimaattop Durban 2011.

  • Afspraken 37ste ICAO Assemblee in september 2010.

  • Europese emissiehandelssyteem.

  • De oprichting van de CROS is vastgelegd in de Wet Luchtvaart 2003 (artikel 8.23a en artikel 8.34 tot en met 8.40, de Ministeriële regeling CROS 2005 (in 2009 gewijzigd op het punt van de klachtenafhandeling en in 2011 zijn er in artikel 4 en artikel 5 nog een aantal wijzigingen doorgevoerd in verband met de wijziging van het bestuursreglement van de CROS). De bijdrage aan de CROS (Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol) bedraagt maximaal 0,3 mln.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3)

  • De isolatiewerkzaamheden verlopen volgens planning, hetgeen betekent dat de afronding van de objectisolatie naar verwachting zal plaatsvinden tussen april en november 2011. Na de isolatie van de laatste woning zal het project in 2011 en gedeeltelijk in 2012 financieel en administratief worden afgerond.

Duurzame luchtvaart

  • Bijdrage leveren aan internationale afspraken die de uitstoot van NOX, CO2 en andere gassen door de luchtvaart beperken.

  • Deelnemen aan het Klimaatoverleg en uitvoering van conclusies klimaattop in Durban 2011.

  • Deelname aan verdere uitvoering van afspraken die voorvloeien uit de conclusies van de 37ste ICAO Assemblee in september 2010, zoals op gebied van market based measures en de minimis regeling.

  • Bijdrage aan beleidsvragen die ontstaan tgv inwerkingtreden van het Europese emissiehandelssysteem en aan de internationale discussie daarover.

  • Deelnemen aan de discussie in CAEP-verband (Committee on Aviation Environment Protection) over een aanscherping van de geluidsnormering van vliegtuigen en over de ontwikkeling van internationale CO2-standaarden voor vliegtuigen.

  • het opstellen van ICAO action plans voor CO2-reductie in de luchtvaart.

  • Aanpassing van de Renewables Directive op het terrein van produceren en toepassen van biokerosine.

  • Inzet op en ondersteuning van Europese aanpak voor ontwikkeling en toepassing van biobrandstoffen in de luchtvaart.

  • Ontwikkelen beleid isolatie- en leefbaarheidsmaatregelen rondom luchthavens.

Kengetallen

Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3)

Van alle woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen die in het isolatiegebied GIS-3 liggen, zijn 5211 objecten in het isolatieprogramma opgenomen. Deze woningen komen mogelijk voor isolatie in aanmerking. Gebleken is dat de eigenaren van 2256 objecten in het isolatieprogramma geen prijs stellen op isolatie. Daarnaast blijkt dat 1820 objecten volgens de regelgeving geen aanvullende geluidsisolatie nodig hebben. Naar huidige inzichten zullen onder GIS-3 circa 1100 objecten worden geïsoleerd. De isolatie van woningen in het kader van het GIS-3 project is in 2011 afgerond.

Aankoop LIB geluidsloopzones Schiphol.

Kengetal: Aantal aangekochte en aan te kopen woningen in de geluidsloopzones Schipho
 

Tot en met 2005

2006

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013 ev

Totaal

>65 Ke

5

0

1

1

3

2

2

2

1

17

55–65 Ke

24

2

0

0

0

0

0

0

0

26

Totaal

29

2

1

1

3

2

2

2

1

43

Bron: Rijkswaterstaat, Voortgangsrapportage GIS nr. 13, tweede halfjaar 2010 (Kamerstuk 2010–2011, 26 959, nr. 136)

Eigenaren kunnen als gevolg van de motie-Hofstra (Kamerstukken II, 2001–2002, 27 603, nr. 74) niet worden gedwongen hun woning te verlaten. Een einddatum kan daarom niet worden vastgesteld.

Duurzame luchtvaart

Kengetal: De grenswaarde voor de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen in gram per ton Maximum take off weight (MTOW)
           

realisatie

grenswaarden

Stof

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2005–2009

vanaf 2010

CO

59,3

56,6

55,1

54,1

53,4

54,1

58,1

55,0

NOx

66,3

66,8

67,4

67,1

67,6

69,7

74,6

74,6

VOS

10,1

9,0

8,6

8,2

7,9

8,0

9,9

8,4

SO2

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,1

2,1

PM10

2,2

2,2

2,3

2,3

2,3

2,4

2,5

2,5

Bron: Schiphol Group, januari 2011

IenM draagt bij aan het maken van internationale afspraken om de uitstoot van gassen te beperken, maar IenM heeft geen directe invloed op het maximum take off weight van de vliegtuigen. Het onderstaande kengetal geeft een goed beeld van de mate waarin de uitstoot van verontreinigende stoffen zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld en in hoeverre de sector in staat is aan de gestelde grenswaarden te voldoen.

In het Luchthavenverkeerbesluit zijn grenzen gesteld aan de uitstoot van vijf luchtverontreinigende stoffen; te weten koolmonoxide, stikstofoxides, vluchtige organische stoffen, zwaveldioxide en fijn stof. Deze geïndexeerde emissiegetallen stellen een grens aan het aantal grammen van een stof die uitgestoten mogen worden per ton vliegtuiggewicht. Deze grenswaarden zijn aangescherpt in 2005 en zijn nogmaals aangescherpt in 2010 en zijn zo een prikkel voor de luchtvaartsector om een minder vervuilende vloot aan te schaffen. Inspectie Leefomgeving en Transport ziet toe op naleving van voorschriften uit het Luchthavenverkeerbesluit.

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

63.46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

54.44 dB(A)

Bron: Luchthavenverkeerbesluit 2004

In het Luchthavenverkeersbesluit zijn voor de luchthaven Schiphol de volgende grenzen gesteld aan de totale hoeveelheid geluid (Totaal Volume Geluid, TVG) dat het vliegverkeer in een jaar mag produceren. Voor de regionale luchthavens zijn door de inwerkingtreding van de wet Regelgeving Burger- en Militaire Luchthavens de verantwoordelijkheden gedecentraliseerd naar de provincies, behoudens de luchthavens van nationale betekenis. Provincies en het Rijk dienen rondom de luchthaven een beperkingengebied vast te stellen. De geluidsbelasting van het vliegverkeer moet worden begrensd met op handhavingpunten vastgestelde grenswaarden (aan de baankoppen en bij aanpalende bebouwde kom). IenM heeft geen directe invloed op de daadwerkelijk gerealiseerde geluidsbelasting. Dat is de verantwoordelijkheid van de sector.

36.04 Scheepvaart: Een milieuvriendelijk goederenvervoersysteem over het water bevorderen

Operationele doelstelling

Motivering

Nederland aan alle nationale en internationale verplichtingen op het gebied van milieukwaliteit laten voldoen en op de lange termijn (2030) een transitie te realiseren naar een duurzaam mobiliteitssysteem.

Duurzame zeevaart

Instrumenten

  • Internationale wet- en regelgeving.

  • Maatregelen IMO om de uitstoot van broeikasgassen (in het bijzonder CO2 door de zeevaart te verminderen.

  • Convenant Energie-Efficiency en CO2– reductie Zeevaart.

  • Het Ballastwaterverdrag.

  • Afspraken met Noordzeelanden over uniforme implementatie en handhaving van het Ballastwaterverdrag.

  • Het Hong Kong Sloopverdrag.

Duurzame zeehavens

  • Subsidieprogramma Zeehaven Innovatieproject voor Duurzame Zeehavens.

  • Wet voorkoming vervuiling schepen (wvvs) en de implementatie van de Europese richtlijn Havenontvangstvoorzieningen (HOV’s).

Duurzame binnenvaart

  • Internationale normstelling voor motoremissies.

  • Scheepsafvalstoffenverdrag.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Duurzame zeevaart

  • Implementeren van gewijzigde internationale regelgeving in nationale wet- en regelgeving.

  • Invoering van in de IMO ontwikkelde concrete maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen (in het bijzonder CO2) door de zeevaart te verminderen dan wel, bij het uitblijven hiervan, vaststellen en uitdragen van het Nederlandse standpunt inzake eventuele unilaterale maatregelen van de EU.

  • Monitoren van de afspraken gemaakt in het kader van het Convenant Energie-efficiency en CO2– reductie Zeevaart.

  • Uitvoering van afspraken met Noordzeelanden over uniforme implementatie en handhaving van het Ballastwaterverdrag in het Noordzeegebied.

  • Bijdragen aan de formulering van specifieke Ballastwaterafspraken over vrijstellingen in ballastwater wisselgebieden in de Noordzee.

  • Afronden laatste twee van zes internationale richtlijnen behorend bij het Hong Kong Sloopverdrag, te weten de «Guidelines for survey and certification» en de «Guidelines for inspection of ships».

Duurzame zeehavens

  • Uitvoeren subsidieprogramma Zeehaven Innovatieproject voor Duurzame Zeehavens;

  • Inzet bij herziening van de Europese richtlijn Havenontvangstvoorzieningen (HOV’s), met name op het gebied van:

    • aanscherping van de afgifteplicht;

    • harmonisatie van de havenafvalsystemen in Europese havens; en

    • Europese informatie-uitwisseling.

  • Ondersteunen van initiatieven voor de aanleg van walstroomvoorzieningen in zeehavens voor zeeschepen.

Duurzame binnenvaart

  • Bevorderen van de introductie van LNG (vloeibaar aardgas), onder andere door stimuleren van de aanleg van vulpunten.

  • Pleiten binnen de EU voor het vaststellen van scherpere internationale normen voor motoremissies.

  • Uitvoeren van het in 2009 in werking getreden Scheepsafvalstoffenverdrag (door o.a. implementatie betalingssysteem voor olie- en vethoudende stoffen).

Kengetallen

Duurzame zeevaart en binnenvaart

Het streven is om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen van de binnenvaart en de zeevaart (Nederlands grondgebied) te verminderen. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de verbetering van de luchtkwaliteit.

De kengetallen laten de feitelijke uitstoot in de jaren 2003 t/m 2009 zien. De jaren 2010, 2015 en 2020 betreffen prognoses op basis van de verwachte ontwikkeling in de omvang van het transport en op basis van vastgesteld beleid.

Kengetal: Uitstoot luchtverontreinigende stoffen
 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2015

2020

NOx-emissies goederenvervoer (x mln. kg)

                   

Binnenvaart

27,1

25,1

24,8

24,2

24,9

24,6

21,3

23,7

22,5

21,7

Zeevaart (NL grondgebied)1

17,3

17,8

18,0

19,1

19,4

23,3

22,0

19,4

20,2

21,1

PM10-emissies goederenvervoer (x mln. kg)

                   

Binnenvaart

1,1

1,0

1,0

1,0

1,0

0,9

0,8

0,9

0,8

0,8

Zeevaart (NL grondgebied)1

1,1

1,1

1,1

1,2

1,1

1,3

1,2

2

2

3

VOS-emissies goederenvervoer (x mln. kg)

                   

Binnenvaart

3,5

3,2

2,3

1,4

1,4

1,3

1,2

1,3

1,1

1,0

Zeevaart (NL grondgebied)1

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,9

0,9

0,7

0,8

0,8

SO2-emissies goederenvervoer (x mln. kg)

                   

Binnenvaart

2,0

1,9

1,8

1,8

1,8

1,1

0,9

0,9

0,0

0,0

Zeevaart (NL grondgebied)1

10,0

10,2

10,0

10,6

9,8

9,5

9,0

5,0

0,8

1,0

CO2-emissies (x mln. kg)3

                   

Binnenvaart

1 871

1 734

1 713

1 672

1 721

1 698

1 499

1 700

1 785

1 877

Zeevaart (NL grondgebied)1

936

969

983

1 041

1 067

1 466

1 406

1 220

1 389

1 558

Bron cijfers 2003 t/m 2009: CBS, luchtverontreiniging; emissies door mobiele bronnen, CBS StatLine (website: www.statline.cbs.nl/statweb), 25 maart 2011.

Bron prognoses 2010, 2015 en 2020: PBL/ECN, 18 mei 2010

1

De cijfers over 2007 t/m 2009 zijn met een andere, nauwkeuriger methode berekend dan in voorgaande jaren; om die reden zijn de cijfers over deze jaren niet volledig vergelijkbaar met die van voorgaande jaren. De cijfers van de SO2– emissies over 2008 en 2009 worden daarnaast verklaard door een verplicht lager zwavelgehalte voor scheepsbrandstof vanaf augustus 2007 (i.v.m. de zgn. MARPOL Annex VI-regelgeving).

2

Geen prognose beschikbaar.

3

Bij de CO2 emissies is de eenheid gecorrigeerd in mln. kg.

Voor de luchtverontreinigende emissies van de binnenvaart is een neerwaartse trend zichtbaar. Deze loopt door in de beleidsarme prognoses (tot 2020) die door Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zijn opgesteld. De abrupte emissiereductie in 2009 is toe te schrijven aan de crisis in de binnenvaart, die leidde tot een sterke afname van het aantal vervoersbewegingen.

Bij de SO2 emissies van de zeevaart is een licht neerwaartse trend zichtbaar. Dit vindt zijn oorzaak in de daling van het zwavelgehalte van de zeevaartbrandstoffen. Van andere stoffen neemt de emissie toe. Dit komt door de autonome groei van de zeevaart. Voor CO2 is (nog) geen internationale regelgeving van kracht. Voor NOx emissies is in 2011 een aanscherping van kracht geworden. Deze is in de cijfers uiteraard nog niet waarneembaar.

Kengetal: Afgifte olie- en vethoudend afval door de binnenvaart
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Bilgewater (x miljoen kg)

48,1

46,6

26,7

21,2

21,8

20,1

20,8

21,0

19,2

Schroefassmeervet (x miljoen kg)

0,12

0,15

0,14

0,14

0,12

0,11

0,11

0,12

0,12

Vast oliehoudend afval (x miljoen kg)

0,25

0,38

0,41

0,44

0,32

0,32

0,34

0,38

0,46

Bron: Stichting Afvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart (SAB), augustus 2010

Wat betreft emissies naar het water is het streven een zo laag mogelijke belasting van het oppervlaktewater door de binnenvaart. Mede hiertoe is destijds het Scheepsafvalstoffenverdrag opgesteld. Nu dit verdrag in werking is getreden, zal naar verwachting het aantal afgiftes van scheepsbedrijfsafval door de binnenvaart verder toenemen. Onderstaande kengetallen laten de afgifte van verschillende soorten olie- en vethoudend afval zien voor de periode 2001–2009. De daling vanaf 2003 is enerzijds te verklaren uit een directe betaling bij afgifte die vanaf dat moment is ingevoerd, en anderzijds door het in de markt komen van nieuwe, schonere schepen die minder afval produceren.

Duurzame zeehavens

Kengetal: Afgiftecijfers scheepsafval in zeehavens
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Afgegeven hoeveelheid scheepsafval (m3)

98 241

104 698

133 517

148 483

149 427

174 651

Aantal afgevende schepen

14 396

18 296

22 486

22 152

22 741

23 902

Aantal betalende schepen

34 293

38 410

39 313

39 279

36 580

37 456

Het percentage afgevende schepen van het aantal betalende schepen

42%

48%

57%

56%

62%

64%

Bron: De Nederlandse zeehavens, juni 2011

Van alle schepen die de afvalheffing moeten betalen ( conform de EU richtlijn) gaan ook steeds meer schepen daadwerkelijk afgeven.

Was in 2005 dit percentage nog 42%, in 2010 is dit opgelopen tot 64%. De Nederlandse Havenontvangstvoorzieningen hebben in 2010 ook weer meer m3 scheepsgebonden afval ingezameld dan in 2009. Het aantal afgevende schepen is in 2010 met 5% gestegen en de hoeveelheid ingezameld afval is maar liefst met 17% toegenomen.

Artikel 37 Weer, Klimaat, Seismologie en Aardobservatie

Algemene doelstelling

Waarborgen en bevorderen van de veiligheid, de economische ontwikkeling en een duurzaam milieu van Nederland.

Omschrijving van de samenhang van beleid

Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) draagt, als hét nationale instituut voor weer, klimaat en seismologie, zorg voor het onderhouden van de nationale meet- en data-infrastructuur op dit terrein, het beschikbaar maken van een algemeen weerbericht voor de Nederlandse samenleving, het alarmeren bij gevaarlijke of ontwrichtende weersituaties, het leveren van luchtvaartmeteorologische inlichtingen, het leveren van klimaatverwachtingen en klimaatscenario’s en het verrichten van onderzoek op deze gebieden. Op het gebied van aardobservatie is het KNMI verantwoordelijk voor het Nederlandse beleid ten aanzien van EUMETSAT.

Het kader van het nationale beleid is neergelegd in de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. In die wet staat onder meer ook de (uitvoerende) taak van het KNMI vermeld.

In het regeerakkoord is in het kader van de bezuinigingen afgesproken dat de taken van het KNMI nader zullen worden bezien en eventueel worden geprivatiseerd. Omdat de gevolgen van deze afspraak nog niet geheel in beeld zijn gebracht kon hiermee voor deze begroting nog geen rekening worden gehouden.

Verantwoordelijkheid

De minister is systeemverantwoordelijk voor de taken van de baten-lastendienst KNMI conform de KNMI-wet van 2001.

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling hangt af van:

  • Ontwikkelingen in de (informatie)technologie.

  • Weer- en klimaatgerelateerde milieumaatregelen.

  • Europese en Mondiale wet- en regelgeving m.b.t. luchtvaartmeteorologie.

  • Scheiding van markt en overheid (wet op het KNMI).

  • Internationale besluitvorming over EUMETSAT programma’s.

  • Intensieve samenwerking in het Caribische gebied.

Effecten van beleid

Het behalen van de doelstelling heeft als effect dat voor de Nederlandse samenleving:

  • Individuele burgers, bedrijven en (overheids)organisaties tijdig kunnen reageren op de verwachte (gevaarlijke) weersomstandigheden, doordat deze informatie op internet beschikbaar wordt gesteld en tijdig weeralarmen worden uitgegeven.

  • Tijdig en gericht (beleidsmatig) kan worden ingespeeld op ontwikkelingen, zoals op het gebied van klimaatverandering en seismische activiteit.

  • Hulpdiensten, burgers en bedrijven tijdens ontwrichtende situaties toegang hebben tot specifieke berichten die tijdens die situaties van belang worden geacht bij het oplossen daarvan.

  • Er op Europees niveau intensief wordt samengewerkt bij de uitvoering van het aardobservatiebeleid.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)

37. Weer, klimaat, seismologie en aardobservatie

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

46 845

45 195

41 032

45 343

48 767

42 969

39 743

Uitgaven

45 945

44 277

41 950

44 607

49 503

42 233

40 479

37.01 Weer, klimaat en seismologie

34 391

34 647

29 607

28 348

26 524

25 008

24 881

37.01.01 Weer

19 456

19 236

15 170

14 461

13 429

12 552

12 482

37.01.02 Klimaat

12 565

12 985

12 053

11 620

10 894

10 276

10 226

37.01.03 Seismologie

1 572

1 508

1 466

1 531

1 465

1 444

1 437

37.01.04 Contributie WMO (HGIS)

798

918

918

736

736

736

736

37.02 Aardobservatie

11 554

9 630

12 343

16 259

22 979

17 225

15 598

37.02.01 EUMETSAT

11 554

9 630

12 343

16 259

22 979

17 225

15 598

37.09 Ontvangsten

100

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel percentueel als nominaal gepresenteerd.

Toelichting

37.01 Weer, klimaat en seismologie

De bestuurlijk gebonden uitgaven hebben betrekking op de contributie die jaarlijks door het KNMI aan de World Meteorological Organization (WMO) wordt voldaan. Dit betreffen middelen uit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Operationele doelstellingen

37.01 Weer, klimaat en seismologie

Operationele doelstelling

Motivering

Om tot minder ongelukken te komen, om risicovolle situaties ten gevolge van het weer terug te dringen, om veiligheidsrisico’s bij calamiteiten waarbij het weer een rol speelt te beperken, om aan de bestrijding en beperking van (chemische en nucleaire) calamiteiten bij te dragen, om aan «droge voeten» bij te dragen, om antwoord te geven op de cruciale vragen hoe het klimaat is veranderd, waarom het klimaat verandert en hoe het klimaat in de toekomst zal veranderen om aldus de vitale nationale infrastructuur tegen veranderingen in het klimaat te helpen beschermen en ten slotte om de seismische risico’s in kaart te brengen. Het KNMI draagt deze verantwoordelijkheden voor wat betreft Weer, Klimaat en Seismologie activiteiten niet alleen voor het Nederlands grondgebied binnen het koninkrijk maar ook voor de openbare lichamen Saba, Sint Eustatius en Bonaire. De klimaatgerelateerde activiteiten voor het overzeese gebied van het koninkrijk beperken zich tot het bijdragen aan de internationale waarneemstructuur.

Weer

Instrumenten

  • Bijdragen aan de internationale waarnemingsinfrastructuur.

  • Brede verspreiding en steeds meer toegankelijk maken van weergegevens.

  • Uitgeven van een algemeen weerbericht.

  • Uitgeven van algemene waarschuwingen ten behoeve van de scheepvaart en het verkeersmanagement.

  • Verstrekken van luchtvaartmeteorologische inlichtingen.

  • Meteorologische ondersteuning bij calamiteiten waarbij weer een rol speelt.

  • Waarschuwen voor gevaarlijk weer, voor (levens)bedreigende extreme weersomstandigheden en luchtkwaliteit.

  • Verstrekken van informatie omtrent vulkanisch as.

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek op het gebied van weerwaarnemingen en -verwachtingen.

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij.

Klimaat

  • Bijdragen aan de internationale waarnemingsinfrastructuur, waaronder het ontwikkelen van waarneming- en modelsystemen ten behoeve van het produceren van data.

  • Vastleggen van klimaatverandering.

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek op het gebied van klimaat, zoals de ontwikkeling en evaluatie van het globale klimaatmodel EC-Earth en het regionale klimaatmodel RACMO.

  • Opstellen van klimaatverwachtingen op tijdschalen van seizoenen tot eeuwen.

  • Bijdragen aan de wetenschappelijke basis van het Nederlandse beleid op het gebied van adaptatie en mitigatie van klimaatverandering.

  • Zorgen voor brede verspreiding en steeds meer toegankelijk maken van nationale en Europese klimatologische gegevens, door middel van – bij voorkeur – gratis webservices.

  • Bijdragen aan internationale Europese kennisinfrastructuur op een kwalitatief hoog niveau, bijvoorbeeld via de door het KNMI gecoördineerde EU-projecten EURO4M en EUCLIPSE.

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij.

  • Door de diverse modellen en datasets te standaardiseren en te integreren, realiseren van een familie van aaneensluitende modellen die de partners in staat stelt beter en sneller een integraal beeld te ontwikkelen van milieu en leefomgeving in Nederland en daarmee complexe beleidsbeslissingen op deze terreinen beter te kunnen onderbouwen.

Seismologie

  • Onderhouden van seismische stations en het ontwikkelen van waarneming- en modelsystemen ten behoeve van het produceren van data.

  • Verrichten van waarnemingen en onderzoek ten behoeve van het kernstopverdrag.

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek op het gebied van seismologie.

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij.

Contributie Wereld Meteorologische Organisatie (WMO)

Betalen van de Nederlandse WMO contributie. Deelname aan de activiteiten van het WMO worden gefinancierd uit HGIS

Indicatoren

Meetbare gegevens

Indicatoren Weersverwachtingen
 

Realisatie

Begroot

       

Indicator

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Algemene weersverwachtingen en adviezen

             

– afwijking min.temperatuur (°C)

– 0,28

– 0,24

ABS1 (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

– afwijking max.temperatuur (°C)

– 0,34

– 0,21

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

– gemiddelde afwijking windsnelheid (m/s)

0,18

0,04

ABS (<1,0)

ABS (<1,0)

ABS (<1,0)

ABS (<1,0)

ABS (<1,0)

Luchtvaartverwachtingen

             

– tijdigheid TAF.2Schiphol (%)

99

99

> 99

> 99

> 99

> 99

> 99

Maritieme verwachtingen

             

– tijdigheid marifoonbericht (%)

98,4

99,3

> 99

> 99

> 99

> 99

> 99

Bron: KNMI

1

Is absolute waarde.

2

Tijdighied TAF (Terminal Aerodrome forecast). Dit is de tijdigheid waarmee de luchtvaartmeteorologische berichten worden verstrekt; gemeten wordt welk percentage berichten binnen het vastgestelde tijdvenster vallen.

De indicatoren geven een indruk van de tijdigheid van berichtgeving door het KNMI en de gemiddelde afwijking van verwachte waardes ten opzichte van de waargenomen waardes.

Kengetal aantal uitgegeven weeralarmen
 

2006

2007

2008

2009

2010

Aantal weeralarmen

2

5

1

3

4

Bron: KNMI

Het aantal weeralarmen is afhankelijk van de weersomstandigheden, hierdoor is geen norm aan te geven. Bovendien is het afgeven van een weeralarm geen doel op zich. In het jaarverslag zal worden ingegaan op het aantal weeralarmsituaties en de mate waarin het KNMI gegrond heeft gewaarschuwd c.q. gegrond niet heeft gewaarschuwd.

Indicator kwaliteit en kwantiteit kennis klimaatsysteem, weersysteem en seismologische data en kennis

Indicatoren

2009

2010

2011

2012

2013 e.v.

Gereviewde publicaties

89

120

> 80

> 80

> 80

Bron: KNMI

Het betreffen publicaties in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften en is daarmee een maatstaf voor kwantiteit en kwaliteit van het onderzoek van het KNMI.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing hier niet van toepassing.

37.02 Aardobservatie

Operationele doelstelling

Motivering

Om te voorzien in de noodzakelijke waarnemingen ten behoeve van weeranalyse, weersverwachting en klimaatonderzoek.

Instrumenten

De tijdige beschikbaarheid van continue meteorologische waarnemingen vanuit de ruimte en de hierbij benodigde diensten:

  • Waarnemingen van de EUMETSAT Meteosat satellieten.

  • Waarnemingen van de EUMETSAT MetOp en van de NOAA satellieten.

  • Oceanografische waarnemingen van de Jason-2 satelliet.

Indicatoren

Meetbare gegevens

Indicator

Indicator

2009

2010

2011

2012 e.v.

Percentage tijdige beschikbaarheid van de meteorologische producten

> 98,5

> 98,5

> 98,5

> 98,5

Bron: EUMETSAT

De indicator geeft de benodigde/gewenste beschikbaarheid aan van de meteorologische producten van de METEOSAT satelliet van EUMETSAT op de nulmeridiaan. Indien de streefwaarde niet wordt gehaald heeft dat een negatieve impact op de weersverwachting op de dagen van gebrekkige beschikbaarheid van de waarnemingen afhankelijk van de dan optredende weerssituatie.

Artikel 38 Inspectie Leefomgeving en Transport

Algemene doelstelling

Het stimuleren en bewaken van veilige vervoers- en watersystemen en een duurzame leefomgeving.

Verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving in het transport en de leefomgeving. Binnen het ministerie van Infrastructuur en Milieu is het toezicht belegd bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De minister heeft een nationale coördinatie- c.q. verantwoordingsverplichting richting de EU ten aanzien van internationale milieuregelgeving.

Bij de totstandkoming van wet- en regelgeving beoogt de wetgever een door haar gewenst niveau van veiligheid en duurzaamheid te bewerkstelligen. Daarbij worden de rechtsbeginselen van rechtvaardigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gehanteerd, met een oog voor de nalevingseisen die van de ondertoezichtstaanden worden gevraagd (administratieve lasten). Zij streeft samenwerking met andere overheidspartners na.

De Inspectie voert de volgende activiteiten uit:

  • 1. Vergunningverlening

  • 2. Toezicht: Het handhaven van wet- en regelgeving geschiedt door middel van dienstverlening, toezicht en opsporing. Het zwaartepunt van de inspectieactiviteiten ligt op het terrein van het toezicht. De ILT kent de volgende vormen:

    • Objectinspecties.

    • Bedrijfsinspecties.

    • Audits.

    • Convenanten.

    • Digitale inspectie.

  • 3. Incidentmelding en ongevalonderzoek

Binnen IenM is de portefeuille Caribisch Nederland (BES) belegd bij de Inspectie Leefomgeving en Transport. Belangrijkste activiteiten op de BES eilanden zijn toezicht op scheepvaart en luchtvaart. Voorts wordt gewerkt aan verbetering van de meteorologische en seismologische infrastructuur. Daarnaast worden maatregelen getroffen om de waterzuivering en milieubescherming te verbeteren. In totaal is hiermee structureel € 3,6 mln per jaar mee gemoeid. Een uitgebreidere toelichting is te lezen in het Jaarverslag over 2010 en het Meerjarenplan 2011–2015 van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

Een uitgebreidere toelichting op de producten is te vinden in de batenlastenparagraaf van de inspectie.

Indicatoren

Leefomgeving

Domein

Vergunningen (advisering)

Inspecties

Audits

Convenanten

Ongevals onderzoeken

Risicovolle bedrijven

225

805

– 

1

10

Risicovolle stoffen en producten

– 

3 040

25

– 

– 

Water- en bodembeheer

450

– 

– 

– 

Ruimte, wonen en bouwen

– 

3 660

– 

– 

– 

Transport

Domein

Vergunningen

Inspecties

Audits

Convenanten

Ongevals onderzoeken

Rail- en wegvervoer

         

Rail

3 790

1 750

5

3

700

Taxi

– 

4 600

40

5

– 

Bus

– 

1 450

80

12

– 

Goederen- vervoer over de weg

– 

19 750

140

20

– 

Scheepvaart

         

Binnenvaart

500

710

53

10

10

Koopvaardij

4 800

2 300

– 

20

60

Visserij

850

225

– 

– 

1

Luchtvaart

15 000

1 305

– 

30

– 

1

is inbegrepen bij aantal onderzoeken koopvaardij

Majeure beleidswijzigingen

Binnen Infrastructuur en Milieu is het toezicht vanaf 1 januari 2012 belegd bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT is ontstaan uit de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de VROM-Inspectie.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

38 Inspectie Leefomgeving en Transport

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

   

145 251

129 793

124 897

118 517

117 936

Uitgaven

   

145 251

129 793

124 897

118 517

117 936

waarvan juridisch en bestuurlijk verplicht

   

145 251

       

38.01.01

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Risicovolle bedrijven

   

15 070

13 467

12 959

12 297

12 236

38.01.02

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Rail en wegvervoer

   

31 102

27 791

26 743

25 377

25 254

38.01.03

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Scheepvaart

   

25 171

22 491

21 644

20 538

20 437

38.01.04

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Luchtvaart

   

25 972

23 208

22 333

21 192

21 088

38.01.05

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Risicovolle stoffen en producten

   

26 292

23 495

22 608

21 453

21 348

38.01.06

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Water en bodembeheer

   

9 940

8 883

8 547

8 111

8 071

38.01.07

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Ruimte, wonen, bouwen

   

11 704

10 458

10 063

9 549

9 502

38.09

Ontvangsten

   

882

882

882

882

882

Toelichting

De inspectie levert voor de bijdragen aan de baten-lastendienst in de hieronder weergegeven zeven domeinen de volgende producten. In het meerjarenplan 2012–2016 dat in december 2011 aan de Kamer wordt gezonden, staat per domein uitgebreid beschreven welke taken worden uitgevoerd en de bijbehorende kengetallen ten aanzien van naleving, vergunningverlening en toezicht.

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Domein risicovolle bedrijven (leefomgeving)

De inspectie houdt (eerstelijns) toezicht op de naleving van de WABO en andere (internationale) milieu- en veiligheidsregelgeving bij een aantal specifieke doelgroepen.

a. Nucleair en straling (onder verantwoordelijkheid van EL&I)

De Kernfysische Dienst houdt toezicht op de naleving van de Kernenergiewet bij de nucleaire industrie in Nederland en bij alle andere branches waar radioactieve stoffen en ioniserende straling kunnen worden toegepast (bijvoorbeeld ziekenhuizen). Daarnaast adviseert de inspectie bij de vergunningverlening en levert inzet voor de crisisbeheersing bij nucleaire ongevallen.

  • Radioactieve bronnen als bijvoorbeeld ziekenhuizen en schrootbedrijven worden gecontroleerd op hun beveiligingsplan en hun beveiliging.

  • In 2012 verwerkt de inspectie meldingen van transporten nucleair materiaal en van vondsten onverwachte radioactieve bronnen.

  • De inspectie houdt in 2012 diverse bedrijfsinspecties en systeemcontroles bij nucleaire installaties en daarmee gelieerde bedrijven en faciliteert inspecties door de IAEA en Euratom.

  • Ongevallenonderzoek: de inspectie informeert de minister van EL&I periodiek over de staat van de nucleaire veiligheid bij de Nederlandse nucleaire installaties.

b. Veiligheid mens en omgeving

  • Bij het toezicht op de buisleidingexploitanten werkt de inspectie vanuit een concernbenadering samen met de branche om via een systeemgerichte toezichtbenadering een goed naleefniveau van de externe veiligheid te bereiken en te borgen.

  • Bij het toezicht op de markttoelating van ggo’s gaat het vooral om handhaving van de condities die zijn gesteld aan toelating en het weren van niet-toegelaten producten. Bij het toezicht op ggo’s bij ingeperkt gebruik, veldproeven en klinische toepassingen zet de inspectie in op het handhaven en waar mogelijk verbeteren van het niveau van ruim 80% naleving dat in het afgelopen decennium gerealiseerd is.

  • Bij het toezicht op Defensie gaat het om de naleving van rechtstreeks werkende milieuregels en de (milieu- en bouwgerelateerde) eisen uit omgevingsvergunningen (Wabo) op defensie-inrichtingen zoals vliegbases, marinehaven, kazernes, zendinstallaties, schietbanen en opslaglocaties voor gevaarlijke stoffen (inclusief munitie). Met Defensie worden waar mogelijk nalevingsconvenanten afgesloten en wordt gewerkt aan de implementatie van systeemgericht toezicht ter verhoging van zelfregulering, toezichtefficiency en de naleving.

  • Bij de zogenaamde Security inspecties controleert de inspectie de beveiliging tegen sabotage en terroristische aanslagen op de sectoren chemie en kunstmest, bij kunstmest vanwege de mogelijkheid om er explosieven van te maken. Met beide sectoren zijn afspraken vastgelegd in een tweetal convenanten.

c. Nationale en Europese verplichtingen

  • De inspectie toetst of de Wabo-vergunningen, die het bevoegd gezag verleent aan majeure bedrijven, voldoen aan de nationale en Europese milieueisen. Daarnaast adviseert de inspectie bij de verlening van dergelijke vergunningen.

  • Om een goed inzicht te krijgen in de naleving door de bedrijven en het behalen van de beoogde eisen wordt informatie- en risicogestuurd gewerkt voert de inspectie in 2012 thematische toezichtacties en trendanalyses uit, bijvoorbeeld gericht op risico’s en naleeftekorten en op de inzet van instrumenten zoals certificerende instellingen.

  • Bij zogenaamde Brzo-bedrijven (risicobedrijven die vallen onder het Besluit Risico's Zware Ongevallen 1999) ligt de verantwoordelijkheid voor toezicht bij het Wabo bevoegd gezag, de Arbeidsinspectie en de veiligheidsregio. De ILT houdt toezicht op het bevoegd gezag. Op dit moment wordt een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden om op rijksniveau de grip op de veiligheidssituatie van majeure risicobedrijven te versterken. Eén van de genomen maatregelen is dat het programma Landelijke Aanpak Toezicht (LAT) Risicobeheersing Bedrijven is gevraagd jaarlijks te rapporteren over de naleving door en de handhaving bij alle majeure risicobedrijven. Deze informatie zal worden gebruikt om na te gaan of invullende acties nodig zijn bij bedrijven die achterblijven.

  • Bij ongevallenonderzoek ligt de verantwoordelijkheid primair bij het bevoegd gezag. Ongewone voorvallen dient het bevoegd gezag te melden aan de inspectie die aanvullend onderzoek kan uitvoeren. Ook op verzoek van bijvoorbeeld de OvV of het OM levert de inspectie op aanvraag expertise of deskundigen bij ongevallenonderzoek.

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Domein rail- en wegvervoer (transport)

Taxi

De voornaamste ontwikkeling binnen het taxivervoer betreft de invoering van de Boordcomputer Taxi als gevolg van de Wet personenvervoer 2000. Vooral de naleving van de rij- en rusttijden laat te wensen over, evenals het overschrijden van de maximumtarieven. Dit blijft in de komende jaren aandacht vragen.

Bus

De inspectie houdt toezicht op de naleving van de arbeidstijdenwetgeving (ATB-V) en de Wet personenvervoer 2000. In het nationale busvervoer met zijn relatief veilige status wil de inspectie de nadruk leggen op het afsluiten van de convenanten met goed presterende bedrijven. Er wordt naar gestreefd voor het busvervoer naar het van kracht hebben van twaalf convenanten eind 2012. In 2015 wil de inspectie met alle daarvoor in aanmerking komende bedrijven een convenant gesloten hebben of bezig zijn met het traject om daartoe te komen.

Goederenvervoer over de weg

De rol van de inspectie binnen het goederenvervoer is beperkt door de enorme omvang van de modaliteit. Door het sluiten van convenanten en het daardoor beperken van de toezichtslast met de best presterende bedrijven, aangevuld met nieuwe digitale toezichtinstrumenten (digitale tachograaf) en methodieken (auditing, selfassessment) en dienstverlening vergroot de inspectie de effectiviteit en het bereik van haar toezicht. De inspectie gaat het toezicht op overbelading intensiveren en de toezichtmethodiek verscherpen. Deze taak is overgenomen van het KLPD.

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Domein scheepvaart (transport)

Binnenvaart

De taken van de inspectie op het terrein van de binnenvaart zijn vastgelegd in de Binnenvaartwet, de Scheepvaartverkeerswet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De inspectie is primair verantwoordelijk voor de handhaving van de Binnenvaartwet en het toezicht op het vervoer van gevaarlijke stoffen in de binnenvaart. De handhaving van de Scheepvaartverkeerswet is primair een taak van de politie en Rijkswaterstaat. De pleziervaart is een bijzonder terrein. De enige rol van de inspectie is hier het toezicht op de aanwezigheid van het CE-keurmerk op nieuw verkochte pleziervaartuigen.

Koopvaardij en Visserij

Het algemene beeld is dat het veiligheidsbewustzijn in de koopvaardij op een behoorlijk niveau is en de naleving op de meeste onderdelen goed (tussen de 80 en 95%). De Nederlandse koopvaardij scoort beter dan het gemiddelde over alle landen. Nederland is inmiddels ook weer teruggekeerd in de top tien van de best presterende landen.

De naleving met name op het terrein van de bemanning in de visserij baart zorgen. De visserij staat bekend als een risicovolle sector. Het percentage doden en gewonden per 10 000 medewerkers is relatief hoog.

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Domein luchtvaart (transport)

De luchtvaartsector is een hightech industrie waarin de zorg voor veiligheid vanaf haar ontstaan een van de belangrijkste oorzaken is geweest voor uitgebreide en zeer gedetailleerde internationale regelgeving. De Europese regelgeving en de Europese vormen van samenwerking nemen een steeds prominentere plaats in. Het toezicht richt zich op de hele keten: luchtvervoerders, luchtvaartuigen, technische bedrijven, grondafhandelingsbedrijven, luchtverkeersleiding, bemanning, onderhoudstechnici, keurings- en examineringsinstanties, opleidingsinstellingen, meteodiensten, het luchtruim, luchthavens en luchtvaartvertoningen. Naast toezicht op veiligheid is de inspectie wettelijk ook betrokken bij de handhaving van milieuvoorschriften met name op het gebied van geluid.

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Domein risicovolle stoffen en producten (leefomgeving)

Bij dit domein is sprake van een keten van activiteiten zoals productie, transport, opslag, verwerking en gebruik. In deze keten zijn verschillende overheidsorganen bevoegd gezag; de inspectie vervult bij een aantal onderwerpen de rol van ketenregisseur voor de onderwerpen afval, milieugevaarlijke en explosiegevaarlijke stoffen.

a. Afval

  • Bij grensoverschrijdend transport van afval richt de inspectie zich op het voorkomen van illegale import, export en doorvoer van afval; dit behelst ook het retour zenden van illegale afvaltransporten. De inspectie werkt hierbij samen met politie en douane.

  • De inspectie voert in 2012 objectinspecties uit naar de naleving van de Ecodesign richtlijn die een beperking van het energieverbruik bij elektrische apparaten beoogt.

  • De inspectie voert in 2012 bedrijfsinspecties uit naar de realisatie van de hergebruikdoelstellingen van o.a. kunststof verpakkingsafval en elektronica afval en audits bij producenten en importeurs van verpakkingen naar het verminderen van het gewicht van verpakkingsproducten.

  • Dienstverlening: de inspectie ontwikkelt methodieken voor de uitvoering van een uniforme handhavingsaanpak met de handhavingpartners, bijvoorbeeld bij de controle van de inzameling van afvalstoffen bij zeeschepen.

b. Milieugevaarlijke stoffen

Het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving rondom milieugevaarlijke stoffen is verdeeld over rijk, provincie, waterschappen en gemeenten. De inspectie is o.a. verantwoordelijk voor het toezicht op de sanering van asbestwegen, het toezicht op het verwijderen van asbest en het verbod op het verhandelen van asbest, de industriële toepassingen van biociden en de kwaliteit en samenstelling van brandstoffen. Voor wat betreft de registratie en autorisatie van chemische stoffen (REACH) investeert de inspectie in de samenwerking met o.a. de Arbeidsinspectie, nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit, Staatstoezicht op de Mijnen, douane en provincies. Internationaal wordt geparticipeerd in het Europees REACH forum.

  • De inspectie voert bedrijfsinspecties uit naar ozonlaagafbrekende stoffen die, ondanks een verbod in de EU verordening, nog steeds op de markt gebracht, verkocht en uitgestoten worden en naar de naleving van de REACH en biociden regelgeving.

  • Asbest: de sanering van de binnen de saneringsregeling vallende asbestwegen wordt afgerond. Er blijft aandacht voor meldingen van asbestwegen die buiten de regeling vallen.

c. Explosiegevaarlijke stoffen

De inspectie houdt toezicht op de naleving van de Wet explosieven voor civiel gebruik en het Vuurwerkbesluit bij o.a. producenten, transporteurs en importeurs. Zowel bij vuurwerk als bij explosieven is steeds meer sprake van een ketenbenadering.

  • Bij vuurwerk richt de inspectie zich enerzijds op het vergroten van de veiligheid van consumentenvuurwerk en anderzijds op het terugdringen van ondeugdelijk en illegaal vuurwerk. Het laatste betreft onder andere het aanpakken van de georganiseerde handel in en het tegengaan van de invoer van dit soort vuurwerk.

d. Transport van gevaarlijke stoffen

Het toezicht op het vervoer van gevaarlijke stoffen is belegd bij de vervoersdomeinen Rail- en Wegvervoer, Scheepvaart en Luchtvaart en richt zich op de grootste risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De inzet is hierbij vooral multimodaal. Ook hier ligt de nadruk op systeemtoezicht en het afsluiten van convenanten met de best presterende bedrijven. Bovendien wordt de inspectiecapaciteit zoveel mogelijk ingezet op de logistieke knooppunten.

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Domein water- en bodembeheer (leefomgeving)

In dit domein betreft het vooral de naleving van de Drinkwaterwet resp. het Besluit bodemkwaliteit waar de inspectie toezicht op houdt bij (semi) private partijen als de drinkwaterbedrijven en de bodemintermediairs. Bodemintermediairs zijn bedrijven die werken met grond, bagger en bouwstoffen; een deel van deze bedrijven heeft een erkenning nodig van het rijk.

a. Waterbeheer

Het toezicht op het waterbeheer richt zich enerzijds op andere overheden, anderzijds op private partijen bij het toezicht op de bodemintermediairs. Bij het toezicht op Rijkswaterstaat heeft de inspectie een dubbele taak. Direct toezicht op de vergunningverlenende en handhavende taken en bestuurlijk toezicht. Binnen het bestuurlijk toezicht speelt de gelaagdheid een belangrijke rol bij de invulling ervan. De provincies houden in eerste lijn toezicht op de waterschappen en de inspectie houdt toezicht op de provincies. Bij internationale verplichtingen of onderwerpen van bovenregionaal belang kan de inspectie rechtstreeks toezien op de waterschappen. Het domein Waterbeheer bevordert en bewaakt de naleving van wet- en regelgeving, waterplannen, vergunningen ed. door de waterbeheerders. Door belangrijke wijzigingen in de wet- en regelgeving zal vanaf 2012 vooral het naleefgedrag van de ondertoezichtstaande organisaties bepalend zijn voor de programmering.

b. Drinkwater

De inspectie voert het eerstelijns toezicht uit op de Drinkwaterwet. Voor wat betreft de legionella-wetgeving richt de inspectie zich op locaties waar de volksgezondheid een groot risico loopt als er legionellabacteriën in het drinkwater voorkomen. Deze zogenaamd prioritaire instellingen zijn bijvoorbeeld ziekenhuizen, campings, zwembaden, zorginstellingen en asielzoekerscentra.

  • Het toezicht van de inspectie op waterleidingbedrijven bestaat uit het beoordelen van meetprogramma’s, tarieftoezicht en het eens in de drie jaar uitvoeren van de benchmark.

  • De waterleidingbedrijven controleren de collectieve installaties; de inspectie coördineert dit, stelt de rapportages op en handhaaft bij overtredingen. Daarnaast voert de inspectie themaonderzoeken uit bij collectieve installaties en decentrale overheden.

  • De inspectie handelt in 2012 meldingen van normoverschrijdingen bij waterleidingbedrijven en eigen winningen (bedrijven die zelf grondwater oppompen voor consumptie) af en meldingen van overschrijdingen van de legionellanorm.

  • Om de naleving van de legionellavoorschriften te bevorderen voert de Inspectie ook in 2012 een communicatieplan uit. Dit plan voorziet onder andere in voorlichting d.m.v. informatiebladen via 17 brancheorganisaties.

  • Vanwege de lage naleving wordt direct proces-verbaal opgemaakt als er niets is gedaan aan legionellapreventie (risicoanalyse, beheersplan en uitvoering maatregelen).

c. Bodem

De inspectie heeft op grond van het Besluit bodemkwaliteit eerstelijns taken bij het toezicht op grondstromen en bij het private toezicht (certificering). Decentrale overheden zijn het bevoegde gezag voor het toezicht op bodemsaneringen en bodembedreigende activiteiten; de inspectie kan hiervoor wel interbestuurlijk toezicht uitvoeren. Naast de eerstelijns taken heeft de inspectie een regierol. Dit is noodzakelijk omdat meerdere toezichthouders toezicht houden op bedrijven die werken met grond, bagger en bouwstoffen.

  • De inspectie werkt via handhaving gericht op structurele overtreders en via handhaving gericht op thema’s. In het tweede geval bepaalt de inspectie op basis van gegevensanalyses waar de grootste risico’s optreden. Dit leidt tot thema’s waarvoor themaonderzoeken worden uitgevoerd.

  • Bodemintermediairs moeten een erkenning aanvragen bij AgentschapNL/Bodemplus. In 2012 toetst de inspectie aanvragen op de vraag of de aanvrager een handhavingverleden heeft. Wanneer de inspectie een negatief advies geeft weigert Bodemplus de erkenning.

  • In 2012 handelt de inspectie meldingen van overtredingen af.

  • De IOD van de inspectie streeft ernaar jaarlijks een aantal strafrechtelijke onderzoeken te doen.

Bijdrage aan de baten-lastendienst: Domein ruimte, wonen en bouwen (leefomgeving)

Ruimte

De realisatie van de nationale ruimtelijke belangen is veelal een taak van provincies en gemeenten. Het Rijk geeft hen kaders in vooral in de AMvB-ruimte en enkele sectorale besluiten. De inspectie houdt toezicht op een goede doorwerking hiervan in gemeentelijke ruimtelijke plannen en provinciale inpassingsplannen en door uitvoering van themaonderzoeken. Er speelt een aantal ontwikkelingen die van invloed zullen zijn op de huidige taken van de inspectie: in 2011 is de ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ter behandeling aan de Tweede Kamer aangeboden. Meer zal worden overgelaten aan provincies en gemeenten. Daarnaast zal nadere besluitvorming plaatsvinden over de (herijking van) de verantwoordelijkheidstoedeling van het toezicht.

  • In 2012 beoordeelt de inspectie plannen die worden aangeboden in het kader van het wettelijk vooroverleg. In ongeveer een derde van de plannen waar nationaal ruimtelijke belangen spelen geeft de inspectie een reactie op het plan, vanwege een (potentiële) strijdigheid met de regels.

  • De inspectie beoordeelt daarnaast ontwerpplannen, dit kan ertoe leiden dat de inspectie een zienswijze geeft, en (gewijzigd) vastgestelde plannen. In bijna alle gevallen volgt de gemeente de inspectie-zienswijze op.

  • De inspectie voert in 2012 een aantal themaonderzoeken uit en beoordeelt aanvragen van gemeenten om een verklaring van geen bezwaar op grond van artikel 8.9 van de Wet luchtvaart.

Wonen

De taken op het terrein van wonen zijn belegd bij gemeenten en woningcorporaties. Het toezicht is belegd bij respectievelijk de provincies en BZK/WWI. De inspectie houdt direct toezicht op de integriteit bij woningcorporaties. Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel ingediend voor de herziening van de Huisvestingswet. Dit heeft als uitgangspunt dat het bestuurlijk toezicht door de provincies zal worden uitgevoerd. Vermoedelijk tijdstip van inwerkingtreding is begin of medio 2012.

  • Huisvesting van verblijfsgerechtigden: als provincies geen uitvoering geven aan de taakstelling voorziet de inspectie door middel van in-de-plaats-treding door de minister van BZK in de uitvoering.

  • In 2012 zullen meldingen over huisvesting arbeidsmigranten en over integriteit woningcorporaties (bij het gelijknamige meldpunt) binnenkomen en afgehandeld worden.

  • Zware gevallen van integriteitschending worden door de IOD strafrechtelijk verder onderzocht; overige gevallen worden bestuursrechtelijk en/of civielrechtelijk aangepakt

  • De inspectie ondersteunt gemeenten bij de aanpak van de leefbaarheid van de woonomgeving en stelt handreikingen op.

Bouwen

De bouw kent regelgeving als bijvoorbeeld het Bouwbesluit en de Regeling energiebesparing gebouwen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor vergunningverlening en het toezicht bij de bouw en voor het toezicht op de kwaliteit van de bestaande gebouwde voorraad. Wetgeving is in voorbereiding om sancties in te voeren met betrekking tot energielabels.

  • In 2012 doet de inspectie themaonderzoeken naar constructieve veiligheid en brandveiligheid. Voor gemeenten, gebruikers en gebouweigenaren stelt de inspectie handreikingen op.

  • In 2012 wordt voortgegaan met onderzoek naar de naleving van voorschriften voor binnenmilieu bij nieuwbouwwoningen.

  • De inspectie controleert daarnaast in 2012 de verplichting tot het zichtbaar ophangen van het energielabel in publieke gebouwen.

Artikel 39 Bijdragen IF en BDU

Algemene doelstelling

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Infrastructuurfonds en de Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer (BDU) verantwoord.

Omschrijving van de samenhang van beleid

IenM levert, door middel van een beschikking BDU, een financiële bijdrage aan het regionale en lokale overheden. De voeding van het Infrastructuurfonds loopt voor het grootste gedeelte via deze IenM-begroting.

Verantwoordelijkheid

De minister is deels beleids- en deels systeemverantwoordelijk voor de gelden die lopen via het Infrastructuurfonds en systeemverantwoordelijk voor de bijdrage aan de BDU.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

39 Bijdrage aan IF en BDU

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

8 454 078

9 592 635

9 234 536

9 346 522

7 957 947

6 767 820

7 398 912

Uitgaven

8 707 892

9 585 622

9 383 403

9 364 220

9 637 742

8 446 416

9 100 212

39.01 Bijdrage aan IF

6 430 684

7 554 671

7 376 313

7 552 230

7 875 414

6 718 707

7 355 672

39.02 Bijdrage aan de BDU

2 277 208

2 030 951

2 007 090

1 811 990

1 762 328

1 727 709

1 744 540

39.09 Ontvangsten

92

0

0

0

0

0

0

39.01 Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

Motivering

Om de in de beleidsagenda genoemde uitvoeringsprioriteiten ten behoeve van de bijdrage aan het Infrastructuurfonds te kunnen uitvoeren, waarbij zo veel mogelijk de samenhang met de beleidsdoelstellingen in de begroting van IenM is aangegeven.

Instrumenten

De bijdragen/instrumenten zijn in de begroting van het Infrastructuurfonds zichtbaar.

39.02 Bijdrage aan de BDU

Motivering

Om het mogelijk te maken dat er op decentraal niveau maatwerkoplossingen kunnen worden gemaakt voor verkeers- en vervoervraagstukken.

Instrumenten

Het verstrekken van een beschikking BDU.

Artikel 40 Nominaal en onvoorzien

Algemene doelstelling

De artikelstructuur is veranderd en daarom worden geen bedragen mee rop artikel 40 (Nominaal en Onvoorzien voorheen VenW) en 62 (Nominaal en Onvoorzien voorheen VROM) geadministreerd. Artikel 99 is voor deze artikelen in de plaats gekomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)

40. Nominaal en onvoorzien

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

Artikel 41 Ondersteuning functioneren Infrastructuur en Milieu

Algemene doelstelling

Op dit artikel worden alle uitgaven opgenomen die niet specifiek aan een van de beleidsdoelstellingen uit de beleidsartikelen zijn toe te rekenen.

Omschrijving van de samenhang van beleid

Deze programmamiddelen zijn gericht op het vergroten en versterken van de strategische, bestuurlijke, wetgevende en juridische kennis van IenM, alsmede de communicatie daarover. In het kader van de vorming van één centraal apparaatartikel zijn alle apparaatsmiddelen die voorheen op dit artikel stonden, overgeboekt naar artikel 98.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)

41 Ondersteuning functioneren IenM

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

216 477

214 957

31 918

24 877

26 470

24 359

24 280

Uitgaven

236 519

229 192

34 152

27 102

26 470

24 359

24 280

41.01 Centrale diensten

116 536

121 169

27 140

20 184

19 965

17 852

17 810

41.01.01 Interne en externe communicatie IenM

8 369

9 884

3 782

3 351

3 345

3 429

3 427

41.01.02 Bedrijfsvoering IenM

45 039

43 233

0

0

0

0

0

41.01.03 Ondersteuning ambtelijke en politieke leiding

7 271

10 619

3 280

3 148

3 059

964

951

41.01.04 Internationaal beleid IenM

0

24

0

0

0

0

0

41.01.05 Wetgeving en bestuurlijk-juridische advisering

8 747

9 630

14 762

8 370

8 245

8 143

8 116

41.01.06 Financial en operational auditing

7 167

7 784

0

0

0

0

0

41.01.07 Externe oriëntatie en inspraak

5 911

7 632

0

0

0

0

0

41.01.08 HGIS-gelden

1 903

2 104

0

0

0

0

0

41.01.09 Uitgaven tbv algemeen departement en Bijdragen derden

28 570

24 758

3 231

3 231

3 231

3 231

3 231

41.01.10 Kennis Instituut Mobiliteit

3 559

5 501

2 085

2 085

2 085

2 085

2 085

41.02 Shared Services Organisatie

101 979

89 168

0

0

0

0

0

41.02.01 ICT-dienstverlening

35 070

21 821

0

0

0

0

0

41.02.02 Facilitaire dienstverlening

40 554

40 673

0

0

0

0

0

41.02.03 Personele dienstverlening

15 019

12 987

0

0

0

0

0

41.02.04 Financiële dienstverlening

8 242

8 392

0

0

0

0

0

41.02.05 Communicatie en strategie

3 094

5 295

0

0

0

0

0

41.03 Algemene uitgaven departementale onderdelen

18 004

18 855

7 012

6 918

6 505

6 507

6 470

41.03.01 Regeringsvliegtuig

6 240

7 290

6 461

6 898

6 468

6 469

6 441

41.03.02 Personeel en materieel DGMo

4 498

2 135

0

0

0

0

0

41.03.03 Personeel en materieel DGLM

4 802

5 726

0

0

0

0

0

41.03.04 Personeel en materieel DGW

2 464

3 704

0

0

0

0

0

41.03.05 Verzameluitkering

0

0

551

20

37

38

29

41.09.01 Ontvangsten

34 381

6 345

2 771

2 685

2 685

2 685

2 685

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdeel worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

Toelichting:

41.01 Centrale diensten

Bij de bestuurlijke verplichtingen gaat het om uitgaven waarover met derden afspraken zijn gemaakt die nog niet in strikte zijn juridisch verplicht zijn. De beleidsmatige verplichte uitgaven hebben betrekking op reserveringen op grond van een formele regeling of op grond van een beleidsprogramma waarmee de Tweede Kamer heeft ingestemd. De complementair noodzakelijke uitgaven zijn uitgaven die ten opzichte van de initiële verplichtingen technisch noodzakelijk zijn om de initiële verplichtingen aan haar doel te laten beantwoorden.

41.03 Algemene uitgaven departementale onderdelen

De complementair noodzakelijk uitgaven hebben geheel betrekking op de exploitatie en het onderhoud van het regeringsvliegtuig.

Operationele doelstellingen

41.01 Centrale diensten

Operationele doelstelling

Motivering

Om te zorgen voor een verbetering van de departementale effectiviteit door middel van een kwalitatief hoogwaardige ondersteuning en advisering op het gebied van: communicatie, strategie, kennis en juridische zaken.

Interne en externe communicatie IenM

Instrumenten

  • Het voeren van een effectieve en strategische communicatie op de beleidsprioriteiten en de grote projecten van IenM en het versterken en op elkaar afstemmen van de identiteit en imago van IenM.

  • Bijdragen op het gebied van Maatschappij en Verkenning (o.a. Milieu Centraal).

Ondersteuning ambtelijke en politieke leiding

  • Tijdig onderkennen van nieuwe strategische vragen en de verbinding met kennis en innovatie.

Wetgeving en bestuurlijk-juridische advisering

  • Bijdrage aan de RWT STAB.

  • Transitieprogramma werk in uitvoering.

  • Externe juridische advisering.

Uitgaven t.b.v. algemeen departement en bijdrage derden

Dit betreft het IenM-deel van rijksbrede uitgaven aan de volgende instellingen en organisaties:

  • DCC.

  • NNI.

  • Geo Delft.

Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid

Het versterken van de strategische kennisbasis voor het mobiliteitsbeleid door:

  • Het leveren van kennisproducten zoals analyses van aan mobiliteit gerelateerde trends en ontwikkelingen, (toekomst)verkenningen, scenariostudies en beleidsevaluaties.

  • Het uitbrengen van een jaarlijkse «Mobiliteitsbalans» waarin inzicht wordt gegeven in en verklaringen worden gegeven voor de ontwikkeling van de mobiliteit in Nederland en waarin een of meerdere actuele thema’s worden uitgediept.

41.03 Algemene uitgaven ten behoeve van het departement of derden

Operationele doelstelling

Regeringsvliegtuig

Instrumenten

De raming heeft betrekking op de uitgaven voor het onderhoud en de exploitatie van het regeringsvliegtuig.

Verzameluitkering

Onder verzameluitkering zijn alle financieel geringe bedragen (kleiner dan 10 miljoen euro) aan medeoverheden opgenomen. Met de verzameluitkering wordt beoogd de medeoverheden ruimte te bieden voor lokaal maatwerk zonder de administratieve lastendruk te laten toenemen (zie ook TK 2007–2008, 31 327; Stb. 2008, 312)

De Financiële-verhoudingswet geeft de wettelijke grondslag voor de verzameluitkering.

Artikel 51 Optimaliseren van de ruimtelijke afweging

Algemene doelstelling

Naarmate meer activiteiten op ons grondgebied worden uitgevoerd, wordt de locatiekeuze en het afwegingsproces belangrijker voor een succesvolle uitvoering van die activiteiten. Het handelen van de Rijksoverheid is er hierbij gericht om de nationale belangen te borgen.

Omschrijving van de samenhang van beleid

Het artikel richt zich op het zodanig beheren en ontwikkelen van instrumenten dat Rijk en andere overheden kunnen bijdragen aan het versterken en duurzaam ontwikkelen van de ruimtelijke aspecten van het economisch vestigingsklimaat in Nederland. Het betreft enerzijds het verkennen, instrumenteren en evalueren van het nationale ruimtelijke ordeningsbeleid en anderzijds er voor zorgen dat andere overheden voldoende geïnstrumenteerd zijn om hun taak op het gebied van ruimtelijke ordening te kunnen vervullen. Daarbij wordt toegewerkt naar een samenhangend en overzichtelijk stelsel van omgevingsrecht.

Verantwoordelijkheid

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor:

  • Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale kaders en wet- en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie. Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders.

  • De vernieuwing en vereenvoudiging van het omgevingsrecht.

  • Vanuit de ruimtelijke invalshoek bijdragen aan (de nieuwe) bestuurlijke structuren en inrichting.

  • Het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies.

  • Het ontwikkelen van kennis op het ruimtelijke vlak en het faciliteren van de toepassing daarvan.

  • Het ontwikkelen van visies op de nationale basisvoorzieningen, voor de interbestuurlijke geo-informatie in Nederland.

  • De structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en

  • projecten van de ruimtelijke ontwikkeling.

Externe factoren

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) stoelt op het basisprincipe dat iedere bestuurslaag verantwoordelijk is voor het eigen ruimtelijk beleid en het instrumentarium krijgt om dat beleid te realiseren. De wet geeft duidelijkheid over welke overheid waarvoor verantwoordelijk is, welke normen en kaders door de hogere bestuurslaag zijn gesteld en welke beleidsruimte dit vervolgens voor elke bestuurslaag biedt. De realisatie van de ruimtelijke doelstellingen is hierdoor mede afhankelijk van de invulling van het beleid door andere overheden.

Effecten van beleid

Zie meetbare gegevens bij de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

51 Optimalisering van de ruimtelijke afweging

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

0

41 042

44 857

36 379

31 432

29 172

28 958

Uitgaven

0

48 809

46 931

37 189

31 388

29 172

28 958

51.02 Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren

0

8 298

7 535

6 403

5 286

3 286

3 269

51.04 Coördinatie van interbestuurlijke geo-informatie

0

40 511

39 396

30 786

26 102

25 886

25 689

Ontvangsten

0

934

934

934

934

934

934

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

Toelichting:

51.02 Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren

De juridische verplichtingen betreffen uitgaven voor beheerskosten voor het digitaal uitwisselen van ruimtelijke plannen en kosten voor monitoring van de Wro. De middelen voor het Project Eenvoudig Beter (stroomlijning omgevingsrecht) zijn als bestuurlijke gebonden opgevoerd.

51.04 Coördinatie van de interbestuurlijke geo-informatie

De juridische verplichtingen betreffen de uitgaven voor de opdracht aan het Kadaster en Geonovum voor de ontwikkeling en exploitatie van basisregistraties en ontsluiting van geo-data die reeds verplicht zijn conform de wet. Bestuurlijk verplicht zijn de ontwikkeling en exploitatie van de basisregistraties waarover reeds afspraken zijn gemaakt met waterschappen, provincies, gemeenten en netbeheerders.

Operationele doelstellingen

51.02 Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren

Operationele doelstelling

Motivering

Voor de verbetering van de kwaliteit van de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland wordt structureel het ruimtelijk ontwerp in het ruimtelijke ontwikkelingsproces van visies, kaders en projecten verankerd en versterkt.

Verder worden nationale kaders voor de ruimtelijke beslissingen van provincies en gemeenten ontwikkeld (de rijksvisie) en ondersteunt het rijk de aan andere overheden toevertrouwde taken. De vernieuwing van het omgevingsrecht werkt aan een fundamentele herziening van de wet- en regelgeving, met als doel een betere samenhang waardoor het mogelijk wordt om actiever en efficiënter aan een duurzame leefomgeving te werken.

Kaders

Instrumenten

  • Wet ruimtelijke ordening: de Wro bepaalt hoe ruimtelijke plannen van Rijk, provincies en gemeenten tot stand komen en gewijzigd worden alsook de taken van de overheid en de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen.

  • De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): deze wet maakt dat voor projecten in de fysieke leefomgeving in het algemeen nog maar één omgevingsvergunning nodig is.

  • Besluit ruimtelijke ordening (Bro): het Bro bevat voorschriften die dienen ter uitvoering van de Wro.

  • Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro): indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening het noodzakelijk maken, kunnen bij Amvb regels worden gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen.

  • Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg): de Wvg heeft betrekking op de bijzondere positie bij grondverwerving door gemeenten en het toekennen van gelijke

  • bevoegdheden aan provincies en het Rijk.

  • Crisis- en herstelwet (Chw): via de Chw kunnen categorieën van projecten en concreet aangewezen projecten gebruik maken van bepaalde bestuursrechtelijke versnellingen en zijn experimenten mogelijk met gebiedsontwikkelingsplannen en innovaties.

  • MKBA gebiedsontwikkeling: instrument ten behoeve van de afweging van de maatschappelijke kosten en baten van integrale gebiedsprojecten.

Visies

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (TK 2010–2011, 32 660, nr. 17): deze geeft weer welke ruimtelijke belangen het Rijk heeft en hoe het deze wil gaan realiseren. De structuurvisie vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, grote delen van de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak, de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving.

Onderzoek en communicatie

  • RO-Online: RO-Online is de landelijke digitale registratie voor alle ruimtelijke plannen in Nederland.

  • Monitor ruimtelijke ontwikkelingen: op verzoek van de Minister van IenM rapporteert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) tweejaarlijks over de ruimtelijke ontwikkelingen.

  • Het PBL rapporteert tweejaarlijks over de werking en het gebruik van de Wro.

  • Toekomstverkenningen als basis voor de ruimtelijke visievorming, zoals het Schetsboek Ruimte voor Olympische Plannen en de Verkenning Rijksagenda Krimp en Ruimte, Verkenning voedselschaarste/voedselzekerheid.

  • Ontwerpend onderzoek ten behoeve van de ruimtelijke visievorming.

  • Ontwikkeling van kennis ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling door opdrachtverlening aan en samenwerking met vakorganisaties.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Kaders

  • Wetsvoorstel voor een Omgevingswet in 2012: In de komende jaren zal de wetgeving op het gebied van het omgevingsrecht worden herijkt. Dit moet leiden tot vermindering, versobering en vereenvoudiging van regels. Daarbij wordt gewerkt langs twee parallelle sporen. Enerzijds vindt per thema een doorlichting plaats van het omgevingsrecht. De samenhang tussen wetgeving staat daarbij centraal. Anderzijds wordt gekeken naar mogelijke vereenvoudigings- en versoberingsopties binnen bestaande wetten, waarbij wordt gestart met de Wro en het Milieurecht.

  • Permanent maken Chw door deze te verankeren in de reguliere wetgeving en enkele andere verbetering van het bestuursrecht en omgevingsrecht (quick wins).

  • De eerste aanvulling op de Amvb Ruimte treedt uiterlijk op 1 oktober 2012 in werking.

  • De digitalisering Wet ruimtelijke ordening wordt verbreed naar andere wetten op het gebied van het omgevingsrecht en koppeling van RO-online met andere aanpalende digitale registraties wordt gemaakt (en vice versa).

Onderzoek en communicatie

  • De eerste Monitor ruimtelijke ontwikkeling van het PBL verschijnt in 2012.

  • Het programma Ontwerp & Politiek is één van de instrumenten om uitvoering te geven aan de Visie Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp (VARO). In 2012 levert deze:

    • Een leerstoel Ontwerp & Politiek voor onderwijs en onderzoek op actuele beleidsopgaven, vanuit het snijvlak van planning, ontwerp en politiek. Deze levert tevens een bijdrage aan de 5e Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam.

    • Boekenreeks Design and Politics.

  • Ter voorbereiding op een te nemen besluit over de Olympische Spelen zal in 2012 gewerkt worden aan een uitvoeringsprogramma voor het ruimtelijk plan voor de Olympische Hoofdstructuur.

  • Programma ontwikkeling MKBA voor gebiedsontwikkeling is in 2012 beschikbaar.

  • In 2012 wordt de uitvoering van de acties op het gebied van de ruimtelijke ordening uit de Voortgangsrapportage Bevolkingsdaling voortgezet met aandacht voor de nieuwe krimpgebieden. De coördinatie van de Voortgangsrapportage wordt gecoördineerd door BZK.

  • IenM informeert en ondersteunt in 2012 de decentrale overheden, vooral gemeenten, om de Amvb Ruimte te implementeren. Doorwerking van nationale belangen naar bestemmingsplannen wordt hierdoor bevorderd.

Indicatoren

Indicatoren

Effectindicatoren

Basiswaarde oude Wro

Waarde onder Nieuwe Wro

Peildatum

Streefw. 1

Periode

Streefw. 2

Periode

Bron

(Instantie; publicatie)

Actualiteit bestemmingsplannen/beheersverordeningen

63% verouderd

Alle gemeenten een actualiseringprogramma

2009

100% actueel

2013

100% digitaal

2019

PBL; Monitor Wro

Beschikbaarheid structuurvisies

Onderzoek IenM

28%

2010

75%

2013

100%

2020

IenM: VROM-Inspectie"Zicht op Structuurvisies

Doorlooptijd bestemmingsplanprocedure

46 weken

17 weken

2009

< dan in 2009

2013

< dan in 2009

2020

PBL; Monitor Wro

Provincies hebben de rijksbelangen geborgd in een provinciale verordening

0%

20%

2009

50%

2010

100%

2013

IenM

 

50%

2010

         

Waardering omgevingsrecht door gebruiker

Nulmeting moet nog plaatsvinden

– 

2011

– 

2015

– 

2020

IenM

De doorlooptijd van gebiedsontwikkelingsprojecten

Nulmeting moet nog plaatsvinden

– 

2011

– 

2015

– 

2020

PBL; Monitor Wro

Toelichting:

Dit operationele doel gaat in op het ontwikkelen en onderhouden van het systeem van de ruimtelijke ordening in Nederland. Behalen van deze doelstelling heeft als effect dat ruimtelijke afwegingen integraal en gecoördineerd plaatsvinden, zowel verticaal (tussen bestuurslagen) als horizontaal (tussen departementen). Een belangrijk instrument hierbij is de Wro. De Wro is een procedurewet en richt zich hierbij vooral op de manier waarop de ruimtelijke ordening vorm krijgt. De effectindicatoren geven voor enkele belangrijke instrumenten uit de Wro de stand van zaken weer en geven hiermee een beeld in hoeverre invulling is gegeven aan de systeemverantwoordelijkheid van de Minister.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

51.04 Coördinatie van interbestuurlijke geo-informatie

Operationele doelstelling

Motivering

Dit operationele doel gaat in op het ontwikkelen en onderhouden van de infrastructuur van de geo-informatie in Nederland. Het Ministerie van IenM is sinds het Besluit Informatievoorziening Rijksdienst verantwoordelijk voor de coördinatie van de geo-informatie. Het belang van geo-informatie voor de maatschappij is groot, omdat het gebruik van geo-informatie de dienstverlening van de overheid verbetert, een adequate analyse en afweging in beleidsketens mogelijk maakt, het de administratieve lastendruk van bedrijven en burgers vermindert en het helpt bij het voorkomen en opsporen van fraude.

Instrumenten

Kaders

  • Wet basisregistratie Kadaster en Topografie met bijbehorende ministeriële regelingen;

  • Wet basisregistraties Adressen en Gebouwen met bijbehorende Amvb’s en ministeriële regelingen;

  • Wet en amvb’s implementatie Europese richtlijn Inspire: harmonisatie van ruimtelijke gegevens;

  • Wet in ontwerp: Basisregistratie Ondergrond en Basisregistratie Grootschalige Topografie;

  • Besluit Informatievoorziening Rijksdienst 1991.

Visies

  • Nota Gideon: Basisvoorziening geo-informatie.

Onderzoek en communicatie

  • Het GI-beraad is een strategisch adviesorgaan van de Minister bestaande uit de publieke partijen;

  • De Geomeeting is het reguliere overleg tussen overheid, bedrijfsleven en wetenschap;

  • Het Nationaal Geo-register is een elektronische voorziening waarin de relevante geografische overheidsbestanden zijn opgenomen. Deze bevat ook het register voor Inspire (Europese Richtlijn voor harmonisatie van geo-informatie);

  • IenM is opdrachtgever voor het Kadaster als uitvoerder van de (landelijke voorziening) van de basisregistraties, waarmee de geo-basisinfrastructuur in Nederland wordt gevormd. Ook is IenM opdrachtgever voor Geonovum voor wettelijke verplichtingen in het kader van de Europese richtlijn Inspire;

  • Bijdragen aan vakorganisaties: de Minister van IenM verleent doelsubsidies aan enkele vakorganisaties (Geonovum, Stichting arbeidsmarkt Geo etc). Hun activiteiten leveren een bijdrage aan het realiseren van de beleidsdoelstellingen van IenM; Geonovum voor standaardisatie van ruimtelijke informatie, Stichting arbeidsmarkt Geo voor stimulering van de arbeidsmarkt.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Invoering van verplicht gebruik door alle overheden van Basisregistratie Adressen en Gebouwen;

  • Inrichting shared service geo-informatie infrastructuur;

  • Voorbereiding landelijke implementatie en daadwerkelijke realisatie Basisregistratie Grootschalige Topografie;

  • Voorbereiding landelijke implementatie en daadwerkelijke realisatie Basisregistratie Ondergrond;

  • Data annex 1 Europese richtlijn Inspire voldoen aan eisen conformiteit.

Indicator(en)

Effectindicatoren

Basiswaarde

Peildatum

Streef-waarde 1

Periode

Streefwaarde 2

Periode

1 Gebruik nationaal Georegister

Index is 100

1-1-2011

Index is > 100

2011

Gebruik relevante overheidsbestanden 100%

2014

2 Implementatie Inspire

Inspire-monitor indicatoren

15-5-2010

Beter dan 2010-

Beter conform Inspire

2013

Volledig Inspire Compliant

2016

3 Gebruik basisregistraties:

           

– BAG

           

– Overige

0%

1-1-2011

10%

2011

>90%

2014

 

0%

1-1-2011

% > in 2011

2011

>90%

2014

Bronnen: 1. Geonovum, 2. Geonovum en Rapportage EU en 3. Kadaster

Toelichting:

De beschikbaarheid en het daadwerkelijke gebruik van publieke geo-informatie binnen de overheid en het gebruik door het bedrijfsleven is de meetlat voor de stand van zaken en geeft daarmee een beeld in hoeverre invulling is gegeven aan de systeemverantwoordelijkheid van de Minister.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

Artikel 52 Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid

Algemene doelstelling

Het Rijk zet het ruimtelijk beleid in ten behoeve van een concurrerend, leefbaar en veilig Nederland, door een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de reiziger voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit met elkaar verbindt.

Omschrijving van de samenhang van beleid

Hervormingen Kabinet Rutte-Verhagen nr. 7 Infrastructuur: Decentralisatie Ruimtelijke Ordening:

In 2011 is het roer van de nationale ruimtelijke ordening omgegooid in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte: het ruimtelijk beleid is voor een belangrijk deel gedecentraliseerd en het Rijk beperkt zich tot een selectief aantal nationale belangen. De focus van IenM op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling richt zich op het versterken van de ruimtelijk-economische structuur. De eerste operationele doelstelling richt zich op het ontwikkelen en uitvoeren van het ruimtelijk beleid in algemene zin, de tweede operationele doelstelling richt zich op de realisatie van concrete ruimtelijke projecten die bijdragen aan deze hoofddoelstelling.

Verantwoordelijkheid

Zoals aangegeven in de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • Het creëren van ruimtelijke voorwaarden voor een goede ontwikkeling van de ruimtelijk-economische structuur.

  • Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid.

  • Het waarborgen van een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving, waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Externe factoren

De Wro stoelt op het basisprincipe dat iedere bestuurslaag verantwoordelijk is voor het eigen ruimtelijk beleid en het instrumentarium krijgt om dat beleid te realiseren. Minder regels, decentraal wat kan en meer uitvoeringsgericht. Bemoeienis met een andere overheid is alleen mogelijk indien de noodzaak vanuit het eigen ruimtelijke belang kan worden aangetoond. De Wro geeft duidelijkheid over welke overheid waarvoor verantwoordelijk is, welke normen en kaders door de hogere bestuurslaag zijn gesteld en welke beleidsruimte er vervolgens voor elke bestuurslaag is.

Effecten van beleid

In samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving en het Kennisinstituut voor Infrastructuur en Milieu zullen de indicatoren in 2012 worden uitgewerkt.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

52. Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

0

33 328

6 623

10 999

5 372

6 123

5 747

Uitgaven

0

93 575

68 272

45 874

29 490

18 361

5 527

52.04 Behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit

0

8 639

4 864

7 149

789

1 178

0

52.04.03 Mooi Nederland

0

4 019

1 495

1 400

400

800

0

52.04.09 Bufferzones

0

3 661

2 963

5 369

0

0

0

52.04.10 Overige instrumenten behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit

0

959

406

380

389

378

0

52.06 Integrale ruimtelijke projecten van nationale betekenis:

0

84 142

62 614

35 769

25 720

14 202

2 559

52.06.01 Projecten gebiedsontwikkeling

0

69 170

60 724

33 886

23 618

12 238

0

52.06.10 Overige instrumenten gebiedsontwikkeling

0

14 094

1 890

1 883

2 102

1 964

2 559

52.06.16 Het Waddenfonds

0

878

0

0

0

0

0

52.08 Stimuleren van de architectonische kwaliteit met betrekking tot het interdepartementale architectuurbeleid:

0

794

794

2 956

2 981

2 981

2 968

Ontvangsten

0

7 105

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

Toelichting:

52.04 Behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit

Juridisch verplicht zijn de bijdragen aan gebiedsontwikkeling. Bestuurlijk gebonden zijn overige materiële middelen ten behoeve van de uitvoering van regelingen.

52.06 Integrale, ruimtelijke projecten van nationale betekenis

Juridisch verplicht zijn toezeggingen in het kader van projecten met betrekking tot de Nota Ruimte, BIRK en NSP.

52.08 Stimuleren van de architectonische kwaliteit met betrekking tot het interdepartementale architectuurbeleid

De beleidsmatig gebonden middelen betreffen de jaarlijkse bijdrage van IenM voor het Atelier van de Rijksbouwmeester.

Operationele doelstellingen

52.04 Behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit

Operationele doelstelling

Motivering

Deze operationele doelstelling betreft de uitvoering van het rijksbeleid zoals verwoord in de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en richt zich hierbij op de 13 nationale belangen:

  • 1. Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren.

  • 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke culturele en natuurlijke kwaliteiten.

  • 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten.

  • 12. Ruimte voor militaire terreinen activiteiten.

De overige nationale belangen uit de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn ondergebracht bij de volgende begrotingsartikelen:

  • 5. Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief achterlandverbindingen (artikel 34).

  • 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en water (artikel 34).

  • 7. Het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen (artikel 34).

  • 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (artikel 60).

  • 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (artikel 60).

  • 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond (artikel 60).

  • 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem en water) en bescherming tegen geluidoverlast en externe veiligheidsrisico’s (artikelen 60).

  • 9. Ruimte voor waterveiligheid, duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling (artikel 31).

  • 13. Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen (artikel 51).

Kaders

Instrumenten

  • AMvB Ruimte; zie artikel 51.

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte; zie artikel 51.

  • Besluit ruimtelijke ordening (Bro); zie artikel 51.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Algemeen

  • De Amvb Ruimte is in zijn geheel vastgesteld.

  • In het Bro is een motiveringseis opgenomen dat de voorkeursvolgorde voor verstedelijking regelt.

  • Samen met het PBL is de Monitor Nota Ruimte omgevormd naar een monitor ruimtelijke ontwikkelingen.

Gebiedsgericht

  • Coördinatie in drie regio’s van de ruimtelijke en infrastructurele maatregelen via MIRT-gebiedsagenda’s vindt in 2012 plaats.

  • Er wordt gewerkt aan alternatieve verdienmodellen, financieringsvormen en allianties voor gebiedsontwikkeling.

Thema’s

  • Handreiking erfgoed en ruimte is gereed.

  • Op basis van de Randstadmonitor is een monitor concurrentiekracht opgesteld.

  • Monitor van kwaliteitsontwikkeling landschappelijke en cultuurhistorische waarden wordt ontwikkeld.

  • Ontwikkelen van een kennisinfrastructuur die past bij de decentralisatie van het RO-beleid.

  • Uitwerken van een nieuwe architectuurnota op basis van de evaluatie van de huidige Visie Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp.

  • Standaardisatie van de inbreng van natuur, landschap en cultuurhistorie in MKBA.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

52.06 Integrale, ruimtelijke projecten van nationale betekenis

Operationele doelstelling

Motivering

Gebiedsontwikkeling is de inrichting van een gebied met één of meerdere functies (zoals wonen, werken, mobiliteit) waarbij vaak meerdere partijen betrokken zijn in veelal langdurige samenwerkingsverbanden. IenM staat met integrale gebiedsontwikkeling een duurzame ruimtelijke inrichting van Nederland voor. In 2011 heeft daarom een herijking plaatsgevonden van de huidige gebiedsontwikkelingsprojecten. Uitgangspunt was een scherpere prioritering én de verantwoordelijkheid neerleggen waar deze hoort.

Instrumenten

MIRT gebiedsagenda’s: De acht gebiedsagenda’s geven de ontwikkeling per regio weer, die Rijk en regio gezamenlijk voorstaan met betrekking tot de beleidsvelden mobiliteit, wonen, werken, natuur en landschap, water en ruimtelijke ordening. De vastgestelde gebiedsagenda’s zijn in 2011 geactualiseerd, op grond van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De actualisatie heeft geleid tot een scherpe prioritering van Rijk en regio (meer informatie in het MIRT projectenboek 2012).

Kaders

  • Het MIRT Projectenboek: Het MIRT projectenboek is de ruimtelijke investeringsagenda van de fysieke departementen. Doel van het MIRT is het realiseren van beter afgestemde en inhoudelijk samenhangende investeringen in het ruimtelijk domein. De samenvattingen van deze gebiedsagenda’s zijn opgenomen in het MIRT Projectenboek.

  • Rijksinpassingsplannen: De Minister van IenM is op grond van de Wro (mede)bevoegd gezag voor alle Rijksprojecten die door middel van een Rijkscoördinatieregeling of Rijksinpassingsplan tot stand komen.

  • Toezicht: Het Rijk zal door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen.

Projecten

  • Urgentieaanpak: Op basis van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, blijft er directe rijksbetrokkenheid bij 3 gebieden: Rotterdam (Stadshavens en omgeving), Schiphol/Haarlemmermeer en Amsterdam/Almere en Eindhoven Brainport. Voor deze gebieden wordt in een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak afspraken gemaakt over de versnelling van lopende en geplande projecten.

  • Nieuwe verdienconstructies: uitwerken van innovatieve financieringsmogelijkheden en opheffen van belemmerende regelgeving om realisering van nationale opgaven te versnellen en vereenvoudigen.

  • Nota Ruimtebudget: Het budget is een extra impuls voor de versterking van de economische concurrentiepositie, krachtige steden en platteland, borging belangrijke ruimtelijke waarden en borging van veiligheid. Beoogd wordt alle projecten te decentraliseren. Dit wordt in de loop van 2012 verder onderzocht.

  • Nieuwe Sleutel Projecten (NSP): de financiële bijdrage van IenM wordt ingezet ter ontwikkeling en versterking van zes centra in nationale stedelijke netwerken door (her)ontwikkeling van HSL-stations en de nabije omgeving. Het betreft: Den Haag, Rotterdam, Breda, Utrecht, Arnhem en Amsterdam (Zuidas). Alle projecten behalve de Zuidas zijn in uitvoering. Voor de Zuidas wordt in 2012 de tracéwetprocedure doorlopen.

  • Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK): het BIRK wordt ingezet ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in stedelijke centra of stedelijke gebieden. De projecten zijn volop in uitvoering. De financiële bijdrage van een groot aantal projecten is in 2011 overgemaakt naar het gemeentefonds, waarmee de projecten gedecentraliseerd zijn. Van de overige projecten wordt in 2012 bezien of decentralisatie mogelijk is.

  • Convenant bedrijventerreinen: de convenantspartijen maken in 2012 de tussenbalans op over de voortgang van de uitvoering van de provinciale herstructureringsprogramma’s. Vervolgens vindt een evaluatie plaats van de aanpak en voortgang van de inhaalslag herstructering waarmee de rijksactiviteiten in het kader van het convenant bedrijventerreinen worden afgerond.

  • Kantoren: de aanpak van de leegstand van kantoren is in 2011 vormgegeven. In 2012 wordt de rijksbetrokkenheid bij het programma afgebouwd omdat vervolgacties plaatsvinden op regionaal/lokaal niveau ofwel besloten liggen in de herziening van het omgevingsrecht.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Beslissing over welke projecten met een bijdrage uit het NR budget en BIRK projecten wel en niet gedecentraliseerd worden.

  • Eindrapportage van het programma NederLandBovenWater.

  • Vaststelling van de concept-Rijksstructuurvisie Rijk-Regio programma Amsterdam – Almere – Markermeer (RRAAM) vastgesteld zodat het Kabinet een besluit kan nemen over de drievoudige ambitie, inclusief financiering.

  • Vaststelling van de rijksstructuurvisie voor het gebied Haarlemmermeer/Schiphol met bijbehorende uitvoeringsagenda en implementatie via de AMvB LIB.

  • Vaststelling van de Structuurvisie Zuidas.

  • Oplevering van de eerste projectonderdelen Stadshavens als onderdeel van het nationaal programma Rotterdam-Zuid en afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst met de gemeente Rotterdam en het Havenbedrijf Rotterdam voor de realisatie van het deelgebied Merwe-Vierhavens.

  • Invullen van de rol van (mede) bevoegd gezag van de Minister van IenM bij circa 25 rijksinpassingsplannen.

  • Afronden en evalueren van de pilotprojecten «verzakelijking bedrijventerreinen»; lessen worden getrokken voor het structureel betrekken van private partijen bij het bedrijventerreinenbeleid («verzakelijking»)

  • Het Waddenfonds is gedecentraliseerd. Het definitief te decentraliseren bedrag wordt in 2012 vastgesteld.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

52.08 Stimuleren van de architectonische kwaliteit met betrekking tot het interdepartementale architectuurbeleid

Operationele doelstelling

Motivering

Het is van belang om «een goede ruimtelijke ordening» in alle ruimtelijke plannen te hebben. De Minister van IenM is hierbij verantwoordelijk voor het ruimtelijk integrerende deel van het interdepartementale Architectuurbeleid. De Minister coördineert daartoe op rijksniveau de sectoroverstijgende adviezen van het College van Rijksadviseurs (CRA). Via de nota Een Cultuur van Ontwerpen – visie architectuur en ruimtelijk ontwerp wordt ingezet op de verdere versterking van de rol, positie en profilering van het ontwerp (architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur). Daar waar het Rijk zelf verantwoordelijk is voor thema’s en prioritaire gebieden wordt ruimtelijk ontwerp vroegtijdig en structureel ingezet in eigen rijksprojecten en -programma’s. Daar waar anderen verantwoordelijk zijn voor ruimtelijke thema’s of gebieden stimuleert en faciliteert het Rijk hen om ontwerp vroeg en structureel in te zetten met een landsdekkende ontwerpinfrastructuur.

Instrumenten

Bestuurlijk:

Visie Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp (Een Cultuur van Ontwerpen).

Financieel:

Er is sprake van eeninvestering in landsdekkende ontwerpinfrastructuur en mede-investering in ontwerpprojecten.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Ondersteuning van ontwerpprojecten:

  • Ontwerpend onderzoek in zes rijksprojecten (Zuidas, Groen Blauwe Delta, Rotterdam Zuid, Rijnmond-Drechtsteden, Olympische Hoofdstructuur, Knooppunten) in het kader van de vijfde Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (Making City).

  • De Studio Unsollicited Architecture van het Nederlands Architectuur Instituut.

  • Ontwerpprijzen Europan, StedenbouwNU. Via de StedenbouwNU-prijs stimuleren de Ministers van IenM, OCW en Atelier Rijksbouwmeester de Nederlandse stedenbouw en landschapsarchitectuur. Via het Stimuleringsfonds voor Architectuur (SfA) Het SfA is een van de landelijke cultuurfondsen en ondersteunt culturele projecten die betrekking hebben op het ruimtelijk ontwerp en de ruimtelijke inrichting.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

Artikel 53 Klimaat en Luchtkwaliteit

Algemene doelstelling

Het tegengaan van klimaatverandering door menselijke beïnvloeding, als ook de vermesting van het milieu en aantasting van de gezondheid door luchtverontreiniging.

Omschrijving van de samenhang van beleid

In het klimaatbeleid is sprake van drie sporen:

  • Voor de periode 2008–2012 moet Nederland in het kader van het Kyoto-protocol onder een plafond blijven van jaarlijks gemiddeld 200,3 Mton CO2 (inclusief JI/CDM).

  • Voor de middellange termijn, tot en met 2020, gaat het Kabinet uit van de doelen uit het Europees klimaat- en energiepakket.

  • Voor de lange termijn, 2 050, geldt de mondiale doelstelling om de temperatuurstijging wereldwijd gemiddeld onder de 2 graden te houden.

In het luchtkwaliteitsbeleid is er eveneens sprake van drie sporen:

  • Uitvoering van het in 2009 van kracht geworden Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) ter implementatie van EU-normen voor NO2 en fijn stof.

  • Verdere uitvoering van de in 2001 in de Wet milieubeheer (Wm) en het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) geïmplementeerde National Emissions Ceilings-richtlijn (NEC-richtlijn) met emissieplafonds voor 2010 voor zwaveldioxide (SO2), stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3) en vluchtige organische stoffen (NMVOS) en de specifieke doorvertaling daarvan naar de verschillende sectoren.

  • In 2011/2012 in internationaal verband vaststellen van nieuwe emissieplafonds voor 2020, die tot aanpassing van de NEC-richtlijn leiden en voor de luchtkwaliteit in Nederland en omringende landen een belangrijke kwaliteitsimpuls zijn.

Verantwoordelijkheid

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor:

  • De coördinatie van het Nederlandse klimaatbeleid en zorg dragen voor de inbreng in internationale kaders.

  • De coördinatie van het reductiebeleid van overige (niet CO2) broeikasgassen (met uitzondering van methaan en lachgas in de landbouw), de CO2 emissie-eisen aan voertuigen, in de transportsector en de introductie en duurzaamheid van biobrandstoffen in het vervoer.

  • Het emissiehandelssysteem: de Nederlandse Emissieautoriteit toetst als onafhankelijk toezichthouder de naleving van de regels voor emissiehandel.

  • De implementatie van de Europese F-gassen verordening in verband met regulering van productie, consumptie en gebruik van ozonlaagafbrekende stoffen en voor de Nederlandse inbreng in het internationale beleid ter bescherming van de ozonlaag.

  • Het luchtkwaliteitsbeleid en voor de Nederlandse inbreng daarover in de internationale kaders.

  • Het treffen van emissiebeperkende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit is voor een belangrijk deel de verantwoordelijkheid van IenM (eisen aan industriële installaties via de implementatie van de EU Richtlijn Industriële Emissies, NOx– emissiehandel en in EU-verband stellen van normen aan voertuigen en (bio)brandstoffen).

  • De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) coördineert het energiebeleid. EL&I is verantwoordelijk voor de reductie van CO2 in de energiesector en de industrie, in de glastuinbouw, voor het beleid voor afvang en opslag van CO2 en voor de reductie van de broeikasgassen methaan en lachgas in de landbouw. EL&I is ook verantwoordelijk voor het mechanisme van Joint Implementation (JI). Samen met het Clean Development Mechanism (CDM) bij IenM, is dit een internationaal mechanisme om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.

  • De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de reductie van CO2 in de gebouwde omgeving.

  • De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de mede op milieugrondslag gebaseerde belastingen op onder andere voertuigen, brandstoffen en energie.

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling is afhankelijk van:

  • Voldoende adequate afspraken op Europees en mondiaal niveau over bronbeleid en van

  • Draagvlak en verantwoordelijkheidsbesef in de samenleving (bedrijven, burgers en overheden) om de gestelde doelen te verwezenlijken en indien noodzakelijk het eigen gedrag daartoe aan te passen.

Effecten van beleid

Zie meetbare gegevens bij de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

53. Klimaat en luchtkwaliteit

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

0

51 518

76 595

73 537

30 695

24 288

16 231

Uitgaven

0

76 317

74 454

72 691

30 695

24 288

16 231

53.08 Tegengaan klimaatverandering

0

12 466

11 547

10 435

11 436

12 184

9 442

53.14 Verbeteren luchtkwaliteit

0

46 239

39 924

54 151

12 626

5 366

2 713

53.16 Stimuleren van duurzame mobiliteit

0

13 281

14 576

2 189

2 391

2 497

1 024

53.18 Bevorderen duurzame industrie

0

4 331

8 407

5 916

4 242

4 241

3 052

Ontvangsten

0

0

0

700 000

700 000

700 000

700 000

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

Toelichting:

53.08 Tegengaan klimaatverandering en bescherming van de ozonlaag

De juridisch gebonden bedragen zijn het gevolg van in eerdere jaren verstrekte subsidies. De bestuurlijk gebonden budgetten betreffen voornamelijk de bijdrage aan de NEa. Beleids gebonden budgetten betreffen de Kyoto/roadmap 2 050 inspanningen.

53.14 Verbeteren luchtkwaliteit

De juridisch verplichte budgetten betreffen uitgaven met betrekking tot de uitvoering van het NSL. De beleidsmatig gebonden budgetten betreffen onderzoekskosten (opdracht aan ECN en inzake verzuring).

53.16 Stimuleren duurzame mobiliteit

De juridisch verplichte budgetten betreffen de uitvoeringskosten voor de bepaling van verkeersemissies. Beleidsmatig gebonden zijn de budgetten voor de stimulering van verkeersmaatregelen (o.a. roetfilters).

53.18 Het bevorderen van duurzame industrie

Beleidsmatig gebonden zijn de budgetten voor de uitvoering van diverse regelingen door AgentschapNL. Bestuurlijk gebonden zijn de uitgaven verbonden aan uitvoeringskosten voor emissiereducties bij de industrie. Beleidsmatig gebonden is het budget voor de uitvoering van de ProMT (milieutechnologie).

Operationele doelstellingen

53.08 Tegengaan klimaatverandering en bescherming van de ozonlaag

Operationele doelstelling

Motivering

Klimaatverandering is een probleem dat op wereldschaal opgelost moet worden. De motivering van het klimaatbeleid ligt in de volgende doelstellingen:

  • Nederland kent in het kader van het Kyoto-protocol een verplichting om de nationale broeikasgasemissies in de periode 2008–2012 met 6% te reduceren ten opzichte van 1990.

  • Voor 2020 geldt voor de Europese ETS-bedrijven een plafond dat 21% lager ligt dan de uitstoot in 2005.

Voor de sectoren die niet onder het ETS (Emission Trading System) vallen, geldt een doelstelling van 104,6 Mton CO2– equivalenten in 2020. De raming voor de niet ETS sectoren voor 2020 is 98,8 Mton. Daarmee is de doelstelling – zonder inzet van reducties in het buitenland – haalbaar. De raming is exclusief het effect van de invoering van 130 km/u en de wijzigingen in de fiscale stimulering van zuinige auto’s en ook exclusief de effecten van de Green Deal in de SDE+.

Tussen de departementen is onderstaande afspraak gemaakt over de verdeling van de emissieruimte in 2020:

Tabel Niet ETS CO2-eq. Raming Mton voor 2020

CO2 industrie en energie

CO2 verkeer en vervoer

CO2 Gebouwde omgeving

CO2 Land- en tuinbouw

Overige broeikasgassen Landbouw

Resterende overige broeikasgassen

EL&I

IenM

BZK

EL&I

EL&I

IenM

10,7

35,0 plus effect 130 km/h en wijziging fiscaliteit

22,5

5,75

16

8,8

Toelichting:

In deze tabel zijn de ramingen per sector weergegeven. In de brief «Kabinetsaanpak klimaatbeleid op weg naar 2020» is opgenomen, dat indien in een sector tegenvallers optreden, die samenhangen met (de uitvoering van) beleid van het vakdepartement, de voor deze sector verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen zal nemen.

  • In de Europese Raad is afgesproken om voor 2050 te streven naar een EU reductie van broeikasgassen met 80%-95% ten opzichte van 1990, in de context van de noodzakelijke reducties volgens het IPCC door de groep van ontwikkelde landen, als bijdrage aan de 2-graden doelstelling.

  • Om de concentraties van ozonlaagafbrekende stoffen te verminderen zijn in internationaal verband afspraken gemaakt. Aantasting van de ozonlaag leidt tot verhoogde UV-straling waardoor gezondheidsproblemen, met name huidkanker en oogproblemen zoals staar, toenemen. De meeste ozonlaagafbrekende stoffen zijn ook zeer sterke broeikasgassen.

  • In 2020 moet een aandeel van 10% hernieuwbare energie in het vervoer bereikt zijn. Dit komt overeen met een emissiereductie van tussen de 3 en 3,5 Mton CO2 in 2020, mede afhankelijk van de ontwikkeling van soorten biobrandstoffen («tweede generatie») die mogen dubbeltellen in het halen van deze doelstelling. Stapsgewijs wordt naar de doelstelling voor 2020 toegewerkt, waarbij de tussendoelen tot en met 2014 al zijn vastgelegd.

  • Beperking van de emissieruimte via het emissiehandelssysteem (ETS) en het CO2– kostenvereveningssysteem voor de glastuinbouw.

  • Internationale normstelling, bijvoorbeeld voor de CO2– uitstoot van nieuwe voertuigen en elektrische apparaten.

  • Convenanten en afspraken met verschillende sectoren en bedrijven (industrie, energie, landbouw, verkeer en vervoer en gebouwde omgeving) en met medeoverheden.

  • Fiscale faciliteiten zoals de energie-investeringsaftrek.

  • Kennisoverdracht en -ontwikkeling, en een op innovatie gerichte transitiebenadering.

  • Aanvullen en/of aanscherpen van afspraken in internationale verdragen.

  • Ter aanvulling op nationaal beleid het aankopen van CO2-rechten via het Clean Development Mechanism en Joint Implementation (CDM/JI, zie hiervoor artikel 57).

  • Nederland wil op EU-niveau het indirect landgebruik op een adequate manier meegewogen hebben in de duurzaamheidsbeoordeling. Het ontwikkelen van duurzaamheidseisen voor vaste biomassa voor energie wordt opgepakt in samenwerking met het bedrijfsleven, waarbij de voorkeur is om deze in Europees verband te realiseren.

  • Mondiale samenwerking via onder met het Global Bio-Energy Partnership (GBEP) en het Biodiversiteitsverdrag, waar wordt ingezet op (vrijwillige) internationale afspraken over duurzaamheid en bescherming van gebieden die rijk zijn aan biodiversiteit en koolstofvoorraad.

Instrumenten

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Klimaatbeleid (CO2 en overige broeikasgassen)

  • In 2012 loopt het Reductieprogramma overige broeikasgassen af. Daarmee zijn grote reducties behaald: 45% vermindering van emissies ten opzichte van het basisjaar 1990. Het doel blijft in samenwerking met de sectoren zoveel mogelijk verlagen van de emissies van methaan, lachgas en de gefluoreerde broeikasgassen: SF6, PFK’s en HFK’s. Voor een aantal kansrijke bronnen zal het reductiebeleid in 2012 worden voortgezet.

  • De Europese F-gassen verordening is in 2011 geëvalueerd. Dit leidt mogelijk tot herziening die in 2012 in de Nederlandse regelgeving moet worden geïmplementeerd.

  • Vervolg op de eind 2011 uitgebrachte routekaart klimaat 2050. In de routekaart wordt aangegeven langs welke wegen Nederland zich kan ontwikkelen tot een klimaatneutrale samenleving (low-carbon economy), zodanig dat ook het verdienpotentieel voor de Nederlandse economie wordt bevorderd.

  • Het vervolg in 2012 bestaat uit het ontwikkelen van beleidsopties, pilots en het in kaart brengen en wegnemen van belemmeringen voor klimaatmaatregelen door bedrijven, deels als onderdeel van de lokale klimaatagenda.

  • Het uitvoeren van de lokale klimaatagenda 2011–2014. Een belangrijk deel van de uitvoering van het klimaatbeleid vindt plaats door inspanningen van lokale overheden. Samen met lokale bestuurders is de lokale klimaatagenda samengesteld, waarin uitvoering, versnelling, kennisdeling en opschaling van succesvolle rendabele klimaatinitiatieven centraal staan.

Emissiehandel

  • De realisatie van het afgesproken emissieplafond is gegarandeerd doordat de bedrijven die onder het ETS al hun emissies in 2012 zullen moeten afdekken met emissierechten, onder toezicht staan van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa).

  • Implementatie van de herziening van het emissiehandelssysteem ETS in de EU wordt in 2012 afgerond.

  • IenM werkt aan maatregelen om fraude of misbruik van het ETS verder tegen te gaan door nadere regelgeving en een betere uitvoering (ETS register).

  • In Europees verband wordt de Nederlandse inzet geleverd in het Comité Klimaatverandering ten aanzien van de EU-besluiten ter uitwerking van de ETS-richtlijn.

  • Ten behoeve van een gelijk speelveld draagt IenM in het International Carbon Action Partnership bij aan het overdragen van expertise aan landen die willen beginnen aan emissiehandel. Daarnaast werkt IenM aan harmonisatie van de uitvoering van het ETS in de EU door het delen van beste praktijken in het EU ETS Compliance Forum.

  • IenM stelt in 2012 het nationaal toewijzingsbesluit vast voor toewijzing van emissierechten voor de periode 2013–2020. Daarnaast besluit IenM over de toewijzing aan de nieuwkomers (startende ETS-bedrijven of uitbreidingen).

  • In opdracht van IenM vinden in 2012 één of twee veilingen van emissierechten plaats van in totaal 4 miljoen emissierechten.

Bescherming van de ozonlaag

  • Jaarlijkse voortgangsrapportage aan de Europese Commissie en het UNEP Ozon-secretariaat.

  • In Europees verband bijdragen aan (aanscherping van de) internationale afspraken over de bescherming van de ozonlaag in samenhang met het tegengaan van klimaatverandering. In 2012 zet IenM onder andere in op afspraken over:

  • beperking van de quota voor productie en consumptie van de ozonlaagafbrekende stoffen;

  • terugbrengen van het gebruik van methylbromide voor quarantaine toepassingen en voorafgaand aan vervoer (onder andere gassen van containers);

  • klimaatvriendelijke alternatieven voor HCFKs; en

  • vernietiging van CFK’s in bestaande toepassingen (met name in ontwikkelingslanden).

Hernieuwbare energie in het vervoer (nationaal, Europees en mondiaal)

  • Het verwezenlijken van de jaardoelstelling door middel van een verplichting voor degenen die in 2012 biobrandstoffen op de markt brengen om 4,5% daarvan in de vorm van hernieuwbare energie te realiseren, waaronder duurzame brandstoffen.

  • Het verbreden van het toepassen van hernieuwbare energie voor het vervoer naar de luchtvaart en de binnenvaart (dit laatste mede afhankelijk van de uitvoeringslasten en van stappen die in omringende landen worden gezet).

  • Oplevering van een geautomatiseerd register, te beheren door de NEa, waarmee bedrijven per 2013 de vereiste transacties registreren.

  • In Brusselse onderhandelingen wil Nederland bereiken dat de effecten van indirecte verschuiving van landgebruik voor de productie van biobrandstoffen mee worden genomen in de duurzaamheidbeoordeling, leidend tot een aanpassing van de Europese wetgeving.

  • Ontwikkeling van duurzaamheidscriteria voor het gebruik van vaste biomassa voor energie, bij voorkeur in Europees verband.

Indicatoren

Ontwikkeling doelstelling hernieuwbare energie

Jaar

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2020

%

2

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5.5

10

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

53.14 Verbeteren Luchtkwaliteit

Operationele doelstelling

Motivering

Slechte lucht schaadt, vooral bij langdurige blootstelling, de gezondheid en heeft negatieve effecten op de natuur. Daarom dient de luchtkwaliteit te verbeteren. In Europees verband zijn normen vastgesteld waar Nederland aan moet voldoen. IenM zorgt voor de Nederlandse inbreng bij het tot stand komen van de Europese richtlijnen en let daarbij op hetgeen in Nederland redelijkerwijs haalbaar is.

  • Wet- en regelgeving: de Wet milieubeheer hoofdstuk 5 (Wet luchtkwaliteit), AMvB’s: besluit derogatie, besluit richtwaarden, Besluit gevoelige bestemmingen, Besluit Niet In Betekenende Mate bijdragen; ministeriële regelingen zoals de Smog regeling en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit; het NSL, de jaarlijkse monitoring NSL; de EU richtlijn 2008/50/EG (luchtkwaliteitsrichtlijn), de EU richtlijn 2001/81/EG (NEC-richtlijn), de Conventie inzake Grensoverschrijdende luchtverontreiniging over grote afstand (CLRTAP).

  • Financiële prikkels en fiscale instrumenten: subsidieverlening aan lokale overheden in het kader van het NSL, en subsidieregelingen en fiscale prikkels voor bronmaatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.

Instrumenten

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Luchtkwaliteit

  • Op basis van de monitoringsgegevens wordt voor 1 oktober een jaarlijkse rapportage over luchtkwaliteit aan de Europese Commissie gestuurd over het voorgaande jaar.

  • In november 2012 komt de derde monitoring van het NSL gereed.

Emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen

  • In 2012 zullen de definitieve emissiecijfers van 2009 worden gerapporteerd van de stoffen die vallen onder de NEC-richtlijn. 2010 is het eerste jaar waarin aan de emissieplafonds op grond van de NEC-richtlijn moet worden voldaan.

  • De tweejaarlijkse voortgang van de NEC-richtlijn wordt in kaart gebracht in de Balans voor de Leefomgeving.

  • IenM werkt in VN-verband (VN Economische Commissie voor Europa) aan nieuwe emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen. Naar verwachting zal dit in 2011/2012 leiden tot vaststelling van nieuwe emissieplafonds voor 2020/2030. Deze emissieplafonds worden vervolgens in de Nederlandse wet- en regelgeving geïmplementeerd.

Indicatoren

Tabel Emissies 1990, 2000, en 2009, doelstellingen en prognoses 2012 en 2015 (kton/jr)
 

1990

2000

2009

2010

2010

2012

2015

       

Gotenburg Protocol

NEC-Richtlijn

Raming PBL1

Raming PBL1

SO2

192

73

38

50

50

41

41

NOx

563

394

279

266

260

259

237

NH3

356

162

125

128

128

PM

124

VOS

464

232

154

191

185

PM

146

Bron: Nederlandse rapportage aan Conventie inzake luchtverontreiniging over grote afstand (CLRTAP), 15 februari 2011. http://cdr.eionet.europa.eu/nl/eu/colqt3lza Eén kiloton (Kton) is één miljoen kilogram.

1

Raming PBL van mei 2011 (publicatienummer 5002530020) is de meest recente raming met betrekking tot vermelde stoffen.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

53.16 Stimuleren Duurzame Mobiliteit

Operationele doelstelling

Motivering

Het verkeer, exclusief internationale lucht- en scheepvaart, neemt in Nederland 19% van de uitstoot van alle broeikasgassen voor zijn rekening en is daarmee op de energiesector na de grootste veroorzaker van klimaatverandering. Daarnaast draagt het verkeer bij aan andere milieuproblemen, zoals luchtverontreiniging. Zo komt 63% van de NOx emissies in Nederland van het verkeer. Om schadelijke gezondheidseffecten weg te nemen en om te voorkomen dat toekomstige generaties met de milieugevolgen van mobiliteit worden belast, moeten broeikasgassen en luchtverontreinigende emissies van het verkeer sterk worden gereduceerd.

  • Wet- en regelgeving voor voer- en vaartuigen: EU Richtlijnen (NEC) en EU Verordeningen (CO2– normstelling voor voertuigen en Euronormen voor voertuigen en emissienormen voor NOx en PM10 voor vaartuigen en andere mobiele machines), nationaal milieuzones voor vrachtwagens en het NSL.

  • Wet- en regelgeving ter implementatie van EU-richtlijnen ten aanzien van de brandstofkwaliteit en hernieuwbare energiebronnen, gericht op vermindering van de CO2-emissies als gevolg van de inzet van fossiele motorbrandstoffen.

  • Subsidieverlening, zoals de stimulering van de aankoop van Euro VI-vrachtauto’s en bussen.

  • Fiscale instrumenten, zoals de fiscale bijtelling van de auto van de zaak, de differentiatie van Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM) en de Motorrijtuigenbelasting (MRB).

  • Voorlichting en kennisoverdracht op het gebied van duurzame mobiliteit.

  • Vrijwillige afspraken met marktpartijen en andere overheden, zoals het convenant over milieuzonering.

Instrumenten

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door het verkeer

  • Publicatie van het Brandstofverbruikboekje 2012.

  • Komen tot een voorstel voor een typekeuringsmethodiek in UN-ECE verband voor bepaling van de CO2– emissies van personenauto’s.

  • Komen tot een voorstel voor een EU-verplichting dat nieuwe benzineauto’s op afzienbare termijn geschikt moeten zijn voor biobrandstoffen (flexfuel).

  • Publicatie van een aangepast energielabel voor personenauto’s.

  • Indien in 2011 geen substantiële mondiale klimaatafspraken voor de internationale zeescheepvaart kunnen worden gemaakt, zal IenM zich conform de afspraken in de Europese Raad en op basis van een voorstel van de Europese Commissie, inzetten voor de totstandkoming van Europese afspraken, die volgens de Europese Commissie in 2016 in werking zouden kunnen treden.

Vermindering van de uitstoot van luchtverontreinigende emissies door het verkeer

  • In januari 2012 start de stimulering van de in bedrijfname van Euro VI- vrachtauto’s en bussen met als doel in 2012 tweeduizend toegelaten voertuigen in Nederland. Dit leidt tot een jaarlijkse emissiereductie van 1,6 kton NOx vanaf 2014 en draagt bij aan het wegnemen van luchtkwaliteitknelpunten op het hoofdwegennet.

  • IenM zal de realisatie van 3 prijswinnende milieuverbeterplannen voor de vermindering van de uitstoot van NOx en fijnstof door binnenvaartschepen financieren en de met de milieuverbeterplannen opgedane kennis verbreiden binnen de sector.

  • Voor retrofit dual fuel vrachtwagens, die tegelijkertijd op zowel aardgas of LPG als op diesel rijden, loopt een testprogramma, op grond waarvan Nederland in 2012 een typegoedkeuringsmethode zal vaststellen om te borgen dat de emissie van luchtverontreinigende stoffen en de veiligheid aan de eisen blijven voldoen.

  • Publicatie van de aangescherpte kwaliteitseisen aan retrofit bij LPG-installaties.

Indicatoren

Indicator

Basiswaarde 1990

Peiljaar 2009

Streefwaarde 20121

NOx

327,0 Kton

170 Kton

158,0 Kton

SO2

18 Kton

3 Kton

4,0 Kton

PM10

20 kton

10 kton

NH3

1 Kton

3 Kton

3,0 Kton

NMVOS

181 Kton

45 Kton

55,0 Kton

CO2

30 Mton

38 Mton

38,7 Mton

Gemiddelde CO2– emissie nieuwe personenauto’s

170 g/km (2005)

135 g/km

120 g/km (2015)

     

95 g/km (2020)

Bron: Milieu- en Natuurcompendium PBL/CBS, 14 september 2010

1

De streefwaarde 2012 is gelijk aan de in het kader van de NEC-richtlijn vastgestelde emissieplafonds voor 2010. Eind 2011 worden in het kader van het Gotenburg-protocol nationale emissieplafonds voor 2020 vastgesteld. Binnen EU-verband worden deze plafonds in 2013 vastgelegd. Nederland zal deze emissieplafonds versleutelen naar emissieplafonds voor sectoren.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

53.18 Het bevorderen van duurzame industrie

Operationele doelstelling

Motivering

De industrie, inclusief de elektriciteitsproductie, speelt een sleutelrol in het bereiken van een duurzame samenleving, niet alleen als een bron van milieubelasting maar ook als bron van innovatieve oplossingen voor milieuproblemen. Een deel van die milieuproblemen wordt veroorzaakt door luchtverontreinigende emissies. De Minister van IenM is verantwoordelijk voor het ontwikkelen en uitvoeren van beleid dat zich richt op het tegengaan van luchtverontreiniging. Europese afspraken over de milieukwaliteit, zoals vastgelegd in de NEC-richtlijn en de richtlijn voor luchtkwaliteit, maken de komende jaren een verdere reductie noodzakelijk, rekening houdend met de economische groei. Deze paragraaf beperkt zich tot luchtverontreiniging; het onderdeel emissiehandel broeikasgassen is opgenomen in operationeel doel 53.08.

  • Wet- en regelgeving: normstelling voor de uitstoot van industriële installaties is in veel gevallen het belangrijkste instrument. De basis voor de normstelling ligt veelal in de Richtlijn industriële emissies, die wordt doorvertaald naar de Nederlandse situatie via algemene regels en vergunningen. Dit geldt ook voor de milieuverslaglegging: grote bedrijven rapporteren jaarlijks volgens Europese regels hun emissies en/of afvoer van afval via het elektronisch milieujaarverslag.

  • Financiële prikkels en fiscale instrumenten: milieu-innovatie wordt gestimuleerd via fiscale instrumenten die zijn gekoppeld aan de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting. Dit zijn de milieu-investeringsaftrek (MIA), de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) en de Regeling Groenprojecten.

  • Kennisoverdracht en -ontwikkeling: kennis wordt overgedragen via een helpdesk van AgentschapNL.

  • Samenwerking met de industrie en andere overheden: met koplopers in het bedrijfsleven, brancheorganisaties en andere overheden vindt overleg plaats en worden afspraken gemaakt over de invulling van milieutaakstellingen.

Instrumenten

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Tegengaan van luchtverontreiniging

  • Afronding implementatie van de Richtlijn industriële emissies inclusief de gerelateerde vereenvoudiging van Nederlandse regelgeving over industriële emissies en bijbehorende invoeringsbegeleiding en ICT-ondersteuning van vergunningverleners (gemeenten, provincies, waterschappen, Rijkswaterstaat) en het bedrijfsleven.

  • De Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) is vereenvoudigd en wettelijk verankerd in het Activiteitenbesluit als vangnet voor situaties waar Europese regelgeving nog niet voorziet in voldoende normstelling.

  • Bijdrage van Nederland aan de totstandkoming in de EU van nieuwe BREF’s (BAT Referentiedocumenten) die innovatie in de industrie stimuleren, zodat milieudoelen binnen bereik blijven en meer ruimte ontstaat voor economische en ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat om BREF’s voor grote stookinstallaties, organische bulkchemie en monitoring. De definitieve documenten moeten eind 2012 gereed zijn.

  • De fiscale regelingen MIA, VAMIL en Groenprojecten worden uitgevoerd. Met fiscale voordelen, in totaal ter grootte van ruim € 300 mln, worden goedkope financieringsmogelijkheden geschapen voor milieuvriendelijke investeringen die bijdragen aan de doelen van het milieu- en natuurbeleid van heel IenM en EL&I.

  • Het sectorplafond voor fijn stof voor 2010 is behaald. Het beleid richt zich thans op het behalen van de plafonds in 2015 en 2020. De maatregelen hiertoe zijn beschreven in het NSL. Zie ook tabel 53.5 voor ontwikkeling van het plafond.

Indicatoren

Tabel Sectorplafond fijnstof
 

Realisatie 2008

Doelstelling 2010

Doelstelling 2015

Doelstelling 2020

PM10 emissie industrie (incl. op- en overslag) in Kton

10,8

10

10,5

10,0

Bron: Fijn stof en BBT: Achtergrondrapportage Actieplan Fijn Stof en Industrie (juni 2008); Actieplan Fijn stof en Industrie (juni 2008), VROM

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

Artikel 54 Duurzaam produceren

Algemene doelstelling

Het zorgen dat nu en in de toekomst verstandig wordt omgegaan met de aarde, haar natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit, gericht op een planeetvriendelijke economie.

Omschrijving van de samenhang van beleid

Het winnen van grondstoffen, het maken en gebruiken van producten en het ontstaan van afval zorgt voor milieudruk. Het is zaak deze milieudruk te beperken zodat een goede milieu- en leefomgevingskwaliteit behouden blijft of ontstaat, ook voor toekomstige generaties en mensen in andere landen. Daarmee wordt gezorgd dat het vermogen van bodem en water om ecosysteemdiensten te leveren en te voorzien in onze behoeften voor wonen, voedselvoorziening, economische activiteiten en recreatie voor de maatschappij behouden blijft. Met haar beleid voorkomt de Rijksoverheid afwenteling (naar elders en later) van de milieudruk en ondersteunt innovatie rondom duurzaamheid.

Verantwoordelijkheid

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor:

  • De milieu-aspecten van duurzame ontwikkeling.

  • De sturing van het afvalstoffenbeleid en het producten- en materialenbeleid.

  • Het ontwikkelen van nationaal en gebiedsspecifiek beleid om de milieukwaliteit van water en bodem te waarborgen.

  • Het scheppen van de kaders voor een duurzaam gebruik van hulpbronnen en ecosysteemdiensten.

Externe factoren

Essentieel is de betrokkenheid en inzet van maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven, overheden en burgers. Een groot deel van de inzet is op de internationale gremia gericht: veel van de regelgeving wordt in Europees verband vormgegeven.

Effecten van beleid

Meetbare effectgegevens zijn opgenomen bij de operationele doelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

54. Duurzaam produceren

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

0

20 558

22 351

20 693

16 384

15 466

15 277

Uitgaven

0

133 690

110 158

46 348

16 809

15 466

15 277

54.14 Reductie van milieubelasting door (ketengericht) afval- en productenbeheer

0

118 775

100 320

35 141

9 062

9 538

9 385

54.16 Verbeteren van Milieukwaliteit van Bodem en Water

0

4 633

3 575

3 866

3 867

3 858

3 836

54.26 Duurzaam gebruik van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen

0

10 282

6 263

7 341

3 880

2 070

2 056

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

Toelichting:

54.14 Reductie van milieubelasting door (ketengericht) afval- en productenbeheer

De juridisch verplichte bedragen betreffen voor het grootste deel de betaling aan het Afvalfonds. Bestuurlijk gebonden uitgaven betreffen voornamelijk de uitvoering van de opgedragen taken aan AgentschapNL. Beleidsmatig gebonden budgetten betreffen uitgaven voor onderzoek, innovatie en duurzaam inkopen.

54.16 Verbeteren van milieukwaliteit van bodem en water

Budgetten voor ondermeer de coördinatie van de NEN-werkzaamheden zijn juridisch verplicht. Budgetten voor onderzoek en uitvoering van taken zijn bestuurlijk gebonden.

54.26 Duurzaam gebruik van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen

De juridisch verplichte bedragen betreffen uitvoeringskosten voor gebiedsspecifieke maatregelen landelijk gebied en het bevorderen van duurzame landbouw. Bestuurlijk gebonden budgetten hebben vooral betrekking op de ILG-middelen in relatie tot het gebiedenbeleid van het Ministerie van EL&I.

Operationele doelstellingen

54.14 Reductie van milieubelasting door (ketengericht) afval- en productenbeheer

Operationele doelstelling

Motivering

IenM zet concrete stappen om bedrijven te stimuleren en faciliteren om slimmer om te gaan met grondstoffen, materialenkringlopen verder te sluiten, meer waarde uit afval te halen (zowel voor het milieu als de economie) via grondstoffenrotondes, ketenverduurzaming, eco-innovatie en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Naast milieuwinst leidt dit ook tot het versterken van de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven.

Instrumenten

Voor het bereiken van de doelen binnen het afvalbeleid en het producten- en grondstoffenbeleid worden verschillende instrumenten ingezet.

  • Op gebied van afval- en productenbeleid wordt de wet- en regelgeving grotendeels Europees vastgesteld. Het afvalbeleid kent zowel algemene regelgeving (Kaderrichtlijn Afvalstoffen) als richtlijnen voor afvalbeheerswijzen, afzonderlijke afvalstoffen en milieugericht productenbeleid.

  • Via producentenverantwoordelijkheid zijn producenten en importeurs (mede) verantwoordelijk voor afvalpreventie en het beheer van hun producten in het afvalstadium.

  • De verwerking van afvalstoffen wordt verder gestuurd door de in het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) opgenomen minimumstandaarden.

  • Aanvullend kunnen beleidsafspraken en convenanten met het bedrijfsleven en overheden worden gemaakt, zoals de Raamovereenkomst verpakkingen.

  • Het instrument Duurzaam Inkopen door overheden biedt handvatten voor overheidsinkopers (onder meer in de vorm van duurzaamheidscriteria) die worden gebruikt bij inkopen en aanbestedingen.

  • Het bedrijfsleven wordt via programma’s ondersteund om te komen tot ketenverduurzaming, maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en eco-innovatie.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

Uitvoering van de interdepartementale Duurzaamheidsagenda

  • De interdepartementale duurzaamheidsagenda wordt samen met het bedrijfsleven uitgevoerd en de coördinerende rol van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu voor nationale duurzaamheid krijgt verder vorm.

  • Nederland draagt bij aan de herziening van de Richtlijn Eco-design met als inzet een verbreding naar alle relevante milieugevolgen en in beginsel alle producten.

  • De MVO monitor waarmee het niveau van ondernemen transparant kan worden gemaakt, wordt gestimuleerd in meerdere sectoren. Het bedrijfsleven wordt gefaciliteerd bij eco-innovatie, door voortzetting van het programma MKB Doe Mee en de ontwikkeling van nieuwe modellen voor duurzaam ondernemen.

  • De systematiek van Duurzaam Inkopen wordt aangepast, waardoor het inkoopproces zal verbeteren. Innovatie wordt gestimuleerd via vijf concrete en grootschalige initiatieven (de elektrische auto, rijksgebouwen, woningen, scholen en duurzame wegen) en via het versterken van de rol van overheidsinkopers als eerste gebruikers van innovaties.

Uitvoering van de Afvalagenda

  • Het afronden van de verkenning voor een Nederlands afvalpreventieplan (zoals voorgeschreven in de Kaderrichtlijn Afval).

  • De publicatie van een herzien Besluit beheer verpakkingen en papier en karton.

  • Afronden van alle projecten uit de eerste ronde van de 7 prioritaire materiaalketens uit LAP2. Daarnaast opschaling naar nationale schaal van geslaagde projecten waar milieuwinst is geboekt, teneinde in 2015 voor tenminste vier ketens 20% milieuwinst te kunnen boeken.

  • In het kader van de zogeheten grondstofrotondes worden, in samenwerking met bedrijfsleven, kennisinstituten en andere betrokkenen, voor vier materiaalstromen (kunststof, textiel, fosfaat en elektr(on)ische apparaten) activiteiten ontplooid om meer afval hoogwaardiger te verwerken en daarmee meer waarde uit afval te halen.

  • Het stimuleren en vereenvoudigen van nuttige toepassing van afvalstoffen. Bedrijven en burgers worden uitgenodigd voorstellen te doen om wetgeving te verlichten, waarvan er minimaal 3 actief worden opgepakt.

  • In samenwerking met de recyclingsector worden nationale «end of waste» criteria voor puingranulaat gemaakt. End of waste criteria leiden tot een hogere kwaliteit van secundaire grondstoffen en geven een positieve impuls voor de recycling en daarmee besparing om primaire grondstoffen.

  • Implementatie van de wijziging van de RoHS-richtlijn (Restriction on Hazardous Substances), betreffende beperking van het gebruik van gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur.

Grafiek Ontwikkeling afvalaanbod en -toepassing

Grafiek Ontwikkeling afvalaanbod en -toepassing

Toelichting:

In maart 2010 is het gewijzigde Landelijk afvalbeheersplan (LAP) 2009–2021 van kracht geworden. In dat plan zijn kwantitatieve en kwalitatieve doelen geformuleerd. De indicatoren in bovenstaande grafiek zijn gekoppeld aan de kwantitatieve doelen voor 2015 en 2021 (punten bij 2015 en 2012).

De lijn «Afvalaanbod volgens BBP 1985–2000» geeft aan wat het afvalaanbod in de periode 1985–2000 zou zijn geweest als het dezelfde groei als het BBP had gevolgd.

De lijn «Afvalaanbod prognose 2000–2012» geeft aan hoe in het eerste LAP werd voorzien dat het afvalaanbod zich zou ontwikkelen volgens een toen opgesteld beleidsscenario.

De lijn «Afvalaanbod prognose 2006–2021» geeft aan hoe in het tweede LAP afvalbeheersplan wordt voorzien dat het afvalaanbod zich zal ontwikkelen volgens het beleidsscenario.

Het verschil tussen de drie Afvalaanbodlijnen en de lijn «Werkelijke afvalhoeveelheid» geeft aan hoeveel preventie is bereikt. In 2000 en 2006 zijn breuken te zien in de Afvalaanbodlijn vanwege nieuwe scenario’s en prognoses in het eerste en tweede LAP.

Verder is in de grafiek te zien hoeveel afval nuttig is toegepast, is verbrand en is gestort. Er zijn bij het LAP, en dus deze indicator, buiten 2015 en 2021 geen tussendoelen geformuleerd, met name vanwege de verschillende looptijden tussen het treffen van maatregelen en het effect daarvan.

De kwalitatieve doelen richten zich onder meer op het realiseren van een gelijkwaardig Europees speelveld, verduurzamen van materiaalketens en het bevorderen van marktwerking en innovatie. Deze doelen zijn niet in de vorm van een indicator uit te drukken.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

54.16 Verbeteren van milieukwaliteit van bodem en water

Operationele doelstelling

Motivering

Het borgen en verbeteren van de milieukwaliteit van bodem en water is van belang om de vele functies van bodem en water te beschermen, zoals de voedsel- en drinkwatervoorziening en de natuur. Verontreiniging moet daarom zo veel mogelijk worden voorkomen en duurzaam gebruik gestimuleerd.

Instrumenten

Afhankelijk van de fase van het beleidsproces, de (inter)nationale context en de betrokken doelgroep, worden verschillende instrumenten ingezet:

  • Europese richtlijnen, zoals de Kaderrichtlijn Water en de Grondwater- Zwemwater- en Drinkwaterrichtlijn.

  • Nationale wet- en regelgeving, zoals de Wet bodembescherming, de nieuwe Drinkwaterwet en besluiten zoals het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water.

  • Communicatie/beleidsoverdracht: Toegankelijk maken van kennis over bodem- en waterbeheer via websites en handreikingen voor andere overheden.

  • In specifieke gevallen worden beleidsafspraken en convenanten met het bedrijfsleven en overheden gemaakt, zoals het Bestuursakkoord Water.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Het realiseren van het »digitaal bodemfunctie- en bodemkwaliteitskaartsysteem». Dit systeem zal een volledig beeld geven van de bodemkwaliteit in Nederland. Met behulp van dit systeem kunnen voor het eerst op landelijke schaal de effecten op de bodemkwaliteit worden beoordeeld.

  • De inwerkingtreding van de AMvB Modernisering Stortbesluit.

  • Het uitbrengen van een handleiding voor andere overheden voor het toepassen van een toetsingskader voor het duurzaam gebruiken van de ondergrond, als onderdeel van het afwegingskader in de structuurvisie ondergrond.

  • Publicatie ontwerp Zwemwaterwet, waarmee de veiligheid en hygiëne van zwemwater wordt geborgd en innovatie wordt gestimuleerd.

  • Het uitbrengen van een beleidsnota drinkwater met het oog op de implementatie van de nieuwe regelgeving op het gebied van drinkwater en inbreng ten behoeve van de 2e generatie stroomgebiedsbeheerplannen Kaderrichtlijn water.

  • Rapportage aan de Tweede Kamer van een evaluatie van het Uitvoeringsprogramma Diffuse Bronnen Waterverontreiniging. De inzet is erop gericht de activiteiten van het uitvoeringsprogramma onder te brengen in het sectorale bronbeleid.

Indicator(en)

Indicator

Basiswaarde

Peildatum

Streefwaarde 1

Periode

Streefwaarde 2

Periode

1) Aantal en % vastgelegde gebieden op bodem-kwaliteitskaarten

200 (50%)

2007

300 (75%)

2009

408 (95%)

2012

2) Percentage meetresultaten die voldoen aan de wettelijke normen voor drinkwaterkwaliteit

99,90%

2004

99,90%

2009

99,90%

2012

3) Mate waarin drinkwaterbedrijven beschikken over goedgekeurde leveringsplannen

50%

2008

100%

2011

100%

2012

4) Mate waarin drinkwaterbedrijven voldoen aan de wettelijke leveringszekerheidsnorm

70%

2008

90%

2010

100%

2015

5) Percentage zwemlocaties die voldoen aan Zwemwaterrichtlijn

99% zoet

2008

100%

2009

100%

2015

 

100% zout

2008

100%

2009

100%

2015

Bron: AgentschapNL

Toelichting:

  • 1) Gemeenten zijn reeds enige jaren bezig met het vastleggen van de bodemkwaliteit van hun beheersgebied op een bodemkwaliteitskaart. Via de Impuls Lokaal Bodembeheer is dit proces in een versnelling gebracht.

  • 2-4) De indicatoren met betrekking tot de drinkwaterbedrijven betreffen de essentiële elementen van de drinkwatervoorziening: kwaliteit en continuïteit. De eisen ten aanzien van continuïteit hebben een wettelijke basis gekregen in de nieuwe Drinkwaterwet (2009). De verplichting om over een goedgekeurd leveringsplan te beschikken, de daaraan te stellen eisen en de leveringszekerheidsnorm zijn vastgelegd in de nieuwe Drinkwaterwet. De basiswaarde is gebaseerd op een inschatting in hoeverre drinkwaterbedrijven hierop vooruitlopend al aan de inhoudelijke vereisten voldoen.

  • 5) De indicatoren voor zwemwater worden vastgesteld op grond van de verplichte jaarlijkse rapportages van de waterbeheerders over de kwaliteit van het zwemwater.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

54.26 Duurzaam gebruik van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen

Operationele doelstelling

Motivering

Ecosystemen leveren allerlei producten en diensten aan de samenleving, zoals voedsel en grondstoffen. Deze ecosysteemdiensten worden gebruikt om de milieukwaliteit te verbeteren en om een bijdrage te leveren aan het oplossen van het klimaatvraagstuk. Hierbij gaat het om de nutriëntencyclus, het watervasthoudend en zelfreinigend vermogen van de bodem, waterzuivering en natuurlijke ziekte- en plaagregulatie.

Instrumenten

Afhankelijk van de fase van het beleidsproces, de (inter)nationale context en de te bereiken doelgroep, worden verschillende instrumenten ingezet:

Wet- en regelgeving gericht op de landbouw: Nitraatrichtlijn, Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, National Emission Ceilings (NEC)-richtlijn en algemene regels voor agrarische bedrijven, zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit.

Ontwikkeling van economisch instrumentarium dat duurzaam gebruik van ecosysteemdiensten bevorderd dan wel verdere aantasting voorkomt (onder meer via innovatieve financieringsmechanismen).

Uitvoeren van voorbeeldprojecten om de effectiviteit van maatregelen vast te stellen en de bewustwording voor duurzame agrarische bedrijfsvoering te vergroten.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Vervolg van het interdepartementale Beleidsprogramma op het gebied van biodiversiteit.

  • Middels een vervolg op het project Functionele Agrobiodiversiteit (FAB), wordt naast natuurlijke gewasbescherming ingezet op de integratie van bodem-ecosysteemdiensten in het praktisch bodemgebruik- en beheer. De meetresultaten en de lessen uit pilots worden gebruikt voor actualiseren van het handboek «Referenties Biologische Bodemkwaliteit».

  • De biociden in de categorie hoog-risico zullen ofwel een toelatingsbeoordeling hebben ofwel van de markt zijn gehaald. Ook zal de Verordening biociden geïmplementeerd worden.

  • Aanscherpen van het gewasbeschermingsmiddelenbeleid aan de hand van invoering van reële emissiecijfers naar oppervlaktewater in de toelatingsbeoordeling.

  • Uitvoeren van een actieplan voor aanpassing van bestaande stallen aan emissiegrenswaarde voor ammoniak uit het Besluit huisvesting veehouderij. Aanvullen van het bestaande Besluit huisvesting veehouderij met emissienormen voor fijn stof (conform Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Voorbereidingen voor een certificeringsysteem voor stallen, gericht op het beëindigen van de activiteiten van dit ministerie op dit gebied.

  • Aanscherpen van emissienormen voor ammoniak door een wijziging van het Besluit Huisvesting, ter uitvoering van de PAS (Programmatische Aanpak Stikstof).

Indicatoren

Indicatoren duurzame landbouw

Indicator:

Basiswaarde

Peildatum

Streefwaarde 1

Periode

Streefwaarde 2

Periode

1. Ammoniak: totale emissie van alle doelgroepen (bron: Milieubalans 2007)

133 kiloton

2003

128 kiloton

2010

(Europees)

118

2020

2. Gewasbeschermingsmiddelen: procentuele vermindering van de milieubelasting t.o.v. 1998 (bron: Nota duurzame gewasbescherming)

50%

2001

75%

2005

95%

2012

3. Meststoffen: nitraatgehalte in het grondwater (bron: Evaluatie Meststoffenwet 2007)

Circa 75 mg/l zandgrond

2006

Nitraat: gemiddelde concentratie in water van zandgronden: 58 mg/l Fosfaat: evenwichtsbemesting

2015

50 mg/l

lange termijn

4. Fijn stof, aantal overschrijdingen van de normen voor fijn stof

   

0% van de veehouderijbedrijven overschrijdt de norm

2012

   

5. Natuurlijke hulpbronnen: Aandeel van het op de Nederlandse markt ingekocht hout dat duurzaam wordt geproduceerd

15%

2005

>50%

2012

   

Toelichting:

  • 1. Ammoniak; de indicatoren zijn ontleend aan de emissieplafonds uit de EU-NEC-richtlijn, de tweede streefwaarde is mede afhankelijk van de uitkomsten van de onderhandelingen over de emissieplafonds 2020.

  • 2. Gewasbeschermingsmiddelen; de indicatoren voor de procentuele vermindering van de milieubelasting zijn ontleend aan de doelstellingen van de Nota Duurzame Gewasbescherming en de balans van de leefomgeving 2010.

  • 3. Meststoffen; de indicatoren voor nitraat zijn ontleend aan de doelstellingen van de EU-Nitraatrichtlijn en het in dat kader bij de Europese Commissie ingediende 4e Nitraatactieprogramma.

  • 4. Fijn stof; de indicator voor fijn stof is ontleend aan het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

  • 5. Natuurlijke hulpbronnen; Monitoring vindt plaats door middel van de «Monitor aandeel duurzaam hout Nederlandse markt».

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

Artikel 56 Risicobeleid

Algemene doelstelling

Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. Voor externe veiligheid garandeert de overheid een zgn. basisveiligheidsniveau.

Omschrijving van de samenhang van beleid

Veel veiligheids- en risicobeleid speelt zich af in een maatschappelijk en wetenschappelijk complexe nationale en internationale omgeving. Het verantwoord omgaan met onzekerheden en risico’s vergt maatwerk en proactief handelen van de overheid bij het beheersen van de risico’s.

IenM voert de regie op het omgaan met risico’s gericht op een veilige, gezonde en duurzame woon- en leefomgeving. De aandacht is daarbij primair gericht op externe veiligheid en het beheersen van (mogelijke) risico’s van chemische stoffen, elektromagnetische velden (EM-velden), en genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) voor mens en milieu, ook als dit het gevolg is van dreiging door moedwillige verstoring.

Verantwoordelijkheid

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor:

  • Het ontwikkelen en coördineren van het Rijksbeleid met betrekking tot chemische stoffen en de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van chemische stoffen en nanodeeltjes

  • De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met ggo’s, en de ontwikkeling en uitvoering van nationaal en EU beleid in bredere zin.

  • De bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke gevaren van elekromagnetische velden.

  • Het zo goed als redelijkerwijs mogelijk beschermen van mens en maatschappij tegen de referentiedreigingen van moedwillige verstoring van de vitale infrastructuur van de sector chemie.

  • Het ontwikkelen en coördineren van het Rijksbeleid met betrekking tot externe veiligheid bij gevaarlijke stoffen in inrichtingen, en het transport van gevaarlijke stoffen per water, rail, weg en buisleidingen.

  • Het ontwikkelen en coördineren van het asbestbeleid en het intensiveren van het bronbeleid naar aanleiding van het Gezondheidsraadadvies over asbest.

  • De beleidsacties die voortkomen uit: de Strategienota Omgaan met Stoffen, de nota Nuchter Omgaan met Risico’s, de kabinetsvisie betreffende het WRR- en Gezondheidsraad- advies over voorzorg, de Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid en de Strategienota Omgaan met Risico’s van Nano(deeltjes).

Externe factoren

Het behalen van de algemene beleidsdoelstelling hangt af van factoren als internationale ontwikkelingen en de stand van de techniek. Essentieel is de betrokkenheid van een groot aantal maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven, overheden en burgers.

Effecten van beleid

Het is niet mogelijk een indicator te creëren en te presenteren die aangeeft in welke mate deze algemene beleidsdoelstelling is bereikt.

Daarom is gekozen voor het opstellen en gebruiken van specifieke deelindicatoren voor de risico’s op het gebied van chemische stoffen, nanodeeltjes, milieu & gezondheid, ggo’s, en Externe Veiligheid (transport, inrichtingen en buisleidingen)die recht doen aan de vastgestelde specifieke doelen en normen op deze gebieden. Deze indicatoren zijn bij de operationele doelen opgenomen. De feitelijke risico’s worden bepaald en afgewogen tegen deze doelen en normen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

56. Risicobeleid

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

0

78 227

35 599

9 188

11 582

40 787

70 475

Uitgaven

0

84 609

40 341

14 585

15 958

40 787

70 475

56.34 Veilig gebruik van chemische stoffen

0

4 555

4 218

3 363

3 426

3 613

3 598

56.38 Bescherming tegen straling

0

1 493

1 977

1 512

1 363

1 953

1 943

56.40 Verantwoorde toepassing van ggo's

0

1 832

2 421

1 942

2 202

3 187

3 173

56.42 Beheersing van risico's die samenhangen met externe veiligheid

0

76 729

31 725

7 768

8 967

32 034

61 761

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

Toelichting:

56.34 Veilig gebruik van chemische stoffen

De opdrachten die juridisch verplicht zijn betreffen onderzoek en uitvoeringskosten van het beleid op het gebied van chemische stoffen. Bestuurlijk gebonden zijn budgetten zoals die met betrekking tot de relatie tussen gezondheid en milieu.

56.38 Bescherming tegen straling (elektromagnetische velden)

Het juridisch verplichte deel betreft de uitvoering van het meerjarig onderzoekprogramma elektromagnetische velden en het kennisplatform.

56.40 Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's )

Jaarlijks wordt aan het RIVM de toezegging gedaan voor de COGEM. Daarnaast is het programma biotechnologie opgedragen. Deze toezeggingen zijn beide juridisch verplicht.

56.42 Beheersing van risico's die samenhangen met externe veiligheid

De uitgaven in het kader van de saneringsregeling asbestwegen in de provincies Overijssel en Gelderland zijn juridisch verplicht. Het bestuurlijk gebonden bedrag is bestemd voor resterende saneringsopgaven met betrekking tot bijvoorbeeld risicovolle bedrijven. Deze saneringen vloeien rechtstreeks voort uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Operationele doelstellingen

56.34 Veilig gebruik van chemische stoffen

Operationele doelstelling

Motivering

Om mens en milieu zoveel mogelijk te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s van chemische stoffen voert de overheid veiligheids- en risicobeleid uit.

Het doel is om een situatie te bereiken waarin mens en milieu hooguit verwaarloosbare risico’s lopen als gevolg van de schadelijke effecten van chemische stoffen en van nanotechnologie, ook als dit het gevolg is van dreigingen door moedwillige verstoring. De negatieve gezondheidseffecten die optreden als gevolg van (een opeenstapeling van) blootstelling aan agentia in het milieu (zoals o.a. asbest, geluid, elektromagnetische velden, lucht- en bodemverontreiniging etc.) te reduceren en om zoveel als mogelijk is, de ongerustheid weg te nemen over de mogelijke gezondheidseffecten van milieurisico’s.

Instrumenten

Afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context wordt een mix van beleidsinstrumenten ingezet:

  • (Inter)nationale regelgeving, bijvoorbeeld in geval van het beheersen van risico’s van chemische stoffen -REACH-.

  • Voorlichting, bijvoorbeeld informatieavonden over hoogspanningslijnen, asbest.

  • Het met maatschappelijke partijen opzetten van gezamenlijke projecten, bijvoorbeeld in geval van het beheersen van de risico’s van nanotechnologietoepassingen, omdat de regelgeving nog niet toepasbaar is vanwege ontbrekende kennis over gevaareigenschappen van nanodeeltjes.

  • Het toekennen van subsidies of schadevergoedingen, bijvoorbeeld in geval van het saneren van asbestwegen of aan slachtoffers met asbestmesothelioom.

  • Onderzoek naar nieuwe risico’s en naar (nieuwe) instrumenten om deze te voorkomen of beheersen.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Op weg naar het bereiken van het einddoel in 2020 voor chemische stoffen zijn voor 2013, 2018 (inter)nationale tussendoelen geformuleerd. Om die te bereiken:

    • Wordt de voorlichting aan bedrijven over REACH gecontinueerd, gemonitord en geëvalueerd;

    • Zal Nederland de reguliere onderhandelingen gebruiken om onder andere de uitvoering van REACH door het Europese Agentschap voor Chemische stoffen (ECHA) zo effectief en efficiënt mogelijk te laten plaatsvinden;

    • Wordt tussentijds, in 2012 en 2014, de voortgang van het project Invoering Nieuwe EU-stoffenbeleid (2011–2015) aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

  • Nederland geeft in het kader van «stoffenbeleid mondiaal» uitvoering aan de jaarlijkse verplichtingen die samenhangen met de internationale strategie chemie en diverse verdragsverplichtingen (Verdrag van Stockholm, Verdrag van Rotterdam, etc.).

  • De overheid financiert de sanering asbestwegen 3e fase en de regeling niet-beroepsgebonden asbestmesothelioomslachtoffers.

  • Ontwikkelen en implementeren (inclusief voorlichting) van beleid voor elektromagnetische velden.

  • Uitvoering van activiteiten in het kader van de vier speerpunten van de Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid (per speerpunt wordt de Tweede Kamer geïnformeerd).

  • In 2012 wordt de Atlas Leefomgeving opgeleverd: burgers en professionals kunnen op basis van postcode op digitale wijze kaartgerelateerde informatie (in eerste instantie een beperkt aantal indicatoren) over de leefomgeving krijgen.

Indicatoren

Grafiek: Milieudrukindicatoren voor 8 prioritaire stoffen

Grafiek: Milieudrukindicatoren voor 8 prioritaire stoffen

Grafiek: Milieukwaliteitsindicatoren voor 15 prioritaire stoffen

Grafiek: Milieukwaliteitsindicatoren voor 15 prioritaire stoffen

Toelichting:

De milieukwaliteitsindicator (MKI) en de milieudrukindicator (MDI) voor emissies van prioritaire stoffen naar lucht (zie ook de bovenstaande tabel) zijn een maat voor de emissies van stoffen naar het milieu en de daaruit voortvloeiende concentraties van stoffen in het milieu. Daarnaast is aangeven welke emissies en concentraties gewenst zijn (streefwaarde).

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

56.38 Bescherming tegen straling (elektromagnetische velden)

Operationele doelstelling

Motivering

Het meerjarig onderzoekprogramma elektromagnetische velden, uitgevoerd door het NWO, zal worden gecontinueerd. De planning van het programma loopt tot en met 2026.

Het kennisplatform EMV is volgens afspraak geëvalueerd (wenselijkheid van voortzetting en de eventuele vorm/omvang daarvan zijn meegenomen). Besloten is de werkzaamheden van het platform voor een laatste periode van vier jaren (in afgeslankte vorm) te continueren.

56.40 Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s)

Operationele doelstelling

Motivering

De toepassing van GGO’s biedt kansen in bijvoorbeeld het wetenschappelijk onderzoek en voor landbouw, industrie of geneeskunde die optimaal benut moeten worden met waarborging van het vereiste veiligheidsniveau. Om mens en milieu te beschermen tegen mogelijk nadelige effecten worden door de overheid voorafgaand aan de toepassing van ggo’s de mogelijke schadelijke effecten afgewogen tegen het gebruik van ongemodificeerde organismen in vergelijkbare situaties. Alleen die ggo’s worden toegestaan, indien de mogelijke effecten een aanvaardbaar risico voor mens en milieu betekenen.

Instrumenten

Afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context:

  • Vergunningen en meldingen voor het gebruik van ggo’s op basis van internationale regelgeving, die is vastgelegd in het Besluit GGO.

  • Communicatie over het ggo-beleid.

  • Onderzoek ten behoeve van het adequaat in kunnen schatten van de risico’s (risicoanalyse) van het gebruik van ggo’s (mede van belang voor de vergunningverlening).

  • Monitoren van het milieu in zijn algemeen door het Netwerk Ecologische Monitoring, dit ten behoeve van het opsporen van eventuele milieueffecten van het gebruik van ggo’s.

  • Beleidsontwikkeling: het komen tot adequatere regelgeving in de EU ten behoeve van het gebruik van ggo’s waarbij naast een veiligheidsbeoordeling ook plaats is voor andere sociaal economische aspecten die verbonden zijn aan ggo’s.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Uitvoeren ggo-beleid en nationale regelgeving, waaronder het afhandelen (door het Bureau GGO) van vergunningenaanvragen.

  • Publicatie van het gewijzigde en vereenvoudigde Besluit GGO en de Regeling GGO ter vermindering van de administratieve lasten eind 2012.

  • Uitvoeren EU-regelgeving over ggo’s. Nederland levert hierbij input in het Europese beoordelingsproces waarmee ongeveer 20 aanvragen per jaar om toelating van ggo’s tot de markt op grond van verordening 1829/2003/EG worden afgehandeld.

  • Uitvoering van verplichtingen in het kader van het Biosafety Protocol zoals geïmplementeerd in verordening 1946/2003/EG. Ratificatie en implementatie van het supplementair protocol aansprakelijkheid en verhaal van ggo’s.

  • Implementatie in nationaal beleid en uitvoeren van EU-standpunt, dat naar verwachting in 2012 in de afrondende fase van besluitvorming is, ten aanzien van nieuwe plantveredelingstechnieken in relatie tot genetische modificatie.

  • Implementatie in nationaal beleid en uitvoeren van de nieuwe EU regels, die -afhankelijk van de uitkomst van de EU onderhandelingen- mogelijkerwijs in 2012 gaan gelden ten aanzien van de sociaal-economische aspecten van ggo’s en de mogelijkheid voor lidstaten om te kunnen besluiten over teelt van ggo’s in eigen land onafhankelijk van de risicobeoordeling.

  • Implementatie in beleid en uitvoering geven aan de acties die volgen uit de in 2011 opgestelde kabinetsreactie op de Trendanalyse 2009 en daarover rapporteren.

Indicatoren

Het beleidsterrein verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen leent zich slecht voor beleidsindicatoren.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

56.42 Beheersing van risico’s die samenhangen met Externe Veiligheid

Operationele doelstelling

Motivering

Alle burgers in Nederland in de woonomgeving een basis veiligheidsniveau van 10– 6 (geen grotere kans dan 1 op 1 miljoen dat men buiten een bedrijf of een transportroute dodelijk letsel oploopt ten gevolge van een ongeval met (transport van) gevaarlijke stoffen) tegen externe veiligheidsrisico’s bieden, ook als het risico het gevolg is van dreigingen door moedwillige verstoring.

Instrumenten

Er wordt een mix van instrumenten ingezet afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context.

  • Saneringsprogramma’s voor te risicovolle inrichtingen (LPG-tankstations), ketenstudies, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en rail.

  • Completeren of herzien van regelgeving voor vergunningverlening en ruimtelijke besluiten door bevoegd gezag.

  • Incidentele financiële bijdragen in verband met versterken van de uitvoering van taken in relatie tot Externe Veiligheid en het opdragen van onderzoek.

  • Convenanten en vrijwillige afspraken met de chemie sector over beveiliging en zelfgemaakte explosieven evenals ontwikkeling en implementeren van Europese regelgeving over onder andere zelfgemaakte explosieven die naar verwachting in 2012 wordt geïntroduceerd.

  • Vergunningverlening van defensie-inrichtingen op basis van de Wet milieubeheer en van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • Voorbereiding van een verbeterprogramma voor de uitvoering groepsrisicobeleid samen met IPO en VNG.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Afronden en complementeren Regeling externe veiligheidsinrichtingen (REVI) (oa mijnbouw).

  • Inwerkingtreding van de Besluit en Regeling Externe Veiligheid buisleidingen.

  • Afronden Structuurvisie Buisleidingen.

  • Afronden Programma Buisleidingen, om uiterlijk in 2012 aan de doelstelling van het beleid te voldoen; saneringen lopen door tot 2015.

  • Inwerkingtreding van het Besluit en Regeling transportroutes externe veiligheid.

  • Opstellen van beveiligingsmaatregelen binnen de sector buisleidingen, implementatie van het convenant Olie en (petro)chemische industrie vitaal security, respectievelijk het Security convenant kunstmest en omzetten van EU-regelgeving over zelfgemaakte explosieven.

  • Meewerken aan het ontwikkelen en implementeren van Europese regelgeving voor beveiliging van chemische stoffen alsook van het chemiedeel van het «European Program for Critical Infrastructure Protection».

  • Aanpassing Besluit risico’s zware ongevallen en besluit externe veiligheid inrichtingen aan herziening Sevesorichtlijn.

  • Uitvoering van verbeterprogramma groepsrisicobeleid samen met IPO en VNG;

  • Aanpassing beleid en/of regelgeving als gevolg van «quick scan» Besluit risico’s zware ongevallen bedrijven en verkenning grip van het rijk op risicobedrijven.

Indicatoren

Indicator

Basiswaarde

Streefwaarde

Actualiteit van vulling van het Register van risicogegevens

Actueel in 2010

Voor het Register van risicogegevens wordt elk jaar gestreefd naar een actuele vulling.

Beschikbaarheid van onderzoeksgegevens betreffende de categorale inrichtingen en buisleidingen

Geen volledig overzicht van risicovolle situaties

In 2012 is er inzicht in de knel- en aandachtspunten bij buisleidingen voor gevaarlijke stoffen:

Aantal (opgeloste) knelpunten met betrekking tot externe veiligheid.

Het aantal knelpunten is eind 2008 vastgesteld. De urgente sanering van LPG-stations is in 2008 voltooid. Overige sanering vindt plaats in kader van uitvoering LPG-convenant. Voor gastransportleidingen is dit beeld in 2009 (gas) en 2010 (brandbare vloeistoffen)vastgesteld. Voor de overige transportleidingen voor gevaarlijke stoffen wordt dit beeld in 2011 vastgesteld. Voor basisnet vervoer gevaarlijke stoffen wordt dit beeld in 2009 (weg/water) en 2010 (spoor) vastgesteld.

Knelpunten die niet voldoen aan het basisveiligheidsniveau van het BEVI zijn aangepakt. Knelpunten mbt het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid (BTEV) en het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen zijn bekend. Uitvoering LPG convenant zal in 2011 worden afgerond. PM Maatregelen uit het kabinetsstandpunt Ketenstudies zijn op een enkel onderdeel na uitgevoerd, en worden in 2012 afgerond.

   

Voor buisleidingen en basisnet vervoer gevaarlijke stoffen zijn alle knelpunten opgelost in 2015.

   

Nieuwe luchthavenbesluiten kennen een zelfde of betere bescherming dan het beschermingsniveau dat is vastgelegd met de gelijkwaardigheidscriteria.1

Bron: 8e voortgangsrapportage inzake Externe Veiligheid, Kamerstukken II 2008–2009, 27 801 nr. 63.

1

Over de voortgang met betrekking tot het Externe Veiligheidsbeleid is jaarlijks gerapporteerd middels de z.g. voortgangsrapportages.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

Artikel 57. Versterken van het internationale beleid en strategische aangelegenheden

Algemene doelstelling

Om zo effectief mogelijk internationaal op te treden moet IenM met name haar beïnvloedingsmogelijkheden in Brussel gebruiken, maar ook via die Europese band de mondiale inzet voor de realisering van een duurzame leefomgeving adresseren. Daarnaast vragen de internationale bilaterale contacten van IenM om gerichte inzet van, op deze contacten toegesneden, kennis en expertise.

Omschrijving van de samenhang van beleid

Er is een aantal redenen waarom actief en anticiperend opereren in de internationale arena belangrijk is:

  • Het halen van de beoogde milieu- en leefomgevingskwaliteit en de daartoe te nemen maatregelen in Nederland is sterk afhankelijk van afspraken binnen de Europese Unie (EU).

  • Een gelijk speelveld ten aanzien van milieueisen aan producten en processen is van groot belang om de internationale concurrentiekracht van Nederland te handhaven (binnen Europa en daarbuiten) en om kansen te geven aan duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden en het realiseren van de Millennium Development Goals (MDG’s).

  • Het klimaatprobleem en de aantasting van de biodiversiteit zijn problemen op wereldschaal.

  • Voor een relatief klein land als Nederland is het belangrijk om in de EU op het goede moment invloed uit te oefenen op het besluitvormingsproces. Nederland zou door zijn goede kennispositie goed in staat moeten zijn om deze invloed uit te oefenen, mits deze kennis effectief wordt ingebracht en er bereidheid is samen met de juiste partners tijdig informatie te delen.

Verantwoordelijkheid

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor:

  • Milieu, duurzaamheid en coördinatie van het beleid gericht op het bevorderen en bewaken van duurzaamheid in de fysieke leefomgeving.

  • De internationale aspecten van het milieubeleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.

De Minister van Buitenlandse Zaken coördineert het internationaal milieubeleid ten behoeve van geïntegreerde besluitvorming door het Kabinet.

Externe factoren

Het behalen van de genoemde beleidsdoelstellingen hangt af van voldoende maatschappelijk draagvlak in binnen- en buitenland voor de noodzakelijke maatregelen en de daarmee samenhangende gedragswijziging van burgers en bedrijven.

Effecten van beleid

Waar mogelijk zijn deze opgenomen bij de operationele doelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

57. Versterken van het internationale milieubeleid en strategische aangelegenheden

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

0

8 661

13 468

12 950

33 331

33 785

33 788

Uitgaven

0

98 630

145 519

70 870

34 054

33 785

33 788

57.44 Internationaal milieubeleid

0

3 138

6 872

6 245

6 407

6 102

6 097

57.44.04 Internationaal milieubeleid (HGIS)

0

3 115

4 323

4 911

5 071

5 066

5 061

57.44.06 Internationaal milieubeleid (niet-HGIS)

0

23

2 549

1 334

1 336

1 036

1 036

57.48 Clean Development Mechanism

0

93 447

99 664

32 627

0

0

0

57.50 Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken:

0

181

808

842

842

1 753

1 746

57.52 Interreg

0

1 864

928

2 873

873

874

889

57.54 Coördinerend opdrachtgeverschap en strategische aangelegenheden

0

0

37 247

28 283

25 932

25 056

25 056

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

Toelichting:

57.44 Internationaal milieubeleid

Juridisch verplicht zijn de budgetten voor Programma Uitzending Managers (PUM) en het onderzoekprogramma Antartica (NWO). De beleidsmatig gebonden budgetten betreffen de uitvoering van internationale milieutaken (HGIS en niet-HGIS) en de bijdragen voor de internationale verdragen

57.48 Clean Development Mechanism (CDM)

Het budget voor de CDM (stimulering duurzame energie en schone technologieën in ontwikkelingslanden) is internationaal overeengekomen en juridisch verplicht.

57.50 Beperken klimaatverandering door mondiale post-Kyoto afspraken

De hier opgevoerde budgetten betreffen diverse uitgaven in het kader van onderzoek en uitvoering van het internationale post-Kyoto beleid en zijn alle bestuurlijk gebonden.

57.52 INTERREG

Betreffen de uitgaven in verband met de Nederlandse deelname aan het INTERREG programma (duurzame ruimtelijke en regionale ontwikkeling) en zijn volledig juridisch verplicht

57.54 Strategie en Bestuur

Het juridisch verplichte deel betreft de jaarlijkse opdrachtverlening aan AgentschapNL voor de uitvoering van wettelijke voorgeschreven taken en de opdrachtverlening aan het RIVM voor de structurele uitvoering van onderzoeksinspanningen op het gebied van ruimte en milieu.

Operationele doelstellingen

57.44 Internationaal milieubeleid

Operationele doelstelling

Motivering

IenM moet de internationale beleidsontwikkelingen op milieu en ruimtelijke ordeningterrein met name via Brussel beïnvloeden. Timing van initiatieven en het juiste niveau voor interventies is essentieel voor een effectieve belangenbehartiging. Effectief staat hier voor implementeerbaar, de burger aansprekend en uitvoering gevend aan de doelstellingen.

De internationale beleidsagenda heeft naast de specifieke inzet op het klimaat (zie artikelonderdeel 57.50) nog drie centrale thema’s, waarbij de laatste twee als dwarsdoorsnijdend en generiek kunnen worden gezien:

  • 1. Versterkte inzet op natuurlijke hulpbronnen/biodiversiteit door nadere concretisering van de EU 2020 Roadmap, de EU Roadmap for resource Efficiency, de EU Biodiversiteitsstrategie, CSD 19, en door het verder betrekken van het bedrijfsleven bij het beleid door het opzetten van publiek private partnerschappen voor duurzame ontwikkeling in het kader van Rio+20.

  • 2. Verbetering proces richting Europa door EU-voorstellen al in de voorfase actief te signaleren en het bevorderen van goed onderbouwde, uitvoerbare regelgeving die oog voor een «level playing field» paart aan een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu.

  • 3. Verbetering internationale regelgeving en handhaving van regels met het oog op het realiseren van de afgesproken milieudoelstellingen, maar evenzeer met oog voor eerlijke economische concurrentie van Nederlandse bedrijven (level playing field).

Instrumenten

De aanpak bij het internationale milieu-, en ruimtelijke ordeningbeleid kent als onderdelen:

  • Het onderhouden van een netwerk met lidstaten, EU-instellingen en mondiale organisaties, denktanks en non-gouvernementele organisaties.

  • Het tijdig signaleren van nieuwe internationale ontwikkelingen die van invloed (kunnen) zijn op de IenM-beleidsterreinen en het ontwikkelen van een visie en strategie voor de internationale beleidsinzet (inclusief «best practices»).

  • Bi- en multilaterale overleggen (formeel en informeel) gericht op de totstandkoming van coalities met gelijkgezinde landen en op overreding van twijfelende landen.

  • Het met andere lidstaten nemen van besluiten in verschillende configuraties van de Europese Raad, Conferenties van Partijen bij de Internationale milieuverdragen, de Beheersraad van United Nations Environment Programme (UNEP), UN-ECE, OESO.

  • Bilaterale samenwerking: samenwerking/kennisuitwisseling gericht op het ondersteunen van beleidsontwikkeling in een aantal geselecteerde landen (bijvoorbeeld China).

  • Gerichte financiële ondersteuning van het werk van (inter-)nationale organisaties die zich inzetten voor de bevordering van internationale samenwerking en overdracht/uitwisseling van kennis.

Meetbare gegevens

Voor de drie genoemde centrale thema’s van de internationale beleidsagenda zullen in 2012 de belangrijkste prestaties zijn:

1. Versterkte inzet op natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit

  • Duurzame Productie en Consumptie (SCP), met name in de EU dossiers Duurzaam grondstoffengebruik, Ecolabelling, Duurzaam Inkopen en het UNEP Panel Natuurlijke Hulpbronnen;

  • Verbreden van het gebruik van duurzaamheidcriteria voor de productie en consumptie van andere goederen dan biobrandstoffen.

  • Vlaggenschip Resource-efficiënt Europa. Dit betreft concretisering en uitwerking van de »Europe 2020 Strategy» met betrekking tot:

    • Commissiemededeling over een Europees biodiversiteitsbeleid en -strategie.

    • Commissiemededeling over kritische grondstoffen met aandacht voor extractie, recycling, research, innovatie en substitutie.

    • Herziening van de energie- en belastingrichtlijn, met als doel bevordering energie-efficiëntie en vergroening van de economie.

    • «Roadmap for a resource efficient Europe» met als doel ontkoppeling van economische groei en milieudruk van grondstofgebruik.

    • Herijking van het Gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid.

  • Deelname aan de Ministersconferentie 20 jaar na de United Nations Conference on Environment and Development UNCED (Rio +20), met als hoofdagendapunten vergroening van de economie en internationaal bestuur. Naar verwachting zal tijdens Rio+20 een aantal publiek-private partnerschappen worden afgesloten, o.a. voor IenM-brede onderwerpen. Dit sluit aan bij passages in het Regeerakkoord waarin het belang van samenwerking tussen de overheid en het bedrijfsleven wordt benadrukt en wordt ingezet op verduurzaming van de economie. De resultaten van de bijeenkomst van de Commission on Sustainable Development (CSD 19) – met name die inzake het 10 Year Framework on Sustainable Consumption and Production – zullen verder worden uitgewerkt tijdens Rio 2012.

  • Behoud van biodiversiteit/betalen voor ecosysteemdiensten.

2. Verbetering proces richting Europa

  • Voor alle belangrijke internationale onderwerpen wordt gewerkt met dossierteams die de inbreng van Nederland in de EU of internationale conventies en verdragen voorbereiden. Aan deze dossierteams nemen naast het Rijk ook waar gewenst andere overheden deel. In dossierteams worden, vaak op basis van zgn. «impact assessments», nieuwe initiatieven getoetst op aspecten als doelbereik, lastendruk en territoriale impact.

  • Detacheren van medewerkers naar strategische plekken bij internationale organisaties.

3. Verbetering naleving en handhaving van internationale regels

  • Inzetten op internationale afspraken die goed handhaafbaar zijn. Veel milieuproblemen hebben per definitie een grensoverschrijdend karakter. Om die reden zijn er talloze internationale afspraken gemaakt op bijvoorbeeld het gebied van afvaltransport, luchtverontreiniging, watervervuiling en chemicaliën. Willen deze internationale afspraken slagen, dan zullen beleid en regelgeving op nationaal en internationaal niveau op effectieve en gecoördineerde wijze geïmplementeerd en nageleefd moeten worden, zowel uit het oogpunt van milieu en gezondheid, als eerlijke economische concurrentie van het Nederlandse bedrijfsleven. Bij milieuverdragen die nog geen zogenaamd nalevingsregime hebben (zoals bijvoorbeeld het Verdrag van Stockholm over persistente organische vervuilende stoffen), wil IenM de discussie starten over de meest effectieve manier om nalevingsproblemen op te lossen. Er zal hierbij ook gekeken worden naar het synergieproces dat aan de gang is in het cluster van chemische en afvalverdragen. Een goedwerkend milieuverdrag moet het uiteindelijke doel zijn.

Indicatoren

Bij dit operationele doel kunnen geen meetbare effect- of prestatie-indicatoren worden opgenomen omdat het ondersteunend is aan in andere operationele doelen geformuleerde prestaties. De beoogde beleidseffecten zijn bovendien niet alleen afhankelijk van de Nederlandse inzet, maar ook van de inbreng van partners en andere partijen. De internationale taken van IenM zijn bij verschillende dienstonderdelen belegd en worden op diverse begrotingsartikelen gepresenteerd; de voornaamste internationale beleidsprestaties 2012 worden daar aangegeven en verantwoord. Een integrale beleidsdoorlichting is bij dit operationele doel derhalve ook niet zinvol uit te voeren.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

57.48 Clean Development Mechanism

Operationele doelstelling

Motivering

Nederland kent in het kader van het Kyoto-protocol een verplichting om de nationale broeikasgasemissies in de periode 2008–2012 met 6% ten opzichte van 1990 te reduceren.

Instrumenten

Het Clean Development Mechanism (CDM) is een van de drie flexibele instrumenten uit het Kyoto-protocol, waarmee industrielanden een deel van hun reductieverplichting voor broeikasgassen in het buitenland kunnen realiseren. De andere twee flexibele instrumenten zijn Joint Implementation (JI), waarvoor het Ministerie van EL&I verantwoordelijk is, en internationale emissiehandel.

Het CDM stimuleert duurzame energie en schone technologieën in ontwikkelingslanden en draagt zo bij aan een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. In 2012 zal Nederland zich richten op de noodzakelijke vernieuwing en verbetering van het instrument, alsmede de toegankelijkheid van het instrument voor meer regio’s, landen en/of sectoren. Hierbij zal onder andere gebruik worden gemaakt van de participatie in het «Partnership for Market Readiness» van de Wereldbank.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 betreft heteind 2012 geleverd krijgen van in totaal circa 8 Mton aan CDM-rechten.

Onderstaande tabel biedt inzicht in de hoeveelheid gecontracteerde CDM-projecten en de verwachte leveringen tot en met 2013.

Overzicht CDM projecten

Gecontracteerd

 

48,1 Mton

     

Leveringen Kyoto-periode

   

Geleverd t/m 30 juni 2011

13,6 Mton

 

Nog verwachte leveringen in 2011

3,5 Mton

 

Verwachte leveringen 2012

8,0 Mton

 

Verwachte leveringen 2013

5,7 Mton

 

Totaal leveringen Kyoto-periode

 

30,8 Mton

     

Leveringen Post-Kyoto periode

 

2,3 Mton

     

Uitval waarschijnlijk niet geleverd1

15,0 Mton

Bron: I&M interne administratie en het CO2 register van de Nederlandse Emissieautoriteit.

1

minder leveringen als gevolg van het later registreren van projecten als CDM-project en/of vertragingen bij projecten. De informatie is gebaseerd op het meest recente overleg met de uitvoerders van het CDM koopprogramma van I&M (juni 2011).

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) geeft aan dat Nederland de Kyoto-doelstelling bij de huidige raming voor 2008–2012 (de Kyoto-budgetperiode) en gegeven de huidige hoeveelheid aangekochte JI en CDM credits, waarschijnlijk gaat halen (Bron: Raming van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen 2011–2015, PBL).

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

57.50 Beperken klimaatverandering door mondiale post-Kyoto afspraken

Operationele doelstelling

Motivering

Om de meest bedreigende gevolgen van de klimaatverandering te kunnen voorkomen, blijft de Nederlandse inzet gericht op het beperken van de mondiale temperatuurstijging tot twee graden Celsius. Hiervoor is een forse trendbreuk in de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen nodig. Uiteindelijk kan dit mondiale probleem alleen maar effectief worden bestreden door internationale afspraken.

Instrumenten

In 2012 wordt stapsgewijs verder gewerkt aan de operationalisering van de zgn. «Cancun Besluiten» en de vervolgbesluiten van de klimaattop in Durban. Hierbij wordt ingezet op drie elkaar versterkende sporen:

  • Het bredere onderhandelingsproces onder het Raamwerkverdrag klimaatverandering (UNFCCC) en het Kyoto-protocol, met het accent op de ontwikkeling van internationaal instrumentarium en desintegratie van watergerelateerde aspecten.

  • Het beter en gerichter benutten van slimme fora, zoals de zogenoemde «Cartagena Dialoog», een informele dialoog met kleine UNFCCC partijen en de voortzetting van de in 2011 ingezette dialoog met het internationaal opererende bedrijfsleven.

  • De ontwikkeling en ondersteuning van concrete initiatieven, waaronder «Market readiness», gericht op de ontwikkeling van nieuwe marktmechanismen en pilotactiviteiten ten behoeve van de ontwikkeling van «low emission development strategies», sectorale creditering en emissie-inventarisaties.

Voorts wordt er beleidsrelevant wetenschappelijk onderzoek verricht, gericht op aanvulling en versterking van de Nederlandse inzet via de EU in mondiale onderhandelingen.

Meetbare gegevens

Zoals hiervoor is aangegeven kan de doelstelling alleen maar effectief worden gerealiseerd in internationaal verband. Dit is niet alleen afhankelijk van de Nederlandse inzet, maar ook van de inbreng van partners en andere partijen. Hierbij is tevens sprake van een stapsgewijze ontwikkeling van een nieuw internationaal klimaatregime. Het opnemen van kwantitatieve meetbare indicatoren gerelateerd aan het te realiseren doel is in dit verband zelden relevant of toepasselijk.

Wel is het mogelijk om ten aanzien van de hiervoor geschetste sporen de volgende prestaties te definiëren, die met ondersteuning vanuit of door initiatief van Nederland gerealiseerd zullen worden:

  • Het ontwikkelen van nieuwe marktmechanismen onder het mondiale klimaatregime.

  • Het ontwikkelen van nieuwe internationale innovatieve financieringsarrangementen die de benodigde klimaat investeringsstroom stimuleren en versterken.

  • Internationale besluiten over een emissiemonitorings-, rapportage- en verificatiesysteem voor ontwikkelingslanden.

  • Een aantal bijeenkomsten om de in 2011 ingezette dialoog met het internationaal opererende bedrijfsleven voort te zetten.

  • Een internationaal besluit over de verdere operationalisering van de spelregels van het «Green Climate Fund».

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

57.52 INTERREG

Operationele doelstelling

Motivering

Het programma «INTERREG» heeft als doel het verstrekken van subsidies voor creatieve en vernieuwende projecten op het gebied van Europese samenwerking, gericht op duurzame, ruimtelijke en regionale ontwikkeling. IenM neemt deel aan INTERREG om zoveel mogelijke Nederlandse organisaties internationaal te laten samenwerken op onderwerpen die voor IenM van belang zijn. Hierdoor wordt via Europese subsidie uitvoering gegeven aan nationaal beleid en wordt zo optimaal mogelijk gebruik gemaakt van beschikbare Europese middelen voor IenM doelen.

Instrumenten

De Minister van IenM is in Nederland coördinerend bewindspersoon voor de onderdelen:

  • INTERREG IV-B (transnationale samenwerking).

  • INTERREG IV-C (interregionale samenwerking).

  • ESPON (het Europese Observatie netwerk voor territoriale ontwikkeling en cohesie). ESPON ondersteunt beleidsontwikkeling op het gebied van territoriale cohesie d.m.v. beleidsonderzoek.

  • INTERACT (kennisontwikkeling en -overdracht over en tussen INTERREG-programma’s).

De huidige budgetperiode loopt van 2007 t/m 2013, met uitloopmogelijkheden in de uitvoering van projecten tot 2015. Het geld binnen de INTERREG programma-onderdelen wordt besteed aan de beste projecten, onafhankelijk vanuit welk land zo’n project wordt opgestart.

De beoordeling welke projecten worden gehonoreerd geschiedt door de lidstaten gezamenlijk in zogeheten beheerscomités. Hierdoor staat niet van tevoren vast hoeveel geld naar welke lidstaat terugvloeit.

Daarnaast neemt Nederland deel in het overkoepelende programma INTERACT, dat zorgt voor kennisuitwisseling over en tussen de verschillende programma’s.

Meetbare gegevens

Naar verwachting zijn de projectgelden van de programma’s eind 2011 voor het overgrote deel gecommitteerd. Het aantal projecten met Nederlandse deelname zal daarna niet meer sterk veranderen. De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • In uitvoering zijn van INTERREG IV projecten binnen B en C met Nederlandse deelname.

  • Hoge deelname van Nederlandse organisaties in INTERREG IV-B en INTERREG IV-C.

Indicatoren

Prestatie-indicator

Basis waarde 2006

Gerealiseerd 2007

Gerealiseerd 2008

Gerealiseerd 2009

Gerealiseerd 2010

Streefwaarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

In uitvoering zijn van INTERREG IV projecten binnen B en C met Nederlandse deelname

0

21

64

118

130

145

155

160

Deelname van Nederland in INTERREG IV B.

0

In de top 4

In de top 4

In de top 4

In de top 4

In de top 4

In de top 4

In de top 4

Bron: IenM Voor de jaren 2007 t/m 2010 zijn ten behoeve van de inzichtelijkheid van het verloop van de cijfers in tegenstelling tot eerdere begrotingen de gerealiseerde waarden opgenomen in plaats van de streefcijfers.

Nederland is actief in het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten voor potentiële projectpartners, waarbij hen wordt duidelijk gemaakt wat Europese samenwerking hen kan brengen. Ook heeft Nederland een aantal contactpersonen, dat projectpartners actief begeleidt in de voorbereiding en opzet van projecten. Dit heeft geleid tot een relatief hoge deelname van Nederlandse partners in projecten, waardoor Nederland binnen de B-programma’s in de top 4 van actieve landen staat. Het aantal projecten waarin per ultimo 2010 Nederlandse partners actief zijn komt overeen met de geformuleerde doelstelling.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

57.54 Strategie en Bestuur

Operationele doelstelling

Motivering

De kwaliteit van het beleid te verbeteren door te ondersteunen bij de eenduidige en effectieve uitvoering van milieutaken en bij de beleidseconomische onderbouwing. Ook wordt de bekostiging van externe uitvoeringsorganisaties op milieugebied integraal vorm gegeven.

Instrumenten

Het opstellen van maatschappelijke kosten-baten analyses en centraal gecoördineerd opdrachtgeverschap aan externe uitvoeringsorganisaties zoals het AgentschapNL en het RIVM.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Er is een indicator opgesteld die op het gebied van ecologische duurzaamheid de ontwikkelingen op de belangrijkste uitdagingen in beeld brengt.

  • De indicator is nu voor het eerst in de beleidsagenda opgenomen en zal de komende begrotingen terugkomen, zodat de ontwikkelingen gevolgd kunnen worden.

  • Jaarlijks worden thema’s geselecteerd en geanalyseerd op maatschappelijke kosten-baten, kosteneffectiviteit of herdefiniëring rol van het rijk. Mede in het licht van de kabinetsbrede ambitie tot minder regels en andere rol van de overheid.

  • Via het Project milieubeleidsinstrumenten worden beleidsmakers ondersteund bij het vormgeven van effectieve beleidsinstrumenten.

  • Als uitvloeisel van de ontwikkeling naar kerndepartementen is de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties zoals het AgentschapNL en het RIVM.

  • Het Wetsvoorstel private vergroening wordt afgerond waarmee het bedrijfsleven gefaciliteerd wordt eigen milieugerichte initiatieven te ontwikkelen.

  • Leveren van economische expertise in beleidsdossiers en bijdragen aan interdepartementale dossiers op het terrein van milieu en ruimte.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

Artikel 59 Handhaving en toezicht

Algemene doelstelling

Het bevorderen van de naleving met het oog op behoud en versterking van een duurzame en veilige leefomgeving

Omschrijving van de samenhang van beleid

De middelen uit begrotingsartikel 59 worden met ingang van deze begroting verantwoord op artikel 38 Inspectie Leefomgeving en Transport.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

59. Handhaving en toezicht

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

0

65 577

0

0

0

0

0

Uitgaven

0

65 577

0

0

0

0

0

Programma

0

16 339

0

0

0

0

0

59.56 Bevorderen naleving wetgeving voor Wonen, Wijken en Integratie

0

657

0

0

0

0

0

59.58 Bevorderen naleving wetgeving voor Milieu en Ruimte

0

8 347

0

0

0

0

0

59.60 Bevorderen samenwerking methodiek en strategie

0

1 448

0

0

0

0

0

59.62 Crisismanagement organiseren

0

4 857

0

0

0

0

0

59.64 Opsporen en bestrijden van fraude

0

1 030

0

0

0

0

0

Apparaat

0

49 238

0

0

0

0

0

Ontvangsten

0

882

0

0

0

0

0

Artikel 60 Leefomgevingskwaliteit

Algemene doelstelling

Het creëren van de randvoorwaarden voor een gezonde en veilige leefomgeving (bodem-, lucht- en waterkwaliteit, geluid en externe veiligheid). Een leefomgeving die bijdraagt aan de economische ontwikkeling en positieve effecten heeft op de volksgezondheid.

Omschrijving van de samenhang van beleid

Het gaat om maatschappelijke opgaven waarbij zowel een ruimtelijke als een milieucomponent aan de orde is. Door de gecombineerde aanpak wordt een kwalitatieve betere oplossing geboden dan wel kan de aanpak efficiënter zijn. Het betreft het realiseren van een duurzaam gebruik van de bodem, het voorkomen en beperken van geluidhinder, de inrichting van de ruimte afstemmen op het veranderende klimaat en het realiseren van ruimte voor windenergie en de ontwikkeling van een adequaat gebiedsgericht instrumentarium.

Verantwoordelijkheid

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor het ontwikkelen van generiek en gebiedsspecifiek rijksbeleid voor het realiseren van een duurzame kwaliteit van de leefomgeving:

  • De ontwikkeling van beleid en regelgeving op het gebied van bodem, ondergrond en grondwater en het implementeren van de relevante Europese regelgeving op dit gebied.

  • De ontwikkeling van beleid en generieke regelgeving voor het voorkomen en beperken van geluidhinder.

  • De ontwikkeling van een adequaat gebiedsgericht instrumentarium, waarmee duurzame gebiedsontwikkeling vorm kan krijgen (wet- en regelgeving op het terrein van de milieueffectrapportage (mer)).

  • Het faciliteren van de uitvoering van bovengenoemde onderwerpen door andere overheden, burgers en bedrijven. De Minister van IenM schept hiervoor de juiste condities.

  • Het instandhouden en actueel houden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de bijbehorende digitale tool Omgevingsloket online.

  • Daarnaast is de Minister van IenM medeverantwoordelijk voor het klimaatbestendig maken van ruimtelijke reserveringen, de energie-hoofdinfrastructuur zoals grootschalige windenergie en de klimaatbestendige inrichting van Nederland.

Externe factoren

Belangrijke externe factor voor het behalen van deze doelstelling is helderheid over verantwoordelijkheden bij andere overheden en of deze in staat zijn hun wettelijke taken uit te voeren. Voor de realisatie van een passende milieukwaliteit van bodem en water zijn de economische ontwikkeling in de projectontwikkelings- en bouwsector en de investeringen in de herstructurering van stedelijk en landelijk gebied van grote invloed. Een externe factor die bepalend is voor het realiseren van de doelstelling op het terrein van geluid is een adequate normstelling voor (onderdelen van) voertuigen in EU- of UN/ECE-verband.

Effecten van beleid

Meetbare gegevens zijn opgenomen bij de operationele doelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

60. Leefomgevingskwaliteit

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

0

126 218

122 132

132 144

136 435

248 982

256 905

Uitgaven

0

95 318

90 481

97 009

77 791

183 738

189 535

60.01 Realiseren duurzaam gebruik bodem, ondergrond en grondwater

0

26 662

29 688

38 102

38 909

150 447

154 430

60.02 Tegengaan van geluidhinder

0

27 093

23 981

26 430

29 139

27 061

26 993

60.02.04 Tegengaan van geluidhinder

0

27 000

23 981

23 930

27 083

27 061

26 993

60.02.06 Geluidskaarten

0

93

0

2 500

2 056

0

0

60.03 Realiseren ruimte voor windenergie en klimaatadaptie

0

25 625

16 445

11 944

4 099

586

481

60.03.08 Kennis, onderzoek en projecten klimaat

0

22 664

14 600

9 800

2 500

100

0

60.03.10 Overige instrumenten realiseren ruimte voor windenergie en klimaatadaptatie

0

2 961

1 845

2 144

1 599

486

481

60.04 Bevorderen adequaat gebiedsgericht instrumentarium en duurzame ontwikkeling

0

15 938

20 367

20 533

5 644

5 644

7 631

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.

Toelichting:

60.01 Realiseren van een duurzaam gebruik van bodem, ondergrond en water door het ruimtelijk ordenen van de ondergrond en het wegnemen, dan wel beheersen van verontreinigingen van bodem en grondwater

De juridische verplichtingen betreffen de budgetten voor bodemsanering, waartoe in 2009 een convenant is ondertekend. De bestuurlijk gebonden budgetten hebben te maken met duurzaam bodemgebruik en de bedrijvenregeling (vrijwillige sanering).

60.02 Realiseren van kaders om tot een gewenste geluidssituatie te komen en voorkomen en beperken van geluidhinder

De juridische verplichtingen betreffen voor het grootste gedeelte de sanering van het wegverkeerlawaai. Beleidsmatig gebonden zijn opdrachten in het kader van onderzoek op het gebied van geluidhinder.

60.03 Realiseren van ruimte voor windenergie en klimaatadaptatie

Juridisch verplicht zijn de budgetten betreffende Kennis voor Klimaat en het Deltaprogramma. Bestuurlijk gebonden zijn de budgetten verbonden aan de uitvoering van projecten met betrekking tot Klimaatbuffers.

60.04 Bevorderen adequaat gebiedsgericht instrumentarium en duurzame ontwikkeling

Juridisch verplicht zijn de budgetten verbonden aan het gebiedsinstrumentarium en het Investeringsprogramma Landelijk gebied (ILG). Bestuurlijk gebonden zijn de opdrachten aan de Commissie MER, ILG, duurzame ontwikkeling en de uitvoering van de WABO.

Operationele doelstellingen

60.01 Realiseren van een duurzaam gebruik van bodem, ondergrond en grondwater door het ruimtelijk ordenen van de ondergrond en het wegnemen dan wel beheersen van verontreinigingen van bodem en grondwater

Operationele doelstelling

Motivering

Het Kabinet zet in op duurzame benutting van de ondergrond, met als randvoorwaarde het behoud van een vitale bodem met een goed werkend ecosysteem. Dit is van groot belang voor de volksgezondheid in verband met voedsel en drinkwatervoorziening. Bij duurzame benutting gaat het om kaderstelling voor:

  • Delfstofwinning.

  • Genereren van bodemenergie (wko, geothermie).

  • Inzetten van de ondergrond ten behoeve van klimaatbeleid (CO2 opslag, voorkomen van uitstoot van broeikasgassen).

  • Ondergronds ruimtegebruik (ondergronds transport van goederen en dubbel ruimtegebruik).

  • Gebruik drinkwater en industriewater.

  • Actief beheren van de kwaliteit van bodem en ondergrond.

Ruimtelijke afweging en optimalisering van functies in bodem en ondergrond moeten gefaciliteerd worden door wet- en regelgeving ten behoeve van de borging van nationale belangen. De integrale afweging voor alle gebruiksfuncties zal plaatsvinden op lokaal en regionaal niveau. De ondergrond is bij duurzame benutting een belangrijke asset voor de topsectoren water logistiek en duurzame energie in de Nederlandse economie.

Kaders

Instrumenten

  • Wet bodembescherming (Wbb) en onderliggende regelgeving; met deze wet- en regelgeving wordt een bodemkwaliteit zonder gezondheidsrisico’s geregeld.

  • Wet ruimtelijke ordening (Wro) en onderliggende regelgeving; met deze wet- en regelgeving krijgt de ruimtelijke inpassing van gesaneerde (onder)grond vorm.

  • Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende regelgeving; met deze wet- en regelgeving wordt handhaving van de milieuregelgeving (onder andere op terrein van bodem) geregeld.

  • Waterwet en de daarop gebaseerde besluiten; met deze wet- en regelgeving wordt duurzaam waterbeheer geregeld.

  • Convenant bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties.

  • In bestuurlijk overleg wordt de voortgang van de herverdeling van verantwoordelijkheden op het terrein van de bodemsanering gevolgd.

  • Bestuursovereenkomsten met alle provincies over ILG, met name betreffende milieucondities Ecologische Hoofdstructuur en Vogel- en Habitat Richtlijn (VHR).

Projecten

  • Bijdragen voor saneringen in specifieke sectoren; de specifieke bijdrageregeling is gericht op sanering van bedrijventerreinen.

  • Subsidies aan kennisinstituten voor kennisoverdracht en kwaliteitsverbetering over gebruik bodem en water.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Structuurvisie Ondergrond in inspraak brengen.

  • Beleidsvisie Geothermie is opgesteld.

  • Acceptatie twee wetsvoorstellen voor aanpassing van het bodembeleid, namelijk gebiedsgericht beheer en de aanpassingswet voor het terugbrengen van administratieve en uitvoeringslasten.

  • Afspraken met EL&I over duurzame benutting van de ondergrond via gebruik van de warmtewet, bevorderen innovatie en ondergronds transport.

  • Ontwikkelen nieuwe toolbox voor provincies en gemeenten in verband met baten en lasten ondergrond.

  • Structuurvisie Buisleidingen is in 2012 vastgesteld.

  • Een convenant voor projectmatige aanpak van de grootschalige grondwaterverontreiniging in de Rotterdamse haven is afgesloten.

  • De aanbevelingen uit het rapport taskforce warmte/koude opslag zijn geïmplementeerd.

  • De midterm review van het convenant bodemontwikkeling is gereed.

Indicatoren

Effectindicatoren

Omschrijving

Basisjaar 2008

20101

20151

Baten ten gevolg van verminderde negatieve gezondheidseffecten bij Nederlandse bevolking ten gevolge van bodemverontreiniging

op basis omrekenfactor uit MKBA: 100

100

100

Baten ten gevolg van hogere waardering van vastgoed

op basis van omrekenfactor uit MKBA: 60

60

60

Bedreiging van drinkwatervoorzieningen en strategische grondwatervoorraden

op basis van omrekenfactor uit MKBA: 5

5

5

Bron: MKBA Bodemsanering (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 015, nr. 14)

1

Bedragen x € 1,0 mln. Het betreft bedragen berekend over een periode van 100 jaar met een discontovoet van 4%. In de bedragen zit een onzekerheidmarge van circa -/- 50 % tot + 50 %

Prestatie-indicator 1 Spoedlocaties

Spoedlocaties

Schatting werkvoorraad per

Te realiseren gemiddelde jaar productie

Periode

Streefwaarde rest

Opmerkingen

Bodemonderzoeken en bodemsaneringen spoedlocaties:

1-1-2011

       

Beschikking risico’s en nemen maatregelen bij spoedlocaties met humane risico's

750–900

150

2011–2015

80

90% afgerond in 2015

Beschikking risico’s en nemen maatregelen bij spoedlocaties met overige risico's

3000–4000

500

2011–2015

1 000

70% afgerond in 2015

Prestatie-indicator 2 Saneringen in stedelijk gebied; niet-spoed, af te handelen op een natuurlijk moment (bouwaanvraag, gebiedsinrichting) voortgang is afhankelijk van economische situatie

Bodemonderzoeken en bodemsaneringen in stedelijk gebied:

1-1-2011

       

Beheersen risico's / saneren

38 000

1 900

2011–2030

400

99% afgerond in 2030

BUS-meldingen

26 000

1 300

2011–2030

260

99% afgerond in 2030

Nader onderzoek

20 000

1 000

2011–2030

200

99% afgerond in 2030

Prestatie-indicator 3 Saneringen in grondwaterbeschermingsgebieden; niet–spoed, af te handelen op een natuurlijk moment afhankelijk van verwachte of aangetroffen risico’s in de betreffende situatie

Bodemonderzoeken en bodemsaneringen in grond- waterbeschermingsgebied:

1-1-2011

       

Beheersen risico's / saneren

2 300

230

2011–2020

25

99% afgerond in 2030

Inventariserende onderzoeken

1 600

160

2011–2020

15

99% afgerond in 2030

Nader onderzoek

3 500

350

2011–2020

35

99% afgerond in 2030

Aantal locaties per jaar met anapak door risicobeheersing of sanering
(in latere perioden minder sanering en meer aanpak door risicobeheersing)

Begin

Eind

Spoed humaan

Spoed -verspreiding / ecologie

Overig Stedelijk

Overige Drinkwater

Totaal

2011

2015

150

500

1 900

230

2 780

2011

2020

20

200

1 900

230

2 350

Bron: Projectorganisatie Uitvoeringsprogramma Bodemconvenant

Toelichting:

Sinds het afsluiten van het convenant bestaat de afspraak om een kwalitatieve rapportage te leveren. De verplichting voor het bevoegd gezag om kwantitatieve getallen te leveren over de voortgang bestaat niet meer (art.87 is gewijzigd). In principe is er sprake van verantwoording op het eigen niveau( bv. in de provincie wordt verantwoord aan Provinciale Staten). Omdat dan ook over 2010 geen monitoring is uitgevoerd, berust de opgave van de werkvoorraad meer dan vorig jaar op schattingen. Wel is In 2010 veel onderzoek gedaan in verband met de vaststelling van de spoedlocaties.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

60.02 Realiseren van kaders om tot een gewenste geluidsituatie te komen en voorkomen en beperken van geluidhinder

Operationele doelstelling

Motivering

De beleidsverantwoordelijkheid van het Rijk op het gebied van geluid is er op gericht gezondheideffecten zoveel mogelijk terug te dringen en waar mogelijk hinder te voorkomen. Dit draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving voor burgers en een goede kwaliteit van gebieden. Geluid is medebepalend voor de capaciteit van de infrastructuur, geluid is van grote invloed op de mogelijkheden voor de ruimtelijke ontwikkelingen en geluid bepaalt mede de kwaliteit van de leefomgeving.

Instrumenten

Het voorkomen en beperken van geluidhinder wordt bij voorkeur gerealiseerd via bronbeleid mede om de groei van het verkeer te compenseren.

Waar bronbeleid niet mogelijk is of onvoldoende soelaas biedt, worden maatregelen in de overdracht getroffen (schermen) of geluidwering van woningen verbeterd (isolatie). In een uiterst geval kan ervoor gekozen worden de bron of een woning te verplaatsen. Regelgeving voor geluid weerspiegelt een goede balans tussen de leefomgevingskwaliteit en de effecten van de regelgeving op economische en mobiliteitsbelangen.

Kaders

  • Wet geluidhinder (Wgh) en onderliggende regelgeving; met deze wet- en regelgeving wordt beoogd te zorgen voor een geluidskwaliteit zonder gezondheidsrisico’s. Eind 2009 is een wetsvoorstel ingediend, ter introductie van geluidproductieplafonds (SWUNG-1), dat naar verwachting begin 2012 in werking zal treden.

  • Wet milieubeheer en onderliggende regelgeving; met deze wet- en regelgeving wordt de handhaving van milieuregelgeving (onder andere op terrein van geluid) geregeld.

  • De EU-richtlijnen en regelgeving op terrein van geluid.

  • De richtlijnen typekeuringen in UN/ECE verband.

  • Wet Luchtvaart en Luchtvaartwet met onderliggende regelgeving, zoals het Luchthavenverkeersbesluit en het Luchthavenindelingsbesluit (met beperkingen gebieden).

  • Kabinetsbesluiten over de adviezen van de Alderstafels voor Schiphol, Eindhoven en Lelystad.

Projecten

  • Sanering van verkeerslawaai bij «niet rijksinfrastructuur».

  • Sanering bij rijksinfrastructuur: afhankelijk van de inwerkingtreding van SWUNG I / herziening geluidregelgeving wordt medio 2012 een integrale saneringsoperatie gestart. De hiervoor benodigde middelen worden samengevoegd: projectsubsidies en NoMo-gelden.

  • Stimulering stille banden via het project «De Nieuwe Band» en via het kader van Duurzaam Inkopen.

  • Bijdragen aan het opstellen van geluidbelastingskaarten en actieplannen.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Integrale saneringsoperatie bij rijksinfrastructuur is van start gegaan.

  • Een wetsvoorstel voor de overige infrastructuur en het industrielawaai (SWUNG 2) wordt uitgewerkt.

  • Internationale inzet op aanscherping geluidseisen voertuigen en banden.

  • Herziening Europese richtlijn omgevingslawaai (waaronder rekenmethodiek).

  • Regelgeving over de effecten van buitenlandse luchthavens op Nederlands grondgebied.

  • Actualisatie luchthaveninrichtingenbesluit (LIB) eind 2012.

Indicatoren

Omschrijving

aantal woningen

t.g.v. rijksinfrastructuur

t.g.v. andere infrastructuur

Totaal

 

rijkswegen (incl. betreffend deel A-lijst)

spoorwegen (incl. Raillijst)

A-lijst

Overig

 

Totaal

111 250

73 030

77 355

332 800

594 435

uitgevoerd 1980–1990 (schatting)

40 000

8 500

– 

40 000

88 500

uitgevoerd 1990 t/m 31-12-2009

57 500

13 150

46 050

34 902

151 602

uitvoering gepland 2010

414

2 514

3 215

220

6 363

uitvoering gepland 2011

– 

990

3 121

1 790

5 901

Uitvoering gepland 2012

– 

740

3 031

830

4 601

Gepland restant per 31-12-2011

13 336

47 136

21 938

255 058

337 468

Gepland restant per 31-12-2020

– 

– 

– 

nnb

 

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV), 6 juni 2011

Toelichting:

• De bovenstaande tabel geeft een overzicht van alle saneringswoningen, die vallen onder de lopende sanering op grond van de Wgh;

• Voor de overige sanering (anders dan vanwege rijksinfrastructuur) geldt dat de middelen voor de A-lijst via het ISV worden verdeeld, zodat ook deze categorie apart is opgenomen; De voortgang van de A-lijst bij aanvang van de ISV3 periode (2010–2015) zijn verdeeld.

• In de tabel is verder rekening gehouden met de toekomstige wetswijziging waarin de sanering vanwege de rijksinfrastructuur wordt samengevoegd met de aanpak van hoge geluidbelastingen zoals aangekondigd in de Nota Mobiliteit. In het wetsvoorstel is opgenomen dat uiterlijk op 31-12-2020 alle saneringsplannen zijn opgesteld.

Aangezien er sprake is van een stabiele relatie tussen geluidbelasting en gezondheidseffecten kan voortgang in het beleid gevolgd worden door de ontwikkeling van de geluidbelasting. In principe vindt er eens in de vijf jaar onderzoek plaats naar het aantal gehinderde door geluid gespecificeerd naar de bron. De effectindicator is dat het aantal geluidgehinderden, inclusief het aantal gehinderden als gevolg van luchtvaartlawaai, niet toeneemt.

Indicatoren

Effectindicator

Basisjaar

Streefwaarde 1

Periode

Streefwaarde 2

Periode

Bron

Aantal geluidgehinderden

– (2009)

geen toename

2010

geen toename

2020

RIVM

Aantal gehinderden Schiphol

239 500 (2007)

gelijk of afname

tot 2020

–  5%

2020

RIVM

Het gelijkwaardigheidprincipe is bij de ontwikkeling van het beleid voor Schiphol het uitgangspunt. Dit principe houdt in dat, bij wijziging van wetten en regels, de hoeveelheid mensen met een bepaalde geluidsbelasting per saldo dezelfde blijft of minder wordt. In het Alders-advies is daarnaast opgenomen dat het aantal gehinderden in 2020 met 5% is afgenomen ten opzichte van het aantal in 2007 (239 500 gehinderden).

De inzet van IenM ten behoeve van het terugdringen van de negatieve effecten vanwege de NAVO-vliegbasis Geilenkirchen is, in samenwerking met het Ministerie van Defensie, gericht op de uitvoering van de motie Neppérus Samsom, (35% minder geluidsoverlast), waarbij ondermeer het aantal vliegbewegingen wordt beperkt.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

60.03 Realiseren van ruimte voor windenergie en klimaatadaptatie

Operationele doelstelling

Motivering

De inrichting, het gebruik en het beheer van de Nederlandse ruimte wordt afgestemd op het veranderende klimaat zodanig dat bedreigingen worden beperkt en kansen worden benut. Schade aan de gezondheid en economische schade moeten zoveel mogelijk worden beperkt.

De rijksoverheid garandeert de energievoorziening voor Nederland. De opwekking en distributie van elektriciteit via een hoofdnetwerk van centrales, hoogspanningsleidingen is een zaak van nationaal belang. IenM is verantwoordelijk voor de ruimtelijke reserveringen voor grote elektriciteitscentrales en voor ruimte voor toekomstige hoogspanningsverbindingen. Daarnaast raken fossiele grondstoffen steeds verder uitgeput en moet naar alternatieven worden gezocht. Windenergie op land is voor de korte termijn een van de goedkopere vormen van energie. Op nationaal niveau moeten in overleg met provincies ruimtelijke keuzes worden gemaakt voor concentratiegebieden voor windenergie. Ruimtelijke knelpunten moeten zoveel mogelijk worden weggenomen zodat ook provincies en gemeenten in staat zijn om kleinschalige windenergieprojecten te realiseren.

Kaders

Instrumenten

  • Deltaprogramma, waarin het rijksbeleid ten aanzien van waterveiligheid en zoetwatervoorziening in samenhang met een duurzame en toekomstbestendige stedelijke (her-)ontwikkeling wordt uitgewerkt (deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering, zie bijlage Tweede Deltaprogramma).

  • Verstedelijkingsafspraken en MIRT-gebiedsagenda’s.

  • Wro en 1e tranche Amvb Ruimte; in dit kader van belang ten aanzien van het bouwen in het buitendijks gebied van de grote rivieren en het bouwbeleid in het kustfundament.

  • Klimaatconvenanten met IPO en VNG.

  • Electriciteitswet 1998; (wijziging 2009): initiatiefnemers windmolenparken >100 MW kunnen Minister van EL&I vragen om rijkscoördinatieregeling toe te passen. (Minister van IenM is voor het rijksinpassingsplan mede bevoegd gezag).

  • Crisis en herstelwet (Chw): provincies passen voor windenergieprojecten tussen 5 MW en 100 MW de provinciale coördinatieregeling toe en maken per project een provinciaal inpassingsplan. Bij de Chw hoort een Amvb met realisatienormen per provincies (in 2011 gereed). Daarnaast zijn er convenanten en/of samenwerkingsafspraken om in bepaalde regio’s te komen tot grootschalige windenergie (Rotterdamse Haven, Wieringermeer).

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Projecten

  • Onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat.

  • Subsidies voor klimaatbufferprojecten (www.klimaatbuffers.nl).

  • Actieprogramma Water en Ruimte (in samenwerking met UvW).

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Het vaststellen van een ontwerpbeleidskader voor Nieuwbouw en Herstructurering en kansrijke strategieën voor Rijnmond. Zie verder de bijlage bij deze begroting over het Deltaprogramma.

  • Rijksstructuurvisie voor wind op land: ruimtelijke visie op doorgroei naar 6 000 MW met verantwoordelijkheidsverdeling tussen de overheden.

  • In de beoogde concentratiegebieden voor grootschalige windenergie zijn regionale bestuurlijke afspraken gemaakt om te komen tot realisatie van grootschalige windenergie. Voor windmolenparken >100 MW worden samen met EL&I als medebevoegd gezag rijksinpassingsplannen gemaakt (Veendam-Menterwolde, Drentse Monden, IJsselmeerdijken, Krammersluizen en Maasvlakte 2).

  • Afronding onderzoek naar mogelijkheden voor de plaatsing van meer windmolens op waterkeringen.

  • In 2012 vindt een verkenning plaats naar het instrumentarium dat nodig is om bouw van nieuwe windmolens te laten samengaan met sanering van oude molens in concentratiegebieden.

  • Nieuwe systematiek om windturbines te toetsen op radarverstoring is in werking.

Indicatoren

Effectindicatoren

Omschrijving

Basisjaar

Stand

Streefwaarde 1

Periode

Streefwaarde 2

Periode

De vermeden CO2– uitstoot door gebruik windenergie

1968 kton (2007)

2 414 kton (2008)

vermindering CO2– uitstoot

2011

vermindering CO2– uitstoot

2020

Bron: CBS statline

Voor windenergie moet ruimte worden gecreëerd om een substantiële bijdrage te leveren aan de taakstelling die op Europees niveau is afgesproken: 14% van het finale energieverbruik dient duurzaam te zijn. Deze ruimte wordt voor een groot deel gecreëerd in de Rijksstructuurvisie Windenergie. Het overig deel moeten provincies en gemeenten regelen in ruimtelijke plannen. De effectindicator is dat klimaatverandering ten gevolge van CO2 beperkt blijft door gebruik van schonere (onder meer wind) energiebronnen. De verminderde CO2– uitstoot wordt berekend aan de hand van de gemiddelde CO2– uitstoot bij niet duurzame energieopwekking in Nederland.

Prestatie-indicatoren

Omschrijving

Basiswaarde

1-1-2010

Streefw. 1

Periode

Voldoende ruimte voor windenergie in 2011

1 749 MW (2007)

2 245 MW (2011)

6 000 MW

2020

Bron: windenenergie-nieuws.nl

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

60.04 Bevorderen adequaat gebiedsgericht instrumentarium en duurzame ontwikkeling

Operationele doelstelling

Motivering

Om andere overheden in staat te stellen op gebiedsniveau te komen tot de gewenste kwaliteit van de leefomgeving is een integrale gebiedsgerichte aanpak nodig van de ruimtelijke opgaven én de opgaven met betrekking tot milieu, water en natuur. Een gezonde en veilige leefomgeving (bodem-, lucht- en waterkwaliteit, geluid en externe veiligheid) draagt bij aan de economische ontwikkeling en heeft geen/zo min mogelijk negatieve effecten op de volksgezondheid.

Kaders

Instrumenten

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

  • Milieueffectrapportage (mer): Met het mer bevordert het Rijk dat het milieubelang een volwaardige rol krijgt in de besluitvorming over ruimte- en milieugebruik in Nederland en wordt uitvoering gegeven aan beide Europese richtlijnen op dit gebied evenals het ESPOO-Verdrag en het Verdrag van Aarhus.

  • Wet milieubeheer en onderliggende regelgeving.

  • EU-richtlijnen inzake milieueffectrapportage voor plannen en voor projecten alsmede het ESPOO-Verdrag en het Verdrag van Aarhust.

  • Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): Met de Wabo (omgevingsvergunning) en de bijbehorende digitale tool het Omgevingsloket online worden vergunningprocedures in het omgevingsrecht versneld en de dienstverlening van overheden richting burgers en bedrijven verbeterd

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:

  • Evaluatie van de modernisering van de regelgeving mer wat betreft de aspecten participatie, relatie passende beoordeling en project-mer (in werking sinds 1 juli 2010) evenals de verschuiving van projecten van de C-lijst (merplicht) naar de D-lijst (mer-beoordelingsplicht) van het Besluit mer (in werking sinds 1 april 2011).

  • Nederlands standpunt over het verwachte voorstel van de Europese Commissie tot herziening van de mer-richtlijn (voor projecten) vormgeven.

  • Met ondersteuning van IenM functioneert er een Platform Duurzame gebiedsontwikkeling, waarin overheden, marktpartijen, NGO’s, wetenschappers en ontwerpers gezamenlijk de verduurzaming van de leefomgeving proberen te versnellen. Het Platform begeleidt projecten, maakt ervaringen van koplopers overdraagbaar aan anderen en doet voorstellen voor vernieuwing van nationaal beleid en wet- en regelgeving. Het Platform heeft een looptijd tot september 2013.

  • Het beheer en actualiseren van de Wabo en het digitale loket. Daarbij zal in 2012 worden bepaald hoe het Omgevingsloket toekomstvast kan worden gebouwd, als ook een toekomstvisie op het omgevingsloket worden opgesteld.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.

Artikel 61 Algemeen

Algemene doelstelling

Tot en met het begrotingsjaar 2011 zijn op dit artikel alle uitgaven opgenomen die niet specifiek aan de beleidsartikelen 51 tot en met 60 waren toe te rekenen. In het kader van de vorming van één centraal apparaatartikel (artikel 98) en de centralisatie van de VROM-brede programmabudgetten (artikel 41) vanaf het begrotingsjaar 2012 is dit artikel leeggeboekt.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

61. Algemeen

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

 

256 673

0

0

0

0

0

Uitgaven

 

301 906

0

0

0

0

0

61.81 Programma:

 

21 501

0

0

0

0

0

61.81.02 Communicatie-instrumenten

 

3 425

0

0

0

0

0

61.81.04 Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StaB)

 

5 835

0

0

0

0

0

61.81.06 Overige vastgoedinformatievoorziening

 

0

0

0

0

0

0

61.81.14 Programma Juridische Zaken

 

9 256

0

0

0

0

0

61.81.90 Verzameluitkering

 

2 985

0

0

0

0

0

               

61.82 Apparaat Beleidsartikelen begroting XI VROM

 

46 016

0

0

0

0

0

               

61.85 Planbureau en Raden:

 

28 864

0

0

0

0

0

61.85.62 VROM-Raad

 

0

0

0

0

0

0

61.85.64 Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO)

 

0

0

0

0

0

0

61.85.66 Raad voor de Wadden

 

717

0

0

0

0

0

61.85.68 Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS)

 

0

0

0

0

0

0

61.85.70 Technische Commissie Bodembescherming (TCB)

 

635

0

0

0

0

0

61.85.80 Apparaat Planbureau Leefomgeving (PBL)

 

27 512

0

0

0

0

0

               

61.86 Postactieven

 

8 003

0

0

0

0

0

               

61.87 Gemeenschappelijke voorzieningen:

 

114 609

0

0

0

0

0

61.87.86 Gemeenschappelijke voorzieningen

 

100 948

         

61.87.88 Huurbijdrage aan Rgd

 

13 661

         
               

61.89 Bekostiging van externe uitvoeringsorganisaties

 

82 913

0

0

0

0

0

Ontvangsten

0

980

0

0

0

0

0

Artikel 62 Nominaal en onvoorzien

Algemene doelstelling

De artikelstructuur is veranderd en daarom worden er geen bedragen meer op artikel 40 (Nominaal en Onvoorzien voorheen VenW) en 62 (Nominaal en Onvoorzien voorheen VROM) geadministreerd. Artikel 99 is voor deze artikelen in de plaats gekomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)

62. Nominaal en onvoorzien

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

11

www.kustlijnkaart.nl

12

http://english.verkeerenwaterstaat.nl/kennisplein/4/0/402297/Veilig_vervoeren_veilig_werken_veilig_leven_ met_spoor_derde_kadernota_railveiligheid.pdf

13

www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2009/06/15/strategisch-plan-verkeersveiligheid-2008–2020.html

14

www.rdw.nl

15

www.cbr.nl

16

www.innovam.nl

17

www.euroncap.com

19

www.vvn.nl

20

www.teamalert.nl

21

www.swov.nl

22

www.who.int

23

www.tno.nl

24

www.kpvv.nl

25

www.ertrac.nl

26

http://ec.europa.eu/information_society/activities/esafety/index_en.htm

27

http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2009/06/15/strategisch-plan-verkeersveiligheid-2008–2020.html

28

http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2006:403:0018:0060:NL:PDF

29

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/behandelddossier/27925/kst-22894–296.html

30

http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32009D0240:nl:NOT

31

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/22112/kst-29984–259.html

32

www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/06/28/201034715-derde-kadernota-railveiligheid.html

33

www.nctb.nl

34

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32660–17.html

35

In bijlage 6 van de SVIR staan de essentiële onderdelen van beleid uit de PKB Nota Mobiliteit (NoMo), deel IV die (gewijzigd) van kracht blijven

36

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31305–180.html

37

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31305–196.html

38

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32500-A-81.html

39

www.snellerenbeter.nl

40

Voor uitvoering van de Spoedaanpak wegen en het overige MIRT-programma, zie artikel 12 van het Infrastructuurfonds.

41

Zie bijlage 6, SVIR.

42

http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ienm/kennisinstituut-voor-mobiliteitsbeleid

43

Bijlage bij Kamerstukken II, 2003–2004, 29 200 XII, nr. 1.

44

www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/spoorvervoer/spoorboekloos-reizen

45

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/behandelddossier/29984/kst-29984–259?resultIndex=7&sorttype=1&sortorder=4

47

www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2008/06/19/20085330-toekomstvisie-taxi.html

48

www.prorail.nl/Publiek/Infraprojecten/Ruimtevoordefiets/Pages/Ruimtevoordefiets.aspx

49

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32500-XII-55.html

50

www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/toespraken/2011/03/15/start-platform-slim-werken-slim-reizen.html

51

(http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2006:403:0018:0060:NL:PDF)

52

www.uic.org/spip.php?rubrique850

53

www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit

54

www.agentschapnl.nl/

55

www.nlmilieuenleefomgeving.nl/subsidietruckvandetoekomst/

56

www.ivdm.nl

57

www.mjpo.nl

58

mirt2011.mirtprojectenboek.nl/Images/552_tcm317–285852.pdf

59

www.innovatieprogrammageluid.nl/

60

www.innovatieprogrammageluid.nl/page.asp?id=851

Licence