Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

5.8 Baten-lastendienst Rijksgebouwendienst (Rgd)

Inleiding

De Rijksgebouwendienst draagt bij aan het succesvol functioneren van zijn gebruikers door het bieden van efficiënte en effectieve huisvestingsoplossingen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de uitvoering van de rijkshuisvesting door de Rijksgebouwendienst en voor de kaderstelling voor het rijksbrede beleid op het terrein van de rijkshuisvesting die vanuit het directoraat generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk (DGOBR) wordt vorm gegeven. De departementen zijn integraal verantwoordelijk voor hun eigen huisvestingsbeslissingen.

De Rijksgebouwendienst verzorgt voor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ook de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken, de huisvesting van het Koninklijk Huis voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat en de instandhouding van de monumenten in beheer van de Rijksgebouwendienst.

De Rijksgebouwendienst draagt bij aan de studies en activiteiten van de Rijksbouwmeester zoals advisering over architectuur(beleid), stedenbouw, monumentenzorg en beeldende kunst.

De Rijksgebouwendienst is naast Rijkshuisvester, als Corporate Real Estate Manager, ook beheerder over het in de rijkshuisvesting geïnvesteerde vermogen en heeft een verantwoordelijkheid voor het in stand houden van het culturele erfgoed in de vorm van ca. 40037 monumenten. Als Corporate Real Estate Manager adviseert de Rijksgebouwendienst over het aankopen, plannen en afstoten van rijkshuisvesting met als doel een bijdrage te leveren aan het primaire proces en het algemene resultaat van de rijksoverheid.

5.8.1 Rijksgebouwendienst-begroting van baten en lasten (x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Baten

             

Leveren producten /diensten

             

Omzet moederdepartement

21 570

20 011

21 119

20 487

20 782

20 451

18 426

Omzet overige departementen

1 373 204

1 366 397

1 362 952

1 286 959

1 241 703

1 202 773

1 170 333

Omzet derden

12 024

12 400

12 524

12 649

12 776

12 903

13 033

               

Bedrijfsvoering

             

Rentebaten

3 089

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

1 317

0

0

0

0

0

0

Overige baten

16 282

9 000

13 130

10 201

10 303

10 406

10 510

               

Totaal baten

1 427 486

1 407 981

1 409 877

1 330 432

1 285 704

1 246 674

1 212 428

               

Lasten

             

Product Huisvesting

             

Apparaatskosten (netto)

87 065

75 627

70 482

67 605

60 923

56 897

56 864

Huren

287 781

289 447

287 676

281 083

266 840

244 681

223 264

Rentelasten

272 539

274 998

294 204

269 776

263 617

262 197

260 423

Afschrijvingen

346 684

350 162

356 844

326 693

314 739

309 757

305 506

Onderhoud

155 775

156 597

139 809

139 236

143 839

141 918

140 868

Dotaties voorzieningen

17 749

16 700

15 650

11 721

7 712

7 784

7 857

Belastingen en heffingen

23 900

23 539

22 957

22 670

22 408

21 976

21 739

Investeringen buiten gebruiksvergoedingen

113 132

94 124

90 931

85 440

80 737

75 404

67 166

Overige producten

             

Services

48 443

48 000

46 220

44 442

41 636

40 812

39 969

Adviezen

8 818

8 000

8 080

8 161

8 242

8 325

8 408

Beleidsondersteuning

6 941

7 046

6 341

6 188

6 191

6 192

6 190

PPS lasten

39 218

44 000

51 900

51 400

50 900

50 400

49 800

Overige lasten

73 104

27 000

27 270

24 686

23 182

23 414

23 648

               

Totaal lasten

1 481 149

1 415 239

1 418 365

1 339 101

1 290 966

1 249 757

1 211 702

Saldo

– 53 663

– 7 258

– 8 488

– 8 669

– 5 260

– 3 083

726

De omzet wordt in tabel 4 (overzicht doelmatigheid) uitgesplitst naar 3 productcategorieën. Een nadere onderbouwing (pxq) is niet mogelijk vanwege de diversiteit binnen de producten.

Toelichting bij de baten

Omzet moederdepartement

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betaalt de kosten voor het onderhoud van de monumenten in beheer van de Rijksgebouwendienst. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is tevens opdrachtgever voor de Rijksgebouwendienst voor het leveren van ondersteuning aan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de uitvoering van het rijksbeleid gerelateerd aan de rijkshuisvesting (zie artikel 9 van de begroting voor BZK).

Aan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden de werkelijke kosten in rekening gebracht, inclusief de apparaatskosten die toegerekend worden aan deze (deel) producten.

Omzet departementen

De omzet departementen omvat alle opbrengsten voor geleverde producten en diensten. Het gaat daarbij om ontvangen gebruiksvergoedingen, egalisatie, bijdragen voor kleine projecten, services en adviezen.

Binnen het huur-verhuurstelsel worden interne verhuurcontracten afgesloten tussen de Rijksgebouwendienst en de departementen. Op basis van de «Huurprijsmethodiek Rijksgebouwendienst» brengt de Rijksgebouwendienst een gebruiksvergoeding in rekening. De gebruiksvergoeding bij eigendomspanden bestaat uit componenten voor rente en afschrijving en één component voor de kosten van onderhoud, leegstand, belastingen en het apparaat van de Rijksgebouwendienst. Bij huurpanden bestaat de gebruiksvergoeding ten minste uit componenten voor de markthuur en apparaatskosten. Daarnaast zijn hier de opbrengsten van PPS-contracten opgenomen.

In de raming van de gebruiksvergoeding is rekening gehouden met het afsluiten van nieuwe contracten en met de verwachte beëindiging van contracten als gevolg van voorziene krimp van de overheid.

Sinds 2010 betaalt Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar analogie van het huur-verhuurstelsel, ook een gebruiksvergoeding voor de huisvesting van het Koninklijk Huis voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat, de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken. Deze organisaties betalen zelf geen gebruiksvergoeding voor hun huisvesting.

De huurprijsmethodiek Rijksgebouwendienst heeft als uitgangspunt een (afgezien van de toegepaste indexering) constante huurprijs over de contractperiode. De jaarlijkse opbrengst is daarom een constante reeks, terwijl de kosten van rente en afschrijving per jaar variëren. Het verschil tussen de baten en lasten van rente en afschrijving wordt jaarlijks op contractniveau geëgaliseerd. In de balans is dit zichtbaar als een langlopende vordering op de gebruikers van de panden onder de post «egalisatierekening».

Bij omzet departementen gaat het daarnaast om investeringen buiten gebruiksvergoeding (kleine, à fonds perdu gefinancierde, huisvestingsprojecten) voor ministeries, die door de Rijksgebouwendienst worden uitgevoerd.

Omzet derden

De Rijksgebouwendienst heeft ook de zorg voor de huisvesting van organisaties op het niveau van de centrale overheid, die (vrijwel) geheel bekostigd worden uit collectieve middelen. Indien organisaties die binnen deze definitie vallen daar om verzoeken, kan de Rijksgebouwendienst de zorg voor de huisvesting op zich nemen. Daarnaast exploiteert de Rijksgebouwendienst een aantal bijzondere objecten zoals parkeergarages en de grafelijke zalen.

Rentebaten

De Rijksgebouwendienst kent rentebaten als gevolg van positieve saldi op de rekening-courant Rijkshoofdboekhouding (dagrente) en op de depositorekeningen Rijkshoofdboekhouding. Vanwege de lage rentevergoeding worden de komende jaren geen baten verwacht.

Overige baten

De overige baten betreffen de geraamde onttrekkingen aan de bestemmingsreserves brandveiligheid.

Toelichting bij de lasten

Apparaatskosten (netto)

De bruto apparaatskosten bestaan uit salarissen, opleidingen, externe inzet voor zowel het primaire als het secundaire proces, huisvesting, ICT en overige materiële kosten. Een groot deel van de huisvesting en ICT wordt afgenomen van het moederdepartement.

Voor een deel van de apparaatskosten wordt dekking gegenereerd door toerekening aan de (deel-) producten «huisvestingsprojecten», «services», «adviezen» en «beleidsondersteuning» («verwerkt als productkosten»). De resterende (netto) apparaatkosten moeten worden gedekt vanuit de opslag in de gebruiksvergoeding.

Huren

Deze post betreft de huren die de Rijksgebouwendienst aan de markt betaalt.

Rentelasten

De rentelasten zijn geraamd op basis van de afgesloten en nog af te sluiten leningen met het ministerie van Financiën.

Afschrijvingen

Dit zijn de afschrijvingen op gebouwen en inbouwpakketten. De afschrijvingstermijn op deze componenten kan variëren van 15 jaar op inbouwpakketten tot 60 jaar op het casco.

Onderhoud

Deze post betreft het dagelijks en het planmatig onderhoud. Het dagelijks onderhoud bestaat uit regelmatig terugkerende vaste werkzaamheden (contractonderhoud en wettelijk verplichte keuringen) en storingsonderhoud. Het planmatig onderhoud betreft de vervanging van en het onderhoud aan de gebouwelementen voor rekening van de Rijksgebouwendienst, zodat het onroerend goed op het gewenste kwaliteitsniveau wordt gehouden.

Deze activiteiten worden ook uitgevoerd voor de objecten van het Koninklijk Huis voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat, de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken en voor objecten buiten het huur-verhuurstelsel.

Belastingen en heffingen

Deze post betreft het eigenaardeel van de onroerendezaakbelasting over de voorraad onroerend goed.

Investeringen buiten de gebruiksvergoedingen

Onder deze post zijn investeringen opgenomen die niet leiden tot een (aanpassing van de) gebruiksvergoeding. Het betreft hier kleine projecten voor ministeries en investeringen voor gebruikers buiten het huur-verhuurstelsel.

Services

Services zijn basistaken op het gebied van onderhoud, die door de gebruikers zijn overgedragen aan de Rijksgebouwendienst. Een deel van de kosten bestaat uit de opbouw van een vervangingsverplichting die de Rijksgebouwendienst heeft jegens een aantal gebruikers voor de vervanging van de gebruikersinstallaties.

Adviezen

Onder deze post zijn de integrale kosten van niet-projectgebonden adviezen opgenomen.

Beleidsondersteuning

Onder deze post zijn de kosten opgenomen voor het product «beleidsondersteuning».

Dit product wordt door het moederdepartement gefinancierd.

PPS-lasten

Onder deze post is de totale vergoeding die de Rijksgebouwendienst uit hoofde van geïntegreerde PPS-contracten verschuldigd is aan een opdrachtnemer voor onderhoud, dienstverlening en rente.

Overige lasten

Onder de overige lasten worden onder andere niet projectgebonden kosten voor de uitvoering van het programma brandveiligheid voorzien.

Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen beschikbaar zijn gekomen of naar verwachting zullen komen en op welke wijze gebruik (is/of) zal worden gemaakt van deze middelen.

5.8.2 Kasstroomoverzicht (x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

1. Begin RHB 1 januari

436 781

426 205

331 499

311 720

286 023

282 236

322 279

               

2. Operationele kasstroom

410 552

359 815

379 624

311 069

301 676

302 178

311 831

               

3a. investeringen

– 501 567

– 521 000

– 425 000

– 425 000

– 425 000

– 425 000

– 425 000

3b. desinvesteringen

14 209

32 338

97 157

58 782

45 827

82 759

48 276

3. Investeringskasstroom

– 487 358

– 488 662

– 327 843

– 366 218

– 379 173

– 342 241

– 376 724

               

4a. afdracht

0

0

0

0

0

0

0

4b. eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

4c. aflossing

– 450 117

– 486 859

– 496 560

– 395 548

– 351 290

– 344 894

– 338 675

4d beroep leenfaciliteit

516 347

521 000

425 000

425 000

425 000

425 000

425 000

4. Financieringskasstroom

66 230

34 141

– 71 560

29 452

73 710

80 106

86 325

               

Eind RHB 31 december

426 205

331 499

311 720

286 023

282 236

322 279

343 711

Toelichting:

Ad 3a, 4d.

De investeringen in rijkshuisvesting en het beroep op de leenfaciliteit zijn gebaseerd op al afgesloten leningen, waarin alle projecten zijn opgenomen waarvoor reeds een opdracht is verstrekt aan de Rijksgebouwendienst, aangevuld met een raming van nieuwe investeringsprojecten op basis van nieuwe huisvestingswensen van ministeries. De Rijksgebouwendienst investeert in grond en gebouwen die in de balans onder de post materiële vaste activa worden verantwoord. In deze investeringen worden ook brandveiligheidinvesteringen meegenomen.

Ad 4c.

De raming van aflossingen (en rentebetalingen) is gebaseerd op de afgesloten en nog af te sluiten leningen met het ministerie van Financiën.

Doelmatigheid

Met de producten «huisvesting», «services» en «adviezen» bestrijkt de Rijksgebouwendienst de gehele keten van de huisvesting, vanaf de initiële vraag van een afnemer tot en met de realisatie (bouw en/of verbouw) en het beheer. De Rijksgebouwendienst is vraaggestuurd. Dit betekent dat in principe de jaarlijkse omzet voor een groot deel bepalend is voor de benodigde omvang van het personeelsbestand. Vanwege de afslanking van de rijksoverheid zal er op termijn minder huisvestingsvraag zijn. De Rijksgebouwendienst zal daardoor minder m2 huisvesting en minder kleine investeringen buiten de gebruiksvergoeding leveren.

De Rijksgebouwendienst vult de taakstellingen onder andere in door het m2-tarief (ter dekking van het apparaat) jaarlijks zodanig te verlagen, dat het in totaliteit leidt tot besparingen overeenkomstig de reeks die bij de ministeries is ingeboekt. De verlaging van het tarief wordt jaarlijks toegepast bij de doorvoering van de indexering van de gebruiksvergoedingen om de administratieve belasting tot een minimum te beperken. Dit betekent dat vóór het uitvoeringsjaar het tarief bekend is.

Als gevolg van de dalende vraag en de krimpende omvang van de Rijksoverheid, zal ook de Rijksgebouwendienst in omvang afnemen, dit is in de apparaatskostenbegroting zichtbaar in een dalende reeks voor inzet van externen en een verder krimpende ambtelijke organisatie.

5.8.3 Apparaatskosten (x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Levering producten / diensten:

             

Personele kosten

92 767

85 627

82 442

79 522

72 953

69 638

70 334

waarvan eigen personeel

69 901

66 327

64 262

61 160

57 499

56 110

56 671

waarvan externe inhuur

22 866

19 300

18 180

18 362

15 455

13 528

13 663

Materiële kosten

36 830

35 000

33 040

33 083

32 970

32 259

31 530

waarvan ICT

18 334

21 494

16 962

16 111

16 273

15 921

15 555

waarvan bijdrage aan SSO's

0

0

0

0

0

0

0

Totaal bruto apparaatskosten

129 597

120 627

115 482

112 605

105 923

101 897

101 864

Verwerkt als productkosten

42 531

45 000

45 000

45 000

45 000

45 000

45 000

Apparaatskosten (netto)

87 065

75 627

70 482

67 605

60 923

56 897

56 864

5.8.4 Overzicht doelmatigheid (x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Producten en diensten

             
               

omzet product huisvesting

1 312 755

1 310 397

1 308 652

1 234 356

1 191 825

1 153 636

1 118 803

omzet product adviezen

8 819

8 000

8 080

8 161

8 242

8 325

8 408

omzet product services

45 996

48 000

46 220

44 442

41 636

40 812

39 969

               

saldo baten en lasten

– 53 663

– 7 258

– 8 488

– 8 669

– 5 260

– 3 083

726

in %

– 3,8%

– 0,5%

– 0,6%

– 0,7%

– 0,4%

– 0,2%

0,1%

               

Huisvestingsvoorraad in mln m2 BVO

7,068

6,977

6,691

6,522

6,300

6,004

5,702

waarvan verhuurd

6,717

6,571

6,209

6,051

5,862

5,600

5,387

Percentage leegstand voor rekening Rgd

4,8%

6,4%

7,2%

7,2%

7,0%

6,7%

5,5%

Indicator technische kwaliteit

2,21

2,1–2,8

2,1–2,8

2,1–2,8

2,1–2,8

2,1–2,8

2,1–2,8

               

Bedrijfsvoering

             

Bezetting fte's

811

790

750

700

650

650

650

Apparaat-omzetindicator

9,1%

8,6%

8,2%

8,5%

8,2%

8,2%

8,4%

Toelichting

Saldo baten en lasten

Het saldo van baten en lasten laat een negatief resultaatbeeld zien. Dit is een gevolg van de toenemende kosten van leegstand die niet via de reguliere inkomsten gedekt kunnen worden. De (kosten van) leegstand neemt toe door minder vraag naar huisvesting net name als gevolg van taakstellingen, uitvoering masterplannen en minder ruimtegebruik per ambtenaar.

Tegelijkertijd zijn overtollige panden als gevolg van de ontwikkelingen op de vastgoedmarkt vaak moeilijk verkoopbaar, dan wel met (forse) boekwaardeverliezen.

Huisvestingsvoorraad in mln m2 BVO

De huisvestingsvoorraad zal de komende jaren door enerzijds het kabinetsbeleid en anderzijds adequate sturing door de Rijksgebouwendienst afnemen. Bij de gepresenteerde afname is rekening gehouden met de gevolgen voor de departementen in Den Haag van besluiten door de Ministerraad over het masterplan huisvesting Den Haag. Indien de voorraad niet in de voorziene mate daalt, zullen de leegstandkosten voor de Rijksgebouwendienst stijgen en daarmee het saldo van baten en lasten dalen.

Percentage leegstand

Dit betreft leegstand voor rekening van de Rijksgebouwendienst in relatie tot de totale voorraad. De totale huisvestingsbehoefte zal minder worden door de afslanking bij de rijksoverheid. Daarnaast ontstaat behoefte aan andersoortige huisvesting waardoor de huisvestingsmutaties toenemen. Hierdoor loopt het percentage leegstand (tijdelijk) op. De leegstand daalt naar verwachting na de meerjarenperiode weer wanneer objecten verkocht kunnen worden, dan wel wanneer wordt besloten tot sloop.

Indicator technische kwaliteit (ITK)

Dit betreft het gewogen gemiddelde van de technische conditie van alle gebouwen op een schaal van 1 (nieuwbouw) t/m 6 (extreem slecht). Voor een deel van de (niet-strategische) voorraad is een lagere waardering mogelijk waarbij nog altijd voldoende en daarmee economisch betere afwegingen gemaakt kunnen worden.

Bezetting fte’s

Het aantal ambtelijk personeel neemt als gevolg van fte-taakstellingen de komende jaren naar verwachting af tot 650 fte.

Apparaat-omzetindicator

Dit betreft de procentuele verhouding van de apparaatskosten van de Rijksgebouwendienst tot de omzet (totale baten) van de dienst. Een daling van de waarde van de indicator geeft aan dat de verhouding tussen de omzet en het ingezette apparaat verbetert.

Daarnaast beoogt de Rijksgebouwendienst in 2013 de volgende prestatie te realiseren:

Duurzaamheid/Functioneel Controleren, Inregelen en Beproeven (FCIB)

In 2013 wordt gestart met de uitvoering van maatregelen voor Energiebesparing in het kader van FCIB in kantoorpanden (tranche 3 FCIB).

37

De Rgd vervangt de tellingen op basis van haar eigen gebouwadministratie door de rijksbreed gehanteerde tellingen op basis van «monumentenaanwijzingen».

Licence