Base description which applies to whole site

2.1. De beleidsagenda

Regeerakkoord Rutte II

Om Nederland sterker uit de huidige crisis te laten komen, is een solide beleid nodig om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Het Regeerakkoord vraagt van iedereen een bijdrage, ook van gemeenten. De keuzes zijn niet eenvoudig, maar de omstandigheden bieden ook kansen om zaken anders te organiseren, zoals bijvoorbeeld door decentralisatie van taken. Voor de gemeenten bevat het Regeerakkoord naast de doorwerking van de normeringssystematiek ook enkele generieke ombuigingen.

In het Regeerakkoord is opgenomen dat door middel van de decentralisaties in het sociale domein de gemeenten de eerstverantwoordelijke overheidslaag worden voor de onderwerpen werk, maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg. De gemeenten krijgen per 1 januari 2015 op grond van de nieuwe Wmo, Jeugdwet en Participatiewet een brede integrale verantwoordelijkheid voor het sociale domein. De kern van de decentralisatieoperatie is onveranderd en is erop gericht dat de burger die het nodig heeft ondersteuning krijgt die aansluit bij zijn persoonlijke situatie en behoeften.

Deze veranderingen bieden kansen. Nu alle drie de decentralisaties eenzelfde invoeringsdatum kennen hebben gemeenten meer tijd om zich voor te bereiden en kunnen gemeenten direct starten met een integrale benadering van het sociale domein. Daarnaast biedt het gewonnen draagvlak bij de sociale en maatschappelijke partners een stevige basis voor de decentralisaties. De overheveling van budgetten als gevolg van de decentralisaties van jeugd, langdurige zorg en de participatiewet zijn nog niet opgenomen in deze begroting van het gemeentefonds.

In de decentralisatiebrief van 19 februari 2013 (Tweede Kamer, 2012–2013, 33 400 VII, nr. 59) heeft het kabinet de randvoorwaarden geschetst die noodzakelijk zijn bij de decentralisaties. Zo werkt het kabinet aan het verstevigen van de uitvoeringskracht van gemeenten, aan ruimte voor maatwerk en integraliteit in de wet- en regelgeving, aan een stevig implementatie- en ondersteuningsaanbod voor gemeenten en aan ontschotting van budgetten. Met ontschotting bedoelt het kabinet dat gemeenten in staat worden gesteld met een integraal budget maatwerk te leveren voor burgers.

Verdeling gemeentefonds

Onverminderd blijft het uitgangspunt dat het gemeentefonds, in combinatie met de andere gemeentelijke inkomstenbronnen, gemeenten voorziet van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken. De verdeling van het gemeentefonds heeft tot doel de middelen zo te verdelen, dat gemeenten in staat zijn om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lasten te kunnen leveren.

Op basis van het Periodiek Onderhoudsrapport 2010 wordt onderzoek gedaan naar de verdeling van het gemeentefonds. In het periodiek onderhoudsrapport werd geconstateerd dat een aantal clusters onevenwichtig is verdeeld over de gemeenten. Voor sommige gemeenten wordt op enkele clusters daardoor minder geld geraamd dan op grond van hun specifieke structuurkenmerken kan worden verwacht, terwijl voor andere gemeenten meer wordt geraamd dan kan worden verwacht op grond van de Financiële verhoudingswet. De eerste fase van het onderzoek is afgerond in 2011. Uit deze eerste fase bleek dat inderdaad aanpassingen binnen het fonds gewenst waren om de onevenwichtigheden op te heffen. De tweede fase van het onderzoek is naar verwachting ultimo 2013 afgerond. In deze fase worden enkele nadere onderzoeksvragen beantwoord voor de fysieke clusters en het cluster Openbare orde en veiligheid. Ook krijgt het nieuwe verdeelstelsel in deze fase vorm. Langs deze weg komt het fonds in de basis weer op orde. Daarmee is het geschikt om de verwachte toekomstige ontwikkelingen op basis van het Regeerakkoord zoals de decentralisaties, te kunnen verwerken.

In overleg met de VNG hebben de fondsbeheerders afgesproken dat het gemeentefonds in 2015 integraal wordt herijkt. De herijking moet drie resultaten opleveren:

  • geconstateerde scheefheden worden weggewerkt;

  • de clusterindeling wordt vereenvoudigd en meer toegesneden op de huidige en nieuwe taken van gemeenten;

  • het periodieke onderhoud van het gemeentefonds voor de toekomst wordt onderzocht.

De herijking heeft geen betrekking op de verdeelmodellen van de decentralisaties en op de ontwikkeling van het deelfonds sociaal, zoals genoemd in de decentralisatiebrief van het kabinet (Tweede Kamer, 2012–2013, 33 400 VII, nr. 59). Er is wel veel aandacht voor een goede aansluiting tussen de decentralisaties, het deelfonds en de herijking. Het is de bedoeling om de definitieve voornemens met betrekking tot de herijking in het voorjaar van 2014 bekend te maken.

EMU-saldo

Op 23 april 2013 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Houdbare overheidsfinanciën. De Wet Houdbare overheidsfinanciën (Hof) stelt dat de decentrale overheden een gelijkwaardige inspanning leveren bij het streven om te voldoen aan de Europese begrotingsdoelstellingen. De wet kwantificeert deze gelijkwaardige inspanning echter niet maar stelt dat deze wordt ingevuld door na aanvang van een nieuw kabinet in een bestuurlijk overleg een EMU-saldopad voor de gezamenlijke decentrale overheden af te spreken. Op 18 januari 2013 hebben het Rijk en de decentrale overheden een financieel akkoord gesloten (Tweede Kamer, 2012–2013, 33 400 B, nr. 7) waarin genoemd saldopad voor het EMU-macrosaldo voor de gezamenlijke decentrale overheden is vastgesteld.

In het financieel akkoord is onderscheid gemaakt tussen een genormeerd saldopad en een saldo-ambitie. De saldo-ambitie sluit aan bij de CPB-raming ten tijde van het Regeerakkoord, die laat zien waarop het saldo van de medeoverheden volgens de modellen van het CPB zou uitkomen door uitvoering van het Regeerakkoord. De saldo-ambitie is:

  • 2013: – 0,5% bbp.

  • 2014: – 0,3% bbp.

  • 2015: – 0,3% bbp.

  • 2016: – 0,2% bbp.

  • 2017: – 0,2% bbp.

De norm voor het saldo is ruimer, omdat er t.o.v. de ambitie een marge is ingebouwd. Als de ambitie dus onverhoopt niet gerealiseerd wordt, hoeven de decentrale overheden niet direct maatregelen te nemen. De afgesproken tekortnorm voor deze kabinetsperiode betreft:

  • 2013 t/m 2015: – 0,5% bbp.

  • 2016: – 0,4% bbp.

  • 2017: – 0,3% bbp.

In het bestuurlijk overleg financiele verhouding van het voorjaar 2015 wordt bezien of op basis van de dan beschikbare realisaties de daling in 2016 en 2017 verantwoord en mogelijk is. In de wet is een mogelijkheid voorzien om een maatregel op te leggen als de decentrale overheden niet aan de norm voldoen en afspraken om weer binnen de norm te komen niet worden gerealiseerd. Sancties zijn onderdeel van de wet, maar zullen gedurende deze kabinetsperiode niet worden toegepast, zolang er geen sanctie uit Europa volgt.

BTW-compensatiefonds

In het financieel akkoord dat het Rijk en de decentrale overheden op 18 januari 2013 2013 (Tweede Kamer, 2012–2013, 33 400 B, nr. 7) hebben gesloten heeft het kabinet de gemeenten en provincies een handreiking gedaan door het BCF niet af te schaffen. De taakstellende korting van € 310 miljoen (gemeentefonds) en € 40 miljoen (provinciefonds) vanaf 2015 blijft echter gehandhaafd. Ook komt er een plafond op het BCF door het te koppelen aan de normeringssystematiek voor het gemeentefonds en provinciefonds. Het plafond is vastgesteld op basis van de raming van het BCF voor 2014, namelijk € 3,1 miljard. Vanaf dat moment groeit het BCF met het accres. Het plafond wordt tevens aangepast voor taakmutaties (zoals de decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. De afgelopen jaren lag de realisatie van het BCF rond de € 2,8 miljard. Als het plafond overschreden wordt, dan wordt er uitgenomen uit het gemeentefonds en provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste aan het gemeentefonds en provinciefonds. De toevoeging of uitname wordt over het gemeentefonds en provinciefonds verdeeld conform de aandelen van de gezamenlijke gemeenten en gezamenlijke provincies in het BCF in gerealiseerde jaar. Naar huidig inzicht zal in 2015 circa € 180 miljoen worden toegevoegd aan het gemeente- en provinciefonds vanwege een onderschrijding van het plafond.

Het Rijk en de VNG/IPO hebben afgesproken dat het effect van de decentralisaties op het BCF nog verkend wordt.

Schatkistbankieren

Eén van de maatregelen in de begroting 2013 die een significante bijdrage levert aan de EMU-schuldverlaging en daarnaast financieel risico voor decentrale overheden vermindert, is de invoering van het verplicht schatkistbankieren door decentrale overheden. Dit houdt in dat gemeenten, provincies, waterschappen en door hen opgerichte gemeenschappelijke regelingen de middelen die zij (tijdelijk) niet nodig hebben voor de uitoefening van hun taken en verantwoordelijkheden – met andere woorden hun overtollige middelen – aanhouden in de schatkist. Middelen kunnen worden aangehouden via een rekening-courant of in één of meer deposito’s.

Middels een regeling van de minister van Financiën worden zaken omtrent de uitvoering vastgesteld. Te denken valt aan de uit te zonderen middelen (doelmatigheidsdrempel) en de vaststelling van de rentepercentages. Het wetsvoorstel is op 4-7-2013 aangenomen door de Tweede Kamer. Invoering is voorzien uiterlijk eind 2013.

2.1.1. Beleidsmutaties

Door wijzigingen in beleid van verschillende departementen kan worden overgegaan tot het beleggen of juist weghalen van taken bij gemeenten. Soms gaat dit gepaard met een toevoeging aan of een uitname uit het gemeentefonds. In tabel 2.1.1. worden de mutaties per uitgavencategorie weergegeven als gevolg van de beleidsmutaties. Voor een overzicht van de beleidsmatige mutaties vanaf ontwerpbegroting 2013 wordt verwezen naar bijlage 2. In tabel 3.1.2. wordt vanaf de stand ontwerpbegroting 2013 een aansluiting gegeven naar de stand ontwerpbegroting 2014. De weergegeven mutaties worden in het verdiepingshoofdstuk 3 afzonderlijk toegelicht voor zover dit nog niet gebeurd is in een eerder begrotingsstuk.

Tabel 2.1.1. Beleidsmutaties (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Opdracht

           

1. Kosten Financiële-verhoudingswet

750

– 250

– 250

– 250

0

0

             

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

           

1. Kosten Waarderingskamer

769

793

663

663

663

663

             

Subsidies

           

1. Budget A+O-fonds

0

62

62

62

62

62

2. Bijdrage aan VNG

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

3. Bijdrage aan KING

0

0

0

0

0

0

             

Bijdragen aan medeoverheden

           

1. Algemene uitkering ca en de aanvullende uitkeringen

– 338.433

379.106

– 227.625

– 297.625

– 382.625

– 440.856

2. Integratie-uitkeringen

70.196

137.181

– 411.698

– 556.698

– 556.698

– 558.217

3. Decentralisatie-uitkeringen

137.801

22.609

16.852

15.000

15.000

15.000

Totaal mutaties (inclusief meerjarige doorwerking 1e suppletoire 2013)

– 126.917

541.501

– 619.996

– 836.848

– 921.598

– 981.348

Licence