Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

2.1 Beleidsprioriteiten

Inleiding

Ondanks ieders grote inzet zullen de effecten van de coronacrisis in al onze sectoren ook het komende jaar nog voelbaar zijn. De crisis had en heeft grote gevolgen voor zowel het welzijn als de ontwikkeling van leerlingen en studenten. Ook van docenten, onderwijspersoneel, onderzoekers en de creatieve beroepen is veel gevraagd. We willen iedereen nogmaals danken voor die inzet. In deze beleidsagenda gaan we eerst per sector in op de verschillende herstelplannen. Met het Nationaal Programma Onderwijs hebben we in totaal € 8,5 miljard beschikbaar gesteld om te voorkomen dat leerlingen en studenten blijvende hinder ondervinden. In overleg met de Raad voor Cultuur verkennen we voorstellen voor een herstelplan voor de culturele en creatieve sectoren. Voor alle plannen is 2022 een belangrijk uitvoeringsjaar. Daarna bespreken we kort een aantal belangrijke beleidsontwikkelingen op de begroting van 2022. De indicatoren van deze kabinetsperiode hebben we gebundeld tot één overzicht (vanaf pagina 14).

1. Twee jaar met het coronavirus

1.1. Herstel primair en voortgezet onderwijs

Afgelopen voorjaar is het primair en voortgezet onderwijs na de tweede lockdown weer stapsgewijs geopend. De verwachting is dat scholieren in het schooljaar 2021-2022 hun lessen weer volledig in de klas zullen volgen. Toch zal de komende periode in het teken staan van het inhalen van opgelopen cognitieve of sociaal-emotionele achterstanden. We willen voorkomen dat bestaande verschillen verdiepen en dat achterstanden verder toenemen. De maatregelen en middelen van het Nationaal Programma Onderwijs stellen scholen hiertoe in staat. Komend jaar wordt een belangrijk uitvoeringsjaar. In de eerste plaats ondersteunt het programma scholen bij de uitvoering van hun in de zomer van 2021 vastgestelde schoolprogramma’s. Deze schoolprogramma’s zijn samengesteld naar de problemen en behoeften van de betreffende school en bestaan uit bewezen aannemelijke of effectieve interventies uit de beschikbaar gestelde menukaart. Gemeenten hebben in aanvulling op de schoolprogramma’s eigen maatregelen genomen, die ze in 2022 voortzetten. In datzelfde jaar evalueren scholen de door hen gekozen interventies en stellen zij hun schoolprogramma’s bij op basis van de ontwikkeling van hun leerlingen. In de jaarverslagen verantwoorden scholen zich over het inlopen van de leerachterstanden en over de besteding van de middelen. Zichthouden op de cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van kinderen, op hun schoolloopbaan en op het succes en de uitvoering van de gekozen interventies helpt ons bovendien om gericht beleid te formuleren.

Uit het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs blijkt dat leerlingen op het gebied van taal en rekenen in de eerste lockdown in het voorjaar van 2020 vertraging hebben opgelopen. In het Nationaal Programma Onderwijs zullen basisvaardigheden in 2022 daarom hoog op de agenda staan. Ook daarbuiten zullen we streven naar versterking van de basisvaardigheden, bijvoorbeeld door het verbeteren van de lesmethoden. Ook zetten we in 2022 het Leesoffensief voort, zodat scholen samen met bibliotheken en overheden de leesvaardigheid en het leesplezier bij kinderen kunnen bevorderen. De Inspectie van het Onderwijs wil de komende jaren veel aandacht besteden aan basisvaardigheden en zal in 2022 peilingonderzoeken houden in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Deze onderzoeken vinden in het primair onderwijs al plaats om een beter zicht op het stelsel te krijgen. Ten slotte komt in 2022 een evaluatie van het referentiekader taal en rekenen gereed, waarmee de kerndoelen en eindtermen voor deze vakken kunnen worden bijgesteld.

Voor alle onderwijsvormen geldt dat de coronacrisis een enorme impuls aan digitalisering van de lessen heeft gegeven. Dit biedt kansen voor de verbetering van de onderwijskwaliteit. Zo kunnen leraren dankzij digitalisering meer variatie aanbrengen in het lesmateriaal. Tegelijkertijd dringen zich nieuwe vraagstukken aan ons op, bijvoorbeeld aangaande keuzevrijheid, marktwerking en privacy. In het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs werken we daarom met schoolbesturen en private partijen (uitgevers, distributeurs en softwareleveranciers) aan een afsprakenstelsel dat voor deze vragen randvoorwaarden formuleert voor het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. In 2022 moet een eerste versie van het afsprakenstelsel klaar zijn.

Voor het Nationaal Groeifonds werken onderwijs, bedrijfsleven, onderzoeksinstellingen en overheid samen aan een voorstel. Met gerichte investeringen in digitale leer- en hulpmiddelen en ICT willen we het onderwijs verbeteren en daarmee het verdienvermogen van Nederland structureel vergroten. Vanuit het Nationaal Groeifonds is € 80,0 miljoen voorwaardelijk toegekend voor het Nationaal Onderwijslab in het funderend onderwijs. Onder regie van dit onderwijslab ontwikkelen kennisinstellingen, onderwijsveld, uitgeverijen en ICT-experts gezamenlijk voornemens tot innovatieve toepassingen. Hierbij wordt een brug geslagen tussen fundamenteel wetenschappelijk onderzoek en de concrete productontwikkeling. Samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat werken we aan een aanvullend plan om invulling te geven aan de voorwaarden van het Nationaal Groeifonds. In 2022 is de beoogde implementatie van het Nationaal Onderwijslab voorzien.

1.2. Herstel middelbaar beroepsonderwijs

We zien de samenleving weer opengaan en er komen weer meer stageplekken en leerwerkbanen. Na anderhalf jaar van voornamelijk digitaal onderwijs is het ontzettend fijn dat studenten en docenten in het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs vanaf 30 augustus eindelijk weer meer samen kunnen komen voor fysiek onderwijs, al is het nog met mitigerende maatregelen. Zelftesten zijn beschikbaar gesteld aan studenten en personeel. In het middelbaar beroepsonderwijs heeft de coronacrisis geleid tot studievertraging door de beperkte mogelijkheden voor onderwijs op locatie, uitval van stages, praktijkopdrachten en examens. Daarnaast is het mentale welzijn van studenten onder druk komen te staan. Ook is het risico op stagediscriminatie en toename van kansenongelijkheid groter. Vanuit het Nationaal Programma Onderwijs ontvangen de instellingen € 170 miljoen om studenten te begeleiden bij het inlopen van de opgelopen studievertraging en bij hun persoonlijke ontwikkeling. We verlengen de aanpak jeugdwerkloosheid, zodat scholen en gemeenten kwetsbare schoolverlaters kunnen begeleiden naar vervolgonderwijs of werk. Om het ontstane tekort aan stages en leerwerkplekken tegen te gaan, wordt het budget voor de subsidieregeling praktijkleren verhoogd en het actieplan stages en leerbanen met één jaar verlengd. De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) besteedt in dit actieplan extra aandacht aan jongeren in een kwetsbare positie zoals studenten met een niet-westerse achtergrond die relatief vaker te maken krijgen met stagediscriminatie. Verder voorziet het programma in een aantal tegemoetkomingen om studenten meer financiële ademruimte te geven. We halveren in het studiejaar 2021-2022 het wettelijk tarief voor les- of cursusgeld. Daarnaast krijgen studenten die hun recht dreigen te verliezen op hun basisbeurs en aanvullende beurs een tegemoetkoming. Voor het middelbaar beroepsonderwijs in Caribisch Nederland sluiten we zoveel mogelijk aan bij de maatregelen in Europees Nederland. Waar nodig passen we de aanpak aan lokale omstandigheden aan.

1.3. Herstel hoger onderwijs

Ook de instellingen in het hoger onderwijs ontvangen middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs om studievertraging en achterstand tegen te gaan. Met circa € 1,0 miljard helpen we hogescholen en universiteiten met het beperken van achterstanden, het bevorderen van het studentenwelzijn en het bestrijden van stagetekorten. Ook zijn er specifiek middelen voor geneeskunde- en lerarenopleidingen waar door de coronamaatregelen studievertraging in het praktijk- en werkplekleren en op stages is ontstaan. Instellingen stemmen de besteding van deze middelen af met de medezeggenschap. Net als in het middelbaar beroepsonderwijs hebben we ingezet op een aantal financiële tegemoetkomingen voor studenten. Zo halveren we in het studiejaar 2021-2022 het wettelijk collegegeld in het hoger onderwijs en we hebben hogescholen en universiteiten gevraagd om ook hun instellingstarieven te verlagen. Instellingen worden voor beide financieel gecompenseerd. Studenten die het recht op hun basis- of aanvullende beurs in studiejaar 2021-2022 of 2022-2023 verliezen, worden apart gecompenseerd. Voor de studenten is bovendien (onder voorwaarden) het reisrecht verruimd.

1.4. Herstel wetenschappelijk onderzoek

Ook de Nederlandse kennissector is door de coronacrisis aangetast. Zowel op universiteiten en hogescholen als bij instituten van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) heeft veel onderzoek vertraging opgelopen. Kostbare materialen dreigen zo verloren te gaan, onderzoekslijnen en gegevensverzamelingen worden onderbroken en onderzoeksresultaten raken verloren, ook voor het voeden van het onderwijs. Een belangrijk voorbeeld betreft de universitair medische centra, waar de toegenomen patiëntenzorg natuurlijk alle prioriteit heeft gekregen. Daarnaast komen persoonlijke loopbanen in de knel. Dit laatste raakt met name onderzoekers met een tijdelijke aanstelling. Het Nationaal Programma Onderwijs steunt deze groep daarom in 2022 met nogmaals € 81 miljoen. Daarmee kunnen zij hun onderzoek afronden en kunnen de onderzoeksresultaten worden benut voor wetenschap en onderwijs.

1.5. Herstel cultuursector

De culturele sector is zwaar getroffen door de coronacrisis. Dit vraagt onze aandacht. In overleg met de Raad voor Cultuur en in lijn met de motie Wuite c.s. verkennen we voorstellen voor een herstelplan voor de culturele en creatieve sectoren. We gunnen deze sectoren de tijd, het vertrouwen en de experimenteerruimte waar de raad om vraagt. Ons doel is om de sector weer in de hele breedte te laten draaien, te laten bijdragen aan het maatschappelijk herstel van Nederland en minder kwetsbaar te laten zijn in de toekomst.

2. Aanpak van het lerarentekort

Afgelopen kabinetsperiode hebben we diverse maatregelen genomen om het lerarentekort tegen te gaan. Hoewel er in het primair en voortgezet onderwijs positieve resultaten zijn geboekt, vraagt het lerarentekort ook in de toekomst onze aandacht. Zo blijft in de grote steden voorlopig sprake van een tekort aan schoolleiders in het primair onderwijs en kampt het voortgezet onderwijs in het hele land met een tekort aan leraren voor de exacte vakken en het vreemdetalenonderwijs. Nog dit jaar wordt een concrete werkagenda opgesteld op basis van de aanbevelingen van Merel van Vroonhoven en de uitwerking daarvan door de sectororganisaties. Met deze agenda zorgen we voor verbetering en flexibilisering van de lerarenopleiding en voor regionale samenwerking om het aantal zijinstromers te verhogen en te werken aan personeelsbehoud.

3. Strategische agenda hoger onderwijs

De Strategische agenda hoger onderwijs heeft laten zien dat het Nederlandse onderwijs en onderzoek kwalitatief hoogstaand en breed toegankelijk is. Tegelijk bleek dat het stelsel onder druk staat, dat de werkdruk hoog is en dat studentenwelzijn meer aandacht vraagt. De investeringen vanuit de kwaliteitsafspraken lopen in 2022 verder op tot € 495 miljoen. Het volgende kabinet zal een besluit nemen over het vervolg na 2024. We zijn voornemens loting weer in te voeren als één van de instrumenten van decentrale selectie. Zo borgen en verbeteren we de toegankelijkheid van opleidingen met een numerus fixus. Daarnaast stellen we in 2022 € 1,5 miljoen beschikbaar voor wisselstroomtrajecten die het studenten mogelijk maken om soepel tussen universiteit en hogeschool te kunnen wisselen. Verder hebben we stappen aangekondigd om voor flexibilisering ruimte te creëren in wet- en regelgeving.

4. Wetenschap van wereldformaat

In 2022 gaan wij verder met het implementeren van de in het kader van kennisveiligheid in 2020 gepresenteerde maatregelen om risico’s binnen onze kennis- en innovatiesystemen te ondervangen. We blijven inzetten op het verhogen van het risicobewustzijn bij instellingen. Ook is 2022 het eerste volledige uitvoeringsjaar van Horizon Europe, het Europese programma voor onderzoek en innovatie. Daarbinnen maken we ons hard voor de belangen van de Nederlandse wetenschap. Dat doen we bijvoorbeeld door aan te dringen op de vernieuwing van de Europese Onderzoeksruimte met ambitieuze en realistische doelen en door het behouden van excellentie en impact als leidende principes binnen het Horizon Europe-programma. Deelname van Nederlandse onderzoekers aan Horizon Europe is van groot belang om internationaal mee te blijven doen met de top van de wetenschap en samen te werken op Europees niveau.

5. Modernisering Archiefwet

We werken aan een wetsvoorstel dat de Archiefwet van 1995 moet moderniseren. De Archiefwet regelt dat overheidsorganisaties hun informatie zorgvuldig beheren, maar is verouderd. Door de wet beter aan te laten sluiten op de vereisten van het digitale tijdperk, borgen we de mogelijkheden om publieke verantwoording af te leggen en stellen we onderzoekers en toekomstige historici in staat hun werk te doen. Ook is goede informatiehuishouding onontbeerlijk voor het uitvoeren van onze eigen taken. Om dezelfde redenen werken we aan het moderniseren van lagere regelgeving, zoals het Archiefbesluit en de Archiefregeling.

6. Nieuwe concessieperiode landelijke publieke omroep

Voor de zomer hebben wij onze beleidsreactie gegeven op het concessiebeleidsplan van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) voor de periode van 2022 tot en met 2026. Samen met de NPO stellen wij op basis van het concessiebeleidsplan voor deze periode een prestatieovereenkomst voor de landelijke publieke omroep op. Daarbij zullen we in elk geval afspraken maken over de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen voor het media-aanbod, over de publieksbetrokkenheid en over het publieksbereik. Ook besluiten we welke huidige en nieuwe omroepen we voor de duur van de komende concessieperiode erkennen als onderdeel van het landelijke publieke medialandschap.

7. Vrouwen aan de top

Een belangrijk doel van het emancipatiebeleid is het verbeteren van de gelijkwaardige deelname van vrouwen aan arbeid en van de doorstroom van vrouwen naar topfuncties. Daarvoor ligt ter behandeling bij de Eerste Kamer het wetsvoorstel Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het evenwichtiger maken van de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen. Dit wetsvoorstel omvat een quotumbepaling van ten minste een derde man/vrouw voor raden van commissarissen van beursgenoteerde vennootschappen. Daarnaast dienen vennootschappen zelf passende en ambitieuze streefcijfers vast te stellen en deze daadwerkelijk te realiseren en hier transparant over te zijn. Eigenaarschap en transparantie zijn de sleutelwoorden in het wetsvoorstel. Dit volgt hiermee het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) over het bereiken van meer versnelling in de doorstroom van vrouwen naar de top. De SER ondersteunt vennootschappen door middel van een daartoe ontwikkelde infrastructuur. Na vijf jaar wordt de wetswijziging geëvalueerd.

8. Regenboogstembusakkoord

Het Regenboogstembusakkoord maakt inzichtelijk waar de grootste uitdagingen liggen op lhbti-beleid. Afgelopen kabinetsperiode hebben we alle punten van het akkoord uit 2017 uitgevoerd of bijna uitgevoerd. Op 13 maart 2021 ondertekenden acht politieke partijen het nieuwe Regenboogstembusakkoord van het COC. Andere partijen gaven aan dat ze het akkoord onderschrijven. De punten gaan onder andere in op het tegengaan van discriminerend geweld tegen lhbti-personen en het invoeren van een transitieverlof dat vergelijkbaar is met het zwangerschapsverlof.

9. Verbetering dienstverlening van de overheid

Om het vertrouwen van de burger in de overheid te bevorderen, heeft het kabinet onder andere in zijn reactie op het verslag van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag diverse verbeteracties aangekondigd. Daarbij zijn ook financiële middelen beschikbaar gesteld. We hebben het programma OCW Open ingericht om met ambtenaren in huis en mensen die te maken hebben met ons Ministerie toe te werken naar meer vertrouwen en een overheid die rechtvaardig en open is. Dit vraagt verbetering van de uitvoering, transparantie over de totstandkoming van beleid en regelgeving, én reflectie op de gevolgen van beleid en regelgeving voor de burger en instellingen. We verwachten nog dit jaar de Tweede Kamer te kunnen informeren welke verbeteracties nog meer van toepassing zijn en wat de consequenties daarvan zijn.

De opdracht Werk aan Uitvoering richt zich op de grote vraagstukken en geeft prioriteit aan overheidsbrede dienstverlening en maatwerk, digitalisering, doenlijke en uitvoerbare wet- en regelgeving en samenwerking en besturing tussen en binnen overheidsorganisaties. In de kabinetsreactie hierop is op hoofdlijnen de aanpak beschreven om de dienstverlening van de overheid duurzaam te verbeteren.

Tabel 1 Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage van de gemeenten die goab-middelen ontvangen, dat 960 uur voorschoolse educatie aanbiedt aan doelgroeppeuters tussen de 2,5 en 4 jaar1

    

2021

PO

42%

  

100%

Percentage kindercentra met een aanbod van voorschoolse educatie, dat per doelgroeppeuter 10 uur pedagogisch beleidsmedewerker per jaar inzet.2

    

2022

PO

   

n.v.t.

Sociale inclusie van laaggeletterden3

     

MBO

    

Kwalificatiewinst4

 

2012-2013

2018-2019

2019-2020

2020

MBO

82,7%

87,9%

88,4%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Succes eerstejaars mbo5

 

2012-2013

2018-2019

2019-2020

2020

MBO

82,9%

83,6%

85,1%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Succes doorstromers in eerste jaar hbo6

 

2012-2013

2017-2018

2018-2019

2020

MBO

78%

79%

85%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Aantal nieuwe vsv’ers7

 

2008-2009

2018-2019

2019-2020

2024

VO & MBO

41.800

26.894

22.785

20.000

1

; Meting 1: voortgang, vormgeving en effecten van de invoering van 960 uur voorschoolse educatie, Sardes en Oberon, februari 2020. De uitbreiding van het aantal uren voorschoolse educatie is per 1 augustus 2020 in werking getreden. De implementatie wordt vanaf najaar 2019 jaarlijks gemonitord. De rapportage van de 2e meting van het implementatieonderzoek is in september 2021.

2

De extra inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker in de voorschoolse educatie treedt per 1 januari 2022 in werking, daarom is er nog geen streefcijfer.

3

Vanaf 2020 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het meten van het effect van opleidingen basisvaardigheden (de outcome). Gemeenten kiezen hierbij welke indicatoren zij verzamelen. Hierdoor zijn er geen landelijke, uniforme cijfers beschikbaar voor het effect op sociale inclusie. Bijna alle 35 contactgemeenten (Wet educatie beroepsonderwijs) hebben een regionaal programma laaggeletterdheid ingediend, waarin zij aangeven hoe zij het effect van hun lokale en regionale aanpak van laaggeletterdheid op doorlopende basis meten. Het onderzoekbureau ECBO doet een meerjarig onderzoek naar de inhoud en voortgang van deze regionale programma’s laaggeletterdheid. Daarnaast is het Centraal Bureau voor de Statistiek gevraagd om een proef uit te voeren met een aantal gemeenten om het bereik en de deelname aan opleidingen basisvaardigheden inzichtelijk te maken, waarbij achtergrondkenmerken zoals de leeftijd en het geslacht van de deelnemer en de aard van de gevolgde cursus in beeld worden gebracht (de output). In lijn met de motie van de leden Tielen en Kwint (Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 28760, nr. 104) is met gemeenten afgesproken om voorlopig slechts een beperkt aantal gegevens landelijk te monitoren.

4

5

Licht gewijzigde definitie met ingang van 2016/17 (zonder entree-opleidingen).

6

Het betreft mbo-4 gediplomeerden die doorstromen naar het hbo en in het eerste jaar niet uitvallen. De definitie is voorlopig. Het cohortjaar is het jaar van het diploma in het mbo. Aan mbo-studenten die voorwaardelijk zijn toegelaten tot het hbo terwijl zij nog een klein gedeelte van hun mbo-opleiding moesten afronden, is uitstel gegeven. Ook is het bindend studie-advies een jaar opgeschort door hogescholen. Aan mbo-studenten die voorwaardelijk zijn toegelaten tot het hbo terwijl zij nog een klein gedeelte van hun mbo-opleiding moesten afronden, is uitstel gegeven. Ook is het bindend studie-advies een jaar opgeschort door hogescholen.

7

Nieuwe voortijdige schoolverlaters (vsv'ers) zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten in het studiejaar vanuit het vo of mbo. Het voorlaatste jaar is aangepast aan de definitieve cijfers, het laatste jaar betreft voorlopige cijfers.

Tabel 2 Sterke docenten

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage van besturen dat aangeeft dat er binnen het schoolteam een gesprek is gevoerd over de besteding van de werkdrukmiddelen1

  

2018

2019

2020

PO

 

99,22%

99,27%

n.v.t.

Percentage van besturen dat aangeeft dat de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad ingestemd heeft met het voorstel voor de besteding van de werkdrukmiddelen1

  

2018

2019

2020

PO

 

98,41%

98,34%

n.v.t.

1

Bron: XBRL Onderwijsportaal, DUO. Er is geen basiswaarde omdat het om nieuw beleid gaat en de procesindicatoren nieuwe eisen betroffen waaraan schoolbesturen eerder niet hoefden te voldoen. Daarnaast is er in het werkdrukakkoord overeengekomen dat er voor deze procesindicatoren het principe van comply or explain geldt en is er geen streefwaarde afgesproken. Voor de percentages in 2019 geldt dat 964 schoolbesturen zijn meegenomen in het totaal.

Tabel 3 Opleiden voor de samenleving van de toekomst

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage leidinggevenden dat (zeer) tevreden is over de kwaliteit van het techniekonderwijs1

 

2017

2017

2020

2024

VO

54%

54%

68%

65%

Percentage vmbo-leerlingen waarbij binnen een straal van 10 km rondom woonadres een techniekvestiging is2

 

2017

2018

2020

2024

VO

95%

94%

94%

90-100%

Aandeel afgestudeerden bètatechniek3

 

2012

2019

2020

2021

HBO

18%

22%

21%

Hoger t.o.v. basiswaarde

WO

21%

28%

28%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Aandeel mbo-studenten techniek3

 

2011

2019-2020

2020-2021

2021

MBO

28%

27%

26%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Arbeidsmarktrendement, per opleidingsniveau4

 

Cohort 2012-2013

Cohort 2015-2016

Cohort 2016-2017

2020

MBO

    

Entree

66%

59%

61%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Niv. 2

77%

80%

84%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Niv. 3

85%

90%

92%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Niv. 4

83%

88%

90%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met huidige functie voldoende/goed was5

 

2012-2013

2016-2017

2017-2018

2020

MBO

76%

78%

77%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Percentage leerbedrijven dat over vakkennis oordeel (zeer) goed geeft6

 

2016

2018

2020

2020

MBO

77%

77%

71%

Vasthouden

Percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardigheden oordeel (zeer) goed geeft7

 

2016

2018

2020

2020

MBO

76%

80%

74%

Vasthouden

Percentage 25-64 jarigen dat deelneemt aan leeractiviteit (LLL)8

 

2010

2019

2020

2020

MBO

17,1%

19,5%

18,8%

20%

Percentage hbo-afgestudeerden dat ruim een jaar na afstuderen aan het werk is9

 

Cohort2010-2011

Cohort2015-2016

Cohort2016-2017

2020

HBO

88%

90%

91%

Vasthouden

Percentage wo-afgestudeerden dat ruim een jaar na afstuderen aan het werk is10

WO

88%

90%

92%

Vasthouden

Percentage werkende hbo-afgestudeerden ruim een jaar na afstuderen werkzaam op minimaal het niveau van de opleiding11

 

2010

2019

2020

2021

HBO

79%

80%

79%

Vasthouden

Percentage werkende wo-afgestudeerden ruim een jaar na afstuderen werkzaam op minimaal het niveau van de opleiding12

 

2010

2017

2019

2021

WO

n.b.

72%

71%

Vasthouden

1

Bron: Enquête leidinggevenden technisch vmbo, SEO Economisch Onderzoek 2021, gepubliceerd in Sterk Techniek Onderwijs - Eerste fase STO: Monitorgegevens en voortgang in het eerste jaar – ResearchNed Nijmegen 2021. De nulmeting komt uit de enquête 'Vernieuwing vmbo onder leidinggevenden' uitgevoerd door de SEO Economisch Onderzoek (2018).

2

Bron: Onderwijsdata DUO (eigen bewerking ROA), gepubliceerd in Sterk Techniek Onderwijs - Eerste fase STO: Monitorgegevens en voortgang in het eerste jaar – ResearchNed Nijmegen 2021. De nulmeting komt uit het onderzoek in het kader van de Monitor Sterk Techniekonderwijs; de nulmeting.

3

4

Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van gediplomeerde mbo-uitstromers ruim een jaar na diplomering (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober). De cijfers van 2016-2017 zijn definitief.

5

6

De onderzoekspopulatie leerbedrijven in 2016 en 2018 verschillen licht van elkaar. De cijfers betreffen een tweejaarlijks onderzoek.

7

De cijfers betreffen een tweejaarlijks onderzoek.

8

9

Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van afgestudeerde hbo-bachelors ruim een jaar na afstuderen (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

10

. Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van afgestudeerde wo-masters ruim een jaar na afstuderen (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

11

.

12

De enquête onder wo-afgestudeerden (Nationale Alumni Enquête) wordt tweejaarlijks gehouden. In 2020 is daardoor geen onderzoek gedaan, data van de NAE voor 2021 wordt in het tweede kwartaal van 2022 bekend.

Tabel 4 Onderzoek van wereldformaat

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage open-access gepubliceerde artikelen1

 

2016

2018

2019

2021

OWB

42%

54%

62%

100%

1

De VSNU zal naar verwachting de cijfers over 2020 in de tweede helft van 2021 publiceren.

Tabel 5 Cultuur

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage scholen dat deelneemt aan het programma CMK1

 

2017

2019

2020

2024

Cultuur

42%

59,8%

2

60%

Percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijke tot goede staat3

 

2013

2019

2020

2022

Cultuur

87%

83,6%4

84,4%5

84,6%6

1

het percentage geeft de deelnemende scholen in het primair onderwijs weer.

2

Veel projecten hebben door corona vertraging opgelopen en daarom heeft het Fonds voor Cultuurparticipatie, de uitvoerder van het programma, besloten de looptijd van de projecten te verlengen tot 1 juli 2021. Het merendeel van de penvoerders maakt gebruik van deze mogelijkheid. De verantwoordingen over het jaar 2020 tot en met 1 juli 2021 worden uiterlijk 1 oktober 2021 ingediend.

3

4

Toelichting bij realisatie 2019 t.o.v. 2018: Ook in 2019 is de meetmethode verder verbeterd. Als gevolg daarvan lijkt het percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijk tot goede staat in 2019 lager dan in 2018. Dit komt door een toename van het aantal objecten dat in beeld is. Monumenten bestaan veelal uit meerdere objecten (zoals gebouwen, toegangspoorten, ornamenten en tuinonderdelen) en de onderhoudsstaat van steeds meer objecten wordt in beeld gebracht. Onder de nieuw toegevoegde objecten bevinden zich relatief veel objecten die minder goed toegankelijk zijn en daarom voorheen niet beoordeeld zijn. Deze bevinden zich ook vaker in een relatief minder goede staat van onderhoud. Hierdoor komt het realisatie van het percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijke tot goede staat op 83,6%. Wanneer de groep monumenten uit 2017 en 2018 vergeleken wordt met de uitkomsten van 2019 dan verkeren 84,3% van de monumenten in redelijk tot goede staat.

5

Het percentage monumenten dat in goede staat verkeert laat een stijgende lijn zien. In 2019 bevond 83,6% van de monumenten zich in een redelijk tot goede staat, in 2020 was dat 84,4%. Dit percentage ligt wel lager dan de basiswaarde van 87% die in 2017 is vastgesteld, maar dat komt doordat de meetmethode in de tussentijd verder is verbeterd. Dit komt door een toename van het aantal objecten dat in beeld is. Monumenten bestaan veelal uit meerdere objecten (zoals gebouwen, toegangspoorten, ornamenten en tuinonderdelen) en de onderhoudsstaat van steeds meer objecten wordt in beeld gebracht. Onder de nieuw toegevoegde objecten bevinden zich relatief veel objecten die minder goed toegankelijk zijn en daarom voorheen niet beoordeeld zijn. Deze bevinden zich ook vaker in een relatief minder goede staat van onderhoud. Gelukkig zien we -ook met de nieuwe meetmethode- een stijgende lijn in het aantal monumenten dat in goede staat verkeert.

6

Via de beleidsbrief Erfgoed telt is extra geïnvesteerd in de restauratie van monumenten. Dit draagt bij aan de staat van de monumenten in Nederland. Het komende jaar wordt via de reguliere middelen geïnvesteerd in het in stand houden van deze staat. Daarom zal ook in 2022 de streefwaarde 84,6% zijn, zoals deze ook in 2021 was.

Tabel 6 Media

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Alle afspraken uit prestatieovereenkomst worden door NPO nagekomen1

 

2017

2019

2020

2020

Media

33/342

31/343

30/344

34/34

1

Bron: Terugblik NPO; Verificatie Commissariaat voor de Media.

2

De niet-behaalde afspraak is ten dele gerealiseerd.

3

Een afspraak is niet gerealiseerd, twee van de niet-behaalde afspraken zijn ten dele gerealiseerd.

4

Een van de vier afspraken is net niet gehaald, de andere drie hebben te maken met onvoldoende budget/mogelijkheden door de coronacrisis.

Tabel 7 Emancipatie

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Acceptatie LHBTI1

 

2010

2016

2018

2022

Emancipatie

90%

93%

94%

≥ 90%

Arbeidsmarktpositie van vrouwen in hoge functies2

 

2017

2018

2019

20303

Emancipatie

RvB: 11,0%

12,4%

12,4%

≥ 33%

RvC: 15,4%

18,4%

20,4%

≥ 33%

1

Deze monitor verschijnt tweejaarlijks. De monitor over 2020 verschijnt waarschijnlijk najaar 2021.

2

Het RvB + RvC cijfer 2017 is gecorrigeerd, omdat het definitieve cijfer afwijkt van het eerder gepubliceerde voorlopige midterm cijfer. Het RvC is voor de non-profitsector een gepastere term. De monitor verschijnt om de twee jaar.

3

Dit streefcijfer is indicatief als maat voor diversiteit in rvb en rvc. De wet gaat uit van door bedrijven zelf gekozen, passende en ambitieuze streefcijfers. Dit percentage is als indicatieve toets opgenomen om een beeld te krijgen of de door de wet beoogde versnelling van de toename van het aandeel vrouwen in raden van bestuur en raden van commissarissen wordt bereikt. Het gaat hier niet om streefcijfers van individuele bedrijven.

Overzicht coronamaatregelen

2020 en 2021 zijn voor een belangrijk deel getekend door de coronacrisis. Het kabinet heeft diverse (nood)maatregelen genomen om de crisis het hoofd te bieden. Deze paragraaf geeft een overzicht van de maatregelen die op de begroting van het Ministerie van OCW zijn genomen. Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksfinancien.nl/corona-visual.

Tabel 8 Overzicht coronamaatregelen (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving maatregel

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Vindplaats

14

Eerste cultuurpakket

300.000

0

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 353)

15

Programmering landelijke publieke omroep

19.000

0

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 43)

14

Ondersteuning vrije theaterproducenten

40.000

0

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 193)

15

Tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening

18.509

5.491

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35716, nr. 2)

14

Tweede cultuurpakket

0

249.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 400)

14

Extra steun voor de culturele en creatieve sector

0

24.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35735, nr. 2)

14

Opschalen initiatieven voor kunst en cultuur voor kwetsbare groepen

0

10.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35776, nr. 2)

14

Vierde steunpakket cultuur

0

70.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35850 VIII, nr. 2)

14

Boekenvak

0

20.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35877, nr.2)

1,3,4

Ondersteuningsmaatregelen onderwijs

333.730

186.270

11.000

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184)

11

Compensatie studenten mbo en ho

38.030

161.970

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184)

1,3,4

Extra hulp voor de klas

0

210.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 123)

4

Aanpak van de jeugdwerkloosheid

4.000

39.644

11.482

110

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35682, nr. 2),

6, 7

Coronabanen in het hoger onderwijs1

0

15.241

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35682, nr. 2)

1

Extra apparaten voor onderwijs op afstand po en vo

0

15.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35696, nr. 1)

1,3,4,6,7

Sneltesten

0

211.200

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35739, nr. 2), (Kamerstukken II 2020/21, 35806, nr. 2)

3

Examens vo

0

47.300

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35739, nr. 2)

diverse

NPO maatregelen2

0

3.168.772

3.652.790

984.623

40.000

40.000

40.0003

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185)

4

Offensief behoud stages en leerwerkbanen

0

3.809

11.427

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 228), (Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 105)

4

Projectskills en scholingsmogelijkheden

0

996

333

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35850 VIII, nr. 2)

 

Totaal

753.269

4.438.693

3.687.032

984.733

40.000

40.000

40.000

 
1

Hiervoor werd initieel € 20,0 miljoen overgemaakt. Uiteindelijk is € 15,2 miljoen uitgeput.

2

Zowel voor po, vo als mbo geldt dat niet het volledige bedrag is uitgegeven op de inhaal- en ondersteuningsprogramma's. Totaal is er € 72,0 miljoen teruggestort naar het Ministerie van Financiën.

3

In 2027 gaat het om een bedrag van € 25,0 miljoen.

Licence