Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Bijlage 6: Overzicht kengetallen en indicatoren

Inleiding

Dit overzicht gaat in op diverse indicatoren en kengetallen. Met ingang van deze begroting zijn deze gecategoriseerd in de herkenbare thema's van de Strategische Evaluatie Agenda (zie bijlage 5). Dit komt de samenhang tussen monitoring en evaluatieonderzoek ten goede. Indicatoren en kengetallen zijn meetbare grootheden die een belangrijke signalerende functie hebben. Kengetallen bieden met name belangrijke contextuele informatie. Indicatoren zijn vaker concreet gebonden aan de inzet van een beleidsmaatregel of doelen van beleid. Scores op indicatoren kunnen daarom aanleiding zijn om beleid bij te sturen. Om echter de daadwerkelijke effecten van het gevoerde beleid op de «scores» uit de indicatoren vast te kunnen stellen is nader evaluatieonderzoek nodig. De recente afgeronde en geplande evaluatieonderzoeken staan opgenomen in de SEA (bijlage 5).

DOELSTELLING: VERSTERKEN CONCURRENTIEKRACHT DUURZAME AGROKETENS

 
        

Indicatoren/kengetallen

 
        

Export van agrarische producten uit Nederland ( Bron: CBS tot en met oktober 2020, raming november - december 2020 door WUR en CBS)

 
        

Land

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020 (raming)

Duitsland

20.148

20.073

21.180

22.168

21.856

23.579

24.600

België

8.295

8.217

8.803

9.722

9.768

10.779

10.577

Verenigd Koninkrijk

7.850

8.034

8.109

8.304

8.252

8.658

8.415

Frankrijk

6.916

6.484

6.789

7.480

7.330

7.726

7.567

China

1.071

1.568

2.066

2.224

2.323

3.083

3.819

Overige landen

33.914

33.542

34.516

36.508

37.188

40.797

40.593

Totaal landen

78.193

77.916

81.463

86.407

86.718

94.623

95.571

        
        

Toelichting

1. Export van agrarische producten uit Nederland

Bovenstaande tabel toont de belangrijkste exportlanden (in waarde) van Nederland met betrekking tot agrarische producten en de totale (agrarische) exportwaarde van Nederland.

DOELSTELLING: BORGEN VAN VOEDSELVEILIGHEID EN VOEDSELKWALITEIT

  
         

Indicatoren/kengetallen

  
         

●Voldoen controlevereisten HACCP (bron: NVWA)

  
         
  

2013

2019

2020

Meest recente jaar

Streefwaarde 2020

Aantal gecontroleerde bedrijven

88,70%

91,10%

89%

2020

95% (2025)

  
         
         

●Vertrouwen consument in veiligheid voedsel (bron: NVWA consumentenmonitor)

  
         
 

2015

2016

2017

2018

2019

2021 (meest recent)

Streefwaarde

 

Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

3,2

Geen meting

Geen meting

3,2

3,2

3,1

  

Toelichting

1. Voldoen controlevereisten HACCP

Het betreft het percentage van het totale aantal gecontroleerde bedrijven met een wettelijk verplicht Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP)-systeem uit het eerste deel van de vleesketen (slachthuizen, uitsnijderijen en koel- en vrieshuizen) dat aan alle controle-items voor HACCP voldoet.

2. Vertrouwen consument in veiligheid voedsel

De NVWA meet op een schaal van 1–5 het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedsel. Deze meting vindt om de 2 jaar plaats. In 2021 blijkt uit de meting dat het vertrouwen van de consument op alle aspecten licht is toegenomen. Voor de volgende monitor in 2023 wordt nagegaan of de vragenlijst en de berekening van het kengetal geactualiseerd moeten worden. Daarbij zal rekening gehouden worden met het feit dat de trend over de jaren heen gevolgd moet blijven kunnen worden.

DOELSTELLING: VERGROTEN MAATSCHAPPELIJKE WAARDERING VAN LANDBOUW/VOEDSEL

       

Indicatoren/kengetallen

       

●Voedselverspilling (kiloton) (Bron: Monitor voedselverspilling update 2009 ‒ 2018, WFBR, 2020)

       
 

2015

2016

2017

2018

Meest recente jaar

 

Voedselverspilling (kiloton)

min: 1.771

min: 1.781

min: 1.814

min:1.649

2018

 
 

max: 2.552

max: 2.466

max: 2.509

max: 2.568

  
       

●Afgeleide voedselverspilling in kiloton (absoluut en relatief) (bron: Monitor voedselverspilling update 2009 ‒ 2018, WFBR, 2020)

       
 

2015

2016

2017

2018

Meest recente jaar

Streefwaarde

Afgeleide voedselverspilling in kiloton(absoluut)

2.162

2.124

2.162

2.109

2018

1.081 (2030)

Afgeleide voedselverspilling in %(relatief)

100

98

100

98

2018

50

       

●Duurzaam voedsel (consumentenbestedingen aan voor consumenten herkenbaar duurzamer geproduceerd voedsel)Bron: Monitor duurzaam voedsel, Wageningen University & Research

       
   

2017

2018

2019

2020

1: Totale consumentenbestedingen aanduurzaam voedsel (x€1 mld.)

4,5

4,9

7,7

8,2

2: Marktaandeel van bestedingen aan duurzaamvoedsel in de totale bestedingen aan voedsel

11%

11%

14%

16%

3: Bestedingen van consumenten aanduurzaam voedsel ten opzichte van het voorgaande jaar

19%

7%

18%

7%

Toelichting

1. Voedselverspilling (kiloton)

Er is sprake van voedselverspilling als voedsel dat voor menselijke consumptie bedoeld is, hier niet voor wordt gebruikt. De Monitor voedselverspilling geeft de omvang van voedselresten in Nederland weer, gebaseerd op openbare cijfers. De totale hoeveelheid reststromen wordt uitgesplitst naar de bestemmingen voedselbank, veevoer, vergisten, composteren, verbranden en storten/lozen. De bestemmingen veevoer tot en met storten/lozen worden beschouwd als voedselverspilling. Per hoofd van de bevolking bedroeg de voedselverspilling in 2018 tussen de 96 en 149 kilogram, in totaal 1.649-2.568 kiloton. Een exact getal voor de hoeveelheid voedselverspilling binnen deze bandbreedte is niet te geven, omdat gegevens over afvalstromen per ketenschakel vooralsnog incompleet zijn en vaak niet bekend is welk aandeel voedsel heeft in een afvalstroom. Voor de monitor wordt gebruik gemaakt van cijfers uit geaggregeerde landelijke statistieken, waardoor de oorsprong en herkomst van reststromen niet altijd te achterhalen zijn. De experts hebben daarom aannames gedaan over de minimale en maximale hoeveelheid voedsel per afvalstroom. De cijfers over 2019 zijn nog

2. Afgeleid voedselverspilling in kiloton

Nederland heeft zich gecommitteerd aan het realiseren van het Duurzame Ontwikkelingsdoel 12.3 van de Verenigde Naties (SDG 12.3). SDG 12.3 stelt dat in 2030 t.o.v. 2015 de hoeveelheid voedselverspilling gehalveerd dient te zijn. In de Monitor voedselverspilling wordt de omvang van de voedselverspilling in Nederland niet als een absoluut getal weergegeven, maar aangeduid met een bandbreedte. De omvang van de voedselverspilling bedraagt tenminste de ondergrens van de bandbreedte (minimum) en ten hoogste de bovengrens van de bandbreedte (maximum). Hoewel het niet correct is om te stellen dat het ‘midden’ van de bandbreedte de hoeveelheid voedselverspilling aangeeft, is deze afgeleide voedselverspilling wel een indicatie van de ontwikkeling.

3. Duurzaam voedsel

De bovenstaande cijfers uit de Monitor Duurzaam Voedsel geven een overzicht van de consumentenbestedingen aan duurzaam voedsel. Duurzaam voedsel wordt in deze monitor gedefinieerd als voedsel waarbij tijdens de productie en verwerking meer rekening is gehouden met milieu, dierenwelzijn en/of sociale aspecten dan wettelijk verplicht is. Het gaat om de in Nederland geconsumeerde producten in de belangrijkste afzetkanalen voor duurzaam voedsel: supermarkten, foodservice en speciaalzaken voor duurzame voeding in Nederland. De gegevens zijn gebaseerd op de omzet van producten die zijn voorzien van een duurzaamheidskeurmerk met onafhankelijke controle. De voedingsmiddelen kunnen daarmee door consumenten op één of meer aspecten als duurzaam worden herkend. In de cijfers t/m 2018 was het mogelijk 70% van de uitgaven in supermarkten mee te nemen. Vanaf 2019 heeft er een aanpassing in de methodiek plaatsgevonden, waardoor 100% van de uitgaven in supermarkten wordt meegenomen. Voor de cijfers over 2019 zijn ook de cijfers over 2018 opnieuw berekend. Deze herberekening over 2018 staat niet in de bovenstaande tabel opgenomen. De cijfers over 2020 zijn nog niet defiitief en worden opgenomen in het departementaal jaarverslag over 2021.

VERDUURZAMING PRODUCTIE EN CONSUMPTIE (D.M.V. KRINGLOOPLANDBOUW)

 
        
        

Indicatoren/kengetallen

 
        

●Productie van dierlijke mest uitgedrukt in miljoen kg stikstof (bron: CBS)

 
        
 

Plafond

2017

2018

2019

2020

  

Landelijk

504,4

512

503,5

489,7

489,4

  

Melkvee

281,8

303,5

289,9

279,7

286,5

  

Varkens

99,1

97,4

96,8

93,7

91,8

  

Pluimvee

60,3

58,9

56,7

56

54,7

  
        

●Productie van dierlijke mest uitgedrukt in miljoen kg fosfaat (bron: CBS)

 
        
 

Plafond

2017

2018

2019

2020

  

Landelijk

172,9

169

162

155,5

150,7

  

Melkvee

84,9

86,6

78,7

75,5

73,6

  

Varkens

39,7

37,5

37,7

36,8

36,7

  

Pluimvee

27,4

27,5

25,9

25,1

24,1

  
        
        

●Gemiddelde nitraatconcentratie per liter in uitspoelend water onder landbouwbedrijven (bron: RIVM, Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid)

 
        

Bodemsoort

2015-2019

2016-2019

Streefwaarde 2021 of 2022

    

Löss

68

63

gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond

Zand

55

50

gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond

Klei

23

30

gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond

Veen

8

7

gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond

        

●Energie efficiency index Voedings- en genotmiddelenindustrie (bron: RVO.nl)

 
        

2018

2019

2020

Streefwaarde 2020

    

78,3%

77,2%

76,1%

70%

    
        

●Totale CO2 emissie glastuinbouw (bron: energiemonitor glastuinbouw WEcR)

 
        

2013

2017

2018

2019

2020

Meest recente jaar

Streefwaarde 2020

 

7,5 Mton

5,7 Mton

5,7 Mton

5,9 Mton

nog onbekend

2019

4,6 Mton1

 
1

Onderzoek naar de ontwikkeling van de CO2-emissie in 2020 is op 18 december 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd (KST 329813 nr. 652). Als gevolg van areaal en/of WKK ontwikkeling valt de CO2-emissie buiten de afgesproken bandbreedte. Convenantspartijen gaan, conform de afspraken uit het convenant, in overleg over aanpassing.

Toelichting

1. en 2. Productie van dierlijke mest uitgedrukt in miljoen kg stikstof en fosfaat

Om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te beschermen zijn er maxima gesteld aan de hoeveelheid mest, uitgedrukt in stikstof en fosfaat, die de Nederlandse veehouderij mag produceren. Sinds 2006 geldt er voor stikstof een nationaal plafond van 504,4 miljoen kilogram en voor fosfaat een nationaal plafond van 172,9 miljoen kilogram. Beide nationale plafonds zijn vertaald naar een sectoraal productieplafond voor melkvee, varkens, pluimvee, die sinds 1 januari 2020 zijn opgenomen in de Meststoffenwet. Voor de ‘overige’ dieren zijn geen aparte plafonds vastgesteld, maar het totaal moet onder de landelijke plafonds blijven. (Kamerstuk 33 037 nr. 370) De hoeveelheid geproduceerde mest is een indicator voor de mate waarin de Nederlandse veehouderij geopereerd heeft binnen de milieutechnische grenzen die gesteld zijn.

3.Gemiddelde nitraatconcentratie per liter in uitspoelend water onder landbouwbedrijven

Het mestbeleid is de implementatie van de EU-Nitraatrichtlijn, gericht op het terugdringen van uit- en afspoeling van nutriënten uit de landbouw tot op of onder het niveau van 50mg Nitraat/l, om verontreiniging van grond- en oppervlaktewater te verminderen en te voorkomen. Elke lidstaat dient per vier jaar een actieprogramma te ontwikkelen dat moet leiden tot een nutriëntenuitspoeling op of onder het genoemde niveau. Het huidige, zesde, Actieprogramma Nitraatrichtlijn loopt tot 2022 en het zevende Actieprogramma voor de jaren 2022-2025 wordt voorbereid. Effecten van actieprogramma’s zijn eerst volledig zichtbaar vijf jaar na afloop van het programma. Het mestbeleid draagt ook bij aan het bereiken van de doelen van de Kaderrichtlijn Water van chemisch schoon en ecologisch gezond water.

De ontwikkeling van de nutriëntenuitspoeling over de gehele meetperiode is onderstaand grafisch weergegeven. Hieruit blijkt dat voor álle grondsoortregio’s de nitraatuitspoeling is toegenomen, veroorzaakt door het droge voorjaar en zomer van vooral 2018 en 2019. Dat in bovenstaande cijfers de stijging alleen voor de kleiregio zichtbaar wordt, komt doordat het om een gemiddeld cijfer over de jaren 2015-2019 gaat. Klei toont eerder een toename in nitraatuitspoeling dan andere grondsoorten, door de snelle uitspoeling uit de wortelzone uit drainagebuizen, waardoor het gemiddelde cijfer van nitraatuitspoeling voor de jaren 2015-2019 voor klei sterker negatief beïnvloed is dan voor de andere grondsoorten.

Figuur 3

Nitraatconcentraties in het water dat uitspoelt uit de wortelzone op landbouwbedrijven per regio in de periode 1992-2019. Jaarlijkse gemiddelden van gemeten concentratie.

Bron: Landbouwpraktijk en Waterkwaliteit, 2020, p. 23. 

4.Energie-efficiency VGI

Het MJA3-convenant voor VGI sectoren liep in 2020 af. De Energie efficiency index Voedings- en genotmiddelenindustrie geeft aan hoeveel energie bedrijven in een bepaald jaar bespaard hebben ten opzichte van het peiljaar, 2005. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen procesefficiëntie, ketenefficiëntie en duurzame energie. De cijfers in de tabel over 2020 zijn voorlopig en worden later in 2021 definitief vastgesteld.

5.CO2 emissie glastuinbouw

In de jaarlijkse Energiemonitor Glastuinbouw van Wageningen Economic Research (WEcR) wordt o.a. de CO2-emissie van de glastuinbouw gepubliceerd. Dit geeft een overzicht van de ontwikkeling van de CO2-emissie van de sector. Cijfers over 2020 zijn nog niet beschikbaar. Voor deze begroting 2022 is het niet mogelijk een streefwaarde voor 2030 aan te geven. De streefwaarde is namelijk het CO2-doel voor 2030, dat nog niet is overeengekomen met de partijen. Dit is onderdeel van het nieuwe convenant. Het opstellen van het nieuwe convenant 2021-2030 is als gevolg van corona, ODE en CO2-leveringsproblematiek vertraagd. Volgens de huidige planning is dit eind 2021 gereed.

6. Indicator soja import Nederland

Idicatoren voor sojaverbruik NL (import/export) en specifiek die voor het aandeel duurzame soja daarbinnen kunnen betrouwbaar afgeleid worden van de monitor duurzame agrogrondstoffen, uitgevoerd door het CBS. De laatste agromonitor met gegevens over soja is van 2017 met gegevens over 2016. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan een opdracht aan het CBS om deze monitor te updaten voor soja, palmolie en (tropisch) hout met gegevens over 2020 en zo mogelijk aangevuld met 2018 om ook eventuele trends te kunnen vaststellen. De publicatie wordt gepland voor medio november 2021. Deze nieuwe monitor is noodzakelijk alvorens betrouwbare nieuwe indicatoren vanuit de overheid te kunnen opstellen.

BEVORDEREN PLANTGEZONDHEID

       

Indicatoren/kengetallen

       

●Aantal projecten toolbox kwekersrecht

Raming 2022

      

10

      

Toelichting

1. Aantal projecten toolbox kwekersrecht

Het kwekersrecht stimuleert bedrijven om nieuwe plantenrassen met verbeterde eigenschappen te ontwikkelen. Verbeterde plantenrassen zijn van groot belang om de landbouw duurzamer te maken (meer productiviteit, minder chemische middelen). Nederland is actief via het "PVP Development Program» (PVP-toolbox) waarin Nederlandse kennis en ervaringen met het ontwikkelen, implementeren en ondersteunen van kwekersrecht wordt gedeeld met landen die kwekersrecht willen implementeren of verder ontwikkelen. De projecten lopen uiteen van het geven van voorlichting, het trainen van technici of beleidsmakers tot het ontvangen van delegaties om laten zien hoe we een en ander hebben georganiseerd. Jaarlijks komen via o.a. landbouwattache’s voorstellen voor projecten binnen. Deze worden door een internationale stuurgroep beoordeeld en geprioriteerd. Met een jaarlijks budget van 230.000 euro wordt geschat dat hiermee jaarlijks 10 projecten kunnen worden uitgevoerd.

BEVORDEREN DIERGEZONDHEID

       

Indicatoren/kengetallen

       

●Reductie antibiotica-gebruik in de dierhouderij (bron: SDa)

 
    

2019

2020

2021

Mate van afname van antibioticagebruik in de dierhouderij

69,6

69

Nog niet bekend

Toelichting

1. Reductie antibiotica-gebruik in de dierhouderij

De bovenstaande indicator betreft de reductie van het antibioticagebruik in de dierhouderij ten opzichte van 2009. De raming 2022 is afhankelijk van de uitwerking van de in 2019 afgesproken sectorspecifieke reductiedoelstellingen (zie ook Kamerstuk 29 683, nr. 247). Het streven is om antibioticumgebruik verder te reduceren door middel van sectorspecifieke reductiedoelstellingen en een reductie van hooggebruikende bedrijven per 2024. De gerealiseerde reductie in 2020 was 69,0%.

DOELSTELLING: ZORGEN VOOR DE INSTANDHOUDING VAN BIODIVERSITEIT

       

Indicatoren/kengetallen

       

● Oppervlakte ANLb beheerd landbouwareaal

       

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Realisatie 2021

  

62.116 ha

69.989 ha

76.943 ha

83.968 ha

88.795 ha

  
       

● Uitbreiden bossen in NL (Bron: vierjaarlijkse Nederlandse Bos Inventarisatie (NBI)

       
 

Startpunt 2021

Tussendoelen in periode 2021-2030

Streefdoel 2030

   

Areaal bos in Nederland

Volgt in najaar 2021

Volgt begroting 2023

37.000 hectare uitbreiding

   

1. Oppervlakte ANLB beheerd landbouwareaal

Via het integreren van natuur in het landbouwbedrijf verbetert de kwaliteit van het ecosysteem, neemt de druk op het milieu af en ontstaan meer foerageer- en schuilplekken voor specifieke soorten. Om deze ontwikkeling te stimuleren, zet LNV een scala aan instrumenten in, waaronder het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Via dit instrument sluiten provincies beheerpakketten af met collectieven van boeren voor op natuurwaarden gericht landbouwbeheer in (potentiële) leefgebieden van de betreffende soorten. Deze liggen buiten de bestaande natuurgebieden. De kengetal »oppervlakte ANLb beheerd landbouwareaal» illustreert de ontwikkeling van het areaal agrarisch gebied waarin natuur en landbouw met elkaar verbonden worden. Het kengetal geeft weer op hoeveel areaal de ecologische randvoorwaarden worden verbeterd tbv de VHR soorten. Of de populaties van die VHR soorten daadwerkelijk toenemen, hangt van meer factoren af.

2. Uitbreiden bossen in Nederland

Rijk en provincies hebben in 2020 een ambitie neergezet om het areaal bos in Nederland met 37.000 hectare te laten toenemen tot 2030. Die ambitie past in een bredere doelstelling om natuur, gezondheid en klimaat een positieve impuls te geven. Vierjaarlijks wordt de Nederlandse Bos Inventarisatie (NBI) uitgevoerd, die een zeer compleet beeld geeft van de stand van het bos. Hierbij wordt de methodologie van de klimaatafspraken binnen de VN gebruikt, waarvoor bos groter dan 0,5 hectare wordt meegenomen3. Het laatste beeld van het Nederlandse bos komt uit 2017 en is daarmee enigszins verouderd. In 2017 was er in Nederland 365.577 hectare bos. In het najaar van 2021 komt de nieuwste NBI uit. Daarmee wordt het startpunt voor de toename van het bosareaal bekend. Voor de tussenliggende jaren tot de volgende NBI in 2026 wordt op basis van verschillende registraties gekeken naar de groei van het bosareaal. Een programmering met jaarlijkse tussendoelen, gebaseerd op de individuele plannen van de provincies, volgt eind 2021. De gerealiseerde uitbreiding wordt hiertegen afgezet.

3. Condities doelbereik Vogel- en Habitatrichtlijn

Figuur 4

Deze indicator is nieuw in de begroting. Om de effecten van beleid te kunnen voorspellen gebruikt het Planbureau van de Leefomgeving het VHR-doelbereik, waarin modelmatig berekend wordt welk effect de stikstofdepositie, grondwaterstand en ruimtelijke condities (omvang en inrichting Natuurnetwerk) hebben op de staat van instandhouding.

Het getal van 53% betekent dat met de huidige condities er voor 53% van de soorten een duurzame instandhouding kan worden bereikt. Het PBL wordt gevraagd de gerealiseerde prestaties (o.a. uitbreiding en inrichting areaal, verlaging stikstofdepositie en verhoging grondwaterstand) jaarlijks te verwerken in deze indicator. Deze indicator werd ook gebruikt in de eerste evaluatie Natuurpact (Kamerstuk 33 576, nr. 118).

4. Fauna in natuurgebieden op land en in agrarisch gebied

Figuur 5

Figuur 6

De diersoorten in natuurgebieden op land zijn sinds 1990 afgenomen. De laatste tien jaar is de trend stabiel. Veel diersoorten van het agrarisch leefgebied nemen af. Vooral broedvogels en dagvlinders gaan achteruit, terwijl de meeste soorten zoogdieren zich staande houden of toenemen. De figuren geven de trend weer van de ontwikkelingen van soorten in respectievelijk natuurgebieden op land en in het agrarisch gebied.

DOELSTELLING: STREVEN NAAR EEN DUURZAME EN ECONOMISCH RENDABELE VISSERIJSECTOR

       

Indicator/ Kengetallen

       

● Mate van duurzame bevissing

       

Omschrijving

Basis- of Referentiewaarde en jaar

Huidige waarde en jaar

Streefwaarde en jaar

Het percentage duurzaam bevist, van de door Nederlandse vissers gericht beviste bestanden.

Basiswaarde 2019 per vlootsegment: Pelagisch: 0,98 Grootschalige boomkor: 1,01

De laatst bekende waarde is 2019.

1 (of lager)

Toelichting

1. Mate van duurzame bevissing

Voor de levensvatbaarheid van de sector is het bestaan van duurzame instandhouding van visbestanden de belangrijkste voorwaarde. Het EU instrument voor instandhouding van visbestanden is de quotering. De indicator «duurzaam bevist» geeft bij een score van 1 of lager aan dat de Nederlandse vissers geen negatieve invloed hebben op de duurzaamheid van de gericht beviste bestanden. De mate van duurzame bevissing wordt aan de hand van de Sustainable Harvest Indicator (SHI) geanalyseerd. Deze indicator wordt ieder jaar in het vlootverslag door Wageningen Marine Research (WMR) berekend en betreft een gemiddelde. De waarde van de pelagische visserij fluctueert sinds het beginjaar van de indicator (2008) rond 1. Deze valt in 2019 lager uit dan de streefwaarde. De waarde van de indicator voor de grootschalige boomkor visserij is sinds het beginjaar boven 1, maar neemt elk jaar af en komt steeds dichter bij de 1 te liggen en is ook ten opzichte van vorige jaar weer gedaald. De streefwaarde blijft voor ieder jaar 1 (of lager).

DOELSTELLING: BORGEN EN BENUTTEN VAN EEN KWALITATIEF HOOGWAARDIGE KENNIS- EN INNOVATIE- EN ONDERZOEKSINFRASTRUCTUUR

     

Indicatoren/kengetallen

     

● Klanttevredenheid uitgevoerd onderzoek WR

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2022

Streefwaarde

Planning

8,4

2020

8,5

8

2022

     

● Kennisbenutting uitgevoerd onderzoek WR door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2022

Streefwaarde

Planning

93%

2020

>90%

>80%

2022

     

● Percentage innoverende agrarische bedrijven

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2022

Streefwaarde

Planning

7%

2018

8%

10%

2025

     

● Aandeel technologische landbouw goederen in de totale landbouwexport

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2022

Streefwaarde

Planning

9,3%

2020

11%

12%

2021

 
     

●Aantal toegekende vouchers voor bedrijfsadviezen aan boeren en tuinders gericht op kringlooplandbouw en duurzaam en klimaatbestendig ondernemen.

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2022

Streefwaarde

Planning

0

2020

10.500

14.460

2023

     

●Verhouding duurzame / totale investeringen (bron: WEcR)

     

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2022

Streefwaarde

Planning

16%

2018

25%

30%

2025

     

● % innoverende agrarische bedrijven (Bron: WEcR)

     

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2022

Streefwaarde

Planning

7%

2018

8%

10%

2025

Toelichting

1. Klanttevredenheid uitgevoerd onderzoek WR en 2. Kennisbenutting uitgevoerd onderzoek WR

In 2015 zijn alle TO2-instituten (waaronder Wageningen Research (WR)) overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabel tonen de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor het onderzoek dat WR uitvoert.

3. Percentage innoverende agrarische bedrijven

Dit geeft het percentage van de bedrijven weer dat product- of procesinnovaties heeft doorgevoerd. Het gaat hierbij zowel om bedrijven die als eerste bedrijf iets nieuws hebben doorgevoerd als om innovatieve volgers (vroege volgers).

4. Aandeel technologische landbouw goederen in de totale landbouwexport

Deze indicator geeft het technologisch aandeel (kennis en innovatie omgezet in goederen/diensten in de vorm van oa. Kassen- en machinebouw) van de aan de landbouw gerelateerde goederen weer in de totale landbouwexport van alle goederen. Bron: CBS tot en met oktober 2020, raming november - december 2020 door WUR en CBS.

5. Aantal toegekende vouchers voor bedrijfsadviezen

Deze indicator toont het aantal toegekende vouchers voor bedrijfsadviezen aan boeren en tuinders over bedrijfsspecifieke vragen en behoeften gericht op aandachtsgebieden binnen de kringlooplandbouw en duurzaam en klimaatbestendig ondernemen met tot doel om te komen tot bedrijfsaanpassingen in de eigen landbouwpraktijk. Voorbeelden van aandachtsgebieden zijn ondermeer stikstofreductie, precisielandbouw, weerbare teelten, duurzaam bodembeheer, biodiversiteit, persoonlijke ontwikkeling van de ondernemer en de verduurzaming van zijn bedrijf, Boeren en tuinders die een voucher hebben toegekend gekregen ontvangen een bedrijfsadvies op maat door een onafhankelijke erkende bedrijfsadviseur.

6. Verhouding duurzame / totale investeringen

Deze indicator drukt het bedrag aan duurzame investeringen uit ten opzichte van het bedrag van de totale investeringen in de landbouw.

7. Percentage innoverende agrarische bedrijven

Dit geeft het percentage van de bedrijven weer dat product- of procesinnovaties heeft doorgevoerd. Het gaat hierbij zowel om bedrijven die als eerste bedrijf iets nieuws hebben doorgevoerd als om innovatieve volgers (vroege volgers).

8. Impact Missiegedreven innovaties voor landbouw, water, voedsel

Voor effectmonitoring en -evaluatie van de impact van missiegedreven innovaties voor landbouw, water en voedsel geldt een ingroeimodel. Immers, de missiegedreven innovaties zijn pas in 2020 goed van start gegaan. Zeker kan de impact nu nog niet bepaald worden, wel de input. Deze wordt aan de hand van een aantal core-kpi’s gemeten zoals type partners, hun financiële inbreng, de verhouding tussen publieke en private financiering en de koppeling aan maatschappelijke opgaven of sleuteltechnologieën. Deze informatie zal per brief in oktober 2021 aan de Tweede Kamer worden gemeld. In een volgende fase kunnen tussenresultaten gemeld worden zoals de Technology Readiness Levels (TRL’s) die iets zeggen over de rijpheid van innovaties, aantal succesvol afgeronde projecten, aantal publicaties, aantal prototypen, aantal patenten, aantal demonstrators, de spin-of en spin-out en het aantal vernieuwde producten, processen end diensten dat op de markt is gebracht. In een laatste fase is op basis van deze informatie in kwalitatieve zin iets te zeggen over de totale impact van de missiegedreven innovaties.

3

Dit wijkt enigszins af van de Nederlandse wetgeving, die vanaf 0,1 hectare van ‘bos’ spreekt.

Licence