Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

6.5 Financiering van de zorguitgaven

Dit hoofdstuk gaat in op de financiering van de zorguitgaven die toegerekend worden aan het Uitgavenplafond Zorg. Het grootste deel van de zorguitgaven betreft uitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Het overige verloopt via de rijksbegroting. Een uitsplitsing voor het jaar 2022 staat in tabel 15. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de financiering van de Zvw en de Wlz afzonderlijk.

Tabel 15 Financiering bruto zorguitgaven (bedragen x € 1 miljard)1
 

2022

Zorgverzekeringswet (Zvw)

54,5

w.v. eigen risico

3,2

Wet langdurige zorg (Wlz)

30,2

w.v. eigen bijdragen

2,1

Wmo beschermd wonen

1,4

Overig begrotingsgefinancierd (Arbeidsmarktbeleid/Caribisch Nederland)

0,6

Bruto zorguitgaven stand ontwerpbegroting 2022

86,7

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) loopt via zorgverzekeraars. Zij betalen zorgaanbieders voor de zorg die is geleverd aan hun verzekerden. Een beperkt deel van de Zvw-zorguitgaven wordt rechtstreeks aan zorgaanbieders betaald vanuit het Zorgverzekeringsfonds (Zvf). Dit betreft vooral de beschikbaarheidbijdragen. Het gaat daarbij om zorgprestaties waarvoor het niet mogelijk en/of wenselijk is de kosten aan individuele verzekerden toe te rekenen. De grootste beschikbaarheidbijdragen zijn die voor (zorg)opleidingen en de academische zorg. Daarnaast gaat het om enkele kleinere bijdragen zoals voor gespecialiseerde brandwondenzorg, traumazorg, spoedeisende hulp en acute verloskunde. Naast de beschikbaarheidbijdragen wordt vanuit het Zvf ook een deel van de grensoverschrijdende zorg betaald.

Ter financiering van de uitgaven ontvangen zorgverzekeraars van hun verzekerden een nominale premie en het eigen risico. Daarnaast ontvangt elke zorgverzekeraar een vereveningsbijdrage uit het Zvf. Dit bedrag houdt rekening met het risicoprofiel van de verzekerdenpopulatie van de zorgverzekeraar en met het eigen risico dat hij ontvangt. Het zorgt voor een gelijk speelveld voor zorgverzekeraars. Dat is nodig omdat verzekeraars zich moeten houden aan de wettelijke acceptatieplicht van verzekerden. Ook ontvangen zorgverzekeraars uit het Zvf een vergoeding voor de beheerskosten voor verzekerde kinderen in hun bestand. In 2020 en 2021 ontvangen verzekeraars daarnaast een bijdrage op basis van de catastroferegeling uit het Zvf. In het kader van deze regeling ontvangen verzekeraars bij een pandemie een extra uitkering als de kosten van de pandemie een bepaald niveau te boven gaan.

De nominale premie bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een door het ministerie van VWS vastgestelde rekenpremie die voor alle verzekeraars hetzelfde is. Samen met de opbrengsten uit eigen betalingen en de bijdrage die zorgverzekeraars uit het Zvf krijgen, kunnen zij hier in de optiek van VWS hun zorguitgaven mee betalen. Daarnaast bevat de nominale premie een opslagpremie, die verzekeraars zelf vaststellen en dus per verzekeraar verschilt. Zorgverzekeraars gebruiken deze opslagpremie om de beheerskosten te dekken en reserves op te bouwen om zeker te stellen dat zij altijd aan hun verplichtingen kunnen voldoen. De Nederlandsche Bank (DNB) stelt minimumeisen aan deze reserves. In de opslagpremie kunnen zorgverzekeraars ook winsten en verliezen uit het verleden en van de VWS-raming afwijkende inschattingen ten aanzien van de zorguitgaven of risico-opslagen verwerken. Door verschillen in de opslagpremie concurreren verzekeraars met elkaar om verzekerden, die jaarlijks kunnen overstappen naar een andere verzekeraar.

Het Zvf ontvangt, ter financiering van zijn uitgaven, de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB), de premievervangende bijdrage van verdragsgerechtigden, rente en een rijksbijdrage kinderen. Deze rijksbijdrage maakt het mogelijk dat bij kinderen tot 18 jaar geen nominale premie in rekening hoeft te worden gebracht. Vanuit het Zvf worden zorgverzekeraars gecompenseerd voor derving van inkomsten als gevolg van wanbetaling bij de nominale premie. Ook worden uit het Zvf kosten betaald in het kader van de regeling onverzekerden. In de Zvw is geregeld dat het Zvf niet structureel mag werken met tekorten of overschotten. Daarom dient een gebleken negatief vermogen snel te worden weggewerkt via meer dan lastendekkende premies en een positief vermogen via minder dan lastendekkende premies.

De overheid betaalt de zorgtoeslag aan huishoudens met lage inkomens en middeninkomens ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie en het eigen risico. De zorgtoeslag waarborgt dat geen enkel huishouden een groter deel van zijn inkomen aan zorgpremie en eigen risico hoeft te betalen dan wat op grond van de wet als aanvaardbaar wordt beschouwd. De zorgtoeslag compenseert de lasten die daarboven uitstijgen. Daarbij is de zogenaamde standaardpremie maatgevend en niet de feitelijke, door de individuele burger betaalde premies. De standaardpremie is bepaald als het gemiddelde van de nominale premies die worden betaald in de markt, vermeerderd met het gemiddelde bedrag dat een verzekerde aan eigen risico betaalt. De zorgtoeslag maakt geen onderdeel uit van het Uitgavenplafond Zorg, maar telt net als de zorgpremies mee in het inkomstenkader. Dat betekent dat het kabinet een hogere zorgtoeslag beschouwt als een vorm van lastenverlichting.

Uiteindelijk worden alle collectieve zorguitgaven betaald door burgers en bedrijven via de nominale premie, de IAB, het eigen risico en belastingen. In de Zvw is vastgelegd dat evenveel inkomsten worden gegenereerd via de IAB als via de nominale premie, de eigen betalingen en de rijksbijdrage kinderen samen (de 50/50-verdeling). De 50/50-verdeling impliceert dat uitgavenstijgingen bij verzekeraars voor 50% moeten worden gedekt uit de IAB. Dat wordt bereikt door de bijdrage uit het fonds aan verzekeraars te verhogen. Omgekeerd dient een stijging van de rechtstreekse uitgaven van het Zvf voor de helft te worden opgevangen via nominale premies. Dat wordt bereikt door de bijdrage aan de zorgverzekeraars te verlagen.23

De Wet langdurige zorg (Wlz)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Wlz loopt in opdracht van zorgkantoren via het Centraal Administratie Kantoor (CAK) naar zorgaanbieders. De uitzondering hierop vormen persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Daarbij wordt geld door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) overgemaakt naar zorgverleners in opdracht van burgers die zelf zorg inkopen (trekkingsrechten). De financiering loopt via het Fonds langdurige zorg (Flz).

Het Flz ontvangt ter financiering van zijn uitgaven (via de belastingdienst) de Wlz-premie. De Wlz-premie wordt geheven als percentage over de grondslag van de 1e schijf loon- en inkomstenbelasting tot aan de premiegrens voor de volksverzekeringen, na aftrek van een deel van de heffingskortingen. Deze heffingskortingen (die bestaan sinds de belastingherziening 2001) beperken voor burgers de te betalen loon- en inkomstenheffing. Ze beperken dus zowel de te betalen inkomsten- en loonbelasting als de te betalen premies volksverzekeringen (Wlz, AOW en ANW). Voor 2001 waren er aftrekposten die zwaarder drukten op de belastingen en minder op de premies volksverzekeringen. Het Flz ontvangt daarom van de overheid een bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK). Via deze bijdrage wordt het Flz gecompenseerd voor het drukkend effect op de Wlz-premies dat uitgaat van de belastingherziening 2001. Het Flz ontvangt daarnaast van burgers (via het CAK) de eigen bijdrage Wlz en betaalt rente aan de overheid. Tot slot ontvangt het Flz met ingang van 2019 een rijksbijdrage Wlz via de begroting van VWS. Het doel van die rijksbijdrage is dat het Flz een vermogen heeft van nul.

6.5.3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

Tabel 16 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten uit hoofde van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

De ontwikkelingen bij de financiering van de Zvw in 2022 worden gedomineerd door drie zaken:

  • De gevolgen van corona op de zorguitgaven in 2020 en 2021, het Zvf en de reserves van verzekeraars. Omdat harde cijfers ontbreken, is veelal gebruik gemaakt van zo goed mogelijke inschattingen van deze posten.

  • De groei van de zorguitgaven. Deze groei wordt gedomineerd door de gevolgen van de loon- en prijsstijging.

  • Verwerkt is verder de stabilisering van het eigen risico op € 385.

De gevolgen van corona op de premieraming verlopen via een aantal posten, maar zijn per saldo vrij beperkt.

  • De Zvw-uitgaven van verzekeraars kunnen worden gesplitst in coronakosten (meerkosten en directe zorg voor coronapatiënten) enerzijds en uitgaven voor reguliere zorg plus de continuïteitsbijdrage anderzijds.

  • Op basis van de reguliere risicoverevening dragen verzekeraars in 2020 vrijwel het gehele risico van hogere of lagere uitgaven. Naar huidig inzicht komen de zorguitgaven van verzekeraars in 2020 inclusief de coronakosten en de continuïteitsbijdragen die verzekeraars aan zorgaanbieders verstrekt hebben € 0,1 miljard hoger uit dan waar verzekeraars van uitgingen bij hun premiestelling 2021. Dit is dus een tegenvaller voor verzekeraars.

  • In 2021 is het risico gesplitst. Bij de niet-corona-uitgaven geldt een macro-nacalculatie van 85%. Verzekeraars dragen macro dus 15% van het risico en het Zvf 85%. Naar huidig inzicht komen de niet-corona-uitgaven in 2021 € 0,8 miljard lager uit dan in de begroting 202124. Dat leidt tot een meevaller bij het Zvf van € 0,7 miljard en een meevaller van € 0,1 miljard bij verzekeraars. Bij de premiestelling 2022 hadden verzekeraars hiermee nog geen rekening gehouden.

    Op basis van de catastroferegeling ontvangen verzekeraars een extra bijdrage uit het Zvf als de coronakosten in 2020 en 2021 samen boven de € 1,1 miljard uitkomen. De uitkering bedraagt dan vijfderde van het bedrag boven de € 1,1 miljard.

  • De coronakosten van verzekeraars bedragen naar huidige inschatting circa € 1,3 miljard in 2020 en € 1,0 miljard in 2021. Die kosten liggen daarmee ruim boven de drempel van de catastroferegeling. De extra bijdrage uit het Zvf bedraagt naar huidige inschatting € 1,2 miljard in 2020 en € 0,9 miljard in 2021. Dit bedrag is een voorlopige inschatting en wordt pas definitief in 2022. Dit leidt tot een verslechtering van het vermogen van het Zvf met € 2,1 miljard per ultimo 2021. De extra uitkering van € 1,2 miljard in 2020 leidt bij de verzekeraars tot extra reserves (zij konden de coronakosten namelijk nagenoeg dekken uit lagere uitgaven bij niet-coronazorg). In 2021 staat tegenover de € 1,0 miljard corona-uitgaven een uitkering van € 0,9 miljard. Verzekeraars dekken dus zelf € 0,1 miljard. Per saldo hebben verzekeraars dus een voordeel van € 1,1 miljard (dat ze voor een klein deel al hebben meegenomen bij de premiestelling 2021).

  • Vanwege de economische gevolgen van corona werd in september 2020 door het CPB voor 2020 gerekend met een forse terugval in werkgelegenheid en loonontwikkeling met als gevolg dat de raming van de IAB-inkomsten in 2020 laag uitviel. Dat leidde tot een tegenvaller in het Zvf die in 2021 met een premieopslag ongedaan is gemaakt. Naar huidig inzicht zijn de economische gevolgen van corona veel kleiner dan eerder gedacht. Daarom komt de raming van de IAB-inkomsten nu duidelijk hoger uit in 2020 (€ 0,7 miljard) en 2021 (€ 0,9 miljard).

  • Per saldo resulteert er in het Zvf vanwege de meevaller bij de macro-nacalculatie in 2021 (€ 0,6 miljard), de tegenvaller op grond van de catastroferegeling (€ 2,1 miljard) en de meevaller bij de IAB (€ 1,7 miljard) een vermogensoverschot van € 0,3 miljard. Dit overschot wordt in 2022 weggewerkt via een lagere premie van circa € 10.

  • Bij de verzekeraars doet zich vanwege de tegenvaller bij de uitgaven in 2020 (€ 0,1 miljard), de meevaller bij de macro-nacalculatie in 2021 (€ 0,1 miljard) en de meevaller op grond van de catastroferegeling (€ 1,1 miljard) een meevaller voor van € 1,1 miljard. Een deel daarvan is al ingezet in de premiestelling 2021. In de premieraming is er van uit gegaan dat verzekeraars de resterende meevaller grotendeels inzetten ter reductie van de premie 2022. De inzet van € 0,9 miljard drukt de premies in 2022 met circa € 30.

  • Ook lonen en prijzen worden minder geraakt door corona dan eerder gedacht. Dit leidt tot een opwaartse bijstelling van de zorguitgaven met € 0,7 miljard, wat leidt tot een premiestijging van ruim € 24.

  • Per saldo is het effect op de premie 2022 van de coronacrisis daarmee dus een daling van circa € 16, terwijl er in 2021 sprake was van een effect van +€ 5.

De Zvw-uitgaven vallend onder het Uitgavenplafond Zorg worden voor 2022 geraamd op € 54,5 miljard. Dit bedrag is voor € 0,3 miljard opwaarts vertekend door een boekhoudkundige overstap van kasbasis naar transactiebasis bij de grensoverschrijdende zorg25. Deze kas/transactie-hobbel heeft geen gevolgen voor de hoeveelheid grensoverschrijdende zorg die geleverd wordt en heeft ook geen invloed op de premies. Gecorrigeerd voor deze hobbel zijn de uitgaven € 54,2 miljard; een groei van € 2,1 miljard ten opzichte van de (voor de kas-transactie-effecten gecorrigeerde) geraamde uitgaven in 2021. De ontwikkeling van de Zvw-uitgaven wordt in paragraaf 6.3.1 in dit Financieel Beeld Zorg toegelicht. De groei van de Zvw-uitgaven betreft vooral groei bij de zorguitgaven van zorgverzekeraars. Deze stijgen met € 1,9 miljard van 2021 naar 2022. De rechtstreekse betalingen vanuit het Zvf (beschikbaarheidbijdragen en uitgaven in het kader van internationale verdragen) groeien naar verwachting met € 0,1 miljard.

Bij de beheerskosten en reserveontwikkeling van zorgverzekeraars wordt een daling van € 0,6 miljard verwacht tussen 2021 en 2022. Dit is vooral het gevolg van de aanname dat de zorgverzekeraars in 2022 naar verwachting meer (€ 0,9 miljard) zullen interen op hun reserves dan de huidige inschatting van de afbouw in 2021 (€ 0,3 miljard)26. Zorgverzekeraars beschikken mede als gevolg van de positieve resultaten in 2020 naar inschatting over voldoende reserves om de premieontwikkeling 2022 te mitigeren. Verondersteld wordt dat zorgverzekeraars in 2022 € 0,9 miljard aan reserves inzetten ter verlaging van de premiestijging, dat is € 0,4 miljard meer dan waar zorgverzekeraars bij de premiestelling 2021 voor 2021 van uitgingen.

De overige baten van het Zvf (rentebaten, bijdragen van verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en onverzekerden) zijn vrijwel constant.

In de begroting 2021 zijn de IAB en de rekenpremie zodanig bepaald, dat het geraamde negatieve vermogen van het Zvf per ultimo 2020 zou worden teruggebracht naar nul per ultimo 2021. Dit verhoogt de te financieren lasten met ‒ € 0,3 miljard. Naar huidige inschatting zal het Zvf per ultimo 2021 een vermogenssaldo van ‒ € 0,3 miljard hebben. Dit positieve saldo resulteert uit een tegenvaller van € 2,1 miljard vanwege de uitkering in het kader van de catastroferegeling in 2020 en 2021, een meevaller bij de IAB van € 1,7 miljard in 2020 en 2021, een meevaller van € 0,6 miljard bij de nacalculatie 2021, een tegenvaller bij de rechtstreekse uitgaven 2020 en 2021 van € 0,1 miljard en de verwerking van het Zvf-jaarverslag 2019 (een meevaller van € 0,1 miljard). Er dient in 2022 dus een overschot van € 0,3 miljard te worden weggewerkt. Dit leidt tot een daling van de te financieren lasten van € 0,6 miljard ten opzichte van 2021 toen een tekort van € 0,3 miljard moest worden weggewerkt.

De hierboven beschreven ontwikkeling van lasten, saldo en overige baten leidt ertoe dat er in 2022 € 54,5 miljard aan premies, rijksbijdragen en eigen betalingen nodig zijn; dit is € 0,3 miljard meer dan in 2021. Deze € 54,5 miljard wordt door de IAB, de nominale premie, de rijksbijdrage kinderen en de eigen risico gefinancierd zoals weergegeven in tabel 16. De ontwikkelingen daarbij worden later in deze paragraaf toegelicht.

Tabel 16 Financiering Zvw (bedragen x € 1 miljard)1
 

2020

2021

2022

Uitgaven ten laste van de macropremielast

   

Zorguitgaven zorgverzekeraars

48,2

49,5

51,5

Rechtstreekse uitgaven Zorgverzekeringsfonds

2,6

2,6

2,7

Uitgaven onder het Uitgavenplafond Zorg

50,7

52,1

54,2

Beheerskosten/mutatie reserves zorgverzekeraars

2,3

1,0

0,5

Overige baten Zorgverzekeringsfonds

0,0

0,0

0,0

Saldo Zorgverzekeringsfonds

‒ 1,9

1,1

‒ 0,3

Te financieren uit premies /eigen betalingen

51,2

54,2

54,5

    

Financiering

   

Inkomensafhankelijke bijdrage (IAB)

25,4

27,4

26,9

Nominale premie

19,9

20,9

21,5

Rijksbijdrage kinderen

2,7

2,8

2,8

Eigen risico

3,2

3,1

3,2

Totaal

51,2

54,2

54,5

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS. De meeste cijfers in de kolommen 2020 en 2021 zijn afkomstig van of afgeleid van informatie van het Zorginstituut. De rechtstreekse uitgaven van het Zvf en voor de zorguitgaven van zorgverzekeraars zijn gebaseerd op Zorginstituut -informatie van maart 2021. De opbrengst van de nominale premie is voor 2020 en 2021 bepaald als de gemiddelde nominale premie zoals bepaald door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vermenigvuldigd met het aantal verzekerden uit de opgave van het Zorginstituut. De IAB is voor 2020 en 2021 overgenomen van het CPB. De rijksbijdrage is gebaseerd op het VWS-jaarverslag en komt overeen met Zorginstituut -informatie van maart. De post overige baten (rentebaten, wanbetalers, onverzekerden, verdragsgerechtigden) is een extrapolatie gebaseerd op de maartraming 2021 van het Zorginstituut. De post beheerskosten/mutatie reserves zorgverzekeraars is in 2020 en 2021 het saldo van de opbrengst van nominale premies, eigen betalingen en de bijdrage aan verzekeraars uit het fonds enerzijds en de geraamde zorguitgaven van zorgverzekeraars anderzijds (toevoegingen en onttrekkingen aan reserves worden in deze post meegenomen).

Het Zorgverzekeringsfonds (Zvf)

In tabel 17 staan de uitgaven en inkomsten van het Zvf en de individuele zorgverzekeraars. Hierin staan de posten uit tabel 16 en de betalingen van het fonds aan de zorgverzekeraars.

Tabel 17 Exploitatie en premiestelling Zvw (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2020

2021

2022

ZVF

   

Uitgaven

29.992,4

29.103,4

29.899,5

- Uitkering aan zorgverzekeraars voor zorg

26.092,0

25.506,0

27.024,0

- Uitkering voor catastroferegeling

1.200,3

869,5

0,0

- Uitkering voor beheerskosten kinderen

135,5

134,8

132,8

- Rechtstreekse uitgaven Zvf

2.564,6

2.593,2

2.742,8

    

Inkomsten

28.114,5

30.154,9

29.714,0

- Inkomensafhankelijke bijdrage (IAB)

25.413,0

27.378,4

26.915,3

- Rijksbijdrage kinderen

2.722,9

2.796,5

2.810,5

- Overige baten

‒ 21,4

‒ 20,0

‒ 11,8

    

Exploitatiesaldo

‒ 1.878,0

1.051,5

‒ 185,5

Idem, niet gecorrigeerd voor DBC-dip

‒ 1.878,0

2.298,9

‒ 455,5

    

Vermogen Zvf

‒ 1.441,6

857,3

401,8

Vermogensnorm

‒ 689,0

558,4

288,4

Vermogenssaldo Zvf2

‒ 752,6

298,9

113,4

    

INDIVIDUELE VERZEKERAARS

   

Uitgaven

50.513,9

50.552,1

51.910,8

- Zorg (niet corona)

46.842,6

48.543,0

51.451,1

- Zorg (corona)

1.339,1

970,0

0,0

- Beheerskosten/exploitatiesaldi

2.332,2

1.039,2

459,7

    

Inkomsten

50.513,9

50.552,1

51.910,8

- Uitkering van Zvf voor zorg

26.092,0

25.506,0

27.024,0

- Uitkering voor catastroferegeling

1.200,3

869,5

0,0

- Uitkering van Zvf voor beheerskosten kinderen

135,5

134,8

132,8

- Nominale rekenpremie

19.319,5

20.076,1

21.190,4

- Nominale opslagpremie

576,9

864,3

326,9

- Eigen risico

3.189,7

3.101,5

3.236,8

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

2 Door afronding van de IAB op vijfhonderdste procenten wordt er enkele tientallen miljoenen euro minder gefinancierd dan beoogd. Daardoor komt het vermogenssaldo van het Zvf per ultimo 2022 niet exact uit op de beoogde € 0,0 miljard.

Bron: VWS

De grootste uitgavenpost van het Zvf is de vereveningsbijdrage; de bijdrage aan de verzekeraars ter gedeeltelijke dekking van de zorgkosten. Deze bijdrage resulteert uit toepassing van de 50/50-regel. Die regel bepaalt – gegeven de totale lasten en gegeven de ontwikkeling van het eigen risico en de rijksbijdrage – hoe de IAB en de nominale premie zich moeten ontwikkelen. Daaruit volgt voor 2022 een stijging van de opbrengst van de nominale premie met € 0,6 miljard27. Gegeven de geraamde ontwikkeling van de zorguitgaven van verzekeraars, eigen betalingen, beheerskosten en reserve-afbouw van verzekeraars, wordt dit mogelijk via een stijging van de bijdrage uit het Zvf aan de zorgverzekeraars met € 1,5 miljard. In 2020 en 2021 zal er ook een uitkering voor de catatroferegeling zijn. Die is naar huidige schatting € 1,2 miljard in 2020 en € 0,9 miljard in 2021.

De inkomsten van het Zvf bestaan vooral uit de IAB en de rijksbijdrage ter dekking van de fictieve premielast van kinderen tot 18 jaar.

De opbrengst van de IAB daalt van 2021 naar 2022 met € 0,5 miljard. Dit is het saldo van drie ontwikkelingen. Ten eerste stijgen de totale uit premies te financieren kosten van 2021 op 2022 met € 0,3 miljard. Dit staat gepresenteerd in tabel 16. Hierdoor stijgt de IAB met € 0,15 miljard. Daarnaast is er een daling van € 0,6 miljard als gevolg van een correctie op de 50/50-regel28. Per saldo leidt dit tot de daling van € 0,5 miljard.

De rijksbijdrage voor kinderen blijft vrijwel gelijk. Deze volgt de ontwikkeling van het aantal kinderen en de ontwikkeling van de geraamde opbrengst nominale premie plus eigen betalingen. Zorgverzekeraars ontvangen uit het Zvf een vergoeding voor de beheerskosten van verzekerde kinderen die afhankelijk is van het aantal verzekerde kinderen. Via het Zvf lopen ook de overige baten (rentebaten, premievervangende bijdragen verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en kosten en opbrengsten onverzekerden). Deze worden bij de inkomsten geboekt omdat ze niet relevant zijn voor het Uitgavenplafond Zorg.

Zowel het feitelijk vermogen als het vermogenssaldo29 van het Zvf komen in 2021 naar huidige inschatting € 0,3 miljard hoger uit dan het beoogde niveau uit de begroting 2021. De oorzaak van de meevaller is hiervoor toegelicht. Het vermogenssaldo komt naar verwachting uit op een overschot van € 0,3 miljard. Er dient daarom in 2022 een overschot van € 0,3 miljard te worden weggewerkt.

De individuele verzekeraars

De uitgaven van de zorgverzekeraars bestaan uit de uitgaven aan zorg en de beheerskosten/reserveontwikkeling. De ontwikkeling hiervan is hiervoor toegelicht. Dat geldt ook voor de bijdrage die zorgverzekeraars ontvangen uit het Zvf ter gedeeltelijke dekking van de zorgkosten die zij moeten betalen. Zorgverzekeraars ontvangen ook het eigen risico van hun verzekerden. De opbrengst van het eigen risico stijgt van 2021 op 2022 beperkt.

De totale geraamde opbrengst van de nominale premie stijgt van 2021 op 2022 met € 0,6 miljard. Deze stijging betreft een stijging van € 1,1 miljard bij de rekenpremie en een daling van € 0,5 miljard bij de opslagpremie30.

De nominale premies en inkomensafhankelijke bijdragen

Hiervoor is toegelicht hoe de uitgaven en inkomsten zich op macroniveau naar huidig inzicht ontwikkelen tussen 2021 en 2022. Daarbij wordt rekening gehouden met de huidige inzichten voor 2021. Die waren nog niet bekend toen de premies 2021 werden vastgesteld. Bij het verklaren van de premiestijging van 2021 naar 2022 op microniveau moet het huidige beeld 2022 worden vergeleken met het beeld 2021 ten tijde van de premievaststelling 2021. Dat is bij de rekenpremie en de IAB de begroting 2021 en bij de opslagpremie de premiestelling door verzekeraars in het najaar van 2020. De opslagpremie is door de verzekeraars € 5 hoger vastgesteld dan geraamd in de VWS-begroting 2021. Dit gebeurde omdat verzekeraars uitgingen van iets hogere lasten en een iets grotere reserve-afbouw dan verondersteld in de VWS-begroting 2021.

De IAB komt in 2022 uit op 6,70%; 0,30 procentpunt lager dan in 2021. Bij de nominale premie wordt een stijging geraamd van € 31; van gemiddeld € 1.478 in 2021 naar gemiddeld € 1.509 in 2022. Voor deze bijstellingen is een aantal oorzaken te benoemen.

Tabel 18 Oorzaken premieontwikkeling 2022 (in euro’s (nominale premie) en procentpunten (IAB))
 

IAB

Reken-premie

Opslag- premie

Nominale premie

Premies in 2021

7,00%

1.417

61

1.478

a. Groei zorguitgaven

0,06%

64

‒ 3

61

     

b. Saldo Zorgverzekeringsfonds

‒ 0,08%

‒ 21

0

‒ 21

c. Reserveontwikkeling verzekeraars

‒ 0,05%

15

‒ 30

‒ 15

d. Rechttrekken 50/50-verhouding

‒ 0,03%

12

‒ 6

6

e. Grondslag IAB 2021

‒ 0,24%

   

e. Overig en afronding

0,04%

‒ 1

1

0

Totaal

‒ 0,30%

69

‒ 38

31

Premies in 2022

6,70%

1.486

23

1.509

a. Groei zorguitgaven

De zorguitgaven in 2022 komen naar huidige inschatting € 2,0 miljard hoger uit dan volgens de raming 2021 van verzekeraars toen zij de premie 2021 bepaalden. Deze uitgavenstijging leidt – als ook rekening wordt gehouden met de stijging van het aantal verzekerden en de ontwikkeling van het eigen risico – tot een stijging van de nominale premie met € 61. De uitgavenstijging van € 2,0 miljard betreft voor circa € 1,5 miljard de doorvertaling van lonen en prijzen uit de economie naar de zorgsector. De uitgavenstijging leidt ook tot een stijging van de noodzakelijke IAB-opbrengsten. De grondslag waarover de IAB wordt geheven groeit tussen 2021 en 2022 echter ook vanwege loonstijgingen. Als daarmee rekening wordt gehouden  leidt de uitgavenstijging tot een stijging van het IAB-percentage met 0,06 procentpunt31.

b. Saldo Zorgverzekeringsfonds

Voor 2022 wordt gerekend met een beoogd saldo van ‒ € 0,3 miljard. Bij de premiestelling 2021 is gerekend met een saldo van € 0,3 miljard. De ontwikkeling van het saldo van het Zvf leidt daarom tot een daling van de nominale premie (met € 21) en een daling van de IAB (met 0,08 procentpunt).

c. Reserveontwikkeling verzekeraars

Voor 2022 wordt gerekend met een afbouw van reserves van € 0,9 miljard. Dit is € 0,4 miljard meer dan de reserveafbouw waarvan verzekeraars uitgingen bij hun premiestelling 2021. De hogere reserveafbouw dan in 2021 werkt volledig door in lagere opslagpremies, die daardoor dalen met € 30. Omdat de reserveopbouw deel uitmaakt van de totale uit premies te financieren lasten, dient de hogere reserveafbouw voor de helft neer te slaan in een lagere IAB en voor de helft in een lagere nominale premie. Dat gebeurt door de rekenpremie te verhogen (met € 15), waardoor de bijdrage aan verzekeraars daalt en een daling van de IAB met 0,05 procentpunt mogelijk is. De totale nominale premie daalt daarom met € 15 als gevolg van de reserveontwikkeling (€ 15 ‒ € 30).

d. Rechttrekken 50/50-verhouding

De verzekeraars hebben de premie 2021 € 5 hoger vastgesteld dan geraamd in de VWS-begroting 2021 (macro € 0,1 miljard), omdat zij beperkt hogere lasten voorzagen. Die extra lasten zijn volledig uit nominale premies gedekt. De doorwerking naar 2022 wordt 50/50 gedekt. Daardoor kan de nominale premie € 3 euro dalen. Er dient in 2021 ook een «fout» uit het verleden in vier jaar gecompenseerd te worden. De mate waarin dat gebeurt is hoger dan in 2021, wat leidt tot een premiestijging van € 9. Per saldo resulteert er daardoor uit het rechttrekken van de 50/50-verhouding een stijging van de nominale premie met € 6 en een stijging van de IAB met 0,03 procentpunt32.

e. Grondslag IAB 2021

Omdat de loonstijging en de werkgelegenheid zich in 2020 en 2021 positiever hebben ontwikkeld dan geraamd in september 2020 is de grondslag waarover de IAB wordt geheven in 2021 veel hoger uitgekomen. Dat werkt door naar de grondslag 2022. Dat drukt het IAB-percentage met 0,24 procentpunt.

f. Overige posten en afronding

De ontwikkelingen bij de overige posten (beheerskosten en overige lasten verzekeraars en overige baten van het fonds) plus afrondingsverschillen leiden per saldo tot kleine bijstellingen van de nominale premie en de IAB.

Tabel 19 Premieoverzicht Zvw1
 

2020

2021

2022

Inkomensafhankelijke bijdrage normaal (in %)

6,70%

7,00%

6,70%

Inkomensafhankelijke bijdrage verlaagd (in %) 2

5,45%

5,75%

5,45%

Nominale rekenpremie

1.373

1.417

1.486

Nominale opslagpremie (gemiddeld) 3

41

61

23

Nominale premie totaal (gemiddeld) 3

1.414

1.478

1.509

Nominale premie totaal 18-

0

0

0

Verplicht eigen risico

385

385

385

Standaardpremie3

1.642

1.705

1.738

Maximale zorgtoeslag eenpersoonshuishouden 3

1.250

1.287

1.323

Maximale zorgtoeslag meerpersoonshuishouden 3

2.379

2.487

2.527

1 Afgezien van de IAB betreft dit jaarbedragen in euro.

2 Zelfstandigen en gepensioneerden betalen de verlaagde IAB.

3 Het cijfer 2022 betreft een raming

Bron: VWS

6.5.3.2 Wet langdurige zorg (Wlz)

De uitgaven in het kader van de Wlz worden gefinancierd uit het Fonds Langdurige Zorg (Flz). Tabel 20 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten van dit fonds. De uitgaven in deze tabel komen overeen met de Wlz-uitgaven uit tabel 10.

Tabel 20 Exploitatie en premiestelling Wlz (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2020

2021

2022

FONDS LANGDURIGE ZORG

   

Uitgaven

25.899,3

28.180,1

30.186,0

- Zorguitgaven

25.647,9

27.908,6

29.898,0

- Beheerskosten

251,4

271,5

288,0

    

Inkomsten

26.213,9

29.143,3

30.195,9

- Procentuele premie

14.772,0

15.500,0

14.838,0

- Eigen bijdragen

1.875,4

1.991,6

2.073,3

- Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

3.666,5

4.101,7

4.184,6

- Rijksbijdrage Wlz

5.900,0

7.550,0

9.100,0

    

Exploitatiesaldo

314,6

963,2

9,9

    

Vermogen Fonds Langdurige Zorg

‒ 953,3

10,0

19,9

    

Procentuele premie (in %)

9,65

9,65

9,65

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS

De inkomsten van het Flz worden gevormd door de premie-inkomsten, de eigen bijdragen, de Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK) en de rijksbijdrage Wlz. Afgesproken is om de Wlz-premie constant te houden op 9,65%. Geraamde tekorten in het Flz worden vanaf 2019 voorkomen via de rijksbijdrage Wlz.

Naar huidige inschatting komt het vermogen van het Flz per ultimo 2020 uit op ‒ € 953,3 miljoen. Dit is duidelijk lager dan geraamd in de begroting 2021, vanwege premietegenvallers in 2020. In 2021 stijgen de Wlz-uitgaven meer dan de premie-inkomsten. Om een tekort in het Flz te voorkomen is de rijksbijdrage Wlz in 2021 hoger.

Voor 2022 wordt een groei van de uitgaven verwacht, terwijl ook de Wlz-premie-inkomsten dalen. Die daling van de premies hangt samen met een geraamde nabetaling aan de belastingen over 2019. Om een tekort te voorkomen dient de rijksbijdrage van 2021 op 2022 te stijgen van € 7,55 miljard naar € 9,1 miljard.

Tabel 21 Verdeling van de zorglasten (bedragen x € 1 miljard)1
 

2020

2021

2022

Burgers (Nominale premie Zvw, Wlz-premie, eigen betalingen, deel IAB)

47,1

49,5

49,5

Compensatie burgers door zorgtoeslag

‒ 5,3

‒ 5,4

‒ 5,5

Burgers totaal

41,8

44,1

43,9

Werkgevers (IAB)

18,1

19,4

19,1

Burgers en bedrijven (uit belastingen)

20,0

22,0

23,8

Totaal

79,9

85,5

86,8

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal. De cijfers in tabel 21 zijn overgenomen uit de (onderbouwing) tabellen 17 en 21 en figuur 10.

Bron: VWS, CPB.

Burgers betalen de nominale premie en het eigen risico Zvw, de premie en de eigen bijdragen Wlz, en gepensioneerden en zelfstandigen betalen de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (IAB). Voor burgers staat tegenover de nominale premie Zvw de compensatie door de zorgtoeslag.

Werkgevers betalen de IAB voor hun werknemers.

De Wmo-uitgaven voor beschermd wonen, de uitgaven op de VWS-begroting, de rijksbijdragen en de zorgtoeslag worden gedekt uit belastingen. Daarvan valt niet op voorhand te zeggen of het lasten van burgers of werkgevers betreft.

Figuur 10 laat zien dat een volwassene in Nederland in 2021 en 2022 op basis van de ramingen in deze begroting gemiddeld € 6.060 respectievelijk € 6.161 betaalt aan collectief gefinancierde zorg.

De bijdrage van de burgers betreft niet alleen de nominale premie en de eigen betalingen (eigen risico en eigen bijdragen Wlz). Een Nederlander betaalt gemiddeld ook een fors bedrag aan Wlz-premie. De IAB wordt voor een beperkt deel rechtstreeks door burgers betaald (gepensioneerden en zelfstandigen) en voor het grootste deel door werkgevers. Dat laatste deel beïnvloedt de loonruimte en is daarom meegenomen in figuur 10. Via de zorgtoeslag ontvangt een deel van de Nederlandse huishoudens een bedrag ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie en het eigen risico. Als laatste is het bedrag meegenomen dat via belastingen gemiddeld wordt opgebracht ter dekking van de begrotingsgefinancierde zorguitgaven, de rijksbijdragen en de zorgtoeslag.

Het bedrag dat een Nederlander gemiddeld betaalt aan de zorg stijgt van 2021 op 2022 met 1,7 procent. Dit is het saldo van een aantal, deels samenhangende ontwikkelingen. Zo stijgt de zorgtoeslag van 2021 op 2022, omdat de nominale premie van 2021 op 2022 stijgt. Die stijgende uitgaven aan zorgtoeslag leiden ertoe dat via belasting meer moet worden opgebracht.

De bedragen in de figuur zijn een gemiddelde per volwassene. Sommige mensen betalen meer en anderen betalen minder. Hoeveel iemand precies betaalt is afhankelijk van zijn inkomen (en bij recht op zorgtoeslag ook van het inkomen van zijn partner). Huishoudens met een laag inkomen betalen minder dan € 6.161 per persoon en huishoudens met een hoger inkomen meer, omdat de meeste posten inkomensafhankelijk zijn. Dat is het geval bij de inkomensafhankelijke Wlz-premies, de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (IAB), de inkomensafhankelijke eigen bijdrage Wlz en de belastingen. Omdat huishoudens met een laag of middeninkomen een inkomensafhankelijke zorgtoeslag ontvangen ter compensatie van de nominale premie en het eigen risico, geldt ook bij de nominale premies en het eigen risico dat de nettolast hiervan in samenhang met de zorgtoeslag toeneemt met het inkomen.

Figuur 10: Lasten per volwassene aan zorg in 2021 en 2022 (in euro’s per jaar)

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit Financieel Beeld Zorg geraamde zorguitgaven, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op het beleidsterrein van de zorg. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Naast de regeling die in onderstaande tabel is opgenomen, is er ook een aantal BTW-vrijstellingen voor medische zorg, alsmede regelingen voor teruggaaf van BPM en vrijstelling van MRB die ook voor de zorg van belang zijn. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 22 Fiscale regelingen 2020-2022, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2020

2021

2022

BTW Laag tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.493

1.461

1.438

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten1

16

16

17

1 MRB = Motorrijtuigenbelasting

23

In de wet is vastgelegd dat indien de gerealiseerde verhouding niet één-op-één is, er een correctie plaatsvindt in volgende jaren. Dit betekent dat als de verhouding van de gerealiseerde inkomsten in enig jaar anders uitvalt dan beoogd (bijvoorbeeld omdat de IAB € 200 miljoen tegenvalt), er in een volgend jaar allereerst weer wordt uitgegaan van een 50/50-verdeling (waardoor de IAB € 200 miljoen meer stijgt dan de nominale premie), maar daarnaast in vier jaar de «fout» van € 200 miljoen wordt weggewerkt door de IAB € 50 miljoen hoger vast te stellen dan het nominale deel.

24

Dit betreft het saldo van € 0,9 miljard lagere uitgaven en een 0,15 miljard lagere eigen risico-opbrengst over de niet-corona-uitgaven.

25

Een flink aantal cijfers in deze paragraaf wordt vertekend door deze kas/trans-hobbel. Verzekeraars dienen de kosten van grensoverschrijdende zorg (GOZ) die in 2022 wordt geleverd te verantwoorden in 2022. Daarnaast worden in 2022 ook de declaraties voor zorg geleverd in eerdere jaren, die zonder de boekhoudkundige overstap op kasbasis zouden zijn verantwoord in het jaar dat ze zouden binnenkomen, verantwoord. Dat leidt voor hen in 2022 tot een eenmalig hogere schade. Het betreft echter geen echte hogere schade, maar een schadelastverschuiving, die ook geen invloed heeft op de som van inkomsten en waardering van onderhanden werk van zorgaanbieders. Deze schadelastverschuiving hangt ook niet samen met meer of minder geleverde zorg. Daarom zijn kas/transactie-hobbels (waaronder ook het effect van de introductie of afschaffing van dbc’s) niet relevant voor de toetsing aan het Uitgavenplafond Zorg en voor het EMU-saldo. Omdat ze wel van invloed zijn op het feitelijke vermogen van verzekeraars wordt hun nadeel gecompenseerd via een hogere vereveningsbijdrage. Het effect van de hogere vereveningsbijdrage op het vermogen van het Zvf, wordt via een bijstelling van het normvermogen geneutraliseerd. Hierdoor ontstaat er geen premie-effect. Om een zuiver zicht te krijgen op de echte ontwikkelingen is in de tabellen 16, 17 en 18 gecorrigeerd voor kas/transactie-dips en -hobbels.

26

Voor 2020 en 2021 is de reserveontwikkeling bij verzekeraars technisch bepaald als het saldo van de in deze begroting geraamde inkomsten van verzekeraars uit nominale premie, eigen betalingen en de vereveningsbijdrage enerzijds en de in deze begroting geraamde uitgaven van verzekeraars anderzijds.

27

De stijging van de nominale premie wordt bepaald door vier factoren. 1) Vanwege de stijging van de totale te financieren lasten met € 0,3 miljard dienen de nominale premie en de IAB beide met € 0,15 miljard te stijgen. 2) De verzekeraars hebben hun premie 2021 € 0,1 miljard hoger vastgesteld dan geraamd in de begroting 2021. Omdat er iets minder verzekerden zijn in 2021 dan geraamd in de begroting 2021 komt de nominale premie per saldo ongeveer uit op de raming in de begroting 2021. De actuele raming van de IAB-inkomsten is € 0,95 miljard hoger dan in de begroting 2021. Die IAB-inkomsten zijn daardoor € 0,9 miljard hoger uitgekomen dan de beoogde 50/50-verdeling. Om in 2021 weer op een 50/50-verdeling uit te komen dient de nominale premie € 0,5 miljard te stijgen en de IAB € 0,5 miljard te dalen. 3) Over de jaren 2006 tot en met 2021 heeft de IAB naar huidige inschatting € 3,0 miljard meer opgeleverd dan de nominale inkomsten. Deze € 3,0 miljard dient in vier jaar te worden gecorrigeerd. Daarom wordt de IAB in 2021 € 0,75 miljard lager vastgesteld dan de raming van de nominale inkomsten. In de begroting 2021 werd met een correctie van € 0,5 miljard gerekend. Van 2021 op 2022 leidt het corrigeren van de «fout» in de 50/50-verdeling over oude jaren tot een opwaarts effect van € 0,1 miljard op de nominale premie en een neerwaarts effect van € 0,1 miljard op de IAB. 4) Omdat de opbrengst van het eigen risico en de rijksbijdrage in 2022 € 0,1 miljard oploopt, hoeft de nominale premie € 0,1 miljard minder te stijgen. Per saldo dient de nominale premie hierdoor € 0,6 miljard te stijgen (€ 0,15 miljard + € 0,45 miljard + € 0,15 miljard ‒ € 0,1 miljard).

28

Zie voetnoot 4.

29

De hoogte van het normvermogen resulteert uit het cumulatieve effect van de zogenoemde DBC-hobbels en DBC-dips. Dit betreft het gevolg van de introductie van DBC’s in de ggz in 2008 (- € 1.637 miljoen), de introductie van DBC’s in de geriatrische revalidatie in 2013 (- € 83 miljoen), het afschaffen van DBC’s in de jeugd-ggz bij overheveling naar de gemeenten in 2014 (+€ 346 miljoen), de DBC-duurverkorting in de MSZ in 2015 (+€ 685 miljoen), de afschaffing van de DBC’s in de ggz in 2021 (+€ 1.247 miljoen) en de kas/transactiehobbel bij de grensoverschrijdende zorg (-€ 270 miljoen). Cumulatief heeft dit een effect van ‒ € 689 miljoen in 2020, van +€ 558 miljoen in 2021 en +€ 288 miljoen in 2022 op het normvermogen.

30

De daling van de opslagpremie met € 0,5 miljard is het saldo van een veronderstelde hogere reserve-afbouw bij verzekeraars (€ 0,6 miljard), en veronderstelde hogere beheerskosten bij verzekeraars (€ 0,1 miljard. De stijging van de rekenpremie is het saldo van de stijging van de nominale premie (€ 0,6 miljard) en de daling van de opslagpremie (€ 0,5 miljard).

31

De grondslag van de IAB beweegt net als de zorguitgaven mee met de loonstijging. Ook de demografie (meer burgers/meer werkenden) werkt door in beide. In de begroting 2021 is de grondslag van de IAB te laag ingeschat. De opwaartse bijstelling van de grondslag 2021 werkt door naar 2022. Daarom is de actuele raming van de grondslag 2022 fors hoger dan de raming in de begroting 2021 van de grondslag 2021.

32

De verzekeraars gingen bij de premiestelling uit van beperkt hogere zorguitgaven, een beperkt hogere reserveafbouw en iets lagere beheerskosten. De hogere zorguitgaven, de hogere inzet van reserves en de hogere beheerskosten hebben een afwijkend effect op reken- en opslagpremie. Als de hogere inzet van reserves of de hogere beheerskosten in 2021 waren verwerkt in de begroting 2021, dan zou dit net als nu is gebeurd voor 100% zijn neergeslagen in de opslagpremie. Er zou dan echter ook een marginaal hogere rekenpremie zijn vastgesteld (die de bijdrage aan verzekeraars zou laten dalen in combinatie met een daling van de IAB). De hogere rekenpremie moet nu nog worden verwerkt. Als de uitgaventegenvaller al in de begroting 2021 verwerkt zou zijn, dan zou deze hebben geleid tot een stijging van de rekenpremie en de IAB, maar niet tot een effect op de opslagpremie. De tegenvaller is nu juist volledig verwerkt in een hogere opslagpremie. Via een lagere opslagpremie en een hogere rekenpremie wordt dit effect nu gecorrigeerd. De 50/50-correctie voor de fout in oude jaren werkt alleen door in de rekenpremie. Per saldo leidt de 50/50-correctie dus tot een hogere rekenpremie en een lagere opslagpremie.

Licence