Base description which applies to whole site

VIII Onderwijs Cultuur en Wetenschap

GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen). Totaal € 60.774,3

Figuur 2 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen). Totaal € 3.344,5

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.Letschert

B. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

1 1. Leeswijzer

De departementale begroting 2027 bestaat uit de volgende onderdelen:

  • beleidsagenda;

  • beleidsartikelen;

  • niet-beleidsartikelen;

  • agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren;

  • bijlagen.

Groeiparagraaf

Voor het opstellen van de begroting gelden de Rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën. Op basis hiervan zijn, ten opzichte van de begroting 2026, de volgende wijzigingen doorgevoerd:

Figuur 3 Informatie

Informatie in de begroting en andere relevante publicaties

De begroting en het jaarverslag zijn compacte documenten en toegespitst op de financiële informatie. Door ook in te gaan op niet-financiële informatie, wordt inzicht geboden in de impact van het beleid en de publieke middelen die daarvoor worden ingezet.

Binnen de niet-financiële informatie maakt het Ministerie van OCW gebruik van de Strategische Evaluatieagenda (SEA) en van beleidsindicatoren. De SEA wordt gebruikt om strategisch monitorings- en evaluatieonderzoek in te plannen over een periode van 4 tot 7 jaar. Bevindingen uit deze rapportages helpen het Ministerie van OCW om aan te sturen op doeltreffend beleid en hebben daarnaast een belangrijke rol in de publieke verantwoording. Daarnaast worden beleidsindicatoren benut om kwantitatief de voortgang op de prioritaire doelen van het Ministerie van OCW te volgen.

Voor de beleidsprioriteiten is per subthema een monitoringsmatrix beschikbaar op www.ocwincijfers.nl. Dit is een overzicht waarin informatie samenkomt: de beleidsprioriteit waarbij het subthema hoort, de belangrijkste maatregelen die er onder vallen, de financiële middelen en beleidsindicatoren die bij de maatregelen horen, (SEA-)onderzoeken en bijbehorende beleidsbrieven. In de beleidsagenda (begroting) wordt verwezen naar deze overzichten en in het beleidsverslag (jaarverslag) worden de belangrijke uitkomsten weergegeven.

De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichthouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. Jaarlijks verschijnt de Staat van het Onderwijs (Kamerstukken II 2025/26, 36800 VIII, nr. 146), waarin beschreven wordt wat goed gaat en wat er beter kan in het onderwijs. Op het Dashboard Financiële positie onderwijs wordt jaarlijks de financiële positie van publiek bekostigde onderwijsinstellingen weergegeven.

Informatievoorziening aan de Eerste en Tweede Kamer

Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van het Ministerie van OCW. Vervolgens wordt de begroting doorgeleid naar de Eerste Kamer.

Gedurende het jaar worden de Eerste en Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de Eerste Suppletoire Begroting (Voorjaarsnota), de Suppletoire Begroting September en de Tweede Suppletoire Begroting (Najaarsnota).Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsevaluaties en beleidsdoorlichtingen naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en Algemene Maatregelen van Bestuur worden voorgehangen.Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats.

De derde woensdag in mei is Verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van het Ministerie van OCW met daarin de in het begrotingsjaar gemaakte voortgang op de begrotingsdoelen en ambities. Ook wordt de Staat van het Onderwijs naar de Tweede Kamer gestuurd. Beide stukken worden vervolgens behandeld in de Eerste Kamer.

Onderdelen begroting

Beleidsagenda

In de beleidsagenda worden per beleidsprioriteit de beleidsdoelen van het Ministerie van OCW uitgewerkt. Verder bevat de beleidsagenda een overzichtstabel met de belangrijkste budgettaire mutaties, de openbaarheidsparagraaf, de planning van de SEA en een overzicht van de risicoregelingen.

Beleidsartikelen

De beleidsartikelen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • algemene doelstelling met een toelichting daarop;

  • rol en verantwoordelijkheid van de minister;

  • tabel met kengetallen die informatie over de sector bevatten;

  • beleidswijzigingen, waarbij wordt weergegeven voor welke belangrijke thema's maatregelen worden uitgevoerd;

  • tabel budgettaire gevolgen van beleid. Deze tabel bevat een vaste indeling in financiële instrumenten volgens de Rijksbegrotingsvoorschriften. Onder de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt een uitsplitsing van de verplichtingen en de budgetflexibiliteit van het begrotingsjaar in percentages weergegeven;

  • toelichting op de instrumenten en budgetflexibiliteit.

Niet-beleidsartikelen

Er zijn twee zogenaamde niet-beleidsartikelen:

  • op artikel 91 (Nog Onverdeeld) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon- en prijsbijstelling;

  • op artikel 95 (Apparaat Kerndepartement) zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement opgenomen. Tevens is een tabel met een totaaloverzicht van de apparaatsuitgaven/kosten inclusief de inspecties en adviesraden, baten-lastenagentschappen en de zelfstandige bestuursorganen opgenomen.

Agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van de baten-lastenagentschappen Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het Nationaal Archief (NA).

Bijlagen

De volgende bijlagen zijn in de begroting opgenomen:

  • rechtspersonen met een Wettelijke taak en Zelfstandige Bestuursorganen;

  • subsidieoverzicht;

  • uitwerking SEA;

  • specifieke uitkeringen.

2. Beleidsagenda

2.1 Beleidsprioriteiten

Een sterke basis en hoge kwaliteitWij werken aan hoge kwaliteit in onderwijs en wetenschap als basis voor een veerkrachtige samenleving. Door te investeren in de basisvaardigheden van leerlingen en studenten zorgen we ervoor dat iedereen een stevig fundament voor de toekomst meekrijgt. Tegelijkertijd versterken we de impact van wetenschappelijk onderzoek om nieuwe kennis te ontwikkelen en oplossingen te vinden voor maatschappelijke vraagstukken. Zo bouwen we aan een samenleving waarin talent, kennis en innovatie hand in hand gaan.

Actueel en kwalitatief goed onderwijs met focus op de basisvaardighedenHet kabinet streeft ernaar dat leerlingen en studenten de basisvaardigheden beter gaan beheersen. Te veel leerlingen en studenten hebben op dit moment moeite met lezen, schrijven en rekenen. Daarom is de afgelopen jaren via het Masterplan basisvaardigheden gewerkt aan het verbeteren van de basisvaardigheden. Verschillende onderzoeken, zoals PISA, laten zien dat het noodzakelijk is om taal nu echt op de eerste plaats te zetten en de bestaande aanpak aan te scherpen. Waar leerlingen in PISA-2012 nog gemiddeld 511 punten voor lezen scoorden, is dat in 2022 afgenomen tot 459. Met deze score duiken we onder het gemiddelde van alle OESO-landen. Daarom komen we in het najaar met de Versterkingsagenda Taal en andere basisvaardigheden, waarmee we de bestaande aanpak versterken en streven naar een trendbreuk in de resultaten op taal. Via het Masterplan basisvaardigheden hebben tussen 2022 en 2025 ongeveer 7.800 scholen gebruik gemaakt van de subsidie verbetering basisvaardigheden en evidence-informed gewerkt aan de verbetering van de basisvaardigheden. Vanaf 2027 ontvangen alle scholen structureel geld om te werken aan de verbetering van de basisvaardigheden en vanaf 2028 gebeurt dat via een nieuw bekostigingsinstrument: gerichte bekostiging. Via het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) krijgen onderwijsprofessionals toegang tot hoogwaardige en betrouwbare kennis zodat evidence-informed onderwijs de norm wordt voor alle scholen. Verder zetten we met de Kwaliteitsalliantie voor leermiddelen in op actuele, betaalbare en goede leermiddelen en zetten we via het programma Ontwikkeling Jonge Kind in op het versterken van de aandacht voor het Jonge Kind.

Mbo-instellingen krijgen extra middelen die geïnvesteerd kunnen worden in begeleiding op taal en rekenen. Daarnaast verwachten we dat in 2027 de wet in werking treedt waarmee aanvullende eisen worden gesteld aan huidige en toekomstige docenten Nederlands, rekenen en burgerschap. Verder zullen er, in navolging van het primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo), peilingsonderzoeken worden ontwikkeld voor het mbo voor rekenvaardigheid, leesvaardigheid en burgerschap.

Het kabinet zet ook in op de verbetering van basisvaardigheden van volwassenen. Op dit moment beheersen ongeveer 3 miljoen volwassenen taal, reken, en/of digitale vaardigheden nog niet voldoende om goed mee te komen in de maatschappij. De afgelopen jaren is door gemeenten en andere partners hard gewerkt om in educatieaanbod te voorzien en de doelgroep te bereiken. In het najaar van 2026 komt de staatssecretaris met het ‘Leer- en Groeiplan taal, rekenen en digitaal voor volwassenen’ om de inzet van basisvaardigheden voor volwassenen verder te ontwikkelen.

Alle kinderen goed onderwijsHoewel verreweg de meeste leerlingen gewoon onderwijs volgen, gaan nog steeds te veel leerlingen (langdurig) niet naar school. Schoolverzuim belemmert niet alleen kinderen en jongeren in hun ontwikkeling, het leidt ook tot het onbenut blijven van allerlei talenten. Daarom maakt het kabinet werk van het terugdringen en voorkomen van schoolverzuim. Met het door uw Kamer aannemen van het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim zetten we hierin een belangrijke eerste stap. Dit wetsvoorstel versterkt onder meer het (preventieve) verzuimbeleid van scholen, brengt leerplichtambtenaren, samenwerkingsverbanden en gemeenten beter in positie om verzuim terug te dringen, brengt het totale verzuim beter in beeld en verbetert de procedure om langdurige vrijstellingen van de Leerplichtwet te voorkomen. Dit is van belang, want het tegengaan van verzuim begint met het beter zicht hebben op verzuim en vroegtijdig handelen door scholen, samenwerkingsverbanden en leerplichtambtenaren. In 2026 en 2027 – als ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel aanneemt – gaan we scholen en andere betrokkenen ondersteunen bij de implementatie van de wet. Dit doen we onder meer middels een meerjarig project, een ‘toolkit’ voor scholen en e-learnings voor leraren. In lijn met het Coalitieakkoord zet het kabinet daarnaast in op meer flexibiliteit voor kinderen die dreigen uit te vallen. Dit doen we onder andere met het wetsvoorstel Maatwerk in het funderend onderwijs dat onlangs in internetconsultatie is gegaan. Voor de langere termijn maakt het kabinet bovendien een transitie van passend naar inclusief onderwijs. Met inclusief onderwijs is het uitgangspunt dat alle kinderen op een school dichtbij huis goed onderwijs krijgen met de ondersteuning die zij nodig hebben, vormgegeven vanuit een sterk schoolklimaat en een goede pedagogische basis op school én daarbuiten.

Innovatief, veilig en digitaal autonoom vervolgonderwijsHet vervolgonderwijs innoveert door middel van digitalisering, waarmee we zorgen dat het onderwijs van hoge kwaliteit blijft en meebeweegt met de nieuwste ontwikkelingen. Zo worden binnen NGF-programma Npuls digitale voorzieningen ontwikkeld waarmee onderwijsinstellingen hun onderwijs flexibel kunnen organiseren. Ook wordt gewerkt aan een AI-voorziening waarmee alle studenten en docenten in 2027 op een veilige en verantwoorde manier AI-kunnen gebruiken. We verwachten eind 2026 een brief aan de Kamer te sturen waarin ingegaan wordt op een verantwoorde inzet van AI in het vervolgonderwijs. Verder zorgen we dat het onderwijs digitaal veiliger wordt. Hiervoor wordt in het hbo en wo de cyberveiligheid van bekostigde hogescholen en universiteiten structureel geborgd door ze aan te wijzen onder de Cyberbeveiligingswet (Cbw) en in het mbo wordt toegewerkt naar nieuwe bestuurlijke afspraken op het gebied van cyberveiligheid en de inrichting van een cyberweerbaarheidspool. Ook werken we met landelijke partners en sectorverenigingen, aan het versterken van digitale autonomie, waarmee onderwijsinstellingen samen de voorwaarden en spelregels kunnen bepalen waaraan technologieaanbieders zich houden en waarin publieke waarden centraal staan.

Consistente sturing en duidelijkheid in rollen en bekostiging in het funderend onderwijsWij willen meer transparantie geven over de besteding en effectiviteit van bekostiging en meer zekerheid bieden door middel van structurele bekostiging voor structurele taken. Hierdoor worden scholen beter in staat gesteld om langjarig beleid uit te voeren en daarom komen de middelen voor de verbetering van de basisvaardigheden, School en omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden, structureel beschikbaar via de bekostiging. Verder vormen we ook de kleinescholentoeslag om in een dunbevolktheidstoeslag. Dit draagt bij aan een toegankelijk onderwijsaanbod. Daarnaast lopen er meerdere wetstrajecten die nader duiding geven aan wat er van wie mag worden verwacht. Zo zorgt het wetsvoorstel Versterken Inspraak Leraren en Schoolleiders ervoor dat de rol van leraren en schoolleiders beter geborgd wordt bij onderwijskundige besluiten binnen de school, en op nationaal niveau.

Toekomstbestendig stelsel voor vervolgonderwijsHet doel van het kabinet is om het onderwijsstelsel op korte en lange termijn weerbaarder te maken voor dalende studentenaantallen en om in de (arbeidsmarkt)regio’s, in het bijzonder daar waar de impact van de dalende studentenaantallen het grootst is, een kwalitatief goed en divers mbo-, hbo- en wo-aanbod beschikbaar te houden. Voor het mbo is er de regeling Aanvullende middelen studentendaling (2025-2028) waarbij instellingen met vestigingen in de elf sterkst krimpende regio’s aanvullende middelen ontvangen. Daarnaast wordt voor de lange termijn de gehele financiële systematiek van het mbo herzien, zoals aangekondigd in de Kamerbrief over stabiele financiering voor een goed en toegankelijk mbo. Hierin wordt tevens een herziene bekostigingssystematiek geschetst, die per 2029 ingaat. Hiermee worden instellingen in staat gesteld om een kwalitatief sterk en toegankelijk mbo-aanbod te realiseren in alle regio’s in Nederland. Ook voor het hbo en wo werken we aan het wijzigen van de financieringssystematiek zodat deze stabieler wordt.

Kennisontwikkeling voor NederlandOnderzoek draagt bij aan het ontwikkelen van kennis, het overdragen van kennis, en, het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Het kabinet investeert daarom extra in  de gehele kennisketen. Ook wordt inzet verricht om de (regionale) samenwerking tussen bedrijfsleven, maatschappelijke organisatie, mbo, hbo, wo en overheid te versterken. Zo blijven we in 2027 investeren in onderzoek, kennisbenutting en valorisatie bij universiteiten. Ook zetten we structureel in op praktijkgericht onderzoek dat gericht is op het ontwikkelen van kennis(producten) voor de beroepspraktijk. Met verschillende NGF programma’s zoals de Biotech Booster en Big Chemistry ondersteunen we onderzoekers bij het versnellen van kennisontwikkeling en de vermarkting hiervan. Ook blijven we investeren in onderzoeksinfrastructuren, zoals in de opvolger voor de nationale supercomputer Snellius. Ook zet het kabinet zich in om de Einstein Telescope naar de Euregio Maas-Rijn te halen. Open science NL en NEWS bevorderen ook in 2027 de (brede) toegankelijkheid van onderzoeksresultaten. De beleidsinzet van het kabinet geeft als geheel een belangrijke impuls aan de kennisontwikkeling en -toepassing voor Nederland.

Internationale samenwerkingen en kennisveiligheidHet doel van de internationale samenwerkingen in onderzoek en wetenschap is om de hoge kwaliteit te behouden en te versterken, alsook om talent aan te trekken en het Europese en daarmee Nederlandse concurrentievermogen te versterken. Tegelijkertijd zorgen de geopolitieke ontwikkelingen er voor dat de aandacht voor kennisveiligheid en cyberweerbaarheid onverminderd groot is. Het kabinet blijft toegang voor Nederlandse onderzoekers tot Europese onderzoek- en innovatieprogramma’s steunen. Dit doen we onder meer via voortzetting van de matching Horizon Europe en cofinanciering van relevante Europese partnerschappen. Om instellingen te helpen bij de uitdagingen op het vlak van (kennis)veiligheid en weerbaarheid stelt het kabinet extra middelen ter beschikking en versterken we het Rijksbrede Loket Kennisveiligheid om instellingen gerichter te informeren en adviseren over veiligheidsrisico’s bij internationale samenwerking. Daarnaast werken we verder aan een haalbaarheidsanalyse voor een beperkte vorm van screening van onderzoekers die toegang willen tot gevoelige kennis en technologie.

Ruimte voor onderzoekers in de wetenschapOCW heeft als doel het aantrekken, ontwikkelen en behouden van onderzoekstalent. Hiervoor is een goede werkomgeving bij kennisinstellingen nodig. Het is belangrijk dat kennisinstellingen hun verantwoordelijkheid blijven nemen en ingezette verandertrajecten in hun organisaties verankeren, zoals breder erkennen en waarderen van wetenschappers en docenten. Instellingen worden hierbij ondersteund door de tijdelijke werkdrukmiddelen uit het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap. Verder kunnen de structurele middelen in de sectorplannen worden ingezet door instellingen voor vaste contracten en voor het bieden van ruimte aan onderzoekers om door te groeien.

Samenwerking en profilering in de wetenschapHet Ministerie van OCW wil ervoor zorgen dat universiteiten elkaar aanvullen in plaats van beconcurreren. Om te zorgen dat instellingen zich nog meer onderscheiden, zetten we in op profilering en samenwerking via de sectorplannen.

Versterking samenwerking binnen EuropaOm de kwaliteit van het onderwijs, cultuur en wetenschap te versterken bevorderen we internationale samenwerking binnen Europa. Op deze manier ontwikkelen we ook internationale competenties van lerenden, docenten, de culturele/creatieve sector en wetenschappers. Dit doen we onder andere via het Nationaal Agentschap Erasmus+ onderwijs & Training. Via dit agentschap wordt het EU-programma Erasmus+ uitgevoerd en beheerd in Nederland. Daarnaast is ons beleid ook gericht op specifieke Europese landen via bijvoorbeeld het Duitsland Instituut Amsterdam of het Vlaams-Nederlands huis DeBuren. Verder verstrekken we subsidie aan Neth-ER; deze vereniging van Nederlandse organisaties heeft als doel de Nederlandse participatie aan Europese programma’s te bevorderen.

Verbeteren financiële positie studentenHet is ons doel om de financiële positie van studenten te verbeteren. Daarbij geldt dat de financiële toegankelijkheid een gedeelde verantwoordelijkheid is tussen de overheid, de ouder en de student. Dit kabinet is voornemens om de basisbeurs voor alle uitwonende studenten te verhogen. Daarnaast werkt het kabinet aan verbeteringen in het studiefinancieringsstelsel en in de financiële positie van studenten op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Tegemoetkoming studenten-leenstelselHet doel van de aanvullende tegemoetkoming is om een extra financieel gebaar te maken als erkenning naar studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Ook komt een beperkt aantal studenten die vanwege bijzondere omstandigheden geen diploma hebben gehaald alsnog in aanmerking voor de tegemoetkoming en vervolgens voor de aanvullende tegemoetkoming. Het parlement moet nog instemmen met het hiervoor benodigde wetsvoorstel. De aanvullende tegemoetkoming wordt naar verwachting vanaf april 2027 uitgekeerd.

Klimaat en energieHet kabinet wil een gezonde, leefbare en veilige wereld doorgeven aan toekomstige generaties. Het is belangrijk dat iedereen meekan in de klimaat- en energietransitie. De maatregelen uit het uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs helpen scholen in het po, vo, go en mbo vraaggericht bij het borgen van duurzaamheid in het onderwijs. Daarnaast zet OCW zich in om haar sectoren zo goed mogelijk te ondersteunen bij de implementatie van de Minimum energieprestatie-eisen (MEPS). Naast de inzet voor de onderwijssectoren ondersteunen wij de uitvoering van de routekaart ‘Verduurzaming culturele en creatieve sector’ om te komen tot verduurzaming van de culturele en creatieve sector.

Goed en voldoende onderwijspersoneel

Aantrekkelijk werk voor leraren, schoolleiders en onderwijsondersteunend personeelKwaliteit van onderwijs begint bij voldoende, goed opgeleide en bevlogen onderwijsprofessionals, die zich gedurende hun loopbaan blijven professionaliseren. Het is van belang dat onderwijsprofessionals als beroepsgroep verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen beroepskwaliteit en nauw betrokken zijn bij onderwijskundig beleid. We werken daarom aan aantrekkelijk werk en goed werkgeverschap. We spannen ons in voor het instandhouden van een toegankelijk aanbod van lerarenopleidingen en hun onderlinge samenwerking.  We willen hiermee voorkomen dat er opleidingen wegvallen in belangrijke (tekort)vakken of regio’s. Om zo voldoende (zij-instromende) onderwijsprofessionals in het funderend onderwijs en het mbo te werven en te behouden voor een carrière in het onderwijs.

Zo werken in de onderwijsregio’s besturen, lerarenopleidingen en de beroepsgroep samen om te zorgen voor voldoende en goed opgeleid onderwijspersoneel. Daarnaast zijn er de regelingen subsidie zij-instroom, de lerarenbeurs en de subsidie onderwijspersoneel opleiding tot leraar, die een tegemoetkoming bieden voor de lerarenopleiding voor respectievelijk zij-instromers en instructeurs. Ook is er de campagne werken met de toekomst, die zij-instromers en studiekiezers enthousiasmeert voor een baan in het onderwijs. Ook het NGF-project Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL) heeft als doel de professionalisering van leraren te structureren en te stimuleren. Daarnaast draagt het wetsvoorstel Versterken Inspraak Leraren en Schoolleiders bij aan de borging van de rol van leraren en schoolleiders bij onderwijskundige besluiten binnen de school, en op nationaal niveau.

Daarnaast wordt ook ingezet op het carrièreperspectief van mbo-docenten. Vanuit de middelen uit de Werkagenda mbo 2023-2027 verbeteren instellingen het carrièreperspectief voor het onderwijzend personeel. Dat betekent: meer zicht op hogere inschaling, een vermindering van de werkdruk en meer mogelijkheden voor ontwikkeling en professionalisering.

De regeling Versterking Aansluiting Beroepsonderwijskolom (VABOK) wordt per 2027 stopgezet. Een deel van de resterende middelen zijn toegevoegd aan de bekostiging van het hbo. Deze middelen worden ingezet voor het ophogen van het aantal opleidingsplaatsen bij de hbo zorgopleidingen Mondzorgkunde, Physician Assistant en Verpleegkundig specialist en het Actieplan kleine lerarenopleidingen. Het Actieplan richt zich op het behoud van een landelijk dekkend en toegankelijk aanbod van hbo-lerarenopleidingen en moet mede bijdragen aan de continuïteit van het onderwijs in de schoolvakken met de grootste lerarentekorten.  

Sociale veiligheid en gelijke behandelingHet Ministerie van OCW werkt aan sociale veiligheid en gelijke behandeling, zodat iedereen in Nederland op een vrije en volwaardige manier kan deelnemen aan de samenleving. Een sociaal veilige omgeving is conditioneel voor de bevordering van kwaliteit in het onderwijs, de cultuur en wetenschap. In een wereld waarin fysieke en digitale veiligheid minder vanzelfsprekend zijn geworden, houdt OCW ook oog voor het belang van sociale samenhang en het voorkomen van polarisatie. OCW blijft zich ook inzetten om discriminatie en racisme tegen te gaan, in al onze beleidsterreinen. We blijven de aandacht vasthouden voor thema’s zoals sociale veiligheid op scholen en de beleidsintensiveringen op het koloniaal- en slavernijverleden in het kader van ‘het proces na de komma’.

Een vrij en veilig schoolklimaat voor leerlingen én personeel in het funderend onderwijsJe vrij en veilig voelen op school is een randvoorwaarde voor goed onderwijs. We streven naar een vrij en veilig schoolklimaat want dan krijgen leerlingen eerlijke kansen en kunnen zij zich als mens ontplooien. Het kabinet zet hierop in met verschillende wetsvoorstellen. Daarnaast wordt de instellingssubsidie stichting School & Veiligheid ingezet om een sociaal veilige leer- en werkomgeving te bevorderen.

Sociale veiligheid in het mbo, hbo, wo en de wetenschapHet kabinet heeft als doel een veiligere leer- en werkomgeving te creëren in het vervolgonderwijs en onderzoek. Op dit moment verkennen we de mogelijkheden om de sociale veiligheid in het vervolgonderwijs en het onderzoek te verhogen. Verder stimuleren het landelijk programma en de subsidieregeling Sociale Veiligheid de bevordering van de sociale veiligheid op universiteiten, hogescholen en studentenorganisaties. Ook zet OCW zich op verschillende manieren in voor de bestrijding van antisemitisme, bijvoorbeeld door bij te dragen aan de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme. Maar ook met het recent eenmalig beschikbaar stellen van extra middelen aan Joodse (studenten)organisaties voor het versterken van de sociale infrastructuur en een continue dialoog met het veld. Verder geven we met de Werkagenda mbo 2024 ‒ 2027 een impuls aan de versterking van sociale veiligheid in het mbo. Mbo-instellingen zetten in op het verbeteren van het studentenwelzijn en de integrale veiligheid op mbo’s en leerbedrijven.

Veiligheid en vrijheid voor vrouwen en lhbtiq+ personenNaast de sociale veiligheid in het onderwijs en de wetenschap zet OCW zich ook daarbuiten in voor sociale veiligheid via het emancipatiebeleid. Het emancipatiebeleid van OCW richt zich op de veiligheid, vrijheid en gezondheid van vrouwen en lhbtiq+ personen. Zoals in de Emancipatienota 2026 ‒ 2030 is beschreven, moet en kan de veiligheid van vrouwen en lhbtiq+ personen beter. Daar werkt OCW ook aan mee. Het doel van OCW is om de veiligheid van vrouwen en lhbtiq+ personen te verbeteren. Met de Versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid wordt er ingezet op het vergroten van de persoonlijke vrijheid van lhbtiq+ personen, het creëren van meer aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen bij instanties en het stellen van de veiligheid van lhbtiq+ personen als maatschappelijke norm. Verder ondersteunt, stimuleert en faciliteert OCW gemeenten om de veiligheid van vrouwen en meisjes in de openbare ruimte te verbeteren. Bovendien draagt OCW met preventieve maatregelen actief bij aan de aanpak van geweld tegen vrouwen onder coördinatie van VWS. De oprichting van de mannenalliantie draagt daaraan bij door het bestrijden van schadelijke stereotyperingen om geweld tegen vrouwen weg te nemen.

Een centrale doelstelling van ons emancipatiebeleid is gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen (op het gebied van werk en inkomen). Werk is de belangrijkste stap naar financiële onafhankelijkheid en daarmee vrijheid. Daarom steunen wij vrouwen die meer of weer willen werken via de alliantie Financieel Sterk door Werk. Verder stimuleren we arbeidstoeleiding van vrouwen, waaronder alleenstaande moeders in een financieel kwetsbare positie. Ook wordt ingezet op meer vrouwen in de top. Het Ministerie van OCW financiert de SER om de voortgang van genderdiversiteit in de top te monitoren en stimuleren. In 2027 evalueert OCW de Topvrouwenwet.

Iedereen is nodigEen goede opleiding, (digitale) vaardigheden en kritisch kunnen denken zijn essentieel voor de economische ontwikkeling en het aanpakken van grote transities. Het kabinet wil dat iedereen zijn talenten inzet voor de steeds krapper wordende arbeidsmarkt én dat iedereen zo goed mogelijk kan meedoen in de samenleving, ook in het kader van brede welvaart en sociale cohesie. Het wegnemen van belemmeringen voor studenten met een functiebeperking is onderdeel van deze inzet.

Maatschappelijke diensttijd (MDT)MDT biedt jongeren tussen de 12 en 30 jaar de kans om hun talenten te ontdekken, ontwikkelen, vrijwillig iets te betekenen voor een ander of de samenleving en mensen te ontmoeten buiten hun eigen leefwereld. MDT draagt hiermee bij aan twee maatschappelijke opgaven: (1) veerkrachtige, mentaal gezonde jongeren en (2) een sterke, weerbare samenleving. Door de subsidieregeling MDT worden verschillende samenwerkingsverbanden ondersteund om projecten te realiseren die bijdragen aan de eerdergenoemde maatschappelijke opgaven.

KansengelijkheidHet funderend onderwijs moet bijdragen aan een goede onderwijsloopbaan en brede talentontwikkeling voor alle leerlingen ongeacht de omgevingsfactoren waar kinderen mee te maken hebben. We werken hieraan door middel van meerdere maatregelen. Zo kunnen scholen via een subsidieregeling een ‘brugfunctionaris’ aannemen die gezinnen ondersteunt bij vragen en zorgen. Leerlingen die dat het hardste nodig hebben krijgen extra leer- en ontwikkeltijd met het programma School & Omgeving, aanvullend op onderwijstijd (bijv. sport, cultuur, huiswerkbegeleiding). Ook zorgen we er via het Programma Schoolmaaltijden voor dat kinderen op scholen met veel leerlingen uit een gezin met een laag, inkomen niet met een lege maag op school zitten. Vanaf 2029 worden de subsidies voor het programma School & Omgeving, de brugfunctionaris en schoolmaaltijden omgezet in bekostiging. Internetconsultatie van dit wetsvoorstel is deze zomer gestart.

Iedereen doet mee in het mboHet Ministerie van OCW zet in op meer waardering voor het mbo. We hebben goed opgeleide vakmensen keihard nodig voor de maatschappelijke opgaven waar we in Nederland voor staan. We zetten ons ervoor in dat studenten hun talenten maximaal kunnen ontplooien op het mbo. Verder gaan we in 2027 verder met het voorkomen van voortijdig schoolverlaten via de wet Van school naar duurzaam werk. Daarmee helpen we jongeren bij de overgang van het mbo, praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs naar werk. 

Nationale TalentstrategieVakmensen en specialisten zijn nodig voor de maatschappij en de toekomstige welvaart van Nederland. Met de Nationale Talentstrategie werkt het Ministerie van OCW, samen met andere departementen in partnerschap met onderwijsinstellingen, werkgevers, werknemers en studenten in 2027 aan het opleiden en begeleiden van meer talent naar de opgaven die cruciaal zijn voor onze welvaart.  Binnen de partnerschappen maken we met onze partners afspraken over investeringen in mensen, stages en opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten werken aan voorstellen met daarin concrete voorstellen over de rol en bijdrage aan de Talentstrategie.

Leven lang ontwikkelen (LLO)We werken aan een bestendig LLO-stelsel en komen daarom met een nieuwe LLO-regeling. De regeling moet toegang geven tot scholing die helpt om aan het werk te komen, door te groeien of over te stappen. Daarbij willen we gerichter keuzes maken om zo een stevig fundament te leggen voor een goed functionerend stelsel van om- en bijscholing. We bouwen aan een toekomstbestendig LLO stelsel om leren en ontwikkelen stevig te verankeren. Een van de opgaven is het uitwerken van vraagstukken rondom de uitbreiding van een eventuele wettelijke taak LLO voor het mbo, hbo en wo. Verder gaan we deelname op onderdelen van formeel onderwijs vereenvoudigen door de inwerkingtreding van de wet Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (VABA) en door het verkennen van een vierde leerweg in het hbo en wo. Hierin nemen we ook de ontwikkeling van microcredentials mee. Ook is het via CompetentNL mogelijk om vaardigheden en competenties in het leren via verschillende vormen (informeel, non-formeel en formeel) op een uniforme wijze inzichtelijk te maken. Specifiek voor kwetsbare groepen zal er ook ingezet worden op het verbeteren van de basisvaardigheden.

Internationaal talentUniversiteiten en hogescholen krijgen meer mogelijkheden om internationaal toptalent aan te trekken en te behouden. Met name voor sectoren waar de maatschappelijke opgaven het meest urgent zijn en waarmee kennis- en innovatie ecosystemen in de regio behouden kunnen blijven. In het kader van de talentstrategie informeren wij u nader over welke opgaven dat voor het kabinet zijn. Ruimte voor meer internationaal talent in specifieke sectoren, betekent dat in andere sectoren het aantal anderstalige opleidingsplaatsen moet worden begrensd. De universiteiten en hogescholen delen deze inzet van het kabinet en zetten onverminderd de afspraken door die zij onderling in het kader van de zelfregie hebben gemaakt. Deze afspraken zien onder meer op capaciteit, Nederlandse taalvaardigheid, verbeteren van de blijfkans en huisvesting. Met uitzondering van de afspraken over de aanpassing van de onderwijstaal van Engels naar Nederlands, aangezien in het coalitieakkoord is afgesproken dat het bestaande anderstalige opleidingsaanbod behouden kan blijven. De afspraken over zelfregie vormen het vertrekpunt voor de op korte termijn te maken bestuurlijke afspraken. In lijn met het coalitieakkoord passen we daarnaast de Wet Internationalisering in Balans aan: de Toets Anderstalig Onderwijs voor nieuw en bestaand aanbod verdwijnt uit het wetsvoorstel en in samenhang daarmee bezien we op dit moment welke andere aanpassingen nodig zijn en welke onderdelen ongewijzigd in stand blijven (zoals onder andere de numerus fixus voor niet-EER studenten en de noodfixus voor onverwacht hoge aanmeldingen).

Brede welvaart Nederland heeft zich gecommitteerd aan het behalen van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (SDG’s). De beleidsinzet op brede welvaart heeft interdepartementaal tot doel om een duurzame wereld tot stand te brengen volgens het brede, integrale begrip van duurzaamheid, dat in de SDG’s wordt gehanteerd. De inzet van het Ministerie van OCW draagt hieraan bij en richt zich specifiek op het behalen van SDG 4 (kwaliteitsonderwijs een leven lang ontwikkelen voor iedereen) en SDG 5 (gendergelijkheid) en door beleidsimpact te maken op een groot aantal andere subdoelen. We werken via veel beleidsterreinen aan het behalen van de doelen, zo draagt onze inzet voor onderwijs en wetenschap bij aan het kwaliteitsonderwijs. Maar ook de maatregelen die eerder zijn genoemd bij het sub-thema Leven Lang Ontwikkelen dragen bij aan een brede welvaart. Daarnaast werken we aan de SDG voor gendergelijkheid via verschillende allianties die gericht zijn op emancipatie van bijvoorbeeld vrouwen en lhbtiq+ personen.

Versterking culturele en creatieve sectorCultuur maakt ons leven mooier, maar is zeker ook een onmisbaar onderdeel van een democratische samenleving. De culturele en creatieve sector, zoals media, design en podiumkunsten, dragen bij aan het verdien- en concurrentievermogen van Nederland. In 2027 zullen wij werken aan een sterker cultureel en creatief klimaat.

Bibliotheken en leesbevorderingWe streven ernaar dat alle inwoners van Nederland binnen een redelijke afstand toegang hebben tot een volwaardige openbare bibliotheek. Via de wijziging van de wet Stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) krijgen gemeenten en openbare lichamen de verplichting om te zorgen voor een aanbod van bibliotheekvoorzieningen met ten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening. Deze wet zal naar verwachting in werking treden in 2027. Ook krijgen lokale bibliotheken in deze wet de taak om het lezen te bevorderen bij onderwijsinstellingen. Dat doen we via structurele financiering aan bibliotheken voor leesbevordering bij kinderen. Scholen in het primair en voortgezet onderwijs krijgen hier middelen voor via de bekostiging basisvaardigheden. Het is ons doel om het leesplezier en de leesvaardigheid te verbeteren door lezen zowel op school als thuis te stimuleren.

ArchievenIn 2027 gaat de nieuwe Archiefwet in. Met deze gemoderniseerde wet en het toezicht daarop, kunnen overheidsorganisaties hun digitale informatie vanaf het moment van creatie, effectief beheren. Dat draagt bij aan betrouwbare en toegankelijke overheidsinformatie voor burgers, journalisten, wetenschappers, rechters en de overheid zelf. Daarnaast staat dit najaar het debat in de Tweede Kamer gepland over het wetsvoorstel ter wijziging van de Archiefwet die het alsnog mogelijk moet maken om het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) voor eenieder via het internet ter beschikking te stellen.

ErfgoedWij streven ernaar om erfgoed door te geven aan en levend te houden voor volgende generaties. Doelen daarbij zijn onder meer dat 90% van de gebouwde rijksmonumenten in goede of redelijke staat verkeert en dat zorgvuldig wordt omgegaan met het bodemarchief. Daarnaast blijft er aandacht voor beheer en behoud van de Rijkscollectie en het presenteren daarvan aan een breed publiek. Via ons monumentenbeleid, archeologiebeleid en de door het rijk bekostigde Rijksmusea werken we hieraan. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een stevig en divers cultureel fundament voor de toekomst.

CultuurbeoefeningHet Ministerie van OCW werkt aan een gezonde infrastructuur voor cultuurbeoefening en voor de creatieve sectoren in Nederland. Iedereen moet de mogelijkheid hebben om een leven lang cultuur, creativiteit en erfgoed te beoefenen en de eigen talenten te ontwikkelen. Onder cultuurbeoefening vallen de domeinen cultuureducatie, cultuurparticipatie, amateurkunsten, immaterieel erfgoed, erfgoedparticipatie en talentontwikkeling. Het Ministerie van OCW werkt door middel van bestuurlijke afspraken samen met gemeenten, provincies en de sector aan oplossingen voor structurele knelpunten en uitdagingen. Zo werken we samen aan eenduidiger en effectiever beleid en het toegankelijker maken van cultuurbeoefening.

Basisinfrastructuur 2025-2028In 2025 is de nieuwe subsidieperiode (2025-2028) voor de culturele basisinfrastructuur gestart. Samen met de rijkscultuurfondsen wordt een hoogkwalitatief cultureel en creatief aanbod ondersteund dat toegankelijk is en gespreid over het land. De voorbereidingen voor de volgende subsidieperiode vanaf 2029 is gestart. Er is een wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in voorbereiding die een maximale financieringsperiode van acht jaar mogelijk maakt. Er wordt gewerkt aan een betere toegang tot cultuur in Nederland en vereenvoudiging van de subsidiesystematiek. In 2027 zal de concept-regeling gepubliceerd worden. Daarnaast stimuleren wij eerlijke beloning, beter toezicht en een gezonde financieringsmix.

Creative Industries Immersive Impact Coalition (CIIIC)CIIIC is een nationaal groeifondsprogramma met als beoogd doel de vorming en versnelling van een gespecialiseerde arbeidsmarkt voor immersieve digitale content (IX). Om dat te realiseren wil CIIIC vier knelpunten oplossen via vier actielijnen: 1) het huidige tekort aan menselijk kapitaal aanvullen, 2) deze mensen voorzien van kennis en methodes over IX, 3) het gefragmenteerde ecosysteem meer samenhang bieden en 4) nieuwe IX producties realiseren.

Versterking van het medialandschapIn een tijd waarin het medialandschap en mediagebruik snel veranderen, mede door de opkomst van Big Tech waardoor de verdienmodellen van traditionele mediapartijen onder druk komen te staan, is het van groot belang dat er een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening is, alsook een sterk kwalitatief en cultureel Nederlands media-aanbod dat verbindt en toegankelijk is voor iedereen. We delen de analyse van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat media essentieel zijn voor onze democratie en zetten ons daarom in om deze sector te versterken. We zetten in op sterke publieke omroepen op landelijk, regionaal en lokaal niveau. Daarnaast stimuleren wij betrouwbare, onafhankelijke journalistiek, mediawijsheid en de publiek-private samenwerking in de mediasector.

Landelijke publieke omroepOm in een dynamisch medialandschap van waarde te blijven voor de Nederlandse samenleving wordt de landelijke publieke omroep fors hervormd. Het bestel wordt vereenvoudigd en de governance wordt slagkrachtig vormgegeven. Hiervoor moet de Mediawet 2008 worden aangepast. Beoogde inwerkingtreding van het nieuwe bestel is 2029.

Lokale publieke omroepHet doel van het kabinet is dat overal in Nederland toegang is tot betrouwbare en onafhankelijke informatie over de lokale omgeving en het lokale bestuur. Zo dragen we bij aan het versterken van het lokale medialandschap, en in het verlengde ervan een goed functionerende democratie op lokaal niveau. Hiervoor wordt aan een stelselherziening gewerkt, waarin de financiering gewijzigd zal worden en het aantal omroepen zal verminderen. Het bijbehorende wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 is op 23 maart 2026 ingediend bij de Tweede Kamer. We streven naar een implementatieperiode vanaf 2026 tot 2028.

MediawijsheidHet is ons doel om mediawijsheid onder de Nederlandse bevolking te versterken. Dit draagt bij aan de weerbaarheid tegen desinformatie en aan het vertrouwen in nieuwsvoorzieningen. Weerbaarheid tegen desinformatie is ook een maatschappelijke opgave zoals gedefinieerd door Netwerk Mediawijsheid in het meerjarenplan; hiervoor ontvangt het Netwerk Mediawijsheid financiële ondersteuning. Het samenwerkingsverband IsDatEchtZo.nl van Netwerk Mediawijsheid, Beeld en Geluid en ECP zal ook financiële ondersteuning ontvangen om informatievoorziening over de werking van nepnieuws te stimuleren. 

JournalistiekHet Ministerie van OCW zet in op sterke journalistiek die controleert, onderzoekt en bevraagt. We ondersteunen journalistieke initiatieven en investeren in een pluriform-media aanbod. Zo financiert OCW het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek, stichting PersVeilig, en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten om de onderzoeksjournalistiek te versterken.

Werken aan publieke dienstverleningOCW werkt aan herstel van vertrouwen in de overheid door aantoonbaar een betrouwbare overheidsinstantie te zijn. Zo werken we aan het verbeteren van de dienstverlening door samen te werken met uitvoeringsorganisaties. We geven inzage in de ontwikkelingen die spelen binnen de uitvoering van het OCW-beleid, via het proces rondom de Stand van de Uitvoering, en onderzoeken of onze regelingen discriminatoire mechanismen bevatten. De vereenvoudigingswet van OCW wordt vormgegeven als een jaarlijks instrument dat zowel inhoudelijke als technische vereenvoudigingsvoorstellen bundelt met als doel regels zo snel mogelijk eenvoudiger en uitvoerbaarder te maken. In 2027 gaan we verder met het inrichten van processen die bijdragen aan openheid, transparantie en navolgbaarheid in het handelen van ambtenaren door het blijven monitoren van de voortgang op de informatiehuishouding.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Deze financiële paragraaf presenteert conform de Rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting, zowel voor de uitgaven (tabel 1) als de ontvangsten (tabel 2).

Tabel 1 Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Stand begroting 2026 (inclusief NvW)

 

57.033.064

59.293.119

57.237.296

56.875.755

56.584.404

 
        

Mutaties eerste suppletoire begroting 2026

 

2.981.973

1.065.043

2.030.089

1.866.636

1.780.386

58.119.494

        

Mutaties coalitieakkoord

 

0

163.439

157.221

123.699

75.655

75.655

61 Efficiencytaakstelling

95

0

‒ 5.743

‒ 11.311

‒ 18.258

‒ 25.400

‒ 25.400

62 Vernieuwing rijksdienst / slagvaardige overheid

95

0

0

0

‒ 27.175

‒ 67.652

‒ 67.652

63 Subsidietaakstelling

diverse

0

‒ 18.850

‒ 18.850

‒ 18.850

‒ 18.850

‒ 18.850

Terugdraaien bezuiniging school en omgeving

1, 3

0

121.415

120.765

121.365

120.940

120.940

Hervorming subsidie brede brugklassen

3

0

57.786

57.786

57.786

57.786

57.786

Herinvesteren spuk-korting Educatie

4

0

8.831

8.831

8.831

8.831

8.831

        

Belangrijkste suppletoire mutaties

       

Saldo mee- en tegenvallers

diverse

119.495

60.217

66.132

24.569

41.683

14.897

- Referentieraming

diverse

17.699

16.421

2.894

‒ 9.664

‒ 16.541

‒ 47.056

- Studiefinancieringsraming

11, 12, 13

88.092

22.203

24.602

8.842

28.740

40.188

- Raming nieuwkomersbekostiging

1, 3

‒ 6.847

‒ 20.817

‒ 23.053

‒ 22.015

‒ 24.956

‒ 22.779

- Correctie fout raming nieuwkomersbekostiging

3

28.090

27.530

27.122

26.801

26.453

26.453

- Oplossen onrechtmatigheid nieuwkomersbekostiging

1

0

1.800

14.600

14.600

14.600

14.600

- CUB herzieningen

11

5.511

7.390

15.400

818

0

0

- Overig saldo

diverse

‒ 13.050

5.690

4.567

5.187

13.387

3.491

Saldo in- en extensiveringen

diverse

‒ 8.708

‒ 9.320

10.000

‒ 25.529

‒ 41.634

‒ 33.693

- CUB schadevergoedingen

11

10.081

23.862

23.862

15.962

5.800

0

- Basisvaardigheden mbo

4

0

25.000

25.000

25.000

25.000

0

- Krimp mbo

4

0

0

34.000

0

0

0

- Opgavegerichte aanvullende middelen mbo

4

0

0

0

0

0

18.948

- Bekostiging hbo

6

795

3.989

1.000

1.000

3.116

15.315

- Implementatie richtlijn GTV

25

2.000

15.123

14.373

14.373

14.373

13.373

- Implementatie Nieuwe Archiefwet

14

3.825

8.323

8.323

7.323

7.323

7.323

- Schoolmaaltijden

1, 3

0

19.064

0

0

0

0

- Overige intensiveringen

diverse

10.348

27.112

38.051

43.153

36.021

35.819

- Regeling doorstroom beroepskolom (VABOK)

4

‒ 2.520

‒ 36.447

‒ 34.732

‒ 34.732

‒ 37.372

‒ 38.372

- Loon- en prijsbijstelling funderend onderwijs

1, 3

0

‒ 25.041

‒ 40.433

‒ 36.934

‒ 40.524

‒ 38.084

- Praktijkgerichte havo

3

0

‒ 7.704

‒ 7.209

‒ 11.716

‒ 13.087

‒ 13.030

- Brugfunctionaris

1, 3

0

‒ 19.064

0

0

0

0

- Overige extensiveringen

diverse

‒ 33.237

‒ 43.537

‒ 52.235

‒ 48.958

‒ 42.284

‒ 34.985

Overhevelingen van Aanvullende post

11

7.380

743

945

1.013

1.013

0

- Herijking OV-contract

11

540

743

945

1.013

1.013

0

- Invoering studiebeurs

11

6.840

0

0

0

0

0

Eindejaarsmarge (EJM)

diverse

358.870

     

- Inzet EJM voor openstaande verplichtingen en overlopende posten

diverse

77.980

     

- Inzet EJM voor praktijkleren 2026

4

21.086

     

- Inzet EJM voor de bijdrage van OCW aan het besparingsverlies op de banenafspraak SZW

SZW

9.431

     

- Inzet EJM voor Einstein Telescope Boringen

16

9.050

     

- Inzet EJM voor tijdelijke voorziening CABR

14

4.146

     

- Inzet EJM voor vaste kosten DUS-I

diverse

3.221

     

- Inzet EJM voor overige tegenvallers OCW ramingen en werkvelden

diverse

233.956

     

Saldo loon- en prijsbijstelling toebedeeld

diverse

1.959.759

2.020.292

1.867.827

1.858.933

1.848.059

1.825.959

- Loonbijstelling toebedeeld

diverse

1.664.012

1.669.901

1.652.450

1.648.314

1.638.681

1.632.893

- Prijsbijstelling toebedeeld (na korting prijsbijstelling)

diverse

295.263

350.282

215.377

210.619

209.378

193.066

- HGIS indexatie non-ODA

diverse

484

109

    

Nationaal Groeifonds

diverse

87.103

4.948

15.068

15.181

4.193

‒ 20

- Eindejaarsmarge Nationaal Groeifonds

diverse

88.468

0

0

0

0

0

- Overheveling middelen Open Leermateriaal

1, 95

3.862

11.906

11.443

6.491

4.303

0

- Kasschuiven Nationaal Groeifonds

diverse

‒ 5.227

‒ 6.958

3.625

8.690

‒ 110

‒ 20

Kasschuiven (excl. NGF)

diverse

918.288

‒ 1.010.571

59.653

18.645

22.183

‒ 8.198

Niet kaderrelevant mutaties

11, 12

‒ 227.252

‒ 172.672

‒ 156.757

‒ 161.439

‒ 178.980

‒ 193.736

Extrapolatie

diverse

0

0

0

0

0

56.436.944

Desalderingen

4, 14, 15

3.045

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Overboekingen met andere departementen

diverse

‒ 2.051

6.467

8.500

10.064

6.714

186

        

Mutaties ontwerpbegroting 2027

 

154.233

416.162

1.068.005

1.200.433

1.192.619

1.194.796

1. Mutaties coalitieakkoord

diverse

0

813.264

976.546

1.013.163

1.054.691

1.069.393

2. Kasschuiven

diverse

140.760

‒ 304.990

‒ 8.609

55.105

35.349

57.006

- Kasschuiven coalitieakkoord

diverse

310.000

‒ 333.085

‒ 8.310

2.323

14.536

14.536

- Kasschuiven Nationaal Groeifonds

diverse

‒ 53.833

52.740

‒ 600

1.631

31

31

- Kasschuiven overig

diverse

‒ 115.407

‒ 24.645

301

51.151

20.782

42.439

3. Nationaal Groeifonds

diverse

351

‒ 2.850

95.000

48.800

0

0

4. Aanvullende taakstelling Rijk

95

0

0

0

0

0

‒ 12.738

5. Versnellen taakstelling vernieuwing rijksdienst en slagvaardige overheid

95

0

0

‒ 12.942

‒ 12.532

0

0

6. Overig

diverse

13.122

‒ 89.262

18.010

95.897

102.579

81.135

        

Stand ontwerpbegroting 2027

 

60.169.270

60.774.324

60.335.390

59.942.824

59.557.409

59.314.290

Toelichting

Mutaties eerste suppletoire begroting 2026

Een deel van de maatregelen uit het coalitieakkoord «»Aan de slag«» van het kabinet-Jetten is in de eerste suppletoire begroting 2026 verwerkt. Onder het kopje ‘Intensiveringen en extensiveringen’ worden deze mutaties verder toegelicht.

Daarnaast vindt in 2026 per saldo een tegenvaller plaats van € 119,5 miljoen, die grotendeels wordt veroorzaakt door de studiefinancieringsraming. Deze reeks loopt af naar € 14,9 miljoen in 2031. Verder zijn in de eerste suppletoire begroting diverse beleidsmatige intensiveringen opgenomen, waaronder voor de schadeafhandeling van de controles op de uitwonendenbeurs, de versterking van basisvaardigheden in het mbo en de implementatie van de richtlijn geweld tegen vrouwen. Deze intensiveringen zijn gedekt door extensiveringen binnen de OCW-begroting en de inzet van de eindejaarsmarge. De totale eindejaarsmarge bedraagt € 358,9 miljoen, waarvan een deel wordt ingezet voor openstaande verplichtingen en het resterende deel voor de dekking van tegenvallers en intensiveringen op de OCW-begroting.

De loon- en prijsbijstelling is uitgekeerd ter compensatie van stijgende lonen en prijzen. In de Miljoenennota 2026 is besloten dat vanaf 2028 een deel van de prijsbijstelling tranche 2026 rijksbreed niet wordt uitgekeerd ter dekking van rijksbrede problematiek. Voor de OCW-begroting betekent dit dat vanaf 2028 € 90,0 miljoen en vanaf 2031 structureel € 109,0 miljoen aan prijsbijstelling niet wordt uitgekeerd. Bij het verwerken van deze korting op de prijsbijstelling heeft OCW rekening gehouden met bestaande wettelijke verplichtingen.

Mutaties ontwerpbegroting 2027

1. Mutaties coalitieakkoord In het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten zijn afspraken gemaakt over structurele investeringen in onderwijs, onderzoek, cultuur, media en emancipatie. Onder het kopje ‘Intensiveringen en extensiveringen’ worden deze mutaties verder toegelicht.

2. KasschuivenOp de begroting worden diverse meerjarige kasschuiven doorgevoerd om de budgetten in overeenstemming te brengen met het verwachte bestedingsritme. De grootste kasschuif (€ 310,0 miljoen) betreft het beschikbaar stellen van middelen in 2026 aan 222 schoolbesturen in het primair onderwijs naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State inzake de bekostiging van het primair onderwijs. Daarnaast zijn diverse Nationaal Groeifonds (NGF) kasschuiven verwerkt om de middelen in overeenstemming te brengen met het verwachte bestedingsritme. De grootste kasschuiven betreffen het LLO-Katalysatorbudget, waarbij € 31,0 miljoen van 2026 naar 2027 wordt geschoven en het NAPL-budget, waarbij € 10,0 miljoen van 2026 naar 2027 wordt geschoven.

3. Nationaal Groeifonds

Er zijn middelen toegevoegd aan de OCW-begroting voor het Nationaal Groeifondsproject LLO-Katalysator, naar aanleiding van een positief geadviseerde omzettingsverzoek. Dit betreft € 95,0 miljoen in 2028 en € 48,8 miljoen in 2029.

4. Aanvullende taakstelling Rijk De efficiencytaakstelling op de Rijksoverheid uit het coalitieakkoord (maatregel 61) loopt op tot en met 2030. In aanvulling daarop wordt vanaf 2031 een aanvullende taakstelling opgelegd van € 200,0 miljoen oplopend tot € 1,0 miljard per jaar. De verdeling is conform het coalitieakkoord. Voor OCW betekent dit een ombuiging van € 12,7 miljoen in 2031 oplopend tot structureel € 63,7 miljoen vanaf 2035.

5. Versnellen taakstelling vernieuwing rijksdienst en slagvaardige overheidIn het coalitieakkoord is afgesproken dat een taakstelling wordt doorgevoerd in het kader van de vernieuwing van de rijksdienst en een slagvaardige overheid. Deze taakstelling wordt versneld ingevoerd. Voor OCW betekent dit een ombuiging van € 12,9 miljoen in 2028 en € 12,5 miljoen in 2029.

6. Overig

Dit saldo bestaat uit overboekingen met andere departementen en een desaldering.

Tabel 2 Belangrijkste beleidsmatige ontvangstenmutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Stand begroting 2026 (inclusief NvW)

 

2.481.021

3.307.444

2.689.440

2.740.281

2.770.595

 
        

Mutaties eerste suppletoire begroting 2026

diverse

34.779

37.098

31.378

59.708

103.356

2.925.199

        

Saldo mee- en tegenvallers

diverse

34.856

‒ 23.060

34.314

58.632

100.424

65.365

Niet kaderrelevante mutaties

11

‒ 3.122

58.658

‒ 4.436

‒ 424

1.432

7.855

Desalderingen

4, 14, 15

3.045

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Extrapolatie

diverse

0

0

0

0

0

2.850.479

        

Mutaties ontwerpbegroting 2027

 

103

0

0

0

0

0

1. Desalderingen

16

103

0

0

0

0

0

        

Stand ontwerpbegroting 2027

 

2.515.903

3.344.542

2.720.818

2.799.989

2.873.951

2.925.199

Toelichting

Mutaties eerste suppletoire begroting 2026

De mutaties uit de eerste suppletoire begroting 2026 zijn reeds toegelicht in de eerste suppletoire begroting 2026. Op de ontvangsten vindt een meevaller plaats van € 34,9 miljoen in 2026, voornamelijk veroorzaakt door de studiefinancieringsraming. Daarnaast zijn er mutaties op de lesgeldontvangsten en de ontvangsten van cultuur. Bij de niet-kaderrelevante mutaties worden de ontvangsten op leningen in 2026 neerwaarts bijgesteld, terwijl in latere jaren sprake is van hogere ontvangsten doordat oud-studenten meer aflossen dan geraamd.

Mutaties ontwerpbegroting 2027

1. DesalderingenDit betreft een desaldering van de ontvangsten van € 0,1 miljoen.

Tabel 3 Intensiveringen kabinet-Jetten (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Structureel

Rechtszaak bekostiging primair onderwijs

1

310.000

0

0

0

0

0

0

Randvoorwaarden onderwijs en professionalisering onderwijspersoneel op teamniveau

1, 3

0

24.718

349.384

347.831

347.859

347.858

345.509

Zij-instroom aantrekkelijker maken

1, 9

0

79.324

88.074

88.074

88.074

88.074

88.074

Terugdraaien bezuiniging Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

1

0

60.000

60.000

60.000

60.000

60.000

60.000

Terugdraaien bezuiniging school en omgeving

1, 3

0

120.615

120.615

120.615

120.615

120.615

120.615

Hervorming subsidie brede brugklassen

3

0

57.686

57.686

57.686

57.686

57.686

57.686

Beter en regelmatig inspectietoezicht

95

0

0

4.938

10.863

20.738

29.625

29.625

Gerichte Talentstrategie / Taakstellende intensivering hbo en wo1

6, 7

0

24.946

43.915

42.545

548

0

0

Onderzoek en Wetenschap

diverse

0

215.673

318.561

341.029

408.205

394.380

364.380

- Infrastructuur: onderzoeksinfrastructuur

16

0

31.000

31.000

31.000

31.000

31.000

54.000

- Infrastructuur: toegepaste onderzoeksfaciliteiten2

 

0

0

0

0

0

0

0

- Infrastructuur: nationale supercomputer en Einstein Telescope R&D-centrum

16

0

84.673

57.561

54.029

14.205

0

0

- Praktijkgericht onderzoek: hbo

6, 16

0

10.000

20.000

20.000

20.000

20.000

68.000

- Praktijkgericht onderzoek: mbo

4

0

0

13.000

13.000

13.000

13.000

17.000

- Europese samenwerking: Europese partnerschappen

16

0

0

0

0

13.000

13.000

13.000

- Europese samenwerking: matching Horizon Europe

16

0

0

0

0

80.000

80.000

80.000

- Sectorplannen wo

7

0

0

107.000

107.000

131.000

131.380

132.380

- Veiligheid en weerbaarheid

6, 7, 16

0

20.000

20.000

20.000

10.000

10.000

0

- Terugdraaien NWO en werkdrukmiddelen

7

0

70.000

70.000

96.000

96.000

96.000

0

Verhogen basisbeurs uitwonende studenten met € 50

11

0

0

4.938

14.813

24.688

44.438

108.625

Rentemaatregel studiefinanciering3

 

0

0

0

0

0

0

0

Regionale innovatie en publiek-private samenwerking in het mbo en mkb

4

0

14.418

34.176

33.246

28.169

28.169

28.169

Herinvesteren spuk-korting Educatie

4

0

8.831

8.831

8.831

8.831

8.831

8.831

Herinvesteren spuk-korting VSV/RMC

4

0

0

0

12.186

24.372

24.372

12.186

Versterking van persveiligheid en journalistieke vrijheid

15

0

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Terugdraaien verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep

15

0

45.000

45.000

45.000

45.000

45.000

45.000

Lokale omroepen

15

0

3.375

3.375

3.375

3.375

3.375

3.375

DUO/RVO/NWO/DUSI/Toezicht/Monitoring/Evaluatie/Capaciteit

diverse

0

12.625

15.125

16.375

17.625

18.063

18.875

Totaal intensiveringen

 

310.000

668.211

1.155.618

1.203.468

1.256.784

1.271.486

1.291.950

1

Deel van de middelen staan nog gereserveerd op de Aanvullende Post

2

Uitvoering loopt via de EZK-begroting

3

Middelen gereserveerd op de Aanvullende Post

Tabel 4 Extensiveringen kabinet-Jetten (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Structureel

61 Efficiencytaakstelling

95

0

‒ 5.743

‒ 11.311

‒ 18.258

‒ 25.400

‒ 25.400

‒ 25.400

62 Vernieuwing rijksdienst / slagvaardige overheid

95

0

0

0

‒ 27.175

‒ 67.652

‒ 67.652

‒ 67.652

63 Subsidietaakstelling

diverse

0

‒ 18.850

‒ 18.850

‒ 18.850

‒ 18.850

‒ 18.850

‒ 18.850

Dekking middelen t.b.v. EU-voorzitterschap

n.t.b.

0

‒ 4.030

‒ 4.031

‒ 4.031

‒ 4.031

‒ 4.031

0

Aanvullende taakstelling Rijk

95

0

0

0

0

0

‒ 12.738

‒ 63.690

Versnellen taakstelling vernieuwing rijksdienst en slagvaardige overheid

95

0

0

‒ 12.942

‒ 12.532

0

0

0

Totaal

 

0

‒ 28.623

‒ 47.134

‒ 80.846

‒ 115.933

‒ 128.671

‒ 175.592

Tabel 5 Saldo intensiveringen en extensiveringen kabinet-Jetten (bedragen x € 1.000)
 

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Structureel

Totaal intensiveringen

310.000

668.211

1.155.618

1.203.468

1.256.784

1.271.486

1.291.950

Totaal extensiveringen

0

‒ 28.623

‒ 47.134

‒ 80.846

‒ 115.933

‒ 128.671

‒ 175.592

Saldo

310.000

639.588

1.108.484

1.122.622

1.140.851

1.142.815

1.116.358

Tabel 6 Intensiveringen kabinet-Jetten per artikel (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Structureel

1

Primair onderwijs

310.000

146.098

355.940

355.858

354.459

350.680

350.680

3

Voortgezet onderwijs

0

117.425

231.621

232.168

233.170

236.949

234.599

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

0

25.274

58.032

69.288

76.397

76.397

68.211

6

Hoger onderwijs

0

20.892

32.326

31.709

14.288

13.740

34.000

7

Wetenschappelijk onderwijs

0

87.114

208.589

233.836

223.260

223.640

132.380

8

Internationaal beleid

0

0

0

0

0

0

0

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

0

79.526

88.254

88.254

88.254

88.254

88.254

11

Studiefinanciering

0

50

5.238

15.113

24.738

44.488

108.675

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

0

0

0

0

0

0

0

13

Lesgelden

0

0

0

0

0

0

0

14

Cultuur

0

0

0

0

0

0

0

15

Media

0

49.375

49.375

49.375

49.375

49.375

49.375

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

0

135.473

111.721

108.189

162.345

148.140

187.433

25

Emancipatie

0

0

0

0

0

0

0

91

Nog Onverdeeld

0

0

0

0

0

0

0

95

Apparaat Kerndepartement

0

6.984

14.522

19.678

30.498

39.823

38.343

 

Overig (nader te verdelen over de artikelen)

0

0

0

0

0

0

0

 

Totaal

310.000

668.211

1.155.618

1.203.468

1.256.784

1.271.486

1.291.950

Tabel 7 Extensiveringen kabinet-Jetten per artikel (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Structureel

1

Primair onderwijs

0

‒ 8.132

‒ 7.687

‒ 6.737

‒ 6.737

‒ 7.237

‒ 7.237

3

Voortgezet onderwijs

0

‒ 32

‒ 87

‒ 1.037

‒ 1.037

‒ 1.537

‒ 1.537

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

0

‒ 6.438

‒ 4.828

‒ 4.828

‒ 4.828

‒ 3.828

‒ 3.828

6

Hoger onderwijs

0

0

0

0

0

0

0

7

Wetenschappelijk onderwijs

0

‒ 2.599

‒ 2.599

‒ 2.011

‒ 2.011

‒ 1.500

‒ 1.500

8

Internationaal beleid

0

‒ 10

‒ 10

‒ 10

‒ 10

‒ 10

‒ 10

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

0

0

‒ 2.000

‒ 2.000

‒ 2.000

‒ 2.000

‒ 2.000

11

Studiefinanciering

0

0

0

0

0

0

0

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

0

0

0

0

0

0

0

13

Lesgelden

0

0

0

0

0

0

0

14

Cultuur

0

‒ 524

‒ 524

‒ 524

‒ 524

‒ 524

‒ 524

15

Media

0

‒ 443

‒ 443

‒ 443

‒ 443

‒ 443

‒ 443

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

0

‒ 664

‒ 664

‒ 1.252

‒ 1.252

‒ 1.763

‒ 1.763

25

Emancipatie

0

‒ 8

‒ 8

‒ 8

‒ 8

‒ 8

‒ 8

91

Nog Onverdeeld

0

0

0

0

0

0

0

95

Apparaat Kerndepartement

0

‒ 5.743

‒ 24.253

‒ 57.965

‒ 93.052

‒ 105.790

‒ 156.742

 

Overig (nader te verdelen over de artikelen)

0

‒ 4.030

‒ 4.031

‒ 4.031

‒ 4.031

‒ 4.031

0

 

Totaal

0

‒ 28.623

‒ 47.134

‒ 80.846

‒ 115.933

‒ 128.671

‒ 175.592

Tabel 8 Saldo intensiveringen en extensiveringen kabinet-Jetten per artikel (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Structureel

1

Primair onderwijs

310.000

137.966

348.253

349.121

347.722

343.443

343.443

3

Voortgezet onderwijs

0

117.393

231.534

231.131

232.133

235.412

233.062

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

0

18.836

53.204

64.460

71.569

72.569

64.383

6

Hoger onderwijs

0

20.892

32.326

31.709

14.288

13.740

34.000

7

Wetenschappelijk onderwijs

0

84.515

205.990

231.825

221.249

222.140

130.880

8

Internationaal beleid

0

‒ 10

‒ 10

‒ 10

‒ 10

‒ 10

‒ 10

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

0

79.526

86.254

86.254

86.254

86.254

86.254

11

Studiefinanciering

0

50

5.238

15.113

24.738

44.488

108.675

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

0

0

0

0

0

0

0

13

Lesgelden

0

0

0

0

0

0

0

14

Cultuur

0

‒ 524

‒ 524

‒ 524

‒ 524

‒ 524

‒ 524

15

Media

0

48.932

48.932

48.932

48.932

48.932

48.932

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

0

134.809

111.057

106.937

161.093

146.377

185.670

25

Emancipatie

0

‒ 8

‒ 8

‒ 8

‒ 8

‒ 8

‒ 8

91

Nog Onverdeeld

0

0

0

0

0

0

0

95

Apparaat Kerndepartement

0

1.241

‒ 9.731

‒ 38.287

‒ 62.554

‒ 65.967

‒ 118.399

 

Overig (nader te verdelen over de artikelen)

0

‒ 4.030

‒ 4.031

‒ 4.031

‒ 4.031

‒ 4.031

0

 

Totaal

310.000

639.588

1.108.484

1.122.622

1.140.851

1.142.815

1.116.358

Overzichten intensiveringen en extensiveringen

Sinds de start van het kabinet-Jetten zijn, conform het coalitieakkoord, diverse noodzakelijke intensiveringen en extensiveringen doorgevoerd. In tabel 3 en 4 worden deze generale intensiveringen en extensiveringen op de OCW-begroting weergegeven.Tabel 5 toont het saldo van deze mutaties. Tot slot geven de tabellen 6, 7 en 8 een uitsplitsing van de intensiveringen en extensiveringen per begrotingsartikel.

Intensiveringen kabinet-Jetten

Hieronder volgt een toelichting op alle intensiveringen tijdens het kabinet-Jetten.

Rechtszaak bekostiging primair onderwijs

Op 25 maart 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in het hoger beroep van de rechtszaak bekostiging primair onderwijs. De Afdeling heeft geoordeeld dat de 222 schoolbesturen die hebben geprocedeerd een nabetaling moeten ontvangen. De totale kosten van de nabetaling zijn € 310,0 miljoen in 2026. Dit wordt gedekt uit de middelen uit het coalitieakkoord voor professionalisering van onderwijspersoneel op teamniveau en de investering in bepaalde randvoorwaarden en aanvullende maatregelen voor het funderende onderwijs, zoals gemeld in de beleidsbrief OCW .

Randvoorwaarden onderwijs en professionalisering onderwijspersoneel op teamniveau

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2027 structureel wordt geïnvesteerd in de professionalisering van onderwijspersoneel op teamniveau. In 2027 is hier onder andere voor het primair onderwijs € 3,7 miljoen en voor het voortgezet onderwijs € 2,3 miljoen voor beschikbaar. Vanaf 2028 is € 206,1 miljoen per jaar voor het primair onderwijs en € 119,1 miljoen beschikbaar voor het voortgezet onderwijs oplopend naar € 122,9 miljoen structureel. De doelstelling van deze investering is de blijvende professionalisering van onderwijspersoneel in teamverband.

Zoals ook in de beleidsbrief OCW is toegelicht, wordt er ook geïnvesteerd in randvoorwaarden en aanvullende maatregelen voor het funderend onderwijs. Voor primair onderwijs gaat het om de investering van structureel € 7,0 miljoen vanaf 2028 in het flexibel omgaan met uitval in onderwijs (als onderdeel van het wetsvoorstel maatwerk). Daarnaast is in het kader van één van die investeringen in 2027 € 10,7 miljoen beschikbaar voor de ontwikkeling van een publieke AI-voorziening voor het funderend onderwijs. De doelstelling van deze investering is een veilige en beheersbare AI-omgeving, waarin scholen AI kunnen gebruiken. Deze voorziening maakt het mogelijk dat het funderend onderwijs zelf regie houdt over welke AI wordt ingezet en onder welke voorwaarden. De benodigde middelen worden verstrekt aan Kennisnet.

Zij-instroom aantrekkelijker maken

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat voor 2027 structureel € 79,3 miljoen wordt geïnvesteerd in het aantrekkelijker maken van zij-instroom. Vanaf 2028 is er € 88,1 miljoen structureel beschikbaar. De doelstelling van deze investering is het steunen van onderwijsinstellingen in het po, vo en mbo bij het binnenhalen en begeleiden van zij-instromers.

Terugdraaien bezuiniging Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2027 structureel de bezuiniging van 10% door het kabinet-Schoof (€ 60,0 miljoen) op de spukvoor het Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) structureel wordt teruggedraaid. De doelstelling van GOAB is het bevorderen van kansengelijkheid en het voorkomen en bestrijden van achterstanden bij kinderen met een risico op een achterstand.

Terugdraaien bezuiniging school en omgeving

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2027 structureel € 120,6 miljoen wordt geïnvesteerd in de regeling School en omgeving (S&O). Met de nota van wijziging op de eerste suppletoire begroting (Kamerstukken II 2025/26, 36915, nr. 5) zijn de middelen voor de subsidie S&O structureel verwerkt in de OCW-begroting. Voor artikel 1 (Primair onderwijs) gaat dit om structureel € 74,7 miljoen per jaar. In 2027 is er voor dit programma in totaal € 240,6 miljoen beschikbaar op artikel 1. Voor artikel 3 voortgezet onderwijs gaat dit om structureel € 45,9 miljoen per jaar. In 2027 is er voor dit programma in totaal € 158,9 miljoen beschikbaar op artikel 3. De doelstelling van deze investering is het bieden van extra leer- en ontwikkeltijd aan leerlingen die dat het hardste nodig hebben.

Hervorming subsidie brede brugklassen

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2027 structureel € 57,5 miljoen wordt geïnvesteerd in de hervorming van de subsidie Brede brugklassen. Met de nota van Wijziging op de eerste suppletoire begroting (Kamerstukken II 2025/26, 36915, nr. 5) zijn de middelen voor brede brugklassen structureel verwerkt in de OCW-begroting. De doelstelling van deze investering is dat een goede regionale mix aan brede brugklassen en onderwijs in één richting wordt gecreëerd.

Beter en regelmatig inspectietoezicht

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2028 in het coalitieakkoord geïnvesteerd wordt in inspectietoezicht op onderwijsinstellingen. Effectief toezicht is essentieel om de kwaliteit van het onderwijs te kunnen borgen. De investering is € 4,9 miljoen in 2028, oplopend tot structureel € 29,6 miljoen vanaf 2031. Het coalitieakkoord spreekt de ambitie uit om de inspectie minimaal iedere vier jaar alle scholen te laten bezoeken. De doelstelling van deze investering is om de kwaliteit van het onderwijs kwalitatief te borgen via effectief toezicht.

Gerichte Talentstrategie / Taakstellende intensivering hbo en wo

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat universiteiten en hogescholen meer mogelijkheden krijgen om gericht internationaal toptalent aan te trekken en te behouden voor sectoren waar de maatschappelijke opgaven het meest urgent zijn en waarmee kennis- en innovatie ecosystemen in de regio behouden blijven. Ruimte voor meer internationaal talent in specifieke sectoren betekent tegelijkertijd dat in andere sectoren het aantal anderstalige opleidingsplaatsen zal worden begrensd. Een deel van de middelen uit het coalitieakkoord, dat bij Miljoenennota 2027 wordt overgeboekt, wordt ingezet om de resterende bezuinigingsopgave op internationale studenten van het vorige kabinet terug te draaien. De investering is € 24,9 miljoen in 2027, € 43,9 miljoen in 2028, € 42,5 miljoen in 2029 en € 0,5 miljoen in 2030.

Onderzoek en Wetenschap

-  Infrastructuur: onderzoeksinfrastructuur

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2027 € 31,0 miljoen wordt geïnvesteerd in onderzoeksinfrastructuur, oplopend tot € 54 miljoen structureel. Hiermee wordt een bezuiniging van kabinet Schoof teruggedraaid en worden tijdelijke middelen structureel gemaakt. Deze middelen worden besteed voor onderzoeksinfrastructuur via NWO, zoals digitale onderzoeksinfrastructuur, het onderhouden van een lidmaatschappenportfolio en de exploitatie van het Einstein Telescope Low Frequency Center (ET-LFC). Verder betalen we uit de middelen het toekomstige lidmaatschap van de Einstein Telescope en het lidmaatschap van de Square Kilometre Array Observatory (SKAO), de grootste radiotelescoop ter wereld. De doelstelling van deze investering is dat onderzoekers kunnen beschikken over onderzoeksinfrastructuren om hun onderzoek te kunnen doen.

-  Infrastructuur: toegepaste onderzoeksfaciliteiten

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2027 wordt geïnvesteerd in onderzoeksinfrastructuur, oplopend tot € 30,0 miljoen structureel. De middelen voor de toegepaste onderzoeksfaciliteiten zijn overgeboekt naar het Ministerie van EZK. Hiermee wordt het budget voor de tijdelijke regeling Faciliteiten Toegepast Onderzoek (FTO) structureel gemaakt. De doelstelling van deze investering is dat er hoogwaardige en toekomstbestendige faciliteiten voor toegepast onderzoek komen die van belang zijn voor het ontwikkelen van innovatieve producten en diensten.

-  Infrastructuur: nationale supercomputer en Einstein Telescope R&D-centrum

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat tussen 2027 en 2031 wordt geïnvesteerd in een nationale supercomputer (€ 185,0 miljoen) en een Einstein Telescope R&D-centrum (€ 25,0 miljoen). Met incidentele middelen uit het coalitieakkoord Jetten wordt geïnvesteerd in de vervanging van de nationale supercomputer Snellius en de bouw van het Einstein Telescope Low Frequency Center (ET-LFC). De huidige nationale supercomputer Snellius is dringend aan vervanging toe. Met NWO en SURF is de afspraak gemaakt dat zij voldoende middelen opzij gaan zetten voor de latere opvolgers. Het ET-LFC is een unieke faciliteit die speciaal wordt ingericht om innovatieve technologieën die nodig zijn om de ET te ontwikkelen en te testen. De doelstelling van deze investering is om voor Nederland voldoende super-computingcapaciteit te waarborgen en om onderzoek te doen naar de technologieën voor de ET.

-  Praktijkgericht onderzoek: hbo

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2027 € 10,0 miljoen wordt geïnvesteerd in praktijkgericht onderzoek aan hogescholen, oplopend tot € 68,0 miljoen structureel. Hiermee worden de tijdelijke middelen voor praktijkgericht onderzoek opgehoogd en structureel gemaakt. Deze middelen lopen deels via de bekostiging van hogescholen, de eerste geldstroom en deels via regieorgaan SIA van NWO, de tweede geldstroom. De doelstelling van deze investering is dat de aansluiting van onderwijs op de beroepspraktijk, het bevorderen van innovatie en de bijdrage aan het Nederlandse kennisecosysteem verbetert.

-  Praktijkgericht onderzoek: mbo

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2028 € 13,0 miljoen wordt geïnvesteerd in mbo-onderzoek, oplopend tot € 17,0 miljoen structureel. Praktijkgericht onderzoek is van grote meerwaarde voor zowel studenten, docenten als de regionale economie. Maar praktijkgericht onderzoek is in het mbo nog niet voldoende structureel verankerd. De doelstelling van deze investering is om de opgebouwde basis van practoraten en praktijkgericht onderzoek voort te zetten en uit te bouwen. Hierbij wordt uitgekeken naar het advies van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) dat volgt in het najaar van 2026.

-  Europese samenwerking: Europese partnerschappen

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2029 € 15,0 miljoen wordt geïnvesteerd in Europese partnerschappen, oplopend tot € 47,0 miljoen structureel vanaf 2030. De middelen voor Europese partnerschappen lopen via zowel de begroting van het Ministerie van OCW (€ 13,0 miljoen structureel vanaf 2030) als het Ministerie van EZK (€ 34,0 miljoen structureel vanaf 2030). De huidige middelen zijn tijdelijk en worden structureel gemaakt. Bij Europese partnerschappen worden nationale en Europese middelen gecombineerd. De doelstelling van deze investering is om met publieke en private partijen samen te werken aan belangrijke thema’s, zoals klimaatverandering, toegang tot schoon water, gezondheid en het ontwikkelen van supercomputers.

-  Europese samenwerking: matching Horizon Europe

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat er vanaf 2030 structureel € 80,0 miljoen wordt geïnvesteerd in matching Horizon Europe. Het budget voor de huidige matchingsregeling Horizon Europe is tijdelijk. Met een investering uit het coalitieakkoord Jetten maken we dit budget structureel. Instellingen ontvangen op basis van de matchingsregeling een financiële bijdrage die hen in staat stelt om deel te nemen aan projecten in Horizon Europe. Door deze subsidieregeling wordt de toegang van Nederlandse onderzoekers tot Horizon Europe bevorderd. De doelstelling van deze investering is dat we de succesvolle deelname van Nederland aan Horizon Europe behouden en verbeteren.

-  Sectorplannen wo

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat er vanaf 2028 € 107,0 miljoen wordt geïnvesteerd in sectorplannen, oplopend tot € 132,4 miljoen structureel. Hiermee wordt een nieuwe ronde sectorplannen georganiseerd. Deze extra capaciteit maakt het mogelijk om onderzoek beter te organiseren. Het gaat daarbij om fundamenteel onderzoek in de domeinen die dit kabinet als cruciaal ziet voor onze toekomstige welvaart en waarin het kabinet de publieke en private R&D-investeringen wil stimuleren. Die domeinen zijn digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie. De doelstelling van deze investering is dat universiteiten meer samenwerken en profileren.

-  Veiligheid en weerbaarheid

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat er tussen 2027 en 2031 € 80,0 miljoen wordt geïnvesteerd in kennisveiligheid en cyberweerbaarheid. De middelen worden via de Rijksbijdrage beschikbaar gesteld aan de universiteiten, hogescholen, umc’s en de instituten van KNAW en NWO. De doelstelling van deze investering is om instellingen te helpen om werk te maken van fysieke en digitale maatregelen ter bescherming van kennisontwikkeling en internationale samenwerking.

-  Terugdraaien NWO en werkdrukmiddelen

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat er tussen 2027 en 2031 € 50,0 miljoen wordt geïnvesteerd in de reguliere bekostiging van NWO en € 378,0 miljoen in de bekostiging van universiteiten ten behoeve van het terugdringen van de hoge werkdruk bij universiteiten. Een groot deel van het onderwijzend en wetenschappelijk personeel van Nederlandse universiteiten heeft last van werkdruk, zo constateerde de Nederlandse arbeidsinspectie. De doelstelling van deze investering is om bezuinigingen van kabinet-Schoof terug te draaien en zo te zorgen voor rust en stabiliteit in het stelsel.

Verhogen basisbeurs uitwonende studenten met € 50

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat structureel wordt geïnvesteerd in het verbeteren van de financiële positie van studenten. Voor deze maatregel is structureel € 108,6 miljoen gereserveerd in een oplopende reeks vanaf 2028 (€ 4,9 miljoen), die start vanaf studiejaar 2028-2029. De doelstelling van deze investering is een verhoging van de basisbeurs voor uitwonende studenten van € 50.

Regionale innovatie en publiek-private samenwerking in het mbo en mkb

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat structureel wordt geïnvesteerd in regionale innovatie en de kracht van publiek-private samenwerking. Het gaat om € 14,4 miljoen in 2027, oplopend tot structureel € 28,2 miljoen vanaf 2030. De doelstelling van deze investering is om de aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt te verbeteren. Het kabinet zet het Regionaal Investeringsfonds voort en bouwt dit uit.

Herinvesteren spuk-korting Educatie

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2027 de korting van 10% (€ 8,8 miljoen) door het kabinet-Schoof op de spuk Educatie structureel wordt teruggedraaid. Met de nota van wijziging op de eerste suppletoire begroting (Kamerstukken II 2025/26, 36915, nr. 5) zijn de middelen voor de spuk educatie structureel verwerkt in de OCW-begroting. De doelstelling van deze spuk is om gemeenten een cursusaanbod gericht op basisvaardigheden mogelijk kunnen maken.

Herinvesteren spuk-korting VSV/RMC

Bij de herziening van de mbo-bekostiging zijn herverdeeleffecten ontstaan tussen mbo-instellingen. Om een deel van de negatieve herverdeeleffecten te compenseren wordt er vanaf 2029 structureel € 12,2 miljoen beschikbaar gesteld. Deze middelen komen uit het coalitieakkoord Jetten voor herinvesteren spuk-korting VSV/RMC (regionaal programma). Met een kasschuif wordt de € 12,2 miljoen uit 2027 en 2028, in 2030 en 2031 gebruikt voor de overgangsbekostiging. De doelstelling van deze investering is toegankelijk mbo-onderwijs in heel Nederland.

Versterking van persveiligheid en journalistieke vrijheid

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2027 structureel € 1,0 miljoen wordt geïnvesteerd in de versterking van persveiligheid en journalistieke vrijheid. Voorwaarden voor een goed werkende mediasector zijn namelijk journalistieke vrijheid en de veiligheid van journalisten en makers. Zowel internationaal als nationaal staan deze onder druk. De doelstelling van deze investering is het starten van een programma waarmee wordt ingezet op de versterking van journalistieke vrijheid, persveiligheid en de trajecten die worden gestart in navolging van het WRR-rapport «»Aandacht voor media. Naar nieuwe waarborgen voor hun democratische functies«».

Terugdraaien verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat de eerdere bezuiniging op de rijksmediabijdrage van de landelijke publieke omroep deels wordt teruggedraaid met structureel € 45,0 miljoen vanaf 2027. Voor een sterk en weerbaar land zijn toegankelijke, betrouwbare en vrije media essentieel.

Lokale omroepen

In de beleidsbrief OCW is aangekondigd dat vanaf 2027 structureel € 3,4 miljoen wordt geïnvesteerd in de lokale omroepen. Het wetsvoorstel waarmee het stelsel van lokale omroepen wordt herzien is op 2 juli 2026 aangenomen door de Tweede Kamer en ligt nu voor ter behandeling in de Eerste Kamer. Het streven is het nieuwe stelsel per 1 januari 2028 van start te laten gaan. Deze investering komt bovenop de reeds beschikbare € 31,0 miljoen en draagt bij aan de doelstelling van het wetsvoorstel om de positie van de lokale publieke omroepen te versterken.

DUO/RVO/NWO/DUSI/Toezicht/Monitoring/Evaluatie/Capaciteit

Bij het uitvoeren van de maatregelen uit het coalitieakkoord zijn er kosten voor de uitvoering door onder andere DUO, RVO en NWO. Daarnaast is er geld gereserveerd voor toezicht, monitoring en evaluatie en capaciteit bij het kerndepartement om de ambities uit dit coalitieakkoord te realiseren.

Extensiveringen kabinet-Jetten

Hieronder volgt een toelichting op alle extensiveringen tijdens het kabinet-Jetten.

Efficiencytaakstelling & Vernieuwing Rijksdienst / slagvaardige overheid

In de eerste suppletoire begroting 2026 zijn de generieke taakstellingen uit het coalitieakkoord verwerkt. Dit geldt voor de efficiencytaakstelling (€ 25,4 miljoen structureel vanaf 2030), vernieuwing van de rijksdienst/slagvaardige overheid (€ 67,7 miljoen structureel vanaf 2030) en de subsidietaakstelling (€ 18,9 miljoen structureel vanaf 2027).

Subsidietaakstelling

In het coalitieakkoord is besloten tot een rijksbrede taakstelling op subsidies van structureel € 189,0 miljoen vanaf 2027. Voor het Ministerie van OCW bedraagt het aandeel in de subsidietaakstelling structureel € 18,9 miljoen vanaf 2027. De invulling en concrete verwerking van de subsidietaakstelling is door OCW verwerkt in de eerste suppletoire begroting 2026.

Reservering dekking middelen t.b.v. EU-voorzitterschap

Dit betreft de rijksbrede dekkingsopgave voor het EU-voorzitterschap. De middelen worden overgeboekt naar het Ministerie van JenV (€ 1,2 miljoen) en het Ministerie van BZ (€ 2,8 miljoen). De benodigde dekkingsopgave wordt tijdelijk ingevuld op artikel 1 en bij Voorjaarsnota 2027 binnen de OCW-begroting herverdeeld.

Aanvullende taakstelling Rijk

De efficiencytaakstelling op de Rijksoverheid uit het coalitieakkoord (maatregel 61) loopt op tot en met 2030. In aanvulling daarop wordt vanaf 2031 een aanvullende taakstelling opgelegd van € 200,0 miljoen oplopend tot € 1,0 miljard per jaar. De verdeling is conform het coalitieakkoord. Voor OCW betekent dit een ombuiging van € 12,7 miljoen in 2031 oplopend tot structureel € 63,7 miljoen vanaf 2035.

Versnellen taakstelling vernieuwing rijksdienst en slagvaardige overheid

In het coalitieakkoord is afgesproken dat een taakstelling wordt doorgevoerd in het kader van de vernieuwing van de rijksdienst en een slagvaardige overheid. Deze taakstelling wordt versneld ingevoerd. Voor OCW betekent dit een ombuiging van € 12,9 miljoen in 2028 en € 12,5 miljoen in 2029.

Tabel 9 Overzicht Slagvaardige Overheid (bedragen x € 1.000)
 

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Apparaatstaakstellingen coalitieakkoord

0

‒ 5.743

‒ 11.311

‒ 45.433

‒ 93.052

‒ 93.052

Efficiencytaakstelling

0

‒ 5.743

‒ 11.311

‒ 18.258

‒ 25.400

‒ 25.400

Vernieuwing Rijksdienst / slagvaardige overheid

0

0

0

‒ 27.175

‒ 67.652

‒ 67.652

Efficiencytaakstelling & Vernieuwing Rijksdienst / slagvaardige overheid

Het kabinet streeft naar een slagvaardige overheid die duidelijk kiest, samenwerkt en levert. Hiertoe zet het kabinet onder andere in op een rijksbrede apparaatstaakstelling. Voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gaat dit uitgaande van de maatregelen uit het coalitieakkoord om een bedrag dat structureel oploopt tot € 93,1 miljoen. Dit draagt bij aan een fundamenteel efficiëntere en effectievere overheid, met veel minder (complexe) wet- en regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat.

In de geest van een slagvaardige overheid worden de taakstellingen interdepartementaal en vanuit de inhoudelijke opgaven bezien, waardoor in dit stadium nog niet is aan te geven op welke onderdelen OCW verder zal krimpen of anderszins bezuinigen. Deze keuzes worden in eerste instantie eind 2026 in samenhang gemaakt en meegenomen in de besluitvorming rond de Voorjaarsnota 2027.

2.3 Openbaarheidsparagraaf

Deze paragraaf bevat de beschrijving van de uitvoering van de Wet open overheid (Woo) en een transparante overheid binnen het Ministerie van OCW. Het Ministerie van OCW werkt aan bestuurlijke transparantie door de toegang tot overheidsinformatie voor iedereen te vergroten ten behoeve van een goed en democratisch bestuur. Het Ministerie van OCW zet in op een integrale benadering. Openbaarheid en transparantie zijn namelijk niet los te zien van de organisatie, de medewerkers en de processen. Samen met aanpalende onderwerpen, zoals ambtelijk vakmanschap en vermogen en Werk aan Uitvoering (WaU), is dit ondergebracht bij het programma OCW Open. Het programma is ingericht om bij te dragen aan het verstevigen van het vertrouwen van de samenleving in het handelen van de overheid. OCW Open werkt aan een ministerie dat open, in onderling vertrouwen, rechtvaardig en vanuit de inhoudelijke doelen werkt. In lijn met deze doelstelling bevindt het programma OCW Open zich inmiddels in de afrondende fase, waarin de activiteiten worden geborgd in de lijn.

Actieve openbaarmaking

De Woo verplicht het Ministerie van OCW om overheidsinformatie uit eigen beweging openbaar te maken. Er is een resultaatsverplichting voor zeventien wettelijk bepaalde informatiecategorieën en een inspanningsplicht om overige overheidsinformatie openbaar te maken. De inspanningsplicht geldt sinds 1 mei 2022. De resultaatsverplichting treedt gefaseerd in werking, waarbij de eerste tranche informatiecategorieën op 1 november 2024 per koninklijk besluit in werking is getreden. Het bestuursdepartement heeft de benodigde voorbereidingen getroffen, zodat de tweede en daaropvolgende tranches kunnen worden gestart zodra een publicatieplatform beschikbaar is.

In het kader van de inlichtingenplicht op grond van artikel 68 van de Grondwet worden sinds 1 juli 2021, op basis van de beleidslijn Actieve openbaarmaking nota’s, de beslisnota’s bij Kamerbrieven over beleidsvorming en wetgeving actief openbaar gemaakt. Vanaf Prinsjesdag 2022 geldt dat bij alle Kamerbrieven. Hiertoe zijn bestaande processen, rollen en handreikingen binnen het Ministerie van OCW bijgewerkt. Inmiddels loopt deze nieuwe, meer transparante, werkwijze adequaat.

Passieve openbaarmaking

De Woo geeft eenieder het recht om bij een bestuursorgaan een verzoek in te dienen om overheidsinformatie openbaar te maken. De Woo stelt regels over de afhandeling daarvan. Het gaat daarbij onder meer over de inhoud en vorm van de beslissing, de termijn waarbinnen deze moet worden genomen en de wijze van informatieverstrekking. Binnen het OCW-concern zijn in de afgelopen periode zowel (ICT-)technische, organisatorische als personele maatregelen doorgevoerd om de afhandeling van informatieverzoeken te versnellen met behoud van de kwaliteit.

Bij het Ministerie van OCW wordt nog steeds ingezet op het ontwikkelen en verbeteren van zowel het proces als het centrale team, resulterend in gecentraliseerde coördinatie en afhandeling vanuit het kerndepartement. Ook binnen de dienstonderdelen zijn aanpassingen gedaan voor versnelling van het proces. De ambitie is om verzoeken altijd tijdig af te handelen, conform de wettelijke termijn dan wel binnen een met de verzoeker overeengekomen termijn. De uitvoering wordt actief gemonitord; de cijfers over de afhandeling worden al sinds geruime tijd gepubliceerd in de Rapportage Burgervragen van het ministerie en sinds 2023 vindt ook rapportage plaats in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk. Om deze (interne als wel extern gerichte) monitoring verder te vergemakkelijken en efficiënter te laten verlopen, is een dashboard voor intern gebruik ontwikkeld voor de afhandeling van Woo-verzoeken. Het Ministerie van OCW hecht veel waarde aan menselijk contact met verzoekers. Het was al gangbare praktijk binnen het Ministerie van OCW dat er laagdrempelig contact werd gezocht met verzoekers en betrokken derden. Met de komst van de Woo is deze werkpraktijk uitgebreid met de komst van contactpersonen ter beantwoording van vragen over de beschikbaarheid van overheidsinformatie.

Verbetering van de informatiehuishouding

Het op orde brengen van onze informatiehuishouding is noodzakelijk voor het openbaar maken en verstrekken van overheidsinformatie. De informatiehuishouding omvat de opslag, het beheer en de verstrekking van gegevens binnen de organisatie. Door op de juiste wijze gegevens op te slaan en te archiveren kan iedereen (publiek, pers en politiek) goed en volledig worden voorzien van documenten en correspondentie die inzicht geven in ons handelen en onze afwegingen. Hiertoe is een departementaal verbeterplan opgesteld. De beleidsvoornemens hierin zijn ingericht langs de vier actielijnen van het generieke actieplan 'Open op Orde'.

Informatieprofessionals

Het programma OCW Open heeft geïnvesteerd in de structurele versterking van de capaciteit van informatieprofessionals bij de dienstonderdelen van OCW. Zoals het versterken van beleid, architectuur en beheer bij het Centraal Expertisecentrum Informatiehuishouding, informatiehuishouding adviseurs bij dienstonderdelen en het introduceren van i-coördinatoren (coördinatoren op het gebied van informatievoorziening, ICT en digitalisering) bij de directoraten-generaal van het bestuursdepartement, om deze in hun rol als gegevenseigenaar te versterken.

Informatievolume

Onder het programma OCW Open is een aanpak ontwikkeld om grip op de informatie en informatiebeheer bij de tijd te brengen. Daarmee wordt tevens geanticipeerd op de implementatie van de nieuwe Archiefwet. De aanpak is succesvol beproefd in een pilot. Dit betreft een omvangrijke opgave die doorloopt na afronding van het programma OCW Open. De verdere positionering van dit verbetertraject krijgt een plek in het borgingsplan, waarmee het programma en de lijn gezamenlijk zorgdragen voor de structurele effecten voor toekomstige verbeterstappen ten aanzien van de programmadoelstellingen.

Informatiesystemen

Deze actielijn beoogt de informatiesystemen toegankelijker en gebruikersvriendelijker te maken. We zorgen ervoor dat de informatiesystemen die we inzetten ons ondersteunen in plaats van belemmeren, door ze gebruiksvriendelijker te maken en slimme technieken in te zetten. Technische oplossingen voor het veiligstellen en archiveren van berichtenapps, e-mailberichten, sociale media en websites van het Ministerie van OCW, zijn in ontwikkeling.

De informatiesystemen zijn aan continu ontwikkeling onderhevig. Het concernbrede document managementsysteem staat aan de vooravond van een architectuurwijziging waarmee de beheersbaarheid van het platform ook naar de toekomst toe gewaarborgd blijft. Besluitvorming en financiering verloopt via de I-governance.

Bestuur en naleving

In opdracht van de Chief Information Officer OCW (CIO), is door het Centraal Expertisecentrum Informatiehuishouding in nauwe samenwerking met het programma OCW Open en de dienstonderdelen een kwaliteitssysteem ontwikkeld. Dit kwaliteitssysteem maakt onderdeel uit van de wettelijke taak van de CIO (artikel 16. Archiefregeling) in het voorzien van waarborgen en kwaliteitssturing ten aanzien van de informatiehuishouding. Met de overdracht vanuit het Programma OCW Open zijn alle relevante indicatoren vanuit de volwassenheidsmeting geborgd binnen het kwaliteitssysteem. De werking van het kwaliteitssysteem ziet op een periodieke (zelf)evaluatie vanuit de directies en dienstonderdelen, waarmee de CIO aan de bestuursraad rapporteert over de volwassenheid en verbeterstappen agendeert.

2.4 Strategische Evaluatie Agenda

De Strategische Evaluatieagenda (SEA) biedt een overzicht van het lopend en gepland onderzoek binnen het Ministerie van OCW, en is een belangrijk middel om evaluaties strategisch te plannen en goed in te bedden in de beleidscyclus. De SEA is gestructureerd aan de hand van tien strategische, vaak overkoepelende thema’s, die alle OCW-terreinen omvatten:

  • 1. kwaliteit funderend onderwijs;

  • 2. kwaliteit vervolgonderwijs;

  • 3. toegankelijkheid funderend onderwijs;

  • 4. toegankelijkheid vervolgonderwijs;

  • 5. voldoende en goed (onderwijs)personeel;

  • 6. onderzoek en wetenschap;

  • 7. aansluiting op de arbeidsmarkt;

  • 8. versterking van de culturele en creatieve sector;

  • 9. versterking van de mediasector en hervorming landelijke publieke omroep;

  • 10. rijksbrede inzet op emancipatie.

Binnen deze thema’s in de SEA worden strategische evaluaties, Periodieke Rapportages, onderzoeksprogramma’s en (langlopende) monitoringsonderzoeken uitgevoerd. Strategische evaluaties zijn evaluaties van belangrijke beleidsprogramma’s en evaluaties die budgettair of politiek-bestuurlijk van groot belang zijn of grote impact hebben op de ontwikkeling van de OCW-sectoren. Periodieke Rapportages zijn afsluitende synthesestudies waarin elke 4 tot 7 jaar voor ieder thema op de SEA onderzoek wordt gedaan naar de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleidsterrein, op basis van onderliggend evaluatieonderzoek. Periodieke Rapportages leiden tot samenvattende uitspraken over de publieke waarde, maatschappelijke impact, doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, en tot aanbevelingen voor de toekomst.

De inhoud van de SEA wordt elk jaar geactualiseerd op basis van een inventarisatie van lopend en voorgenomen evaluatieonderzoek. In de voorgaande begroting 2026 is de indeling van de SEA-hoofdthema’s herzien en zijn de bovengenoemde thema’s uitgebreid beschreven, in termen van scope en duur, de kennisbehoeften, en hoe de geplande evaluaties bijdragen aan de ambities. Gelijktijdig is ook de rechtstreekse koppeling met de beleidsprioriteiten in de beleidsagenda losgelaten waardoor de huidige SEA-thema’s een meer middellange termijn weergeven, en daardoor meer complementair zijn aan de kortere tijdshorizon van de beleidsprioriteiten. Het Ministerie van OCW kiest daarnaast bewust voor enkele overstijgende thema’s om de verwevenheid van de verschillende sectoren te benadrukken, en dit zo goed mogelijk tot uiting te brengen in gezamenlijke, sector overstijgende evaluaties.

Voor het thema «Rijksbrede inzet op emancipatie» loopt ten tijde van productie van deze begroting een traject voor een nieuwe beleidstheorie en evaluatiestructuur op basis van aanbevelingen van de Periodieke Rapportage 2018-2025. De rapportage concludeert dat het emancipatiebeleid aannemelijk heeft bijgedragen aan maatschappelijke verandering, maar dat het voorwaardenscheppende karakter van emancipatiebeleid vraagt om een breder perspectief op beleidssucces dan alleen de doeltreffendheid en de doelmatigheid in klassieke zin. De nieuwe evaluatiestructuur zal recht moeten doen aan het langdurige voorwaardenscheppend karakter van dit beleidsthema en een breed perspectief op beleidssucces hanteren. Het beleidsthema kent nu de volgende onderzoeksdeelgebieden of subthema’s: «Arbeid» (gelijkheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt), «Sociale Veiligheid» (van vrouwen en lhbtiq+ personen), «Genderdiversiteit en gelijke behandeling» (acceptatie en antidiscriminatie) en «Algemeen» (brede onderzoeken over meerdere subthema’s). Deze indeling zal met een nieuwe evaluatiestructuur mogelijk op termijn worden aangepast.

Ten opzichte van Begroting 2026 is er voor het thema «Onderzoek en wetenschap» aanvullende aandacht voor de impact van de bezuinigingen van het kabinet-Schoof op het behalen van de doelen en de recente investeringen door het kabinet-Jetten. Het kabinet-Jetten draait de bezuinigingen van het kabinet-Schoof op het Fonds Onderzoek en Wetenschap terug, en doet aanvullende investeringen.

Voor de thema's "Kwaliteit funderend onderwijs" en «Kwaliteit vervolgonderwijs» blijft de aandacht zich richten op de vraag hoe de basisvaardigheden van leerlingen en studenten kunnen worden versterkt. In het mbo ligt daarnaast ook een aanvullende nadruk op het versterken van innovatie, onder andere met practoraten en het Regionaal Investeringsfonds. Er ligt hier een behoefte aan inzicht in hoe innovatie het beste gestimuleerd kan worden. Er zijn geen wijzigingen in de thema’s «Toegankelijkheid funderend onderwijs» en «Toegankelijkheid vervolgonderwijs» ten opzichte van de Begroting 2026.

Voor het thema «Voldoende en goed (onderwijs)personeel» is een nieuwe kennisvraag gekomen rondom de mate waarin docenten professionaliseren en evidence-informed werken in het mbo. Het thema «Aansluiting op de arbeidsmarkt» – relevant voor mbo, hbo en wo – geeft aanvullende aandacht aan de keuzes die nodig zijn binnen de Talentstrategie voor prioritaire domeinen, om de toekomstige welvaart van Nederland te behouden. Daarnaast omvat dit thema nu ook het gericht aantrekken van internationaal toptalent voor prioritaire sectoren en het stimuleren van Leven Lang Ontwikkelen (LLO) om bij- en omscholing naar prioritaire sectoren te stimuleren.

Voor het thema «Versterking van de mediasector en hervorming landelijke publieke omroep» is er een aanvullende inzichtbehoefte gekomen rondom het meten van vertrouwen in journalistieke uitingen.

Dit onderdeel wordt afgesloten met een overzicht van de geplande Periodieke Rapportages, waarmee de met het evaluatieonderzoek verkregen inzichten op een beleidsthema uiterlijk in het laatste jaar van de vooraf vastgestelde periode voor het thema worden samengebracht, zoals bepaald in artikel 4 van de Regeling periodiek evaluatieonderzoek (RPE) 2022. Na het schematische overzicht volgt een korte toelichting op de eerstvolgende Periodieke Rapportages. Artikel 8 (Internationaal beleid) heeft geen eigen Periodieke Rapportage, aangezien de taken en het daaraan gekoppelde budget betrekking heeft op diverse beleidsdomeinen van het Ministerie van OCW. Evaluatie vindt plaats verspreid over de verschillende thema’s.

Tabel 10 Planning Strategische Evaluatie Agenda

Thema/Periodieke rapportage

Eerstvolgende Periodieke rapportage

Begrotingsartikelen

  

1

3

4

6

7

8

9

11

12

13

14

15

16

25

Kwaliteit funderend onderwijs

2032

x

x

            

Kwaliteit vervolgonderwijs

2032

  

x

x

x

         

Toegankelijkheid funderend onderwijs

2031

x

x

            

Toegankelijkheid vervolgonderwijs

2031

  

x

x

x

  

x

x

x

    

Voldoende en goed (onderwijs)personeel

2027

x

x

    

x

       

Onderzoek en wetenschap

2027

   

x

x

       

x

 

Aansluiting op de arbeidsmarkt

2028

  

x

x

x

         

Versterking van de culturele en creatieve sector

2032

          

x

   

Versterking van de mediasector en hervorming landelijke publieke omroep

2028

           

x

  

Rijksbrede inzet op Emancipatie

2032

             

x

Periodieke rapportage Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

2028

  

x

           

Periodieke rapportage Hoger Onderwijs

2029

   

x

x

         

In de Periodieke Rapportage «Onderzoek en wetenschap» zal worden gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid in het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving die onderzoekers in staat stelt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften. Ook is er ruimte om te reflecteren op de doelen van het onderzoek- en wetenschapsbeleid, en om eventuele beleidsalternatieven te verkennen. Het thema heeft grotendeels betrekking op artikel 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid) van de begroting. De bekostiging van het onderzoek aan universiteiten en hogescholen valt echter onder artikel 6 en 7 (Hoger onderwijs).

Voor het thema «Voldoende en goed onderwijspersoneel» wordt in 2027 een Periodieke Rapportage uitgevoerd gericht op de doelmatigheid en doeltreffendheid van het onderwijspersoneelsbeleid in het funderend onderwijs. Omdat een brede rapportage voor de sector mbo is gepland in 2028, wordt deze sector niet in deze Periodieke Rapportage opgenomen. In de analyses voor dit traject wordt gebruik gemaakt van onderzoeken die tussen 2021 en 2026 zijn uitgevoerd en een aantal relevante strategische adviezen.

De onderliggende uitwerking van de SEA is te vinden in bijlage 3. Deze bijlage biedt een overzicht van de strategische evaluatieprogrammering per thema en vormt de basis van de SEA.

2.5 Overzicht risicoregelingen

Tabel 11 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande garanties 2025

Geraamd te verlenen 2026

Geraamd te vervallen 2026

Uitstaande garanties 2026

Geraamd te verlenen 2027

Geraamd te vervallen 2027

Uitstaande garanties 2027

Garantie-plafond

Totaal plafond

7

Bouwleningen aan Academische Ziekenhuizen

74.957

0

0

74.957

0

0

74.957

0

176.631

14

Indemniteitsregeling

331.924

288.985

331.924

288.985

0

0

288.985

0

450.000

 

Totaal

406.881

288.985

331.924

363.942

0

0

363.942

0

626.631

Toelichting

Voor de academische ziekenhuizen is de garantieregeling sinds 1991 niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 worden geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

De Indemniteitsregeling heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang of het tentoonstellen van bijzondere bruiklenen in Nederland door het beperken van de verzekeringskosten van musea. De garantstelling van het Rijk voor schade of verlies tot de eerste 30 procent van de verzekerde waarde (indemniteitsgarantie) van kunstwerken, verlaagt de verzekeringskosten van musea. Het risico is ook te verzekeren op de markt, maar de kosten zijn dan hoger, waardoor er minder budget voor tentoonstellingen overblijft. Daarnaast blijkt dat een indemniteitsgarantie ook als internationaal keurmerk fungeert: buitenlandse publieke en private eigenaren van museale objecten hechten aan de garantstelling vanuit het Rijk. Risicobeheersende maatregelen betreffen onder meer dat alleen erkende musea een aanvraag mogen doen op de indemniteitsregeling bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE) deze aanvraag, mede op basis van een risico-inventarisatie en -analyse, toetst.

Tabel 12 Overzicht achterborgstellingen (bedragen x € 1 miljoen)

Art.

Omschrijving

2025

2026

2027

14

Achterborgstelling

411,0

393,0

393,0

Toelichting

Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) verstrekt hypothecaire leningen aan monumenteigenaren van rijksmonumenten om restauraties uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagrentende hypothecaire leningen uit het revolverend fonds en aanvullende financieringen om de gehele restauratieopgave gefinancierd te krijgen. De Achterborgovereenkomst NRF, en de garantie van het Ministerie van OCW, zien alleen toe op de aanvullende financiering. Door deze garantie kan het NRF financiering tegen een lagere rente aantrekken. Deze lagere rente wordt doorgerekend aan de monumenteigenaren zodat deze eigenaren gestimuleerd worden hun monument te restaureren.

Aangezien er een algemeen belang is (gebouwen van nationaal belang) waar een individu lasten van ervaart (hoge onderhoudskosten, beperkte mogelijkheden tot modernisering, dure oplossingen voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen), wordt gebruik gemaakt van ondersteunende maatregelen. Door middel van deze regeling wordt cultureel erfgoed in stand gehouden en wordt tegelijkertijd minder gebruik gemaakt van de subsidie die het NRF ook uitbetaalt.

De NRF Achterborg kan in werking treden en tot daadwerkelijke kasverplichtingen komen, wanneer de eigenaren van rijksmonumenten op grote schaal niet meer in staat zijn aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen en het eigen vermogen van het NRF is uitgeput. Dit eigen vermogen (voornamelijk vanuit revolverend fonds) is momenteel ruim voldoende voor de dekking van de uitstaande leningen onder de NRF Achterborgstelling.

3. Beleidsartikelen

3.1 Artikel 1. Primair onderwijs

Het primair onderwijs (po) zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. De minister zorgt voor kwalitatief, toegankelijk en betaalbaar primair onderwijs. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

De minister is verantwoordelijk voor een stelsel van primair onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren

De minister is verantwoordelijk voor de financiering van het primair onderwijs door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen
Tabel 13 Leerlingen primair onderwijs (aantallen x 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Leerlingen basisonderwijs

1.409,5

1.413,8

1.410,1

1.399,7

1.388,5

1.379,9

1.374,3

Leerlingen trekkende bevolking

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

34,9

33,9

33,0

32,3

31,7

31,4

31,3

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

77,4

77,9

78,1

77,9

77,5

77,0

76,5

Totaal primair onderwijs

1.522,1

1.525,9

1.521,5

1.510,2

1.498,0

1.488,6

1.482,4

Tabel 14 Uitgaven per leerling (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Primair onderwijs

11,1

11,5

11,6

11,7

11,8

11,8

11,8

Bekostiging

10,1

10,7

10,7

10,9

10,9

10,9

10,9

Exclusief ondersteuningsmiddelen

9,4

9,7

9,9

10,0

10,0

10,0

10,0

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van het beleidsartikel 1 beschreven.

De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 1:

Tabel 15 Budgettaire gevolgen van beleid art. 1 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

17.884.016

18.655.789

17.391.590

17.408.784

17.738.921

17.659.000

17.600.821

        

Uitgaven

16.900.289

17.602.148

17.733.472

17.775.466

17.766.691

17.664.739

17.600.821

        

Bekostiging

15.407.019

16.268.814

16.288.918

16.467.919

16.380.418

16.283.540

16.224.291

Bekostiging po-instellingen

15.254.960

16.235.311

15.933.302

16.108.992

16.020.368

15.923.249

15.863.715

Bekostiging Caribisch Nederland

33.266

33.503

37.800

38.102

38.443

38.684

38.969

Aanvullende bekostiging

104.792

0

0

0

0

0

0

Aanpak lerarentekort G5

14.001

0

0

0

0

0

0

Basisvaardigheden

0

0

317.816

320.825

321.607

321.607

321.607

Subsidies (regelingen)

777.282

629.670

699.078

562.987

602.648

588.012

588.127

Onderwijsvoorziening Jonggehandicapten

34.250

36.869

37.080

37.176

37.176

37.176

37.176

Nederlands onderwijs buitenland

12.865

13.878

12.628

12.628

12.628

12.628

12.628

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

18.539

18.049

17.549

17.549

17.549

17.549

17.549

School en omgeving

124.025

167.086

240.604

244.540

284.729

284.729

284.729

Basisvaardigheden

369.796

164.292

131.863

20.969

20.969

21.350

21.350

NGF Open Leermateriaal

2.102

2.138

15.197

11.443

5.991

3.803

0

NGF Digitaal Onderwijs

6.533

4.253

3.060

2.765

2.846

2.896

2.938

Schoolmaaltijden

79.020

81.350

119.047

81.350

82.117

82.117

82.117

Brugfunctionaris PO

41.320

41.909

18.201

44.060

42.467

42.467

42.467

Overige subsidies

88.832

99.846

103.849

90.507

96.176

83.297

87.173

Opdrachten

8.956

15.484

15.047

15.723

16.353

16.235

16.059

Opdrachten

8.391

15.484

14.765

15.447

16.027

15.959

15.959

Opdrachten CN

565

0

0

0

0

0

0

NGF

0

0

282

276

326

276

100

Bijdrage aan agentschappen

48.007

49.233

53.672

54.661

54.689

55.748

55.416

Dienst Uitvoering Onderwijs

48.007

49.233

53.672

54.661

54.689

55.748

55.416

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

10.235

10.940

9.512

10.830

11.542

11.378

11.388

Stichting Vervangingsfonds en Participatiefonds

7.604

7.910

6.482

7.800

8.512

8.348

8.358

UWV

2.631

3.030

3.030

3.030

3.030

3.030

3.030

Bijdrage aan medeoverheden

648.790

628.007

666.696

662.797

700.492

694.333

690.047

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

638.347

602.872

654.750

650.618

689.527

683.368

683.368

Caribisch Nederland

7.443

22.135

7.461

7.694

6.480

6.480

2.194

Scholenprogramma Groningen

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Overig

0

0

1.485

1.485

1.485

1.485

1.485

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

0

549

549

549

15.493

15.493

Brede scholen

0

0

549

549

549

15.493

15.493

        

Ontvangsten

65.017

9.208

9.208

9.208

9.208

9.208

9.208

Tabel 16 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

17.884.016

18.655.789

17.391.590

17.408.784

17.738.921

17.659.000

17.600.821

waarvan garantieverplichtingen

1.266

9.158

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

17.882.750

18.646.631

17.391.590

17.408.784

17.738.921

17.659.000

17.600.821

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit
Tabel 17 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

99,6%

bestuurlijk gebonden

0,1%

beleidsmatig gereserveerd

0,3%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 1 (primair onderwijs) is voor 2027 99,6 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het budget in 2027 is voor 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben onder meer betrekking op de betalingen aan schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het primair onderwijs, de Wet op expertisecentra, de Wet primair onderwijs Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES), onderliggende besluiten en uitvoeringsregelingen. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan, vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het budget in 2027 is voor 91,5 procent juridisch verplicht. Dit verplichte deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar van verstrekking worden vastgelegd. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Het budget in 2027 is voor 25 procent juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget in 2027 is voor 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget in 2027 is voor 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdragen aan het Vervangings- en Participatiefonds en het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan, vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bijdragen betrekking hebben.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget in 2027 is voor 99 procent juridisch verplicht. Het overgrote deel van de middelen wordt beschikbaar gesteld via een specifieke uitkering (spuk) naar gemeenten in het kader van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB).

Bekostiging

Bekostiging instellingen voor primair onderwijs

Het Rijk verstrekt schoolbesturen basisbekostiging om (onderwijs)personeel aan te stellen en overige arbeidsvoorwaarden te vervullen en ten behoeve van de materiële instandhouding van scholen. De basisbekostiging is gebaseerd op het aantal vestigingen en het aantal leerlingen.

Daarnaast wordt via de kleinescholentoeslag rekening gehouden met de grootte van de school. Met de kleinescholentoeslag is € 197,8 miljoen gemoeid. Ook wordt in de bekostiging rekening gehouden met een aantal specifieke kenmerken van leerlingen in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid waar € 554,8 miljoen mee is gemoeid. Voor de aanpak van werkdruk is in kalenderjaar 2027 € 572,7 miljoen beschikbaar.

In de volgende tabel is het verloop van de ondersteuningsmiddelen opgenomen, die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte en zware ondersteuning. Lichte ondersteuning betreft grotendeels middelen die naar de samenwerkingsverbanden primair onderwijs gaan en waar vanuit middelen rechtstreeks naar het speciaal basisonderwijs (sbao) gaan. Bijdragen voor de zware ondersteuning zijn voor de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so), waaronder de clusters 1 en 2. Sinds de invoering van passend onderwijs besluiten de samenwerkingsverbanden (clusters 3 en 4) over de plaatsing van leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so).

Coalitieakkoord kabinet-Jetten

In het coalitieakkoord is opgenomen dat structureel wordt geïnvesteerd in de professionalisering van onderwijspersoneel op teamniveau. In 2027 is hier voor het primair onderwijs € 3,7 miljoen voor beschikbaar. Vanaf 2028 is € 206,1 miljoen per jaar beschikbaar.

Zoals in de beleidsbrief 2026-2030 van het Ministerie van OCW (Kamerstukken II 2025/26, 36800 VIII, nr. 148) is toegelicht, wordt er ook geïnvesteerd in randvoorwaarden en aanvullende maatregelen voor het funderend onderwijs. Voor artikel 1 gaat het om de investering van structureel € 7,0 miljoen vanaf 2028 in het flexibel omgaan met uitval in onderwijs (als onderdeel van het wetsvoorstel maatwerk).

Tabel 18 Ondersteuningsmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Lichte ondersteuning - Samenwerkingsverbanden primair onderwijs

583,7

583,7

583,7

583,7

583,7

583,7

Zware ondersteuning - cluster 1 en 2

411,7

411,7

411,7

411,7

411,7

411,7

Zware ondersteuning - samenwerkingsverbanden primair onderwijs

837,8

837,8

837,8

837,8

837,8

837,8

Zware ondersteuning - samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs

853,2

853,2

853,2

853,2

853,2

853,2

Lichte en zware ondersteuning - Totaal artikel 1

2.686,4

2.686,4

2.686,4

2.686,4

2.686,4

2.686,4

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt bekostiging aan de schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Basisvaardigheden

De inzet via het Masterplan basisvaardigheden heeft de urgentie aangescherpt en scholen geholpen om tot verbeteringen te komen. Dit wordt de komende jaren voortgezet. Tegelijkertijd is er de noodzaak om de aanpak aan te scherpen met de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden. In de komende periode wordt de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden uitgewerkt. Deze zal in het najaar met de Tweede Kamer worden gedeeld.

Vanaf 2027 ontvangen scholen structurele bekostiging voor het verbeteren van basisvaardigheden. In 2027 worden de middelen verstrekt als aanvullende bekostiging. Voor het primair onderwijs is hiervoor € 317,8 miljoen beschikbaar. Beoogd is om vanaf 2028 de middelen te verstrekken in de vorm van gerichte bekostiging, het wetsvoorstel om deze nieuwe vorm van bekostiging mogelijk te maken is reeds naar de Tweede Kamer gestuurd.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van diverse beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie hiervoor het subsidieoverzicht, bijlage 2).

Verbetering basisvaardigheden

Voor 2027 is, naast de eerder genoemde aanvullende bekostiging, in totaal € 131,9 miljoen via het financiële instrument subsidies beschikbaar voor het verbeteren van de basisvaardigheden van leerlingen in het primair onderwijs. Van dit bedrag is € 110,9 miljoen bedoeld voor de laatste betalingen aan scholen vanuit de subsidie Verbetering Basisvaardigheden 2025. Naast de structurele bekostiging blijft € 21,0 miljoen beschikbaar voor een subsidieregeling voor scholen die dit het hardste nodig hebben. Zij ontvangen dan naast de structurele bekostiging ook een subsidie.

School en Omgeving

Elke leerling verdient het om zijn talenten en vaardigheden in de volle breedte te ontwikkelen. Om voor zoveel mogelijk leerlingen een kwalitatief goed programma van activiteiten rond de school te bieden, is er een subsidieregeling waarbij scholen middelen ontvangen voor het opzetten van een buitenschools aanbod. De verwachting is dat deze regeling in 2029 wordt omgezet naar bekostiging.

Hiernaast loopt het programma School en Omgeving ook mee in de brede specifieke uitkering (spuk) Kansrijke Wijk voor de gebieden die zijn aangesloten bij het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. De uitvoering van deze spuk is bij de minister van VRO belegd. De door het Ministerie van OCW beschikbaar gestelde middelen zijn tot en met 2028 overgeboekt naar de begroting van het Ministerie van BZK.

Coalitieakkoord kabinet-JettenIn het coalitieakkoord is opgenomen dat bezuinigingen op het onderwijs teruggedraaid worden. Dat betekent dat vanaf 2027 per jaar € 120,6 miljoen extra aan het programma School en Omgeving besteed kan worden. Via de Nota van Wijziging op de Eerste Suppletoire Begroting (Kamerstukken II 2025/26, 36915 VIII, nr. 5) zijn de middelen voor de subsidie School en Omgeving structureel overgeboekt. Voor artikel 1 gaat dit om structureel € 74,7 miljoen per jaar jaar (en voor artikel 3 is het € 45,9 miljoen per jaar). In 2027 is er voor dit programma in totaal € 240,6 miljoen beschikbaar op artikel 1.

Schoolmaaltijden

Via het programma Schoolmaaltijden worden maaltijden op scholen in het primair en voortgezet onderwijs verstrekt aan de kinderen die dit het hardst nodig hebben, zodat meer leerlingen met een volle maag les kunnen volgen. Het Jeugdeducatiefonds en het Nederlandse Rode Kruis organiseren het programma Schoolmaaltijden in opdracht van het Ministerie van OCW. Hiervoor is in 2027 € 119,0 miljoen beschikbaar op artikel 1. De verwachting is dat deze regeling in 2029 wordt omgezet naar bekostiging.

Brugfunctionaris

Voor het versterken van de verbinding tussen school, kind en gezin en de ondersteuningsstructuur op school zijn middelen beschikbaar gesteld. In 2027 is voor het resterende deel van het kalenderjaar € 18,2 miljoen beschikbaar voor het primair onderwijs. In 2028 is voor het volledige kalenderjaar € 44,1 miljoen beschikbaar. De verwachting is dat deze regeling in 2029 wordt omgezet naar bekostiging.

Nationaal Groeifonds (NGF) Projecten

Het Ministerie van OCW heeft vanuit het Nationaal Groeifonds voor meerdere projecten middelen ontvangen. Op artikel 1 staan middelen voor de projecten Impuls Open Leermateriaal en Digitaal Onderwijs Goed Geregeld. Het programma Impuls Open Leermateriaal heeft als doel de onderwijskwaliteit van het funderend onderwijs te verbeteren door te investeren in goed gebruik van hoogwaardig open leermateriaal. Voor 2027 is op het subsidiebudget van Impuls Open Leermateriaal € 15,4 miljoen beschikbaar.

Voor Digitaal Onderwijs Goed Geregeld heeft Stichting Edu-V een keurmerk ontwikkeld voor eenvoudige, veilige en betrouwbare digitale gegevensuitwisseling in het primair, voortgezet, speciaal en middelbaar beroepsonderwijs in Nederland. Voor dit keurmerk richt Edu-V zich op afspraken rond digitale gegevensuitwisseling tussen scholen en leveranciers zodat leermiddelen voldoen aan belangrijke eisen op het gebied van informatiebeveiliging en privacy. Voor 2027 is hier een subsidiebudget van € 3,1 miljoen voor beschikbaar.

Andere omvangrijke subsidies

Omvangrijke subsidies zijn verder de onderwijsvoorziening jonggehandicapten (€ 37,1 miljoen), de instellingssubsidie Nederlands onderwijs in het buitenland (€ 12,6 miljoen) en de instellingssubsidie voor godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs (€ 17,5 miljoen).

Overige subsidies

Via dit financiële instrument worden onder andere subsidies verstrekt voor onderwijs aan zieke leerlingen (€ 9,7 miljoen), Ondersteuning en preventie thuiszittende jeugdigen (€ 8,7 miljoen), Andere erkende doorstroomtoetsen (€ 8,5 miljoen), Digitale school instrument (€ 6,0 miljoen) en Af- en ombouw gesloten jeugdhulp (€ 6,0 miljoen).

Opdrachten

Dit betreft de middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken, onder andere voor passend onderwijs, versterking medezeggenschap en uitvoeringskosten van subsidieregelingen.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

DUO is een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor artikel 1.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

De stichting Participatiefonds (PF) ontvangt als privaatrechtelijke ZBO middelen voor het beheren en verevenen van respectievelijk de vervangings- en werkloosheidsuitgaven van schoolbesturen in het primair onderwijs. De kosten die het PF vergoedt, worden nagenoeg geheel gedekt uit de premies die schoolbesturen afdragen. Het Ministerie van OCW verstrekt een (vaste) bijdrage in de kosten van het ondersteunende bureau van het fonds.

Het UWV ontvangt middelen voor de uitvoering van de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten.

De bijdragen van artikel 1 (primair onderwijs) en artikel 4 (beroepsonderwijs en volwasseneducatie) voor het College voor Toetsen en Examens worden zoals gebruikelijk bij de Voorjaarsnota naar artikel 3 (voortgezet onderwijs) overgeboekt.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB)

Gemeenten ontvangen middelen voor onderwijsachterstandenbeleid. GOAB bestaat uit meerdere instrumenten, waaronder voor- en voorschoolse educatie (vve), schakelklassen en zomerscholen. Het overgrote deel van het budget bestaat uit middelen voor de spuk GOAB.

Hiernaast loopt het programma Ontwikkeling Jonge Kind ook mee in de brede spuk Kansrijke Wijk. De uitvoering van deze spuk is bij het Ministerie van BZK belegd. De door het Ministerie van OCW beschikbaar gestelde middelen van € 31,0 miljoen per jaar zijn tot en met 2028 overgeboekt naar het Ministerie van BZK.

Coalitieakkoord kabinet-JettenIn het coalitieakkoord is opgenomen dat bezuinigingen op het onderwijs teruggedraaid worden. Dat betekent voor GOAB dat per 2027 het budget met € 60,0 miljoen per jaar verhoogd wordt.

Caribisch Nederland

Naast de GOAB-middelen voor gemeenten bevat dit financiële instrument middelen die worden ingezet voor het OCW-beleid in Caribisch Nederland. Dat behelst onder meer middelen voor het verder verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs in Caribisch Nederland tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Een groot gedeelte van het budget is incidenteel en is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. In 2027 gaat het in totaal om een bedrag van circa € 7,5 miljoen.

Scholenprogramma Groningen

Voor het scholenprogramma Groningen is er tot en met 2034 vanuit het Ministerie van OCW jaarlijks een bedrag van € 3,0 miljoen beschikbaar om 101 scholen aardbevings- en toekomstbestendig te maken.

Overig

Op de post overig is in 2027 € 1,5 miljoen beschikbaar naar aanleiding van het aangenomen amendement Van der Molen c.s. (Kamerstukken II 2022/23, 36200 VIII, nr. 60) ter ondersteuning van leraren Friese taal in het primair en voortgezet onderwijs.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Brede scholen

Er is voor de periode 2027-2029 circa € 14,9 miljoen per jaar overgeboekt naar het Ministerie van VWS ten behoeve van de Brede impuls combinatie-functies via een specifieke uitkering. Het doel van deze impuls is om onder andere sport-, beweeg- en cultuuronderwijs op en rond scholen te versterken.

3.2 Artikel 3. Voortgezet onderwijs

Het voortgezet onderwijs (vo) zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontdekken, ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

De minister is verantwoordelijk voor een stelsel van voortgezet onderwijs dat zodanig functioneert, dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren

De minister is verantwoordelijk voor de financiering van het voortgezet onderwijs door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen
Tabel 19 Leerlingen voortgezet onderwijs1
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

1

Totaal aantal ingeschreven leerlingen (aantallen x 1.000). Nader te verdelen in:

919,8

911,0

900,1

893,9

888,8

883,7

879,2

 

Vmbo/ havo/ vwo leerjaar 1-2

352,6

351,3

350,8

350,6

350,4

346,8

343,9

 

Vmbo leerjaar 3-4

193,3

190,6

185,6

183,9

183,4

183,3

182,8

 

Havo/vwo leerjaar 3

90,3

87,7

86,6

87,4

86,4

87,1

86,5

 

Havo/vwo vanaf leerjaar 4

220,3

219,1

216,3

212,6

210,9

209,9

210,1

 

Pro alle jaren

30,1

30,4

30,3

29,9

29,3

28,8

28,3

 

Internationale Schakelklassen alle jaren

23,6

22,3

21,1

20,0

19,2

18,6

18,4

 

Vavo vo

6,0

5,9

5,8

5,8

5,7

5,6

5,6

 

Vavo isk

0,6

0,6

0,6

0,5

0,5

0,5

0,5

2

Totaal aantal scholen

642

645

645

645

645

645

645

3

Gemiddeld aantal leerlingen per school

1.433

1.412

1.395

1.386

1.378

1.370

1.363

1

Bron: Referentieraming 2024

Tabel 20 Uitgaven per leerling (bedragen x € 1. 000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Voortgezet onderwijs

13,2

13,7

14,0

14,0

13,9

13,9

14,0

Bekostiging

12,4

12,9

13,2

13,3

13,3

13,3

13,4

Exclusief ondersteuningsmiddelen

11,5

11,9

12,2

12,3

12,3

12,3

12,3

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van voortgezet onderwijs beschreven.

De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 3:

Tabel 21 Budgettaire gevolgen van beleid art. 3 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

13.340.899

13.048.116

12.389.586

12.318.781

12.510.636

12.459.602

12.452.633

        

Uitgaven

12.330.472

12.616.684

12.754.842

12.684.844

12.534.302

12.470.782

12.452.518

        

Bekostiging

11.445.553

11.744.576

11.885.898

11.906.688

11.840.379

11.778.870

11.768.698

Bekostiging vo-instellingen

11.334.777

11.705.677

11.666.546

11.684.910

11.618.726

11.557.688

11.547.263

Bekosting Caribisch Nederland

27.513

27.125

28.971

29.593

29.001

28.530

28.783

Aanvullende regeling strategisch personeelsbeleid, begeleiding starters en thuiszitters

79.012

11.774

0

0

0

0

0

Aanvullende regelingen leerlingendaling

4.251

0

0

0

0

0

0

Basisvaardigheden

0

0

190.381

192.185

192.652

192.652

192.652

Subsidies (regelingen)

714.469

670.493

656.925

566.219

487.756

481.722

476.733

Stichting Kennisnet (basissubsidie) po, vo, mbo

26.474

30.971

27.376

24.011

29.865

29.098

25.385

Praktijkgerichte programma's

14.626

11.070

13.534

43

0

0

0

Basisvaardigheden

235.289

87.314

72.244

13.276

13.276

13.650

13.650

Maatschappelijke diensttijd

130.479

164.887

124.206

120.800

117.661

121.672

124.200

School en omgeving

69.803

111.771

158.868

156.686

178.750

178.750

178.750

NGF Ontwikkelkracht

17.767

26.828

33.921

25.138

0

0

0

Schoolmaaltijden

50.521

52.650

34.017

52.650

52.650

52.650

52.650

Brugfunctionaris VO

11.520

11.520

7.798

18.720

12.163

12.163

12.163

NGF Techkwadraat

42.733

48.971

48.280

0

0

0

0

NGF Innovatieve onderwijs huisvesting

6.270

24.326

24.268

63.339

0

0

0

Overige subsidies

108.987

100.185

112.413

91.556

83.391

73.739

69.935

Opdrachten

9.685

28.830

45.365

47.094

41.512

42.431

38.420

Opdrachten

7.191

25.686

32.328

31.047

34.973

39.903

38.420

MDT opdrachten

2.494

3.144

2.508

5.525

6.539

2.528

0

NGF

0

0

10.529

10.522

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

87.786

91.589

87.616

89.108

89.116

90.880

90.305

Dienst Uitvoering Onderwijs

87.786

91.589

87.616

89.108

89.116

90.880

90.305

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

72.659

80.838

78.680

75.377

75.181

76.521

78.004

College voor Toetsen en Examens

17.130

21.560

5.231

5.231

5.104

5.104

5.104

SLOA: Onderwijs ondersteunende instellingen

55.529

59.278

61.858

61.368

61.598

62.081

62.081

NWO: NKO-programma FO

0

0

11.591

8.778

8.479

9.336

10.819

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

320

358

358

358

358

358

358

GRAZ (ECML) en PISA

320

358

358

358

358

358

358

        

Ontvangsten

13.857

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

Tabel 22 Uitsplitsing verplichtingen
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

13.340.899

13.048.116

12.389.586

12.318.781

12.510.636

12.459.602

12.452.633

waarvan garantieverplichtingen

5.829

‒ 3.664

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

13.335.070

13.051.780

12.389.586

12.318.781

12.510.636

12.459.602

12.452.633

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit
Tabel 23 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

98,8%

bestuurlijk gebonden

0,2%

beleidsmatig gereserveerd

1,0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 3 is voor 2027 98,8 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het budget in 2027 is voor 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het voortgezet onderwijs, onderliggende besluiten en uitvoeringsregelingen. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan, vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het budget in 2027 is voor 79,6 procent juridisch verplicht. Dit verplichte deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar van verstrekking worden vastgelegd. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Het budget in 2027 is voor 59 procent juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget in 2027 is voor 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget in 2027 is voor 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdragen aan het College voor Toetsen en Examens (CvTE) en de onderwijs ondersteunende instellingen (SLOA). Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan, vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bijdragen betrekking heeft.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het budget in 2027 is voor 46 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdragen aan de genoemde internationale organisaties.

Bekostiging

Het Rijk verstrekt schoolbesturen bekostiging om (onderwijs)personeel aan te stellen, overige arbeidsvoorwaarden te vervullen en ten behoeve van de materiële instandhouding van scholen. De basisbekostiging is gebaseerd op het aantal vestigingen en het aantal leerlingen.

Daarnaast is er aanvullende bekostiging voor bepaalde groepen leerlingen of vestigingen. Het gaat onder andere om: extra bijdragen voor leerlingen in de gemengde leerweg van het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), voor vestigingen met een breed onderwijsaanbod, voor geïsoleerde vestigingen, voor de functiemix Randstad, voor werkdrukverlichting, voor onderwijskansen, voor de eerste opvang nieuwkomers en voor Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs (IGVO).

Voor de Regeling onderwijskansen is in 2027 € 193,2 miljoen beschikbaar. Voor de Regeling versterking functiemix vo-leraren in de Randstadregio’s is in 2027 € 88,7 miljoen beschikbaar. Voor IGVO is € 12,6 miljoen beschikbaar. Verder is er € 89,4 miljoen beschikbaar voor de arbeidsmarkttoelage in het voortgezet onderwijs. Voor de aanpak van werkdruk is in kalenderjaar 2027 € 368,2 miljoen beschikbaar.

Voor de subsidieregeling sterk techniekonderwijs is in 2027 € 97,0 miljoen beschikbaar.

In de volgende tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte en regionale ondersteuning. De bekostiging van de lichte ondersteuning bestaat uit twee delen: een budget voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro) en een budget voor regionale ondersteuning. De ondersteuningsbekostiging wordt verrekend met het budget voor lwoo en pro van het samenwerkingsverband

Coalitieakkoord kabinet-JettenIn beleidsbrief 2026-2030 van het Ministerie van OCW (Kamerstukken II 2025/26, 36800 VIII, nr. 148) is toegelicht dat structureel wordt geïnvesteerd in de professionalisering van onderwijspersoneel op teamniveau. In 2027 is hier voor het voortgezet onderwijs € 2,3 miljoen voor beschikbaar. In 2028 is € 119,1 miljoen beschikbaar oplopend naar € 122,9 miljoen structureel. Daarnaast is in de beleidsbrief toegelicht dat wordt geïnvesteerd in een goede regionale mix aan brede brugklassen en onderwijs in één richting. Via de Nota van Wijziging op de Eerste Suppletoire Begroting (Kamerstukken II, 2025/26, 36915 VIII, nr. 5) zijn de middelen voor brede brugklassen structureel overgeboekt. Vanaf 2027 is hier structureel € 57,5 miljoen voor beschikbaar. Vanaf 2027 is hier structureel € 57,5 miljoen voor beschikbaar. Een deel staat op het hoofdinstrument bekostiging en aan ander deel wordt in 2027 en 2028 toegevoegd aan de subsidieregeling verbinding po-vo (€ 10 mln. per jaar) en kennisopbouw en kennisdeling over brede brugklassen (€ 2 mln. per jaar), beiden onderdeel van het hoofdbudget ‘overige subsidies’.

Tabel 24 Ondersteuningsmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Lichte ondersteuning lwoo/pro

769,3

799,2

799,2

799,2

799,2

799,2

799,2

Regionale ondersteuning

120,1

124,6

124,6

124,6

124,6

124,6

124,6

Totale ondersteuningsmiddelen art. 3

889,4

923,8

923,8

923,8

923,8

923,8

923,8

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt bekostiging aan schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Basisvaardigheden

De inzet via het Masterplan basisvaardigheden heeft de urgentie aangescherpt en scholen geholpen om tot verbeteringen te komen. Dit wordt de komende jaren voortgezet. Tegelijkertijd is er de noodzaak om de aanpak aan te scherpen met de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden. In de komende periode wordt de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden uitgewerkt. Deze zal in het najaar met de Tweede Kamer worden gedeeld.

Vanaf 2027 ontvangen scholen structurele bekostiging voor het verbeteren van basisvaardigheden. In 2027 worden de middelen verstrekt als aanvullende bekostiging. Voor het voortgezet onderwijs is hier € 190,4 miljoen voor beschikbaar. Beoogd is om vanaf 2028 de middelen te verstrekken in de vorm van gerichte bekostiging. Het wetsvoorstel om deze nieuwe vorm van bekostiging mogelijk te maken is reeds naar de Tweede Kamer gestuurd.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van diverse beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht de bijlage subsidies).

Verbetering basisvaardigheden

Voor 2027 is, naast de eerder genoemde aanvullende bekostiging, in totaal € 72,2 miljoen via het financiële instrument subsidies beschikbaar voor het verbeteren van de basisvaardigheden van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Van dit bedrag is € 59,0 miljoen bedoeld voor de laatste betalingen aan scholen vanuit de subsidie Verbetering Basisvaardigheden 2025. Naast de structurele bekostiging blijft € 13,3 miljoen beschikbaar voor een subsidieregeling voor scholen die dit het hardste nodig hebben. Zij ontvangen dan naast de structurele bekostiging ook een subsidie.

Maatschappelijke Diensttijd

Met de subsidieregeling Maatschappelijke Diensttijd (MDT) worden maatschappelijke organisaties, scholen en bedrijven ondersteund om projecten te realiseren die bijdragen aan veerkrachtige, mentaal gezonde jongeren en een sterke weerbare samenleving. Jongeren kunnen trajecten van maximaal zes maanden volgen waarbij zij zich vanuit hun talenten en interesses kunnen inzetten voor een ander of de samenleving. In 2027 is € 124,2 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling MDT en de ondersteunende losse subsidies. Dit bedrag is structureel beschikbaar.

School en Omgeving

Elke leerling verdient het om zijn talenten en vaardigheden in de volle breedte te ontwikkelen. Om voor zoveel mogelijk leerlingen een kwalitatief goed programma van activiteiten rond de school te bieden, is er een subsidieregeling waarbij scholen middelen ontvangen voor het opzetten van een buitenschools aanbod. De verwachting is dat deze regeling in 2029 wordt omgezet naar bekostiging.

Hiernaast loopt het programma School en Omgeving ook mee in de brede specifieke uitkering (spuk) Kansrijke Wijk voor de gebieden die zijn aangesloten bij het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. De uitvoering van deze spuk is bij de minister van VRO belegd. De door het Ministerie van OCW beschikbaar gestelde middelen zijn tot en met 2028 overgeboekt naar de begroting van het minsterie van VRO.

Coalitieakkoord kabinet-JettenIn de beleidsbrief is toegelicht dat bezuinigingen op het onderwijs teruggedraaid zullen worden. Dat betekent dat vanaf 2027 per jaar € 120,6 miljoen extra aan het programma School en Omgeving besteed kan worden vanaf 2027. Via de Nota van Wijziging op de Eerste Suppletoire Begroting (Kamerstukken II, 2025/26, 36915 VIII, nr. 5) zijn de middelen voor deze subsidie structureel overgeboekt. Voor artikel 3 gaat dit om structureel € 45,9 miljoen per jaar (en voor artikel 1 is het € 74,7 miljoen per jaar). In 2027 is er voor dit programma in totaal € 158,9 miljoen beschikbaar op artikel 3.

Schoolmaaltijden

Via het programma Schoolmaaltijden worden maaltijden op scholen in het primair en voortgezet onderwijs verstrekt aan de kinderen die dit het hardst nodig hebben, zodat meer leerlingen met een volle maag les kunnen volgen. Het Jeugdeducatiefonds en het Nederlandse Rode Kruis organiseren het programma Schoolmaaltijden in opdracht van het Ministerie van OCW. Hiervoor is in 2027 € 34,0 miljoen beschikbaar. De verwachting is dat deze regeling in 2029 wordt omgezet naar bekostiging.

Brugfunctionaris

Voor het versterken van de verbinding tussen school, kind en gezin en de ondersteuningsstructuur op school zijn middelen beschikbaar gesteld. In 2027 is voor het resterende deel van het kalenderjaar € 7,8 miljoen beschikbaar voor het voortgezet onderwijs. In 2028 is voor het volledige kalenderjaar € 18,7 miljoen beschikbaar. De verwachting is dat deze regeling in 2029 wordt omgezet naar bekostiging.

Nationaal Groeifonds-projecten

Het Ministerie van OCW heeft vanuit het Nationaal Groeifonds voor meerdere projecten middelen ontvangen. Op artikel 3 staan middelen voor de projecten Ontwikkelkracht, Techkwadraat en Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting.

Het project Ontwikkelkracht investeert in het lerend vermogen van het onderwijs, door te bouwen aan een stevige kennisinfrastructuur voor het funderend onderwijs. Ontwikkelkracht is voor leraren en schoolleiders in het funderend onderwijs die de ontwikkeling van hun leerlingen en hun eigen vakmanschap willen versterken. Voor 2027 is op het subsidiebudget van Ontwikkelkracht € 33,9 miljoen beschikbaar.

Het project Techkwadraat zet zich in om alle kinderen en jongeren in het primair en voortgezet onderwijs in aanraking te laten komen met de kansen van (natuur)wetenschap, techniek, technologie en ICT. Hiermee krijgt elke leerling een kans om talenten te ontdekken en ontplooien en om volwaardig deel te nemen aan onze maatschappij, die in alle facetten steeds meer technologisch en digitaal wordt. Voor 2027 is hier een subsidiebudget van € 48,3 miljoen voor beschikbaar.

Het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting moet leiden tot kwalitatief betere onderwijshuisvesting en efficiëntere bouwprocessen met een kortere doorlooptijd. Door een gecoördineerd programma worden partijen bijeengebracht, wordt de benodigde schaalvergroting om te komen tot leereffecten gerealiseerd en worden risicokosten afgedekt. Voor 2027 is hier een subsidiebudget van € 24,3 miljoen voor beschikbaar.

Overige subsidies

Omvangrijke subsidies zijn de regeling verbinding po-vo om de samenwerking tussen scholen in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs te bevorderen (€ 18,2 miljoen); het Programma Onderwijshuisvesting (POHV) voor een programmatische en integrale aanpak van de schoolgebouwen in primair en voortgezet onderwijs (€ 9,6 miljoen), en diverse (project)subsidies in het kader van de curriculumherziening (€ 28,4 miljoen).

Andere omvangrijke subsidies

Voor het stimuleren van praktijkgerichte programma’s in vmbo gl/tl en de havo is in 2027 € 15,5 miljoen beschikbaar. Stichting Kennisnet ondersteunt onderwijsinstellingen bij het benutten van ICT en ontvangt hiervoor een instellingssubsidie. In totaal is voor Stichting Kennisnet in 2027 € 38,3 miljoen beschikbaar, dit bedrag is hoger dan in voorgaande jaren door de ontwikkeling van een publieke AI-voorziening (zie onderstaand).

Coalitieakkoord kabinet-JettenNaar aanleiding van het coalitieakkoord is in de beleidsbrief van OCW toegelicht dat er wordt geïnvesteerd in randvoorwaarden en aanvullende maatregelen voor het funderend onderwijs. In het kader van één van die investeringen is in 2027 € 10,7 miljoen beschikbaar voor de ontwikkeling van een publieke AI-voorziening voor het funderend onderwijs. Dit is een veilige en beheersbare AI-omgeving, waarin scholen AI kunnen gebruiken. Deze voorziening maakt het mogelijk dat het funderend onderwijs zelf regie houdt over welke AI wordt ingezet en onder welke voorwaarden. De benodigde middelen worden verstrekt aan Kennisnet.

Opdrachten

Dit betreft de middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. Dit zijn onder andere opdrachten voor het ondersteuningsprogramma voor onvoldoende en zeer zwakke scholen, opdrachten in het kader van staatsexamens, opdrachten om een systeem te bouwen om een continue screening VOG’s mogelijk te maken en uitvoeringskosten van subsidieregelingen.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

DUO is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor artikel 3 (voortgezet onderwijs).

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) zorgt voor uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot de centrale examens in het reguliere vo, het mbo en volwasseneneducatie. Daarnaast zorgt het CvTE voor de staatsexamens voor het vo en voor Nederlands als tweede taal (NT2). Dit geldt ook voor Caribisch Nederland. Het CvTE is verantwoordelijk voor de digitale afname van het staatsexamen NT2 en de digitale centrale examens in het vmbo-bb/kb en in het mbo. Daarnaast is het CvTE regievoerder over de examenketen en heeft zij een regierol voor de centrale eindtoets po. In die hoedanigheid heeft zij de taak om namens de overheid de kwaliteit van al deze toetsen en examens te waarborgen en te zorgen voor een vlekkeloze (digitale) afname. De bijdragen van artikel 1 (primair onderwijs) en artikel 4 (beroepsonderwijs en volwasseneducatie) voor het CvTE worden zoals gebruikelijk bij Voorjaarsnota naar artikel 3 (voortgezet onderwijs) overgeboekt.

SLOA: Onderwijsondersteunende instellingen primair-, voortgezet- en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Op 1 januari 2014 is de wet Subsidiëring Landelijke Onderwijsondersteunde Activiteiten 2013 (SLOA) in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiëring van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO. De komende jaren wordt het curriculum in het funderend onderwijs (kerndoelen en eindexamens) volledig vernieuwd. Tot 2027 ontving SLO voor een deel hiervan projectsubsidies vanuit de overige subsidies. Per 2027 zijn die overgezet naar SLOA, om deze zo onder te kunnen brengen in de instellingssubsidie SLO. Het betreft namelijk structurele werkzaamheden voor het onderhoud van het curriculum.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Dit betreft bijdragen aan de internationale organisaties European Centre for Modern Languages (ECML) en Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) ten behoeve van het Programme for International Student Assessment (PISA).

Het ECML geldt in Europa en daarbuiten als hét expertisecentrum voor het talenonderwijs. Door deelname hieraan blijft Nederland op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op dit terrein.

De bijdrage aan OECD is een voorwaarde voor deelname aan het PISA-project, waardoor één keer in de drie jaar kan worden gemeten hoe de prestaties van 15-jarigen zich ontwikkelen op het gebied van wiskunde, lezen en science.

Official Development Assistence (ODA) toerekening

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking coördineert de rijksbrede inzet van ODA-middelen en is verantwoordelijk voor de jaarlijkse ODA-rapportage aan het OESO-DAC. Naast de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, zijn de ministeries van Justitie en Veiligheid (JenV) en OCW betrokken bij de eerstejaarsopvang van asielzoekers. Conform de richtlijnen van het OESO DAC worden uitgaven die ten laste gebracht worden op de begroting van de betreffende ministeries ten behoeve van de opvang van asielzoekers toegerekend aan ODA-middelen. Voor deze ODA toerekening is, voor het deel dat betrekking heeft op de OCW uitgaven, de onderstaande tabel opgenomen.

Tabel 25 ODA-toerekening Begroting primair en voortgezet onderwijs in het kader van onderwijskosten voor asielzoekers uit DAC-landen (bedragen x € 1.000)

Bijdrage primair onderwijs

32.336

Bijdrage voortgezet onderwijs

10.416

Totaal

42.752

3.3 Artikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat studenten hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Studenten worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

De minister is verantwoordelijk voor een stelsel van middelbaar onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele studenten en bij de behoeftes van de maatschappij. De sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het is een leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt. Ook is het een schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren

De minister is verantwoordelijk voor de financiering van het middelbaar beroepsonderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, kwaliteitsafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normen en kwaliteitseisen zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen
Tabel 26 Studenten middelbaar beroepsonderwijs (aantallen x 1.000)1
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Aantal mbo-studenten (inclusief vavo en CN)

476,1

479,8

481,9

480,3

476,0

471,7

468,4

Bol

329,6

346,6

354,3

357,8

360,6

362,0

361,2

Bbl

137,0

123,7

118,1

113,1

106,0

100,5

98,1

Vavo

8,6

8,6

8,5

8,4

8,4

8,2

8,1

CN

0,9

0,9

1,0

1,0

1,0

1,1

1,1

1

Bron: Referentieraming 2026

Tabel 27 Uitgaven per student (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Onderwijsuitgaven per mbo-student1

12,0

12,4

12,4

12,4

12,6

12,6

12,6

1

De onderwijsuitgaven per student zijn berekend door de middelen voor het instrument bekostiging te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten (inclusief vavo en CN) uit de referentieraming 2026 (overeenkomstig tabel "Studenten middelbaar beroepsonderwijs"; omgerekend naar kalenderjaren).

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van het beleidsartikel 4 beschreven. De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 4:

In de periode 2024-2027 wordt er gewerkt aan het uitvoeren van de «»Werkagenda mbo en het Stagepact mbo''. De huidige aanpak wordt verlengd naar 2028.

Het wetsvoorstel Toekomstbestendige financiering mbo wijzigt de verdeling van de bekostiging naar de mbo-instellingen. Om kwalitatief goed en toegankelijk mbo-onderwijs in heel Nederland te blijven aanbieden wordt de verdeling van de bekostiging als volgt gewijzigd Kamerbrief:

  • 1. er wordt een vaste voet ingevoerd als onderdeel van de bekostiging van de mbo-scholen;

  • 2. er wordt een toegankelijkheidsopslag aan de vaste voet toegevoegd voor instellingen in de aangewezen (NPVR-)regio’s met fors dalende studentenaantallen;

  • 3. de systematiek van de prijsfactoren om de bekostiging per opleiding te bepalen wordt vereenvoudigd van zeven naar drie factoren. De negatieve herverdeeleffecten, als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren, worden gecompenseerd;

  • 4. er komt meer focus in de huidige kwaliteitsmiddelen door het beschikbaar stellen van een deel van de middelen voor een beperkt aantal specifieke beleidsdoelstellingen (opgavegerichte middelen).

  • € 200,0 miljoen van de huidige kwaliteitsafspraken zal worden ingezet voor een samenwerkingsbudget. Dit is gericht op aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt en flexibilisering.

  • € 142,2 miljoen blijft beschikbaar voor carrièreperspectief voor de periode 2029-2031.

  • Van de overige kwaliteitsmiddelen komt € 17,0 miljoen beschikbaar voor het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO).

  • € 80,0 miljoen gaat via de bekostiging naar mbo-instellingen voor gratis leermiddelen voor studenten jonger dan 18 jaar.

Tabel 28 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

6.400.304

6.781.891

6.273.774

6.349.540

6.293.914

6.262.745

6.274.485

        

Uitgaven

6.135.396

6.370.828

6.408.532

6.349.422

6.362.228

6.319.987

6.283.137

        

Bekostiging

5.453.107

5.929.018

5.962.294

5.931.343

5.954.456

5.914.804

5.879.137

Bekostiging mbo-instellingen

4.715.137

4.863.518

4.910.412

4.926.838

5.027.462

5.013.612

4.961.750

Bekostiging Caribisch Nederland

11.997

13.536

14.995

15.286

15.580

15.676

15.625

Bekostiging vavo

95.370

98.953

98.953

98.953

98.953

98.953

98.953

Kwaliteitsafspraken investeringsbudget

538.984

538.984

540.033

540.033

128.833

128.833

147.781

Opgavegericht aanvullende middelen

0

0

0

0

342.200

342.200

342.200

Regionaal Programma

12.521

43.763

43.763

43.763

43.763

45.279

45.279

Regionaal Investeringfonds

17.098

15.147

26.847

43.678

57.714

49.626

46.924

Aanvullende bekostiging krimpregio's

30.000

30.000

30.000

34.000

0

0

0

Loopbaanoriëntatie

32.000

32.000

32.000

0

0

0

0

Praktijkleren

0

293.117

265.291

228.792

239.951

220.625

220.625

Subsidies (regelingen)

330.335

92.515

72.578

43.655

33.942

34.547

34.543

Praktijkleren

262.597

0

0

0

0

0

0

LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden (NGF)

713

24.474

16.317

117

0

0

0

Basisvaardigheden voor volwassenen/Tel mee met Taal

7.898

8.169

8.389

8.435

13.435

13.435

13.435

Loopbaanoriëntatie

1.818

1.407

0

0

0

0

0

Doorstroom beroepskolom

30.660

34.440

23.520

13.020

0

0

0

Vakwedstrijden MBO

5.397

5.599

5.599

5.599

5.599

5.599

5.599

Overige subsidies

21.252

18.426

18.753

16.484

14.908

15.513

15.509

Opdrachten

9.305

9.976

12.881

11.734

10.754

10.373

10.373

Opdrachten

9.305

9.976

12.881

11.734

10.754

10.373

10.373

Bijdrage aan agentschappen

28.330

32.986

31.497

31.926

31.923

32.453

32.279

Dienst Uitvoering Onderwijs

24.604

28.246

27.255

27.697

27.694

28.224

28.053

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

3.726

4.740

4.242

4.229

4.229

4.229

4.226

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

97.509

93.102

104.530

103.757

103.240

102.375

101.472

College voor Toetsen en Examens

0

1.438

13.671

13.671

13.665

13.665

13.278

Wet SLOA

0

0

0

0

0

0

274

SBB

90.810

84.868

84.228

83.455

82.944

82.079

81.289

NWO: NKO- Programma's MBO

5.583

5.584

5.584

5.584

5.584

5.584

5.584

NCP NLQF

1.116

1.212

1.047

1.047

1.047

1.047

1.047

Bijdrage aan medeoverheden

216.810

213.231

224.752

227.007

227.913

225.435

225.333

RMC's

54.478

72.054

72.054

71.732

71.718

69.980

69.946

Educatie

104.066

88.269

96.525

96.032

96.022

96.021

95.978

Caribisch Nederland

1.471

0

0

0

0

0

0

Regionaal Programma

55.100

50.173

50.173

50.173

50.173

49.434

49.409

Masterplan Campus Groningen

1.695

2.735

6.000

9.070

10.000

10.000

10.000

        

Ontvangsten

6.172

6.200

6.200

6.200

6.200

6.200

6.200

Tabel 29 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

6.400.304

6.781.891

6.273.774

6.349.540

6.293.914

6.262.745

6.274.485

waarvan garantieverplichtingen

‒ 23.559

‒ 9.339

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

6.423.863

6.791.230

6.273.774

6.349.540

6.293.914

6.262.745

6.274.485

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit
Tabel 30 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

99,9%

bestuurlijk gebonden

0,0%

beleidsmatig gereserveerd

0,1%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 4 is in 2027 99,9 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2027 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan mbo-instellingen (inclusief Caribisch Nederland). In de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB) en regelingen zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage en aanvullende bekostiging wordt berekend. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan, vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2027 is 95,0 procent juridisch verplicht. Dit betreft subsidieverplichtingen die in de jaren voorafgaand aan het verstrekkingsjaar zijn aangegaan. Op basis van ervaringsgegevens wordt verwacht dat ook het resterende deel van het budget gedurende het jaar juridisch zal worden verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 2.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2027 is 69,0 procent juridisch verplicht. Ervaringsgegevens wijzen erop dat het resterende deel van het budget in de loop van het jaar eveneens juridisch wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2027 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar. In de subsidieregeling praktijkleren is geregeld dat deze regeling door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt uitgevoerd.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2027 is voor 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), het Nationaal Coördinatiepunt Nederlands Kwalificatieraamwerk (NCP NLQF), (de ontwikkeling van) centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels door het Centraal Instituut voor Toets Ontwikkeling (CITO), NWO NRO-programma’s mbo en het College voor Toetsen en Examens (CvTE).

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget is in 2027 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor de gemeenten en worden in de vorm van specifieke uitkeringen verstrekt voor de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie, het educatiebudget, het regionaal programma, Caribisch Nederland en het masterplan campus Groningen.

Bekostiging

Bekostiging mbo-instellingen

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de nadere uitwerking in het Uitvoeringsbesluit WEB.

Het landelijk budget dat beschikbaar is voor het middelbaar beroepsonderwijs wordt verdeeld in een budget voor entreeopleidingen, een budget voor niveau 2 en een budget voor niveaus 3 en 4. Het budget voor de entreeopleidingen wordt verdeeld over de mbo-instellingen naar rato van het aantal ingeschreven studenten. Het budget voor niveau 2 en het budget voor niveau 3 en 4 wordt verdeeld naar rato van het aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma’s van elke instelling. De mate waarin een student meetelt voor de bekostiging, is afhankelijk van de leerweg (beroepsbegeleidende leerweg (bbl) of beroepsopleidende leerweg (bol)) en de opleiding (de prijsfactor van de opleiding).

Met het wetsvoorstel Toekomstbestendige financiering mbo wordt geregeld dat leermiddelen voor studenten jonger dan 18 jaar kosteloos beschikbaar worden gesteld. Hiervoor wordt er structureel € 80,0 miljoen toegevoegd aan de bekostiging mbo-instellingen vanaf 2029. Er wordt ook structureel additioneel ruim € 12 miljoen vanaf 2029 aan de mbo-bekostiging toegevoegd vanuit het Coalitieakkoord om de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de systematiek van de prijsfactoren volledig te compenseren. Daarnaast wordt er incidenteel circa € 48,0 miljoen toegevoegd aan de bekostiging mbo-instellingen voor de overgangsbekostiging van de herziening van de bekostiging om ervoor te zorgen dat instellingen in de regio’s met de grootste krimpopgave direct vanaf 2029 kunnen rekenen op de benodigde extra middelen. De beoogde ingangsdatum van de herziene bekostiging is 2029. In deze Kamerbrief worden de herziene bekostiging en de wettelijke taak voor leermiddelen voor minderjarige studenten nader toegelicht.

Bij de Voorjaarsnota 2026 is de bekostiging van mbo-instellingen op basis van de meest actuele referentieraming naar beneden bijgesteld. Ook is er loon- en gedeeltelijke prijsbijstelling tranche 2026 toegevoegd aan de bekostiging. In 2027 is er in totaal € 4,9 miljard beschikbaar voor de bekostiging van mbo-instellingen.

Bekostiging Caribisch Nederland

Deze middelen zijn bedoeld voor het verzorgen van middelbaar beroepsonderwijs in Caribisch Nederland. De onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland ontvangen hiervoor lumpsumbekostiging. Ook de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt in Caribisch Nederland wordt vanuit deze middelen bekostigd. In 2027 is hiervoor € 15,0 miljoen beschikbaar.

Bekostiging voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo)

Vavo-instellingen ontvangen bekostiging voor het onderwijs dat zij verzorgen. Voor de verdeling van de beschikbare middelen wordt gebruik gemaakt van drie maatstaven, namelijk: het aantal ingeschreven studenten, het aantal vakken dat door studenten met een voldoende is afgesloten en het aantal afgegeven diploma’s. In 2027 is hiervoor € 99,0 miljoen beschikbaar gesteld.

Kwaliteitsafspraken investeringsbudget

Met de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024-2027 kunnen bekostigde instellingen een aanvulling op hun reguliere bekostiging ontvangen om de doelstellingen van de Werkagenda te helpen realiseren. De Regeling bevat de opdracht aan instellingen om samen met interne partners (studenten en docenten) en externe partners (andere scholen, gemeenten, bedrijven) een regionale of sectorale (voor de beroepscolleges) invulling te geven aan de Werkagenda mbo en het Stagepact mbo. Iedere mbo-instelling heeft dit uitgewerkt in een kwaliteitsagenda.

Instellingen mogen de middelen inzetten om de doelstellingen uit de Werkagenda mbo op het gebied van kansengelijkheid, de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt en het versterkten van de onderwijskwaliteit te realiseren. Daarnaast kunnen zij met de middelen de samenwerking met interne en externe samenwerkingspartners verdiepen of verbreden en gezamenlijk leren. Voor 2027 is er circa € 540,0 miljoen beschikbaar gesteld.

De regeling wordt verlengd naar 2028. Er wordt daarnaast structureel € 32 miljoen toegevoegd aan het Kwaliteitsafspraken investeringsbudget vanuit LOB. Hiervan wordt € 17 miljoen vanaf 2028 structureel overgeboekt naar het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs onder artikel 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid). Vanaf 2029 wordt structureel € 80,0 miljoen overgeboekt naar de bekostiging mbo-instelling voor gratis leermiddelen voor studenten jonger dan 18 jaar. € 342,2 miljoen in de periode 2029-2031 en vanaf 2032 structureel € 200,0 miljoen naar de opgavegerichte aanvullende middelen. Daarnaast wordt er in het najaar van 2026 een besluit genomen over de structurele resterende middelen van € 129 miljoen in 2029, oplopend tot € 148 miljoen vanaf 2031. Hierbij worden onder andere de uitkomsten uit het advies van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) betrokken, over de meerwaarde van practoraten in het mbo-onderwijs bij het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen en het versterken van het verdienvermogen. Er wordt onder meer onderzocht of een wettelijke onderzoekstaak voor mbo-instellingen nodig is om de meerwaarde te realiseren.

Opgavegerichte aanvullende middelen

Het kwaliteitsafspraken investeringsbudget wordt aangepast met de herziening van de bekostiging, die voorzien is per 2029. Het bedrag wordt verlaagd, zodat er scherper gestuurd kan worden. Daarnaast zal het aantal opgaven dat hieruit bekostigd wordt verminderen ten opzichte van de twaalf doelstellingen van de huidige werkagenda. De nieuwe aanpak stimuleert instellingen om scherpere keuzes te maken en publieke middelen effectiever in te zetten voor de kwaliteit van het onderwijs en de student.

De middelen worden ingezet op een beperkt aantal opgaven:

  • € 200,0 miljoen komt beschikbaar als samenwerkingsbudget. Hiermee kunnen instellingen regioplannen ontwikkelen waarin zij afspraken maken over het opleidingsaanbod. De Talentstrategie en het pact opleiden voor de arbeidsmarkt van morgen geven hiervoor de kaders voor de komende jaren. € 50,0 miljoen van het samenwerkingsbudget komt beschikbaar voor flexibilisering van het onderwijs;

  • € 142,2 miljoen komt beschikbaar voor carrièreperspectief voor de periode 2029-2031. Deze middelen worden daarmee voor vier jaar verlengd vanuit de huidige Werkagenda mbo. De recente voortgangsrapportage van de Werkagenda laat zien dat er stappen worden gezet, maar dat het behalen van een groot deel van de doelen in 2027 niet in zicht is. Daarom blijft € 142,2 miljoen beschikbaar voor het carrièreperspectief van docenten via de opgavegerichte middelen. Hiermee kan gericht gestuurd worden op de concrete doelstellingen per school. In 2030 vindt een weegmoment plaats. Bij voldoende voortgang worden de middelen vanaf 2032 toegevoegd aan de bekostiging voor mbo-instellingen.

Regionaal Programma

Scholen en gemeenten voeren gezamenlijk een regionaal programma uit om voortijdige schooluitval te voorkomen en terug te dringen. Het programma draagt bij aan de doelstelling uit de Werkagenda mbo (2023-2027) om het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (vsv'ers) terug te dringen. Ook nemen regio’s maatregelen om het aantal vsv'ers dat terug naar school, dan wel aan het werk gaat, te vergroten.

Met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk per 1 januari 2026 is de doelgroep van het regionaal programma verbreed van jongeren van 12 tot 23 jaar zonder startkwalificatie, naar jongeren van 12 tot 27 jaar. Met de uitbreiding van de doelgroep is de doelstelling over vsv aangepast: er wordt gestreefd naar maximaal 23.000 vsv’ers (12 tot 27 jaar) in studiejaar 2029/2030. In 2027 is in totaal € 106,1 miljoen beschikbaar voor scholen en gemeenten samen voor uitvoering van het Regionaal Programma. Contactscholen ontvangen in 2027 hiervoor in totaal € 43,8 miljoen.

Regionaal Investeringsfonds

Met het Regionaal Investeringsfonds wordt geld beschikbaar gesteld voor duurzame publiek-private samenwerking van beroepsonderwijs, bedrijfsleven en regionale overheden. Mbo-instellingen kunnen een aanvraag indienen voor de bekostiging van een samenwerkingstraject dat leidt tot een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. De samenwerkingspartners leveren hierbij een eigen financiële bijdrage van 50 tot 67 procent.

In het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten zijn de eerder voorgenomen bezuinigingen op het Regionaal Investeringsfonds teruggedraaid, waardoor het fonds beschikbaar blijft voor nieuwe aanvragen na 2027. De regeling wordt verlengd naar 2028. Vanuit de coalitieakkoordmiddelen van het kabinet-Jetten wordt er vanaf 2029 structureel € 17,0 miljoen toegevoegd aan de regeling om de opgebouwde basis van practoraten en praktijkgericht onderzoek voort te zetten en uit te bouwen. In het najaar van 2026 wordt een advies door de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) uitgebracht over de meerwaarde van practoraten in het mbo-onderwijs bij het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen en het versterken van het verdienvermogen. In totaal is € 23,0 miljoen beschikbaar voor nieuwe aanvragen in 2027.

Aanvullende bekostiging krimpregio's

Om de gevolgen van krimp binnen de mbo-sector op te vangen is er vanuit de korte termijn oplossing namelijk de Regeling aanvullende middelen studentendaling in het mbo voor de periode 2025 ‒ 2027 jaarlijks € 30,0 miljoen beschikbaar gesteld voor instellingen uit de regio’s met de sterkste demografische krimp. De regeling wordt verlengd voor het jaar 2028 met € 34,0 miljoen. Deze periode dient als overbrugging naar een structurele oplossing die onderdeel is van de herziening van de bekostiging per 2029.

Loopbaanoriëntatie (lob)

Met de Tijdelijke regeling aanvullende bekostiging lob mbo 2023 is jaarlijks (voor de jaren 2023-2027) € 32,0 miljoen beschikbaar gesteld voor mbo-instellingen. Mbo-instellingen kunnen met deze aanvullende bekostiging extra investeren in de loopbaanoriëntatie en -begeleiding om studenten beter te begeleiden in hun studieloopbaan en beter te informeren en stimuleren om slimmere opleidings- en arbeidsmarktkeuzes te maken. De regeling wordt na 2027 beëindigd. Vanaf 2029 wordt structureel € 32,0 miljoen toegevoegd aan de kwaliteitsafspraken.

Praktijkleren

De Regeling praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijk- en werkleerplaatsen aan te bieden. Deze regeling maakt het mogelijk dat leerlingen, studenten of werknemers die een (beroeps)opleiding volgen, zich beter voorbereiden op de arbeidsmarkt. Dit draagt bij aan de beschikbaarheid van beter opgeleid personeel voor werkgevers. Deze stimulering vindt plaats via een tegemoetkoming aan werkgevers voor de begeleidingskosten van leerlingen of studenten of de loon- of begeleidingskosten van een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (toio).

Vanaf 2026 is deze subsidie ook beschikbaar voor Bonaire. Vanaf 2027 zal deze subsidie ook voor Sint Eustatius en Saba beschikbaar zijn. De maximale subsidie per leerwerkplek wordt geïndexeerd naar circa € 2.800 per leerwerkplek. Voor 2027 is in totaal een budget van € 265,3 miljoen beschikbaar.

Subsidies

Praktijkleren

Sinds 2026 wordt de Regeling praktijkleren geplaatst onder het instrument bekostiging (zie voor het totaaloverzicht bijlage 2).

Basisvaardigheden voor volwassenen/Tel mee met Taal

Ter ondersteuning van de aanpak van basisvaardigheden voor volwassenen en het leer- en groeiplan taal en rekenen voor volwassenen is er in 2027 € 8,4 miljoen beschikbaar gesteld. Met deze middelen worden onder andere werkgevers, bibliotheken en maatschappelijke organisaties ondersteund om mensen met beperkte basisvaardigheden te herkennen, door te verwijzen en te scholen. De activiteiten worden door verschillende partijen uitgevoerd. Met een decentralisatie-uitkering aan gemeenten is daarnaast € 5,0 miljoen per jaar beschikbaar via de begroting van het Ministerie van BZK voor de jaren 2026 tot en met 2028.

Loopbaanoriëntatie (lob)

De tijdelijke aanvullende lob-middelen worden ingezet om de loopbaanbegeleiding en de studiekeuze- en arbeidsmarktvoorlichting aan (aankomend) mbo-studenten te verbeteren via onder meer het expertisepunt lob en het portal Kies MBO van de SBB. De projectsubsidie loopt tot en met 2027.

Doorstroom beroepskolom

De Regeling doorstroom beroepskolom (VABOK) is bedoeld om de aansluiting en samenwerking in de kolom vo-mbo-hbo te versterken en om uitval en switch te verminderen. De regeling wordt beëindigd en het laatste tijdvak van de regeling was in 2026. Dit is toegelicht in de Eerste Suppletoire Begroting 2026. Er kunnen geen nieuwe aanvragen worden ingediend in 2027. In 2027 en 2028 zijn er nog wel uitbetalingen voor goedgekeurde aanvragen uit 2025 en 2026. In 2027 gaat dit om € 23,5 miljoen.

Leven Lang Ontwikkelen (LLO) Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden (Nationaal Groeifonds)

Het project LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden, dat wordt bekostigd vanuit het Nationaal Groeifonds (NGF), richt zich op laagopgeleiden en laaggeletterden, waaronder zowel werknemers als mensen die langere tijd uit het arbeidsproces zijn geweest of zelfs nooit aan het werk zijn gekomen. De subsidie heeft als doel om een nieuw duurzaam regionaal scholingsaanbod van educatie- en opleidingstrajecten voor laagopgeleiden en laaggeletterde inwoners te ontwikkelen dat leidt tot een betere participatie en goede doorstroom naar beroepsonderwijs of de arbeidsmarkt. Hierbij wordt het verbeteren van basisvaardigheden gecombineerd met het verbeteren van beroepsvaardigheden. Voor de periode 2025 tot en met 2027 is € 42,9 miljoen toegekend door het NGF, waarmee eenentwintig regio’s worden ondersteund.

Vakwedstrijden

Vakwedstrijden hebben als doel om het imago van het beroepsonderwijs te versterken en aan een breed publiek te laten zien wat vakgericht onderwijs en vakmanschap inhouden. Er worden jaarlijks middelen beschikbaar gesteld voor de organisatie van (internationale) vakwedstrijden mbo. Voor de periode april 2026 tot en met april 2036 is de uitvoering van de vakwedstrijden opgedragen aan WorldSkills Netherlands. In 2027 is er totaal voor het mbo € 5,6 miljoen beschikbaar gesteld.

Overige subsidies

Hieronder vallen diverse instellings- en projectsubsidies, zoals veilig digitaal onderwijs. Voorbeeld hiervan zijn onder andere burgerschap, JOB MBO en cyberveiligheid en digitalisering in het mbo. In 2027 is in totaal € 19,0 miljoen beschikbaar gesteld.

Opdrachten

Dit betreffen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en -onderzoeken, en de uitvoeringskosten van onder andere Dienst Uitvoering Subsidies Instellingen (DUS-I) en Inkoop- en UitvoeringsCentrum Noord (IUC-Noord). Daarnaast staan op dit budget middelen in het kader van de NGF-voorstellen LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden en NGF-programma Leeroverzicht.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

DUO is een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel. In 2027 is in totaal € 27,3 miljoen beschikbaar.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden middelen verstrekt voor het uitvoeren van de Subsidieregeling praktijkleren. In 2027 is in totaal € 4,2 miljoen beschikbaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is een ZBO dat verantwoordelijk is voor de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo en de staatsexamens Nederlands als tweede taal. De bijdragen van artikel 1 (primair onderwijs) en artikel 4 (beroepsonderwijs en volwasseneducatie) voor het CvTE worden zoals gebruikelijk bij de Voorjaarsnota naar artikel 3 (voortgezet onderwijs) overgeboekt. In 2027 is in totaal € 13,7 miljoen beschikbaar.

Wet Subsidiëring Landelijke Onderwijsondersteunende Activiteiten (SLOA)

Op basis van de Wet SLOA worden middelen toegekend aan stichting CITO voor het ontwikkelen van de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo.

Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

SBB ontvangt middelen om de aansluiting tussen mbo-onderwijs en de arbeidsmarkt te verbeteren. De bij SBB belegde wettelijke taken dragen bij aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Hiertoe behoort het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur. Ook werft, accrediteert en begeleidt SBB leerbedrijven, zorgt zij voor voldoende leerwerkplekken, bevordert zij de kwaliteit van deze plaatsen en draagt zij bij aan het voorkomen van stagediscriminatie. Daarnaast levert SBB stage- en arbeidsmarktinformatie. De samenwerking tussen het onderwijs en het bedrijfsleven binnen één organisatie draagt bij aan kwalitatief goed beroepsonderwijs met opleidingen die up-to-date zijn en voldoende, goede stageplaatsen. Voor deze wettelijke taken ontvangt SBB in 2027 in totaal circa € 84,2 miljoen.

Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek: NKO-Programma's mbo

In het kader van het versterken van de onderwijskwaliteit en het bevorderen van innovatie en onderzoek binnen het mbo zijn er middelen beschikbaar gesteld voor de Nederlandse Onderwijspremie, de Comeniusbeurzen en het Comeniusnetwerk. Het betreft een pakket met stimulerende maatregelen met daarin een onderwijspremie als erkenning voor vernieuwing van het onderwijs en een stimulans voor docenten om te blijven werken aan onderwijsinnovatie en kennisdeling. Daarnaast bestaat dit pakket ook uit beurzen waarin excellent en bevlogen docentschap zichtbaar gewaardeerd wordt en uit een platform waar kennisdeling en –ontwikkeling gefaciliteerd en gestimuleerd wordt. Het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) ontvangt hiervoor in 2027 € 5,6 miljoen.

Nationaal Coördinatiepunt Nederlands Kwalificatieraamwerk (NCP NLQF)

Sinds 2025 is de Wet NLQF inwerking getreden. Daarmee is aan Stichting CINOP Publiek de ZBO-status toegekend voor de uitvoering van de wettelijke taken van het NCP NLQF. Jaarlijks stelt het NCP NLQF haar activiteitenplan met daarbij behorende begroting op voor de uitvoering van haar activiteiten. Voor het uitvoeren van dat programma vraagt het NCP NLQF jaarlijks bijdrage aan en in 2027 is hier circa € 1,0 miljoen voor beschikbaar.

Bijdrage aan medeoverheden

Regionale Meld- en Coördinatiefunctie

De Doorstroompuntfunctie (voorheen Regionale Meld- en Coördinatiefunctie) van de gemeente biedt ondersteuning aan jongeren zonder startkwalificatie om voortijdige schooluitval te voorkomen en begeleidt jongeren bij terugkeer in het onderwijs of, als dat niet passend is, bij het vinden van werk. Hierin werken de Doorstroompunten samen met partijen in het zorg-, onderwijs- en arbeidsmarktdomein. De financiering voor de uitvoering van de Doorstroompuntfunctie vindt plaats via een specifieke uitkering. In 2027 is € 72,0 miljoen beschikbaar voor de 40 Doorstroompuntregio’s. Het budget voor regionale Meld- en Coördinatiefunctie is door het wetsvoorstel van school naar duurzaam werk vastgezet voor de periode 2026 t/m 2029.

Educatie

Gemeenten ontvangen budget om cursussen voor het versterken van basisvaardigheden, zoals taal, rekenen en digitale vaardigheden, aan te bieden aan hun inwoners. De doelgroep bestaat uit volwassenen die Nederlands als eerste of tweede taal hebben en niet inburgeringsplichtig zijn. Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget via een specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een regio (via de 35 contactgemeenten). Gemeenten hebben bij de besteding van dit budget inkoop- en/of subsidievrijheid en kiezen zelf aanbieders op basis van de vraag en behoefte van hun doelgroepen.

Vanaf 1 augustus 2027 ontvangen openbare lichamen in Caribisch Nederland ook middelen voor volwasseneneducatie. Deze worden via het BES-fonds verstrekt voor structureel € 0,5 miljoen vanaf 2028. Met het terugdraaien van de korting op specifieke uitkeringen door het kabinet-Jetten is er bij de Nota van Wijziging op de Eerste Suppletoire Begroting 2026 € 8,8 miljoen structureel toegevoegd vanaf 2027. In totaal is er in 2027 € 96,5 miljoen beschikbaar gesteld.

Regionaal Programma

Scholen en gemeenten voeren gezamenlijk een regionaal programma uit om voortijdige schooluitval te voorkomen en terug te dringen, zoals toegelicht bij het regionaal programma voor scholen. Contactgemeenten ontvangen € 50,2 miljoen in 2027 voor hun bijdrage aan het Regionaal Programma.

Masterplan Campus Groningen

Naar aanleiding van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen is een meerjarig investeringspakket toegezegd ten behoeve van brede sociaal- economische ontwikkeling in Groningen. Onderdeel van dit pakket is het versterken van het kennis- en innovatie ecosysteem in Noord-Nederland. Focus ligt daarbij op maatschappelijke vraagstukken zoals energie, gezondheid en digitalisering. Hierbij werken mbo-, hbo- en wo-instellingen samen met de provincie en gemeenten. Hiervoor is € 6,0 miljoen beschikbaar in 2027. Dit gebeurt onder de noemer van het Masterplan Campussen.

Extracomptabele fiscale regelingen

Tabel 31 Fiscale regelingen 2025-2027, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2025

2026

2027

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

0

0

0

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

3.4 Artikel 6 en 7. Hoger onderwijs

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

De minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren

De minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten, zoals kwaliteitsafspraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatiestelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder het accreditatiestelsel.

Kengetallen
Tabel 32 Studenten hoger onderwijs (aantallen x € 1.000)
 

2025/26

2026/27

2027/28

2028/29

2029/30

2030/31

2031/32

Hbo voltijd associate degree

18,2

18,9

19,3

19,4

19,46

19,5

19,4

Hbo voltijd bachelor

356,7

349,6

345,2

342,0

338,98

336,1

333,5

Hbo voltijd master

7,4

7,5

7,5

7,5

7,49

7,5

7,5

Hbo deeltijd associate degree

10,4

10,6

10,8

10,9

11,01

11,0

11,1

Hbo deeltijd bachelor

38,8

38,6

38,6

38,7

38,84

39,0

39,1

Hbo deeltijd master

8,0

7,9

7,9

7,9

7,88

7,9

7,9

Totaal hbo

439,4

433,1

429,3

426,4

423,7

421,0

418,5

Wo voltijd bachelor

208,1

203,5

200,44

198,00

196,0

193,9

191,56

Wo voltijd master

121,6

120,8

118,89

117,05

115,5

114,2

113,23

Wo deeltijd bachelor

1,3

1,3

1,26

1,25

1,2

1,2

1,25

Wo deeltijd master

2,8

2,6

2,60

2,58

2,6

2,5

2,55

Totaal wo

333,8

328,2

323,2

318,9

315,3

311,8

308,6

Tabel 33 Gediplomeerden (aantallen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Hbo voltijd associate degree

4,8

5,0

5,2

5,4

5,4

5,4

5,4

Hbo voltijd bachelor

65,4

61,5

59,2

58,1

57,3

56,7

56,3

Hbo voltijd master

3,4

3,4

3,4

3,5

3,5

3,5

3,4

Hbo deeltijd associate degree

2,8

2,9

3,0

3,0

3,1

3,1

3,1

Hbo deeltijd bachelor

7,4

7,1

7,1

7,0

7,0

7,0

7,1

Hbo deeltijd master

2,4

2,4

2,4

2,4

2,4

2,4

2,4

Totaal hbo

86,2

82,3

80,3

79,4

78,7

78,1

77,7

Wo voltijd bachelor

51,1

48,6

47,4

46,3

45,3

44,8

44,3

Wo voltijd master

56,1

55,9

56,1

55,3

54,4

53,6

53,0

Wo deeltijd bachelor

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Wo deeltijd master

1,0

1,0

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

Totaal wo

108,4

105,6

104,6

102,7

100,8

99,5

98,4

Tabel 34 Uitgaven per student (bedragen x € 1.000)

1.

Onderwijsuitgaven per student (bedragen x € 1.000)

2027

2028

2029

2030

2031

 

Hbo

10,9

10,8

10,9

10,9

11,0

 

Wo

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

2.

Wettelijk collegegeld (hbo en wo voltijd, bedragen x € 1)

2026/27

    
  

2.694

    

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van hoger onderwijs beschreven. De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 6 en 7:

Tabel 35 Budgettaire gevolgen van beleid art. 6 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

4.767.500

4.975.899

4.663.441

4.444.512

4.415.238

4.398.124

4.384.091

        

Uitgaven

4.649.407

4.795.779

4.683.515

4.605.452

4.492.422

4.419.894

4.400.146

        

Bekostiging

4.470.483

4.559.245

4.415.739

4.350.841

4.349.065

4.334.607

4.315.047

Bekostiging onderwijsdeel

4.263.469

4.344.851

4.196.345

4.126.987

4.125.231

4.110.773

4.091.313

Bekostiging ontwerp en ontwikkeling

166.026

172.289

219.394

223.854

223.834

223.834

223.734

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

414

0

0

0

0

0

0

Fonds onderzoek en wetenschap

40.574

42.105

0

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

95.752

147.922

183.488

173.270

60.368

1.837

1.815

Nationaal Groeifonds LLO Katalysator

47.865

33.577

38.869

98.895

49.673

0

0

Nationaal Groeifonds Npuls

44.534

93.527

101.067

66.052

8.855

0

0

Nationaal Groeifonds Nationale aanpak professionalisering leraren

914

17.244

40.515

6.000

0

0

0

Tegemoetkoming 2e lerarenopleiding

492

365

0

0

0

0

0

Overige subsidies

1.947

3.209

3.037

2.323

1.840

1.837

1.815

Bijdrage aan agentschappen

19.844

22.363

23.387

23.748

25.438

25.899

25.733

Dienst Uitvoering Onderwijs

19.844

22.363

23.387

23.748

25.438

25.899

25.733

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

63.328

66.249

60.901

57.593

57.551

57.551

57.551

NWO: Promotiebeurs voor leraren

12.443

12.872

2.909

0

0

0

0

NWO: NKO-programma's HO

28.781

30.975

32.225

31.849

31.849

31.849

31.849

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

7.312

6.756

6.146

6.123

6.081

6.081

6.081

Bijdrage RWT Nuffic

10.494

10.858

10.858

10.858

10.858

10.858

10.858

Bijdrage RWT Landelijk Centrum Studiekeuze

4.298

4.788

4.788

4.788

4.788

4.788

4.788

Bijdrage RWT SURFCert

0

0

3.975

3.975

3.975

3.975

3.975

        

Ontvangsten

2.109

16

16

16

16

16

16

Tabel 36 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

4.767.500

4.975.899

4.663.441

4.444.512

4.415.238

4.398.124

4.384.091

waarvan garantieverplichtingen

8.239

26.217

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

4.759.261

4.949.682

4.663.441

4.444.512

4.415.238

4.398.124

4.384.091

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Tabel 37 Budgettaire gevolgen van beleid art. 7 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

7.678.996

7.886.911

7.609.992

7.561.139

7.561.619

7.500.830

7.281.548

        

Uitgaven

7.405.661

7.637.125

7.575.201

7.608.485

7.561.288

7.561.899

7.500.404

        

Bekostiging

7.394.115

7.619.370

7.561.774

7.595.786

7.548.565

7.548.817

7.487.208

Bekostiging onderwijsdeel

3.458.732

3.553.532

3.464.680

3.400.067

3.369.636

3.345.823

3.277.821

Bekostiging onderzoeksdeel

2.951.008

3.046.165

3.186.936

3.286.896

3.268.356

3.290.721

3.294.630

Bekostiging ondersteuning geneeskunde onderwijs en onderzoek

877.636

909.033

910.158

908.823

910.573

912.273

914.757

Fonds onderzoek en wetenschap

106.739

110.640

0

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

6.422

11.259

7.000

6.787

6.781

6.929

7.043

Vluchteling Studenten UAF

1.699

2.757

2.757

2.757

2.757

2.757

2.757

Expertisecentrum inclusief onderwijs (ECIO)

1.095

977

1.086

1.086

1.086

1.086

1.086

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)

373

449

422

499

422

499

422

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

351

363

413

413

413

413

413

Overige subsidies

2.904

6.713

2.322

2.032

2.103

2.174

2.365

Opdrachten

2.066

3.097

3.006

2.491

2.521

2.732

2.732

Opdrachten

2.066

3.097

3.006

2.491

2.521

2.732

2.732

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

3.058

3.399

3.421

3.421

3.421

3.421

3.421

Europees Universitair Instituut Florence (EUI)

1.869

2.076

2.141

2.141

2.141

2.141

2.141

United Nations University (UNU)

1.189

1.323

1.280

1.280

1.280

1.280

1.280

        

Ontvangsten

0

16

16

16

16

16

16

Tabel 38 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

7.678.996

7.886.911

7.609.992

7.561.139

7.561.619

7.500.830

7.281.548

waarvan garantieverplichtingen

‒ 21.607

29.521

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

7.700.603

7.857.390

7.609.992

7.561.139

7.561.619

7.500.830

7.281.548

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit artikel 6
Tabel 39 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

96,9%

bestuurlijk gebonden

3,1%

beleidsmatig gereserveerd

0,0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 6 is in 2027 96,9 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het budget voor 2027 is bijna 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van hogescholen voor onderwijs, ontwerp en ontwikkeling. Ten grondslag hieraan liggen de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Het resterende budget is aan te merken als bestuurlijk gebonden en beleidsmatig verplicht in het kader van met name de Coalitieakkoordmiddelen en de 10 procent-middelen studievoorschot.

Subsidies

Het budget voor 2027 is 47,6 procent juridisch verplicht. Het resterende deel is bestuurlijk gebonden in het kader van de Nationale Groeifondsprogramma’s Leven Lang Ontwikkelen (LLO) Katalysator, Npuls en de Nationale aanpak professionalisering leraren (NAPL).

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2027 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2027 is 100 procent juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor de onderdelen promotiebeurs voor leraren en Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO), de bijdrage aan de NVAO, de bijdragen aan Netherlands Universities Foundation For International Cooperation (Nuffic), de bijdragen aan Landelijk Centrum Studiekeuze (LCSK) en de bijdrage aan SURFCert voor de wettelijke taken op het gebied van internationale studenten, studiekeuze en cyberbeveiliging. De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

Budgetflexibiliteit artikel 7

Tabel 40 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

98,3%

bestuurlijk gebonden

1,6%

beleidsmatig gereserveerd

0,1%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 7 is in 2027 98,3 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het budget voor 2027 is bijna 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van universiteiten en academische ziekenhuizen voor onderwijs en onderzoek. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Het resterende budget is aan te merken als bestuurlijk gebonden en beleidsmatig verplicht in het kader van met name de Coalitieakkoordmiddelen en de 10 procent-middelen studievoorschot.

Subsidies

Het budget voor 2027 is voor 92,0 procent juridisch verplicht. Dit betreft enerzijds de bijdragen voor Vluchteling-Studenten UAF, Expertisecentrum inclusief onderwijs (Ecio), Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studenten Vakbond (LSVb). Deze middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht. Anderzijds betreft het de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de afstudeerregeling en de subsidieregeling kandidaten Europees Universitair Instituut. Het restant is beleidsmatig gereserveerd ten behoeve van ad-hocsubsidies.

Opdrachten

Het budget voor 2027 is voor circa 20 procent juridisch verplicht op grond van in 2026 of eerder gesloten overeenkomsten. De ervaring leert dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het budget voor 2027 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de verdragsrechtelijke bijdragen aan de United Nations University (UNU) en het Europees Universitair Instituut Florence (EUI). Deze middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

Bekostiging

Universiteiten (wetenschappelijk onderwijs (wo)) en hogescholen (hoger beroepsonderwijs (hbo)) ontvangen bekostiging voor onderwijs, onderzoek (wo) en ontwerp en ontwikkeling (hbo). De rijksbijdrage wordt jaarlijks aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsum. De rijksbijdrage is gebaseerd op de WHW. In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend.

Onderwijsdeel (artikel 6 en 7)Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage voor het onderwijs. De rijksbijdrage is gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:

  • een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma’s). Er zijn hierbij drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top);

  • een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen;

  • een onderwijsopslag in percentages (de ‘vaste voet’).

Deel ontwerp en ontwikkeling (artikel 6) en onderzoeksdeel (artikel 7)

Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage voor het ontwerp en ontwikkeling (praktijkgericht onderzoek). Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoeksdeel (wo) is gebaseerd op:

  • een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden;

  • een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerperscertificaten;

  • een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over onder andere sectorplannen, zwaartekracht en werkdruk- en talentbeleid;

  • een voorziening onderzoek in percentages (de ‘vaste voet’).

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek (artikel 7)

De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De rijksbijdrage bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, een procentueel deel en een bedrag vanwege rente en afschrijving (voor huisvesting).

Stabiele financiering hoger onderwijs (artikel 6 en 7)Conform de beleidsbrieffwordt gewerkt aan een wijziging van de financiering voor hbo en wo waardoor deze minder afhankelijk is van fluctuaties in de (internationale) studentenaantallen.

Gerichte Talentstrategie (artikel 6 en 7)In het coalitieakkoord is afgesproken dat universiteiten en hogescholen meer mogelijkheden krijgen om gericht internationaal toptalent aan te trekken en te behouden voor sectoren waar de maatschappelijke opgaven het meest urgent zijn en waarmee kennis- en innovatie ecosystemen in de regio behouden blijven. Structureel stelt dit kabinet € 154,5 miljoen (inclusief uitvoeringskosten) beschikbaar (Kamerstukken II, 2025/2026, 36800-VIII, nr. 148). Met de middelen die beschikbaar zijn voor de gerichte talentstrategie wordt de nog resterende bezuiniging op internationale studenten teruggedraaid. In 2027 stelt het kabinet € 67,6 miljoen beschikbaar waarvan € 24,9 miljoen wordt ingezet om de resterende bezuiniging op internationale studenten te verrekenen. Na verrekening resteert een investering van € 42,7 miljoen voor het hbo (€ 13,5 miljoen) en wo (€ 29,2 miljoen). Deze middelen staan nog op de Aanvullende Post. Structureel is voor het hbo € 49,1 miljoen gereserveerd en voor het wo € 105,4 miljoen.

Tabel 41 Resterende bezuinigingsopgave internationale studenten (bedragen x € 1.000)
 

2027

2028

2029

2030

2031

2032

Resterende bezuiniging (stand 1e suppletoire begroting 2026)

24.946

43.915

42.545

3691

0

0

CA Gerichte Talentstrategie/Taakstellende intensivering hbo & wo

‒ 24.946

‒ 43.915

‒ 42.545

‒ 369

0

0

Totaal

0

0

0

0

0

0

1

Dit betreft het saldo van € 548.000 voor het hbo en € -179.000 voor het wo. Het bedrag voor het wo is bij de eerste suppletoire begroting 2026 al verwerkt op artikel 7.

Kennisveiligheid en cyberweerbaarheid (artikel 6 en 7)Instellingen hebben bij het uitvoeren van hun wettelijke taken de verantwoordelijkheid om hun kennis te beschermen voor misbruik. Om instellingen op weg te helpen bij hun uitdagingen op het gebied van kennis-en cyberveiligheid investeert dit kabinet tot en met 2031 cumulatief € 29,2 miljoen bij hogescholen en € 48,9 miljoen bij universiteiten.

Inzet middelen na afbouw regeling doorstroom beroepskolom (artikel 6)De regeling Versterking Aansluiting Beroepsonderwijskolom (VABOK) wordt per 2027 stopgezet [Kamerstukken II, 2025–2026, 36 915 VIII, nr. 2]. De resterende middelen zijn toegevoegd aan de bekostiging van het hbo. Deze middelen worden ten eerste ingezet voor het Actieplan kleine lerarenopleidingen. Het Actieplan richt zich op het behoud van een landelijk dekkend en toegankelijk aanbod van hbo-lerarenopleidingen en moet mede bijdragen aan de continuïteit van het onderwijs in de schoolvakken met de grootste lerarentekorten. Ten tweede worden deze middelen ingezet voor het ophogen van het aantal opleidingsplaatsen bij de hbo zorgopleidingen Mondzorgkunde, Physician Assistant en Verpleegkundig specialist. Voor de periode 2027-2030 is in totaal € 34,0 miljoen beschikbaar gesteld. Voor het actieplan is gedurende deze periode € 7,0 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Voor het ophogen van het aantal opleidingsplaatsen is in 2029 en 2030 in totaal € 6,0 miljoen beschikbaar. Er is jaarlijks € 5,4 miljoen beschikbaar voor de structurele ophoging van het aantal opleidingsplaatsen vanaf 2032.

Ontwerp en ontwikkeling (artikel 6)Onder ontwerp en ontwikkeling staat het budget dat hogescholen ontvangen voor praktijkgericht onderzoek (PGO). Praktijkgericht onderzoek ontstaat vanuit een maatschappelijke vraag of vanuit een uitdaging in de praktijk en vindt plaats bij hogescholen. Het is essentieel voor de aansluiting van onderwijs op de beroepspraktijk, het bevorderen van innovatie en de bijdrage aan het Nederlandse kennisecosysteem. Hogescholen werken bij praktijkgericht onderzoek intensief samen met bedrijven en maatschappelijke partners, in thematische en regionale clusters. Dit kabinet verhoogt de bekostiging voor praktijkgericht onderzoek aan hogescholen met € 5 miljoen vanaf 2027 oplopend naar structureel € 46,0 miljoen vanaf 2032. Voor praktijkgericht onderzoek zijn diverse indicatoren beschikbaar.

Sectorplannen (artikel 7)Sectorplannen zorgen voor samenwerking en profilering in het wetenschappelijk onderzoek. De sectorplannen worden ingezet om langjarige kansen en knelpunten in een bepaalde sector of discipline gezamenlijk aan te pakken. Bijvoorbeeld het najagen van een wetenschappelijke doorbraak of het behouden van kwetsbare vakgebieden. Het kabinet investeert hierin structureel € 132,4 miljoen bovenop de bestaande sectorplannen. De universiteiten werken met deze nieuwe investering in sectorplannen aan fundamenteel onderzoek in de domeinen die dit kabinet als cruciaal ziet voor onze toekomstige welvaart.

Werkdruk (artikel 7)Het is voor de realisatie van de doelen van het onderzoeks- en wetenschapsbeleid belangrijk dat Nederland aantrekkelijk is voor onderzoekers; zowel bij het aantrekken als bij het vasthouden ervan. De universiteiten zijn als werkgevers verantwoordelijk voor een aantrekkelijk werkklimaat voor hun onderzoekers. Onderzoeken van de Arbeidsinspectie laten zien dat werkdruk een belangrijk aandachtspunt is bij universiteiten. Het kabinet investeert tot en met 2031 cumulatief € 378,0 miljoen in de eerste geldstroom van universiteiten om hen te helpen bij het terugbrengen van de werkdruk. Dit is bovenop het bestaande geld voor werkdruk en talent van € 154,8 miljoen in 2027 en 2028 en € 128,0 miljoen in 2029 tot en met 2031. Hiervoor zijn de indicatoren relevant voor werkdruk, arbeidsverzuim en type contract.

Subsidies

Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF (UAF) (artikel 7)

De stichting richt zich op ondersteuning en begeleiding van aspirant vluchtelingen-studenten en de ondersteuning van vluchtelingen-studenten gericht op het vergoten van de toegankelijkheid van het hbo- en wo-onderwijs en het studiesucces. Daarbij gaat het (onder meer) over het verhogen van niveau Nederlands en het wegwerken van eventuele deficiënties. De activiteiten betreffen onder andere: 

  • begeleiding middels voorlichting en advies over Nederlands onderwijssysteem en studiekeuze;

  • vergoeding van studiekosten en bijbehorende reiskosten, waaronder taalcursussen, cursussen om deficiënties weg te werken en kosten om studievaardigheden op te doen; 

  • bemiddeling, waar nodig, met onder andere studentdecanen, casemanagers sociale diensten, toelatingscoördinatoren onderwijsinstellingen.

Studentenwelzijn Ecio (artikel 7)

Het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO) is een kennispartner voor mbo-, hbo- en wo-instellingen op inclusief onderwijs en ondersteunt hen bij het realiseren van toegankelijk onderwijs voor studenten met een ondersteuningsvraag. Dit betreft het wegnemen van belemmeringen voor studenten met een functiebeperking en hen succesvol laten studeren en doorstromen naar de arbeidsmarkt. ECIO coördineert daarnaast ook de bijeenkomsten van het Landelijk Netwerk en de Landelijke Werkgroep Studentenwelzijn.

ISO en LSVb (artikel 7)

Het betreft hier de (structurele) bekostiging van twee organisaties, die conform de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek, recht hebben op financiële ondersteuning voor hun werkzaamheden. Deze werkzaamheden hebben betrekking op de belangenbehartiging van studenten.

Nationaal Groeifondsprogramma Nationale LLO-katalysator (artikel 6)

Het doel van de nationale LLO-katalysator is een forse impuls te geven aan de ontwikkeling van bij-, op- en omscholingsaanbod. In regionale samenwerkingsverbanden van bedrijfsleven, onderwijs (mbo, hbo en wo; publiek en privaat) en overheid vindt vraaggerichte ontwikkeling van het scholingsaanbod plaats en worden afspraken gemaakt over uitvoering en deelname.

Het programma is opgeknipt in twee tranches: tranche 1 loopt tot eind 2026, tranche 2 loopt tot 2031. In tranche 1 ligt de focus op scholing die benodigd is voor het realiseren van de ambities op het vlak van de energie- en grondstoffentransitie. Vervolgens wordt de aanpak in de tweede tranche verbreed naar andere (tekort)sectoren. Onderdeel van het plan is het opzetten van een LLO-Radar, waarmee continu de (toekomstige) behoefte aan vaardigheden op de arbeidsmarkt in beeld wordt gebracht, zodat tijdig kan worden voorzien in passend scholingsaanbod. Daarnaast wordt in de LLO-katalysator gewerkt aan het versterken van de leercultuur bij bedrijven en instellingen, aan professionalisering van de onderwijsorganisaties op het gebied van LLO-dienstverlening en vindt op landelijk niveau onderzoek en ontwikkeling plaats.

Het budget voor de LLO-katalysator is in totaal € 392,0 miljoen. Hiervan is € 310,8 miljoen onvoorwaardelijk toegekend (tranche 1 en 2 tot eind 2029), voor de periode daarna (tranche 3 tot 2031) is € 81,2 miljoen voorwaardelijk toegekend. De middelen die gemoeid zijn met dit programma zijn bedoeld voor de mbo-, hbo- en wo-instellingen. De precieze verdeling van de middelen dient nog uitgewerkt te worden.

NGF-programma Npuls (artikel 6)

Npuls is een samenwerkingsprogramma van het (publieke) mbo-, hbo en wo-onderwijs in Nederland, verenigd in de MBO Raad, Universiteiten van Nederland en de Vereniging Hogescholen, en de IT-coöperatie SURF en andere samenwerkingspartners. In dit programma werken zij samen om het onderwijs meer wendbaar te maken en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. In het programma werken mensen uit alle onderwijsinstellingen en daarbuiten samen aan experimenten, pilots en opschaling/verbreding op het gebied van (bijvoorbeeld) het veilig en verantwoord inzetten van Artificiële Intelligentie (AI), digitaal toetsen en examineren, digitale (open) leermaterialen, eduwallets, kleine zelfstandige onderwijseenheden (microcredentials) en het versterken van digitale vaardigheden van lerenden en docenten. Digitale sectorvoorzieningen die bijdragen aan deze doelen, worden volgens de principes van de gezamenlijke sectorarchitectuur ontwikkeld, waardoor ze interoperabel zijn en voldoen aan de publieke waarden. Zo draagt het programma bij aan het versterken van digitale autonomie van het vervolgonderwijs. 

Door in te zetten op kennisdeling en ontwikkeling van docenten op landelijk niveau én in iedere instelling (Centers for Teaching and Learning) wordt nieuwe kennis en ervaring snel beschikbaar gemaakt voor alle docenten. Zo kunnen de professionals in onderwijsinstellingen het onderwijs (blijven) verbeteren, en aanbieden aan alle lerenden. Zij zijn beter toegerust op (steeds nieuwe) vragen van de samenleving. Op deze manier maakt het gehele vervolgonderwijs zich via deze transitie klaar voor de toekomst. Door die duurzame inzetbaarheid draagt het programma bij aan de Nederlandse economie en heeft het een positief effect op de kwaliteit en doelmatigheid van het mbo, hbo en wo.

Het budget voor Npuls is in totaal € 560 miljoen. Hiervan is € 384,7 miljoen onvoorwaardelijk toegekend (tranche 1 en 2A tot en met 2029). Voor de periode daarna (tranche 3 tot en met 2031) is € 175,3 miljoen voorwaardelijk toegekend. De middelen van het programma zijn bedoeld voor de mbo-, hbo- en wo-instellingen. Een deel van het geld landt ook bij SURF, die als ICT-coöperatie van de instellingen de digitale voorzieningen ontwikkelt en beheert, en bij onderzoekers, die via het NKO onderzoek doen naar onderwerpen binnen Npuls.

NGF-programma Nationale aanpak professionalisering leraren (NAPL) (artikel 6)NAPL is in 2024 gestart, heeft een looptijd van tien jaar en een budget van in totaal € 159,6 miljoen. Hiervan is € 73,1 miljoen onvoorwaardelijk toegekend voor de periode tot en met 2027, de resterende € 86,5 miljoen is voorwaardelijk toegekend voor de periode van 2028 tot en met 2033.

NAPL bouwt aan een landelijk systeem voor professionalisering van leraren in het po, vo en mbo, dat toegang biedt tot en richting geeft aan kwalitatief hoogwaardig, praktijkgericht en vraag-gestuurd professioneel leren. Hiermee geeft NAPL een belangrijke impuls aan LLO voor leraren en de kwaliteit van het onderwijs.

Met de publicatie van de eerste ontwikkelpaden voor leraren en het kwaliteitskader, die door ontwikkelgroepen met deelnemers uit het veld zijn opgesteld, heeft de structuur van NAPL de eerste concrete resultaten behaald in Q2 van 2026. Ook is de subsidieregeling co-creatielabs gepubliceerd, waarmee regionale samenwerkingsverbanden van leraren, opleiders en werkgevers gestimuleerd worden om samen kwalitatief professionaliseringsaanbod te ontwikkelen.

De structuur van NAPL wordt de komende jaren verder geconcretiseerd met het digitale platform om het professionaliseringsaanbod overzichtelijk en toegankelijk te maken, het kwaliteitsborgingssysteem om het aanbod aantoonbaar aan te laten sluiten bij de inhoud- en niveauvoorwaarden en de tegemoetkomingsregeling waarmee bijna 60.000 leraren deel kunnen gaan nemen aan professionaliseringsaanbod dat past binnen de ontwikkelpaden en kwaliteitskaders.

Ongeveer 80% van de totale middelen is beschikbaar voor het onderwijsveld ten behoeve van het ontwikkelen van kwalitatieve professionaliseringstrajecten en het laten deelnemen van leraren aan kwalitatieve professionaliseringstrajecten.

Overig (artikel 6 en 7)

Bij dit financiële instrument zijn afzonderlijk voor de artikelen 6 en 7 overige toekenningen opgenomen die gelijk aan, dan wel kleiner zijn dan € 1,0 miljoen. Het gaat hier om middelen die deels juridisch en deels bestuurlijk verplicht zijn bijvoorbeeld op basis van de afstudeerregeling, kandidaten Europees Universitair Instituut en diverse ad-hocsubsidies.

Opdrachten (artikel 7)

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor diverse beleidsgerichte activiteiten/onderzoeken en de communicatie rondom beleidsontwikkelingen.

Bijdrage aan agentschappen (artikel 6)

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

DUO is een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor de begrotingsartikelen 6 en 7 (hoger onderwijs).

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s (artikel 6)

NWO Promotiebeurs voor leraren

Leraren in het po, vo, mbo en hbo worden in staat gesteld om promotieonderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. Jaarlijks kan via NWO aan circa 50 leraren een nieuwe beurs voor een periode van vijf jaar worden verstrekt. Vanaf 2028 worden er geen nieuwe beurzen meer toegekend.

NWO NKO-programma's ho

Vanaf 2023 is de volledige uitvoering van zowel het Comeniusprogramma (circa 60 beurzen per jaar) als de Nederlandse Onderwijspremie (zes premies per jaar) bij het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) komen te liggen, inclusief het verstrekken van de beurzen en premies aan de instellingen. Daarnaast worden via het NKO ook andere vernieuwingsprogramma’s (Scholarship of Teaching & Learning-beurzen, Docent van het Jaar en de Opschalingsbeurzen), onderzoek naar het hbo en wo gefinancierd en kennisdeling gefaciliteerd. 

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie, opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid. Deze organisatie geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. In deze begroting is de bijdrage opgenomen die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar reguliere taken en voor haar aanvullende taken.

NufficOp grond van de Wet Subsidiëring Landelijke Onderwijsondersteunende Activiteiten 2013 (Wet SLOA 2013) heeft Nuffic wettelijke taken die betrekking hebben op het hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschappelijk onderwijs (wo), maar op onderdelen raken de taken ook het funderend onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (mbo). De wettelijke taken betreffen (onder meer) de rol van Nationaal informatiecentrum op grond van de Lissabon Erkenningsconventie en het lidmaatschap van de ENIC/NARIC netwerken (ENIC: European Network of Information Centres/NARIC: National Academic Recognition Information Centres in the European Union). Daarnaast is Nuffic het kennis- en expertisecentrum dat zich focust op internationalisering in het onderwijs in den brede en stelt informatie hierover publiekelijk beschikbaar. Ook is Nuffic aangewezen om te adviseren over diplomawaardering en onderwijsvergelijking. Voor het overige voert Nuffic sinds 2021 op grond van een opdrachtverlening, de dienstverleningsactiviteiten voor (met name) po, vo en mbo uit (zie artikel 8 Internationaal beleid).

Landelijk Centrum voor Studiekeuze (LCSK)Het LCSK is door de minister aangewezen als partij om objectieve, betrouwbare en vergelijkbare studiekeuze-informatie te verzamelen en te verspreiden en onderzoek te doen naar studenttevredenheid en –betrokkenheid. Voor dit laatste organiseert de stichting jaarlijks de Nationale Studentenenquête (NSE). Aanvullend op de reguliere subsidie die LCSK ontvangt hiervoor, wordt jaarlijks (maximaal) € 1,0 miljoen extra beschikbaar gesteld ten behoeve van het verbeteren van de arbeidsmarktinformatie richting studenten. Het LCSK zet deze middelen in voor de (door)ontwikkeling van een webpagina waarmee studiekiezers beroepen kunnen verkennen, welke carrièremogelijkheden ze hebben en welke studies daarbij passen. Hiermee moet het voor studiekiezers duidelijker worden welk toekomstperspectief, inclusief verwachtingen rond de arbeidsmarkt, past bij een studie.

SURFcertSURFcert vormt het Cyber Emergency Response Team voor het hoger onderwijs en voorziet de sector van ondersteuning en advies op het gebied van cyberbeveiliging. Onder de Cyberbeveiligingswet (die op 15 augustus in werking is getreden) wijst OCW een wettelijke taak als CSIRT (Cyber Security Response Team) aan, SURFcert is hiervoor de beoogde partij en zal hiervoor naar verwachting in 2026 aangewezen worden. De voorbereiding op deze taak loopt en wordt bekostigd vanuit de OCW begroting.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties (artikel 7)

Europees Universitair Instituut Florence (EUI) en United Nations University (UNU)

Het betreft hier de (structurele) bijdrage aan een tweetal internationale organisaties die taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.

Ontvangsten (artikel 6 en 7)

Bij de ontvangsten is een raming opgenomen voor terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers, bijvoorbeeld als gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies.

3.5 Artikel 8. Internationaal beleid

Het bevorderen van internationale samenwerking voor het Koninkrijk. Uitwisseling ter ondersteuning en versterking van de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap en ter verdere ontwikkeling van internationale competenties van scholieren en studenten, docenten, de creatieve sector en wetenschappers.

Stimuleren

Bij het uitvoeren van de algemene doelstelling ligt de nadruk enerzijds op het ondersteunen van instellingen, voor wie de internationale samenwerking noodzakelijk is voor het op peil houden van de hoge kwaliteit, en anderzijds op het ontwikkelen van talent voor de Nederlandse kenniseconomie en tekortsectoren. Vanwege veranderende wereldwijde machtsverhoudingen zetten we daarbij in op strategische partnerschappen binnen en buiten de Europese Unie (EU) en hebben we oog voor de risico’s, met name op het vlak van kennisveiligheid. Deze inzet is nodig om de strategische Europese autonomie te behouden en de Nederlandse concurrentiekracht te versterken.

Daartoe zorgt de minister vanuit haar stelselverantwoordelijkheid voor de benodigde internationaal-bestuurlijke randvoorwaarden, bijvoorbeeld door afspraken te maken over kwaliteitszorg en grensverkeer en door de uitwisseling van best practices. De minister opereert hierbij binnen de EU en multilaterale kaders als de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation (UNESCO), bilaterale contacten. Deze samenwerking is met de prioriteitslanden neergelegd in verdragen en Memorandums of Understanding. Waar nodig wordt gebruik gemaakt van stimuleringsmaatregelen als fondsen en beurzen en worden faciliterende en uitvoerende instanties gefinancierd. De bevordering van internationale samenwerking is ondersteunend aan de beleidsdoelstellingen van het Ministerie van OCW. De voorgenomen activiteiten zijn dan ook voor een belangrijk deel opgenomen in de betreffende beleidsartikelen.

Indicatoren/kengetallen

Internationale ondersteunende maatregelen houden onder andere in dat geïnvesteerd wordt in goede onderlinge verhoudingen en kennis- en informatievergaring met andere landen, waardoor communicatie, uitwisseling en samenwerking kan ontstaan. Er is verbondenheid met een aantal internationale gremia (onder andere de OESO) waarbinnen internationale kennis, indicatoren en (achtergrond)informatie wordt opgehaald om de ontwikkeling van beleid te ondersteunen en versterken. Dit neemt niet weg dat de Nederlandse prestaties op een aantal indicatoren worden vergeleken met andere landen. Een selectie van deze indicatoren is te vinden op de website OCW in Cijfers.

In het onderdeel beleidsprioriteiten(paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van internationaal beleid beschreven.

Het volgende sub-thema in de beleidsprioriteiten heeft betrekking op beleidsartikel 8:

Tabel 42 Budgettaire gevolgen van beleid art. 8 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

23.413

27.919

27.498

27.398

27.534

26.660

26.603

        

Uitgaven

24.804

27.919

27.498

27.398

27.534

26.660

26.603

        

Subsidies (regelingen)

8.435

7.714

7.496

8.171

8.091

8.064

8.056

Stichting Ons Erfdeel

185

191

62

0

0

0

0

Stichting Nuffic

1.125

0

0

0

0

0

0

Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training

4.918

4.971

4.949

4.674

4.651

4.651

4.648

Internationalisering onderwijs

0

0

0

971

948

921

919

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

824

987

987

983

982

982

982

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

685

697

697

694

694

694

693

Overige incidentele subsidies

698

868

801

849

816

816

814

Opdrachten

4.980

6.986

6.810

6.138

6.244

5.424

5.395

Opdrachten

4.980

6.986

6.810

6.138

6.244

5.424

5.395

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

1.215

1.214

1.169

1.169

1.169

1.168

Bijdrage Nuffic

0

1.215

1.214

1.169

1.169

1.169

1.168

Bijdrage aan medeoverheden

1.317

1.448

1.607

1.632

1.739

1.739

1.736

Bijdragen aan medeoverheden

1.317

1.448

1.607

1.632

1.739

1.739

1.736

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

9.592

9.989

9.887

9.858

9.849

9.822

9.806

Nederlandse Taalunie

8.974

9.331

9.229

9.181

9.172

9.145

9.130

Europa College Brugge

30

36

36

35

35

35

35

Unesco

53

61

61

60

60

60

60

OESO CERI

99

104

104

102

102

102

102

Fulbright Center

422

433

433

428

428

428

427

EU-programma's en activiteiten

2

24

24

23

23

23

23

Overige bijdragen

12

0

0

29

29

29

29

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

480

567

484

430

442

442

442

Vlaams-Nederlandshuis DeBuren (Hoofdstuk 5 BuZa)

480

567

484

430

442

442

442

        

Ontvangsten

235

99

99

99

99

99

99

Budgetflexibiliteit
Tabel 43 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

97,6%

bestuurlijk gebonden

0,0%

beleidsmatig gereserveerd

2,0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,4%

Van het totale budget voor artikel 8 is voor 2026 97,6 procent juridisch verplicht.

Subsidies

Van het budget voor subsidies is 97,1 procent juridisch verplicht.

Opdrachten

Van het budget voor opdrachten is 96,1 procent juridisch verplicht. Het betreft onder andere een aanbesteding internationalisering en uitvoerings- en evaluatiekosten ten behoeve van uitvoering van de wettelijke afspraken met Caribisch Nederland.

Bijdragen aan ZBO's en RWTHet budget voor 2027 is 94,2 procent juridisch verplicht. Het gaat om middelen ten behoeve van de subsidie aan Nuffic.

Bijdragen aan medeoverhedenHet budget voor 2027 is 95,5 procent juridisch verplicht. Het gaat om middelen die worden ingezet voor het OCW-beleid in Caribisch Nederland.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Van het budget voor de bijdragen aan (inter)nationale organisaties is 99,7 procent juridisch verplicht. Het gaat om middelen die worden ingezet voor onder andere de Taalunie en bijdragen aan andere internationale (verdrags)organisaties.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het budget voor de bedragen aan andere begrotingshoofdstukken is 99,2 procent juridisch verplicht. De subsidiëring vindt plaats via het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Subsidies

Stichting Ons Erfdeel

De Vlaams-Nederlandse vereniging Ons Erfdeel wil context brengen bij kunst, taal, geschiedenis, literatuur en maatschappelijke ontwikkelingen uit de Lage Landen. Dit realiseert Ons Erfdeel door het uitbrengen van artikelen en boeken, het publiceren van het Franstalige tijdschrift Septentrion en het digitaal publiceren van artikelen op hun Nederlandstalige, Franstalige en Engelstalige websites. Vanwege de HGIS-taakstelling uit het hoofdlijnenakkoord van het kabinet Schoof stopt OCW de subsidie aan Stichting Ons Erfdeel.

Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training

Het Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training is samen met het Nationaal Agentschap Erasmus+ Jeugd belast met het beheer en de uitvoering in Nederland van het EU-programma Erasmus+. Nuffic is aangewezen als Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training voor het Erasmus+ programma. Erasmus+ wordt gezien als hét vlaggen-schipprogramma van de EU waarmee individuen de kans krijgen om hun educatieve, professionele en persoonlijke vaardigheden te ontwikkelen door middel van studie, opleiding, werkervaring, jongerenuitwisseling of deelname aan vrijwilligerswerk in het buitenland. Het programma draagt ook bij aan de nationale beleidsdoelstellingen zoals professionalisering van docenten, digitalisering in/van het onderwijs en inclusief onderwijs.

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

Het Duitsland Instituut bij de Universiteit van Amsterdam (DIA) is een kennisinstituut in Nederland over het moderne Duitsland. Het DIA opereert op het raakvlak van onderwijs, wetenschap en maatschappij. Het DIA benadert Duitsland in Europese context en initieert Nederlands-Duitse netwerken en uitwisselingen. Het doel van het DIA is om de kennis over Duitsland te vergroten en verspreiden onder een breed publiek.

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

De leden van Neth-ER bestaan op dit moment uit: MBO-Raad, Nuffic, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), Universitair Medische Centra van Nederland (UMCNL), Nederlandse Organisatie voor Toegepast-Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO), Universiteiten van Nederland (UNL), Vereniging Hogescholen, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), Interstedelijk Studenten Overleg (ISO), Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) en Landelijke Studentenvakbond (LSVb). Het gezamenlijke doel van de vereniging is om de Nederlandse participatie aan de Europese programma’s te vergroten. Neth-ER ontvangt een subsidie van het Ministerie van OCW voor het informeren van het Nederlandse kennisveld over beleidsontwikkelingen van de Europese Unie op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie en de mogelijkheden die dit beleid hen biedt.

Overige incidentele subsidies

Dit betreft onder andere middelen voor de subsidieregeling Koninkrijksbeurzenprogramma. Deze regeling is bedoeld voor het verstrekken van subsidie ter ondersteuning van onderwijsmobiliteit binnen het Koninkrijk der Nederlanden.

Voor het Caribisch gebied betreft dit een projectsubsidie voor een gedeelde leerstoel doorwerking slavernijverleden voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en een programma voor lokaal onderzoek naar het slavernijverleden in Caribisch Nederland.

Opdrachten

Dit betreft onder andere middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken waaronder de aanbestedingsopdracht aan Nuffic en uitvoeringskosten voor Dienst Uitvoering Subsidies Instellingen (DUS-I). Daarnaast gaat het om middelen van het Ministerie van OCW die worden ingezet voor het beleid in Caribisch Nederland. Dat behelst onder meer het ondersteunen van de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs in Caribisch Nederland naar een met Europees Nederland vergelijkbaar niveau.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Nuffic

Nuffic is het kennis- en expertisecentrum voor internationalisering in het onderwijs; van funderend onderwijs tot beroepsgericht en hoger onderwijs. In de Wet Subsidiëring Landelijke Onderwijsondersteunende Activiteiten (SLOA) zijn de bijbehorende taken van Nuffic verankerd. Het gaat om activiteiten ter uitvoering van de Lissabon Erkenningsconventie, diplomawaardering, publiekelijk beschikbaar stellen van kennis en informatie omtrent internationalisering, bevordering van de internationalisering en advisering rondom beursverlening. Op grond van de Wet SLOA wordt jaarlijks instellingssubsidie aan Nuffic verstrekt.

Bijdrage aan medeoverheden

Dit betreft middelen voor de uitvoering van het Koninkrijksbrede programma Strategic Education Alliance (SEA) met als doel het studentsucces van Caribische studenten te verbeteren en voor het stimuleren van studeren in de nabije regio van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

De Taalunie

Op basis van het Taalunieverdrag levert OCW samen met Vlaanderen een financiële bijdrage waarmee de Taalunie het Nederlands wereldwijd ontwikkelt en stimuleert. Vanaf 2025 is er een bijdrage voor extra structurele inzet voor versterking van Internationale Neerlandistiek.

Europa College Brugge

Europa College te Brugge is een post-universitaire opleiding voor onderzoek naar Europese zaken, gefinancierd door de EU en EU-lidstaten.

UNESCO

Dit betreft middelen gereserveerd voor deelname aan diverse projecten in het kader van UNESCO.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) Centre for Educational Research and Innovation (CERI)

Dit betreft de deelname aan diverse onderwijsprojecten en -onderzoeken in het kader van het CERI, onderdeel van de OESO.

Fulbright Commission The Netherlands Fulbright Center

Verzorgt mobiliteitsprogramma’s voor het hoger onderwijs en onderzoek via beurzen voor uitwisseling met de Verenigde Staten (met bijdragen van o.a. de Amerikaanse regering).

Incidentele EU-programma’s en activiteiten

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten en verplichtingen in het kader van de EU en deelname aan EU-programma’s.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Vlaams-Nederlands Huis De Buren

Het Vlaams-Nederlands Huis De Buren is in 2004 opgericht door de Nederlandse en Vlaamse regering als een culturele organisatie en als ruimte voor debat en reflectie (subsidiëring vindt plaats via het Ministerie van Buitenlandse Zaken).

Ontvangsten

Bij de ontvangsten is een raming opgenomen voor terugvorderingen bij andere subsidieontvangers en organisaties, bijvoorbeeld als gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies.

Tabel 44 Homogene Groep Internationale Samenwerking (bedragen x € 1.000)

Art.

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

1

Primair onderwijs

32.336

33.627

32.336

32.336

32.336

32.336

32.336

3

Voortgezet onderwijs

10.416

10.819

10.416

10.416

10.416

10.416

10.416

6

Hoger beroepsonderwijs

4.698

4.356

4.316

4.297

4.297

4.378

4.378

7

Wetenschappelijk onderwijs

60.219

53.821

53.751

53.635

53.636

54.687

54.687

8

Internationaal beleid

665

685

546

430

442

442

442

14

Cultuur

6.787

6.763

6.076

6.035

2.636

2.636

2.636

16

Onderzoek en wetenschappen

477

1.361

1.336

493

493

493

493

95

Apparaat kerndepartement

3.867

4.524

4.432

4.402

4.404

4.406

4.406

 

Totaal

119.465

115.956

113.209

112.044

108.660

109.794

109.794

Toelichting

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is sinds 1997 een budgettaire constructie binnen de Rijksbegroting. In de HGIS worden de uitgaven van de verschillende ministeries op het gebied van het buitenlandbeleid gebundeld, waarmee de onderlinge samenhang geïllustreerd wordt. Dit bevordert de samenwerking en de afstemming tussen de betrokken ministeries. Bovenstaande tabel geeft een onderverdeling weer van de HGIS-middelen van het Ministerie van OCW per artikel.

3.6 Artikel 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

De kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij de behoefte van de maatschappij. De leraar, de schoolleider en ondersteunend personeel zijn daarbij cruciaal.

Financieren

De minister draagt bij aan het personeelsbeleid op scholen door het (mee)financieren van (mogelijkheden tot) werven, matchen, opleiden, begeleiden en professionaliseren. Dit gebeurt via aanvullende bekostiging en subsidies.

Stimuleren

De minister is verantwoordelijk voor het borgen van de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het stelsel. Door de krapte op de arbeidsmarkt en de demografische ontwikkelingen staat deze verantwoordelijkheid onder druk. Het vraagt dan ook continue aandacht en een breed pakket aan maatregelen om te zorgen voor voldoende en (blijvend) goed opgeleid personeel. Meer dan in de afgelopen periode is het daarnaast van belang om te leren omgaan met de schaarste. In sommige regio’s gaat het vooral om schaarste aan leraren en/of schoolleiders, in andere regio's is de uitdaging hoe de toegankelijkheid van lerarenopleidingen geborgd blijft. Over de aanpak en de ontwikkelingen wordt de Kamer twee keer per jaar geïnformeerd, in juni en december, via de brieven over de lerarenstrategie (Kamerstukken II, 2025/2026, 27923 nr. 518, nr. 539)

Indicatoren/kengetallen

De indicatoren/kengetallen voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid worden beschreven in het beleidsagenda en op OCW in Cijfers.

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het gebied van leraren beschreven.

Het volgende sub-thema in de beleidsprioriteiten heeft betrekking op beleidsartikel 9:

Tabel 45 Budgettaire gevolgen van beleid art. 9 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

364.132

1.284.918

238.827

245.373

245.551

531.454

531.389

        

Uitgaven

369.077

433.364

524.841

531.486

531.741

531.435

531.389

        

Bekostiging

224.477

272.167

286.416

290.428

290.351

290.370

291.440

Tekorten regio's

224.477

272.167

286.416

290.428

290.351

290.370

291.440

Subsidies (regelingen)

134.992

153.865

227.600

231.290

231.619

231.204

230.115

Lerarenbeurs

56.258

64.427

62.771

60.771

60.771

60.771

60.771

Zij-instroom

75.307

81.490

155.034

162.135

160.964

160.549

160.549

Overige subsidies

3.427

7.948

9.795

8.384

9.884

9.884

8.795

Opdrachten

5.403

2.778

6.028

4.947

4.947

4.947

4.947

Opdrachten

5.403

2.778

6.028

4.947

4.947

4.947

4.947

Bijdrage aan agentschappen

4.205

4.554

4.797

4.821

4.824

4.914

4.887

Dienst Uitvoering Onderwijs

4.205

4.554

4.797

4.821

4.824

4.914

4.887

        

Ontvangsten

12.548

7.000

7.000

7.000

7.000

7.000

7.000

Budgetflexibiliteit
Tabel 46 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

67,4%

bestuurlijk gebonden

30,2%

beleidsmatig gereserveerd

2,4%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 9 is in 2027 67,4 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Van het beschikbare budget voor 2027 is 96 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bekostiging voor de onderwijsregio’s op grond van de gepubliceerde regeling (Subsidieregeling Onderwijsregio's).

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2027 is 32 procent juridisch verplicht. Dit betreft subsidies die worden verstrekt op grond van gepubliceerde subsidieregelingen. Van het beschikbare budget voor 2027 is 64 procent bestuurlijk gebonden. Dit betreft de middelen voor de regeling lerarenbeurs, de investering in het aantrekkelijker maken van zij-instroom, en de kosten voor handhaving van het wetsvoorstel Strategisch Personeelsbeleid en Arbeidsmarktmaatregelen door de Inspectie van het Onderwijs, die onderdeel zijn van het instrument overige subsidies.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2027 is 61 procent juridisch verplicht op grond van in 2026 of eerder gesloten overeenkomsten voor onderzoek, uitvoering van regelingen en communicatie. Dit betreft divers onderzoek in het kader van de arbeidsmarkt. Het resterende deel is niet-juridisch verplicht budget bestemd om beleidsprioriteiten van het kabinet op het terrein van onderwijspersoneel verder te ondersteunen.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2027 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bekostiging

Het beschikbare bedrag in 2027 voor financiering van de onderwijsregio's en het stimuleren en ondersteunen van hun verdere ontwikkeling is € 286,4 miljoen.

Subsidies

Lerarenbeurs

Voor 2027 is er € 62,9 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling lerarenbeurs. De subsidie – voor zowel studiekosten als studieverlof – kan worden aangevraagd door leraren in het primair onderwijs (po), voortgezet onderwijs (vo), mbo en hbo voor het volgen van een geaccrediteerde bachelor- of masteropleiding.

Zij-instroom

De grootste twee subsidieregelingen op dit budget zijn:

  • de regeling zij-instroom ten behoeve van de opleiding en begeleiding van zij-instromers in het po, vo en mbo via het traject zij-instroom in het beroep. Vanaf 2027 is in totaal € 136,6 miljoen beschikbaar voor deze subsidie (zie ook Coalitieakkoord kabinet-Jetten).

  • de regeling onderwijspersoneel opleiding tot leraar. Er is voor 2027 € 15,5 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling die als doel heeft om het lerarentekort te verminderen door te bevorderen dat meer onderwijsassistenten en onderwijsondersteunend personeel de opleiding tot leraar gaan doen.

Coalitieakkoord kabinet-JettenIn het coalitieakkoord is opgenomen dat structureel wordt geïnvesteerd in het aantrekkelijker maken van zij-instroom. In 2027 is hiervoor € 79,1 miljoen beschikbaar. Vanaf 2028 is er € 87,9 miljoen structureel beschikbaar.

Overige subsidies

Er is in totaal € 9,8 miljoen beschikbaar, waarvan circa € 1,3 miljoen voor de handhaving van het wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid (SHRM) en de ondersteuning van scholen. Daarnaast zijn er subsidies voor specifieke projecten zoals de vorming van een beroepsgroeporganisatie.

Opdrachten

Ter ondersteuning, monitoring en evaluatie van het beleid worden opdrachten uitgezet voor expertise op het terrein van communicatie, onderzoek en het maken van ramingen. Hiervoor is € 6 miljoen beschikbaar in 2027.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

DUO is een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor artikel 9.

3.7 Artikel 11. Studiefinanciering

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger beroepsonderwijs (ho), wetenschappelijk onderwijs (wo) en in de beroepsopleidende leerweg (bol) de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

De minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000).

Financieren

De minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd. Er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering van de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar OCW in Cijfers.

Tabel 47 Normbedragen studiefinanciering 2027 per maand in euro's1
 

Normbedragen ho

Normbedragen mbo/bol

 

Uitwonend

Thuiswonend

Uitwonend

Thuiswonend

Basisbeurs

€ 324,50

€ 130,21

€ 350,03

€ 107,26

Aanvullende beurs

€ 491,08

€ 491,08

€ 470,82

€ 442,50

Maximaal leenbedrag

€ 315,17

€ 315,17

€ 233,65

€ 233,65

Collegegeldkrediet

€ 224,50

€ 224,50

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

€ 1.355,25

€ 1.160,96

€ 1.054,50

€ 783,41

1

Peildatum 1 september 2026.

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van het beleidsartikel 11 beschreven.

De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 11:

Vanaf april 2027 ontvangen studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd en aan de voorwaarden voldoen een aanvullende tegemoetkoming. Deze aanvullende tegemoetkoming bedraagt € 2.136 voor studenten die vier jaar onder het leenstelsel hebben gestudeerd. De aanvullende tegemoetkoming komt bovenop de huidige tegemoetkoming die vanaf 2025 wordt uitgekeerd.

Daarnaast zijn er op deze begroting middelen gereserveerd voor de afhandeling van schade als gevolg van indirecte discriminatie bij de controles op de uitwonendenbeurs. Door de indirecte discriminatie bij de controle van de uitwonendenbeurs kunnen (oud-)studenten schade hebben geleden. Het kabinet heeft besloten om proactief een generiek bedrag aan schadevergoeding aan te bieden aan deze studenten. Het gaat om € 500 voor (oud-)studenten die alleen te maken hebben gehad met een controle en € 2.000 voor (oud-)studenten die ook een maatregel opgelegd hebben gekregen na de controle. Bij afwijzing van het generieke aanbod kan deze laatste groep voor een maatwerktraject kiezen om hun individuele schade aan de hand van een schadekader te laten bepalen.

Tabel 48 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)1
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

6.574.504

5.479.287

5.812.383

5.519.665

5.453.433

5.429.037

5.433.987

        

Uitgaven

6.574.575

5.479.287

5.812.383

5.519.665

5.453.433

5.429.037

5.433.987

        

Inkomensoverdrachten

3.950.899

2.972.312

3.606.059

3.543.978

3.624.637

3.665.419

3.689.378

Basisbeurs gift (R)

461.264

690.486

921.883

1.177.831

1.279.885

1.316.557

1.331.758

Aanvullende beurs gift (R)

821.385

898.922

963.402

1.011.526

1.058.617

1.064.833

1.063.509

Reisvoorziening gift (R)

909.306

1.069.475

39.645

1.040.835

1.029.065

1.030.141

1.041.113

Studievoorschotvouchers (R)

668.178

25.755

12.592

5.551

0

0

0

Caribisch Nederland gift (R)

1.448

1.550

2.702

2.747

2.747

2.747

2.747

Tegemoetkoming (R)

902.982

87.386

1.456.848

69.504

41.622

22.129

5.310

Overige uitgaven (R)

186.336

198.738

208.987

235.984

212.701

229.012

244.941

Leningen

2.368.565

2.253.827

1.931.624

1.683.670

1.615.359

1.550.085

1.497.168

Basisbeurs Prestatiebeurs (NR)

821.615

734.291

491.410

278.246

251.497

206.286

165.690

Aanvullende beurs Prestatiebeurs (NR)

189.403

171.688

120.549

77.524

31.599

22.976

8.833

Caribisch Nederland prestatiebeurs (NR)

358

236

236

236

236

236

236

Reisvoorziening (NR)

3.023

‒ 41.907

‒ 31.108

‒ 2.812

28.729

46.156

50.223

Rentedragende lening (NR)

1.174.160

1.198.849

1.163.143

1.145.835

1.121.229

1.095.340

1.094.875

Collegegeldkrediet (NR)

139.984

146.435

143.944

142.004

140.399

138.969

137.627

Levenlanglerenkrediet (NR)

16.891

17.334

17.334

17.334

17.333

17.334

17.333

Caribisch Nederland leningen (NR)

570

570

570

570

570

570

570

Overige uitgaven (NR)

22.561

26.331

25.546

24.733

23.767

22.218

21.781

Bijdrage aan agentschappen

255.111

253.148

274.700

292.017

213.437

213.533

247.441

Dienst Uitvoering Onderwijs (R)

255.111

253.148

274.700

292.017

213.437

213.533

247.441

        

Ontvangsten

2.817.492

2.035.606

2.856.206

2.217.235

2.282.063

2.344.021

2.387.738

Ontvangsten Relevant

284.619

287.543

492.237

440.319

489.564

531.726

548.395

Ontvangen rente (R)

257.515

263.819

468.575

416.711

466.002

508.206

524.910

Ontvangsten Caribisch Nederland (R)

888

889

889

888

889

888

889

Overige ontvangsten (R)

26.216

22.835

22.773

22.720

22.673

22.632

22.596

Ontvangsten Niet - Relevant

2.532.873

1.748.063

2.363.969

1.776.916

1.792.499

1.812.295

1.839.343

Terugontvangen lening (NR)

2.532.831

1.748.021

2.363.927

1.776.874

1.792.457

1.812.253

1.839.301

Ontvangsten Caribisch Nederland (NR)

42

42

42

42

42

42

42

1

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant.

Budgetflexibiliteit
Tabel 49 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

100,0%

bestuurlijk gebonden

0,0%

beleidsmatig gereserveerd

0,0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2027 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde uitgaven Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de wet.

Toelichting

Zowel in de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt naar drie categorieën: (1) kaderrelevant en saldorelevant, (2) niet kaderrelevant wel saldorelevant en (3) niet kaderrelevant en niet saldorelevant.

Kaderrelevant en saldorelevant (categorie 1) betekent relevant voor het uitgavenkader én het EMU-saldo. De kader- en saldorelevante uitgaven in deze begroting worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift. De kader- en saldorelevante ontvangsten worden hoofdzakelijk gevormd door de ontvangen rente op studieleningen.

De behandeling van prestatiebeurzen voor het EMU-saldo is veranderd door gewijzigde inzichten van Eurostat, die vervolgens zijn overgenomen door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De uitgaven en ontvangsten van prestatiebeurzen zijn niet kaderrelevant wel saldorelevant (categorie 2). In de begroting van het Ministerie van OCW worden de prestatiebeursuitgaven daarom als niet-relevant behandeld (zolang die nog niet zijn omgezet in een gift) voor het uitgavenkader. Voor de berekening van het EMU-saldo worden deze uitgaven echter wél meegenomen, middels een correctie op het EMU-saldo. Ook aflossingen op prestatiebeurzen vallen onder deze categorie (zolang deze nog niet zijn omgezet naar een definitieve lening).

Als laatste zijn er uitgaven en ontvangsten die niet kaderrelevant en niet saldorelevant zijn (categorie 3). Deze categorie bevat met name uitgaven aan de rentedragende leningen en ontvangsten op de aflossingen van de rentedragende lening. Deze uitgaven en ontvangsten zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond en het EMU-saldo, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld.

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Om de financiële toegankelijkheid tot het onderwijs te garanderen is er een basisbeurs voor mbo-studenten van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg (bol) en voor studenten op het hbo en wo. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Studenten in de bol niveau 1 en 2 vallen niet onder het prestatiebeursregime omdat studenten op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, worden financiële belemmeringen weggenomen voor studenten in de bol niveau 1 en 2.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en studenten in het hbo en wo hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. De prestatiebeurs is voor hen een lening, die wordt omgezet in een gift indien de opleiding met succes wordt afgerond binnen tien jaar na het eerste moment waarop studiefinanciering is opgenomen. Het prestatiebeursregime stimuleert hen daarmee om af te studeren.

Tabel 50 Totaal aantal studenten met studiefinanciering
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Studenten met basisbeurs1

619.064

611.600

607.700

607.500

607.400

606.400

603.100

Bol

180.781

184.800

193.300

198.400

202.800

205.800

206.300

Hbo

267.806

261.000

255.300

252.600

250.400

248.300

246.400

Wo

170.477

165.800

159.100

156.500

154.200

152.300

150.400

Studenten zonder basisbeurs2

125.479

127.400

126.100

124.900

123.900

123.000

122.000

Bol

13.380

13.700

14.300

14.700

15.000

15.200

15.300

Hbo

52.019

51.800

51.000

50.400

50.000

49.600

49.200

Wo

60.080

61.900

60.800

59.800

58.900

58.200

57.500

Totaal

744.543

739.000

733.800

732.400

731.300

729.400

725.100

1

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

2

Bron 2026 –2031: ramingsmodel SF

Toelichting

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studenten met studiefinanciering volgt het aantal voltijdstudenten in het hbo, wo en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere student die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering. Naast de groep studenten met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening. De gegevens zijn inclusief aantallen studenten die met meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen. Deze gegevens zijn exclusief minderjarige bol-studenten die alleen recht hebben op een studentenreisproduct.

Tabel 51 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1.000
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Uitbetaalde basisbeurs gift1

76.295

84.200

93.342

96.177

97.761

98.732

98.896

Bol

69.483

77.369

86.180

88.864

90.154

90.716

90.248

Hbo

2.065

1.853

1.882

1.862

1.847

1.831

1.818

Wo

4.746

4.978

5.280

5.451

5.760

6.185

6.830

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs2

384.969

606.286

828.541

1.076.716

1.167.311

1.193.137

1.188.424

Bol

216.153

216.641

219.537

223.723

224.714

228.728

234.690

Hbo

119.118

258.536

348.653

481.952

519.919

527.744

525.335

Wo

49.698

131.109

260.351

371.041

422.678

436.665

428.399

Verhogen uitwonende beurs - coalitieakkoord

   

4.938

14.813

24.688

44.438

Totaal

461.264

690.486

921.883

1.177.831

1.279.885

1.316.557

1.331.758

1

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

2

Bron 2026 – 2031: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 51 worden de geraamde relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de herinvoering van de basisbeurs stijgen de omzettingen van prestatiebeurs naar gift in het hbo en wo. De oploop in de uitgaven komt door de prestatiebeurssystematiek. De basisbeurs wordt in eerste instantie verstrekt in de vorm van een lening. Bij het behalen van een diploma wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift. Op dat moment drukken de uitgaven ook op de begroting als relevante uitgaven.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studenten een extra financiële belemmering. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Studenten in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het hbo en wo met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het hbo en wo de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Tabel 52 Totaal aantal studenten met een aanvullende beurs
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Bol1

90.591

93.200

97.800

100.500

102.600

104.000

104.200

Hbo

130.262

129.600

126.800

125.500

124.400

123.400

122.400

Wo2

59.413

59.000

56.700

55.800

55.000

54.300

53.600

Totaal

280.266

281.800

281.300

281.800

282.000

281.700

280.200

1

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

2

Bron 2026 – 2031: ramingsmodel SF

Toelichting

Deze tabel laat het aantal studenten met een aanvullende beurs zien. In de afgelopen jaren was de groep aanvullende beurs gebruikers het grootst in de bol. Echter, sinds de verruiming van de aanvullende beurs in het hbo en wo in 2024 is er sprake van een flinke stijging in het aantal gebruikers in deze onderwijsniveaus. Momenteel zijn op het hbo de meeste aanvullende beurs gebruikers, met daaropvolgend de bol en tot slot het wo.

Tabel 53 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Uitbetaalde aanvullende beurs gift1

302.426

321.916

346.429

352.962

357.175

359.411

358.627

Bol

216.758

234.849

257.603

265.026

269.903

272.811

272.551

Hbo

61.740

62.352

63.417

62.743

62.205

61.691

61.200

Wo

23.928

24.715

25.409

25.193

25.067

24.909

24.876

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs2

518.959

577.006

616.973

658.564

701.442

705.422

704.882

Bol

147.691

145.454

142.878

142.103

144.148

147.008

151.894

Hbo

267.601

306.784

330.169

354.748

380.361

383.263

379.702

Wo

103.667

124.768

143.926

161.713

176.933

175.151

173.286

Totaal

821.385

898.922

963.402

1.011.526

1.058.617

1.064.833

1.063.509

1

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

2

Bron 2026– 2031 ramingsmodel SF

Toelichting

In de bovenstaande tabel worden de geraamde relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd. Voor studenten in de bol is de aanvullende beurs, naast het inkomen van de ouders, onder meer afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; een thuis- of uitwonende student ontvangt maximaal respectievelijk € 442,50 of € 470,82 (zie tabel ''Normbedragen studiefinanciering 2026 per maand in euro's'').

De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten in het hbo en wo is € 491,08. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs.

In de tabel is een duidelijke stijging van de uitgaven aan aanvullende beurs te zien. Deze stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door de prestatiebeurssystematiek in combinatie met de verruiming van de inkomensgrenzen per 2024 in het hbo en wo. De aanvullende beurs wordt in eerste instantie verstrekt in de vorm van een lening. Bij het behalen van een diploma wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift. Op dat moment drukken de uitgaven ook op de begroting als relevante uitgaven.

Daarnaast is bij de aanvullende beurs de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs van invloed. Zo is er bijvoorbeeld sprake van een krimpende studenteninstroom op het hbo en wo. Dit zorgt voor een lichte daling in het aantal giften. Ook exogene factoren spelen een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 54 Totaal aantal studenten met reisvoorziening
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Aantal gebruikers van het reisrecht1

778.399

771.900

766.600

758.500

756.900

754.800

751.000

Bol minderjarig

107.305

110.400

112.900

112.900

111.400

110.000

109.800

Bol

176.244

179.900

188.900

194.600

199.600

203.400

204.100

Ho

494.851

481.600

464.800

451.000

445.900

441.400

437.100

Aantal RBS2

17.985

17.700

17.500

17.400

17.200

17.100

17.000

Bol

1.874

1.900

2.000

2.100

2.100

2.200

2.200

Ho

16.111

15.800

15.500

15.300

15.100

14.900

14.800

Totaal

796.384

789.600

784.100

775.900

774.100

771.900

768.000

1

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

2

Bron 2026 – 2031: ramingsmodel SF

Toelichting

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (reisvergoeding buitenland studerenden, RBS).

Voltijdstudenten in het hbo en wo kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. Studenten in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Minderjarige bol studenten hebben ook recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor studenten in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het hbo en wo. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 55 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Uitbetaalde reisvoorziening gift1

92.702

94.212

98.869

102.043

104.773

107.317

109.609

Bol

71.873

74.649

79.035

81.962

84.351

86.542

88.374

Ho

20.830

19.563

19.834

20.081

20.422

20.775

21.234

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs2

882.690

933.144

930.175

910.255

896.763

896.015

905.864

Bol

287.654

288.258

288.497

284.335

289.452

302.219

315.233

Ho

595.036

644.886

641.678

625.919

607.311

593.796

590.631

Bijdrage studerenden aan ov-contract

‒ 1.023.156

‒ 1.032.715

‒ 1.044.204

‒ 1.053.699

‒ 1.072.734

‒ 1.091.311

‒ 1.107.678

Bol

‒ 373.169

‒ 388.780

‒ 412.328

‒ 428.397

‒ 441.946

‒ 454.317

‒ 464.105

Ho

‒ 649.987

‒ 643.936

‒ 631.876

‒ 625.302

‒ 630.788

‒ 636.994

‒ 643.572

Kosten contract ov-bedrijven

957.070

1.074.834

54.806

1.082.237

1.100.262

1.118.120

1.133.318

Totaal reisvoorziening

909.306

1.069.475

39.645

1.040.835

1.029.065

1.030.141

1.041.113

1

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

2

Bron 2026 – 2031: ramingsmodel SF

Toelichting

Bij de kosten contract ov-bedrijven zijn de jaarlijkse kosten lastig met elkaar te vergelijken. Dit heeft te maken met de verschillende kasschuiven. Contractueel is vastgelegd dat het Ministerie van OCW de vergoeding voor de ov-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven, een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de Staat over de jaren heen.

Er heeft een kasschuif van € 970,0 miljoen plaatsgevonden van 2026 naar 2025. Ook vindt er een kasschuif plaats van € 1,0 miljard van 2027 naar 2026. Omdat er (vooralsnog) geen kasschuif plaatsvindt van 2028 naar 2027, zijn de kosten contract ov-bedrijven voor 2027 veel lager dan andere jaren.

Caribisch Nederland

Studenten uit Caribisch Nederland ontvangen studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering BES (WSF BES). Studenten uit Bonaire, Saba en Sint-Eustatius krijgen hiermee de mogelijkheid om te studeren in de Caribische regio, in Europees Nederland, in de Verenigde Staten of in Canada.

Vanaf 2026 is het budget voor Caribisch Nederland verhoogd vanwege het voornemen om de WSF BES aan te passen naar aanleiding van meerdere rapporten over deze wet. Vanaf 2028 is er structureel € 1,2 miljoen geboekt ten behoeve van de aanpassingen op de WSF BES.

Studievoorschotvouchers

De doelgroep van de studievoorschotvouchers betreft studenten die in de collegejaren 2015-2016 tot en met 2018-2019 voor het eerst een opleiding met studiefinanciering zijn gaan doen en daarvoor binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald. De voucher tegemoetkoming bedraagt circa € 2.167 (prijspeil 2026) per student. De financiële reeks voor de studievoorschotvouchers is in tabel 48 opgenomen.

Tegemoetkoming

De reeks van de tegemoetkoming in tabel 48bevat de middelen van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming. De tegemoetkomingen zijn bedoeld voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. De student ontvangt een tegemoetkoming en een aanvullende tegemoetkoming voor elke maand dat die onder het leenstelsel heeft gestudeerd. Daarbij geldt een minimale periode van 12 maanden die men onder het leenstelsel moet hebben gestudeerd. De tegemoetkoming bedraagt € 35,31 per maand (prijspeil 2026) en de aanvullende tegemoetkoming bedraagt € 44,50 per maand (prijspeil 2026).

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder kortlopende vorderingen als gevolg onterechte verstrekte beurzen en kwijtscheldingen.

Tot en met 2027 zijn de overige uitgaven hoger doordat er in deze jaren in de raming rekening is gehouden met kwijtschelding als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Daarnaast zijn vanaf 2026 tot en met 2030 middelen gereserveerd voor de afhandeling van schade als gevolg van indirecte discriminatie bij de controles op de uitwonendenbeurs.

Leningen

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet-relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld. Het betreft hier de prestatiebeurzen, de rentedragende leningen, het collegegeldkrediet en het levenlanglerenkrediet.

Basisbeurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en studenten in het hbo en wo hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Zij ontvangen een basisbeurs voor de nominale studieduur.

Tabel 56 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Uitbetaalde basisbeurs1

1.321.424

1.376.985

1.348.582

1.340.944

1.335.393

1.329.389

1.320.581

Bol

238.516

257.281

267.073

273.933

280.401

285.114

286.403

Hbo

591.459

611.106

595.800

589.429

584.329

579.520

574.936

Wo

493.079

508.598

485.709

477.582

470.663

464.755

459.242

Toeslagenaffaire

‒ 1.630

      

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs2

‒ 384.970

‒ 606.287

‒ 828.540

‒ 1.076.715

‒ 1.167.311

‒ 1.193.137

‒ 1.188.423

Bol

‒ 216.153

‒ 216.641

‒ 219.537

‒ 223.723

‒ 224.714

‒ 228.728

‒ 234.690

Hbo

‒ 119.118

‒ 258.537

‒ 348.652

‒ 481.951

‒ 519.919

‒ 527.744

‒ 525.334

Wo

‒ 49.698

‒ 131.109

‒ 260.351

‒ 371.041

‒ 422.678

‒ 436.665

‒ 428.399

Naar lening omgezette basisbeurs prestatiebeurs

‒ 114.839

‒ 36.407

‒ 28.632

‒ 26.762

‒ 31.732

‒ 32.982

‒ 48.682

Bol

‒ 21.522

‒ 26.432

‒ 26.432

‒ 26.432

‒ 26.432

‒ 27.682

‒ 27.682

Hbo

‒ 82.566

‒ 8.289

‒ 1.500

‒ 300

‒ 300

‒ 300

‒ 14.000

Wo

‒ 10.751

‒ 1.686

‒ 700

‒ 30

‒ 5.000

‒ 5.000

‒ 7.000

Verhogen uitwonende beurs - coalitieakkoord maatregel

   

40.779

115.147

103.016

82.214

Totaal

821.615

734.291

491.410

278.246

251.497

206.286

165.690

1

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

2

Bron 2026 – 2031: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 56 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hogere negatieve uitgaven aan de omzetting naar lening in 2025 voor het hbo en wo betreft beurzen uit het oude basisbeursstelsel.

Tabel 57 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Uitbetaalde aanvullende beurs

770.834

825.587

814.416

812.982

810.934

808.291

803.609

Bol

163.747

177.178

183.923

188.651

193.109

196.356

197.245

Hbo

414.535

442.793

433.183

430.319

426.620

423.128

419.796

Wo

193.088

205.616

197.310

194.012

191.205

188.807

186.568

Toeslagenaffaire

‒ 536

0

0

0

0

0

0

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

‒ 518.960

‒ 577.006

‒ 616.973

‒ 658.564

‒ 701.442

‒ 705.422

‒ 704.883

Bol

‒ 147.692

‒ 145.454

‒ 142.878

‒ 142.103

‒ 144.148

‒ 147.008

‒ 151.894

Hbo

‒ 267.601

‒ 306.784

‒ 330.169

‒ 354.748

‒ 380.361

‒ 383.263

‒ 379.703

Wo

‒ 103.667

‒ 124.768

‒ 143.926

‒ 161.713

‒ 176.933

‒ 175.151

‒ 173.286

Naar lening omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

‒ 62.471

‒ 76.894

‒ 76.894

‒ 76.894

‒ 77.894

‒ 79.894

‒ 89.894

Bol

‒ 17.138

‒ 18.575

‒ 18.575

‒ 18.575

‒ 18.575

‒ 18.575

‒ 18.575

Hbo

‒ 35.204

‒ 47.453

‒ 47.453

‒ 47.453

‒ 47.453

‒ 47.453

‒ 52.453

Wo

‒ 10.129

‒ 10.865

‒ 10.865

‒ 10.865

‒ 11.865

‒ 13.865

‒ 18.865

Totaal

189.403

171.688

120.549

77.524

31.599

22.976

8.833

Aanvullende beurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en het hbo en wo met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Als gevolg van de prijsontwikkeling en de verruiming van inkomensgrens van de aanvullende beurs in het hbo en wo, zijn de uitgaven aan toekenningen in de bol en hbo en wo vanaf 2024 gestegen.

Toelichting

In tabel 57 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Voor het verloop van deze uitgaven gelden dezelfde factoren als voor de relevante uitgaven aan de aanvullende beurs.

Reisvoorziening

Tabel 58 Uitgaven reisvoorziening prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Uitbetaalde reisvoorziening1

952.454

960.887

968.159

974.883

991.678

1.008.198

1.022.823

Bol

303.769

316.392

335.710

348.972

360.246

370.530

378.549

Ho

650.014

644.495

632.449

625.911

631.431

637.669

644.274

Toeslagenaffaire

‒ 1.328

0

0

0

0

0

0

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs2

‒ 882.690

‒ 931.400

‒ 928.407

‒ 908.462

‒ 894.945

‒ 894.169

‒ 903.995

Bol

‒ 287.654

‒ 287.966

‒ 288.184

‒ 284.007

‒ 289.109

‒ 301.862

‒ 314.868

Ho

‒ 595.036

‒ 643.434

‒ 640.223

‒ 624.455

‒ 605.836

‒ 592.307

‒ 589.127

Naar lening omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

‒ 66.741

‒ 71.394

‒ 70.860

‒ 69.233

‒ 68.004

‒ 67.873

‒ 68.605

Bol

‒ 14.209

‒ 17.477

‒ 17.213

‒ 16.915

‒ 17.255

‒ 18.145

‒ 19.086

Ho

‒ 52.532

‒ 53.917

‒ 53.647

‒ 52.318

‒ 50.749

‒ 49.728

‒ 49.519

Totaal reisvoorziening

3.023

‒ 41.907

‒ 31.108

‒ 2.812

28.729

46.156

50.223

1

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

2

Bron 2026 – 2031: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 58 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de reisvoorziening gepresenteerd.

Tabel 59 Relevante ontvangsten (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Ontvangen rente1

257.515

263.819

468.575

416.711

466.002

508.206

524.910

Overige ontvangsten

26.216

22.835

22.773

22.720

22.673

22.632

22.596

Langlopende vorderingen

548

489

427

374

327

286

250

Kortlopende vorderingen

25.668

22.346

22.346

22.346

22.346

22.346

22.346

Ontvangsten Caribisch Nederland2

888

889

889

888

889

888

889

Totaal relevante ontvangsten

284.619

287.543

492.237

440.319

489.564

531.726

548.395

1

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

2

Bron 2026 – 2031: ramingsmodel SF

Toelichting rentedragende lening, collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet

Naast de studiebeurzen kunnen studenten ook geld lenen bij DUO. De afgelopen jaren daalt het percentage studenten dat gebruik maakt van een lening. Daarnaast heeft de herinvoering van de basisbeurs ervoor gezorgd dat er minder studenten zijn gaan lenen. De uitgaven aan de rentedragende lening, het collegegeldkrediet en het levenlanglerenkrediet groeien mee met de raming van de studentenaantallen.

Bijdrage aan agentschappen

DUO is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel8

Ontvangsten

Leningen worden terugbetaald naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet of minder terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Relevante ontvangsten

De relevante ontvangsten bestaan uit verschillende posten, waarvan de ontvangen rente de grootste is. Het rentepercentage op studieleningen is sinds 2023 weer positief. De rente wordt voor studenten na afstuderen eens per 5 jaar vastgesteld. De komende jaren komt er naar verwachting dus telkens een nieuw cohort bij die rente moet gaan betalen. Hierdoor lopen de renteontvangsten de komende jaren op. De overige relevante ontvangsten bestaan voor het grootste deel uit ontvangsten op de kortlopende vorderingen, die ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd. De ontvangsten op langlopende vorderingen bestaan uit leningen van vóór 1992 waarover geen rente verschuldigd is. De ontvangsten Caribisch Nederland betreft ontvangsten op leningen die verstrekt zijn aan studenten uit het Caribisch gebied. 

De niet-relevante ontvangsten ontstaan door terugbetaling van de hoofdsom op studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer en vaker is geleend. Daarnaast heeft (de toekenning van) de tegemoetkoming voor de leenstelselstudenten gevolgen voor de niet-relevante ontvangsten. Studenten zonder studieschuld krijgen de tegemoetkoming uitbetaald. Voor leenstelselstudenten met een studieschuld wordt de tegemoetkoming in mindering gebracht op de openstaande studieschulden. Deze verlaging van de studieschulden wordt op dit begrotingsartikel zichtbaar als een (hogere) niet-relevante ontvangst. Deze verlaging is het grootst in 2025 en 2027 omdat in deze jaren de grootste groepen leenstelselstudenten de tegemoetkoming (2025), de tegemoetkoming studievouchers (2025) en de aanvullende tegemoetkoming (2027) krijgen toegekend.

3.8 Artikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

De tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat leerlingen vanaf achttien jaar in het voortgezet onderwijs (vo) en studenten aan een lerarenopleiding de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

De minister is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland.

Financieren

De minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd. De leerling (voortgezet onderwijs) of student (lerarenopleiding) kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming bestaande uit een maandelijkse basistoelage, een eventuele inkomensafhankelijke bijdrage in de schoolkosten en een eventuele inkomensafhankelijke bijdrage in het les- of cursusgeld.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) wordt verwezen naarOCW in Cijfers.

Tabel 60 Normbedragen WTOS in euro's (per maand, tenzij anders vermeld)
 

Schoolkosten

Les- of cursusgeld

Basistoelage thuiswonend

Basistoelage uitwonend

Leerlingen in het vo vanaf 18 jaar1

    
 

Vo onderbouw

104,11

0,00

0,00

0,00

 

Niet bekostigd vo onderbouw

142,53

125,92

147,65

344,26

 

Vo bovenbouw

113,98

0,00

147,65

344,26

 

Niet bekostigd vo bovenbouw

152,47

125,92

147,65

344,26

 

Vso

69,15

0,00

147,65

344,26

 

Vavo

152,47

125,92

147,65

344,26

Tegemoetkoming studenten 18+ deeltijd en vavo 18+ deeltijd

    
 

Bij 540 of meer lesminuten per week

410,3

480,0

0

0

 

Tussen 270 en 540 minuten per week

276,5

320,0

0

0

Lerarenopleidingen

959,0

567,2

0

0

1

Peildatum schooljaar 2025/2026

Toelichting

De normbedragen zijn gedifferentieerd naar schoolsoort en naar fase (boven- en onderbouw) op basis van kostenverschillen. Havo 4 en 5 en vwo 4, 5 en 6 worden tot de vo bovenbouw gerekend, de andere schoolsoorten in het vo tot de onderbouw.

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van het beleidsartikel 12 beschreven.

De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 12:

Tabel 61 Budgettaire gevolgen van beleid art. 12 (bedragen x € 1.000)1
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

73.334

75.870

75.581

74.912

73.994

72.810

72.000

        

Uitgaven

73.334

75.870

75.581

74.912

73.994

72.810

72.000

        

Inkomensoverdracht

69.934

72.361

71.743

70.999

70.067

68.804

68.026

Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo) (R)

3.590

3.768

3.768

3.768

3.768

3.768

3.768

Tegemoetkoming deeltijd (R)

2.857

3.007

3.007

3.007

3.007

3.007

3.007

Tegemoetkoming vavo voltijd (R)

4.765

5.239

5.198

5.149

5.103

5.041

4.959

Tegemoetkoming vo voltijd (R)

55.702

57.104

56.459

55.721

54.820

53.650

53.006

Tegemoetkoming vso voltijd (R)

3.020

3.243

3.311

3.354

3.369

3.338

3.286

Leningen

9

10

10

10

10

10

10

Omboeking van kort- naar langlopende vorderingen (NR)

9

10

10

10

10

10

10

Bijdrage aan agentschappen

3.391

3.499

3.828

3.903

3.917

3.996

3.964

Dienst Uitvoering Onderwijs

3.391

3.499

3.828

3.903

3.917

3.996

3.964

        

Ontvangsten

1.993

1.996

1.976

1.956

1.935

1.903

1.875

Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo) en deeltijd vo (R)

233

237

237

237

237

237

237

Meerderjarige scholieren v(s)o en vavo (R)

1.760

1.759

1.739

1.719

1.698

1.666

1.638

1

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant.

Budgetflexibiliteit
Tabel 62 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

100,0%

bestuurlijk gebonden

0,0%

beleidsmatig gereserveerd

0,0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 12 is voor 2027 100 procent juridisch verplicht. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS).

Inkomensoverdracht

Onderstaande aantallen geven een indicatie van het gebruik van de diverse regelingen. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie deze bedoeld is.

Tabel 63 Aantal gebruikers per regeling
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Aantal gebruikers tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo en vavo1

6.019

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

Aantal meerderjarige gebruikers v(s)o en vavo2

26.768

26.000

25.600

25.300

25.000

24.500

24.100

1

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

2

Bron 2026 – 2031: ramingsmodel SF

Lening

Het bedrag dat onder het instrument lening is geboekt betreft uitgaven aan de rentedragende lening op de WTOS.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

De geraamde ontvangsten hebben betrekking op te veel of ten onrechte uitgekeerde WTOS-uitkeringen.

3.9 Artikel 13. Lesgelden

Het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

Financieren

De minister financiert een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs, omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers. Het individu heeft echter ook profijt van scholing en betaalt daarom lesgeld.

Indicatoren/kengetallen

In de Les- en cursusgeldwet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van het lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling. Het lesgeldbedrag voor 2026/2027 bedraagt € 1.511.

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van het beleidsartikel 13 beschreven.

De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 13:

Tabel 64 Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

19.073

19.820

21.567

21.952

21.964

22.404

22.260

        

Uitgaven

19.073

19.820

21.567

21.952

21.964

22.404

22.260

        

Bijdrage aan agentschappen

19.073

19.820

21.567

21.952

21.964

22.404

22.260

Dienst Uitvoering Onderwijs

19.073

19.820

21.567

21.952

21.964

22.404

22.260

        

Ontvangsten

242.388

258.558

279.073

294.368

308.744

320.780

328.339

Budgetflexibiliteit
Tabel 65 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

100,0%

bestuurlijk gebonden

0,0%

beleidsmatig gereserveerd

0,0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 13 is voor 2027 100 procent juridisch verplicht. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Les- en cursusgeldwet.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, studiefinanciering en informatievoorziening. De geraamde uitgaven betreffen het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Door het betalen van lesgeld leveren deelnemers en leerlingen van 18 jaar en ouder een bijdrage in de kosten van het onderwijs.

Tabel 66 Aantal lesgeldplichtigen
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Bol/vo12

174.138

177.700

186.700

192.200

197.200

201.000

201.700

1

Bron 2026 – 2031: ramingsmodel SF

2

Bron 2025: realisatiegegevens DUO

Toelichting

Bovenstaande tabel geeft een beeld van het bereik van de regeling. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het aantal lesgeldplichtigen een afgeleide is van de demografische ontwikkelingen en de keuze van opleiding door de studenten.

3.10 Artikel 14. Cultuur

Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het erfgoed.

De minister is verantwoordelijk voor de Wet op het specifiek cultuurbeleid, de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet, de Archiefwet en de Wet op de vaste boekenprijs. De minister is medeverantwoordelijk voor de uitvoering van taken die voortvloeien uit de Omgevingswet. Volgens de Wet op het specifiek cultuurbeleid is de minister belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen. Overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid zijn daarbij leidend. Dit is aanvullend op het cultuuraanbod dat zonder betrokkenheid van de overheid tot stand komt. Op grond van de Erfgoedwet is de minister belast met de zorg voor erfgoed van nationaal belang, zoals aangewezen rijksmonumenten en de rijkscollectie.

Financieren

De minister heeft een financierende rol door het bekostigen van de culturele basisinfrastructuur, de museale instellingen met een wettelijke taak en subsidiëring van een aantal specifieke (wettelijke) programma's en regelingen, onder meer op het gebied van erfgoed, kunsten en bibliotheken.

Stimuleren

De minister heeft een stimulerende rol bij het versterken van de cultuursector door vorm te geven aan een aantal specifieke onderwerpen, als cultuureducatie, leesbevordering, cultuurparticipatie, arbeidsmarkt, ondernemerschap, internationaal cultuurbeleid en diverse programma’s op erfgoed.

Regisseren

De minister heeft een regisserende rol bij de uitvoering van en toezicht op het behoud en beheer van het erfgoed (waaronder de rijkscollectie) en (digitale) archieven. Het gaat dan onder meer over de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet. Toezicht op naleving van de laatste twee wetten ligt bij de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (IOE). De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) en de rijksgesubsidieerde musea zijn onder andere belast met de uitvoering van de Erfgoedwet. Het Nationaal Archief  (NA) geeft uitvoering aan de Archiefwet.

Beleidsinformatie

De onderbouwing van de doelstellingen op basis van kwantitatieve en kwalitatieve informatie, (beleids)evaluaties en onderzoek worden zo compleet mogelijk op OCW in Cijfers gepubliceerd. Ook worden beleidsindicatoren en monitoringsmatrices op deze website weergegeven. Daarnaast brengt de Boekmanstichting met de Cultuurmonitor, gefinancierd door het Ministerie van OCW, trends en ontwikkelingen in het culturele leven in Nederland in beeld. De Erfgoedmonitor bevat feiten en cijfers over erfgoedthema’s en geeft inzicht in de ontwikkeling en staat van het erfgoed in Nederland.

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van het beleidsartikel 14 beschreven. De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 14 en vallen allemaal onder de beleidsprioriteit 'Versterking culturele en creatieve sector':

Tabel 67 Budgettaire gevolgen van beleid art. 14 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

1.094.266

695.225

785.057

844.658

1.269.216

1.443.971

1.473.881

        

Uitgaven

1.457.241

1.446.764

1.472.846

1.503.963

1.490.729

1.482.468

1.473.881

        

Bekostiging

1.196.409

1.214.840

1.226.123

1.317.389

1.314.103

1.312.987

1.307.944

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen

276.046

287.961

289.816

289.363

285.634

285.618

287.836

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

338.997

351.496

350.842

349.615

349.136

348.906

347.334

Museale instellingen met een wettelijke taak

281.941

288.368

295.224

291.376

291.702

289.623

289.623

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

35.810

37.026

38.386

100.791

100.077

99.471

98.055

Digitale openbare bibliotheek

19.816

20.434

16.272

16.118

17.112

17.111

17.083

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

14.728

15.188

15.188

15.073

15.069

15.068

15.047

Monumentenzorg

194.694

179.786

175.106

173.395

178.419

180.144

176.122

Archieven (incl. Regionale Historische Centra)

34.377

34.581

45.289

49.866

47.974

48.066

47.863

Cultuureducatie (via primair onderwijs)

0

0

0

31.792

28.980

28.980

28.981

Subsidies (regelingen)

106.456

107.737

124.400

77.418

72.076

70.020

70.054

Verbreden inzet cultuur

12.977

9.949

10.828

10.506

11.831

11.834

11.834

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

9.562

9.988

9.477

9.325

6.038

6.038

6.036

Programma leesbevordering

30.246

29.396

33.992

31.403

31.567

31.408

31.404

Creatieve Industrie

3.232

2.409

2.980

2.228

2.282

2.062

2.011

Specifiek cultuurbeleid

35.414

23.001

21.812

21.347

18.071

16.790

16.802

Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

6.009

4.970

3.183

2.334

2.192

1.792

1.792

NGF CIIIC

9.016

28.024

42.128

275

95

96

175

Opdrachten

37.318

39.204

42.741

37.998

35.865

30.137

29.066

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

1.328

2.108

2.130

2.122

2.122

2.122

2.121

Opdrachten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

21.161

19.150

20.601

20.552

20.239

17.156

16.130

NGF Opdrachten

851

5.474

8.038

4.091

2.581

36

0

Overige opdrachten

13.978

12.472

11.972

11.233

10.923

10.823

10.815

Bijdrage aan agentschappen

80.812

81.073

76.023

67.619

64.731

62.813

60.309

Nationaal Archief

80.812

81.073

76.023

67.619

64.731

62.813

60.309

Bijdragen aan medeoverheden

34.229

1.803

1.457

1.445

1.860

4.417

4.415

Bijdragen aan medeoverheden

34.229

1.803

1.457

1.445

1.860

4.417

4.415

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

2.017

2.107

2.102

2.094

2.094

2.094

2.093

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.017

2.107

2.102

2.094

2.094

2.094

2.093

        

Ontvangsten

29.100

22.899

11.274

11.274

11.274

11.274

11.274

Tabel 68 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

1.094.266

695.225

785.057

844.658

1.269.216

1.443.971

1.473.881

waarvan garantieverplichtingen

192.748

‒ 63.655

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

901.518

758.880

785.057

844.658

1.269.216

1.443.971

1.473.881

Toelichting bij tabel ‘uitsplitsing verplichtingen’

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan diverse musea. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Daarnaast betreft het garantstellingen in het kader van de Indemniteitsregeling en de Achterborgovereenkomst. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit
Tabel 69 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

97,1%

bestuurlijk gebonden

0,5%

beleidsmatig gereserveerd

2,4%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 14 is voor 2027 97,1 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2027 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op betalingen aan culturele instellingen, cultuurfondsen en monumenteneigenaren. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het specifiek cultuurbeleid, de Erfgoedwet, de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen en onderliggende besluiten en regelingen. Het moment van juridisch verplichten gaat vooraf aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft. De budgetten voor de culturele basisinfrastructuur (instellingen en fondsen) en de subsidie publieksactiviteiten van musea met een wettelijke taak zijn tot en met 2028 juridisch verplicht. De verplichtingen voor de musea op grond van de Erfgoedwet voor collectie en beheer worden jaarlijks aangegaan in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.

Subsidies

Van het beschikbare budget is 76,7 procent juridisch verplicht. Dit betreft het deel van de subsidies waarvoor voor de start van 2027 een beschikking is verstuurd, zoals met name de vierjarige subsidies aan de rijkscultuurfondsen voor internationaal cultuurbeleid.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is 68,6 procent juridisch verplicht. Dit betreft het deel van de opdrachten waarvoor voor de start van 2027 een opdracht is verstrekt, zoals voor de cultuurkaart.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de rijksbijdrage aan het NA. Het budget voor 2027 is 100 procent juridisch verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget voor 2027 is 48,5 procent juridisch verplicht. Dit betreft uitkeringen aan medeoverheden waarvoor voor de start van 2027 een beschikking is verstuurd, zoals voor cultuurcoaches en ondersteuning bibliotheken in Caribisch Nederland.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Van het beschikbare budget is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de contributies voor (inter)nationale verdragen en lidmaatschappen. Deze contributies lopen door tot wederopzegging en dragen bij aan de uitvoering van internationale afspraken.

Bekostiging

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen

In de culturele basisinfrastructuur worden instellingen voor een periode van vier jaar bekostigd. In de Regeling op het specifiek cultuurbeleid zijn de criteria opgenomen waar instellingen aan moeten voldoen voor de periode 2025–2028 om in aanmerking te komen voor deze bekostiging. De besluiten voor de periode 2025–2028, inclusief de financiële kaders, zijn opgenomen in de Prinsjesdagbrief Culturele basisinfrastructuur 2025-2028 van 17 september 2024.

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

De rijkscultuurfondsen zijn samen met de vierjaarlijkse instellingen onderdeel van de basisinfrastructuur. De cultuurfondsen spelen een belangrijke rol in het cultuurstelsel en financieren naast projecten en makers ook instellingen in het Koninkrijk der Nederlanden. Zij zorgen voor vernieuwing en experiment, innovatie en talentontwikkeling en zoeken met de door hen ondersteunde activiteiten actief naar verbinding met publiek. Ook hebben de fondsen een signalerende functie voor ontwikkelingen in het veld. De Tweede Kamer is in de brief van 16 juni 2023 over de beleidskaders 2025-2028 van de fondsen geïnformeerd (Kamerstukken II 2022/23, 32820, nr. 499). In de Prinsjesdagbrief culturele basisinfrastructuur 2025-2028 van 17 september 2024 is een overzicht van de aanvragen en toekenningen van de meerjarige instellingen via de rijkscultuurfondsen opgenomen en een bijlage van de financiële kaders.

Museale instellingen met een wettelijke taak

Op basis van de Erfgoedwet zijn museale instellingen belast met de zorg voor het beheer van de museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen of verzamelingen. Hiervoor ontvangen deze instellingen met een wettelijke taak een structurele vergoeding. Voor de bekostiging van deze taak worden op grond van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring aan museale instellingen middelen beschikbaar gesteld voor beheer en onderhoud van collecties, waaronder voor de kosten van huisvesting. Daarnaast ontvangen museale instellingen, op grond van dezelfde regeling, middelen voor hun publieksactiviteiten.

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen, digitale openbare bibliotheek en bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

Per 1 januari 2015 is de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) in werking getreden. De wet organiseert het bibliotheekwerk als een netwerk van samenwerkende lokale en provinciale openbare bibliotheekvoorzieningen, waarbij de Koninklijke Bibliotheek (KB) een coördinerende rol vervult. In het netwerk verricht de KB als nationale bibliotheek van Nederland taken voor het stelsel als geheel, waaronder het beheer van de digitale bibliotheek, de digitale infrastructuur en de bibliotheekvoorziening voor personen met een leeshandicap. In de periode 2023-2024 is het netwerk van openbare bibliotheken gericht versterkt op basis van een specifieke uitkering. Daarmee konden nieuwe vestigingen worden gerealiseerd en bestaande vestigingen worden verbeterd. Sinds 2025 wordt de versterking van het bibliotheeknetwerk voortgezet met behulp van een decentralisatieuitkering die in 2027 doorloopt. De Wsob wordt gewijzigd, er wordt een wettelijke zorgplicht voor gemeenten en provincies opgenomen. Verwachte publicatiedatum van de wet is in 2027.

Monumentenzorg

De Erfgoedwet is het juridisch kader voor de financiering ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten. Ook in 2027 wordt geïnvesteerd in de instandhouding van monumenten via onder andere de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) en de Woonhuissubsidie. Verder kunnen in 2027 aanvragen worden ingediend voor de Subsidieregeling grote restauratieopgaven niet-woonhuisrijksmonumenten en worden de programma’s ten behoeve van maritiem erfgoed en religieus erfgoed voortgezet. Via het programma Erfgoed en leefomgeving: een toekomst met een verleden zal de komende jaren worden ingezet op het behoud en de inpassing van erfgoed bij de grote transities in de leefomgeving.

Archieven inclusief Regionale Historische Centra

Het wetsvoorstel tot modernisering van de Archiefwet 1995 werd op 17 november 2021 aan de Tweede Kamer aangeboden. Op 18 februari 2025 werd het wetsvoorstel met algemene stemmen aangenomen in de Tweede Kamer, op 12 mei 2026 door de Eerste Kamer. De Archiefwet 2026 treedt per 1 januari 2027 in werking. Momenteel wordt de aanpassing van de lagere regelgeving (Archiefbesluit en Archiefregeling) afgerond. In de opgenomen begrotingsreeks is rekening gehouden met implementatiekosten voor de nieuwe Archiefwet. Het Ministerie van OCW draagt daarnaast bij aan de kosten van beheer van de rijksarchieven in de provincie door elf Regionaal Historische Centra. Ook na de uittreding van de Minister van OCW uit deze gemeenschappelijke regelingen per 1 januari 2027 zal deze bijdrage worden voortgezet in de vorm van een specifieke uitkering.

Cultuureducatie (via primair onderwijs)

De middelen voor cultuureducatie en museumbezoek in het primair onderwijs (€ 31,8 miljoen) zijn voor 2027 overgeboekt naar artikel 1 (primair onderwijs), om van daaruit te kunnen worden verstrekt aan scholen.

Subsidies

Verbreden inzet cultuur

Het Ministerie van OCW stimuleert de toegankelijkheid van cultuur met diverse subsidies, met als doel de cultuurdeelname van zoveel mogelijk verschillende groepen te bevorderen, ook voor mensen voor wie dit niet vanzelfsprekend is. Daarnaast stimuleert het Ministerie van OCW de digitale transformatie van de culturele en creatieve sector en daarmee het innovatieve vermogen van deze sectoren.

Internationaal cultuurbeleid (inclusief Homogene Groep Internationale Samenwerking)

Het internationaal cultuurbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de bewindspersonen van de ministeries van OCW en BZ. In de periode 2025-2028 gelden voor het internationaal cultuurbeleid drie doelen (zie Kamerstukken II 2023/24, 31482, nr.121):

  • een sterke positie van de Nederlandse culturele sector in het buitenland door zichtbaarheid, uitwisseling en duurzame samenwerking;

  • het met Nederlandse cultuuruitingen ondersteunen van de bilaterale relaties met andere landen;

  • het benutten van de kracht van de culturele sector en creatieve industrie voor de Sustainable Development Goals (SDG’s).

Op basis van bovengenoemde Kamerbrief hebben culturele instellingen een bijdrage ontvangen voor het realiseren van deze doelen. Als gevolg van de taakstelling op de non-ODA middelen in het hoofdlijnenakkoord van kabinet Schoof is de bijdrage van het Ministerie van BZ lager dan in de bovengenoemde Kamerbrief. Daarnaast zijn op dit budget ICB-middelen gereserveerd om culturele projecten en initiatieven te ondersteunen in Caribisch Nederland en waar mogelijk in het gehele Caribisch deel van het Koninkrijk.

Programma leesbevordering

Het stimuleren van leesplezier en leesvaardigheid is een belangrijke opgave in Nederland, zoals uit vele onderzoeken is gebleken. De letterensector draagt hier aan bij door een inspirerend literair aanbod, onderzoek en literaire evenementen en campagnes. In de culturele basisinfrastructuur 2025-2028 en de Erfgoedwet is structureel een bedrag voor leesbevordering en letteren beschikbaar van circa € 31,7 miljoen. Er wordt in de periode 2025-2028 structureel extra geïnvesteerd in het Nederlands Letterenfonds, de ondersteunende instelling voor leesbevordering en literatuureducatie, het festival voor de letteren en het Literatuurmuseum. Ook wordt er ingezet op de versterking van de samenwerking tussen de bibliotheken en scholen. Zo is er met ingang van 2027 structurele financiering voor de samenwerking tussen scholen en bibliotheken. In 2027 is er op de cultuurbegroting € 24 miljoen beschikbaar; vanaf 2028 gaat het jaarlijks om € 25 miljoen. Scholen voor primair en voortgezet onderwijs krijgen ook structurele middelen via de onderwijsbegroting ter ondersteuning van de bibliotheek op school, dit gaat in 2027 om € 19 miljoen en vanaf 2028 om € 25 miljoen. Dit wordt gedaan om het leesplezier bij kinderen te vergroten en zo hun leesvaardigheid te verbeteren door middel van een rijk aanbod van boeken in de schoolbibliotheek en deskundige leesconsulenten. Daarnaast is er de versterking van bibliotheken vanuit het Rijk: zij spelen een belangrijke rol bij het bereiken van mensen in heel het land, bij leesplezier en leesvaardigheid.

Creatieve industrie

Ten laste van dit budget worden uitgaven gedaan ten behoeve van de creatieve industrie. Onder creatieve industrie verstaan we bedrijven en makers waarbij creativiteit, kennis, innovatie en intellectueel eigendom/ auteursrecht centraal staan. Het omvat een breed scala aan cultuurdisciplines, waaronder de audiovisuele sector die cultureel audiovisueel aanbod (films, series en documentaires) produceert, de ontwerpsector (o.a. design, architectuur en mode) en digitale cultuursectoren (o.a. digitale kunst, gaming en immersieve ervaringen). Het Ministerie van OCW ontwikkelt beleid voor dit cultureel aanbod en financiert dit via de fondsen. Ook ondersteunt het Ministerie van OCW zelf programma’s en projecten op genoemde terreinen financieel. Zo investeert het ministerie met het NGF-programma CIIIC (Creative Industries Immersive Impact Coalition) in kennis, opleidingen en samenwerkingen om met nieuwe immersieve content bij te dragen aan maatschappelijke vraagstukken en het verdienvermogen van de economie te versterken. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het versterken en waarborgen van publieke belangen, zoals privacy en de toegankelijkheid van deze technologieën. Tot slot is er het programma Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp (ARO), van het Ministerie van OCW en het Ministerie van BZK (voormalig VRO) samen, waarin ontwerpend onderzoek wordt ingezet voor maatschappelijke opgaven in het ruimtelijke domein.

Specifiek cultuurbeleid

Onder specifiek cultuurbeleid zijn verschillende kleinere subsidiebudgetten opgenomen, die grotendeels worden besteed aan projectsubsidies op basis van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De grootste bedragen zijn geraamd voor projectsubsidies voor de volgende onderwerpen: ondersteuning van arbeidsmarkt en ondernemerschap in de culturele sector, het Nationaal Slavernijmuseum, het restitutiebeleid WOII en archeologie.

Subsidies Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

De middelen zijn bestemd voor subsidies ter ondersteuning van het erfgoedveld in de domeinen archeologie, monumenten, roerend erfgoed, cultuurlandschap en leefomgeving. Er wordt geïnvesteerd in kennis- en onderzoeksprogramma’s, de ondersteuning en infrastructuur voor erfgoed.

Nationaal Groeifonds-project Creatieve Industrie Immersieve Impact Coalitie

Vanuit het Nationaal Groeifonds is er in 2027 een bedrag van € 42,1 miljoen beschikbaar voor de Creatieve Industrie Immersieve Impact Coalitie (CIIIC). CIIIC is een programma gericht op de ontwikkeling van een arbeidsmarkt voor immersieve ervaringen (IX). Het programma richt zich op onderzoek, onderwijs, faciliteiten en experimenten met immersieve, interactieve, digitale mediaproducties.

Opdrachten

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

Dit budget is bestemd voor opdrachten die bestaan uit het inhuren van onderzoeksbureaus voor beleidsonderzoek, evaluaties en monitoring van versterking van de kennisbasis in de culturele en creatieve sector.

Opdrachten Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

De middelen zijn bestemd voor dezelfde onderwerpen als vermeld onder de kop «Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed», maar dan voor uitgaven aan opdrachten.

Nationaal Groeifonds Opdrachten

Dit bedraagt € 8,0 miljoen en betreft het meerjarenprogramma Innovation Impact Challenge dat experimenten mogelijk maakt op het gebied van CIIIC.

Overige opdrachten

Dit budget is bestemd voor diverse opdrachten die passen binnen het cultuurbeleid. De grootste geplande uitgave in 2027 is voor de Cultuurkaarten voor het voortgezet onderwijs (inclusief het voortgezet speciaal onderwijs) en voor het middelbaar beroepsonderwijs.

Bijdrage aan agentschappen

Deze middelen betreffen de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief (NA). Deze bijdrage wordt elders in deze begroting nader toegelicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Dit budget is grotendeels bestemd voor uitkeringen aan Caribisch Nederland voor versterking van de openbare bibliotheekvoorziening en voor cultuurcoaches.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Naast prioriteiten die onder het financieel instrument Internationaal cultuurbeleid zijn genoemd, is Nederland aan een aantal verplichtingen gebonden en draagt Nederland bij aan de uitvoering van internationale verdragen. Dit geldt voor UNESCO-erfgoedverdragen voor het werelderfgoed, het immaterieel erfgoed, de bescherming van cultureel erfgoed bij gewapend conflict, de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen en het cultuurverdrag voor de diversiteit van cultuuruitingen. Ook wordt bijgedragen aan het Europees filmprogramma Eurimages.

Ontvangsten

De in 2027 geraamde ontvangsten bestaan voor het grootste deel uit een desaldering (€ 10,8 miljoen), waarmee het verschil tussen eerder verleende en recent vastgestelde bedragen voor de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) na invordering beschikbaar komt om opnieuw te besteden in het kader van deze regeling. Er zijn daarnaast ontvangsten geraamd als gevolg van het definitief vaststellen van andere subsidies.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage Fiscale regelingen in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • schenk- en erfbelasting kunstkorting;

  • vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap box 3;

  • BTW-vrijstelling componisten, schrijvers en journalisten.

Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de verwijzing naar de wettekst, de verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota: Toelichting op de fiscale regelingen.

Tabel 70 Fiscale regelingen 2024-2026, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2024

2025

2026

BTW Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

1.337

1.393

1.565

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

3.11 Artikel 15. Media

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, dat toegankelijk blijft voor alle lagen van de bevolking.

Media hebben een prominente rol in onze democratie en cultuur. Wat we zien, horen en lezen, beïnvloedt ons beeld van de wereld en onze opvattingen. Daarom borgt de minister vier publieke belangen in het mediabeleid waar zij verantwoordelijk voor is: onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid. Verder borgt de minister de vitaliteit van het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de daarvoor relevante wet- en regelgeving.

Financieren

De minister financiert de landelijke en regionale publieke omroep en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. De taakopdracht is wettelijk bepaald en het budget van de publieke omroep is vastgesteld met behoud van afstand tot de uitvoering en inhoud. Op basis van het concessiebeleidsplan Nederlandse Publieke Omroep (NPO) 2022-2026 (Kamerstukken II 2021/22, 32827, nr. 202) sluit de minister elke vijf jaar een prestatieovereenkomst met de publieke omroep. Deze concessieperiode is verlengd met 2 jaar tot en met 31 december 2028 (stb-2025-185). Daarnaast sluit de minister mede op basis van het concessiebeleidsplan Regionale Publieke Omroep (RPO) een prestatieovereenkomst af voor een periode van vijf jaar met de RPO. Verder financiert de minister de borging van persvrijheid en persveiligheid (Stichting Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SvdJ) en stichting PersVeilig) en het bevorderen van mediawijsheid (Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) en Mediawijzer.net). Tot slot financiert de minister de omroeporkesten en omroepkoren (Stichting Omroep Muziek (SOM)), het media-archief en het expertisecentrum voor media-educatie (Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)). 

Stimuleren

Verder is de minister verantwoordelijk voor instrumenten ter bevordering van (Nederlandse) culturele producties, documentaires, drama’s, kunst- en kinderprogramma's (via NPO en de investeringsverplichting voor streamingdiensten) en het steunen en stimuleren van een onafhankelijke en kwalitatief goede journalistieke infrastructuur.

Regisseren

De minister is verantwoordelijk voor de wetgeving ten aanzien van de taak en organisatie van de publieke omroep en voor wetgeving voor commerciële media. De regels voor commerciële omroepen vloeien voornamelijk voort uit Europese richtlijnen voor audiovisuele mediadiensten. Verder is de minister verantwoordelijk voor wetgeving met betrekking tot omroepdistributie. Het doel daarvan is de toegang tot een gevarieerd media-aanbod te bevorderen en te verankeren.

Beleidsinformatie

Kengetallen

Op de website OCW in Cijfers worden beleidsindicatoren, monitoringsmatrixen en andere verwijzingen naar beleidsrelevante gegevens op het gebied van Media vermeld.

Daarnaast zijn kengetallen voor het mediabeleid te vinden in de Mediamonitor van het Commissariaat voor de Media.

In het onderdeel beleidsprioriteiten(paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van media beschreven. De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 15 beleidsprioriteit Versterking van het medialandschap:

Tabel 71 Budgettaire gevolgen van beleid art. 15 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

1.332.524

1.243.982

1.225.230

1.228.705

1.264.539

1.284.506

1.286.455

        

Uitgaven

1.297.647

1.335.676

1.220.394

1.223.733

1.240.362

1.264.516

1.286.455

        

Bekostiging

1.252.728

1.284.673

1.167.159

1.194.885

1.211.483

1.236.893

1.258.897

Landelijke publieke omroep

980.285

1.001.655

887.440

891.878

895.730

915.254

931.035

Regionale Omroep

197.578

203.402

200.983

201.791

202.910

207.633

211.950

Stichting Omroep Muziek

22.568

22.026

22.026

22.026

22.026

22.026

22.026

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

31.461

32.792

31.043

31.039

31.039

31.039

31.038

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

3.246

3.332

2.789

2.916

3.053

2.982

2.931

Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO)

5.866

5.999

5.999

5.999

5.999

5.999

5.999

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.944

2.799

2.599

2.599

2.599

2.599

2.599

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

2.007

2.053

2.053

2.053

2.053

2.053

2.053

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve

7.149

10.238

11.850

12.241

23.734

24.985

26.543

Lokale journalistiek

0

0

0

21.966

21.963

21.946

22.346

Overige bekostiging media

624

377

377

377

377

377

377

Subsidies (regelingen)

34.683

36.837

39.221

15.369

15.536

14.279

14.271

Onderzoeksjournalistiek

15.215

15.805

16.624

14.976

15.116

13.859

13.851

Lokale journalistiek

18.710

20.050

22.201

0

0

0

0

Overige Subsidies

758

982

396

393

420

420

420

Opdrachten

392

568

568

566

566

566

566

Opdrachten

392

568

568

566

566

566

566

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

9.757

13.504

13.357

12.824

12.688

12.689

12.633

Commissariaat voor de Media

9.757

13.504

13.357

12.824

12.688

12.689

12.633

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

87

94

89

89

89

89

88

European Audiovisual Observatory

87

94

89

89

89

89

88

        

Ontvangsten

164.641

166.200

165.500

165.500

165.500

165.500

165.500

Reclame ontvangsten

164.500

166.200

165.500

165.500

165.500

165.500

165.500

Overige ontvangsten

141

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit
Tabel 72 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

98,6%

bestuurlijk gebonden

0,0%

beleidsmatig gereserveerd

1,2%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,2%

Van het totale budget voor artikel 15 is voor 2027 98,6 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Van het beschikbare budget voor 2027 is 99,97 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op de landelijke en de regionale publieke omroep. Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan, vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is 54,0 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op journalistiek en de regionale-, lokale- en streekomroepen. Beleidsmatig is 46,0 procent gereserveerd voor journalistiek.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is 0,0 procent juridisch verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel E. Toelichting op de financiële instrumenten.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Het beschikbare budget voor 2027 is volledig juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op het Commissariaat voor de Media (CvdM). Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Bijdrage aan internationale organisaties

Het beschikbare budget voor 2027 is volledig juridisch verplicht. Het betreft een jaarlijkse contributie aan het European Audiovisual Observatory.

Bekostiging

Landelijke en regionale publieke omroep

De publieke omroep waarborgt een hoogstaand en pluriform media-aanbod, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking. Daarom bekostigt het Ministerie van OCW de landelijke en regionale publieke omroep. Mede vanwege Europese regels op het gebied van staatssteun, houdt de overheid greep op de aard en omvang van het takenpakket van de landelijke en regionale publieke omroep en bepaalt de overheid het budget van de publieke omroep. Het budget voor de landelijke publieke omroep voor 2027 is € 887,4 miljoen.

Het beschikbare budget voor de stichting RPO en de regionale publieke omroepen voor 2027 is € 201,0 miljoen. Dit is inclusief € 6,1 miljoen voor Werk aan Uitvoering (WaU). Het WaU-programma richt zich op digitale transformatie, de inzet van data-analyse en artificiële intelligentie om beter inzicht te krijgen in wat de doelgroepen beweegt, op welke wijze zij zich laten informeren over nieuws en gebeurtenissen en in welke mate zij zich gerepresenteerd (blijven) voelen door de regionale publieke omroepen. Het voor 2027 beschikbare budget wordt grotendeels ingezet voor het datateam en het transformatieteam die zich hiermee bezig houden en onderzoek dat hiervoor wordt gedaan.

Stichting Omroep Muziek (SOM)

Deze bekostiging is bestemd voor de door het Ministerie van OCW aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren.

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

Deze bekostiging is bestemd voor de door het Ministerie van OCW aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief. Het budget voor 2027 is € 31,0 miljoen. Dit is inclusief € 1,2 miljoen voor het project ''Schatkamer'' dat als doel heeft archiefmateriaal van Beeld en Geluid af te kopen en zoveel mogelijk rechtenvrij beschikbaar te stellen.

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek is binnen het mediabeleid het instrument om de pluriformiteit van het journalistieke media-aanbod te stimuleren, zowel binnen pers en omroep als via het internet. De activiteiten van het fonds dragen bij aan innovatie van de journalistiek en aan stimulering van de journalistieke functie van de media in de samenleving. Dit budget betreft de bekostiging van de reguliere wettelijke taak om de pluriformiteit van de pers te handhaven en bevorderen, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming.

Stichting Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO)

De Stichting Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO) ondersteunt de film- en documentairesector en participeert in audiovisuele coproductieprojecten in de vorm van een financiële bijdrage aan publieke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep. De meeste coproducties waar CoBO een bijdrage aan levert, vinden plaats tussen een publieke omroepinstelling en een onafhankelijke filmproducent. Daarnaast wordt door CoBO bijgedragen aan coproducties tussen een publieke omroepinstelling en een instelling op het gebied van de podiumkunsten. Iedere filmproducent, instelling op het gebied van de podiumkunsten, de Vlaamse publieke omroep (VRT) of Duitse publieke omroep, kan één of meer landelijke publieke omroepinstellingen benaderen, teneinde te komen tot een coproductie. CoBO ontvangt OCW-middelen en verkrijgt daarnaast vergoedingen van buitenlandse kabelaars (België, Duitsland en Luxemburg) voor de doorgifte van de zenders van de Nederlandse publieke omroep. Voor CoBO is voor 2027 € 6,0 miljoen beschikbaar.

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

Het Mediawijsheid Expertisecentrum (Mediawijzer.net) bevordert een bewuste, kritische en actieve houding van burgers en instellingen in de samenleving waar media alom zijn. Bij het huidige programma zijn de KB, ECP-EPN, de publieke omroep (NTR), Kennisnet en het NIBG betrokken.

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

De stichting NLPO ondersteunt lokale publieke omroepen op diverse terreinen om de sector verder te professionaliseren en om de kwaliteit van de producties van lokale omroepen te verbeteren. Indien het wetsvoorstel ter versterking van de lokale publieke omroepen wordt aangenomen, gaat de NLPO in 2027 invulling geven aan zijn nieuwe wettelijke rol als samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de lokale publieke omroepen.

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve

Op basis van de verwachte uitgaven op de mediabegroting en de verwachte reclameopbrengsten van de Ster worden middelen toegevoegd of onttrokken aan de Algemene Mediareserve (AMr). De AMr kan op grond van de Mediawet worden gebruikt voor de opvang van dalende Ster-inkomsten, bijdragen aan de bekostiging van reorganisatiekosten als gevolg van overheidsbesluiten en voor de financiering van de door het Commissariaat voor de Media (CvdM) aan te houden rekening-courantverhouding voor betalingen aan instellingen op basis van de Mediawet.

Overige bekostiging Media

Van dit budget wordt onder meer het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) betaald voor de uitvoering van de activiteiten welke nodig zijn voor het continueren en verbeteren van de kwaliteit van Kijkwijzer.

Subsidies

Ten laste van dit budget wordt de jaarlijkse subsidie aan het European Journalism Centre voor diverse internationale journalistiekprojecten betaald. Daarnaast worden nog incidentele subsidies op het gebied van de media betaald.

Het budget voor (onderzoeks)journalistiek voor 2027 is € 16,6 miljoen. Dit wordt ingezet om journalistieke projecten, innovaties en talentontwikkeling en professionalisering te ondersteunen. Uit dit budget worden ook de kosten voor PersVeilig betaald.

Voor de verdere versterking en professionalisering van de lokale omroepen en ter voorbereiding op de stelselwijziging voor de lokale publieke omroepen is voor 2027 € 22,2 miljoen beschikbaar.

Opdrachten

Dit budget wordt ingezet om incidentele opdrachten op het gebied van media, zoals beleidsonderzoeken, te betalen. Verder worden van dit budget onder meer de kosten van de Landsadvocaat betaald.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Het Commissariaat voor de Media (CvdM) houdt toezicht op de naleving van de Mediawet en de Wet op de vaste boekenprijs. Het toezicht betreft radio, televisie, videodiensten op aanvraag en Nederlandse boekuitgaven. Met zijn werk beschermt het Commissariaat de onafhankelijkheid, pluriformiteit en toegankelijkheid van het media-aanbod. Tegelijk ondersteunt het daarmee de informatievrijheid. Het CvdM neemt zijn besluiten onafhankelijk van het Ministerie van OCW, maar moet wel verantwoording afleggen aan de minister. Het Commissariaat wordt gefinancierd uit de Mediabegroting en uit de toezichtskosten die commerciële media-instellingen verschuldigd zijn. Het budget voor 2027 is € 13,4 miljoen, dit is inclusief € 0,7 miljoen voor het project WaU en € 1,6 miljoen voor de Uitvoeringswet verordening transparantie en gerichte politieke reclame (stcrt-2025-28348).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Dit betreft de jaarlijkse contributie aan het European Audiovisual Observatory.

Ontvangsten

Dit betreft de raming van de reclameopbrengsten van de Ster. De Ster geeft jaarlijks voor 15 september een actualisatie van die raming voor het lopende en volgende jaar. In de jaarlijkse Mediabegrotingsbrief wordt deze raming voor 2027 geactualiseerd.

3.12 Artikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid

De algemene doelstelling van het onderzoek- en wetenschapsbeleid is het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving, die onderzoekers in staat stelt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften. De beleidsinspanningen op dit thema zijn gericht op het zorgen voor een gezond en sterk fundament, het vergroten van de maatschappelijke impact van onderzoek en het geven van ruimte aan divers talent in een sociaal veilige omgeving. In de brief over de Periodieke Rapportage staan nieuwe beleidsdoelen voor het Onderzoek en Wetenschapsbeleid. Deze nieuwe doelen worden geïmplementeerd vanaf de begroting 2028.

Op OCW in cijfers zijn de indicatoren te zien die gekoppeld zijn aan de beleidsdoelen van het onderzoeks- en wetenschapsbeleid. Daarnaast zijn relevante periodieke onderzoeken de Totale investeringen in wetenschap en innovatie en de Balans van de wetenschap van het Rathenau Instituut. In 2027 vindt de Periodieke Rapportage plaats van het onderzoek- en wetenschapsbeleid, in combinatie met de synthesestudie naar het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap.

De minister is verantwoordelijk voor het stelsel van onderzoek en wetenschap. De minister zet zich hiervoor op drie manieren in: financieren, stimuleren en regisseren. Deze rollen zijn complementair.

Financieren

De minister bekostigt (belangrijke onderdelen van) het onderzoeks- en wetenschapsbestel, met als doel optimaliseren, verbeteren en het faciliteren van het stelsel. Dit betreft bijvoorbeeld de bekostiging van hogescholen en universiteiten voor onderzoek, en de bekostiging van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en de Koninklijke Bibliotheek (KB). Daarnaast vallen hier diverse instellingssubsidies onder.

Stimuleren

De minister brengt partijen in het kennisecosysteem bij elkaar en stimuleert hen door strategische dialogen en onderlinge afspraken.

Regisseren

De minister schept voorwaarden voor het stelsel via bijvoorbeeld wet- en regelgeving en coördinerende activiteiten.

De minister is verantwoordelijk voor het toezicht op een efficiënte besteding van publieke middelen. In de monitoring en evaluatie is aandacht voor de mate waarin de instrumenten (individueel en in combinatie) bijdragen aan de ambitie en hoofddoelen en via welke mechanismen (doeltreffendheid) en voor de doelmatigheid.

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van het beleidsartikel 16 beschreven.

De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 16:

Via de hyperlinks zijn de matrices beschikbaar, waarbij de koppeling tussen beleidsdoelen, maatregelen en middelen wordt toegelicht, en de plannen voor het komend jaar uiteen worden gezet.

Tabel 73 Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

1.871.254

2.280.130

1.926.743

1.907.270

1.959.110

1.919.733

1.880.898

        

Uitgaven

1.831.600

1.856.854

1.979.511

1.961.453

1.964.793

1.907.683

1.856.723

        

Bekostiging

1.535.006

1.536.287

1.638.554

1.620.580

1.627.116

1.571.358

1.530.538

NWO

705.770

706.439

824.309

817.351

827.895

812.541

790.890

KNAW

116.782

120.544

120.049

118.355

118.279

118.211

118.062

KB

68.503

72.984

70.587

69.559

71.405

72.019

71.971

NWO Talentenontwikkeling

170.885

165.885

165.885

165.885

165.885

157.765

157.765

NWO TTW

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

NWO Grootschalige Researchinfrastructuur

55.380

55.380

193.479

166.067

162.035

121.918

103.013

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO)

39.537

36.234

19.221

35.968

35.775

35.760

35.748

Poolonderzoek

3.147

3.147

3.147

1.500

1.500

1.500

1.500

Caribisch Nederland

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

NWO NWA

138.689

137.720

128.738

128.049

126.236

120.540

120.540

NWO Praktijkgericht Onderzoek

72.340

66.052

87.268

91.972

92.235

92.233

92.178

NWO Fonds onderzoek en wetenschap

137.047

144.386

0

0

0

0

0

NWO Praktijk onderzoek en wetenschap

16.426

17.016

0

0

0

0

0

NWO Partnerschappen

0

0

15.371

15.374

15.371

28.371

28.371

Subsidies (regelingen)

160.948

177.033

191.468

177.534

171.255

174.672

158.722

VSC

323

332

326

326

0

0

0

Naturalis Biodiversity Center

13.798

14.168

14.314

13.232

10.737

10.737

10.737

BPRC

13.104

13.513

13.255

13.227

13.225

13.224

13.223

NEMO Science Museum

4.246

4.379

4.294

4.285

4.285

4.284

4.285

STT

278

286

280

280

‒ 7

0

0

Stichting AAP

1.304

1.344

1.318

1.316

1.316

1.316

1.316

Subsidie Fonds onderzoek en wetenschap

83.599

84.853

0

0

0

0

30

Nationaal Groeifonds

32.104

0

0

0

0

0

0

Delta Climate Center

8.198

10.581

11.520

9.293

8.487

7.304

7.908

Netherlands Academy of Engineering

546

564

554

552

552

552

0

Biotech Booster

0

22.841

32.729

33.057

32.396

45.675

36.861

Big Chemistry

150

15.698

17.421

11.873

10.758

6.916

0

Matching Horizon

0

0

85.822

85.377

85.361

80.000

80.000

Overige subsidies

3.298

8.474

9.635

4.716

4.145

4.664

4.362

Opdrachten

2.644

3.993

7.180

7.340

7.409

7.452

7.422

Opdrachten

1.304

2.673

7.180

7.340

7.409

7.452

7.422

Opdrachten Fonds onderzoek en wetenschap

1.340

1.320

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

2.641

6.999

6.798

18.791

21.887

17.005

17.574

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

1.146

4.495

4.067

3.044

3.097

3.643

4.212

RVO Fonds onderzoek en wetenschap

1.495

2.504

0

0

0

0

0

Justis

0

0

2.731

15.747

18.790

13.362

13.362

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

130.361

132.542

135.511

137.208

137.126

137.196

142.467

EMBC

1.390

1.460

1.454

1.485

1.511

1.610

1.606

EMBL

7.828

9.183

9.232

9.417

9.796

9.780

9.760

ESA

45.648

38.248

36.409

36.913

36.417

36.463

36.043

CERN

63.756

68.371

69.181

69.665

69.181

69.106

68.965

ESO

11.739

12.530

12.815

12.966

12.960

12.962

12.936

SKAO

0

2.750

6.015

6.350

6.849

6.849

12.731

Overige bijdragen

0

0

405

412

412

426

426

        

Ontvangsten

9.603

204

101

101

101

101

101

Budgetflexibiliteit
Tabel 74 Budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

95,3%

bestuurlijk gebonden

4,6%

beleidsmatig gereserveerd

0,1%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0,0%

Van het totale budget voor artikel 16 is voor 2027 95,3 procent juridisch verplicht. 4,6% is bestuurlijk gebonden, en 0,1% is beleidsmatig gerserveerd.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2027 is voor 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de (rijks)bijdragen aan de NWO, KNAW en de KB. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan, vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2027 is voor 53,52 procent juridisch verplicht. Dit zijn met name de instellingssubsidies aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur, zoals Naturalis Biodiversity Center, Biomedical Primate Research Centre (BPRC) en NEMO. Deze organisaties ontvangen hun beschikking in het najaar vooruitlopend op het betreffend begrotingsjaar. Ook betreft het subsidies vanuit het Nationaal Groeifonds aan Biotech Booster en Big Chemistry. Daarnaast is het budget voor 46,02 procent bestuurlijk gebonden. Hieronder vallen de subsidies op grond van de matchingsregeling Horizon Europe. Afsluitend is het budget voor 0,47 procent beleidsmatig gereserveerd.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2027 is 36,73 procent juridisch verplicht en 49,76 procent bestuurlijk gebonden. Deze verplichtingen hebben betrekking op beleidsonderzoek, evaluaties en ondersteuning van commissies. 13,51 procent is beleidsmatig gereserveerd.

Bijdrage aan agentschappen

Het beschikbare budget bestaat voor 100 procent uit juridisch verplichte middelen. Het betreft verplichtingen ten opzichte van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen Horizon Europe en Kennisveiligheid. Daarnaast zijn er verplichtingen aan Justis voor de voorbereidende werkzaamheden voor de screeningswet kennisveiligheid.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Het beschikbare budget is voor 100 procent juridisch verplicht. Het betreft hier jaarlijkse contributies aan (inter)nationale organisaties waar Nederland zich middels internationale verdragen aan heeft verbonden.

Dit kabinet heeft een groot deel van de tijdelijke investeringen vanuit het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap structureel gemaakt. Daarom heeft het geen meerwaarde meer om in de tabel Budgettaire gevolgen van beleid de begrotingsinstrumenten te splitsen in een deel «Fonds» en een deel «regulier». Van 2022 tot 2026 werd dit onderscheid gemaakt. In deze begroting wordt de opdeling van de begrotingsinstrumenten in Fonds en regulier losgelaten. Wel zijn de investeringen uit het coalitieakkoord zo veel mogelijk zichtbaar gemaakt doordat zij op eigen hoofdbudgetten staan.

Bekostiging

Het Ministerie van OCW geeft bekostiging aan NWO, KNAW en KB. Deze instellingen ontvangen een rijksbijdrage voor de uitvoering van hun wettelijke taak en voor het beheer van hun instituten. Zij hebben een belangrijke stelselrol in het bereiken van de beleidsdoelen van het wetenschapsbeleid. Het gaat om de volgende organisaties:

NWO

NWO heeft tot taak het bevorderen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek en het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast bevordert NWO de overdracht van kennis van de resultaten van door haar geïnitieerd en gestimuleerd onderzoek ten behoeve van de maatschappij. NWO voert deze taken uit door het toewijzen van middelen in competitie, met name aan universiteiten maar ook hogescholen. Daarbij let zij op het aspect van coördinatie en bevordert deze waar nodig. NWO draagt in den brede bij aan de hoofddoelen van het wetenschapsbeleid, zoals deze staan beschreven onder algemene doelstelling. Dit doet NWO via gerichte programma’s binnen vier domeinen. De programma’s zijn zowel gericht op ongebonden onderzoek, zoals de open competitie, als op thematisch onderzoek, zoals bij de Nationale wetenschapsagenda (NWA) en het Kennis en Innovatieconvenant (KIC). Daarnaast stimuleert NWO praktijkgericht onderzoek via het regieorgaan SIA. In 2027 ontvangt NWO € 828,2 miljoen aan algemene bijdrage. Daarnaast ontvangt NWO voor een aantal beleidsdoelen specifieke bijdragen. Deze staan apart opgenomen in de tabel Budgettaire gevolgen van beleid. Het gaat bijvoorbeeld om specifieke bijdragen voor talentontwikkeling, grootschalige wetenschappelijke infrastructuur, de nationale wetenschapsagenda, en praktijkgericht onderzoek. In de begroting van NWO staat meer informatie over de subsidieprogramma’s van NWO en over haar beleidsdoelstellingen.

Op ocwincijfers.nl zijn indicatoren te raadplegen die relevant zijn voor het monitoren van de bijdragen van NWO aan de ambitie en hoofddoelen van de minister. Het gaat om de honoreringspercentages, aantal gefinancierde projecten per financieringslijn, aantal samenwerkingen tussen kennisinstellingen (aantal gefinancierde consortia), en aantal projecten gefinancierd vanuit de Roadmap GWI. Ook de indicatoren voor talent en voor open science zijn relevant voor de beleidsdoelstellingen van NWO.

Dit kabinet investeert fors in onderzoek en wetenschap. Ook bij de uitgaven voor NWO is dit zichtbaar. Zo ontvangt NWO de komende jaren bij elkaar € 185 miljoen voor de opvolger van de nationale supercomputer Snellius, en € 25 miljoen voor de bouw van het Einstein Telescoop-Low Frequency Center (ET-LFC). Voor infrastructuur ontvangt NWO daarnaast in 2027 € 27,8 miljoen aanvullend op de bestaande bijdrage, onder andere voor digitale infrastructuur. Ook ontvangt NWO in 2027 een extra bijdrage van € 5 miljoen voor praktijkgericht onderzoek. Na 2031 wordt de bestaande bijdrage structureel doorgezet en verhoogd. Voor praktijkgericht onderzoek zijn diverse indicatoren beschikbaar. Ook de bijdrage voor Europese partnerschappen wordt na 2031 structureel gemaakt met € 13,0 miljoen. Op ocwincijfers.nl staat het aantal Europese partnerschappen waaraan Nederland deelneemt.

KNAW

De KNAW heeft verschillende wettelijke taken waaronder het bevorderen van excellent onderzoek. De KNAW is de plek waar de beste wetenschappers vanuit de volle breedte van het onderzoek hun kennis uitwisselen en delen met de samenleving. Daarnaast doet de KNAW via de KNAW-instituten wetenschappelijk onderzoek en zorgt zij dat wetenschappers toegang hebben tot belangrijke onderzoeksfaciliteiten en unieke collecties. Ook geeft de KNAW adviezen over wetenschap die helpen bij het maken van goed beleid en het oplossen van maatschappelijke vraagstukken.

KB

De KB speelt een centrale rol in de Nederlandse (wetenschappelijke) informatiestructuur door het verzamelen, beheren en beschikbaar stellen van wat er in en over Nederland is geschreven. De bekostiging voor de wetenschappelijke taken van de KB loopt via Artikel 16 (Onderzoek en Wetenschapsbeleid), de bekostiging voor de stelseltaken van openbare bibliotheken wordt bekostigd via Artikel 14 (Cultuur).

Subsidies

Voor het bereiken van de doelen van het onderzoek en wetenschapsbeleid worden diverse subsidies verstrekt aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur. Het gaat hier onder andere om de onderstaande subsidies. Subsidies onder de € 1 miljoen worden hieronder niet apart toegelicht:

  • Naturalis Biodiversity Center ontvangt een subsidie van € 14,3 miljoen in 2027 voor onderzoek naar de biodiversiteit en instandhouding van de nationale grootschalige infrastructuur voor biodiversiteitsonderzoek;

  • BPRC ontvangt een subsidie van € 13,3 miljoen in 2027 voor primatenonderzoek en de huisvestiging van primaten;

  • NEMO science museum ontvangt een subsidie van € 4,3 miljoen in 2027 voor het beheren en ontwikkelen van NEMO Science Museum en NEMO Kennislink, het organiseren van het landelijke festival Weekend van de Wetenschap en het ondersteunen van overige gerelateerde landelijke activiteiten op het gebied van wetenschaps- en technologiecommunicatie en wetenschapseducatie;

  • Stichting AAP ontvangt een subsidie van € 1,3 miljoen in 2027 voor het verzorgen van de opvang van de chimpansees uit het BPRC;

  • onder overige subsidies (voorheen nationale coördinatie) staan met name projectsubsidies met een tijdelijk karakter begroot. Ook staan hier de kosten voor de subsidieregeling Sociale veiligheid. Ook geeft ministerie OCW vanuit deze post subsidie aan Nationaal Expertisecentrum Wetenschap en Samenleving (NEWS). Deze subsidies hebben als doel om een thema in het kennisveld tijdelijk te ondersteunen vanuit het Ministerie van OCW;

  • Delta Climate Center ontvangt een subsidie van € 11,5 miljoen in 2027 voor onderzoek, onderwijsontwikkeling en kennistoepassing in samenwerking met het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, overheden en inwoners in Zeeland;

  • voor het NGF-project Biotech Booster staat in 2027 € 32,7 miljoen begroot. De Biotech Booster is een verbond van kennisinstellingen en bedrijven om kennis over biotechnologie beter om te zetten in bedrijvigheid en toepassingen. Zo draagt innovatie in biotechnologie maximaal bij aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen;

  • voor het NGF-project Big Chemistry staat in 2027 € 17,4 miljoen begroot. Big Chemistry verbindt big data met chemie om zo een volledig gerobotiseerd laboratorium te bouwen. Dit laboratorium dient zowel excellente wetenschap als industrieel onderzoek en ontwikkeling op het gebied van formulering van complexe mengsels;

  • voor Matching Horizon Europe staat in 2027 € 85,9 miljoen begroot. Dit is een subsidieregeling waarmee Nederlandse deelname aan Horizon Europe-projecten wordt gestimuleerd. Om de succesvolle deelname van Nederland aan Horizon Europe te behouden en waar mogelijk te verbeteren, maakt het kabinet het budget voor de tijdelijke subsidieregeling Matching Horizon Europe vanaf 2030 structureel met € 80 miljoen per jaar. Het percentage van het budget dat Nederlandse kennisinstellingen en innovatieve bedrijven uit Horizon Europe halen wordt gemonitord. Daarnaast wordt een indicator bijgehouden over internationale co-publicaties. Afsluitend wordt ook een indicator bijgehouden over matchingsdruk, al betreft dit naast Horizon Europe ook matchingsdruk vanwege bijvoorbeeld NWO-subsidies.

Opdrachten

Voor beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor het beleidsgericht onderzoek en evaluaties.

Bijdrage aan agentschappen

Hieronder valt de opdracht aan de Rijksdienst voor Ondernend Nederland (RVO) met het oog op de rol die zij vervullen van National Contact Point voor Horizon Europe. RVO ondersteunt Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven bij het indienen van projectvoorstellen in Horizon Europe om de Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie te bevorderen.

Daarnaast betreft dit de opdracht aan de RVO voor het uitvoeren van de subsidieregeling Matching Horizon Europe. Ook staan hier de kosten voor het Loket kennisveiligheid bij de RVO.

Afsluitend staan de uitgaven aan Justis voor de Wet Screening kennisveiligheid op dit instrument. In 2027 betreft dit € 2,7 miljoen. Op ocwincijfers.nl is een indicator beschikbaar over kennisveiligheid.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Door de deelname van Nederland aan intergouvernementele organisaties krijgen Nederlandse wetenschappelijke onderzoekers toegang tot unieke grootschalige onderzoeksfaciliteiten en internationale netwerken van toponderzoekers. Het gaat om:

  • European Molecular Biology Conference (EMBC) (€ 1,5 miljoen)

    Coördineert beleid en financiering voor Europese samenwerking in de moleculaire biologie en bevordert wetenschap via beurzen, trainingen en journals.

  • European Molecular Biology Laboratory (EMBL) (€ 9,2 miljoen)

    Verricht fundamenteel onderzoek in moleculaire biologie, ontwikkelt technologieën voor de levenswetenschappen en biedt trainingen en wetenschappelijke diensten (o.a. technologie, expertise en infrastructuur).

  • European Space Agency (ESA) (€ 36,4 miljoen)

    ESA is het Europese Ruimtevaartagentschap. Het agentschap ontwikkelt en lanceert satellieten, voert wetenschappelijk onderzoek uit naar het heelal en coördineert bemande ruimtevluchten. Aardobservatie, satellietnavigatie en veiligheid zijn hierbij belangrijke onderwerpen. Voor OCW is met name het Science programma van belang. Een klein deel van dit budget gaat naar nationaal flankerend ruimte-onderzoeksbeleid, uitgevoerd door Netherlands Space Agency (NLSA).

  • Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire (CERN) (€ 69,1 miljoen)

    Faciliteert fundamenteel onderzoek in deeltjesfysica via deeltjesversnellers, gericht op de structuur van materie en fundamentele krachten.

  • European Southern Observatory (ESO) (€ 12,8 miljoen)

    Exploiteert astronomische observatoria voor onderzoek naar sterrenstelsels, exoplaneten en kosmologische processen.

  • Square Kilometer Array Observatory (SKAO) (6,0 miljoen)

    Een intergouvernementele organisatie die de grootste radiotelescoop ter wereld bouwt, voor systematisch onderzoek naar de evolutie van het heelal en kosmische structuren.

Dit kabinet hoogt de beschikbare bijdrage voor SKAO op met structureel € 8,7 miljoen. Hierdoor is er voldoende onderzoekstijd beschikbaar voor Nederlandse wetenschappers, en krijgen Nederlandse wetenschappers toegang tot de capaciteit voor de verwerking van data. Ook wordt vanaf 2032 structureel € 10.0 miljoen begroot als contributie voor de toekomstige Einstein Telescope.

3.13 Artikel 25. Emancipatie

Het realiseren van gendergelijkheid en gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslachtskenmerken in de Nederlandse samenleving.

In de rechtsstaat Nederland moeten alle vrouwen, mannen en lhbtiq+ personen op een veilige, vrije en gelijkwaardige manier kunnen deelnemen aan onze pluriforme samenleving.

De opdracht van het emancipatiebeleid is het bevorderen van gelijkwaardigheid tussen vrouwen en mannen (gendergelijkheid) en voor lhbtiq+ personen. Het overkoepelende doel is dat iedereen gelijk wordt behandeld en zich geaccepteerd weet, en dat persoonlijke vrijheden zoals keuzevrijheid en zelfbeschikking worden beschermd en versterkt; uiteraard met inachtneming van de vrijheid van anderen.

Deze opdracht is belangrijk voor de maatschappelijke participatie, bestaanszekerheid, de veiligheid en het welzijn van burgers. Daarmee draagt emancipatie ook bij aan de welvaart en aan de realisatie van andere maatschappelijke opgaven zoals minder tekorten op de arbeidsmarkt of het terugbrengen van de zorg- en sociale zekerheidskosten en aan een samenleving die voor iedereen veilig is.

Financieren

Het ministerie biedt financiële ondersteuning, waaronder subsidies, aan maatschappelijke instellingen via de Subsidieregeling gender- en LHBTI+-gelijkheid 2022-2027. Deze regeling voorziet onder andere in het verstrekken van subsidies aan allianties voor de realisering van de doelstellingen op gender- en lhbtiq+-gelijkheid.

Na afloop van de huidige Subsidieregeling wordt deze met de Subsidieregeling gender- en LHBTI+-gelijkheid 2027-2032 opgevolgd.

Stimuleren

Het ministerie sluit met deze allianties strategische partnerschappen op diverse gebieden van Emancipatiebeleid.

Regisseren

Emancipatiebeleid wordt rijksbreed gecoördineerd door het Ministerie van OCW. Het ministerie doet dit door wetgeving en beleidsvorming op te stellen en aan te jagen bij andere departementen. De coördinatie behelst onder andere:

  • samenwerken met andere departementen in de uitvoering van de nieuwe Emancipatienota waarvan publicatie is voorzien in het derde kwartaal 2026;

  • monitoren van en rapporteren over de implementatie en naleving van internationale verdragen en afspraken op emancipatiegebied;

  • stimuleren dat alle departementen de verplichte gendertoets uit het Beleidskompas daadwerkelijk gebruiken;

  • ondersteunen van andere departementen die vragen hebben over hoe hun beleid impact heeft of kan hebben op de emancipatie van vrouwen, mannen en lhbtiq+ personen; ieder departement is zelf verantwoordelijk om dit op de eigen beleidsterreinen mee te nemen (gender-mainstreaming).

Gemeenten ontvangen via decentralisatie-uitkeringen een bijdrage voor de uitvoering van de samenwerkingsafspraken over versterking en uitvoering van het lokale beleid op het gebied van gendergelijkheid en lhbtiq+-gelijkheid.

Daarnaast draagt het ministerie bij aan internationale samenwerking met organisaties als Europese Unie, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

In het onderdeel beleidsprioriteiten (paragraaf 2.1) staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van het beleidsartikel 25 beschreven.

De volgende sub-thema’s in de beleidsprioriteiten hebben betrekking op beleidsartikel 25:

In het derde kwartaal van 2026 brengt het kabinet de Emancipatienota uit. Daarin staan het voorgenomen beleid en de beleidsmaatregelen van het kabinet opgenomen.

Tabel 75 Budgettaire gevolgen van beleid art. 25 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

9.280

12.851

30.933

41.676

42.016

35.184

33.800

        

Uitgaven

22.520

23.392

46.496

43.085

43.045

35.697

34.200

        

Bekostiging

14.449

14.917

14.923

12.464

12.462

12.461

12.454

Kennisinfrastructuur: Gender- en LHBTI- gelijkheid

14.449

14.917

14.923

12.464

12.462

12.461

12.454

Subsidies (regelingen)

4.953

4.317

8.444

7.340

7.302

7.786

6.298

Gender- en LHBTI- gelijkheid 2022-2027

4.953

4.317

8.444

7.340

7.302

7.786

6.298

Opdrachten

3.118

4.152

9.448

9.600

9.600

4.409

4.407

Opdrachten

3.118

4.152

9.448

9.600

9.600

4.409

4.407

Bijdrage aan medeoverheden

0

6

13.681

13.681

13.681

11.041

11.041

Gemeentefonds gender- en LHBTI-gelijkheid

0

6

13.681

13.681

13.681

11.041

11.041

        

Ontvangsten

44

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit
Tabel 76 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

39,8%

bestuurlijk gebonden

56,3%

beleidsmatig gereserveerd

0,1%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

3,8%

Van het totale budget voor artikel 25 is voor 2027 39,8 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2027 is voor 100,0 procent juridisch verplicht.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2027 is voor 26,5 procent juridisch verplicht. Dit betreft meerjarige projectsubsidies. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Het beschikbare budget voor 2027 is voor 9,5 procent juridisch verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Het beschikbare budget is 100 procent beleidsmatig verplicht.

Bekostiging

Op basis van de Subsidieregeling gender- en LHBTI+- gelijkheid 2022-2027 zijn voor een periode van vijf jaar strategische partnerschappen aangegaan. Dit betreft acht allianties en twee instellingssubsidies voor de bibliotheek- en erfgoedfunctie. Het doel is om met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend gender- en lhbtiq+-gelijkheid te realiseren.

Subsidies

Projectsubsidies worden verleend op basis van de Subsidieregeling gender- en LHBTI+-gelijkheid 2022-2027.

Opdrachten

De middelen voor opdrachten voor zowel gender- als lhbtiq+-gelijkheid worden besteed aan onder andere onderzoek, verkenningen, evaluaties en symposia.

Bijdrage aan medeoverheden

De programma’s Regenboogsteden en Veilige steden lopen nog door tot en met 2026. Gemeenten die actief zijn op het gebied van gender- en lhbtiq+-gelijkheid ontvangen via een decentralisatie-uitkering een bijdrage. De verantwoordelijkheid voor de besteding van deze middelen is belegd bij de gemeenten zelf.

4. Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 91. Nog Onverdeeld

Doel van dit artikel is het tijdelijk boeken van sectoroverschrijdende middelen. Zodra een exacte verdeling over de betrokken beleidsartikelen bekend is, worden de middelen naar deze artikelen overgeboekt. Het betreft:

  • loonbijstelling;

  • prijsbijstelling;

  • onvoorzien.

Op deze onderdelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

Tabel 77 Budgettaire gevolgen art. 91 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

        

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Programma

0

0

0

0

0

0

0

Apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Programma

0

0

0

0

0

0

0

Apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

     

0

  

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

4.2 Artikel 95. Apparaat Kerndepartement

Budgettaire gevolgen

Tabel 78 Budgettaire gevolgen van art. 95 Apparaatsuitgaven Kerndepartement (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

440.755

447.760

437.645

404.074

378.298

347.398

339.766

        

Uitgaven

440.783

447.760

437.645

404.074

378.298

347.398

339.766

        

Personele uitgaven

374.394

374.318

366.177

335.733

299.815

268.410

260.778

Eigen Personeel

343.591

354.294

350.731

323.925

288.195

256.789

249.157

Externe inhuur

28.463

15.375

10.984

7.547

7.411

7.412

7.412

Overige personele uitgaven

2.340

4.649

4.462

4.261

4.209

4.209

4.209

Materiële uitgaven

64.343

73.442

71.468

68.341

78.483

78.988

78.988

ICT

12.486

9.791

9.803

10.268

9.433

9.933

9.933

Bijdrage aan SSO's

25.062

23.414

22.505

21.450

21.175

21.175

21.175

Overig Materieel

26.795

40.237

39.160

36.623

47.875

47.880

47.880

Storting/onttrekking begrotingsreserve

2.046

0

0

0

0

0

0

Begrotingsreserve Schatkistbankieren

2.046

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

3.179

510

482

454

442

442

442

Ontvangsten

1.133

510

482

454

442

442

442

Begrotingsreserve Schatkistbankieren

2.046

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Op het artikel Apparaat Kerndepartement staan de apparaatsuitgaven van de directies van het kerndepartement, zowel die van de beleidsdirecties als die van de niet-beleidsdirecties, de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, de inspecties, het College voor Toetsen en Examens en de adviesraden van het ministerie. Daarnaast worden hier de centrale uitgaven voor onder andere huisvesting, automatisering en bijdragen aan Shared Service Organisaties (SSO's) geraamd.

Vanaf 2027 zijn de apparaatstaakstellingen uit het coalitieakkoord verwerkt en voorlopig op dit begrotingsartikel geboekt. Daarnaast zijn aanvullende taakstellingen vanaf 2028 verwerkt. Deze taakstellingen hebben betrekking op het kerndepartement en op de uitvoeringsorganisaties van OCW en zullen op een later moment daar waar nodig worden doorverdeeld naar andere begrotingsartikelen. De efficiencytaakstellingen bedragen € 5,7 miljoen in 2027 oplopend naar € 63,7 miljoen structureel vanaf 2035. De taakstelling vernieuwing rijksdienst / slagvaardige overheid bedraagt € 12,9 miljoen in 2028 oplopend naar € 67,7 miljoen structureel vanaf 2030.

Op dit artikel worden tevens de mutaties op de begrotingsreserve schatkistbankieren verantwoord. Het Ministerie van OCW staat garant voor het in gebreke blijven van aan het Ministerie van OCW verbonden instellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren. Gegeven de omvang van het budget is er om doelmatigheidsredenen voor gekozen om niet per relevant beleidsartikel een reeks op te nemen, maar dit te doen op het artikel 95 (Apparaat kerndepartement). De ontvangen premies van aan het Ministerie van OCW verbonden instellingen worden jaarlijks via het Ministerie van Financiën aan het Ministerie van OCW overgemaakt en dit wordt in de begroting en in de saldibalans in het jaarverslag (toevoeging premie aan gegroeide reserve) verwerkt.

In de volgende tabel zijn de apparaatsuitgaven van het Ministerie van OCW onderverdeeld naar kerndepartement, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, College voor Toetsen en Examens, Onderwijsraad, Raad voor Cultuur en de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie. Daarnaast zijn de apparaatskosten van de baten-lastenagentschappen en zelfstandige bestuursorganen weergegeven. De apparaatskosten bij zbo’s worden berekend aan de hand van een methode die uitgaat van de jaarrekeningen 2025.

Tabel 79 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en ZBO's/RWT's (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Totaal apparaatsuitgaven ministerie1

440.783

447.760

437.645

404.074

378.298

347.398

339.766

Kerndepartement

250.664

253.908

249.212

219.962

190.866

161.023

154.195

Rijksdienst Cultureel Erfgoed

59.133

55.919

51.736

49.201

51.272

51.270

51.270

Inspectie van het Onderwijs

105.477

106.450

107.112

106.174

107.929

107.401

106.597

Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed

6.936

12.506

12.234

12.208

12.183

12.183

12.183

College voor Toetsen en Examens*

10.815

11.519

11.077

10.340

9.892

9.365

9.365

Onderwijsraad

2.979

2.958

2.945

2.879

2.864

2.864

2.864

Raad voor Cultuur

3.176

2.809

2.593

2.578

2.564

2.564

2.564

Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie

1.603

1.691

736

732

728

728

728

        

Totaal apparaatskosten agentschappen2

500.605

605.159

643.411

637.797

618.812

617.196

616.321

Dienst Uitvoering Onderwijs

428.184

528.459

560.344

559.591

544.033

544.335

545.964

Nationaal Archief

72.421

76.700

83.067

78.206

74.779

72.861

70.357

        

Totaal apparaatskosten zbo's

473.970

0

0

0

0

0

0

Stichting Participatiefonds (PF)

1.468

0

0

0

0

0

0

Stichting Vervangingsfonds (VF)

391

0

0

0

0

0

0

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

93.051

0

0

0

0

0

0

Nationaal Coordinatiepunt NLQF3

1.116

0

0

0

0

0

0

Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie

4.820

0

0

0

0

0

0

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

130.028

0

0

0

0

0

0

Stichting Nederlans Fonds voor Podiumkunsten+

10.097

0

0

0

0

0

0

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

8.179

0

0

0

0

0

0

Stichting Nederlands Fonds voor de Film

7.013

0

0

0

0

0

0

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie

4.819

0

0

0

0

0

0

Stichting Mondriaan Fonds

7.400

0

0

0

0

0

0

Stichting Nederlands Letterenfonds

5.155

0

0

0

0

0

0

Bureau Architectenregister

704

0

0

0

0

0

0

Commissariaat voor de Media

9.846

0

0

0

0

0

0

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2.174

0

0

0

0

0

0

Nederlandse Publieke Omroep

102.126

0

0

0

0

0

0

Regionale Publieke Omroep

3.603

0

0

0

0

0

0

Koninklijke Bibliotheek

77.042

0

0

0

0

0

0

Nationaal Agentschap Erasmus+

4.938

0

0

0

0

0

0

        

Totaal apparaatskosten rwt's4

43.462.949

45.087.591

44.783.281

44.960.526

44.850.537

44.664.007

44.471.811

Bevoegde gezagsorganen primair onderwijs

15.254.960

16.236.116

15.938.137

16.113.828

16.025.204

15.928.085

15.868.551

Bevoegde gezagsorganen voortgezet onderwijs

11.445.553

11.744.576

11.885.898

11.906.688

11.840.379

11.778.870

11.768.698

SLOA: Onderwijs ondersteunende instellingen

55.529

59.278

61.858

61.368

61.598

62.081

62.081

Instellingsbesturen mbo-instellingen

4.715.137

4.863.518

4.910.412

4.922.552

5.016.263

5.002.084

4.960.763

Landelijk Centrum Studiekeuze (voorheen Studiekeuze 123)

4.788

4.788

4.788

4.788

4.788

4.788

4.788

Nuffic

9.703

0

0

0

0

0

0

SURFcert

0

0

3.975

3.975

3.975

3.975

3.975

Instellingsbesturen hogescholen

4.470.069

4.559.245

4.415.739

4.350.841

4.349.065

4.334.607

4.315.047

Instellingsbesturen universiteiten

6.516.479

6.710.337

6.651.616

6.686.963

6.637.992

6.636.544

6.572.451

Academische Ziekenhuizen

877.636

909.033

910.158

908.823

910.573

912.273

914.757

Netherlands house for Education and Research (Neth-er)

700

700

700

700

700

700

700

Collectiebeherende instellingen die onder de Erfgoedwet vallen

0

0

0

0

0

0

0

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen

112.395

0

0

0

0

0

0

1

De cijfers in de tabel zijn niet met elkaar te consolideren aangezien het zowel uitgaven als kosten betreft.

2

De apparaatskosten bij de baten-lastendiensten betreffen naast de apparaatskosten in verband met werkzaamheden voor OCW ook de kosten die verband houden met werkzaamheden die voor tweeden en derden worden uigevoerd.

3

De wet NLQF, waarmee het Nationaal Coordinatiepunt NLQF is ingesteld, is in 2025 in werking getreden. Daarmee is dit ZBO vanaf 2025 gestart.

4

In deze tabel is voor de rwt’s (niet zijnde zbo’s) voor een aantal rwt's het totale bedrag aan bekostiging opgenomen. Dit zijn allemaal rwt’s die bekostiging ontvangen uit programmabudget uit de OCW-begroting. Voor de rwt’s die het OCW beleid uitvoeren is geen onderscheid te maken tussen programma en apparaat of is het jaarverslag er nog niet van bekend. De in deze tabel opgenomen reeksen zijn onvergelijkbaar met de apparaatskosten voor het departement, de agentschappen en de zbo’s.

Toelichting

Tabel 80 Overzicht apparaatsuitgaven per beleidsterrein budgettaire gevolgen (bedragen x € 1.000)

Beleidsartikel

2027

Totaal apparaat beleidsartikelen

88.631

Onderwijspersoneel en Primair onderwijs

12.664

Onderwijsprestaties en Voortgezet onderwijs

14.907

Kansengelijkheid & onderwijsondersteuning

7.457

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

8.048

Hoger onderwijs en studiefinanciering

11.852

Internationaal beleid

4.909

Cultuur & media

15.579

Onderzoek en wetenschapsbeleid

10.001

Emancipatie

3.214

5. Begroting agentschappen

5.1 Agentschap Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

DUO is een agentschap van het Ministerie van OCW, dat ook voor enkele andere ministeries werkt. Voor het Ministerie van OCW voert DUO een groot aantal onderwijswetten en -regelingen uit. Daarnaast vervult DUO voor het Ministerie van SZW taken voor de Wet Inburgering, en beheert DUO twee registers op het gebied van kinderopvang. Voor het Ministerie van Financiën voert DUO werkzaamheden uit op het gebied van examens voor de Wet op het financieel toezicht (Wft). Verder voert DUO taken uit voor het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), in opdracht van het Ministerie van JenV. Tot slot verzorgt de Shared Service Organisatie Noord (SSO-Noord), sinds 1 januari 2019 onderdeel van DUO, voor diverse opdrachtgevers taken op het gebied van inkoop in het Inkoop Uitvoeringscentrum (IUC), en housing en hosting in het Overheids Datacenter (ODC). DUO is gevestigd in Groningen (hoofdkantoor) en Den Haag, en heeft achttien servicekantoren en -balies en zes toetslocaties verspreid over het land.

DUO werkt verder aan haar ambities in het kader van Werk aan Uitvoering. De dienstverlening aan alle klanten van DUO wordt verbeterd. Hiertoe wordt geïnvesteerd in het vakmanschap van de medewerkers van DUO, en in de randvoorwaarden die hiervoor ingevuld moeten worden zoals het verder verbeteren van digitale systemen, informatiehuishouding en de implementatie van klantvolgsystemen.

De taakstellingen uit kabinet Schoof zijn verwerkt in de begroting van DUO. Het betreft oplopende reeksen met een totaal van € 14,3 miljoen in 2030. De impact van de taakstellingen uit kabinet-Jetten zijn nog niet verwerkt in de begroting van DUO aangezien de verdeling aan de verschillende dienstonderdelen van het Ministerie van OCW nog niet heeft plaatsgevonden.

Tabel 81 Begroting van baten-lastenagentschap DUO voor het jaar 2027 (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Baten

      

- Baten als tegenprestatie voor de levering van producten en/of diensten

86.292

103.321

111.184

120.150

130.379

142.053

Examendiensten

5.649

7.430

7.430

7.430

7.430

7.430

ICT-Diensten

73.152

83.161

91.024

99.990

110.219

121.893

Inkoopdiensten

4.602

4.926

4.926

4.926

4.926

4.926

Overige dienstverlening

2.889

7.804

7.804

7.804

7.804

7.804

- Baten als tegenprestatie voor levering van input

542.679

572.291

573.660

560.623

563.716

557.785

Hoofdproduct Bekostiging

79.942

85.741

88.329

91.077

93.432

93.345

Hoofdproduct Studiefinanciering

204.073

226.592

222.026

205.900

201.290

196.383

Hoofdproduct Examendiensten

90.433

89.404

90.595

89.974

91.853

91.835

Hoofdproduct Onderwijsregisters

69.953

74.303

74.833

75.207

76.908

75.524

Hoofdproduct Informatiediensten

21.237

28.060

29.686

31.666

33.434

33.899

Inburgering

44.862

41.457

41.457

41.457

41.457

41.457

ICT-Diensten

17.499

16.562

16.562

15.170

15.170

15.170

Diverse registers

9.724

9.880

9.880

9.880

9.880

9.880

Overige dienstverlening

4.956

292

292

292

292

292

Rentebaten

1.400

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

630.371

677.112

686.344

682.273

695.595

701.338

       

Lasten

      

Apparaatskosten

528.459

560.344

559.591

544.033

544.335

545.964

- Personele kosten

411.880

419.823

417.521

400.510

396.900

393.969

waarvan eigen personeel

283.546

316.967

323.579

314.400

319.505

317.145

waarvan inhuur externen

113.500

88.162

79.329

72.092

63.504

63.035

waarvan overige personele kosten

14.834

14.694

14.613

14.018

13.891

13.789

- Materiële kosten

116.579

140.521

142.070

143.523

147.435

151.995

Waarvan apparaat ICT

56.825

74.888

76.442

78.074

81.420

85.360

Waarvan bijdrage aan SSO's

28.751

31.816

32.611

33.427

34.262

35.119

Waarvan overige materiële kosten

31.003

33.817

33.017

32.022

31.753

31.516

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

32.064

38.549

38.358

38.051

38.652

39.415

Rentelasten

3.695

5.098

6.379

7.386

8.113

8.493

Afschrijvingskosten

64.203

70.521

79.416

90.203

101.895

104.866

- Materieel

21.620

23.049

24.507

26.169

28.066

30.231

Waarvan apparaat ICT

21.220

22.649

24.107

25.769

27.666

29.831

Waarvan overige materiële afschrijvingskosten

400

400

400

400

400

400

- Immaterieel

42.583

47.472

54.909

64.034

73.829

74.635

Overige lasten

1.850

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

Waarvan dotaties voorzieningen

1.850

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

Waarvan bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

630.271

677.012

686.244

682.173

695.495

701.238

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

100

100

100

100

100

100

Agentschapsdeel Vpb-lasten

100

100

100

100

100

100

Saldo van baten en lasten

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Baten als tegenprestatie voor de levering van producten en/of diensten

De totale verwachte baten als tegenprestatie voor de levering van diensten bedragen € 103,3 miljoen. Het gaat hier om dienstverlening op het gebied van examens, ICT en inkoopdiensten aangeboden door SSO-Noord en overige dienstverlening waaronder vergoedingen voor detacheringen.

Baten examendiensten

De verwachte baten examendiensten van € 7,4 miljoen betreffen de inkomsten uit leges voor afgenomen examens in opdracht van het Ministerie van OCW.

Baten ICT-Diensten

De verwachte baten ICT-diensten van € 83,2 miljoen betreffen de inkomsten uit werkzaamheden uitgevoerd door SSO-Noord, dat onderdeel is van DUO. Het betreft werkzaamheden voor de ministeries van OCW (€ 4,7 miljoen), BZK (€ 33,4 miljoen), JenV (€ 23,9 miljoen), EZK (€ 9,4 miljoen), VWS (€ 3,7 miljoen), Financiën (€ 2,4 miljoen), IenW (€ 3,0 miljoen) en diverse gemeenten, zelfstandige bestuursorganen en agentschappen (€ 2,7 miljoen).

Baten inkoopdiensten

De verwachte baten inkoopdiensten van € 4,9 miljoen betreffen de inkomsten uit werkzaamheden uitgevoerd door SSO-Noord, dat onderdeel is van DUO. Het betreft werkzaamheden voor de ministeries van OCW (€ 3,5 miljoen) en JenV (€ 1,4 miljoen).

Baten overige dienstverlening

De verwachte baten in verband met overige dienstverlening bedragen € 7,8 miljoen. De werkzaamheden bestaan uit het afnemen van de examens in verband met de Wet op het financieel toezicht in opdracht van het Ministerie van Financiën (€ 2,2 miljoen) en uit print- en couverteerwerkzaamheden voor het Ministerie van JenV (€ 2,3 miljoen). De verwachte baten in verband met overige dienstverlening aan derden en detacheringen bedragen € 2,3 miljoen respectievelijk € 1,0 miljoen.

Baten als tegenprestatie voor de levering van input

De totale verwachte baten als tegenprestatie voor het leveren van input bedragen € 572,3 miljoen. Deze baten vloeien voort uit het uitvoeren van de vijf hoofdproducten en werkplekdienstverlening in opdracht van het Ministerie van OCW. Tevens zijn hier de baten opgenomen in verband met het uitvoeren van de inburgeringstaken in opdracht van het Ministerie van SZW. Voorts zijn baten opgenomen in verband met het voeren van diverse registers en overige dienstverlening, waaronder het Landelijk Register Kinderopvang.

Baten hoofdproduct bekostiging

De verwachte baten van € 85,7 miljoen betreffen de inkomsten voor geleverde diensten en producten aan het Ministerie van OCW voor het uitvoeren van het hoofdproduct bekostiging van onderwijsinstellingen. In de totale baten is een vergoeding voor ontwikkeling van het systeemlandschap (€ 20,6 miljoen) en een vergoeding voor werkzaamheden in verband met Werk aan Uitvoering (€ 3,5 miljoen) opgenomen.

Omzet studiefinanciering

De verwachte baten van € 226,6 miljoen betreffen de inkomsten voor geleverde diensten en producten aan het Ministerie van OCW voor het uitvoeren van het hoofdproduct studiefinanciering. In de totale baten is een vergoeding voor ontwikkeling van het systeemlandschap (€ 19,3 miljoen) en een vergoeding voor werkzaamheden in verband met Werk aan Uitvoering (€ 24,4 miljoen) opgenomen.

Omzet examendiensten

De verwachte baten van € 89,4 miljoen betreffen de inkomsten voor geleverde diensten en producten aan het Ministerie van OCW voor het uitvoeren van het hoofdproduct examendiensten. In de totale baten is een vergoeding voor ontwikkeling van het systeemlandschap (€ 10,4 miljoen) opgenomen.

Omzet onderwijsregisters

De verwachte baten van € 74,3 miljoen betreffen de inkomsten voor geleverde diensten en producten aan het Ministerie van OCW voor het uitvoeren van het hoofdproduct onderwijsregisters. In de totale baten is een vergoeding voor ontwikkeling van het systeemlandschap (€ 18,4 miljoen) opgenomen.

Omzet informatiediensten

De verwachte baten van € 28,1 miljoen betreffen de inkomsten voor geleverde diensten en producten aan het Ministerie van OCW voor het uitvoeren van het hoofdproduct informatiediensten. In de totale baten is een vergoeding voor ontwikkeling van het systeemlandschap (€ 4,9 miljoen) en een vergoeding voor werkzaamheden in verband met Werk aan Uitvoering (€ 10,0 miljoen) opgenomen.

Baten inburgering

De verwachte baten voor het uitvoeren van taken voortkomend uit de inburgeringswetgeving bedragen € 41,5 miljoen. De werkzaamheden worden uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van SZW.

Baten ICT-Diensten

De verwachte baten uit hoofde van werkplekdienstverlening aan het Ministerie van OCW bedragen € 16,6 miljoen.

Baten in verband met het voeren van diverse registers

De verwachte baten voor het voeren van diverse registers in opdracht van het Ministerie van SZW bedragen € 9,9 miljoen. Het betreft primair het beheren van het Landelijk Register Kinderopvang.

Baten in verband met overige dienstverlening

De verwachte baten in verband met overige dienstverlening bedragen € 0,3 miljoen.

Hieronder is weergegeven wat de herkomst van de baten is als tegenprestatie voor de levering van producten en diensten, respectievelijk baten als tegenprestatie voor levering van input.

Tabel 82 Specificatie herkomst van de baten DUO voor het jaar 2027 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

Laatste vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Omzet moederdepartement

493.265

529.250

531.061

518.526

522.192

516.916

Omzet overige departementen

127.119

134.174

141.361

149.558

158.909

169.580

Omzet derden

8.587

12.187

12.422

12.689

12.994

13.342

Totaal omzet

628.971

675.612

684.844

680.773

694.095

699.838

Rentebaten

De verwachte rentebaten bedragen € 1,5 miljoen en betreffen de verwachte vergoeding voor het positieve uitstaande saldo bij het Ministerie van Financiën.

Lasten

Personele kosten

De begrote personele kosten bedragen € 419,8 miljoen en hebben betrekking op de kosten van het eigen personeel (€ 317,0 miljoen) op basis van de gemiddelde loonkosten, de kosten voor externe inhuur (€ 88,1 miljoen) en een reële inschatting van de overige personele kosten zoals opleidingsbudget en reiskosten (€ 14,7 miljoen). DUO probeert voortdurend de inzet van relatief duur extern ICT-personeel te verminderen door in plaats daarvan ambtelijk personeel in dienst te nemen. Dit heeft naast kostenvoordelen ook als voordeel dat de kennisopbouw binnen de eigen organisatie beter kan worden geborgd. Wel heeft DUO de komende jaren additionele werkzaamheden te verrichten op het gebied van wetgeving en het vervangen en doorontwikkelen van haar systeemlandschap. Voor deze incidenteel gefinancierde werkzaamheden geldt dat DUO in beginsel geen vast personeel aantrekt.

Materiële kosten

De begrote materiële kosten bedragen € 140,5 miljoen en betreffen onder andere de ICT-gerelateerde apparaatskosten (€ 74,9 miljoen), zoals de kosten voor het rekencentrum en kosten ten behoeve van beheer, onderhoud en ontwikkeling van ICT-systemen. Daarnaast is een bijdrage aan SSO's (€ 31,8 miljoen) begroot primair ten behoeve van de huisvestingskosten. De begrote overige materiële lasten (€ 33,8 miljoen) betreffen kosten voor examens (zoals drukwerk en vergoedingen voor examinatoren en surveillanten), communicatiekosten en portokosten.

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

De begrote kosten uitbesteed werk en andere externe kosten bedragen € 38,5 miljoen. Dit betreffen verwachte kosten uit hoofde van ingekochte dienstverlening ten behoeve van de uitvoering van diverse taken.

Rentelasten

De begrote rentelasten bedragen € 5,1 miljoen voor de aangetrokken leningen bij het Ministerie van Financiën. Deze leningen worden gebruikt ter financiering van vervangingen in het systeemlandschap.

Afschrijvingskosten

De begrote afschrijvingskosten bedragen € 70,5 miljoen en betreffen de afschrijvingskosten uit hoofde van materiële en immateriële vaste activa. De stijging in 2027 en opvolgende jaren hangt primair samen met de geplande investeringen in het ICT-landschap.

Overige lasten

De begrote overige lasten bedragen € 2,5 miljoen en betreffen de verwachte dotatie aan de personele voorzieningen voor wachtgeld, maatwerk en jubileumuitkeringen.

Tabel 83 Kasstroomoverzicht over het jaar 2027 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

64.785

98.973

99.073

101.573

104.073

106.573

109.073

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

617.189

630.371

677.112

686.344

682.273

695.595

701.338

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

536.489

566.068

604.091

604.428

589.570

591.200

593.972

2.

Totaal operationele kasstroom

80.700

64.303

73.021

81.916

92.703

104.395

107.366

 

-/- totaal investeringen

88.995

106.500

112.428

112.537

111.886

111.884

104.163

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 88.995

‒ 106.500

‒ 112.428

‒ 112.537

‒ 111.886

‒ 111.884

‒ 104.163

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

39.712

64.203

70.521

79.416

90.203

101.895

104.866

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

75.130

106.500

112.428

112.537

111.886

111.884

104.163

4.

Totaal financieringskasstroom

35.418

42.297

41.907

33.121

21.683

9.989

‒ 703

         

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

91.908

99.073

101.573

104.073

106.573

109.073

111.573

Toelichting

Kasstroomoverzicht

De operationele kasstroom is het saldo van ontvangsten van dienstverlening aan het moederdepartement, de overige departementen en derden waar uitgaven aan intern en extern personeel en leveranciers tegenover staan. De investeringskasstroom betreft de verwachte investeringen in zowel materiële als immateriële vaste activa. Het gaat hier specifiek om investeringen in het rekencentrum, softwarelicenties en netwerken. Daarnaast betreffen dit investeringen in het systeemlandschap (zelf ontwikkelde infrastructuur en applicaties). Onder de financieringskasstroom is de aflossing op de leningen opgenomen, evenals de verwachte aan te trekken leningen. De investeringen in de (immateriële) vaste activa worden gefinancierd via een beroep op de leenfaciliteit.

Kapitaaluitgaven

Tabel 84 Specificatie kapitaaluitgaven agentschap DUO 2027 (bedragen x € 1.000)

Investeringen in Immateriële vast activa

 

-Zelfontwikkeld software

74.171

-Software Licenties

0

Materiële vaste activa

 

- Hardware Data- en rekencentrum

33.856

- Hardware Netwerk

3.000

- Hardware Overig

1.401

- Overige Inventaris

0

Totaal investeringen

112.428

Doelmatigheid

De basisindicatoren voor het bepalen van de doelmatigheid zijn de kostprijs en kwaliteit per product of dienst. Conform het overzicht met doelmatigheidsindicatoren stuurt DUO op gelijkblijvende kosten bij verbeterde dienstverlening. De kwaliteitsverbetering zal onder andere ontstaan door de investeringen in het ICT-landschap. Daarnaast heeft de invoering van Life Cycle Management (LCM) binnen DUO geleid tot een situatie waarin grote eenmalige projectinvesteringen zijn vervangen door structurele investeringen die over langere tijd worden afgeschreven. Dit is zichtbaar in de post vervangingskosten, zijnde de niet activeerbare ontwikkelkosten van de vervangingen inclusief de afschrijvingen van de immateriële vaste activa, die de omvang van het ICT-landschap weerspiegelt.

DUO streeft naar doelmatig gebruik van ICT-systemen, door te sturen op een stabilisering en uiteindelijke daling van de omvang van haar ICT-landschap. DUO bereikt dit door «slim» te vervangen en te komen tot een onder architectuur ontwikkeld, modern, simpel en kleiner ICT-landschap. DUO streeft naar stabilisering van de kosten voor onderhoud. Onderhoud is datgene wat nodig is voor instandhouding van de geautomatiseerde uitvoeringsprocessen. Daarnaast stuurt DUO op doelmatigheid voor wat betreft de overheadkosten. DUO streeft de komende jaren naar 30 procent overhead ten opzichte van de totale kosten. DUO is voornemens de doelmatigheidsindicatoren in aankomende jaren door te ontwikkelen.

Tabel 85 Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

Slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Omschrijving Generiek Deel

       

Omzet Bekostiging Instellingen*

17%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Studiefinanciering*

46%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Examendiensten*

19%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Basisregisters*

14%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Informatiediensten*

4%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Totaal basiscontract

 

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

        

Vervangingskosten

€ 65,8

120

133

148

164

161

158

Kosten met betrekking tot onderhoud en beheer*

€ 58,7

100

100

100

100

100

100

Immateriële vaste activa (x1 mln)

€ 202,0

€ 192,2

€ 261,9

€ 283,5

€ 295,3

€ 297,3

€ 290,8

        

Overheadkosten t.o.v. de totale kosten (%)

30%

20%

30%

30%

30%

30%

30%

        

FTE

       

FTE-Intern

3.232,2

3.531,0

3.827,5

3.889,9

3.785,3

3.831,4

3.755,0

FTE-Extern

468,1

430,3

484,9

449,4

418,8

384,1

370,2

        

Tarieven/uur

       

ICT gerelateerd

€ 146,5

€ 146,5

€ 145,5

€ 145,5

€ 145,5

€ 145,5

€ 145,5

Overige uren

€ 103,0

€ 103,0

€ 103,5

€ 103,5

€ 103,5

€ 103,5

€ 103,5

        

Saldo baten en lasten (%)

3%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

        

Kwaliteitsindicatoren

       

Klantcontact digitaal

6,5

6,5

6,5

6,7

6,7

6,7

6,7

Klantcontact traditioneel

7,8

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

Toelichting doelmatigheidsindicatoren

Omzet/kostprijs per product:

DUO aggregeert haar werkzaamheden naar vijf producten, te weten Bekostiging, Studiefinanciering, Examens, Registers en Informatiediensten.

Vervangingskosten:

DUO maakt de effecten van Life Cycle Management inzichtelijk via de vervangingskosten. Dit betreffen de niet-activeerbare ontwikkelkosten van de vervangingen, inclusief de afschrijvingen van de immateriële vaste activa en de bijbehorende rente, die de omvang van het ICT-landschap weerspiegelen.

Kosten met betrekking tot onderhoud en beheer:

DUO streeft naar gelijkblijvende kosten onderhoud en beheer, gerepresenteerd in een gelijkblijvend indexgetal van 100.

Immateriële vaste activa:

Deze indicator geeft het totale omvang van de zelfontwikkelde software weer.

Overheadkosten ten opzichte van de totale kosten (%):

Deze indicator drukt de overhead uit als percentage van de totale kosten. DUO streeft naar een stabiel percentage van 30 procent overhead ten opzichte van de totale kosten.

Fte totaal:

De ontwikkeling in fte's betreft een deel van de bezetting dat werkzaam is in de ontwikkeling van infrastructuur, software en applicaties in eigen beheer wat, financieel gezien, wordt aangemerkt als een investering in immateriële vaste activa. Ten slotte geldt dat een fors deel van de stijging in het aantal fte's het gevolg is van additionele werkzaamheden die voortvloeien uit additionele compliancewerkzaamheden.

Projecttarief per uur:

Het projecttarief per uur is een gemiddeld uurtarief ten behoeve van systeem- en procesaanpassingen en bedraagt € 145,50.

Lijntarief per uur:

Voor niet ICT-gerelateerde inzet geldt een tarief van € 103,50 per uur.

Indicatoren:

Voor de Klanttevredenheid Klantcontact digitaal is de norm 6,5 en voor de Klanttevredenheid klantcontact traditioneel is de norm 7,0. Het betreft hier respectievelijk de tevredenheid van individuele klanten op de kanalen Mijn DUO en de website (digitaal) en de tevredenheid op de kanalen telefonie, e-mail en balie (traditioneel), op een schaal van 1 tot en met 10.

5.2 Agentschap Nationaal Archief (NA)

Het NA beheert de archieven van de Rijksoverheid en archieven van maatschappelijke organisaties en individuele personen die van nationaal belang zijn (geweest). In de depots ligt bijna duizend jaar geschiedenis van Nederland opgeslagen in archieven en in duizenden kaarten, tekeningen en foto’s.

De missie van het NA is het dienen van ieders recht op informatie en het geven van inzicht in het verleden van ons land door inzet voor een sterk archiefbestel, een afgewogen beleid voor archiefwaardering en selectie en optimale zorg voor alle rijksarchieven en de nationale archiefcollectie in Den Haag te beheren en onsite en online te presenteren.

Nationaal Archief en Regionale Historische Centra

Op basis van de Archiefwet 1995 heeft de minister van OCW een specifieke verantwoordelijkheid voor alle rijksarchiefbewaarplaatsen, zijnde het NA in Den Haag en elf rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden. De archiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden maken deel uit van de Regionale Historische Centra (RHC’s). De RHC’s zijn zelfstandige openbare lichamen, die vanuit het Rijk en andere partners een financiële bijdrage ontvangen. De rijksbijdragen aan de afzonderlijke RHC’s zijn onderdeel van artikel 14 (Cultuur) van de begroting van het Ministerie van OCW.

Tabel 86 Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2027 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Baten

       

Omzet

81.872

79.300

87.408

82.457

79.030

77.112

74.608

waarvan omzet moederdepartement

72.532

70.900

82.332

79.409

76.010

74.092

71.588

waarvan omzet overige departementen

6.712

7.200

2.556

556

556

556

556

waarvan omzet derden

2.629

1.200

2.520

2.491

2.463

2.463

2.463

Vrijval voorzieningen

626

0

0

0

0

0

0

Mutatie projectgelden

439

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

63

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

313

0

313

313

313

313

313

Totaal baten

83.313

79.300

87.721

82.770

79.343

77.425

74.921

        

Lasten

       

Apparaatskosten

74.493

76.700

83.067

78.206

74.779

72.861

70.357

Personele kosten

45.266

47.800

55.125

51.914

49.555

47.632

47.005

waarvan eigen personeel

35.991

36.500

45.331

43.715

41.356

39.433

38.806

waarvan inhuur externen

7.342

8.800

6.271

5.021

5.021

5.021

5.021

waarvan overige personele kosten

1.934

2.500

3.523

3.178

3.178

3.178

3.178

Materiële kosten

29.227

28.900

27.943

26.292

25.225

25.229

23.352

waarvan apparaat ICT

4.231

4.300

4.840

4.879

4.899

4.930

4.962

waarvan bijdrage aan SSO's

8.154

7.600

7.552

7.091

7.037

7.039

6.515

waarvan overige materiële kosten

16.842

17.000

15.551

14.322

13.288

13.261

11.875

Afschrijvingskosten

3.621

2.500

4.553

4.463

4.463

4.463

4.463

Materieel

3.621

2.500

4.553

4.463

4.463

4.463

4.463

waarvan apparaat ICT

1.924

1.400

1.464

1.464

1.464

1.464

1.464

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

1.698

1.100

3.089

2.999

2.999

2.999

2.999

Immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Dotaties voorzieningen

940

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

910

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

74

100

100

100

100

100

100

Totaal lasten

80.038

79.300

87.721

82.770

79.343

77.425

74.921

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

3.275

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

0

0

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten

3.275

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De omzet van het moederdepartement betreft de inkomsten van het NA voor de geleverde producten en diensten. Deze bestaan uit structurele middelen voor de primaire activiteiten en middelen voor projectmatige activiteiten. 

Tabel 87 Omzet moederdepartement per productgroep/dienstgroep (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Fysiek archief

16.648

16.000

18.898

18.227

17.447

17.006

16.432

Digitaal archief

17.731

18.000

20.127

19.413

18.582

18.113

17.501

Publiek

12.486

12.000

14.173

13.670

13.085

12.755

12.324

Digitalisering

14.567

14.100

16.535

15.948

15.266

14.881

14.378

Kennis en advies

11.099

10.800

12.598

12.151

11.631

11.338

10.954

Totaal

72.532

70.900

82.332

79.409

76.010

74.092

71.588

De bijdrage 2027 van het moederdepartement stijgt ten opzichte van voorgaande jaren vanwege de loon- en prijscompensatie. Daarnaast zijn er de komende jaren middelen voor het programma WaU en de nieuwe Archiefwet (NAW) beschikbaar gesteld.

Omzet overige departementen

Het NA fungeert als rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Zuid-Holland en ontvangt daarvoor een jaarlijkse bijdrage. Daarnaast ontvangt het NA projectmiddelen van andere ministeries.

Omzet derden

De omzet derden bestaat hoofdzakelijk uit inkomsten van derde partijen voor specifieke producten en diensten.

Lasten

Personele kosten

De personele kosten zijn gebaseerd op een formatie van circa 300–340 fte. In 2027 tot en met 2031 daalt de personele inzet onder andere door de afloop van projecten en programma's alsmede de opgelegde bezuinigingstaakstellingen.

Materiële kosten

Dit betreffen onder andere de huisvestingskosten zoals de huurkosten en servicekosten samenhangend met de huisvesting en kantoorautomatisering. Tevens zijn onder deze post de materiële uitgaven opgenomen die worden gedaan in het primaire proces, zoals voor het fysieke depot, de digitale taken rijksarchieven, tentoonstellingen, dienstverlening en in projecten.

Afschrijvingskosten

Investeringen betreffen reguliere vervangingsinvesteringen in met name de ICT-hardware. Het kasstroomoverzicht laat zien dat de afschrijvingskosten de komende jaren voldoende dekking bieden voor de reguliere investeringen.

Rentelasten

Over de leningen is rente verschuldigd. Deze rente is naar verwachting in lijn met voorgaande jaren.

Tabel 88 Kasstroomoverzicht over het jaar 2027 (bedragen x € 1.000)
  

Stand Slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

8.677

17.213

16.913

19.153

21.703

24.254

26.904

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

87.149

79.300

87.408

82.457

79.030

77.112

74.608

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

75.617

76.700

83.067

78.206

74.779

72.861

70.357

2.

Totaal operationele kasstroom

11.532

2.600

4.340

4.250

4.250

4.250

4.250

 

-/- totaal investeringen

1.213

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

1.213

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

1.783

1.700

900

500

500

400

400

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

1.783

1.700

900

500

500

400

400

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

17.213

16.913

19.153

21.703

24.254

26.904

29.555

Toelichting

De operationele kasstroom is positief vanwege de bijdrage van het moederdepartement voor de afschrijving van nieuwe investeringen en bestaande activa die voorheen met investeringsbijdragen van het Ministerie van OCW waren gefinancierd.

Voor de investeringen wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën. De financieringskasstroom betreft verder de aflossing op leningen die zijn aangegaan ten behoeve van financiering van de verbouwing van de publieke ruimte, het fysieke depot en investeringen in ICT.

Kapitaaluitgaven

Tabel 89 Specificatie kapitaaluitgaven agentschap NA 2027 (bedragen x € 1.000)

Investeringen gebouw

400

Kantoormeubilair

200

Kantoormachines

0

Automatiseringsapparatuur

500

Depotinrichting

100

App. conservering & restauratie

0

Inrichting studiezaal

0

Totaal investeringen

1.200

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

Aflossing op leningen

900

Totaal financieringskasstroom

900

Kapitaaluitgaven

2.100

Tabel 90 Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

Stand Slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Omschrijving Generiek Deel

       

Gemiddeld gewogen kostprijs per productgroep:

       

- De (gem) prijs per km fysiek archief (capaciteit)1

21

21

21

21

21

21

21

- De (gem) prijs per terabyte digitaal archief (capaciteit)1

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

Gemiddeld gewogen uurtarief intern personeel:

       

- Primaire taken - activiteiten2

69

69

69

69

69

69

69

Aantal FTE:

       

- Formatie op lumpsum en projecten

357

310-350

300-340

285-325

260-300

250-290

240-290

Saldo van baten en lasten

3.175.194

0

0

0

0

0

0

Ontwikkeling aantallen bezoekers:

       

- bezoekers

2.211

7.500

7.500

7.500

7.500

7.500

7.500

- onderwijs

4.655

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

- studiezaal - bezoekers

23.608

16.000

16.000

16.000

16.000

16.000

16.000

- studiezaal - raadplegingen archiefstukken

125.853

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

- Website Nationaal Archief

4.811.701

3.500.000

3.500.000

3.500.000

3.500.000

3.500.000

3.500.000

Cijfer bezoeker tevredenheid:3

8,4

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

Voldoen aan webrichtlijnen Rijk: (1-2-3- sterren)4

***

***

***

***

***

***

***

Beschikbaarheid - bereikbaarheid organisatie:

       

- fysieke dienstverlening; geopend:

       

- informatiecentrum en studiezaal

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

- tentoonstelling

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

- ontvangst schoolgroepen

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

- Digitale dienstverlening eDepot (basisdienstverlening):

       

- helpdesk openingstijden op werkdagen

8:30-17:00

8:30-17:00

8:30-17:00

8:30-17:00

8:30-17:00

8:30-17:00

8:30-17:00

1

Uitgaande van de kosten / beschikbare capaciteit

2

Op basis van verantwoording uurtarieven jaarrekening 2017

3

Per twee jaar wordt een landelijk onderzoek gedaan door de branchevereniging archiefveld naar de kwaliteit van de dienstverlening.

4

Betreft de toekenning van het drempelvrij keurmerk; toekenning op basis van een jaarlijks onderzoek; toekenning in de vorm van een jaarlijks certificaat met waardering in aantal sterren (1-2-3- sterren)

Toelichting Doelmatigheidsindicatoren

Kostprijzen per productgroep:De kostprijs per strekkende kilometer wisselarchief en de kostprijs per terabyte digitaal archief geven inzicht in de kosten van de primaire dienstverlening: het beheren, bewaren en toegankelijk maken van analoge en digitale archieven. De kostprijzen zijn gebaseerd op het kostprijsmodel van digitale archieven uit 2020 en worden vooral beïnvloed door de omvang en samenstelling van het archief en de verdeling van de vaste kosten over de geleverde capaciteit.

Uurtarief intern personeel:Het gemiddeld gewogen uurtarief voor primaire taken geeft inzicht in de kosten van de inzet van eigen personeel en wordt met name beïnvloed door cao-ontwikkelingen en de personeelssamenstelling.

Aantal fte:Het aantal fte, inclusief de formatie op lumpsum en projecten, geeft inzicht in de personele capaciteit die benodigd is voor de uitvoering van de wettelijke taken en de overige dienstverlening van het NA. Veranderingen hangen samen met wijzigingen in het takenpakket, tijdelijke projecten en digitalisering.

Saldo van baten en lasten:Dit saldo geeft aan in hoeverre de baten en lasten van het NA in evenwicht zijn en vormt daarmee een indicator voor de financiële doelmatigheid van de bedrijfsvoering.

Ontwikkeling bezoekersaantallen:Het aantal studiezaalbezoekers, het aantal raadplegingen van archiefstukken en het aantal bezoeken aan de website geven inzicht in het bereik en het gebruik van de dienstverlening van het NA.

Beschikbaarheid en bereikbaarheid van de dienstverlening:De openingstijden van de fysieke dienstverlening (informatiecentrum, studiezaal, tentoonstellingen en ontvangst van schoolgroepen) en van de digitale dienstverlening (helpdesk) geven inzicht in de toegankelijkheid van de dienstverlening voor gebruikers.

6. Bijlagen

Bijlage 1: Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en Zelfstandige Bestuursorganen

Tabel 91 Overzicht Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en Zelfstandige Bestuursorganen (vallend onder Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (bedragen x € 1.000)

Naam organisatie

rwt/zbo

Begrotingsartikel(en)

Begrotingsramingen

Uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Volgende evaluatie ZBO

Stichting Participatiefonds

zbo en rwt

1

3.565

2027

Stichting Vervangingsfonds

zbo en rwt

1

2.917

2027

College voor Toetsen en Examens

zbo

1, 3, 4

21.560

2024

2029

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven

zbo en rwt

4

84.228

2025

2030

Nationaal Coordinatiepunt NLQF

zbo en rwt

4

1.047

nvt

2030

Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie

zbo en rwt

6

6.146

2027

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

zbo en rwt

3, 4, 6, 16

1.500.227

2026

2030

Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten

zbo en rwt

14

99.785

2026

2031

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

zbo en rwt

14

56.759

2026

2031

Stichting Nederlands Fonds voor de Film

zbo en rwt

14

101.606

2026

2031

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie

zbo en rwt

14

27.686

2026

2031

Stichting Mondriaan Fonds

zbo en rwt

14

52.807

2026

2031

Stichting Nederlands Letterenfonds

zbo en rwt

14

20.218

2026

2031

Bureau Architectentregister

zbo en rwt

14

743

2025

2030

Koninklijke Bibliotheek

zbo en rwt

14, 16

139.758

2025

2030

Commissariaat voor de Media

zbo en rwt

15

13.357

2024

2029

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

zbo en rwt

15

2.789

2023

2028

Nederlandse Publieke Omroep

zbo en rwt

15

887.440

Regionale Publieke Omroep

zbo en rwt

15

200.983

Bevoegde gezagsorganen primair onderwijs

rwt

1

15.938.137

Bevoegde gezagsorganen voortgezet onderwijs

rwt

3

11.666.949

SLOA: Onderwijs ondersteunende instellingen

rwt

1, 3, 4

61.858

2021

2026

Instellingsbesturen mbo-instellingen

rwt

4

4.910.412

Landelijk Centrum Studiekeuze (voorheen Studiekeuze 123)

rwt

6

4.788

Nuffic

rwt

6, 8

12.002

SURFcert

rwt

6

3.975

Instellingsbesturen hogescholen

rwt

6

4.429.214

Instellingsbesturen universiteiten

rwt

7

6.680.845

Academische Ziekenhuizen

rwt

7

910.158

Netherlands house for Education and Research (Neth-er)

rwt

8

0,6

2028

Nationaal Agentschap Erasmus+

zbo

8

4,9

2028

Collectiebeherende instellingen die onder de Erfgoedwet vallen

rwt

14

293.198

2025

2029

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

rwt

15

2.053

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen

rwt

16

120.049

2026

2031

Stichting Participatiefonds (PF) Het PF is verantwoordelijk voor het beheren, verevenen en terugdringen van de wettelijke en bovenwettelijke werkloosheidsuitgaven in het primair onderwijs. Het PF betaalt (deels) de uitkeringskosten van ontslagen personeel aan het betreffende schoolbestuur indien het ontslag voldoet aan de voorwaarden die het PF hieraan stelt in het reglement. Daarnaast ondersteunt het PF schoolbesturen bij inspanningen om te voorkomen dat onderwijspersoneel instroomt in een uitkering. Eveneens bevordert het PF dat individuele medewerkers die werkloos zijn en dientengevolge een uitkering ontvangen, weer zo snel mogelijk betaald werk hervatten. Door een fusie van de stichtingen Participatiefonds en Vervangingsfonds, worden m.i.v. 1 januari 2027 de taken van het Vervangingsfonds tijdelijk overgedragen aan het Participatiefonds. Dit met oog op de voorziene beëindiging van de vereveningstaak van het vervangingsfonds per 1 januari 2029. In de Wet beëindiging Vervangingsfonds en modernisering Participatiefonds is vastgelegd dat de vereveningstaak van het VF wordt beëindigd. Het betreft o.a. het betalen van de kosten voor vervangers van ziek personeel aan schoolbesturen die hiervoor nog premie afdragen. Rond de 65 procent van de schoolbesturen met meer dan 80 procent van het personeel in de sector primair onderwijs draagt inmiddels volledig zelf de risico’s van deze vervangingskosten, al dan niet via samenwerking met andere besturen. Deze ontwikkeling zet zich door.

Stichting Vervangingsfonds (VF)Het VF betaalt, wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden uit het VF-reglement, geheel of gedeeltelijk de kosten voor vervangers van ziek personeel aan schoolbesturen die hiervoor nog premie afdragen. Rond de 65 procent van de schoolbesturen met meer dan 80 procent van het personeel in de sector primair onderwijs draagt inmiddels volledig zelf de risico’s van deze vervangingskosten, al dan niet via samenwerking met andere besturen. Deze ontwikkeling zet zich door. In de Wet beëindiging Vervangingsfonds en modernisering Participatiefonds is vastgelegd dat de vereveningstaak van het VF op een nog te bepalen moment wordt beëindigd. Momenteel wordt een beëindiging van de vereveningstaak van het VF voorzien per 1 januari 2029.

College voor Toetsen en Examens (CvTE)Het CvTE is verantwoordelijk voor de centrale examens en staatsexamens in het voortgezet onderwijs, de examens rekenen en taal in het (middelbaar) beroepsonderwijs en staatsexamens Nederlands als tweede taal.

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)SBB ontvangt middelen om de wettelijke taken uit te voeren, waarmee wordt bijgedragen aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Hiertoe behoort het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur. Tevens werft en accrediteert SBB leerbedrijven, zorgt zij voor voldoende leerwerkplekken en bevordert zij de kwaliteit van deze plaatsen. De samenwerking van onderwijs en bedrijfsleven binnen één organisatie draagt bij aan kwalitatief goed beroepsonderwijs met opleidingen die up-to-date zijn en voldoende, goede stageplaatsen.

Nationaal Coördinatiepunt Nederlands Kwalificatiekader (NLQF)Het Nationaal Coördinatiepunt NLQF is een onafhankelijke organisatie die zorgt voor de implementatie van het NLQF in Nederland. Het NLQF is een systematische ordening van alle bestaande kwalificatieniveaus en opleidingen in Nederland. Een van de belangrijkste taken is de inschaling in het NLQF (en EQF) van de niet door het Ministerie van OCW gereguleerde kwalificaties en opname van die kwalificaties in het NCP-register.

Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)De NVAO borgt de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Zij beoordeelt op onafhankelijke wijze de kwaliteit van de opleidingen, verleent accreditatie, toetst nieuwe opleidingen en toetst de instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast levert de NVAO een bijdrage aan het vergroten van het kwaliteitsbewustzijn en bevordert zij de internationale samenwerking om tot afstemming en samenhang binnen de Europese hoger onderwijsruimte te komen.

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)NWO is een zelfstandig bestuursorgaan met wettelijk vastgelegde taken. De NWO-domeinen, onderzoeksinstituten en regieorganen voeren de kerntaak van NWO uit: het bevorderen van kwaliteit en vernieuwing in de wetenschap.

Stichting Nederlands Fonds PodiumkunstenHet fonds ondersteunt alle vormen van professionele podiumkunsten in Nederland: muziek, theater, muziektheater en dans. Het stimuleren van innovatie in de keten van scheppen, productie, distributie en afname is een speciale taak van het fonds.

Stichting Fonds voor CultuurparticipatieHet fonds stimuleert de actieve deelname aan het culturele leven van inwoners van Nederland, in al hun diversiteit, ongeacht leeftijd, herkomst, opleiding en woonplaats op het gebied van amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur.

Stichting Nederlands Fonds voor de FilmHet fonds stimuleert de filmproductie in Nederland, met de nadruk op kwaliteit en diversiteit en bevordert een goed klimaat voor de Nederlandse filmcultuur.

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve IndustrieHet fonds voert verschillende subsidieregelingen uit die zijn gericht op kennisontwikkeling en kennisuitwisseling van de ontwerpende disciplines en het vergroten van de belangstelling voor architectuur, vormgeving en e-culture.

Stichting MondriaanfondsHet fonds bevordert bijzondere en vernieuwende projecten en activiteiten van beeldend kunstenaars, bemiddelaars en instellingen die van belang zijn voor de beeldende kunst en cultureel erfgoed in Nederland. Het doel is hiermee de betekenisvolle ontwikkeling en zichtbaarheid van beeldende kunst en cultureel erfgoed in Nederland te stimuleren daar waar de markt dit niet of nog niet mogelijk maakt.

Stichting Nederlands LetterenfondsHet Nederlands Letterenfonds is het publieke fonds voor literatuur in het Nederlands, Fries, Papiaments en Nederlandse Gebarentaal. Het Letterenfonds is één van de zes door het Rijk gefinancierde cultuurfondsen. Het fonds wil bijdragen aan een belezen, intelligente en creatieve samenleving waarin de rol van de letteren, van schrijvers en vertalers, wordt erkend en gewaardeerd.

Bureau Architectenregister (BA)BA is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan dat uitvoering geeft aan de Wet op de architectentitel, zorg draagt voor het beheer van het architectenregister en bevoegd is om op te treden tegen onrechtmatig titelgebruik. Daarnaast is BA de bevoegde autoriteit in Nederland voor de uitvoering van de Europese richtlijn voor de erkenning van professionele kwalificaties van de onder haar vallende beroepen.

Koninklijke Bibliotheek (KB)De KB is de nationale bibliotheek van Nederland en al eeuwenlang een bron van inspiratie en ontwikkeling. De KB kent een lange traditie van verzamelen, bewaren en delen van publicaties van en over Nederland. Daarnaast bewaren ze ook een selectie van publicaties op het web.

Commissariaat voor de MediaHet Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de naleving van de Mediawet en de Wet op de vaste boekenprijs. Het toezicht betreft radio, televisie, «videodiensten op aanvraag» en Nederlandse boekuitgaven.

Stimuleringsfonds voor de JournalistiekHet Stimuleringsfonds voor de Journalistiek stimuleert de kwaliteit, diversiteit en onafhankelijkheid van de journalistiek door met geld, kennis en onderzoek de vernieuwing van de journalistieke infrastructuur in Nederland te bevorderen. Dit gebeurt onder meer door subsidieregelingen, onderzoeksjournalistiek en regionale en lokale journalistiek. Daarnaast deelt het Fonds op de website de meest recente ontwikkelingen in de journalistieke sector.

Nederlandse Publieke Omroep (NPO)De NPO vervult een essentiële rol in de verrijking en verbinding van de Nederlandse samenleving met informerende, inspirerende en impactvolle programma’s. Als open en diverse publieke omroep geeft de NPO zoveel mogelijk mensen en meningen in onze veelkleurige maatschappij de ruimte.

Regionale Publieke Omroep (RPO)De RPO is op basis van de Mediawet het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau. De regionale publieke omroepen brengen onderscheidende regionale journalistiek.

Bevoegde gezagsorganen primair onderwijs

Het betreft 837 bevoegde gezagsorganen van 6502 instellingen. Hiernaast zijn er 76 samenwerkingsverbanden passend onderwijs in het primair onderwijs. Voor zover het onderwijsinstellingen betreft waar de gemeente het bevoegd gezag is, zijn deze instellingen niet aan te merken als RWT.

Bevoegde gezagsorganen voortgezet onderwijsHet betreft 276 bevoegde gezagsorganen van 642 instellingen. Hiernaast zijn er 75 samenwerkingsverbanden passend onderwijs in het voortgezet onderwijs. Voor zover het onderwijsinstellingen betreft waar de gemeente het bevoegd gezag is, zijn deze instellingen niet aan te merken als RWT.

Nationaal Agentschap Erasmus+Erasmus+ ondersteunt de educatieve, professionele en persoonlijke ontwikkeling van deelnemers in onderwijs, training, jeugd en sport, in Europa en daarbuiten. Hierdoor draagt het programma bij aan duurzame groei, werkgelegenheid, sociale cohesie en de versterking van de Europese identiteit.

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW)De KNAW brengt vanuit haar onafhankelijke positie mensen en middelen bij elkaar om met kennis en creativiteit bij te dragen aan de ontwikkeling van onze samenleving. Ze bevordert de kwaliteit en de integriteit van de wetenschapsbeoefening. Haar instituten moeten staan voor excellente kwaliteit en dienen te fungeren als magneten voor onderzoekstalent.

Stichting Cito Op 1 januari 2014 is de Wet Subsidiëring Landelijke Onderwijsondersteunende Activiteiten (SLOA) 2013 (Stb. 2013, 438) in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiering van de wettelijke taken van het Centraal Instituut voor Toets Ontwikkeling (CITO) en Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO).

Stichting SLOOp 1 januari 2014 is de Wet SLOA 2013 (Stb. 2013, 438) in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidering van de wettelijke taken van het CITO en SLO.

Instellingsbesturen mbo-instellingen

Het betreft 62 bekostigde mbo-instellingen. Dit zijn regionale opleidingscentra (roc’s), agrarische opleidingscentra (aoc's) en vakinstellingen.

Landelijk Centrum Studiekeuze (voorheen Studiekeuze 123)Het Landelijk Centrum Studiekeuze draagt eraan bij dat mensen hun plek in de maatschappij weten te vinden. Dit doen ze door ondersteuning te bieden bij het maken van een passende studiekeuze in het hoger onderwijs.

NufficHet Nuffic is het kennis- en expertisecentrum dat zich focust op internationalisering in het onderwijs in den brede en stelt informatie hierover publiekelijk beschikbaar. Ook is Nuffic aangewezen om te adviseren over diplomawaardering en onderwijsvergelijking.

SURFcertSURFcert vormt het Cyber Emergency Response Team voor het hoger onderwijs en voorziet de sector van ondersteuning en advies op het gebied van cyberbeveiliging.

Instellingsbesturen hogescholen

Het betreft 36 bekostigde hogescholen.

Instellingsbesturen universiteiten

Het betreft 18 bekostigde universiteiten.

Academische Ziekenhuizen

Het betreft middelen voor de 8 ziekenhuizen die zijn verbonden aan een Netherlands house for Education and Research (Neth-er) universiteit ten behoeve van de opleiding van artsen en ten behoeve van onderzoek.

Netherlands house for Education and Research (Neth-er)Het gezamenlijke doel van de vereniging is om de Nederlandse participatie aan de Europese programma’s te vergroten. Neth-ER ontvangt een subsidie van het Ministerie van OCW voor het informeren van het brede Nederlandse kennisveld over Europese beleidsontwikkelingen op het terrein van onderwijs en onderzoek.

Nationaal Agentschap Erasmus+Erasmus+ ondersteunt de educatieve, professionele en persoonlijke ontwikkeling van deelnemers in onderwijs, training, jeugd en sport, in Europa en daarbuiten. Hierdoor draagt het programma bij aan duurzame groei, werkgelegenheid, sociale cohesie en de versterking van de Europese identiteit.

Collectiebeherende Instellingen die onder de Erfgoedwet vallen

Het betreft 29 instellingen, waaronder de musea, die onder de Erfgoedwet (Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen) vallen.

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)De stichting NLPO ondersteunt lokale publieke omroepen op diverse terreinen om de sector verder te professionaliseren en om de kwaliteit van de producties van lokale omroepen te verbeteren.

Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)De KNAW heeft verschillende wettelijke taken waaronder het bevorderen van excellent onderzoek. Daarnaast doet de KNAW via de KNAW-instituten wetenschappelijk onderzoek en zorgt zij dat wetenschappers toegang hebben tot belangrijke onderzoeksfaciliteiten en unieke collecties. Ook geeft de KNAW adviezen over wetenschap die helpen bij het maken van goed beleid en het oplossen van maatschappelijke vraagstukken.

Tabel 92 Overzicht Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en Zelfstandige Bestuursorganen (vallend onder andere ministeries) (bedragen x € 1.000)

Naam organisatie

Ministerie

ZBO/RWT

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

SZW

ZBO

1

3.030

Bijlage 2: Subsidieoverzicht

Tabel 93 Subsidies artikel 1 (bedragen x € 1.000)

Art. 1

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap

34.250

36.869

37.080

37.176

37.176

37.176

37.176

n.v.t.

n.v.t.

2026

 

Nederlands Onderwijs in het Buitenland

12.865

13.878

12.628

12.628

12.628

12.628

12.628

2024

2029

2026

 

Verstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen1

18.539

18.049

17.549

17.549

17.549

17.549

17.549

2025

2029

2026

 

Aanpassen lesmateriaal voor visueel gehandicapte en dyslectische leerlingen (Dedicon)

4.703

4.703

4.703

4.703

4.703

4.703

4.703

n.v.t.

2026

2026

 

Goed worden, goed blijven (PO-Raad)

4.626

2.189

2.189

2.189

0

0

0

2021

2027

2026

 

Nederlands Gebarencentrum

672

822

822

822

822

822

822

2023

2028

2026

 

Stimuleringsprogramma Dyslexie

480

508

509

509

509

509

509

2023

2028

2026

 

Ouders en Onderwijs Ouderbetrokkenheid

1.373

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

2017

n.v.t.

2026

 

Stichting gedragswerk

796

818

818

818

818

818

818

2020

2026

2026

 

Onderwijsconsulenten (Stichting Ondersteuning scholen en ouders)

6.820

6.820

6.670

6.670

6.670

6.670

6.670

2023

2028

2027

 

Andere erkende doorstroomtoetsen PO

8.500

8.510

8.510

8.510

8.510

8.510

8.510

2025

2030

2028

 

Nationaal Onderwijsmuseum

682

945

300

0

0

0

0

2019

n.v.t.

2026

 

Landelijke Geschillencommissie

2.074

2.075

2.075

2.075

2.075

2.075

2.075

n.v.t.

2029

2026

 

Versterking ICT en externe connectiviteit (SIVON)

710

1.192

1.473

495

1.363

720

_

2024

2029

2030

 

Lowan (Ondersteuning nieuwkomers PO-Raad)

1.318

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

2024

2029

2029

 

School en Omgeving (PO)

124.025

167.086

240.604

244.540

284.729

284.729

284.729

n.v.t.

2027

2027

 

Basisvaardigheden (PO)

369.796

164.292

131.863

20.969

20.969

21.350

21.350

2025

2026

2026

 

NGF Impuls Open Leermateriaal

2.102

2.138

15.197

11.443

5.991

3.803

_

n.v.t.

2027

2025

 

NGF Digitaal Onderwijs Goed Geregeld

6.533

4.253

3.060

2.765

2.846

2.896

2.938

2024

2027

2025

 

Schoolmaaltijden (PO)

79.020

81.350

119.047

81.350

82.117

82.117

82.117

2023

2026

2026

 

Digitale school

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

2023

2028

2024

 

Les op afstand (digitale school) Kennisnet

1.034

900

941

0

0

0

0

2023

2027

2027

 

Leren voor het examen (Kennisnet)

300

300

0

0

0

0

0

2023

2027

2026

 

Onderwijscoalities af- en ombouw gesloten jeugdhulp

5.536

5.777

6.030

6.190

11.190

11.190

11.190

n.v.t.

2027

2025

 

Brugfunctionaris (PO)

41.320

41.909

18.201

44.060

42.467

42.467

42.467

n.v.t.

2027

2024

 

Kennis- en innovatieplatform Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

850

600

599

0

0

0

0

2023

2026

2027

 

Meerurenmaatwerk

527

2.819

2.565

2.065

0

0

0

n.v.t.

2030

2025

 

Passend onderwijs en jeugdhulp verbinden (NJI)

1.150

1.200

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

2022

2027

2026

 

Devices

4.703

231

66

0

0

0

0

2024

n.v.t.

2027

 

Meer muziek in de Klas

4.000

1.000

1.500

1.500

1.000

0

0

2019

2028

2026

 

Ondersteuning en preventie thuiszittende jeugdigen (OPTJ)

8.309

7.920

8.670

0

0

0

0

n.v.t.

2029

2025

 

Gelijke Kansen Alliantie

7.643

7.483

7.483

7.483

7.483

7.483

7.483

n.v.t.

2028

2026

 

Experiment vervolg en verfijning ruimte in onderwijstijd

0

250

1.666

1.666

1.666

1.416

0

n.v.t.

2030

2026

 

Overige beschikkingen op basis Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS en SLOA

16.026

34.084

36.460

35.012

39.567

28.581

34.593

   
            
 

Totaal subsidie(regelingen)23

777.282

629.670

699.078

562.987

602.648

588.012

588.127

   
1

2

De regelingen/verleningen worden jaarlijks getoetst en opnieuw toegekend.

3

Evaluatie via monitor bestuursakkoord PO 2017.

Tabel 94 Subsidies artikel 3 (bedragen x € 1.000)

Art. 3

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Stichting Kennisnet (basissubsidie) po, vo, mbo

26.474

30.971

27.376

24.011

29.865

29.098

25.385

2023

2027

2026

 

School en Veiligheid

3.161

3.397

3.397

3.397

3.397

3.397

3.397

2024

2029

2026

 

INGRADO

2.081

2.061

2.061

2.061

2.061

2.061

2.061

n.v.t.

2026

2026

 

Combo/Laks

600

600

600

600

600

600

600

2021

2026

2026

 

Lowan

630

703

703

703

703

703

703

2025

2030

2026

 

Continuering en doorontwikkeling Boris (vso/pro)

672

660

0

0

0

0

0

2021

2026

2026

 

Erkennen leerwerktrajecten vmbo

546

552

0

0

0

0

0

2021

nvt

2026

 

Activiteitenplan Stichting Platforms vmbo

1.178

1.200

1.300

1.275

1.200

1.200

1.200

2025

2031

2026

 

Voortgezet Leren (vo-raad)

2.750

0

0

0

0

0

0

2020

n.v.t.

2025

 

Steunpunt Passend onderwijs aan VO-Raad

1.785

1.802

1.802

1.802

1.802

1.802

1.802

2022

2026

2026

 

Versterking VMBO Programma beroeps-en praktijkgerichtonderwijs door SLO

1.567

1.586

1.793

1.793

1.793

1.793

1.793

n.v.t.

2028

2026

 

Sterk techniekonderwijs door Stichting Platforms vmbo

1.563

1.563

1.563

1.563

1.563

1.563

1.648

2024

2028

2026

 

Landelijk Expertisepunt Digitale geletterdheid door Kennisnet

764

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

n.v.t.

2027

2026

 

Onderwijshuisvesting aan Ruimte OK

5.702

8.368

9.309

0

0

0

0

n.v.t.

2027

2026

 

Onderwijshuisvesting aan INVEST NL

2.853

0

0

0

0

0

0

n.v.t.

2027

2025

 

Expertisepunt burgerschap

1.894

1.882

1.900

0

0

0

0

n.v.t.

2026

2026

 

Veilig Digitaal aan VO-Raad, Kennisnet en SIVON

7.064

4.921

_

0

0

0

0

n.v.t.

2027

2026

 

Toetsdruk verminderen door VO-Raad en LAKS

850

850

643

0

0

0

0

n.v.t.

2028

2026

 

Curriculumherziening door SLO

16.831

8.624

8.743

7.585

5.660

4.058

3.858

n.v.t.

2027

2025

 

Beproeven examenprogramma's

4.970

2.175

6.832

918

0

0

0

n.v.t.

2028

2025

 

Curriculumherziening door CITO

2.725

2.447

3.529

1.595

2.954

2.954

2.954

n.v.t.

2027

2025

 

Vrijroosteren leraren fase 4

1.843

0

0

0

0

0

0

2019

n.v.t.

2025

 

Verbinding po-vo

20.400

19.900

28.200

28.200

18.200

18.200

18.200

n.v.t.

2027

2025

 

Tegemoetkoming reiskosten DAMU-leerlingen VO

186

200

200

200

200

200

200

n.v.t.

2030

2025

 

Praktijkgerichte programma's gl/tl

14.626

11.070

13.534

43

0

0

0

n.v.t.

2026

2026

 

Regeling vakwedstrijden vmbo en mbo

1.136

2.100

2.100

2.100

2.100

2.100

2.100

2023

2030

2026

 

Basisvaardigheden VO

235.289

87.314

72.244

13.276

13.276

13.650

13.650

2025

2026

2026

 

Maatschappelijke diensttijd

130.479

164.887

124.206

120.800

117.661

121.672

124.200

2025

2026

2028

 

NGF Ontwikkelkracht

17.767

26.828

33.921

25.138

0

0

0

n.v.t.

2028

2025

 

NGF Techkwadraat

42.733

48.971

48.280

0

0

0

0

n.v.t.

2027

2026

 

NGF Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting

6.270

24.326

24.268

63.339

0

0

0

n.v.t.

2029

2025

 

Praktijkgerichte havo

11.100

11.000

2.000

2.000

0

0

0

n.v.t.

2028

2025

 

School en Omgeving (VO)

69.803

111.771

158.868

156.686

178.750

178.750

178.750

n.v.t.

2027

2027

 

Schoolmaaltijden (VO)

50.521

52.650

34.017

52.650

52.650

52.650

52.650

2023

2026

2026

 

Brugfunctionaris (VO)

11.520

11.520

7.798

18.720

12.163

12.163

12.163

n.v.t.

2027

2024

 

Tegemoetkoming reiskosten entreeleerlingen praktijkonderwijs

1.000

1.000

1.000

_

_

_

_

n.v.t.

2028

2026

 

Overige beschikkingen op basis van de kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

13.136

21.594

33.738

34.764

40.158

32.108

28.419

   
            
 

Totaal subsidie(regelingen)

714.469

670.493

656.925

566.219

487.756

481.722

476.733

   
Tabel 95 Subsidies artikel 4 (bedragen x € 1.000)

Art. 4

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Praktijkleren

262.597

0

0

0

0

0

0

2.023

2028

2028

 

Basisvaardigheden voor Volwassenen/Tel mee met Taal

7.898

8.169

8.189

8.235

13.235

13.235

13.235

2.025

2028

2028

 

Loopbaanoriëntatie

1.818

1.407

0

0

0

0

0

2.022

2026

2027

 

Doorstroom Beroepskolom

30.660

34.440

23.520

13.020

0

0

0

N.v.t. Niet eerder geëvalueerd.

2026

2026

 

LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden (NGF)

713

24.474

16.317

117

0

0

0

2.025

2028

2028

 

Vakwedstrijden MBO

5.397

5.599

5.599

5.599

5.599

5.599

5.599

2.023

2035

2036

 

Overige subsidies1

21.252

18.426

18.953

16.684

15.108

15.713

15.709

   
 

Instellingssubsidie Ingrado

1.138

1.138

1.182

1.182

1.182

1.182

1.182

Bijdrage MBO aan VO voor Ingrado, zie subsidiebijlage artikel 3.

  
 

Instellingssubsidie Stichting School en Veiligheid

133

548

548

548

548

548

548

Bijdrage MBO aan VO voor Stichting School en Veiligheid, zie subsidiebijlage artikel 3.

  
 

Instellingssubsidie Stichting COMBO-LAKS-JOB

1.708

1.952

1.952

1.952

1.952

1.952

1.952

2.021

2.026

N.v.t.

 

Projectsubsidie Cyberveiligheid MBO 2022 ‒ 2027

4.756

4.756

3.608

0

0

0

0

N.v.t. Niet eerder geëvalueerd.

2.027

2.027

 

Projectsubsidie Digitaal Bekwaam MBO 2023

1.894

808

1.300

0

0

0

0

N.v.t. Niet eerder geëvalueerd.

2.027

2.027

 

Projectsubsidie Servicepunt Landelijke Informatie MBO

0

2.000

2.000

0

0

0

0

N.v.t.

2.027

2.027

 

Projectsubsidie Expertisepunt burgerschap

423

2.181

878

0

0

0

0

N.v.t.

2.026

2.027

 

Totaal subsidie (regelingen)

330.335

92.515

72.578

43.655

33.942

34.547

34.543

   
1

De overige subsidies l bestaan uit instellings- en projectsubsidies, waarvoor geen afzonderlijke hyperlinks beschikbaar zijn.

Tabel 96 Subsidies artikel 6 (bedragen x € 1.000)
            

Art. 6

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

NGF LLO-Katalysator

47.865

33.577

38.869

98.895

49.673

0

0

nvt

2026

2026

 

NGF Npuls

44.534

93.527

101.067

66.052

8.855

0

0

Eind 2024 is een Gateway Review uitgevoerd als basis voor toekenning middelen tweede fase voor Npuls door de NGF-commissie 1)

2026

2026

 

NGF Nationale Aanpak Professionalisering Leraren

914

17.244

40.515

6.000

0

0

0

nvt

2034

2034

 

Tegemoetkoming tweede lerarenopleiding (Stcrt. 2020, 10893)

492

365

0

0

0

0

0

De subsidieregeling is gestopt per 1 oktober 2025 en amtelijke geëvalueerd in 2025 1)

2025

2025

 

Programma Studentenwelzijn mbo-hbo-wo (projectsubsidie)

983

983

983

492

0

0

0

nvt

2028

2028

 

Projectsubsidies lerarenopleidingen

904

1.770

1.804

1.804

1.804

1.804

1.804

divers

divers

divers

 

Overige subsidies ≤ € 1 miljoen1

60

456

250

27

36

33

11

divers

  
            
 

Totaal subsidie (regelingen)2

95.752

147.922

183.488

173.270

60.368

1.837

1.815

   
1

In de reguliere beleidsdoorlichtingen van de verschillende begrotingsartikelen worden ook de overige subsidies van het betreffende begrotingsartikel doorgelicht.

2

Voor de opgenomen projectsubsidies zijn geen afzonderlijke hyperlinks beschikbaar

Tabel 97 Subsidies artikel 7 (bedragen x € 1.000)

Art. 7

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Stichting Vluchteling Studenten UAF (Instellingssubsidie)

1.699

2.757

2.757

2.757

2.757

2.757

2.757

n.v.t.

2026

Meerjarig

 

Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO) (Instellingssubsidie)

1.095

977

1.086

1.086

1.086

1.086

1.086

2025

2030

Meerjarig

 

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) (Instellingssubsidie)1

373

449

422

499

422

499

422

2025

2030

Meerjarig

 

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) (Instellingssubsidie)

351

363

413

413

413

413

413

2025

2030

Meerjarig

 

Regeling afstudeersteun (bestuursbeurzen HO)

1.237

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

n.v.t.

n.v.t.

Meerjarig

 

Subsidieregelingen HGIS

519

559

559

559

559

559

559

n.v.t.

2027

Meerjarig

 

SURF Cyberbeveiligingswet

 

3.160

     

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Overige subsidies ≤ € 1 miljoen

1.148

1.794

563

273

344

415

606

n.v.t.

Divers

n.v.t.

            
 

Totaal subsidie (regelingen)

6.422

11.259

7.000

6.787

6.781

6.929

7.043

   
1

Tabel 98 Subsidies artikel 8 (bedragen x € 1.000)1

Art. 8

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Stichting Ons Erfdeel

185

191

62

0

0

0

0

 

n.v.t.

2028

 

Stichting Nuffic2

1.125

0

0

0

0

0

0

   
 

Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training

4.918

4.971

4.949

4.674

4.651

4.651

4.648

 

2027

 
 

Internationalisering onderwijs

0

0

0

971

948

921

919

   
 

Duitsland Instituut Amsterdam

824

987

987

983

982

982

982

2025

2029

 
 

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

685

697

697

694

694

694

693

 

2028

 
 

Overige incidentele subsidies3

698

868

801

849

816

816

814

 

2026

 
            
 

Totaal subsidie(regelingen)4

8.435

7.714

7.496

8.171

8.091

8.064

8.056

   

1

Vanwege het algemene, kaderstellende karakter van de Kaderregeling heeft deze geen einddatum en is een evaluatie van doelmatigheid en doeltreffendheid als zodanig niet mogelijk. Evaluatie van verstrekte subsidies op basis van de regeling kan deel uitmaken van beleidsevaluaties. In de reguliere beleidsdoorlichtingen van de verschillende begrotingsartikelen worden ook de subsidies van het betreffende begrotingsartikel verstrekt onder de Kaderregeling doorgelicht: de planning beleidsdoorlichtingen is te vinden in de Beleidsagenda.

2

Vanaf 2026 staat NUFFIC onder het instrument Bijdrage aan ZBO en RWT.

3

De evaluatie betreft de Subsidieregeling Koninkrijksbeurzenprogramma

4

Gezien het merendeel van de bovenstaande tabel uit instellingssubsidies bestaat, zijn hiervoor geen hyperlinks beschikbaar.

Tabel 99 Subsidies artikel 9 (bedragen x € 1.000)

Art. 9

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Lerarenbeurs

56.258

64.427

62.771

60.771

60.771

60.771

60.771

2022

2026

2025

 

Zij-instroom

57.500

60.240

136.600

145.400

145.400

145.400

145.400

2021

2026

2028

 

Onderwijspersoneel opleiding tot leraar

13.260

15.900

15.500

13.900

13.900

13.900

13.900

2022

2026

2026

 

Instroom schoolleiders PO van buiten

509

0

0

0

0

0

0

n.v.t.

n.v.t.

2025

 

MBO instructeursbeurs

526

0

0

0

0

0

0

2024

n.v.t.

2025

 

Statushouders en de stap naar de klas

2.360

0

0

0

0

0

0

n.v.t.

n.v.t.

2025

 

Platform Samen Opleiden en Professionaliseren

1.089

1.089

1.089

1.089

1.089

1.089

0

n.v.t.

n.v.t.

2025

 

Verkiezing leraar van het jaar

168

230

165

165

165

165

165

nvt

2026

2027

 

Ruimte voor Samenwerking & Experiment

296

300

0

0

0

0

0

nvt

2026

2026

 

Pilot verbinding mbo onderwijsregio met arbeidsmarktregio

450

0

0

0

0

0

0

n.v.t.

n.v.t.

2025

 

Vakbonden voor bijdrage vorming onderwijsregio's

650

850

0

0

0

0

0

n.v.t.

n.v.t.

2026

 

PO-raad voor bijdrage vorming onderwijsregio's

232

100

0

0

0

0

0

n.v.t.

n.v.t.

2026

 

VO-raad voor bijdrage vorming onderwijsregio's

235

100

0

0

0

0

0

n.v.t.

n.v.t.

2026

 

Bijdragen aan het onderwijsloket

58

250

800

800

800

800

0

2025

2026

2026

 

VH voor bijdrage vorming onderwijsregio's

233

100

0

0

0

0

0

n.v.t.

n.v.t.

2026

 

UNL voor bijdrage vorming onderwijsregio's

233

100

0

0

0

0

0

n.v.t.

n.v.t.

2026

 

Overige beschikkingen op basis van de kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

936

10.179

10.675

9.165

9.494

9.079

9.879

   
            
 

Totaal subsidie(regelingen)

134.992

153.865

227.600

231.290

231.619

231.204

230.115

   
Tabel 100 Subsidies artikel 14 (bedragen x € 1.000)

Art. 14

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2025 Realisatie

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)*

 

Verbreden inzet cultuur

12.977

9.949

10.828

10.506

11.831

11.834

11.834

   
 

Digitale Transitie

6.813

4.666

4.055

4.018

5.015

5.018

5.018

 

2026

 
 

Cultuurbeoefening

4.736

3.547

5.082

4.797

5.125

5.125

5.125

2026

  
 

Cultuureducatie

0

0

0

0

0

0

0

2024

2030

 
 

Toegankelijkheid, diversiteit & inclusie

1.428

1.736

1.691

1.691

1.691

1.691

1.691

2026

2026

 
 

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

9.562

9.988

9.477

9.325

6.038

6.038

6.036

2022

2026

 
 

Programma leesbevordering

30.246

29.396

33.992

31.403

31.567

31.408

31.404

2023

  
 

Creatieve Industrie

3.232

2.409

2.980

2.228

2.282

2.062

2.011

2026

  
 

Architectuur

1.376

516

1.147

1.237

998

748

698

2025

  
 

Subsidies projecten Ontwerp

1.856

1.894

1.833

990

1.284

1.314

1.313

   
 

Specifiek cultuurbeleid

35.414

23.001

21.812

21.347

18.071

16.790

16.802

   
 

Cultuurprijzen

751

752

752

752

752

752

752

2025

  
 

Oorlogskunst

0

563

2.369

2.369

1.369

1.369

1.369

2022

  
 

Vaste Boekenprijs

503

503

503

503

503

503

503

2025

  
 

Kunstaankopen

15.218

399

399

398

398

398

397

2022

  
 

Museale strategie

3.028

807

769

769

769

769

769

2022

  
 

Leefomgeving

0

0

0

0

150

150

150

2025

  
 

Archeologie

2.159

2.525

2.385

2.385

635

485

485

2025

2027

 
 

Arbeidsmarkt en ondernemerschap

5.141

7.291

7.050

6.850

6.600

6.600

6.600

2024

2027

 
 

Incidentele/overige subsidies cultuur

5.365

6.402

3.226

2.961

4.615

4.314

4.327

   
 

Programma Racisme & Discriminatie

349

0

0

0

0

0

0

   
 

Slavernijverleden

1.449

2.309

2.909

2.910

830

0

0

   
 

Programma Publieke Ontwerp Praktijk

0

0

0

0

0

0

0

 

2027

 
 

Subsidies projecten beleidsinnovatie Bibliotheken

1.450

1.450

1.450

1.450

1.450

1.450

1.450

2025

2026

 
 

Subsidies projecten beleidsinnovatie Letteren

0

0

0

0

0

0

0

   
 

Subsidies RCE

6.009

4.970

3.183

2.334

2.192

1.792

1.792

   
 

NGF-Project CIIIC

9.016

28.024

42.128

275

95

96

175

 

2026

 
            
 

Totaal Subsidies (regelingen)1

106.456

107.737

124.400

77.418

72.076

70.020

70.054

   
1

Het merendeel van de opgenomen subsidies in bovenstaande tabel, bestaan uit meerder projectsubsidies per subsidieregel die via een individuele beschikking, meerdere zijn onder de € 0,5 mln. en voor korter dan 5 jaar worden toegekend. Deze worden beschikt op grond van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid (Bsc), of de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. De doelstelling, aard en looptijd van de subsidies worden bepaald op grond van de Bsc, de Kaderregeling, de verschillende Kamerbrieven en beleidsbrieven over de beleidsthema's. Het Bsc bevat uitsluitend voorschriften van procedurele aard en voorziet daarom zowel niet in een einddatum, als een evaluatie. De genoemde bedragen zijn (beleidsmatige en bestuurlijke) reserveringen voor betreffende beleidsthema's. Subsidies in dit overzicht kunnen ook onderdeel vormen van uitvoering van specifieke beleidsthema's. Een overzicht van evaluaties van deze beleidsthema's zijn opgenomen in de bijlage 'Strategische Evaluatie Agenda (SEA)'.

Tabel 101 Subsidies artikel 15 (bedragen x € 1.000)

Art. 15

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)1

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Regeling op het Specifiek Cultuurbeleid

650

874

396

393

420

420

420

Geen2

2032

2026

 

Project Versterking lokale journalistiek door samenwerking

3.000

      

Geen

2026

2026

 

Subsidies Persvrijheid en veiligheid

519

538

519

519

519

519

519

2024

 

2026

 

Belgian-Dutch Network on Disinformation Monitoring and Outreach (Benedmo)

108

108

     

Geen

n.n.b.

2026

 

Subsidieregelingen onderzoeksjournalistiek SvdJ en FBJP

14.696

15.267

16.105

14.457

14.597

13.340

13.332

2024

2026

2026

 

Regeling professionalisering lokale omroepen3

15.710

20.050

22.201

    

2023

2026

2027

            
 

Totaal subsidie(regelingen)

34.683

36.837

39.221

15.369

15.536

14.279

14.271

   
1

De regelingen/verleningen worden jaarlijks getoetst en opnieuw toegekend.

2

Programma’s en activiteiten die niet het karakter hebben van een subsidieregeling en zijn opgenomen onder de "Regeling op het Specifiek Cultuurbeleid" worden beschikt en verantwoord door het Ministerie van OCW op basis van de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid, Wet overige OCW-subsidies, Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS en de Mediawet 2008. De verantwoording bevat een activiteitenverslag of bestuursverslag en een financieel verslag of jaarrekening die voorzien is van een accountantsverklaring. Om die reden is niets ingevuld onder «laatste evaluatie», «volgende evaluatie» en onder «einddatum subsidie (regeling)».

3

De regeling professionalisering lokale omroepen worden vanaf 2028 onder bekostiging voortgezet.

Tabel 102 Subsidies artikel 16 (bedragen x € 1.000)

Art. 16

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Naturalis Biodiversity Center

13.798

14.168

14.314

13.232

10.737

10.737

10.737

2024

2029

Jaarlijks

 

BPRC

13.104

13.513

13.255

13.227

13.225

13.224

13.223

2014

2027

Jaarlijks

 

NEMO/NCWT

4.246

4.379

4.294

4.285

4.285

4.284

4.285

2014

2026

Jaarlijks

 

VSC

323

332

326

326

0

0

0

Geen

2028

Jaarlijks

 

STT

278

286

280

280

0

0

0

2014

2028

Jaarlijks

 

Stichting AAP

1.304

1.344

1.318

1.316

1.316

1.316

1.316

Geen

2027

2033

 

LNVH

189

189

39

39

39

39

39

Geen

2028

Jaarlijks

 

Erkennen en Waarderen

256

264

0

0

0

0

0

Geen

2026

2026

 

NEWS

1.502

1.555

1.237

1.232

1.232

1.204

1.203

Geen

2029

2031

 

Wetenschapsveiligheid

61

2.311

2.311

0

0

0

0

Geen

2027

2027

 

PNN en PostdocNL

214

185

185

200

0

0

0

Geen

2027

2029

 

Sociale Veiligheid

2.078

4.500

4.500

0

0

0

0

Geen

2028

2026

 

Big Chemistry (NGF)

14.838

15.698

17.421

11.873

10.758

6.916

0

2014

pm

2030

 

Biotech Booster (NGF)

17.218

22.841

32.729

33.057

32.396

45.675

36.861

2025

pm

Jaarlijks

 

Einstein Telescoop (NGF)

198

0

0

0

0

0

0

Geen

2028

pm

 

Einstein Telescoop (regulier)

0

0

915

915

0

0

0

Geen

2028

pm

 

Overig Nationale Coördinatie/ Overige subsidies

500

1.025

396

2.285

2.822

3.421

3.150

Geen

2023-2031

Divers

 

Overig Subsidie Fonds onderzoek en wetenschap/ Matching Horizon Europe

82.097

83.298

85.874

85.422

85.406

80.000

80.000

pm

pm

Jaarlijks

 

Delta Climate Center

8.198

10.581

11.520

9.293

8.487

7.304

7.908

Geen

2029

2033

 

NAE

546

564

554

552

552

552

0

pm

2028

Jaarlijks

            
 

Totaal subsidie(regelingen)

160.948

177.033

191.468

177.534

171.255

174.672

158.722

   
Tabel 103 Subsidies artikel 25 (bedragen x € 1.000)

Art. 25

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Subsidie-regeling gender- en lhbti-gelijkheid 2022-2027

          
 

Vrouwen in de techniek: Versnellen gendergelijkheid in het onderwijs

288

288

288

288

288

360

0

   
 

Kansengelijkheid in Sterk Techniekonderwijs

68

68

68

68

68

68

0

   
 

Begeleiding nieuw programma Regenboogsteden

316

316

0

0

0

0

0

   
 

Met elkaar naar de regenboog

 

186

371

140

      
 

Veerkrachtig en Verbonden

 

202

269

202

168

     
 

IlGA Europe 2025-2026

198

198

99

0

0

0

0

   
 

Overige projectsubsidies1

4083

3.059

7.349

6.642

6.778

7.358

6.298

   
            
 

Totaal subsidie (regelingen)

4.953

4.317

8.444

7.340

7.302

7.786

6.298

   
1

De overige subsidies l bestaan uit projectsubsidies, waarvoor geen afzonderlijke hyperlinks beschikbaar zijn

Bijlage 3: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda

De evaluatieprogrammering in deze bijlage vormt de basis van de strategische evaluaties die in de hoofdtekst van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) worden uitgelicht (zie hoofdstuk 2.4). Het biedt een overzicht van de strategische evaluatieprogrammering per beleidsdomein. Het onderzoek binnen een beleidsdomein is geordend langs de strategische thema’s voor dat domein. De evaluatieprogrammering laat per beleidsdomein zien welke evaluatieonderzoeken er lopen, hoe die voortkomen uit bepaalde kennisbehoeften en hoe wordt bijgedragen aan de ambities binnen de strategische thema’s.

Tabel 104 Kwaliteit funderend onderwijs
      

Subthema Basisvaardigheden

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings-artikel(en)

PIRLS Progress in International Reading Literacy Study

ex durante, ex post

2027

Lopend

Dit internationaal vergelijkend onderzoek bekijkt de leesvaardigheden van leerlingen uit groep 6 (9-10 jaar) van de basisschool.

1,3

TIMMS Trends in International Mathematics and Science Study

ex durante, ex post

2028

Lopend

Dit internationaal vergelijkend onderzoek brengt de leerprestaties op het gebied van de exacte vakken van basisschool- en middelbare school leerlingen in kaart.

1,3

PISA 2025

ex durante, ex post

2026

Lopend

Dit internationale onderzoek toetst de algemene kennis en vaardigheden van vijftienjarige leerlingen op: leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen.

1,3

ICCS International Civic Citizenship Study

ex durante, ex post

2028

Lopend

Het internationale onderzoek richt zich op de burgerschapsvorming van leerlingen in het vo. Het bekijkt niet alleen wat scholen doen om hun leerlingen op het gebied van burgerschap te vormen, maar kijkt ook naar de kennis, houdingen en competenties van de leerlingen zelf.

1,3

ICILS International Computer and Information Literacy Study

ex durante, ex post

2029

Lopend

Dit internationaal vergelijkend onderzoek geeft inzicht op het gebied van de kennis en vaardigheden van middelbare scholieren met betrekking tot digitale geletterdheid en de rol die vo scholen innemen bij de ontwikkeling van deze vaardigheden.

1,3

Factsheets basisvaardigheden NCO

ex durante, ex post

2026

Lopend

Dit onderzoek brengt de basisvaardigheden van basisschoolleerlingen in groep 3 t/m 7 in kaart.

1,3

Basisvaardigheden in het voortgezet onderwijs

ex durante, ex post

2026

Lopend

Dit onderzoek brengt de basisvaardigheden van leerlingen in klas 1 t/m 3 van het voortgezet onderwijs in kaart.

1,3

Implementatiemonitor subsidieregeling verbetering basisvaardigheden

ex durante, ex post

2026

Lopend

Dit onderzoek focust op het doelbereik en de doeltreffendheid van de subsidieregeling 'verbetering basisvaardigheden'.

1,3

Effectonderzoek subsidieregeling verbetering basisvaardigheden

ex durante, ex post

2026

Lopend

Dit onderzoek focust op het doelbereik en de doeltreffendheid van de subsidieregeling 'verbetering basisvaardigheden'.

1,3

Burgerschapsonderwijs en -monitoring

ex ante, ex durante

2029

Lopend

Met dit onderzoek worden de manieren waarop scholen succesvol invulling geven aan burgerschapsonderwijs in kaart gebracht. Daarnaast wordt het burgerschapsonderwijs gemonitord.

1,3

Subthema Curriculum, toetsen en examens

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings-artikel(en)

Onderzoek passend examineren

ex durante

2026

Lopend

Dit onderzoek brengt de stand van zaken rondom passend examineren in het vo in beeld.

1,3

Onderzoek praktijkgerichtvak in GL en TL

ex durante, ex post

2030

Lopend

Dit onderzoek focust op de ervaringen van scholen met het praktijkgerichte vak in Gemengde Leerweg en Theoretische Leerweg.

1,3

Evaluatie Wet gelijke kans op doorstroom naar havo en vwo

ex post

2027

Lopend

Dit onderzoek evalueert de Wet gelijke kans op doorstroom naar havo en vwo.

3

Examenmonitor

ex durante

2026

Lopend

De examenmonitor bevat een overzicht van de uitkomsten van het eindexamen in het vo. Er wordt o.a. ingegaan op slagingspercentages en gemiddelde cijfers van leerlingen.

3

Staatsexamenmonitor

ex durante

2026

Lopend

De staatsexamenmonitor bevat een overzicht van de uitkomsten van het staatsexamen. Er wordt o.a. ingegaan op het aantal diploma's en deelcertificaat kandidaten en gemiddelde examencijfers.

3

Ontwikkelingen in toetsmotivatie

ex durante

2026

Lopend

Dit onderzoek gaat in op de toetsmotivatie van leerlingen op low-stakes toetsen zoals PISA, en ontwikkelingen hierin door de tijd heen.

1,3

Evaluatie Wet doostroomtoets

ex post

2028

Lopend

In dit onderzoek staat de evaluatie van de wet doorstroomtoets centraal.

1

Subthema Leermiddelen en technologie

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings-artikel(en)

Monitor Digitalisering Onderwijs

ex durante, ex post

2027

Lopend

Dit onderzoek monitort de (voortgang op) digitalisering in het funderend onderwijs.

1,3

Periodieke evaluatie Impuls OpenLeermateriaal (IOL)

ex durante, ex post

2030

Lopend

Dit onderzoek bevat de periodieke evaluatie van het groeifondsprogramma IOL. Door het gebruiken, delen en maken van open leermateriaal in het basis- en voortgezet onderwijs te stimuleren, wil IOL de onderwijskwaliteit versterken en het beroep van de leraar aantrekkelijker maken.

1,3

Periodieke evaluatie Edu-V

ex durante, ex post

2027

Lopend

Dit onderzoek omvat de periodieke evaluatie van het groeifondsprogramma Edu-V. Binnen EDU-V maken publieke en private partijen onderling afspraken diede eenvoudige, veilige en betrouwbare toegang tot en gebruik van digitale onderwijsmiddelen regelen.

1,3

Evaluatie Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI)

ex post

2028

Lopend

Dit onderzoek focust op de evaluatie van het Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI). In tientallen projecten op scholen wordt verantwoorde educatieve AI ontwikkeld en onderzocht.

1,3

Kwaliteitskader leermiddelen

ex ante, ex durante

2027

Lopend

Dit onderzoek focust op de vraag welke leermiddelen voldoen aan het kwaliteitskader leermiddelen.

1,3

Tussenevaluatie Techkwadraat

ex durante

2026

Lopend

Dit onderzoek is de tussenevaluatie van Techkwadraat. Techkwadraat heeft als doel om leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs in aanraking te laten komen met (natuur)wetenschap, techniek, technologie en ICT.

1,3

Subthema De ontwikkeling van het jonge kind

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings-artikel(en)

Experimenteerbesluit gemengde peuter-kleutergroepen

ex durante

2030

Lopend

Dit onderzoek focust op de 200 peuter-kleutergroepen die in het kader van het tijdelijk besluit ‘peuter- kleutergroepen’ van start gaan.

1,3

Subthema Onderwijshuisvesting

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings-artikel(en)

Onderzoek Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting

ex durante

n.t.b.

Lopend

Dit onderzoek brengt de deelnemende gebouwen in kaart en kijkt onder andere naar hun bouwkundige staat, binnenmilieu en energieprestaties.

1,3

Inclusieve onderwijshuisvesting

ex ante, ex durante

2030

Lopend

Het onderzoek richt zich op het kunnen meten en verbeteren van het welbevinden van leerlingen via schoolaanpassingen voor inclusieve onderwijshuisvesting. Ook wordt een toolkit ontwikkeld.

1,3

Beschrijving thema Kwaliteit funderend onderwijs

2026-2032; Artikel 1 en 3

Elk kind in Nederland verdient kwalitatief goed onderwijs. Onderwijs waarin leerlingen leren wat ze moeten kennen, kunnen en ervaren voor een goede doorstroom naar het vervolgonderwijs en deelname aan de samenleving en arbeidsmarkt. Dit thema richt zich daarom op de kwaliteit van het funderend onderwijs en de randvoorwaarden die nodig zijn om dit te realiseren. De effecten van ingezet beleid om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, zullen pas na enkele jaren zichtbaar zijn. Daarom is er op dit thema onderliggend en langdurig onderzoek nodig, en is gekozen voor een looptijd van 7 jaar. Zo is er voldoende tijd om beleidsmaatregelen te implementeren en hun impact in beeld te brengen.

Onderwijskwaliteit kent een sterke verbinding met andere SEA-thema’s. Zij raken allemaal aan goed onderwijs voor elk kind: toegankelijk onderwijs; en voldoende en goed (onderwijs) personeel. Sub-thema’s zijn onder meer basisvaardigheden, curriculum, toetsen en examens, leermiddelen en technologie, de ontwikkeling van het jonge kind en evidence-informed onderwijs.

Lopend en gepland onderzoek richt zich op bovengenoemde sub-thema’s. Voor veel onderzoeken geldt dat de inzichten hieruit met elkaar gecombineerd worden. Zo kan de volle breedte van het thema gevat worden. Onderzoeken naar de leerprestaties van leerlingen vullen bijvoorbeeld onderzoek naar de implementatie van beleidsmaatregelen om leerprestaties te verbeteren aan.

Kennisvragen voor de komende periode richten zich op de vraag hoe de prestaties van leerlingen op de basisvaardigheden verhoogd kunnen worden, in het bijzonder voor leerlingen die de basis nu onvoldoende beheersen. Andere kennisvragen richten zich op de implementatie en opbrengsten van de nieuwe kerndoelen en examenprogramma’s, de vraag hoe een kwaliteitskader voor leermiddelen ontwikkeld kan worden, hoe scholen om kunnen gaan met AI en technologie in de klas en hoe evidence-informed werken in het onderwijs verder gestimuleerd kan worden.

Tabel 105 Kwaliteit vervolgonderwijs
      

Subthema - Synthese onderzoek en Periodieke Rapportages

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Werkagenda mbo synthese

ex durante, ex post

2027

Lopend

In de syntheserapportage wordt een beeld geschetst voor de sector ten aanzien van de voortgang op de doelstellingen uit de Werkagenda en het Stagepact. Samen met partners van de werkagenda en het Stagepact worden de bevindingen geduid en worden leeropbrengsten bepaald.

4

Periodieke Rapportage kwaliteit vervolgonderwijs

ex post

2032

Te starten

De Periodieke Rapportage levert integraal inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid binnen het thema het verbeteren van de kwaliteit in het vervolgonderwijs.

4, 6 en 7

Subthema - Basisvaardigheden mbo

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Peilingsonderzoek taal

ex post

2027

Lopend

Het onderzoek richt zich op taalvaardigheid van startende studenten in het mbo. Het levert een nul-meting op van het beheersingsniveau.

4

Peilingsonderzoek rekenen

ex post

2027

Lopend

Het onderzoek richt zich op taalvaardigheid van startende studenten in het mbo. Het levert een nul-meting op van het beheersingsniveau.

4

Kansrijke interventies basisvaardigheden

ex ante

2028

Lopend

Dit onderzoek geeft inzicht in welke interventies bijdragen aan de ontwikkeling van taal.

4

Peilonderzoek burgerschapscompetenties en burgerschapsonderwijs en onderzoek naar effectieve aanpakken burgerschapsonderwijs mbo

ex ante

2029

Te starten

Het onderzoek heeft als doel om een beeld te krijgen van de burgerschapscompetenties in het mbo op stelselniveau. Daarnaast dient het peilingsonderzoek zicht te geven op het onderwijsleerproces voor burgerschap in het eerste verblijfsjaar van het middelbaar beroepsonderwijs.

4

Een verkennend onderzoek naar de positie van Engels in het mbo

ex ante

2026

Lopend

Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in de positie en invulling van Engels in het mbo. Daarbij wordt rekening gehouden met wat in het toeleverend onderwijs wordt aangeleerd en wat nodig is om in de nabije toekomst succesvol door te kunnen stromen of goed te kunnen functioneren op de arbeidsmarkt en in de maatschappij. Daarbij wordt ook onderzocht welk(e) niveau(s) voor Engels haalbaar en uitdagend is/zijn voor mbo-studenten.

4

Subthema - Docenten: Opleiden en professionaliseren

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Onderzoek naar professionalisering en adaptiviteit van de onderwijsprofessional in het mbo

ex ante

2026

Lopend

Er wordt landelijk in kaart gebracht wat het adaptieve vermogen van opleidingsteams is, in hoeverre zij evidence-informed werken en hoe professionalisering daaraan bijdraagt. Een belangrijk onderdeel van dit onderzoek betreft inzicht in de inzet en besteding van professionaliseringsmiddelen binnen mbo-instellingen. Het doel is ook om inzicht te krijgen in de professionalisering in de dagelijkse onderwijspraktijk: welke behoeften leven er, hoe ziet de facilitering eruit, welke knelpunten spelen en welke kansen worden gezien.

4

Eindevaluatie Experiment bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs

ex-post evaluatie

2026

Afgerond

Evaluatie experiment

6 en 7

Uitwerking Nationale Aanpak Professionalisering Leraren

ex-ante, ex-durante en ex-post evaluatie

2024-2034

Lopend

Uitwerking van het Nationaal Groeifondsproject, inclusief nulmeting, tussentijdse evaluatie en een eindevaluatie.

6 en 7

Nationaal Actieplan Professionalisering Leraren - Groeifonds

ex durante, ex post

2025-2032

Te starten

Met het project NAPL worden leraren (in het po, vo en mbo), nadat ze hun startkwalificatie hebben gehaald, geholpen in hun professionele ontwikkeling. Dit leidt tot beter onderwijs en maakt het beroep van leraar aantrekkelijker, waardoor een vermindering van het lerarentekort. Voor het NAPL zal een tussentijdse en een eindevaluatie worden gedaan.

6 en 7

Subthema - Kwaliteit overig

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie Kwaliteitsafspraken mbo 2023-2027

ex durante

2026

Te starten

Het doel van deze evaluatie is om inzicht te krijgen in de doelmatigheid en doeltreffendheid van het instrument kwaliteitsgelden en kwaliteitsafspraken

4

Monitor werkagenda mbo onderdeel kwaliteit, innovatie en onderzoek

ex durante

2027

Lopend

In de werkagenda mbo zijn verschillende doelen afgesproken om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. De monitor volgt de voortgang op de doelstellingen. De startmeting is in 2024 opgeleverd en vanaf 2025 volgt jaarlijks een voortgangsrapportage.

4

JOB monitor

ex durante

Jaarlijks

Lopend

De resultaten van deze enquete bieden inzicht in de tevredenheid van studenten in het mbo over verschillende aspecten van het onderwijs.

4

Trendrapport HO (vervanging van de monitor Beleidsmaatregelen)

ex durante

Jaarlijks

Lopend

Het volgen van de belangrijkste ontwikkelingen in het hoger onderwijs - waaronder toegankelijkheid, studievoortgang, studiefinancieringsgebruik en het aflossen van studieschulden– en het waar mogelijk leggen van verbanden met beleidsmaatregelen.

6, 7 en 11

Startmonitor (jaarlijks)

ex durante

Jaarlijks

Lopend

De Startmonitor brengt het studiekeuzeproces en de start en integratie van studenten in hun opleiding in kaart en spoort de determinanten op van studiesucces en studie uitval in het eerste studiejaar. De data worden in het Trendrapporrt HO opgenomen.

6, 7 en 11

Evaluatie kwaliteitsbekostiging HO

ex-post evaluatie

n.t.b.

Te starten

Wat er wordt geëvalueerd is het instrument kwaliteitsbekostiging. «Doel» daarvan is het evalueren van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het instrument.

6 en 7

Evaluatie kwaliteitsafspraken HO

ex-post evaluatie

2026

Afgerond

Wat er geëvalueerd wordt is de realisatie van de gemaakte Kwaliteitsafspraken door de instellingen, nu de termijn waarvoor die afspraken golden ten einde komt.

6 en 7

Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium onderwijs

ex-post evaluatie

2027-2028

Te starten

Wetsevaluatie sectoren po-vo-ho

6 en 7

Evaluatie Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

ex-post evaluatie

2027

Te starten

Evaluatie van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

6 en 7

Monitor medezeggenschap mbo

ex durante

2026

Lopend

Levert inzichten op over hoe het samenspel tussen rvt, cvb en medezeggenschap eruit ziet. En of en hoe de studentenraad en de ondernemingsraad in staat worden gesteld om hun rechten en plichten op een goede manier uit te voeren.

4

Evaluatie van de subsidie Nieuwe digitale generieke rekenexamens

ex post

2027

Te starten

Dit onderzoekt betreft een reguliere evaluatie van de subsidie aan de Coöperatie Examens MBO. Belangrijke kanttekening is dat dit geen inhoudelijke evaluatie betreft maar een evaluatie van de subsidie zelf; een inhoudelijke evaluatie van de nieuwe rekeneisen staat gepland voor 2026/2027.

4

Beschrijving thema Kwaliteit vervolgonderwijs

2026-2032; Artikel 4, 6 en 7

Het thema ‘kwaliteit vervolgonderwijs’ richt zich op het borgen en verder verbeteren van de onderwijskwaliteit in zowel het hoger beroepsonderwijs (hbo), wetenschappelijk onderwijs (wo) als het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Deze sectoren delen de ambitie om onderwijs voortdurend te verbeteren op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten en systematische monitoring, waarbij het gesprek over wat onderwijskwaliteit betekent centraal blijft staan. In deze sectoren is een stevig fundament aan basisvaardigheden van belang evenals de beschikbaarheid van goed opgeleid personeel en het streven naar een inclusief en toekomstbestendig onderwijssysteem. Vaak zijn de effecten van ingezet beleid pas na enkele jaren zichtbaar. Daarom is er op dit thema onderliggend en langdurig onderzoek nodig, en is gekozen voor een looptijd van 7 jaar. In 2028 wordt bekeken hoe de evaluatieagenda voor het mbo verder ingevuld wordt.

In het mbo willen we een veilige leeromgeving realiseren met aandacht voor welzijn, omdat dat een belangrijke voorwaarde is voor goed leren en ontwikkelen. Studenten en docenten moeten zich veilig voelen en zichzelf kunnen zijn, op school en bij het leerbedrijf. Op dit moment wordt er verkend hoe de sociale veiligheid in het vervolgonderwijs verhoogd kan worden. Ook ligt in het mbo de focus op het versterken van basisvaardigheden (taal, rekenen, burgerschap), het waarborgen van voldoende en gekwalificeerd onderwijspersoneel (wetsvoorstel vereisten mbo-docenten basisvaardigheden), het versterken van de innovatie (o.a. met practoraten en het Regionaal Investeringsfonds) en het borgen van de kwaliteit van het opleidingsaanbod, ook in tijden van demografische krimp.

In het hbo en wo, waar onderwijsinstellingen traditioneel een grote autonomie genieten, ligt de nadruk op het scheppen van de juiste randvoorwaarden door wetgeving en financiering, het waarborgen van kwaliteit via accreditatie en toezicht en het stimuleren van voortdurende kwaliteitsverbetering binnen de instellingen. De sector kenmerkt zich door een stabiel hoog kwaliteitsniveau, maar vraagt blijvende aandacht voor actuele thema’s als sociale veiligheid, academische vrijheid en de gevolgen van demografische krimp voor het opleidingsaanbod en de toegankelijkheid.

Eén van de kennisvragen betreft o.a. de effectiviteit van kwaliteitsborging, mede in het licht van de uitkomsten van het experiment Instellingsaccreditatie en de beslissing om dit niet op korte termijn in te voeren in het hbo en wo. Zicht op het beheersingsniveau van basisvaardigheden in het mbo, de impact van beleidsmaatregelen op toegankelijkheid en studiekeuzevrijheid, de effectiviteit van interventies gericht op basisvaardigheden en het in beeld krijgen van de veiligheidssituatie in alle drie de sectoren van het vervolgonderwijs en van individuele instellingen zijn andere grote inzichtbehoeften. Het gaat daarbij om zowel fysieke, sociale en digitale veiligheid. Tot slot is er behoefte aan inzicht in hoe innovatie het beste gestimuleerd kan worden.

Lopend en gepland onderzoek, zoals de Stelselrapportage HO, monitoring van de Werkagenda MBO en diverse peilingen en evaluaties, sluit aan op deze inzichtbehoefte. Het betreft de relevante (sub)artikelen binnen de onderwijsbegroting, met focus op kwaliteitsverbetering, basisvaardigheden en docentenkwaliteit.

Tabel 106 Toegankelijkheid funderend onderwijs
      

Subthema Passend en inclusief onderwijs

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie inclusieve leeromgeving

ex durante

2035

Lopend

De beleidsregel «Inclusieve Leeromgeving» geeft scholen uit het regulier en gespecialiseerd onderwijs meer ruimte om samen te werken voor inclusief onderwijs. In deze evaluatie wordt onderzocht hoe de uitvoering van de beleidsregel in de praktijk verloopt.

1,3

Jaarlijkse doelstellingenmonitor passend onderwijs 2021-2027

ex durante

2026

Lopend

Deze meerjarige monitor brengt de opbrengsten van passend onderwijs in kaart.

1,3

Monitor en evaluatie experiment Onderwijszorgarrangementen

ex ante, ex durante, ex post

2027

Lopend

Een onderwijszorgarrangement is een samenwerking tussen onderwijs en (jeugd) hulp of zorg. Dit meerjarige onderzoek brengt de resultaten in beeld.

1,3

Monitor Wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs

ex durante

2027

Lopend

In dit onderzoek worden de wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs (v(s)o) gemonitord.

1,3

Onderzoek naar residentieel onderwijs

ex durante, ex post

2027

Lopend

De aanleiding van dit onderzoek is de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp. Het onderzoek richt op ontwikkelingen in het residentieel onderwijs en werkzame elementen van samenwerking bij de af- en ombouw.

1,3

Subthema Gelijke kansen op ontwikkelen potentieel

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Doorlopend evaluatieonderzoek Maatschappelijke Diensttijd met jaarlijks onderzoeksrapport

ex durante

Jaarlijks

Lopend

Via dit onderzoek is er inzicht in de werkzame elementen van MDT en komen (impact)cijfers beschikbaar over de effecten van MDT op jongeren en organisaties, die ook dienen voor de verantwoording van MDT.

1,3

Monitor en evaluatie van het programma «BESt 4 Kids» en het wetsvoorstel Kinderopvang Caribisch Nederland

ex durante, ex post

2027

Lopend

Een onderzoek naar dagopvang en buitenschoolse opvang in Caribisch Nederland, bestaande uit onderzoek naar het programma Best 4 Kids en het wetsvoorstel.

1,3

School en omgeving opbrengstgericht onderzoek in de praktijk

ex durante, ex post

2028

Lopend

Het programma School en omgeving wil talentontwikkeling stimuleren ihkv kansengelijkheid. Dit onderzoek brengt de effectiviteit in beeld van dit buitenschoolse aanbod op de brede talentontwikkeling van leerlingen.

1,3

Monitor en evaluatie school en omgeving

ex durante, ex post

2027

Lopend

Het monitoronderzoek naar School en omgeving brengt de activiteiten en ervaringen van het programma in beeld. Het onderzoek is verlengd om ook de opvolgende subsidieregeling te evalueren.

1,3

Vervolgonderzoek onderadvisering

ex ante, ex durante

2027

Lopend

Dit onderzoek is een vervolg op «Wat wij niet zijn» en gaat in op wie wordt geraakt en hoe onderadvisering onstaat.

1,3

Monitor groepsgrootte

ex durante

2027

Jaarlijks

Dit onderzoek kijkt naar de gemiddelde groepsgrootte in het basisonderwijs en hoe deze variëren bij verschillende schoolkenmerken

1,3

Dashboard Kansengelijkheid

ex durante

2027

Jaarlijks

Dit dashboard brengt de ontwikkeling van de kansengelijkheid op nationaal, gemeente en schoolniveau in kaart. Het maakt de verdeling van leerlingen op scholen op basis van inkomen, opleiding en herkomst zichtbaar.

1,3

Subthema Doorstroom en overgangen

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Doorstroom in een kansrijk stelsel

ex ante, ex durante

2030

Lopend

Dit onderzoeksprogramma gaat over veelbelovende aanpakken om de voortgang van het primair naar het voortgezet onderwijst te verbeteren ter bevordering van kansengelijkheid.

1,3

Monitorings- en evaluatieonderzoek van de subsidieregeling verbinding PO-VO

ex durante, ex post

2027

Lopend

Dit onderzoek focust op de monitoring en evaluatie van de subsidieregeling verbinding PO-VO.

1,3

Evaluatie doorstroomrecht

ex durante, ex post

2027

Lopend

Deze evaluatie kijkt naar de wet waarin leerlingen, onder bepaalde voorwaarden, van het vmbo kunnen doorstromen naar de havo en van de havo naar het vwo.

1,3

Subthema Sociale veiligheid

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Landelijke veiligheidsmonitor

ex ante, ex durante, ex post

Doorlopend tweejaarlijks

Lopend

Het onderzoek gaat over het veiligheidsbeleid en de veiligheidsbeleving in het funderend onderwijs.

1,3

Beschrijving thema Toegankelijkheid funderend onderwijs

2026-2031; Artikel 1 en 3

Alle kinderen in Nederland verdienen in dezelfde mate toegang tot goed onderwijs. Het inkomen, de opleidingsachtergrond of afkomst van ouders mag daarbij geen verschil maken voor de kansen van leerlingen in het onderwijs. Ook de toegang tot goed onderwijs voor leerlingen met een beperking moet gewaarborgd zijn. Dit thema richt zich daarom op de toegankelijkheid van het funderend onderwijs en de randvoorwaarden die nodig zijn om dit te realiseren. De beleidsmaatregelen binnen deze onderliggende sub-thema’s zijn meerjarig, passend bij dit robuuste stelselaspect, en de effecten zullen pas na enige jaren zichtbaar zijn. Daarom is de duur van het thema 6 jaar. Zo is er voldoende tijd om de beleidsmaatregelen te implementeren en de impact goed in beeld te brengen.

De toegankelijkheid van het onderwijs kent een sterke verbinding met andere SEA thema’s, omdat deze allemaal goed onderwijs voor alle leerlingen raken, met name met ‘Kwaliteit funderend onderwijs’ en ‘Voldoende en goed (onderwijs)personeel’. Het thema kent een aantal subthema’s, zoals passend en inclusief onderwijs (inclusief aandacht voor thuiszitters en uitval), gelijke kansen op ontwikkelen potentieel, doorstroom en overgangen, sociale veiligheid, en nieuwkomersonderwijs. Daarnaast is de Maatschappelijke Diensttijd (MDT) bij dit thema ondergebracht. Binnen elk van de sub-thema’s bestaat een kennisbehoefte, waar lopend en gepland onderzoek op aansluit. Veel onderwerpen omvatten meerdere onderzoeken, om de breedte van het onderwerp te vatten.

Er lopen bijvoorbeeld meerdere programma’s gericht op passend en inclusief onderwijs en kansengelijkheid, zoals School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden. De overkoepelende vraag is hoe deze programma’s op de lange termijn (gezamenlijk) bijdragen aan het verbeteren van gelijke kansen en toegankelijkheid van het onderwijs. Ook voor doorstroom en overgangen worden verschillende leertrajecten uitgevoerd door onderwijsprofessionals en wetenschappers met als doel om inzicht te krijgen in aanpakken die de overgang van po naar vo verbeteren. Het programma Maatschappelijke Diensttijd (MDT) richt zich op het stimuleren van de sociale en maatschappelijke betrokkenheid van jongeren tussen de 12 en 30 jaar. Vanaf het begin van het programma is er een doorlopend jaarlijks evaluatieonderzoek ingericht om inzicht te krijgen in de maatschappelijke impact van MDT op de deelnemende jongeren en op de samenleving. De tweejaarlijkse landelijke veiligheidsmonitor brengt de sociale veiligheid van leerlingen en onderwijspersoneel in beeld, met daarin ook aandacht voor het pedagogisch klimaat.

Tabel 107 Toegankelijkheid vervolgonderwijs
      

Subthema - Synthese onderzoek en Periodieke Rapportages

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Periodieke Rapportage toegankelijkheid

ex post

2031

Te starten

De Periodieke Rapportage levert integraal zicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid op het gebied van het verbeteren van de toegankelijkheid van het vervolgonderwijs.

4, 6 en 7

Beleidsdoorlichting Studiefinanciering artikel 11

ex post

2031

Te starten

De laatste beleidsdoorlichting op artikel 11 werd in 2020 opgeleverd.

6, 7 en 11

Subthema - Gelijke kansen op ontwikkelen potentieel mbo

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Monitor toelatingsrecht en Numerus fixus

ex durante

2027

Lopend

Monitort en evalueert de invoering en effecten van de Wet Vroegtijdige aanmelddatum en toelatingsrecht tot het mbo.

4

Dashboard VSV

ex durante

Jaarlijks

Lopend

Het dashboard presenteert cijfers cijfers over voortijdig schoolverlaten voor Doorstroompunten (voorheen RMC's) en instellingen. Evenals cijfers over jongeren zonder werk en onderwijs.

4

Monitoring en evaluatie van de wet van school naar duurzaam werk

ex durante

2029

Te starten

Inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van de wet

4

Onderzoek naar basisinfrastructuur voor externe hulp en ondersteuning voor mbo-studenten

ex ante

2027

Lopend

Het onderzoek geeft inzicht in wat er bekend is over wat werkt als het gaat om aanbod, organisatie en financiering van een basisinfrastructuur voor externe ondersteuning, hulp en zorg voor alle mbo-studenten. Bovendien resulteert het onderzoek in een conceptvoorstel voor de basisinfrastructuur die valt onder de leefdomeinen gezondheid en welzijn.

4

NIBUD studentenonderzoek

ex durante

Tweejaarlijks

Lopend

Het levert inzicht in de financiële situatie, het financiële gedrag en de financiële keuzes van studenten mbo, hbo en wo-studenten.

4, 6 en 7

JOB-monitor

ex durante

Jaarlijks

Lopend

De JOB-monitor is een onderzoek naar het perspectief van mbo-studenten over zaken die direct en indirect het onderwijs raken. Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van JOBmbo met subsidie vanuit OCW.

4

Loopbaanmonitor

ex durante

Jaarlijks

Te starten

De monitor geeft zicht op de loopbanen van studenten. Loopbaanmonitor geeft zicht op doorstroom (ook naar andere opleiding of andere instelling), uitval en arbeidsmarktpositie.

4

Subthema - Passend onderwijs

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Monitor passend onderwijs

ex durante

2026

Lopend

Tweejaarlijkse onderzoek naar de toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten met een chronische ziekte, beperking of ondersteuningsbehoefte en naar de ondersteuning die hen geboden wordt en naar (de effecten op) hun studieresultaten.

4

Subthema - Doorstroom en overgangen

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie VABOK-regeling

ex durante

2026

Te starten

De tussenevaluatie geeft inzicht in hoeverre de regeling tot nu toe heeft bijgedragen aan het verbeteren van de aansluiting binnen de beroepskolom. Specifiek binnen tekortsectoren en voor opleidingen met hoge uitval en switch.

4

Wetsevalutie doorlopende leerroutes

ex durante

2026

Lopend

De evaluatie brengt in beeld in hoeverre de doelen van het wetsvoorstel op een doelmatige manier worden behaald. Vmbo-scholen en mbo-instellingen krijgen meer wettelijke ruimte om doorlopende leerroutes vmbo-mbo te creëren. Ruimte wordt geboden op: onderwijstijd, duur van de opleiding, examinering, inzet van personeel. De evaluatie gaat na in hoeverre meer jongeren in staat worden gesteld om een startkwalificatie te behalen, er minder uitval is en in hoeverre de wet bijdraagt aan efficiënt en effectief opleiden.

4

Subthema - Basisvaardigheden volwassenen

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Landelijk beeld volwasseneneducatie

ex durante

2027

Lopend

Het dashboard levert zicht op landelijk niveau in de effecten van de uitvoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs op de aanpak van laaggeletterdheid. Het geeft een beeld van o.a. het cursusaanbod en deelname aan volwasseneneducatie.

4

Geletterdheid in zicht

ex durante

2026

Lopend

Geletterdheid in Zicht is een dashboard voor gemeenten. Het biedt inzicht in het aantal mensen in hun gebied dat moeite heeft met basisvaardigheden (taal, rekenen). Ook levert het achtergrond informatie over de doelgroep.

4

Impactmonitor groeifondsproject LLO Collectief

ex durante

2028

Lopend

Doel van het programma is om goedescholingsmogelijkheden te creëren voor laagopgeleiden en laaggeletterden. De monitor geeft inzicht in de impact van de programma’s die in de regio’s worden opgezet.

4

Subthema - Overig

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Deelrapportage prioriteit 1 werkagenda mbo

ex durante, ex post

2027

Lopend

In de werkagenda mbo zijn verschillende doelen afgesproken om de kansengelijkheid te verbeteren. Deze monitor volgt de voortgang op de doelstellingen. De startmeting wordt in 2024 opgeleverd en vanaf 2025 volgt jaarlijks een voortgangsrapportage.

4

Monitor integrale veiligheid mbo

ex durante

2026

Lopend

De monitor geeft een integraal beeld van de fysieke veiligheid, sociale veiligheid en de digitale veiligheid (online). Op het niveau van de studenten en van instellingen.

4

Monitor testjeleefstijl

ex durante

Periodiek

Lopend

Periodieke monitor onder studenten, uitgevoerd in opdracht van MBO Raad met subidie van OCW en VWS.

4

Studentenmonitor

ex durante

Jaarlijks

Doorlopend

De Studentenmonitor brengt de stand van zaken in het hoger onderwijs vanuit het perspectief van studenten in beeld. De data worden in het Trendrapport HO opgenomen.

6, 7 en 11

Monitor mentale gezondheid en middelengebruik studenten hoger onderwijs

ex durante

Jaarlijks

Doorlopend

Het doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in hoe het staat met de mentale gezondheid van studenten in het hbo en het wo.

6 en 7

Onderzoek naar selectieprocedures en selectie-instrumenten (IvhO)

ex post

2026

Doorlopend

De inspectie is voornemens om in 2026 onderzoek te doen naar de inzet van het instrument loting. Naar de inzet van selectie-instrumenten heeft de inspectie onlangs onderzoek gedaan. Selectie in het hoger onderwijs: criteria, instrumenten en de borging van kansengelijkheid, Inspectie van het Onderwijs (2023).

6 en 7

Herijking studentenreisproduct

ex durante

2026

Lopend

Het studentenreisproduct wordt geevalueerd voor herijking.

6, 7 en 11

Evaluatie Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS)

ex post

2026

Te starten

De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) wordt periodiek geevalueerd.

6, 7 en 11

Tussenevaluatie landelijk subsidiekader studentenwelzijn

ex durante

2026

Afgerond

Het subsidiekader loopt tot en met 2030, naast een tussentijdse evaluatie zal hierop volgend ook een eindevaluatie worden uitgevoerd.

6 en 7

Eindevaluatie Landelijk subsidiekader studentenwelzijn 2023-2030

ex post

2031

Te starten

Het subsidiekader loopt tot en met 2030, hierop volgend zal een eindevaluatie worden uitgevoerd.

6 en 7

Evaluatie naar virtuele internationale samenwerkingsprojecten (VIS) en hun leeruitkomsten voor studenten

ex post

2027

Te starten

Evaluerend onderzoek naar VIS-projecten, bestaande uit twee deelonderzoeken. Deelonderzoek 1 ziet op de ontwerp- en ontwikkelfase van VIS-projecten, deelonderzoek 2 ziet toe op de deelname van studenten en de door hen behaalde leeruitkomsten.

6 en 7

Monitoring van de pilots slimmer collegejaar

ex durante

2023-2027

Lopend

De pilots zijn onderdeel van een verkenning naar de mogelijkheden voor een slimmer collegejaar. Deze pilots worden gemonitord en geëvalueerd. Vijftien onderwijsinstellingen gaan vier jaar lang proberen meer rust en ruimte te creëren in het lesprogramma.

6 en 7

Evaluatie subsidie Landelijk Centrum Studiekeuze (LCSK)

ex duranteex post

2030

Te starten

in 2024 is het LCSK geëvalueerd, dus de volgende evaluatie van deze subsidie zal over 5 jaar opnieuw worden uitgevoerd.

6 en 7

Wetsartikel WHW Recht op studiekeuzecheck

ex post

2027

Te starten

Het evalueren van wetsartikel WHW artikel 7.31b. Dit wetsartikel (recht op een studiekeuzecheck) is ingevoerd met de wet kwaliteit in verscheidenheid in 2013. In 2017 heeft er voor het laatst een evaluatie naar de studiekeuzecheck plaatsgevonden. De evaluatie moet meer inzicht geven in de effectiviteit van de studiekeuzecheck.

6 en 7

Evaluatie Regionale Ambitieplannen (RAP) gezamenlijk met evaluatie VABOK

ex post

2026

Lopend, komt uit voor 2026

Evaluatie.

6 en 7

CPB Economische effecten internationale studenten

ex post

2025-2026

Lopend, komt uit voor 2026

Update van eerdere studies in 2012 en 2019 naar de economische effecten van internationale studenten.

6 en 7

CPB Onderzoek naar niet-gebruik aanvullende beurs en basisbeurs

ex post

2026

Te starten

Onderzoek naar het gebruik en met name het niet-gebruik van de aanvullende beurs en basisbeurs.

6, 7 en 11

Studentenonderzoek - financiele situatie studenten (NIBUD)

ex durante

2026

Lopend

Onderzoek naar de financiële situatie, het financiële gedrag en de financiele keuzes van studenten. Dit onderzoek is terugkerend, het laatste rapport werd in 2024 opgeleverd.

4, 6, 7 en 11

Beschrijving thema Toegankelijkheid vervolgonderwijs

2026-2031; Artikel 4, 6, 7 en 11

Het overkoepelende thema ‘Toegankelijkheid vervolgonderwijs’ beoogt dat iedere gekwalificeerde student, ongeacht achtergrond of omstandigheden, gelijke kansen krijgt om succesvol deel te nemen aan en door te stromen binnen en tussen het mbo, hbo, en wo. Toegankelijk onderwijs betekent ook dat studenten in elke regio op redelijke reisafstand kwalitatief goed, divers en arbeidsmarkt relevant aanbod kunnen volgen. Ook binnen krimpregio’s.

De looptijd van het thema is zes jaar (2026-2031) en dekt de relevante (sub)artikelen van de onderwijsbegroting, met focus op toegankelijkheid, gelijke kansen en ondersteuningsmaatregelen in beide sectoren.

In deze sectoren wordt ernaar gestreefd dat alle studenten gelijke kansen krijgen om hun vaardigheden en potentie ten volle te ontplooien. Dat geldt met name voor studenten met een ondersteuningsbehoefte, studenten met een migratieachtergrond, nieuwkomers en jongeren die van huis uit minder financieel, sociaal en cultureel kapitaal tot hun beschikking hebben. Er is aandacht voor het wegnemen van formele en informele belemmeringen, zoals financiële drempels, aansluiting tussen onderwijssectoren en studieprogressie, en het bevorderen van studentenwelzijn. In deze sectoren wordt gestreefd naar gelijke kansen, een inclusieve leeromgeving en het bieden van passende ondersteuning aan studenten met extra ondersteuningsbehoefte zowel in het onderwijs als bij het vinden van duurzaam werk. Overlap bestaat met sub-thema’s als arbeidsmarkt, regionale spreiding en studentenwelzijn.

De belangrijkste kennisvragen richten zich op de oorzaken van uitval en switch, doorstroom in de beroepsonderwijskolom, de werking van ondersteuningsmaatregelen, de toegankelijkheid van het onderwijs voor verschillende groepen studenten, de invloed van internationalisering en de effectiviteit van bekostigingssystemen in krimpregio’s. Lopend en gepland onderzoek, waaronder de Stelselrapportage HO, doorlichtingen, monitors en evaluaties van de inzet van middelen ter verbetering van de aansluiting tussen onderwijssectoren en binnen de Werkagenda MBO, sluit aan op deze inzichtbehoefte en uitkomsten ondersteunen ook het lerend vermogen van onderwijsinstellingen zelf.

Tabel 108 Voldoende en goed (onderwijs)personeel
      

Subthema Periodieke Rapportage en synthesestudies

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Periodieke Rapportage voldoende en goed (onderwijs)personeel

ex post

2027

Te starten

De Periodieke Rapportage levert integraal inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid binnen het thema voldoende en goed (onderwijs)personeel.

1, 3, 9

Subthema Duurzame arbeidsmarkt

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Landelijke tekortmeting po

ex durante

2027

Lopend

Dit onderzoeken geeft inzicht in de actuele tekorten en verborgen tekorten aan leraren en schoolleiders en vormt input voor de ramingen van toekomstige tekorten.

9

Landelijke tekortmeting vo

Ex durante

2027

Lopend

Dit onderzoeken geeft inzicht in de actuele tekorten en verborgen tekorten aan leraren en schoolleiders en vormt input voor de ramingen van toekomstige tekorten.

9

Landelijke tekortmeting mbo

Ex durante

2027

Lopend

Deze landelijke meting geeft inzicht in het tekort aan docenten en instructeurs.

4

Loopbaanmonitor

ex durante

2027

Lopend

Het doel van de Loopbaanmonitor Onderwijs is om inzicht te krijgen in de arbeidsmarktsituatie van pas afgestudeerde leraren en het beroepsrendement van de lerarenopleidingen.

9

Integrale personeelstelling onderwijs (IPTO)

ex durante

2027

Lopend

Het doel van dit onderzoek is om gegevens te verzamelen over het lesgevend personeel in het voortgezet onderwijs. Het geeft onder andere inzicht in de gegeven vakken en de bevoegdheid van de docenten om deze vakken te doceren.

9

Evaluatie onderwijsregio's

ex durante

2026

Lopend

Meerjarige evaluatie van de effectiviteit en doelmatigheid van de onderwijsregio's.

9

Verzuimonderzoek personeel po & vo

ex durante

2027

Lopend

Dit onderzoek geeft inzicht in het (ziekte)verzuim van onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel in het primair en voortgezet onderwijs.

9

Subthema Strategisch personeelbeleid

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

TALIS 2024(Teaching and Learning International Survey)

ex durante

2026

Afgerond

Dit onderzoek van de OESO verzamelt wereldwijd informatie over de leer- en werkomgeving van leraren en schoolleiders. In 2025 is een rapport over de werkbeleving van leraren uitgebracht, in een 2026 een rapport over schoolleiders. De OESO werkt nog nadere verdiepende rapporten uit in 2027 en 2028. In 2030 vindt de volgende meting plaats.

9

monitoring werkdrukmiddelen vo

ex durante

2027

Lopend

Meerjarige monitor van de inzet en effecten van de werkdrukmiddelen in het vo.

9

Monitoring pilot meerurenmaatwerk

ex durante

2029

Lopend

Het doel van het onderzoek is het monitoren en evalueren van de pilot meerurenmaatwerk (start najaar 2025).

9

Evaluatie pilot onderwijstijd vo

ex durante

2026

Lopend

Onderzoek naar de effecten van anders inrichten van de onderwijstijd in het vo op onder meer de leskwaliteit, de werkdruk van leraren en de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep. Ook wordt inzicht vergaard over de verschillende aanpakken die scholen gebruiken om lesuren te verminderen en de vrijgekomen tijd in te vullen.

9

Evaluatie experimenten onderwijstijd po

ex durante

2031

Te starten

Dit beteft het monitorings- en evaluatieonderzoek bij het experiment Ruimte in Onderwijstijd en monitoringsonderzoek bij het experiment Andere dag- en weekindeling binnen de G5.

9

Onderzoek teambevoegdheid 10-14 onderwijs

ex durante

2028

Lopend

Onderzoek naar de effecten van 10-14 onderwijs op de kwaliteit van onderwijs, de organisatie van sectoroverstijgend onderwijs en op het vak van leraar en loopbaanmogelijkheden.

9

Subthema Opleiden en professionaliseren

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Monitor digitale vaardigheden docent

ex durante

2027

Lopend

Betreft onderzoek naar de digitale competenties van mbo-docenten. Dit is onderdeel van het Programma Digitaal Bekwaam, uitgevoerd door de MBO Raad en MBO digitaal. De monitor «leren en lesgeven met ICT» is in 2022 afgenomen. De monitor brengt het didactisch handelen met en over ICT van docenten in beeld, evenals hun competenties en professionaliseringsactiviteiten op dat gebied.

4

Professionalisering en adaptiviteit in het mbo

ex durante

2026

Lopend

Er wordt landelijk in kaart gebracht wat het adaptieve vermogen van opleidingsteams is, in hoeverre zij evidence-informed werken en hoe professionalisering daaraan bijdraagt. Een belangrijk onderdeel van dit onderzoek betreft inzicht in de inzet en besteding van professionaliseringsmiddelen binnen mbo-instellingen. Het doel is ook om inzicht te krijgen in de professionalisering in de dagelijkse onderwijspraktijk: welke behoeften leven er, hoe ziet de facilitering eruit, welke knelpunten spelen en welke kansen worden gezien.

4

Subthema Hoger onderwijs

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Eindevaluatie Experiment bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs

ex post

2026

Lopend

Evaluatie van het experiment bijzondere nadere vooropleidingseisen voor de opleiding tot leraar basisonderwijs. Het experiment duurt tot september 2027.

6 en 7

Nationaal Actieplan Professionalisering Leraren - Groeifonds

ex duranteex post

2025-2032

Lopend

Met het Groeifonds project NAPL worden leraren, nadat ze hun startkwalificatie hebben gehaald, geholpen in hun professionele ontwikkeling. Dit leidt tot beter onderwijs en maakt het beroep van leraar aantrekkelijker, waardoor een vermindering van het lerarentekort. Voor het NAPL zal een tussentijdse en een eindevaluatie worden gedaan.

6 en 7

Beschrijving thema Voldoende en goed (onderwijs)personeel

2021-2027; Artikel 1, 3, en 9

Het overkoepelende thema voldoende en goed onderwijspersoneel omvat zowel het funderend onderwijs als het middelbaar beroepsonderwijs, met als gezamenlijk doel om een duurzame onderwijsarbeidsmarkt te realiseren. Onderwijspersoneel is breder dan alleen leraren en docenten: het omvat ook goed toegeruste schoolleiders, instructeurs, praktijkopleiders, en onderwijsondersteunend personeel.

In 2021 is de vorige strategische evaluatie onderwijspersoneel opgeleverd over de periode van 2013 tot 2020. Het opstarten van de volgende Periodieke Rapportage wordt voorzien in 2027 over de periode 2021-2026 en beslaat relevant beleid binnen artikel 1 (Primair onderwijs), 3 (Voortgezet onderwijs) en 9 (Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid). Na oplevering hiervan, wordt vanaf begrotingsjaar 2028 de looptijd van de Periodieke Rapportage weer ingeschat op ongeveer zes jaar, passend bij de dynamiek en de tijd die nodig is voor implementatie van interventies en effectmeting.

Binnen het funderend onderwijs en het mbo is vanaf 2021 gewerkt aan de opgave op drie sub-thema’s: het bevorderen van een (toekomst)bestendige onderwijsarbeidsmarkt, strategisch personeelsbeleid en het opleiden en professionaliseren van onderwijspersoneel. Het doel is het aantrekken en behouden van gemotiveerd en goed opgeleid personeel door middel van maatregelen zoals beloning, werkdrukverlaging, het stimuleren van regionale samenwerking en verbeterde opleidingsprogramma's. Alle beleidslijnen worden in de Periodieke Rapportage betrokken, wel worden ze mogelijk anders geclusterd. Het mbo wordt in de Periodieke Rapportage nu nog niet meegenomen, maar op termijn wel.

Belangrijke kennisvragen betreffen de effectiviteit van initiatieven om tekorten aan te pakken en ermee om te gaan, de aantrekkelijkheid van het onderwijs als beroep (inclusief het wegnemen van misvattingen), de mate waarin docenten professionaliseren en evidence-informed werken (in het mbo) en welke mogelijkheden ze hebben voor professionele ontwikkeling. Ook inzicht in welke maatregelen bijdragen aan het behoud van (startende) leraren en docenten is van belang. Lopend en gepland onderzoek richt zich op de arbeidsmarktontwikkelingen, effectiviteit van HRM-beleid en de professionalisering van docenten, via bijvoorbeeld het Groeifonds project Nationale Aanpak Professionalisering van Leraren (NAPL). De jaarlijkse Loopbaanmonitor, Arbeidsmarktramingen, tekortmetingen in het po, vo en mbo, en de evaluatie van de Regionale Aanpak zijn hier voorbeelden van.

Tabel 109 Onderzoek en wetenschap
      

Subthema Synthese onderzoek en Periodieke Rapportage

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Periodieke Rapportage thema onderzoek en wetenschap

ex-post

2027

Te starten

De Periodieke Rapportage levert integraal inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid binnen het thema onderzoek en wetenschapsbeleid.

16

Synthese-onderzoek van het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap (inclusief evaluatie overige subsidies Fonds)

ex-durante

2027

Te starten

Het kabinet (sinds Rutte IV) investeert met het Fonds Onderzoek en Wetenschap in een groot aantal instrumenten (zoals sectorplannen en Matching Horizon Europe) om het fundament van het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek te versterken, rust en ruimte te bieden aan divers talent en om de maatschappelijke impact van onderzoek te vergroten. Met dit synthese-onderzoek wordt inzicht verkregen in de vragen of is ingezet op de juiste (mix van) beleidsinstrumenten en/of de doelen hiermee (ook op de langere termijn) worden bereikt? Ook is er aandacht voor het effect van de bezuinigingen op het Fonds Onderzoek en Wetenschap door het Kabinet Schoof.

16

Subthema Europa en internationaal

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluaties subsidie Matching Horizon Europe

ex-post

2026

Te starten

Wanneer kennisinstellingen deelnemen aan een Horizon Europe-project dan maken zij vaak meer kosten dan zij vergoed krijgen. Deze kosten worden matchingkosten genoemd. Via de subsidieregeling Matching Horizon Europe kunnen kennisinstellingen een compensatie ontvangen voor deze kosten. Doel van de subsidie is om deelname aan Horizon Europe-projecten te bevorderen en financiële drempels voor deelname te verlagen. De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de subsidieregeling.

16

Subthema Infrastructuur

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie voorbereidingsfase NGF-project Einstein telescoop

ex-post

2028

Te starten

In 2022 heeft het Nationaal Groeifonds € 42 miljoen toegekend voor haalbaarheidsonderzoek en gerelateerde R&D-activiteiten. Deze activiteiten hebben tot doel om samen met België en Duitsland een gedegen locatievoorstel te maken voor de komst van de Einstein Telescoop. Deze activiteiten worden in 2028 geëvalueerd.

16

Subthema Onderzoek en maatschappij

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie subsidie NEMO science museum

ex-durante

2026

Lopend

Het NEMO science museum ontvangt een structurele subsidie van het Ministerie van OCW. NEMO heeft als missie om op een interactieve en laagdrempelige manier wetenschap en technologie dichter bij het publiek te brengen. Dat gebeurt in het museum, op school, bij landelijke evenementen en online. De subsidie helpt hen hierbij. De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de door het Ministerie van OCW verstrekte subsidie.

16

Evaluatie subsidie Biomedical Primate Research Centre

ex-durante

2027

Lopend

Het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) is een onderzoekscentrum dat zich richt op biomedisch onderzoek naar ernstige ziektes. Bij dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van niet humane primaten, maar wordt ook ingezet op de ontwikkeling van proefdiervrije onderzoeksmethoden om het gebruik van dieren te verminderen. De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de door het Ministerie van OCW verstrekte subsidie.

16

Evaluatie subsidie Stichting Animal Advocacy and Protection

ex-durante

2027

Te starten

Stichting AAP (Animal Advocacy and Protection) ontvangt subsidie voor de huisvesting en verzorging van chimpansees welke proefdier zijn geweest in het Biomedical Primate Research Centre (BPRC). De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de door het Ministerie van OCW verstrekte subsidie.

16

Evaluatie subsidie Toekomstbeeld der Techniek

ex-durante

2028

Te starten

Stichting Toekomstbeeld der Techniek (STT) brengt onder andere met toekomstverkenningen in beeld welke mogelijke invloed technologie heeft op de samenleving. De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de door het Ministerie van OCW verstrekte subsidie.

16

Evaluatie subsidie vereniging van wetenschapsmusea en science centers

ex-durante

2028

Te starten

De VSC (Vereniging van wetenschapsmusea en science centers) is de vereniging van wetenschapsmusea en science centers. De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de door het Ministerie van OCW verstrekte subsidie.

16

Evaluatie subsidie Netherlands Academy of Engineering

ex-durante

2028

Te starten

De Netherlands Academy of Engineering (NAE) verenigt top-experts uit technologische wetenschappen, toegepast onderzoek en innovatie, afkomstig uit zowel kennisinstellingen als het bedrijfsleven. De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de door het Ministerie van OCW verstrekte subsidie.

16

Evaluatie sectorplannen II (2022-2028)

ex durante en ex post

2029

Te starten

Sectorplannen hebben twee hoofddoelen, namelijk het creëren van rust en ruimte in het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, en het stimuleren van landelijke samenwerking en gezamenlijke scherpe keuzes, waarbij duidelijk wordt welke instelling zich op welke kennis en vakgebieden focust. Gedurende de looptijd vindt er doorlopende monitoring plaats en er wordt tweemaal een evaluatie opgeleverd: tussentijdse evaluatie in 2026 en eindevaluatie in 2029.

16

Evaluatie subsidie Delta Climate Center

ex-durante

2029

Te starten

Het Delta Climate Center (DCC) draagt middels onderzoek, onderwijsontwikkeling en kennistoepassing bij aan duurzame, klimaatbestendige en welvarende delta's. De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de door het Ministerie van OCW verstrekte subsidie.

16

Evaluatie subsidie Nationaal Expertisecentrum Wetenschap & Samenleving

ex-durante

2029

Te starten

Het Nationaal Expertisecentrum Wetenschap & Samenleving (NEWS) werkt aan een betere relatie tussen wetenschap en samenleving door wetenschapscommunicatie. De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de door het Ministerie van OCW verstrekte subsidie.

16

Evaluatie subsidie Naturalis

ex-durante

2029

Te starten

Naturalis is het nationaal onderzoeksinstituut op het gebied van biodiversiteit. De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de door OCW verstrekte subsidie.

16

Subthema Kennisveiligheid

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Impactassessment screening kennisveiligheid

ex-ante

2027

Te starten

Dit onderzoek brengt in beeld wat de regeldruk en praktische impact van de Wet screening kennisveiligheid is, op de Nederlandse kennisinstellingen en op welke manier de kennisinstellingen ondersteund kunnen worden bij de implementatie van de wet (Kamerstuk 31288 nr. 948, vergaderjaar 2021-2022).

16

Kennisveiligheids-profielen

overig onderzoek

2027

Te starten

Doel van dit onderzoek is het ontwikkelen van kennisveiligheidsprofielen die een meer risico gestuurde aanpak (maatwerk) in het kennisveiligheidsbeleid mogelijk maken. Dit zorgt er ook voor dat instellingen die weinig kennisveiligheidsrisico’s kennen, proportionele lasten dragen en daar minder werkdruk van ondervinden. Instellingen met een zwaarder profiel kunnen gerichte ondersteuning ontvangen.

16

Subthema Onderzoek en talent

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie programma Erkennen en waarderen

ex-post

2026

Te starten

Met het landelijke subsidieprogramma Erkennen en waarderen 2022-2026 stimuleert het kabinet de ontwikkeling van wetenschappelijk talent. Door oog te hebben voor de volle breedte van het academisch werk kunnen talenten op waarde worden geschat en is er ruimte om ook de prestaties op domeinen zoals onderwijs, patiëntenzorg, publieke betrokkenheid, ondernemerschap en academisch leiderschap te belonen. In de evaluatie wordt gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het programma.

16

Pluriformiteit in de wetenschap

overig onderzoek

2026

Lopend

Dit onderzoek wordt uitgevoerd vanwege de motie Heite, waarin de regering wordt verzocht zorgen over het gebrek aan pluriformiteit te inventariseren en te staven, en daarbij onafhankelijke onderzoekers en maatschappelijke organisaties te betrekken.

16

Onderzoek zelfcensuur en beperking van diversiteit in perspectieven

overig onderzoek

2027

Te starten

Dit is een vervolgstudie naar aanleiding van het rapport «Onderzoek naar academische zelfcensuur in hoger onderwijs en wetenschap» uit 2023.

16

Evaluatie van het verruimde promotierecht

ex durante

2027

Te starten

Met de uitbreiding van het promotierecht in 2017 hebben universitair (hoofd)docenten de mogelijkheid om op te treden als promotor. Voor deze wetswijziging was dit recht voorbehouden aan de hoogleraar. In 2022 is deze uitbreiding van het promotierecht geëvalueerd. De aanbeveling om de doorwerking van deze verruiming op het wetenschapssysteem en de internationale positionering na vijf jaar te evalueren, wordt opgevolgd in 2027.

16

Eindevaluaties starters- en stimuleringsbeurzen

ex-post

2027

Te starten

De starters- en stimuleringsbeurzen vormen een persoonlijk werkkapitaal voor onderzoekers en geven meer ruimte voor het doen van ongebonden onderzoek. De beurzen beogen daarnaast bij te dragen aan een vermindering van de werken aanvraagdruk. Gezien de bezuinigingen op de starters- en stimuleringsbeurzen is de evaluatie beperkt tot een eindevaluatie in 2027. In de evaluatie wordt o.a. onderzocht hoe de beurzen zijn besteed (inclusief de indirecte kosten) en in hoeverre de doelen van de starters- en stimuleringsbeurzen zijn gerealiseerd. Ook wordt in de evaluatie de samenhang bezien met andere instrumenten, zoals de sectorplannen, en relevante beleidsontwikkelingen.

6, 7 en 16

Evaluatie subsidie Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren

ex-durante

2028

Te starten

Het doel van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH) is het bevorderen en in stand houden van een gelijke vertegenwoordiging van vrouwen in de academische wereld, het werken aan de verbetering van de positie van vrouwen van alle achtergronden en het aandringen op een inclusieve en veilige academische gemeenschap. De evaluatie gaat in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de door het Ministerie van OCW verstrekte subsidie.

16

Subthema Sociale veiligheid

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie landelijk programma Sociale Veiligheid

ex post

2028

Te starten

Middels het landelijk programma sociale veiligheid worden universiteiten, hogescholen en studentenverenigingen gestimuleerd om samen te werken aan het vergroten van sociale veiligheid in de sector. In de evaluatie wordt gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het programma.

16

Subthema Instituten in het stelsel van onderzoek en wetenschap

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie

ex durante evaluatie

2028

Te starten

De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) stelt volgens de Kaderwet adviescolleges tenminste elk vierde jaar een evaluatieverslag op, waarin hij aandacht besteed aan zijn taakvervulling. De laatste evaluatie van de AWTI vond plaats in 2023.

n.v.t.

Evaluatie Rathenau Instituut

ex durante evaluatie

2028

Te starten

Het Rathenau Instituut wordt volgens het instellingsbesluit elke vijf jaar beoordeeld op in ieder geval haar effectiviteit en doelmatigheid. De laatste evaluatie van het Rathenau Instituut vond plaats in 2023.

16

Evaluatie KB nationale bibliotheek

ex durante evaluatie

2029

Te starten

De KB nationale bibliotheek wordt als zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) volgens de Kaderwet ZBO iedere vijf jaar op doelmatigheid en doeltreffendheid geëvalueerd. De laatste evaluatie van de KB vond plaats in 2024.

16

Evaluatie Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

ex durante evaluatie

2030

Te starten

De Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) wordt als zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) volgens de Kaderwet ZBO iedere vijf jaar op doelmatigheid en doeltreffendheid geëvalueerd. De laatste evaluatie van de NWO vond plaats in 2025.

16

Beschrijving thema Onderzoek en wetenschap

2021-2027; Artikel 6, 7, en 16

De algemene doelstelling van het onderzoek- en wetenschapsbeleid is het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving, die onderzoekers in staat stelt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften. De beleidsinspanningen op dit thema zijn gericht op het zorgen voor een gezond en sterk fundament, het vergroten van de maatschappelijke impact van onderzoek en het geven van ruimte aan divers talent in een sociaal veilige omgeving. Het thema heeft grotendeels betrekking op artikel 16 (Onderzoeks en wetenschapsbeleid) van de begroting. De bekostiging van het onderzoek aan universiteiten en hogescholen valt echter onder artikelen 6 en 7 (Hoger onderwijs). Dat geldt ook voor sectorplannen en praktijkgericht onderzoek.

In 2021 gaf de beleidsdoorlichting van artikel 16 een positief beeld van de beleidsinstrumenten. Er kon echter geen conclusie getrokken worden over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid als geheel, omdat de evaluaties hier onvoldoende zicht op gaven. In reactie hierop is samen met het veld een monitorings- en evaluatiesysteem, inclusief beleidsindicatoren, ontwikkeld. Punt van aandacht hierbij zijn de administratieve lasten voor instellingen.

In 2027 is de volgende Periodieke Rapportage over het thema Onderzoek en Wetenschap gepland. Dit is inclusief het synthese onderzoek van het Fonds onderzoek en Wetenschap. Hieruit moet onder andere blijken of de inspanningen om de monitorings- en evaluatiesystematiek te verbeteren hun vruchten afwerpen. In de Periodieke Rapportage kijken we naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. Ook is er ruimte om te reflecteren op de doelen van het onderzoek- en wetenschapsbeleid, en is er ruimte om eventuele beleidsalternatieven te verkennen. Gezien de continuïteit in de beleidsinstrumenten van het thema onderzoek en wetenschap, wordt het passend geacht om de volgende Periodieke Rapportage over zes jaar te plannen, namelijk in 2033.

De inzichtbehoefte richt zich op de bijdragen van het gevoerde beleid aan de doelen zoals meer ruimte voor ongebonden en excellent onderzoek, verbeterde toegang tot onderzoeksfaciliteiten, samenwerking tussen instellingen en sectoren, aansluiting bij internationaal (top)onderzoek, kennisveiligheid, diversiteit, bredere erkenning en waardering, maatschappelijke impact van kennis uit onderzoek, en meer open science. De inzichten worden onder andere gekregen middels verscheidene evaluaties, zoals die van de sectorplannen II, de subsidieregeling Matching Horizon Europe, het verruimde promotierecht en het programma Erkennen en waarderen. Daarnaast zijn er overkoepelende onderzoeken die het inzicht in werking van het stelsel vergroten, bijvoorbeeld de evaluaties van de NWO (2026) en de KNAW (2026). Ook is er aandacht voor de impact van de bezuinigingen van Kabinet Schoof, op het behalen van de doelen. Alsook voor de recente investeringen door kabinet-Jetten. kabinet-Jetten draait de bezuinigingen van het Kabinet Schoof op het Fonds onderzoek en Wetenschap terug en doet aanvullende investeringen. Tot slot is er behoefte aan beter zicht op de strategische lange termijn vraagstukken. In 2025 en 2026 loopt een traject om deze vraagstukken en de bijbehorende kennisbehoefte in beeld te brengen.

Tabel 110 Aansluiting op de arbeidsmarkt
      

Subthema - Synthese onderzoek en Periodieke Rapportages

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Aansluiting op de arbeidsmarkt

ex post

2028

Te starten

De Periodieke Rapportage aansluiting op de arbeidsmarkt levert integraal zicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid binnen het thema arbeidsmarkt.

4, 6 en 7

Subthema - Aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie Regionaal Investeringsfonds mbo

ex durante

2027

Lopend

De evaluatie dient om zowel inzicht te verkrijgen in de activiteiten die de publiek-private samenwerkingsverbanden oppakken om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren en innovatie te stimuleren. De evaluatie is gericht op het in beeld brengen van de effectiviteit van de subsidieregeling.

4

Monitor actieplan groene en digitale banen

ex durante, ex post

2030

Lopend

De monitor maakt trends en ontwikkelingen inzichtelijk die een bijdrage leveren aan het terugdringen van tekorten in kraptesectoren.

4

Onderzoek project onderwijs arbeidsmarkt

ex ante

Jaarlijks

Lopend

Inzichten over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt in de vorm van een basisvoorziening prognoses. Deze inzichten worden gebruikt voor o.a. studievoorlichting, arbeidsmarktbemiddeling en de beantwoording van vragen rond macrodoelmatigheid van het opleidingsaanbod.

4

Schoolverlatersonderzoek CBS

ex durante

Jaarlijks

Lopend

Onderzoek levert informatie over het macrodoelmatigheidsbeleid (per instelling) en over de aansluiting van mbo-opleidingen op de arbeidsmarkt.

4

Werkgeverstevredenheidsonderzoek

ex durante

Tweejaarlijks

Lopend

Geeft inzicht in de tevredenheid van werkgevers over recent afgestudeerde mbo-studenten.

 

Pilot orientatieprogramma

ex avante

2027

Lopend

DUO en KBA brengen de doeltreffendheid en doelmatigheid van een orientatieprogramma in kaart

4

Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst (via NRO)

ex avante

2030

Lopend

Onderzoek biedt inzicht in hoe onderwijsinstellingen inspelen op veranderingen in de markt en samenleving en welke aanpakken voor een goede aansluiting kan zorgen bij de veranderingen?

4

Evaluatie Cross-overs (NRO)

ex post

2026

Lopend

Beginmeting in 2019, met jaarlijks tussenmetingen en voortgangsrapportages. Eindrapportage 2024 en 2025 samengevoegd.

4

Evaluatie Ruimte in de regio (NRO)

ex post

2026

Lopend

Het onderzoek kent drie meetmomenten: een nulmeting in 2020, een tussenmeting in 2023 en eindmeting in 2026.

4

Subthema - Flexibilisering en leven lang ontwikkelen (LLO)

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Subthema - Stages

ex durante

2026

Lopend

Deze overkoepelende, integrale monitor is bedoeld om de doeltreffendheid van het beleid op Leven lang ontwikkelen (LLO) te monitoren en te evalueren. Een van doelen is meer zicht te krijgen op de werkende mechanismen in de interactie tussen eigen regie en leercultuur op zowel micro als macroniveau. Tot aan de eindrapportage in 2026 worden verschillende tussenrapportages opgeleverd, met hierin het theoretisch kader en de werkende mechanismen achter het leren en ontwikkelen.

4

Monitor keuzedelen

ex durante

2026

Lopend

(Voorlopig) onderzoekt SBB jaarlijks op welke manier scholen gebruikmaken van keuzedelen. Een interactief dashboard toont de resultaten.

4

Subthema - Stages

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Onderzoek stagebegeleiding en maatregelen stagediscriminatie onder onderwijspersoneel, leerbedrijven en studenten

ex durante

2027

Lopend

Met dit onderzoek krijgen we verdiepend inzicht in hoeverre en hoe stagebegeleiders op mbo-scholen en praktijkopleiders van leerbedrijven werken aan het tegenaan van stagediscriminatie en het zorgen voor gelijke kansen.

4

Onderzoek effectiviteit stagematching

ex durante

2027

Lopend

Inzicht in de voortgang en effectiviteit van stagematching als maatregel om stagediscriminatie te voorkomen.

4

Monitoring Stagepact

ex durante, ex post

2027

Lopend

In het stagepact zijn doelen afgesproken om stages voor studenten te verbeteren. Deze monitor volgt de voortgang op de doelstellingen. De startmeting wordt in 2024 opgeleverd en vanaf 2025 volgt jaarlijks een voortgangsrapportage.

4

Monitor stagevergoedingen

ex durante

jaarlijks

Lopend

De monitor biedt inzicht in loon en arbeidsduur van banen en stages van mbo-studenten.

4

Subthema - Overig

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Monitor Werkagenda prioriteit 2 aansluiting onderwijs arbeidsmarkt

ex durante, ex post

2027

Lopend

In de werkagenda mbo zijn verschillende doelen afgesproken om de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt te verbeteren. Deze monitor volgt de voortgang op de doelstellingen. De startmeting wordt in 2024 opgeleverd en vanaf 2025 volgt jaarlijks een voortgangsrapportage.

4

Beschrijving thema Aansluiting op de arbeidsmarkt

2026-2028;

Artikel 4, 6 en 7

Het thema ‘Aansluiting op de arbeidsmarkt’ richt zich zowel op het mbo als op het hbo en wo. In de kern gaat het om het realiseren van een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, met een doelmatig en arbeidsmarktrelevant aanbod die passend is bij de arbeidsmarkt van de toekomst en passend binnen de talentstrategie. Deze aansluiting staat deze periode in de context van (toenemende) algehele arbeidsmarktkrapte en demografische krimp, die tezamen (kunnen) zorgen voor stagnatie van ontwikkeling in maatschappelijke opgaven en de economie. De aansluiting moet dan niet alleen goed zijn in relatie tot technologische en maatschappelijke ontwikkelingen, er zijn daarnaast ook keuzes nodig in de vorm van een talentstrategie voor prioritaire domeinen om de toekomstige welvaart van Nederland te behouden. Onder dit thema valt naast het aanbod van onderwijs, ook de vraagkant, en daarmee de studiekeuze en loopbaanoriëntatie. Dit omdat goede voorlichting en loopbaanbegeleiding ervoor kunnen zorgen dat studenten beter geïnformeerd kiezen voor (prioritaire) richtingen met goede arbeidsmarktperspectieven, met name in tekortsectoren zoals gezondheidszorg en techniek. Daarnaast omvat dit thema ook het gericht aantrekken van internationaal toptalent voor prioritaire sectoren en het stimuleren van Leven Lang Ontwikkelen (LLO) beleid om bij- en omscholing naar prioritaire sectoren te stimuleren. Tot slot valt ook de beschikbaarheid van kwalitatief goede stages, het tegengaan van stagediscriminatie en het belang van stagevergoeding onder dit thema. Alle studenten uit het beroepsonderwijs verdienen kwalitatief goede stages. Leren in de praktijk is namelijk een onmisbaar onderdeel van het beroepsonderwijs. Studenten doen hier vaardigheden op die bijdragen aan een goede doorstroom naar de arbeidsmarkt.

Dit thema kent een looptijd van vier jaar. Dit sluit ook aan op de geplande implementatie en evaluatie van beleidsmaatregelen zoals opgenomen in de Werkagenda MBO en het Stagepact MBO 2023-2027 en de inzet op tekortsectoren in het hbo.

In het mbo richten we ons op het bevorderen van een weloverwogen studiekeuze, ondersteund door goede voorlichting en loopbaanbegeleiding, en werken we aan een doelmatig en arbeidsmarktrelevant aanbod gericht op de arbeidsmarkt van de toekomst. Verder is er een focus op het verbeteren van de kwaliteit van de stages. Binnen het hbo en wo is er naast aandacht voor het bevorderen van een weloverwogen studiekeuzeaandacht voor een weloverwogen aanbod waarbij keuzes over dat aanbod nadrukkelijk in samenwerking tussen instellingen tot stand komen. Daarnaast werken we aan flexibeler onderwijs om de diversiteit aan leerpaden onder studenten, onder andere voor post-initieel leren, de ruimte te geven.

Belangrijke kennisvragen omvatten strategieën voor het aansluiten van opleidingsaanbod op de vraag van de arbeidsmarkt en het verbeteren van de loopbaanoriëntatie. Lopend en gepland onderzoek richt zich onder andere op de effectiviteit van studievoorlichting, het stimuleren van LLO, en het ontwikkelen van responsieve opleidingsaanbodstrategieën, passend bij maatschappelijke en economische veranderingen.

Tabel 111 Versterking van de culturele en creatieve sector - Uitwerking Strategische Evaluatieagenda Erfgoed

Subthema Synthesestudie Erfgoed

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Synthesestudie Erfgoed

synthesestudie

2028

Te starten

Meerjarig syntheseonderzoek naar het sub-thema Erfgoed

14

Subthema Musea

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Modelanalyse gratis openstelling Rijksgesubsidieerde musea

ex ante (verkenning)

2026

Afgerond

Betreft een update van eerder onderzoek waarin de effecten en kosten van een aantal vormen van gratis museumbezoek worden doorberekend.

14

Subthema Monumenten

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie Monumentenwet BES-eilanden

ex post (evaluatie)

2026

Afgerond

Evaluatie naar de werking van de Monumentenwet op de BES eilanden (Bonaire, St. Eustatius en Saba) in de periode 2010-2024

14

Evaluatie molenfonds en boerderijenfonds

ex post (evaluatie)

2025

Afgerond

Evaluatie van de incidentele Rijkssubsidies aan zowel het Molenfonds als het Boerderijenfonds. Het Molenfonds financierde met de middelen succesvol groot onderhoud en restauraties van 188 rijksmonumentale molens. Het Boerderijenfonds maakte herbestemmingen van 28 boerderijen mogelijk.

14

Subthema Leefomgeving

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Inventarisatie ondersteuningsbehoefte gemeenten provincies erfgoed in ruimtelijke opgaven

ex ante (verkenning)

2025

Afgerond

Verkenning met als doel om inzicht te verkrijgen in de behoefte waar het ondersteuningsteam Erfgoed en Leefomgeving aan moet voldoen

14

Beleidsevaluatie Erfgoeddeal

ex post (evaluatie)

2025

Afgerond

Eindevaluatie van de Erfgoed Deal die in 2019 van start is gegaan

14

Evaluatie gebiedsbiografieën NOVEX-gebieden

ex post (evaluatie)

2025

Afgerond

Onderzoek naar de realisatie en werking van gebiedsbiografieën in NOVEX-gebieden, met als doel om input te leveren op het vervolg van de uitvoeringsagenda van de NOVEX

14

Subthema Immaterieel erfgoed / erfgoedparticipatie

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Monitor Erfgoedbeoefening

ex durante (monitor)

2025

Afgerond

Eerste editie van de monitor, uitgevoerd door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), in samenwerking met het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN)

14

Tabel 112 Versterking van de culturele en creatieve sector - Uitwerking Strategische Evaluatieagenda Cultuur
      

Subthema Synthesestudie Cultuur

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Periodieke Rapportage Versterking van de culturele en creatieve sector

Periodieke Rapportage

2032

Te starten

Periodieke Rapportage

14

Subthema Algemeen/overkoepelend cultuur

Synthesestudie Cultuur

synthesestudie

2029

Te starten

Meerjarig syntheseonderzoek naar het sub-thema cultuur

14

Cultuurmonitor

ex durante (monitor)

2026

Afgerond

De Boekmanstichting ontsluit jaarlijks de beschikbare informatie over de culturele sector

14

Vrijetijdsomnibus (VTO)

ex durante (monitor)

2026

Afgerond

Tweejaarlijks onderzoek door de Boekmanstichting op basis van CBS data naar de kernthema’s cultuurparticipatie en sportbeoefening, waarbij de interesse in, bezoek aan en beoefening van sport en cultuur centraal staat

14

Onderzoek spreiding van cultuuruitgaven

ex post (evaluatie)

2026

Afgerond

Dit onderzoek biedt inzicht in de huidige spreiding van overheidsinvesteringen (Rijk, provincies, gemeenten) en culturele infrastructuur, inclusief regionale verschillen

14

Onderzoek financieringsmix culturele organisaties

ex post (evaluatie/verkennend)

2025

Afgerond

Een inventarisatie van de voor- en nadelen van de huidige inrichting van (revolverende) leenfaciliteiten en een inventarisatie van eventuele alternatieven manieren waarop deze revolverend in stand gehouden kunnen worden.

14

Subthema Basisinfrastructuur Cultuur (BIS)

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Toegankelijkheid van de podiumkunstensector voor mensen met een beperking

ex durante (monitor)

2026

Lopend

Betreft een eerste meting naar de mate van toegankelijkheid van de Nederlandse podiumkunstensector voor mensen met een beperking

14

Pilots maatschappelijke impact BIS-instellingen 2025-2028

ex post (evaluatie/verkennend)

2026

Afgerond

Betreft pilotonderzoek om te toetsen welke methodes het best bruikbaar zijn voor in kaart brengen van de impact van organisaties in de bis.

14

Onderzoek podiumkunstenfestivals

ex ante (verkenning)

2026

Afgerond

Het doel van dit onderzoek is het ontwikkelen van een duidingskader voor een kwalitatieve duiding en interpretatie van het landschap van podiumkunstenfestivals.

14

Subthema Bibliotheken

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Verkenning leenrechtvergoeding schoolbibliotheken

ex post (evaluatie)

2026

Lopend

Verkennend onderzoek naar uitlening van boeken op schoolbibliotheken in kader van leenrechtvergoedingen.

14

Onderzoek naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap

ex ante (verkenning)

2026

Afgerond

Verkennend onderzoek naar gratis en automatisch lidmaatschap bij bibliotheken voor kinderen en volwassenen.

14

Subthema Arbeidsmarkt

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie Fair Pay verplichting

ex post (evaluatie)

2027

Te starten

Evaluerend onderzoek naar de effecten van de extra Fair Pay middelen die vanaf 2025 worden ingezet.

14

Subthema Auteursrecht

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Economische betekenis van auteursrecht

ex ante (verkenning)

2026/2027

Te starten

Onderzoek naar de economische betekenis van auteursrecht (in opdracht van het Ministerie van EZ).

14

Subthema Creatieve industrie

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Sectorbreed onderzoek AV-sector

ex durante (monitor)

2026

Lopend

Onderzoek naar (ontwikkelingen, knelpunten en uitdagingen in) het financieringslandschap voor cultureel audiovisueel aanbod.

14

Toegankelijkheid van de AV-sector voor mensen met een beperking

ex durante (monitor)

2026

Lopend

Betreft een eerste meting naar de mate van toegankelijkheid van de Nederlandse film en audiovisuele (AV) sector voor mensen met een beperking.

14

Midterm Review CIIIC

ex post (evaluatie)

2026

Lopend

Midterm review van het NGF programma CIIIC om te zien in welke mate de gerealiseerde voortgang leidt tot de beoogde uitkomsten.

14

Monitor Creatieve Industrie

ex durante (monitor)

2026

Afgerond

Betreft een nieuwe editie van de Monitor Creatieve Industrie.

14

Subthema Digitalisering

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Verkenning beleidsinstrumentarium digitale cultuur

ex ante (verkenning)

2026

Lopend

Onderzoek naar het actuele ecosysteem van de deelsector digitale cultuur in Nederland, inclusief de kansen en de bedreigingen en een functionele afbakening van de Nederlandse deelsector digitale cultuur.

14

Onderzoek webharvesting

ex ante (verkenning)

2025

Afgerond

Onderzoek naar juridische, financiële, organisatorische en technische elementen van webharvesting.

14

Subthema Architecten

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Economische betekenis van auteursrecht

ex ante (verkenning)

2026/2027

Te starten

Onderzoek naar de economische betekenis van auteursrecht (in opdracht van het Ministerie van EZ).

14

Subthema Internationaal Cultuurbeleid

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie Internationaal Cultuurbeleid (ICB) 2021-2024

ex post (evaluatie)

2026

Lopend

Periodieke evaluatie van het Internationaal Cultuurbeleid, in samenwerking met het Ministerie van BZ.

14

Tabel 113 Versterking van de culturele en creatieve sector - Uitwerking Strategische Evaluatieagenda Cultuurbeoefening
      

Subthema Cultuurbeoefening

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Synthesestudie Cultuurbeoefening

synthesestudie

2030

Te starten

Meerjarig syntheseonderzoek naar het sub-thema Cultuureducatie.

14

Beleidsonderzoek hulpbronnen cultuurbeoefenaars

ex ante (verkenning)

2027

Te starten

Het doel van dit onderzoek is beter zicht te krijgen op de behoeften van verschillende groepen cultuurbeoefenaars aan hulpbronnen, die hen in staat stellen kunst of erfgoed te beoefenen.

14

Monitor Kunst- en Erfgoedbeoefening Caribisch gebied van het Koninkrijk

ex durante (monitor)

2026

Lopend

De bestaande situatie rondom cultuurbeoefening binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk wordt in kaart gebracht met een verkenning voor een passende manier om de ontwikkelingen hierin te monitoren.

14

Beleidsonderzoek landelijke ondersteuningsstructuur cultuurbeoefening

ex ante (evaluatie/verkennend)

2026

Afgerond

Onderzoek naar de ondersteuning van cultuur- en erfgoedbeoefening, waarbij gekeken wordt naar welke patronen en knelpunten zich daarin voordoen en wat dit betekent voor de werking, inrichting en ontwikkeling van het stelsel als geheel.

14

Onderzoek (top)talentontwikkeling klassieke muziek en dans

ex ante (evaluatie/verkennend)

2026

Afgerond

Strategische verkenning naar toptalentontwikkeling in de klassieke muziek en dans waarmee inzicht kan worden geboden in de succes- en belemmerende factoren binnen het talentontwikkelingssysteem.

14

Monitor vrijetijdsbesteding kinderen

ex durante (monitor)

2025

Afgerond

Pilotonderzoek over vrijetijdsbesteding van kinderen met en zonder een beperking. Opdrachtgever was het Ministerie van VWS.

14

Monitor Erfgoedbeoefening

ex durante (monitor)

2025

Afgerond

Eerste editie van de monitor, uitgevoerd door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), in samenwerking met het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN).

14

Tabel 114 Versterking van de culturele en creatieve sector - Uitwerking Strategische Evaluatieagenda Archieven
      

Subthema Archieven

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Synthesestudie Archieven

Synthesestudie

2031

Te starten

Meerjarig syntheseonderzoek naar het sub-thema archieven.

14

Eerste evaluatie Archiefwet

Ex post (evaluatie/verkennend)

2029

Te starten

Betreft een eerste evaluatie van de Archiefwet 2,5 jaar na inwerkingtreding van de wet, toegezegd in het Tweede Kamerdebat.

14

Onderzoek naar Archieftoezicht

Ex post (evaluatie/verkennend)

2027

Te starten

Onderzoek naar archieftoezicht naar aanleiding van de motie van de Velde

14

Uitvoeringstoetsen van het Archiefbesluit en de Archiefregeling

Ex ante (verkenning)

2026

Afgerond

Uitvoeringstoetsen behorend bij de nieuwe Archiefwet.

14

Onderzoek naar archiefonderwijs

Ex post (evaluatie/verkennend)

2025

Afgerond

Verkennend onderzoek naar kennis, competenties en vaardigheden die archivarissen en informatieprofessionals nu en in de toekomst nodig hebben.

14

Beschrijving thema Versterking van de culturele en creatieve sector

2026-2032; Artikel 14

Het thema ’Versterking van de culturele en creatieve sector’ omarmt een breed scala aan beleidsterreinen en richt zich op het waarborgen van een stevig en divers cultureel fundament voor de toekomst. Het omvat vier belangrijke sub-thema’s: cultuur, erfgoed, cultuurbeoefening (voorheen cultuureducatie) en archieven. De belangrijkste wetten zijn de Wet op het specifiek cultuurbeleid, de Erfgoedwet, de Archiefwet en de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen. Relevante instellingen zijn onder andere de Raad voor Cultuur, de Rijkscultuurfondsen, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Nationaal Archief. Het thema raakt daarnaast beleid gericht op de mediasector, door de culturele taak van de landelijke publieke omroep.

Omdat dit thema een viertal sub-thema’s beslaat en er voor elk van die sub-thema’s in de jaren 2028-2031 een synthesestudie van relevant (beleids-)onderzoek wordt voorzien, is de looptijd van dit thema zeven jaar (2026-2032). Binnen die looptijd worden op verschillende momenten inzichten vergaard in de effecten van het onderliggende beleid. Ook de geleerde lessen van de huidige periode (2025-2028) van de Basisinfrastructuur cultuur (Bis) en van de voorgaande periode (2021-2024) worden meegenomen in de Periodieke Rapportage, welke voorzien is voor 2032.

De kennisbehoefte voor het sub-thema cultuur bestaat uit meer inzicht in de culturele arbeidsmarkt, in de diversiteit van de culturele en de creatieve sector, in de waarde van auteursrecht en in het culturele leven in Caribisch Nederland. Daarnaast is er een behoefte aan meer inzicht in de mate waarin cultuur kan bijdragen aan oplossing van maatschappelijke problemen en aan organisatie- en financieringsstructuren in de sector. De kennisbehoefte van het sub-thema erfgoed is gericht op alle beleid gevat in de Erfgoedwet (2016) en kwesties als de impact van ruimtelijke transities en de praktijk van immaterieel erfgoed. De kennisbehoefte voor het sub-thema cultuurbeoefening is gericht op het monitoren van cultuureducatie in het PO en in het VO en op het verkrijgen van meer inzicht in de hulpbronnen waar cultuurbeoefenaars gebruik van maken. Tot slot is de kennisbehoefte voor het sub-thema archieven gericht op de implementatie van de nieuwe, nog te implementeren Archiefwet, inclusief digitale transformatie.

Tabel 115 Versterking van de mediasector en hervorming landelijke publieke omroep
      

Subthema Mediastelsel

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Periodieke Rapportage Mediastelsel

Periodieke Rapportage

2028

Te starten

Periodieke Rapportage.

15

Subthema Landelijk mediastelsel

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Mediamonitor

ex durante (monitor)

2026

Lopend

Jaarlijks onderzoek uitgevoerd door Commissariaat voor de Media naar ontwikkelingen in de mediasector.

15

Representatiemonitor

ex durante (monitor)

2026

Lopend

Monitoringsonderzoek door het Commissariaat voor de Media naar de representatie van vrouwen en van mensen met een (zichtbare) beperking in de media.

15

Evaluatie must carry regeling

ex post (evaluatie)

2027

Te starten

Evaluatie naar de werking van de must carry regeling voor aanbieders van televisiepakketten.

15

Subthema Lokale publieke omroepen

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Onderzoek naar WNT lokale omroepen nieuwe stijl

ex ante (verkennend)

2026

Lopend

Onderzoek naar mogelijke aanpassingen van Wet Normering Topinkomens in kader van vorming nieuwe lokale omroepen.

15

Subthema Journalistiek

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten

ex post (evaluatie)

2026

Lopend

Evaluatie naar de werking van het Fonds voor Bijzondere Journalistiek Projecten.

15

Literatuurstudie vertrouwen in nieuws

ex ante (verkennend)

2026

Te starten

Verdiepend literatuuronderzoek naar definitie en uitwerking van vertrouwen in nieuws.

15

Subthema Mediawijsheid

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings- artikel(en)

Evaluatie NICAM

ex post (evaluatie)

2026

Te starten

Evaluatie van het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM), onder andere verantwoordelijk voor de Kijkwijzer.

15

Beschrijving thema Versterking van de mediasector en hervorming landelijke publieke omroep

2022-2028; Artikel 15

Dit thema omvat het gehele mediabeleid, dat zich richt op het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig, pluriform en onafhankelijk en toegankelijk media-aanbod. De belangrijkste onderwerpen daarbij zijn de landelijke, regionale en lokale publieke omroepen, het onafhankelijk en rendabel functioneren van journalistiek, algeheel mediagebruik en mediawijsheid. De belangrijkste wet is de Mediawet. Relevante instellingen zijn onder andere het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek, het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en het Commissariaat voor de Media.

Dit thema kent daarnaast een verbinding met het thema ‘Versterking van de culturele en de creatieve sector’, met name op gebied van culturele taken en uitingen binnen de mediasector.

De looptijd voor dit thema is afgestemd op lopende stelselherzieningen op het gebied van de lokale en landelijke publieke media. Deze zijn voor nu gepland om in te gaan in respectievelijk 2028 en 2029. Er is voor gekozen om de eerstvolgende Periodieke Rapportage Mediabeleid samen te laten vallen met het ingaan van de vernieuwde omroepstelsels in 2028. Deze zal betrekking hebben op het gevoerde mediabeleid in de periode 2021-2027 en sluit daarmee aan bij de vorige beleidsdoorlichting uit 2022. De werking van de nieuwe omroepstelsels in de periode ná 2028 zal onderwerp zijn van een latere, nog in te plannen, Periodieke Rapportage. Daarbij wordt opgemerkt dat de Periodieke Rapportage naast de landelijke en lokale omroepstelsels ook betrekking heeft op andere onderdelen van het mediabeleid, zoals journalistiek, de regionale omroepen en mediawijsheid.

De inzichtbehoefte zit in het monitoren van ontwikkelingen in het medialandschap en de consequenties daarvan voor het mediabeleid, in een scherper inzicht in de pluriformiteit van het nieuwsaanbod en inzicht in de positie van lokale en regionale omroepen. Verder bestaat er een inzichtbehoefte naar het meten van vertrouwen in journalistieke uitingen.

Tabel 116 Rijksbrede inzet op emancipatie
      

Subthema Arbeid - Doel gendergelijkheid

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Topvrouwen: Monitor topvrouwen (semi)publiek

ex-durante

2026/2027

Lopend

SEO monitort voor de laatste keer de voortgang van het aandeel vrouwen in de top van de (semi)publieke sector.

25

Topvrouwen: SER Monitor genderbalans in het Nederlandse bedrijfsleven

ex-durante

Jaarlijks

Lopend

SER publiceert jaarlijks de SER Scorecard; Monitor genderbalans in het Nederlandse bedrijfsleven.

25

Ontwikkeling van een ‘wat werkt- bij’ de arbeidstoeleiding van niet-werkende vrouwen – dossier

ex-durante

2026/2027

Lopend

Duurzame borging en verspreiding van beschikbare kennis en verdere ontsluiting ervan.

25

Programma Vakkundig aan het Werk, projecten om te onderzoeken «wat werkt» in de arbeidstoeleiding van niet werkende vrouwen. Binnen de subsidieronde «werken met een arbeidsbeperking» wordt binnen drie projecten onderzoek gedaan naar een gendersensitieve begeleiding van niet-werkende vrouwen met een arbeidsbeperking (tot september 2027).

ex-durante

2026/2027

Lopend

Aanvullend onderzoek naar ‘wat werkt’ in de begeleiding van vrouwen met een arbeidsbeperking richting werk. Het gaat om gendersensitieve begeleiding binnen de subsidieronde Bevorderen van werken met een arbeidsbeperking van het programma Vakkundig aan het Werk.zie voor producten: https://www.zonmw.nl/nl/programma/economische-zelfstandigheid-van-vrouwen

25

Wetsevaluatie Topvrouwenwet

ex-durante

2026/2027

Lopend

Op 1 januari 2022 is de Topvrouwenwet in werking getreden. Vijf jaar na inwerkingtreding dient deze wet geëvalueerd te worden.

25

Subthema Sociale veiligheid - Doel gendergelijkheid en lhbtiq+- emancipatie

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Evaluatie pilot Perspectief Herstelbemiddeling

ex-durante

2027

Lopend

Regioplan evalueert de pilot bij Perspectief Herstelbemiddeling om de meerwaarde van de inzet van herstelbemiddeling bij niet strafbaar seksueel grensoverschrijdend gedrag te onderzoeken

25

Publieksmonitor seksueel grensoverschrijdend gedrag

ex-durante

2026

Lopend

Onderzoek naar de houding en gevoelens van het algemeen Nederlands publiek tegenover seksueel grensoverschrijdend gedrag.

25

T@CKLE (in het kader van het NWA-programma 'Naar een effectieve aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en geweld)

ex-durante

2025-2030

Lopend

T@CKLE is een transdisciplinair onderzoek naar de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Samen met een consortium van 33 partners, waaronder kennisinstellingen en maatschappelijke partners, voert T@CKLE wetenschappelijk onderzoek uit, ontwikkelt zij praktijkgerichte instrumenten en richt zij een landelijk seksueel grensoverschrijdend netwerk op om stakeholders samen te brengen. Zie https://tackle-project.nl/

25

Subthema Genderdiversiteit en gelijke behandeling - Doel lhbtiq+-emancipatie

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Onderzoek hoe regulering op non-consensuele niet-noodzakelijke medische behandelingen (nnmb’s) het beste vormgegeven kan worden

ex-ante

2026/2027

Lopend

Naar aanleiding van aanbevelingen van verschillende commissies en aangenomen moties vanuit de TK wordt een onderzoek uitgevoerd naar de meest wenselijke vorm van regulering, om non-consensuele niet-noodzakelijke medische behandelingen bij intersekse kinderen te voorkomen.

25

Onderzoek naar huiselijk geweld van bi+-, intersekse- transgender-, non-binaire en aseksuele personen en huiselijke geweld

ex- ante

2026/2027

Te starten

Tijdens het vormgeven van de «Versterkte Aanpak lhbtiq+ veiligheid» is in verschillende gesprekken tijdens de consultatiefase benoemd dat er sterke vermoedens zijn dat bi+-, intersekse-, transgender-, non binaire- en aseksuele mensen vaker te maken hebben met huiselijk geweld. Om meer zicht te krijgen op de onderliggende oorzaken van het huiselijk geweld bij deze groepen, zal hier nader onderzoek naar worden gedaan.

25

Onderzoek naar anti-emancipatoire invloeden

ex- ante

2027

Te starten

Onderzoek ter uitvoering van motie Dobbe/ Van Campen, Kamerstukken II, 2024/2025, 30 420 nr. 427 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30420-427.html

25

Subthema Algemeen - Doel gendergelijkheid

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Emancipatiemonitor

ex-durante

2028

Te starten

De Emancipatiemonitor brengt iedere twee jaar de positie van vrouwen en mannen in Nederland in kaart op het gebied van gezondheid, onderwijs, werk, zorg, inkomen, sociale veiligheid en gelijkheid in Europees perspectief, alsmede enkele ‘emancipatieopinies’ met maatschappelijke opvattingen over de rol van vrouwen en mannen.

25

Subthema Algemeen - Doel lhbtiq+- emancipatie

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Lhbtiqa+-monitor

ex-durante

2028

Te starten

De Lhbtiqa+-monitor schetst een tweejaarlijks beeld van de leefsituatie van lhbtiqa+ personen op domeinen als sociaaleconomische situatie, veiligheid, seksueel geweld, discriminatie en gezondheid, alsmede van de opvattingen van de algemene Nederlandse bevolking over lhbtiqa+ personen.

25

Beschrijving thema Rijksbrede inzet op emancipatie

2026-2032; Artikel 25

Emancipatie is een brede maatschappelijke beweging, gedragen door burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en (mede)overheden. De Rijksbrede inzet van het emancipatiebeleid richt zich daarom op het scheppen van de juiste voorwaarden om gendergelijkheid en gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslachtskenmerken in de Nederlandse samenleving te realiseren. Het emancipatiebeleid is daarmee overwegend voorwaardenscheppend.

De directie Emancipatie heeft geen eigen wet- en regelgeving of stelsel waarvoor het verantwoordelijk is, maar is actief op een breed scala aan onderwerpen dat voor een groot deel onder de verantwoordelijkheid van andere departementen valt. De directie Emancipatie heeft hierbij naast haar zelfstandige rol vooral een coördinerende, ondersteunende en agenderende rol.

Binnen dit thema wordt aan verschillende dossiers gewerkt die voor de SEA zijn gegroepeerd in de subthema’s Arbeid, Sociale veiligheid, en Genderdiversiteit en gelijke behandeling. Concrete voorbeelden van onderzoeken bij de verschillende thema’s zijn: de Monitor genderbalans in de top, die het aantal topvrouwen in de private sector in kaart brengt, en het programma binnen de Nationale Wetenschapsagenda dat kennis bundelt en ontwikkelt om (online) seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld zo veel mogelijk te voorkomen.

Het subthema Algemeen omvat onderzoeken die thema-overstijgend zijn, namelijk de Emancipatiemonitor en de Lhbtiqa+-monitor. Zij bieden iedere twee jaar achtereenvolgens inzicht in de maatschappelijke positie van vrouwen en lhbtiqa+ personen, alsmede inzicht in de maatschappelijke opvattingen over deze groepen. De monitors laten ontwikkelingen over de lange termijn zien, zoals de gestage toename van de economische zelfstandigheid van vrouwen en de ontwikkelingen rondom lhbtiqa+-acceptatie.

In 2025 is er een Periodieke Rapportage uitgevoerd over het emancipatiebeleid. Deze concludeert dat het emancipatiebeleid aannemelijk heeft bijgedragen aan maatschappelijke verandering, en dat het voorwaardenscheppende karakter van emancipatiebeleid vraagt om een breder perspectief op beleidssucces dan alleen de doeltreffendheid en de doelmatigheid in klassieke zin. Directe effectmetingen en het vaststellen van causale verbanden is bij voorwaardenscheppend beleid immers beperkt mogelijk. De Periodieke Rapportage doet de aanbeveling om een nieuwe beleidstheorie en bijpassende evaluatiestructuur op te stellen die met deze aard en complexiteit rekening houden. De indeling van subthema’s zal daarom mogelijk veranderen richting de volgende begroting. De volgende Periodieke Rapportage zal uiterlijk in 2032 worden uitgevoerd.

Bijlage 4: Specifieke uitkeringen

Als het Rijk bijdragen onder voorwaarden ten behoeve van een bepaald openbaar belang aan provincies en gemeenten verstrekt, is op basis van artikel 15a lid 1 Financiële-verhoudingswet sprake van een specifieke uitkering. In deze bijlage is voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangegeven welke specifieke uitkeringen voor 2024 tot en met 2029 uitgekeerd worden en welke voornemens er zijn voor specifieke uitkeringen. De voornemens worden aangeduid met een «V» onder het kopje SiSa nummer (Single information Single audit). Indien nodig wordt er onder de tabel een toelichting gegeven

Tabel 117 Overzicht specifieke uitkeringen (spuks) (bedragen x € 1 mln.)

SiSa nr.

Onderdeel

Toelichting

2026

2027

2028

2029

2030

2031

         

D15

Naam

Scholenprogramma Groningen

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

 

Korte duiding

Gemeenten in Groningen krijgen middelen om schoolgebouwen te versterken.

      
 

Juridische grondslag

artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet

      
 

Maatschappelijke effecten

Het doel van deze maatregel is om 101 scholen aardbevings- en toekomstbestendig te maken.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

1 Primair Onderwijs

      
         

D8

Naam

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

602,9

654,7

650,6

658,5

652,3

652,3

 

Korte duiding

Dit budget bestaat uit de middelen voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB). Met het GOAB worden middelen verstrekt om onderwijsachterstanden, waaronder taalachterstanden, van kinderen vroegtijdig te signaleren en bestrijden. Het is het voornemen deze specifieke uitkering op termijn om te zetten in een Bijzondere Fondsuitkering (bfu).

      
 

Juridische grondslag

Artikel 168a, eerste en derde lid, van de Wet op het primair onderwijs

      
 

Maatschappelijke effecten

Het doel van deze maatregelen is om kinderen te ondersteunen die op basis van hun omgevingskenmerken een vergroot risico lopen op een onderwijsachterstand. De middelen worden grotendeels ingezet voor voor- en vroegschoolse educatie, zodat kinderen zonder taalachterstand in het primair onderwijs kunnen instromen.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

1 Primair Onderwijs

      
         

D12

Naam

RMC's

72,1

72,1

71,7

71,7

70,0

69,9

 

Korte duiding

Dit betreft de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van 40 RMC-regio’s. De verdeelsleutel ligt vast in een ministerieel besluit.

      
 

Juridische grondslag

Artikel 8.3.2 Wet educatie en beroepsonderwijs

      
 

Maatschappelijke effecten

De RMC-functie heeft de taak om jongeren tot 23 jaar die niet naar school gaan en nog geen startkwalificatie hebben behaald te monitoren en voortijdig schoolverlaten te voorkomen.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

      
         

D10

Naam

Educatie

88,269

96,525

96,032

96,0

96,0

96,0

 

Korte duiding

De middelen voor educatie worden per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een regio educatie arbeidsmarktregio (via de contactgemeente). De verdeelsleutel is vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit WEB. Het is het voornemen deze specifike uitkering op termijn om te zetten in een Bijzondere Fondsuitkering (bfu).

      
 

Juridische grondslag

Artikel 2.3.1 Wet educatie en beroepsonderwijs

      
 

Maatschappelijke effecten

Budget om cursussen voor het versterken van basisvaardigheden (taal, rekenen en digitale vaardigheden) aan te bieden aan hun inwoners. De doelgroep betreft volwassenen die Nederlands als eerste of tweede taal hebben, maar niet inburgeringsplichtig zijn. Het is het voornemen deze Spuk op termijn om te zetten in een Bijzondere Fondsuitkering (bfu).

      
 

Ontvangende partijen

Samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contactgemeente)

      
 

Artikel

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

      
         

D12A

Naam

Regionaal programma

50,2

50,2

50,2

50,2

49,4

49,4

 

Korte duiding

De middelen voor de uitvoering van de maatregelen uit het Regionaal Programma worden deels aan de RMC-contactgemeenten verstrekt.

      
 

Juridische grondslag

Artikel 8.3.4 Wet educatie en beroepsonderwijs

      
 

Maatschappelijke effecten

De RMC-functie heeft de taak om jongeren tot 23 jaar die niet naar school gaan en nog geen startkwalificatie hebben behaald te monitoren en voortijdig schoolverlaten te voorkomen

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

      
         

D27

Naam

Masterplan Campussen Groningen

2,7

6,0

    
 

Korte duiding

Uitvoering van de Toekomstagenda Groningen: Masterplan Campusen

      
 

Juridische grondslag

Artikel 4:23, derde lid, onder d, Awb

      
 

Maatschappelijke effecten

Het Masterplan Campussen vormt één van de pijlers tvan de tussen rijk en regio overeengekomen, bredere economische agenda

      
 

Ontvangende partijen

Gemeente Groningen

      
 

Artikel

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

      
         

Totaal

  

819,1

882,5

871,5

879,4

870,8

870,7

Licence