Base description which applies to whole site

XXII Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 10.150.279.000

Figuur 2 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 556.694.000

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld en worden de verplichtingen, ontvangsten en uitgaven van verplichtingen-kasagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,E.Boekholt-O'Sullivan

De Minister van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesP.E.Heerma

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

1 Leeswijzer

Algemeen

Voor u ligt de begroting 2027 van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII).

Groeiparagraaf

De begroting 2027 bouwt voort op de ontwikkeling van de begroting 2026 van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).

De begroting 2027 bevat een aantal wijzigingen ten opzichte van 2026. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • Sinds de start van het kabinet-Jetten is het ministerie van VRO opgeheven en valt de begroting van VRO weer onder het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De begroting van VRO is daardoor gewijzigd van een departementale begroting naar een programmabegroting.

  • De budgetten van het centraal apparaat zijn vanaf het begrotingsjaar 2027 teruggeboekt naar de begroting van het ministerie van BZK (H7). De apparaatsbudgetten van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) en het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) zijn vanaf begrotingsjaar 2027 overgeheveld naar artikel 2 'Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit' van VRO.

  • In navolging van de moties Van der Maas c.s. (Kamerstuk 36945, nr. 16) en Van Dijck (Kamerstuk 36945, nr. 27) is de beleidsagenda van deze begroting aangevuld met de paragraaf Slagvaardige Overheid.

  • De naam van artikel 1 «Woningmarkt» is gewijzigd naar "Volkshuisvesting". De nieuwe naam van het begrotingsartikel dekt het onderliggende beleid beter af.

  • De begrotingsdoelstelling van artikel 1 is gewijzigd. De oude doelstelling «Een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben» is gewijzigd naar «We werken aan een voldoende beschikbare, betaalbare en kwalitatief goede woningvoorraad in leefbare wijken, met extra ondersteuning voor degenen die dat nodig hebben." De oude formulering van de begrotingsdoelstelling is beperkt concreet en sluit onvoldoende aan bij de maatschappelijke opgaven op dit beleidsterrein. Dit is onder andere gesuggereerd in de vorige beleidsdoorlichting (nu periodieke rapportage) van het begrotingsartikel en het recente IBO Huurbeleid. In 2028 wordt het beleid onder deze begrotingsdoelstelling opnieuw geëvalueerd in een periodieke rapportage. Om op een betere manier te sturen en beter te kunnen evalueren is de doelstelling van dit begrotingsartikel geactualiseerd.

Motie-Welzijn (Kamerstuk 36725 XXII, nr. 17)

Met deze begroting wordt invulling gegeven aan de motie-Welzijn (Kamerstuk 36725 XXII, nr. 17). Die motie verzoekt de regering om per woningbouwinstrument op te nemen aan hoeveel woningen de budgetten bijdragen, wanneer de bouw van die woningen start en wat het aandeel is in het betaalbare segment. Per woningbouwinstrument waar in 2027 budget voor staat op de begroting, zijn de verwachte cijfers toegevoegd. Dit is opgenomen in de toelichtingen op de financiële instrumenten van artikel 1 Volkshuisvesting. Dit betreft slechts een prognose op basis van ervaringscijfers en hierbij is niet gecorrigeerd voor mogelijke dubbelingen bij overlappende instrumenten. Wat er daadwerkelijk gerealiseerd wordt, is terug te vinden in de monitoringssystemen, zoals de Nationale Woningbouwkaart. Bovendien wordt de Kamer jaarlijks geïnformeerd over de voortgang van woningbouwprojecten. Tot slot is er verantwoordingsinformatie terug te vinden in het jaarverslag.

Beleidsagenda

De beleidsagenda geeft een overzicht van de hoofdlijnen van het beleid en wordt afgesloten met de volgende overzichten:

  • Overzichtstabel met de belangrijkste beleidsmatige mutaties;

  • Strategische evaluatieagenda;

  • Overzicht van risicoregelingen.

In het overzicht van risicoregelingen zijn de tabellen 'Garanties‘ en ‘Achterborgstellingen‘ opgenomen. Het betreft de herplaatsingsgarantie, de achterborgstellingen voor het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW).

Beleidsartikelen

In de beleidsartikelen staan de beleids- en de financiële informatie over de voorgenomen uitgaven. De begroting van VRO bevat vier beleidsartikelen:

  • artikel 1. Volkshuisvesting;

  • artikel 2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit;

  • artikel 3. Ruimtelijke ordening en Omgevingswet; en

  • artikel 4. Uitvoering Rijksvastgoedbeleid.

Een beleidsartikel is opgebouwd uit de volgende elementen:

  • A. Algemene doelstelling

  • B. Rol en verantwoordelijkheid

  • C. Beleidswijzigingen

  • D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

  • E. Toelichting op de instrumenten

Voor de toelichting op het niveau van de financiële instrumenten wordt, conform de Rijksbegrotingsvoorschriften 2026, gebruik gemaakt van onderstaande staffel.

Tabel 1 Ondergrens (staffel) op basis van Rijksbegrotingsvoorschriften 2026

Artikel

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

1. Volkshuisvesting

Verplichtingen/Uitgaven: 10 mln.Ontvangsten: 5 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 20 mln.Ontvangsten: 10 mln.

2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

Verplichtingen/Uitgaven: 10 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 20 mln.Ontvangsten: 2 mln.

3. Ruimtelijke ordening en Omgevingswet

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 4 mln.Ontvangsten: 2 mln.

4. Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

Verplichtingen/Uitgaven: 5 mln.Ontvangsten: 2 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 10 mln.Ontvangsten: 4 mln.

11. Centraal apparaat

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 2 mln.

12. Algemeen

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 2 mln.

13. Nog onverdeeld

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 2 mln.

Budgetflexibiliteit

De peildatum van de gepresenteerde budgetflexibiliteit (op basis van juridische verplichtingen) is 1 januari 2027.

Niet-beleidsartikelen

De begroting van VRO bevat drie niet-beleidsartikelen:

  • artikel 11. Centraal apparaat

  • artikel 12. Algemeen

  • artikel 13. Nog onverdeeld

Begroting agentschappen

De begroting van VRO kent de volgende twee baten-lastenagentschappen:

  • Rijksvastgoedbedrijf (RVB)

  • Dienst van de Huurcommissie (DHC)

Bijlagen

De begroting van VRO bevat de volgende bijlagen:

  • 1. Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

  • 2. Specifieke uitkeringen

  • 3. Subsidieoverzicht

  • 4. Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda

2 Beleidsagenda

2.1 Beleidsprioriteiten

Nederland staat voor de opgave om het woningtekort terug te dringen en tegelijkertijd de kwaliteit van de leefomgeving te versterken. Daarom zet het kabinet ook in 2027 in op een krachtige regie op de volkshuisvesting, met als doel jaarlijks 100.000 woningen te realiseren. Daarbij wordt gestuurd op voldoende betaalbare en passende woningen voor verschillende doelgroepen, met bijzondere aandacht voor ouderen, studenten en aandachtsgroepen. De actualisatie van de woondeals, de verdere uitrol van grootschalige woningbouwlocaties en een samenhangend pakket aan financiële instrumenten moeten zorgen voor continuïteit, versnelling en uitvoerbaarheid van de woningbouwopgave. Het kabinet-Jetten heeft 7 x € 1 mld. extra beschikbaar gesteld voor de jaren 2029-2035 om maatregelen te treffen die de woningbouw verder stimuleren. Deze middelen worden per Ontwerpbegroting 2027 overgeboekt van de Aanvullende Post bij het Ministerie van Financiën naar de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

Naast nieuwbouw richt het kabinet zich op het beter benutten van de bestaande woningvoorraad en het vergroten van de leefbaarheid in buurten en wijken. Door woningdelen, woningsplitsing, doorstroming en hospitaverhuur te stimuleren, wordt de beschikbare woonruimte effectiever benut. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van woningen en de woonomgeving, onder meer via verduurzaming, isolatie, klimaatadaptatie en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Zo werken we aan betaalbaar, duurzaam en passend wonen in een gezonde en veilige leefomgeving voor iedereen. Vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is aanvullend € 135 mln. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 voor het NPLV. Deze middelen worden per Ontwerpbegroting 2027 overgeboekt van de Aanvullende Post bij het Ministerie van Financiën naar de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

De grote opgaven op het gebied van wonen, economie, energie, landbouw, natuur en mobiliteit vragen om duidelijke integrale ruimtelijke keuzes. Met de Nota Ruimte, de bijbehorende uitvoeringsstrategie en de gebiedsgerichte NOVEX-aanpak geeft het kabinet richting aan de inrichting van Nederland op de lange termijn. Door ruimtelijke keuzes in samenhang te maken en de schaarse ruimte doelgericht te benutten, wordt gewerkt aan een toekomstbestendig Nederland waarin woningbouw, bereikbaarheid, economische ontwikkeling en een gezonde leefomgeving hand in hand gaan.

In de beleidsagenda zijn de hoofddoelen van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor het jaar 2027 opgenomen en waar mogelijk wordt ook ingegaan op risico’s. Op deze manier geeft het kabinet aan welke resultaten het beoogt te bereiken en welke beleidsdoelen worden geprioriteerd. Hiermee wordt invulling gegeven aan de moties Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 7), Hoogeveen (Kamerstuk 36945, nr. 17) en Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 8) over doelen, resultaten, prioriteiten en risico’s in begrotingsstukken.

In deze beleidsagenda zijn de volgende hoofddoelen voor Volkshuisvesting en /ruimtelijke Ordening geformuleerd:

  • 1. Een beschikbare, betaalbare, duurzame en passende woningvoorraad, in een leefbare omgeving;

  • 2. Het borgen van integrale ruimtelijke keuzes (sectoraal overstijgend) en een goede doorwerking daarvan in de realisatie;

  • 3. Rijksvastgoedbedrijf: versnellen in uitvoering en vergroten van maatschappelijke waarde.

De hoofddoelen en risico’s zijn nader uitgewerkt in subdoelstellingen in de beleidsagenda en in de beleidsartikelen.

Beschikbaarheid van woningen

Beschikbaarheid: bouwen

Het terugdringen van het woningtekort is een belangrijke prioriteit van het kabinet. We richten ons daarbij op drie doelen:

  • 1. Nieuwbouw van meer passende en betaalbare woningen;

  • 2. Beter benutten en verbeteren van de leefbaarheid in de bestaande woningvoorraad en bestaande gebouwen;

  • 3. Sneller het tekort aanpakken door minder belemmeringen en meer realisatie.

1. Nieuwbouw van meer passende en betaalbare woningen

Regie op volkshuisvesting

Het toevoegen van nieuwe betaalbare woningen blijft nodig, gelet op het grote woningtekort. Het doel is het realiseren van 100.000 woningen per jaar om het tekort in te lopen. Bij nieuwe woondeals streven we naar 2/3 betaalbaar, waarvan 30% sociale huur en 25% betaalbare koop. Om dit te bereiken is samenwerking nodig met medeoverheden, corporaties en bouwende partijen. Het Rijk voert hierop regie.

De huidige Woondeals worden daarom begin 2027 geactualiseerd en kijken tien jaar vooruit. Dat schept duidelijkheid voor alle partijen en biedt continuïteit. Over de aantallen toe te voegen woningen, de betaalbaarheid, en voor wie we bouwen (onder anderen ouderen en studenten) worden geactualiseerde bestuurlijke afspraken gemaakt. Ook worden er samenwerkingsafspraken over belangrijke knelpunten voor realisatie (zoals netcongestie, stikstof en te weinig ambtelijke capaciteit) toegevoegd. Hiermee worden de risico's voor het behalen van het doel om 100.000 woningen per jaar te realiseren gemitigeerd.

Deze geactualiseerde woondeals kunnen vervolgens worden vertaald in de Volkshuisvestelijke Programma’s op basis van de Wet versterking regie op de volkshuisvesting. Daarmee kunnen overheden gerichter sturen op hoeveel, voor wie en waar zij gaan bouwen.

Aanwijzen van nieuwe grootschalige woningbouwlocaties

Het toevoegen van nieuwe woningen gebeurt grotendeels in de Nationaal Grootschalige Woningbouwlocaties (hierna: NGW-locaties). In de NGW-locaties wordt de realisatie van ongeveer 400.000 woningen tot 2035 nagestreefd. In 2026 is conform het coalitieakkoord het proces gestart om minstens 30 NGW-locaties van nationaal belang verspreid over het land te bouwen. Conform de opdrachtbrief Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw is de minister van VRO verantwoordelijk voor het aanwijzen van ten minste 9 aanvullende locaties bovenop de huidige 21. In 2026 zijn hiertoe 10 nieuwe NGW-locaties aangewezen met verschillende doorlooptijden, die verankerd zijn in de Nota Ruimte. In 2027 zetten we voor alle 31 NGW-locaties in op het continueren en versterken van de aanpak nationaal grootschalige woningbouw. Gebiedsgericht werken we toe naar naar één uitvoeringsconvenant per NGW-locatie, om integrale, concrete en wederkerige afspraken over de woningbouwopgave vast te leggen. Vanuit het coalitieakkoord is cumulatief € 940 mln. beschikbaar gesteld voor de jaren 2029 t/m 2033 voor grootschalige woningbouwlocaties.

Samenhangend pakket aan financiële instrumenten voor de woningbouw

Het kabinet-Jetten heeft 7 x € 1 mld. extra beschikbaar gesteld om maatregelen te treffen die woningbouw stimuleren, vooral in de latere jaren en voor de komende jaren resteren er nog middelen van het vorige kabinet. Om recht te doen aan de verschillende opgaven waar gemeenten en regio’s in de woningbouw voor staan, is er voor 2027 een samenhangend pakket van financiële regelingen ontwikkeld om hen financieel te ondersteunen.

Het bouwen van betaalbare woningen kan namelijk niet zonder publiek geld. Vanuit het coalitieakkoord zijn middelen voor betaalbare woningen beschikbaar gesteld voor de Realisatiestimulans (cumulatief ca. € 2,3 mld.) en de Woningbouwimpuls (cumulatief € 650 mln.) voor de jaren 2029 t/m 2035. Dit zorgt voor stabiliteit in het financiële instrumentarium op het gebied van woningbouw waardoor gemeenten langjariger kunnen plannen en een meer continue bouwstroom op gang komt.

Innovatie- en Opschalingsprogramma

In 2027 zetten we in op het halen van 50% industriële nieuwbouw. Ook zetten we stappen in het halveren van het ontwerp- en vergunningstraject (van acht naar vier jaar) door industrialisatie, digitalisering, standaardisering en innoveren. Nieuwe stedenbouwkundige plankaarten, digitale vergunningverlening en ‘digital twins’ zorgen voor standaardisering en versnelling van de gebiedsontwikkeling en realisatie van industrieel gebouwde woningen. Innovaties worden toegepast en verder ontwikkeld in circa 40 gebieden van de Samenwerkingsagenda Toekomstbestendige gebiedsontwikkeling. De herziening van de Woondeals en de inrichting van de 31 NGW-locaties worden zo opgezet dat het potentieel voor industrieel bouwen en digitaal parallel plannen maximaal wordt benut, met concrete stappen voor versnelling en opschaling.

Vanuit het coalitieakkoord is cumulatief € 205 mln. in de periode 2029 tot en met 2035 beschikbaar gemaakt voor innovatie, opschaling binnen woningbouw en het beter benutten van bestaande gebouwen. Hierbinnen valt het voortzetten van het IOP en onderzoek rondom het beter benutten van bestaande gebouwen.

Geclusterde en zorggeschikte woningen

We zetten in op de realisatie van zorggeschikte woningen voor aandachtsgroepen en ouderen, zoals nultredenwoningen. Daarbij is de inzet met name gericht op geclusterde en zorggeschikte woningen met bijbehorende financiële ondersteuningsmiddelen. VRO heeft vanaf 2027 tot en met 2030 € 420 mln. beschikbaar ter ondersteuning van de realisatie van deze woningtypes. In de periode 2032 t/m 2035 stelt VRO € 635 mln. beschikbaar voor de continuering van de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW). In totaal is bij VRO daarmee ca. € 1,1 mld. beschikbaar voor deze regelingen in 2027 t/m 2035.

Schrappen en versimpelen

We zetten in op het vereenvoudigen van wet- en regelgeving met als doel procedures voor woningbouw te versnellen en kosten te verlagen. We schrappen regels die niet langer effectief zijn en beperken de stapeling van eisen. Daarnaast zetten we in op structurele vereenvoudiging via een jaarlijkse Vereenvoudigingswet. Ook op Europees niveau wordt gewerkt aan vereenvoudiging om zo belemmeringen en risico's voor woningbouw weg te nemen. We zetten onder anderen actief in op het Housing Simplification Package dat de Europese Commissie heeft aangekondigd voor de eerste helft van 2027. Dit pakket heeft als doel om de administratieve lasten en bureaucreatie in de bouw- en renovatiesector te verminderen om zo de woningbouw in Europa te versnellen.

2. Beschikbaarheid: beter benutten en verbeteren van de leefbaarheid in de bestaande woningvoorraad en bestaande gebouwen

Het beter benutten van de bestaande voorraad gebeurt momenteel vaak nog op kleine schaal, terwijl onderzoek laat zien dat de potentie groot is. We werken hieraan door het maken van bestuurlijke (regionale) afspraken, het aanpassen van nationale wetgeving, de inzet van financiële middelen en het verbeteren van de informatievoorziening. We houden hierbij oog voor de leefbaarheid en de veiligheid.

In het kader van de Landelijke Aanpak Beter Benutten wordt een actieagenda voor de jaren 2026-2027 uitgevoerd. Hierbij hoort onder andere een verkenning over het makkelijker maken van optoppen, woningdelen en -splitsen. Afhankelijk van de gekozen maatregelen loopt de uitwerking en uitvoering hiervan door in 2027. Hierover is eind juni 2026 een brief gestuurd naar de Tweede Kamer (Kamerstuk 32847, nr. 1494). Daarnaast wordt ingezet op meer sturing op realisatie door inzicht in potentie in monitoring, door toegankelijke financiële ondersteuning, het verbeteren van werkprocessen en gebiedsgericht aan de slag gaan om kansen te maken met omwonenden en woningeigenaren. Hiermee kunnen mogelijke risico's bij het beter benutten worden gemitigeerd.

3. Sneller het tekort aanpakken door minder belemmeringen en meer realisatie

We stimuleren hospitaverhuur door belemmeringen weg te nemen middels een wetswijziging. Het wordt onder andere mogelijk om een tijdelijk huurcontract van maximaal vijf jaar af te sluiten met een proeftijd van negen maanden. Het wordt ook mogelijk om het contract te beëindigen bij (executie)verkoop en overlijden. Het streven is om het wetsvoorstel op 1 januari 2027 in werking te laten treden.

Daarnaast werkt het kabinet aan een doorstroombank of aantrekkelijk hypotheekproduct voor ouderen die moet zorgen dat stenen makkelijker in geld kunnen worden omgezet. Op dit moment wordt met marktpartijen, belangenorganisaties en toezichthouders onderzocht welke knelpunten ouderen ervaren bij doorstroming en welke oplossingen hierbij kunnen helpen. In 2027 wordt de Tweede Kamer over de uitwerking geïnformeerd, inclusief een implementatieplan.

Verder willen we in het kader van permanente bewoning van recreatiewoningen voorkomen dat mensen zomaar op straat komen te staan. Onderzoeken naar de uitvoerbaarheid van de (concept)instructieregel hebben niet tot werkbare oplossingen geleid om permanente bewoning mogelijk te maken. Er worden gesprekken gevoerd met de betrokken partijen om nadere werkafspraken te maken. Daarbij houden we rekening met de uitvoerbaarheid voor de uitvoering en lokale overheden om mogelijke risico's te kunnen mitigeren.

Beschikbaarheid: corporaties en specifieke doelgroepen

Het verdienmodel van corporaties staat sterk onder druk. In het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten zijn maatregelen aangekondigd om de financiële ruimte van corporaties te vergroten. De benodigde investeringen zijn hoog, terwijl de huurinkomsten ver onder een kostendekkend niveau liggen. Om het risico te voorkomen dat investeringen van corporaties in de nabije toekomst stilvallen zijn fundamentele keuzes nodig. Er wordt daarom een onafhankelijke adviescommissie ingesteld die hier advies over gaat uitbrengen en die naar verwachting eind 2027 haar advies zal opleveren.

Via onderlinge solidariteit kan een deel van de financiële opgave van woningcorporaties ingelost worden. In regio’s die als geheel te weinig geld hebben, kan bijvoorbeeld het wettelijke instrument van projectsteun worden ingezet. Projectsteun is een heffing die bij corporaties buiten de regio wordt ingezet om geld op te halen voor de realisatie van belangrijke projecten binnen die regio. Projectsteun staat in de Woningwet en wordt met een algemene maatregel van bestuur gemoderniseerd om beter aan te sluiten bij de praktijk en lokale vormen van projectsteun mogelijk te maken. Inwerkingtreding is beoogd per 1 januari 2027.

Daarnaast heeft het kabinet in de Taskforce Versnelling Woningbouw afgesproken om de fiscale lasten van woningcorporaties substantieel te verlagen. In plaats van de Vpb-faciliteit die in het coalitieakkoord werd overeengekomen, kiest het kabinet voor een vrijstelling voor woningcorporaties van de renteaftrekbeperking uit de Europese ATAD-richtlijn. Hiermee komt er substantieel meer investeringscapaciteit beschikbaar. De vrijstelling gaat in vanaf 2028 en wordt vastgelegd in het Belastingplan 2027, zodat woningcorporaties hier in hun aanstaande begroting al rekening mee kunnen houden.

Ten behoeve van een betere financiële balans in de corporatiesector wordt in 2026 in samenwerking met de corporaties de mogelijkheid verkend om het instrument van de inkomensafhankelijke huurverhoging een meer verplichtend karakter te geven. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijkheden voor een vermogenstoets en een vermogensafhankelijke huurverhoging. In 2027 worden (delen van) de benodigde wetswijzigingen afgerond zodat deze vanaf 2028 in werking kunnen treden. Dit zal afhankelijk zijn van de uitvoeringsmogelijkheden.

We zetten ons in voor voldoende passende woningen voor diverse doelgroepen. Via de Woondeals zal aandacht zijn voor voldoende passende woningen voor aandachtsgroepen. Ook trad het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting op 1 juli 2026 in werking, en het bijbehorende besluit treedt op 1 januari 2027 in werking.

Het kabinet werkt daarnaast aan een voorstel om de huurbescherming voor arbeidsmigranten te verbeteren. Het voorstel gaat naar verwachting voor de zomer van 2026 in internetconsultatie, met vervolg in 2027. Verder verkent het kabinet de mogelijkheden voor het verplichten van het gebruik van een bedrijfseffectrapportage, om de huisvestingsbehoefte van arbeidsmigranten bij bedrijvigheid in beeld te brengen.

Daarnaast zal de in 2026 uitgewerkte aanpak voor het versnellen van de realisatie van aanvullende vormen van huisvesting voor statushouders, Oekraïense ontheemden en andere woningzoekenden met een acute woonvraag, in 2027 worden voortgezet. Ook het wetstraject voor de huisvesting van statushouders zal in 2027 verder lopen.

Verder voert het ministerie van BZK jaarlijks een landelijke monitor Woondiscriminatie uit. De resultaten van de zesde landelijke monitor worden in het laatste kwartaal van 2027 verwacht.

Tot slot is er in samenwerking met de koepel van universiteiten (UNL) een traject gestart dat moet leiden tot meer studentenhuisvesting op campusterreinen en zal er in 2027 naar verwachting weer een periodieke herijking zijn van de Nationale Prestatie Afspraken tussen Rijk, gemeenten en corporaties.

Betaalbaarheid van woningen

Het zorgen voor snelle en kwalitatief hoogwaardige geschilbeslechting in huur(prijs)geschillen is de primaire taak van de Huurcommissie. Op 1 januari 2027 treedt de Wet toekomstbestendige Huurcommissie in werking, waarmee wordt beoogd het uitvoeringskader van de Huurcommissie te verbeteren en de geschilbeslechting te vereenvoudigen. Hierdoor kan de Huurcommissie huurders en verhuurders nog beter helpen bij het oplossen van hun huurgeschil.

Daarnaast treedt op 1 januari 2027 de wetswijziging met betrekking tot servicekosten in werking. Met de wetswijziging komt er in het Besluit servicekosten een limitatieve lijst met zaken en diensten die verhuurders als servicekosten in rekening mogen brengen. Dat geeft duidelijkheid over de berekening van servicekosten.

Er wordt momenteel gewerkt aan een huurregister waarin bijgehouden kan worden welke verhuurders actief zijn en welke woonruimten zij (willen) verhuren. Afhankelijk van een besluit, uiterlijk in november 2026, start in 2027 de implementatie. Dit loopt door tot in 2030.

Het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen wordt voortgezet met aanvullende middelen uit het coalitieakkoord (cumulatief €100 mln. in de jaren 2028 t/m 2034). Het NFBK maakt meer nieuwbouwwoningen bereikbaar en betaalbaar voor koopstarters met een middeninkomen. Ontwikkelaars van nieuwbouwprojecten kunnen bij het fonds een aanvraag doen om woningen via het fonds met kopersondersteuning te verkopen. Het NFBK heeft een revolverende werking. De bestaande fondsomvang wordt op korte termijn volledig uitgegeven, maar vloeit pas in de periode 2030-2032 terug.

Investeringsklimaat

Ook wordt in 2027 verder gewerkt aan een stabiel en aantrekkelijk investeringsklimaat voor woningen middels de onderstaande maatregelen.

De (midden)huursector is van groot belang voor een goed functionerende woningmarkt. Door een combinatie van huur- en fiscale maatregelen en veranderde marktomstandigheden staat het investeringsklimaat voor huurwoningen echter onder druk. Daarom is een van de prioriteiten van de Taskforce Versnelling Woningbouw het verbeteren van het investeringsklimaat voor private verhuurders en woningcorporaties. Zo zal de overdrachtsbelasting voor investeerders in huurwoningen per 1 januari 2027 worden verlaagd van 8% naar 7%.

Daarnaast worden vanuit het coalitieakkoord middelen beschikbaar gemaakt voor een objectsubsidie middenhuur: € 100 mln. per jaar voor de jaren 2029-2033. Een objectsubsidie voor middenhuur is een woninggebonden subsidie om de bouw van betaalbare (midden)huurwoningen voor private investeerders te stimuleren en verlaagt de onrendabele aankoop- of bouwkosten. Met deze objectsubsidie wordt de businesscase voor de realisatie van middenhuurwoningen verbeterd waarmee de bouw van een groter aantal en een versnelling daarvan wordt beoogd, evenals het creëren van een gelijk speelveld tussen woningcorporaties en private partijen. Op 21 september zal het Actieplan van de Taskforce worden gepubliceerd waarin de maatregelen nader zullen worden toegelicht.

Vooruitlopend op deze uitkomsten van de Taskforce is een optimalisatie van de Wet betaalbare huur in april 2026 aangekondigd (Kamerstuk 27926, nr. 409). Deze maatregelen zien direct toe op het wegnemen van knelpunten en mitigeren van risico's voor met name particuliere investeerders in de bestaande voorraad in de grote steden. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering voor kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. De drie aanpassingen aan het woningwaarderingsstelsel zijn in de zomer van 2026 ter advisering voorgelegd aan de Raad van State, met als doel per 1 januari 2027 in te gaan. Het mogelijk maken van tijdelijke contracten voor alle studenten wordt op verzoek van de Tweede Kamer per wet geregeld. Hiervoor volgt een internetconsultatie, waarbij iedereen op het voorstel kan reageren. Naast deze maatregelen wordt de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen met vier jaar verlengd. Ook voor het besluit om deze opslag te verlengen volgt een internetconsultatie.

Door wijziging van het Europese DAEB Vrijstellingsbesluit zijn er meer mogelijkheden ontstaan om steun te verlenen voor (de bouw van) middenhuurwoningen. In 2027 worden benodigde wijzigingen van de Woningwet bij de Tweede Kamer ingediend, zodat borging van middenhuurwoningen vanaf 2028 mogelijk wordt.

De bestaande Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen wordt aangepast naar een objectsubsidie voor onzelfstandige eenheden. Onzelfstandige eenheden zijn geschikt als huisvesting voor studenten, maar ook voor een deel van de andere aandachtsgroepen. Hiermee wordt de regeling eenduidiger en eenvoudiger. Onder de regeling wordt maximaal € 9.000 euro toegekend per gerealiseerde onzelfstandige eenheid aan gemeenten om de onrendabele top te dekken. Zo ontstaat een gelijker speelveld tussen zelfstandige en onzelfstandige eenheden. Aanvullend wordt vanuit het coalitieakkoord cumulatief € 450 mln. beschikbaar gemaakt voor deze regeling voor de jaren 2029 t/m 2034.

Een groeiend tekort aan duurzame en betaalbare woningen speelt ook op breder niveau binnen de Europese Unie. De Europese Commissie heeft het Europees plan voor Betaalbaar wonen gepubliceerd. Dit plan moet het woningaanbod vergroten, investeringen en hervormingen stimuleren en steun bieden aan mensen en regio’s die het zwaarst getroffen worden door de wooncrisis. In 2027 blijven we nauw betrokken bij de uitvoering van dit plan.

Kwaliteit van woningen en leefomgeving

In 2027 zetten we verder in op het verbeteren van de kwaliteit van woningen, gebouwen en de woonomgeving. Iedereen verdient een gezond, comfortabel en betaalbaar (t)huis. Bouwen, wonen, energie, circulariteit en klimaatadaptatie zijn daarbij onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen de basis voor een toekomstbestendige gebouwde omgeving.

Met het Nationaal Isolatieoffensief versnellen we de verduurzaming van bestaande woningen. Via het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid worden de gebieden geholpen met de grootste energiearmoede. Daarbij wordt aangesloten bij de aanpak van het Nationaal Isolatieoffensief. Goed geïsoleerde woningen gebruiken minder energie en zorgen zo voor een lagere energierekening en verbeteren het comfort van huishoudens. In de sociale huursector zetten we in op het uitfaseren van de slechtste energielabels richting 2028 en vanaf 2029 voeren we minimumnormen in voor de hele huursector, met verdere aanscherping richting 2040.

Voor eigenaar-bewoners en verenigingen van eigenaren (vve’s) verbeteren we de toegang tot financiering en we vereenvoudigen we de besluitvorming bij vve’s. Via subsidies en het Nationaal Warmtefonds ondersteunen we verduurzamingsmaatregelen. Daarnaast versterken we de ondersteuning via energieloketten en energiehuizen, waar advies, praktische hulp en financiering overzichtelijk op één plek samenkomen. Met het programma Verbouwstromen stimuleren we standaardisatie en opschaling van renovaties, wat de uitvoering versnelt en kosten verlaagt.

De gebiedsgerichte aanpak van de warmtetransitie krijgt verder vorm. Gemeenten stellen uiterlijk eind 2027 warmteprogramma’s vast die duidelijkheid geven over de verduurzamingsoptie per wijk. Waar passend ondersteunen we warmtenetten en elders stimuleren we (hybride) warmtepompen. Vanaf 2029 wordt de (hybride) warmtepomp bij vervanging van de cv-ketel de norm. Tegelijkertijd zetten we in op het verlichten van netcongestie-efficiënte aansturing van (hybride) warmtepompen.

Ook in de utiliteitsbouw versnellen we de verduurzaming via normering, subsidies en ondersteuning, in lijn met aangescherpte Europese eisen. We zetten in op circulair en biobased bouwen en implementeren nieuwe Europese regels, waaronder de Whole Life Cycle-benadering voor broeikasgasemissies. Met aanpassingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving borgen we dat gebouwen veilig, duurzaam en toekomstbestendig zijn. Het belang van een goed energielabel is de afgelopen jaren toegenomen. Vanaf 2027 verhogen we de kwaliteit en betrouwbaarheid van energielabels door publiek toezicht toe te voegen aan het stelsel.

Daarnaast intensiveren we de aanpak van funderingsschade, een groeiend probleem door klimaatverandering en veroudering van gebouwen. Met de Nationale Aanpak Funderingen zetten we in op bewustwording, preventie, betere informatie en ondersteuning bij onderzoek en herstel. Tot slot werken we aan een klimaatbestendige leefomgeving waarin zorg is gedragen tegen hittestress, wateroverlast en voor een gezond binnenklimaat.

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)

In de twintig stedelijke gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) stapelen problemen rondom armoede, werkloosheid, onderwijsachterstanden, gezondheid, wonen en veiligheid zich op. Het kabinet-Jetten investeert in 2029 tot en met 2035 € 135 mln. extra per jaar in NPLV om het perspectief van de inwoners in deze wijken te verbeteren. Van 2026 tot en met 2028 is er € 400 mln. beschikbaar vanuit de specifieke uitkering (SPUK) Kansrijke Wijk. In deze regeling zijn middelen gebundeld van de ministeries van OCW, SZW en VRO met als doel om inwoners te ondersteunen bij het zetten van stappen richting de arbeidsmarkt, het tegengaan van geldzorgen, het voorkomen van onderwijsachterstanden bij kinderen en het versterken van gemeenschappen. In het fysieke domein wordt in 2027 ingezet op het realiseren van de Woontopafspraken. Er is afgesproken om tot 2030 (versneld) 50.000 woningen in de NPLV-gebieden te bouwen en de inzet van het bestaande wooninstrumentarium waarmee gestuurd kan worden op zaken als in- en uistroom, woonoverlast, malafide verhuur te optimaliseren. Dit vraagt om actieve regie, structurele monitoring gericht aanjagen en het tijdig signaleren en oplossen van knelpunten. Zoals hierboven genoemd worden de wijken met de grootste energiearmoede via het NPLV geholpen. Hiervoor is aanvullend € 15 mln. vrijgemaakt verdeeld over 2026, 2027 en 2028. Met deze aanvullende middelen kunnen bewoners in de 20 gebieden van het NPLV extra worden ondersteund bij verduurzaming en krijgen zij meer grip op hun energieverbruik. Het gaat om bijvoorbeeld huisbezoeken van energiecoaches en -fixers, die direct advies geven en eenvoudige energiebesparende maatregelen uitvoeren.

Leefbaarheidsproblemen zijn helaas niet voorbehouden aan de 20 NPLV-gebieden, maar ook andere gemeenten hebben zich de afgelopen jaren gemeld. We werken aan een aanbod waarin provincies ook een rol spelen. Daarnaast werken we aan een buddysysteem voor gemeenten en het delen van effectieve aanpakken zodat het resultaat niet tot één huishouden, wijk of gebied beperkt blijft, maar kan werken voor velen, ook buiten de NPLV-gebieden.

Samen met medeoverheden en partners bouwen we zo aan een duurzame, betaalbare en kwalitatief hoogwaardige leefomgeving voor iedereen.

Volkshuisvesting en ruimtelijk beleid Caribisch Nederland

Ook op Caribisch Nederland liggen er uitdagingen op het vlak van beschikbaarheid, kwaliteit en vooral betaalbaarheid van het wonen. In 2026 wordt het opstellen van de beleidsagenda VRO/CN 2027-2030 afgerond. Deze wordt eind 2026 met de Kamer gedeeld. Vanaf 2027 werken we aan uitvoering van de in die beleidsagenda opgenomen maatregelen.

Gebiedsgerichte realisatie van de Nota Ruimte

De ambities uit het coalitieakkoord vragen om duidelijke integrale ruimtelijke keuzes, regie en realisatie in samenhang. Denk aan de aanpak van de woningbouwopgave, netcongestie of landbouw en natuur. Het Rijk werkt in 2026 aan het definitief maken van de Nota Ruimte. Deze is zelfbindend voor het Rijk en richtinggevend voor medeoverheden. Bij de definitieve Nota Ruimte worden ook een Uitvoeringsstrategie en een Nota van Antwoord opgesteld. In de Nota van Antwoord zal worden aangegeven hoe we met de zienswijzen van 500 indienende medeoverheden, maatschappelijke organisaties en burgers zijn omgegaan. In de Uitvoeringstrategie wordt duidelijk gemaakt hoe we de keuzes na de publicatie van de Nota Ruimte laten doorwerken door middel van passend nationaal instrumentarium en in gebiedsgerichte samenwerking. De minister van VRO coördineert de doorwerking van het ruimtelijke rijksbeleid, bewaakt de samenhang en is verantwoordelijk voor de doorwerking in het verstedelijkings- en woningbouwbeleid. We moeten samen de uitvoering versnellen en maatwerk leveren per gebied of regio. Een gebiedsgerichte aanpak is hierbij essentieel. Daarom werken we gebiedsgericht samen via de zogenaamde NOVEX-aanpak. De NOVEX-aanpak kenmerkt zich door een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, waarbij schaarse ruimte doelgericht wordt ingezet en meervoudig wordt benut.

In de NOVEX-gebieden blijven we als Rijk met medeoverheden samenwerken aan de grootste gestapelde opgaven in stedelijke, landelijke en haven-industriegebieden. Het Rijk en de regio geven hier gezamenlijk uitvoering aan de ruimtelijke opgaven uit het coalitieakkoord. In 2027 scherpen we de aanpak in de NOVEX-gebieden aan op basis van de belangrijkste opgaven en ambities uit het coalitieakkoord. In verschillende NOVEX-gebieden stellen we in 2027 Regionale Investeringsagenda’s vast en actualiseren we uitvoeringsagenda’s. Ook bezien we op welke manier we een vervolg kunnen geven aan de drie verstedelijkingsstrategieën die in 2026 voor Twente, Limburg Centraal en Stedendriehoek worden opgeleverd. We zetten met de uitvoeringsstrategie Nota Ruimte onder meer in op de uitwerking van de VISTA-strategie (versterken, initiëren, stimuleren, transformeren, accommoderen) voor wonen, werken en bereikbaarheid.

Het ministerie van BZK en de provincies zijn beide bevoegd gezag onder de Omgevingswet en werken in het kader van NOVEX-Provincies als ruimtelijke ordenaars samen in het voeren van regie op de fysieke leefomgeving. De nieuwe Nota Ruimte en de uitvoeringsstrategie vormen daarbij het nationale ruimtelijke kader voor de strategische dialoog binnen NOVEX-Provincies. Provinciale omgevingsvisies vormen een belangrijk regionaal kader voor gebiedsgerichte uitwerking en uitvoering.

In 2026 is de werkwijze NOVEX-Provincies herijkt. Dit betekent dat in 2027 bovengenoemde samenwerking en afstemming tussen Rijk en provincies plaatsvindt in een doorlopende dialoog met een coördinerende rol van de minister van VRO. Deze afstemming kan resulteren in (nieuwe) bestuurlijke afspraken waar nodig. Deze afspraken landen in (te vernieuwen) ruimtelijke arrangementen Rijk-Provincies. Meer concreet richt de werkwijze NOVEX-Provincies zich op vooruitkijken en op gestapelde opgaven die meerdere domeinen raken en bestuurlijke afstemming en (politieke) keuzes vereisen. Dan valt bijvoorbeeld te denken aan opgaven zoals woningbouw in relatie tot water en bodem, energie-infrastructuur in relatie tot landbouw, defensie of zoetwatervraag in relatie tot landbouw en drinkwatervoorziening. Ook wordt NOVEX-Provincies benut voor het oplossen van urgente ruimtelijke conflicten, schuurpunten en (meekoppel)kansen. Met alle betrokken partners wordt in verschillende gremia overlegd.

Voor realisatie van de gestapelde opgaven in de NOVEX-gebieden en (nieuwe) afspraken uit de ruimtelijke arrangementen is de inzet van ruimtelijke informatie en ontwerpkracht essentieel. Ontwerpend onderzoek zetten we om die reden in om samen met medeoverheden samenhang te creëren en tot innovatieve, breed gedragen oplossingen voor ruimtelijke vraagstukken te komen. In de doorlopende dialogen tussen Rijk en medeoverheden kunnen acties worden afgestemd in het geval de inzet van ruimtelijke informatie en ontwerpkracht achterblijven.

Grondbeleid en de grondbank

Het kabinet zet het grondinstrumentarium in voor de ruimtelijke opgaven uit het coalitieakkoord. Het sneller en goedkoper beschikbaar krijgen van grond is essentieel voor woningbouw en de andere ruimtelijke opgaven uit het coalitieakkoord en draagt bij aan haalbare plannen. We gaan door met het uitvoeren van de acties van de agenda modernisering van het grondbeleid. We versterken de kennis en capaciteit bij gemeenten over grondbeleid en het toepassen van instrumenten zoals het voorkeursrecht, anterieure overeenkomsten en het kostenverhaal. Ook het Rijk zet dit instrument vaker in, bijvoorbeeld ten behoeve van ruimte voor Defensie. De mogelijkheden voor kostenverhaal willen we uitbreiden en verbeteren door het aanpassen van de zogenaamde «inbrengwaarde» van grond. Met deze uitbreiding van het kostenverhaal kan een groter deel van de waardestijging van de grond worden gebruikt voor noodzakelijke publieke investeringen en worden prijsstijgingen van grond door speculatie voorkomen. We stellen gemeenten in staat vaker en eerder grondaankopen te doen tegen redelijke prijzen door als Rijk met een grondfaciliteit mee te doen in de financiering en het risico. Vanuit het coalitieakkoord is € 90 mln. in 2030 en 2031 beschikbaar gemaakt voor de uitvoering van het grondbeleid.

In 2026 is een verkenning naar de toegevoegde waarde van een eventuele oprichting van de landelijke integrale grondbank opgeleverd waarin geconcludeerd wordt dat voor eventuele oprichting van een grondbank de kaders uitgewerkt moeten worden. In 2027 wordt verder gewerkt aan de uitwerking van deze kaders en wordt besluitvorming om wel of geen grondbank op te richten voorzien. In 2027 blijven we ook de bestaande ruilgrondenportefeuille die het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) in opdracht van de minister van VRO beheert, inzetten voor de grote ruimtelijke opgaven.

Omgevingswet

De Omgevingswet, in werking getreden op 1 januari 2024, bundelt en vereenvoudigt verschillende wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving. De inzet is om via snellere besluitvorming, betere participatie en integrale samenwerking zorg te dragen voor een veilige en gezonde leefomgeving met goede omgevingskwaliteit waarbij het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving centraal staat. Hiermee beoogt het Rijk een balans te vinden tussen enerzijds het benutten en anderzijds het beschermen van de fysieke leefomgeving. In 2027 werken we verder aan de doorontwikkeling van het stelsel van de Omgevingswet en kijken we naar verdere vereenvoudiging. In 2027 wordt ook verder gevolg gegeven aan de afspraken die in 2026 zijn gemaakt om de taken van het tactisch beheer vanuit TBO Kadaster onder te brengen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, tijdens deze transitieperiode kunnen zich risico’s voordoen. De transitieperiode bevindt zich in de opstartfase. In deze opstartfase worden (potentiële) risico's verder in kaart gebracht en indien noodzakelijk mitigerende maatregelen daaraan toegevoegd.

De Omgevingswet vraagt ook om een andere manier van werken, zowel van het Rijk als de medeoverheden: integraal en in samenhang. In 2027 wordt verder gewerkt aan de ondersteuning van de bevoegde gezagen hierbij. Ook wordt gewerkt aan de verdere afbouw, doorontwikkeling en uitbouw van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) waarbij wordt gekeken naar het vergroten van de gebruiksvriendelijkheid van het Omgevingsloket.

In 2027 wordt gevolg gegeven aan de afspraken die in 2026 zijn gemaakt om de taken van het tactisch beheer vanuit TBO Kadaster onder te brengen bij BZK. De verwachting is dat deze transitie goed zal verlopen, maar mogelijk kan hier een risico in schuilen.

Monitoring en evaluatie 2027

Met verschillende monitors – de Monitor Werking Omgevingswet, de (interbestuurlijke) financiële monitoring en de monitoring van het DSO – wordt de komende jaren zicht gehouden op de werking van de Omgevingswet en het behalen van de doelen van de wet. De onafhankelijke Evaluatiecommissie Omgevingswet (Eco) brengt een jaarlijks tussenrapport uit en publiceert in 2029 de volledige wetsevaluatie. Met behulp van input uit de uitvoeringspraktijk en de invoeringstoets houden we zicht op de implementatie van de Omgevingswet. We sturen bij als de monitoring en evaluatie daar aanleiding voor geven. Dit betekent dat in 2027 in ieder geval gewerkt wordt aan de Monitor Werking Omgevingswet 2027. Daarnaast wordt in 2027 het jaarlijkse rapport van de Eco in 2027 wordt aangeboden.

Tot slot speelt ook de regeringscommissaris Omgevingswet een belangrijke rol in het bewaken en borgen van de kwaliteit en eenheid van het stelsel. Hij stimuleert een optimaal gebruik van de mogelijkheden van het stelsel en heeft hierbij de taak om gevraagd en ongevraagd te adviseren over belangrijke ontwikkelingen rondom het stelsel. Ook in 2027 wordt hij gevraagd om invulling te geven aan zijn rol door middel van aanwezigheid bij bijeenkomsten en het op stellen van adviezen.

Digitalisering binnen het ruimtelijk domein

Digitalisering speelt een belangrijke rol bij het afstemmen van maatschappelijke opgaven zoals woningbouw, energietransitie, stikstof, vervoer en sociale voorzieningen. Om weloverwogen integrale keuzes te kunnen maken, moeten overheden, bedrijven en (maatschappelijke) organisaties in heel Nederland datagedreven kunnen (samen)werken. Door data en technologie slim in te zetten ontstaat er meer inzicht, efficiëntie en samenhang tussen verschillende beleidsterreinen. Deze digitale transformatie ondersteunt het hele proces, van visualisatie en realisatie tot besluitvorming.

Aan de basis van datagedreven (samen)werken liggen gestandaardiseerde data uit verschillende bronnen die makkelijk en veilig gedeeld kunnen worden met burgers, bedrijven en overheden. Gecombineerd bieden deze data op zowel lokale als nationale schaal een integraal beeld van onze leefomgeving. De huidige Nationale Geo-Informatie Infrastructuur biedt nu al bouwstenen voor datagedreven werken. Onder de vlag van de meerjarenvisie Zicht op Nederland worden de mogelijkheden aan de hand van drie programma’s verder uitgebouwd:

  • Het programma Digitale Tweeling: een digitale tweeling is een concrete verschijningsvorm met een 4D-beeld (lengte, breedte, hoogte en tijd), waarin consequenties van ingrepen gesimuleerd worden, zodat kansen en dilemma’s zichtbaar worden. Het programma ontwikkelt standaarden voor rekenmodellen, analyses en visualisaties en stimuleert de toepassing daarvan.

  • Het programma Datafundament: het programma werkt met vele partijen aan de transformatie van losse (basis)registraties naar een multifunctioneel gegevenslandschap als basis voor vele toepassingen, zoals digitale tweelingen.

  • Het programma ‘Data delen’: het programma verbindt het datafundament met de toepassingen van ruimtelijke informatie. Het programma werkt aan de realisatie van een Dataspace Fysieke Leefomgeving (DSFL). Dit is een gezamenlijke digitale omgeving waarin verschillende organisaties afspraken maken over het gecontroleerd, veilig en gestandaardiseerd delen, combineren en gebruiken van elkaars data.

Productieverhoging

Door de geopolitieke situatie in de wereld, de Nederlandse maatschappelijke opgaven en de technische toestand van het vastgoed van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB), moet er de komende jaren veel gebeuren met hoge urgentie in weinig tijd. De vraag naar producten en diensten van het RVB is in de afgelopen jaren toegenomen en zal de komende jaren verder stijgen. Om de gevraagde opgaven, vanuit onder andere Defensie en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), te kunnen realiseren moet het RVB de productie tot en met 2030 verdubbelen. Deze stijging van productie wil het RVB deels halen uit efficiency en deels uit extra medewerkers. Het werk zal anders moeten worden georganiseerd. Ook in lijn met het voornemen uit het coalitieakkoord dat ‘Uitvoeringsorganisaties jaarlijks een efficiencydoelstelling krijgen’, wordt hier binnen het RVB vol op ingezet. Efficiency betekent in de regel met minder hetzelfde doen, maar bij het RVB zal het vooral betekenen dat de productie in verhouding veel harder groeit dan de capaciteit. We zetten daarmee blijvend in op productiegroei in combinatie met een efficiëntere bedrijfsvoering, in lijn met de ambities van de Koers RVB 2025-2030.

Defensieopgaven

Om deze productieverhoging in relatie tot de Defensieportefeuille het hoofd te kunnen bieden is de Commandopost Vastgoed (CPV) opgericht. De CPV is een regie- en samenwerkingsstructuur van Defensie, het RVB en de markt, die helpt om de Defensieopgave sneller en slimmer te realiseren. In deze samenwerking ligt de focus op directe realisatie van projecten via drie bouwstromen: 1) standaarden voor nieuwbouw, 2) complexe gebiedsontwikkelingen, 3) enkelvoudige projecten. Op veel locaties zijn stikstof en netcongestie vertragende omgevingsfactoren.

Maatschappelijke opgaven (realiseren betaalbare woningen en verduurzaming)

Naast de opgaven binnen de Defensieportefeuille vervult het RVB ook een belangrijke rol bij bredere maatschappelijke vraagstukken. Met zijn vastgoed (gronden en gebouwen) en expertise draagt het bij aan de nationale doelen voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in de ontwerp-Nota Ruimte. Daarbij ligt de focus de komende periode op de woningbouw en de landbouw- en energietransitie. Grondbezit speelt hierbij vaak een grote rol. Het RVB verwerft daarom onder meer agrarische gronden, zodat agrariërs die moeten wijken voor de realisatie van een nationaal doel een alternatief kan worden geboden. Ook werkt het aan de toekomstbestendigheid van deze grondenportefeuille, onder andere door in te zetten op meer biologische teelt en gebruik te maken van de Open Bodem Index (OBI). De OBI maakt de integrale bodemkwaliteit van percelen inzichtelijk en ondersteunt daarmee een gerichtere sturing op bodemkwaliteit. In 2027 organiseert het RVB een dag voor pachters. Tijdens deze bijeenkomst wordt kennis gedeeld over onder andere maatregelen die zij kunnen treffen om de bodemkwaliteit te verbeteren.

De verschillende vastgoedportefeuilles in beheer bij het RVB bieden ook kansen om de energietransitie te ondersteunen en te versnellen. Door het opwekken van energie op of nabij locaties waar het Rijk in zijn huisvesting voorziet, kan netcongestie worden vermeden en kan ook de omgeving meeprofiteren. In 2027 gaat het RVB hier concrete proposities voor ontwikkelen en processen voor stroomlijnen.      

De inzet van het RVB bij de ontwikkeling van een aantal grootschalige woningbouwlocaties op rijksgronden zoals in de projecten Valkenhorst, Lelystad-Zuiderhage en Oosterwold is gericht op versnelling van de realisatie en de totstandkoming van duurzame leefgemeenschappen. In 2027 verwacht het RVB daarnaast vervolgstappen te zetten in het ontwikkelen van kleinere woningbouwlocaties op agrarische gronden op diverse plekken in het land.

Tot slot werkt het RVB blijvend aan grote, lopende projecten waaronder de renovatie van het Binnenhof. Voor het Binnenhof worden het komende jaar de laatste realisatiecontracten ondertekend. Verder vorderen de bouwwerkzaamheden aan het gehele Binnenhofcomplex, met onder meer herstel van daken en gevels en de start van de realisatie van de nieuwe publieksentree van de Tweede Kamer. In 2027 wordt de Kamer zoals gebruikelijk geïnformeerd over de renovatiewerkzaamheden via de halfjaarlijkse voortgangsrapportages. Bij Voorjaarsnota 2026 is budget toegevoegd voor de renovatie van de Grafelijke Zalen en is het project opgestart. In 2027 zullen de eerste renovatiewerkzaamheden aan het dak en de gevel van de Grafelijke Zalen plaatsvinden.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

In onderstaande tabellen zijn de belangrijkste beleidsmatige uitgaven- en ontvangstenmutaties opgenomen ten opzichte van de vastgestelde begroting 2026. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht die plaatsvinden bij de ontwerpbegroting 2027.

Deze tabellen bevatten ook de belangrijkste mutaties die bij de eerste suppletoire begroting 2026 hebben plaatsgevonden. Toelichtingen op die mutaties zijn opgenomen in de eerste suppletoire begroting 2026 (Kamerstuk 36915 XXII, nr. 2) en de nota van wijziging op de eerste suppletoire begroting 2026 (Kamerstuk 36915 XXII, nr. 3).

Tabel 2 Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
  

Artikel

Uitgaven 2026

Uitgaven 2027

Uitgaven 2028

Uitgaven 2029

Uitgaven 2030

Uitgaven 2031

 

Vastgestelde begroting 2026 (incl. amendementen)

 

9.366.858

10.160.000

9.642.590

9.591.885

9.407.599

0

         
 

Mutaties eerste suppletoire begroting 2026

 

‒ 147.488

99.852

55.192

‒ 98.897

‒ 33.899

8.816.184

         
 

- waarvan mutaties coalitieakkoord

 

‒ 101.279

‒ 7.090

‒ 73.260

‒ 79.851

‒ 89.358

‒ 83.042

1

Aftrek specifieke zorgkosten huurtoeslag

1

0

0

‒ 65.000

‒ 65.000

‒ 65.000

‒ 65.000

2

Overheveling Regiodeals naar BZK

3

‒ 101.279

‒ 383

‒ 383

‒ 383

‒ 383

0

3

Efficiencytaakstelling

11

0

‒ 1.244

‒ 2.414

‒ 3.609

‒ 5.041

‒ 4.777

4

Vernieuwing rijksdienst / slagvaardige overheid

11

0

0

0

‒ 5.396

‒ 13.471

‒ 12.874

5

Subsidietaakstelling

Alle

0

‒ 5.463

‒ 5.463

‒ 5.463

‒ 5.463

‒ 391

         
 

- waarvan overige suppletoire mutaties

 

‒ 46.209

106.942

128.452

‒ 19.046

55.459

8.899.226

6

Kasschuif Realisatiestimulans

1

‒ 80.698

‒ 1.961

26.827

13.765

42.067

0

7

Ophoging budget Woningbouwimpuls (amendement-Flach)

1

57.000

0

0

0

0

0

8

Raming uitgaven huurtoeslag

1

‒ 35.900

‒ 51.800

‒ 8.900

‒ 27.800

‒ 39.200

‒ 36.700

9

Kadercorrectie Grootschalige Rijksprojecten

1

‒ 11.106

6.504

11.868

17.324

13.594

9.009

10

Kasschuif Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten Ouderen (SOO)

1

‒ 10.000

10.000

0

0

0

0

11

Kasschuif Renovatieversneller

1

‒ 5.167

4.116

1.051

‒ 2.350

2.350

0

12

Woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven

1

4.114

0

0

0

0

0

13a

Reallocatie Realisatiestimulans naar SOO

1

0

30.000

0

0

0

0

13b

Reallocatie Realisatiestimulans naar SOO

1

0

‒ 30.000

0

0

0

0

14

Uitvoeringskosten Dienst Toeslagen

1

0

5.500

6.167

6.500

6.500

6.500

15

Subsidie Duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA)

2

‒ 197.011

0

0

0

0

197.011

16

Subsidieregeling verduurzaming vve's (SVVE)

2

16.000

10.790

3.250

‒ 16.000

‒ 12.547

‒ 1.493

17

Opvraag Klimaatfonds Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH)

2

15.000

23.500

0

0

38.500

0

18

Uitvoeringskosten RVO

2

‒ 9.500

7.500

2.000

0

0

0

19

Subsidie Verduurzaming Onderhoud Huurwoningen (SVOH)

2

0

‒ 25.000

0

0

25.000

0

20

Kasschuif SAH

2

0

‒ 15.000

‒ 15.000

0

0

30.000

21a

Reallocatie Warmtefonds naar DUMAVA

2

0

0

107.450

27.000

16.241

0

21b

Reallocatie Warmtefonds naar DUMAVA

2

0

0

‒ 107.450

‒ 27.000

‒ 16.241

0

22

Zakelijke lasten RVB

4

23.535

25.828

28.077

15.979

8.145

0

23

Desaldering compensatiegronden

4

20.000

7.000

7.000

7.000

7.000

0

24

Renovatie Binnenhof

4

0

0

0

0

0

54.361

25

Renovatie Grafelijke Zalen

4

0

0

0

0

0

11.500

26

Renovatie Binnenhof diversen

4

11.100

6.600

22.100

34.460

40.615

35.721

27

Verhuiskosten gebruikers Binnenhof

4

‒ 6.000

0

0

0

0

6.000

28

Vrijval huisvestingsbudget Hoge Colleges van Staat

4

‒ 3.845

‒ 11.626

‒ 19.976

‒ 111.426

‒ 111.426

0

29

Renovatie paleizen

4

1.500

3.000

3.500

3.500

3.500

3.500

30

Renovatie Algemene Rekenkamer

4

0

0

0

2.500

2.500

2.500

31

Vennootschapsbelasting

12

23.204

0

0

0

0

0

32

Eindejaarsmarge

Alle

83.785

0

0

0

0

0

33

Loon- en prijsbijstelling tranche 2026

Alle

76.012

102.075

57.115

50.702

41.528

16.016

34

Extrapolatie

Alle

0

0

0

0

0

8.572.383

35

Overige mutaties

Alle

‒ 18.232

‒ 84

3.373

‒ 13.200

‒ 12.667

‒ 7.082

         
 

Stand eerste suppletoire begroting 2026 voor nota van wijziging

 

9.219.370

10.259.852

9.697.782

9.492.988

9.373.700

8.816.184

         

36

Mutaties nota van wijziging eerste suppletoire begroting 2026

1, 2, 13

135.000

62.000

5.000

0

0

0

         
 

Stand eerste suppletoire begroting 2026 incl. nota van wijziging

 

9.354.370

10.321.852

9.702.782

9.492.988

9.373.700

8.816.184

         
 

Mutaties ontwerpbegroting 2027

 

‒ 68.057

‒ 171.573

‒ 129.017

723.060

559.753

1.038.997

37

Desaldering ontvangsten Nationale Hypotheek Garantie (NHG)

1

78.912

0

0

0

0

0

38

Overboekingen gemeentefonds en provinciefonds Wet Regie

1

‒ 73.998

‒ 73.998

‒ 73.998

‒ 73.998

‒ 73.998

‒ 73.998

39

Afdrachten aan btw-compensatiefonds

1

‒ 30.679

0

0

0

0

0

40

Desaldering Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA)

1

19.891

0

0

0

0

0

41

Desaldering Woningbouwimpuls

1

9.124

0

0

0

0

0

42

Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA)

1

0

0

0

60.000

65.000

65.000

43

Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA) LPO

1

2.800

25.000

25.000

15.000

0

0

44

Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimte Ouderen

1

0

0

36.000

36.000

36.000

36.000

45

Innovatie en opschaling woningbouw

1

0

0

0

31.000

29.000

29.000

46

Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen (NFBK)

1

0

0

12.500

12.500

25.000

20.000

47

Realisatiestimulans

1

0

0

0

0

5.000

380.000

48

Realisatiestimulans inzet ouderenhuisvesting

1

0

0

‒ 84.000

‒ 131.000

‒ 205.000

0

49

Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen

1

0

0

32.500

32.500

32.500

58.500

50

Grootschalige Woningbouw

1

0

0

0

560.000

220.000

70.000

51

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)

1

0

0

0

135.000

135.000

135.000

52

Objectsubsidie middenhuur

1

0

0

0

100.000

100.000

100.000

53

Uitvoeringskosten Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

1

0

0

0

7.600

9.800

10.600

54

Woningbouwimpuls

1

0

0

0

0

125.000

125.000

55

Capaciteit medeoverheden

1

0

0

0

0

19.200

19.200

56

Grondbeleid

1

0

0

0

0

90.000

90.000

57

Kasschuif bijdrage Rijksvastgoedbedrijf (RVB) verduurzaming rijksgebouwen

2

‒ 69.846

5.045

13.425

13.441

8.788

29.147

58

Desaldering Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA)

2

19.510

0

0

0

0

0

59

Kasschuif Subsidieregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH)

2

‒ 15.000

0

0

0

2.500

12.500

60

Kasschuif Subsidieregeling Verduurzaming voor Vve's (SVVE)

2

10.000

‒ 10.000

0

0

0

0

61

Isolatieaanpak Groningen en Noord-Drenthe (Nij Begun)

2

6.460

7.460

0

0

0

0

62

Bijdrage verduurzaming vastgoed aan JenV

2

0

‒ 24.121

0

0

0

0

63

Bijdrage verduurzaming vastgoed aan AenM

2

0

‒ 11.401

0

0

0

0

64

Toekomstbestendige Leefomgeving fase II

2

0

18.900

10.000

2.400

0

0

65

Overboekingen naar BZK

11, 13

‒ 4.560

‒ 81.835

‒ 75.070

‒ 70.680

‒ 66.883

‒ 65.775

66

Versnellen slagvaardige overheid

Alle

0

0

‒ 2.146

‒ 2.013

0

0

67

Aanvullende taakstelling Rijk

Alle

0

0

0

0

0

‒ 1.806

         

68

Overige mutaties

Alle

‒ 20.671

‒ 26.623

‒ 23.228

‒ 4.690

2.846

629

         
 

Stand ontwerpbegroting 2027

 

9.286.313

10.150.279

9.573.765

10.216.048

9.933.453

9.855.181

Toelichting uitgavenmutaties

37) Desaldering ontvangsten Nationale Hypotheek Garantie (NHG)

Dit betreft de desaldering van de NHG-middelen die het Rijk ontvangt van het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) over 2025. Het WEW draagt ieder jaar een deel van zijn garantie-inkomsten af aan het Rijk om te kunnen storten in de risicovoorziening ten behoeve van de achterborgfunctie van het Rijk. Het gaat om € 78,9 mln. in 2026 (over 2025).

38) Overboekingen gemeentefonds en provinciefonds Wet Regie

De Wet versterking regie volkshuisvesting is op 1 juli 2026 in werking getreden en zorgt ervoor dat overheden kunnen sturen op hoeveel, waar en voor wie er gebouwd wordt. Het Rijk, provincies en gemeenten kunnen zo de regie hernemen op de volkshuisvesting en de woningbouwopgave in het bijzonder. Voor de uitvoering van de Wet regie door gemeenten en provincies zijn eerder structureel middelen vrijgemaakt op de begroting van VRO om dit te kunnen bekostigen. Deze mutatie betreffen de overboekingen van een deel van deze middelen naar het gemeentefonds voor uitbetaling aan gemeenten en naar het provinciefonds voor uitbetaling aan provincies. Het gaat om structureel € 56,2 mln. voor gemeenten en structureel € 17,8 mln. voor provincies.

39) Afdrachten aan btw-compensatiefonds

Dit betreft diverse afdrachten aan het btw-compensatiefonds. Zo vindt er een afdracht van € 13,8 mln. in 2026 plaats voor Gebiedsbudget. Het Gebiedsbudget stelt gemeenten waarbinnen grootschalige woningbouwlocaties vallen in staat om gebiedsmaatregelen te realiseren die randvoorwaardelijk zijn voor woningbouw. Het Rijk cofinanciert 50% middels het Gebiedsbudget op de tekorten die gelden voor deze maatregelen.

40) Desaldering Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA)

Dit betreft de desaldering van de RHA-ontvangsten uit terugvorderingen op voorgaande tranches. Dit komt voornamelijk doordat gemeentes niet aan de voorwaarden van de regeling hebben voldaan of het voorgeschoten bedrag niet volledig is benut. Hierdoor moeten de middelen worden teruggevorderd. Het gaat om € 19,9 mln.

41) Desaldering Woningbouwimpuls

Dit betreft een desaldering van ontvangsten (€ 9,1 mln.) uit terugvorderingen op eerdere Woningbouwimpulstranches. Dit komt voornamelijk doordat gemeentes niet aan de voorwaarden van de regeling hebben voldaan of het voorgeschoten bedrag niet volledig is benut. Hierdoor moeten de middelen worden teruggevorderd en worden deze toegevoegd aan het budget van de Woningbouwimpuls in 2026.

42) Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA)

Vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is € 1 mld. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 om het bouwen van woningen te stimuleren. Met deze mutatie worden middelen vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de VRO-begroting voor de verlenging van de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen: € 60 mln. in 2029 en € 65 mln. per jaar voor de jaren 2030-2035. Deze regeling voorziet in middelen voor de bouw van onzelfstandige woonvormen voor aandachtsgroepen, waarmee relatief efficiënt ruimtegebruik en sociale interactie worden bevorderd.

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

43) Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA) LPO

Vanuit de LPO-tranche 2026 zijn extra middelen beschikbaar gemaakt en toegevoegd aan het budget voor de RHA. Dit betreft € 2,8 mln. in 2026, € 25 mln. voor de jaren 2027 en 2028 en € 15 mln. voor 2029.

44) Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten en Ouderenhuisvesting (SOO)

De SOO ondersteunt de bouw of verbouwing van nieuwe gemeen-schappelijke ontmoetingsruimten in geclusterde woonvormen. In de Realisatiestimulans was cumulatief € 420 mln. beschikbaar voor ouderenhuisvesting vanuit de woningbouwmiddelen uit het kabinet Schoof. Deze middelen worden voortaan via een subsidieregeling (waaronder de SOO) in plaats van een SPUK uitgekeerd. Met deze mutatie wordt er daarom cumulatief € 160 mln. in de jaren 2028 tot en met 2030 naar de SOO overgeboekt. Om deze middelen in het juiste kasritme volgens de uitbetalingssystematiek te zetten, wordt er via een kasschuif € 52 mln. vanuit 2030 doorgeschoven naar latere jaren.

Verder is er vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten € 1 mld. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 om het bouwen van woningen te stimuleren. Met deze mutatie worden aanvullende middelen vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de VRO-begroting voor de continuering van de SOO. Dit bedraagt cumulatief incidenteel € 240 mln. in de jaren 2032 tot en met 2042.

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

45) Innovatie en opschaling woningbouw (IOP)

Vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is € 1 mld. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 om het bouwen van woningen te stimuleren. Hiervan wordt cumulatief € 205 mln. in de periode 2029 tot en met 2035 vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de VRO-begroting voor innovatie, opschaling binnen woningbouw en het beter benutten van bestaande gebouwen. Onderdeel hiervan is het voortzetten van het IOP, dat zich richt op industrieel bouwen, digitaliseren, innoveren en standaardiseren om woningbouw te versnellen en onderzoek rondom het beter benutten van bestaande gebouwen.

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

46) Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen (NFBK)

Vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is € 1 mld. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 om het bouwen van woningen te stimuleren. Met deze mutatie worden extra middelen vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de VRO-begroting voor het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen: € 25 mln. per jaar voor de jaren 2029 en 2030, € 20 mln. in 2031, € 15 mln. in 2032, € 10 mln. in 2033 en € 5 mln. in 2034. Via een kasschuif is € 12,5 mln. van 2029 naar 2028 geschoven om de middelen in het juiste ritme te zetten.

Het NFBK maakt meer nieuwbouwwoningen bereikbaar en betaalbaar voor koopstarters met een middeninkomen. Ontwikkelaars van nieuwbouwprojecten kunnen bij het fonds een aanvraag doen om woningen via het fonds met kopersondersteuning te verkopen. Het NFBK heeft een revolverende werking. De in het huidige fonds beschikbare middelen worden naar verwachting in 2027 volledig uitgegeven, maar vloeien pas in de periode 2030-2032 terug. Met de toevoeging van deze middelen wordt geborgd dat er in de tussentijd toch nieuwe tranches kunnen worden uitgegeven.

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

47) Realisatiestimulans

Vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is € 1 mld. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 om het bouwen van woningen te stimuleren. Met deze mutatie worden middelen vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de VRO-begroting voor de verlenging van de Realisatiestimulans. Deze middelen zijn middels een kasschuif in het juiste ritme gezet. Hierdoor zijn jaarlijks de volgende bedragen beschikbaar: € 5 mln. in 2030, € 380 mln. per jaar voor de jaren 2031-2035 en € 375 mln. in 2036. Deze regeling is een bijdrage voor de bouw van betaalbare woningen aan gemeenten. Hierin is ook een reeks voor Caribisch Nederland opgenomen (€ 5 mln. per jaar).

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

48) Realisatiestimulans inzet ouderenhuisvesting

Van de realisatiestimulans is € 420 mln. beschikbaar gesteld voor ouderenhuisvesting en overgeboekt naar het instrument subsidies (€ 84 mln. in 2028, € 131 mln. in 2029 en € 205 mln. in 2030.).

49) Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW)

Met de SZGW wordt subsidie uitgekeerd aan woningcorporaties of zorgaanbieders voor het realiseren van zorggeschikte woningen. In de Realisatiestimulans was cumulatief € 420 mln. beschikbaar voor ouderenhuisvesting vanuit de woningbouwmiddelen uit het kabinet Schoof. Deze middelen worden voortaan via een subsidieregeling (waaronder de SZGW) in plaats van een SPUK uitgekeerd. Met deze mutatie wordt er daarom cumulatief € 260 mln. in de jaren 2028 tot en met 2030 naar de SZGW overgeboekt. Om deze middelen in het juiste kasritme volgens de uitbetalingssystematiek te zetten, wordt er via een kasschuif uit de jaren 2028 tot en met 2030 cumulatief € 162,5 mln. doorgeschoven naar de jaren 2031 tot en met 2037.

Verder is er vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten € 1 mld. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 om het bouwen van woningen te stimuleren. Met deze mutatie worden aanvullende middelen vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de VRO-begroting voor de continuering van de SZGW. Dit bedraagt cumulatief incidenteel € 395 mln. in de jaren 2032 tot en met 2042.

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

50) Grootschalige Woningbouw

Vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is met de Woningbouwenveloppe 7 x € 1 mld. voor de jaren 2029-2035 gereserveerd om het bouwen van woningen te stimuleren. Met deze mutatie worden middelen vanaf de Aanvullende Post beschikbaar gesteld voor Grootschalige woningbouwlocaties: € 560 mln. in 2029, € 220 mln. in 2030, € 70 mln. in 2031, € 50 mln. in 2032 en € 40 mln. in 2033. Met dit budget worden de restopgave van de toerekenbare publieke onrendabele top en de netcongestie op de 21 bestaande locaties aangepakt. Ook worden er middelen toegekend voor de tien nieuwe grootschalige woningbouwgebieden. Dit zijn middelen voor de toerekenbare publieke onrendabele top, maar ook voor netcongestie en de water- en bodemopgave. Over de eerste helft van de aangewezen gebieden is de Kamer reeds geïnformeerd. De overige vijf gebieden zullen vastgelegd worden in de definitieve Nota Ruimte.

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

51) Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)

In het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is afgesproken om voor de jaren 2029-2035 € 135 mln. per jaar beschikbaar te stellen voor het NPLV. Met deze mutatie worden die middelen overgeheveld naar de begroting van VRO vanaf de Aanvullende Post. Vanaf 2029 wordt hiermee onder andere jaarlijks € 109 mln. vrijgemaakt via het NPLV om de energiearmoede aan te pakken door middel van onder meer verduurzaming en om de fysieke leefbaarheid van woningen in kwetsbare wijkten te verbeteren. De komende periode wordt de aanpak gezamenlijk met alle betrokken partijen nader concreet gemaakt. De Tweede Kamer wordt voor het einde van het jaar over de laatste stand van zaken geïnformeerd.

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

52) Objectsubsidie middenhuur

Vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is € 1 mld. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 om het bouwen van woningen te stimuleren. Met deze mutatie worden middelen vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de VRO-begroting voor een objectsubsidie middenhuur: € 100 mln. per jaar voor de jaren 2029-2033. Een objectsubsidie voor middenhuur is een woninggebonden subsidie om de bouw van betaalbare (midden)huurwoningen voor private investeerders te stimuleren en verlaagt de onrendabele aankoop- of bouwkosten. Met deze objectsubsidie wordt de businesscase voor de realisatie van middenhuurwoningen verbeterd waarmee de bouw van een groter aantal en een versnelling daarvan wordt beoogd, evenals het creëren van een gelijk speelveld tussen woningcorporaties en private partijen.

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

53) Uitvoeringskosten Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

Vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is € 1 mld. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 om het bouwen van woningen te stimuleren. Met deze mutatie worden middelen vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de VRO-begroting voor uitvoeringskosten van verschillende woningbouwregelingen: € 7,6 mln. in 2029, € 9,8 mln. in 2030, € 10,6 mln. per jaar voor de jaren 2031 en 2032, € 10,5 mln. per jaar voor de jaren 2033 en 2034 en € 10,4 mln. in 2035.

54) Woningbouwimpuls

Vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is € 1 mld. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 om het bouwen van woningen te stimuleren. Met deze mutatie worden middelen vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de VRO-begroting voor de verlenging van de Woningbouwimpuls: € 125 mln. per jaar voor de jaren 2030-2032, € 100 mln. per jaar voor de jaren 2033 en 2034 en € 75 mln. in 2035. Hiermee kunnen complexe projecten ondersteund worden waarvoor grote publieke investeringen nodig zijn.

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

55) Capaciteit medeoverheden

Vanuit het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is € 1 mld. per jaar beschikbaar gesteld vanaf 2029 tot en met 2035 om het bouwen van woningen te stimuleren. Met deze mutatie worden middelen vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de VRO-begroting voor de capaciteit bij de medeoverheden: € 19,2 mln. per jaar (€ 14,7 mln. voor een bijdrage aan provincies, € 4,5 mln. voor een subsidie aan de VNG) voor de jaren 2030-2035. De middelen voor de provincies worden enerzijds ingezet voor een regionale capaciteitspool waar gemeentes gebruik van kunnen maken en anderzijds voor het versterken van de regionale samenwerking. De subsidie aan de VNG is voor het oprichten en onderhouden van een expertisecentrum dat kennis en innovatie op het gebied van woningbouw beschikbaar stelt aan gemeentes en provincies.

56) Grondbeleid

Vanuit het kabinet Schoof was cumulatief € 390 mln. beschikbaar gesteld voor de Regeling grondverwerving voor woningbouw (voorheen: grondfaciliteit). In 2026 was hiervoor € 90 mln. beschikbaar, maar deze middelen zijn ter dekking ingezet voor de intensiveringen opgenomen in de Kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok" (Kamerstukken II 2025/26, 36933 nr. 1). Vanuit de coalitieakkoord middelen voor woningbouw is deze regeling weer aangevuld tot het initiele bedrag van € 390 mln. en is additioneel nogmaals € 90 mln. toegevoegd aan de regeling, waardoor nu cumulatief € 480 mln. beschikbaar is voor grondbeleid. De middelen uit het coalitieakkoord worden in 2030 en 2031 toegevoegd.

Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1).

57) Kasschuif bijdrage Rijksvastgoedbedrijf (RVB) verduurzaming rijksgebouwen

Het RVB is uitvoerder voor de rijksgebouwen en heeft een nieuwe verdeling van de Klimaat- en energiefondsmiddelen gemaakt op basis van de voortgang van de aanbesteding van de reeds lopende eerste en de tweede tranches, alsmede de beschikking van derde tranche per 2027. Met deze kasschuif worden de middelen in het juiste ritme gezet. Uit 2026 schuift € 69,8 mln. naar de jaren 2027-2031 (resp. € 5,0 mln., € 13,4 mln., € 13,4 mln., € 8,8 mln. en € 29,1 mln.).

58) Desaldering Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA)

Binnen de tranches 1-4 van DUMAVA hebben terugvorderingen van reeds verstrekte voorschotten plaatsgevonden. Deze middelen worden weer ingezet voor de regeling. Dit betreft € 19,5 mln. in 2026.

59) Kasschuif Subsidieregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH)

Binnen de SAH vindt een kasschuif plaats om middelen in latere jaren beschikbaar te houden, omdat een aantal aanvragers uitstel hebben gevraagd voor de afronding van hun project. Uit 2026 wordt € 15 mln. geschoven naar 2030 (€ 2,5 mln.) en 2031 (€ 12,5 mln.).

60) Kasschuif Subsidieregeling Verduurzaming voor Vve's (SVVE)

Op basis van de prognose van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) vindt een kasschuif plaats om de beschikbare middelen voor de SVVE in het juiste ritme te zetten. Er vindt een schuif van € 10 mln. plaats van 2027 naar 2026.

61) Isolatieaanpak Groningen en Noord-Drenthe (Nij Begun)

In het kader van maatregel 29 van Nij Begun worden er middelen overgeheveld vanaf de Aanvullende Post naar de VRO-begroting voor het isoleren en verbeteren van de ventilatie van woningen in Groningen en Noord-Drenthe. Dit betreft € 6,5 mln. in 2026 en € 7,5 mln. in 2027.

62) Bijdrage verduurzaming vastgoed aan JenV

Dit betreft een overheveling van € 24,1 mln. in 2027 naar de begroting van het ministerie van JenV als bijdrage voor de verduurzaming van het vastgoed in gebruik van de politie. Deze middelen zijn afkomstig uit het Klimaat- en energiefonds (tranche III, duurzaam Rijksvastgoed).

63) Bijdrage verduurzaming vastgoed aan AenM

Dit betreft een overheveling van € 11,4 mln. in 2027 naar de begroting van AenM als bijdrage voor de verduurzaming van het vastgoed in gebruik van het COA. Deze middelen zijn afkomstig uit het Klimaat- en energiefonds (tranche III, duurzaam Rijksvastgoed).

64) Toekomstbestendige Leefomgeving fase II

Deze middelen zijn bestemd voor fase 2 van het programma Toekomstbestendige Leefomgeving (TBL) en worden overgeboekt vanuit het Nationaal Groeifonds. In fase 2 schaalt TBL de ontwikkelde innovaties uit fase 1 op in zes ketens: biobased bouwsystemen, industriële renovatiesystemen, circulaire gevels, circulaire wegverhardingen, toekomstbestendige bruggen en tijdloze grachten. Het gaat om € 18,9 mln. in 2027, € 10 mln. in 2028 en € 2,4 mln. in 2029.

65) Overboekingen naar BZK

Vanwege het opheffen van het ministerie van VRO wordt een groot deel van de middelen op het centrale apparaatsartikel overgeboekt naar het centrale apparaatsartikel van de begroting van het ministerie van BZK. Dit betreft € 72,8 mln. in 2027, € 70,3 mln. in 2028, € 67,4 mln. in 2029, € 64,9 mln. in 2030 en eveneens € 64,9 mln. in 2031.

Daarnaast wordt ook de doorverdeling van de bijstelling voor de loon- en prijsontwikkeling (LPO-tranche 2026) naar de begroting van BZK overgemaakt. Dit betreft € 4,6 mln. in 2026, € 8,9 mln. in 2027, € 4,8 mln. in 2028, € 3,2 mln. in 2029, € 2,0 mln. in 2030 en € 0,9 mln. in 2031.

66) Versnellen slagvaardige overheid

Voor de taakstelling versnellen slagvaardige overheid is het bedrag op de begroting van VRO € 2,1 mln. in 2028 en € 2,0 mln. in 2029.

67) Aanvullende taakstelling Rijk

Aanvullend op de taakstellingen uit het coalitieakkoord heeft het kabinet besloten tot een extra efficiencytaakstelling die voor de begroting van VRO voor 2031 € 1,8 mln. bedraagt en daarna jaarlijks tot en met 2035 oploopt.

Tabel 3 Belangrijkste beleidsmatige ontvangstenmutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
  

Artikel

Ontvangsten 2026

Ontvangsten 2027

Ontvangsten 2028

Ontvangsten 2029

Ontvangsten 2030

Ontvangsten 2031

 

Vastgestelde begroting 2026

 

520.264

519.445

533.025

519.860

518.754

0

         
 

Mutaties eerste suppletoire begroting 2026

 

133.209

36.513

36.837

48.887

59.003

562.159

         
 

- waarvan mutaties coalitieakkoord

 

0

0

0

0

0

0

         
 

- waarvan overige suppletoire mutaties

 

133.209

36.513

36.837

48.887

59.003

562.159

1

Raming ontvangsten huurtoeslag

1

16.800

10.400

10.700

28.400

41.300

47.100

2

Kadercorrectie Grootschalige Rijksprojecten

1

‒ 12.020

18.971

19.046

13.396

10.612

‒ 1.097

3

Afrekening bevoorschotting uitvoering Rijksvastgoedbeleid

4

108.164

0

0

0

0

0

4

Desaldering compensatiegronden

4

20.000

7.000

7.000

7.000

7.000

0

5

Extrapolatie

Alle

0

0

0

0

0

516.156

6

Overige mutaties

Alle

265

142

91

91

91

0

         
 

Stand eerste suppletoire begroting 2026

 

653.473

555.958

569.862

568.747

577.757

562.159

         
 

Mutaties ontwerpbegroting 2027

 

137.600

736

751

1.107

1.048

1.037

7

Desaldering ontvangsten Nationale Hypotheek Garantie (NHG)

1

78.912

0

0

0

0

0

8

Desaldering Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA)

1

19.891

0

0

0

0

0

9

Desaldering Woningbouwimpuls

1

9.124

0

0

0

0

0

10

Desaldering Verduurzaming maatschappelijk vastgoed (DUMAVA)

2

19.510

0

0

0

0

0

11

Desaldering Dienst van de Huurcommissie

12

7.098

0

0

0

0

0

12

Overige mutaties

Alle

3.065

736

751

1.107

1.048

1.037

         
 

Stand ontwerpbegroting 2027

 

791.073

556.694

570.613

569.854

578.805

563.196

Toelichting ontvangstenmutaties

7) Desaldering ontvangsten Nationale Hypotheek Garantie (NHG)

Dit betreft de desaldering van de NHG-middelen die het Rijk ontvangt van het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) over 2025. Het WEW draagt ieder jaar een deel van zijn garantie-inkomsten af aan het Rijk om te kunnen storten in de risicovoorziening ten behoeve van de achterborgfunctie van het Rijk. Het gaat om € 78,9 mln. in 2026 (over 2025).

8) Desaldering Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA)

Dit betreft de desaldering van de RHA-ontvangsten uit terugvorderingen op voorgaande tranches. Dit komt voornamelijk doordat gemeentes niet aan de voorwaarden van de regeling hebben voldaan of het voorgeschoten bedrag niet volledig is benut. Hierdoor moeten de middelen worden teruggevorderd. Het gaat om € 19,9 mln.

9) Desaldering Woningbouwimpuls

Dit betreft een desaldering van ontvangsten (€ 9,1 mln.) uit terugvorderingen op eerdere Woningbouwimpulstranches. Dit komt voornamelijk doordat gemeentes niet aan de voorwaarden van de regeling hebben voldaan of het voorgeschoten bedrag niet volledig is benut. Hierdoor moeten de middelen worden teruggevorderd en worden deze toegevoegd aan het budget van de Woningbouwimpuls in 2026.

10) Desaldering Verduurzaming maatschappelijk vastgoed (DUMAVA)

Binnen de tranches 1-4 van DUMAVA hebben terugvorderingen van reeds verstrekte voorschotten plaatsgevonden. Deze middelen worden weer ingezet voor de regeling. Dit betreft € 19,5 mln. in 2026.

11) Desaldering Dienst van de Huurcommissie

Conform de regeling agentschappen mag een agentschap een eigen vermogen aanhouden van 5% over de gemiddelde omzet van de afgelopen 3 jaar. Bij de Dienst van de Huurcommissie is een surplus op het eigen vermogen ontstaan. Het surplus wordt afgedragen aan de begroting van VRO en bedraagt € 7,1 mln. Deze middelen worden overgeboekt naar de begroting van BZK ter dekking van een deel van de kosten voor het EU-voorzitterschap in 2029.

2.3 Strategische Evaluatie Agenda

De Strategische Evaluatie Agenda (SEA) laat zien hoe VRO de komende jaren werkt aan het voortbrengen van inzichten over de (voorwaarden voor) de doeltreffendheid en doelmatigheid van ons beleid. Door voldoende (goed) evaluatieonderzoek te programmeren neemt het aantal bruikbare inzichten toe. Conform afspraak met de Kamer wordt periodiek (indicatie 4-7 jaar) per thema verantwoording afgelegd over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid. Dit gebeurt via een periodieke rapportage (voorheen: beleidsdoorlichting). Hieronder is de planning van deze syntheseonderzoeken opgenomen.

Tabel 4 Planning Periodieke rapportages

Thema/Periodieke rapportage

Eerstvolgende periodieke rapportage

Begrotingsartikelen

  

1

2

3

4

Woningmarkt en woningbouw

2028

1.1, 1.2

   

Energietransitie en de gebouwde omgeving

2026

 

2.1

  

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

2028

 

2.2

  

Ruimtelijke ordening en Omgevingswet

2027

  

3

 

Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

2027

   

4

Bijlage 6: Uitwerking Strategische Evaluatie Agendabevat een nadere toelichting op de SEA. Daarnaast is daar ook de programmering van alle (deel)evaluatieonderzoeken te vinden.

Voor het recentste overzicht van afgeronde evaluaties en Periodieke Rapportages zie: Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek | Ministerie van Financiën - Rijksoverheid

2.4 Overzicht risicoregelingen

Tabel 5 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande garanties 2025

Geraamd te verlenen 2026

Geraamd te vervallen 2026

Uitstaande garanties 2026

Geraamd te verlenen 2027

Geraamd te vervallen 2027

Uitstaande garanties 2027

Garantieplafond

Artikel 1 Woningmarkt

Herplaatsingsgarantie

106.890

80.000

0

186.890

80.000

0

266.890

783.000

Artikel 1 Woningmarkt

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

100.765

10.081

2.846

108.000

9.718

2.718

115.000

n.v.t.

Artikel 1 Woningmarkt

Waarborgfonds Eigen Woningen

231.452

37.128

18.234

250.346

36.446

20.824

265.968

n.v.t.

 

Totaal

439.107

127.209

21.080

545.236

126.164

23.542

647.858

783.000

Tabel 6 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitgaven 2025

Ontvangsten 2025

Stand risicovoorziening 2025

Saldo 2025

Uitgaven 2026

Ontvangsten 2026

Stand risicovoorziening 2026

Saldo 2026

Uitgaven 2027

Ontvangsten 2027

Stand risicovoorziening 2027

Saldo 2027

Artikel 1 Woningmarkt

Herplaatsingsgarantie

0

863

261.000

863

0

2.000

261.000

2.000

0

2.000

261.000

2.000

Artikel 1 Woningmarkt

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Artikel 1 Woningmarkt

Waarborgfonds Eigen Woningen

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

 

Totaal

0

863

261.000

863

0

2.000

261.000

2.000

0

2.000

261.000

2.000

Herplaatsingsgarantie

Toelichting

Om de woningnood aan te pakken zet het kabinet onder andere in op een financiële herplaatsingsgarantie voor flexwoningen. Kern van de garantie is het vergroten van de kans op vervolglocaties na de eerste exploitatie op de tijdelijke locatie en, in het geval dat dat niet lukt, een mogelijke financiële uitkering als de woning verkocht moet worden. De garantie kent een totale looptijd van maximaal veertig jaar. Op 2 mei 2023 is het toetsingskader financiële herplaatsingsgarantie gepubliceerd (Kamerstuk 32847, nr. 1037, bijlage 1089724) en is de regeling opengesteld voor aanvragen.

Het kabinet heeft voor deze risicoregeling € 220 mln. beschikbaar gesteld en het garantieplafond vastgesteld op maximaal € 783 mln. De genoemde ramingen zijn gebaseerd op het expert judgement van Finance Ideas (Kamerstuk 32847, nr. 1037, bijlage 1089725). Naar verwachting creëert de garantie een multipliereffect, waarbij slechts een deel van de woningen die onder de garantie vallen daadwerkelijk een uitkering uit de garantie behoeven. Bij het aangaan van een garantie kan voor het eerst na tien jaar exploitatie een uitkering plaatsvinden. De financiële uitkering is dan gebaseerd op het verschil tussen de marktwaarde en de vastgestelde boekwaarde, gepaard met een risicoverdeling tussen partijen waarbij het Rijk 60% en de gemeente 25% betaalt en de investeerder een eigen risico van 15% draagt. Daarnaast leveren investeerders een eigen bijdrage van € 1.000 per woning als een garantie aan hen wordt verleend. Deze bijdrage wordt toegevoegd aan het budget voor de garantieregeling. De middelen bedoeld voor eventuele uitkeringen worden ondergebracht in een risicovoorziening.

Om overschrijding van de beschikbaar gestelde middelen te voorkomen, wordt jaarlijks een prognose en verantwoording over het aantal verstrekte garanties verstrekt. De garantie wordt na één jaar incidenteel en na vijf jaar meerjarig geëvalueerd. Na het twaalfde jaar, twee jaar nadat de eerste aanspraken zich hebben voorgedaan, volgt een tweede incidentele evaluatie.

Dit jaar zal de herplaatsingsregeling (RTHF) technisch worden gewijzigd in het kader van de evaluatie na het eerste jaar. Dit naar aanleiding van een door RVO gehouden enquête onder gemeenten en corporaties. Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor de cijfers van de risicoregeling met betrekking tot de RTHF.

Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW)

Tabel 7 Achterborgstellingen Sociale Woningbouw (WSW) (bedragen x € 1 mln.)

Omschrijving

20251

20262

20272

Achterborgstelling

100.765

108.000

115.000

Bufferkapitaal

631

655

731

Obligo

2.867

3.075

3.277

Stand risicovoorziening

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1

Bron: Jaarrekening WSW.

2

Prognose

Toelichting

Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) zorgt dat de deelnemende woningcorporaties toegang hebben tot de kapitaalmarkt tegen zo optimaal mogelijke financieringskosten. Dit doet het WSW door borg te staan voor de rente- en aflossingsverplichting van door het WSW geborgde leningen van woningcorporaties. Op het moment dat een woningcorporatie niet aan de rente- en aflossingsverplichting voor een door WSW geborgde lening voldoet, kan een geldverstrekker aanspraak doen op het WSW.

Het Rijk en de gemeenten vormen de achtervang voor het WSW. Dit houdt in dat het Rijk en de gemeenten (beide voor 50%) een renteloze lening aan het WSW verstrekken, indien het WSW onvoldoende liquide middelen heeft om aan zijn verplichtingen te voldoen.

WSW beschikt over een eigen risicovermogen/bufferkapitaal en kan daarnaast indien nodig een jaarlijkse obligoheffing van maximaal 0,25% van het uitstaande saldo van geborgde leningen in rekening brengen bij de deelnemende woningcorporaties, evenals gecommitteerd obligo opvragen tot 2,6% van het saldo geborgde leningen. De door het WSW geborgde leningen worden gedekt door onderliggend woningbezit met een maximale Loan to Value (LTV) van 70%.

Financiële problemen bij corporaties worden in eerste instantie dus opgevangen door WSW en de corporatiesector zelf via bufferkapitaal en obligo. Pas daarna komen Rijk en gemeenten in beeld via de achtervang. De achtervang is tot op heden nog nooit aangesproken. In de opzet, toepassing en beheersing van zijn activiteiten spant WSW zich optimaal in om te sturen op een omvang van het risicokapitaal dat met een kans van 99% voldoende is om mogelijke verliezen van WSW te dekken. De Autoriteit Woningcorporaties ziet toe op de naleving van de afspraken over het risicomanagement bij WSW. Uit de meest recente kapitaaltoereikendheidstoets blijkt dat het beschikbare kapitaal van het WSW boven het vereiste niveau ligt.

WSW betaalde de afgelopen jaren rente en aflossing als gevolg van aanspraken op geborgde leningen van Stichting WSG  en Stichting Humanitas Huisvesting. WSW is van plan om deze dienst der lening ineens af te kopen. Daarvoor zal het risicovermogen worden aangesproken. Bij een heffing van het ingerekende jaarlijks obligo van 0,168% (= de helft van het maximum) zou dit in drie jaar mogelijk zijn met instandhouding van het benodigde risicovermogen.

Per eind 2025 heeft WSW € 100,8 mld. aan leningen geborgd, een stijging van € 5,8 mld. ten opzichte van 2024. Het totale obligo is met € 343 mln. gestegen naar € 3,25 mld. Het bufferkapitaal nam in 2025 met € 25,4 mln. toe, voornamelijk als gevolg van obligoheffing.

Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW)

Tabel 8 Achterborgstelling Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) (bedragen x € 1 mln.)

Omschrijving

20251

20262

20272

Achterborgstelling

231.472

250.346

265.968

Risicodragend gegarandeerd vermogen

6.884

geen prognose

geen prognose

Bufferkapitaal

1.810

1.862

1.918

Obligo

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Stand risicovoorziening

538

617

691

1

Bron: Jaarrekening WEW.

2

Prognose

Toelichting

De Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) is de uitvoerder van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Het Rijk vormt de achtervang van het WEW. Dit betekent dat het Rijk een achtergestelde renteloze lening aan het WEW zal verschaffen zodra het WEW onvoldoende vermogen heeft om aanspraken op de garantstelling te kunnen betalen. Tot 2011 vormde het Rijk samen met de gemeenten de achtervang van het WEW. Vanaf 1 januari 2011 vervult alleen het Rijk deze rol. Voor de oude gevallen blijven de gemeenten verantwoordelijk voor 50% van de achtervang. Een geldnemer betaalde in 2024 voor een hypothecaire lening met NHG een eenmalige premie van 0,6% aan het WEW, waarvan het WEW 0,3%-punt afdraagt aan het Rijk als vergoeding voor diens rol als achtervanger. Deze achtervang vergoeding wordt gestort in de in de tabel genoemde risicovoorziening waaruit een eventuele aanspraak op de achtervang allereerst zal worden opgevangen. De premiemethodiek, waaronder de afdracht aan het Rijk, is in 2024 geëvalueerd. Vanaf 2025 is de premie 0,4%, waarvan het WEW 0,2% afdraagt aan het Rijk.

Het gegarandeerd vermogen is het bedrag aan hypotheken waarop een NHG is afgegeven verminderd met het bedrag aan garanties dat is vervallen door volledige aflossing, oversluiting of gedwongen verkopen verminderd met de annuïtaire daling van de garantie. Nieuwe garanties zullen een positief effect op het gegarandeerd vermogen hebben. Het gegarandeerd vermogen is geen weergave van het risico dat het WEW en de overheid (als achtervanger van het fonds) lopen. Tegenover de hypothecaire leningen staat de actuele waarde van de desbetreffende woningen. Het risicodragend gegarandeerd vermogen is het vermogen gecorrigeerd voor de waarde van de desbetreffende woningen bij gedwongen verkoop en is daarmee een inschatting van de maximale schadelast voor het WEW als alle lopende hypotheekgaranties uitmonden in een gedwongen verkoop. Eind 2025 bedroeg het risicodragend gegarandeerd vermogen € 6,9 mld.

2.5 Slagvaardige Overheid

Tabel 9 Overzicht Slagvaardige Overheid

(x € 1 mln.)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

        

Apparaatstaakstellingen coalitieakkoord

0

0

‒ 1

‒ 2

‒ 7

‒ 14

‒ 13

Efficiencytaakstelling

01

01

‒ 11

‒ 21

‒ 31

‒ 41

‒ 41

Vernieuwing Rijksdienst / slagvaardige overheid

01

01

01

01

‒ 41

‒ 101

‒ 91

1

Deze bedragen wijken af ten opzichte van de Startnota omdat apparaatsmiddelen van de VRO-begroting zijn overgeheveld naar de BZK-begroting, inclusief de taakstelling hierop.

Toelichting

Het kabinet streeft naar een slagvaardige overheid die duidelijk kiest, samenwerkt en levert. Hiertoe zet het kabinet onder andere in op een rijksbrede apparaatstaakstelling. Voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (begrotingshoofdstuk XXII) gaat dit uitgaande van de maatregelen uit het coalitieakkoord om een bedrag dat oploopt tot € 13 mln. structureel. Dit draagt bij aan een fundamenteel efficiëntere en effectievere overheid, met veel minder (complexe) wet- en regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat.

De apparaatstaakstellingen uit het coalitieakkoord zijn beide meerjarig verwerkt op de begrotingen van BZK, KR en VRO in lijn met de berekening en verdeling die het ministerie van Financiën heeft toegepast. Daarbij is de taakstelling Slagvaardige Overheid ingeboekt vooruitlopend op de verdere uitwerking van de actieagenda Slagvaardige Overheid. De uitgewerkte actieagenda zal bepalend zijn voor de invulling van die taakstelling. In de komende jaren zijn ook ijkmomenten opgenomen (waarvan in mei 2027 de eerste) om periodiek te bezien welke besparingen slagvaardige overheid daadwerkelijk oplevert om vervolgens te bepalen of (en waar) een andere invulling nodig is. Voor de invulling van de Efficiencytaakstelling wordt de verdeling zoals deze nu is geboekt, als vertrekpunt gehanteerd. Deze invulling wordt in 2026 verder uitgewerkt. Op de budgetten voor bijdragen aan agentschappen en ZBO’s heeft deze taakstelling al vanaf 2027 effect. De Efficiencytaakstelling heeft pas vanaf 2029 effect op het budget voor ‘eigen personeel’. Dit geldt ook voor de taakstelling Slagvaardige Overheid. De verdere onderverdeling van de taakstelling binnen ‘eigen personeel’ wordt meegenomen in het ijkmoment in mei 2027, zodat dan een zorgvuldig traject kan worden gestart om daar (ook voor de taakstelling Slagvaardige Overheid) met fte-reductie invulling aan te geven. Ondertussen leidt de taakstelling op het apparaat van het kabinet-Schoof bij de directoraten-generaal van het ministerie van BZK tot een fte-reductie die vanaf 2026 oploopt tot 170 fte in 2029. Dat is 4 fte minder dan tot nu toe gecommuniceerd, omdat het aandeel van de taakstelling kabinet-Schoof op de formatie voor digitalisering (4 fte) mee overgeheveld is naar het ministerie van EZK.

3 Beleidsartikelen

3.1 Artikel 1. Volkshuisvesting

We werken aan een voldoende beschikbare, betaalbare en kwalitatief goede woningvoorraad in leefbare buurten, met extra ondersteuning voor degenen die dat nodig hebben.

Het zo toegankelijk, betaalbaar en toekomstbestendig mogelijk maken van volkshuisvesting lukt alleen door veel samen te werken en alle belangen af te wegen. Dit doen we als Rijksoverheid, samen met provincies, gemeenten, woningcorporaties, zorginstellingen, investeerders, projectontwikkelaars, bouwers, makelaars en vele anderen. Ieder heeft een eigen rol, maar altijd samen met anderen.

De minister van VRO jaagt die samenwerking aan door zoveel mogelijk belemmeringen weg te nemen, perspectief te bieden in wetten en regels en door het bewaken van de kwaliteit en duurzaamheid van bouwen en wonen, zodat prettig en betaalbaar wonen voor iedereen mogelijk is en blijft.

Beleid en regelgeving

Onder meer via de Wet op de huurtoeslag (WHT), de huur(prijs)regulering en maatregelen ten aanzien van de koopwoningmarkt is de minister verantwoordelijk voor het beleid en de regelgeving met betrekking tot de betaalbaarheid van het wonen. Tevens is de minister medeverantwoordelijk voor de regelgeving met betrekking tot de fiscale behandeling van de eigen woning en de hypothecaire leennormen.

De minister is verantwoordelijk voor het beleid en de regelgeving inzake de huurtoeslag. Ook is de minister verantwoordelijk voor het budgettair beheer van de huurtoeslag op grond van de WHT.

Stimuleren

De minister is er verantwoordelijk voor om de leefsituatie en het perspectief van bewoners in de kwetsbaarste gebieden te verbeteren en stimuleert de interdepartementale en interbestuurlijke samenwerking via het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. De minister faciliteert alle betrokken partijen door zorg te dragen voor kennisontwikkeling en –verspreiding.

Regisseren

De minister voert de regie over een heldere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen op het terrein van wonen. Tevens voert de minister de regie ten aanzien van het bevorderen van een evenwichtige omvang en verdeling van de woningvoorraad.

De minister is verantwoordelijk voor de regelgeving ten aanzien van (het stelsel van) woningcorporaties. Woningcorporaties zijn via de Woningwet (Wonw) gebonden aan een begrensd werkdomein waarbinnen zij werkzaamheden met staatssteun mogen uitvoeren. Deze zijn het bouwen, verhuren en beheren van woningen met een lage huur voor huishoudens met een laag inkomen en andere doelgroepen die op de reguliere woningmarkt moeilijk een woning kunnen vinden.

Tevens draagt de minister zorg voor het kapitaalmarktbeleid betreffende investeringen in de woningmarkt, bijvoorbeeld via het beleid ten aanzien van de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW).

Uitvoeren

De minister draagt zorg voor een adequate uitvoering van een laagdrempelige beslechting van huurgeschillen. In het Burgerlijk Wetboek (art. 7:249 t/m 7:261) is vastgelegd dat huurders en verhuurders een beroep kunnen doen op de Huurcommissie. De organisatie en werkwijze van de Huurcommissie, evenals de administratieve ondersteuning door de Dienst van de Huurcommissie (DHC), is vastgelegd in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw).

Coalitieakkoord kabinet-Jetten

Het kabinet-Jetten heeft met het coalitieakkoord aanvullende middelen beschikbaar gesteld voor het versneld en langjarig realiseren van 100.000 woningen per jaar. Het coalitieakkoord reserveert in totaal € 7 mld. (€ 1 mld. per jaar van 2029 tot 2035).

Dit kabinet geeft de aanpak van de woningnood de hoogste prioriteit. In het coalitieakkoord is een duidelijke opdracht geformuleerd. Enerzijds nemen we belemmeringen voor woningbouw weg door regelgeving te schrappen, te versoepelen en te vereenvoudigen. Anderzijds geven we ruim baan aan woningbouw door regie te nemen, innovaties op te schalen en de juiste financiële randvoorwaarden te creëren. In 2027 worden hiervoor de eerste concrete stappen gezet. Daarnaast is onder leiding van de minister-president de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw opgericht. In september 2026 volgt het Actieplan Versnelling Woningbouw, met daarin de koers richting de realisatie van 100.000 woningen per jaar en de vertaling naar een operationeel plan.

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid

In het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is opgenomen dat het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) «op gelijk niveau» wordt doorgezet. Vanaf 2029 tot en met 2035 is jaarlijks € 135 mln. beschikbaar voor het NPLV. Deze financiële reeks wordt ingezet om het NPLV voor de lange termijn te borgen en om extra inzet te plegen op het tegengaan van energiearmoede via isolatie.

Beleidskeuzes uitgelegd

In antwoorden op de begrotingsrapporteurs van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het departementale jaarverslag 2024 is toegezegd om in het begrotingsartikel een verwijzing op te nemen naar eerder verstuurde kaders «beleidskeuzes uitgelegd» (Kamerstuk 36740 VII, nr. 16). Dit om daarmee het inzicht in de koppeling tussen doelen en ingezette middelen op dit begrotingsartikel verder inzichtelijk te maken. Onderstaande tabel toont de eerder met de Tweede Kamer gedeelde onderbouwing van instrumenten die in dit begrotingsartikel terugkomen.

Tabel 10 Eerder verstuurde «Beleidskeuzes uitgelegd» (artikel 1)

Naam instrument

Kamerstuk

Datum onderbouwing

Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting

36550-VII, nr. 3

April 2024

Stimuleringsregeling flex­ en transformatiewoningen

32847, nr. 1187

Juni 2024

Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen

32847, nr. 1199

Juni 2024

Opschalen woningbouw

36600-XXII, nr. 9

Oktober 2024

Uitvoering woningbouw

36600-XXII, nr. 9

Oktober 2024

Grootschalige woningbouwgebieden (incl. grondfaciliteit)

36600-XXII, nr. 9

Oktober 2024

Woningbouwimpuls 2.0 en realisatiestimulans

36600-XXII, nr. 9

Oktober 2024

Transformatiefaciliteit

36600-XXII, nr. 63

November 2024

Volkshuisvestingsfonds

36600-XXII, nr. 63

November 2024

Specifieke uitkering Kansrijke Wijk (Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid)

36800-XXII, nr. 6

Oktober 2025

Stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen (doelgroepflexibele regeling)

36800-XXII, nr. 6

Oktober 2025

Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO)

36915-XXII-3

April 2026

Tabel 11 Budgettaire gevolgen van beleid art. 1 Volkshuisvesting (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

7.607.557

7.729.092

8.064.398

8.122.966

8.935.959

8.479.777

8.766.154

         
 

Uitgaven

6.451.957

7.588.097

8.399.021

8.058.424

8.963.217

8.799.035

8.773.754

         

1.1

Woningmarkt

6.124.565

6.775.343

7.010.150

7.180.098

7.483.122

7.701.970

7.899.953

 

Subsidies (regelingen)

107.931

44.977

56.697

62.278

163.217

172.418

162.331

 

Betaalbare Koopwoningen Starters

30.000

0

0

12.500

12.500

25.000

20.000

 

Bevordering eigen woningbezit

2.825

500

0

0

0

0

0

 

Ouderenhuisvesting

6.876

31.985

43.405

36.595

38.300

36.000

36.000

 

Stimuleringsmiddelen wooncoöperaties

60.967

784

1.001

530

313

148

0

 

Woningmarkt

5.102

6.401

6.552

6.947

7.248

6.414

4.435

 

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid

2.161

2.307

2.781

2.748

1.898

1.898

1.896

 

Projectsteun woningcorporaties

0

3.000

2.958

2.958

2.958

2.958

0

 

Objectsubsidie middenhuur

0

0

0

0

100.000

100.000

100.000

 

Opdrachten

96.155

88.751

12.643

13.268

145.581

144.208

144.195

 

NHG risicovoorziening

91.499

78.912

0

0

0

0

0

 

Woningmarkt

3.199

7.280

9.251

10.276

10.029

8.656

8.644

 

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid

1.457

2.559

3.392

2.992

135.552

135.552

135.551

 

Inkomensoverdrachten

5.771.969

6.463.190

6.746.010

6.913.430

7.119.930

7.330.700

7.550.000

 

Huurtoeslag

5.771.969

6.463.190

6.746.010

6.913.430

7.119.930

7.330.700

7.550.000

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

3.860

3.823

3.803

3.762

3.765

3.802

3.492

 

Woningmarkt

3.860

3.823

3.803

3.762

3.765

3.802

3.492

 

Bijdrage aan medeoverheden

117.647

148.738

166.921

164.320

27.599

27.590

17.398

 

Caribisch Nederland

17.579

12.100

13.200

13.200

14.335

14.335

14.335

 

Grote gezinnen

1.723

1.750

1.600

0

0

0

0

 

Opvang Evacuees

107

1.551

1.551

1.548

1.548

1.548

1.548

 

Uitvoeringskosten Wetsvoorstellen Regie en Betaalbare Huur

0

1.534

1.535

1.536

1.524

1.515

1.515

 

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid

98.238

131.803

149.035

148.036

10.192

10.192

0

 

Bijdrage aan agentschappen

26.227

25.299

23.512

22.480

22.468

22.690

21.316

 

Dienst van de Huurcommissie

26.227

25.273

23.145

22.480

22.468

22.690

21.316

 

RVO (Uitvoeringskosten BEW)

0

26

367

0

0

0

0

 

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

776

565

564

560

562

562

1.221

 

Financiën (IXB)

0

0

53

52

53

53

53

 

Infrastructuur en Waterstaat (XII)

776

565

511

508

509

509

1.168

1.2

Woningbouw

327.392

812.754

1.388.871

878.326

1.480.095

1.097.065

873.801

 

Subsidies (regelingen)

6.424

27.598

31.802

62.598

86.612

71.098

93.697

 

Woningbouw

783

4.052

2.527

2.767

1.935

2.789

1.697

 

Opschalen Woningbouw

5.641

21.546

23.275

21.331

47.177

31.309

29.000

 

Uitvoeringskracht

0

2.000

6.000

6.000

5.000

4.500

4.500

 

Zorggerichte Woningen

0

0

0

32.500

32.500

32.500

58.500

 

Opdrachten

4.822

12.722

14.731

9.939

10.011

5.209

3.125

 

Grootschalige woningbouwgebieden

1.141

394

3.779

3.309

3.308

509

0

 

Tijdelijke uitvoeringsorganisatie

51

0

0

0

0

0

0

 

Volkshuisvestingsfonds

690

206

0

0

0

0

0

 

Woningbouw

2.777

12.075

10.952

6.630

6.703

4.700

3.125

 

Woningbouwimpuls

109

17

0

0

0

0

0

 

Opschalen Woningbouw

54

30

0

0

0

0

0

 

Storting/onttrekking begrotingsreserve

0

375

0

0

0

0

0

 

Herplaatsingsgarantie

0

375

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

307

159

251

320

320

319

297

 

CBS

307

159

251

320

320

319

297

 

Bijdrage aan medeoverheden

288.422

752.211

1.305.479

764.337

1.335.955

974.467

744.700

 

Grootschalige woningbouwgebieden

94.838

197.220

624.750

0

560.000

220.000

70.000

 

Kwetsbare groepen

24.515

42.691

25.000

25.000

75.000

65.000

65.000

 

Studentenwoningenstartbouwimpuls

49.008

0

0

0

0

0

0

 

Versnelling huisvesting

10.559

28.585

37.190

89.000

66.900

0

0

 

Vestigingsklimaat

57.984

76.212

40.000

25.000

0

0

0

 

Volkshuisvestingsfonds

0

40

0

0

0

0

0

 

Woningbouwimpuls

51.518

153.261

100.000

100.000

100.000

125.000

125.000

 

Realisatiestimulans

0

254.202

378.539

425.337

434.055

459.767

380.000

 

Grondfaciliteit

0

0

100.000

100.000

100.000

90.000

90.000

 

Uitvoeringskracht

0

0

0

0

0

14.700

14.700

 

Bijdrage aan agentschappen

27.417

19.689

36.608

41.132

47.197

45.972

31.982

 

Grootschalige Rijksprojecten

2.121

8.632

27.588

31.132

29.289

26.223

20.301

 

RVB

24.851

7.494

0

0

0

0

0

 

RVO

445

3.563

9.020

10.000

17.908

19.749

11.681

         
 

Ontvangsten

589.249

524.076

441.121

455.075

461.760

470.820

462.272

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 12 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 1
 

2027

juridisch verplicht

90%

bestuurlijk gebonden

8%

beleidsmatig gereserveerd

2%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Juridisch verplicht

Van het totale uitgavenbudget op artikel 1 is 90% juridisch verplicht. Dit betreft met name de volgende instrumenten:

Inkomensoverdrachten

Het huurtoeslagbudget 2027 is voor 100% juridisch verplicht. Jaarlijks wordt een verplichting aangegaan voor het gehele huurtoeslagbudget voor het begrotingsjaar.

Bijdrage aan medeoverheden

De uitgaven voor de bijdragen aan medeoverheden zijn voor 49% juridisch verplicht. Dit betreft vooral bijdragen aan medeoverheden voor het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en Grootschalige woningbouwgebieden.

1.1 Woningmarkt

Subsidies (regelingen)

Ouderenhuisvesting

De Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) stimuleert de bouw van ontmoetingsruimten voor ouderen, ook wanneer ze een zware zorgvraag hebben. De regeling is bedoeld voor woningcorpo­raties, marktpartijen, burgerinitiatieven en zorgaanbieders. Deze partijen kunnen een beroep op de regeling doen voor de realisatie van ontmoetings­ruimten, in zowel nieuw als bestaand vastgoed. Tranche vier van de SOO is € 40 mln. min uitvoeringskosten. 90% van tranche vier wordt in 2027 beschikt. Vanuit de 7 x € 1 mld. van het coalitieakkoord wordt de bijdrage aan de SOO voortgezet in 2028-2042.

Woningmarkt

Dit betreft diverse subsidies voor onderzoek en kennisoverdracht op het terrein van wonen om te komen tot evidence-based beleidsvorming. Het gaat om enkele structurele subsidies, zoals voor de Woonbond om de positie van huurders op de woningmarkt te versterken.

Daarnaast gaat het om incidentele subsidies met name gericht op kennisontwikkeling en verspreiding van kennis op verschillende thema's binnen de volkshuisvesting door verschillende partijen.

Opdrachten

Woningmarkt

Om te kunnen zorgen dat iedereen betaalbaar en prettig kan wonen moet er veel onderzoek gedaan worden. Bijvoorbeeld naar de groei van het aantal huishoudens, de ontwikkeling van huur- en koopprijzen en de stand van zaken van lokaal beleid. Daartoe worden opdrachten verstrekt aan onderzoeksbureaus en kennisinstellingen voor verkenningen, dataverzameling en monitoring. Zo zorgen we dat we kunnen uitgaan van actuele gegevens om het beleid zoveel mogelijk op feiten te baseren.

Inkomensoverdrachten

Huurtoeslag

Circa 1,6 miljoen huishoudens ontvangen huurtoeslag. De huurtoeslag is een bijdrage in de huurlasten en kan worden aangevraagd wanneer de huur hoog is in verhouding tot het inkomen. De huurtoeslag is een bewezen effectief middel om huurders met een laag inkomen in hun woonlasten te ondersteunen. In 2026 is een aantal wijzigingen in de huurtoeslag doorgevoerd die ook in latere jaren doorwerking hebben (afschaffen maximale huurgrens, afschaffen subsidiëring servicekosten, verlaging leeftijdsgrens naar 21 jaar en een verhoging van de huurtoeslag met € 7,58 per maand).

Om inzicht te geven in de uitwerking van de huurtoeslag op de huurlasten voor ontvangers van huurtoeslag, tonen onderstaande grafieken het aandeel van de bruto huur dat per saldo (na aftrek van de huurtoeslag) nog netto door ontvangers van huurtoeslag is verschuldigd. Het percentage is berekend voor voorbeeldhuishoudens met een minimum inkomen en een huur op exact 90% van de diverse huurgrenzen van de huurtoeslag. Vanaf 2025 is het aantal huishoudentypen binnen de huurtoeslag gewijzigd van vier naar twee en zijn de parameters gewijzigd ten opzichte van voorgaande jaren. Daardoor treedt enige vertekening ten opzichte van eerdere jaren op.

In 2027 blijft de verhouding van de bruto- en nettohuur ongeveer gelijk voor elk huishouden.

Figuur 3 Eenpersoonshuishouden

Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag, gedeeld door de bruto huur (%netto huur = (bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Bron: Eigen berekening ministerie van BZK.

Figuur 4 Meerpersoonshuishouden, twee personen

Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag, gedeeld door de bruto huur (%netto huur = (bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Bron: Eigen berekening ministerie van BZK.

Figuur 5 Meerpersoonshuishouden, drie of meer personen

Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag, gedeeld door de bruto huur (%netto huur = (bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Bron: Eigen berekening ministerie van BZK.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Woningmarkt

De activiteiten voor (basis)onderzoek en kennisoverdracht hebben betrekking op het terrein van wonen en bouwen, specifiek in samenwerking met bijvoorbeeld het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) en het Kadaster. De ontwikkelingen op de woningmarkt vragen om actuele gegevens over de woningmarkt. Het budget wordt besteed aan onder meer verkenningen, monitoring en op feiten gebaseerd onderbouwen van beleid, dataverzamelingen en ontwikkeling van ramingsmodellen.

Bijdrage aan medeoverheden

Caribisch Nederland

In Caribisch Nederland wordt via diverse wegen bijgedragen aan de betaalbaarheid van wonen. Middels de verhuurderssubsidie (VHS) wordt in de sociale huursector een lastenverlichting gerealiseerd op Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Er zal in 2027 totaal ca. € 3,3 mln. worden uitgekeerd, waardoor ca. 820 huishoudens met ca. $ 350 per maand worden ondersteund. In de particuliere sector worden in 2027 op Bonaire, Saba en Sint Eustatius pilots uitgevoerd waarbij huishoudens met een lager inkomen, die vanwege het tekort aan sociale huurwoningen noodgedwongen particulier huren, worden ondersteund in hun huurlasten. Hier gaat het om ca. € 3,9 mln. in 2027, waardoor ca. 750 huishoudens met ca. $ 400 per maand worden ondersteund.

Daarnaast worden de huurcommissies in Caribisch Nederland gefinancierd, waardoor huurders en verhuurders ook in Caribisch Nederland een laagdrempelige toegang tot geschilbeslechting hebben. Dit is van belang in het kader van het ‘comply or explain’-principe. De huurcommissies dragen bij aan betaalbaarheid van wonen, bijvoorbeeld door te toetsen of er een eerlijke huurprijs gevraagd wordt.

Opvang Evacuees

Van dit budget worden de kosten betaald voor tijdelijke opvang van evacués met een Nederlands paspoort en/of verblijfsvergunning. De minister van VRO heeft de zorgtaak voor de tijdelijke en duurzame huisvesting voor evacués met een Nederlands paspoort of een Nederlandse verblijfsstatus. Deze mensen zijn door het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) in georganiseerd verband naar Nederland overgebracht.

Uitvoeringskosten Wetsvoorstellen Regie en Betaalbare Huur

De middelen op dit instrument zijn bedoeld om de kosten van de wetsvoorstellen regie op de volkshuisvesting en betaalbare huur te dekken. Deze middelen worden verstrekt aan de uitvoerders van deze wetten, de provincies en gemeenten.

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid

De minister van VRO is vanaf 2026 verantwoordelijk voor de uitvoering van de interdepartementale Regeling Kansrijke Wijk (Kamerstuk 30995, nr. 103), met als doel het behalen van resultaten die bijdragen aan de doelstellingen van het onderdeel ‘meedoen in de samenleving’ van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Op deze regeling kunnen twintig gebieden verbonden aan het NPLV een beroep doen. Dit programma wordt voortgezet tot en met 2035.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst van de Huurcommissie

De Huurcommissie bestaat uit twee onderdelen die zich tezamen als één toegankelijke organisatie presenteren. Het Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) zonder eigen rechtspersoonlijkheid bestaat uit een bestuur, de zittingsvoorzitters en de zittingsleden. Dit ZBO wordt ondersteund door het agentschap de Dienst van de Huurcommissie (DHC). Door de verwevenheid van het ZBO met DHC zijn de kosten van het ZBO in de begroting van de Dienst van de Huurcommissie opgenomen. Een van de aanbevelingen uit de vijfjaarlijkse agentschapsdoorlichting was het zichtbaar maken van het onderscheid tussen ZBO- en agentschapskosten in de begroting en jaarverantwoording. Deze aanbeveling is in deze begroting opgevolgd door te specificeren welke lasten specifiek voor het ZBO zijn.

Huurders en verhuurders in het lage- en middenhuursegment kunnen bij de Huurcommissie terecht met geschillen over onder andere huurprijzen, (onderhouds)gebreken, huurverhogingen en servicekosten. In de vrije sector kunnen (ver)huurders bij de Huurcommissie terecht met geschillen over servicekosten, huurverhogingen of – in bepaalde gevallen – (aanvangs)huurprijzen, of als zij met elkaar hebben afgesproken dat zij in geval van een geschil de Huurcommissie om advies kunnen vragen.

De Huurcommissie is geschillenbeslechter volgens de Implementatiewet voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten. De Huurcommissie is hiermee een Europese Alternative Dispute Resolution (ADR) instantie.

Voor de uitoefening van haar taken ontvangt de Huurcommissie een bijdrage van het ministerie van BZK. Het zorgen voor snelle en kwalitatief hoogwaardige geschilbeslechting in huur(prijs)geschillen is de primaire taak van de Huurcommissie. Uiteraard neemt de Huurcommissie ook in 2027 weer alle benodigde stappen om een goede uitvoering van deze kerntaak te waarborgen. Daarnaast treden dit jaar de Wet modernisering servicekosten en de Wet toekomstbestendige Huurcommissie in werking, die beide gevolgen hebben voor de Huurcommissie. Deze wetten zorgen voor een helderder uitvoeringskader en eenvoudigere procedures, als gevolg waarvan de Huurcommissie huurders en verhuurders nog beter kan helpen en de doorlooptijden versneld kunnen worden.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Financiën (IXB)

Dienst Toeslagen voert de huurtoeslag uit voor de minister van VRO en ontvangt uitvoeringskosten voor beleidswijzigingen, die het ministerie van BZK invoert.

Infrastructuur en Waterstaat (XII)

De Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT) ontvangt jaarlijks een bijdrage voor het WNT-toezicht bij woningcorporaties door de Autoriteit woningcorporaties (Aw) en voor de uitvoering van SBR-wonen (Standard Business Reporting).

1.2 Woningbouw

Motie-Welzijn (Kamerstuk 36725 XXII, nr. 17)

Met deze begroting wordt invulling gegeven aan de motie-Welzijn (Kamerstuk 36725 XXII, nr. 17). Die motie verzoekt de regering om per woningbouwinstrument op te nemen aan hoeveel woningen de budgetten bijdragen, wanneer de bouw van die woningen start en wat het aandeel is in het betaalbare segment. Per woningbouwinstrument waar in 2027 budget voor staat op de begroting, zijn de verwachte cijfers in de onderstaande toelichting toegevoegd onder de kop Bijdrage aan medeoverheden. Dit gaat om de instrumenten:

  • Grootschalige woningbouwgebieden;

  • Kwetsbare groepen;

  • Versnelling huisvesting;

  • Vestigingsklimaat;

  • Woningbouwimpuls;

  • Realisatiestimulans.

Dit is slechts een prognose op basis van ervaringscijfers en hierbij is niet gecorrigeerd voor mogelijke dubbelingen bij overlappende instrumenten. Wat er daadwerkelijk gerealiseerd wordt, is terug te vinden in de monitoringssystemen, zoals de Nationale Woningbouwkaart. Bovendien wordt de Kamer jaarlijks geïnformeerd over de voortgang van woningbouwprojecten. Tot slot is er uiteraard verantwoordingsinformatie terug te vinden in het jaarverslag.

Subsidies

Opschalen woningbouw

Vanuit het kabinet-Schoof zijn t/m 2029 woningbouwmiddelen beschikbaar gesteld voor het opschalen van de woningbouwproductie door het wegnemen van belemmeringen in het woningbouwdomein, stimuleren van innovatie (waaronder industrialisering en digitalisering), standaardisering en verkorten van de doorlooptijden in de planfase, onder andere door snellere processen en procedures en meer uitvoeringskracht. Vanuit de 7 x € 1 mld. van het coalitieakkoord wordt de bijdrage aan het opschalen van de woningbouw voortgezet in 2029-2035.

Opdrachten

Woningbouw

Om te kunnen zorgen dat iedereen betaalbaar en prettig kan wonen moet er veel onderzoek gedaan worden. Bijvoorbeeld over de groei van het aantal huishoudens, de ontwikkeling van huur- en koopprijzen en de stand van zaken van lokaal beleid. Daartoe worden opdrachten verstrekt aan onafhankelijke onder­zoeksbureaus en kennisinstellingen voor verkenningen, dataverzameling en monitoring. Ook worden er onafhankelijke bureaus ingeschakeld om subsidieaanvragen te analyseren, wat bijdraagt aan een objectieve beoordeling. Zo zorgen we dat we kunnen uitgaan van actuele gegevens om het beleid zoveel mogelijk op feiten te baseren en bij te sturen indien de realiteit daarom vraagt.

Bijdrage aan medeoverheden

Grootschalige woningbouwgebieden

Middels het gebiedsbudget ontvangen medeoverheden een bijdrage voor gebiedsmaatregelen in de grootschalige woningbouwgebieden. Tijdens het Bestuurlijk Overleg over het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (BO MIRT) van eind 2025 zijn afspraken gemaakt over de inzet van de gereserveerde middelen (cumulatief meerjarig € 833 mln.). Bij een volledige uitputting van het totale budget draagt het Gebiedsbudget bij aan het realiseren van circa 128.000 woningen in totaal waarvan een bijdrage voor minimaal 50% in het sociaal segment. Deze afspraken dragen bij aan de financiële haalbaarheid van de gebiedsontwikkeling. In 2027 is hiervoor € 625 mln. aan kasbudget beschikbaar. Dit budget is bedoeld voor gebiedsgerichte maatregelen, niet zijnde infra, die nodig zijn bij het realiseren van een woningbouwproject. Denk hierbij aan het realiseren van openbare ruimte, het saneren van een locatie of het verplaatsen van hindergevende activiteiten. De verwachte startbouw is afhankelijk van het project, de bouw moet uiterlijk in 2030 of 2034 beginnen. Vanuit de 7 x € 1 mld. van het coalitieakkoord wordt de bijdrage aan grootschalige woningbouwlocaties voortgezet in 2029-2033.

Kwetsbare groepen

De Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA) stelt gemeenten in staat om versneld huisvesting te realiseren voor aandachtsgroepen. Het gaat dan om huisvesting voor bijvoorbeeld dak- en thuisloze mensen, studenten of arbeidsmigranten. In 2027 is hiervoor € 25 mln. beschikbaar gesteld. Bij een volledige uitputting van het bedrag in 2027 kan de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen naar verwachting bijdragen aan de bouw van circa 2.700 woningen, volledig in het betaalbare segment. De verwachte startbouw is afhankelijk van het project, de bouw moet uiterlijk 36 maanden na ontvangst van de rijksbijdrage beginnen. Vanuit de 7 x € 1 mld. van het coalitieakkoord wordt de bijdrage aan de RHA voortgezet in 2029-2035.

Versnelling huisvesting

Voor de doelgroep flexibele regeling is de Stimuleringsregeling Flex-en Transformatiewoningen (SFT) in 2026 en 2027 uitgebreid. Dit om versneld tot (opstart)woningen te komen voor kwetsbare doelgroepen, waaronder spoedzoekers, ontheemden en vergunninghouders. Hiervoor is aanvullend € 79 mln. beschikbaar gesteld, bovenop reeds beschikbare € 100 mln. in de SFT (cumulatief € 179 mln.).

Gemeenten ontvangen in totaal € 20.000 per nieuw te realiseren woning, waaronder een component voor de onrendabele top en een component voor sociaal beheer. Van de woningen moet 30% bestemd zijn voor statushouders of ontheemden uit Oekraïne.

Bij een volledige uitputting draagt de SFT bij aan het realiseren van circa 2.600 woningen in het betaalbare segment. De verwachte startbouw is afhankelijk van het project, de bouw of transformatie start uiterlijk binnen 18 maanden vanaf de besluitdatum. Gemeenten ontvangen de bijdrage achteraf via de jaarlijkse SiSa-verantwoording ('Single Information, Single Audit').

Vestigingsklimaat

In het voorjaar van 2024 zijn middelen beschikbaar gesteld naar aanleiding van het Convenant van Rijk en Brainportregio Eindhoven over investeringen in het ondernemingsklimaat van de microchipsector. De minister van VRO draagt als onderdeel hiervan zorg voor verschillende maatregelen op het gebied van woningbouw, te weten het realiseren van additionele (studenten)woningen en gebiedsmaatregelen. Voor de periode 2025-2028 wordt cumulatief € 212,5 mln. beschikbaar gesteld op de begroting van VRO. In 2027 is er € 40 mln. beschikbaar.

De 21 gemeenten in de Brainportregio kunnen binnen het plafond van de regeling zelf bepalen welk bedrag zij willen aanvragen. Uitgaande van een gemiddelde bijdrage per woning zouden de bijdragen uitkomen op circa 5.000 woningen in 2027, waarvan minimaal 50% van de woningen betaalbaar is. De bouw van de laatste woningen start op zijn laatst op 31 december 2030 en het project is op zijn laatst in 2033 klaar.

Woningbouwimpuls

De wens om betaalbare woningen te realiseren kan op sommige locaties ertoe leiden dat, ondanks inzet van alle partijen en de algemene bijdrage uit de Realisatiestimulans, plannen een financieel tekort kennen. Veelal mede als gevolg van specifieke eisen en locatiegebonden beperkingen. Voor die locaties ondersteunen we gemeenten met de Woningbouwimpuls. Voor de Woningbouwimpuls is tot en met 2029 circa € 100 mln. per jaar beschikbaar. Bij een volledige uitputting draagt de Woningbouwimpuls bij aan het realiseren van circa 11.000 woningen in 2027, waarvan een bijdrage voor minimaal 50% in het betaalbare segment. De verwachte startbouw is afhankelijk van het project, de bouw moet uiterlijk 36 maanden beginnen. Vanuit de 7 x € 1 mld. van het coalitieakkoord wordt de Woningbouwimpuls voortgezet in 2030-2035.

Realisatiestimulans

Om gemeenten te ondersteunen bij het bouwen van betaalbare woningen is de Realisatiestimulans ingevoerd. Gemeenten ontvangen een vaste bijdrage van € 7.000 per betaalbare woning waarvan de bouw start in de periode 2025 tot en met 2029. Hiervoor is circa € 1,5 mld. beschikbaar. Daarnaast is er € 230 mln. beschikbaar voor een additionele bijdrage aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Een deel van het oorspronkelijke budget van de Realisatiestimulans dat bestemd was als bijdrage voor het versterken van ambtelijke capaciteit en het bijdragen aan de bouw van zorggeschikte woningen wordt separaat ingezet. Dit bedraagt € 420 mln. over de periode 2028-2030. Vanuit de 7 x € 1 mld. van het coalitieakkoord wordt de Realisatiestimulans voortgezet in 2030-2035.

In de begroting is in 2027 € 378,5 mln. gereserveerd. Bij een volledige uitputting van het bedrag in 2027 wordt de Realisatiestimulans uitgekeerd ten behoeve van circa 38.000 gestarte betaalbare woningen in 2026. Ook zullen bijdragen verstrekt worden ten behoeve van het NPLV. Op basis van het daadwerkelijke aantal woningen waarvan de bouw is gestart, wordt conform de reguliere begrotingssystematiek bezien of het geraamde bedrag moet worden bijgesteld.

Grondfaciliteit (grondbeleid)

Naar aanleiding van het IBO-rapport «Op grond kun je bouwen» (Kamerstuk 32847, nr. 1198) is een regeling ontwikkeld om grondaankopen voor woningbouw door gemeenten te stimuleren. De regeling is een instrument dat het risico voor grondaankopen ten behoeve van woningbouw samen met gemeenten moet gaan delen.

Voor dit instrument was aanvankelijk € 390 mln. beschikbaar, waarvan € 90 mln. in 2026. Het beschikbare bedrag in 2026 is vrijgemaakt en ter dekking ingezet voor de intensiveringen opgenomen in de Kamerbrief 'Acties Weerbaarheid Energieschok'. Uw Kamer is hierover geïnformeerd middels een Nota van Wijziging op de eerste suppletoire begroting 2026 van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Voor 2027, 2028 en 2029 is per jaar € 100 mln. beschikbaar. Door € 90 mln. in 2030 en 2031 aan het budget toe te voegen, is het initiële budget van € 390 mln. aangevuld met € 90 mln. Hiermee is in totaliteit € 480 mln. beschikbaar voor de regeling.

Bijdrage aan agentschappen

Grootschalige Rijksprojecten

Het RVB is gestart met fase 1 van het grootschalige woningbouwproject Zuiderhage in Lelystad. Hier worden in de komende jaren, in samenwerking met de provincie en gemeente, 14.000 woningen gebouwd op rijksgrond. De benodigde middelen zijn bij de eerste suppletoire begroting 2024 beschikbaar gesteld en bij de eerste suppletoire begroting 2025 is het kasritme herijkt. In 2027 is er circa € 27,5 mln. beschikbaar.

RVO

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ontvangt een bijdrage voor de voorbereiding, uitvoering en beheer van woningbouwrege­lingen en het Expertteam Woningbouw. RVO verzorgt de technische ondersteuning aan gemeenten en vervult de loketfunctie voor de aanvragen.

Ontvangsten

De ontvangsten bestaan grotendeels uit teruggevorderde huurtoeslag (€ 402,8 mln. in 2027). Terugvorderingen ontstaan tijdens en vooral na afloop van het toeslagjaar bij de definitieve vaststelling van de bijdrage. De ontvangsten in 2027 zijn dus grotendeels gebaseerd op het terugvorderen van huurtoeslag die in 2026 is verstrekt. Daarnaast zijn er ontvangsten à € 5,4 mln. geraamd voor de Regeling Tegemoetkoming Herplaatsing Flexwoningen (RTHF, voorheen financiële herplaatsingsgarantie). Ook zijn er ontvangsten à € 33,2 mln. geraamd voor het grootschalige Rijksproject Zuiderhage.

Extracomptabel

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op de woningmarkt. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, hebben ‘OVB vrijstelling wijkontwikkelingsmaatschappijen’ en ‘OVB vrijstelling wooninvesteringsfondsen’ betrekking op dit beleidsartikel.

Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Kwalitatieve achtergrond informatie per fiscale regeling’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.

Tabel 13 Fiscale regelingen 2025-2027, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € mln.)12
 

2025

2026

2027

Hypotheekrenteaftrek

9.408

10.698

12.123

Aftrek financieringskosten eigen woning

727

747

769

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

35

37

39

Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning

5

4

3

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

382

339

297

Eigenwoningforfait

‒ 2.807

‒ 3.147

‒ 3.412

OVB Verlaagd tarief woning niet-starters

7.992

5.799

5.279

OVB Vrijstelling woning starters

691

761

804

OVB Vrijstelling terugkoop VoV woningen

56

46

41

Algemeen woningtarief 7% overdrachtsbelasting

302

490

Kamerverhuurvrijstelling

6

6

7

OVB vrijstelling overdracht DAEB vastgoed tussen woningcorporaties

27

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

2

OVB: overdrachtsbelasting

3.2 Artikel 2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

Stimuleren van een goede kwaliteit van de gebouwde omgeving op de aspecten duurzaamheid, veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en toegankelijkheid.

Met deze doelstelling doet de minister van VRO recht aan diverse publieke waarden:

  • De energietransitie in de gebouwde omgeving maakt onze energievoorziening minder afhankelijk van instabiele regio's, zorgt voor vermindering van de CO2-uitstoot op de lange termijn en maakt huishoudens weerbaarder tegen schokken in energieprijzen.

  • Gebouwen voldoen aan de eisen van bouwregelgeving op het gebied van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en duurzaamheid.

  • Vermindering van het gebruik van primaire grondstoffen in de bouw door onder meer zo hoogwaardig mogelijk gebruik van bouw- en sloopafval, wat tevens bijdraagt aan de beschikbaarheid en betaalbaarheid van producten en diensten op de langere termijn.

Deze publieke waarden worden op onderdelen concreet gemaakt in de volgende op termijn te bereiken resultaten:

  • Vermindering van de CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving door in 2030 een CO2-reductie van 55% te bereiken ten opzichte van 1990.

  • In de bestaande bouw is het streven om uiterlijk in 2030 2,5 miljoen woningen te isoleren, 120.000 gebouwen vergaand te verduurzamen en 200.000 nieuwe aansluitingen op warmtenetten te realiseren.

  • Huurwoningen met een EFG-label worden de komende jaren versneld verduurzaamd zodat vanaf 2029 alleen nog woningen met minimaal label D verhuurd worden.

  • Voor de utiliteitsbouw zal de implementatie van de vastgestelde Europese Richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD IV) afgerond worden, waaronder het invoeren van minimale energieprestatie-eisen per 2030 en 2033 als respectievelijk 16% en 26% van de slechtste gebouwen aangepakt moet zijn.

  • In 2050 een volledig circulaire economie, met als een van de concrete doelen dat in 2035 ons grondstoffengebruik 15% lager is dan in 2016 Het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023–2030 (NPCE) is een belangrijke stap in de richting om deze doelen te realiseren.

  • Om ervoor te zorgen dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht, wordt gewerkt aan een uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie gebouwde omgeving. Dit is een uitwerking van de Nationale klimaatadaptatiestrategie 2026 voor het onderdeel gebouwde omgeving. Hierin staan centraal de opgaven Klimaatadaptieve nieuwbouw, Klimaatbestendig wonen voor iedereen, Toekomstbestendige werklocaties en Hittebestendige steden en dorpen.

  • In de nationale aanpak funderingen werken publieke, private en maatschappelijke partijen samen aan betrouwbare informatie, een volwassen markt, financiële instrumenten en (proces)ondersteuning.

Met het oog op de doelen binnen dit beleidsartikel is de inzet van burgers, instellingen, bedrijven en de gehele overheid noodzakelijk. Met alle betrokken partijen wordt intensief gesproken over de noodzakelijke acties en te nemen maatregelen. Samen met medeoverheden, corporaties, netbeheerders, energiebedrijven, de financiële sector, de ontwerp-, bouw-, en technieksector en talloze andere bedrijven, instellingen en maatschappelijke organisaties gaan we, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, mensen helpen met het verduurzamen van hun huis of gebouw. We maken wetgeving, stellen eisen aan de huursector, de utiliteitsbouw en stimuleren energiezuinige installaties. De minister van VRO heeft hierbij een stimulerende, regisserende en wetgevende rol.

Stimuleren

Op basis van artikel 120 van de Woningwet, hoofdstuk 4 van de Wet milieubeheer en de Kadasterwet is de minister verantwoordelijk voor het stimuleren van energiebesparing en reductie van CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving. De minister geeft invulling aan deze verantwoordelijkheid door kaderstelling (wet- en regelgeving), financiering en ondersteuning, het uitvoeren van acties, ondersteuning van innovatie (onder andere door middel van subsidies) en monitoring. De minister stimuleert energietransitie in de gebouwde omgeving met verschillende (subsidie)instrumenten, afspraken en ondersteuningsmaatregelen.

Regisseren

Op basis van artikel 4.3 van de Omgevingswet is de minister verantwoordelijk voor het opstellen en het beheer van de bouwregelgeving en stelselverantwoordelijk voor het borgen van de bouwkwaliteit. Op grond van deze verantwoordelijkheid worden in ieder geval regels gesteld over het bouwen van nieuwe bouwwerken, de staat van bestaande bouwwerken en het gebruiken en slopen van bouwwerken. Deze regels worden gesteld vanuit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, duurzaamheid. Door naleving van deze regels is de minimumkwaliteit van bouwwerken gewaarborgd. Toezicht en handhaving hierop berust bij gemeenten.

Gebiedsgerichte aanpak warmtetransitie

De (collectieve) wijkgerichte aanpak loopt stroef. De collectieve verduurzamingsoplossingen (met de laagste maatschappelijke kosten) zijn op veel plekken nog steeds onvoldoende aantrekkelijk (waaronder betaalbaar) voor de individuele eindgebruiker. Om warmtenetten van de grond te krijgen wordt onderzocht of ingezet kan worden op clusterdeals op plekken waar het warmtenet een robuuste keuze is richting 2050. Deze actie loopt samen met de inzet van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Op 1 januari 2027 treedt de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) in werking die gemeenten de bevoegdheid geeft om gebieden aan te wijzen die van aardgas overstappen op een duurzaam alternatief. Op grond van de Wgiw moeten gemeenten in 2027 hun warmteprogramma vaststellen waarin zij bekend maken of en in welke wijken zij de komende tijd aan de slag gaan met verduurzaming. De ondersteuning aan medeoverheden voor de energietransitie wordt in 2027 gebundeld in een nieuw Landelijk Ondersteuningsprogramma Energietransitie (LOE).

Verduurzaming individuele aanpak woningen

In 2027 wordt het beleid voor verduurzaming van woningen en Verenigingen van Eigenaren (vve’s) doorgezet en op een aantal manieren versterkt. Zo loopt de ondersteuning van vve’s via het Expertisecentrum verduurzaming vve’s en de helpdesk door en is er € 25 mln. extra beschikbaar gesteld voor de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars (SVVE) als onderdeel van het maatregelenpakket energiecrisis. Ook wordt de SVVE per 2027 verder verbeterd en vereenvoudigd.

Met middelen uit het energiecrisispakket die in 2026 beschikbaar zijn gesteld voor het Nationaal Warmtefonds kan het Nationaal Warmtefonds ook in 2027 gunstige leningen voor energiebesparende maatregelen aan woningeigenaren met lage en middeninkomens en vve’s verstrekken. Met de extra middelen in de SVVE en gunstige financiering bij Nationaal Warmtefonds kan ondersteuning via gemeenten aan kwetsbare woningeigenaren en vve’s bij het isoleren van hun woningen in 2027 worden doorgezet.

In 2027 wordt de Subsidieregeling verduurzaming en onderhoud huurwoningen (SVOH), die private verhuurders helpt bij verduurzaming, geëvalueerd. In 2027 zal de SVOH, op basis van inzichten uit de markt en van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), worden verbeterd. Ten slotte zal onderzocht worden hoe er invulling gegeven kan worden aan de wens in het coalitieakkoord om per 2040 energielabels D en C bij huurwoningen uit te faseren.

Verduurzaming utiliteitsbouw

De verduurzaming van de utiliteitsbouw wordt doorgaand gestimuleerd met een instrumentenmix van subsidies, fiscale regelingen, financiering, ontzorging voor mkb, maatschappelijk vastgoed en bedrijventerreinen. Daarnaast zal in 2027 de implementatie van de vastgestelde European Performance Buildings Directive (EPBD IV) voor utiliteitsbouw afgerond worden. Dit zal onder meer leiden tot normering voor de gebouwen met de slechtste energieprestatie vanaf 2030, en een koplopersrol voor overheidsinstanties.

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

Sinds 1 januari 2024 is het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in werking getreden alsmede de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) voor eenvoudige nieuwbouw (gevolgklasse 1). Het kwaliteitsborgingsstelsel wordt gedurende de eerste drie jaar na invoering gemonitord en jaarlijks voorzien van een tussenevaluatie. Ten behoeve van politieke besluitvorming over het vervolg van het stelsel zal in 2027 een eindevaluatie worden uitgevoerd. In 2027 wordt verder gewerkt aan enkele wijzigingen van het Bbl, waaronder een verruiming en vereenvoudiging van het vergunningvrij bouwen. Ook wordt er gewerkt aan wijzigingen van het Bbl in verband met de implementatie van EU-regelgeving, zoals de EPBD IV. In 2027 wordt gestart met publiek toezicht op energielabels om de kwaliteit en betrouwbaarheid van labels verder te borgen.

Innovatie en circulariteit in de bouw

Het kabinet zet in op innovatie en verhoging van productiviteit om sneller, schoner en betaalbaarder te kunnen verduurzamen en bouwen. In 2027 worden partijen ondersteund met innovatieve projecten op gebieden als AI, robotisering en automatisering. Daarnaast wordt in 2027 gewerkt aan de ontwikkeling van een landelijke voorziening gebouwgegevens, waardoor gebouwgegevens uit het publieke domein beter ontsloten worden aan rechthebbenden, die hiermee beter geïnformeerd beslissingen over onder meer verduurzaming kunnen nemen. Tevens worden in 2027 industrialisatie en de adoptie en opschaling van standaarden voor gegevensuitwisseling en digitale instrumenten in de hele plan-, bouw- en onderhoudsketen versneld doorgevoerd. De Nationale Aanpak Biobased Bouwen gaat in 2027 een nieuwe fase in met een herijkt programma. De aanpak zal nog meer gericht zijn op opschaling van de markt voor biobased bouwproducten en het stimuleren van de vraag. In 2027 wordt de routekaart WLC-GWP (whole life cycle – global warming potential) aangeboden aan de Europese Commissie. Met dit voorstel wordt beoogd de bijdrage aan de opwarming van de aarde gedurende de gehele levenscyclus van bouwwerken te verlagen richting een klimaat-neutrale gebouwde omgeving.

Aanpak funderingsschade

We werken in 2027 verder aan de nationale aanpak funderingen. Er wordt de komende jaren in stappen toegewerkt naar het normaliseren van de aandacht voor funderingen, waarbij eigenaren tijdig inzicht krijgen in het type fundering onder hun woning en in de mogelijke risico’s op korte en langere termijn. Daarnaast wordt gewerkt aan meer transparantie en betere informatie in het koopproces, zodat mensen bij het kopen van een woning beter afgewogen keuzes kunnen maken. Er wordt hiervoor een convenant opgesteld, dat in 2027 tot uitvoering zal komen. Daarnaast wordt ook gewerkt aan kwaliteitsborging en innovatie voor funderingsonderzoek en -herstel.

Beleidskeuzes uitgelegd

In antwoorden op de begrotingsrapporteurs van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het departementale jaarverslag 2024 is toegezegd om in het begrotingsartikel een verwijzing op te nemen naar eerder verstuurde kaders «beleidskeuzes uitgelegd» (Kamerstuk 36740 VII, nr. 16). Dit om daarmee het inzicht in de koppeling tussen doelen en ingezette middelen op dit begrotingsartikel verder inzichtelijk te maken. Onderstaande tabel toont de eerder met de Tweede Kamer gedeelde onderbouwing van instrumenten die in dit begrotingsartikel terugkomen.

Tabel 14 Eerder verstuurde «Beleidskeuzes uitgelegd» (artikel 2)

Naam instrument

Kamerstuk

Datum onderbouwing

Maatregelen Meerjarenprogramma Klimaat- en energiefonds (KEF) 20251: Perceel verduurzaming gebouwde omgeving

Kamerstuk 32813, nr. 1374

April 2024

Maatregelen Meerjarenprogramma Klimaat- en energiefonds (KEF) 2026: Perceel verduurzaming gebouwde omgeving

Kamerstuk 33043, nr. 114

April 2025

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe (Nij begun)

Kamerstuk 36725-XXII, nr. 4

Mei 2025

Landelijke werking Fonds Duurzaam Funderingsherstel

Kamerstuk 36800-XXII, nr. 6

Oktober 2025

Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH)

Kamerstuk 36915-XXII, nr. 3

April 2026

Ondersteuning energiearmoede

Kamerstuk 36915-XXII, nr. 8

Juni 2026

1

Ten tijde van de verzending van de kamerbrief was het Klimaat- en energiefonds (KEF) nog bekend onder de naam Klimaatfonds.

Tabel 15 Budgettaire gevolgen van beleid art. 2 Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

1.653.003

1.603.537

1.104.078

910.359

795.416

646.360

277.082

         
 

Uitgaven

1.620.735

1.135.421

1.299.402

1.054.795

821.050

718.889

504.918

         

2.1

Energietransitie en duurzaamheid

1.591.253

1.075.918

1.252.019

1.009.289

801.511

699.113

487.074

 

Subsidies (regelingen)

762.904

774.366

868.461

713.986

536.754

429.681

266.204

 

Energiebesparing Koopsector

34.387

50.296

56.281

30.378

21.152

24.604

35

 

Energietransitie en duurzaamheid

26.666

22.684

20.693

19.113

15.394

14.095

9.697

 

Kennis- en innovatieprogramma bouwproductie stikstof

1.256

2.028

480

360

0

0

0

 

Maatschappelijk vastgoed fonds

49.900

30.000

55.000

30.000

30.000

30.000

0

 

Nationaal Groeifonds

19.367

16.827

24.360

11.000

2.400

0

0

 

Nationaal Isolatie Programma

0

0

980

980

980

980

0

 

Ontzorgen Vereniging van Eigenaren

6.257

4.365

4.777

5.303

5.072

4.919

0

 

Renovatieversneller

31.837

20.136

13.627

11.341

3.150

2.350

0

 

SAH

59.896

24.605

22.760

15.980

6.360

10.200

42.500

 

Subsidie verduurzaming en onderhoud huurwoningen

11.308

23.013

16.396

35.654

17.947

25.761

15.311

 

Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

228.925

141.376

438.631

430.371

311.275

175.316

197.011

 

Warmtefonds

216.031

339.460

103.020

112.850

112.300

96.059

0

 

Energiehuis SCF

0

0

3.800

3.800

3.800

3.800

0

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

324

669

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe Wooncorperaties

76.750

76.750

76.750

0

0

0

0

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe innovatie

0

0

500

500

500

500

500

 

SAH warmteprojecten

0

15.000

23.500

0

0

38.500

0

 

Digitalisering en innovatie

0

7.157

5.906

5.356

5.424

1.597

150

 

Opdrachten

5.249

10.651

4.970

2.724

2.723

2.723

700

 

Energietransitie en duurzaamheid

2.571

7.971

2.486

500

500

500

500

 

Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

2.058

2.208

2.284

2.024

2.023

2.023

0

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

620

178

0

0

0

0

0

 

Digitalisering en innovatie

0

294

200

200

200

200

200

 

Personele uitgaven

0

0

4.038

3.999

3.892

3.786

3.746

 

Eigen personeel

0

0

4.038

3.999

3.892

3.786

3.746

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

1.058

3.536

2.918

2.243

1.746

1.750

1.164

 

Energietransitie en duurzaamheid

785

2.084

2.000

993

496

500

470

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

273

780

750

750

750

750

694

 

Digitalisering en innovatie

0

672

168

500

500

500

0

 

Bijdrage aan medeoverheden

742.124

218.953

269.937

174.065

156.660

166.240

146.170

 

Nationaal Groeifonds

0

5.112

0

0

0

0

0

 

Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

16.149

9.285

9.000

9.000

9.000

9.000

0

 

NIP (Lokale aanpak woningisolatie)

466.638

0

0

0

0

0

0

 

NIP (Soortenmanagement) Klimaat- en energiefonds

77

0

0

0

0

0

0

 

Ondersteuning aanpak energiearmoede

0

45.000

45.000

5.000

0

0

0

 

Ventilatie in scholen

127

0

0

0

0

0

0

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

13.732

9.651

6.038

6.503

5.679

4.478

33.259

 

Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

0

172

13.496

9.349

0

10.000

0

 

Aardgasvrije wijken

4.866

0

0

0

0

0

0

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe ontzorgingsprogramma

3.000

3.001

3.501

3.501

3.501

3.501

3.501

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe isolatie en ventilatie

232.535

135.361

141.140

129.721

127.998

127.779

103.928

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe uitvoeringsorganisatie

5.000

11.215

5.015

5.015

5.015

5.015

5.015

 

Energiehuis SCF (Klimaat- en energiefonds)

0

156

42.747

976

467

467

467

 

NIP (Soortenmanagement)

0

0

4.000

5.000

5.000

6.000

0

 

Bijdrage aan agentschappen

79.918

47.022

46.261

37.742

33.528

32.437

22.846

 

Dienst Publiek en Communicatie (Klimaat- en energiefonds)

1.802

442

1.750

1.723

1.676

1.629

0

 

RVB

14.638

10.050

7.850

9.470

8.662

7.500

3.430

 

RVO (Energietransitie en duurzaamheid)

41.208

35.592

27.283

15.689

12.669

12.635

8.119

 

RVO (Uitvoering Energieakkoord)

421

358

8.820

10.331

9.946

10.033

9.301

 

Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

21.849

0

0

0

0

0

1.492

 

Digitalisering en innovatie

0

571

539

500

500

500

500

 

Dienst Publiek en Communicatie

0

9

19

29

75

140

4

 

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

21.390

55.434

74.530

66.208

62.496

46.244

 

EGO (innovatie)

0

4.080

11.600

11.979

7.743

9.040

15.497

 

Handhaving energielabel C

0

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

 

Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

0

15.710

42.234

60.951

56.865

51.856

29.147

2.2

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

29.482

59.503

47.383

45.506

19.539

19.776

17.844

 

Subsidies (regelingen)

16.700

37.755

13.500

12.309

2.280

2.280

2.248

 

Biobased bouwen

12.818

10.965

5.906

4.974

0

0

0

 

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

2.909

4.467

2.255

2.255

2.280

2.280

2.248

 

Aanpak funderingsschade

973

22.323

5.339

5.080

0

0

0

 

Opdrachten

11.601

15.461

18.871

15.370

9.960

9.921

9.400

 

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

11.569

14.241

14.717

10.870

9.960

9.921

9.400

 

Aanpak funderingsschade

32

1.220

4.154

4.500

0

0

0

 

Personele uitgaven

0

0

3.660

3.625

3.559

3.500

3.463

 

Eigen personeel

0

0

3.654

3.619

3.553

3.494

3.457

 

Overige personele uitgaven

0

0

6

6

6

6

6

 

Materiële uitgaven

0

0

694

709

977

795

787

 

Bijdrage SSO's

0

0

667

682

951

769

761

 

Overige materiële uitgaven

0

0

27

27

26

26

26

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

324

523

287

0

0

0

0

 

Overige bijdragen

142

34

0

0

0

0

0

 

Aanpak funderingsschade

182

489

287

0

0

0

0

 

Bijdrage aan medeoverheden

0

3.550

7.471

10.716

0

0

0

 

Aanpak funderingsschade

0

3.550

7.471

10.716

0

0

0

 

Bijdrage aan agentschappen

857

2.214

2.900

2.777

2.763

3.280

1.946

 

RVB

857

1.981

2.479

2.556

2.548

3.071

1.739

 

Aanpak funderingsschade

0

233

196

0

0

0

0

 

Diverse bijdragen

0

0

225

221

215

209

207

         
 

Ontvangsten

58.403

20.684

827

842

1.198

1.139

1.128

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 16 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 2
 

2027

juridisch verplicht

78%

bestuurlijk gebonden

21%

beleidsmatig gereserveerd

1%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Juridisch verplicht

Van het totale uitgavenbudget op artikel 2 is 78% juridisch verplicht. Dit betreft met name de volgende instrumenten:

Subsidies (regelingen)

De uitgaven voor subsidies zijn voor 82% juridisch verplicht. De subsidies voor energietransitie en duurzaamheid betreffen onder andere subsidies voor Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed en Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe Wooncorporaties.

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdragen aan medeoverheden zijn voor 96% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk voor de ondersteuning aanpak energiearmoede en verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe isolatie en ventilatie.

2.1 Energietransitie en duurzaamheid

Subsidies

Energiebesparing Koopsector

Woningeigenaren van verenigingen van eigenaren (vve's) die hun woning willen verduurzamen kunnen voor verduurzamingsmaatregelen terecht bij de subsidieregeling verduurzaming voor verenigingen van eigenaren (SVVE). Aan deze regeling zijn Klimaat- en energiefondsmiddelen toegekend en is budget beschikbaar tot en met 2030. Aan dit budget is voor 2027 vanwege de stijgende energieprijzen als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten eenmalig € 25 mln. toegevoegd.

Energietransitie en duurzaamheid

In het kader van de afspraken voor energietransitie in de gebouwde omgeving verstrekt de minister van VRO subsidies aan enkele partijen, waaronder aan Woonbond, Stichting HIER en de Brede Stroomversnelling, die zich richten op de versnelling van de digitale keten samenwerking in de gebouwde omgeving.

Aan de voorlichtingsorganisatie Stichting Milieu Centraal wordt voor de basisactiviteiten jaarlijks maximaal € 1,5 mln. toegekend voor de periode 2026 tot en met 2029. Dit bedrag heeft betrekking op de verlening van een subsidie aan Milieu Centraal voor het uitvoeren van de basisactiviteiten gericht op de kerntaak van consumentenvoorlichting en het zijn van een onafhankelijke vraagbaak voor consumenten en media op verschillende duurzaamheidsthema’s. De onafhankelijke positie van Milieu Centraal en de wetenschappelijke kennisbasis die hieraan ten grondslag ligt, zijn belangrijk voor consumenten om duurzamere keuzes te maken.

Deze begrotingsvermelding vormen de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) aan Milieu Centraal als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Maatschappelijk Vastgoed Fonds

Om de toegankelijkheid van financiering voor het integraal verduurzamen van maatschappelijk vastgoed te verbeteren wordt een waarborgfonds maatschappelijk vastgoed ingericht.

Daarnaast zijn voor de jaren 2026 tot en met 2030 middelen toegevoegd uit het Klimaat- en energiefonds voor subsidie aan InvestNL waarmee een borgstellingsfaciliteit wordt ingericht voor het verduurzamen, integraal renoveren en vervangende nieuwbouw van maatschappelijk vastgoed. Doel is om eigenaren in het maatschappelijk vastgoed te ondersteunen bij het verkrijgen van financiering, waarmee het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed toegankelijker wordt.  

Nationaal Groeifonds

Vanuit het Nationaal Groeifonds lopen momenteel twee projecten die bijdragen aan het klimaatadaptief en toekomstbestendig maken van de gebouwde omgeving. Met het project Werklandschappen van de Toekomst wordt toegewerkt naar een nieuw normaal, waarin bedrijventerreinen transformeren naar groene, gezonde, energie-efficiënte en klimaatbestendige werklandschappen van de toekomst. Het project Toekomstbestendige Leefomgeving beoogt maatschappelijke uitdagingen in de fysieke leefomgeving op te lossen met emissievrije, circulaire en klimaatbestendige gebouwen en infrastructuur. Dit wordt bereikt door een impuls te geven aan de modernisering van de ontwerp-, bouw- en technieksector, zodat er versnelling, opschaling en een cultuuromslag kan plaatsvinden. 

Ontzorgen VvE

Voor de ontzorging van vve's wordt in samenwerking met Milieu Centraal een landelijk kennis- en expertisecentrum opgericht om vve’s te helpen bij het ingewikkelde verduurzamingsproces. Dit is nodig omdat vve’s in vergelijking met andere soort bebouwing in de gebouwde omgeving achterlopen om hun bijdragen te leveren aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving.

Renovatieversneller

Om de opschaling van de verduurzaming van (huur)woningen te bevorderen, is de huidige subsidieregeling Renovatieversneller aangepast voor vraag- en aanbodbundeling van marktpartijen die op grote schaal willen renoveren. De resterende middelen zijn in lijn met de eerdere doelstellingen van de renovatieversneller gekoppeld aan drie onderdelen: het ondersteuningsprogramma Verbouwstromen, de Subsidieregeling procesondersteuning opschaling renovatieprojecten (SPOR) en de subsidie voor industriële aanpak uitfasering EFG-labels bij woningcorporaties.

SAH

Vanuit de afspraak in het Klimaatakkoord om bestaande huurwoningen te verduurzamen biedt de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) subsidie bij het isoleren en aardgasvrij maken van huurwoningen. Woningen kunnen ook op een warmtenet worden aangesloten en van het aardgas af worden gehaald. In 2027 is € 22,8 mln. beschikbaar voor de vaststellingen van lopende subsidies.

Subsidie verduurzaming en onderhoud huurwoningen

Met de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) kunnen verhuurders van (bestaande) huurwoningen subsidie aanvragen voor het laten uitvoeren van verduurzamingsmaatregelen binnen de bestaande thermische schil van de huurwoning(en). Dit omvat isolatiemaatregelen, ventilatiesystemen en duurzame warmteopties.

Verduurzaming maatschappelijk vastgoed

Voor de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed zijn aan de bestaande subsidieregeling DUMAVA uit het Klimaat- en energiefonds middelen toegekend voor de jaren 2024 tot en met 2030 voor verduurzaming van gebouwen en voor verduurzaming op portefeuilleniveau. Tevens zijn middelen vrijgemaakt voor energielabels in het maatschappelijk vastgoed en handhaving van de normering ter uitfasering van de slechtste labels.

In 2026 is voor de DUMAVA de 5e tranche opengesteld. Voor toegekende subsidies binnen deze tranche zal het voorschotbedrag worden gepland en overgemaakt in 2027. Ook worden vaststellingen betaald van eerdere tranches. Daarnaast wordt ultimo 2027 een volgende tranche opengesteld.

Warmtefonds

Het Nationaal Warmtefonds biedt bredere financieringsmogelijkheden voor woningverduurzaming, in het bijzonder voor woningeigenaren met een laag inkomen en vve’s. Deze stichting biedt financieringsmogelijkheden met 0% rente voor woningeigenaren met huishoudinkomens tot € 60.000 bruto en een rentekorting voor vve's.

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe Wooncorporaties

Aan de woningcorporaties in Groningen en Noord-Drenthe is in 2027 voor de isolatie- en verduurzamingsmaatregelen en ontzorging € 76,8 mln. beschikbaar gesteld in het kader van Nij Begun (Maatregel 29).

SAH warmteprojecten

Vanuit het ministerie van EZK is er momenteel een groot aantal warmteprojecten in ontwikkeling. Vanuit het Klimaat- en energiefonds is in totaal € 77 mln. beschikbaar waarmee vanuit de nieuwe SAH regeling subsidie kan worden verleend voor het aardgasvrij maken van huurwoningen middels inpandige aanpassingen. De openstelling is op 1 oktober 2026, waarbij het grootste deel van de aanvragen in 2027 wordt bevoorschot.

Opdrachten

Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

Het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) is een interbestuurlijk programma van het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) en ondersteunt gemeenten bij de lokale warmtetransitie door kennis en expertise beschikbaar te stellen over het vormgeven en uitvoeren van de lokale warmtetransitie. Voor de uitvoering van het Programma is jaarlijks € 2 mln. beschikbaar tot en met 2030.

Bijdrage aan medeoverheden

Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

Vanuit het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) is met de regeling Specifieke Uitkering (SPUK) regionale structuur Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie jaarlijks € 9 mln. beschikbaar. Regio’s kunnen deze SPUK inzetten voor activiteiten die tot doel hebben om regionaal samen te werken aan het uitvoeren van de warmtetransitie op lokaal niveau.

Ondersteuning aanpak energiearmoede

Vanuit het Klimaat- en energiefonds is voor het pakket Weerbaarheid Energieschok (Nationaal isolatieoffensief) in totaal € 80 mln. vrijgemaakt (€ 40 mln. in zowel 2026 als 2027). Hiermee zet het kabinet via de gemeenten in op het versneld isoleren van woningen waarmee de energierekening van burgers kan worden verlaagd en de afhankelijkheid van buitenlandse energiebronnen kan worden verminderd.

Daar boven op is € 15 mln. beschikbaar gesteld voor een snellere isolatie van woningen in de wijken van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Het kabinet wil de inwoners intensiever begeleiden bij het verduurzamen van hun huis. Bijvoorbeeld door te helpen met het aanvragen en voorfinancieren van subsidies.

Verduurzaming maatschappelijk vastgoed

Middelen zijn beschikbaar gesteld voor de verduurzaming van Rijksvastgoed, die op een natuurlijk moment staan om gerenoveerd te worden, of als alternatief sloop/nieuwbouw. Het gaat onder meer om Rijkskantoren, vastgoed van het COA, Politie en Rijksvastgoed in Caribisch Nederland.

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe isolatie en ventilatie

Uit het totale toegekende budget voor verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe «Nij Begun» (Maatregel 29) zijn middelen toegekend voor het treffen van isolatie- en verduurzamingsmaatregelen van woningen in de provincie Groningen en in Noord-Drenthe. Tevens is ook budget beschikbaar voor de uitvoeringsorganisatie, jaarlijks € 5 mln.

Energiehuis SCF (Klimaat- en energiefonds)

Het Social Climate Fund (SCF) is een Europees fonds waar Nederland een bijdrage voor aanvraagt voor de periode 2027-2032. Een deel hiervan is bestemd voor energiehulp (zoals energiecoaches en -fixers) vanuit Energiehuizen om energiearmoede aan te pakken. Voor 2027 is er € 42,7 mln. aan middelen beschikbaar.

Bijdrage aan agentschappen

RVO (energietransitie en duurzaamheid)

In opdracht van het ministerie van BZK voert de RVO het jaarprogramma uit, voornamelijk op het gebied van energietransitie in de gebouwde omgeving. Het programma behelst kennisverspreiding, beleidsonderbouwing en uitvoering van subsidieregelingen. Daarnaast betreft dit ook de bijdrage voor de RVO voor de uitvoering van diverse regelingen.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

EGO (innovatie)

In het kader van de Integrale Kennis en Innovatieagenda van het Klimaatakkoord en van het missiegedreven innovatiebeleid is de missie vastgesteld en geïnstrumenteerd om te komen tot een CO2-vrije gebouwde omgeving in 2050. Dit gebeurt via een aantal innovatieprogramma's als de Meerjarig Missiegedreven Innovatieprogramma (MMIP) en de Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI). Binnen de programma’s ondersteunt het Rijk Research en Development (R&D) investeringen van grootschalige samenwerkingsverbanden tussen marktpartijen en kennisinstellingen. Deze ondersteuning krijgt vorm via Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI-regeling). Daarnaast wordt geïnvesteerd in kennisopbouw en uitwisseling rondom maatschappelijk vastgoed, via het kennis- en innovatieplatform maatschappelijk vastgoed. Hieraan zijn voor het MMIP vanuit het Klimaat- en energiefonds, onderdeel Nationaal Isolatie Programma, middelen toegevoegd.

Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

In het Kennis- en innovatieplatform verduurzaming maatschappelijk vastgoed (KIP MV) bundelen organisaties van de sectoren zorg, sport, monumenten, musea, onderwijs en gemeenten hun krachten om binnen hun maatschappelijke sector te faciliteren en te ondersteunen bij het verduurzamen van gebouwen.

Daarnaast zijn middelen beschikbaar voor het verduurzamen van rijksvastgoed. Dit betreffen projecten die verder gaan dan de minimale wettelijke vereisten met betrekking tot het verduurzamen van rijksvastgoed. Hierbij worden projecten ondersteund die ten minste richting de renovatiestandaard gaan. Daarmee wordt de voorbeeldrol van het Rijk steeds zichtbaarder.

2.2 Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

Opdrachten

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

De minister van VRO verstrekt ten behoeve van een goed functionerend stelsel van bouwregelgeving in 2027 opdrachten voor werkzaamheden van het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN), de stichting Nationale Milieu Database (NMD) en diverse onderzoeken in het kader van bouwregelgeving en bouwkwaliteit.

Vanuit de kerntaak «het wettelijk waarborgen van een maatschappelijk noodzakelijk minimum kwaliteitsniveau van bouwwerken» worden waar nodig wijzigingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving aangebracht.

Bijdragen aan medeoverheden

Aanpak funderingsschade

De middelen voor aanpak funderingsschade zijn onder andere bestemd voor het ontwikkelen van handelingsperspectief voor gebouweigenaren met funderingsschade en betrokken partijen op lokaal niveau, als onderdeel van de gebiedsgerichte leeraanpak.

3.3 Artikel 3. Ruimtelijke ordening en Omgevingswet

Een goede kwaliteit van de leefomgeving

De realisatie van een veilige, gezonde en aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een efficiënt gebruik van onze ruimte, nu en in de toekomst. Daarnaast werkt de minister van VRO aan de nationale wettelijke kaders en instrumenten waarmee overheden burgers en bedrijven gezamenlijk werken aan een veilige en gezonde leefomgeving een goede omgevingskwaliteit.

Stimuleren

Om de slagvaardigheid van het openbaar bestuur te versterken stimuleert de minister de samenwerking tussen overheden en het werken als één overheid.

Regisseren

De minister van VRO is samen met de vakministers verantwoordelijk voor het beleid voor de leefomgeving:

  • De minister is systeemverantwoordelijk voor de Nationale Omgevingsvisie, waaronder kennisontwikkeling voor de uitvoering en de evaluatie en monitoring daarvan;

  • De minister is stelselverantwoordelijk voor de Omgevingswet;

  • Het zorgdragen voor een gestructureerde afstemming met de medeoverheden in het bestuurlijk overleg Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en met de regio in de vorm van het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving;

  • Het – via de omgevingsagenda’s – in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het ruimtelijk-fysieke domein (onder andere woningbouw, bereikbaarheid, economie, energie, natuur en waterveiligheid);

  • Het inzetten van ontwerp in ruimtelijke projecten en programma’s bij de begroting van VRO en het stimuleren van ontwerp bij projecten en programma’s, zowel interdepartementaal als bij andere overheden.

De minister van VRO heeft een regisserende rol ten aanzien van de geo-informatie in Nederland en heeft in dat kader een systeemverantwoordelijkheid voor de Nationale Geo-informatie-Infrastructuur. De minister van VRO geeft aan deze verantwoordelijkheid invulling door:

  • Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en Europese kaders en wet- en regelgeving ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie en de bijbehorende informatievoorziening;

  • Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders op het terrein van de geo-informatie;

  • Het stimuleren van de samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en wetenschap in het kader van de toekomstvisie GeoSamen;

  • Het zorgen voor een toekomstvaste exploitatie van de geo-basisregistraties en basisvoorzieningen en de verdere doorontwikkeling van deze geo-informatie-infrastructuur in het kader de visie Zicht op Nederland (ZoN) en het programma ZoN Datafundament (voorheen programma DiS-Geo);

  • Het bevorderen van de ontwikkeling van een netwerk van Digitale Tweelingen;

De minister coördineert aan rijkszijde de integrale aanpak van de grootstedelijke problematiek vanuit het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid.

De minister kan op basis van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek op verzoek van de gemeenteraad wooncomplexen of straten aanwijzen waarin aan woningzoekende huurders eisen kunnen worden gesteld of voorrang wordt verleend. Op basis van de Wet aanpak woonoverlast (artikel 151d van de Gemw) is de minister stelselverantwoordelijk om hiermee gemeenten de mogelijkheid te bieden ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden tegen te gaan door middel van het opleggen van een gedragsaanwijzing.

Daar waar het juridisch instrumentarium ontoereikend is voor het oplossen van de grootstedelijke problematiek en een integrale aanpak in de weg staat, zal door de minister meer ruimte worden gecreëerd voor experimenten en maatwerk.

De minister van VRO heeft een ontwikkelende, een faciliterende en een regisserende rol in de uitvoering van de Omgevingswet:

  • Vanuit de lijnorganisatie van het ministerie van BZK wordt, onder interbestuurlijk opdrachtgeverschap van Rijk, IPO, VNG en UvW, gewerkt aan het ondersteunen van burgers, bedrijven, bevoegd gezagen en andere stakeholders bij de stelselherziening. Het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) wordt verder beheerd, afgebouwd, uitgebouwd en doorontwikkeld op basis van de interbestuurlijke afspraken en opgedane gebruikerservaringen.

Dataspace Fysieke Leefomgeving (DSFL) en doorontwikkeling Nationale Geo-informatie Infrastructuur (NGII)

In 2027 zetten we de eerste stappen richting de realisatie van een Data Space voor de Fysieke Leefomgeving, als onderdeel van de meerjarige doorontwikkeling van de Nationale Geo-informatie Infrastructuur (NGII). De NGII wordt op basis van de beleidsvisie «Zicht op Nederland» doorontwikkeld naar een ecosysteem dat geschikt is voor datagedreven werken in de fysieke leefomgeving. De Data Space vergemakkelijkt het efficiënt én veilig uitwisselen van gebiedsinformatie tussen alle betrokken partijen, ten behoeve van het aanpakken van complexe, maatschappelijke opgaven in onze leefomgeving. Zo waarborgen we dat gegevens waar nodig afgeschermd blijven, zonder onnodige belemmeringen te creëren. Daarnaast versterken we de samenwerking tussen ministeries, overheden en private partijen om het gebruik van ruimtelijke informatie verder te bevorderen en zelf in de praktijk te brengen.

Tabel 17 Budgettaire gevolgen van beleid art. 3 Ruimtelijke ordening en Omgevingswet (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

380.091

174.142

188.594

176.494

158.242

153.190

142.930

         
 

Uitgaven

460.250

174.142

188.594

176.494

158.242

153.190

142.930

         

3.1

Ruimtelijke ordening

65.857

70.170

68.386

66.883

68.775

65.590

64.755

 

Subsidies (regelingen)

1.808

1.838

767

767

767

767

767

 

Geo-informatie

540

585

471

471

471

471

471

 

Ruimtelijk Ontwerp

219

408

0

0

0

0

0

 

Ruimtelijk instrumentarium (diversen)

146

450

296

296

296

296

296

 

3D modellen gemeenten

795

305

0

0

0

0

0

 

NOVEX

108

90

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

7.380

18.032

17.269

15.996

14.140

14.070

14.119

 

Basisregistratie Ondergrond

805

1.198

298

298

0

0

0

 

NOVEX

363

2.156

3.910

3.848

3.785

3.785

3.780

 

Geo-informatie

440

1.048

594

0

0

0

0

 

Nationaal Groeifonds

19

141

201

94

194

194

194

 

Ruimtelijk Ontwerp

2.927

5.255

4.934

4.593

3.980

3.977

3.975

 

Ruimtelijk instrumentarium (diversen)

2.826

8.234

7.332

7.163

6.181

6.114

6.170

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

40.766

40.354

38.327

36.888

36.070

35.626

34.854

 

Basisregistratie Ondergrond

25

0

0

0

0

0

0

 

Diverse bijdragen

420

0

0

0

0

0

0

 

Geonovum

2.745

3.751

3.193

2.801

2.616

2.616

2.613

 

Basisregistraties (Kadaster)

36.116

34.676

34.166

33.988

33.454

33.010

32.241

 

Nationaal Groeifonds

1.426

1.095

626

99

0

0

0

 

Geo-informatie

34

488

341

0

0

0

0

 

NOVEX

0

344

1

0

0

0

0

 

Bijdrage aan medeoverheden

8.086

220

44

134

2.841

234

234

 

Diverse projecten ruimtelijke kwaliteit

5.392

0

0

0

2.581

0

0

 

NOVEX

0

5

0

0

0

0

0

 

Nationaal Groeifonds

215

215

44

134

260

234

234

 

Ruimtelijk instrumentarium (diversen)

2.479

0

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan agentschappen

7.817

8.702

5.332

4.817

3.855

3.791

3.689

 

ICTU

2.829

3.212

75

0

0

0

0

 

RIVM

1

126

126

125

122

120

116

 

RVB

3.580

3.368

3.094

3.064

2.364

2.313

2.232

 

RWS (leefomgeving)

1.407

1.996

2.037

1.628

1.369

1.358

1.341

 

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

1.024

6.647

8.281

11.102

11.102

11.092

 

Beheer Geo-informatie

0

163

4.703

4.682

4.732

4.732

4.727

 

Ontwikkeling Geo-informatie

0

861

1.944

3.599

6.370

6.370

6.365

3.2

Omgevingswet

73.067

103.972

120.208

109.611

89.467

87.600

78.175

 

Subsidies (regelingen)

1.344

3.765

4.219

2.559

2.042

2.042

2.042

 

Uitvoeringsondersteuning Omgevingswet

1.344

3.765

4.219

2.559

2.042

2.042

2.042

 

Opdrachten

1.317

3.909

5.564

5.653

2.153

2.153

2.152

 

Omgevingswet

1.149

3.724

5.379

5.500

2.000

2.000

2.000

 

Serviceteam Rijk

168

185

185

153

153

153

152

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

40.902

38.518

60.917

53.622

46.180

44.906

35.769

 

Kadaster

40.902

38.518

60.917

53.622

46.180

44.906

35.769

 

Bijdrage aan agentschappen

29.504

57.780

49.508

47.777

39.092

38.499

38.212

 

Omgevingswet

26.106

53.279

45.512

44.158

36.017

35.466

35.245

 

Serviceteam Rijk RWS

2.054

3.112

2.607

2.396

1.877

1.861

1.836

 

Serviceteam Rijk

1.344

1.389

1.389

1.223

1.198

1.172

1.131

3.3

Regio

321.326

0

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

71

0

0

0

0

0

0

 

Regiodeals

71

0

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

438

0

0

0

0

0

0

 

Regiodeals

438

0

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan medeoverheden

320.817

0

0

0

0

0

0

 

Regiodeals

320.817

0

0

0

0

0

0

         
 

Ontvangsten

16.588

5.431

3.824

3.824

3.824

3.824

3.824

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 18 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 3
 

2027

juridisch verplicht

10%

bestuurlijk gebonden

86%

beleidsmatig gereserveerd

4%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Juridisch verplicht

Van het totale uitgavenbudget op artikel 3 is 10% juridisch verplicht en is 86% bestuurlijk gebonden.

3.1 Ruimtelijke ordening

Subsidies

Geo-informatie

Dit betreft een subsidie aan de Stichting Geonovum voor het ontwikkelen en beheren van geo-standaarden, kennisoverdracht en advisering over geo-informatie en geo-informatie infrastructuur.

Opdrachten

NOVEX

De financiële middelen voor NOVEX worden ingezet voor:

  • Het gebiedsgericht tot stand laten komen van ruimtelijke strategieën, ontwikkelperspectieven, uitvoerings- en investeringsagenda’s in NOVEX- en verstedelijkingsgebieden;

  • Het ondersteunen van de Rijk-provinciedialoog en uitvoering van (nieuwe) bestuurlijke afspraken in de NOVEX-aanpak met provincie;

  • Het versterken van de uitvoeringskracht in gebiedsgerichte samenwerking en de gecoördineerde inzet van Rijksuitvoeringsorganisaties hierbij;

  • Het uitwerken van de kaders voor een brede landelijk integrale ruilgrondenportefeuille;

  • Het uitvoeren van ontwerpend onderzoek benodigd voor het in beeld brengen van stapelende ruimtelijke opgaven en hierin benodigde ruimtelijke keuzes;

  • Kennisontwikkeling en doorontwikkeling van het NOVEX-proces.

Ruimtelijk Ontwerp

Met de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp (ARO) 2026-2028 werken de ministeries van BZK en OCW samen aan het stimuleren van een effectieve inzet van ruimtelijk ontwerp. In het bijzonder met ontwerpend onderzoek bij de aanpak van urgente en complexe ruimtelijk-maatschappelijke opgaven op lokaal en regionaal niveau. Het doel is om de voorwaarden voor die inzet te verbeteren, de kennis erover te verspreiden en de ervaring ermee te vergroten, zodat zoveel mogelijk partijen op zoveel mogelijk plekken (zelf) aan de slag kan met deze aanpak.

De belangrijkste operationele doelen van ARO zijn:

  • Meer ontwerpers, publieke en private opdrachtgevers, burgers en andere betrokkenen ervaring laten opdoen met de inzet van ontwerpend onderzoek door gezamenlijk aan concrete oplossingsrichtingen voor complexe lokale opgaven te werken.

  • Ontwikkelen van oplossingen voor ruimtelijk complexe gebiedsopgaven door de relevante betrokken partijen met de inzet van ontwerpend onderzoek te laten samenwerken aan die opgaven.

  • Het onder een breed publiek (van burgers tot professionals) effectief verspreiden van toegankelijke en bruikbare kennis over de inzet van ontwerpend onderzoek bij samenhangende ruimtelijke opgaven op lokaal en regionaal niveau.

Ruimtelijk instrumentarium (diversen)

De financiële middelen voor het ruimtelijk instrumentarium worden ingezet voor:

  • De totstandkoming van de Nota Ruimte inclusief Plan-Milieueffectrapportage (Plan-MER), het participatieproces en de dag van de Ruimtelijke Ordening);

  • De monitor van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de inrichting van de beleidsevaluatie van de NOVI;

  • De kosten voor de Evaluatie Commissie Omgevingswet, inclusief onderzoeken en de financiële monitoring van de Omgevingswet;

  • Het beheer en onderhoud van het ruimtelijk deel van het stelsel van de Omgevingswet;

  • Het Programma Grondbeleid.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Geonovum

Dit betreft een structurele bijdrage aan Geonovum. De bijdrage is bestemd voor het realiseren van afspraken, standaarden en modellen met betrekking tot de volgende onderwerpen:

  • Europese digitaliserings- en databeleid/INSPIRE;

  • Digitale Ruimtelijke Ordening (DRO);

  • Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT);

  • Basisregistratie Ondergrond (BRO);

  • Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK);

  • Advisering GeoSamen;

  • Datafundament binnen Zicht op Nederland;

  • European Digital Infrastructure Consortium (EDIC) Digital Twin;

  • Mondiale, Europese en nationale kaders.

Basisregistraties (Kadaster)

Dit betreft een structurele bijdrage aan het Kadaster. Deze bijdrage is bestemd voor het beheer, adaptief onderhoud en de doorontwikkeling van de landelijke voorzieningen van basisregistraties in het geo-informatiedomein. Dit gebeurt als onderdeel van het Datafundament binnen het programma 'Zicht op Nederland'. In enkele gevallen is de bijdrage ook bedoeld voor het actueel houden van de inhoud van de registraties.

Het gaat hierbij om de volgende basisregistraties:

  • de Basisregistratie Kadaster (BRK);

  • de Basisregistratie Topografie (BRT);

  • de Landelijke Voorziening Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG);

  • de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT);

  • en de ontsluiting van de Basisregistratie Ondergrond (BRO).

Daarnaast betreft het beheer en de doorontwikkeling van gezamenlijke verstrekkingsvoorzieningen voor geo-informatie, zoals:

  • Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK);

  • het Nationaal Geo-Register (NGR) in relatie tot de Europese richtlijn INSPIRE;

  • de High Value Datasets;

  • en het landelijke online portaal voor ruimtelijke plannen.

Nationaal Groeifonds

Het ministerie van BZK neemt deel aan het programma Dutch Metropolitan Innovations (DMI, een programma van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) met het project voor Flevoland ('Zicht op Flevoland'), waarvoor een bijdrage uit het Nationaal Groeifonds (NGF) is verkregen.

In «Zicht op Flevoland» ontwikkelt de minister van VRO in samenwerking met Geonovum een digitaal afsprakenstelsel om de domeinen mobiliteit, openbare ruimte en woningbouw te voorzien van digitale tweelingen. Dit zijn instrumenten die de complexe vraagstukken in de fysieke leefomgeving visualiseren en inzichtelijk maken ter ondersteuning van de beeld-, oordeels-, en besluitvorming.

Geonovum ontvangt een bijdrage van de minister van VRO voor het ontwikkelen van standaarden ten behoeve van het interoperabel en platformonafhankelijk maken van Digitale Tweelingen.

Bijdrage aan agentschappen

RVB

Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) ontvangt een (jaarlijkse) bijdrage voor gebiedsverkenningen, -analyses en -projecten met (mogelijk) maatschappelijke meerwaarde door inzet van rijksvastgoed (gronden en gebouwen). Bij voorkeur gaat het hier om integrale trajecten met een bijdrage aan meerdere beleidsdoelen, zoals volkshuisvesting, energietransitie en stikstof.

RWS (leefomgeving)

Rijkswaterstaat ontvangt een bijdrage voor diverse beleidsondersteunende en adviserende activiteiten in het domein van de fysieke leefomgeving.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Beheer Geo-informatie

De Nationale Geo-Informatie Infrastructuur (NGII) bestaat uit geobasisregistraties met geografische gegevens over de fysieke leefomgeving. Om de basis van bestaande systemen op orde te houden en te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen zijn structurele middelen beschikbaar gesteld. Dit betreft de bijdrage voor de beheerkosten van de basisregistratie binnen de NGII. Deze middelen worden overgeheveld naar de begroting van het ministerie van EZK ten behoeve van de opdracht aan TNO Geologische Dienst Nederland.

Ontwikkeling Geo-informatie

Dit betreft de bijdrage voor de ontwikkelingen van de basisregistraties binnen de NGII, de structurele invulling hiervan wordt in 2027 verder uitgewerkt.

3.2 Omgevingswet

Subsidies

Uitvoeringsondersteuning Omgevingswet

Dit betreft subsidies aan de VNG, de UvW en het IPO, voor ondersteuning van de bevoegde gezagen bij het (leren) werken met de Omgevingswet. Daarnaast betreft dit een subsidie aan de TU Delft voor de leerstoel omgevingsrecht.

Opdrachten

Omgevingswet

Ter ondersteuning van bevoegd gezagen bij het werken met de Omgevingswet en ten behoeve van de uitvoeringsondersteuning van het DSO worden werkplaatsen, workshops en webinars georganiseerd. Dit alles helpt de bevoegde gezagen bij het werken met het DSO. Daarnaast worden diverse opdrachten verstrekt voor onderzoeken en evaluaties.

Bijdrage aan ZBO's / RWT's

Kadaster

Het Kadaster verzorgt de tactische beheerorganisatie (TBO) van het DSO. Het Kadaster ontvangt een bijdrage van het ministerie van BZK voor de coördinerende tactische taken en vervult hiermee de rol van gedelegeerd opdrachtgever voor de operationele beheerorganisaties (OBO’s) Rijkswaterstaat (RWS), Geonovum en Kadaster. Deze bijdrage is bestemd voor werkzaamheden in het kader van de afbouw, uitvoeringsondersteuning, het beheer en de exploitatie, alsook de doorontwikkeling en uitbouw van de DSO-LV. De taken voor de TBO worden per 1 juli 2027 intern binnen BZK verder uitgevoerd.

Het Kadaster levert ook een bijdrage als OBO en ontvangt hiervoor een bijdrage, deze bijdrage is bestemd voor werkzaamheden in het kader van de afbouw, uitvoeringsondersteuning, het beheer en de exploitatie, alsook de doorontwikkeling en uitbouw van de DSO-LV.

Bijdrage aan agentschappen

Omgevingswet

Dit betreft allereerst een bijdrage aan Rijkswaterstaat (RWS) voor het beheer van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) en voor hun taken als OBO.

Logius, organisatieonderdeel Kennis- en Exploitatiecentrum voor Officiële Overheidspublicaties (KOOP), ontvangt een bijdrage voor het beheer en doorontwikkeling van de LVBB en de Standaard Officiële Publicaties (STOP), beide onderdeel van het DSO.

Serviceteam Rijk RWS

Het Serviceteam Rijk (STR) verzorgt voor het Rijk de digitalisering van regelgeving onder de Omgevingswet ten behoeve van bekendmaking en ontsluiting in het DSO-LV. Daartoe ontvangt VRO bijdragen van de ministeries van IenW, OCW, EZK, LVVN en DEF. RWS voert in opdracht van STR werkzaamheden uit. Dit betreft het omzetten van juridische regels in toepasbare regels en het beheer daarvan.

Ontvangsten

Dit betreft de bijdrage van de Unie van Waterschappen voor de basisregistraties.

3.4 Artikel 4. Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

De minister van VRO geeft uitvoering aan het rijksvastgoedbeleid door het verzorgen van de rijkshuisvesting van Hoge Colleges van Staat, het ministerie van Algemene Zaken en het Koninklijk Huis, het beheren van monumenten die, naar hun aard, niet geschikt zijn voor rijkshuisvesting en het uitvoeren van het rijkshuisvestingsbeleid. Daarnaast realiseert het een optimaal financieel resultaat en maatschappelijk rendement bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden van materiële activa van/voor het Rijk voor de realisatie van rijksdoelstellingen, gerelateerd aan de strategische opgaven van het kabinet. Tot slot wordt er vanuit het Rijk ingezet op het op peil houden van de grondportefeuille, middels de regeling voor compensatiegronden.

Uitvoeren

De minister van VRO is, als opdrachtgever en uitvoerder, verantwoordelijk voor:

  • de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken;

  • de huisvesting van het Koninklijk Huis, voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat;

  • het beheer en onderhoud van de monumenten die aan het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) zijn toevertrouwd en die naar hun aard niet geschikt zijn voor de huisvesting van rijksdiensten;

  • de doelmatige uitvoeringspraktijk van de rijkshuisvesting binnen de wettelijke en afgesproken kaders.

Daarnaast is de minister als uitvoerder op het terrein van rijksvastgoed verantwoordelijk voor:

  • het materieel beheer van onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet bij of krachtens de wet bij een of meer andere ministers is gelegd, zoals de portefeuille met agrarische (domein)gronden;

  • de vertegenwoordiging namens het Rijk bij gebiedsontwikkelingspro­jecten waarbij meervoudige rijksdoelstellingen aanwezig zijn. Ook hierbij wordt gestreefd naar een optimale inzet van (overtollige) rijksactiva en/of financiële bijdragen van het Rijk;

  • ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) onroerende zaken van andere ministeries. Voor zover er op basis van de huidige begro­tingsregels van het kabinet sprake is van een generieke middelen af­spraak met een minister, wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door de betreffende minister begroot en verantwoord op de eigen begroting.

Er zijn geen beleidswijzigingen voorgenomen voor 2027.

Tabel 19 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 Uitvoering Rijksvastgoedbeleid (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

212.239

265.346

252.034

272.824

263.811

252.611

423.490

         
 

Uitgaven

212.239

265.346

252.034

272.824

263.811

252.611

423.490

         

4.1

Doelmatige Rijkshuisvesting

103.621

131.422

128.348

147.596

160.889

157.944

344.508

 

Bijdrage aan agentschappen

103.621

131.422

128.348

147.596

160.889

157.944

344.508

 

RVB (Bijdrage voor huisvesting HCvS)

69.523

88.587

85.101

105.313

117.675

116.027

302.797

 

RVB (Bijdrage voor huisvesting Koninklijk Huis)

18.131

19.999

21.450

22.379

22.548

22.383

21.945

 

RVB (Bijdrage voor huisvesting Ministerie van AZ)

4.540

8.864

10.195

9.320

10.193

9.233

9.542

 

RVB (Bijdrage voor monumenten)

4.453

4.917

3.489

3.463

3.488

3.488

3.488

 

RVB (Bijdrage voor rijkshuisvesting)

6.974

9.055

8.113

7.121

6.985

6.813

6.736

4.2

Beheer materiële activa

108.618

133.924

123.686

125.228

102.922

94.667

78.982

 

Bijdrage aan agentschappen

108.618

133.924

123.686

125.228

102.922

94.667

78.982

 

RVB

19.016

26.238

26.099

25.850

15.576

15.205

15.037

 

RVB (Bijdrage voor compensatiegronden en erfpachtrecht)

15.000

25.000

12.000

12.000

12.000

12.000

5.000

 

RVB (Onderhoud en beheerkosten)

5.314

4.781

4.130

4.130

4.130

4.130

4.130

 

RVB (Zakelijke lasten)

69.288

77.905

81.457

83.248

71.216

63.332

54.815

         
 

Ontvangsten

136.450

233.784

110.922

110.872

103.072

103.022

95.972

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 20 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 4
 

2027

juridisch verplicht

90%

bestuurlijk gebonden

10%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Juridisch verplicht

Van het totale uitgavenbudget van artikel 4 is 90% juridisch verplicht. Dit betreft het volgende instrument:

Bijdrage aan agentschappen

Het budget is voor 90% juridisch verplicht. Het betreft onder andere de gebruiksvergoedingen en de bevoorschotting.

4.1 Doelmatige Rijkshuisvesting

Bijdrage aan agentschappen

RVB (Bijdrage voor huisvesting Hoge Colleges van Staat)

Uit de beschikbare middelen in de begroting worden rente en afschrijving, onderhoud en kleine investeringen bekostigd ten behoeve van de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat. Naast de reguliere huisvestingskosten zijn in 2027 de kosten voor rente en afschrijving van de tijdelijke huisvesting van de Binnenhofgebruikers en de diverse tijdelijke kosten voor de renovatie van het Binnenhof verwerkt.

RVB (Bijdrage voor huisvesting Koninklijk Huis)

Krachtens artikel vier van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis worden drie paleizen ter beschikking gesteld aan de Koning. Dit zijn paleis Huis ten Bosch, paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis te Amsterdam. De bekostiging hiervan vindt plaats via de begroting van VRO.

De bijdrage aan het RVB voor huisvesting van het Koninklijk Huis bedraagt in 2027 circa € 21,4 mln. en is opgebouwd uit de volgende componenten:

  • Circa € 10,2 mln. rente en afschrijving voor investeringen die via de leenfaciliteit zijn gefinancierd en zijn geactiveerd op de balans van het RVB;

  • Circa € 9,6 mln. voor regulier onderhoud. Hiermee worden onder meer technische installaties onderhouden, worden storingen verholpen en worden gebouwen onderhouden en hersteld. Voor het onderhoud aan de paleizen geldt - vanwege het veelal monumentale karakter van de objecten - een hogere norm dan voor kantoren;

  • Het restant van circa € 1,6 mln. betreft betalingen voor met name kleinere investeringen op basis van wet- en regelgeving (onder andere brandveiligheid) en kosten voor kleinere aanpassingen.

Conform een door de minister-president gedane toezegging bij de behandeling van de ontwerpbegroting 2016 van de Koning, geeft onderstaande meerjarenplanning inzicht in geplande onderzoeken naar en het meerjarig groot onderhoud en renovatie van de paleizen. Over de wijze waarop zulke projecten gefinancierd worden is de Tweede Kamer geïnformeerd in de brief van 2 december 2015 (Kamerstuk 34300 XVIII, nr. 45).

Tabel 21 Onderzoek en renovatie huisvesting Koninklijk Huis
 

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Paleis Huis ten Bosch

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Koninklijk Paleis Amsterdam

Start onderhoud dak

Lopend

Lopend

Lopend

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Paleis Noordeinde

Geen

Geen

Geen

Lopend

Lopend

Lopend

Geen

Geen

Geen

RVB (Bijdrage voor huisvesting ministerie van Algemene Zaken)

Uit de beschikbare middelen in de begroting worden rente en afschrijving, onderhoud en kleine investeringen bekostigd ten behoeve van de huisvesting van het ministerie van Algemene Zaken.

RVB (Bijdrage voor monumenten)

Dit betreft de bijdrage aan het RVB voor het beheer en onderhoud van een aantal monumenten die naar hun aard niet geschikt zijn voor huisvesting van rijksdiensten.

RVB (Bijdrage voor rijkshuisvesting)

Dit betreft activiteiten die in het kader van verschillende beleidsdoelen op het gebied van rijkshuisvesting worden uitgevoerd. Het RVB draagt onder meer bij aan de realisatie van rijksdoelstellingen door te werken aan energiebesparing, duurzaamheid van de gebouwenvoorraad van het Rijk en een doelmatige werking van het rijkshuisvestingstelsel, onder andere door te standaardiseren en het opstellen van een Rijksbouwgids. Maar ook door bij te dragen aan de totstandkoming van de rijkswerkplek en uitvoering te geven aan professioneel publiek opdrachtgeverschap in de bouw. Daarnaast gebeurt dit onder meer door werkzaamheden van de Rijksbouwmeester voor de bevordering en bewaking van de kwaliteit van de architectuur, de stedenbouwkundige inpassing en van de beeldende kunst.

Binnen het RVB loopt het Programma Groene Innovaties (PGI). Om de duurzaamheidsdoelen te behalen en productie te versnellen is innovatie nodig. PGI sluit aan bij het vernieuwde RVB Innovatiebeleid en draagt bij aan de RVB Innovatieagenda. Het programma richt zich primair op de innovatieopgave «Uitvoeringskracht vergroten en duurzaamheidskansen benutten: uitstoot van broeikasgassen, water, energieopwekking & -opslag en grondstoffen en natuurinclusief» door te financieren, begeleiden en te verbinden. Digitalisering is onderdeel van de opgave.

Het PGI helpt door portefeuillegerichte stimulering, versnelling en uitvoering. Het RVB zet daarbij de stap naar bredere implementatie (opschaling), zowel binnen onze organisatie als in samenwerking met de markt. Zo draagt het PGI bij aan een duurzame en toekomstgerichte vastgoedportefeuille.

4.2 Beheer materiële activa

Bijdrage aan agentschappen

RVB

Dit betreft de bijdrage aan het RVB voor de uitvoering van de wettelijke taak van het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken (niet-rijkshuisvesting) die de Staat toebehoren. Dit beheer betreft met name werkzaamheden rond (ver)huur, (erf)pacht, medegebruik en de verwerking van zakelijke lasten van het Rijk.

RVB (Bijdrage voor compensatiegronden en erfpachtrecht)

Het gaat hierbij om uitgaven die gebruikt kunnen worden voor het aankopen van compensatiegronden en het terugkopen van aangeboden erfpachtrechten. Het Rijk kan de agrarische compensatiegronden voortaan niet alleen voor rijksinfrastructuur en andere taken van rijkspartijen inzetten, maar ook voor andere beleidsdoelen die door medeoverheden worden gerealiseerd. Dit betekent dat er meer vraag naar het gebruik van compensatiegronden is. Om te voorkomen dat de beschikbare voorraad afneemt, koopt het RVB waar mogelijk compensatiegronden aan en koopt het erfpachtrechten terug. De uitgaven kunnen slechts geschieden op het moment dat ontvangsten gerealiseerd zijn.

RVB (Onderhoud en beheerkosten)

Het gaat hierbij om uitgaven voor onderhoud en beheer van de onroerende zaken (niet-rijkshuisvesting) die in het beheer zijn van het RVB. Beheerkosten zijn (externe) kosten in verband met ingebruikgeving en vervreemding, bijvoorbeeld energie-, beveiligings- en taxatiekosten.

RVB (Zakelijke lasten)

Het gaat hier om de betaling van door gemeenten en waterschappen opgelegde belastingen en heffingen op onroerende zaken in eigendom bij de Staat voor zover het niet de rijkshuisvesting betreft. Gedacht moet worden aan de onroerendezaakbelasting, waterschapsheffingen en rioolheffingen bij de onroerende zaken van de Staat. De uitgaven bestaan voor circa 80% uit gemeentelasten en voor 20% uit waterschapslasten. De zakelijke lasten die samenhangen met rijkshuisvesting worden verantwoord op de baten-lastenbegroting van het agentschap RVB.

Ontvangsten

De totale ontvangsten kunnen worden opgedeeld in onderstaande posten.

Zakelijke lasten

De ontvangsten betreffen met name terugbetalingen door huurders - niet zijnde rijksgebruikers - van door het RVB betaalde belastingen en heffingen opgelegd door gemeenten en waterschappen.

Ingebruikgevingen

Het gaat hierbij om de ingebruikgeving (met name verpachting en verhuur) van de onroerende zaken van de Staat voor zover er voor de opbrengst uit ingebruikgeving geen middelenafspraak bestaat.

Vervreemding

Het gaat hierbij om de vervreemding van de (onder andere agrarische) onroerende zaken van de Staat, voor zover voor de opbrengst uit vervreemding geen middelenafspraak bestaat. De opbrengsten uit middelenafspraken worden verantwoord via de begrotingen van de betreffende departementen.

Compensatiegronden en erfpachtrechten

Het gaat hierbij om de ontvangsten die gebruikt kunnen worden voor het aankopen van compensatiegronden en het terugkopen van aangeboden erfpachtrechten. Het Rijk kan de agrarische compensatiegronden voortaan niet alleen voor rijksinfrastructuur en andere taken van rijkspartijen inzetten, maar ook voor andere beleidsdoelen die door medeoverheden worden gerealiseerd. Dit betekent dat er meer vraag naar het gebruik van compensatiegronden is. Om te voorkomen dat de beschikbare voorraad afneemt, koopt het RVB waar mogelijk compensatiegronden aan en koopt het erfpachtrechten terug. De uitgaven kunnen slechts geschieden op het moment dat ontvangsten gerealiseerd zijn.

Generale ontvangsten

Hieronder vallen de ontvangsten uit de verkoop van bodemmaterialen zoals zand en de ontvangsten uit de veiling van huurrechten van benzinestations langs rijkswegen. Over de winst van een gedeelte van de generale ontvangsten moet vennootschapsbelasting afgedragen worden. Deze uitgave vindt plaats op de begroting van VRO op niet-beleidsartikel 12 Algemeen.

4 Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 11. Centraal apparaat

A. Apparaatsuitgaven Kerndepartement

Tabel 22 Budgettaire gevolgen art. 11 Centraal apparaat (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

0

88.875

0

0

0

0

0

         
 

Uitgaven

0

88.875

0

0

0

0

0

         

11.1

Apparaat

0

88.875

0

0

0

0

0

 

Personele uitgaven

0

87.752

0

0

0

0

0

 

Eigen personeel

0

77.194

0

0

0

0

0

 

Inhuur externen

0

9.984

0

0

0

0

0

 

Overige personele uitgaven

0

574

0

0

0

0

0

 

Materiële uitgaven

0

896

0

0

0

0

0

 

Bijdrage SSO's

0

403

0

0

0

0

0

 

Overige materiële uitgaven

0

493

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan agentschappen

0

227

0

0

0

0

0

 

Diverse bijdragen

0

227

0

0

0

0

0

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         

Sinds de start van het kabinet-Jetten is het ministerie van VRO opgeheven en valt de begroting van VRO weer onder het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De begroting van VRO is daardoor gewijzigd van een departementale begroting naar een programmabegroting. Als gevolg hiervan zijn de budgetten van het centraal apparaat van VRO vanaf het begrotingsjaar 2027 teruggeboekt naar de begroting van het ministerie van BZK (H7). De apparaatsbudgetten van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) en het Nationaal Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) zijn vanaf begrotingsjaar 2027 overgeheveld naar artikel 2 Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit van VRO.

B. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven en -kosten inclusief agentschappen en ZBO/RWT's

De apparaatskosten van VRO bestaan uit de apparaatsuitgaven voor het zelfstandig bestuursorgaan de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB), de programmadirectie voor het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) en de apparaatskosten voor de twee baten-lastenagentschappen. In de onderstaande tabel staan de structurele apparaatsuitgaven van het TloKB en het NPLW weergegeven.

Tabel 23 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven ministerie (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

2.722

8.164

8.392

8.414

8.514

8.081

8.081

Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw

1.470

3.632

4.354

4.376

4.582

4.295

4.295

Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

1.252

4.532

4.038

4.038

3.932

3.786

3.786

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de apparaatskosten van de baten-lastenagentschappen, de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en de rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s).

Tabel 24 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten agentschappen en ZBO's/RWT's (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Totaal apparaatskosten Agentschappen

528.716

584.059

683.909

693.970

695.178

695.243

690.813

RVB

490.292

542.935

644.426

655.126

656.275

656.280

653.547

DHC

38.424

41.124

39.483

38.844

38.903

38.963

37.266

        

Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's

257.000

255.000

256.000

258.000

258.000

258.000

258.000

Kadaster

257.000

255.000

256.000

258.000

258.000

258.000

258.000

4.2 Artikel 12. Algemeen

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 25 Budgettaire gevolgen art. 12 Algemeen (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

34.321

34.432

11.228

11.228

9.728

9.728

9.728

         
 

Uitgaven

34.321

34.432

11.228

11.228

9.728

9.728

9.728

         

12.1

Algemeen

34.321

34.432

11.228

11.228

9.728

9.728

9.728

 

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

34.321

34.432

11.228

11.228

9.728

9.728

9.728

 

Financiën (IXB)

34.321

34.432

11.228

11.228

9.728

9.728

9.728

         
 

Ontvangsten

0

7.098

0

0

0

0

0

         

B. Toelichting op de financiële instrumenten

12.1 Algemeen

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Financiën (IXB)

Over de winst op een aantal activiteiten op de begroting van VRO moet vennootschapsbelasting worden afgedragen. De uitgaven aan vennootschapsbelasting betreffen de aanslagen over de belastbare winst op de generale ontvangsten en een deel van de specifieke ontvangsten van artikel 4 (Uitvoering Rijksvastgoedbeleid) van deze begroting.

4.3 Artikel 13. Nog onverdeeld

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 26 Budgettaire gevolgen art. 13 Nog onverdeeld (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

0

0

340

0

0

0

361

         
 

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

361

         

13.0

Nog onverdeeld

0

0

0

0

0

0

361

 

Nog te verdelen

0

0

0

0

0

0

361

 

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

361

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         

5 Begroting agentschappen

5.1 Rijksvastgoedbedrijf (RVB)

Inleiding

Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) heeft de grootste en meest diverse vastgoedportefeuille van Nederland. Als vastgoedorganisatie van en voor de Rijksoverheid realiseert en beheert het RVB gebouwen en terreinen voor onder andere ministeries, Defensie en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Daarnaast zet het RVB rijksgronden en vastgoed in voor maatschappelijke opgaven, zoals woningbouw, de energietransitie en de huisvesting van kwetsbare doelgroepen, zoals studenten, arbeidsmigranten en statushouders.

Samengevat heeft het RVB drie kerntaken:

  • Het realiseren van huisvesting voor het Rijk en Defensie;

  • Het zorgen voor het privaatrechtelijk beheer van onroerende zaken van de Staat;

  • Het ondersteunen van nationale beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving.

Sinds 2025 werkt het RVB aan een ambitieuze opschaling: een verdubbeling van de totale productie en een verviervoudiging van de productie voor Defensie. Deze opschaling is nodig omdat het vastgoed van Defensie en DJI dringend onderhoud vraagt. Bovendien vragen geopolitieke ontwikkelingen om een forse versnelling van de productie voor Defensie. Tegelijkertijd groeien ook de opgaven rond verduurzaming, woningbouw en energievoorziening. Daarnaast wordt het RVB geconfronteerd met hogere kosten als gevolg van externe ontwikkelingen, zoals stijgende lonen (CAO), hogere bouwkosten en een toenemende bouwrente.

Het Rijksvastgoedbedrijf in vogelvlucht

Het RVB is een baten-lastenagentschap en beheert een omvangrijke en diverse vastgoedportefeuille die op dit moment bestaat uit ca. 85.000 hectare grond en circa 12 miljoen vierkante meter aan gebouwen. Het gaat om:

  • De rijkshuisvesting voor kantoren en specialties;

  • Projectontwikkeling en nieuwbouw voor Defensie;

  • Het onderhoud aan en beheer van Defensiegebouwen en terreinen;

  • De huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van AZ, de huisvesting van het Koninklijk Huis voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat en de instandhouding van monumenten in beheer van het RVB;

  • De doelmatige verkoop van overtollig rijksvastgoed en/of geeft dit waar mogelijk in gebruik bij derden;

  • Uitgifte in pacht van gronden en de inzet van gronden en vastgoed voor stikstofproblematiek, maatschappelijke doelen en duurzaamheid;

  • De vertegenwoordiging namens het Rijk bij gebiedsontwikkelingsprojecten waarbij meervoudige rijksdoelstellingen aanwezig zijn;

  • De bijdrage aan urgente opgaven in het ruimtelijk domein.

Het RVB werkt vraaggestuurd. Deze vraag vloeit met name voort uit de huidige veranderende strategische en operationele behoeften bij Defensie, de masterplannen voor de kantoorhuisvesting, de huisvestingsbehoeften vanuit de specialties, de behoefte aan te ontwikkelen projecten dan wel gebieden en de vraag vanuit beleidsdepartementen voor de inzet van rijksvastgoed voor strategische beleidsopgaven.

Waar we als Rijk een privaatrechtelijke rol hebben, omdat we grond en/of gebouwen bezitten, kunnen we snel handelen. Zo ook op de hierboven genoemde maatschappelijke taken. Dit gebeurt allemaal binnen de spelregels van het agentschapsmodel, waarbij specifieke opdrachten voor de uitvoering van kabinetsbeleid aan de basis worden gelegd. Deze opdrachten komen vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)/ de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) of vanuit andere departementen.

De door het RVB uitgerolde vastgoedvisie, waarin onder meer oog is voor planmatige verduurzaming, draagt bij aan een toekomstbestendige vastgoedportefeuille die bestand is tegen snelle en soms onvoorspelbare schommelingen in de vraag naar vastgoed. Door een strategische samenstelling en opbouw van de vastgoedportefeuille van het RVB, is het voorbereid op toekomstige ontwikkelingen. De portefeuille draagt daarmee op een effectieve en efficiënte manier bij aan financieel en maatschappelijk rendement voor het Rijk.

Doorkijk naar de komende jaren

De vraag naar producten en diensten van het RVB is in de afgelopen jaren toegenomen en zal in de komende jaren verder toenemen. De productie zal in de komende vijf jaar fors moeten toenemen om aan de grote opgaven tegemoet te kunnen komen. Dat is ook terug te zien in de ramingen voor de ontwikkeling van het productievolume bij de projectrealisatie van het RVB. Deze stijging van productie kan door de krappe arbeidsmarkt niet gerealiseerd worden door verdubbeling van het aantal medewerkers. Het werk zal anders moeten worden georganiseerd. Ook in lijn met het voornemen uit het coalitieakkoord dat ‘Uitvoeringsorganisaties jaarlijks een efficiencydoelstelling krijgen’, wordt hier binnen het RVB vol op ingezet. Efficiency betekent in de regel met minder hetzelfde doen, maar bij het RVB zal het vooral betekenen dat de productie in verhouding veel harder groeit dan de capaciteit.

Tabel 27 Productievolume RVB voor het jaar 2027*
 

Stand slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029**

Ingebruikgeving Intern

625

647

641

630

637

Ingebruikgeving Extern

202

166

160

161

158

Instandhouding Rijk

192

210

222

222

222

Instandhouding Defensie

432

454

503

514

523

Projectrealisatie Rijk

1.248

1.191

1.800

1.953

2.185

Projectrealisatie Defensie

633

865

1.371

1.781

2.217

Verkoop

157

53

60

60

60

Expertise en Advies Rijk

117

148

145

143

147

Expertise en Advies Defensie

163

126

142

147

138

Gebiedsontwikkeling

6

3

2

2

2

Totaal productievolume

3.775

3.863

5.046

5.613

6.289

*Alle getoonde ramingen zijn in prijspeil 2027.**De productiecijfers voor projectrealisatie over 2027 t/m 2029 komen voort uit lopend en nieuw werk.

Staat van baten en lasten

Tabel 28 Begroting van baten-lastenagentschap RVB voor het jaar 2027 (bedragen x € 1.000)
 

Stand slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Baten

       

- Baten als tegenprestatie voor de levering van producten en/of diensten

1.644.663

1.755.970

1.858.808

1.950.403

2.028.428

2.090.420

2.282.974

Ingebruikgeving

1.084.424

1.192.578

1.207.449

1.269.352

1.344.681

1.405.098

1.606.620

In stand houden vastgoed

256.813

279.954

304.346

308.479

310.713

316.962

316.962

Projectrealisatie

172.804

162.148

201.528

225.845

224.996

219.448

209.557

Verkoop

37.379

21.758

13.568

13.568

13.568

13.568

13.568

Expertise en advies

93.243

99.532

111.917

113.159

114.470

115.344

116.267

Gebiedsontwikkeling

 

0

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

- Baten als tegenprestatie voor de levering van input

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

5.882

6.000

6.000

4.000

0

0

0

Vrijval voorzieningen

1.022

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

84.249

103.743

116.991

108.982

108.035

107.173

114.893

Totaal baten

1.735.816

1.865.713

1.981.799

2.063.385

2.136.463

2.197.593

2.397.867

        

Lasten

       

Apparaatskosten

490.292

542.935

644.426

655.126

656.275

656.280

653.547

- Personele kosten

406.604

438.488

518.364

529.159

528.049

524.716

521.212

waarvan eigen personeel

331.458

372.529

455.154

480.757

490.225

486.892

483.388

waarvan inhuur externen

73.150

65.959

63.210

48.402

37.824

37.824

37.824

waarvan overige personele kosten

1.996

0

0

0

0

0

0

- Materiële kosten

83.688

104.447

126.062

125.967

128.226

131.564

132.335

waarvan apparaat ICT

19.070

10.644

17.860

18.835

21.094

24.432

25.203

waarvan bijdrage aan SSO's

49.090

62.550

80.322

79.252

79.252

79.252

79.252

waarvan overige materiële kosten

15.528

31.253

27.880

27.880

27.880

27.880

27.880

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

12.027

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

74.560

110.055

106.876

139.437

171.619

188.930

206.534

Afschrijvingskosten

445.218

514.162

533.242

570.469

602.626

644.874

829.785

- Materieel

445.218

514.162

533.242

570.469

602.626

644.874

829.785

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

445.218

514.162

533.242

570.469

602.626

644.874

829.785

- Immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Overige lasten

705.694

698.561

697.255

698.353

705.943

707.509

708.001

waarvan dotaties voorzieningen

14.516

0

0

0

0

0

0

waarvan bijzondere lasten

691.178

698.561

697.255

698.353

705.943

707.509

708.001

Totaal lasten

1.727.791

1.865.713

1.981.799

2.063.385

2.136.463

2.197.593

2.397.867

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

8.025

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

‒ 91

0

0

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten

8.116

0

0

0

0

0

0

Toelichting op de staat van baten en lasten

In de huidige cijfers is nog geen rekening gehouden met een verhoging van de bouwrente.

Baten

Baten als tegenprestatie voor de levering van producten en/of diensten

Met de producten raakt het RVB de gehele keten van de huisvesting, vanaf de initiële vraag van een afnemer tot en met de realisatie (bouw en/of verbouw), het beheer, ontwikkeling en de afstoot. Het RVB werkt vraaggestuurd.

Ingebruikgeving

De baten ingebruikgeving omvatten opbrengsten voor geleverde producten en diensten aan departementen. Het gaat daarbij met name om ontvangen gebruiksvergoedingen voor kantoren en (bijzondere) specialties. Op basis van de overeengekomen tariefmethodiek brengt het RVB deze gebruiksvergoeding in rekening. In de ramingen van de gebruiksvergoeding is onder meer rekening gehouden met oplevering van projecten vanuit de geactualiseerde masterplannen, het afsluiten van nieuwe contracten en met de verwachte beëindiging van contracten. In de komende jaren is sprake van vervangingsinvesteringen met een stijging van de afschrijvingslasten als gevolg, die worden doorberekend in de tarieven. Tevens bevatten de baten ingebruikgeving opbrengsten uit verhuur aan musea en internationale organisaties (bijzondere specialties).

In stand houden vastgoed

De baten in stand houden vastgoed betreffen met name de vergoeding vanuit Defensie voor de apparaatsinzet van het RVB ten behoeve van de dienstverlening aan Defensie. Tevens wordt het onderhoudsdeel van de gebruiksvergoeding Rijk verbijzonderd naar deze post. De programmagelden worden niet als baten gerekend.

Projectrealisatie

Betreft projectrealisatie voor kantoren, (bijzondere) specialties en vastgoed en infrastructuur in eigendom van het ministerie van Defensie. Voor Defensie wordt enkel de vergoeding voor de apparaatsinzet tot de baten gerekend.

Verkoop

Betreft verkoop van vastgoed en grondstoffen. In de komende jaren is naar verwachting sprake van een gelijke toename in baten voor gebiedsontwikkeling.

Expertise en advies

Betreft strategische advisering en ondersteuning beleidsdirecties, expertise en adviesdiensten aan opdrachtgevers en het afhandelen van onbeheerde nalatenschappen. Voor Defensie wordt enkel de vergoeding voor de apparaatsinzet tot de baten gerekend.

Gebiedsontwikkeling

Bij besluit van de minister van VRO heeft het RVB in 2023 een extra kerntaak gekregen met het bieden van ondersteuning bij de verwezenlijking van nationale beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving. Deze beleidsdoelstellingen, waaronder woningbouw, worden onder meer gerealiseerd in (grootschalige) gebiedsontwikkelingen, mede op rijksgrond. Op basis van de extra kerntaak is dit product nieuw toegevoegd in de ontwerpbegroting 2027 en betreft voornamelijk de verkoopontvangsten van de gronden in de gebiedsontwikkeling Valkenhorst.

Rentebaten

Dit betreft de verwachte baten voorzien vanuit de rekening courantverhouding met het ministerie van Financiën.

Vrijval voorzieningen

Dit betreft een eerder gevormde voorziening die niet meer nodig is op de balans.

Bijzondere baten

Dit betreft met name het deel van de apparaatsinzet bij projecten dat wordt geactiveerd. De verwachte stijging van de baten komt voor rekening van het product Projectrealisatie.

Lasten

Apparaatskosten

Personele kosten

Dit betreft de kosten van het eigen apparaat, met name van salaris- en opleidingskosten van eigen personeel en inzet van externe inhuur. Voor de komende jaren is rekening gehouden met extra inzet van personeel om tegemoet te komen aan de extra vraag naar capaciteit, vooral bij de uitvoering van projecten.

Materiële kosten

Deze kosten betreffen met name de kosten voor de eigen huisvesting en van het eigen ICT-gebruik. De bijdrage aan de SSO’s omvat zowel ICT-kosten als kosten voor de eigen huisvesting van het RVB. In de begroting is rekening gehouden met hogere uitgaven als gevolg van het insourcen van I-functie-onderdelen en extra investeringen in het kader van de nieuwe I-strategie.

Rentelasten

De rentelasten vloeien voort uit investeringen en zijn geraamd op basis van de afgesloten en nog af te sluiten leningen met het Ministerie van Financiën voor Rijkshuisvesting (masterplannen kantoren en huisvestingsbehoefte voor specialties) en Kader Overname Rijksvastgoed (KORV)- en ontwikkelprojecten. Daarnaast is rente opgenomen op DBFMO-contracten. De stijging van de verwachte rentelasten is een gevolg van nieuw opgeleverde investeringsprojecten voor Rijkshuisvesting, inclusief de daarbij behorende Design Build Finance Maintain Operate (DBFMO)-contracten.

Afschrijvingskosten

Dit betreft met name de afschrijvingen op geactiveerde waarden van objecten, voortvloeiend uit investeringen vanuit masterplannen van kantoren en huisvestingsbehoeften voor specialties. De afschrijvingstermijn zijn afhankelijk van de categorieën: grond/terreinen (0 jaar), erfpacht (5 ‒ 100 jaar), gebouwen (15 ‒ 60 jaar), vervoermiddelen (4 ‒ 6 jaar) en inventaris (3 ‒ 15 jaar). Ook hier nemen de kosten toe als gevolg van nieuwe opleveringen en vervangingsinvesteringen voor Rijkshuisvesting.

Overige lasten

De bijzondere lasten hebben vooral betrekking op de primaire processen van het RVB. In de volgende tabel is een specificatie opgenomen.

Tabel 29 Specificatie overige lasten (bedragen x € 1.000)
 

Stand slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Markthuren

131.627

118.490

118.179

113.343

108.419

103.046

98.565

DBFMO-lasten

124.838

148.688

157.212

160.099

162.987

165.875

168.762

Onderhoud

193.353

207.447

219.183

219.183

219.183

219.183

219.183

waarvan Onderhoud Rijkshuisvesting

162.941

175.300

185.467

185.467

185.467

185.467

185.467

waarvan Onderhoud Dienstverleningsovereenkomsten

30.412

32.147

33.716

33.716

33.716

33.716

33.716

Belastingen en heffingen

29.610

31.394

32.852

33.106

33.094

33.174

32.912

Energielasten

37.513

58.777

44.836

44.836

44.836

44.836

44.836

Facilitaire kosten leegstand

11.100

11.695

18.426

19.827

27.811

30.029

30.192

Servicekosten Inhuurpanden

30.145

27.514

23.211

22.342

21.634

20.923

20.540

Projectkosten kantoortarief

19.505

23.851

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

Directe projectkosten OHP

66.202

51.332

45.291

47.550

49.912

52.377

54.945

Overige bijzondere lasten

47.285

19.373

18.065

18.065

18.065

18.065

18.065

Totaal overige lasten

691.178

698.561

697.255

698.351

705.941

707.508

708.000

Toelichting overige lasten

Markthuren

Deze post betreft de huren die het RVB aan de markt betaalt. Het beleid is erop gericht departementen en diensten zo veel mogelijk in eigendomsobjecten te huisvesten. Hierdoor nemen de vierkante meters aan gehuurde huisvesting en daarmee samenhangende kosten af.

DBFMO-lasten

Dit betreft de lasten van lopende en nieuwe DBFMO-contracten met marktprijzen. In principe wordt het investeringsdeel (Design – Build – Finance) van deze lasten omgerekend naar rente en afschrijvingen en aldaar opgenomen.

Onderhoud

Deze post betreft de kosten voor onderhoud en instandhouding van gebouwen en terreinen voor de Rijkshuisvestingsportefeuille. Voor een belangrijk deel van de activiteiten zijn op basis van aanbestedingen meerjarige contracten met de markt afgesloten. Tevens valt onder deze post het onderhoud van overgenomen bedrijfsinstallaties waarvoor dienstverleningsovereenkomsten (DVO’s) zijn opgesteld.

Belastingen en heffingen

Deze post betreft met name de onroerendezaakbelasting en de waterschapslasten over de eigen voorraad onroerend goed die het RVB inzet voor Rijkshuisvesting.

Energielasten

Dit betreft de energielasten in de kantorenportefeuille bij de Rijkshuisvesting. Deze kosten worden bij de departementen in rekening gebracht via het kantoortarief. Op grond van de huidige prijsontwikkeling op de energiemarkt is in deze begroting rekening gehouden met stijging van de kosten voor energie ten opzichte van 2026.

Facilitaire kosten leegstand

Deze kosten hebben betrekking op de facilitaire kosten voor panden die niet in gebruik zijn.

Servicekosten inhuurpanden

Dit betreffen de servicekosten voor de aangehuurde panden. Voorheen waren de servicekosten inhuurpanden opgesplitst in de posten servicekosten inhuurpand kantoren en specialties. Vanaf ontwerpbegroting 2027 worden de servicekosten inhuurpanden als één post gerapporteerd.

Projectkosten kantoortarief

Onder deze post vallen kleine, niet activeerbare investeringen. Daarnaast bevat deze post kosten voor de verduurzaming van de kantorenportefeuille. Financiering van deze kosten loopt via het kantoortarief.

Directe projectkosten Onderhanden Projecten (OHP)

Door een verouderde vastgoedportefeuille zijn er meer kleine investeringen gerealiseerd dan was begroot. Deze kosten worden direct afgerekend met de klant.

Overige bijzondere lasten

De overige lasten hebben vooral betrekking op onderhanden werk, de kosten voor facilitaire leegstand, ict-kosten en de verwerking van vastgoed- en projectrisico’s.

Kasstroomoverzicht

Tabel 30 Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap RVB over het jaar 2027 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

363.637

363.637

636.802

768.341

955.974

1.192.319

1.516.757

 

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

3.337.988

3.292.231

3.889.895

4.382.533

4.894.225

5.619.516

5.996.068

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 2.697.802

‒ 2.767.360

‒ 3.337.228

‒ 3.786.365

‒ 4.264.685

‒ 4.950.847

‒ 5.151.731

2.

Totaal operationele kasstroom

640.186

524.871

552.667

596.168

629.540

668.669

844.337

 

Totaal investeringen (-/-)

‒ 1.181.104

‒ 1.148.453

‒ 1.773.331

‒ 1.923.866

‒ 2.153.841

‒ 2.221.416

‒ 2.444.698

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

33.820

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 1.147.284

‒ 1.148.453

‒ 1.773.331

‒ 1.923.866

‒ 2.153.841

‒ 2.221.416

‒ 2.444.698

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

0

0

0

0

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 385.276

‒ 527.283

‒ 421.128

‒ 408.535

‒ 393.195

‒ 344.231

‒ 296.382

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

1.165.539

1.148.453

1.773.331

1.923.866

2.153.841

2.221.416

2.444.698

4.

Totaal financieringskasstroom

780.263

621.170

1.352.203

1.515.331

1.760.646

1.877.185

2.148.316

5.

Rekening courant RHB 31 december (=1+2+3+4)

636.802

361.225

768.341

955.974

1.192.319

1.516.757

2.064.712

1. De eenmalige uitkering aan het moederdepartement wordt verstrekt vanuit begrotingshoofdstuk VRO.2. De eenmalige storting van het moederdepartement wordt verstrekt vanuit begrotingshoofdstuk VRO.

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen beschikbaar zijn gekomen of naar verwachting zullen komen en op welke wijze gebruik is, of zal worden gemaakt van deze middelen.

Operationele kasstroom

De operationele kasstromen zijn aanzienlijk hoger dan de inkomsten en uitgaven in de baten-lastenbegroting. Deze kasstromen zijn namelijk inclusief de dienstverlening aan Defensie, de kasstromen vanuit de kas-verplichtingenbegroting en de werkzaamheden buiten begrotingsverband, welke op basis van de verslaggevingsregels niet tot de omzet worden gerekend.

Investeringskasstroom

De investeringen in Rijkshuisvesting en het daaruit voortvloeiende beroep op de leenfaciliteit zijn gebaseerd op lopende en voorgenomen huisvestings- en instandhoudingsprojecten in het betreffende jaar. In het voorjaar wordt de leenfaciliteit voor dat jaar geactualiseerd. Het RVB investeert in grond en gebouwen die in de balans onder de post materiële vaste activa worden verantwoord. De stijging is een gevolg van de toenemende inzet op projecten. In de opgave voor de leenfaciliteit is rekening gehouden met lopend werk en verwachte aankopen.

Financieringskasstroom

De afdrachten aan het begrotingshoofdstuk VRO betreffen, conform de Regeling Agentschappen, het surplus op het eigen vermogen. Daarnaast gaat het om de aflossing op lopende en toekomstige leningen in het kader van de Rijkshuisvesting, de overname van vastgoed van andere rijksdiensten en aflossingen op leningen voor ontwikkelprojecten.

Het beroep op de leenfaciliteit komt overeen met de investeringsstroom. De investeringen van publiek-private samenwerkingen en investeringen door het RVB in projecten die buiten de baten- en lasten vallen, zijn daarbij niet opgenomen.

Doelmatigheidsindicatoren 

Tabel 31 Overzicht doelmatigheidsindicatoren RVB 2027
 

Stand slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Omschrijving Generiek Deel

       

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

2.988

3.300

4.052

4.008

3.953

3.953

3.896

Apparaat-omzet indicator

29,8%

30,9%

34,5%

33,5%

32,2%

31,3%

28,5%

Saldo van baten en lasten

8

0

0

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten (%)

0,5%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

        

Omschrijving Specifiek Deel

       

Rijkshuisvestingvoorraad x 1000 m² BVO¹

5.325

5.211

5.305

5.318

5.292

5.273

5.237

waarvan verhuurd

4.807

4.682

4.710

4.695

4.713

4.742

4.736

waarvan in gebruik als Rijksontmoetingsplein (ROP)

 

8

11

11

11

11

11

waarvan leeg frictie

44

76

86

91

115

120

125

waarvan leeg renovatie

329

359

396

412

347

276

285

waarvan leeg afstoot

145

51

46

47

61

105

61

waarvan derden

NNB

35

56

62

45

19

19

waarvan eigendom

4.543

4.458

4.523

4.556

4.555

4.566

4.542

waarvan huur

782

752

782

762

737

707

695

        

Indicator Technische Kwaliteit Rijkshuisvesting

2,11

2,1-2,8

2,1-2,8

2,1-2,8

2,1-2,8

2,1-2,8

2,1-2,8

        

Voorraad beheerde Defensieobjecten

       

Gebouwen x 1000 m² BVO

6.334

6.025

5.978

5.982

6.038

6.024

6.070

Terreinen x 1000 m²

344.635

343.184

343.026

343.020

342.624

342.231

344.730

        

Doelmatigheid projecten

       

Doelmatigheid verkoop vastgoed

‒ 7.994

>0

>0

>0

>0

>0

>0

Projecten binnen budget gerealiseerd

88%

84%

84%

84%

84%

84%

84%

Projecten tijdig gerealiseerd

91%

84%

84%

84%

84%

84%

84%

Productiviteit

955

1.025

1.025

1.025

1.025

1.025

1.025

        

Prijsontwikkeling kantoren

       

Kantoortarief (voorheen 'Regiotarief')

       

Gemiddeld kantoortarief

338

338*

379

NTB

NTB

NTB

NTB

Waarvan normatieve tarief- componenten per m2 eigendom**

       

Apparaatskosten: ontwikkeling volgt Cao Rijk (P-kosten) / CPI (overige P)

26,68

26,69

28,75

    

Onderhoud kantoren aangepast aan prijsontwikkelingen markt

32,42

32,42

39,57

    

Energielasten aangepast aan prijsontwikkeling markt

36,17

37,45

33,71

    

Heffingen aangepast aan prijsontwikkeling markt

7,09

7,09

7,29

    

Uurtarieven

158

158

NTB

    

1. De eenmalige uitkering aan het moederdepartement wordt verstrekt vanuit begrotingshoofdstuk VRO.2. De eenmalige storting van het moederdepartement wordt verstrekt vanuit begrotingshoofdstuk VRO.

Toelichting op de doelmatigheidsindicatoren

Generiek Deel

Fte-totaal

Het aantal FTE neemt sterk toe in 2027, vanwege een toename van het aantal projecten voor Defensie. De exacte benodigde capaciteit voor 2028 en verder kan nog afwijken en is afhankelijk van het daadwerkelijke aantal projecten dat wordt gestart.

Apparaat-omzet indicator

De apparaat-omzet indicator neemt toe in 2027. Een hogere score duidt op een situatie waar meer apparaat nodig is voor het realiseren van de omzet. De stijgende trend van deze indicator geeft echter een vertekend beeld, omdat het programmageld van Defensie hierin niet is opgenomen. Indien deze wel wordt betrokken is sprake van een dalende trend (van circa 18% in 2027 naar circa 12% in 2031).

Saldo baten en lasten

Het saldo van baten en lasten geeft een meerjarig, sluitend resultaatbeeld.

Specifiek Deel

Rijkshuisvestingsvoorraad in 1.000 m2 Bruto Vloeroppervlak (BVO)

De huisvestingsvoorraad blijft in de komende jaren vrij stabiel. Hoewel de totale portefeuille een kleine daling laat zien, met name in de flexibele voorraad die wordt ingehuurd, neemt het aantal verhuurde vierkante meters toe, doordat een aantal grotere renovatieprojecten worden afgerond en opgeleverd. Sinds 2026 is ook het aantal m2 weergegeven voor het gebruik van werkplekken en ontmoetingsruimten als Rijksontmoetingsplein (ROP), omdat deze m2 niet leegstaan en ook niet meer vallen onder verhuurde m2. Met DGDOO wordt op verzoek van Bestuurlijk Overleg Rijksvastgoedbedrijf (BOR) en Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst (ICBR) onderzocht in hoeverre het mogelijk is om bij te sturen op m2 ontwikkeling en tarieven, zodat  een stijging van de huisvestingskosten voor de departementen kan worden beperkt. De effecten hiervan zijn nog niet bekend en worden verwerkt na besluitvorming naar verwachting in de begroting 2028.

Indicator technische kwaliteit (ITK) rijkshuisvesting

Dit betreft het gewogen gemiddelde van de technische conditie van alle gebouwen op een schaal van 1 (nieuwbouw) t/m 6 (extreem slecht). Deze conditie wordt medebepaald door de staat van het onderhoud en (vervangings)investeringen. Op grond van voorraadoverwegingen (onder andere is een pand wel/niet strategisch, blijft het wel/niet in de voorraad) worden economische afwegingen gemaakt over het uitvoeren van onderhoud en investeringen. Voor een deel van de (niet-strategische) voorraad wordt dan een lagere ITK-score geaccepteerd.

Voorraad beheerde Defensieobjecten in 1.000 m2 BVO

De Defensieobjecten worden door het RVB onderhouden (instandhouding). Defensie voorziet de komende jaren een stijging in de omvang van haar portefeuille. De effecten hiervan worden in de begroting zichtbaar zodra de onderliggende project initiatiedocumenten zijn geformaliseerd.

Doelmatigheid verkoop vastgoed

Doelstelling is objecten te verkopen tegen tenminste de voorgecalculeerde bedragen die in een businesscase waren opgenomen.

Projecten binnen budget gerealiseerd

Met een norm van 84% is het doel om het overgrote deel van de projecten binnen het afgesproken budget uit te voeren. De ervaring leert dat het prognosticeren van de kosten van vastgoedprojecten niet eenvoudig is, onder meer omdat de uitkomsten van aanbestedingen zich lastig laten voorspellen. Daarnaast kunnen tijdens de uitvoering van de projecten tegenvallers aan het licht komen.

Projecten tijdig gerealiseerd

De norm voor het percentage projecten tijdig gerealiseerd wordt gehandhaafd op 84%. Deze norm houdt concreet in dat minder dan 16% van de projecten later wordt opgeleverd dan met de opdrachtgever is afgesproken. Een deel van de projecten kan vertragen doordat tijdens de uitvoering knelpunten aan het licht komen waar vooraf geen rekening mee is gehouden.

Productiviteit

De productiviteit geeft inzicht in de sturing op directe uren. Hoe meer directe uren worden ingezet, ofwel hoe minder indirecte/overige, hoe beter wordt gepresteerd in termen van productiviteit.

Kantoortarief

Het regiotarief is veranderd in kantoortarief na besluitvorming in het BOR van december jl. om vanaf 2026 één landelijk tarief te hanteren. Voorheen werden voor de kantoorhuisvesting jaarlijks drie regiotarieven vastgesteld: voor Den Haag, voor de rest van de Randstad en voor overig Nederland. De cijfers vanaf 2027 geven een indicatie van het landelijk kantoortarief per vierkante meter zoals ook bij het vaststellen van het tarief 2026 zijn gepresenteerd. Tarieven zijn nog gebaseerd op het prijspeil 2026 en zal nog aangepast worden aan de ontwikkeling van de inflatie (CPI/BDB augustus) en nieuwe portefeuilleontwikkelingen. Met DGDOO wordt op verzoek van BOR en ICBR onderzocht in hoeverre het mogelijk is om bij te sturen op m2 ontwikkeling en tarieven, zodat  een stijging van de huisvestingskosten voor de departementen kan worden beperkt. De uitkomsten hiervan zijn nog niet bekend en worden na besluitvorming verwerkt naar verwachting in de Begroting 2028. Het definitieve kantoortarief 2027 wordt ultimo 2026 vastgesteld door de Eigenaar van het RVB na afstemming in de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijk en het Bestuurlijk Overleg RVB.

Normatieve tariefcomponenten

Naast de werkelijke gebouwgebonden investeringskosten van rente en afschrijving, bevat het kantoortarief ook een viertal normatieve tariefcomponenten per m2. Dit zijn de apparaatskosten, onderhoud, energielasten en heffingen. De hier gepresenteerde cijfers over 2027 bevatten de verwachte kosten voor eigendomspanden per vierkante meter. Ook in de (bijzondere) specialty portefeuille gelden de normatieve componenten per m2 voor apparaat en zakelijke lasten bij eigendomspanden, voor het onderhoud geldt een hogere tarief in verband met de specifieke eisen in deze portefeuille.

Uurtarieven

Voor alle producten uit de Producten Diensten Catalogus waarvoor het RVB de dienstverlening levert, geldt een uurtarief. De uurtarieven van 2027 worden later in het jaar vastgesteld.

5.2 Dienst van de Huurcommissie (DHC)

Inleiding

De Huurcommissie is een onpartijdige en onafhankelijke rechtspleger gericht op het oplossen van geschillen tussen huurder en verhuurder. Als huurders en verhuurders een geschil hebben en er onderling niet uitkomen, dan doet de Huurcommissie op verzoek van de huurder of de verhuurder een uitspraak in hun geschil. Deze zaken zijn onder te verdelen in geschillen over de puntentelling, gebreken aan de woning, de hoogte van de jaarlijkse huurverhoging en de te betalen servicekosten. Daarnaast richt de Huurcommissie zich op het voorkomen van geschillen door onder andere informatieverschaffing via de site en het klantcontactcentrum.

De Huurcommissie bestaat uit twee onderdelen, die tezamen als één organisatie opereren. Het zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) zonder eigen rechtspersoonlijkheid bestaat uit een bestuur, de zittingsvoorzitters en de zittingsleden. Dit ZBO wordt bijgestaan door het agentschap de Dienst van de Huurcommissie (DHC). Door de verwevenheid van het ZBO met DHC zijn de kosten van het ZBO in de begroting van de Dienst van de Huurcommissie opgenomen. Uit de vijfjaarlijkse doorlichting van het agentschap (Kamerstuk 27926, nr. 407) was een van de aanbevelingen de kosten van het ZBO apart zichtbaar te maken. In deze begroting is deze aanbeveling opgevolgd.

Huurders en verhuurders in lage- en middenhuursegment kunnen bij de Huurcommissie terecht met geschillen over onder andere huurprijzen, (onderhouds)gebreken, huurverhogingen en servicekosten. In de vrije sector kunnen (ver)huurders bij de Huurcommissie terecht met geschillen over servicekosten, huurverhogingen of (aanvangs)huurprijzen (in bepaalde gevallen). Daarnaast kunnen zij ook de Huurcommissie om advies vragen als zij dit met elkaar hebben afgesproken in geval van een geschil.

Het zorgen voor snelle en kwalitatief hoogwaardige geschilbeslechting in huur(prijs)geschillen is de primaire taak van de Huurcommissie. Uiteraard neemt de Huurcommissie ook in 2027 weer alle benodigde stappen om een goede uitvoering van deze kerntaak te waarborgen. Daarnaast treden in het jaar 2027 de Wet modernisering servicekosten en het Wetsvoorstel toekomstbestendige Huurcommissie in werking, die allebei gevolgen hebben voor de Huurcommissie. Deze wetten zorgen voor een meer helder uitvoeringskader en eenvoudigere procedures, als gevolg waarvan de Huurcommissie huurders en verhuurders nog beter kan helpen en de doorlooptijd van de zaakafwikkeling versneld kan worden.

De Huurcommissie is geschillenbeslechter volgens de Implementatiewet voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten. De Huurcommissie is hiermee een Europese Alternative Dispute Resolution (ADR) instantie.

Voor de uitoefening van haar taken ontvangt de Huurcommissie een bijdrage van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).

Instroom en productie

De instroom is geraamd op 19.000 zaken en uitgaande van een acceptabele werkvoorraad bij jaarovergang zal dit ook de productie zijn voor het jaar 2027.

Staat van baten en lasten

Tabel 32 Begroting van baten-lastenagentschap DHC voor het jaar 2027 (bedragen x € 1.000)
 

Laatste vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Baten

      

- Baten als tegenprestatie voor de levering van producten en/of diensten

0

0

0

0

0

0

- Baten als tegenprestatie voor levering van input

41.074

39.408

38.769

38.828

38.888

37.191

waarvan bijdrage van begrotingshoofdstuk VRO

24.979

23.145

22.691

22.690

22.690

21.548

waarvan verhuurderbijdrage

13.467

12.463

12.218

12.218

12.218

11.603

waarvan legesontvangsten

2.628

3.800

3.860

3.920

3.980

4.040

Rentebaten

100

100

100

100

100

100

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

41.174

39.508

38.869

38.928

38.988

37.291

       

Lasten

      

Apparaatskosten

41.124

39.483

38.844

38.903

38.963

37.266

- Personele kosten

31.433

29.830

29.400

29.459

29.521

27.824

waarvan eigen personeel Dienst

26.753

24.196

23.805

23.865

23.926

22.230

waarvan Zelfstandig Bestuursorgaan

0

2.099

2.099

2.099

2.099

2.099

waarvan inhuur externen

3.060

2.330

2.272

2.272

2.272

2.272

waarvan overige personele kosten

1.620

1.205

1.224

1.223

1.224

1.223

- Materiële kosten

9.691

9.653

9.444

9.444

9.442

9.442

waarvan apparaat ICT

3.076

2.577

2.277

2.277

2.277

2.277

waarvan bijdrage aan SSO's

2.037

5.017

5.080

5.080

5.079

5.079

waarvan Zelfstandig Bestuursorgaan

0

726

735

735

735

735

waarvan overige materiële kosten

4.578

1.333

1.352

1.352

1.351

1.351

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

0

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

50

25

25

25

25

25

- Materieel

50

25

25

25

25

25

waarvan apparaat ICT

50

0

0

0

0

0

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

0

25

25

25

25

25

- Immaterieel

0

0

0

0

0

0

Overige lasten

0

0

0

0

0

0

waarvan dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

waarvan bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

41.174

39.508

38.869

38.928

38.988

37.291

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

0

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten

0

0

0

0

0

0

Toelichting op de staat van baten en lasten

Baten

Baten als tegenprestatie voor levering van input

De verwachte productie voor 2027 is afgestemd op de verwachte instroom in het uitvoeringsjaar. Om de wettelijke doorlooptijden te behalen is het van belang dat de werkvoorraad afgestemd is met de bemensing van de Huurcommissie. Gekoerst wordt op een evenwichtige verdeling van de werkvoorraad tussen de verschillende fasen in het proces.

Waarvan bijdrage begrotingshoofdstuk VRO

Jaarlijks ontvangt de Huurcommissie een bijdrage van het Rijk ten laste van artikel 1 van de begroting van VRO. Door de personele taakstelling opgelegd uit het coalitieakkoord daalt deze bijdrage met circa € 1,6 mln. naar circa € 21 mln. in het extrapolatiejaar.

Waarvan verhuurderbijdrage

De corporatiesector draagt bij aan de geschilbeslechting via de verhuurderbijdrage. Deze verhuurderbijdrage is vastgesteld op 35% van de netto lasten van de Huurcommissie (totale lasten minus de legesinkomsten), de begroting van de minister van VRO draagt het resterende deel bij.

Waarvan legesontvangsten

De legesontvangsten zijn gebaseerd op een veroordeling door de Huurcommissie van geschilpartijen tot vergoeding aan de Staat. De legesontvangsten zijn € 25 voor een huurder. Voor een verhuurder is dit € 500. Voor een verhuurder, die meerdere malen ongelijk krijgt bij eenzelfde zaaksoort, kan een gedifferentieerd tarief in rekening gebracht worden, die in staffels oploopt tot het kostendekkend tarief van € 1.750.

Lasten

Apparaatskosten

De apparaatskosten bestaan uit alle personele en materiële kosten van de Dienst van de Huurcommissie alsook het ZBO Huurcommissie en de vergoedingen van de zittingsleden en de Raad van Advies.

Personele kosten

De personele kosten bestaan uit de salarissen van de vaste medewerkers van de Dienst van de Huurcommissie, het ZBO Huurcommissie en de inhuur van externe medewerkers. Het aandeel externe inhuur is de afgelopen jaren gradueel teruggedrongen en in lijn gebracht met de Roemernorm van 10%. Doel is om hier ruim onder te blijven. De Huurcommissie blijft afhankelijk van externe inhuur om de seizoensinvloed van de instroom op te vangen en daarmee de gewenste doorlooptijden te kunnen behalen.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan onder andere uit huur van kantoor- en zittingslocatie, de vacatiegelden van de zittingsleden, de vergoeding van de Raad van Advies en kosten voor de informatievoorziening. De Huurcommissie is steeds meer een ict-efficiënte organisatie. Met de overgang naar de Shared Service Center van het Rijk op het gebied van ICT (SSC-ICT) is deze component nu apart verwoord als bijdrage aan de SSO.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten zijn conform de door de minister van Financiën voorgeschreven afschrijvingstermijnen. Afgeschreven wordt met name op de instrumenten in gebruik bij de onderzoekers in de woning en op het kantoorinventaris.

Saldo van baten en lasten

De Huurcommissie werkt kostendekkend. Het saldo van baten en lasten wordt dan ook geraamd op nul.

Kasstroomoverzicht

Tabel 33 Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap DHC voor het jaar 2027 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2025

Vastgestelde begroting, ontwerpbegroting of in voorkomende gevallen de 1e suppletoire begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

‒ 460

717

737

732

717

712

707

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

37.521

41.174

39.508

38.869

38.928

38.988

37.291

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 37.948

‒ 41.124

‒ 39.483

‒ 38.844

‒ 38.903

‒ 38.963

‒ 37.266

2.

Totaal operationele kasstroom

‒ 427

50

25

25

25

25

25

 

-/- totaal investeringen

‒ 4

‒ 30

‒ 30

‒ 40

‒ 30

‒ 30

‒ 40

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 4

‒ 30

‒ 30

‒ 40

‒ 30

‒ 30

‒ 40

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

0

0

0

0

0

0

0

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

‒ 891

737

732

717

712

707

692

1. De eenmalige uitkering aan het moederdepartement wordt verstrekt vanuit begrotingshoofdstuk VRO.2. De eenmalige storting van het moederdepartement wordt verstrekt vanuit begrotingshoofdstuk VRO.

Toelichting op het kasstroomoverzicht

De Huurcommissie heeft geen leningen en slechts een zeer beperkte investeringskasstroom. Het grootste deel van de kasstroom betreft dus de kasstroom uit operationele bedrijfsvoering.

Doelmatigheidsindicatoren

Tabel 34 Overzicht doelmatigheidsindicatoren DHC 2027
 

Stand slotwet 2025

Vastgestelde begroting 2026

2027

2028

2029

2030

2031

Omschrijving generiek deel

       

Gemiddeld integraal tarief per geschil

2.234

1.957

2.079

2.013

1.986

1.959

1.846

Fte-totaal (excl. externe inhuur)

264

280

280

280

280

280

280

Gebruikerstevredenheid

45%

55%

56%

57%

58%

59%

60%

Saldo van baten en lasten (%)

14%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

        

Productie per dienst

       

Puntengeschillen

2.999

6.127

4.100

4.200

4.300

4.400

4.500

Gebrekengeschillen

5.566

6.689

5.100

5.200

5.300

5.400

5.500

Servicekostengeschillen

4.523

4.709

5.300

5.400

5.500

5.600

5.700

Huurverhogingsgeschillen

4.156

3.500

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

Totaal netto productie

17.244

21.025

19.000

19.300

19.600

19.900

20.200

        

Omschrijving specifiek deel

       

Geschilafwikkeling binnen vier maanden:

       

Puntengeschillen

59%

>70%

>70%

>70%

>70%

>70%

>70%

Gebrekengeschillen

51%

>70%

>70%

>70%

>70%

>70%

>70%

Servicekostengeschillen

55%

>70%

>70%

>70%

>70%

>70%

>70%

Huurverhogingsgeschillen

97%

>90%

>90%

>90%

>90%

>90%

>90%

Gewogen gemiddelde alle zaaksoorten

64%

>75%

>75%

>75%

>75%

>75%

>75%

        

Behaalde ADR-termijnen

94%

>90%

>90%

>90%

>90%

>90%

>90%

Verzetspercentage

20%

<20%

<20%

<20%

<20%

<20%

<20%

Aantal unieke websitebezoekers

n.b.

1.300.000

1.300.000

1.300.000

1.300.000

1.300.000

1.300.000

Aantal ingevulde huurprijschecks

n.b.

230.000

230.000

230.000

230.000

230.000

230.000

Afgewikkelde telefonische vragen

n.b.

75.000

80.000

80.000

85.000

85.000

90.000

Bereikbaarheid

n.b.

80%

85%

90%

90%

90%

90%

Doorlichting uitgevoerd c.q. gepland in

2025

 

...

...

...

...

2031

Toelichting op de doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving generiek deel

Gemiddeld integraal tarief

Het gemiddeld integraal tarief is vormgegeven door de totale uitgaven in enig jaar te delen door de productie in dat jaar. Dit geeft een beeld van de doelmatigheid van de Huurcommissie. Verzetszaken zijn hier niet in meegenomen, omdat dit geen nieuwe zaak betreft, maar een vervolg op een bestaande casus.

Fte totaal

De verhouding tussen vast en extern personeel is in balans. Hierdoor blijft kennis langer behouden voor de Huurcommissie en dit zorgt voor meer stabiliteit binnen de organisatie.

Gebruikerstevredenheid

Continu vindt bij de huurders en verhuurders een tevredenheidsonderzoek plaats. De meerjarendoelstelling is gesteld op een tevredenheidspercentage richting de 60%. Ondanks een mogelijk negatieve uitkomst van het geschil, die de tevredenheid altijd sterk kleurt, is hiermee het doel gesteld dat meer dan de helft van de partijen (heel) tevreden zal zijn over de Huurcommissie. Om een verbetering te bewerkstelligen wordt ingezet op meer telefonisch contact met huurders en verhuurders en hen inzicht verschaffen in de voortgang van het traject naar beslechting. Hiertoe wordt vaker telefonisch contact gezocht met de belanghebbenden om hen de gewenste procedurele informatie te verschaffen over de afwikkeling van het geschil.

Productie per dienst

In de afgelopen jaren is de zaaklast sterk gestegen. De verwachting is dat deze stijging zal doorzetten. De organisatie van de Huurcommissie is op orde en bij machte om circa 20.000 zaken af te kunnen wikkelen.

Om de doorlooptijd te behalen worden zaken beslecht met een kennelijke voorzittersuitspraak. Een kennelijke voorzittersuitspraak is mogelijk als over de uitkomst van een zaak geen twijfel bestaat. Hierdoor hoeft het geschil niet op zitting te komen en kan het daarmee snel binnen de wettelijke doorlooptijd worden afgewikkeld. Dit lukt steeds beter. Bij de toepassing van kennelijke voorzittersuitspraken zijn de belangen van huurder en verhuurder goed gewaarborgd, onder meer door de mogelijkheid van kosteloos verzet. Is een van de partijen het niet eens met de uitspraak dan wordt deze alsnog behandeld door een commissie in een verzetszitting.

Omschrijving specifiek deel

Geschilafwikkeling (binnen vier maanden)

De Huurcommissie werkt met twee verschillende doorlooptijden. In de eerste plaats de doorlooptijd voor de hele procedure, gebaseerd op de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Deze telt vanaf het moment dat de verzoeker het voorschot op de leges heeft betaald tot en met het moment waarop de uitspraak wordt verstuurd. De relatief eenvoudige huurverhogingsgeschillen kunnen in meer dan 90% van de gevallen binnen de termijn van vier maanden worden afgewikkeld. Voor de overige geschillen is dit bij 70% het geval.

Behaalde ADR-termijnen

In de tweede plaats wordt gekeken naar de doorlooptijd van ADR-geschillen, zoals de Implementatiewet voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten voorschrijft. Deze telt vanaf het moment dat het dossier van een zaak compleet is, tot en met het moment waarop de uitspraak wordt verstuurd. Het doel van meer dan 90% van de geschillen binnen de termijn afdoen is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de voorgaande jaren.

Verzetspercentage

Tegen een voorzittersuitspraak (VZU) kan kosteloos verzet worden aangetekend. Een doel van de Huurcommissie is om heldere VZU’s te schrijven en heldere informatie te verschaffen over de verzetsgronden die er zijn. Verzet zonder geldig verzetsgrond moet immers worden voorkomen.

Aantal unieke websitebezoekers

De website is in 2024 uitvoerig gewijzigd en klantvriendelijker gemaakt. Hij wordt ook steeds meer bezocht. Door middel van onder andere de website en het klantcontactcentrum wil de Huurcommissie de verhuurders en huurders zo goed mogelijk informeren om hiermee ook geschillen te kunnen voorkomen.

Aantal ingevulde Huurprijschecks

Op de website van de Huurcommissie is ook de Huurprijscheck voor zelfstandige en onzelfstandige woonruimten te vinden. Hiermee kunnen zowel huurders als verhuurders zien wat de maximale huurprijs voor een woning is. Daarnaast kunnen verhuurders zien welke verbeteringen aan de woning tot een hogere huur kan leiden wat voor de huurder een kwalitatief betere woning oplevert. Bij deze indicator wordt inzicht gegeven hoe vaak van de huurprijscheck gebruik is gemaakt.

Afgewikkelde telefonische vragen en bereikbaarheid

Het klantcontactcentrum streeft ernaar om 80.000 telefoontjes per jaar af te wikkelen waarin vragen van huurders en verhuurders worden beantwoord. Meerjarig is de verwachting dat dit aantal toeneemt. De bereikbaarheid tijdens kantooruren was in 2025 82%. Het streven is om de bereikbaarheid te verbeteren en in 2027 op 85% uit te komen. Voor de jaren erna ligt het doel nog hoger en is vastgesteld op 90%.

6 Bijlagen

6.1 Bijlage 1: ZBO's en RWT's

Tabel 35 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)

Naam organisatie

ZBO/RWT

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen(bedragen x € 1.000)

Uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Volgende evaluatie ZBO

Kadaster (basisregistraties)

ZBO

artikel 3

88.181

2025

2030

Huurcommissie

ZBO

artikel 1

22.691

2025

2030

Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw

ZBO

artikel 11

4.599

N.v.t.

2027

Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland

ZBO

artikel 1

0

2024

2029

Tabel 36 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder andere ministeries)

Naam organisatie

Ministerie

ZBO/RWT

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen(bedragen x € 1.000)

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

EZK

ZBO

artikel 1

4.120

6.2 Bijlage 2: Specifieke uitkeringen

Als het Rijk bijdragen onder voorwaarden ten behoeve van een bepaald openbaar belang aan provincies en gemeenten verstrekt, is op basis van artikel 15a lid 1 Financiële-verhoudingswet sprake van een specifieke uitkering. Hieronder een overzicht met de specifieke uitkeringen en voornemens tot specifieke uitkeringen. De voornemens worden aangeduid met een «J» onder het kopje SiSa nummer (Single information Single audit).

Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII)

Tabel 37 Specifieke uitkeringen (bedragen x 1 mln.)

SiSa nr.

Onderdeel

Toelichting

2026

2027

2028

2029

2030

2031

J9

Naam

Woningbouwimpuls

153,26

100,00

100,00

100,00

125,00

125,00

 

Korte duiding

Met de woningbouwimpuls kunnen gemeenten versneld inzetten op de bouw van nieuwe woningen en het vergorten van de betaalbaarheid van die woningen voor staerters en mensen met een middeninkomen.

      
 

Juridische grondslag

Regeling Woningbouwimpuls

      
 

Maatschappelijke effecten

Versnellen van woningbouw

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

1. Volkshuisvesting

      
         
         

J13

Naam

Ontzorging maatschappelijke vastgoed

0,17

13,50

9,35

0,00

10,00

0,00

 

Korte duiding

Middelen voor provinciale programma’s voor het ondersteunen van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren zoals buurthuizen, scholen, culturele instellingen en zorginstellingen bij het maken van toekomstbestendige keuzen ten aanzien van de verduurzaming van hun gebouw.

      
 

Juridische grondslag

Ministeriële regeling

      
 

Maatschappelijke effecten

Deze regeling draagt bij een duurzame huisvesting van maatschappelijke voorzieningen en een lage energierekening.

      
 

Ontvangende partijen

Provincies

      
 

Artikel

2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

      
         
         

J14

Naam

Uitvoering isolatie- en ventilatie subsidie voor isolatieaanpak (maatregel 29) uit ‘Nij Begun’

146,58

146,16

134,74

133,01

132,79

108,94

 

Korte duiding

Deze regeling heeft tot doel verduurzaming van gebouwen en woningen in de provincie Groningen en gemeenten in Noord-Drenthe. (maatregel 29)

      
 

Juridische grondslag

Artikel 17, lid 1Artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet, juncto artikel 4:23, derde lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht.

      
 

Maatschappelijke effecten

Met deze maatregel wordt beoogd om woningen in de regio te isoleren richting aardgasvrij-gereed.

      
 

Ontvangende partijen

Provincie Groningen en gemeenten Noord-Drenthe

      
 

Artikel

2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

      
         
         

J16

Naam

Regeling kansrijke wijk tweede tranche

131,80

149,04

148,04

10,19

10,19

0,00

 

Korte duiding

De SPUK Kansrijke Wijk is een geldstroom specifiek voor de twintig gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en waarvoor de middelen zijn gebundeld van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).

      
 

Juridische grondslag

https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK027892

      
 

Maatschappelijke effecten

De SPUK Kansrijke Wijk richt zich op interventies die bijdragen aan re-integratie, het voorkomen van geldzorgen, het vergroten van kansengelijkheid voor kinderen en jongeren (via ‘School en omgeving’). Ook worden interventies ondersteund die maatschappelijke samenhang versterken en financiële educatie bevorderen.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeentes

      
 

Artikel

1. Volkshuisvesting

      
         
         

J17

Naam

Realisatiestimulans

254,20

378,54

516,93

557,47

664,77

380,00

 

Korte duiding

Bijdrage voor betaalbare woningen waarvan de bouw is gestart.

      
 

Juridische grondslag

Tijdelijke regeling Realisatiestimulans (in consultatie)

      
 

Maatschappelijke effecten

Het doel van de Realisatiestimulans is het ondersteunen van gemeenten in heel Nederland bij het realiseren van meer betaalbare woningen, met zo min mogelijk bestuurlijke lasten. Gemeenten worden beloond voor iedere betaalbare woning waarvan de bouw start in de periode 2025–2029. De middelen die gemeenten ontvangen kunnen vervolgens weer geïnvesteerd worden in toekomstige woningbouw. Zo draagt de Realisatiestimulans bij aan het opschalen van de woningbouw naar 100.000 nieuwe woningen per jaar.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

1. Volkshuisvesting

      
         
         

J20

Naam

Woningbouw Metropoolregio Eindhoven

37,86

40,00

25,00

0,00

0,00

0,00

 

Korte duiding

Bijdragen voor woningbouwversnelling en gebiedsmaatregelen in de Metropoolregio Eindhoven

      
 

Juridische grondslag

Volgt

      
 

Maatschappelijke effecten

Naar aanleiding van het Convenant van Rijk en Brainportregio over investeringen in ondernemingsklimaat microchipsector stelt het Rijk middelen beschikbaar aan de Metropoolregio Eindhoven (MRE). Met deze middelen wordt bijgedragen aan de versnelde bouw van 17.000 woningen, 2.280 studenteneenheden en gebiedsmaatregelen in de grootschalige woningbouwlocaties in de MRE.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten in de Metropoolregio Eindhoven

      
 

Artikel

1. Volkshuisvesting

      
         
         

J55

Naam

Ondersteuning aanpak energiearmoede

45,00

45,00

5,00

0,00

0,00

0,00

 

Korte duiding

Ondersteuning huishoudens met laag besteedbaar inkomen en hoge energielasten.

      
 

Juridische grondslag

Artikel 17, lid 1Artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet, juncto artikel 4:23, derde lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht.

      
 

Maatschappelijke effecten

Deze uitkering draagt bij met het bestrijden van energiearmoede en het versnellen van de isolatie van woningen. Gemeenten kunnen hier o.a. energiefixers voor inzetten.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

      
         
         

J56

Naam

Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA)

42,69

25,00

25,00

75,00

65,00

65,00

 

Korte duiding

Dit betreft een aanvullende tranche van de RHA voor specifiek studentenwoningen en andere aandachtsgroepen.

      
 

Juridische grondslag

Meerjarige regeling specifieke uitkeringen voor huisvesting aandachtsgroepen

      
 

Maatschappelijke effecten

Het doel van deze regeling is om de bouw van woonruimten voor uitwonende studenten en andere aandachtsgroepen zoals dak- en thuisloze mensen of mensen met sociale, medische of andere urgentie te stimuleren en versnellen. Hiertoe ontvangen de gemeenten een bijdrage voor toerekenbare uitgaven die aantoonbaar noodzakelijk zijn voor het realiseren van het betreffende woningbouwproject, wanneer er sprake is van een financieel tekort.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

1. Volkshuisvesting

      
         
         

J95

Naam

Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW)

16,10

9,30

9,00

9,00

9,00

0,00

 

Korte duiding

Het NPLW is een interbestuurlijk programma van het Rijk, VNG en IPO en ondersteunt gemeenten bij de lokale warmtetransitie doorkennis en expertise beschikbaar te stellen over het vormgeven en uitvoeren van de lokale warmtetransitie.

      
 

Juridische grondslag

Regeling specifieke uitkering regionale structuur Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

      
 

Maatschappelijke effecten

Deze uitkering draagt bij aan de deling van kennis en expertise met gemeenten om te voldoen aan de doelstellingen van het Klimaatakkoord.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

      
         
         

J97

Naam

Grote gezinnen

1,75

1,60

0,00

0,00

0,00

0,00

 

Korte duiding

Tegemoetkoming in huisvesting van grote gezinnen

      
 

Juridische grondslag

Regeling huisvesting grote gezinnen vergunninghouders

      
 

Maatschappelijke effecten

Versnellen uitstroom statushouders uit opvanglocaties

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

1. Volkshuisvesting

      
         
         

J100

Naam

Kansrijke Wijk

133,23

150,19

150,19

10,00

10,00

0,00

 

Korte duiding

Het hoofddoel van de beoogde ministeriële regeling is dat er één specifieke uitkering wordt uitgekeerd aan de 19 gemeenten met een stedelijk focusgebied in het kader van het NPLV. Het betreft een uitkering met een breed bestedingskader op het terrein van vijf hoofdthema’s: re-integratie en preventie geldzorgen, school en omgeving, ontwikkeling van het jonge kind, maatschappelijke samenhang en financiële educatie.

      
 

Juridische grondslag

Regeling Kansrijke wijk

      
 

Maatschappelijke effecten

Het doel van deze Regeling kansrijke wijk is tweeledig. Ten eerste dient de regeling om de inzet van gemeenten te versterken op de hoofdthema’s die meelopen in de regeling, inclusief de nevenschikkende doelstellingen per beleidsterrein en de organisatie van een uitvoeringsprogramma. Daarnaast heeft de regeling als doel om de integrale werkwijze op gemeentelijk niveau te stimuleren, door gemeenten ruimte te geven een deel van de middelen integraal te besteden.

      
 

Ontvangende partijen

19 gemeenten met een stedelijk focusgebied (in totaal 20 focusgebieden)

      
 

Artikel

1. Volkshuisvesting

      
         
         

J106

Naam

Gebiedsbudget

197,22

624,75

0,00

560,00

220,00

70,00

 

Korte duiding

Bijdrage voor gebiedsmaatregelen in de grootschalige woningbouwgebieden.

      
 

Juridische grondslag

Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget

      
 

Maatschappelijke effecten

Deze middels deze regeling ontvangen medeoverheden een bijdrage waarmee ze in staat worden gesteld gebiedsmaatregelen te realiseren die noodzakelijk zijn om woningbouw plaats te laten vinden in de grootschalige woningbouwgebieden. Het doel van deze financiële bijdrage is om een deel van het publieke tekort op de gebiedsontwikkeling te dekken, waarmee de realisatie van de woningen (versneld) tot stand kan komen.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

1. Volkshuisvesting

      
         
         

J107

Naam

Stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen

28,59

37,19

89,00

66,90

0,00

0,00

 

Korte duiding

Stimuleren van tijdelijke huisvesting

      
 

Juridische grondslag

Meerjarige stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen 2023

      
 

Maatschappelijke effecten

De businesscases voor flex- en transformatiewoningen sluiten vaak nog niet. Middels deze regeling kunnen gemeenten een bijdrage vragen voor de onrendabele top in hun project, waardoor de businesscase voor flexwoningen voor betrokken partijen aantrekkelijker worden zodat partijen toch besluiten te investeren. Daarmee draagt de regeling bij aan het op korte termijn realiseren van meer woningen voor onder andere ontheemde Oekraïners, statushouders en andere aandachtsgroepen. Op lange termijn draagt de regeling bij aan de realisatie van een schil van flexibele woningen in de totale Nederlandse woningvoorraad.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

1. Volkshuisvesting

      
         
         

J108

Naam

Verduurzaming Gron & N Dr Ontzorgingsprogramma

12,65

9,54

10,00

9,18

7,98

36,76

 

Korte duiding

Ontzorgingsprogramma en overige ondersteuning gemeenten en provincie

      
 

Juridische grondslag

Artikel 17, lid 1Artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet, juncto artikel 4:23, derde lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht.

      
 

Maatschappelijke effecten

Operationele ondersteuning voor de gehele regio tbv verduurzamingsaanpak.

      
 

Ontvangende partijen

Provincie Groningen en gemeenten Noord-Drenthe

      
 

Artikel

2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

      
         
         

J117

Naam

NIP Soortenmanagement

0,00

4,00

5,00

5,00

6,00

0,00

 

Korte duiding

Middelen voor inzet op versnelling natuurinclusief isoleren

      
 

Juridische grondslag

Regeling specifieke uitkering versnelling natuurinclusief isoleren.

      
 

Maatschappelijke effecten

Minder lasten voor burgers om te na isoleren conform de Wnb door de totstandkoming van soortenmanagementplannen in iedere gemeente. Verbetering van biodiversiteit (voorkoming van doden beschermde diersoorten conform wnb) waarbij isolatieopgave voortgezet kan worden.

      
 

Ontvangende partijen

Provincies en gemeenten

      
 

Artikel

2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

      
         
         
 

Naam

Energiehuis SCF

0,16

42,70

0,98

0,47

0,47

0,47

 

Korte duiding

Ondersteuning huishoudens met laag besteedbaar inkomen en hoge energielasten via lokale uitvoering van het Energiehuis

      
 

Juridische grondslag

Ministeriele regeling

      
 

Maatschappelijke effecten

Dez uitkering draagt bij met het bestrijden van energiearmoede en het versnellen van de isolatie van woningen. Gemeenten kunnen hier o.a. energiefixers voor inzetten.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

      

6.3 Bijlage 3: Subsidieoverzicht

Tabel 38 Subsidies uit hoofde van subsidieregelingen (bedragen x € 1.000)

Art.

Naam Subsidie

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie

Volgende evaluatie

Einddatum Subsidie

1

Volkshuisvesting

11.978

41.386

52.915

46.500

48.506

45.372

40.435

   
 

Subsidies Woningmarkt

5.102

6.401

6.552

6.947

7.248

6.414

4.435

2021

2026

 

Ouderenhuisvesting

6.876

31.985

43.405

36.595

38.300

36.000

36.000

2027

2027

 

Projectsteun woningcorporaties

0

3.000

2.958

2.958

2.958

2.958

0

            

2

Energietransitie gebouwde omg. en bouwkwaliteit

685.800

708.827

748.607

636.427

468.813

372.870

264.554

   
 

Subsidieregeling verduurzaming en onderhoud huurwoningen

11.308

23.013

16.396

35.654

17.947

25.761

15.311

2028

2029

 

Energiebesparing koopsector

34.387

50.296

56.281

30.378

21.152

24.604

35

2021

2026

2030

 

Verduurzaming maatschappelijk vastgoed

228.925

136.883

415.580

411.111

292.510

161.301

197.011

2026

2026

 

Energietransitie en duurzaamheid1

26.666

22.684

20.693

19.113

15.394

14.095

9.697

2024

 

Renovatieversneller

31.837

20.136

13.627

11.341

3.150

2.350

0

 

Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH)

59.896

24.605

22.760

15.980

6.360

10.200

42.500

2024

2026

2026

 

Warmtefonds

216.031

339.460

103.020

112.850

112.300

96.059

0

2030

 

Verduurzaming Gr & N Dr wooncorperaties

76.750

76.750

76.750

0

0

0

0

2030

 

SAH warmteprojecten2

0

15.000

23.500

0

0

38.500

0

2026

2030

            
 

Totaal Subsidie regelingen

697.778

750.213

801.522

682.927

517.319

418.242

304.989

...

...

...

1

2

subsidieregeling start per oktober 2026

Tabel 39 Incidentele subsidies (bedragen x € 1.000)

Artikel

Naam Subsidie

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie

Volgende evaluatie

Einddatum Subsidie

1

 

102.377

31.189

35.584

78.376

201.323

198.144

215.593

   

1.1

Betaalbare Koopwoningen Starters

30.000

0

0

12.500

12.500

25.000

20.000

2029

 

Stimuleringsmiddelen wooncoöperaties

60.967

784

1.001

530

313

148

0

2031

 

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid

2.161

2.307

2.781

2.748

1.898

1.898

1.896

2031

 

Bevordering eigen woningbezit

2.825

500

0

0

0

0

0

2011

2028

2010

 

Objectsubsidie middenhuur

0

0

0

0

100.000

100.000

100.000

            

1.2

Woningbouw

783

4.052

2.527

2.767

1.935

2.789

1.697

2027

2031

 

Opschalen Woningbouw

5.641

21.546

23.275

21.331

47.177

31.309

29.000

2027

2029

 

Uitvoeringskracht

0

2.000

6.000

6.000

5.000

4.500

4.500

2027

2031

 

Zorggerichte Woningen

0

0

0

32.500

32.500

32.500

58.500

            

2

 

93.804

103.294

133.354

89.868

70.221

59.091

3.898

   

2.1

Kennis- en innovatieprogramma bouwproductie stikstof

1.256

2.028

480

360

0

0

0

2026

2026

 

Maatschappelijk vastgoed fonds

49.900

30.000

55.000

30.000

30.000

30.000

0

2029

2029

 

Nationaal Groeifonds

19.367

16.827

24.360

11.000

2.400

0

0

2024

2026

2028

 

Nationaal Isolatie Programma

0

0

980

980

980

980

0

2026

2030

 

Ontzorgen Vereniging van Eigenaren

6.257

4.365

4.777

5.303

5.072

4.919

0

2026

2030

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

324

669

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

2026

2031

 

Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe innovatie

0

0

500

500

500

500

500

2030

2030

 

Energiehuis SCF

0

0

3.800

3.800

3.800

3.800

0

2030

 

Digitalisering en innovatie

0

7.157

5.906

5.356

5.424

1.597

150

2031

 

Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

0

4.493

23.051

19.260

18.765

14.015

0

2027

2030

            

2.2

Biobased bouwen

12.818

10.965

5.906

4.974

0

0

0

2025

2028

2028

 

Aanpak funderingsschade

973

22.323

5.339

5.080

0

0

0

2026

2028

 

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

2.909

4.467

2.255

2.255

2.280

2.280

2.248

2027

2031

            

3

 

3.152

5.603

4.986

3.326

2.809

2.809

2.809

   

3.1

Ruimtelijk instrumentarium (diversen)

146

450

296

296

296

296

296

2025

2026

2027

 

Geo-informatie

581

585

471

471

471

471

471

2031

 

3D modellen gemeenten

795

305

0

0

0

0

0

2026

2026

 

NOVEX

0

90

0

0

0

0

0

2026

2026

 

Ruimtelijk Ontwerp

0

408

0

0

0

0

0

2026

2026

 

Gebiedsontwikkeling

108

0

0

0

0

0

0

2025

2025

 

Programma Ruimtelijk Ontwerp

219

0

0

0

0

0

0

2025

2025

            

3.2

Uitvoeringsondersteuning Omgevingswet

1.303

3.765

4.219

2.559

2.042

2.042

2.042

2026

2031

            
            
 

Totaal incidentele subsidies

199.333

140.086

173.924

171.570

274.353

260.044

222.300

...

...

...

6.4 Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda

De Strategische Evaluatie Agenda (SEA) laat zien hoe VRO de komende jaren werkt aan het voortbrengen van inzichten over de (voorwaarden voor) de doeltreffendheid en doelmatigheid van ons beleid. Door voldoende (goed) evaluatieonderzoek te programmeren neemt het aantal bruikbare inzichten toe.

Deze onderzoeksprogrammering biedt een overzicht van de geplande ex-ante-, ex-durante- en ex-postevaluaties van beleid. Tevens worden de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het gehele beleid binnen de (sub)thema’s eens in de vier tot zeven jaar onderzocht middels een Periodieke rapportage. Ook deze onderzoeken zijn opgenomen in de SEA.

Tabel 40 SEA-thema Woningbouwbeleid

Lopende en geplande onderzoeken

Periodieke Rapportage: Woningmarkt en woningbouw

Afronding in 2028

     

Deel(evaluatie)onderzoeken

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

     

Beschikbaarheid - Monitors

Monitor flex- en transformatiewoningen

Ex durante

Jaarlijks t/m 2027

Te starten

1.2

Monitor financiële en fysieke herplaatsingsgarantie

Ex durante

2026

Afgerond

1.2

Landelijke monitor voortgang woningbouw

Ex durante

Halfjaarlijks

Lopend

1.2

Monitor projecten met subsidie

Ex durante

Jaarlijks

Lopend

1.2

Staat van de Volkshuisvesting

Ex durante

Jaarlijks

Lopend

1.2

     

Beschikbaarheid - Evaluatie financiële regelingen woningbouwprojecten

Evaluatie Regeling huisvesting aandachtsgroepen (RHA)

Ex post

2026

Te starten

1.2

Overkoepelende evaluatie financieel instrumentarium

Ex durante

2026

Lopend

1.2

Evaluatie Volkshuisvestingsfonds

Ex post

2026

Lopend

1.2

Tussentijdse evaluatie realisatiestimulans

Ex durante

2027

Te starten

1.2

Evaluatie startbouwimpuls

Ex post

2027

Te starten

1.2

Evaluatie transformatiefaciliteit

Ex post

2027

Te starten

1.2

Evaluatie Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT)

Ex post

2027

Te starten

1.2

Evaluatie woningbouwimpuls

Ex post

2035

Te starten

1.2

     

Beschikbaarheid - Overig

Inzicht in de verwachte ontwikkeling en samenstelling van het aantal Nederlandse huishoudens

Ex ante

Jaarlijks

Lopend

1.2

Inzicht in de verwachte ontwikkeling van het aantal nieuwe woningen in Nederland, de ontwikkeling van woningvoorraad en het woningtekort

Ex ante

Jaarlijks

Lopend

1.2

Flexpools

Ex Post

2027

Te starten

1.2

Evaluatie Innovatie en Opschalings Programma (IOP)

Ex post

2030

Te starten

1.2

SEA-thema Woningbouwbeleid

Het woonbeleid is gericht op het werken aan een voldoende beschikbare, betaalbare en kwalitatief goede woningvoorraad in leefbare wijken, met extra ondersteuning voor degenen die dat nodig hebben. Het woningbouwbeleid richt zich op de nieuwbouw van meer passende en betaalbare woningen, het beter benutten van bestaande gebouwen en het wegnemen van belemmeringen voor woningbouw zodat we sneller bouwen. We monitoren de voortgang, werken aan het invullen van benodigde randvoorwaarden en creëren en beheren de benodigde (financiële) instrumenten. Dit doen we als Rijksoverheid, samen met provincies, gemeenten, woningcorporaties, zorginstellingen, investeerders, projectontwikkelaars, bouwers, makelaars en vele anderen.

Eerstvolgende Periodieke rapportage

Binnen dit SEA-thema wordt toegewerkt naar een Periodieke rapportage (PR) in 2028. Dit syntheseonderzoek brengt inzichten uit diverse monitors en evaluaties over de beleidsperiode 2022 tot en met 2028 bij elkaar. Dit met als doel om over het gehele thema uitspraken te kunnen doen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de beleidsvoetafdruk in deze periode. In 2026 en 2027 staan nog een substantieel aantal evaluaties gepland die kunnen worden meegenomen in de PR.

Eerder afgeronde monitors en evaluaties over deze beleidsperiode zijn terug te vinden in jaarverslagen. Zie voor het laatste jaarverslag: link. Aanvullend op wat reeds is afgerond worden er voor de komende jaren de evaluaties en monitors geprogrammeerd die hierboven in de tabel zijn opgenomen.

Toelichting inzichtbehoefte

Een groot deel van de uitgaven binnen het woningbouwbeleid gaat naar medeoverheden, met name de gemeenten. Zij kunnen verschillende stimuleringsmiddelen ontvangen voor woningbouwprojecten, zoals de realisatiestimulans, woningbouwimpuls en de RHA. Het evalueren van deze regelingen kost gemeentelijke kennis en capaciteit. De werklast en evaluatielast bij medeoverheden en overige instellingen moet behapbaar blijven.

Voor de financiële regelingen geldt dat er ex post altijd een evaluatie plaats zal vinden. Mochten er signalen zijn dat er ex durante aanvullende evaluatie nodig is, wordt er op een passend moment een evaluatie gepland. Het is ook belangrijk om te kijken hoe verschillend beleid op elkaar inwerkt. Dit geldt zowel binnen de woningbouw – waar meerdere regelingen bestaan die kunnen worden aangevraagd – als beleidsingrepen in de woningmarkt en fiscaliteit. Een eerste stap hierin zetten we door het onderzoeken van de verschillende regelingen in samenhang.

Nieuw opgenomen (deel)evaluaties/monitors

Ten opzichte van de vorige begroting zijn er evaluaties opgenomen voor de Flexpools en het Innovatie- en Opschalingsprogramma. Hoewel dit geen directe financiële bijdragen zijn voor woningen, zijn het wel bijdragen voor het woningbouwproces.

Ook hebben we de overkoepelende evaluatie financieel instrumentarium toegevoegd. We onderzoeken hoe diverse financiële regelingen op elkaar inwerken en in hoeverre deze regelingen ook effectief zijn in samenhang, bij de overkoepelende evaluatie van het financieel instrumentarium. In deze analyse wordt gekeken hoe het huidige pakket van het financieel instrumentarium past bij de opgave waar we nu voor staan, en worden de verschillende regelingen meegenomen die door de mede-overheden als relevant worden geacht.

Tabel 41 SEA-thema Woningmarkt

Lopende en geplande onderzoeken

Periodieke Rapportage: Woningmarkt en woningbouw

Afronding in 2028

     

Deel(evaluatie)onderzoeken

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

     

Betaalbaarheid

Onderzoek Eigenwoningforfait

Ex-durante

2026

Te starten

1.1

Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten (verlengde Wet Nijboer)

Ex-durante

2027

Te starten

1.1

Evaluatie Wet betaalbare huur

Ex post

2027

Te starten

1.1

Evaluatie NHG-grensmethodiek

Ex post

2028

Te starten

1.1

Evaluatie NHG-provisiemethodiek

Ex post

2029

Te starten

1.1

Evaluatie differentiatie inkomensgrenzen

Ex post

2029

Te starten

1.1

Evaluatie fonds betaalbare koopwoningen

Ex post

2029

Te starten

1.1

Evaluatie Huurtoeslag

Ex post

2029

Te starten

1.1

Beschikbaarheid

Monitor aandachtsgroepen

Ex durante

2026

Lopend

1.1

Monitor studentenhuisvesting

Ex durante

2026

Lopend

1.1

Monitor Investeringscondities

Ex durante

2026

Afgerond

1.1

Monitor ouderenhuisvesting

Ex durante

2026

Lopend

1.1

Evaluatie opkoopbescherming

Ex-durante

2026

Te starten

1.1

Evaluatie regeling huisvesting grote gezinnen vergunninghouders

Ex post

2026

Lopend

 

Evaluatie subsidie Cooplink

Ex post

2027

Lopend

1.1

Evaluatie nieuwe Huisvestingswet

Ex post

2028

Te starten

1.1

Evaluatie Wet toeristische verhuur

Ex post

2029

Te starten

1.1

Evaluatie Wet versterking regie op de volkshuisvesting

Ex post

2031 (5 jaar na inwerkingtreding)

Te starten

1.1

Evaluatie fonds wooncoöperaties

Ex post

2031

Te starten

1,1

Kwaliteit

Evaluatie wet Goed verhuurderschap

Ex post

2026

Lopend

1.1

Onderzoek 30-jaars termijn

Ex post

2026

Lopend

1.1

Evaluatie convenant NRVT

Ex durante

2026

Te starten

1.1

Voortgangsrapportage NPLV

Ex durante

2026

Lopend

1.1

Evaluatie Wet overleg huurders verhuurder

Ex post

2027

Te starten

1.1

Evaluatie aanpak woondiscriminatie

Ex post

2027

Te starten

1.1

Evaluatie Stimuleringsregelen ontmoetingsruimten ouderenhuisvesting

Ex post

2027

Te starten

1.1

Evaluatie Doorontwikkeling Woonbase

Ex durante

2027

Te starten

1.1

WoonOnderzoek

Ex durante

2027

Te starten

1.1

Overig

Agentschapsdoorlichting Dienst van de Huurcommissie

Agentschapsdoorlichting

2026

Afgerond

1.1

Voortgangsrapportage Beleidsagenda Caribisch Nederland VRO

Ex durante

Jaarlijks

Afgerond

1.1

Evaluatie Subsidieregeling experimenten en kennisoverdracht wonen (SEKKW)

Ex post

2027

Te starten

1.1

SEA-thema Woningmarkt

Vanaf 2027 is de doelstelling van het woningmarktbeleid aangescherpt: we werken aan voldoende beschikbare, betaalbare en een kwalitatief goede woningvoorraad in leefbare buurten, met ondersteuning voor degenen die dat nodig hebben. Om dit dichterbij te brengen maken we regels en afspraken voor de woningmarkt. Dit gaat bijvoorbeeld om regels over de maximale hoogte van hypotheken, over hoe huurcontracten eruit mogen zien, over wie er voorrang kan krijgen op een betaalbare woning of over hospitaverhuur. Door de onderdelen van het woonbeleid te monitoren en periodiek te evalueren, brengen we een beter functionerende woningmarkt binnen handbereik.

Eerstvolgende Periodieke rapportage

Binnen dit SEA-thema wordt toegewerkt naar een periodieke rapportage in 2028. Dit syntheseonderzoek brengt inzichten uit diverse monitors en evaluaties over de beleidsperiode 2022 tot 2028 bij elkaar. Dit met als doel om over het geheel van het thema uitspraken te kunnen doen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de beleidsvoetafdruk in deze periode.

Reeds afgeronde monitors en evaluaties over beleid in deze beleidsperiode zijn terug te vinden in jaarverslagen. Zie voor het laatste jaarverslag: link.

Nieuw opgenomen (deel)evaluaties/monitors

Komende jaren lichten we een aantal aspecten van ons huurbeleid door. Het betreft bijvoorbeeld de evaluatie van de Wet goed verhuurderschap, de Wet overleg huurders verhuurder, en van de Wet betaalbare huur. Want op de huurmarkt werken we zowel aan betaalbaarheid voor huurders als voor toegankelijkheid en goede investeringscondities. Daarnaast staan er verschillende evaluaties gepland over het beleid op de koopmarkt. Zo wordt er gekeken naar de dertigjaarstermijn, naar het toezicht op taxaties, en naar de methodieken van de Nationale Hypotheekgarantie. Daarmee werken we aan een goed toegankelijke koopmarkt waarin risico’s voor consumenten beperkt en inzichtelijk blijven.

Toelichting inzichtbehoefte

De Periodieke rapportage brengt in ieder geval de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde beleid in beeld. Dit vindt plaats met behulp van de informatiebasis die de uitgevoerde evaluaties bieden. Aan de hand van die informatiebasis gaat duidelijk worden of de begrotingsdoelstelling rondom beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit dichterbij is gebracht. Daarnaast wordt er nagedacht over een mogelijke thematische insteek. Zo is er in de afgelopen jaren op het beleid van huurregulering veel gebeurd. En ook op het vlak van het beleid op eigenwoningbezit en hypotheken hebben er veel evaluaties plaatsgevonden. Deze zouden voldoende inbreng moeten bieden voor een leerrijke Periodieke rapportage.

Tabel 42 Energietransitie en de gebouwde omgeving

Lopende en geplande onderzoeken

Periodieke Rapportage: Energietransitie en de gebouwde omgeving

Afronding in 2026

     

Deel(evaluatie)onderzoeken

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

     
 

Monitor De Staat van de Volkshuisvesting

Ex durante

2026

Lopend

2.1

Ex-ante-evaluatie klimaatbeleid gebouwde omgeving KEV

Ex ante

2026

Lopend

2.1

Evaluatie Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH)

Ex durante

2027

Te starten

2.1

Evaluatie Aanpak Energiearmoede (NIP)

Ex post

2027

Te starten

2.1

Evaluatie subsidieregeling Nationaal Isolatieprogramma (NIP)

Ex post

2027

Te starten

2.1

Monitor Energiemodule (Woononderzoek Nederland)

Ex durante

2027

Lopend

2.1

Evaluatie Subsidie Nationaal Restauratie Fonds (NRF)

Ex post

2028

Te starten

2.1

Evaluatie Programma Werklandschappen van de toekomst

Ex post

2028

Te starten

2.1

Evaluatie Subsidie Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars (SVVE)

Ex durante

2028

Te starten

2.1

Evaluatie Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

Ex post

2030

Te starten

2.1

Evaluatie Subsidie BNG Duurzaamheidsfonds

Ex post

2030

Te starten

2.1

Evaluatie Subsidie Regionale Energiefondsen

Ex post

2030

Te starten

2.1

SEA-thema Energietransitie en de gebouwde omgeving

Het beleid ter verduurzaming van de gebouwde omgeving heeft ten doel om in 2030 voldoende op koers te liggen om in 2050 de gebouwenvoorraad volledig aardgasvrij te maken en daarmee de uitstoot van broeikasgassen in dat jaar tot nul te reduceren. De beleidsdoelen reiken evenwel verder dan enkel emissiereductie. We zetten ook in op het versterken van onze (inter)nationale energieonafhankelijkheid, het verhogen van het comfort en het verlagen van de energierekening vooral voor huishoudens met de laagste inkomens. Daarom is energiebesparing ook een belangrijk doel van het beleid.

De concrete doelen voor 2030 zijn:

  • De uitstoot van broeikasgassen in de gebouwde omgeving reduceren tot maximaal 55% van de uitstoot in 1990.

  • Verduurzamen van 2,5 miljoen woningen, met de nadruk op het (naar minimaal label D) verbeteren van de energetisch slechtste woningen (E-, F- en G-labels), circa 1,5 miljoen begin 2022.

  • Een miljoen (hybride) warmtepompen extra in de bestaande woningvoorraad.

  • Minstens 200.000 bestaande woningen extra aansluiten op een warmtenet.

  • Minstens 120.000 utiliteitsgebouwen met een F- of G-label vergaand verduurzamen.

Het beleid is gericht op zowel de woning- als utiliteitsbouw en op het stimuleren en faciliteren van individuele gebouweigenaren via normering, subsidies, ondersteuning, ontzorging en voorlichting om te investeren in energiebesparing en verduurzaming. Gemeenten worden bij de lokale warmtetransitie ondersteund en in staat gesteld om wijk voor wijk de gebouwvoorraad aardgasvrij te maken.

Eerstvolgende Periodieke rapportage

Binnen dit SEA thema is toegewerkt naar een Periodieke rapportage die in 2026 wordt afgerond. Dit syntheseonderzoek brengt inzichten uit diverse monitors en evaluaties over de beleidsperiode 2021 tot en met 2025 bij elkaar. Dit met als doel om over het geheel van het thema Energietransitie en duurzaamheid in de gebouwde omgeving uitspraken te kunnen doen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid in deze periode. In de periodieke rapportage wordt ook aandacht besteed aan de bredere publieke waarden waar het verduurzamingsbeleid in de gebouwde omgeving aan bijdraagt en aan de mensbeelden die zijn gehanteerd bij het opstellen van het beleid.

Reeds afgeronde monitors en evaluaties over beleid in de onderzochte beleidsperiode zijn terug te vinden in jaarverslagen. Zie voor het laatste jaarverslag: link. Aanvullend op wat reeds is afgerond, zijn voor de komende jaren de evaluaties en monitors geprogrammeerd die hierboven zijn opgenomen in de tabel.

Toelichting inzichtbehoefte

De resultaten van de lopende periodieke rapportage en de aanbevelingen daarin over mogelijke verbeteringen in de monitoring en evaluatie van het beleid zijn leidend voor het opnieuw formuleren van de inzichtbehoefte. In de kabinetsreactie die wordt meegestuurd met de periodieke rapportage zal de inzichtbehoefte nader worden toegelicht.

Nieuw opgenomen (deel)evaluaties/monitors

De volgende onderzoeken zijn voor het eerst opgenomen in de Strategische Evaluatie Agenda 2027:

  • De Staat van de Volkshuisvesting is een jaarlijkse monitor van het volkshuisvestingsbeleid, die ook de voortgang van de verduurzaming van de woningvoorraad in beeld brengt.

  • De Klimaat- en Energieverkenning is een jaarlijkse evaluatie door het Planbureau van de Leefomgeving waarin wordt geraamd of de beleidsdoelen in 2030 en verder worden gehaald.

  • De Energiemodule van het WoON betreft een nieuwe editie van een langlopend periodiek onderzoek dat het energiegedrag van bewoners in de woning, het investeringsgedrag van de eigenaar en de energetische kwaliteit van de woning in beeld brengt. Het biedt onder andere monitoringsinformatie over stook- en ventilatiegedrag en de energielabelverdeling van de woningvoorraad.

  • De evaluatie van de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) zal eind 2026 starten en in 2027 tot publicatie komen.

  • De evaluaties van de Subsidie Nationaal Restauratie Fonds (NRF), de Subsidie BNG Duurzaamheidsfonds en de Subsidie Regionale Energiefondsen betreffen alle evaluatieonderzoeken van regelingen om voordelige leningen ter verduurzaming van monumentale panden binnen het maatschappelijk vastgoed te kunnen realiseren.

  • De evaluatie van het programma Werklandschappen van de Toekomst van het Nationaal Groei Fonds staat geprogrammeerd om in 2028 gereed te komen.

  • De evaluatie van de Subsidie Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars (SVVE) gaat volgens planning naar de Tweede Kamer in 2028.

Tabel 43 Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

Lopende en geplande onderzoeken

Periodieke Rapportage: Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

Afronding in 2028

     

Deel(evaluatie)onderzoeken

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

     
 

Onderzoek handhavingsinstrumentarium Woningwet en Omgevingswet op het gebied van bouwen (evaluatie)

Ex post

2026

Lopend

2.2

Onderzoek beschikbare financiële middelen voor toezicht en handhaving door gemeenten (evaluatie)

Ex post

2026

Lopend

2.2

Onderzoek inzicht in beleid en uitvoering toezicht en handhaving door gemeenten

Ex post

2026

Lopend

2.2

Monitoring Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

Ex durante

2024-2026

Lopend

2.2

Beleidsevaluatie milieuprestatie gebouwen (mpg)

Ex post

2026

Lopend

2.2.

Evaluatie DigiGO

Ex durante

2026

Lopend

2.2

Evaluatie Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

Ex post

2027

Te starten

2.2

ZBO doorlichting Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw

ZBO doorlichting

2027

Te starten

2.2

Tussenevaluatie samenwerkingsovereenkomst Rijk-Stichting NMD

Ex-durante

2027

Te starten

2.2

Monitoring Nationale aanpak funderingen

Ex durante

2027

Te starten

2.2

Evaluatie Fonds Duurzaam Funderingsherstel (FDF)

Ex durante

2028

Te starten

2.2

Evaluatie Nationale Aanpak Biobased Bouwen

Ex durante

2028

Te starten

2.2

SEA-thema Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit zijn brede begrippen. De technische bouwvoorschriften, waaraan bouwwerken in Nederland ten minste moeten voldoen, zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) onder de Omgevingswet. Ook het toezicht daarop en de kwaliteitsborging zijn hierin, zij het deels, geregeld.

De middelen op artikelonderdeel 2.2 zijn bedoeld voor enerzijds instandhouden, actualiseren en (door)ontwikkelen van bouwvoorschriften. De maatschappelijke ontwikkelingen en internationale afspraken vormen hiervoor de input. Anderzijds worden de middelen randvoorwaardelijk ingezet om bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen te stimuleren, zoals biobased bouwen.

De inzichtbehoefte binnen dit SEA-thema betreft vooral de werking van nieuwe onderdelen van de bouwregelgeving en bouwkwaliteit. Het gaat daarbij om:

  • het stelsel van kwaliteitsborging voor nieuwbouw (Wkb) en de rol daarbij van de toezichthoudende ZBO (TloKB);

  • de eisen voor de milieuprestatie van gebouwen (mpg);

  • de Nationale aanpak Funderingen en het Fonds Duurzaam Funderingsherstel;

  • de Nationale Aanpak Biobased bouwen

  • en het stimuleringsproject Digitaal Stelsel Gebouwde Omgeving (DSGO).

Binnen dit SEA-thema is ook behoefte aan inzicht in een reeds bestaand onderdeel onder dit begrotingsartikel, namelijk de invulling van de handhavingstaak door gemeenten op de Bbl-eisen voor bestaande bouw. Daarbij wordt opgemerkt dat het Bbl in 2025 ook is beschouwd in het programma STOER (Schrappen tegenstrijdige en overbodige eisen en regelgeving) en dat de uitkomsten hiervan beschikbaar zijn voor de Periodieke rapportage. Het Bbl valt overigens, als een van de vier Amvb’s onder de Omgevingswet, ook onder de brede evaluatie van de Omgevingswet die is gepland voor 2029.

Eerstvolgende periodieke rapportage

Binnen dit SEA-thema wordt toegewerkt naar een periodieke rapportage (syntheseonderzoek) in 2028. Deze periodieke rapportage brengt inzichten uit diverse evaluaties, onderzoeken en monitors over de beleidsperiode 2021 tot en met 2027 bij elkaar. De scope van deze eerstvolgende Periodieke rapportage is afgebakend tot de hiervoor genoemde dossiers, met uitzondering van het Fonds Duurzaam Funderingsherstel. De evaluatie van dit Fonds wordt in 2028 uitgevoerd en is daarom niet tijdig beschikbaar voor de Periodieke rapportage. Voor de Nationale Aanpak Biobased Bouwen geldt dat in 2028 een nieuwe brede evaluatie wordt uitgevoerd. Ook deze evaluatie is niet tijdig beschikbaar voor de Periodieke rapportage. De periodieke monitor en de in 2025/2026 uitgevoerde onderzoeken over de Nationale Aanpak Biobased Bouwen zijn wel beschikbaar.

Doel van eerstvolgende Periodieke rapportage is om over de hiervoor genoemde beleidsdossiers -in samenhang- uitspraken te kunnen doen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het in deze periode gevoerde beleid en de borging daarvan naar de toekomst toe.

In de begroting XXII VRO stond de uitvoering van de periodieke rapportage gepland in 2027. Omdat de evaluatie van de Wkb en de tussenevaluatie van de (in 2025) nieuw gesloten samenwerkingsovereenkomst Rijk – Stichting Nationale Milieudatabase (NMD), alsmede de ZBO-doorlichting TloKB in 2027 worden uitgevoerd, zouden deze niet voldoende tijdig beschikbaar komen voor de periodieke rapportage. De Periodieke rapportage wordt daarom in 2028 uitgevoerd, zodat wel over de betreffende evaluaties en doorlichting kan worden beschikt.

Voor het syntheseonderzoek geagendeerde evaluaties, onderzoeken en monitors die (inmiddels) zijn afgerond, zijn terug te vinden in de jaarverslagen. Zie voor het laatste jaarverslag: link. In 2026 en 2027 nog ‘lopende’ en nog te starten evaluaties, onderzoeken en monitors zijn opgenomen in bovenstaande tabel.

Toelichting inzichtbehoefte

De voorgaande periodieke rapportage met betrekking tot het bouwbeleid en de bouwregelgeving (2021, begroting van BZK, artikel 4.2) richtte zich op de vraag in hoeverre het beleid en de regelgeving in de periode 2015-2020 in de volle breedte doeltreffend en doelmatig is geweest voor het realiseren van een minimum kwaliteitsniveau van gebouwen. In de rapportage is hier een bevestigende reactie op geformuleerd. Daarbij is ook aandacht gevraagd voor schurende regelgeving en de uitvoerbaarheid voor het bevoegd gezag.

De inzichtbehoefte bij de periodieke rapportage 2028 betreft het verkrijgen van een samenhangend overzicht van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de beleidsinzet op nieuwe onderdelen in artikel 2.2. van de bouwregelgeving en de mate waarin hiermee invulling wordt gegeven aan de algemene beleidsdoelstelling: een goede kwaliteit van de gebouwde omgeving op de aspecten veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid. Het betreft hier ook de uitvoering in de praktijk, de impact van de bouwregelgeving en de handhaving daarop door het bevoegd gezag. Alsmede de ondersteuning van de opgaven via steeds meer gestroomlijnde en verbeterde digitale uitwisseling van gegevens in de fysieke leefomgeving (via het Digitaal Stelsel Gebouwde Omgeving; ketensamenwerking).

Voor het verkrijgen van dit samenhangend overzicht zijn de uitkomsten van afgeronde (zie jaarverslagen), lopende en in 2026 en 2027 nog te starten evaluaties, onderzoeken en monitors betreffende de voor deze periodieke rapportage geagendeerde dossiers beschikbaar. Aandachtspunten uit de voorgaande periodieke rapportage worden hierbij betrokken. Net zoals de gezette stappen om de bouwregelgeving te vereenvoudigen, standaardiseren, moderniseren en bovenwettelijke- en aanvullende eisen te voorkomen.

Nieuw opgenomen (deel)evaluaties/monitors 

Ten opzichte van de SEA-paragraaf in de begroting XXII VRO zijn de volgende deel(evaluatie)onderzoeken nieuw opgenomen:

Onderzoek naar toezicht en handhaving van de landelijke bouwregelgeving

Voor het verkrijgen van een goed landelijk beeld over de kwantiteit en kwaliteit van het lokale- en provinciale toezicht op de naleving en de handhaving van het Bbl in de bestaande bouw zijn in 2026 met de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) twee aanvullende onderzoeken afgesproken. Het betreft onderzoek naar:

  • de beschikbare financiële middelen voor toezicht en handhaving door het bevoegd gezag

  • en inzicht in het beleid en de uitvoering van toezicht en handhaving door het bevoegd gezag.

Tezamen met het in 2025 gestarte onderzoek naar het instrumentarium dat het bevoegd gezag voor handhaving beschikbaar heeft, geven deze onderzoeken inzicht in de staat van toezicht en handhaving van de bouwregelgeving in de bestaande bouw. Daarmee vormen deze onderzoeken de basis voor nader overleg met VNG en IPO over de uitvoering van (medebewind-) taken.

Evaluatie Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

Voor de jaren 2024, 2025 en 2026 worden al monitoringsonderzoeken uitgevoerd naar aanleiding van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). In 2027 vindt op basis hiervan de wetsevaluatie plaats naar de werking van dit stelsel.

Monitoring Nationale aanpak funderingen

De Nationale aanpak funderingen wordt periodiek gemonitord. In 2026 wordt hiervoor een plan van aanpak opgesteld. In 2027 zal een eerste evaluatie (nulmeting) plaatsvinden. Deze nulmeting zal meegenomen worden in de periodieke rapportage 2028.

Evaluatie Fonds Duurzaam Funderingsherstel

De evaluatie van het Fonds Duurzaam Funderingsherstel vindt in 2028 plaats. Er wordt dan teruggekeken op de tweeënhalf jaar dat het fonds in werking is. Deze evaluatie is niet tijdig beschikbaar voor de eerstkomende periodieke rapportage.

Evaluatie Nationale Aanpak Biobased Bouwen

De Nationale Aanpak Biobased Bouwen wordt periodiek gemonitord en in 2025/2026 is een eerste evaluatie uitgevoerd. Op basis hiervan wordt de aanpak eind 2026 geactualiseerd. In 2028 vindt opnieuw een brede evaluatie van deze aanpak plaats. Deze brede evaluatie komt niet tijdig beschikbaar voor de periodieke rapportage. Voor de periodieke rapportage zijn wel beschikbaar: de periodieke monitor en de in 2025/2026 uitgevoerde evaluatie.

Tabel 44 SEA-thema Omgevingswet/Ruimtelijke ordening

Lopende en geplande onderzoeken

Periodieke Rapportage: Omgevingswet/Ruimtelijke ordening

Afronding in 2027

     

Deel(evaluatie)onderzoeken

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

     

Ruimtelijke ordening

Wettelijke evaluatie Kadaster 2025

Ex post

2026

Afgerond

3.1

Evaluatie subsidieregeling Geonovum 2022-2027

Ex post

2026

Afgerond

3.1

PBL - Reflectie op de Ontwerp Nota Ruimte

Ex Ante

2026

Afgerond

3.1

CRA - Reflectie op de Ontwerp-Nota Ruimte

Ex Ante

2026

Afgerond

3.1.

Omgevingswet

Voorverkenning actualisatie Visie Digitaal Stelsel Omgevingswet 2024

Ex durante

2025

Afgerond

3.2

Actualisatie Visie Digitaal Stelsel Omgevingswet 2024

Ex durante

2026

Lopend

3.2

Evaluatie Informatiepunt Leefomgeving (IPLO)

Ex durante

2026

Afgerond

3.2

Evaluatie Raamovereenkomst Tactisch Beheerorganisatie (TBO) DSO-LV

Ex durante

2026

Afgerond

3.2

Invoeringstoets Omgevingswet

Ex durante

2026

Lopend

3.2

Integrale financiële evaluatie Omgevingswet één jaar na inwerkingtreding (incl. Wkb)

Ex durante

2026

Lopend

3.2

Evaluatie beheerovereenkomst DSO-LV

Ex durante

2027

Te starten

3.2

Integrale financiële evaluatie Omgevingswet drie jaar na inwerkingtreding (incl. Wkb)

Ex durante

2028

Te starten

3.2

Monitor Werking Omgevingswet

Ex durante

2029

Lopend

3.2

Evaluatie Omgevingswet door evaluatiecommissie

Ex durante

2029

Lopend

3.2

Reflectie evaluatiecommissie op Monitor Werking Omgevingswet 2025-2028

Ex durante

2029

Lopend

3.2

Integrale financiële evaluatie Omgevingswet vijf jaar na inwerkingtreding (incl. Wkb)

Ex durante

2030

Te starten

3.2

SEA-thema Omgevingswet/Ruimtelijke ordening

Nederland is een klein land met grote ruimtelijke opgaven, zoals het bouwen van voldoende woningen voor iedereen, ruimte voor economie en ondernemers, een toekomstperspectief bieden aan de landbouw, robuuste natuur, de verduurzaming van onze energie en ruimte voor defensie. Met slimme keuzes, gerichte instrumenten en samenwerkingen richten we Nederland efficiënt en prettig in. Het doel van dit SEA-thema is dan ook de realisatie van een veilige, gezonde en aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een efficiënt gebruik van onze ruimte, nu en in de toekomst.

Een belangrijk speerpunt bij bovengenoemd doel is de nieuwe Nota Ruimte, die een integraal beeld zal geven van de toekomstige inrichting van ons land in 2030, 2050 en met een doorkijk naar 2100. Om uitvoering te geven aan deze visie werkt het Rijk met provincies aan ruimtelijke arrangementen en in 16 NOVEX-gebieden met (regionale) partners samen om landelijke en lokale ruimtelijke in samenhang te realiseren.

Naast de gebiedsgerichte samenwerkingen zijn er verschillende (wettelijke) instrumenten die helpen bij de ruimtelijke ordening. De Omgevingswet vormt de juridische grondslag op basis waarvan burgers, bedrijven en overheden in staat worden gesteld te werken aan de balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De landelijke voorziening van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) ondersteunt de bijbehorende uitvoeringsprocessen en maakt het beleid en de regels die bevoegde gezagen met de Omgevingswet maken voor iedereen zichtbaar en toegankelijk. Daarnaast kan het Rijk actief en passief grondbeleid voeren.

Zowel de uitvoering van de Omgevingswet als het ruimtelijk beleid zijn gebaat bij toegang tot betrouwbare en samenhangende ruimtelijke informatie. De minister van VRO heeft daarom ook een coördinerende rol ten aanzien van ruimtelijke informatie in Nederland en in dat kader een systeemverantwoordelijkheid voor de Nationale Geo-Informatie Infrastructuur (NGII). Hiermee stelt de minister burgers, bedrijven en overheden in staat om samenhangende, betrouwbare en toegankelijke ruimtelijke informatie toe te passen bij (beleids)keuzes in de fysieke leefomgeving en in dienstverleningsprocessen.

Tot slot vergt het realiseren van ruimtelijke opgaven ook oog voor lokale gebiedskenmerken en ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijk ontwerpend onderzoek is daarvoor een noodzakelijk instrument als basis om samen te werken aan de samenhangende maatschappelijke en ruimtelijke opgaven. Met de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp stimuleert het Rijk daarom de inzet van ruimtelijk ontwerp om sneller en beter tot oplossingen te komen voor complexe ruimtelijke vraagstukken.

Eerstvolgende Periodieke rapportage

Binnen dit SEA-thema wordt toegewerkt naar een periodieke rapportage in 2027. De aanpak hiervoor wordt nu intern afgestemd en is voor 1 juli 2026 ter reactie voorgelegd aan het Ministerie van Financiën.  De Tweede Kamer ontvangt voor Prinsjesdag 2026 een brief over de aanpak van de periodieke rapportage. Met de eventuele toevoegingen van de Tweede Kamer op de aanpak, zal in het najaar van 2026 worden gestart met de uitvoering van de periodieke rapportage.

De Periodieke rapportage is syntheseonderzoek dat inzichten uit diverse monitors en evaluaties over de beleidsperiode 2020 tot en met 2026 bij elkaar brengt. Dit met als doel om over het geheel van het thema uitspraken te kunnen doen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de beleidsvoetafdruk in deze periode. De hierboven geduide focus voor ruimtelijke ordening en voor de Omgevingswet zal herkenbaar zijn.

Reeds afgeronde monitors en evaluaties over beleid in deze beleidsperiode zijn terug te vinden in jaarverslagen. Zie voor het laatste jaarverslag: link. Aanvullend op wat reeds is afgerond worden voor de komende jaren de evaluaties en monitors geprogrammeerd die hierboven zijn opgenomen in de tabel.

Toelichting inzichtbehoefte

Ruimtelijke ordening

Voor het ruimtelijk beleid geldt dat de doeltreffendheid en doelmatigheid hiervan moeilijk meetbaar is. Het strategische karakter van ruimtelijk beleid maakt het lastig te bepalen of de ruimtelijke inrichting door toedoen van het beleid is veranderd. Dit werd ook al in de vorige beleidsdoorlichting vastgesteld. De uitvoering van ruimtelijk beleid is sterk afhankelijk van inzet door andere vakdepartementen en medeoverheden. Evaluatieonderzoeken zullen zich daarom met name moeten richten op de doorwerking van het beleid om uitspraken te kunnen doen over de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan.

Daarnaast heeft het ruimtelijk beleid in de periode tussen 2020 en 2026 een belangrijke ontwikkeling doorgemaakt. De NOVI (2021) was het vigerend beleid in deze periode, maar is tegelijkertijd ook aangescherpt en verder ontwikkeld tot de Ontwerp-Nota Ruimte (2026). In het najaar 2026 zal de definitieve Nota Ruimte verschijnen. Deze doorontwikkeling van het ruimtelijk beleid vormt onderdeel van de komende Periodieke rapportage. De lessen die hieruit voorkomen zullen worden meegenomen bij het inrichten van evaluatieonderzoek voor de Nota Ruimte.

Omgevingswet

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. In ruim de eerste helft van de beoordelingsperiode (van 2020-2026) lag de focus dan ook op de voorbereiding en implementatie van de wet. Dat betekent dat de komende PR zich vooral daarop richt en in beperktere mate op de werking van de Omgevingswet in de eerste jaren na deze stelselherziening.

De wettelijk verplichte evaluatie van de Omgevingswet wordt uitgevoerd door de onafhankelijke Evaluatiecommissie Omgevingswet. Zij publiceert jaarlijks een reflectierapport. De eindevaluatie van de Omgevingswet biedt zij in 2029 aan de minister van VRO aan.

Ruimtelijke informatie

Voor het beleid ten aanzien van ruimtelijke informatie geldt dat in genoemde periode een verbreding heeft plaatsgevonden. In de periode van grofweg 2020 tot en met 2023 lag de focus op de verdere versterking van het aanbod en de beschikbaarheid van ruimtelijke basis-data. Vanaf 2024 is de focus - in lijn met de meerjarenvisie Zicht op Nederland – verbreed naar versterking van de gehele datawaardeketen. De nadruk ligt daarbij op het door middel van analyse en visualisatie benutten van geo-data bij het inzichtelijk maken van ruimtelijke vraagstukken, potentiële oplossingen en hun gevolgen.

Nieuw opgenomen (deel)evaluaties/monitors

Het Planbureau voor de Leefomgeving voerde voor de NOVI twee typen monitors  uit: de jaarlijkse Monitor NOVI en de tweejaarlijkse PlanMonitor (dit laatste op verzoek van de Eerste Kamer). Nu de definitieve Nota Ruimte er bijna is, zijn beide monitoringsproducten afgerond.

Met het PBL zijn op dit moment gesprekken gaande over de evaluatie van het programma NOVEX, en de evaluatie en monitoring van de Nota Ruimte. De verwachting is dat eind 2026 duidelijk zal zijn of en wanneer deze onderzoeken gaan starten. Omdat het PBL nog geen definitieve toezegging kan doen, staan deze producten vooralsnog niet vermeld op de SEA.

Tabel 45 SEA-thema: Rijksvastgoedbeleid

Lopende en geplande onderzoeken

Periodieke Rapportage: Rijksvastgoedbeleid

Afronding in 2027

     

Deel(evaluatie)onderzoeken

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

     

Evaluatie bijdrage Rijksvastgoedbedrijf

Ex post

2026

Te starten

4

Evaluatie aankopen compensatiegronden en terugkoop erfpachtrechten

Ex post

2026

Te starten

4

Evaluatie opvolging aanbevelingen beleidsdoorlichting 2021

Ex post

2026

Te starten

4

Overig

Agentschapsdoorlichting RvB

Agentschapsdoorlichting

2026

Te starten

4

SEA-thema Rijksvastgoedbeleid

Artikel 4 van de VRO-begroting is beleidsarm, het artikel is gericht op de uitvoering van enkele taken door het Rijksvastgoedbedrijf, die verantwoord worden in het kas-verplichtingenstelsel. De taken betreffen het verzorgen van rijkshuisvesting van Hoge Colleges van Staat, het ministerie van AZ en het Koninklijk Huis, het beheren van monumenten die, naar hun aard, niet geschikt zijn voor rijkshuisvesting en het uitvoeren van het rijkshuisvestingsbeleid. Daarnaast realiseert VRO een optimaal financieel resultaat en maatschappelijk rendement bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden van materiële activa van/voor de realisatie van rijksdoelstellingen, gerelateerd aan de strategische opgaven van het kabinet.

Eerstvolgende Periodieke rapportage

Conform de regeling periodiek evaluatieonderzoek (RPE) dient er elke 4 tot 6 jaar een (sub)thema van de SEA geëvalueerd te worden in een Periodieke rapportage. Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) voert op dit momenteel diverse vooronderzoeken uit die als input dienen voor de Periodieke rapportage ‘Uitvoering Rijksvastgoedbedrijf’. De Tweede Kamer ontvangt op Prinsjesdag 2026, conform de motie-Harbers, een brief met de onderzoeksopzet, inclusief de onderliggende vooronderzoeken en de centrale vraagstelling van de beleidsevaluatie. De resultaten van deze Periodieke rapportage worden in 2027 gepubliceerd en benut voor de verdere invulling binnen dit SEA-thema. Aanvullend wordt in 2026 gestart met de agentschapsdoorlichting van het RVB.

Licence