Base description which applies to whole site

3.3 Nederlandse overheidsfinanciën in Europees perspectief

Ook de andere landen binnen Europa zijn geconfronteerd met verslechterde overheidsfinanciën door de crisis. Niet elk land binnen Europa is op dezelfde wijze afhankelijk van terugvallende economische ontwikkelingen, waardoor de effecten op saldo en schuld voor elk land verschillen. Nederland is door zijn kenmerkende open economie en grote financiële sector gevoeliger voor een wereldwijde economische neergang. Daardoor is het begrotingssaldo relatief sterk verslechterd en is de schuld toegenomen. Door de goede Nederlandse uitgangspositie van vóór de crisis blijft Nederland met zijn saldo en schuld overigens (licht) beter presenteren dan de eurolanden gemiddeld doen. Op dit moment voldoet alleen Finland binnen de eurozone aan de Europese saldogrens van – 3 procent bbp. Alleen Finland, Luxemburg, Slovenië en Slowakije voldoen aan de schuldgrens van maximaal 60 procent bbp (zie ook figuur 3.5).

Figuur 3.5 Overzicht EMU-saldo en EMU-schuld 2011 binnen de eurozone

Figuur 3.5 Overzicht EMU-saldo en EMU-schuld 2011 binnen de eurozone

De Europese landen staan voor een zware opgave om de overheidsfinanciën weer op orde te krijgen. Enerzijds is dit een direct gevolg van het Stabiliteits- en Groeipact dat ze met elkaar overeengekomen zijn, met daarin de saldogrens van – 3 procent bbp en de schuldgrens van 60 procent bbp, en de doelen uit het Medium-Term Objective (MTO). Aan dit pact moeten de Europese landen (op termijn) voldoen. Eveneens is in 2010 gebleken dat gezonde en betrouwbare overheidsfinanciën binnen Europa nodig zijn om volledige toegang tot de geld- en kapitaalmarkt te behouden, zonder dat (zeer) ongunstige voorwaarden dit belemmeren.

Box 3.7 Consolidatie-inspanningen in de Europese Unie

Veel lidstaten in de Europese Unie hebben te maken met de opgave om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen en de houdbaarheid ervan te verbeteren met het oog op de vergrijzing. De Europese Unie houdt toezicht op de inspanningen van de lidstaten om de tekorten weer onder de saldo-grens – 3 procent bbp te brengen. Iedere lidstaat die zich in een buitensporigtekortprocedure bevindt, heeft een einddatum waarbinnen het tekort weer onder deze grens moet worden gebracht en moet effectieve actie ondernemen om die doelstelling te bereiken. Gemiddeld genomen verbetert het structurele saldo in de Europese Unie in 2011 met 0,9 procent bbp. Daarbij hebben sommige lidstaten wel de intentie om vanaf 2011 maatregelen te nemen om het tekort terug te dringen, maar hebben ze deze nog niet concreet ingevuld.

  • In Duitsland heeft de regering een pakket aan maatregelen aangekondigd dat een besparing in het tekort van 2014 moet opleveren van 1,25 procent bbp. Het pakket bestaat voor circa 70 procent uit maatregelen aan de uitgavenkant zoals efficiencyverbetering in de re-integratie naar arbeid en bij de federale overheid. Het pakket moet het overheidstekort in Duitsland (in 2009 3,3 procent en in 2010 nog oplopend) weer terugbrengen tot binnen de – 3 procent in 2013 en verder in 2014. Duitsland heeft het vereiste van tekortreductie vastgelegd in de Grondwet. Die wet impliceert dat het structurele tekort in Duitsland vanaf 2016 niet hoger mag zijn dan 0,35 procent bbp.

  • Het Verenigd Koninkrijk heeft nu een tekort van 11,3 procent bbp. De nieuwe conservatief-liberale regering heeft snel na zijn aantreden een pakket aan maatregelen aangekondigd dat het tekort in 2014/2015 moet hebben teruggebracht naar 2,2 procent bbp. Voor deze grote opgave is de Britse regering gestart met onder meer een inventarisatie van ombuigingsopties die vergelijkbaar is met de Nederlandse heroverwegingsoperatie. Alleen zorg en ontwikkelingssamenwerking zijn daarvan uitgezonderd. Ook heeft de regering een onafhankelijk begrotingscomité ingesteld dat moet zorgen voor objectieve ramingen.

  • Ook in Frankrijk zijn maatregelen aangekondigd die moeten leiden tot een reductie van het tekort (in 2009 7,5 procent bbp) naar onder de 3 procent bbp in 2013. Het gaat onder andere om belastingmaatregelen en een modernisering van de publieke sector, maar voor een groot deel van het pakket is de precieze invulling nog onduidelijk. Ook heeft de Franse regering een pensioenhervorming aangekondigd waarbij de pensioenleeftijd geleidelijk wordt verhoogd met twee jaar (van 60 naar 62 voor de minimumpensioenleeftijd en van 65 naar 67 voor het recht op een volledig pensioen).

  • In Spanje heeft de regering op verschillende momenten forse ombuigingspakketten aangekondigd om het tekort (in 2009 11,2 procent bbp) in 2013 weer onder de 3 procent bbp te brengen. De pakketten bevatten voornamelijk maatregelen aan de uitgavenkant. Tegelijkertijd neemt de Spaanse regering maatregelen om de arbeidsmarkt te flexibiliseren.

De inspanningen van de verschillende overheden zijn niet altijd eenvoudig te vergelijken. De ombuigingspakketten zijn niet in alle gevallen even concreet ingevuld. Begrotingsstelsels en kabinetsperioden in landen verschillen, waardoor ook de horizon verschilt waarbinnen maatregelen concreet zijn ingevuld, evenals de flexibiliteit om later alsnog in te grijpen.

De schuldencrisis in de eurozone heeft duidelijk gemaakt dat de begrotingsdiscipline en –coördinatie in de Europese Unie versterkt moet worden om de negatieve effecten in te dammen, die een onhoudbaar begrotingsbeleid in een lidstaat binnen een monetaire unie kan hebben. Dergelijke effecten vormen ook de achtergrond van de huidige regels in het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). De oplossing ligt er dan ook vooral in dat het SGP in de lidstaten effectiever toegepast en beter geïnternaliseerd wordt. De toepassing van de begrotingsregels is er vooral bij gebaat als de besluitvorming zo veel mogelijk automatisch of rules-based is. Het is dus van belang dat, bij overtreding van de regels uit het SGP, automatischer sancties kunnen volgen via rules-based procedures.

Verder dient er meer aandacht te zijn voor de schuldposities en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën van de lidstaten. Ook in goede tijden moeten landen gedwongen worden maatregelen te nemen die de houdbaarheid van de overheidsfinanciën verbeteren. Dat kan bijvoorbeeld door strenger toe te zien op de doelstelling uit het SGP, die voorschrijft dat een lidstaat een structureel begrotingsevenwicht of overschot moet nastreven. Die doelstelling is voor iedere lidstaat vertaald in een middellangetermijndoelstelling (MTO) voor het structurele EMU-saldo.

Er zijn veel aanwijzingen dat landen met goede nationale budgettaire raamwerken betere budgettaire uitkomsten kennen, bijvoorbeeld omdat zij beschikken over onafhankelijke ramingsautoriteiten, kwalitatief goede statistieken, uitgavenkaders en meerjarige financiële kaders. Daarom is het van belang minimumeisen te stellen aan nationale budgettaire raamwerken. Daarnaast wil de Europese Commissie de belangrijke momenten binnen het Europese budgettaire toezicht beter aan laten sluiten op de nationale begrotingscycli. Zo kunnen de Europese Commissie en de Raad van Ministers mogelijke budgettaire problemen in een lidstaat op tijd identificeren en aanbevelingen doen om (potentiële) problemen te voorkomen.

Op al deze terreinen wordt op dit moment in de werkgroep-Van Rompuy gewerkt aan aanbevelingen. In oktober worden deze aanbevelingen verwacht.

Licence