Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

1.2.2 Gemeenschappelijke uitdagingen in Europa

Binnen Europa is de gemeenschappelijke uitdaging de financiële stabiliteit te herstellen. De crisis in het eurogebied laat bij uitstek zien hoe belangrijk het is dat landen hun economische kracht en budgettaire stabiliteit bewaken. De landen die dit onvoldoende hebben gedaan, betalen daarvoor nu de rekening. Waar het eurogebied als geheel in 2010 een beeld van voorzichtig economisch herstel liet zien, krompen de economieën van Griekenland, Ierland en Spanje. De vooruitzichten voor 2011 zijn matig en met grote onzekerheden omgeven, met negatieve groei in Griekenland en ook Portugal. De landen in problemen hebben nog een relatief lange weg te gaan in de schuldafbouw. Voor Griekenland, Italië, en Portugal gaat het vooral om het afbouwen van de hoge overheidsschulden en het versterken van de concurrentiekracht. In Ierland zijn de problemen begonnen in de financiële sector en vervolgens overgeslagen naar de overheidsfinanciën.

Problemen in Zuid-Europa en Ierland

De hoge rente die de landen in problemen momenteel betalen, bemoeilijkt het proces van schuldafbouw en heeft als risico dat productieve overheidsuitgaven worden verdrongen. Terwijl de binnenlandse vraag wordt geremd door de schuldafbouw, kan het aantrekken van de buitenlandse vraag in de muntunie niet meer worden gerealiseerd via een afwaardering van de munt. Structuurversterkende maatregelen, zoals arbeidsmarkten meer flexibel maken, bieden dan een uitweg. Ook hebben enkele landen de ambtenarensalarissen fors verlaagd zodat de lonen en de productiviteit meer in lijn worden gebracht. Dat kan ook doorwerken naar de lonen in de marktsector.

Box 1.1 Arbeidskosten en onevenwichtigheden

Sinds de start van de Economische Monetaire Unie (EMU) zijn de arbeidskosten in veel landen harder gestegen dan de arbeidsproductiviteit. Voordat de EMU van start ging, konden landen hun munt afwaarderen zodat hun producten toch goedkoop bleven. Met de euro is dat niet meer mogelijk en hebben diverse landen zich uit de markt geprijsd. Figuur 1.4 laat de ontwikkeling zien van de arbeidskosten per eenheid product van de verwerkende industrie (tradeables). In Nederland en Duitsland hebben deze zich gematigd ontwikkeld. Dit geldt ook voor Ierland, waar de arbeidskosten in de crisis sterk zijn gedaald. In Portugal, Italië en vooral Griekenland zijn de kosten echter aanzienlijk gestegen sinds 1999. De internationale concurrentiepositie van Nederland is dus nog goed. Om deze positie te behouden zijn een beheerste loonontwikkeling, innovatie en productiviteit van belang. Paragraaf 1.3 gaat hier verder op in.

Figuur 1.4 Arbeidskosten per eenheid product, verwerkende industrie

Figuur 1.4 Arbeidskosten per eenheid product, verwerkende industrie

De concurrentiepositie beïnvloedt de handelsbalans (overigens hebben ook vele andere factoren invloed op de handelsbalans). De handelsbalans binnen het eurogebied is onevenwichtig. Overschotten in Noord-Europa staan tegenover tekorten in Zuid-Europa. De crisis heeft laten zien dat de tekorten in het zuiden ook voor het noorden een risico vormen. De Europese Unie werkt nu aan waarschuwingssignalen bij onevenwichtigheden op de lopende rekening, zodat als dat nodig is tijdig kan worden ingegrepen.

Figuur 1.5 Saldo lopende rekening

 Figuur 1.5 Saldo lopende rekening

Grote tekorten of overschotten op de handelsbalans betekenen niet direct dat er sprake is van onevenwichtigheden. Een uitspraak daarover is pas mogelijk als wordt gekeken naar de onderliggende oorzaken. Zo hebben het Nederlandse overschot en het Italiaanse tekort mede te maken met verschillen in de demografische ontwikkeling. Nederland krijgt te maken met een relatief grote vergrijzingsgolf en spaart nu om straks te kunnen ontsparen. Italië vergrijst al twee decennia en leent nu. Ook moet gekeken worden naar de geografische spreiding van de goederenstromen. Nederland heeft een overschot met Zuid-Europa maar een tekort met de opkomende economieën in Azië. Het feit dat veel Zuid-Europese landen een tekort hebben met vrijwel alle handelspartners geeft een aanwijzing voor een structureel probleem in de concurrentiekracht.

Onzeker herstel elders

Landen als Duitsland, Nederland en Finland profiteren momenteel van hun relatief goede financiële uitgangspositie. Het proces van schuldafbouw beperkt zich vooral tot de financiële sector en de overheid. De financiële markten verplaatsen momenteel hun beleggingen van de risicolanden naar de veilige havens. Dat verhoogt de rente in Zuid-Europa en Ierland, maar verlaagt die in het noorden. De problemen in Zuid-Europa hebben bovendien een wat negatief effect op de koers van de euro. De exporteurs in het eurogebied profiteren hier direct van. Tegelijkertijd blijven de schuldproblemen in diverse landen nadrukkelijk een risico voor het herstel in het eurogebied als geheel.

Naar convergentie in het eurogebied

Het verschil in groeiprestaties tussen Noord-Europa en de landen in problemen is gedeeltelijk een correctie van de onevenwichtigheden in de eerste tien jaar van de euro. De groeicijfers in Zuid-Europa en Ierland werden toen opgeblazen door de instroom van goedkoop geleend geld. Bovendien weken loon- en prijsontwikkelingen af van de onderliggende productiviteit. Het Europese beleid en de internationale financiële markten maakten geen of weinig onderscheid naar risico tussen landen. Momenteel zien we op de markten een correctie die, mogelijk gevoed door het feit dat de financiële markten landenrisico's in eerste aanleg onderschat hebben, wellicht verder doorschiet dan de fundamenten rechtvaardigen. Schuldafbouw, structurele hervormingen en loonmatiging in de landen in problemen leggen echter de basis voor duurzame convergentie op termijn.

Licence