Base description which applies to whole site

3.3 Overheidsfinanciën in 2014

Het EMU-saldo komt in 2014 naar verwachting uit op – 19,9 miljard euro. Uitgedrukt in een percentage van de economie is dit – 3,3 van het procent bruto binnenlands product (bbp). De totale uitgaven bedragen in 2014 naar verwachting 255,1 miljard euro, waarvan ruim de helft wordt besteed aan sociale zekerheid en zorg. De totale inkomsten worden voor 2014 geraamd op 237,2 miljard euro, met als grootste categorieën de omzetbelasting en de loon- en inkomstenbelasting (in totaal ongeveer een derde van de rijksinkomsten). Het verschil tussen deze uitgaven en de inkomsten maakt het tekort van de centrale overheid (in 2014 een tekort van 17,9 miljard euro). Behalve de centrale overheid, hebben ook de decentrale overheden een tekort op de begroting. Het tekort van de decentrale overheden wordt voor 2014 geraamd op 2,0 miljard euro. Het saldo van de centrale overheid plus het saldo van de decentrale overheden maakt het saldo van de gehele collectieve sector, oftewel het totale EMU-saldo van de sector overheid (zie figuur 3.3.1 voor de samenhang tussen uitgaven, inkomsten en EMU-saldo).

Figuur 3.3.1 Samenhang uitgaven, inkomsten en saldo 2014 (in miljarden euro)

Figuur 3.3.1 Samenhang uitgaven, inkomsten en saldo 2014 (in miljarden euro)

EMU-saldo

Het EMU-saldo komt in 2014 naar verwachting uit op – 3,3 procent bbp. Zie figuur 3.3.2 voor de ontwikkeling van het EMU-saldo sinds het jaar 1970.

Figuur 3.3.2 Ontwikkeling EMU-saldo sinds 1970 (in procenten bbp)

Figuur 3.3.2 Ontwikkeling EMU-saldo sinds 1970 (in procenten bbp)

Box 3.3.1 - Verticale versus horizontale ontwikkeling

In de Miljoenennota – maar ook in andere budgettaire nota’s – wordt doorgaans op twee manieren toelichting gegeven op bijvoorbeeld de ontwikkeling van het saldo of de ontwikkeling van de uitgaven. Het onderscheid tussen deze twee manieren van toelichten wordt het beste geïllustreerd doordat hier twee Internetbijlagen voor worden gebruikt: de horizontale toelichting op de uitgaven (Internetbijlage 1) en de verticale toelichting op de uitgaven (Internetbijlage 2). In deze box wordt het verschil uitgelegd tussen enerzijds de horizontale en anderzijds de verticale ontwikkeling.

De toelichting op het EMU-saldo voor het jaar 2014 wordt als voorbeeld genomen. Het is interessant om te bekijken hoe de raming van het saldo voor 2014 zich heeft ontwikkeld tussen de verschillende ramingsmomenten. Zo kan gekeken worden naar de verandering in het saldoraming voor het jaar 2014 tussen de Startnota (aan het begin van de kabinetsperiode) en de Miljoenennota 2014 (nu). De ontwikkeling van de raming van één jaar tussen verschillende ramingsmomenten wordt de verticale ontwikkeling genoemd. In tabel 3.3.1 wordt de verticale ontwikkeling van het saldo toegelicht.

Ook is het mogelijk te kijken naar het verschil tussen het geraamde saldo in opeenvolgende jaren, bijvoorbeeld naar waarom het geraamde saldo voor 2014 anders is dan het geraamde saldo voor 2013 (gegeven hetzelfde ramingsmoment). Het bekijken van ontwikkeling tussen verschillende, opeenvolgende jaarramingen op één ramingsmoment wordt de horizontale ontwikkeling genoemd. Tabel 3.3.2 bevat de toelichting op de horizontale ontwikkeling van het saldo.

De raming van het EMU-saldo is voor zowel 2013 als 2014 verslechterd ten opzichte van de raming aan het begin van de kabinetsperiode (zoals weergegeven in de Startnota). Voor zowel 2013 als 2014 bedraagt de verslechtering 0,6 procentpunt. Voor het overgrote deel heeft dit te maken met de (nasleep) van de verslechterende economie. De verandering van de saldoraming ten opzichte van de Startnota – de zogenaamde verticale ontwikkeling – wordt in tabel 3.3.1 toegelicht.

Tabel 3.3.1 Verticale toelichting EMU-saldo (in procenten bbp)
 

2013

2014

EMU-saldo Startnota

– 2,6%

– 2,7%

Belasting- en premie-inkomsten

– 1,9%

– 1,4%

Opbrengst 4G-veiling

0,6%

0,0%

Nationalisatie SNS / resolutieheffing

– 0,1%

0,2%

Dividend DNB

0,2%

0,1%

Aardgasbaten

0,3%

0,0%

Rentelasten

0,1%

0,2%

Uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen

– 0,1%

– 0,3%

Nominale ontwikkeling

0,2%

0,3%

Inhouden loon- en prijsbijstelling

0,1%

0,2%

Zorg

0,1%

0,3%

Noemereffect

– 0,1%

– 0,2%

Overig

0,0%

0,0%

EMU-saldo Miljoenennota 2014

– 3,2%

– 3,3%

De neerwaarts bijgestelde raming voor de belasting- en premie-inkomsten zorgt voor een aanzienlijke verslechtering van het EMU-saldo ten opzichte van de Startnota. Deze verslechtering hangt nauw samen met de neerwaarts bijgestelde verwachting van de economische groei.

De opbrengst van de frequentieveiling voor mobiele telefonie en mobiel internet (G4) leidt tot een eenmalige saldomeevaller van 3,8 miljard euro (0,6 procent bbp) in 2013. Ook de raming voor de aardgasbaten valt mee in 2013 als gevolg van een hoger dan verwachte olieprijs. Daarnaast heeft de winstafdracht van de Nederlandsche Bank in zowel 2013 als 2014 een saldoverbeterend effect.

De nationalisatie van SNS heeft in 2013 een saldoverslechterend effect van 0,1 procent bbp. Dit betreft 0,7 miljard euro ten behoeve van het isoleren van de vastgoedportefeuille in een vastgoedbeheerorganisatie. In 2014 verbetert het saldo als gevolg van de resolutieheffing van 1 miljard euro die wordt opgelegd aan de Nederlandse banken.

De hogere werkloosheidsraming vergeleken met de raming bij Startnota, leidt tot hogere uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen waardoor de raming van het EMU-saldo is verslechterd. Hier staat tegenover dat de loon- en prijsgerelateerde uitgaven van de overheidsbegroting lager uitkomen vanwege een lagere nominale ontwikkeling als gevolg van het bijgestelde economische beeld. Dit zelfde effect treedt op bij de rentelasten, omdat de prijs waartegen geleend wordt (= rentevoet) lager wordt ingeschat dan de verwachting ten tijde van Startnota.

De meerjarendoorwerking van de tranche 2013 van de prijsbijstelling wordt ingehouden. In 2014 wordt tevens de loonbijstelling voor kabinets- en onderwijssectoren (exclusief zorg) ingehouden voor zover het contractloonontwikkeling betreft. Daarbij geldt de loonsombenadering. De zorguitgaven hebben een saldoverbeterend effect in beide jaren. Tot slot doet zich in beide jaren een noemereffect voor dat saldo verslechterend werkt. Dit effect wordt veroorzaakt door de neerwaartse bijstelling van het bbp in beide jaren.

Naar verwachting verslechtert het EMU-saldo van 2013 op 2014 met 0,1 procentpunt bbp (van – 3,2 procent in 2013 naar – 3,3 procent bbp in 2014). Dit komt neer op een verandering van 0,9 miljard euro. Tabel 3.3.2 bevat de toelichting op de verandering van het saldo tussen 2013 en 2014 – de zogenaamde horizontale ontwikkeling.

Tabel 3.3.2 Horizontale toelichting EMU-saldo
 

Miljarden euro

Procenten bbp

EMU-saldo 2013

– 19,0

– 3,2%

Noemereffect

0,1%

Belasting- en premie-inkomsten

11,5

1,9%

Gasbaten

– 2,2

– 0,4%

Zorguitgaven

– 1,3

– 0,2%

Uitgaven aan sociale zekerheid

– 3,7

– 0,6%

Lonen en prijzen

– 1,1

– 0,2%

4G veiling

– 3,8

– 0,6%

Overig

– 0,3

– 0,1%

EMU-saldo 2014

– 19,9

– 3,3%

De horizontale ontwikkeling van het EMU-saldo in tabel 3.3.2 staat weergegeven in miljarden euro’s en in een percentage van het bbp. Het bbp verandert echter van jaar tot jaar. Het CPB raamt het bbp voor 2013 op 602 miljard euro; voor 2014 gaat het om 613 miljard euro. Een hoger bbp zorgt voor een beter EMU-saldo, uitgedrukt in percentage van dit bbp. Dit effect wordt het noemereffect genoemd. In tabel 2.6 is te zien dat het noemereffect zorgt voor verbetering van het EMU-saldo, uitgedrukt in percentage van het bbp van 0,1 procentpunt.

De belasting- en premie-inkomsten stijgen in 2014 met 11,5 miljard euro ten opzichte van 2013. Deze stijging zorgt voor een verbetering van het EMU-saldo in 2014 ten opzichte van de raming voor 2013. De gasbaten zorgen daarentegen voor een verslechtering vanwege de lagere olieprijs in 2014. Tegelijkertijd stijgen in 2014 de uitgaven aan de zorgsector en aan sociale zekerheid ten opzichte van 2013. Dit hangt nauw samen met de oploop in de vergrijzing en werkloosheid in 2014. Beide zorgen voor een verslechtering van het EMU-saldo.

Ten slotte vallen de incidentele opbrengsten uit de frequentieveiling voor mobiele telefonie en mobiel internet weg uit de EMU-saldoraming voor 2014. Per saldo verslechtert het EMU-saldo hierdoor van 2013 op 2014, ondanks het feit dat de groei in 2014 naar verwachting aan zal trekken.

Box 3.3.2 Financieel akkoord met decentrale overheden

Op 18 januari 2013 is een financieel akkoord gesloten tussen het Rijk en de decentrale overheden. In dit akkoord is overeenstemming bereikt over een aantal samenhangende financiële onderwerpen dat de decentrale overheden raakt. De belangrijkste afspraken hebben betrekking op het wetsvoorstel Houdbare Overheidsfinanciën (Hof), het wetsvoorstel Schatkistbankieren en het BTW-compensatiefonds (BCF). Daarnaast spant het kabinet zich in om bovenop de trap-op-trap-af systematiek geen extra generieke kortingen door te voeren op het Gemeentefonds en Provinciefonds ten opzichte van het Regeerakkoord. Door verschillen van inzicht te overbruggen geven de decentrale overheden en het Rijk met dit akkoord een impuls aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën en het sterker maken van de Nederlandse economie. Het akkoord biedt de decentrale overheden zekerheid en er is een passend antwoord gevonden op zorgen van gemeenten, provincies en waterschappen over hun investeringsruimte.

Wetsvoorstel Houdbare Overheidsfinanciën

In het wetsvoorstel Hof, dat is aangenomen in de Tweede Kamer, is opgenomen dat het Rijk en de decentrale overheden gehouden zijn een gelijkwaardige inspanning te leveren in het respecteren van de Europese begrotingsdoelstellingen. In het financieel akkoord is hier nader invulling aan gegeven. In dit akkoord zijn voor de ontwikkeling van het EMU-saldo van de decentrale overheden zowel een ambitie als een tekortnorm vastgesteld voor de jaren 2014 t/m 2017 (zie tabel 3.3.3). De ambitie voor het EMU-saldo komt overeen met de bij het Regeerakkoord door het CPB geraamde ontwikkeling van het EMU-saldo van de decentrale overheden. De daadwerkelijke norm voor het maximale tekort is ruimer gesteld dan de ambitie. Hierdoor worden investeringen van decentrale overheden niet onnodig beperkt en is ruimte gecreëerd, waardoor bij een eventuele afwijking van de ambitie, er niet direct een noodzaak is tot nadere maatregelen van decentrale overheden. De tekortnorm is voor de jaren 2014 en 2015 gesteld op maximaal 0,5 procent bbp conform de huidige norm. In 2015 volgt een evaluatie, aan de hand waarvan wordt bezien of de beoogde norm voor de jaren 2016 en 2017 verantwoord en mogelijk is.

Tabel 3.3.3 Ambitie norm EMU-saldo decentrale overheden 1
 

2013

2014

2015

2016

2017

Ambitie voor EMU-saldo medeoverheden gezamenlijk, in procenten bbp

– 0,5

– 0,3

– 0,3

– 0,2

– 0,2

Afgesproken tekortnorm voor deze kabinetsperiode, cf wet Hof, in procenten bbp

– 0,5

– 0,5

– 0,5

(– 0,4)

(– 0,3)

1

Zie Bijlage 3 voor de actuele raming van het EMU-saldo van decentrale overheden.

Wetsvoorstel schatkistbankieren

Het wetsvoorstel verplicht schatkistbankieren zorgt voor een efficiënte bundeling van middelen binnen de collectieve sector, waardoor de risico’s ten aanzien van de uitzettingen van decentrale overheden worden beperkt en de EMU-schuld daalt. De beschikkingsmacht over de middelen blijft bij de decentrale overheden.

BTW-compensatiefonds

Voor het BCF is in het financieel akkoord afgesproken dat het kabinet afziet van de voorgenomen afschaffing van het fonds. Hiermee is tegemoet gekomen aan de wens van de decentrale overheden het BCF te handhaven. De korting van 550 miljoen euro is gehandhaafd en met de afspraken in het financieel akkoord wordt de beheersbaarheid van het fonds gegarandeerd door het voor het BCF jaarlijks beschikbare budget te maximeren.

Structureel saldo

Het structureel EMU-saldo in 2014 komt naar verwachting uit op – 1,3 procent bbp (zie tabel 3.3.4). Zie box 3.3.3 voor een uitleg van (de berekening van) het structureel EMU-saldo.

Het structureel saldo speelt een rol in de voor Nederland geldende Europese saldodoelstellingen. Zo zijn de doelstellingen in de zogenoemde Medium-Term Objective (MTO) van het Stabiliteits- en Groeipact opgehangen aan het structureel saldo. Ook in de buitensporigtekortprocedure worden eisen gesteld aan (de verbetering van) het structureel saldo.

Het is hierbij van belang in ogenschouw te nemen dat de conjunctuurcorrectie vrij onzeker is en veelal achteraf wordt bijgesteld, de richting waarin het saldo zich ontwikkelt is echter wel redelijk betrouwbaar. Desalniettemin is het structureel saldo een minder harde variabele dan het ongeschoonde («feitelijke») EMU-saldo.

Tabel 3.3.4 Structureel EMU-saldo (in procenten bbp) 1
 

2012

2013

2014

Feitelijk EMU-saldo

– 4,1%

– 3,2%

– 3,3%

Af: Conjuncturele component / incidentele componenten

– 1,5%

– 1,7%

– 2,0%

Structureel EMU-saldo Miljoenennota 2014

– 2,5%

– 1,5%

– 1,3%

1

Door afronding wijkt de som der delen af van het totaal.

Box 3.3.3 De berekening van het structureel EMU-saldo

De stand van de economie heeft invloed op de hoogte van het saldo van de overheid. Wanneer het goed gaat met de economie zijn de belastinginkomsten relatief hoog, en de uitgaven aan bijvoorbeeld werkloosheid lager. Het resultaat is dat het saldo doorgaans een (te) optimistisch beeld van de staat van de overheidsfinanciën schetst in economisch goede tijden. Wanneer het economisch slecht gaat werkt dit allemaal precies andersom. Om meer inzicht te krijgen in de onderliggende staat van de overheidsfinanciën moet het saldo geschoond worden voor de economische situatie, dus voor de stand van de conjunctuur. Deze correctiefactor als gevolg van de stand van de economie wordt de «conjuncturele component» van het saldo genoemd, en het saldo («feitelijke» EMU-saldo) geschoond van de conjuncturele component is het zogenaamd «structureel» EMU-saldo. Het structureel saldo is dus hoger (slechter) dan het feitelijk saldo wanneer de economie boven potentie presteert (en wanneer de economie onder potentie presteert is het andersom).

Maar hoe groot is de invloed van de stand van de economie op het saldo? Dus hoe groot is de conjuncturele component?

De basisaanname bij het structureel saldo is dat er geen conjuncturele correctie is wanneer de economie op haar trendmatige niveau presteert. Anders gezegd: wanneer een land haar «normale» productie bereikt, is er geen conjuncturele correctie op het begrotingssaldo (en zijn het feitelijk en structureel EMU-saldo gelijk aan elkaar, buiten de one-offs). De potentiële productie is afhankelijk van de beschikbare arbeid, kapitaal en technologie.

Om de conjuncturele component te berekenen spelen twee parameters een rol.

Ten eerste de zogenaamde output gap. De output gap geeft het verschil aan tussen de potentiële productie en de feitelijke productie. Daarmee wordt dus antwoord gegeven op de vraag «Wat is de huidige stand van de economie ten opzichte van de conjunctureel neutrale (of potentiële) stand van de economie?».

De tweede parameter is de begrotingelasticiteit. De begrotingselasticiteit geeft antwoord op de vraag «Wat is de gevoeligheid van het saldo voor schommelingen in het bbp?». Concreet geeft deze parameter aan met hoeveel procentpunt het begrotingssaldo verandert bij een bbp dat 1 procent hoger of lager uitvalt.

Wanneer de output gap wordt vermenigvuldigd met de begrotingselasticiteit wordt antwoord verkregen op de vraag «Welke invloed heeft de huidige stand van de economie op het saldo?».

Tenslotte wordt voor het structureel saldo gecorrigeerd voor incidentele tijdelijke effecten, de zogenaamde «one-offs». De redenering hierbij is dat de one-offs vanwege het incidentele karakter niets zeggen over de onderliggende structurele overheidsfinanciën van een land. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld eenmalige veilingopbrengsten.

Hieruit volgt dat voor het structureel saldo de volgende formule geldt:

Structureel EMU-saldo = (Feitelijk EMU-saldo) – (begrotingselasticiteit * outputgap) – (one-offs)

In deze Miljoenennota wordt de conjuncturele component voor 2014 van – 2,0 procent berekend aan de hand van een output gap van – 3,5 en een begrotingselasticiteit van 0,57, en is geen sprake van eenmalige maatregelen. Het structureel saldo wordt berekend aan de hand van de methode van de Europese Commissie, inclusief hun begrotingselasticiteit.

EMU-schuld

De EMU-schuld komt in 2013 naar verwachting uit op 451 miljard euro (75,0 procent bbp). In 2014 groeit de schuld door naar een totaal van 466 miljard euro (76,1 procent bbp). De ontwikkeling van de schuld wordt geïllustreerd in figuur 3.3.3. Zoals ook in figuur 3.3.3 is te zien, blijft de Nederlandse EMU-schuld in 2014 boven de in Europa afgesproken grens van 60 procent bbp.

Figuur 3.3.3 Ontwikkeling EMU-schuld sinds 1970 (in procenten bbp)

Figuur 3.3.3 Ontwikkeling EMU-schuld sinds 1970 (in procenten bbp)

De bruto schuld verandert doorgaans door twee factoren. Ten eerste door het EMU-saldo. Bij een tekort moet de overheid lenen om de gewenste uitgaven te kunnen doen en bij een overschot kan de overheid juist aflossen. Voor 2014 wordt een tekort voorzien. Door dit negatieve EMU-saldo stijgt volgend jaar de schuld. Daarnaast verandert de bruto schuld door zogenoemde «financiële transacties». Dit zijn bijvoorbeeld aan- of verkopen van aandelen die niet meetellen voor het saldo, maar wel meetellen in de schuld. Wanneer de schuld wordt uitgedrukt als percentage van het bbp, dan speelt ook de ontwikkeling van het bbp een grote rol in de kwantificering van de schuld (het «noemereffect»). Net als bij de toelichting op het EMU-saldo, kan ook de ontwikkeling van de EMU-schuld zowel verticaal als horizontaal worden toegelicht. Tabel 3.3.5 geeft de verticale toelichting op de schuld en tabel 3.3.6 bevat de horizontale ontwikkeling.

3.3.5 Verticale toelichting EMU-schuld
 

2013

2014

EMU-schuld Startnota

70,3%

70,9%

Noemereffect

2,8%

3,6%

Doorwerking schuldraming t-1

– 0,2%

1,8%

EMU-tekort

0,5%

0,5%

EFSF

0,1%

– 0,1%

Nationalisatie SNS (schuldeffect)

1,5%

0,0%

Mutatie ING back-up faciliteit

– 0,1%

– 0,1%

Overige financiële transacties en ktv's

0,1%

– 0,5%

EMU-schuld Miljoenennota 2014

75,0%

76,1%

Ten opzichte van de raming van bij Startnota is de overheidschuld in beide jaren verslechterd. Allereerst speelt het noemereffect een grote rol: de huidige raming van het bbp voor 2013 wijkt af van de raming van het bbp voor 2013 van een jaar eerder. Vorig jaar werd namelijk rekening gehouden met een bbp voor 2013 van 625 miljard euro en 644 miljard euro voor 2014. Nu is deze raming aanmerkelijk lager. Als gevolg van deze lagere raming van het bbp stijgt de schuld uitgedrukt in het percentage van het bbp; dit geldt voor beide jaren. Vervolgens is de hoogte van de schuld altijd afhankelijk van de ontwikkeling van de schuld in voorgaande jaren. In tabel 3.3.5 staan de veranderingen in de schuld ten opzichte van de Startnota. De verandering die zich in 2012 (Nationale rekeningen) voor heeft gedaan, beïnvloedt de beginstand van de schuld in 2013 en daarmee ook de hoogte van de schuld in latere jaren. Voor 2013 is het totaal aan veranderingen in de schuld ten opzichte van de raming in de Startnota – 0,2 procent (met uitzondering van het noemereffect). Deze veranderingen verlagen de schuld in 2012 en daarmee ook de «startpositie» van de schuld voor 2013. Dit effect is te zien in tabel 3.3.5 bij «doorwerking schuld jaar t–1».

De verslechtering van het begrotingstekort ten opzichte van de raming ten tijde van Startnota zorgt voor een verslechtering van de raming van de overheidsschuld. Daarnaast zorgen de financiële transacties die gerelateerd zijn aan de financiële crisis voor een aanpassing van de schuldraming.

De nationalisatie van SNS begin dit jaar leidt tot een additionele schuldverslechtering van 1,5 procent bbp in 2013.

De toerekening aan het EFSF is in 2013 hoger dan waar in Startnota rekening mee werd gehouden. Dit heeft een schuldverhogend effect. In 2014 is dit net omgekeerd. Voorts zorgt de mutatie in de ING back-up faciliteit voor een verbetering van de Nederlandse schuldpositie. De omvang van deze in dollar luidende verplichting is onder andere afgenomen doordat de euro is geapprecieerd ten opzichte van de dollar.

3.3.6 Horizontale toelichting EMU-schuld 1
 

Miljarden euro

Miljarden euro

EMU-schuld ultimo 2013

451,0

75,0%

Noemerffect

 

– 1,4%

EMU-tekort 2014

19,9

3,3%

Aflossing kapitaalsteun ING

– 1,1

– 0,2%

Schatkistbankieren

– 2,0

– 0,3%

ING back-up faciliteit

– 1,3

– 0,2%

Overig

– 0,2

0,0%

EMU-schuld ultimo 2014

466,3

76,1%

1

Door afronding wijkt de som der delen af van het totaal.

In tabel 3.3.6 staat de horizontale toelichting op de ontwikkeling van de overheidsschuld tussen 2013 en 2014. Ook hier is weer sprake van een noemereffect. In dit geval is sprake van een verlagend effect op de ontwikkeling van de schuld. Het bbp van 2014 is namelijk groter dan het bbp van 2013. Er zijn ook schuldverhogende effecten. Zo bedraagt in 2014 het EMU-saldo – 19,9 miljard euro, waarvoor moet worden geleend en waardoor dus de schuld toeneemt. Hiertegenover staat dat het schatkistbankieren door decentrale overheden tot een schuldafname van naar verwachting circa 2 miljard euro leidt tussen 2013 en 2014. Ook de ING back-up faciliteit verlaagt de schuld. Deze faciliteit wordt namelijk geleidelijk afgebouwd

Box 3.3.4 Ontwikkeling van de EMU-schuld

Vlak voor de crisis leek Nederland nog af te stevenen op een EMU-schuld van onder de 40 procent bbp. In de Miljoenennota 2009 (in september 2008) werd nog de verwachting uitgesproken dat in 2011 sprake zou zijn van de laagste overheidsschuld sinds Napoleon. Deze woorden vormen een schril contrast met de werkelijkheid van vandaag de dag. Immers, voor 2014 wordt naar huidige inzichten een schuld van 76,1 procent bbp verwacht, dus ruim 30 procentpunt hoger dan verwacht werd voor de crisis. Figuur 3.3.4 geeft inzicht in de opbouw van het verschil.

De crisis heeft een grote invloed gehad op de EMU-schuld. Aanvankelijk, in het najaar van 2008, is de schuld vooral gestegen door crisisingrepen in de financiële sector. De totale extra schuldbelasting volgend uit deze ingrepen was toen meer dan 80 miljard euro. Inmiddels is een groot deel van dit bedrag weer terugbetaald, waardoor de schuldcomponent uit hoofde van ingrepen in de financiële sector fors is afgenomen.

Ook de Europese schuldencrisis heeft effect gehad op de Nederlandse EMU-schuld, alhoewel minder dan de ingrepen voor de financiële sector. Het schuldeffect uit hoofde van Europese ingrepen bestaat bijvoorbeeld uit de bilaterale lening aan Griekenland of het aandeel van Nederland in de uitgezette noodprogramma’s van het EFSF. In het «Budgettair overzicht interventies t.b.v. de financiële sector» (bijlage 7 bij deze Miljoenennota) staat meer informatie over de precieze schuldeffecten van de crisismaatregelen ten behoeve van zowel de financiële sector als Europa.

Het allergrootste effect op de EMU-schuld heeft echter het EMU-saldo van de overheid. Het is van belang te beseffen dat een negatief EMU-saldo een permanente invloed heeft op de schuld, dus onderdeel uit blijft maken van de schuld, ten minste totdat er met een overschot tot schuldaflossing kan worden overgegaan. In een aantal aaneengesloten jaren van forse tekorten kan de schuld flink oplopen. Voor Nederland is dit het geval, en het tekort heeft sinds het begin van de crisis gezorgd voor een schuldtoename ongeveer 150 miljard euro.

De schuld uitgedrukt als percentage van de economie (de schuldquote) wordt bepaald door twee factoren: door de ontwikkeling van de schuld in euro’s (de teller), en door de ontwikkeling van de economie, dus van het bbp (de noemer). Voor het kabinet zijn beide factoren zeer belangrijk. Met structurele maatregelen wordt een blijvende verbetering van de overheidsfinanciën, en dus van de schuldontwikkeling bereikt. Daarnaast heeft het kabinet ook oog voor de huidige conjuncturele situatie.

Figuur 3.3.4 Ontwikkeling EMU-schuld

Figuur 3.3.4 Ontwikkeling EMU-schuld

EMU-saldo en EMU-schuld in Europees perspectief

Bijna alle Europese landen moeten de overheidsfinanciën verbeteren. Op basis van ramingen van de Europese Commissie is in figuur 3.3.5 voor alle eurolanden weergegeven welk EMU-saldo en welke EMU-schuld in 2014 wordt verwacht. Met de stippellijnen in figuur 3.3.5 zijn de grenzen uit het Stabiliteits- en Groeipact weergegeven: de verticale stippellijn geeft de 3 procentgrens voor het tekort weer, en de horizontale lijn geeft de 60 procentgrens voor de schuld weer.

Figuur 3.3.5 Overzicht EMU-saldo en EMU-schuld voor het jaar 2014 binnen het eurogebied

Figuur 3.3.5 Overzicht EMU-saldo en EMU-schuld voor het jaar 2014 binnen het eurogebied

Noot: Voor een goede vergelijking van EMU-saldo en EMU-schuld tussen lidstaten is een gemeenschappelijke cijferbron nodig. Hiervoor worden rapportages van de Europese Commissie gebruikt. De laatste beschikbare rapportage is de rapportage van afgelopen voorjaar (European Economic Forecast – Spring 2013). Voor Nederland zijn de ramingen van EMU-saldo en EMU-schuld gebaseerd op de meest actuele inzichten, die beter zijn dan gepresenteerd tijdens het afgelopen voorjaar. Voor overige landen zijn nieuwe inzichten nog niet meegenomen. In het najaar verschijnt een nieuwe rapportage van de Europese Commissie met de meest actuele cijfers (European Economic Forecast – Autumn 2013).

Bron: European Economic Forecast - Spring 2013 (Europese Commissie), met uitzondering voor Nederland, waarvoor de recentste raming is gebruikt

Licence