Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

2.3.4 Inkomenspositie huishoudens fluctueert over de levensloop

In Nederland is de private consumptie tijdens de crisis sterker teruggelopen dan in veel andere landen. Dit hangt sterk samen met de ontwikkeling van het beschikbare inkomen en negatieve vermogenseffecten, onder meer als gevolg van de dalende huizenprijzen. Nederlandse huishoudens hebben een lange balans: hoge huizen- en pensioenvermogens en hoge (hypotheek)schulden. Deze lange balans maakt huishoudens en de consumptie van huishoudens via vermogenseffecten gevoelig voor prijsschokken. Door hoge contractuele besparingen van onder andere pensioen en eigen woning bouwen huishoudens veel «beklemd» vermogen op. Daarentegen beschikken huishoudens over relatief weinig vrij beschikbare buffers.85 Een tijdelijke inkomensterugval leidt zo tot een relatief grote terugval in de consumptie, terwijl vanuit de consumptietheorie het uitsmeren van een schok over de levensloop efficiënt is. De geringe vrije buffers van huishoudens beperken dus hun mogelijkheden om schokken op te vangen. Schokken komen hierdoor harder aan en werken zo sterker door op de economie.

Het vrij beschikbare inkomen over de levensloop gaat soms gepaard met opvallende schommelingen. De inkomenspositie van huishoudens verandert gedurende de levensloop. Dit hangt samen met de toename van het bruto-inkomen over de levensloop. Huishoudens met een eigen woning en/of kinderen ervaren daarbij opvallende schommelingen in het vrij besteedbare inkomen. Figuur 2.3.7 geeft als illustratie het bruto- en vrij besteedbaar inkomen over de levensloop voor een tweeverdienerhuishouden met twee kinderen en een eigen woning weer.86 Gemiddeld stijgt het bruto-inkomen gedurende de carrière; van demotie is weinig sprake.87 Vanaf de pensioenleeftijd daalt het bruto-inkomen en daarmee het besteedbaar inkomen, zij het gematigd door lagere belastingen na pensionering. Verplichte besparingen en factoren als de kosten van kinderen resulteren in een aantal schommelingen over de levensloop.

Figuur 2.3.7 Tweeverdieners met kinderen ervaren fluctuaties in de bestedingsruimte over de levensloop

Figuur 2.3.7 Tweeverdieners met kinderen ervaren fluctuaties in de bestedingsruimte over de levensloop

Noot: de figuur is een illustratie met een voorbeeld tweeverdienerhuishouden waarbij één partner anderhalf keer modaal verdient en de ander modaal. De volwassenen in het huishouden zijn geboren rond 1980 en vallen onder de nieuwe AOW-regels. Het huishouden heeft twee kinderen en een koophuis met een hypotheek van 300 duizend euro. Deze wordt in dertig jaar geheel afgelost. Voor de inkomensontwikkeling is bij beide partners gerekend met een gemiddeld carrièrepatroon en arbeidsaanbodbeslissingen die veelal samen gaan met het zorgen voor jonge kinderen. Het vrij besteedbaar inkomen toont het inkomen met inbegrip van de kindregelingen (heffingskortingen en toeslagen) en na aftrek van woonuitgaven en uitgaven aan kinderopvang, maar voor vaste lasten (zoals gas, water, licht en verzekeringen).

Tijdens de levensloop wordt de ontwikkeling van het vrij besteedbaar inkomen beïnvloed door allerlei factoren, zoals kosten van kinderopvang, aflossing van hypotheek (inmiddels voor nieuwe gevallen verplicht om in aanmerking te komen voor hypotheekrenteaftrek) en studieschuld. Het zijn veelal jonge huishoudens die een huis kopen en de hypotheek aflossen. Ook de kosten van kinderen vinden logischerwijs grotendeels plaats tussen de dertig en vijftig jaar. Voor een huishouden met een koophuis geldt dat het besteedbaar inkomen bij afbetaling van de hypotheek – in het voorbeeld bij zestig jaar – een flinke opwaartse sprong maakt. Bovendien bouwen zij via aflossing van de eigen woning en waardestijging van deze woning veel vermogen op gedurende de levensloop.88

Ouderen kennen daarentegen een veelal zeer gunstige inkomens- en vermogenspositie. In de laatste decennia is het inkomen van ouderen sterk toegenomen. Het gestandaardiseerde beschikbare inkomen van het cohort 65–69-jarigen steeg tussen 2000 en 2010 met bijna 20 procent (zie figuur 2.3.8). De huidige generatie ouderen heeft steeds vaker en steeds meer aanvullend pensioen opgebouwd. Ouderen maken overigens zelf ook meer niet-verzekerde zorgkosten.

Figuur 2.3.8 Gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen naar leeftijdscohort, niveau en procentuele stijging (euro’s in prijzen 2010)

Figuur 2.3.8 Gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen naar leeftijdscohort, niveau en procentuele stijging (euro’s in prijzen 2010)

Bron: IBO 65 plus, p. 21

Het vermogen van ouderen is vooral toegenomen door toegenomen huizenbezit en stijgende huizenprijzen.89 In combinatie met het feit dat ouderen langer hebben kunnen sparen, vertaalt dit zich in een groot verschil in vermogen tussen jong en oud. Hierdoor hangt de in vergelijking met het inkomen relatief hoge vermogensongelijkheid in Nederland sterk samen met de leeftijd. Volgens recente cijfers van het CBS over 2012 bezitten huishoudens waarvan de hoofdkostwinner ouder is dan vijftig jaar, meer dan 75 procent van het totale vermogen exclusief pensioenvermogen. Huishoudens waarvan de hoofdkostwinner ouder is dan zestig jaar bezitten meer dan 50 procent van het totale vermogen; huishoudens waarvan de kostwinner ouder is dan zeventig jaar meer dan 25 procent. Een bruto loonprofiel dat meer aansluit bij de ontwikkeling van de productiviteit over de levensloop en internationale normen kan, in combinatie met het spreiden van de belastingdruk, bijdragen aan een stabieler inkomens- en consumptiepatroon.90

Box 2.3.2 De spreiding van de Nederlandse welvaart

De afgelopen periode is, onder meer als gevolg van het verschijnen van het boek Capital in the Twenty-First Century van de Franse econoom Thomas Piketty, veel aandacht naar economische ongelijkheden ontstaan. Ook de WRR leverde met de bundel «Hoe ongelijk is Nederland?« een bijdrage. Aandacht voor de inkomensverdeling is niet nieuw: de Grondwet noemt in het eerste lid van artikel 20 de bestaanszekerheid van de bevolking en de spreiding van de welvaart een zorg van de overheid en evenals in voorgaande jaren rapporteert ook deze Miljoenennota een gedetailleerd koopkrachtbeeld met de (statische) koopkrachtontwikkeling van huishoudens in kwartprocentpunten.

Loon- en inkomensongelijkheid

Achter de cijfers waar economen, journalisten en beleidsmakers dagelijks mee werken schuilt een belangrijke wereld van statistieken en meetproblemen. Dé kernvraag bij discussies over inkomensongelijkheid is het «wie» en het «wat». Wordt gekeken naar huishoudens, of naar individuen? Wordt gekeken naar bruto of besteedbaar inkomen? Hoe is de rangorde bepaald, en zijn aanvullende bewerkingen uitgevoerd? Dit soort vragen zijn belangrijk want door verschillende keuzes op dit gebied kunnen verschillende conclusies worden getrokken. Deze disclaimers betekenen niet dat er geen robuuste uitspraken over ontwikkelingen op het gebied van economische ongelijkheiden kunnen worden gedaan. Zo is het breed gedeeld dat over de twintigste eeuw sprake was van een grote periode van nivellering.91 Internationale vergelijkingen laten zien dat Nederland op dit moment een relatief vlakke inkomensverdeling kent in vergelijking met andere ontwikkelde landen, die gedurende de crisis weinig is veranderd (zie figuur).92

Figuur 2.3.9 Verhouding inkomen top 20 procent huishoudens ten opzichte van onderste 20 procent

Figuur 2.3.9 Verhouding inkomen top 20 procent huishoudens ten opzichte van onderste 20 procent

Bron: Eurostat (EU SILC), huishoudens, gestandaardiseerd besteedbaar inkomen, gerangschikt op dit inkomen. Voor 2013 zijn nog geen volledige gegevens beschikbaar.

Deze stabiliteit hoeft geen gegeven te zijn. De inkomensverdeling komt door een groot aantal krachten, trends én incidenten tot stand. Denk bijvoorbeeld aan een toenemend aantal tweeverdieners in de hogere inkomensgroepen, hogere pensioeninkomens en groei van de werkgelegenheid van met name vrouwen en jongeren. Maar ook de conjunctuur en de werkloosheidsdynamiek is van invloed. Salverda (2014) wijst op de ontwikkelingen in de staarten van de inkomensverdeling: het inkomen aan de bovenkant is toegenomen, terwijl de onderkant nauwelijks op vooruitging.93 Het CPB heeft de loonverdeling onderzocht en vindt een toenemende loonongelijkheid.94 Ook De Beer (2014) vindt groeiende beloningsverschillen in Nederland, met name in de periode 1985–2000. De Beer kijkt hierbij naar de Gini- en Theilcoëfficiënt van het loon van voltijdmedewerkers: deze indicatoren zijn sinds eeuwisseling stabiel.95

Vermogensongelijkheid

Hoewel gedurende de twintigste eeuw sprake was van nivellering, is de vermogensongelijkheid in Nederland aanzienlijk hoger dan de inkomensongelijkheid. Voor inkomensongelijkheid berekent het CBS een Gini-coefficient van ongeveer 0,3; voor vermogensongelijkheid is deze indicator ongeveer 0,8.96 Dit hangt onder meer samen met verschillen in de type grootheid (stroom versus voorraad), maar ook met de opvallende verdeling van vermogen over leeftijdsgroepen (zie paragraaf 2.3). Dit doet vermoeden dat gedurende de levensloop de vermogensongelijkheid beperkter is dan op één moment in tijd. Wel lijkt het alsof de vermogensongelijkheid tussen generaties is toegenomen: zo is het vermogen van ouderen tussen 1993 en 2010 meer dan verviervoudigd (gecorrigeerd voor inflatie), terwijl het vermogen van jongere huishoudens (met een kostwinnaar tot 45 jaar) is afgenomen.97 Een internationale vergelijking van vermogensongelijkheid is door verschillen in instituties (bijvoorbeeld de manier waarop wordt gespaard voor de oude dag of de collectiviteiten van de welvaartstaat) complex. Collectieve besparingen zijn niet eenvoudig aan individuele huishoudens toe te rekenen en zitten daarom niet standaard in de CBS vermogensstatistiek. Dit beïnvloedt het beeld: uit een bijdrage van Caminada, Goudswaard en Knoef op het discussieforum Mejudice blijkt dat als het pensioenvermogen wordt meegenomen, het aandeel van de top 1% blijkt te dalen van 25% naar 16%. De Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid daalt van 0,80 naar 0,68.98

Mobiliteit

Het statische karakter van de hierboven besproken cijfers gaat voorbij aan het thema van mobiliteit. Studenten beginnen in het onderste inkomensdeciel, maar eindigen veelal in de hogere regionen van de inkomensverdeling. Lever en Waaijers (2012) vinden een inkomensongelijkheid die gedurende de levensloop ongeveer half zo groot is als in één jaar.99 Ook De Beer haalt simulaties aan die stellen dat de inkomensongelijkheid over de levensloop gemeten ongeveer een derde kleiner is dan op één moment in tijd. Politiek en beleidsmatig heeft thema van gelijkheid van kansen aan kracht gewonnen. Dit type van gelijkheid is niet eenvoudig in een statistiek te vangen. Een benadering is te kijken naar de erfelijkheid van inkomensklassen: in hoeverre geven ouders hun sociaal-economische categorie door aan kinderen? Omdat in voorgaande generaties nog weinig sprake was van werkende vrouwen, wordt hiervoor vaak gekeken naar de relatie van het inkomen van de vader met het inkomen van de zoon (loonelasticiteit). Recent heeft het CBS voor Nederland deze relatie onderzocht en vindt voor Nederland een in internationaal vergelijkend opzicht gemiddelde loonelasticiteit.100 In Scandinavische landen hangt het inkomen van kinderen in mindere mate samen met dat van hun ouders, in onze grote buurlanden en in Angelsaksische landen wordt een beduidend hogere relatie gevonden. Hoewel talent in enige mate overerfelijk is, vinden economen dat een lage elasticiteit een teken van een meritocratie en gelijkheid van kansen is.

Licence