Base description which applies to whole site

25 FOSSIELE SUBSIDIES

Introductie

Nederland staat voor de grote uitdaging om het gebruik van fossiele energie af te bouwen om de gestelde doelen in de Klimaatwet te halen en toe te bewegen naar een klimaatneutrale samenleving en klimaatneutraal energiesysteem. Verbranding van fossiele brandstoffen, procesemissies en niet-fossiele emissies dragen bij aan klimaatverandering en veroorzaken lokale milieuschade. De afgelopen tijd is er dan ook steeds meer maatschappelijke discussie over voordelen voor gebruikers van fossiele brand- en grondstoffen waardoor duurzame alternatieven onvoldoende tot stand kunnen komen. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken om onderzoek te doen naar afbouw van de financiële prikkels voor fossiele brandstoffen en de financiële stimulering voor deze brandstoffen waar mogelijk te beëindigen, zoveel mogelijk in samenspraak met andere landen met oog op het voorkomen van weglek. In 2020 is reeds een eerste brief (Kamerstuk 32 813, nr. 566) naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin schetst het kabinet dat er verschillende definities bestaan voor fossiele subsidies, wat leidt tot uiteenlopende bedragen en verschillende overzichten met regelingen die kunnen worden aangemerkt als fossiele subsidies. Dit leidt tot veel vragen, terwijl transparantie van groot belang is.

Het kabinet heeft daarom in het voorjaarspakket klimaat (Kamerstuk 32813, nr. 1230) aangekondigd dat het is gestart met een nieuwe inventarisatie. Nederland kent geen structurele directe prijssubsidies op brandstoffen. Wel zijn er diverse uitgavenregelingen (indirect) gelieerd aan fossiel energieverbruik, fiscale fossiele vrijstellingen, kortingen en aangepaste belastingtarieven. Deze inventarisatie is opgenomen in deze bijlage van de Miljoenennota 2023 en zal ieder jaar gelijktijdig met de Miljoenennota opnieuw worden geactualiseerd. Het is hiermee nadrukkelijk een dynamische lijst, waarbij in latere jaren op basis van nieuwe inzichten regelingen aan de lijst kunnen worden toegevoegd of juist kunnen worden verwijderd. De samenstelling van de nieuwe lijst is gebaseerd op een ambtelijke analyse, input van stakeholders en een nieuwe conceptstudie door het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). De inventarisatie komt uit op een bedrag van 39,746,4 miljard euro uit hoofde van de regelingen die leiden tot fossiele voordelen. Het gaat hierbij om het budgettair belang, waarin nog geen rekening is gehouden met gedragseffecten. In de praktijk zal de budgettaire opbrengst bij afschaffing van deze regelingen daarom veel lager uitvallen. Deze inventarisatie komt op een moment dat Nederland de transitie naar een klimaatneutrale samenleving heeft ingezet met doelen voor 2030 en 2050. Deze transitie kost tijd. Dat betekent dat de inventarisatie van fossiele subsidies ook in het licht moet worden gezien van de opbouw van duurzame alternatieven.

Het CPB en PBL brengen momenteel op eigen initiatief fossiele subsidies in Nederland in kaart. De resultaten komen te laat om mee te nemen in het overzicht van de Miljoenennota 2023. Bij het opstellen van de lijst is getracht zoveel mogelijk gebruik te maken van de conceptresultaten van het CPB en PBL. In dit verband is een concept tabel met door CPB en PBL gekwantificeerde fossiele energiesubsidies in relatie tot beprijzingsinstrumenten geraadpleegd. De inventarisatie die nu voor het eerst in de Miljoenennota wordt opgenomen, zal jaarlijks worden geactualiseerd. Aan PBL zal worden verzocht om na te gaan in hoeverre het mogelijk is om jaarlijks een actualisering van de analyse op te stellen zodat nieuwe inzichten mee kunnen worden genomen in de toekomstige overzichten.

Deze bijlage bestaat uit vier blokken. Het eerste blok beschrijft het bredere perspectief van beprijzing van broeikasgasemissies. Het tweede blok gaat in op de verschillende beleidsafwegingen die spelen bij het wel of niet afbouwen van bepaalde fossiele subsidies. In het derde blok wordt ingegaan op de verschillende definities van fossiele subsidies die in omloop zijn. Tot slot zijn in het vierde blok de overzichtstabellen met de verschillende regelingen opgenomen.

Met deze bijlage geeft het kabinet invulling aan de motie-Klaver van 20 december 2022 die vraagt om te berekenen wat de totale omvang van fossiele subsidies is in Nederland, en indien daar aannames voor nodig zijn verschillende varianten uit te werken (Kamerstuk 36 250, nr. 24) en de mondelinge vraag-Teunissen om in te gaan op het onderzoek van Metten met een nog hogere ingeschatte omvang van fossiele subsidies in Nederland. Ook zijn de aanbevelingen die Ex’tax doet in haar rapportage bestudeerd en zijn er gesprekken gevoerd met Ex'Tax over hun fiscale vergroeningsvoorstellen. Deze analyse en gesprekken hebben mede de basis gevormd voor het IBO klimaat. Hiermee is de motie van het lid Koffeman afgedaan (Kamerstukken I 2022-2023, 36202-N). Daarnaast voldoet het kabinet met de toelichting in deze bijlage bij de vrijstelling van accijns voor luchtvaart (kerosine), zeevaart (zware stookolie) en binnenvaart (gasolie) aan de toezegging aan de leden De Boer (GroenLinks) en Koffeman (PvdD) tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2023 (Kamerstukken I 2022-2023, T03617). Tot slot geeft het kabinet hiermee een reactie op de initiatiefnota-Van Raan van 25 mei 2023 over fossiele subsidies en hoe ze af te schaffen (Kamerstuk 36 366, nr. 2).

Box 24.1 Afbouw fossiele subsidies reeds ingezet en voorgenomen

Het kabinet heeft al een aantal stappen gezet in de afbouw van fiscale en niet-fiscale regelingen die invloed hebben op fossiel energiegebruik. De teruggaafregeling in de energiebelasting op elektriciteit ten gunste van energie-intensieve bedrijven is per 1 januari 2023 afgeschaft. Ook de zogenoemde indirecte kostencompensatie voor ETS-bedrijven is afgebouwd naar nul. In het coalitieakkoord is afgesproken om de energiebelasting minder degressief te maken en om een aantal uitzonderingen in de sfeer van de energiebelasting af te schaffen. Het gaat daarbij om het afschaffen van het verlaagd tarief in de energiebelasting op aardgas voor de sector glastuinbouw, de vrijstelling voor mineralogische en metallurgische procedés ten aanzien van de energiebelasting op aardgas, de vrijstelling voor metallurgische processen ten aanzien van de energiebelasting op elektriciteit, en de vrijstelling voor elektriciteit gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische procedés. Daarnaast is afgesproken om de bestaande inputvrijstelling ten aanzien van de energiebelasting op aardgas voor toepassing in installaties voor zogenoemde warmtekrachtkoppeling (WKK’s) te beperken. Tenslotte is in het voorjaarspakket Klimaat afgesproken om de vrijstelling duaal en non-energetisch verbruik kolen af te schaffen.

NB. Naast de afbouw van bestaande regelingen is op nationaal niveau per 2021 een vliegbelasting en CO2-heffing industrie ingevoerd.

Overzicht fossiele subsidies die reeds worden afgebouwd

Regeling

Budgettair belang (zie ook tabel 1 en 3)

Fiscale maatregelen

Minder degressief maken energiebelasting aardgas

Circa € 300 mln. (uitgaande van 2030-tarieven uit BP2023) *

Minder degressief maken energiebelasting elektriciteit

Circa € 5 mld. (uitgaande van 2030-tarieven uit BP2023) *

Afschaffen verlaagd tarief in de energiebelasting voor glastuinbouw (afbouwpad 2025 ‒ 2030)

€ 171 mln. (uitgaande van tarief in 2023)

Beperken inputvrijstelling aardgas in de energiebelasting (gericht op WKK’s, ingroeipad 2025 ‒ 2030)

€ 159 mln. (uitgaande van tarief in 2023)

Afschaffen energiebelastingvrijstelling voor metallurgische en metallurgische procedés per 2025

€ 123 mln. (uitgaande van tarief in 2023)

Afschaffen vrijstelling voor elektriciteit gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische procedés

€ 12 mln. (uitgaande van tarief in 2023)

Afschaffen vrijstelling in de kolenbelasting voor duaal en non-energetisch verbruik per 2028

€ 71 mln.

Afschaffen teruggaafregeling energie-intensieve processen per 2023

€ 8 mln. (2020, niet meer opgenomen in tabel 1)

1e versobering van een aantal bijzondere regelingen in de autobelastingen:

Het kwartarief voor kampeerauto in de MRB wordt versoberd naar een halftarief vanaf 2026.

Het kwartarief in de MRB voor paardenvervoer komt te vervallen vanaf 2026,

De MRB vrijstelling voor oldtimers wordt vanaf 2028 versoberd naar een vrijstelling voor auto's met bouwjaar tot 1988.

De teruggave voor geldtransport in de BPM wordt per 2026 afgeschaft.

Het nihiltarief in de MRB voor OV-autobussen op liquified petroleum gas (LPG) of aardgas wordt per 2030 afgeschaft.

De verlaagde brandstoftoeslag personen- en bestelauto's op CNG, LNG of LPG vervalt per 2026.

Circa € 200 mln.

Uitgavenmaatregelen

Afschaffen indirecte kostencompensatie ETS bedrijven

€ 82 mln. (2022)

TOTAAL

Circa € 6,2 mld.

*Afname degressiviteit is berekend door het budgettair belang van de degressieve tariefstructuur (de volledige grondslag belasten tegen 1e schijf tarief) voor het 2030-tarief te vergelijken met het 2023 tarief (zoals opgenomen in tabel I). De sterke afname van de degressiviteit bij elektriciteit komt met name doordat het tarief in de 1e schijf elektriciteit sterk wordt verlaagd in de periode tot 2030.

Breder perspectief op beprijzing

Breder perspectief op beprijzing belangrijk bij analyseren fossiele subsidieregelingen

Het is belangrijk om het overzicht van fossiele subsidies in een bredere context van CO2-emissiebeprijzing te bekijken. Wanneer beleidsmatig wordt overwogen of specifieke fossiele subsidieregelingen moeten worden afgeschaft, is het cruciaal om de doelmatigheid van deze beslissing te plaatsen tegen de achtergrond van de bredere CO2-beprijzingsniveaus die de verschillende sectoren kennen in Nederland.

Beprijzing is een hoeksteen voor klimaatbeleid

Beprijzing van klimaat- en milieuschade biedt prikkels om op verschillende manieren bij te dragen aan emissiereductie. Het maakt het fossiele productieproces duurder, wat (concurrerende) producenten aanzet tot schonere productieprocessen. Tevens maakt het producten met een hoge voetafdruk relatief duur, wat consumenten aanzet tot verschuiving en/of vermindering van consumptie ervan.

Beprijzing is een hoeksteen voor een succesvolle transitie, maar staat niet op zichzelf. Beprijzingsprikkels zijn effectief als er handelingsperspectief is, en ze producenten daadwerkelijk tot groenere productie aanzetten en consumenten tot groenere consumptie. Financiële prikkels zijn onderdeel van een integraal beleidspakket met ook normering en subsidiëring. En vanzelfsprekend zijn keuzes van bedrijven en consumenten meer dan een optelling van (financiële) prikkels.

De optelling van instrumenten geeft een accurater beeld van de beprijzingstekorten

Zoals hiervoor geschetst is beprijzing van de broeikasgassen belangrijk voor het realiseren van de klimaatdoelen. Voor het totaal aan prikkels is de centrale vraag of er sprake is van een beprijzingstekort van broeikasgasuitstoot wanneer alle beleidsinstrumenten in samenhang worden bezien. Het PBL-rapport 'Klimaatverandering in de prijzen: actualisatie?’ biedt het overzicht van opgetelde impliciete en expliciete CO2-beprijzing voor de situatie in 2021 (zie figuur 1), waarmee beprijzingsverschillen kunnen worden geïdentificeerd. Samen met andere beleidsinstrumenten zoals subsidies en normering kan worden bezien of er een beprijzingstekort resteert, en in hoeverre aanvullende beprijzing de efficiëntie van de beleidsmix kan vergroten.

Uit het overzicht van PBL is op te maken dat de opgetelde beprijzing in sommige gevallen relatief hoog is. Dit geldt bijvoorbeeld voor de personenauto’s waarvoor een combinatie geldt van de brandstofaccijnzen, de bpm (aanschafbelasting) en de motorrijtuigenbelasting (belasting op bezit). Tegelijkertijd valt op dat de emissies in de veehouderij en akkerbouw nog helemaal niet worden beprijsd. Deze emissies zijn niet gelieerd aan fossiele brand- en grondstoffen en komen hierdoor niet terug in de discussie rondom fossiele subsidies.

Richting 2030 neemt de beprijzing van broeikasgasemissies in de elektriciteitssector, industrie, transport en de gebouwde omgeving reeds aanzienlijk toe. De belangrijkste bijdrage daaraan is het Europese Fit-For-55 pakket. De ETS-prijs is ten opzichte van het 2021-gemiddelde inmiddels bijna verdubbeld. Sinds december 2021 schommelt de ETS-prijs tussen de 70 en 100 euro per ton CO2. Het huidige emissiehandelssysteem (ETS1) wordt verbreed naar zeevaart. ETS-hervormingen en de Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) versnellen de onvermijdelijke uitfasering van gratis emissierechten. Er komt een tweede emissiehandelssysteem (ETS2) voor overig fossiel energiegebruik in de gebouwde omgeving, het wegtransport en de niet ETS-industrie, met een opt-in mogelijkheid voor meerdere sectoren. Tevens bieden Europese CO2-emissienormen directe impliciete beprijzing van voertuigen (verordening CO2-normen auto’s), zeevaartbrandstoffen (verordening Fuel EU Maritime) en luchtvaartbrandstoffen (verordening ReFuel Aviation).

Voor het bepalen van een mogelijk beprijzingstekort is een referentie nodig. Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden. Ten eerste kan worden gekeken naar de omvang van de externe effecten die onder andere in het handboek milieuprijzen (CE Delft 2023) zijn berekend. De totale opbrengst van de mix aan belastingen en emissierechten moet in deze benadering minimaal gelijk zijn aan de omvang van de kosten van de externe effecten. Dat gaat dan om zowel broeikasgasuitstoot, lokale milieuvervuiling zoals fijnstof en externe effecten zoals congestie en verkeersveiligheid. Een tweede mogelijkheid is om te kijken naar de doelen die in de nationale Klimaatwet zijn verankerd. De centrale vraag in deze benadering is of het totaal aan instrumenten, waaronder beprijzing, het doelbereik van de Klimaatwet voldoende borgt. Als dat het geval is, dan is er geen beprijzingstekort. Tezamen met PBL zal het kabinet nader verkennen hoe de mate van beprijzing en eventuele beprijzingstekorten structureel in beeld kunnen worden gebracht.

Figuur 24.1 CO2-beprijzing in de verschillende sectoren (2021)

NB. De figuur bevat ook biogene emissies en leveringen van fossiele producten die buiten Nederland tot emissie leiden.

Figuur 24.1 visualiseert de CO2-beprijzing in 2021 in de verschillende sectoren. De horizontale as toont de totale uitstoot van broeikasgassen, die de relevante basis is voor de beprijzing, gebaseerd op de uitstoot als gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen en andere emissies die niet gerelateerd zijn aan energie. Op de verticale as wordt de aangepaste hoogte weergegeven voor zowel de expliciete als impliciete prijzen per ton CO2. Elk vak in de figuur komt overeen met een bepaald deel van de emissies waarvoor dezelfde CO2-prijs geldt. De breedte van de vakken geeft aan welk deel van de emissies onderhevig is aan deze CO2-prijs. De kleuren geven aan welke beleidsinstrumenten bijdragen aan welk gedeelte van de totale effectieve CO2-prijs. Het overzicht van PBL bekijkt de situatie in 2021, en bevat daarom niet alle recente beleidsontwikkelingen.

In tekstvak 24.2 wordt tot slot, ter illustratie, geschetst hoe in Denemarken onderzoek is gedaan naar het beprijzingsniveau en mogelijkheden om het belastingniveau te vergroenen.

Box 24.2 Expertgroep Green Tax Reform in Denemarken

In het kader van de Green Tax Reform, die is gericht op 70% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990, heeft Denemarken een expertgroep ingesteld. Deze expertgroep speelt een belangrijke adviesrol bij de totstandkoming en uitvoering van de Green Tax Reform. Zo heeft de expertgroep een model ontwikkeld om de energiebelastingen om te zetten in CO2-belastingen. Uitgaande van zoveel mogelijk uniforme beprijzing heeft de expertgroep een voorstel gedaan hoe het vereiste beprijzingsniveau kan worden uitgebreid naar andere sectoren en ook mogelijke terugsluismaatregelen in kaart gebracht. De expertgroep adviseerde in februari 2022 over een CO2-belasting op energie gerelateerde emissies (deel 1) en zal dit najaar over de niet-energie gerelateerde emissies in de landbouw adviseren (deel 2).[1] Uitgangspunt van dit advies is een zoveel mogelijke uniforme tariefstelling voor emissies uitgedrukt in CO2-equivalenten voor alle sectoren waardoor beprijzingstekorten worden voorkomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de uitbreiding en aanscherping van het EU ETS-systeem en koolstoflekkage. Bij de tariefvaststelling is uitgegaan van een vaste nationale CO2-prijs die onafhankelijk is van de prijsschommelingen in het ETS. Een meerderheid in het Deense parlement heeft ingestemd met een akkoord dat in grote lijnen de conclusies (deel 1) van de expertgroep volgde. De komende jaren zal het advies over de energieproducten worden uitgewerkt in wetgeving. Deze wetgeving moet in januari 2025 in werking treden met een geleidelijke infasering tot 2030. Ter compensatie zullen er gerichte subsidies worden ingevoerd.

In onderstaande tabel zijn de voorgestelde cumulatieve tarieven (in Deense kroon) per sector opgenomen.

Momenteel kijkt de genoemde expertgroep naar het belasten van de niet energie-gerelateerde emissies in de landbouwsector. Het advies van de expertgroep zal in het najaar van dit jaar worden afgerond. De landbouw in Denemarken stoot relatief veel emissies uit in vergelijking met de andere sectoren.  

Figuur 4 Bestaande CO2-beprijzing in Denemarken

Figuur 5 Voorgenomen CO2-beprijzing in Denemarken na de green tax reform

Beleidsoverwegingen bij afbouwpad fossiele subsidies

Naast het vaststellen van de lijst en omvang van fossiele subsidies is de vraag of, en zo ja, hoe deze regelingen moeten worden afgebouwd. Het kabinet heeft daarom in de Kamerbrief over het voorjaarspakket klimaat (Kamerstuk 32813, nr. 1230) aangekondigd in de Miljoenennota per fiscale vrijstelling voor fossiel aan te geven of, en zo ja, hoe deze regeling wordt afgebouwd. Inmiddels is het kabinet demissionair. Een besluit over een eventueel afbouwpad is daarom aan het volgende kabinet. Ter onderbouwing van toekomstige beleidskeuzes zijn in dit blok wel de belangrijkste beleidsoverwegingen rondom het wel of juist niet afbouwen van fossiele subsidies weergegeven. In een aantal studies is reeds de impact onderzocht van een afbouw van een aantal fiscale regelingen, zie ook hieronder. De studies zijn op 19 september 2023 met de Tweede Kamer gedeeld.

  • Impactanalyse afschaffen verlaagd tarief glastuinbouw, beperken inputvrijstelling aardgas en afschaffen vrijstelling voor metallurgische/mineralogische procedés en chemische reductie (Trinomics)

  • Impactanalyse afschaffen raffinaderijvrijstelling, vrijstelling energiebelasting non-energetisch verbruik aardgas, vrijstelling duaal en non-energetisch verbruik kolen, introductie heffing nafta (koolwaterstof) (Kalavasta)

  • Impactanalyse afschaffen accijnsvrijstelling gebruik van brandstoffen in de commerciële luchtvaart en afschaffen accijnsvrijstelling gebruik van brandstoffen in de commerciële scheepvaart (zeevaart en binnenvaart) (CE Delft)

  • Impactanalyse afschaffen teruggaafregeling energiebelasting voor instellingen (CE Delft)

  • Impactanalyse afschaffen accijnsverschil benzine – diesel (Revnext)

  • Impactanalyse afschaffen inputvrijstelling aardgas voor elektriciteitsopwekking en vrijstelling kolenbelasting voor gebruik kolen bij elektriciteitsopwekking (Berenschot)

  • Impactanalyse tariefaanpassingen energiebelasting (1,2 Mton CO2-reductie) (CE Delft)

  • Analyse naar verduurzamingsopties fossiele feedstock (Berenschot)

In aanvulling op de hiervoor genoemde uitgevoerde impactanalyses heeft in 2021 een reguliere beleidsevaluatie van de bijzondere regelingen in de autobelastingen plaatsgevonden (zie ook Kamerstukken II 2021-2022, 32800-76). Tot slot is in juni 2023 een ambtelijk rapport verschenen over de mogelijkheden om (onder andere) de landbouwemissies te normeren en te beprijzen.82

Beleidsoverweging 1: Beprijzing van externe effecten

Beprijzing van externe effecten, zoals de CO2-uitstoot, is een effectief instrument voor het realiseren van CO2-reductie. Door het afschaffen van fossiele subsidies wordt het gebruik van fossiele brandstoffen duurder. Hiermee wordt een financiële prikkel gegeven om het gebruik van fossiele brandstoffen (en indirect de CO2-uitstoot) te verminderen. Hierbij moet wel worden gekeken naar het samenspel met andere beleidsinstrumenten zoals de nationale CO2-heffing voor de industrie en het Europese emissiehandelssysteem (ETS). Uit een aantal impactanalyses (zie hierboven) blijkt dat deze instrumenten op zichzelf al een afdoende prijsprikkel geven aan bedrijven om hun emissies te reduceren. Daarnaast is de CO2-reductie op mondiaal niveau afhankelijk van de mate van weglek (zie volgende beleidsoverweging).

Naast de uitstoot van broeikasgassen kunnen fossiele subsidies en beprijzingsgaten effect hebben op onder meer de lucht-, water en bodemkwaliteit die weer effect hebben op onder andere de volksgezondheid en biodiversiteit. Het afbouwen van fossiele subsidies kan daarmee ook een positieve bijdrage leveren aan onder meer de volksgezondheid en biodiversiteit.

Beleidsoverweging 2: Realiseren van een budgettaire opbrengst

Afbouw van fossiele subsidies kan leiden tot een extra budgettaire opbrengst voor de overheid. Deze extra financiële middelen kan de overheid inzetten voor andere beleidsdoelen zoals ondersteuning van lage inkomens of het helpen verduurzamen van bedrijven en huishoudens. Een belangrijke kanttekening is dat bij de berekening van de budgettaire cijfers in onderstaande overzichten geen rekening is gehouden met het gedragseffect (verduurzaming en risico op weglek). Met name bij een aantal regelingen rondom de industrie en scheepvaart is het risico op weglek groot en leidt afschaffing in de praktijk tot geen of een lagere budgettaire opbrengst.

Beleidsoverweging 3: Handelingsperspectief, weglekeffect en speelveld

De doeltreffendheid van beprijzing voor transitiedoelen en budgettaire doelen is sterk afhankelijk van de vormgeving en context.

Ten eerste is het belangrijk dat bedrijven en burgers voldoende handelingsperspectief hebben. Met het afbouwen van de fiscale vrijstellingen wordt een prikkel tot verduurzaming gecreëerd. Het is daarbij ook relevant in welke mate op die prikkel kan worden geacteerd: als er (nog) geen technische alternatieven voor bedrijven beschikbaar zijn kan de prikkel niet aanzetten tot verduurzaming in de productie en leidt deze uitsluitend tot lastenverzwaring bij de betreffende bedrijven. Afhankelijk van het product en de markt kan die kostenverhoging doorwerken in de prijs of niet. Bij doorwerking in de prijs zal door consumenten in hun aankoopbeslissing meer rekening worden gehouden met de externe kosten die gepaard zijn gegaan bij het maken van het product. Het beprijzen van de emissies in de luchtvaart zal er bijvoorbeeld naar verwachting voor zorgen dat de vraag daalt en de CO2-uitstoot op mondiale schaal substantieel afneemt.

Een tweede aandachtspunt betreft het internationaal speelveld: De oorsprong van veel fiscale vrijstellingen betreft de bescherming van het internationale speelveld. Bij het door Nederland unilateraal afbouwen of afschaffen van fiscale vrijstellingen wordt het internationale speelveld en daarmee de internationale concurrentiepositie van bedrijven aangepast.

In aansluiting op het aandachtspunt van een gelijk speelveld is het weglekrisico een beperkende factor. Stringenter beprijzingsbeleid kan leiden tot het verplaatsen van consumptie of productie naar plaatsen met minder streng beleid, waardoor de uitstoot niet afneemt maar verplaatst. Het beoogde doel (zij het transitieborging, overheidsinkomsten genereren of uitvoering geven aan het principe van ‘de vervuiler betaalt’) wordt dan niet of beperkt bereikt. Beleid dat gepaard gaat met weglek verschuift ‘ons’ vervuilingsprobleem, belemmert de mondiale transitie en zorgt voor minder bedrijvigheid binnen Nederland.

Via verschillende varianten en een combinatie van instrumenten kunnen beprijzingsprikkels worden geboden aan producenten en consumenten en kunnen de weglekrisico’s tevens worden beperkt. Beprijzing kan bijvoorbeeld worden ingericht op verschillende schaalniveaus en plekken in de keten. Beleid op Europese schaal is de meest geschikte optie om weglekrisico’s te beperken. Een andere optie die veelvuldig op nationaal niveau is toegepast is het vrijstellen van een deel van de uitstoot bij producenten binnen sectoren die gevoelig zijn voor weglek (heffen ‘aan de marge’), zodat weglekrisico’s kleiner worden. Dit kan worden gecombineerd met separate (nationale) beprijzing van de eindproducten, zodat de volledige milieukosten worden meegenomen bij keuzes van consumenten. Zij wijken voor hun consumptie doorgaans minder snel uit naar plaatsen met minder beprijzing.

De huidige beprijzing van de productie en consumptie van elektriciteit is een voorbeeld. Beprijzing van weglekgevoelige productie is doeltreffend op Europees niveau. Het EU ETS geeft de prijsprikkel voor opschaling van CO2-vrije elektriciteit. De nationale energiebelasting geeft aanvullende prijsprikkels richting gebruikers om zuinig met energie om te gaan, en zo de Nederlandse voetafdruk te beperken.

Beleidsoverweging 4: Rechtvaardigheid

In het kader van rechtvaardigheid wordt ten eerste vaak het principe van de «vervuiler betaalt» genoemd. De marktprijs van duurzame producten is vaak hoger, omdat er extra kosten zijn gemaakt om de externe effecten te minimaliseren. Deze producten kunnen daardoor op prijs moeilijk concurreren met conventionele, vervuilende producten. Door het beprijzen van de externe effecten betaalt de vervuiler en wordt het prijsverschil met duurzame producten kleiner wat zorgt voor eerlijke concurrentie tussen duurzamere en vervuilende producten. Duurzame bedrijven krijgen hierdoor meer kans om hun activiteiten te ontplooien in Nederland en zo een nieuwe en duurzame industrie op te bouwen.

In het kader van rechtvaardigheid wordt daarnaast vaak gewezen op de verdeling van de lasten tussen burgers en bedrijven. De fossiele subsidies zien voor een belangrijk deel op (grote) bedrijven uit de sectoren energie, mobiliteit en industrie (een deel van de fossiele subsidies ziet ook op burgers, zoals de belastingvermindering in de energiebelasting). In de energiebelasting betalen bedrijven met een groot energieverbruik door de degressieve tariefstructuur en vrijstellingen bijvoorbeeld per hoeveelheid aardgas of kWh elektriciteit relatief weinig energiebelasting vergeleken met burgers. Afbouw van deze regelingen in de energiebelasting zorgt voor een gelijkere relatieve lastenverdeling tussen huishoudens en bedrijven. Daarnaast zorgt onder andere de afbouw van gratis rechten onder het ETS ervoor dat industriële bedrijven de komende jaren financieel meer gaan bijdragen.

Binnen de groep burgers varieert de relatieve impact van beprijzing tot slot sterk per inkomensgroep. In de regel worden armere huishoudens relatief zwaarder geraakt door beprijzingsbeleid. De impact varieert afhankelijk van de dienst of het product dat wordt beprijsd. Extra beprijzing op de energierekening en op vliegtickets zal bijvoorbeeld verschillend uitpakken voor verschillende inkomensgroepen. De uiteindelijke impact hangt af van vormgeving van de beprijzing, en flankerend beleid om ongewenste inkomenseffecten tegen te gaan.

Beleidsoverweging 5: Juridische belemmeringen

Sommige regelingen kunnen uitsluitend worden aangescherpt na aanpassing van internationale verdragen en richtlijnen, waar Nederland zich aan heeft gecommitteerd. Voorbeelden zijn onder andere de vrijstelling van accijns op stookoliegebruik in de zeevaart, de vrijstelling van accijns op het gebruik van brandstoffen in het internationale luchtverkeer en het verbruik van aardgas en minerale oliën als brandstof binnen een bedrijf dat aardgas en minerale oliën produceert. Op deze brandstoffen is de EU-Richtlijn Energiebelastingen (ETD) van toepassing. Voor het gebruik van gasolie (diesel) in de binnenvaart geldt dat de vrijstelling van accijns is verplicht op basis van de Akte van Mannheim en/of het Gasolieprotocol. Voor de btw-vrijstelling geldt dat deze is verplicht op grond de btw-richtlijn.

Beleidsoverweging 6: Uitvoerbaarheid

Tot slot moet bij de keuze rondom het afschaffen van fossiele subsidies goed worden gekeken naar de uitvoerbaarheid. Dit geldt in het bijzonder wanneer een regeling op nationaal niveau alleen gedeeltelijk kan worden afgeschaft, omdat een ander deel verplicht is vrijgesteld in internationale verdragen of richtlijnen. Een voorbeeld hiervan betreft de btw-vrijstellingsregeling voor internationaal personenvervoer, waarbij juridisch gezien alleen btw geheven kan worden op het gedeelte van de luchtvaartuigen dat boven Nederlands grondgebied vliegt, wat in de praktijk vrijwel onmogelijk te monitoren is.

Inventarisatie fossiele subsidies

Welke regelingen zijn fossiele subsidies: verschillende definities

Het kabinet heeft een brede inventarisatie uitgevoerd naar regelingen die mogelijk zijn te kwalificeren als fossiele subsidies. Internationale studies hanteren uiteenlopende definities van fossiele subsidies. In de kamerbrief van 2020 (Kamerstuk 32 813, nr. 566) is zoveel mogelijk aangesloten bij een traject van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), waarin werd gekeken naar subsidies voor fossiele brandstoffen. Voor de definitie van subsidies werd aangesloten bij de definitie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De WTO heeft een algemene definitie van subsidies ontwikkeld die zich niet specifiek op energie richt maar breed toepasbaar is. De WTO spreekt van een subsidie als:

  • 1. er sprake is van een financiële tegemoetkoming door de Rijksoverheid of een ander overheidslichaam, die leidt tot een directe stroom van fondsen (leningen, overheidsgaranties, giften) vanuit overheden naar private partijen (dit zijn de prijssubsidies, die het Internationaal Energieagentschap (IEA) regelmatig onderzoekt),

  • 2. er gemiste overheidsinkomsten zijn (bijvoorbeeld belastingteruggaven en – vrijstellingen),

  • 3. overheden goederen en diensten leveren of specifieke goederen inkopen, of

  • 4. overheden bijdragen aan specifieke fondsen.

In Nederland is uitsluitend sprake van gemiste overheidsinkomsten (variant 2) voortkomend uit verschillen in beprijzing. Nederland kent geen structurele directe prijssubsidies op brandstoffen. Het tijdelijke prijsplafond energie kan wel als een directe prijssubsidie op gas en daarmee als fossiele subsidie worden aangemerkt. Deze regeling is echter tijdelijk, want eindigt per 1 januari 2024. De varianten (3) en (4) komen in Nederland niet voor. In het eerste overzicht in deze bijlage zijn alle fiscale fossiele brandstofsubsidies opgenomen en wordt nauw aangesloten bij de definitie van de OESO en de WTO.

Naast de regelingen die onder bovenstaande definitie vallen, wordt in het maatschappelijk debat over fossiele subsidies ook gerefereerd aan andere regelingen. Waar in de Kamerbrief van 2020 bijvoorbeeld alleen is gekeken naar regelingen met betrekking tot fossiele brandstoffen, gelden er ook fiscale regelingen voor fossiele grondstoffen. Daarnaast zijn er fiscale regelingen die indirect leiden tot een lagere belasting van gebruik van fossiele brandstoffen, zoals de bijzondere regelingen in de autobelastingen. Om een zo breed mogelijk beeld te geven is daarom een tweede overzicht opgenomen met overige fiscale regelingen met betrekking tot non-energetisch en indirect gebruik van fossiele brandstoffen.

Hoogte van de fossiele subsidie: keuze voor de benchmark

Naast de vraag welke regelingen wel of niet kunnen worden gekwalificeerd als fossiele subsidie, speelt bij fiscale regelingen ook de vraag welke maatstaf moet worden gebruikt om de omvang van de fossiele subsidie vast te stellen.

Voor fiscale vrijstellingen of verlaagde tarieven kan ten eerste het reguliere nationale belastingtarief als benchmark worden gekozen. In de vrijstelling van de kolenbelasting voor duaal verbruik wordt bijvoorbeeld gekeken welke hoeveelheid kolen nu onder de vrijstelling valt en welk regulier belastingtarief in de kolenbelasting geldt. Kanttekening bij deze benadering is dat de tarieven in de milieubelastingen historisch zo gegroeid zijn en in termen van euro per ton CO2 onderling grote verschillen kennen. Er kan daarom bijvoorbeeld ook voor worden gekozen om 1 gelijk tarief in termen van externe kosten toe te passen als benchmark.

In het geval van de degressieve tariefstructuur van de energiebelasting en het accijnsverschil tussen benzine/diesel is de maatstaf die wordt gebruikt extra relevant. De tarieven in de energiebelasting liggen in Nederland namelijk in alle verbruiksschijven ruim boven de minimumtarieven uit de huidige ETD, die overigens erg laag liggen en sinds 2003 niet voor inflatie zijn gecorrigeerd. Wanneer de tarieven zouden worden vergeleken met het tarief uit de hoogste (vijfde) verbruiksschijf dan is de omvang van de fossiele subsidie nul, terwijl de omvang van het voordeel groot is bij vergelijking met het tarief van de laagste (eerste) verbruiksschijf. In het overzicht is ervoor gekozen de omvang van de fossiele subsidies af te meten aan het reguliere tarief. Bij een vrijstelling in de energiebelasting wordt bijvoorbeeld gekeken tegen welk belastingtarief dat aardgasverbruik zou worden belast zonder die vrijstelling. Voor het accijnsverschil tussen benzine en diesel speelt een soortgelijk vraagstuk: wanneer het dieseltarief als maatstaf wordt gebruikt (of het benzinetarief naar het niveau van diesel zou worden verlaagd) is de omvang van de fossiele subsidie nul, terwijl de omvang groot is bij het accijnstarief voor benzine als benchmark.

Tot slot speelt de vraag in hoeverre bij de omvang van fossiele subsidies rekening moet worden gehouden met andere maatregelen die ook (indirect) leiden tot beprijzing. Tegenover het lagere accijnstarief voor diesel staat bijvoorbeeld voor personenauto’s een dieseltoeslag in de motorrijtuigenbelasting (mrb). Daarnaast geldt voor de energiebelasting dat, hoewel er sprake is van een degressieve tariefstructuur, veel grootverbruikers onderhevig zijn aan ETS- en CO2-heffingen. Als ook naar beprijzing voor externe kosten wordt gekeken, dan zou de omvang van de fossiele subsidie hiervoor gecorrigeerd moeten worden.

Box 24.3: vergelijking omvang fossiele subsidies met analyse kamerbrief 2020, analyse Metten en analyse SOMO

Het overzicht en de berekende omvang van de fossiele subsidies in dit overzicht verschillen op een aantal punten van de Kamerbrief uit 2020, de analyse van Metten (2030) en de analyse van SOMO/Milieudefensie (2023). De belangrijkste verschillen worden hieronder kort benoemd. Hoewel de schattingen van fossiele subsidies in de verschillende onderzoeken aanzienlijk variëren door factoren zoals definities en benchmarks, kan in de beleidscontext beter worden gekeken naar het totale beprijzingsniveau van externe effecten in Nederland (inclusief instrumenten als het ETS en de CO2-heffing) en het gewenste niveau voor de gestelde klimaatdoelen.

Belangrijkste verschillen t.o.v. overzicht Kamerbrief 2020 (4,5 mld.)

  • Naar aanleiding van de nieuwe inventarisatie zijn een aantal regelingen toegevoegd aan het overzicht met fiscale fossiele brandstofsubsidies en is een geheel nieuw overzicht met fiscale regelingen met betrekking tot non-energetisch en indirect gebruik van fossiele brandstoffen toegevoegd.

  • In het nieuwe overzicht wordt 2023 als zichtjaar gehanteerd. Specifiek voor 2023 geldt dat in reactie op de hoge energieprijzen een tijdelijk prijsplafond is ingesteld. Deze regeling is ook opgenomen in het nieuwe overzicht.

Belangrijkste verschillen t.o.v. analyse Metten (30 mld.)

  • In de analyse van Metten wordt het budgettair belang van de vrijstellingen in de energiebelasting berekend op basis van het tarief in de 1e schijf (= hoogste tarief). In het nieuwe overzicht van de MJN wordt het reguliere belastingtarief als benchmark gebruikt. Voor het budgettair belang van de degressieve tariefstructuur wordt wel in beide analyses gekeken naar de eerste schijf.

  • In de analyse van Metten leidt de belastingvermindering in de energiebelasting tot een lagere omvang van de fossiele subsidies, terwijl deze regeling in het nieuwe overzicht van de MJN juist is aangemerkt als een fiscale regeling dat mogelijk tot fossiel voordeel leidt.

  • In de analyse van Metten wordt de doorwerking van de vrijstellingen op de btw-opbrengst meegenomen. De btw die over de energiebelasting moet worden betaald is bijv. lager door de diverse fiscale regelingen. In het nieuwe overzicht van de MJN is dit niet meegenomen. De doorwerking van de btw over de andere belastinggrondslagen is een tweede orde gedragseffect en wordt niet meegenomen in de budgettaire raming.

  • Tot slot is in het nieuwe overzicht van de MJN ook gekeken naar fiscale regelingen rondom non-energetisch en indirect verbruik van fossiele brandstoffen, terwijl dit niet het geval is voor het overzicht van Metten.

Belangrijkste verschillen t.o.v. SOMO analyse (37,5 mld.)

  • De lijst met fiscale fossiele regelingen zijn in beide overzichten grotendeels gelijk. Uitzondering vormen de belastingvermindering en de bijzondere regelingen in de autobelastingen (o.a. kwarttarief voor kampeerauto’s). Deze regelingen zijn wel opgenomen in het overzicht van de MJN, maar niet in de analyse van SOMO.

  • Het voornaamste verschil zit in welke benchmark voor het tarief wordt gebruikt:

    • Vrijstellingen in de energiebelasting worden afgezet tegen het tarief in de 1e schijf i.p.v. tegen het reguliere belastingtarief (zoals in het MJN overzicht). Ook andere fiscale regelingen worden in de SOMO analyse niet altijd tegen het reguliere tarief afgezet.

    • In de SOMO analyse wordt ook gekeken naar het tariefverschil tussen de verschillende energiedragers, zoals aardgas versus elektriciteit en stookolie versus gasolie. In het nieuwe overzicht van de MJN is dit alleen gedaan voor benzine en diesel.

  • In het nieuwe overzicht van de MJN is op basis van een impactanalyse van onderzoeksbureau Kalavasta een nieuwe inschatting gemaakt van het non-energetisch verbruik van minerale oliën (waaronder nafta) in stoomkrakers. Het budgettair belang is geraamd op 14 mld. en veel hoger dan het bedrag in het rapport van SOMO.

Overzichtstabellen lastenkant

Hieronder wordt een overzicht gegeven van de regelingen aan de lastenkant. Zoals in de voorgaande blokken toegelicht, is het overzicht gesplist in twee tabellen:

  • 1. Tabel 1: fiscale fossiele brandstof subsidies

  • 2. Tabel 2: overige fiscale regelingen m.b.t. non-energetisch en indirect gebruik fossiele brandstoffen

De budgettaire omvang is voor het jaar 2023 berekend, waarbij als benchmark het reguliere belastingtarief is genomen (tenzij anders aangegeven). Bij de budgettaire omvang gaat het daarnaast om het budgettaire belang. Er is niet gekeken naar de vraag of deze overheidsinkomsten bij afschaffing van een belastingteruggave of -vrijstelling daadwerkelijk tot stand zouden komen. De uitwerking van de analyse mag dus niet worden gezien als directe gemiste overheidsinkomsten.

Aan het eind van de tabel is per regeling een korte toelichting opgenomen met 1) een korte beschrijving van de maatregel, 2) eventuele juridische aandachtspunten en 3) een inschatting van de termijn waarop de regeling op z’n vroegst kan worden afgeschaft vanuit uitvoeringstechnisch oogpunt.

Een definitief oordeel over het eerst mogelijke moment vanuit uitvoeringstechnisch oogpunt van afschaffing van een maatregel volgt uit een uitvoeringstoets, waarbij ook naar de mogelijke stapeling van maatregelen moet worden gekeken. De datum waarop een regeling op z’n vroegst vanuit uitvoeringstechnisch oogpunt kan worden afgeschaft, zegt niets over de beleidsmatige wenselijkheid.

Tabel 1 fiscale fossiele brandstofsubsidies

Definitie: Gederfde overheidsinkomsten (o.a. belastingteruggaven of vrijstellingen) gerelateerd aan het (directe) gebruik van (fossiele) energie.

*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)

Zie ook de Kamerbrief uit 2020: https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8b0cd449-d691-47f6-9600-a60e70f16b22/pdf

Maatregel

Budgettaire omvang per jaar (2023)

Benchmark: reguliere tarief (tenzij anders aangegeven)

Juridisch mogelijk om nationaal aan te passen?

Ander relevant beprijzend beleid

Energiebelasting

 

Verlaagd EB tarief glastuinbouw*

€ 171 miljoen

Ja

CO2-heffing glastuinbouw( per 2025) en mogelijk ETS2 vanaf 2027.

Vrijstellingen EB voor metallurgische en mineralogische procedés*

€ 123 miljoen

Ja

ETS1, CO2-heffing industrie

Vrijstelling voor elektriciteit gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische procedés*

€ 12 miljoen

Ja

ETS1, CO2-heffing industrie

Inputvrijstelling aardgas elektriciteitsopwekking*

Benchmark 1: gehele inputvrijstelling: €491 miljoen

Benchmark 2: vrijstelling gerelateerd aan gas gebruikt voor warmte, eigen gebruik en omzettingsverliesverlies: € 159 miljoen

Ja. De inputvrijstelling is vastgelegd in de ETD, maar kan Nederland - mits uit milieubeleidsoverwegingen – zelf op nationaal niveau aanpassen.

Verschilt per belastingplichtig: deels ETS1 en deels (vanaf 2027) ETS2

Belastingvermindering energiebelasting (vast bedrag per elektriciteitsaansluiting)

Benchmark 1: gehele belastingvermindering € 4.191 miljoen

Benchmark 2: Afslag voor aandeel hernieuwbare energie van 46%: 2.263 miljoen

Ja

ETS1 en CO2-minimumprijs (voor elektriciteitsproducenten)

Degressieve tariefstructuur energiebelasting aardgas

€ 2.387 miljoen

Ja, mits tarieven minimaal gelijk zijn aan de minimumbelastingtarieven uit de ETD

ETS2 (vanaf 2027)

Degressieve tariefstructuur energiebelasting elektriciteit

Benchmark 1: tarief 1e schijf: € 6.633 miljoen

Benchmark 2: tarief afslag voor aandeel hernieuwbaar elektriciteit van 46%: € 3.582 miljoen

Ja, mits tarieven minimaal gelijk zijn aan de minimumbelastingtarieven uit de ETD

ETS1 en CO2-minimumprijs (voor elektriciteitsproducenten)

Teruggaafregeling energiebelasting voor instellingen

€ 32 miljoen

Ja

ETS2 vanaf 2027

Raffinaderijvrijstelling – energiebelasting

€ 74 miljoen

Nee, restgassen zijn verplicht vrijgesteld onder de ETD (zie ook hieronder).

Scope 1 emissies vallen onder ETS1 en CO2-heffing

Vrijstelling voor restgassen die op eigen inrichting zijn ontstaan en daar weer worden ingezet (artikel 59)

De energie-inhoud van de restgassen die ontstaan in raffinaderijen, bij gebruik van kolen in de staalproductie en in stoomkrakers zijn in de andere posten in dit overzicht reeds meegenomen.

Nee, art. 21, lid 3 ETD:

Het verbruik van energieproducten binnen een bedrijf dat energieproducten produceert, wordt niet beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting verschuldigd wordt, indien dat verbruik bestaat uit binnen het bedrijf geproduceerde energieproducten.

Scope 1 emissies vallen onder ETS1 en CO2-heffing

Teruggaafregeling energiebelasting voor gebruik aardgas als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren (inclusief visserij, exclusief particuliere pleziervaartuigen)

€ 0, afgelopen jaren geen verzoeken geweest.

Nee, in overeenstemming met artikel 14, lid 1 c van Richtlijn 2003/96/EG ('Energy Taxation Directive', 'ETD'), komen exploitanten van commerciële schepen die aardgas als brandstof gebruiken voor de vaart op communautaire wateren in aanmerking voor teruggave van energiebelasting. Deze teruggave is van toepassing op aardgas dat wordt gebruikt als brandstof voor vaartuigen, inclusief de visserij, en geldt niet voor particuliere pleziervaartuigen.

Geen ander relevant beprijzend beleid.

Kolenbelasting

 

Vrijstellingen in de kolenbelasting voor duaal verbruik*

Regulier tarief kolenbelasting € 71 miljoen

Ja

Scope 1 emissies vallen onder ETS1 en de CO2-heffing

Vrijstelling gebruik van kolen voor elektriciteitsopwekking

Variant 1: gehele inputvrijstelling: € 79 miljoen

Variant 2: vrijstelling gerelateerd aan gas gebruikt voor warmte, eigen gebruik en omzettingsverliesverlies: € 42 miljoen

Ja, voorwaarde vanuit ETD is wel dat dit uit «milieubeleidsoverwegingen» wordt gedaan)

Interfereert daarnaast met de lopende rechtszaken over het wettelijk verbod op gebruik van kolen bij elektriciteitsproductie per 2030.

ETS1 en de CO2-minimumprijs

Accijns

 

Raffinaderijvrijstelling – accijns

€ 26 miljoen

Deels: de vrijstelling voor minerale oliën die extern worden ingekocht en vervolgens direct energetisch in het proces worden ingezet, kan op nationaal niveau worden afgeschaft. De vrijstelling voor minerale oliën die in de raffinaderij zelf worden geproduceerd en energetisch worden ingezet, is verplicht volgens de ETD.

Scope 1 emissies vallen onder ETS1 en de CO2-heffing.

Lager accijnstarief voor diesel, dan voor benzine

Benchmark 1: tarief benzine: € 2.013 miljoen

Benchmark 2: tarief benzine, inclusief hogere mrb diesel:

€ 1.281 miljoen

Ja

Dieseltoeslagen bpm/mrb

ETS2 (per 2027)

Lager accijnstarief voor LPG dan voor benzine

Benchmark 1: tarief benzine:

€ 276 miljoen

Benchmark 2: tarief benzine, inclusief hogere mrb CNG/LPG:

€ 245 miljoen

Ja

ETS2 (per 2027)

Vrijstelling gebruik van kerosine in het internationale luchtverkeer

€ 2.182 miljoen

Nee, verplicht vrijgesteld in de ETD. Daarnaast geldt dat wederuitvoer of uitvoer onder de accijns geen belastbare feiten zijn, waardoor de kerosine voor vluchten buiten de EU evengoed niet belast kan worden.

ETS 1: Binnenlandse en internationale vluchten tussen Europese luchthavens

CORSIA: internationale luchtvaart

Vrijstelling gebruik van stookolie (met name zeevaart)

€ 429 miljoen

Nee, verplicht vrijgesteld in de ETD. Daarnaast geldt dat wederuitvoer of uitvoer onder de accijns geen belastbare feiten zijn, waardoor de stookolie voor scheepvaart naar buiten de EU evengoed niet belast kan worden.

ETS1 (vanaf 2024)

Vrijstelling gebruik van diesel (met name binnenvaart en werktuigen op schepen/pontons)

€ 162 miljoen binnenvaart en € 1.583 miljoen voor de internationale marine

Mogelijk, momenteel wordt onderzocht of aanpassing van de Akte van Mannheim nodig is (zie ook toelichting).

Mogelijk ETS2 vanaf 2027

Btw

 

Btw-vrijstelling kerosine

€ 553 miljoen

Nee, er geldt een verplicht btw-nultarief in de Europese btw-richtlijn.

Vliegbelasting

De doorwerking van de btw over de andere belastinggrondslagen is een tweede orde gedragseffect en wordt niet meegenomen in de budgettaire raming. Een lagere btw-opbrengst over energie door de degressieve tariefstructuur van de energiebelasting is daarom bijvoorbeeld buiten beschouwing gelaten in het overzicht.

 

Toelichting regelingen tabel 1

Verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouw

Voor verbruik van aardgas in de glastuinbouw geldt onder voorwaarden een verlaagd tarief in de eerste en tweede schijf van de energiebelasting. Deze verlaagde tarieven zijn geïntroduceerd om de belastingdruk op energie in de glastuinbouw gelijk te houden met de belastingdruk op energie in de energie-intensieve industrie. De glastuinbouw kent namelijk veel kleine energie-intensieve bedrijven, waardoor er een relatief hoog tarief voor energiebelasting wordt betaald. Als tegenprestatie heeft de sector een CO2-kostenvereveningssysteem ingevoerd. Bij overschrijding van het CO2-plafond betalen de bedrijven voor de overschrijding. De Europese Commissie heeft de verlaagde tarieven voor de glastuinbouw als geoorloofde staatssteun beoordeeld. De Europese Commissie heeft een goedkeurende beschikking van staatssteun verleend tot en met 2024. In het Belastingplan 2024 is een voorstel opgenomen om deze vrijstellingen per 1 januari 2025 af te schaffen.

Vrijstellingen EB voor metallurgische en mineralogische procedés

Voor aardgas voor mineralogische en metallurgische processen en elektriciteit voor metallurgische processen gelden vrijstellingen van de energiebelasting. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verwarmen van ovens voor keramische processen of het smelten van staal. Dit verbruik valt buiten de werkingssfeer van de ETD, dus het staat de Europese lidstaten vrij om hier een eigen fiscale behandeling voor te kiezen. De meeste Europese lidstaten kiezen er voor om dit verbruik vrij te stellen. In het Belastingplan 2024 is een voorstel opgenomen om deze vrijstellingen per 1 januari 2025 af te schaffen.

Vrijstelling EB voor elektriciteit gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische procedés

Voor elektriciteit die wordt gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische procedés geldt een vrijstelling van de energiebelasting. Dit verbruik valt buiten de werkingssfeer van de ETD, dus het staat de Europese lidstaten vrij om hier een eigen fiscale behandeling voor te kiezen. De meeste Europese lidstaten kiezen er voor om dit verbruik vrij te stellen. In het Belastingplan 2024 is een voorstel opgenomen om deze vrijstellingen per 1 januari 2025 af te schaffen.

Inputvrijstelling aardgas elektriciteitsopwekking

Het aardgasverbruik dat wordt ingezet in een installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt is vrijgesteld van energiebelasting, mits de omzettingsefficiëntie naar elektriciteit van deze installatie meer dan 30% is. Gedachte achter deze vrijstelling is dat wordt voorkomen dat zowel belasting wordt geheven op gas als de elektriciteit die daarmee wordt opgewekt en geleverd via het net, dus dat er twee maal in de keten wordt belast. Het aardgasverbruik dat wordt omgezet in warmte output wordt daardoor ook niet belast, terwijl dit niet later in de keten wordt belast. In het Belastingplan 2024 is een voorstel opgenomen om de inputvrijstelling tussen 2025 ‒ 2030 gefaseerd in te perken.

Belastingvermindering energiebelasting

De energiebelasting kent een teruggave van energiebelasting per elektriciteitsaansluiting op een WOZ-object met een verblijfsfunctie. Alle huishoudens en bedrijven met een elektriciteitsaansluiting ontvangen deze belastingvermindering. Huishoudens profiteren relatief meer van deze teruggave dan bedrijven. Momenteel is de energiemix in Nederland voor aardgas en elektriciteit nog overwegend van fossiele oorsprong. Naarmate de energiemix duurzamer wordt, neemt de omvang van het fossiele voordeel binnen de belastingvermindering af. In 2023 bedraagt de belastingvermindering € 493,27 exclusief btw. Het volledig afbouwen van de regeling zou uitvoeringstechnisch per 1 januari 2025 gerealiseerd kunnen worden middels een parameteraanpassing, indien daar in het voorjaar van 2024 toe besloten wordt en dit besluit in het Belastingplan 2025 opgenomen wordt. Het afschaffen van de regeling is een structuuraanpassing, dit vergt een implementatietermijn van 4 tot 18 maanden en kan dus op zijn vroegst 1 januari 2026 gerealiseerd worden.

Degressieve tariefstructuur energiebelasting aardgas en elektriciteit

In de energiebelasting wordt een degressieve tariefstructuur gehanteerd. De oorspronkelijke reden is het gelijke speelveld van grotere afnemers van gas en elektriciteit ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten. Ook is ervoor gekozen het tarief voor huishoudens hoger te stellen en het koopkrachteffect via de belastingvermindering in de energiebelasting en elders in de fiscaliteit te compenseren. In de meeste EU-lidstaten liggen de EB-tarieven veel lager dan in Nederland en wordt onderscheid gemaakt tussen zakelijk en niet-zakelijk verbruik, waarbij het zakelijke verbruik lager belast wordt. Het volledig afbouwen van de regelingen zou uitvoeringstechnisch per 1 januari 2025 gerealiseerd kunnen worden middels een parameteraanpassing, indien daar in het voorjaar van 2024 toe besloten wordt en dit besluit in het Belastingplan 2025 opgenomen wordt. Het afschaffen van de regelingen is een structuuraanpassing, dit vergt een implementatietermijn van 4 tot 18 maanden en kan uitvoeringstechnisch dus op zijn vroegst 1 januari 2026 gerealiseerd worden.

Teruggaafregeling energiebelasting voor instellingen

De teruggaafregeling van energiebelasting over het gas- en elektriciteitsverbruik geldt voor het verbruik in een onroerende zaak die is bestemd voor een openbare eredienst of het houden van een bezinningsbijeenkomst van levensbeschouwelijke aard of die in gebruik is door een algemeen nut beogende instelling. Uitgezonderd zijn instellingen die werkzaam zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs. Het gaat dus hoofdzakelijk om kerkgebouwen of non-profit instellingen. Deze hebben recht op teruggaaf van de helft van de door hen betaalde energiebelasting. Het afschaffen van de regeling is een structuuraanpassing, dit vergt een implementatietermijn van 4 tot 18 maanden en kan dus op zijn vroegst 1 januari 2026 gerealiseerd worden.

Raffinaderijvrijstelling – energiebelasting

Met de raffinaderijvrijstelling worden twee aparte regelingen in de energiebelasting en accijns (zie ook hieronder) bedoeld. Voor raffinaderijen geldt een uitzondering voor de restgassen die ontstaan op de productielocatie zelf (artikel 51 Wet belastingen op milieugrondslag). Naast deze specifieke vrijstelling geldt in algemene zin (dus niet alleen voor raffinaderijen) een nihiltarief voor restgassen die ontstaan en worden ingezet op de eigen locatie (zie ook hieronder). Indien dus alleen artikel 51 Wet belastingen op milieugrondslag zou worden afgeschaft, dan wordt vanwege het nihiltarief (dat volgt uit de ETD) alsnog geen belasting betaald over de restgassen.

Vrijstelling voor restgassen die op eigen inrichting zijn ontstaan en daar weer worden ingezet (artikel 59)

In de energiebelasting is een nihiltarief opgenomen voor restgassen de zijn ontstaan op de inrichting waar ze worden verbruikt. Het gaat dan bijvoorbeeld om restgassen uit een productieproces die voor ondervuring worden gebruikt. De facto is dit verbruik daarmee van heffing vrijgesteld. Deze verplichte vrijstelling valt onder de ETD en Nederland kan deze daarom niet zelfstandig afschaffen.

Raffinaderijvrijstelling – accijns

De accijns moet worden betaald wanneer het accijnsgoed wordt uitgeslagen tot verbruik. Dat is in principe het geval als de goederen de accijnsgoederenplaats verlaten. In een accijnsgoederenplaats kunnen onder schorsing van accijns accijnsgoederen worden geproduceerd of verwerkt. Als voorbeeld is bij de levering van benzine aan het benzinestation sprake van uitslag tot verbruik en dient de leverancier accijns te betalen. Accijns is alleen verschuldigd bij minerale oliën die worden gebruikt als motorbrandstof of verwarmingsbrandstof (energetische verbruik van accijnsgoederen, bijvoorbeeld de inzet van benzine in auto’s). Niet-energetisch gebruik van minerale oliën, bijvoorbeeld gebruik als grondstof, valt niet onder de accijns. Ruwe olie wordt niet gebruikt als motorbrandstof of verwarmingsbrandstof, maar wordt eerst verwerkt in een raffinaderij tot bruikbare producten. Ruwe olie valt daarmee niet onder de reikwijdte van accijns.

Wanneer minerale oliën als brandstof worden gebruikt voor het produceren/verwerken van minerale oliën, dan geldt er in de wet accijns een vrijstelling (artikel 2, lid 9). In dit kader kan worden gedacht aan minerale oliën die in raffinaderijen worden gebruikt voor de verhitting van benodigde installaties.

De vrijstelling onder artikel 2, lid 9 kan worden gesplitst in twee delen:

  • 1. Minerale oliën die extern worden ingekocht en vervolgens direct energetisch worden ingezet in het raffinaderijproces, bijvoorbeeld ter ondervuring. Dit deel van de vrijstelling is optioneel onder de ETD en kan Nederland dus zelfstandig afschaffen. Naar verwachting zal de budgettaire opbrengst nihil zijn, omdat raffinaderijen vrijwel niet minerale oliën extern inkopen en direct energetisch inzetten. Dit deel van de vrijstelling zou uitvoeringstechnisch afgeschaft kunnen worden drie maanden nadat de wetgeving met de datum van afschaffing in het Staatsblad is gepubliceerd.

  • 2. De minerale oliën die binnen de raffinaderij worden geproduceerd en in plaats van levering aan externe partij deels zelf energetisch worden ingezet in de raffinaderij. Dit deel is verplicht vrijgesteld onder de Europese Richtlijn Energiebelastingen (ETD) en Nederland kan dit dus niet zelfstandig afschaffen.

Accijns – Lager accijnstarief voor diesel, dan voor benzine

In de Wet op de accijns is voor diesel een lager accijnstarief per 1.000 liter opgenomen dan voor benzine. De lagere brandstofaccijns voor diesel vindt zijn oorsprong in het internationale karakter van het zakelijke (vracht) verkeer, dat voornamelijk op diesel rijdt. Met de brandstoftoeslagen in de autobelastingen (in de bpm en mrb) is vervolgens beoogd het verschil in fiscale druk op het autorijden ingeval van personenauto’s en motorrijwielen bij gebruik van diesel enerzijds en benzine anderzijds te verminderen. Het volledig afbouwen van het tariefverschil zou uitvoeringstechnisch per 1 januari 2025 gerealiseerd kunnen worden middels een parameteraanpassing, indien daar in het voorjaar van 2024 toe besloten wordt en dit besluit in het Belastingplan 2025 opgenomen wordt.

Teruggaafregeling energiebelasting voor gebruik aardgas als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren (inclusief visserij, exclusief particuliere pleziervaartuigen)

In overeenstemming met artikel 14, lid 1 c van Richtlijn 2003/96/EG (‘Energy Taxation Directive’, ‘ETD’), komen exploitanten van commerciële schepen die aardgas als brandstof gebruiken voor de vaart op communautaire wateren in aanmerking voor teruggave van energiebelasting. Deze teruggave is van toepassing op aardgas dat wordt gebruikt als brandstof voor vaartuigen, inclusief die van de visserij, en geldt niet voor particuliere pleziervaartuigen.

Vrijstellingen in de kolenbelasting voor duaal gebruik en non-energetisch gebruik van kolen

Non-energetisch en duaal gebruik van kolen zijn vrijgesteld in de kolenbelasting. De ETD voorziet in de mogelijkheid daartoe. Het overgrote deel van het vrijgestelde kolengebruik valt onder de cokes-, ijzer- en staalindustrie. Voor buitenlandse concurrenten gelden ook vrijstellingen. Emissies van deze sectoren worden op Europees niveau beprijsd onder het EU ETS. In het pakket Belastingplan 2024 is een voorstel opgenomen om vanaf 1 januari 2028 de vrijstellingen in de kolenbelasting voor duaal gebruik en non-energetisch gebruik van kolen af te schaffen.

Vrijstelling gebruik van kolen voor elektriciteitsopwekking

Gebruik van kolen voor elektriciteitsopwekking is vrijgesteld in de kolenbelasting. De gedachte achter deze vrijstellingen is dat wordt voorkomen dat zowel belasting wordt geheven op de kolen als de elektriciteit die daarmee wordt opgewekt en geleverd via het net. Het voorkomen van dubbele belasting volgt uit de ETD, maar de vrijstelling is niet in de richtlijn niet verplicht Het afschaffen van de regeling is een structuuraanpassing, dit vergt een implementatietermijn van 4 tot 18 maanden en kan dus op zijn vroegst 1 januari 2026 gerealiseerd worden.

Accijns – Lager accijnstarief voor LPG, dan voor benzine

In de Wet op de accijns is voor LPG een lager accijnstarief per 1.000 liter opgenomen dan voor benzine.83 Ten opzichte van diesel is er bij LPG een voordeel wat betreft de uitstoot van NOX. Vergeleken met benzine heeft LPG een CO2-voordeel. Het volledig afbouwen van het tariefverschil zou uitvoeringstechnisch per 1 januari 2025 gerealiseerd kunnen worden middels een parameteraanpassing, indien daar in het voorjaar van 2024 toe besloten wordt en dit besluit in het Belastingplan 2025 opgenomen wordt.

Vrijstelling van het commercieel gebruik van brandstoffen in het internationale luchtverkeer

Kerosine die wordt geleverd voor gebruik als brandstof in de commerciële luchtvaart is op grond van de ETD verplicht vrijgesteld van accijns. Plezierluchtvaart is uitgezonderd en niet vrijgesteld op grond van deze richtlijn.

Lidstaten zijn vrij om kerosine gebruikt voor binnenlandse commerciële vluchten te belasten. Een accijns op vliegtuigbrandstoffen voor vluchten tussen lidstaten binnen de EU is op grond van de ETD evenwel mogelijk als de EU-lidstaten onderling bilaterale overeenkomsten sluiten. Bij de introductie van de vliegbelasting is aangegeven dat het kabinet destijds geen voorstander was van een lappendeken aan bilaterale regelingen binnen de EU. Dit doet namelijk afbreuk aan het concept van één interne markt, creëert onduidelijkheid over de tussen lidstaten geldende regels en kan het gelijke speelveld voor luchtvaartmaatschappijen verstoren. Daarom is het kabinet er destijds toe overgegaan een vliegbelasting in te voeren. Ter referentie: met het Belastingplan 2023 is het tarief van de vliegbelasting (7,947 euro in 2022) met 17,95 euro (prijspeil 2022) verhoogd per vertrekkende passagier. De beoogde extra budgettaire opbrengst van deze tariefverhoging bedroeg circa 400 mln. per jaar. De totale budgettaire derving door de accijnsvrijstelling van kerosine bedraagt circa 2,2 mld. euro per jaar.

Mocht de verplichte vrijstelling uit de ETD worden afgeschaft dan sorteert dit geen effect omdat voor het gebruik van kerosine voor vluchten naar buiten de EU op basis van het Douanewetboek van de Unie sprake zal zijn van wederuitvoer of uitvoer. Wederuitvoer of uitvoer zijn geen belastbare feiten waardoor de kerosine evengoed niet belast kan worden. Het gaat immers om verbruik van kerosine buiten de EU. Dit geldt ook voor de plezierluchtvaart, ook hier is sprake van wederuitvoer of uitvoer als het gaat om vluchten die de EU verlaten.

Naast de ETD zijn er luchtvaartverdragen die bijvoorbeeld het belasten van kerosine aan boord van buitenlandse luchtvaartuigen beletten. Zo bepaalt het Verdrag van Chicago voor de internationale burgerluchtvaart dat onder andere kerosine, welke zich aan boord van een luchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat bevindt bij aankomst op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat en welke zich nog aan boord bevindt bij het vertrek van het grondgebied van die Staat wordt vrijgesteld van douanerechten, inspectie-kosten of soortgelijke nationale of plaatselijke rechten en kosten (zoals een accijns).

Ook in luchtvervoersovereenkomsten, waarin landingsrechten met derde landen zijn afgesproken, wordt over het algemeen de vrijstelling vastgelegd. Dit geldt bijvoorbeeld ook op grond van de Luchtvervoersovereenkomst tussen de EU en haar lidstaten en de VS (het EU-VS Open Skies luchtvaartakkoord), voor zowel extra-EU als intra-EU vluchten. Wel wordt in bilaterale- en EU-luchtvaartverdragen vastgelegd dat een accijnsheffing op vluchten binnen het Europees grondgebied in de toekomst mogelijk moet zijn.

Accijnsvrijstelling gebruik van het commercieel gebruik van brandstoffen in de zeevaart

Brandstof die wordt geleverd voor gebruik in de commerciële vaart op communautaire wateren is op grond van de ETD verplicht vrijgesteld van accijns. Dit geldt niet voor de pleziervaart, het verbruik van brandstof is niet vrijgesteld op grond van deze richtlijn.

Mocht de verplichte vrijstelling uit de ETD worden afgeschaft dan laat het voor het gebruik van brandstof voor vaarten naar buiten de EU waarbij je naar open zee vertrekt onverlet dat op basis van het Douanewetboek van de Unie sprake zal zijn van wederuitvoer of uitvoer. Wederuitvoer of uitvoer zijn geen belastbare feiten waardoor de brandstof evengoed niet belast kan worden. Het gaat immers om verbruik van brandstof buiten de EU. Dit geldt ook voor de pleziervaart, ook hier is sprake van wederuitvoer of uitvoer als het gaat om vaarten die de EU verlaten.

Accijnsvrijstelling van het commercieel gebruik van gasolie (diesel) in de binnenvaart

Brandstof gebruikt voor de commerciële vaart op binnenwateren is op grond van de Wet op de accijns vrijgesteld van accijns. Op basis van de ETD is dit een keuze die lidstaten mogen maken. De pleziervaart moet op basis van deze richtlijn evengoed belast blijven.

De vrijgestelde brandstof is gekleurd en wordt ook wel rode diesel genoemd.

In de Akte van Mannheim uit 1868 is een verbod vastgelegd op het heffen van rechten die uitsluitend op het beoefenen van de scheepvaart zijn gegrond. In het Gasolieprotocol 1952 is een specifieke regeling voor de douane- en belastingvrijstelling voor gasolie die als boordvoorraad wordt verbruikt vastgelegd, ter overbrugging van de meningsverschillen over het regime dat volgt uit de Akte zelf. In de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) is besloten om het heffingsverbod op te heffen, maar is men het (net als in 1952) niet eens over het antwoord op de vraag of de Akte van Mannheim een heffingsverbod op gasolie bevat. In de CCR wordt besproken of amendering van de Akte van Mannheim nodig is naast amendering of opzegging van het Gasolieprotocol. Een amenderingsvoorstel voor zowel de Akte als het Gasolieprotocol moet bij unanimiteit worden aangenomen. Het Gasolieprotocol kan met inachtneming van een opzeggingstermijn van één jaar door iedere partij worden opgezegd.

Btw-vrijstelling kerosine

De levering van kerosine voor luchtvaartuigen die hoofdzakelijk worden ingezet voor internationaal personenvervoer is belast tegen het btw-nultarief (Tabel II, post a-3, onderdeel e bij de Wet op de omzetbelasting 1968). Dit nultarief is verplicht op grond van de btw-richtlijn (artikel 148, onderdeel e, btw-richtlijn). Het is dus niet mogelijk om btw te heffen op de levering van kerosine voor deze luchtvaartuigen. Ook al zou heffing van btw op kerosine mogelijk zijn dan leidt dit niet tot duurdere vliegtickets. Luchtvaartmaatschappijen hebben net als iedere andere ondernemer recht op aftrek van de in rekening gebrachte btw. De btw die in rekening zou kunnen worden gebracht bij de aankoop van kerosine zou dus ook in aftrek kunnen worden gebracht.

Tabel 2 Overige fiscale regelingen m.b.t. non-energetisch en indirect gebruik fossiele brandstoffen

Definitie: Gederfde overheidsinkomsten (o.a. belastingteruggaven, vrijstellingen, buiten scope reguliere belasting, etc.) gerelateerd aan het non-energetisch gebruik of indirect gebruik van fossiele brandstoffen.

*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)

Maatregel

Budgettaire omvang per jaar (2023)

Benchmark: reguliere tarief (tenzij anders aangegeven)

Juridisch mogelijk om nationaal aan te passen?

Ander relevant beprijzend beleid voor regeling

Vrijstelling voor non energetisch verbruik van aardgas

€ 85 miljoen

Ja

Scope 1 emissies vallen onder ETS1 en CO2-heffing. Overig aardgasvebruik wordt niet beprijsd.

Niet heffen van accijns op non energetisch verbruik minerale oliën (waaronder nafta)

€ 14 miljard

Nee, niet op het gebied van de accijns. Non-energetisch verbruik van minerale oliën is niet belast(baar) met accijns. Daarnaast is nafta geen accijnsgoed en niet belast (baar) met de accijns. Met een aparte belasting buiten de accijns om kan dit wel nationaal worden belast

Scope 1 emissies vallen onder ETS1 en de CO2-heffing. Het overig deel van het non energetisch verbruik van deze de minerale oliën wordt niet beprijsd.

Btw-vrijstelling internationaal personenvervoer (schepen en luchtvaartuigen)

Luchtvaart: € 872 miljoen

Scheepvaart: € 44miljoen

Deels: Het vervoer van personen is volgens de Europese btw-richtlijn dáár belastbaar waar dat vervoer feitelijk plaatsvindt. De vrijstelling voor het deel dat zich op Nederlands grondgebied kan daarom worden afgeschaft, maar niet voor de rest van de reis.

Luchtvaart: nationale vliegbelasting en ETS1

Scheepvaart: ETS1 (vanaf 2024)

Vrijstelling in de bpm voor bestelauto ondernemers*

€ 935 miljoen

Ja

Brandstofaccijnzen, ETS2 (vanaf 2027)

Verlaagd tarief in de mrb voor bestelauto ondernemers

€ 1089 miljoen

Ja

Brandstofaccijnzen, ETS2 (vanaf 2027)

Overige regelingen in de bpm:

Teruggaaf politievoertuigen

Teruggaaf brandweer

Teruggaaf invalide-voertuigen

Teruggaaf ambulances

Teruggaaf lijkwagens

Teruggaaf gevangenenvervoer

Teruggaaf groep rolstoelveroer

Teruggaaf dierenambulances

Teruggaaf geldtransport

Teruggaaf bestelauto gehandicapten

€ 18 miljoen

Ja

Brandstofaccijnzen, ETS2 (vanaf 2027)

Overige regelingen voor verschillende doelgroepen in de mrb:

Gewichtscorrectie rolstoelinstallatie

Brandstoftoeslag nihil of verlaagd voor LNG, CNG en LPG G3

Kwarttarief kampeerauto

Halftarief kampeerauto (bedrijfsmatige verhuur)

Gematigd tarief rijdende winkel

Nihiltarief OV-autobussen op LPG of aardgas

Kwarttarief kermis- en circusvoertuigen

Kwarttarief werktuig of werkplaats

Kwarttarief paardenvervoer

Teruggaaf bedrijfsvoertuigenpark vrachtauto’s

Vrijstelling ambulance

Vrijstelling lijkwagens

Vrijstelling dierenambulances

Vrijstelling voor defensie- en politiemotorrijtuigen

Vrijstelling brandweer

Vrijstelling reinigingsdiensten

Vrijstelling wegenbouw

Vrijstelling gebruik openbare weg over geringe afstand

Vrijstelling taxi’s of openbaar vervoer

Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

€ 516 miljoen

Ja

Brandstofaccijnzen, ETS2 (vanaf 2027)

Toelichting regelingen tabel 2

Vrijstelling energiebelasting non-energetisch verbruik aardgas

In de energiebelasting geldt een vrijstelling voor het non-energetische verbruik van aardgas (artikel 64, lid 5). Het gaat hierbij onder andere om de productie van (grijze) waterstof uit aardgas. De waterstof wordt vervolgens hoofdzakelijk ingezet t.b.v. industriële processen zoals de productie van kunstmest. Deze vrijstelling is onder de ETD niet verplicht, dus kan Nederland zelf op nationaal niveau afschaffen. Het afschaffen van de regeling is een structuuraanpassing, dit vergt een implementatietermijn van 4 tot 18 maanden en kan uitvoeringstechnisch dus op zijn vroegst 1 januari 2026 gerealiseerd worden.

Niet heffen van accijns op non-energetisch verbruik minerale oliën

Op basis van de ETD is accijns op minerale oliën alleen verschuldigd als die minerale oliën worden gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof. Het verbruik van minerale oliën als grondstof (non-energetisch) is daarom niet belast met accijns. Denk bijvoorbeeld aan de toepassing in verf.

Niet heffen van accijns over non-energetisch gebruik nafta

Op basis van de ETD is accijns op minerale oliën alleen verschuldigd als die minerale oliën worden gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof. Nafta wordt niet als zodanig gebruikt. Het verbruik van nafta (non-energetisch) is daarom niet belast met accijns. Nafta wordt onder andere gebruikt voor het produceren van grondstoffen voor plastics.

Btw op vliegtickets

Het vervoer van personen is dáár belastbaar waar dat vervoer feitelijk plaatsvindt (artikel 6c, eerste lid van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 48, btw-richtlijn). Voor het vervoer van personen per vliegtuig en per zeeschip moet voor het btw-tarief onderscheid worden gemaakt tussen binnenlandse- en buitenlandse vluchten/bootreizen. Binnenlandse vluchten/bootreizen zijn belast tegen het algemene btw-tarief. Vluchten/bootreizen naar of vanuit het buitenland zijn belast tegen het btw-nultarief (Tabel II, post b-3 behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968). Dit btw-nultarief houdt in dat ondernemers geen btw in rekening hoeven te brengen over hun diensten, maar wel recht hebben op aftrek van voorbelasting. Vanwege uitvoeringsproblematiek maken lidstaten gebruik van het btw-nultarief voor vluchten naar of vanuit het buitenland. De toepassing van het btw-nultarief is echter niet verplicht op grond van de btw-richtlijn. In theorie is het dus denkbaar dat Nederland afziet van het toepassen van dit btw-nultarief. Dit zou echter betekenen dat voor alle vluchten vanuit en naar Nederland moet worden vastgesteld welk gedeelte boven Nederlands grondgebied is gevlogen, want alleen dat gedeelte is belastbaar met Nederlandse btw. Dit is echter vrijwel niet uitvoerbaar. Bovendien is het gedeelte van een internationale reis dat plaatsvindt op of boven Nederlands grondgebied veelal beperkt, wat gevolgen heeft voor de afweging van heffing versus uitvoering. De discussie over btw op luchtvaart wordt in Europees verband al tientallen jaren gevoerd, tot op heden echter zonder dat dit heeft geleid tot een andere werkwijze.

Vrijstelling in de bpm voor bestelauto ondernemers

De bpm kent een vrijstelling voor nieuwe bestelauto’s die door ondernemers worden aangeschaft. Per 1 januari 2025 vervalt deze vrijstelling en wordt de grondslag van de bpm voor bestelauto’s omgevormd van catalogusprijs naar CO2-uitstoot.

Verlaagd tarief in de mrb voor bestelauto ondernemers

In de mrb geldt een verlaagd tarief voor bestelauto’s van ondernemers. Dit verlaagd tarief geldt ongeacht de aandrijflijn, gezien alleen het voertuiggewicht de grondslag is. Wel zorgt deze regeling ervoor dat ook voor fossiele voertuigen een lagere mrb hoeft te worden betaald. Hierdoor wordt indirect het gebruik van fossiele brandstof lager belast. Tot en met 2024 geldt een vrijstelling voor alle emissievrije bestelauto’s. Afschaffen van het verlaagd tarief voor bestelauto ondernemers is een structuuraanpassing voor de Belastingdienst en op z’n vroegst per 1 januari 2026 mogelijk.

Overige bijzondere regelingen bpm/mrb

Er gelden een aantal bijzondere regelingen (teruggaafregelingen, kwarttarieven, etc.) in de mrb en bpm voor specifieke voertuigen. Deze regelingen zijn niet specifiek voor fossiele brandstof voertuigen. Wel zorgen deze regelingen ervoor dat voor die voertuigen geen of een lagere autobelasting hoeft te worden betaald, waardoor indirect het gebruik van fossiele brandstof lager wordt belast. Afschaffen van de bijzondere regelingen in de bpm en mrb is een structuuraanpassing voor de Belastingdienst en op z’n vroegst per 1 januari 2026 mogelijk. In het Belastingplan 2024 zit het voorstel om een aantal bijzondere regelingen te versoberen dan wel af te schaffen. Dit betreft:

  • Het kwartarief voor kampeerauto in de MRB wordt versoberd naar een halftarief vanaf 2026.

  • Het kwartarief in de MRB voor paardenvervoer komt te vervallen vanaf 2026,

  • De MRB vrijstelling voor oldtimers wordt vanaf 2028 versoberd naar een vrijstelling voor auto's met bouwjaar tot 1988.

  • De teruggave voor geldtransport in de BPM wordt per 2026 afgeschaft.

  • Het nihiltarief in de MRB voor OV-autobussen op liquified petroleum gas (LPG) of aardgas wordt per 2030 afgeschaft.

  • De verlaagde brandstoftoeslag personen- en bestelauto's op CNG, LNG of LPG vervalt per 2026.

Overzichtstabel uitgavenkant

Hieronder is een overzicht gegeven van de regelingen aan de uitgavenkant.

Tabel 3 niet-fiscale regelingen met een directe relatie tot fossiel energiegebruik

*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)

Maatregel

Budgettaire omvang per jaar (2023)

Juridisch mogelijk om nationaal aan te passen?

Gratis verstrekte rechten in kader van EU-ETS (EU-beleid)*

€ 3.553 miljoen

Nee

Subsidieregeling indirecte kostencompensatie ETS*

€ 0 miljoen

Ja

Investeringsaftrek t.b.v. opsporen en winning aardgas kleine velden Noordzee (mijnbouwheffing)

Niet bekend

Ja

Energieprijsplafond*

Benchmark 1: gehele belastingvermindering € 3.798 miljoen

Benchmark 2: Afslag voor aandeel hernieuwbare energie van 16,7%: 3.163

Ja

Toelichting regelingen tabel 3

Gratis verstrekte rechten in kader van EU-ETS (EU-beleid)

Binnen het ETS dienen bedrijven die rechtstreeks CO2 uitstoten te beschikken over emissierechten. Indien meer emissierechten nodig zijn dan het bedrijf beschikbaar heeft, dient een bedrijf deze certificaten te kopen of CO2-reducerende maatregelen te treffen. Om te voorkomen dat bedrijven die op de wereldmarkt concurreren investeringen naar buiten Europa verplaatsen (koolstoflekkage), krijgen bepaalde sectoren gratis emissierechten toegedeeld. Er zijn drie categorieën sectoren die gratis rechten ontvangen. Voor sectoren waar geen risico op koolstoflekkage is vastgesteld, loopt het aantal gratis emissierechten af tot nul in 2030. Voor sectoren waar wel een risico op koolstoflekkage is vastgesteld, maar de recent ingestelde Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) alternatieve bescherming biedt tegen koolstoflekkage, loopt het aantal gratis emissierechten af tot nul in 2034. Voor de overige sectoren (risico op koolstoflekkage, geen bescherming via CBAM) worden gratis emissierechten verstrekt tot en met 2040. Na 2040 is het ETS plafond nihil en worden er dus geen nieuwe ETS rechten meer verleend (gratis noch geveild).

Subsidieregeling indirecte kostencompensatie ETS

Het Europese systeem van emissiehandel verplicht Europese elektriciteitsproducenten om emissierechten aan te kopen voor hun CO2-uitstoot. De kosten hiervan berekenen deze producenten door in de groothandelsprijzen voor elektriciteit. Europese bedrijven hebben hierdoor hogere elektriciteitskosten. Zij ervaren daarom mogelijk een concurrentienadeel ten opzichte van ondernemingen uit landen buiten Europa. Dit brengt een koolstofweglekrisico met zich mee. De regeling Indirecte Kostencompensatie ETS (IKC-ETS) verlaagt dit risico door de indirecte ETS-kosten die bedrijven maken bij hun productie te compenseren. De regeling is beschikbaar voor bedrijven uit enkele specifieke bedrijfstakken. Er is in de begroting geen budget beschikbaar gesteld voor de regeling die per 22 augustus 2022 is herzien.

Investeringsaftrek t.b.v. opsporen en winning aardgas kleine velden Noordzee (mijnbouwheffing)

De (niet-fiscale) investeringsaftrek voor investeringen in het opsporen en winnen van aardgas uit de kleine velden in de Noordzee kan alleen worden toegepast bij de berekening van de specifieke afdracht van het winstaandeel, wat een extra heffing voor mijnbouwbedrijven is krachtens de Mijnbouwwet naast de vennootschapsbelasting. Dit leidt voor mijnbouwondernemingen tot een hoge(re) effectieve belastingdruk dan voor andere ondernemingen die alleen vennootschapsbelasting afdragen. Met de investeringsaftrek wordt beoogd het opsporen en winnen van aardgas uit de kleine velden in de Noordzee te stimuleren. De verwachting is dat aardgas de komende decennia nog noodzakelijk is voor bijvoorbeeld de productie van elektriciteit en de energie- en warmtebehoefte van huishoudens in Nederland. Gaswinning uit kleine velden op de Noordzee maakt Nederland minder afhankelijk van gaswinning uit het buitenland en draagt daarmee bij aan energieleveringszekerheid. Daarnaast is de CO2-voetafdruk van geïmporteerd gas  door de lange transportafstanden aanzienlijk groter dan die van in Nederland gewonnen gas. Uit de analyse van CE-Delft (november 2022) blijkt dat gaswinning op de Noordzee per saldo een positief effect heeft op de uitstoot van emissies vergeleken met de situatie waarin gas uit Rusland of de Verenigde Staten wordt geïmporteerd.

Energieprijsplafond

In september 2022 heeft het kabinet besloten tot het instellen van een zogenoemd energieprijsplafond voor het gebruik van aardgas en elektriciteit om de fors negatieve gevolgen voor huishoudens en bedrijven voor de sterk gestegen energieprijzen te matigen. Het kabinet schaft dit energieprijsplafond af per 1-1-2024.

Tekstvak 24.4: Gasopslagen

Vulmaatregelen 2022, 2023 en 2024

Het kabinet heeft vorig jaar en dit jaar een aantal maatregelen genomen om te stimuleren dat de gasopslagen in Nederland bij aanvang van de winter (1 november 2022 en 2023) voor minstens 90% gevuld waren. Dit is een verplichting op basis van de ‘EU-verordening 2022/1032 tot wijziging van Verordeningen (EU) 2017/1938 en (EG) nr. 715/2009 wat betreft gasopslag’ om te zorgen dat de gasleveringszekerheid in de winters zoveel mogelijk geborgd is. Het kabinet heeft daarom twee vulmaatregelen genomen:

  • 1. Het kabinet is gekomen met een subsidiemaatregel voor marktpartijen die gas in gasopslag Bergermeer opslaan. Deze subsidiemaatregel biedt een garantie voor het risico van een eventuele negatieve zomer/winterspread. De subsidie heeft vorig jaar geen geld gekost, omdat uiteindelijk de marktomstandigheden veranderden (de prijzen in de winter werden weer hoger dan de prijzen in de zomer, een zogeheten positieve zomer/winterspread). Voor dit jaar is een bedrag van 240 miljoen euro gereserveerd. De subsidiemaatregel is dit jaar (nog) niet ingezet.

  • 2. Het kabinet heeft EBN de taak gegeven om gasopslag Bergermeer te vullen (in 2023 tot maximaal 20 TWh) voor zover marktpartijen dit niet doen. Hiervoor ontvangt EBN subsidie. In 2022 heeft deze taak netto geen geld gekost. Voor 2023 is voor deze taak 520,4 miljoen euro gereserveerd. Een deel hiervan komt dit jaar vanwege gunstige marktomstandigheden niet tot besteding en wordt doorgeschoven naar 2024 en 2025, vanwege de verlenging van deze taak voor EBN.  

Beide maatregelen hebben in het laatste realisatiejaar (2022) netto niet tot kosten voor de rijksoverheid geleid en zijn daarom niet opgenomen in het overzicht met fossiele subsidies. De andere gasopslagen (Norg, Grijpskerk, PGI Alkmaar, EnergyStock) zijn en worden gevuld zonder verdere bijdrage van de overheid.

Afspraken m.b.t. gasopslagen uit Groningensysteem

  • Opslag Norg: Het Rijk en NAM spraken middels het Norg akkoord af dat de gasberging vanaf gasjaar 2019/2020 alleen nog maar zou worden gevuld met gas uit een andere bron dan het Groningenveld. NAM is eigenaar van gasopslag Norg en kon de gasopslag voordien commercieel inzetten. Door het Norg akkoord is de winning van 11,9 Nm³ uit het Groningenveld voorkomen en daarmee werd de weg geëffend om het Groningenveld jaren eerder te sluiten. Het Rijk heeft de NAM in gasjaar 2022/2023 1.277 miljoen euro (incl. BTW) betaald. Met deze vergoeding wordt NAM in dezelfde positie gebracht als wanneer er geen Norg-akkoord gesloten zou zijn. Met deze vergoeding wordt aangesloten bij het nadeelcompensatierecht.

  • Opslag Grijpskerk: De gasopslag Grijpskerk zal ingezet worden als opslag van laagcalorisch gas in plaats van een opslag voor hoogcalorisch gas uit het Groningenveld. Hier is door het Rijk geen financiële vergoeding voor betaald.

82

Normeren en beprijzen van stikstofemissies - Sturen op stikstof | Rapport | Rijksoverheid.nl

83

In de Wet op de accijns is voor LPG een accijnstarief opgenomen per 1.000 kg. In de praktijk wordt vloeibaar gemaakt petroleumgas veelal verhandeld in liters. De soortelijke massa voor LPG is op basis van de beleidsregels accijns 0,54. Het tarief per 1.000 liter LPG is daarom: € 344,74 * 0,54 = € 186,16 in 2023.

Licence