Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3. Uitgaven

In het Regeerakkoord is het uitgavenplafond – bestaande uit drie deelplafonds rijksoverheid, Sociale Zekerheid en Zorg – vastgesteld voor de gehele kabinetsperiode. Deze paragraaf toetst de uitgaven aan het totaalplafond en de verschillende deelplafonds, volgens de in het Regeerakkoord vastgelegde plafondsystematiek (zie box 1).

Dit voorjaar zijn er extra middelen vrijgemaakt voor onder andere het gasbesluit, de inrichting van LNV en de Brexit-voorbereiding. Hiervoor is dekking gevonden in de structurele onderuitputting op de verschillende departementale begrotingen, met name bij VWS en SZW.

Tabel 2 laat zien dat het totale uitgavenplafond sluit in 2018, waarbij compensatie over de deelkaders plaatsvindt. De overschrijding van het deelplafond Rijksbegroting wordt gecompenseerd door onderschrijdingen bij de deelplafonds Sociale Zekerheid en Zorg.

De mutaties per deelplafond worden in deze paragraaf verder toegelicht. In bijlage 2 en in de suppletoire begrotingen worden de mutaties ten opzichte van Startnota in meer detail toegelicht.

Tabel 2: Plafondtoets Voorjaarsnota 2018

(in miljarden euro; – is onderschrijding)

2018

Totaal uitgavenplafond

 

Uitgavenplafond (in lopende prijzen)

278,1

Uitgavenniveau

278,1

Over-/onderschrijding

0

   

Rijksbegroting

 

Uitgavenplafond (in lopende prijzen)

126,5

Uitgavenniveau

127,1

Over-/onderschrijding

0,6

   

Sociale zekerheid

 

Uitgavenplafond (in lopende prijzen)

79

Uitgavenniveau

78,9

Over-/onderschrijding

– 0,1

   

Zorg

 

Uitgavenplafond (in lopende prijzen)

72,6

Uitgavenniveau

72,1

Over-/onderschrijding

– 0,5

Box 1: Plafondsystematiek onder Kabinet Rutte III

Het Kabinet Rutte III heeft de ruilvoetsystematiek afgeschaft. In de afgelopen kabinetsperiode werd het uitgavenkader geïndexeerd met de prijs Nationale Bestedingen (pNB), terwijl de uitgaven van de ministeries werden geïndexeerd met de door het CPB geraamde loon- en prijsontwikkeling (LPO). Dit leidde tot zogenoemde ruilvoet mee- en tegenvallers die ontstonden wanneer de LPO respectievelijk lager, dan wel hoger was dan de ontwikkeling van de pNB. Door zowel het uitgavenplafond als de departementale uitgaven te indexeren met de LPO is de ruilvoet afgeschaft. '

Het afschaffen van de ruilvoetsystematiek draagt bij aan meer bestuurlijke rust in het begrotingsproces. Hoewel de kans op ruilvoetmee- en tegenvallers in beginsel even groot is, kunnen de uitslagen van de ruilvoet groot en onvoorspelbaar zijn. Er kunnen daarnaast tegenvallers ontstaan die los staan van de betrachte begrotingsdiscipline. Dit maakt bezuinigingen als gevolg van de ruilvoet politiek lastig uitlegbaar. Tegelijkertijd zorgen bestaande instrumenten (de zogeheten referentie- en prijsbijstellingssystematiek) voor voldoende beheersing van lonen en prijzen bij de overheid.

De anticyclische werking van het uitgavenplafond is verder versterkt. Door het deelplafond Sociale Zekerheid aan te passen voor mutaties in de WW- en bijstandsuitgaven die niet het gevolg zijn van beleidsmatige keuzes leiden lagere uitgaven aan WW en bijstand in tijden van hoogconjunctuur niet tot extra ruimte onder het uitgavenplafond. Omgekeerd leiden hogere WW- en bijstandsuitgaven in tijden van laagconjunctuur niet automatisch tot de noodzaak tot ombuigingen.

De beheersbaarheid van de overheidsuitgaven is verder versterkt. Door de rentelasten en de budgettaire gevolgen van volumebeslissingen over gas onder het uitgavenplafond te plaatsen kunnen beide niet meer tot een verslechtering van het saldo leiden.

Deelplafond Rijksbegroting

Tabel 3 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de uitgaven onder het deelplafond Rijksbegroting ten opzichte van de Startnota 2018. De overschrijding van het deelplafond Rijksbegroting komt uit op 585 miljoen euro. De aanpassing van het deelplafond en de uitgavenmutaties worden hieronder verder toegelicht.

Tabel 3: Plafondtoets Rijksbegroting

(in miljoenen euro; – is onderschrijding)

2018

1

Uitgavenplafond bij Startnota

126.574

2

Aanpassing uitgavenplafond a.g.v. inflatie-ontwikkeling

– 43

3

Overboekingen met Sociale Zekerheid en Zorg

124

4

Plafondcorrectie gasbesluit

– 150

5

Uitgavenplafond bij Voorjaarsnota 2018 (=1 t/m 4)

126.505

     

6

Uitgaven bij Startnota

126.574

7

Loon- en prijsbijstelling

– 39

8

Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-compensatiefonds

– 36

9

HGIS

35

10

Uitvoeringskosten Brexit bij douane en NVWA

34

11

Inrichting LNV

50

12

EU-afdrachten

– 476

13

Rente

– 227

14

Dividend staatsdeelnemingen

– 233

15

Kasschuiven

1.068

16

Overboekingen met Sociale Zekerheid en Zorg

124

17

Eindejaarsmarge

882

18

In=uit-taakstelling

– 989

19

Invulling in=uit-taakstelling

225

20

Overige mutaties

99

21

Uitgaven bij Voorjaarsnota 2018 (=6 t/m 20)

127.091

     

22

Over-/onderschrijding uitgavenplafond bij Startnota (=6–1)

0

23

Over-/onderschrijding uitgavenplafond bij VJN 2018 (= 21–5)

585

Aanpassingen plafond

De loon- en prijsontwikkeling is iets lager dan tijdens de Startnota geraamd, wat leidt tot een neerwaartse bijstelling van het uitgavenplafond. Conform de begrotingsregels vallen volumebeslissingen over gas onder het deelplafond rijksoverheid. Voor 2018 leidt dit tot een neerwaartse bijstelling van het uitgavenplafond met 150 miljoen, waardoor de budgettaire ruimte onder het plafond daalt. Overboekingen van de deelplafonds Sociale Zekerheid en Zorg leiden tot een opwaartse bijstelling. Per saldo resulteren de verschillende plafondaanpassingen in een neerwaartse bijstelling van het deelplafond rijksoverheid met 69 miljoen euro.

Besluit gaswinning Groningen

Het besluit van het kabinet om de gaswinning uit het Groningenveld op zo kort mogelijke termijn volledig te beëindigen2, leidt naar de huidige inzichten tot een verlaging van de gasbatenreeks met 150 miljoen euro in 2018, die oploopt tot 900 miljoen in 2022. Er is daarnaast meerjarig 200 miljoen euro gereserveerd. Deze reservering houdt onder meer verband met de voortgaande gesprekken met de regio over het toekomstperspectief voor Groningen, de (mogelijke risico’s bij) publiekrechtelijke afhandeling van schademeldingen en de versterkingsaanpak, de organisatiekosten, als ook met de lopende onderhandelingen met Shell en Exxon over het gasgebouw. Omdat het hier met name gaat om lopende gesprekken met externe partijen, kan het gereserveerde bedrag op dit moment niet nader worden uitgesplitst of toegelicht.

Beide posten zijn, conform de begrotingsregels, onder het uitgavenplafond ingepast. Tabel 4 geeft inzicht in de meerjarige budgettaire doorwerking. De budgettaire opgave die hierdoor ontstaat wordt in 2018 gedekt uit meevallers en onderuitputting op de verschillende departementale begrotingen. Zoals gebruikelijk bevat de Miljoenennota 2019 de besluitvorming voor 2019 en verder, zo ook een gedetailleerde en meerjarige invulling van de dekking van het gasbesluit.

Naast de uitgaven die onder het uitgavenplafond worden ingepast, leidt o.a. de schade- en versterkingsopgave tot meerkosten die door NAM worden betaald maar die via lagere afdrachten door de NAM zorgen voor lagere gasbaten. In navolging van de begrotingsregels hoeven deze kosten niet onder het uitgavenplafond te worden ingepast. Zij leiden wel tot een verslechtering van het overheidssaldo en de overheidsschuld.

Tabel 4: Budgettaire consequenties gasbesluit op uitgaven Rijksbegroting

Bedragen in mln («+» is saldoverslechterend)

2018

2019

2020

2021

2022

Budgettaire consequenties gasbesluit

350

400

500

550

1.100

w.v. volumebesluit gas

150

200

300

350

900

w.v. reservering Groningen

200

200

200

200

200

Bijstelling uitgaven

De indexering van de algemene uitkering van het Gemeentefonds, het Provinciefonds en het BTW-compensatiefonds (BCF) vindt plaats via de normeringssystematiek (trap-op-trap-af). De indexering volgt uit de ontwikkeling van het bestuurlijk afgesproken mandje van rijksuitgaven genaamd Accresrelevante (ARU) uitgaven. De besluitvorming zorgt voor lagere ARU-relevante uitgaven, dus ook een lager accres voor het Gemeentefonds, Provinciefonds en het BTW-compensatiefonds.

Naar aanleiding van de CEP/MLT-raming van het Centraal Planbureau is het budget van de HGIS opwaarts bijgesteld. Daarnaast zijn er overboekingen tussen de HGIS en niet-HGIS begrotingen. De belangrijkste overboeking betreft de doorwerking van lagere asielinstroom in 2017 en 2018. De middelen die hiermee zijn gemoeid zijn weer overgeboekt van de begroting van JenV naar de begroting van BHOS, waardoor de HGIS uitgaven toenemen.

De Brexit zorgt voor extra douaneformaliteiten waarvan de NVWA en andere landbouwgerelateerde keuringsdiensten een deel moeten uitvoeren. Voor deze extra inzet van de douane en keuringsdiensten moet op korte termijn extra personeel worden geworven en opgeleid. Voor deze urgente uitgaven wordt in 2018 15 miljoen toegevoegd aan de begroting van LNV en 19 miljoen aan de begroting van Financiën. Daarnaast zijn op begrotingen JenV en VWS kosten ingepast naar aanleiding van de Brexit.

Voor de inrichting van het nieuwe Ministerie van LNV en herinrichting van het Ministerie van EZK (beide voormalig EZ) wordt in 2018 een generale bijdrage gedaan van 50 miljoen euro, die bestaat uit een structureel bedrag van 10 miljoen voor extra personeel en materiële kosten en 5 miljoen structureel voor uitvoeringskosten van EU-wetgeving. Daarnaast wordt in dat jaar 35 miljoen incidenteel besteed, hoofdzakelijk aan ICT voor de herinrichting van het departement en andere ICT-problematiek.

Het verwerken van de effecten van de zesde aanvullende begroting 2017 (Draft Amending Budget DAB) van de EU leidt tot een per saldo meevaller in 2018. Dit wordt veroorzaakt door o.a. vertraging in de uitvoering van cohesiebeleid, hogere boeteontvangsten van de EU, de nacalculatie 2017 en de effecten van de spring forecast 2017. De vertraging in de uitgaven aan cohesiebeleid verlaagt de afdrachten in 2018 maar wordt naar verwachting in 2019–2020 ingehaald en leidt in die jaren tot een tegenvaller.

De raming van de rentelasten wijzigt als gevolg van geactualiseerde rentestanden in de CEP-raming van het CPB en doordat de verwachte financieringsbehoefte is geactualiseerd.

De nieuwste winstramingen van de staatsdeelnemingen leiden tot aanpassingen in de dividendraming. De toename bij DNB is voornamelijk het gevolg van een stijging van de (geraamde) inkomsten op de bij DNB aangehouden deposito’s van centrale banken van buiten het Eurosysteem. De omvang van deze balanspost is sinds eind 2016 fors gestegen.

Overige mutaties

De post kasschuiven bevat zowel middelen die doorgeschoven zijn vanuit 2017 naar 2018 bij de Najaarsnota en FJR als middelen die zijn doorgeschoven van 2018 naar 2019 bij Voorjaarsnota. Per saldo leiden de diverse kasschuiven tot extra uitgaven in 2018 van 1068 miljoen euro. De grootste doorgeschoven posten vanuit 2017 zijn de middelen voor de wederopbouw, liquiditeitssteun en noodhulp aan Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, de investeringsagenda belastingdienst en het toekomstfonds. De grootste kasschuif vanuit 2018 naar latere jaren vindt plaats bij de belastingdienst op de begroting van Financiën.

Departementen kunnen een deel van de in 2017 niet bestede middelen via de eindejaarsmarge doorschuiven naar 2018. Als tegenhanger van de eindejaarsmarge wordt ook een in=uittaakstelling geboekt op de aanvullende post. De gedachte hierachter is dat er aan het einde van dit jaar weer in dezelfde mate als in 2017 sprake zal zijn van onderbesteding op de begrotingen. Door hiervoor alvast een taakstelling in te boeken zorgt het uitkeren van de eindejaarsmarge 2017 niet voor een belasting van het uitgavenkader. Dit voorjaar is er in=uittaakstelling van 989 miljoen ingeboekt die voor 225 miljoen is ingevuld.

De post overig bevat het saldo van de, veelal kleinere, resterende uitgavenmutaties op de departementale begrotingen. Zo worden er incidenteel extra generieke middelen (63 miljoen) voor OCW beschikbaar gesteld om de tegenvaller op de leerlingen- en studentenaantallen en de raming van de studiefinanciering gedeeltelijk te dekken.

Deelplafond Sociale Zekerheid

Tabel 5: Plafondtoets Sociale Zekerheid

(in miljoenen euro; – is onderschrijding)

2018

1

Uitgavenplafond bij Startnota

78.937

2

Aanpassing uitgavenplafond a.g.v. inflatie-ontwikkeling

– 76

3

Statistische correctie

– 11

4

Overboekingen met Rijksbegroting

15

5

Aanpassing niet-beleidsmatige mutaties effect WW en bijstand

171

6

Uitgavenplafond bij Voorjaarsnota 2018 (=1 t/m 5)

79.037

     

7

Uitgaven bij Startnota

78.937

8

Participatiewet (waaronder bijstand)

290

9

AOW

– 95

10

Kinderopvangtoeslag

80

11

Kindgebonden budget

– 62

12

Wajong

– 49

13

WGA

– 80

14

In=uit taakstelling

– 84

15

Overige mutaties

– 33

16

Uitgaven bij Voorjaarsnota 2018 (=7 t/m 15)

78.904

     

17

Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Startnota (=7–1)

0

18

Over/onderschrijding bij uitgavenplafond VJN 2018 (=16–6)

– 132

Bij Voorjaarsnota 2018 is er een onderschrijding van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid van 132 miljoen euro. Dit komt doordat ten opzichte van de Startnota de overheid 33 miljoen minder uitgeeft aan sociale zekerheid dan verwacht en het uitgavenplafond met 99 miljoen wordt aangepast.

Aanpassingen plafond

De loon- en prijsontwikkeling bij Voorjaarsnota is lager dan geraamd bij de CPB-raming bij Startnota, dit resulteert in een neerwaartse aanpassing van het deelplafond Sociale Zekerheid. Een statistische correctie leidt eveneens tot een neerwaartse plafondcorrectie. De statistische correctie is het gevolg van een technische verwerking van eigenrisicodragers in de ziektewet (ZW) en van bruteringseffecten. Overboekingen met plafond Rijksbegroting leiden daarentegen tot een opwaartse bijstelling. Daarnaast wordt het deelplafond Sociale Zekerheid aangepast voor de niet-beleidsmatige mutaties in de WW- en bijstandsuitgaven, zoals vastgelegd in de begrotingsregels (zie box 1). Bij Voorjaarsnota leidt dit tot een opwaartse bijstelling van 171 miljoen. De lager dan verwachte WW-uitgaven als gevolg van de gunstige conjunctuur worden meer dan gecompenseerd door hogere bijstandsuitgaven. Deze hogere bijstandsuitgaven bij Voorjaarsnota zijn het gevolg van tegenvallende realisatiecijfers over 2017, die worden verklaard door zowel een hoger gerealiseerde prijs als een hoger volume. Per saldo leiden de verschillende plafondaanpassingen tot een opwaartse aanpassing van het deelplafond Sociale Zekerheid met 99 miljoen in 2018.

Bijstelling uitgaven

Er treedt een tegenvaller op bij de uitgaven op de participatiewet. Dit is onder andere het gevolg van de doorwerking van de realisatiecijfers 2017. Tevens is het macrobudget aangepast voor de verwerking van statushouders in de bijstandsraming zodat de verhoogde instroom van statushouders al in het uitvoeringsjaar in het macrobudget wordt verwerkt.

Ten opzichte van de Startnota is er een meevaller van 95 miljoen op de AOW. Dit komt doordat de verwachting van het aantal AOW-gerechtigden, de uitgaven aan AOW-partnertoeslag, de gemiddelde AOW-opbouw en het aandeel alleenstaanden (die recht hebben op een hogere AOW-uitkering) naar beneden zijn bijgesteld.

De kinderopvangtoeslagraming is opwaarts bijgesteld. Het gebruik van de kinderopvangtoeslag in 2017 is sterker gestegen dan eerder verwacht; dit werkt structureel door. Daarnaast stijgt het gebruik van kinderopvangtoeslag in 2018 sterker dan eerder geraamd. Dit komt door gunstigere verwachtingen ten aanzien van de conjuncturele ontwikkeling; meer mensen vinden werk en hebben hierdoor behoefte aan kinderopvang.

Bij het kindgebonden budget (WKB) treedt een meevaller op. De gunstigere economische ontwikkeling leidt tot hogere inkomens en daarmee lagere uitgaven aan het kindgebonden budget.

De uitkeringslasten Wajong zijn neerwaarts bijgesteld. Op basis van realisatiegegevens is de omvang van het Wajong-bestand licht naar beneden bijgesteld. Daarnaast is de gemiddelde uitkering van werkende Wajongers licht gedaald na het verwerken van nieuwe loonaanvullingsgegevens van werkende Wajongers.

De uitgaven aan de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) vallen lager uit dan bij Startnota verwacht. Dit komt voornamelijk door een lage aantal uitkeringen dan verwacht.

Overige mutaties

Er is 84 miljoen aan eindejaarsmarge uitgekeerd. Door eenzelfde bedrag in te boeken als in=uit taakstelling zorgt het uitkeren van de eindejaarsmarge 2017 niet voor een belasting van het uitgavenplafond. De post «Overig» bevat diverse bijstellingen op basis van uitvoeringsinformatie en uitvoeringstoetsen van UWV, SVB, Belastingdienst en gemeenten. Er zijn onder andere meevallers op de Kinderbijslag (AKW), Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW) en Wet Arbeid en Zorg (WAZO). Tevens zijn er tegenvallers op onder andere de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) en de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). Daarnaast drukt enerzijds het dalend aantal uitkeringsgerechtigden de uitvoeringskosten bij uitvoeringsorganisaties terwijl anderzijds er sprake is van meerkosten door verschillende ICT-dossiers bij de uitvoeringsorganisaties.

Deelplafond Zorg

Tabel 6: Plafondtoets Zorg

(in miljoenen euro; – is onderschrijding)

2018

1

Uitgavenplafond bij Startnota

72.762

2

Aanpassing uitgavenplafond a.g.v. inflatie-ontwikkeling

– 45

3

Overboekingen met Rijksbegroting

– 139

4

Uitgavenplafond bij Voorjaarsnota 2018 (1 t/m 3)

72.578

     

5

Uitgaven bij Startnota

72.762

6

Loon- en prijsontwikkeling

– 45

7

Overboekingen met Zorg en Rijksbegroting

– 139

8

Actualisering uitgaven genees- en hulpmiddelen

– 352

9

Actualisering overige Zvw-uitgaven

– 82

10

Ramingsbijstelling geneesmiddelen

– 100

11

Actualisering Wlz-uitgaven

– 100

12

Verlaging veronderstelde onderuitputting Zorg in natura (Wlz)

54

13

Middelen interbestuurlijk programma (IBP)

100

14

Overige mutaties

21

15

Uitgaven bij Voorjaarsnota 2018 (=5 t/m 14)

72.119

     

16

Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Startnota (=5–1)

0

17

Over/onderschrijding uitgavenplafond bij VJN 2018 (=15–4)

– 460

Bij Voorjaarsnota 2018 is er een onderschrijding van het uitgavenplafond Zorg van 460 miljoen euro. Dit is het gevolg van een neerwaartse bijstelling van het uitgavenplafond (– 184 miljoen) en een neerwaartse bijstelling van de uitgaven (– 643 miljoen).

Aanpassing plafond

Ten opzichte van de CPB-raming bij Startnota is de raming van loon- en prijsontwikkeling in de zorg, en dus het deelplafond Zorg, op basis van het CEP 2018 naar beneden bijgesteld. Het deelplafond Zorg wordt verder verlaagd als gevolg van overboekingen naar het deelplafond Rijksbegroting. Het gaat onder andere om middelen in het kader van het interbestuurlijk programma (– 100 miljoen) en middelen voor onafhankelijke cliëntondersteuning (– 15 miljoen). Per saldo wordt het deelplafond Zorg verlaagd met 184 miljoen euro.

Bijstelling uitgaven

De uitgaven aan genees- en hulpmiddelen zijn in 2017 circa 350 miljoen lager uitgevallen dan geraamd. Deze lagere uitgaven worden onder andere verklaard door de lagere koers van het Britse pond (via de Wet geneesmiddelenprijzen), de scherpe inkoop door verzekeraars en de effecten van (prijs)onderhandelingen met de farmaceutische industrie (zogenoemde financiële arrangementen). De structurele doorwerking van de lagere uitgaven wordt verwerkt in de begroting, wat resulteert in een verlaging van de uitgavenraming in 2018 met 352 miljoen.

De uitgaven in verschillende Zorgverzekeringswet(Zvw)-sectoren zijn in 2017 lager uitgevallen dan geraamd. De structurele doorwerking van deze lagere uitgaven wordt verwerkt in de begroting. Hieronder vallen onder meer overige eerstelijnszorg (– 34 miljoen), overige curatieve zorg (– 21 miljoen) en geriatrische revalidatiezorg (– 19 miljoen).

De uitgaven aan geneesmiddelen zijn in 2018 naar verwachting lager dan eerder geraamd. Dit is onder andere het gevolg van prijsdruk op geneesmiddelen. Dit leidt tot een neerwaartse bijstelling van de uitgavenraming.

Uit uitvoeringsgegevens over 2017 blijkt dat er ruimte is tussen het beschikbare Wlz-kader voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten en de raming in de begroting. Dit wordt structureel verwerkt in de begroting en betekent een verlaging van de uitgavenraming in 2018 met 100 miljoen.

Op basis van actualisatiecijfers wordt de in de VWS-begroting veronderstelde onderuitputting van de Wlz-leveringsvorm zorg in natura vanaf 2018 verlaagd van 0,6% naar 0,3%. De in de begroting geraamde uitgaven vallen hierdoor 54 miljoen hoger uit. Het budget dat beschikbaar is voor inkoop van zorg in natura verandert niet.

Het Rijk en de VNG hebben in het Interbestuurlijk programma (IBP) afspraken gemaakt over de financiële consequenties van het Regeerakkoord. In het kader van het IBP heeft VWS 100 miljoen incidenteel in 2018 beschikbaar gesteld voor gemeentes.

Overige mutaties

De Post overige mutaties betreft het saldo van diverse kleinere mutaties waaronder middelen voor vermindering van overgangsproblematiek van Wmo/Zvw naar Wlz («zorgval»), lagere opbrengst van de eigen bijdrage Wlz en een bijstelling van het indexeringspercentage voor de kapitaallasten (normatieve huisvestingscomponent) van zorgaanbieders in het Wlz-tarief.

Licence