Base description which applies to whole site

1.3 De Nederlandse overheidsfinanciën in 2011

De lagere groei heeft een negatief effect op de ontwikkeling van het begrotingstekort (EMU-saldo) en de overheidsschuld (EMU-schuld) in 2011. De Europese steunprogramma’s gaan met name gepaard met grote garanties. Het EMU-saldo wordt hierdoor in 2011 niet negatief beïnvloed. Wel hebben de garanties een beperkt effect op de ontwikkeling van de EMU-schuld in 2011 en kunnen toekomstige EMU-saldi hierdoor eventueel wel worden beïnvloed (zie box 2.2.1 waar in meer detail wordt ingegaan op de Europese leningen en garantieverstrekkingen). In 2011 kwam het EMU-tekort uit op 4,7 procent van het bbp. Dit is fors hoger dan het geraamde tekort van 4,0 procent ten tijde van de Startnota van het kabinet. Ten opzichte van 2010 betekent het een verbetering van 0,4 procentpunt. De EMU-schuld liep in 2011 verder op en kwam in 2011 uit op 65,2 procent van het bbp. Dit is iets beter dan werd verwacht ten tijde van de Startnota. Hoewel er dus sprake is van een verbetering van het EMU-saldo ten opzichte van 2010, zijn dit slechte cijfers. Zie hiervoor onderstaande figuren 1.4 en 1.5, die de EMU-saldi en EMU-schulden weergeven sinds 1970. Met name de opwaartse trend in de EMU-schuld is zorgwerkend. Anders dan in het verleden is het niveau van de potentiële groei nu lager (zie de rode lijn in figuur 1.5). De potentiële groei hangt in grote mate af van de groei van de beroepsgeschikte bevolking. Met een intredende vergrijzing is deze groei aanzienlijk beperkter2. Per saldo wordt voor de komende jaren nauwelijks nog groei in het totale aantal gewerkte uren verwacht. Dit betekent dat de Nederlandse economie minder dan voorheen «als vanzelf» uit de schuld kan groeien. De huidige schuld weegt zo zwaarder op toekomstige generaties.

Figuur 1.4 EMU-saldo, 1970–2011

Figuur 1.4 EMU-saldo, 1970–2011

Figuur 1.5 EMU-schuld en potentiële groei, 1970–2011

Figuur 1.5 EMU-schuld en potentiële groei, 1970–2011

Nederland voldoet met deze saldo en schuldcijfers niet aan de criteria van het Stabiliteits- en Groeipact. Het EMU-tekort is groter dan 3 procent van het bbp en de schuld ligt boven de 60 procent van het bbp en neemt niet af. Onderstaande figuur 1.6 toont dat dit voor veel landen in het eurogebied op dit moment het geval is.

Figuur 1.6 EMU-saldo en EMU-schuld in het eurogebied

Figuur 1.6 EMU-saldo en EMU-schuld in het eurogebied

Box 1. Ontwikkeling EMU-saldo medeoverheden

Het EMU-saldo van de medeoverheden is in 2011 uitgekomen op – 0,7 procent van het bbp. Voor de medeoverheden geldt sinds 2004 een norm van – 0,5 procent van het bbp als maximaal aandeel in het EMU-tekort. In 2009 en 2010 is de norm voor de medeoverheden verhoogd i.v.m. het doen van extra investeringen met het oog op de financiële crisis. In 2009 was de norm – 0,6 procent van het bbp en in 2010 – 0,7 procent van het bbp. Sinds 2011 geldt de norm van – 0,5 procent van het bbp weer. Momenteel wordt deze norm geactualiseerd in het in de bestuursafspraken 2011–2015 toegezegde EMU-onderzoek.

Figuur 1.7 Ontwikkeling EMU-saldo medeoverheden 1990–2011

Figuur 1.7 Ontwikkeling EMU-saldo medeoverheden 1990–2011
Licence