Base description which applies to whole site

2.2 Ontwikkeling EMU-schuld

In de Startnota werd een EMU-schuld geraamd van 66,1 procent van het bbp voor 2011. Ten opzichte van deze raming is de schuldpositie van de Nederlandse overheid beter uitgekomen, namelijk op 65,2 procent van het bbp. Tabel 2.2.1 geeft de verticale toelichting weer van de EMU-schuld tussen Startnota en de realisatie ultimo 2011 – de stand Financieel Jaarverslag van het Rijk 2011. Deze verbetering van de EMU-schuld komt overeen met 0,9 procent van het bbp.

Tabel 2.2.1 Ontwikkeling EMU-schuld (in procenten bpp)
 

2011

EMU-schuld Startnota

66,1%

Aanpassing schuld ultimo 2010

– 2,0%

Mutatie EMU-saldo

0,6%

Noemereffect

1,4%

Financiële transacties en overig

 

wv. kapitaalverstrekking Aegon

– 0,4%

wv. kapitaalverstrekking ING

– 0,5%

wv. ING back-up faciliteit

– 0,3%

wv. EFSF (Portugal en Ierland)

0,1%

wv. overig

0,2%

EMU-schuld Financieel Jaarverslag van het Rijk 2011

65,2%

De verbetering van de EMU-schuld sinds Startnota kan door verschillende factoren worden verklaard. De realisatie van de EMU-schuld 2010 is lager uitgekomen dan waar in de Startnota rekening mee werd gehouden, waardoor de uitgangspositie circa 2 procentpunt gunstiger is dan voorzien. Dit heeft onder andere te maken met de financiële verkopen van medeoverheden. Het hoger dan verwachte tekort had in 2011 een verhogend effect op de EMU-schuld: ten tijde van de Startnota werd immers rekening gehouden met een EMU-tekort van 4,0 procent van het bbp terwijl het EMU-tekort 2011 is uitgekomen op 4,7 procent van het bbp. Ook de lager dan verwachte groei heeft een opwaarts effect op de schuldquote, aangezien deze is uitgedrukt in percentage van het bbp. Echter, met name de terugbetalingen van (delen van) de kapitaalinjecties door ING en Aegon hebben in 2011 bijgedragen aan een verlaging van de EMU-schuld. Al deze effecten leveren gecombineerd een lagere EMU-schuld op dan voorzien was ten tijde van de Startnota. Voor een toelichting op de verschillende financiële interventies wordt verwezen naar bijlage 5.

Box 2.2.1: Budgettaire gevolgen interventies t.b.v. de financiële stabiliteit in de eurozone

In 2010 is een leningenprogramma gestart voor Griekenland. De verstrekking van deze leningen heeft, zoals ook voorzien was in de Startnota, een opwaarts effect op de Nederlandse staatsschuld, namelijk ongeveer 0,3 procentpunt van het bbp in 2011. Hier staat tegenover dat Nederland rente ontvangt van Griekenland. Deze rente leidt tot een verbetering van het saldo. Op de eurotop van 11 maart 2011 is besloten dat de rente die Griekenland betaalt op deze leningen verlaagd wordt met 100 basispunten. Hierdoor zijn de renteontvangsten die Nederland ontvangt op de bilaterale lening aan Griekenland lager dan in de Startnota was voorzien. De afspraken rondom het tweede leningenprogramma voor Griekenland zullen geen gevolgen hebben voor het tekort of de schuld in 2011.

In mei 2010 zijn twee tijdelijke noodfondsen opgezet, het EFSM en het EFSF. Deze noodfondsen kunnen samen met het IMF leningen verstrekken aan eurolanden. Tijdens de bijeenkomst van de staatshoofden en regeringleiders van de eurozone van 21 juli 2011 werd afgesproken dat de looptijden van de leningen die het EFSF uitgeeft, verlengd zouden worden. Een langere looptijd leidt tot een hogere garantie op de rentelasten voor het EFSF. Uitgaande van een maximale looptijdverlenging tot 30 jaar, voor de gehele leencapaciteit van het EFSF een rente van 4 procent voor de door EFSF uitgegeven obligaties, is het Nederlandse totaalplafond opgehoogd naar 97,8 miljard euro, zoals ook te zien is in het garantieoverzicht in bijlage 6. Dit bedrag bevat de garanties en overgaranties voor de hoofdsom en rentelasten van de obligaties van EFSF. Met de obligaties die het EFSF verstrekt kan het EFSF leningen uitgeven aan eurolanden onder strikte voorwaarden.

In november 2010 heeft Ierland en in april 2011 heeft Portugal een aanvraag voor steun ingediend. De Eurogroep en Ecofin Raad hebben vervolgens besloten 40,2 miljard euro te verstrekken uit het EFSF en EFSM aan Ierland en 52 miljard euro uit het EFSM en EFSF aan Portugal. De leningenpakketten aan Ierland en Portugal vallen binnen het Nederlandse garantieplafond voor EFSF zoals genoemd in het garantieoverzicht in bijlage 6. Echter, de verstrekking van leningen uit het EFSF heeft wel een opwaarts effect op de Nederlandse staatsschuld. De leningen aan Ierland en Portugal waren nog niet voorzien ten tijde van de Startnota. De schuld is in 2011 door de uitbetaling van de tranches aan Ierland en Portugal met ruim 0,1 procentpunt toegenomen.

Tijdens de Europese Raad van 24 en 25 maart 2011 werd een akkoord bereikt over de opzet van het permanente noodmechanisme ESM dat als onderdeel van de versterkte economische beleidscoördinatie in noodgevallen steun kan bieden aan lidstaten. Het ESM heeft een maatschappelijk kapitaal van 700 miljard euro. Hiervan zal 80 miljard euro gestort kapitaal zijn en 620 miljard euro opeisbaar kapitaal. Het Nederlandse aandeel hierin bedraagt 5,72 procent, wat neerkomt op 4,6 miljard euro gestort kapitaal en 35,5 miljard euro aan opeisbaar kapitaal. Het kapitaal zal in drie jaar gestort worden. Het opeisbaar kapitaal is vergelijkbaar met een garantieverplichting en leidt niet direct tot kasuitgaven. Op de Europese Raad van 8 en 9 december 2011 werd afgesproken dat het ESM vervroegd in werking zal treden, met als streefdatum juli 2012. Nederland zal in de jaren 2012 tot en met 2015 in totaal 4,6 miljard euro storten. De budgettaire gevolgen hiervan zijn verwerkt in de incidentele suppletoire begroting ESM. Het ESM zal echter geen gevolgen hebben voor het tekort of de schuld in 2011.

Licence