Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

10 NORMERINGSSYSTEMATIEK GEMEENTEFONDS EN PROVINCIEFONDS

Uitgangspunten

Gemeenten en provincies beschikken over verschillende inkomstenbronnen om de uitgaven voor hun taken te financieren. Eén van de belangrijkste inkomstenbronnen voor decentrale overheden is de algemene uitkering uit het Gemeentefonds en het Provinciefonds.

De normeringssystematiek «samen trap op, samen trap af» bestaat sinds 1994 en bewerkstelligt een evenredige, actuele, inzichtelijke en beheersbare indexatie van het Gemeentefonds en Provinciefonds. Het betreft één integrale indexatie voor zowel loon-, prijs- als volumeontwikkelingen.

Beleidsintensiveringen, ombuigingen, mee- en tegenvallers en nominale ontwikkelingen op de Rijksbegroting hebben via de normeringssystematiek direct invloed op de omvang van de fondsen («samen trap op, samen trap af»). De jaarlijkse toe- en afname van het Gemeentefonds en het Provinciefonds die voortvloeit uit de koppeling aan de Rijksuitgaven wordt het accres genoemd.

Berekening van de accresontwikkeling

Bij de bepaling van de omvang van accresrelevante uitgaven (aru) vormen de netto-uitgaven van het Rijk onder het uitgavenplafond het startpunt. Netto betekent dat de Rijksuitgaven worden gesaldeerd met de niet-belastingontvangsten. Op de netto-uitgaven onder het uitgavenplafond (A) worden correcties (B) doorgevoerd voor verschillende posten zoals het Gemeentefonds en Provinciefonds zelf. Na correcties resteert post (C) de accresrelevante uitgaven, die de basis vormen voor de accresberekening. Het accres wordt bepaald door de ontwikkeling van de aru (de procentuele groei van de accresrelevante uitgaven in een jaar, post D) te vermenigvuldigen met de grondslag (posten E en G).

Tabel 10.1 Berekening accressen

(in miljoenen euro, tenzij anders aangegeven)

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Uitgaven Rijksbegroting

123.797

138.995

Uitgaven Sociale Zekerheid

78.625

80.760

Uitgaven Zorg

70.662

69.733

A) Netto-uitgaven onder uitgavenplafond

273.085

289.488

   

B) Correcties

‒ 40.475

‒ 42.578

w.v. Gemeentefonds, Provinciefonds en Btw-compensatiefonds

‒ 23.374

‒ 32.698

w.v. overige Rijksbijdragen aan gemeenten en provincies

‒ 17.666

‒ 10.575

w.v. overboekingen met GF, PF en BCF

639

1.158

w.v. correctie conjuncturele WW-uitgaven

‒ 74

‒ 163

w.v. financieringsverschuivingen

0

‒ 301

   

C) Accresrelevante uitgaven (aru) = A+B

232.610

246.910

D) Ontwikkeling aru jaar t (%)

 

6,1%

   

Gemeentefonds

  

E) grondslag (t-1)

 

17.633

F) accres (= E * D) jaar t

 

1.084

   

Provinciefonds

  

G) grondslag (t-1)

 

2.454

H) accres (= G * D) jaar t

 

151

Toelichting correcties

Om de aru te berekenen wordt uitgegaan van de netto Rijksuitgaven onder het uitgavenplafond gecorrigeerd voor enkele posten:

  • Rijksuitgaven aan gemeenten en provinciesUitgaven onder het uitgavenplafond die het Rijk overmaakt naar gemeenten en provincies worden uit de aru gecorrigeerd. Deze overdrachten zijn immers bestemd voor de financiering van uitgaven door gemeenten en provincies zelf en maken derhalve geen onderdeel uit van de rijksuitgaven waarop de trap-op-trap-af van toepassing is. Deze correctie is ook nodig om een onbedoelde doorwerking van het accres op accres in hetzelfde jaar te voorkomen. Rijksuitgaven die op deze wijze gecorrigeerd worden zijn onder andere de algemene-, decentralisatie- en integratie-uitkeringen van het Gemeentefonds en Provinciefonds, de uitgaven van het Btw-compensatiefonds, de bijstand en de integratie uitkering sociaal domein.

  • Uitgavenmutaties in de WW als gevolg van de conjunctuurHet uitgavenplafond wordt gecorrigeerd voor mutaties in de WW-uitgaven als gevolg van de conjunctuur. Het Rijk hoeft zodoende mee- en tegenvallers in de WW-uitgaven als gevolg van de conjunctuur niet op te vangen binnen het uitgavenplafond. Om deze reden zijn deze uitgaven ook niet relevant voor het accres.

  • Financieringsverschuivingen en overboekingen met GF, PF en BCFFinancieringsverschuivingen zijn verschuivingen van geldstromen binnen het Rijk die niet tot meer of minder bestedingsruimte van het Rijk leiden, maar zonder correctie wel effect zouden hebben op het accres. Dit zijn dus schuiven tussen accresrelevante uitgaven en niet-accresrelevante uitgaven. Bij een schuif is per saldo geen sprake van meer of minder uitgaven op rijksniveau, maar is alleen sprake van een andere financieringsbron. Denk bijvoorbeeld aan overhevelingen van departementale begrotingen naar het Gemeentefonds en Provinciefonds en financieringsverschuivingen tussen de inkomsten- en de uitgavenkant.

Verticale ontwikkeling accres

De aru wordt dus bepaald door de ontwikkeling van de netto-uitgaven onder het plafond tussen twee begrotingsjaren. Tussen het opstellen van een enkel begrotingsjaar en de realisatie van dat jaar vinden er ook mutaties plaats waardoor de bij het opstellen van de begroting geraamde accressen uiteindelijk afwijken van de gerealiseerde accressen zoals deze bij het FJR worden vastgesteld. Onderstaande tabel geeft een toelichting op de accressen zoals deze geraamd werden voor 2019 en de uiteindelijke realisatie over dat jaar.

De gerealiseerde netto-uitgaven onder het uitgavenplafond zijn lager dan verwacht bij het opstelling van de begroting 2019. Door de «trap op, trap af»-systematiek is ook de ontwikkeling van de accresrelevante uitgaven lager dan begroot voor dit jaar. Ten opzichte van de laatste bijstelling van het accres bij de Miljoenennota 2020 is het accres voor het gemeentefonds met 16 miljoen euro gestegen. Voor het provinciefonds is deze stijging ten opzichte van de laatste bijstelling 2 miljoen euro.

Tabel 10.2 Verticale ontwikkeling accres

(in miljoenen euro, tenzij anders aangegeven)

MN 2019

FJR 2019

Uitgaven Rijksbegroting

140.317

138.995

Uitgaven Sociale Zekerheid

81.232

80.760

Uitgaven Zorg

71.438

69.733

A) Netto-uitgaven onder uitgavenplafond

292.987

289.488

   

B) Correcties

‒ 42.289

‒ 42.578

w.v. Gemeentefonds, Provinciefonds en Btw-compensatiefonds

‒ 31.814

‒ 32.698

w.v. overige Rijksbijdragen aan gemeenten en provincies

‒ 10.527

‒ 10.575

w.v. overboekingen met GF, PF en BCF

119

1.158

w.v. overige correcties

‒ 67

‒ 163

   

C) Accresrelevante uitgaven (aru) = A+B

250.698

246.910

D) Ontwikkeling aru jaar t (%)

6,9%

6,1%

   

Gemeentefonds

  

E) grondslag (t-1)

17.731

17.633

F) accres (= E * D) jaar t

1.219

1.084

   

Provinciefonds

  

G) grondslag (t-1)

2.314

2.454

H) accres (= G * D)

159

151

Licence