XIV Landbouw Visserij Voedselzekerheid en Natuur
GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN
Figuur 1 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 4.306 mln.

Figuur 2 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 84 mln.

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL
Wetsartikel 1
De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.
Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat/begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.
Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.
Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).
Wetsartikel 2
Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld en worden de verplichtingen, ontvangsten en uitgaven van verplichtingen-kasagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur J. Van Essen
B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN
1. Leeswijzer
Groeiparagraaf
– Achteraan de beleidsprioriteiten is een overzicht opgenomen waarin de voornaamste risico's bij de beleidsprioriteiten worden geïdentificeerd, en welke beheersmaatregelen daar tegenover kunnen worden gesteld. Hiermee wordt invulling gegeven aan de moties Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 7), Hoogeveen (Kamerstuk 36945, nr. 17) en Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 8) over doelen, resultaten, prioriteiten en risico’s in begrotingsstukken.
– Aan het einde van de beleidsagenda is een nieuwe paragraaf opgenomen hoe het ministerie omgaat met de taakstellingen uit het coalitieakkoord en de doelen van de Taskforce Slagvaardige Overheid. Hiermee wordt gedeeltelijk invulling gegeven aan de motie Van der Maas c.s. (Kamerstuk 36 945, nr. 16 ) en de motie Van Dijck (Kamerstuk 36 945, nr. 27 ).
– Aan de LVVN begroting zijn twee nieuwe beleidsartikelen toegevoegd; artikel 25 (Fonds voor stikstof, landbouw en natuur) en artikel 26 (reservering fonds voor stikstof, landbouw en natuur). Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het streven van het coalitieakkoord en de Ministriële Taskforce om met een integrale aanpak te komen voor de stikstofproblematiek.
– Als onderdeel van deze integrale aanpak zijn de budgetten die voor de volgende onderwerpen zijn gereserveerd deels of volledig overgeheveld naar artikel 25.
Onderwerpen | Voormalig artikel | Nieuw artikel |
|---|---|---|
Vestigingssteun jonge landbouwers | 21 | 25 |
Schadevergoedingen PAS-melders | 21 | 25 |
Grondbank | 21 | 25 |
Investeringsfonds Duurzame Landbouw | 21 | 25 |
subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen | 21 | 25 |
Biologische landbouw | 21 | 25 |
Projecten gewasbescherming | 21 | 25 |
Beëindiging, verplaatsing en extensivering | 21 | 25 |
Doelsturing subsidies | 21 | 25 |
Doelsturing opdrachten | 21 | 25 |
GLB samenwerking extensivering | 22 | 25 |
NHV subsidies | 22 | 25 |
Natuurherstel CA middelen | 22 | 25 |
Caribisch Nederland | 22 | 25 |
Zaakbegeleiding | 22 | 25 |
SPUK Veluwe en Peel | 22 | 25 |
Zaakbegeleiding | 22 | 25 |
Motie Schouw
In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling.
Ondergrenzen toelichtingen
Het uitgangspunt is om de beleidsmatige en technische mutaties toe te lichten die groter zijn dan of gelijk zijn aan de ondergrens zoals deze in de Rijksbegrotingsvoorschriften 2026 is opgenomen, de zogenaamde staffel, te weten:
Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen | Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen) | Technische mutaties (ondergrens in € miljoen) |
|---|---|---|
< 50 | 1 | 2 |
=> 50 en < 200 | 2 | 4 |
=> 200 < 1000 | 5 | 10 |
=> 1000 | 10 | 20 |
2. Beleidsagenda
In de beleidsagenda zijn de hoofddoelen van het ministerie van LVVN voor het jaar 2027 opgenomen en waar mogelijk wordt ook ingegaan op risico’s. Op deze manier geeft het kabinet aan welke resultaten het beoogt te bereiken en welke beleidsdoelen worden geprioriteerd. Inzicht in en aandacht voor doelen, resultaten en risico’s is van belang om weloverwogen beleidskeuzes te kunnen maken. Deze zijn opgenomen in tabel 1. De belangrijkste budgettaire mutaties die samenhangen met de keuzes van kabinet zijn opgenomen in tabel 2. Hiermee wordt invulling gegeven aan de moties Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 7), Hoogeveen (Kamerstuk 36945, nr. 17) en Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 8) over doelen, resultaten, prioriteiten en risico’s in begrotingsstukken. De hoofddoelen en risico’s zijn nader uitgewerkt in de beleidsartikelen, met daarbij ook nadere toelichting op de voornemens op dat specifieke beleidsterrein.
2.1 Beleidsprioriteiten
Inleiding
Het kabinet Jetten gelooft in het vakmanschap en de innovatiekracht van de Nederlandse agrarische sector. Duurzame voedselproductie, gezond ondernemerschap en het versterken van de natuur gaan hand in hand. Nederland staat voor een grote en urgente uitdaging: het stikstofprobleem houdt de sector in onzekerheid, belemmert economische ontwikkeling en gaat ten koste van de natuur. Daarom kiezen we voor een toekomstbestendig voedselsysteem, een sterke natuur en een vitaal platteland. 2027 zal in het teken staan van hoe we deze ambitie vertalen naar daadkrachtige maatregelen die ons vooruit helpen, met oog voor de belangen van ondernemers, burgers en de natuur.
We zijn trots op onze Nederlandse natuur en landschappen. We willen die gezond doorgeven aan toekomstige generaties zodat ook zij kunnen genieten van de natuur. De Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof (hierna Taskforce LNS) heeft daarom een geïntegreerde aanpak gepresenteerd (Kamerstuk 36800-XIV-87). We verminderen stikstofuitstoot, herstellen natuur en bieden duidelijkheid aan de sector, met aandacht voor klimaat, water (Kaderrichtlijn Water), gewasbescherming, dierwaardigheid en een gezonde leefomgeving. Het pakket bestaat uit generieke maatregelen, gebiedsgerichte inzet, maatwerk waarmee wordt ingespeeld op kenmerken van een gebied, en natuurherstel. Ook treft het kabinet maatregelen gericht op ondersteuning van de boer bij onder meer extensivering, op een sociaal en economisch sterk platteland, en op de bijdrage vanuit de keten. In zones rond kwetsbare, overbelaste Natura 2000-gebieden zet het kabinet in op verdere extensivering van de landbouw, reductie van stikstofdepositie, systeemherstel en de aanpak van andere drukfactoren. Deze combinatie van maatregelen is cruciaal om vergunningverlening weer mogelijk te maken en de natuur te herstellen. Kern is dat met duidelijke doelen en normen helder wordt waar agrarische ondernemers, overheden en andere betrokken partijen op moeten sturen.
Met deze aanpak helpen we Nederland vooruit: de natuur herstelt en stapsgewijs ontstaat er meer ruimte voor vergunningverlening. Het pakket helpt om handhavings- en intrekkingsverzoeken te voorkomen, en het vormt een basis voor provincies om een plan uit te werken voor het onderbouwen van additionaliteit, met als doel salderen weer gebiedsgericht mogelijk te maken. Ook maakt het vergunningverlening mogelijk voor verduurzamingsactiviteiten gericht op emissiereductie. Zo snel mogelijk, en uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, voert het kabinet ten slotte een juridische houdbare rekenkundige ondergrens (RKO) in. Dit helpt veel PAS-melders en interimmers, de woningbouw en andere projecten met een stikstofdepositiebijdrage onder de RKO. Het komende jaar werkt het kabinet, samen met provincies, deze maatregelen verder uit. Zo komt Nederland stap voor stap weer in beweging.
Om te komen tot een robuust en toekomstbestendig voedselsysteem werkt het kabinet aan een Voedselzekerheidsagenda. Daarnaast halveren we voedselverspilling, stimuleren we biologische landbouw en streven we naar een klimaatneutrale glastuinbouw in 2040. Ook dierenwelzijn en diergezondheid krijgen aandacht, onder andere via de Uitvoeringsagenda Diergeneeskundige Zorg en maatregelen tegen vogelgriep. Ook de visserij- en aquacultuursector maken we toekomstbestendig. Kennis en innovatie, zoals de Agrifood Innovatieagenda en digitalisering, versnellen het realiseren van opgaven en versterken de internationale positie van Nederland.
Toekomstbestendig landbouw- en voedselsysteem
Met bedrijfsspecifieke doelsturing werkt LVVN toe naar haalbare, afrekenbare emissienormen voor stikstof, waterkwaliteit en klimaat in 2035 op bedrijfsniveau. Er worden duidelijke normen gesteld voor ieder bedrijf. Zo geven we ondernemers ruimte om zelf te bepalen hoe zij deze bedrijfsspecifieke normen halen. Voor de melkveehouderij stelt het kabinet deze normen vast op basis van wat technisch mogelijk is met stal- en managementmaatregelen. Voor de intensieve veehouderijsectoren komen er normen per dierplaats, en deze zullen in het eerste kwartaal van 2027 worden vastgesteld. Het kabinet ondersteunt met financiële middelen boeren bij investeringen of aanpassingen in stallen en bedrijfsvoering.
Via normstelling wil het kabinet niet meer van ondernemers vragen dan wat zij op basis van beschikbare technieken kunnen realiseren. Dit betekent dat niet de hele stikstofreductieopgave van 42-46% (ammoniak) via technische en managementmaatregelen kan worden gerealiseerd. Het kabinet stuurt daarom ook op de omvang van de productiecapaciteit via vrijwillige beëindiging, extensivering en afroming van dier- en fosfaatrechten buiten familieverband. In overeenstemming met het coalitieakkoord werkt het kabinet daartoe aan de verbreding en uitbreiding van de wettelijke basis van dier- en fosfaatrechten.
Een toekomstbestendige melkveehouderij is in balans met de leefomgeving en draagt bij aan verbetering van de waterkwaliteit en het klimaat, weidegang en biodiversiteit. Hiervoor introduceert het kabinet een eenvoudige grondgebondenheidsnorm. We stellen een wetsvoorstel op dat dit regelt, en dienen deze in 2027 in bij de Tweede Kamer.
Deze aanpak gaat de komende jaren veel vragen van agrarische ondernemers. Als helder is aan welke normen voor stikstof- en broeikasgasemissies een bedrijf moet voldoen, heeft de ondernemer meer duidelijkheid over het toekomstperspectief. Die duidelijkheid is nodig, daar wachten boeren al jaren op, maar voor de boer zal het vaak ook betekenen dat (grote) investeringen gedaan moeten worden en er soms hoge structurele kosten bijkomen. Daarom gaan we met het Investeringsfonds Duurzame Landbouw boeren helpen bij omschakeling, en ontwikkelen we de nieuwe Stimuleringsregeling Managementmaatregelen Veehouderij voor emissiereductie (SMV). Voor de ondersteuning bij investeringen in integraal duurzame stallen verkennen we verschillende instrumenten, zowel subsidies als, waar mogelijk, fiscale instrumenten en instrumenten gericht op financiering.
Omdat boeren die omschakelen naar biologisch vertrouwen nodig hebben dat de vraag naar biologische producten groeit, wordt het actieplan biologische productie en consumptie versneld, en worden er met ketenpartijen (verwerkers en supermarkten) voor 1 april 2027 harde afspraken gemaakt over het vergroten van de afzet.
Bij de uitwerking van het instrumentarium heeft het kabinet oog voor de positie van de jonge boer. Het kabinet zet specifiek in op generatievernieuwing met het programma 'Voor de Volgende Generatie’ dat sectorbreed wordt uitgevoerd. Daarnaast ondersteunt het kabinet jonge boeren en zij-instromers onder andere met vestigingssteun om te investeren in toekomstbestendige agrarische bedrijven.
De gevolgen van klimaatverandering wereldwijd en ook in ons eigen land worden steeds zichtbaarder door langdurige periodes van droogte, natuurbranden, extreme neerslag en overstromingen. Het kabinet zet daarom in op een klimaatbestendige landbouw en landgebruik en het behalen van de klimaatdoelen voor 2030 en daarna. De Taskforce LNS pakt de klimaatopgave in samenhang met de stikstof en natuurmaatregelen aan.
Uiterlijk 1 juli 2027 wordt het 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn vastgesteld. Dit actieprogramma helpt om doelen vanuit de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water te behalen, en bevat maatregelen gericht op verantwoord gebruik van meststoffen, zodat de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater verbetert. De uitwerking van een vorm van de bedrijfsgerichte doelsturing voor waterkwaliteit, is hier onderdeel van. Daarnaast ondersteunt LVVN in 2027 een convenant met deelnemers vanuit de melkveesector dat er op gericht is om het ruw eiwitgehalte in het rantsoen te verlagen. Het kabinet stimuleert de toepassing en productie van RENURE (bewerkte dierlijke mest). Via de subsidie mestaanwending innovatieve technieken die in 2027 opengesteld wordt, stimuleert het kabinet het verlagen van stikstofemissies naar de lucht.
Gewasbeschermingsmiddelen dragen bij aan voedselzekerheid door gewassen te beschermen tegen ziekten, plagen en onkruiden en daarmee oogstverlies te beperken. Deze middelen zijn nodig, maar het gebruik van schadelijke middelen moet fors worden teruggebracht. De afspraken uit het convenant gewasbeschermingsmiddelen uit 2026 beschrijven reductiedoelen, acties en maatregelen voor de periode 2026-2040. In 2027 komt dit convenant in uitvoering.
Het kabinet blijft door kennisontwikkeling, verspreiding en subsidiëring van investeringen de energietransitie in de glastuinbouw ondersteunen. De ambitie blijft om in 2040 een klimaatneutrale en economisch rendabele glastuinbouwsector te bereiken. Hierbij hoort ook de gezamenlijke inspanning om de randvoorwaarden voor de energietransitie (voldoende duurzame elektriciteit, warmte en externe CO2) op orde te krijgen. Het ‘Convenant energietransitie glastuinbouw 2022-2030’ dat in 2022 met de glastuinbouwsector is gesloten en de bijbehorende randvoorwaarden blijven leidend.
Een ander maatschappelijk thema is dierenwelzijn. Het kabinet zet in nauwe samenwerking met de partijen van het convenant ‘Stappen naar een dierwaardige veehouderij’ de fasegewijze invoering van dierwaardige veehouderij in 2040 voort. Het doel is om te komen tot een veehouderij waarin dieren hun gedragsbehoeften kunnen uitoefenen. Voor verbetering van het welzijn van gezelschapsdieren richt LVVN zich op de diereigenaar. In 2027 wordt beleid gericht op verantwoord fokken met gezelschapsdieren gecontinueerd, onder andere door het uitbreiden van het houdverbod om schadelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke ziekten tegen te gaan.
Het kabinet werkt de Uitvoeringsagenda Diergeneeskundige Zorg, waarin een aanpak staat om het functioneren van de markt te verbeteren en de diergeneeskundige zorg in Nederland toekomstbestendig te maken voor dier, diereigenaar en veterinaire professional, uit in een routekaart. Daarin worden met betrokken partijen afspraken gemaakt over wie welke actie uitvoert, op welke wijze en met welk tijdpad. De routekaart wordt begin 2027 afgerond.
In 2027 werkt het kabinet aan de nadere uitwerking en uitvoering van de aanpak van het verhoogde gezondheidsrisico voor omwonenden van geitenhouderijen. Daarbij wordt, naast een afstandsnorm en een aanpak voor prioritaire locaties, onder andere ingezet op metingen en pilots om toe te werken naar emissiereducerende maatregelen op geitenhouderijen. Om vogelgriep tegen te gaan, werken we in 2027 toe naar verplichte vaccinatie in de legsector tegen vogelgriep. Ook investeren we in het internationale draagvlak en de acceptatie van producten van gevaccineerd pluimvee.
Toenemende geopolitieke spanningen en klimaatverandering vergroten het risico op verstoringen in de voedselvoorzieningsketen en kunnen daarmee de voedselzekerheid in Nederland en de Europese Unie onder druk zetten. Mede daarom werkt het kabinet samen met relevante stakeholders aan een Strategische Agenda Voedselzekerheid. Deze agenda richt zich op het vergroten van de weerbaarheid van de voedselvoorziening en zal rond de zomer van 2027 worden opgeleverd. Tot die tijd neemt het kabinet al de noodzakelijke stappen en zal begin 2027 het Landelijk Crisisplan Voedselzekerheid worden afgerond.
In de voedselketen richt de inzet zich enerzijds op verduurzaming van de voedselomgeving, het aanbod en de consumptie en, anderzijds, op de verduurzaming van de productie en het vergroten van afzetmogelijkheden voor duurzame producten. Met kennisinstellingen, de keten en de primaire sector wordt gewerkt aan een gemeenschappelijke systematiek voor KPI’s in goede verbinding met doelsturing. Dit maakt het mogelijk om afspraken te maken over waarderen en belonen. De ambitie is dat er in 2027 een publiek private samenwerking is opgezet. We streven ook naar transparantie en inzicht in de duurzaamheid van het voedselaanbod, onder andere door keurmerkenbeleid, de database milieubelasting (die we in 2027 doorontwikkelen) en het dashboard supermarkten, dat inzicht geeft in de duurzaamheidsinspanningen van supermarkten. We geven ook verder uitvoering aan bestaande ambities om voedselverspilling te halveren en consumptie te verduurzamen, grotendeels via subsidies aan stichting Samen Tegen Voedselverspilling en het Voedingscentrum.
Verder starten we met oprichting van een publiek-private organisatie om de uitvoeringskracht te versterken. Het laatste vloeit voort uit de afspraak in het coalitieakkoord over de ‘productschappen 2.0’. We richten ons op de implementatie van de gewijzigde verordening inzake een gemeenschappelijke marktordening (GMO) ter versterking van de positie van de boer in de keten en zorgen voor de uitvoering van de gewijzigde Landbouwkwaliteitswet, waarmee de Europese verplichtingen over kwaliteitsaanduidingen van landbouwproducten geïmplementeerd worden.
Het Nationaal Strategisch Plan is de nationale invulling van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). LVVN voert het GLB gezamenlijk met provincies uit, waarbij we in 2027 extra aandacht hebben voor generatievernieuwing en uitbreiding van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). De inzet van het kabinet voor 2027 is om de Ecoregeling door te ontwikkelen om een aantrekkelijke, voorspelbare en doelmatige regeling te behouden voor de verduurzaming van de Nederlandse landbouwsector.
Het kabinet vindt het belangrijk om toekomstperspectief te bieden aan vissers. Voedselwinning uit zee en grote wateren levert een belangrijke bijdrage aan een gezonde en gevarieerde voedselvoorziening. En daar is een hoogwaardige duurzame en toekomstbestendige visserij en aquacultuursector voor nodig.
De Uitvoeringsagenda voor de Visie op Voedsel uit Zee en Grote Wateren draagt bij aan het bereiken van een robuuste en succesvolle visserij- en aquacultuursector die een regionaal, gezond en duurzaam product levert en een goede boterham verdient binnen de draagkracht van het ecosysteem. Medio 2027 ontvangt het kabinet de voortgangsrapportage met daarbij een geactualiseerde agenda voor de periode tot medio 2028.
Om toe te werken naar een toekomstbestendige vloot, is het nodig om bodemberoering en ongewenste bijvangst te beperken en de energie-efficiëntie te verhogen. Daarom blijft het kabinet zich inzetten voor kansrijke innovaties in de visserij en het zorgdragen voor benodigde goedkeuring van bewezen technieken op Europees niveau, zoals de pulstechniek. Nederland is een voorstander van de herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB), onder andere om een alternatief voor de aanlandplicht mogelijk te maken.
Om een duurzame visserij binnen de ecologische draagkracht te waarborgen is een effectief, efficiënt en versimpeld systeem van controle en handhaving noodzakelijk. In 2027 wordt de gefaseerde implementatie van de herziene controleverordening voortgezet door onder andere de inwerkingtreding van nieuwe regels voor de weging van visserijproducten. Om vissers te ondersteunen bij de aanschaf van de verplichte controlemiddelen wordt in 2027 een subsidieregeling opengesteld.
Ook voor de garnalenvisserij is er behoefte aan toekomstperspectief. Daarom wordt er gewerkt aan toekomstvisie garnalenvisserij waarbij de sector (visserij en keten) een langjarig perspectief heeft om te kunnen vissen binnen de draagkracht van het ecosysteem, De visie zal een samenhangend pakket maatregelen bevatten dat perspectief biedt en waarbij de meest kwetsbare natuur wordt ontzien.
Robuuste natuur
Goed beheer van natuur maakt Nederland gezonder, sterker en toekomstbestendig. Als de natuur onder druk staat, merken we dat in onze samenleving en economie. Daarom blijven we in natuur investeren en werken aan herstel, waardoor weer ruimte voor vergunningverlening voor heel Nederland ontstaat. Tegelijk is natuur er niet alleen voor ons. Dieren en planten hebben hun eigen plek en bestaansrecht. De variatie aan natuurgebieden biedt veel soorten een thuis. Veel soorten (zoals de grutto) hebben het nu moeilijk of worden zelfs met uitsterven bedreigd. We willen de typisch Nederlandse natuur waar we trots op zijn niet verliezen. Dat geldt ook voor de Caribische natuur. Om de natuur te herstellen en te verbeteren wordt in 2027 gewerkt langs vier lijnen: herstel, beheer, uitbreiding en monitoring.
De Natuurherstelverordening (NHV) werkt het kabinet uit in het Natuurplan. In dit plan ligt de focus op de doelen voor 2030, met bijzondere aandacht voor het herstel van Natura 2000-gebieden. Gezien de overlap, worden de relevante maatregelen uit de Taskforce LNS onderdeel van het definitieve Natuurplan.
In 2027 vinden publieke consultatierondes en uitwerking plaats van het samenhangende pakket uit de Taskforce LNS. Op 1 september 2027 dienen we het definitieve Natuurplan in bij de Europese Commissie. Het streven is om dan ook de uitvoeringswetgeving en bestuurlijke afspraken zo snel mogelijk na indiening definitief Natuurplan af te ronden. Daarnaast wordt er ook gewerkt aan een Natuurpact 2.0, dat als doel heeft om samen met provincies en in afstemming met medeoverheden, uitvoeringsorganisaties en maatschappelijke partners afspraken te maken over de inrichting, invulling en financiering van het natuurbeleid in Nederland. Daarmee moet het de basis leggen voor een effectieve inrichting en invulling van het natuurbeleid in Nederland. Dit vraagt om een aanscherping van de rollen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de verschillende actoren in het natuurdomein. Hier worden eind 2027 afspraken over gemaakt.
Goed natuurbeleid vraagt inzicht in de staat van de natuur binnen en buiten natuurgebieden. Daarom zet het kabinet in op verbetering en intensivering van de natuurmonitoring. Met het meerjarige Verbeterprogramma VHR-monitoring (VVM) werken we aan betere, meer uniforme en gebiedsgerichte data, die meer inzicht bieden in het herstel van ecosystemen en in de effectiviteit van maatregelen. Dit draagt bij aan de vereiste monitoring voor de Natuurherstelverordening en aan het verbeteren en verbreden van de natuurdoelanalyses.
Aanvullend implementeren we in 2027 samen met partners de monitoring van effecten van natuurherstelmaatregelen op onder andere mariene ecosystemen, landbouwecosystemen en bosecosystemen, zodat Nederland voldoet aan de Europese monitorings- en rapportageverplichtingen.
In 2027 wordt de rapportage over Programma Natuur 1e fase afgerond en wordt de eerste tranche van Programma Natuur fase 2 geëvalueerd. De tussenevaluatie 2027 is gericht op de toedeling van gereserveerde middelen. Daarnaast wordt op grond van de evaluatie beoordeeld of er aanleiding is om budgetten her te verdelen. Het doel van de evaluatie en de mogelijke herverdeling van budgetten is om de meest urgente en effectieve maatregelen van prioriteit en middelen te voorzien.
In 2027 werkt LVVN samen met provincies en andere overheden aan een verbeterde en verstevigde aanpak van invasieve exoten. De maatregelen en voorstellen uit het Landelijk Aanvalsplan Invasieve Exoten (Kamerstuk 26407, nr. 162), vormen daarbij het uitgangspunt. Binnen de aanpak ligt de nadruk op het voorkomen dat nieuwe invasieve exoten zich in de Nederlandse natuur kunnen vestigen. En als ze er toch zijn pakken we ze vroeg aan. Met het programma Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeften ontwikkelt LVVN met betrokken partijen een effectieve beheersingsaanpak van deze invasieve soort.
Natuurbranden vormen in Nederland een structureel veiligheidsrisico, met mogelijk grote maatschappelijke gevolgen. Natuurbrandbeheersing is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid, terreinbeheerders, hulpdiensten en gebruikers van natuurgebieden. Dit vraagt om gebiedsgericht maatwerk en goede kennis. In 2027 krijgen provincies, net als in 2025 en 2026, geld voor natuurgerichte maatregelen. Daarnaast zal wetgeving in werking treden om een samenhangende gebiedsgerichte aanpak te borgen. Het in 2026 opgerichte kenniscentrum voor natuurbrandbeheersing zal in 2027 kennis vergaren en delen, zodat deze breed beschikbaar is en toegepast kan worden.
We geven een impuls aan de Bossenstrategie. In samenwerking met provincies, en op basis van de evaluatie die eind 2026 wordt afgerond, actualiseert LVVN in 2027 de aanpak. Op die manier wil LVVN de klimaatdoelen voor dit thema zoveel mogelijk binnen bereik te brengen. Daarin nemen we ook de verplichtingen voor bosecosystemen uit de natuurherstelverordening mee.
In 2027 start de uitvoering van het Aanvalsplan Grutto, een initiatief om de achteruitgang van de gruttopopulatie te keren. De Europese Commissie heeft Nederland hierop in gebreke gesteld. In 2027 gaan we aan de slag met het gezamenlijke afsprakenkader dat is ondertekend door de minister en de betrokken provincies om het plan succesvol uit te voeren.
Natuurherstel is niet alleen urgent en noodzakelijk in Europees Nederland, maar ook in Caribisch Nederland. De Staat van de Natuur laat zien dat de natuur in Caribisch Nederland er slecht aan toe is. Het Natuur- en Milieubeleidsplan (NMBP) Caribisch Nederland levert de impuls om het herstel van de maritieme en terrestrische natuur van de eilanden te versterken. In 2027 richten we beschikbare middelen op de realisatie van programmatische doelen, het versterken van de uitvoeringskracht en het ondersteunen van samenwerking met lokale partners. Drukfactoren op de natuur en klimaatadaptieve maatregelen hebben hierbij prioriteit.
Daarnaast werken we aan de ontwikkeling van een financieel systeem dat bijdraagt aan een meer structurele en transparante financiering van natuur- en parkbeheer, met als doel duurzaam parkbeheer op de BES-eilanden te borgen. Ook zetten we middelen in voor beleidsonderzoek, uitgevoerd door kennisinstellingen waaronder het Wageningen Marine Research. Deze onderzoeken dragen bij aan de kennisbasis voor beleidsontwikkeling, monitoring en evaluatie van natuurkwaliteit en beheermaatregelen op de BES-eilanden. Dit alles zorgt ervoor dat we internationale verplichtingen kunnen naleven op het gebied van natuurbehoud, bescherming van ecosystemen en duurzaam beheer van beschermde gebieden die voortkomen uit internationale evenals bredere internationale natuur- en biodiversiteitsdoelen.
Vitaal en toekomstbestendig landelijk gebied
De opgaven waar LVVN aan werkt komen voor een groot deel samen in het landelijk gebied. De komende jaren staat het landelijk gebied voor grote veranderingen om de doelen op het vlak van onder meer stikstof natuur, water en klimaat te realiseren, de stap te zetten naar een toekomstbestendige landbouwsector en er de (brede) welvaart te behouden. Een sterk platteland, een toekomstbestendige agrarische sector en het behoud van een gezonde natuur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het kabinet houdt daarom scherp zicht op mogelijke sociale en economische effecten van de transitie en zet zich samen met medeoverheden en andere departementen in voor een zo integraal mogelijk plattelandsbeleid dat tegemoetkomt aan de regiospecifieke zorgen, kansen en uitdagingen.
In de gebiedsgerichte aanpak die onderdeel is van de Taskforce LNS bouwen we voort op lopende processen en stellen we heldere regels op voor ondernemers en medeoverheden. Het kabinet heeft daarbij in het bijzonder aandacht voor de vier kwetsbare gebiedstypen: overgangszones rondom Natura 2000-gebieden, beekdalen, grondwaterbeschermingsgebieden en veenweiden.
Het grootste bouwblok van de gebiedsgerichte aanpak is de keuze om te zoneren rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Daarvoor zetten we stappen om de zoneringsaanpak verder vorm te geven. In zones rond kwetsbare, overbelaste Natura 2000-gebieden zet het kabinet in op verregaande extensivering van de landbouw en op gerichte natuurmaatregelen. Deze aanpak zorgt voor reductie van stikstofdepositie en systeemherstel verlaging van andere drukfactoren, en draagt zo bij aan het weer mogelijk maken van vergunningverlening. In deze zones blijft met name ruimte voor productieve, maar (zeer) extensieve en biologische landbouw.
Het kabinet wil de zoneringsaanpak in 2027 vaststellen en vastleggen in instructieregels voor de omgevingsverordening, al dan niet in combinatie met algemene Rijksregels. Met de instructieregels geeft het Rijk aan provincies de opdracht om de zones vast te leggen en regels te stellen. De regels hebben betrekking op plantaardige teelten en grondgebonden veehouderij systemen, en zien in ieder geval toe op beperkte mestplaatsingsruimte, veebezetting en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij dit alles bouwt het kabinet voort op de nauwe interbestuurlijke samenwerking die nodig is voor het ontwikkelen en realiseren van de zoneringsaanpak.
Daarnaast werkt het kabinet, samen met medeoverheden, de aanpak voor de beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden verder uit. Dit betreft onder meer de afbakening van gebieden en het invullen van de regels en het instrumentarium dat in deze gebieden zal gaan gelden. Het kabinet zet in op een extensivering van agrarisch grondgebruik om de doelen voor de Kaderrichtlijn Water te behalen. Aandachtspunt daarbij is de vermindering van de concentraties van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewater. De komende periode worden de concrete maatregelen voor deze gebieden verder uitgewerkt samen met de medeoverheden in het gebied. Deze uitwerking verloopt in samenhang met de afspraken in het Convenant Gewasbeschermingsmiddelen.
Hydrologisch herstel van natuurgebieden en het herstellen van weidevogelpopulaties zijn voor 2027 de belangrijkste doelen van de veenweideaanpak. Om te voldoen aan internationale afspraken en om negatieve effecten van bodemdaling tegen te gaan, werkt het kabinet onder regie van provincies aan behoud van de laagveengebieden. Zo bewegen we op een verantwoorde manier toe naar hogere (grond)waterstanden waarbij het belangrijk is om perspectief te kunnen blijven bieden aan de agrariërs in het gebied.
Alles valt of staat met de daadwerkelijke uitvoering van de gebiedsgerichte aanpak. Om tot doorbraken te komen, bundelen we als overheden de slagkracht en stellen we prioriteiten, want niet alles kan overal tegelijkertijd. Als vier overheden (rijk, provincies, gemeenten en waterschappen) starten we daarom met de uitvoering in de vijf prioritaire gebieden (Veluwe, Peel, Noordwest-Overijssel, Hart van het Noorden en Groene Hart) en de twee economische clusters (Brainportregio Eindhoven en Rotterdamse Haven). In deze gebieden liggen grote integrale opgaven, met name in relatie met de vier hierboven genoemde gebiedstypen. Samen met provincies, gemeenten en waterschappen werken we hier als één overheid samen aan een brede gebiedsaanpak om juist daar, waar veel opgaven samenkomen, de uitvoering te versterken en te versnellen. Het kabinet maakt een impulsbudget vrij zodat de overheden in 2027 met de uitvoering kunnen starten. Ook bepalen we in welke gebieden aanvullend hierop snel maatregelen nodig zijn om van het slot te komen, als onderdeel van de bredere, samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof.
In 2027 geeft het kabinet ook navolging aan het verder en breder versterken van de uitvoeringskracht van de vier overheden in het landelijk gebied, onder meer via de inzet van het Rijksuitvoeringsnetwerk Landelijk Gebied. Om de ambities van de gebiedsgerichte aanpak mogelijk te maken zet het kabinet ook in op ondernemersgerichte ondersteuning. Zo helpen we hen de benodigde transitie te maken. In 2027 zet het kabinet daarvoor onder meer in op zaakbegeleiding, Sociaaleconomische Begeleiding (SEB), de Aanpak Ondernemingsplan en het verder ontwikkelen van een werkwijze om maatwerk te leveren.
Het kabinet vindt het essentieel om aandacht te houden voor de sociaaleconomische impact van beleid op onder andere ondernemers en plattelandsgemeenschappen. Om de vitaliteit van het platteland te behouden en te versterken, werkt het kabinet toe naar een meer integraal en zichtbaar nationaal plattelandsbeleid. Daarbij zet het kabinet in op versterking van de sociale en economische structuren in specifieke plattelandsregio's, en stelt het kabinet samen met medeoverheden, maatschappelijke partijen en lokale stakeholders een Actieprogramma Sterk Platteland op. Dit in aanvulling en goede aansluiting op de reeds lopende initiatieven en programma's, zoals het Nationaal Programma Vitale Regio's. Belangrijke input dit beleid zal volgen uit onderzoek van de OESO naar het Nederlandse plattelandsbeleid, dat momenteel op initiatief van het ministerie van LVVN wordt uitgevoerd en begin 2027 wordt opgeleverd.
Voor de gebiedsgerichte opgaven is grondmobiliteit een sleutelfactor. Het kabinet faciliteert daarom het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van agrarische grond. In 2027 doen we dat onder meer door het verstevigen van de inzet van de Nationale Grondbank, het stimuleren van verkavelingsprocessen en extensivering door afwaardering van grond. Bijvoorbeeld om verplaatsing mogelijk te maken voor agrarische bedrijven die weg willen uit de omgeving van natuurgebieden. Op plekken waar het kan, krijgt landbouw de ruimte en stimuleert het kabinet dat bedrijfslocaties en gronden van boeren zonder bedrijfsopvolgers worden verschoven naar (jonge) boeren.
Ten slotte zet het kabinet in 2027 de herziening van de pachtregelgevingvoort. Het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wordt in 2027 aangeboden aan de Tweede Kamer. De herziening heeft als doel om langjarige pacht te stimuleren, meer ruimte te bieden voor duurzaamheidsafspraken en de pachtregelgeving te moderniseren, dit alles met aandacht voor jonge boeren. Dit draagt bij aan de transitie naar een toekomstbestendige landbouw.
EU en internationaal
Een concurrerende en innovatieve land- en tuinbouw, een duurzame visserij en robuuste natuur zijn niet alleen onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar overstijgen bovendien onze landsgrenzen. Daarom is goede samenwerking met andere EU-lidstaten, de Europese Commissie en andere Europese instellingen van groot belang. Het kabinet wil een proactieve, betrouwbare en leidende rol spelen in de EU, zodat we gezamenlijk kunnen komen tot toekomstbestendige oplossingen en duidelijke keuzes voor de natuur, de land- en tuinbouw en de visserijsector. In de Kamerbrief LVVN EU-inzet (Kamerstuk 21501, nr. 1812) zijn de EU-prioriteiten van het kabinet beschreven. Het kabinet zet onder andere in op het verbeteren van de positie van de boer in de keten en verdienvermogen, een herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en op het versterken van de natuur en biodiversiteit via nieuwe Commissievoorstellen. Ook maakt het kabinet zich hard in de EU om de regeldruk te verlagen, en zo meer ruimte te geven voor ondernemerschap.
In de onderhandelingen over het nieuwe Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), die in 2027 in volle gang zijn, en in het opstellen van het nieuwe Nationaal Regionaal Partnerschapsplan (NRPP) van de EU, heeft LVVN een marktgerichte en duurzame landbouwsector als speerpunt. Passende instrumenten om de sector te helpen bij de verschillende uitdagingen zijn onderdeel van onze inzet. Daarnaast nemen we de resultaten van de ex-post evaluatie van het Derde Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP 3) in de onderhandelingen mee.
In het najaar van 2026 presenteert de Europese Commissie het voorstel voor het klimaatbeleidsraamwerk post-2030. LVVN zal in 2027 onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn om de klimaatopgave richting 2040 te realiseren. Deze maatregelen zullen zoveel mogelijk bij de Europese aanpak aansluiten.
In geopolitiek onzekere tijden en in een onstuimige handelspolitieke omgeving blijft de inzet van het LVVN Attaché Netwerk (LAN) in samenwerking met Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de Nederlandse beleidsdoelen essentieel, zowel in de EU als mondiaal. De banden met een aantal voor Nederland belangrijke landen (zoals de VS, India, China en Brazilië) halen we extra aan, door middel van bezoeken, soms gecombineerd met een handelsmissie met bedrijven. We zetten ons bovendien ons specifiek in op internationale samenwerking op het gebied van innovatie in het agrofooddomein.
Daarnaast blijft LVVN zich, in samenwerking met andere ministeries, inzetten binnen de Verenigde Naties en andere multilaterale instellingen die richting geven aan mondiale afspraken over voedsel, biodiversiteit, klimaat, bossen en handel, zoals de FAO, CBD, UNFCCC, UNEP en WTO. Omdat de wetenschap internationaal onder druk staat, zetten we ons in 2027 bovendien in voor het bewaken van robuuste wetenschappelijke kennis en kennisinstellingen, zoals het IPBES en het IPCC. In een wereld waar de geopolitieke verhoudingen aan het veranderen zijn, zet Nederland in op een sterke, op regels gebaseerde internationale orde en op de versterking van weerbare voedsel- en natuursystemen. Biodiversiteit is bij deze inzet een randvoorwaarde voor voedselzekerheid, klimaatbestendigheid en economisch verdienvermogen.
Kennis en innovatie
Er liggen veel kansen om met kennis en innovaties te werken aan een toekomstbestendige voedselvoorziening, aan voedselzekerheid, aan groei en aan het oplossen van de maatschappelijke opgaven rondom natuur, water, visserij, klimaat en dierwaardigheid.
In 2027 gaat LVVN samen met het bedrijfsleven en de wetenschap verder aan de slag met de uitvoering van de actiegerichte Agrifood Innovatieagenda. Een agenda die private financiers wil aanzetten tot investeringen. Dat doen we door ruimte te bieden en kansrijke innovaties te stimuleren. Het gaat om de combinatie van innovaties die economisch interessant zijn en bijdragen aan maatschappelijke opgaven. De focus zal in de agenda komen te liggen op Ag Tech, voedselinnovaties, weerbaar telen en (glas)tuinbouw. Juist in deze domeinen leveren innovaties een bijdrage aan het verdienvermogen en aan de internationale positie van het Nederlandse agrofoodcluster. Hiermee wordt een koppeling gemaakt naar de doelen van de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. De Agrifood Innovatieagenda focust op innovaties die we willen versnellen. De agenda kan ook bijdragen aan het missiegedreven innovatiebeleid en de Kennis en Innovatie Agenda Landbouw Water Voedsel (KIA-LWV), waarvan de nieuwe versie in 2027 in samenwerking met private organisaties, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen wordt voorbereid. Een stevige, brede inzet op kennis en innovatie is van belang voor de toekomst van de landbouw, voor de aanpak van stikstof en voor natuurherstel en maakt in die zin onlosmakelijk onderdeel uit van de aanpak van het kabinet zoals dat is uitgewerkt door de Taskforce LNS.
Ook wordt in 2027 kennis en innovatie ingezet voor nature based solutions, om de forse natuurherstel- en beschermopgave vorm te geven en de voortgang hiervan te monitoren middels een innovatie aanpak. Via onder andere het onderzoeksprogramma Transitie Visserij (OPTV) en het Programma Noordzee levert LVVN in 2027 een bijdrage aan een duurzame en toekomstbestendige visserij in balans met natuur en energiewinning op de Noordzee. Met het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) wordt de realisatie van stikstofdoelen ook in 2027 ondersteund met kennis en innovatie. Daarnaast gaat LVVN in 2027, samen met de departementen EZK en IenW, aan de slag met het opstellen van de uitvoeringsagenda van de biogrondstoffenstrategie, waarin concrete stappen worden voorgesteld om deze strategie uit te voeren. Bijvoorbeeld door samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven te stimuleren en technische innovaties zoals grasraffinage en platformchemicaliën te ondersteunen.
Via het Actieprogramma Digitalisering creëren we de randvoorwaarden voor het gebruik van digitale technologieën voor duurzame landbouw, tuinbouw, voedselproductie en een bloeiende natuur en plattelandsomgeving, op een veilige en verantwoorde manier. Het innovatieprogramma robots naar de boeren praktijk wordt in 2027 verder opgeschaald. Zo werken we aan marktgestuurde innovatieve en effectieve inzet van robotdiensten en kunnen telers onder begeleiding ervaring opdoen met robots en drones op hun eigen bedrijf.
Met de inzet op gebiedsspecifieke experimenteerlocaties en het Nationaal Platform Agrarische Experimenteerlocaties werkt LVVN aan de doorontwikkeling en opschaling van kennis en innovaties, zodat deze beter aansluiten bij de dagelijkse praktijk van het boerenerf.
In 2027 zal LVVN daarnaast verdere stappen zetten richting een besluit over de vervanging van de High Containment Unit (HCU) in Lelystad. De HCU is een faciliteit van nationaal belang voor het onderzoek naar, en diagnostiek van, besmettelijke dierziekten. De faciliteit loopt in 2035 tegen het einde van haar technische levensduur en dient dan vervangen te zijn. De bouw van de nieuwe faciliteit zal naar schatting 8 jaar duren. Eind 2027 gaat het kabinet een besluit nemen over de omvang van de nieuwe HCU met daaraan gekoppeld de Rijksbijdrage.
Om te zorgen voor voldoende kwalitatief talent is inzet nodig op kennisverspreiding, onderwijs en educatie. In 2027 is er samen met de partners in Groenpact onder meer aandacht voor talentontwikkeling op de terreinen biologisch, robotisering in de land- en tuinbouw en talentopgaven uit de Taskforce LNS zoals rond ecologie, Agtech en groene en witte biotechnologie.
Uitvoering en toezicht (NVWA en RVO)
De effectiviteit van beleid en regelgeving is voor een groot deel afhankelijk van uitvoering en toezicht. We werken samen met onder meer de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aan de uitvoering van en toezicht op de naleving. Het kabinet wil dat uitvoering, toezicht en beleid dichterbij elkaar staan.
Het takenpakket van de RVO neemt mede als gevolg van de grote uitvoeringsopgaven vanuit het landbouw- en stikstofdossier toe. Ook de voorbereidingen voor de nieuwe Europese programmaperiodes van Landbouw en Visserij (Gemeenschappelijk Landbouw- en Visserijbeleid, GLB en GVB) vragen om extra inzet van de uitvoering. Om te borgen dat de uitvoering van deze grote dossiers tot stand komt, is RVO nauw betrokken bij de invulling en uitwerking.
De NVWA werkt toe naar het vormgeven van modern toezicht, waarbij gebruik gemaakt wordt van nieuwe technieken zoals kunstmatige intelligentie. Dat is nodig, vanwege ontwikkelingen in de maatschappij en nieuwe risico’s die daardoor op de publieke belangen ontstaan. De NVWA wil verder meer proactief en preventief optreden en werkt toe naar risicogericht systeemtoezicht en een ketenaanpak. Daarnaast investeert de NVWA in de vernieuwing en versterking van toezicht door in te zetten op nieuwe toezichtmethoden zoals cameratoezicht, sensortechnologie, drones, apps en gedragsinterventies, door de organisatie meer wendbaar te maken (flexibele inzet van inspecteurs) en door het datagerichte werken te versterken (data op orde).
– Vergunningverlening en emissiereductie stikstof: Spoedwet; instructieregels en voorschriften voor zoneringsgebieden; structureel geld voor natuurbeheer; een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens invoeren. Voor emissiereductie stikstof vervangen KDW-doelen door emissiereductiedoelen stikstof, daarnaast pakket aan maatregelen en een financieel pakket.
– Toekomstbestendige landbouw, keten en regio: Overkoepelend beleid op o.a. mest, waterkwaliteit, doelsturing, weerbare en duurzame landbouw en keten en aanpalende trajecten.
– Natuurherstel: Natuurherstelmaatregelen in uitvoering met behulp van pakket Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
– Innovatie: In samenwerking met bedrijfsleven en kennisinstellingen aan de slag met een Agrifood Innovatieagenda.
In de beleidsagenda zijn de hoofddoelen van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedelzekerheid en Natuur voor het jaar 2027 opgenomen en waar mogelijk wordt ook ingegaan op risico’s. Op deze manier geeft het kabinet aan welke resultaten het beoogt te bereiken en welke beleidsdoelen worden geprioriteerd. Inzicht in en aandacht voor doelen, resultaten en risico’s is van belang om weloverwogen beleidskeuzes te kunnen maken. Hiermee wordt invulling gegeven aan de moties Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 7), Hoogeveen (Kamerstuk 36945, nr. 17) en Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 8) over doelen, resultaten, prioriteiten en risico’s in begrotingsstukken. De hoofddoelen en risico’s zijn nader uitgewerkt in de beleidsartikelen, met daarbij ook nadere toelichting op de voornemens op dat specifieke beleidsterrein.
Hoofddoel | Omschrijving | Risico’s | Beheersmaatregelen |
|---|---|---|---|
Vergunningverlening en emissiereductie stikstof | Spoedwet; instructieregels en voorschriften voor zoneringsgebieden; structureel geld voor natuurbeheer; een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens invoeren. Voor emissiereductie stikstof vervangen KDW-doelen door emissiereductiedoelen stikstof, daarnaast pakket aan maatregelen en een financieel pakket. | - Juridische onzekerheid- De beleidsuitwerking vraagt om tijd en kan hierdoor het draagvlak aantasten.- Wat gebeurt er met draagvlak als er een onderdeel uitvalt?-Rolverdeling en draagvlak mede-overheden ook na provinciale verkiezingen. Niet op elkaar gaan zitten wachten/verwijzen. | - Voorafgaande juridische toetsing- Verwachtingsmanagement m.b.t. doorlooptijden beleidsuitwerking en vervolgens realisatie.- Gebruik maken van een adaptieve en gefaseerde uitrol en systematiek. |
Toekomstbestendige landbouw, keten en regio | Overkoepelend beleid op o.a. mest, waterkwaliteit, doelsturing, weerbare en duurzame landbouw en keten en aanpalende trajecten. | Samenhang, uitvoering en financiering | Goed aansluiten bij de praktijk, werken aan uitvoeringskracht |
Natuurherstel | Natuurherstelmaatregelen in uitvoering met behulp van pakket Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof | Uitgevoerde maatregelen hebben te weinig effect, waardoor doelen voor 2030 niet worden gehaald met ecologische en juridische (bijvoorbeeld vanwege de Greenpeace-zaak) risico’s. Ook risico op niet kunnen voldoen aan het voorkomen van verslechtering buiten N2000 (met ingang van 1-9-2027) | Parallel aan opstellen Ontwerp- en definitief Natuurplan alvast natuurherstelmaatregelen nemen op de korte termijn, gericht op de doelen voor 2030. |
Innovatie | In samenwerking met bedrijfsleven en kennisinstellingen aan de slag met een Agrifood Innovatieagenda | Het aantrekken van voldoende privaat kapitaal is noodzakelijk voor het slagen, maar ook onzeker. | Door bij de uitwerking van de Agrifood innovatieagenda extern kennis en kunde te betrekken over het aantrekken van privaat kapitaal. |
2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties
Artikelnummer | Uitgaven 2026 | Uitgaven 2027 | Uitgaven 2028 | Uitgaven 2029 | Uitgaven 2030 | Uitgaven 2031 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Vastgestelde begroting 2026 | 4.263.755 | 4.297.707 | 3.722.298 | 4.010.240 | 3.926.808 | 1.855.220 | |
Mutaties coalitieakkoord | 98.300 | ‒ 204.982 | ‒ 611.235 | ‒ 1.672.994 | ‒ 1.835.308 | ‒ 427.712 | |
Natuurherstel | 22 | 43.500 | 16.500 | ||||
Verhoging beheersubsidies SNL | 22 | 16.000 | 16.000 | ||||
Natuur Caribisch Nederland | 22 | 7.500 | |||||
Gewasbescherming | 21 | 8.600 | 3.000 | 2.000 | |||
Biologische landbouw | 21 | 4.000 | 2.000 | ||||
Doelsturing | 21 | 3.000 | 4.000 | ||||
Mestvergisting | 21 | 6.000 | |||||
Dierwaardigheid | 21 | 4.000 | 6.000 | ||||
Experimenteerlocaties | 23 | 4.000 | |||||
Taboer | 21 | 1.700 | 600 | 600 | 600 | 400 | |
Ombuiging rode diesel | div | ‒ 146.000 | ‒ 146.000 | ‒ 146.000 | ‒ 146.000 | ‒ 146.000 | |
Ombuiging vervolgpakket Nederland van het slot | 51 | ‒ 107.082 | ‒ 467.835 | ‒ 1.527.594 | ‒ 1.689.708 | ‒ 281.712 | |
Totaal mutaties eerste suppletoire begroting 2026 | ‒ 332.153 | ‒ 451.483 | 348.512 | 261.361 | 93.875 | 70.564 | |
Apurement | 21 | 50.000 | 12.500 | 12.500 | 5.000 | 5.000 | 5.000 |
Kasschuif vrijwillige beëindigingsregeling | 21 | ‒ 140.000 | ‒ 300.000 | 235.000 | 175.000 | 30.000 | |
Overige mutaties | ‒ 242.153 | ‒ 163.983 | 101.012 | 81.361 | 58.875 | 65.564 | |
Totaal mutaties ontwerpbegroting 2027 | ‒ 678.009 | 667.389 | 1.604.061 | 2.141.068 | 2.092.897 | 2.740.035 | |
Agrarisch natuurbeheer | 22 | 36.500 | 75.000 | 100.000 | 124.000 | 150.000 | |
Natuurherstel | 22 | 85.600 | 122.900 | 65.000 | 60.000 | ||
Natuurmonitoring | 22 | 7.500 | 12.500 | 12.500 | 12.500 | 12.500 | |
Impulsbudget prioritaire gebieden | 25 | 100.000 | 200.000 | 200.000 | |||
Vrijwillige beëindiging veehouderij | 25 | 150.000 | 300.000 | 300.000 | |||
Sociaal en economisch vitaal platteland | 25 | 11.000 | 28.000 | 28.000 | 28.000 | 1.500 | |
PAS-melders | 25 | 149.000 | 74.000 | 74.000 | 53.000 | ‒ | |
Biologische landbouw | 25 | 7.200 | 8.450 | 8.450 | 3.200 | 3.200 | |
Gewasbescherming | 25 | 8.300 | 6.800 | 6.800 | 6.300 | 6.000 | |
Investeringsfonds duurzame landbouw | 25 | 43.000 | |||||
Managementmaatregelen | 25 | 7.400 | 19.842 | 38.466 | 41.432 | 47.363 | |
Vestigingssteun jonge landbouwers | 25 | 10.000 | 25.000 | 25.000 | 25.000 | ||
Publiek Private Organisaties (PPO) | 21 | 330 | 330 | 340 | 1.000 | 1.000 | |
Experimenteerlocaties | 23 | 2.810 | 3.780 | 3.780 | 6.590 | 7.890 | |
Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) | 23 | 6.000 | 6.000 | 6.000 | 6.000 | ||
Natuurbrand waarschuwingssystematiek | 22 | 1.500 | 1.500 | 1.000 | 11.600 | 2.000 | |
Beroepsgroep dierenartsen | 21 | 1.000 | 1.000 | ||||
Onderzoeken visserij en pulsvisserij | 22 | 1.300 | |||||
Zoetwaterbeschikbaarheid | 22 | 1.500 | 1.400 | ||||
Innovatieagenda & innovatietop | 23 | 2.000 | |||||
Natuur en milieubeleidsplan Caribisch Nederland | 25 | 10.000 | 10.000 | 10.000 | 10.000 | ||
Reserveringen stikstofaanpak | 26 | 110.560 | 652.098 | 1.021.364 | 1.636.778 | 2.332.247 | |
Bosbouwvrijstelling | 22 | 5.000 | 5.000 | 5.000 | |||
Aanvullende apparaatstaaksteling | div | ‒ 7.991 | ‒ 8.028 | ‒ | ‒ 7.688 | ||
Overige mutaties | div | ‒ 678.009 | ‒ 26.111 | 35.452 | 243.396 | 62.497 | 148.023 |
Stand ontwerpbegroting 2027 | 3.351.893 | 4.308.631 | 5.063.636 | 4.739.675 | 4.278.272 | 4.238.107 |
Toelichting
De belangrijkste mutaties uit de 1e suppletoire begroting 2026 zijn toegelicht in Kamerstuk 36 915-XIV. Hieronder zijn de belangrijkste beleidsmatige mutaties in de ontwerpbegroting 2027 toegelicht.
Agrarisch natuurbeheer
Met het agrarisch natuurbeheer worden agrarische ondernemers gestimuleerd om op vrijwillige basis bij te dragen aan de Europese doelstellingen voor natuur, water en klimaat, op een manier die past bij hun bedrijfsvoering en bijdraagt aan hun verdienvermogen. Deze middelen worden ingezet om het agrarisch natuurbeheer verder uit te breiden ook in andere prioritaire gebieden zoals de veenweide gebieden, beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Er wordt tevens geïnvesteerd in regelingen die voorafgaan aan agrarisch natuur- en landschapsbeheer, zoals de grondfaciliteit.
Natuurherstel
De maatregelen die worden uitgevoerd met deze middelen leveren een belangrijke bijdrage aan natuurherstel en het tegengaan van verslechtering van de natuur. Dit bevordert de vergunningverlening ten behoeve van opheffing van het stikstofslot. De maatregelen dienen zowel de doelen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn als de opgaven uit de Natuurherstelverordening en dragen bij aan de klimaat- en waterdoelen. Een uitgebreidere toelichting bij deze mutatie wordt gegeven in een separaat kader Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).
Natuurmonitoring
Natuurmonitoring wordt versterkt om beter te kunnen sturen op de realisatie van de natuuropgave. Met het Verbeterprogramma Vogel- en Habitatrichtlijnen Monitoring, en de structurele uitvoering van de monitoring die hieruit volgt, wordt gewerkt aan betere, uniforme en gebiedsgerichte data binnen en buiten natuurgebieden. Dit leidt tot meer inzicht in systeemherstel en effectiviteit van maatregelen.
Impulsbudget prioritaire gebieden
Met deze impuls worden maatregelen uitgevoerd ten behoeve van de Natura 2000 gebieden in de prioritaire gebieden en economische clusters. Het budget wordt ingezet om drukfactoren te verlagen en vergunningverlening op gang te helpen. Een uitgebreidere toelichting bij deze mutatie wordt gegeven in een separaat kader Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).
Vrijwillige beëindiging veehouderij
De vrijwillige beëindigingsregeling heeft tot doel om de emissie van ammoniak van veehouderijlocaties in heel Nederland blijvend te reduceren en hiermee natuurherstel te bevorderen. Een uitgebreidere toelichting bij deze mutatie wordt gegeven in een separaat kader Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).
Sociaal en economisch vitaal platteland
Het sociaaleconomische investeringsprogramma ondersteunt initiatieven vanuit de samenleving die bijdragen aan de versterking van lokale gemeenschappen, zoals recreatieve voorzieningen, het ondersteunen van nieuwe economische activiteiten, landschaps- en natuurkwaliteit en maatschappelijke voorzieningen in kleine kernen. Daarnaast wordt er in het kader van een actieprogramma Sterk platteland beleidsvoorstellen uitgewerkt voor een integraler plattelandsbeleid en om te waarborgen dat plattelandsbelangen op een goede manier worden meegewogen in nieuw te ontwikkelen overheidsbeleid. Een uitgebreidere toelichting bij deze mutatie wordt gegeven in een separaat kader Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).
PAS-melders
Met de voorgenomen maatregelen is het doel om te voldoen aan de wettelijke opgave om PAS-melders uitzicht te bieden op een legale situatie via een structurele oplossing. De middelen worden ingezet voor een ophoging van de provinciale regeling voor PAS-melders en voor zaakbegeleiders. Een uitgebreidere toelichting bij deze mutatie wordt gegeven in een separaat kader Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).
Biologische landbouw
De middelen voor biologische landbouw worden ingezet voor het vergroten van vraag, ketenontwikkeling, onderzoek, kennisverspreiding en voor een beter verdienmodel. De groei van het biologische areaal draagt bij aan het stimuleren van extensieve landbouw, een emissiearme veehouderij en een toekomstbestendig verdienmodel in de zones rondom Natura2000 gebieden en beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden.
Gewasbescherming
Richting 2040 gaat de plantaardige landbouw veranderen in lijn met de Kaderichtlijn Water (KRW). Dit draagt bij aan natuurherstel, vermindering van blootstellingsrisico’s voor kwetsbare groepen en functies en zorgt voor duurzaam verdienvermogen van plantaardige sectoren. Met de middelen wordt een gegevensautoriteit opgericht en wordt extra ingezet op toezicht en handhaving.
Investeringsfonds duurzame landbouw
Het Investeringsfonds omschakelprogramma duurzame landbouw ondersteunt boeren en tuinders bij de integrale omschakeling naar structureel duurzamere bedrijfsvoering met minder uitstoot van stikstof.
Managementmaatregelen
Met stimulerings-, kennisverspreiding- en voorlichtingsbeleid in combinatie met normering (wettelijke afrekenbare bedrijfsemissienormen) vanaf 2035, dragen managementmaatregelen een bijdrage aan de emissiereductie van ammoniak. Een uitgebreidere toelichting bij deze mutatie wordt gegeven in een separaat kader Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).
Vestigingssteun jonge landbouwers
Het verhogen van het aantal boeren onder de 40 jaar om de vergrijzing in de landbouw tegen te gaan is een nationale doelstelling en een doel van de EU. Het is voor jonge landbouwers niet eenvoudig om een landbouwbedrijf over te nemen of te starten door de hoge overnamesommen. Met de vestigingssteun worden jonge landbouwers ondersteund in het overnemen of starten van een bedrijf.
Publiek Private Organisaties (PPO)
Door een sterkere samenwerking tussen overheid en de agrarische sector, worden afspraken of maatregelen beter uitvoerbaar en geborgd. Dit draagt bij aan de uitvoeringskracht van de sector te vergroten.
Experimenteerlocaties
Het netwerk van experimenteerlocaties (fieldlabs) wordt uitgebreid naar 12 experimenteerlocaties. Ieder gebied kent specifieke uitdagingen met betrekking tot landbouw, natuur en stikstof. Op experimenteerlocaties wordt gewerkt aan kennis en innovaties die bijdragen aan de doelstellingen van de stikstofaanpak. Daarnaast vergroten experimenteerlocaties de samenwerking tussen praktijk en beleid.
Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS)
De meetnetten en modellen van het NKS zijn nodig om vooraf in te kunnen schatten wat het effect zal zijn van voorgenomen stikstofreducerende maatregelen en om achteraf te bepalen wat de daadwerkelijke stikstofreductie is.
Natuurbrand waarschuwingssystematiek
Er wordt een nieuwe wetenschappelijk onderbouwde waarschuwingssystematiek ontwikkeld voor natuurbrandgevaar.
Beroepsgroep dierenartsen
De ontwikkeling van beroepsstandaarden voor dierenartsen dragen bij aan transparantie in de zorg en een goede veterinaire basiszorg.
Onderzoeken visserij en pulsvisserij
In samenwerking met buurlanden zal onderzoek worden gedaan naar technieken voor pulsvisserij en bodemverstoring. Dit kan bijdragen aan het draagvlak voor pulsvisserij. Daarnaast wordt er een pilot uitgevoerd voor een monitoringssysteem.
Zoetwaterbeschikbaarheid
In samenwerking met regionale overheden wordt een actieplan opgesteld ter versterking van de zoetwaterbeschikbaarheid in de provincie Zeeland. Het plan voorziet in een laagdrempelige advies-op-maat regeling over bijvoorbeeld zoetwaterbassins of peil gestuurde drainage.
Natuur en milieubeleidsplan Caribisch Nederland
Het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020-2030 is opgesteld in samenwerking met de ministeries van IenW, BZK, VRO en het Openbaar Lichaam van Bonaire, St Eustatius en Saba. Met deze middelen kan het natuur en milieubeleidsplan in de komende jaren worden afgerond en de beleidsdoelen worden behaald.
Reserveringen stikstofaanpak
Met de Ontwerpbegroting 2027 worden op de LVVN-begroting twee nieuwe artikelen ingericht voor investeringen uit het stikstoffonds: een bestedingsartikel 25 en een reserveringsartikel 26. Deze artikelen vormen samen het fonds. Voor maatregelen uit de stikstofaanpak die nog worden uitgewerkt wordt op artikel 26 een reservering gemaakt.
Bosbouwvrijstelling
Sinds 2020 werken Rijk en provincies samen binnen de Landelijke Bossenstrategie aan de uitbreiding van het areaal bos en het herstellen van het bestaande bosareaal. Deze strategie geeft invulling aan de doelen voor klimaat en verplichtingen voor bossen uit de Natuurherstelverordening (NHV). Met de structurele middelen (5 mln.) vanaf 2029 kan hieraan bijgedragen worden.
Aanvullende apparaatstaakstelling
Er is besloten tot aanvullende taakstellingen op het apparaatsbudget van kerndepartementen en uitvoering.
Artikelnummer | Ontvangsten 2026 | Ontvangsten 2027 | Ontvangsten 2028 | Ontvangsten 2029 | Ontvangsten 2030 | Ontvangsten 2031 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Vastgestelde begroting 2026 | 104.163 | 133.156 | 146.341 | 73.581 | 58.905 | 57.977 | |
Belangrijkste suppletoire mutaties | |||||||
Terugbetalingen MGA | 22 | 50.850 | |||||
NVWA afrekening 2025 | 24 | 31.124 | |||||
RVO afrekening 2025 | 24 | 25.000 | |||||
Schuif verkoop gronden NGB | 22 | ‒ 5.041 | ‒ 57.242 | ‒ 67.517 | 5.800 | 20.000 | 30.000 |
Overige mutaties | 13.500 | 7.750 | 8.588 | 9.500 | 9.984 | 5.000 | |
Stand 1e suppletoire begroting 2026 | 219.596 | 83.664 | 87.412 | 88.881 | 88.889 | 92.977 | |
Mutaties begroting 2027 | |||||||
Overige ontvangstenmutaties | 11.024 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Stand begroting 2027 | 230.620 | 83.664 | 87.412 | 88.881 | 88.889 | 92.977 |
Toelichting
De belangrijkste mutaties uit de 1e suppletoire begroting 2026 zijn toegelicht in Kamerstuk 36 915-XIV.
2.3 Openbaarheidsparagraaf
Dit is de openbaarheidsparagraaf bij de begroting van 2027 van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en de bijbehorende dienstonderdelen.1 De Wet open overheid (Woo) ziet toe op openbaarmaking op verzoek en openbaarmaking uit eigen beweging. Om dit goed te kunnen doen, is een toegankelijke, betrouwbare en duurzaam beheerde informatiehuishouding randvoorwaardelijk. In deze paragraaf wordt weergegeven hoe LVVN hier in 2027 invulling aan geeft. De urgentie voor een transparante overheid blijft in 2027 onverminderd hoog. Zoals opgenomen in de ambtseed ligt er een sterkte nadruk op het werken in het algemeen belang van de samenleving met aandacht voor het zorgvuldig en open werken als ambtenaren. Het zorgvuldig omgaan met informatie en het bijdragen aan een open overheid zijn kernwaarden die ook doorklinken in de vormgeving van het beleid op openbaarheid en de bredere bewustwording hiervan bij de professionals binnen de Rijksoverheid.
Openbaarmaking
Vanaf 2027 stopt de programmaorganisatie van het programma Transparantie in Informatie (PTiI) en worden de taken ten aanzien van openbaarheid geborgd binnen een centrale directie Open Overheid (DOO). Hierdoor ontstaat binnen LVVN een structurele openbaarmakingsvoorziening voor het kerndepartement. Deze directie wordt verantwoordelijk voor de operationele uitvoering van openbaarmaking op verzoek, actieve openbaarmaking, openbaarmaking van beslisnota’s en aanverwante openbaarheidsprocessen. Met de centralisatie wordt beoogd versnippering terug te brengen, eigenaarschap duidelijker te beleggen, werkprocessen te uniformeren en beter te sturen op voortgang, kwaliteit, prioriteiten en termijnen. Door de beschikbare mensuren en expertise uit de voorgaande jaren centraal te bundelen, kunnen piekbelastingen beter worden verdeeld en kan capaciteit gerichter worden ingezet op gezamenlijke prioriteiten van EZK en LVVN. In 2027 werken we concreet aan de volgende activiteiten:
– Passieve openbaarmaking. Voor het sneller en beter afhandelen van Woo-verzoeken zetten we in op verdere centralisatie van het proces in de organisatie. Een belangrijk onderdeel hiervan is het centraal zoeken en lakken door middel van informatiespecialisten. Daarnaast zetten we in op verdere automatisering (waar mogelijk en verantwoord met AI) en gerichter contact met de verzoeker om goed in te spelen op de informatiebehoefte. Tevens geven we uitvoering aan de uitkomsten van de interdepartementale werkgroepen m.b.t. een uniform Woo-proces, omvangrijke Woo-verzoeken, de Woo-contactpersoon en misbruik van de Woo.
– Resultaatsverplichting actieve openbaarmaking met 17 informatiecategorieën. Afhankelijk van de ontwikkelingen en tijdspaden rondom het landelijke publicatieplatform wordt in 2027 verder gewerkt aan de openbaarmaking van de verplichte informatie categorieën. Binnen onze departementen doorlopen we hiervoor een zorgvuldig implementatieproces, met goede ondersteuning voor medewerkers, zodat wordt voldaan aan de Woo publicatie-eisen en standaarden. De inzet van de Generieke Woo-voorziening als aanlevermethode richting de centrale portal open.overheid.nl is uitgesteld tot 2029. Als tijdelijke oplossing worden de verplicht openbaar te maken documenten (met uitzondering van beschikkingen) vanaf medio 2027 verplicht op een eigen website of platform gepubliceerd. Hierbij blijft vrijwillige parallelpublicatie naar open.overheid.nl zoveel mogelijk in stand als centrale vindplaats voor burger en maatschappij.
– Inspanningsverplichting actieve openbaarmaking. In 2027 geven we verder vorm aan onze inspanningsverplichting op actieve openbaarmaking vanuit het principe van betekenisvolle actieve openbaarmaking. Daarbij kijken we naar welke informatie, in welke context, relevant en van toegevoegde waarde is om openbaar te maken. Op basis van een Rijksbrede richtlijn en de uitkomsten van de interdepartementale werkgroep op de inspanningsverplichting wordt afgewogen welke informatie in welke vorm in aanmerking komt voor proactieve openbaarmaking. LVVN streeft ernaar om per DG op minimaal één topdossier waar veel maatschappelijke belangstelling voor is, informatie proactief openbaar te maken.
Informatiehuishouding als randvoorwaarde
Het op orde zijn van de informatiehuishouding is randvoorwaardelijk om te kunnen voldoen aan de wettelijke openbaarmakings- en archiveringsverplichtingen. LVVN heeft de ambitie om in 2027 informatie volledig, betrouwbaar en duurzaam toegankelijk te krijgen en te houden.
Sinds 2024 werkt LVVN binnen het kerndepartement aan het verbeteren van de informatiehuishouding, waar middels het Groeiplan integraal op wordt gestuurd. Het Groeiplan loopt eind 2026 af, en het merendeel van de projecten is dan in de lijn belegd. De verwachting is dat er nog een aantal projecten doorlopen in 2027 en dat er nog coördinatie en regie op een aantal activiteiten nodig is. Het gaat hier onder andere om:
– Chatarchivering
– Emailarchivering
– Sociale media archivering
– Informatiebeheerplannen
Opleiding, bewustwording en professionele ontwikkeling
De uitvoering van openbaarmaking vraagt juridische, bestuurlijke, documentaire, technische en communicatieve vaardigheden. Daarom wordt in 2027 verder gewerkt aan opleiding, kennisdeling en ondersteuning In 2026 is gestart met de organisatiebrede implementatie van het strategisch opleidingsplan. De eerste focus daarbij was het opleiden van beleidsmedewerkers zodat zij goed geëquipeerd zijn om openbaarheidsprocessen in de basis uit te voeren, onder meer via schrijven voor openbaarheid, onboarding en het breder aanbieden van trainingen. Inmiddels is het opleidingsplan verbreed door opleidingskansen buiten de beleidsmedewerkers te verkennen. Ook is gewerkt aan de ondersteuning van de Woo-unit bij het verbeteren van hun processen zoals het startgesprek en de brede werkwijze, het meetbaar maken van de Woo, het verbeteren van contact met de verzoeker en het onderzoeken van de inzet van AI in het Woo-proces. In 2027 wordt deze lijn voortgezet en verder uitgebouwd.
Financiële toelichting
Bovenstaande activiteiten worden deels programmatisch uitgevoerd door het kerndepartement en de concernonderdelen en gefinancierd uit de POK-gelden en Woo-gelden. Naast deze gelden zijn er eigen/reguliere middelen en capaciteit vanuit de lijnorganisatie en ICT-investeringen. Het totale budget aan POK- en Woo-gelden voor 2027 bedraagt € 21,7 mln., waarvan € 7,9 mln. reeds gealloceerd is voor de inrichting van een structurele Directie open overheid in oprichting. Daarnaast is een structurele reeks voor van € 0,81 mln. voor informatiehuishouding ingeregeld.
Totaal | |
|---|---|
POK-middelen | 8.710 |
WOO-middelen | 13.008 |
Totaal | 21.718 |
2.4 Planning Strategische Evaluatie Agenda
De Strategische Evaluatie Agenda (SEA) laat zien hoe LVVN de komende jaren werkt aan het voortbrengen van inzichten over (voorwaarden voor) de doeltreffendheid en doelmatigheid van ons beleid. Door voldoende en passend evaluatieonderzoek te programmeren neemt het aantal bruikbare inzichten toe, en daarmee onze kennis over het bereiken van onze departementale missie en onderliggende doelstellingen. De huidige SEA kent vier thema’s, die voor een groot deel samenvallen met de huidige indeling van de begrotingsartikelen, namelijk Land- en tuinbouw, Natuur, Visserij en Kennis en innovatie. Conform afspraak met de Tweede Kamer wordt periodiek (indicatie 4-7 jaar) per thema verantwoording afgelegd over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid. Dit gebeurt via een periodieke rapportage (voorheen: beleidsdoorlichting). Hieronder is de planning van deze syntheseonderzoeken opgenomen.
Thema/Periodieke rapportage | Eerstvolgende Periodieke rapportage | Begrotingsartikelen | |||
|---|---|---|---|---|---|
21 | 22 | 23 | 24 | ||
Land- en tuinbouw | 2032 | X | X | ||
Natuur | 2028 | X | X | ||
Visserij | 2030 | X | X | ||
Kennis en innovatie | 2031 | X |
Voor een verdere onderbouwing van de strategische evaluatie agenda zie Bijlage 4: Strategische Evaluatie Agenda.2
2.5 Overzicht risicoregelingen
(x 1000 euro) | Uitstaande | Geraamd | Geraamd | Uitstaande | Garantie- | Geraamd | Geraamd | Uitstaande | Garantie- | Totaal | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
garanties | te verlenen | te vervallen | garanties | plafond | te verlenen | te vervallen | garanties | plafond | plafond | ||
artikel | omschrijving | 2025 | 2026 | 2026 | 2026 | 2026 | 2027 | 2027 | 2027 | 2027 | |
21 | Borgstelling Landbouw en Visserijkredieten (BLV) | 199.490 | 23.100 | 18.726 | 203.864 | 80.000 | 23.100 | 18.505 | 208.459 | 60.000 | |
22 | Garantie voor natuurgebieden en landschappen | 204.403 | 0 | 17.636 | 171.978 | 0 | 0 | 16.910 | 169.857 | 204.403 | |
22 | Klimaatfonds groenfonds garantie | 35.403 | 0 | 6.213 | 29.190 | 0 | 0 | 6.213 | 22.977 | 56.000 | |
Totaal | 439.296 | 23.100 | 42.575 | 405.032 | 80.000 | 23.100 | 41.628 | 401.293 | 60.000 | 260.403 | |
(x 1000 euro) | Uit-gaven | Ontvang-sten | Stand risico-voorziening | Saldo | Uit-gaven | Ontvang-sten | Stand risico-voorziening | Saldo | Uit-gaven | Ontvang-sten | Stand risico-voorziening | Saldo | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
artikel | omschrijving | 2025 | 2025 | 2025 | 2025 | 2026 | 2026 | 2026 | 2026 | 2027 | 2027 | 2027 | 2027 |
21 | Borgstelling Landbouw en Visserij-kredieten (BLV) | 3.000 | 706 | 46.821 | ‒ 2.270 | 2.000 | 700 | 45.551 | ‒ 1270 | 1.720 | 900 | 44.731 | ‒ 820 |
22 | Garantie voor natuur-gebieden en landschappen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
22 | Klimaatfonds groenfonds garantie | 0 | 274 | 1.553 | 274 | 0 | 225 | 1.778 | 225 | 0 | 178 | 1.956 | 278 |
Totaal | 3.000 | 980 | 48.374 | ‒ 1.996 | 2.000 | 925 | 47.329 | ‒ 1.045 | 1.720 | 1.078 | 46.687 | ‒ 542 | |
Toelichting risicoregelingen
Borgstelling Landbouw en Visserijkredieten (BLV)
Met deze garantieregeling kunnen financiers een borgstelling aan ondernemers in de sectoren land- en tuinbouw, visserij en aquacultuur verstrekken, indien deze bedrijven voor leningen onvoldoende zekerheden bieden aan de bank. Het knelpunt dat met deze borgstelling wordt bestreden, is het verschijnsel dat in de kern gezonde bedrijven – met voldoende zicht op rentabiliteit en continuïteit – niet of onvoldoende in hun kredietbehoefte kunnen voorzien door een tekort aan zekerheden (onderpand). De borgstelling voor een onderneming kan maximaal 70% van € 2,5 mln. bedragen. De borgstellingslening is maximaal 2/3 van de benodigde investering, waardoor de borgstelling maximaal 46,6% (70% x 66,67% = 46,6%) van de benodigde financiering bedraagt. De borgstelling wordt alleen verleend voor ‘fresh money’, d.w.z. nieuwe leningen ten behoeve van de (door-)ontwikkeling of overname van een bedrijf.
De provisie voor deze Borgstelling Landbouwkredieten (BL) modules bedraagt eenmalig 3% van het te lenen bedrag of 1% indien het een starter of een overnemer betreft. Jaarlijks worden de premieontvangsten/provisie-inkomsten en een bijdrage van LVVN in de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit gestort. Het gereserveerde geld uit deze begrotingsreserve wordt gebruikt om mogelijke verliesdeclaraties (als gevolg van faillissement) te betalen. Het maximale bedrag waarvoor LVVN jaarlijks nieuwe garanties mag aangaan is € 120,0 mln.
De risicoreservering van de BL wordt bij artikel 21 als aparte begrotingsreserve gepresenteerd (de Borgstellingsfaciliteit). De risicoreservering is ook voor nog lopende borgstellingen verleend onder de Garantstelling Landbouw (tot 2017) en de Borgstelling MLB-Landbouwkredieten (BL) in de periode 2017-2025.
Garantie voor natuurgebieden en landschappen
Het betreft het garant staan voor de leningen die aangetrokken zijn via het Groenfonds voor het realiseren van de EHS-gronden (nieuwe natuur in de Ecologische Hoofdstructuur). Deze gronden zijn opgegaan in het Natuur Netwerk Nederland.
Klimaatfonds Groenfonds garantie
Met de Garantstelling van 80% van € 70,0 mln. aan het Nationaal Groenfonds trekt het Groenfonds extra geld aan voor de financiering van projecten die een bijdrage leveren aan de klimaatdoelstellingen van de sector Landbouw en Landgebruik. Nederland staat voor een grote maatschappelijke opgave op het terrein van klimaat. De uitstoot van broeikasgassen moet fors omlaag. Voor de sector Landbouw en Landgebruik ligt er een taakstelling van ten minste 3,5 Mton en een ambitie van 6 Mton broeikasgasemissiereductie in 2030. Voor het bereiken van de beoogde resultaten zijn innovatieve projecten wezenlijk; zij zorgen voor ‘vernieuwing van onderaf´ en zijn de successen van morgen. De financiering van deze projecten komt door marktfalen (te) beperkt van de grond. De projecten krijgen bij het reguliere bankwezen geen of zeer moeilijk financiering omdat ze voor banken (nog) te klein, te bewerkelijk/specialistisch en te nieuw (en daarmee te risicovol) zijn, en voor banken een te laag financieel rendement hebben. In dit markthiaat opereert de stichting Nationaal Groenfonds met haar klimaatfonds. Ze pakt economisch levensvatbare projecten op die banken laten liggen en verstrekt aan deze projecten onder marktconforme voorwaarden risicodragende financieringen (achter gestelde leningen). Door deze risicodragende financieringen daalt het risicoprofiel van de projecten naar een voor banken veelal acceptabel niveau waardoor deze bereid zijn te cofinancieren.
Artikel | Omschrijving | Uitstaande lening per 31 dec. 2027 | Looptijd lening | Rente | Wijze van aflossing |
|---|---|---|---|---|---|
Artikel 23: Kennis en Innovatie | Wageningen Research | 2.754 | looptijd tot eind 2028 | 4,5% | Jaarlijks |
Wageningen Research | 2.630 | looptijd tot eind 2030 | 5,2% | Jaarlijks | |
Wageningen Research | 703 | looptijd tot eind 2031 | 5,0% | Jaarlijks |
Toelichting verstrekte leningen
Het ministerie van LVVN heeft in het verleden leningen verstrekt aan Wageningen Research. Het betreft vier leningen met een looptijd van circa 30 jaar die zijn verstrekt in de periode van 1999 tot en met 2001. De leningen zijn verstrekt ten behoeve van gebouwen en terreinen die bij de verzelfstandiging van Wageningen Research (destijds Dienst Landbouwkundig Onderzoek, DLO) zijn overgedragen. Een van de leningen is in 2022 volledig afgelost, waardoor nog 3 resteren, zie bovenstaande tabel. Op de overige leningen (zie tabel) met een resterend uitstaand bedrag van € 6,1 mln. per 31-12-2024 wordt conform afspraak in 2027 € 3,9 mln. afgelost
2.6 Slagvaardige overheid
In miljoenen euro (+ is saldoverslechterend) | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Apparaatstaakstellingen coalitieakkoord | ‒ 3,7 | ‒ 7,0 | ‒ 28,4 | ‒ 57,6 | ‒ 56,6 | ||
Efficiencytaakstelling | ‒ 3,7 | ‒ 7,0 | ‒ 11,5 | ‒ 15,9 | ‒ 15,7 | ||
Vernieuwing Rijksdienst / slagvaardige overheid | ‒ 16,9 | ‒ 41,7 | ‒ 40,9 |
Toelichting Slagvaardige Overheid in beleidsagenda
Het kabinet streeft naar een slagvaardige overheid die duidelijk kiest, samenwerkt en levert. Hiertoe zet het kabinet onder andere in op een rijksbrede apparaatstaakstelling. Voor het ministerie van Landbouw, Voedselzekerheid, Visserij en Natuur gaat dit, uitgaande van de maatregelen uit het coalitieakkoord, om een bedrag dat structureel oploopt tot € 56,6 mln. Dit draagt bij aan een fundamenteel efficiëntere en effectievere overheid, met veel minder (complexe) wet- en regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat.
Invulling taakstelling
Eind 2026 is de reorganisatie van het departement afgerond. Het doel van de reorganisatie is onder meer het robuuster en efficiënter inrichten van de organisatie om de gevraagde krimp te kunnen realiseren. Daarnaast worden keuzes gemaakt in de inzet op kerntaken. Dit is een proces dat zich vanaf 2027 verder doorontwikkelt en onderhevig zal zijn aan politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Daarnaast lopen er verschillende AI-ontwikkelingen zoals AI-chatbot ELK, Codi (zoekhulp bij Kamervragen), Tool Zeno (ondersteuning juridische vraagstukken) en Woo AI (versimpeling uitvoering van Woo-verzoeken). Dit draagt bij aan efficiëntere uitvoering van werkzaamheden. Ook lopen er twee projecten binnen LVVN om de sturing op de personele uitgaven te versimpelen en versterken.
Regeldruk
De LVVN-aanpak op regeldruk sluit aan bij het Rijksbrede actieprogramma Minder Druk met Regels voor ondernemers en de ministeriële taskforce Slagvaardige Overheid. De aanpak richt zich op twee parallelle gelijkwaardige sporen, zijnde (1) preventie van regeldruk bij nieuwe regelgeving en wijzigingen en (2) verminderen van bestaande regeldruk. Uitgangspunt van spoor 1 is om in het komende jaar de verplichte onderdelen van de regeldruktoetsing binnen het Beleidskompas aantoonbaar, tijdig en zorgvuldig toe te passen bij alle nieuwe beleids- en wetgevingstrajecten. Voor spoor 2 is de ambitie om substantieel bij te dragen aan het Rijksbrede target van 500 regels, naar verwachting omstreeks 25 regels per jaar. Uiteindelijk is het de ambitie om voor merkbare regeldrukvermindering bij ondernemers en andere partners te zorgen.
3. Beleidsartikelen
3.1 Artikel 21: Land- en tuinbouw
De minister van LVVN streeft naar een weerbaar, veerkrachtig en veilig functionerend land- en tuinbouw- en voedselsysteem, dat internationaal concurrerend is, met aandacht voor dierenwelzijn, waarbinnen zorgvuldig wordt omgegaan met natuurlijke hulpbronnen en waar opbrengsten en reststromen zo efficiënt en hoogwaardig mogelijk worden (her)benut.
De minister is verantwoordelijk voor het zorgdragen voor een in ecologisch, maatschappelijk en economisch opzicht verantwoord functionerende land- en tuinbouw en voedselsector. Hiertoe stelt de minister regels op en creëert hij voorwaarden die het mogelijk maken om vermijdbaar verbruik van grondstoffen terug te dringen en om de natuurlijke leefomgeving en de natuurlijke hulpbronnen (waaronder dierenwelzijn) te verbeteren.
De minister is (mede)verantwoordelijk voor:
Stimuleren:
– Het versterken van de sociaaleconomische positie van de agrarische ondernemer als pijler onder een toekomstbestendige sector.
– Het stimuleren van de waardering van voedsel en de productiewijze en de herkomst.
– Het versterken van kringlopen in de land- en tuinbouw en het bevorderen van circulariteit.
– Het stimuleren van verduurzaming van de (dierlijke) productie en de consumptie van dierlijke en plantaardige producten door middel van nieuwe vormen van ketensamenwerking en nieuwe marktstrategieën.
– Het stimuleren van de verbetering van het dierenwelzijn.
– Het breder toepassen van geïntegreerde gewasbescherming door agrarische ondernemers, onder meer door het stimuleren van innovaties, niet-chemische maatregelen en het gebruik van laagrisico middelen.
– Het borgen en verbeteren van plant- en diergezondheid en dierenwelzijn, duurzaam bodembeheer en klimaatvriendelijk energiebeheer en -gebruik in de land- en tuinbouw.
– Het stimuleren van groene economische groei en het bevorderen van transparantie en ketenverantwoordelijkheid in de Nederlandse agro- en voedselketens.
– Het verduurzamen van het mondiale voedselsysteem door het benutten van de internationale positie van Nederland in de agro- en voedselsector.
– Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening, voedselzekerheid en voedselkwaliteit op Europees en mondiaal niveau, evenals het bijdragen aan het Europese en internationale landbouwbeleid.
– Het bieden van zekerheden aan agrarische bedrijven om leningen af te kunnen sluiten bij de bank.
– Het (mede)financieren van ontwikkelingen gericht op verdere verduurzaming van de land- en tuinbouw en veehouderij.
– Het borgen van diervoederveiligheid en tegelijkertijd bijdragen aan (een verdere) verduurzaming van diervoeders.
Regisseren:
– Het borgen van voedselveiligheid. Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor de veiligheid van hun producten en productiewijze. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de minister van LVVN verantwoordelijk voor is.
– De coördinatie en het beheer van het Diergezondheidsfonds (DGF).
– Het stellen van regelgeving op het gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, mest, gewasbescherming, plantveredeling, biologische landbouw en voedselveiligheid.
– Het voeren van regie op de nationale inzet in EU-verband en op bi- en multilaterale samenwerkingen rond land- en tuinbouw en voedselkwaliteit.
– Het regisseren van de onderdelen landbouw en landgebruik van het Klimaatplan.
Er zijn geen beleidswijzigingen in 2027 t.o.v. het voorgaande jaar.
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Verplichtingen | 951.360 | 642.314 | 536.558 | 449.503 | 399.643 | 360.692 | 312.929 |
Uitgaven | 1.500.108 | 977.310 | 380.389 | 365.241 | 334.945 | 263.934 | 229.017 | |
21.1 | Agrarisch ondernemerschap | 0 | 182.766 | 54.283 | 40.878 | 26.327 | 25.787 | 25.037 |
Subsidies (regelingen) | 0 | 88.056 | 26.717 | 8.600 | 4.689 | 4.689 | 4.689 | |
Verdienvermogen | 0 | 88.056 | 26.717 | 8.600 | 4.689 | 4.689 | 4.689 | |
Garanties | 0 | 1.805 | 1.805 | 1.805 | 1.805 | 1.805 | 1.805 | |
Verliesdeclaraties borgstellingskrediet | 0 | 1.805 | 1.805 | 1.805 | 1.805 | 1.805 | 1.805 | |
(Schade)vergoeding | 0 | 4.506 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
PAS-melders | 0 | 4.506 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Opdrachten | 0 | 3.772 | 9.734 | 14.446 | 11.306 | 10.766 | 10.016 | |
Verdienvermogen | 0 | 3.772 | 9.734 | 14.446 | 11.306 | 10.766 | 10.016 | |
Bijdrage aan agentschappen | 0 | 31.100 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Rijksvastgoedbedrijf t.b.v. Nationale Grondbank | 0 | 31.100 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Storting/onttrekking begrotingsreserve | 0 | 53.527 | 16.027 | 16.027 | 8.527 | 8.527 | 8.527 | |
Storting begrotingsreserve apurement | 0 | 52.500 | 15.000 | 15.000 | 7.500 | 7.500 | 7.500 | |
Storting begrotingsreserve borgstellingskrediet | 0 | 1.027 | 1.027 | 1.027 | 1.027 | 1.027 | 1.027 | |
21.2 | Agroketens | 0 | 707.208 | 151.798 | 155.177 | 145.142 | 133.386 | 123.443 |
Subsidies (regelingen) | 0 | 640.523 | 127.994 | 133.487 | 128.499 | 117.452 | 111.014 | |
Veehouderij en dierlijke ketens | 0 | 29.225 | 15.974 | 13.000 | 12.844 | 11.923 | 3.858 | |
Glastuinbouw | 0 | 54.855 | 110.137 | 118.713 | 114.264 | 104.138 | 106.378 | |
Plantaardige ketens | 0 | 12.254 | 1.883 | 1.774 | 1.391 | 1.391 | 778 | |
Vrijwillige beëindiging, verplaatsing en extensivering | 0 | 537.584 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Doelsturing | 0 | 6.605 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Leningen | 0 | 48.112 | 7.055 | 7.272 | 2.922 | 1.835 | 0 | |
Investeringsfonds Duurzame Landbouw | 0 | 40.000 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Overige leningen | 0 | 8.112 | 7.055 | 7.272 | 2.922 | 1.835 | 0 | |
Opdrachten | 0 | 1.608 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Plantaardige ketens | 0 | 1.500 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Doelsturing | 0 | 108 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Bijdrage aan ZBO's/RWT's | 0 | 16.965 | 16.249 | 12.918 | 12.221 | 12.552 | 12.429 | |
College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden | 0 | 5.005 | 1.541 | 1.511 | 1.468 | 1.431 | 1.418 | |
Raad voor de Plantenrassen | 0 | 1.200 | 1.532 | 1.496 | 1.450 | 1.413 | 1.399 | |
Keuringsdiensten | 0 | 10.760 | 13.176 | 9.911 | 9.303 | 9.708 | 9.612 | |
Bijdrage aan medeoverheden | 0 | 0 | 500 | 1.500 | 1.500 | 1.547 | 0 | |
Overige bijdrage aan medeoverheden | 0 | 0 | 500 | 1.500 | 1.500 | 1.547 | 0 | |
21.3 | Mestbeleid | 0 | 17.832 | 86.913 | 84.609 | 90.903 | 37.623 | 30.679 |
Subsidies (regelingen) | 0 | 17.832 | 66.913 | 64.609 | 70.903 | 37.623 | 30.679 | |
Aanpak mestmarkt | 0 | 17.832 | 66.913 | 64.609 | 70.903 | 37.623 | 30.679 | |
Opdrachten | 0 | 0 | 20.000 | 20.000 | 20.000 | 0 | 0 | |
Regulier mestbeleid | 0 | 0 | 20.000 | 20.000 | 20.000 | 0 | 0 | |
21.4 | Diergezondheid en dierenwelzijn | 0 | 46.011 | 55.473 | 55.418 | 43.515 | 43.464 | 29.478 |
Subsidies (regelingen) | 0 | 8.238 | 5.744 | 5.492 | 4.212 | 4.212 | 4.250 | |
Dierenwelzijn | 0 | 8.238 | 5.744 | 5.492 | 4.212 | 4.212 | 4.250 | |
Opdrachten | 0 | 23.986 | 35.055 | 35.316 | 24.771 | 24.787 | 10.788 | |
Diergezondheid | 0 | 6.286 | 7.522 | 7.299 | 7.033 | 7.036 | 5.100 | |
Dierenwelzijn | 0 | 17.700 | 27.533 | 28.017 | 17.738 | 17.751 | 5.688 | |
Bijdrage aan ZBO's/RWT's | 0 | 2.597 | 2.568 | 2.504 | 2.426 | 2.359 | 2.334 | |
Centrale Commissie Dierproeven | 0 | 2.597 | 2.568 | 2.504 | 2.426 | 2.359 | 2.334 | |
Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken | 0 | 11.190 | 12.106 | 12.106 | 12.106 | 12.106 | 12.106 | |
Diergezondheidsfonds | 0 | 11.190 | 12.106 | 12.106 | 12.106 | 12.106 | 12.106 | |
21.5 | Voedselbeleid | 0 | 23.493 | 31.922 | 29.159 | 29.058 | 23.674 | 20.380 |
Subsidies (regelingen) | 0 | 6.904 | 7.391 | 6.884 | 6.713 | 6.863 | 4.839 | |
Integraal voedselbeleid | 0 | 6.904 | 7.391 | 6.884 | 6.713 | 6.863 | 4.839 | |
Opdrachten | 0 | 6.373 | 12.642 | 11.884 | 11.910 | 6.133 | 4.863 | |
Integraal voedselbeleid | 0 | 6.373 | 12.642 | 11.884 | 11.910 | 6.133 | 4.863 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 0 | 10.216 | 11.889 | 10.391 | 10.435 | 10.678 | 10.678 | |
FAO en overige contributies | 0 | 10.216 | 11.889 | 10.391 | 10.435 | 10.678 | 10.678 | |
Ontvangsten | 110.875 | 71.404 | 25.747 | 25.747 | 25.747 | 25.747 | 25.747 | |
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Ontvangsten | 110.875 | 71.404 | 25.747 | 25.747 | 25.747 | 25.747 | 25.747 |
21.1 | Agrarisch ondernemerschap | 0 | 40.552 | 9.758 | 9.758 | 9.758 | 9.758 | 9.758 |
Ontvangsten | 0 | 40.552 | 9.758 | 9.758 | 9.758 | 9.758 | 9.758 | |
Ontvangsten ZBO's/RWT's | 0 | 2.300 | 2.300 | 2.300 | 2.300 | 2.300 | 2.300 | |
Provisies borgstellingskrediet | 0 | 1.800 | 1.800 | 1.800 | 1.800 | 1.800 | 1.800 | |
Onttrekking begrotingsreserve borgstellingskrediet | 0 | 25.000 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Onttrekking begrotingsreserve landbouw | 0 | 700 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Verkoop gronden Nationale Grondbank | 0 | 5.094 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Overige ontvangsten | 0 | 5.658 | 5.658 | 5.658 | 5.658 | 5.658 | 5.658 | |
21.2 | Agroketens | 0 | 11.443 | 2.180 | 2.180 | 2.180 | 2.180 | 2.180 |
Ontvangsten | 0 | 11.443 | 2.180 | 2.180 | 2.180 | 2.180 | 2.180 | |
Terugontvangen subsidievoorschotten | 0 | 10.930 | 1.667 | 1.667 | 1.667 | 1.667 | 1.667 | |
Overige ontvangsten | 0 | 513 | 513 | 513 | 513 | 513 | 513 | |
21.3 | Mestbeleid | 0 | 6.709 | 2.209 | 2.209 | 2.209 | 2.209 | 2.209 |
Ontvangsten | 0 | 6.709 | 2.209 | 2.209 | 2.209 | 2.209 | 2.209 | |
Monitoring en handhaving mestbeleid | 0 | 6.709 | 2.209 | 2.209 | 2.209 | 2.209 | 2.209 | |
21.4 | Diergezondheid en dierenwelzijn | 0 | 12.700 | 11.600 | 11.600 | 11.600 | 11.600 | 11.600 |
Ontvangsten | 0 | 12.700 | 11.600 | 11.600 | 11.600 | 11.600 | 11.600 | |
Identificatie en Registratie | 0 | 6.300 | 5.200 | 5.200 | 5.200 | 5.200 | 5.200 | |
Ontvangsten ZBO's/RWT's | 0 | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | |
Overige ontvangsten | 0 | 5.900 | 5.900 | 5.900 | 5.900 | 5.900 | 5.900 |
Budgetflexibiliteit
Geschatte budgetflexibiliteit | 2027 |
|---|---|
juridisch verplicht | 33,4% |
bestuurlijk gebonden | 61,9% |
beleidsmatig gereserveerd | 4,7% |
nog niet ingevuld/vrij te besteden | 0,0% |
21.1 Agrarisch ondernemerschap
Subsidies
Verdienvermogen
Het geraamde subsidiebudget voor «Verdienvermogen» in 2027 bedraagt € 26,7 mln.
Voor de Subsidieregeling Emissieloos Landbouwmaterieel wordt € 19,5 mln. geraamd in 2027. Deze middelen zijn bestemd voor de uitfinanciering en uitvoering van deze regeling die in 2026 is opengesteld met een subsidieplafond van aanvankelijk € 8,6 mln., maar wegens succes is verhoogd. Dit budget is beschikbaar gesteld uit het Klimaatfonds voor het investeren in elektrische landbouwmachines en tractoren om zo te besparen op dieselverbruik.
Daarnaast wordt € 5,6 mln. beschikbaar gesteld voor landbouwers als gedeeltelijke tegemoetkoming voor de premie die zij betalen voor de Brede Weersverzekering. De Brede Weersverzekering verzekert landbouwers tegen schade aan gewassen door extreme en ongunstige weersomstandigheden, zoals storm, hagel, regenval of droogte.
Tot slot is er € 1,5 mln geraamd voor verscheidene kleinere projecten waaronder voor voorbereidende werkzaamheden voor oprichting van een Publiek Privaat Orgaan (PPO), een productschap 2.0.
Garanties
Verliesdeclaraties borgstellingskrediet
Bij verliesdeclaraties borgstellingsfaciliteit worden uitgaven op afgegeven borgstellingen zichtbaar. Deze uitgaven doen zich voor wanneer een agrariër die gebruik maakt van de borgstellingsregeling failliet gaat. Hiervoor is op de LVVN-begroting in 2027 in totaal € 1,8 mln. geraamd. Meer informatie over risicoregelingen en garanties is te vinden in paragraaf 2.5 Overzicht risicoregelingen.
Opdrachten
Verdienvermogen
Het geraamde opdrachtenbudget voor «Verdienvermogen» in 2027 bedraagt € 9,7 mln. Onderdeel hiervan is de inzet op vitale infrastructuur, waaronder de implementatie en uitvoering van de Cyberbeveiligingswet en de Wet Weerbaarheid Kritieke Entiteiten die respectievelijk voortkomen uit de NIS2- en CER-richtlijnen en die beogen de digitale- en fysieke weerbaarheid van onder andere de levensmiddelenindustrie te vergroten. Daarnaast worden maatregelen genomen voor het verhogen van de maatschappelijke weerbaarheid van de voedselvoorziening. Ook worden activiteiten gefinancierd die bijdragen aan de kennisbasis van de economische ontwikkelingen in de agrarische sector, het verbeteren van het verdienvermogen van de boer, de inzet op het versterken van de positie van de boer in de keten en de uitvoering van de Wet Oneerlijke Handelspraktijken. In het verbeteren van het verdienvermogen van de agrarische ondernemer is de bijdrage van ketenpartijen zoals toeleveranciers, verwerkende voedselindustrie, retail en banken (vanuit ieders taak en verantwoordelijkheid) van groot belang. Vandaar dat de huidige inzet op de ketenaanpak gecontinueerd wordt waaronder het maken van ketenafspraken over vergoedingen voor duurzaamheidsinitiatieven op het boerenerf.
Storting begrotingsreserve
Storting begrotingsreserve apurement
Er wordt jaarlijks door LVVN € 15 mln. in de begrotingsreserve Apurement gestort voor eventuele financiële correcties van de Europese Commissie (EC) vanwege niet-EU-conforme uitvoering van EU-subsidieregelingen.
Storting begrotingsreserve borgstellingskrediet
LVVN verleent via de borgstelling MKB-Landbouw- en Visserijkredieten (BLV) steun aan ondernemers in de primaire sector (land- en tuinbouw en visserij en aquacultuur). Dit gebeurt middels het gedeeltelijk borg staan voor leningen die banken en/of andere financiers verstrekken aan agrariërs. Hierdoor wordt de financiering mogelijk gemaakt van investeringen die in de markt niet vanzelfsprekend tot stand komen. De raming voor de benodigde LVVN-bijdrage aan de begrotingsreserve voor de borgstellingsfaciliteit betreft € 1,0 mln. per jaar, conform het Toetsingskader Risicoregelingen voor de BLV (Kamerstuk 32 637, nr. 699).
21.2 Agroketens
Subsidies
Veehouderij en dierlijke ketens
Het geraamde subsidiebudget voor «Veehouderij en dierlijke ketens» bedraagt in 2027 € 16,0 mln.
Voor klimaatvriendelijke veehouderij is in 2027 circa € 9 mln. gereserveerd. Dit wordt beschikbaar gesteld voor onderzoek, pilots en netwerken van praktijkbedrijven om samen met de sector ervaringen op te doen op het boerenerf op het gebied van emissiereductie en hiervoor concreet handelings perspectief te ontwikkelen.
Er is in 2027 circa € 2,7 mln. beschikbaar voor diverse subsidies die als doel hebben het stimuleren van ketenbrede verduurzaming in alle veehouderijsectoren (varkens, geiten, schapen, kalveren, melkvee, pluimvee, konijnen, vleesvee, paarden en insecten). Het gaat om subsidies aan sector-, keten en maatschappelijke partijen voor de uitvoering van projecten die onder steunend zijn aan de beleidsontwikkeling op het gebied van de veehouderij.
Voor de subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) is in 2027 circa € 2,3 mln. gereserveerd voor het nakomen van reeds aangegane verplichtingen uit eerdere openstellingen van zowel de innovatiemodule als de investeringsmodule van deze subsidieregeling.
Tot slot wordt er circa € 2,0 mln. beschikbaar gesteld voor de stimulering van het gebruik van emissiearm veevoer.
Glastuinbouw
Het geraamde subsidiebudget voor «Glastuinbouw» in 2027 bedraagt € 110,1 mln. Met dit bedrag wordt met het programma Kas als Energiebron ingezet op verduurzaming van de glastuinbouwsector. Dit programma ondersteunt de opschaling en vroege marktintroductie van integrale innovatieve teelt- en kas(techniek) concepten en gebiedsgerichte energie-innovaties in de glastuinbouw passend bij een klimaatneutrale toekomst. Het gaat hierbij in 2027 specifiek om vier onderwerpen:
– Subsidie Warmte infrastructuur Glastuinbouw (SWIG): In 2027 is circa € 45,3 mln. beschikbaar om via de SWIG de aanleg van warmte distributienetten te stimuleren en zo een transitie naar duurzamere energievoorziening te ondersteunen
– Energie-efficiëntieglastuinbouw (EG): voor deze regeling is in 2027 circa € 44,0 mln. beschikbaar voor investeringen in energiebesparende maatregelen en aansluitingen op regionale warmte- en CO2-netten.
– Innovatieagenda energie inclusief de regeling onderzoek Kas als Energiebron circa € 13,2 mln. in 2027: het programma Kas als Energiebron ondersteunt kennis- en innovatie-ontwikkeling, proof of principle-onderzoek, demonstraties voor verbreden en verdiepen van «Het nieuwe Telen» en klimaatneutrale(re) teelsystemen, elektriciteits- en CO2-besparing, kassystemen, kennisuitwisseling, en de gebiedsaanpak.
– Markintroducties energie-innovaties (MEI): voor deze regeling is een budget van circa € 7,6 mln. beschikbaar in 2027 met als doel investeringen in de vroege marktintroductie van energie-innovaties in de glastuinbouw.
Plantaardige ketens
Het geraamde subsidiebudget voor «Plantaardige ketens» in 2027 bedraagt € 1,8 mln.
Hiervan heeft circa € 1 mln. betrekking op een aantal kleinere projecten, voor weerbare planten en teeltsystemen en het Nationaal Programma Landbouwbodems.
Daarnaast wordt hiermee invulling gegeven aan diverse kleinere projecten op gebied van plantgezondheid. Hiervoor is € 0,8 mln. geraamd.
Leningen
Overige leningen
Voor overige leningen in 2027 is € 7,1 mln. geraamd voor de stimulering van biobased teelt. Dit wordt met name ingezet voor leningen via het Groenfonds, waarbij boeren in samenwerking via koolstofcertificaten extra inkomsten genereren als ze vezelgewassen telen die vervolgens als verwerkt product in de bouw langdurig CO2 opslaan. Koolstofcertificaten kunnen vervolgens door andere partijen worden opgekocht om hun CO2-uitstoot te verantwoorden.
Bijdragen aan ZBO / RWT
College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden
De ministeries van LVVN, IenW, SZW en VWS geven opdrachten aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) voor het geven van beleidsadviezen en het afhandelen van bezwaar- en beroepschriften en verzoeken in het kader van de Wet open overheid (Woo). Op de LVVN-begroting is in 2027 € 1,5 mln. gereserveerd voor de bijdrage aan het Ctgb.
Raad voor Plantenrassen
Aan de Raad voor Plantenrassen wordt in 2027 € 1,5 mln. ter beschikking gesteld om uitvoering te geven aan diverse wettelijke verplichtingen. Dit betreft onder meer het inrichten en uitgeven van rassenlijsten en methodiekontwikkeling voor het uitvoeren van proeven bij plantenrassen.
Keuringsdiensten
Voor Keuringsdiensten is in 2027 in totaal € 13,2 mln. geraamd. Dit betreft de LVVN-bijdrages aan diverse privaatrechtelijke zelfstandige bestuursorganen (COKZ, KCB, NAK, Naktuinbouw, SKAL). Het gaat dan met name om niet-retribueerbare kosten die ten laste komen van LVVN. Daarnaast worden beleidsondersteunende taken of opdrachten voor de keuringsdiensten door LVVN gefinancierd, zoals de toolbox kwekersrecht.
Bijdrage aan medeoverheden
Overige bijdrage aan medeoverheden
Voor de uitvoering van de Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging (MGB) wordt er € 0,5 mln. geraamd. Dit geldt wordt beschikbaar gesteld aan de provincies middels een decentralisatie uitkering.
21.3 Mestbeleid
Subsidies
Aanpak mestmarkt
Het geraamde subsidiebudget voor «Mestbeleid» in 2027 bedraagt € 66,9 mln.
Met projecten mestbeleid wordt uitvoering gegeven aan het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn in aanloop naar het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn en het reguliere mestbeleid (€ 15,1 mln.). Het budget is bestemd voor de uitvoering van het mestbeleid om aan de Europese verplichtingen (o.a. uitvoering van actieprogramma's Nitraatrichtlijn) te kunnen blijven voldoen. Met het nationale mestbeleid wordt invulling gegeven aan de verplichtingen die volgen uit de Nitraatrichtlijn (91/676/EEG). Ook wordt er een bijdrage geleverd aan de realisatie van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) voor zover het nutriënten afkomstig van de landbouw betreft. Het doel van het mestbeleid is het verbeteren van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater door het bevorderen van een effectief en efficiënt gebruik van meststoffen in de landbouw. Het 7e actieprogramma en het in 2027 vast te stellen 8e actieprogramma bevatten een mix aan instrumenten, zoals doelsturing waterkwaliteit, regulerende (wet- en regelgeving) en stimulerende maatregelen, kennisontwikkeling en -verspreiding en (innovatief) onderzoek, inclusief (praktijk)pilots.
Circulair gebruik van meststoffen (zoals Renure) draagt bij aan het verminderen van mestoverschotten, het verlichten van de druk op de mestmarkt, het beter benutten van waardevolle nutriënten uit dierlijke mest en zorgt voor minder afhankelijkheid van kunstmest. In 2027 wordt de regeling betreffende kunstmestvervanging en mestverwerking voortgezet (€ 10,5 mln.). De subsidieregeling Hoogwaardige mestverwerking richt zich op het stimuleren van de realisatie van grootschalige installaties voor het verwerken van dierlijke mest tot hoogwaardige meststoffen (kunstmestvervangers). Deze regeling is relevant voor het stimuleren en de opschaling van de productie van Renure meststoffen, die vanaf 12 juni 2026 in Nederland toegepast mag worden. Daarnaast zal de subsidieregeling Renure voor kleinschaligere installaties, zoals reeds aangekondigd in de Kamerbrief aanpak mestmarkt (Kamerstuk 33037, nr. 559) worden opengesteld (€ 19,5 mln.). Deze richt zich op o.a. agrariërs en loonwerkers, die niet in aanmerking komen voor de regeling Hoogwaardige Mestverwerking vanwege de vereiste omvang van de installatie in die regeling. Ook deze regeling richt zich op de opschaling van de productie van Renure-meststoffen.
Voor mestvergisting is €11,0 mln. geraamd. Het kabinet zet in op Nederlandse productie van groen gas door mestvergisting onder andere voor een onafhankelijk energievoorziening die minder gevoelig is voor geopolitiek ontwikkelingen. Mestvergisting levert daarnaast een bijdrage aan de reductie van methaanemissies en het versterken van het verdienvermogen van de agrarische sector. Het budget wordt ingezet voor stimulering van mestvergistingsinitiatieven.
Met de subsidieregeling precisiebemesting kunnen emissiearme aanwendingstechnieken aangejaagd worden (€ 10,8 mln.). De regeling beoogt een bijdrage te leveren aan het verder reduceren van ammoniakemissies (veldemissies) bij het uitrijden van (dierlijke) meststoffen.
Opdrachten
Regulier mestbeleid
Het geraamde opdrachtenbudget voor «Regulier mestbeleid» in 2027 is € 20 mln. Dit wordt besteed aan monitoring, toezicht en handhaving op ingezette maatregelen uit het 7e actieprogramma. Toezicht en handhaving van deze maatregelen moet in 2027 voortgezet worden. In het kader van de aanpak mestmarkt is een Taskforce mestmarkt ingericht. Deze inzet is gericht op monitoring van de ontwikkeling van de mestmarkt en specifieke inzet van de uitvoeringspraktijk (RVO, NVWA en NVWA-IOD) en hierop gerichte handhaving. De opgenomen middelen zijn aanvullend op de structurele jaarplanmiddelen voor RVO/NVWA vanuit artikel 24 van de LVVN-begroting voor de reguliere uitvoering van de mestopdracht.
21.4 Diergezondheid en dierenwelzijn
Subsidies
Dierenwelzijn
Het geraamde subsidiebudget voor «Dierenwelzijn» in 2027 bedraagt € 5,7 mln. Dit is bedoeld om het dierenwelzijn van gezelschapsdieren en landbouwhuisdieren te bevorderen. Hiermee worden projecten gesubsidieerd die gericht zijn op het borgen van een goed dierenwelzijn van landbouwhuisdieren in het primaire bedrijf, tijdens transport tot in het slachthuis en het bevorderen van de brandveiligheid van stallen. Voor het verbeteren van het welzijn van gezelschapsdieren is de inzet op het stimuleren van verantwoord houderschap en goede informatievoorziening middels subsidie aan het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren.
Opdrachten
Diergezondheid
Het geraamde opdrachtenbudget voor «Diergezondheid» in 2027 bedraagt € 7,5 mln. Dit bestaat uit voornamelijk uit de kosten voor early warning, monitoring en bewaking van dierziekten en zoönosen. Voor verschillende monitoring projecten levert LVVN een bijdrage van € 6,9 mln., dit bestaat uit onder andere:
– Bekostiging van de exploitatie van het wettelijk register voor diergeneeskundigen bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG). In 2027 trekt LVVN hier € 3,8 mln. voor uit.
– De versterking van de veterinaire beroepsgroep en verbetering van de veterinaire kwaliteitsborging. In dit kader wordt gewerkt aan de opzet van een centrale beroepsorganisatie. In 2027 stelt LVVN € 1 mln. beschikbaar ter ondersteuning van onder andere de opstart en ontwikkeling van deze beroepsorganisatie, de ontwikkeling van professionele standaarden en de opvolging van het marktonderzoek van de ACM.
– De wettelijke bestrijding van de rundveeziekte infectieuze boviene rhinotracheïtis (IBR) treedt per 1 januari 2027 in werking. Voor het toezicht op de naleving door de NVWA is € 0,6 mln. uitgetrokken.
– Early warning, monitoring en bewaking van andere dierziekten en zoönosen via bijdragen die mede namens VWS gedaan worden. Voor verschillende monitoring projecten levert LVVN een bijdrage van € 0,5 mln.
– Het antibioticabeleid is sectorspecifiek en heeft een focus op terug dringen van hooggebruik en het verbeteren van diergezondheid in het algemeen. In 2027 is een totaalbedrag van € 0,5 mln. vrijgemaakt voor activiteiten voor onder andere monitoring en onderzoek, ondersteuning van richtlijnontwikkeling dierenartsen, implementatie van verplichtingen volgend uit de Verordening Diergeneesmiddelen, acties uit het Nederlands Actieplan voor het terugdringen van antimicrobiële resistentie (AMR) en cofinanciering van de Europese samenwerking Joint Action on Antimicrobial Resistance and Healthcare-Associated Infections (JAMRAI).
– Voor Uitvoering van het intensiveringsplan preventie vogelgriep: maatregelen om de kans op vogelgriepuitbraken, evenals de impact daarvan, te verkleinen. LVVN stelt in 2027 € 0,6 mln. beschikbaar voor het traject waarmee wordt toegewerkt naar grootschalige vaccinatie van pluimvee en voor overige preventieve maatregelen.
Dierenwelzijn
Het geraamde opdrachtenbudget voor 'Dierenwelzijn’ in 2027 bedraagt € 27,5 mln. Hiervan is € 16,4 mln. beschikbaar voor dierwaardige veehouderij. Het kabinet werkt, in nauwe samenwerking met de partijen van het convenant ‘Stappen naar een dierwaardige veehouderij’, aan de fasegewijze invoering van dierwaardige veehouderij in 2040. Het doel is te komen tot een veehouderij waarin dieren hun gedragsbehoeften kunnen uitoefenen. Dit gebeurt onder andere met behulp van onderzoek (op basis van de kennisagenda dierwaardige veehouderij), pilots en ketendeals en door het leveren van een bijdrage aan de oprichting van een Autoriteit dierwaardige veehouderij. Deze heeft als doel de ontwikkelingen te monitoren en periodiek te rapporteren. De stappen tot een dierwaardige veehouderij, kunnen verantwoord worden gezet als de daarvoor benodigde randvoorwaarden (waaronder vergunningen, investeringen en verdienvermogen) worden ingevuld en worden bezien in relatie tot alle overige doelen waar het boerenerf mee van doen heeft. Daarnaast is voor de kosten van in beslag genomen goederen er in 2027 € 9,9 mln. beschikbaar. Tot slot is voor de regie van het programma Transitie Proefdiervrije Innovatie en projecten in het kader van dierproeven en alternatieven circa € 1,2 mln. gereserveerd.
Bijdragen aan ZBO / RWT
Centrale Commissie Dierproeven
Voor de bijdrage aan de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) wordt in 2027 circa € 2,6 mln. gereserveerd. CCD verstrekt op basis van een ethische en wettelijke afweging vergunningen voor dierproeven op grond van de Wet op de dierproeven. Ook behandelt ze wijzigingsaanvragen en registreert ze meldingen. De Wet op de dierproeven heeft als uitgangspunt dat er geen dierproeven worden uitgevoerd, tenzij hier goede redenen voor zijn en er geen andere mogelijkheden bestaan om de nodige gegevens te verkrijgen zonder gebruikmaking van dierproeven.
Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken
Diergezondheidsfonds
LVVN levert een bijdrage van € 12,1 mln. aan de begroting van het Diergezondheidsfonds (DGF) voor de bewaking en monitoring van, en voor voorzieningen bij, een dierziekte-uitbraak. Daarbij kan gedacht worden aan vaccins, destructiecapaciteit en bestrijdingsmaterialen. De bijdrage aan de Autoriteit diergeneesmiddelen is eveneens inbegrepen. Meer informatie over het DGF is opgenomen in het begrotingshoofdstuk van het DGF.
21.5 Voedselbeleid
Subsidies
Integraal voedselbeleid
Het geraamde subsidiebudget voor «Integraal voedselbeleid» in 2027 is € 7,4 mln. Hiervan is € 6,3 mln. gericht op de verduurzaming en het toekomstbestendig maken van het voedselaanbod en het beleid op reststromen. Om dit voor elkaar te krijgen wordt ingezet op het verminderen van voedselverspilling, het realiseren van transparantie in de keten, de verduurzaming van het voedselaanbod (in lijn met de schijf van vijf) en het stimuleren van een gezonde en duurzame voedselconsumptie. Instelling- en projectsubsidie aan het Voedingscentrum vormt in het kader van het bovenstaande het grootste onderdeel van de geraamde uitgaven (€ 4,4 mln.). Het Voedingscentrum verstrekt hiermee onafhankelijke voorlichting over duurzaam, gezond en veilig voedsel aan consumenten en professionals en zet zich in op het tegengaan van voedselverspilling bij consumenten, ondersteuning bij eten met de Schijf van Vijf, het verduurzamen van de voedselomgeving en voedseleducatie. Daarnaast is er nog € 1,1 mln. beschikbaar voor kleinere subsidies aan programma's ter bevordering van voedselzekerheid in internationaal verband, zoals het Food Loss programma van de OESO en het FoodFirst programma.
Opdrachten
Integraal voedselbeleid
Het geraamde opdrachtenbudget voor integraal voedselbeleid in 2027 is € 12,6 mln. In 2028 begint in de EU de periode van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK 2028-2034). Voor de voorbereiding van uitvoering en verantwoording van interventies in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in samenwerking met RVO en NVWA is voor drie jaar € 6,8 mln. begroot.
De middelen voor Programma Internationale Agroketens (PIA) (€ 3,3 mln.) worden ingezet voor het versterken van de internationale positie van de Nederlandse agro- en foodsector. De middelen zijn bestemd voor de financiering van diverse kleinschalige projecten wereldwijd, maar ook voor projecten in Nederland zoals voor inkomende handels- en overheidsmissies. Het LVVN Attaché Netwerk vervult hierbij een belangrijke rol.
In 2027 is er voor de borging van voedselveiligheid een bedrag van € 2,1 mln. geraamd. Dit budget wordt ingezet voor de primaire productiefase van de voedselketen en draagt bij aan het verkleinen van de risico’s voor de volksgezondheid, het versterken van het vertrouwen van de consument in voedsel en het versterken van de (internationale) positie van de agrofoodketen. Vanuit dit budget wordt een bijdrage gedaan aan de coördinatie van Codex Committees, specifiek voor het jaarlijkse Codex Alimentarius Commission voor contaminanten in voedsel, waarvan Nederland organisator en permanent voorzitter is. Daarnaast is budget gereserveerd voor een opdracht aan het agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen/Bureau Diergeneesmiddelen voor beleidsadvisering met betrekking tot het diergeneesmiddelenbeleid.
Tot slot is er € 0,5 mln. geraamd voor verscheidene kleinere projecten en onderzoeken
Bijdragen aan (internationale) organisaties
FAO en overige contributies
Voor de jaarlijkse contributies voor internationale organisaties is er in 2027 € 11,9 mln. gereserveerd. De grootste contributie die hieruit bekostigd wordt is die aan de Food and Agriculture Organization of the United Nations (FAO) (€ 9,1 mln.). Daarnaast zijn er middelen gereserveerd voor kleinere contributies aan verschillende internationale organisaties, zoals het United Nations Environment Programme (UNEP).
Ontvangsten
21.1 Agrarisch ondernemerschap
De geraamde ontvangsten betreffen € 9,8 mln.
Ontvangsten ZBO's/ RWT's
Dit betreft een geraamde ontvangst van € 2,3 mln. uit door de Grondkamers geïnde leges. De Grondkamers hebben als doel om goede pachtverhoudingen te bevorderen tussen verpachters en pachters van landbouwgrond. Dit doen zij door nieuwe, gewijzigde of ontbonden pachtovereenkomsten van landbouwgrond te toetsen aan wet- en regelgeving. Hiervoor vragen de Grondkamers een lege voor de uitvoeringskosten.
Provisies borgstellingskrediet
Dit budget omvat ontvangsten uit door agrariërs betaalde provisies voor de door LVVN afgegeven garantstellingen aan banken. Voor 2027 worden de ontvangsten geraamd op € 1,8 mln.
Overige ontvangsten
De overige ontvangsten van circa € 5,6 mln. betreffen voornamelijk ontvangsten van vervallen waarborgsommen bij in- en uitvoercertificaten. RVO verstrekt deze in- en uitvoercertificaten op basis van de Gemeenschappelijke Marktordening. De geraamde ontvangsten vanuit de BES-eilanden betreffen € 0,2 mln.
21.2 Agroketens
De geraamde ontvangsten van € 2,2 mln. worden voor het grootste deel veroorzaakt door het terugvorderen van voorschotten op eerder afgegeven subsidiebeschikkingen.
21.3 Mestbeleid
De geraamde ontvangsten van € 2,2 mln. betreffen met name de boete-inkomsten voor de handhaving van het mestbeleid (€ 1,5 mln.). Daarnaast betreft het de bijdrage van bedrijven voor het derogatiemeetnet binnen het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) ter waarde van € 0,7 mln.
21.4 Diergezondheid en dierenwelzijn
De geraamde ontvangsten betreffen € 11,6 mln.
Identificatie en Registratie
Voor de heffing-inkomsten op grond van de Wet dieren is € 5,2 mln. geraamd.
Ontvangsten ZBO's/ RWT's
Voor ontvangsten van de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) voor de behandeling van vergunningaanvragen en wijzigingen is € 0,5 mln. geraamd.
Overige ontvangsten
De overige ontvangsten op Diergezondheid en dierenwelzijn zijn geraamd op € 5,9 mln.
Toelichting op de begrotingsreserves
Begrotingsreserve Landbouw
De begrotingsreserve Landbouw is bestemd voor omvangrijke uitgaven op het gebied van landbouwbeleid waarvoor het lastig is om een kasritme vast te stellen.
Stand per 1/1/2026 | Verwachte toevoegingen 2026 | Verwachte onttrekkingen 2026 | Verwachte stand per 1/1/2027 | Verwachte toevoegingen 2027 | Verwachte onttrekkingen 2027 | Verwachte stand per 31/12/2027 |
|---|---|---|---|---|---|---|
17,8 | 0,0 | 0,7 | 17,1 | 0,0 | 0,0 | 17,1 |
Begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit
De begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit is gelinkt aan de Borgstelling MKB-Landbouw- en Visserijkredieten (BLV). De begrotingsreserve is bedoeld om verliesdeclaraties te betalen. Deze verliesdeclaraties (bijvoor beeld als gevolg van faillissement) kunnen te zijner tijd voortkomen uit afgegeven garantstellingen op verstrekte kredieten waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw worden gefaciliteerd. Om een garantstelling te krijgen, moet door de ondernemer een provisie worden betaald. Deze provisie-inkomsten plus een jaarlijkse bijdrage vanuit de LVVN-begroting worden in deze reserve gestort. Meer informatie over risicoregelingen en garanties is te vinden in de begrotingsparagraaf Overzicht risicoregelingen.
Op basis van het ingeschatte gebruik in de komende jaren is de benodigde omvang van de begrotingsreserve en de structurele jaarlijkse storting opnieuw geraamd. De jaarlijks benodigde storting is € 1,0 mln., conform het Toetsingskader Risicoregelingen voor de BLV (Kamerstuk 32 637, nr. 699).
Stand per 1/1/2026 | Verwachte toevoegingen 2026 | Verwachte onttrekkingen 2026 | Verwachte stand per 1/1/2027 | Verwachte toevoegingen 2027 | Verwachte onttrekkingen 2027 | Verwachte stand per 31/12/2027 |
|---|---|---|---|---|---|---|
53,3 | 1,0 | 25,0 | 29,4 | 1,0 | 0,0 | 30,4 |
Begrotingsreserve Apurement
De Begrotingsreserve Apurement heeft betrekking op correcties van de Europese Commissie (EC) vanwege niet EU-conforme uitvoering van EU subsidieregelingen. Pas op het moment van ontvangst van een uitspraak van de EC is er sprake van een juridische verplichting.
De verwachte storting in 2027 betreft de vaste jaarlijkse LVVN-bijdrage van € 2,5 mln. plus een incidentele bijdrage van € 12,5 mln. Daarbovenop is ook de afgesproken jaarlijkse bijdrage van de provincies van € 1,0 mln begroot. De onttrekking in 2027 zal afhangen van het verloop en de afwikkeling van non-conformiteitsprocedures van de Europese Commissie (EC).
Stand per 1/1/2026 | Verwachte toevoegingen 2026 | Verwachte onttrekkingen 2026 | Verwachte stand per 1/1/2027 | Verwachte toevoegingen 2027 | Verwachte onttrekkingen 2027 | Verwachte stand per 31/12/2027 |
|---|---|---|---|---|---|---|
61,1 | 78,4 | 0,0 | 139,6 | 16,0 | 0,0 | 155,6 |
Extracomptabele fiscale regelingen
Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota.
Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Kwalitatieve achtergrond informatie per fiscale regeling’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota.
2025 | 2026 | 2027 | |
|---|---|---|---|
Landbouwvrijstelling in de winstsfeer | 1.341 | 1.383 | 1.424 |
EB Verlaagd tarief glastuinbouw | 146 | 139 | 136 |
Btw Verlaagd tarief Sierteelt | 301 | 308 | 314 |
ASB Vrijstelling Brede Weersverzekering | 8 | 8 | 8 |
OVB Vrijstelling cultuurgrond | 318 | 330 | 343 |
3.2 Artikel 22: Natuur, visserij en gebiedsgericht werken
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) streeft naar een sterke en veerkrachtige natuur. Hij streeft naar een duurzame en economisch rendabele visserijsector en voedselproductie op zee en in de grote wateren, en hij draagt via gebiedsgericht werken bij aan het versterken van de brede welvaart.
Verantwoordelijk
– De minister is verantwoordelijk voor het beschermen, versterken en duurzaam benutten van de natuur en biodiversiteit, mede in relatie tot de klimaat-, en stikstofdoelstellingen, in nationaal, EU- en mondiaal verband. Voor de natuurkwaliteit van de Rijkswateren en voor de internationale samenwerking op natuurgebied treedt de minister als eerstverantwoordelijke op.
– De minister is verantwoordelijk voor het versterken van de positie van de Nederlandse voedselproductie op zee en andere wateren en het bevorderen van duurzaamheid, transparantie en ketenverantwoordelijkheid in de Nederlandse visserij- en aquacultuurketen.
– De minister is medeverantwoordelijk voor gebiedsgericht werken, waarbij de LVVN-opgaven in onderlinge samenhang met andere maatschappelijke en regionale opgaven optimaal worden opgepakt om te komen tot een optimale versterking van de brede welvaart.
– De minister voert de regie over de aanpak van regionale knelpunten, in overleg met de Minister van BZK.
– De minister is het aanspreekpunt voor de betrokkenheid van het Rijk bij bodemdaling in het landelijke gebied in relatie tot landbouw, natuur en biodiversiteit en de vitaliteit van het platteland in bredere zin en voor landbouw en landgebruik als onderdeel van het Klimaatplan.
– De minister is op Rijksniveau verantwoordelijk voor de coördinatie van natuurbrandbeheersing en het nationale stelsel van natuurbrandpreventie en -mitigatie.
– De minister is de enkele autoriteit die de visserijcontroleactiviteiten van alle nationale controleautoriteiten coördineert. De minister is ook verantwoordelijk voor de coördinatie van het verzamelen, behandelen en certificeren van de gegevens over de visserijactiviteiten. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de verslaggeving aan, de samenwerking met en het doorgeven van informatie aan de Europese Commissie, het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA), andere lidstaten en, zo nodig, derde landen.
De minister is (mede)verantwoordelijk voor:
Stimuleren:
– Het stimuleren en versterken van de maatschappelijke betrokkenheid bij het beschermen, versterken en duurzaam benutten van natuur en biodiversiteit, op zowel nationaal als internationaal niveau.
– Het bevorderen van behoud en versterken van biodiversiteit in het agrarisch gebied en binnen agroketens.
– Het ondersteunen van het versterken van de positie van de nationale parken.
– Het stimuleren van de inzet van de Nederlandse bos-, natuur- en houtsector in het energie- en klimaatbeleid en het bevorderen van de duurzame bijdrage van bos en natuur aan de groene grondstoffenvoorziening.
– Het stimuleren van maatschappelijke initiatieven in lijn met de LVVN-visie, Nederland Natuurpositief, de agenda Natuurinclusief, het Programma Natuur en het Natuur- en milieubeleidsplan Caribisch Nederland.
– Het bevorderen van een duurzame, innovatieve en rendabele visserij- en aquacultuursector binnen de kaders van het Gemeenschappelijk visserijbeleid (Europees Maritiem, Visserij en Aquacultuur Fonds 2021-2027 (EMFAF)).
Regisseren:
– Het inzetten, samen met medeoverheden en bedrijfsleven, op de totstandkoming van afspraken over het versterken van biodiversiteit, aansluitend op de afspraken uit de EU-Biodiversiteitsstrategie en het mondiale biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity, CBD).
– Het tot uitvoering brengen van de uitvoeringsagenda van de Visie op Voedsel uit Zee en Grote Wateren, om te komen tot een duurzame en robuuste mariene voedselproductie.
– Het tot uitvoering brengen (in samenwerking mete mede-overheden en rijksuitvoeringsorganisaties) van gebiedsgerichte maatregelen uit de plannen van de taskforce voor landbouw, natuur en stikstof.
Uitvoeren:
– Het opstellen en uitvoeren van het natuurplan naar aanleiding van de natuurherstelverordening.
– Het uitvoering geven aan het Nationaal Biodiversiteit Strategie- en actieplan (NBSAP) met het oog op de actiedoelen van het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework (KM-GBF).
– Het met provincies nakomen van afspraken die gemaakt zijn in het Natuurpact en samen met provincies en IenW/RWS monitoren van de toestand van de natuur en biodiversiteit en benutting van natuur op land en in het water.
– Het samen met de provincies opstellen van het gezamenlijke Programma Natuur, waarmee onder andere invulling wordt gegeven aan het ambitiedocument Nederland Natuurpositief en aan de langjarige financiële impuls in het natuurbeleid als gevolg van de stikstofaanpak.
– Het bieden van langjarige zekerheid aan boeren die groenblauwe diensten verlenen als onderdeel van een meer natuurinclusieve bedrijfsvoering
– Het onderhouden en handhaven van onder andere de Omgevingswet en de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming Caribisch Nederland.
– Het voorbereiden en uitvoeren van internationale en in EU-verband gemaakte afspraken over de internationale handel in bedreigde dier- en plantsoorten.
– De implementatie van het Europese exotenbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beheer van invasieve exoten.
– Het uitvoeren van regelingen en programma’s, zoals de natuuronderdelen van de Mariene Strategie waaronder het Noordzeeakkoord en het Programma Noordzee 2022-2027 en het beheer van Kroondomeinen.
– Het samen met provincies uitwerken en uitvoeren van de bossenstrategie en invulling geven aan groenblauwe dooradering.
– Staatsbosbeheer in staat stellen om, in samenhang met haar maatschappelijke omgeving, uitvoering te kunnen geven aan haar (kern)taken, zoals bedoeld in de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer en het Convenant LVVN/Staatsbosbeheer (2014).
Groenblauwe Dooradering
De afgelopen decennia is 60% van het areaal landschapselementen verdwenen. Dit heeft geleid tot een verschraling van het Nederlands Cultuurhistorisch Landschap en een achteruitgang van de biodiversiteit van het landelijk gebied en waardevolle ecosystemen. Groenblauwe Dooradering (GBDA) is een netwerk van natuurlijke landschapselementen zoals heggen, houtwallen en natuurvriendelijke oevers in het landelijk gebied. Deze elementen dragen bij aan biodiversiteit, klimaatdoelen, waterbeheer en een toekomstbestendige landbouw. In 2027 is de inzet van het ministerie van LVVN om te komen tot een gedragen programmatische aanpak in samenwerking met provincies, waterschappen en natuurbeheerders. Het programma richt zich op het borgen, faciliteren en versterken van draagvlak met passende governance structuur, zodat aanleg, beheer, behoud, herstel en monitoring van landschapselementen duurzaam worden ondersteund. Op deze manier kan (o.a.) invulling worden gegeven aan de verplichtingen voortkomend uit artikel 11.2c van de natuurherstelverordening.
Vitaal en toekomstbestendig landelijk gebied
Op initiatief van het ministerie van LVVN loopt er vanaf eind 2025 tot begin 2027 een onderzoek van de OESO naar het Nederlandse platteland en plattelandsbeleid. Op basis van de resultaten van dit onderzoek, de nadere uitwerking met bewoners, organisaties en medeoverheden en een goed beeld van waar mogelijkerwijs regionale effecten optreden, zal in 2027 een actieprogramma worden geconcretiseerd.
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Verplichtingen | 452.612 | 1.045.233 | 796.860 | 613.974 | 649.311 | 659.168 | 516.013 |
Uitgaven | 884.330 | 970.229 | 924.812 | 853.414 | 863.919 | 866.173 | 517.395 | |
22.1 | Natuur en biodiversiteit | 0 | 390.426 | 743.228 | 719.271 | 752.941 | 747.903 | 471.286 |
Subsidies (regelingen) | 0 | 144.899 | 228.780 | 273.189 | 415.284 | 410.533 | 390.501 | |
Natuur en biodiversiteit op land | 0 | 139.647 | 222.536 | 268.176 | 410.486 | 404.575 | 386.609 | |
Natuur en biodiversiteit grote wateren | 0 | 300 | 300 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Natuur en maatschappij | 0 | 4.178 | 5.181 | 4.254 | 4.039 | 5.199 | 3.133 | |
Kroondomeinen | 0 | 774 | 763 | 759 | 759 | 759 | 759 | |
Leningen | 0 | 19.755 | 20.040 | 21.989 | 21.938 | 21.997 | 21.997 | |
Nationaal Groenfonds | 0 | 19.755 | 20.040 | 21.989 | 21.938 | 21.997 | 21.997 | |
Opdrachten | 0 | 83.843 | 132.087 | 166.589 | 64.022 | 66.620 | 26.091 | |
Natuur en biodiversiteit op land | 0 | 56.462 | 84.850 | 91.559 | 29.581 | 38.286 | 11.604 | |
Natuur en biodiversiteit grote wateren | 0 | 19.274 | 41.488 | 70.287 | 31.753 | 25.646 | 11.799 | |
Natuur en maatschappij | 0 | 2.792 | 3.000 | 2.000 | 0 | 0 | 0 | |
Internationale samenwerking | 0 | 5.315 | 2.749 | 2.743 | 2.688 | 2.688 | 2.688 | |
Bijdrage aan ZBO's/RWT's | 0 | 36.429 | 35.239 | 34.489 | 33.494 | 30.649 | 30.057 | |
Staatsbosbeheer | 0 | 36.429 | 35.239 | 34.489 | 33.494 | 30.649 | 30.057 | |
Bijdrage aan medeoverheden | 0 | 103.086 | 325.228 | 221.175 | 216.363 | 216.264 | 800 | |
Caribisch Nederland | 0 | 8.296 | 830 | 800 | 899 | 800 | 800 | |
Specifieke uitkeringen | 0 | 94.790 | 324.398 | 220.375 | 215.464 | 215.464 | 0 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 0 | 2.414 | 1.854 | 1.840 | 1.840 | 1.840 | 1.840 | |
Internationale samenwerking | 0 | 2.414 | 1.854 | 1.840 | 1.840 | 1.840 | 1.840 | |
22.2 | Visserij | 0 | 57.691 | 106.249 | 65.812 | 62.382 | 80.600 | 27.054 |
Subsidies (regelingen) | 0 | 31.208 | 49.734 | 6.797 | 6.974 | 9.108 | 5.122 | |
Duurzame visserij | 0 | 28.397 | 42.766 | 0 | 189 | 2.323 | 0 | |
Europese fondsen visserij | 0 | 2.811 | 6.968 | 6.797 | 6.785 | 6.785 | 5.122 | |
Opdrachten | 0 | 12.363 | 39.112 | 40.887 | 37.768 | 53.991 | 4.934 | |
Duurzame visserij | 0 | 12.363 | 39.112 | 40.887 | 37.768 | 53.991 | 4.934 | |
Bijdrage aan agentschappen | 0 | 14.120 | 17.403 | 18.128 | 17.640 | 17.501 | 16.998 | |
Rijkswaterstaat | 0 | 14.120 | 17.403 | 18.128 | 17.640 | 17.501 | 16.998 | |
22.3 | Landelijk gebied | 0 | 522.112 | 75.335 | 68.331 | 48.596 | 37.670 | 19.055 |
Subsidies (regelingen) | 0 | 5.849 | 17.700 | 17.594 | 17.593 | 12.622 | 7.106 | |
Toekomst landelijk gebied | 0 | 5.849 | 17.700 | 17.594 | 17.593 | 12.622 | 7.106 | |
Opdrachten | 0 | 13.075 | 37.839 | 33.316 | 31.003 | 25.048 | 11.949 | |
Toekomst landelijk gebied | 0 | 13.075 | 37.839 | 33.316 | 31.003 | 25.048 | 11.949 | |
Bijdrage aan agentschappen | 0 | 514 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Overige agentschappen | 0 | 514 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Bijdrage aan ZBO's/RWT's | 0 | 1.949 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Diverse ZBO's | 0 | 1.949 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Bijdrage aan medeoverheden | 0 | 500.725 | 19.796 | 17.421 | 0 | 0 | 0 | |
Specifieke uitkeringen | 0 | 500.725 | 19.796 | 17.421 | 0 | 0 | 0 | |
Ontvangsten | 89.355 | 85.027 | 32.106 | 30.616 | 31.302 | 29.856 | 23.944 | |
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Ontvangsten | 89.355 | 85.027 | 32.106 | 30.616 | 31.302 | 29.856 | 23.944 |
22.1 | Natuur en biodiversiteit | 0 | 71.204 | 20.300 | 17.972 | 17.746 | 17.316 | 16.388 |
Ontvangsten | 0 | 71.204 | 20.300 | 17.972 | 17.746 | 17.316 | 16.388 | |
Landinrichtingsrente | 0 | 18.197 | 16.544 | 14.416 | 14.190 | 13.760 | 12.832 | |
Overige ontvangsten natuur | 0 | 53.007 | 3.756 | 3.556 | 3.556 | 3.556 | 3.556 | |
22.2 | Visserij | 0 | 12.256 | 11.806 | 12.644 | 13.556 | 12.540 | 7.556 |
Ontvangsten | 0 | 12.256 | 11.806 | 12.644 | 13.556 | 12.540 | 7.556 | |
Internationale ontvangsten | 0 | 7.296 | 6.096 | 6.096 | 6.096 | 6.096 | 6.096 | |
Overige ontvangsten visserij | 0 | 3.960 | 2.710 | 1.460 | 1.460 | 1.460 | 1.460 | |
Onttrekking begrotingsreserve visserij | 0 | 1.000 | 3.000 | 5.088 | 6.000 | 4.984 | 0 | |
22.3 | Landelijk gebied | 0 | 1.567 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Ontvangsten | 0 | 1.567 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Diverse ontvangsten | 0 | 1.567 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Budgetflexibiliteit
Geschatte budgetflexibiliteit | 2027 |
|---|---|
juridisch verplicht | 66,1% |
bestuurlijk gebonden | 29,8% |
beleidsmatig gereserveerd | 4,1% |
nog niet ingevuld/vrij te besteden | 0,0% |
22.1 Natuur en biodiversiteit
Subsidies
Natuur en biodiversiteit op land
Het geraamde subsidiebudget voor «Natuur en biodiversiteit op land» in 2027 is € 222,5 mln. Dit betreft voornamelijk het budget van € 168,1 mln. dat geraamd is voor de uitbreiding van het Agrarisch Natuurbeheer in Nederland. De middelen zijn bedoeld voor de uitbreiding van het aantal beheerde hectares, voor het investeren in kennis, alsmede voor de versterking van de gehele keten die betrokken is bij het agrarische natuurbeheer.
Daarnaast wordt er in 2027 € 28,1 mln. geraamd voor (inter)nationaal verplichte monitoring van natuurinformatie en voor de verbetering van het natuurmonitoringstelsel. Het verzamelen van gegevens over planten, dieren en habitats (monitoring) is nodig om de voortgang van het realiseren van (inter)nationale natuurdoelen te kunnen volgen. Verder is deze informatie nodig voor het opstellen van de internationale rapportages op het gebied van natuur en biodiversiteit (waaronder de EU-richtlijnen, de Convention on Biological Diversity, Verdrag van Bern, Verdrag van Bonn en het Waddenverdrag) en om te kunnen voldoen aan de informatiebehoefte voor beoordeling van vergunningaanvragen. De gegevens worden vooral via het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) verzameld. Voor de subsidie voor het NEM is een bedrag van € 4,2 mln. begroot in 2027. Deze subsidie kent een looptijd van 2024 tot en met 2029 en bedraagt maximaal € 25,6 mln. Tot slot verstrekt LVVN een subsidie aan BIJ12 voor het interbestuurlijke Verbeterprogramma VHR-Monitoring, gericht op betere, meer uniforme en gebiedsgerichte data binnen en buiten natuurgebieden, met meer inzicht in effectiviteit van maatregelen, systeemherstel en VHR-doelbereik. Deze subsidie kent een looptijd van 2026 tot en met 2030 en bedraagt maximaal € 40,5 mln. Voor de subsidie aan Bij12 is een bedrag van € 11,2 mln. begroot in 2027.
Verder wordt er € 13,9 mln. geraamd voor het Programma Veenweide. Deze middelen worden onder meer ingezet voor de uitvoering van het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) en onderzoek via het Veenweiden Innovatieprogramma Nederland (VIP-NL). Op basis hiervan vindt op diverse veenweide locaties onderzoek plaats.
Daarnaast wordt er in 2027 € 5,8 mln. geraamd voor de samenwerkingsmaatregel Veenweiden. Het gaat hier om de additionele middelen bovenop de EU-financiering uit het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB). De regeling is gericht op de reductie van ammoniakemissie door extensivering van melkveehouderij- en akkerbouwbedrijven in overgangsgebieden N2000. Het budget is voor ondersteuning van de samenwerking en voor een jaarlijkse vergoeding voor extensivering en voor de bekostiging van aanpassingen aan het watersysteem, die samenhangen met de peilverhoging.
Voor het Aanvalsplan Landschapselementen is er in 2027 € 1,4 mln. geraamd. Hiermee krijgen agrariërs de mogelijkheid landschapselementen zoals bomen, heggen, sloten en kruidenrijke weide- en akkerranden aan te leggen, ter bevordering van agrarische biodiversiteit, klimaatadaptatie, waterdoelen en cultuurhistorisch landschap.
Tot slot is er een totaal van € 5,2 mln beschikbaar voor de uitvoering van de natuurmaatregelen in het stikstofpakket en verscheidene kleinere projecten.
Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren
Het geraamde subsidiebudget voor «Natuur en biodiversiteit Grote Wateren» in 2027 is € 0,3 mln. In het kader van de energietransitie zijn er middelen begroot voor natuur in de Waddenzee, het «Ecologisch Impuls pakket Waddenzee». Deze middelen worden onder andere ingezet voor het project Wij & Wadvogels, het project Waakvogels en het onderzoeksprogramma «Understanding complex pressures on the Wadden Sea & options for action».
Natuur en Maatschappij
Het geraamde subsidiebudget voor «Natuur en maatschappij» in 2027 is € 5,2 mln. Hiervan is € 1,4 mln. beschikbaar voor natuurlijk kapitaal en de vergroening van de financiële sector. De middelen worden ingezet voor het ondersteunen en stimuleren van private partijen, financiële instellingen, overheden en andere maatschappelijke partijen om hiermee aan de slag te gaan en voor het ontwikkelen en ontsluiten van de hiervoor benodigde informatie, ook in internationaal verband. Daarnaast wordt € 2,7 mln. geraamd voor subsidies die gericht zijn op het beter gebruikmaken van de natuur bij de aanpak van maatschappelijke opgaven (nature based solutions). Het geraamde budget wordt ingezet voor de ondersteuning van kansrijke maatschappelijke initiatieven, de opbouw van kennis door ondersteuning van onderzoeken en pilots voor onderbouwing van beleidskeuzes. In 2027 verschuift de inzet van pilots en kennisontwikkeling naar meer onderbouwing van beleidskeuzes en beleidsontwikkeling ten behoeve van het realiseren van NHV doelen via functiecombinaties. Daarnaast heeft LVVN voor de periode 2026 ‒ 2029 een subsidie verstrekt aan het Instituut voor Natuureducatie en duurzaamheid (IVN) voor het coördineren van educatie- en communicatieactiviteiten in de nationale parken. Deze meerjarige subsidie bedraagt maximaal € 5,2 mln. in de periode 2026 ‒ 2029. In 2027 is hiervoor € 1,0 mln. geraamd.
Kroondomeinen
Het Loo is een landgoed van circa 10.400 hectare en bestaat uit twee deelgebieden: de Staatsdomeinen bij Het Loo en het eigenlijke Kroondomein. Bij de Staatsdomeinen bij Het Loo zijn de baten en lasten voor rekening van de Staat. Het eigenlijke Kroondomein (6.700 hectare) wordt, zoals is vastgelegd in de Wet op het Kroondomein, geëxploiteerd door de Kroondrager, waarbij alle baten en lasten voor zijn/haar rekening komen. Het juridisch eigendom berust bij de Staat. Het Rijk heeft voor de periode 2022-2027 een subsidie verstrekt aan de Kroondrager voor beheer- en inrichtingsmaatregelen van het Kroondomein. In 2027 wordt ca. € 0,8 mln. beschikbaar gesteld aan Kroondomein Het Loo voor het natuurbeheer van het Kroondomein. Deze meerjarige subsidie bedraagt maximaal € 4,563 mln. in de periode 2022-2027.
Leningen
Nationaal Groenfonds
In 2027 is er € 20,0 mln. geraamd voor de betaling van de rente op en aflossing van leningen die LVVN heeft uitstaan. Deze leningen zijn in het verleden met tussenkomst van het Nationaal Groenfonds verstrekt voor de realisatie (verwerving en doorlevering van gronden) van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur). Door de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies worden hiervoor geen nieuwe leningen meer aangegaan.
Opdrachten
Natuur en biodiversiteit op land
Het geraamde opdrachtenbudget voor «Natuur en biodiversiteit op land» in 2027 is € 84,9 mln.
Er is € 56,0 mln. geraamd voor de gestegen kosten voor natuurbeheer in het door de provincies uitgevoerde Subsidiestelsel Natuur- en landschapsbeheer.
Daarnaast wordt er € 9,5 mln. geraamd voor opdrachten in het kader van Programma Natuur. Hiermee wordt ingezet op het versterken van de natuur (Kamerstuk 35 334, nr. 82). LVVN heeft via het Programma Natuur meerjarige afspraken met provincies gemaakt. Het gaat daarbij met name om gebiedsgerichte maatregelen die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken en om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats van soorten niet verslechtert. De focus ligt hierbij op systeemherstel van overbelaste stikstofgevoelige natuur.
Daarnaast is er € 7,1 mln. geraamd voor de uitvoering van de Landelijke Aanpak Wolven. Hiermee wordt ingezet op veebescherming, incidentenbestrijding en het delen van kennis over de wolf. Dit zal worden ingezet voor onder andere een landelijk informatiepunt wolf en het landelijk initiatief veebescherming. Een groot deel van deze middelen zal worden overgedragen aan provincies.
Sinds 2020 werken Rijk en provincies samen binnen de Landelijke Bossenstrategie aan de uitbreiding van het areaal bos en het herstellen van het bestaande bosareaal. Deze strategie geeft invulling aan de doelen voor klimaat en verplichtingen voor bossen uit de Natuurherstelverordening (NHV). Hiervoor is in 2027 € 3,8 mln. geraamd. Partijen in dit domein zetten zich gezamenlijk in voor maatregelen die in 2030 tot een klimaatwinst van 0,4 ‒ 0,8 Mton additionele koolstofvastlegging per jaar moeten leiden. Dit door het voorkomen van ontbossing, het vergroten van de vastlegging van koolstof in bestaande bossen en natuur door herstelmaatregelen en de uitbreiding van bos en landschap. Vanaf 2029 wordt hier structureel € 5,0 mln. aan toegevoegd door een ombuiging op de bosbouwvrijstelling.
Onder coördinatie van LVVN wordt gewerkt aan de versterking van natuurbrandbeheersing in Nederland (Kamerstuk 30 821, nr. 336). In 2024 is hiervoor totaal € 70 mln. beschikbaar gesteld en in 2027 is hier nog € 3,1 mln. over op de begroting van LVVN. Sinds 2024 worden jaarlijks middelen ingezet om mens, dier, natuur en de fysieke leefomgeving beter te beschermen tegen natuurbranden. De middelen zijn bestemd voor planvorming, risicobeperkende maatregelen, kennisontwikkeling en innovatie. In 2027 ligt de nadruk op de voortzetting van de ingezette aanpak. Provincies hebben een centrale rol bij gebiedsgerichte planvorming en uitvoering, in samenwerking met gemeenten, veiligheidsregio’s, terreinbeheerders en kennisinstellingen. Ook worden terreinbeheerders ondersteund bij het nemen van maatregelen voor een brandveiliger en weerbaarder landschap. Daarnaast wordt ingezet op de ontwikkeling van een nationaal centrum voor natuurbrandbeheersing.
Er is € 1,8 mln. gereserveerd voor het opdrachtenbudget voor de uitvoering van het Beleidsprogramma Nationale Parken 2024-2030. Deze middelen worden onder andere aangewend voor de opdracht aan Staatsbosbeheer voor het Nationale Parkenbureau. In het kader van de financiele ondersteuning van de nationale parken is in 2026, voor de periode 2027-2030, een bedrag van € 13,5 mln. overgeheveld naar het Provinciefonds, jaarlijks een bedrag van € 3,3 mln.
Het overige opdrachtenbudget voor Natuur en biodiversiteit op land wordt ingezet voor verschillende activiteiten waarvoor LVVN systeemverantwoordelijk is gebleven na de decentralisatie van natuurtaken naar provincies. Zo worden middelen ingezet voor natuurwetgeving, natuurvergunningenverlening, Natura2000-gebieden en voor nationaal soortenbeleid. Het gaat hier om een totaalbedrag van € 3,5 mln. Het Rijk zal voor de periode 2027-2030 een subsidie verstrekken aan SOVON voor verschillende onderzoeken. In 2027 wordt hiervan ca. € 1,1 mln. beschikbaar gesteld aan SOVON. Deze meerjarige subsidie bedraagt maximaal € 4,0 mln. in de periode 2027-2030.
Natuur en biodiversiteit Grote Wateren
Het geraamde opdrachtenbudget voor «Natuur en biodiversiteit Grote Wateren» in 2027 is € 41,5 mln. Het Rijk is verantwoordelijk voor het beschermen en versterken van natuur en biodiversiteit in de grote wateren (het Waddengebied, de Zuidwestelijke Delta, het IJsselmeergebied, de Noordzee, het kustgebied en het rivierengebied). LVVN zorgt ervoor dat het natuurbelang goed is gewaarborgd bij het gebruik en beheer van grote wateren en bij de uitvoering van projecten. Het budget is bestemd voor de volgende activiteiten:
– Versterking Noordzee ecosysteem (€ 32,8 mln.). Natuurversterking Noordzee is gericht op het herstellen en versterken van de biodiversiteit en het ecosysteem van de Noordzee. Dit is noodzakelijk om de effecten van klimaatverandering, verzuring en intensief gebruik van de Noordzee te compenseren, en om een gezonde balans tussen menselijk gebruik en ecologische draagkracht te behouden. Een sterke en veerkrachtige Noordzee is daarmee in het belang van mens en natuur. Natuurversterkingsmaatregelen vinden in eerste instantie plaats binnen beschermde gebieden en windenergieparken, en zijn gericht op het herstel van kritische vogelsoorten, vissen en natuurlijke riffen op de zeebodem. Er wordt ook (internationaal) samenwerking gezocht met andere Noordzeelanden. Ook wordt een subsidieregeling Natuurversterking Noordzee ontwikkeld (beoogde openstelling eerste kwartaal 2027).
– Natuur en biodiversiteit grote wateren (€ 5,7 mln.). Om de natuur een bestendige plaats te geven te midden van ons intensieve gebruik, wordt geïnvesteerd in de veerkracht van het natuurlijk systeem. LVVN werkt gebiedsgericht samen met andere overheden, natuurorganisaties en bedrijven om deze veerkracht en Natura 2000-doelen in de grote wateren te realiseren en doet dat door uitvoering middels de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW).
– Mariene strategie (€ 1,5 mln.). De natuurherstelopgave voor de Noordzee is groot, tegelijkertijd wordt de Noordzee steeds intensiever gebruikt. Het gebruik moet passen binnen de ecologische grenzen. De beleidskaders die moeten borgen dat de natuur herstelt en dat gebruik past binnen de draagkracht van het ecosyteem zijn OSPAR, Natura 2000, de Kaderrichtlijn Marine Strategie (KRM) en het Programma Noordzee 2022 ‒ 2027.
– Wadden (€ 1,2 mln.). LVVN is onder meer verantwoordelijk voor de trilaterale samenwerking tussen Denemarken, Duitsland en Nederland voor de Waddenzee en is tevens de siteholder (voor Nederland) van dit internationale natuurlijk UNESCO Werelderfgoed. LVVN is systeem- verantwoordelijk voor Natura-2000 dat in het gemeenschappelijke Eems-Dollard gebied om bilaterale afstemming vraagt met Duitsland. Tevens is LVVN verantwoordelijk voor de Beheerautoriteit Waddenzee die middels een Integraal Beheerplan de samenhang van het natuur-, vis- en waterbeheer bevordert en versterkt, waarmee de natuurkwaliteit verbeterd wordt.
– Natuurcompensatie Voordelta (€ 0,2 mln.). Compensatie van de bij aanleg van de Tweede Maasvlakte verloren gegane natuur is wettelijk verplicht en urgent. Nadat het Toegangsbeperkend besluit voor Natura 2000-gebied Voordelta is gewijzigd en gepubliceerd, moet hierop worden gehandhaafd en wordt de ontwikkeling van het gebied gevolgd.
Natuur en maatschappij
Voor Natuur en maatschappij wordt in 2027 € 3,0 mln. geraamd. Hiermee worden diverse opdrachten in het kader van de Agenda Natuurinclusief mee gefinancierd.
Internationale samenwerking
Er is € 2,8 mln geraamd wat wordt ingezet voor de uitvoering van acties die zijn overeengekomen in internationale verdragen en Europese en internationale afspraken over biodiversiteit. Bijvoorbeeld het Global Biodiversity Framework, het CITES-verdrag, de Europese exotenverordening en de Convention on Migratory Species (CMS).
Bijdragen aan ZBO/RWT
Staatsbosbeheer
Voor de bijdrage aan Staatsbosbeheer is in 2027 € 35,2 mln. geraamd. De Rijksbijdrage (€ 33,2 mln.) wordt ingezet voor personeelskosten, huisvestingskosten en andere organisatiekosten van Staatsbosbeheer die niet kunnen worden verhaald op andere opdrachtgevers. Deze Rijksbijdrage is bedoeld als bijdrage aan organisatiekosten en aan het beheer van rijksmonumenten en voor specifieke opdrachten van het Rijk, zoals de organisatie van de Boomfeestdag. Voor het reguliere terreinbeheer ontvangt Staatsbosbeheer, net als andere natuurbeheerders, een subsidie van de provincies uit de Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL). Daarnaast wordt er € 2,0 mln. geraamd voor de versterking van de groene boa's.
Bijdragen aan mede-overheden
Caribisch Nederland
Voor Caribisch Nederland is een budget voor 2027 van € 0,8 mln. geraamd. Dit budget wordt ingezet voor onder andere financiële bijdragen aan internationale verdragen, beleidsontwikkeling en monitoring en het beheren van het Saba Bank nationaal park. Overige middelen voor de tweede fase voor het Natuur en milieu beleidsplan worden op artikel 25 verantwoord.
Specifieke uitkering
Voor de aanpak van stikstof en natuur wordt € 324,4 mln. geraamd voor de uitfinanciering van de specifieke uitkering Programma Natuur 2e fase. Hiermee wordt ingezet op het versterken van de natuur (Kamerstuk 35 334, nr. 82). LVVN heeft via het Programma Natuur meerjarige afspraken met provincies gemaakt. Het gaat daarbij om gebiedsgerichte maatregelen die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken en om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats van soorten niet verslechtert. De focus ligt hierbij op systeemherstel van overbelaste stikstofgevoelige natuur.
Bijdragen aan (internationale) organisaties
Internationale samenwerking
In 2027 is er € 1,8 mln. geraamd voor internationale contributieverplichtingen en bijdragen op het terrein van natuur en biodiversiteit. Nederland is partij bij een aantal internationale verdragen die als doel hebben dat de mondiale biodiversiteit en de relatie die dit met de Nederlandse biodiversiteit heeft, behouden blijft. Ondertekening en toetreding bij een verdrag leidt tot contributieverplichting. Er wordt onder andere contributie betaald aan de CBD, CMS, de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES) en de International Union for Conservation of Nature (IUCN).
22.2 Visserij
Subsidies
Duurzame visserij
Het geraamde subsidiebudget voor «Duurzame visserij» in 2027 is € 42,8 mln. Dit is bestemd voor de vrijwillige saneringsregeling voor de garnalenvisserij. De regeling is een wens van de sector en bedoeld om een evenwicht te vinden tussen economisch haalbare visserij en bescherming van het mariene ecosysteem. Verder zal verkend worden of in 2027 een deel van het beschikbare budget kan worden ingezet voor flankerend beleid om de impact van de saneringsregeling op visserijgemeenschappen te verzachten. Daarnaast zijn er middelen bedoeld voor een energie-efficiëntieregeling voor de visserij- en schelpdiersector.
Europese fondsen visserij
Het geraamde subsidiebudget voor «Europese fondsen visserij» in 2027 is € 7,0 mln. Dit betreft middelen voor de nationale cofinanciering van het European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF). Het EMFAF-programma is verbonden met de bredere beleidsagenda voor visserij, aquacultuur en maritieme zaken. De grote uitdagingen zijn het bieden van toekomstperspectief voor de sector, de klimaatopgave en het beschermen van kwetsbare biodiversiteit op zee en andere wateren. De EMFAF-middelen dragen bij aan deze uitdagingen met een breed spectrum van acties en maatregelen, waaronder het geven van steun aan innovaties, investeringen en onderzoek.
Opdrachten
Duurzame visserij
Het geraamde opdrachtenbudget voor «Duurzame visserij» in 2027 is € 39,1 mln. Een groot deel hiervan, € 15,8 mln., wordt ingezet voor het verduurzamen en aanpassen van de visserijsector op de Noordzee. Hiervoor is voor de periode 2023-2030 € 199,0 mln. uit het Klimaatfonds in het kader van Wind op Zee beschikbaar gesteld (Kamerstuk 29 675 nr. 210). In 2027 zijn de middelen bestemd voor de verdere verduurzaming, innovatie en digitalisering van de voedselproductie op de Noordzee. De middelen worden ingezet voor lopend en nieuw onderzoek, opdrachten en subsidieregelingen. Daarnaast zijn middelen gereserveerd voor de uitvoering van de acties opgenomen in de Uitvoeringsagenda Visie op Voedsel uit Zee en Grote Wateren.
Er is in totaal € 50 mln. aan middelen beschikbaar gesteld onder kabinet Schoof voor de periode 2026 ‒ 2033, waarvan € 9,0 mln. voor 2027. De middelen worden ingezet voor het stimuleren van innovatie, investeren in verduurzaming van de visserijsector, toekomstvisie garnalenvisserij, ruimte voor visserij en een versterkte internationale inzet voor de Nederlandse belangen. Hieruit worden in 2027 onder andere het meerjarig onderzoeksprogramma van WMR in het kader van de toekomstvisie garnalenvisserij, de visserijmonitor en de energie-efficiëntie regeling voor de schelpdiersector gefinancierd.
In 2027 is voor Duurzame Blauwe Economie (DBE) Medegebruik € 7,4 mln. begroot. Dit wordt ingezet voor pilots om medegebruik van de ruimte binnen windparken te realiseren en om de ecologische effecten van medegebruik te monitoren en voor onderzoek naar de beschikbare ruimte voor aquacultuur op zee. Ook de Community of Practice Noordzee wordt uit dit budget betaald.
Voor Projecten Visserij is € 2,9 mln. gereserveerd. In 2027 zal de verdere implementatie van de herziene controleverordening plaatsvinden. Daarvoor is € 1,3 mln. geraamd welke onder andere bestemd zijn voor capaciteitsuitbreiding bij de NVWA en RVO in verband met de uitbreiding van de toezichts- en controletaken. Daarnaast zal in 2027 de verdere uitrol van de bestuurlijke boete plaatsvinden. Er is € 1,1 mln. geraamd welke onder andere bestemd is voor de uitvoering van de bestuurlijke boete door de NVWA en de behandeling van bezwaar en beroep bij zowel de NVWA als de Raad voor de Rechtspraak. In verband met het ingroeimodel dat wordt gehanteerd gaan de uitgaven tot en met 2028 geleidelijk omhoog, daarna zullen deze stabiel blijven.
Daarnaast is er in 2027 € 1,5 mln. gereserveerd voor uitgaven in het kader van het Noordzeeakkoord. Het volledige bedrag is gereserveerd voor innovatieve projecten in de visserij- en schelpdiersector en de uitvoering daarvan. Het Visserij Innovatie Netwerk (VIN) wordt ook bekostigd uit dit budget.
Ook is in 2027 € 1,3 mln. begroot voor Kustvisserij, Binnenvisserij en Fondsen. Deze middelen worden ingezet voor verduurzaming van de sector, onderzoek en innovatie. Ook de handhaving en uitvoeringskosten voor eventueel noodzakelijke nadeelcompensatie voor de in te stellen visserijvrije zones bij vismigratiepunten worden hieruit gefinancierd. Om vismigratie te stimuleren is afgelopen jaren veel geïnvesteerd in vismigratievoorzieningen bij stuwen, sluizen en gemalen. Om vismigratie te beschermen zal op deze locaties een visserijvrije zone worden ingesteld. Om de effectiviteit van vismigratie-maatregelen te kunnen vaststellen zal vanuit de middelen voor medegebruik budget worden vrijgemaakt voor een gezamenlijk met Rijkswaterstaat in te richten digitaal detectienetwerk voor migrerende vissoorten.
Bijdragen aan agentschappen
Rijkswaterstaat
In 2027 is er € 17,4 mln. geraamd voor de bijdrage aan de Rijksrederij, onderdeel van Rijkswaterstaat. Deze middelen zijn bestemd voor de levering van schepen, bemanning en diensten voor de uitvoering van visserijonderzoek en beheers- en inspectietaken voor natuur en visserij. Het visserijonderzoek wordt uitgevoerd door Wageningen Marine Research (WMR). De visserijonderzoeken zijn voor een groot deel Wettelijke Onderzoekstaken (WOT).
22.3 Landelijk gebied
Subsidies
Toekomst landelijk gebied
Het geraamde subsidiebudget voor «Toekomst landelijk gebied» in 2027 is € 17,7 mln. Hiervan is € 7,2 mln. beschikbaar voor het financieren van de in voorbereiding zijnde subsidieregeling Sociaal Economische Begeleiding (SEB). Hiermee wordt via regionale samenwerkingsverbanden meerjarige sociaaleconomische begeleiding verstrekt aan agrarische ondernemers gericht op de behoeften van de ondernemers en de opgaven in het landelijk gebied. Daarnaast is er € 7,0 mln. gereserveerd voor Maatwerk. Deze middelen zijn bestemd voor de ondersteuning van agrarische ondernemers die binnen de generieke regelingen onvoldoende perspectief of mogelijkheden vinden, maar waarbij zwaarwegende redenen bestaan om alternatieve oplossingen te overwegen. Sinds 2024 voert LVVN de Maatwerkaanpak uit. Daarbij wordt gekeken of maatwerkoplossingen kunnen worden geboden om individuele ondernemers te ondersteunen bij het reduceren van hun stikstofuitstoot. Maatwerk levert zo een belangrijke bijdrage aan de ondernemersgerichte aanpak en het toekomstperspectief voor ondernemers. Ook wordt € 3,4 mln. geraamd voor de Ecologische Autoriteit. De taak van de Ecologische Autoriteit is om te toetsen of, met het oog op de huidige en beoogde kwaliteit van de beschermde natuur, de essentiële ecologische informatie betrokken is bij de onderbouwing van te nemen besluiten door bevoegde gezagen over natuurdoelanalyses, gebiedsplannen en gebiedsprogramma’s én te adviseren over relevante wetenschappelijke inzichten voor besluitvorming ten aanzien van brede ecologische vraagstukken.
Opdrachten
Toekomst landelijk gebied
Het geraamde opdrachtenbudget voor «Toekomst landelijk gebied» in 2027 is € 37,8 mln. Dit is onder andere bestemd voor de uitvoering en doorontwikkeling Aerius (in totaal € 11,9 mln.), waarvan € 8,7 mln. bestemd is voor structurele kosten zoals beheer, doorontwikkeling, advies en actualisatie. Ook is er € 3,2 mln. van dit budget gereserveerd voor de ontwikkeling van een alternatief voor Aerius, zoals is opgenomen in het coalitieakkoord. Verder is er € 2,3 mln. beschikbaar voor de inzet van de RVO, die ondersteuning, advies en uitvoering biedt voor wettelijke regelingen. Voor de ontwikkeling en uitvoering van data en monitoring is € 2,1 mln. gealloceerd. Ook wordt € 2,0 mln. beschikbaar gesteld voor het verstrekken van onderzoeksopdrachten. Verder wordt er € 1,4 mln. ingezet voor het Informatiepunt Stikstof, dat burgers, ondernemers en overheidsinstanties ondersteunt bij vragen over stikstof en de toepassing van nieuw beleid bij toestemmingsverlening.
Voor de uitvoering van een pilot ondernemingsplan is € 7,8 mln. geraamd. De pilot behelst een manier van werken waarbij overheden aangeven wat de opgave voor de natuur is, en ondernemers komen met een plan hoe ze hun bedrijfsvoering zo willen aanpassen dat toekomstperspectief ontstaat voor zowel ondernemer als de natuur. De pilots vinden plaats in de Peel en de Gelderse Vallei.
Tot slot is er een bedrag van € 9,4 mln. beschikbaar voor diverse opdrachten ter ondersteuning van de gebiedsspecifieke en ondernemersgerichte aanpak. Er wordt onder andere ingezet op actieve participatie vanuit het Rijk in de gebiedsprocessen, kennisdeling, ontwikkeling van tools en het voorzien in expertise en ondersteuning bij ruimtelijke, sociaaleconomische, juridische, financiële en stikstof-, landbouw- en natuurgerelateerde vraagstukken.
Bijdrage aan mede-overheden
Specifieke uitkeringen
Voor Specifieke uitkeringen wordt in 2027 € 19,8 mln. geraamd. € 18,3 mln. hiervan is gereserveerd voor de uitfinanciering van het Agroprogramma Groningen in 2027. Deze specifieke uitkering betreft een aantal maatregelen van de provincie Groningen met als doel het bieden van toekomstperspectief aan agrariërs in het aardbevingsgebied die nadelige effecten van gaswinning uit het Groningenveld hebben ervaren. Het programma heeft een aantal subdoelen, namelijk: de begeleiding van agrariërs bij hun schadeherstel- en versterkingstraject en zaken gerelateerd daaraan, bijdragen aan een toekomstbestendige landbouwsector, voorzien in een financiële faciliteit voor agrarische ondernemingen voor investeringen. Ook is in 2027 € 1,4 mln. beschikbaar voor een bijdrage aan de provincie Zeeland voor een regeling waarmee agrariërs ondersteund kunnen worden in het nemen van zelfvoorzienende maatregelen ten behoeve van zoetwaterbeschikbaarheid.
Ontvangsten
22.1 Natuur en Biodiversiteit
Landinrichtingsrente
De geraamde ontvangsten van € 16,5 mln. voor Landinrichtingsrente in 2027 zijn gebaseerd op geprognosticeerde inkomsten per landinrichtingsproject. Tot aan de start van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) in 2007 werd wettelijke landinrichting uitgevoerd op basis van de Landinrichtingswet. Op grond van deze wet schiet het Rijk de kosten van een landinrichting voor en worden de kosten daarna door de gezamenlijke eigenaren terugbetaald. Dit gebeurt door middel van de zogenaamde landinrichtingsrente waarbij wordt voorzien dat het Rijk in een aflopende reeks nog circa 15 jaar landinrichtingsrente zal ontvangen.
Overige ontvangsten natuur
De geraamde ontvangsten van € 3,8 mln. betreffen onder andere de inkomsten als gevolg van het afsluiten van diverse projecten die via het Groenfonds zijn uitgevoerd, leges voor vergunningaanvragen op basis van de Wet natuurbescherming en terugontvangsten bij diverse subsidiebijdragen.
22.2 Visserij
Internationale ontvangsten
Het grootste deel van de ontvangsten in verband met visserij betreft de geraamde ontvangsten à € 6,1 mln. in het kader van de Europese visserijfondsen. Op de LVVN-begroting worden diverse uitgaven gedaan die vervolgens worden gedeclareerd in Europa en waarvan het Europese deel als ontvangst binnenkomt.
Overige ontvangsten visserij
De geraamde ontvangsten voor «Overige ontvangsten visserij» bedragen € 2,7 mln. in 2027. Dit betreft voornamelijk de huurinkomsten van mosselpercelen.
Onttrekking begrotingsreserve visserij
De raming voor ontvangsten uit het onttrekken begrotingsreserve bedraagt € 3,0 mln. in 2027. Dit bedrag wordt onttrokken uit de begrotingsreserve visserij voor uitgaven op het visserijdomein.
Toelichting op de begrotingsreserve
Begrotingsreserve Visserij
De begrotingsreserve Visserij is bestemd voor uitgaven op de regelingen van het Europees Maritiem, Visserij en Aquacultuur Fonds (EMFAF 2021-2027). Hiermee wordt zeker gesteld dat de nationale cofinanciering, die is vastgesteld in het Operationeel Programma, beschikbaar blijft bij vertragingen in de uitgaven. Dit betreft de bovengenoemde onttrekking à € 3,0 mln. en de uitvoeringskosten EMFAF à € 5,5 mln.
Stand per 1/1/2026 | Verwachte toevoegingen 2026 | Verwachte onttrekkingen 2026 | Verwachte stand per 1/1/2027 | Verwachte toevoegingen 2027 | Verwachte onttrekkingen 2027 | Verwachte stand per 31/12/2027 |
|---|---|---|---|---|---|---|
43,0 | 0,0 | 1,0 | 42,0 | 0,0 | 8,5 | 33,5 |
Extracomptabele fiscale regelingen
Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:
– Vrijstelling bos- en natuurterreinen box 3
– OVB Vrijstelling bij kavelruil
– OVB Vrijstelling natuurgrond
– OVB Vrijstelling bij herverkaveling
Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Kwalitatieve achtergrond informatie per fiscale regeling’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota.
2025 | 2026 | 2027 | |
|---|---|---|---|
Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet | 36 | 38 | 39 |
Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer | 11 | 11 | 11 |
Bosbouwvrijstelling | 52 | 54 | 55 |
3.3 Artikel 23: Kennis en innovatie
Het hoofddoel van het kennis- en innovatiebeleid van de minister van LVVN is het leveren van een bijdrage aan (1) het ontwikkelen van kennis en innovatie (voor beleid en samenleving) en (2) de verspreiding van kennis en van werkende ideeën en oplossingen, voor een toekomstbestendig voedselsysteem, een robuuste natuur en een vitaal platteland.
Beleidsinformatie
LVVN voert op dit moment een traject uit om het aantal indicatoren en kengetallen voor het thema kennis en innovatie dekkend te maken. Dit traject is een gevolg van de periodieke rapportage K&I (2025), waarin werd aanbevolen om het aantal indicatoren uit te breiden om zodoende beter inzichtelijk te maken ‘of’ en ‘in welke mate’ het beleid doeltreffend en doelmatig is op stelselniveau. Een eerste uitkomst om dit te realiseren is de hernieuwde beleidstheorie l (zie bijlage 4). In navolging van de best practice van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Rijksbegroting 2026), heeft LVVN de doelen en subdoelen van het K&I-beleid SMART uitgewerkt (zie in Tabel 5 de opzet waar nu aan wordt gedacht). De doelen worden concreet gemaakt door een set aan meetbare gegevens toe te voegen. Deze meetbare gegevens zijn vooralsnog in concept uitgewerkt. Er is een proces gestart met onderzoeksinstellingen om deze indicatoren waar mogelijk in detail uit te werken waardoor er in de komende jaren (na uitvoeren eerste metingen) mogelijk meer gegevens beschikbaar zullen komen in Bijlage 5. Voor 2027 wordt daarom nog gewerkt met de eerder gedefinieerde indicatoren.
Specifieke doelstelling 1 | Specifieke doelstelling 2 | Specifieke doelstelling 3 |
|---|---|---|
Er is een goed functionerend kennis-, innovatie en onderzoeksinfrastructuur op het terrein van land- en tuinbouw, visserij, voedsel, natuur en landelijk gebied. | Er is voldoende kennis beschikbaar om evidence-informed beleidsadvies te kunnen geven. | Kennisontwikkeling, kennisbenutting, kennisverspreiding (waaronder onderwijs) en (sociale) innovatie worden gerealiseerd. |
Subdoelstellingen | Subdoelstellingen | Subdoelstellingen |
De kennisbasis en onderzoeksinfrastructuur voor landbouw, natuur en voedsel zijn duurzaam geborgd door financiering van Wageningen Research en het in stand houden van een groene kennisinfrastructuur. | Er is structureel hoogwaardige kennis beschikbaar door inzet en verspreiding van onderzoek en innovatie voor beleid gericht op een volhoudbaar voedselsysteem, robuuste natuur en een vitaal platteland. | Groen onderwijs wordt in samenhang met kennis en innovatie ingezet voor maatschappelijke opgaven in landbouw, natuur en platteland. |
Wageningen Research wordt doelmatig aangestuurd via inhoudelijke programmering, subsidieverlening en opdrachtverlening voor het groene domein. | Internationale onderzoeksprogramma’s dragen bij aan de kennisbasis voor maatschappelijke opgaven. | Praktijkgerichte kennisontwikkeling en innovatie in de landbouw worden gestimuleerd via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en het agrarisch kennis- en innovatiesysteem (AKIS). |
Wettelijke onderzoekstaken op het gebied van o.a. voedselveiligheid, dierziekten, natuur en milieu worden structureel uitgevoerd. | Wageningen Research levert door middel van beleidsstudies een continue bijdrage aan beleidsvorming. | Praktijkkennis voor structureel natuurbehoud-en herstel wordt ontwikkeld en toegepast. |
Publiek-private en publiek-publieke samenwerking leidt tot meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s voor Landbouw, Natuur, Water en Voedsel. | ||
Meetbare gegevens | Meetbare gegevens | Meetbare gegevens |
Er wordt onderzocht of de volgende gegevens meegenomen kunnen worden: | Er wordt onderzocht of de volgende gegevens meegenomen kunnen worden: | Er wordt onderzocht of de volgende gegevens meegenomen kunnen worden: |
De mate waarin LVVN-specifieke onderzoeksinfrastructuur hoogwaardig, bruikbaar en beschikbaar is. | De mate waarin domeinkennis hoogwaardig, bruikbaar, beschikbaar en vindbaar voor de doelgroepen van LVVN. | De mate waarin studenten in het groen onderwijs hun opleiding als toekomstgericht en maatschappelijk relevant. |
De wijze waarop de kennisbasis van Wageningen Research gefinancierd wordt. | De mate waarin Kamerbrieven verwijzen naar onderzoek of waarin gebruik van onderzoek is gemaakt. | De mate waarin GLB/visserijmiddelen bijdragen aan kennisverspreiding en praktijkgerichte innovatie. |
De kwaliteit van de uitvoering van de Nederlandse invulling van de Europese wettelijke onderzoekstaken. | De mate waarin natuurkennis voldoende wordt toegepast en er effectieve maatregelen beschikbaar zijn voor natuurbeheer en -herstel. | |
De mate waarin belanghebbende aangeven dat er voldoende kennis en netwerkmogelijkheden beschikbaar zijn om innovatief te ondernemen. | ||
De mate waarin er in de missiegedreven aanpak sprake is van een breed aantal en diversiteit aan partners. |
Rol:
– Er is een goed functionerende kennis-, innovatie en onderzoeksinfrastructuur op het terrein van land- en tuinbouw, visserij, voedsel, natuur en landelijk gebied.
– Er is voldoende kennis beschikbaar om onderbouwd beleidsadvies te kunnen geven.
– Kennisontwikkeling, kennisbenutting, kennisverspreiding (waaronder via onderwijs en educatie) en (technologische en sociale) innovatie worden gerealiseerd.
De minister is (mede) verantwoordelijk voor:
Stimuleren:
– Van de inzet en verspreiding van kennis en innovatie gericht op een toekomstbestendig voedselsysteem, een robuuste natuur, en een vitaal platteland.
– Van de inzet van het groen onderwijs voor de maatschappelijke opgaven: toekomstbestendig voedselsysteem, robuuste natuur, en een vitaal platteland. De minister is hiervoor samen met de minister van OCW als vakminister medeverantwoordelijk.
– Van voedsel-, natuur- en duurzaamheidseducatie richting scholen en breder in de samenleving.
– Van publiek-private samenwerking gericht op het opstellen en (laten) uitvoeren van meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s van de Kennis en Innovatieagenda Landbouw, Water en Voedsel.
– Van internationale samenwerkingsprogramma’s voor onderzoek gericht op de maatschappelijke opgaven: toekomstbestendig voedselsysteem, robuuste natuur, en een vitaal platteland.
Tenslotte worden door de minister van LVVN de volgende (rand)voorwaarden gecreëerd om blijvend de doelen te realiseren en verantwoordelijkheden na te komen:
Regisseren:
– De minister is als penvoerder verantwoordelijk voor de inhoudelijke programmering van Wageningen Research op basis van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek.
– Uitvoeren van wettelijke onderzoekstaken door Wageningen Research gericht op genetische bronnen, voedselveiligheid, besmettelijke dierziekten, economische informatievoorziening, natuur en milieu en visserij.
– Regievoering op de subsidieverlening aan Wageningen Research en de opdrachtverlening RIVM voor het groene domein.
Financieren:
– Het financieren van de kennisbasis van Wageningen Research, op basis van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek.
– Instandhouding van een groene kennis- en (basis)onderzoeksinfrastructuur voor het landbouw-, natuur- en voedseldomein.
Uitvoeren:
– Van interventies voor kennis en innovatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid voor het verspreiden van kennis, het ontwikkelen van praktijkgerichte innovaties in de landbouw en het versterken van het agrarisch kennis- en innovatiesysteem (AKIS).
In 2027 gaat LVVN samen met het bedrijfsleven en de wetenschap verder aan de slag met de uitvoering van de actiegerichte Agrifood Innovatieagenda.
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Verplichtingen | 390.075 | 457.787 | 399.171 | 263.731 | 258.196 | 227.129 | 190.392 |
Uitgaven | 389.917 | 399.363 | 390.989 | 357.573 | 354.052 | 341.928 | 255.531 | |
23.0 | Kennis en innovatie | 389.917 | 399.363 | 390.989 | 357.573 | 354.052 | 341.928 | 255.531 |
Subsidies (regelingen) | 220.359 | 217.383 | 212.228 | 190.530 | 158.390 | 177.556 | 112.382 | |
Beleidsondersteunend onderzoek (Wageningen Research) | 70.280 | 65.537 | 46.258 | 30.492 | 27.416 | 26.406 | 15.024 | |
Missiegedreven kennis- en innovatiebeleid (Wageningen Research) | 47.000 | 52.376 | 47.921 | 57.050 | 53.580 | 54.695 | 45.880 | |
Kennis- en innovatieketen | 103.079 | 43.363 | 59.819 | 48.373 | 39.957 | 36.010 | 22.477 | |
Onderwijs en educatie | 0 | 9.852 | 9.553 | 8.476 | 8.611 | 7.411 | 7.006 | |
Nationaal Groeifonds | 0 | 46.255 | 48.677 | 46.139 | 28.826 | 53.034 | 21.995 | |
Opdrachten | 16.087 | 13.456 | 17.086 | 15.107 | 14.533 | 12.561 | 6.804 | |
Kennis- en innovatieketen | 0 | 2.139 | 6.547 | 5.258 | 5.422 | 5.422 | 3.553 | |
Programmering RIVM | 0 | 11.317 | 10.539 | 9.849 | 9.111 | 7.139 | 3.251 | |
Bijdrage aan agentschappen | 19.087 | 26.101 | 14.139 | 14.143 | 14.597 | 12.008 | 4.586 | |
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu | 19.087 | 26.101 | 14.139 | 14.143 | 14.597 | 12.008 | 4.586 | |
Bijdrage aan ZBO's/RWT's | 134.384 | 142.423 | 147.536 | 137.793 | 166.532 | 139.803 | 131.759 | |
Wageningen Research | 134.384 | 142.423 | 147.536 | 136.674 | 164.300 | 137.576 | 129.534 | |
ZonMw | 0 | 0 | 0 | 1.119 | 2.232 | 2.227 | 2.225 | |
Ontvangsten | 16.012 | 10.539 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | |
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Ontvangsten | 16.012 | 10.539 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | 9.140 |
23.0 | Kennis en innovatie | 16.012 | 10.539 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | 9.140 |
Ontvangsten | 16.012 | 10.539 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | |
Diverse ontvangsten | 16.012 | 10.539 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | 9.140 | 9.140 |
Budgetflexibiliteit
Geschatte budgetflexibiliteit | 2027 |
|---|---|
juridisch verplicht | 95,3% |
bestuurlijk gebonden | 0,0% |
beleidsmatig gereserveerd | 4,7% |
nog niet ingevuld/vrij te besteden | 0,0% |
23.1 Kennis en innovatie
Subsidies
Beleidsondersteunend onderzoek (Wageningen Research)
Het geraamde subsidiebudget voor «Beleidsondersteunend onderzoek» in 2027 is € 46,3 mln. Dit budget bestaat uit een structurele reeks van circa € 20 mln. en wordt jaarlijks aangevuld met budget uit andere begrotingsonderdelen. De aanvullingen zijn nodig voor zowel meerjarige onderzoeksprogramma’s zoals het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid, natuurversterking Noordzee, diverse visserij gerelateerde programma’s en voor kortlopende projecten. De middelen zijn bedoeld voor kennisontwikkeling om LVVN-beleid te onderbouwen en knelpunten in de LVVN-beleidsuitvoering op te lossen. Middels een subsidie op grond van de Subsidieregeling instituten toegepast onderzoek (Subsidieregeling TO2) ontwikkelt Wageningen Research (WR) kennis op een groot aantal LVVN-beleidsthema’s. Het gaat hier veelal om middellange termijn en maatschappelijk urgente dossiers zoals een toekomstbestendig voedselsysteem, natuurherstel en –behoud op land en water, zoetwaterbeschikbaarheid in relatie tot natuur en landbouw, klimaatslim landgebruik, ecologisch verantwoorde gewasbescherming en dierenwelzijn. Zo ondersteunt het meerjarig kennis programma Klimaat het bereiken van de klimaatdoelen voor landbouw en landgebruik met kennis en innovatie. In het kennisprogramma Klimaat zijn deelprogramma's opgenomen voor vermindering van methaanemissie uit de veehouderij, extra koolstofopslag in landbouwbodems, vermindering van veenoxidatie, extra koolstofopslag in bos en natuur en energiebesparing in de landbouw.
Missiegedreven kennis- en innovatiebeleid (Wageningen Research)
Het geraamde subsidiebudget voor «Missiegedreven kennis- en innovatiebeleid» in 2027 is € 47,9 mln. Deze middelen zijn bedoeld voor publiek private samenwerking gericht op de realisatie van de Kennis en Innovatieagenda Landbouw, Water en Voedsel (KIA-LWV). In de programma’s werken kennis- en onderwijsinstellingen, private partijen, maatschappelijke organisaties en overheden samen aan de ontwikkeling, verspreiding en toepassing van kennis en innovatie om de missiedoelen te realiseren. Speciale aandacht gaat naar de verspreiding van kennis naar het midden- en kleinbedrijf. De KIA-LWV 2024-2027 beslaat het hele LVVN-domein en relevante onderwerpen van de ministeries van IenW en VWS. In de KIA-LWV staan de volgende 6 missies centraal:
– Veerkrachtige natuur
– Duurzame land- en tuinbouw
– Vitaal landelijk gebied in een klimaatbestendig Nederland
– Duurzaam en gewaardeerd voedsel dat gezond, toegankelijk en veilig is
– Duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee en andere grote wateren
– Veilige en weerbare delta
De missies krijgen ondersteuning van het sleuteltechnologieprogramma, met aandacht voor slimme technologieën (digitalisering, toepassing van kunstmatige intelligentie en robotisering), veredelingstechnologie en fermentatie en bioconversie. Daarnaast wordt ingezet op cross-over onderwerpen met andere thema's, onder andere op het onderwerp ‘voeding-gezondheid-leefomgeving’. In 2027 wordt de volgende vierjarige periode van het missiegedreven innovatiebeleid voorbereid.
Kennis- en innovatieketen
Het geraamde subsidiebudget voor «Kennis- en innovatieketen» in 2027 is € 59,8 mln. Deze middelen zijn bestemd voor activiteiten op het terrein van kennis en innovatieverspreiding, -versnelling en implementatie. Hiermee worden een aantal activiteiten uitgevoerd, gericht op de ontwikkeling van de landbouw en de natuur in het landelijk gebied. Hierna wordt een toelichting gegeven op activiteiten binnen de kennis en innovatieketen:
– In het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) wordt onderzoek gedaan naar het meten en berekenen van stikstofemissie en depositie. Hiermee wordt de kennisbasis voor het bepalen en monitoren van de stikstofdruk nauwkeuriger en transparanter. In 2027 wordt er € 9,7 mln. ingezet om op meer punten te meten (onder andere in regio Foodvalley), voor het verbeteren en onderhouden van stikstofmodellen en voor innovatieve meetmethoden in aanvulling op de bestaande meetnetten. Het programma maakt gebruik van initiatieven uit de regio's, koppelt ze aan elkaar en bouwt deze verder uit. Voor het onderdeel meetinitiatieven in de regio wordt in 2027 € 6,1 mln. beschikbaar gesteld vanuit het instrument doelsturing.
Binnen het NKS wordt ook gewerkt aan het continu kunnen meten met sensoren van stalemissies. Dit om veehouders te kunnen informeren over hun emissies, te stimuleren tot een lagere emissie of om tot een doelvoorschriftvergunning (vergunning met emissieplafond) te komen.
Vanaf 2028 komt er jaarlijks tot en met 2035 vanuit het stikstoffonds € 6,0 mln. beschikbaar. Hiermee wordt voorzien in de uitvoering en uitbreiding van het meetnet en interpretatie van metingen van stikstof, het onderhouden, ontwikkeling en kwaliteitsborging van de modellering van stikstofdepositie. Deze activiteiten zijn o.a. nodig voor een juridische basis voor het betrouwbaar en nauwkeurig monitoren van stikstof en cijfermatig onderbouwen van het stikstofbeleid.
– Experimenteerlocaties: in 2025 en 2026 zijn de eerste experimenteerlocaties gestart, die ook in 2027 worden ondersteund. Op experimenteerlocaties werken boeren en kennisinstellingen aan het doorontwikkelen van innovaties zodat deze beter aansluiten bij de dagelijkse praktijk van het boerenerf. In 2027 wordt een derde ronde van de subsidieregeling experimenteerlocaties (SREL) georganiseerd met middelen uit het stikstoffonds. Hiermee kunnen we additionele experimenteerlocaties ondersteunen om tot een landelijk netwerk te komen. Via het nationale platform agrarische experimenteerlocaties brengen we de locaties samen om kennis te delen. Voor de subsidieregeling experimenteerlocaties (SREL) en het Nationale Platform Agrarische Experimenteerlocaties is in 2027 € 12,3 mln. beschikbaar.
– De Vereniging Agrarische Bedrijfsadviseurs (VAB): Voor het beheer en doorontwikkeling van het bedrijfsadviseringssysteem (BAS register), het register voor permanente educatie voor BAS adviseurs en voorlichtingstaken en kennisverspreiding binnen het Agrarisch Kennis- en Innovatiesysteem (AKIS) wordt in 2027 € 0,2 mln. uitgetrokken.
– Stichting Agractie ontvangt voor de organisatie van de Ontmoet de Boer Markt in 2027, 2029 en 2031 voor elke editie maximaal € 80.000.
– Voor de Subsidiemodule Agrarische Bedrijfsadvisering en Educatie (SABE-regeling) is voor kennisoverdracht naar het boerenerf in 2027 € 2,1 mln beschikbaar.
– Actieprogramma Digitalisering: in 2027 is € 8,8 mln beschikbaar, bedoeld om met behulp van digitale technologieën belangrijke kansen te creëren voor een toekomstbestendige landbouw, visserij, voedselproductie en een veerkrachtig natuurlijk milieu. Dit omvat onder meer het opzetten van een AI-ecosysteem om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken, en het ondersteunen van innovatieve partnerschappen die gericht zijn op het bevorderen van digitalisering en robotisering in de land- en tuinbouw. Daarnaast werkt LVVN verder aan het beschikbaar stellen van open (satelliet)data, het maken van afspraken over datadelen en –standaarden, het waarborgen van voldoende digitale vaardigheden bij gebruikers, het opbouwen van veerkracht tegen cyberbeveiligingsrisico's en, waar nodig, het ontwikkelen van nieuwe kennis of het faciliteren van investeringen.
– Innovatieprogramma ‘Robots naar de boerenpraktijk’: De uitvoering van dit programma wordt in 2027 verder opgeschaald. In 2027 is € 3,5 mln. uitgetrokken voor: telers die onder begeleiding ervaring kunnen opdoen met robots en drones op hun eigen bedrijf, wetenschappelijk onderzoek naar nieuwe en effectieve inzet van robotdiensten, marktgestuurde innovaties door een groot aantal gehonoreerde projecten via de EIP-regeling. De onderwijssector werkt daarnaast via het Groenpact aan nieuwe robotica-opleidingen. Samenwerking met de sector wordt georganiseerd op basis van het nieuwe Manifest Innovatie van LTO-NL en partners. Daarnaast is er budget beschikbaar voor samenwerking op internationaal gebied.
– OBN Natuurkennis: voor de periode 2025-2030 is er totaal € 7,4 mln. beschikbaar gesteld meerjarig voor Vereniging van Bos en Natuurterreineigenaren (VBNE) waarvan € 0,8 mln. betrekking heeft op 2027. Daarnaast is het voornemen voor de periode 2027-2028 maximaal € 3,5 mln., extra beschikbaar te stellen aan de VBNE, waarvan maximaal € 1,6 mln. in 2027. Deze middelen worden via een meerjarige subsidie aan VBNE verstrekt. OBN Natuurkennis is een onafhankelijk platform waar beheer, beleid en wetenschap samenwerken op het gebied van natuurherstel en natuur beheer. Het kennisnetwerk ontwikkelt, bundelt en verspreidt kennis over strategieën en maatregelen voor het structureel herstel en beheer van natuurkwaliteit. De resultaten zijn bruikbaar voor zowel terreinbeheerders als provincie- en rijksambtenaren.
– De Stichting Dutch Agri Food Week organiseert jaarlijks in oktober De Week van Ons Eten. Met verschillende events, online en fysiek in heel Nederland, wordt de kennis van de consument over herkomst en waarde van ons voedsel vergroot, wordt de relatie boer/tuinder/visser/ voedsel producent en de consument versterkt en wordt het belang van deze sectoren voor de Nederlandse economie onder de aandacht gebracht. Daarnaast is er aandacht voor het werken en leren in de groene sectoren. Dit gebeurt op verschillende manieren door kennisoverdracht, dialoog, proeven, inspireren en beleven. Voor 2027 is er € 0,25 mln. geraamd.
– Internationale partnerschappen: binnen het Europese onderzoeksprogramma worden lidstaten gestimuleerd om samen een partnerschap te voeren op een thema. LVVN is deelnemer aan acht partnerschappen op gebied van biodiversiteit, water, oceanen, diergezondheid, agro ecologie, digitalisering, voedsel en bio-economie. Tegenover de inzet vanuit Nederland van € 5,9 mln. geeft de EU een bijdrage van 30 tot 50%.
Onderwijs en educatie
Het geraamde subsidiebudget voor «Onderwijs en educatie» in 2027 is € 9,6 mln.:
– Voor onderwijs is in 2027 € 4,7 mln. beschikbaar. Dit betreft onder andere de uitvoering van Groenpact, de basisinfrastructuur (CoE Groen, CIV Groen en Groen Kennisnet), het programma praktijkkennis voedsel en groen (HBO en MBO), onderwijs en de Week van Ons Eten en de Duurzame School. In Groenpact werkt LVVN samen met onderwijs- en kennisinstellingen, het bedrijfsleven (werkgevers- en werknemers) en maatschappelijke organisaties in het groene domein. Er wordt gewerkt aan de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, de vernieuwing van het onderwijs en innovaties in de beroepspraktijk. In de huidige fase van Groenpact die in 2026 is gestart wordt ingezet op een goede aansluiting van leren en ontwikkelen op de arbeidsmarkt, toekomstbestendig én duurzaam ondernemen, onder meer door nieuwe verdienmodellen, nieuwe technologie, die ook bijdraagt aan waardevol werk en vakmanschap, en toekomstontwerpen en groen leiderschap.
– In 2027 zet LVVN in op voedsel-, natuur- en duurzaamheidseducatie, via het onderwijs maar ook op andere manieren. Dit betreft met name het programma Jong Leren Eten (JLE) en de Duurzame School. Voor JLE is in 2027 € 4,9 mln. beschikbaar om te werken aan de verdere borging van voedseleducatie, met in 2027 de nadruk op ervaringsgerichte activiteiten, zoals koken, boerderijeducatie en schooltuinieren. Alliantie Schooltuinen ontvangt voor de ondersteuning en borging van schooltuinieren jaarlijks € 0,3 mln. Agractie ontvangt voor Boer in de Klas voor de schooljaren 2026/2027 en 2027/2028 maximaal € 160.000. LVVN is onderdeel van de rijksbrede werkgroep Duurzame School. In dit kader heeft de Coöperatie Leren voor Morgen (LvM), die bestaat uit leden die zich inzetten voor duurzaamheid in het onderwijs, voor de periode 2026-2029 subsidie toegekend gekregen voor het organiseren van netwerken in het onderwijs. Ook de vereniging Gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling (GDO) ontvangt een subsidie voor de periode 2026-2029, om de lokale centra voor natuur en duurzaamheid te verbinden aan de LVVN-opgaven.
– Om meer inzet van sociale innovatie binnen het LVVN domein te waarborgen en mens en maatschappij te betrekken bij de maatschappelijke opgaven van LVVN wordt met RVO een aanpak sociale innovatie 2026-2029 uitgevoerd. Hiervoor wordt in 2027 € 0,8 mln. uitgetrokken.
Nationaal Groeifonds (NGF)
LVVN is verantwoordelijk voor het uitvoeren van vijf NGF projecten. In 2027 is hiervoor € 48,7 mln. geraamd.
– Voor Cellulaire Agricultuur (kweekvlees en precisiefermentatie) is in 2027 € 7,8 mln. beschikbaar. Hierbij wordt er in samenwerking met bedrijven en kennisinstellingen gewerkt aan een integraal programma Cellulaire Agricultuur (CA). Het doel is om voldoende gekwalificeerd CA-personeel op te leiden, fundamentele en toegepaste CA-kennis te ontwikkelen en opschalingsfaciliteiten beschikbaar te maken voor CA-bedrijven. CA heeft de potentie om een kansrijke sector te worden die een significante bijdrage kan leveren aan het duurzame verdienvermogen van Nederland en kan een positieve impact hebben op milieu, klimaat en dierenwelzijn.
– Voor het programma CROP-XR wordt in 2027 € 2,4 mln. ingezet. Dit project behelst onderzoek op het snijvlak van plantenwetenschappen, datawetenschappen en kunstmatige intelligentie om te komen tot nieuwe ‘smart data’-methoden voor plantenveredeling. Daarnaast wordt ingezet op kennisverspreiding en een snelle vertaling van de ontwikkelde kennis naar commercialiseerbare gewassen. 2027 staat in het teken van de mid-term review.
– Voor het programma Regeneratieve Landbouw (Re-Ge-NL) wordt in 2027 € 17,4 mln. uitgetrokken om samen met duizend Nederlandse boeren een toekomstbestendige landbouwsector te ontwikkelen waarbij landbouw samengaat met bodemverbetering, herstel van bodemleven en natuur. Daarnaast biedt het ook een goed verdienmodel voor boeren.
– Voor Ombion het nationaal Centrum voor Proefdiervrije Biomedische Translatie wordt in 2027 circa € 12,1 mln. ingezet. Met dit project wordt een nationaal centrum voor het valoriseren en dissemineren van proefdiervrije innovaties en expertise opgezet. Het centrum heeft als doel om de stap van nieuwe biomedische innovaties naar patiënt en gebruiker te verbeteren en te versnellen, met minder kosten en zonder proefdieren. Dit zorgt onder meer voor veiligere, effectievere en betere medicijnen met minder dierenleed.
– Voor het Holomicrobioom-programma is in 2027 € 9,0 mln. uitgetrokken. Dit wordt via Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) besteed aan een door NWO te ontwikkelen en uit te voeren Call for Proposals ‘NGF - Holomicrobioom 2026’. Dit is onderdeel van het totaalbudget van € 26,0 mln. dat in 2026 aan NWO is beschikt voor de jaren 2027-2030, met als doel het oplossen van de toepassingsgerichte wetenschappelijke uitdagingen die zijn geïdentificeerd in de Holomicrobioom aanvraag. In het Holomicrobioom-programma wordt voor het eerst onderzocht hoe microbiomen in alle delen van ons voedselsysteem samen één groot netwerk vormen: een 'holomicrobioom'. Het nieuw op te richten Holomicrobioom Instituut gaat innovatie in landbouw en veehouderij, in voedselproductie en gezondheidszorg, en in bodem- en waterbeheer in Nederland bijeenbrengen.
Opdrachten
Kennis- en innovatieketen
Het geraamde opdrachtenbudget voor «Kennis en innovatieketen» in 2027 is € 6,5 mln. Deze middelen zijn bedoeld voor de ontwikkeling van kennis, praktijkgerichte innovaties en activiteiten voor onderwijs en educatie. Hiervoor worden opdrachten uitgezet bij kennisinstellingen, anders dan Wageningen Research, die ook bijdragen aan de missies van het thema Landbouw, Water en Voedsel. Het gaat hier om projecten bedoeld om nieuw beleid te onderbouwen, knelpunten in de beleidsuitvoering op te lossen en perspectiefvolle oplossingsrichtingen aan te dragen, maar ook om nieuwe kennis over te dragen aan diverse doelgroepen. Voorbeelden hiervan zijn:
– Basisfinanciering van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL): hiervoor is in 2027 € 1,7 mln. beschikbaar. Het PBL verricht analyses, evaluaties en verkenningen over milieu, natuur, landbouw en ruimte zoals de wettelijke taken uit de Omgevingswet voor de Landbouw- en Natuurverkenning en de Omgevingsbalans.
– Het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs (CRa) adviseert vanuit een onafhankelijke positie als multidisciplinair team gevraagd en ongevraagd de Rijksoverheid over ruimtelijke opgaven zoals verstedelijking, landschap, natuur, landbouw, klimaatadaptie en waterbeheer.
– Het Louis Bolk Instituut (LBI) ontvangt € 0,4 mln. ter subsidiëring van haar Strategische Belangrijke Onderzoeksprogramma (SBO). Het programma is gericht op onderzoek naar gezonde voedselsystemen en de verbinding tussen landbouw en natuur.
Programmering RIVM
De bijdrage vanuit LVVN aan het RIVM-programmabudget in 2027 bedraagt € 10,5 mln. LVVN is coördinerend opdrachtgever voor het RIVM voor LVVN, EZK en BZK. Het RIVM voert onderzoek uit dat bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en verplichtingen die onder andere voortkomen uit (Europese) wet- en regelgeving. Onderzoeksthema’s zijn:
– Veilig, gezond en duurzaam voedsel en alternatieven voor dierproeven;
– Plantaardige Agro, Milieu en Gezondheid met daarin onder andere het monitoringprogramma Landelijk meetnet effecten mestbeleid, LMM: Het Nederlandse mestbeleid geeft invulling aan de implementatie van de EU-Nitraatrichtlijn, gericht op het terugdringen van uit- en afspoeling van nutriënten uit de landbouw en het tegengaan van eutrofiëring, om verontreiniging van grond- en oppervlaktewater te verminderen en te voorkomen. De lidstaten moeten hiervoor elke 4 jaar een actieprogramma ontwikkelen en de doeltreffendheid van het gevoerde mestbeleid monitoren. Daarvoor is de RIVM-opdracht LMM ingericht. Verder wordt onderzoek uitgevoerd naar Blootstelling gewasbeschermingsmiddelen en Gezondheid agrariërs en omwonenden;
– Stikstof en Natuur, met daarin onder andere het onderzoek naar meet- en modelsystematiek stikstof, ondersteuning, ontwikkeling en uitvoering stikstofbeleid, beleidsmonitoring stikstof, onderzoek naar Atlas natuurlijk kapitaal en de Biodiversiteits(planner);
– LVVN heeft in 2027 een meerjarige opdracht verleend ter versterking van de kennisbasis van RIVM, onder andere voor ontwikkeling expertise, modellering, instrumentarium en ongebonden onderzoek voor de LVVN-thema's. Hiermee kan RIVM ook in de toekomst de vragen vanuit LVVN blijven beantwoorden.
– Opdrachten vanuit de ministeries van EZK en BZK over onder andere emissieregistratie, Kennisplatform Elektromagnetische Velden en Expertisepunt Windenergie en gezondheid.
Bijdragen aan agentschappen
RIVM
De bijdrage aan het apparaatsbudget van het RIVM in 2027 is € 14,1 mln. Dit wordt ingezet voor de hierboven, bij opdrachten, beschreven thema’s voor o.a. beleidsondersteunend onderzoek, wettelijke taken en monitoringonderzoek bij het RIVM.
Bijdragen aan ZBO/RWT
Wageningen Research
De bijdrage aan Wageningen Research (WR) in 2027 is € 147,5 mln. De bijdrage bestaat uit vijf onderdelen:
– Wettelijke onderzoekstaken (WOT): in 2027 is € 80,8 mln. beschikbaar voor de WOT programma's Besmettelijke Dierziekten (BD), Voedselveiligheid (VV), Genetische Bronnen (GB), Natuur en Milieu (N&M), Visserijonderzoek (VO) en Economische Informatievoorziening (EI). Deze programma's voorzien de overheid van kennis, expertise, methodieken, analyses en faciliteiten, die nodig zijn om te voldoen aan (inter)nationale wet- en regelgeving en andere overheidstaken van nationaal en/of algemeen belang. De programma’s zijn meerjarig en worden elke 5 jaar geëvalueerd. In 2027 worden de WOT-Besmettelijke Dierziekten en de WOT-Economische Informatievoorziening geëvalueerd.
– Kennisbasis (KB): Voor KB is in 2027 € 57,4 mln. beschikbaar. De KB van Wageningen Research vormt samen met fundamenteel onderzoek van Wageningen University en andere kennisinstellingen (bijv. RIVM, PBL) de strategische kennisbasis voor het agro- en natuurdomein. Daarmee is het een lange termijn pijler onder het LVVN-beleid. Vanaf 2025 is een nieuw Kennisbasisprogramma gestart met een looptijd tot en met 2028. De basis hiervoor ligt in het Strategisch Plan van Wageningen University & Research 2025-2028.
– Autonome bijdrage: voor autonome bijdrage is in 2027 € 4,8 mln. beschikbaar. Dit is een lumpsum financiering aan Wageningen Research (WR) en houdt verband met de privatisering van de toenmalige Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO, nu WR) eind jaren negentig van de vorige eeuw.
– HGIS beleidsondersteunend onderzoek: Voor HGIS beleidsondersteunend onderzoek is in 2027 € 2,5 mln. beschikbaar voor onderzoekprogrammering met focus op internationale voedselzekerheid.
– High Containment Unit (HCU): in 2027 is € 2,0 mln. beschikbaar zodat de definitiefase ter voorbereiding op de vervanging van de HCU kan worden doorgezet. Eind 2027 dient het kabinet een besluit te nemen over de vervanging van de HCU en de omvang van de Rijksbijdrage. Hiertoe zal een voorkeursvariant verder worden uitgezocht en zal in samenwerking met Wageningen Bioveterinary Research een financieringsplan en projectplan worden opgesteld. In 2027 zullen externe onafhankelijke experts worden ingehuurd om tot een goed onderbouwd kabinetsbesluit te komen.
ZonMw
Van de LVVN-begroting is meerjarig totaal € 5,6 mln. van de LVVN-begroting naar het ministerie van VWS overgeheveld voor het meerjarige ZonMw programma Meer kennis met minder dieren (MKMD, 2024 t/m 2028). Dit programma heeft tot doel de ontwikkeling van nieuwe proefdiervrije innovaties en de toepassing van bestaande proefdiervrije innovaties te stimuleren. Dit budget wordt door ZonMw ingezet voor verschillende subsidierondes en activiteiten, die voortkomen uit de al eerder goedgekeurde MKMD-programmatekst. Er is geen resterend budget voor ZonMw onderzoek in 2027.
Ontvangsten
Diverse ontvangsten
De geraamde ontvangsten van € 9,1 mln. in 2027 betreffen voornamelijk een taakstellende ontvangst van een jaarlijkse betaling van WR aan LVVN voor rente en aflossing op de leningen die bij de verzelfstandiging van de toenmalige Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO en nu WR) eind jaren negentig werden aangegaan.
3.4 Artikel 24: Uitvoering en toezicht
De minister van LVVN streeft naar een doeltreffende uitvoering van het agro-, visserij- en natuurbeleid en een effectief en efficiënt stelsel voor handhaving en toezicht op deze beleidsterreinen.
De minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van het agro-, visserij- en natuurbeleid (onder meer de uitvoering van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB)) en belegt deze uitvoering jaarlijks bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De uitvoering van de handhaving en het toezicht binnen deze domeinen is ondergebracht bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarvoor de minister niet alleen opdrachtgever is, maar ook de eigenaarsrol vervult.
De minister is (mede)verantwoordelijk voor:
Stimuleren:
– Het versterken van de internationale positie van het Nederlandse agro-, visserij en natuurdomein via het LVVN Attaché Netwerk.
Uitvoeren:
– Het uitvoeren van een effectief beleid ter realisatie van de doelstellingen uit de Europese regelgeving.
– Het uitvoeren van adequaat veterinair en fytosanitair beleid.
– Het uitoefenen van toezicht en het handhaven van de regelgeving op het gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, mest, natuur en voedselveiligheid (primaire productie en slachterijfase).
– Het uitvoeren van het Gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid (GLB) en het zorgdragen voor een rechtmatige financiering aan agrarische ondernemers.
– Het uitvoeren van het klimaat- en stikstofbeleid op het terrein van landbouw, visserij en natuur.
– Het doen uitvoeren van de in de Wet natuurbescherming vastgelegde rijkstaken.
Begrotingsindicatoren
De onderstaande indicatoren geven inzicht in de doeltreffendheid van het totale opdrachtenpakket dat LVVN verstrekt aan de RVO.
Begrotingsindicatoren art. 24 – RVO | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Indicator | Toelichting | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | Gemiddelde laatste 3 jaar |
% lumpsum = 80% | Indicator zegt iets over de doeltreffendheid van het opdrachtenpakket LVVN. De norm voor het aandeel lumpsumopdrachten binnen de totale opdracht voor het lopende jaar is 80%. | 74% | 61% | 46% | 47% | 44% | 46% |
% doorgeschoven werk = < 5 % | Doorgeschoven werk van vorig jaar in kaart brengen en afzetten tegen het totaal uitgevoerde werk uitgedrukt in euro's. Het gaat hier om alle opdrachten incl. meerwerk. | 4% | 5% | 4% | 6% | 5% | |
% meerwerk = <12% | Indicator zegt iets over de effectiviteit van het opdrachtenpakket. Hoe meer meerwerk, hoe moeilijker planbaar het opdrachtenpakket waardoor de doeltreffendheid afneemt. | 16% | 6% | 12% | 5% | 5% | 7% |
KTO LVVN cijfer | Klanttevredenheid over de uitvoering van LVVN opdrachten door RVO. | 6,8 | 7 | 7 | 6,6 | 7 | 6,9 |
OTO LVVN | 2-jaarlijks Opdrachttevredenheidsonderzoek (OTO) van RVO die peilt in hoeverre de verschillende opdrachtgevers van RVO tevreden zijn met de samenwerking die zij met RVO hebben. Vanuit LVVN is deze indicator een waardevol peilmoment om te bezien in hoeverre LVVN als opdrachtgever tevreden is over de samenwerking die zij hebben met RVO om de uitvoering van beleid van voldoende kwaliteit te laten zijn. | 7,6 | 7,2 | 7,2 | |||
Er zijn geen beleidswijzigingen in 2027 t.o.v. het voorgaande jaar.
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Verplichtingen | 728.382 | 729.457 | 664.541 | 581.749 | 556.935 | 539.587 | 527.417 |
Uitgaven | 728.382 | 729.457 | 664.541 | 581.749 | 556.935 | 539.587 | 527.417 | |
24.0 | Uitvoering en toezicht | 728.382 | 729.457 | 664.541 | 581.749 | 556.935 | 539.587 | 527.417 |
Bijdrage aan agentschappen | 728.382 | 729.457 | 664.541 | 581.749 | 556.935 | 539.587 | 527.417 | |
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit | 367.474 | 378.091 | 352.074 | 350.468 | 336.153 | 326.761 | 319.348 | |
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland | 360.908 | 329.650 | 292.781 | 212.845 | 202.456 | 194.332 | 189.744 | |
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland t.b.v. attachénetwerk | 0 | 21.716 | 19.686 | 18.436 | 18.326 | 18.494 | 18.325 | |
Ontvangsten | 48.896 | 56.124 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Ontvangsten | 48.896 | 56.124 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
24.0 | Uitvoering en toezicht | 48.896 | 56.124 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Ontvangsten | 48.896 | 56.124 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Ontvangsten NVWA | 48.896 | 31.124 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Ontvangsten RVO | 0 | 25.000 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Budgetflexibiliteit
Geschatte budgetflexibiliteit | 2027 |
|---|---|
juridisch verplicht | 96,8% |
bestuurlijk gebonden | 2,9% |
beleidsmatig gereserveerd | 0,3% |
nog niet ingevuld/vrij te besteden | 0,0% |
Bijdrage Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)
De bijdrage aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van € 352,0 mln. in 2027 is bestemd voor de financiering van het toezicht bij bedrijven en instellingen op de naleving van wetten en voorschriften op het gebied van dier- en plantgezondheid, visserij, duurzaamheid, dierenwelzijn, diervoeders, diergeneesmiddelen, dierlijke bijproducten, dierproeven, mest en de veiligheid van voedsel. Ook levert de NVWA een bijdrage aan de duurzame instandhouding van de biodiversiteit. Eind 2026 wordt het jaarplan NVWA voor 2027 met daarin een meer gedetailleerde beschrijving van alle voorgenomen activiteiten, vastgesteld en aan de Tweede Kamer gestuurd.
Bijdrage Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
De bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in 2027 van € 292,8 mln. is bestemd voor onder andere de uitvoering van het Gemeenschappelijk Landbouw- en Visserijbeleid, het mestbeleid, plant-, voedsel- en dierregistraties, natuur en biodiversiteit, klimaat- en stikstofbeleid. RVO voert onder de status van Europees betaalorgaan de Europese subsidies voor Nederland uit. Daarnaast verleent RVO vergunningen voor agrarische ondernemers en voor bezit en handel in beschermde plant- en diersoorten. Het goed en snel implementeren van regelingen, het beschikbaar stellen voor de doelgroep waarvoor de regeling is bedoeld en het uitvoeren van de maatregelen vraagt het nodige van de organisatie en haar medewerkers. LVVN en RVO werken aan een gezamenlijke aanpak om vanuit de maatschappelijke opgaven van LVVN te zorgen voor een evenwichtig opdrachtenpakket, in middelen en capaciteit. Vanaf 2033 wordt er € 27 mln. taakstellend omgebogen op de RVO opdracht ten behoeve van het apparaatsbudget van LVVN.
Bijdrage RVO t.b.v het LVVN Attaché Netwerk
Naast de algemene bijdrage aan de RVO, draagt LVVN € 19,7 mln. bij ten behoeve van de uitvoering van het LVVN Attaché Netwerk. Het LVVN Attaché Netwerk stimuleert wereldwijd de internationalisering van het Nederlandse agro- en natuurdomein en draagt daarmee bij aan het verdienvermogen van de Nederlandse economie en aan een duurzame voedselproductie.
3.5 Artikel 25: Fonds voor stikstof, landbouw en natuur
De minister van LVVN streeft ernaar om stikstofemissie en -depositie (emissie en depositie van ammoniak en stikstofoxiden) te reduceren en de natuur in Nederland te helpen herstellen en te zorgen voor borging van natuurbehoud, waardoor er weer meer ruimte voor (natuur)vergunningverlening ontstaat, en zo ontwikkelingsperspectief te bieden voor de landbouw, natuur en andere economische sectoren en maatschappelijke ontwikkelingen
De minister beoogt met het pakket, ontwikkeld met de inbreng van medeoverheden en maatschappelijke partners, de stikstofuitstoot omlaag te brengen en andere drukfactoren aan te pakken, zoals verdroging, vermesting, versnippering en verzuring. Zo krijgt de natuur kans om zich te herstellen. Door te zorgen voor borging van natuurbehoud kan vergunningverlening in Nederland weer op gang komt, en wordt er toegewerkt naar een sterke en robuuste natuur en een toekomstbestendige landbouw.
De minister is (mede)verantwoordelijk voor:
Stimuleren:
– Het structureel en geborgd verlagen van de stikstofuitstoot (ammoniak) in de landbouw: een verlaging van de ammoniakuitstoot met 23-25% in 2030 en 42-46% in 2035 ten opzichte van 2019.
– Het realiseren van de wettelijke stikstofdoelen in de Spoedwet KDW.
– Het ondersteunen van boeren bij extensiveren, met name voor bedrijven in de zones rond kwetsbare natuurgebieden en in de kwetsbare watergebieden, onder andere via het Investeringsfonds duurzame landbouw (IDL), een transitieregeling en actief grondbeleid.
– Het ondersteunen van ondernemers bij investeringen in stal- en managementmaatregelen.
– Het versneld uitfaseren van verouderde stallen.
– Het inzetten op generatievernieuwing bij agrarische ondernemers en zij-instromers middels de regeling vestigingssteun.
– Het behouden en versterken van de vitaliteit van het platteland door het stimuleren van sociaaleconomische ondersteuning op het boerenerf.
– Het stimuleren van de vraag naar en de productie van biologisch voedsel door uitvoering en versnelling van het actieplan ‘Groei van biologische productie en consumptie’.
– Het inzetten op de ontwikkeling van kennis en innovatie, bijvoorbeeld door experimenteerlocaties (fieldlabs) te ondersteunen.
– Het bevorderen van natuurherstel door systeemherstelmaatregelen te nemen zoals het verbeteren van de hydrologische condities, waterkwaliteit en verbinding tussen gebieden.
– Het belonen van boeren voor het versterken van natuur op landbouwgrond en zo bij te dragen aan het realiseren van een extensiever verdienmodel via het ANB.
– Het bijdragen aan de doelen uit de Natuurherstelverordening gericht op de versterking van natuur en landbouwecosystemen.
– Het invulling geven aan de ambities voor een natuurinclusieve samenleving waarbij bestaande overheidsgronden maximaal worden benut, zoals bij het ecologisch beheren van wegbermen en dijklichamen.
Regisseren:
– Het vastleggen van een nationaal emissieplafond voor ammoniak per dierlijke sector voor 2030 en 2035.
– Het sturen op emissiereductie van ammoniak en broeikasgassen uit stallen en opslagen middels bedrijfsspecifieke emissienormen en doelsturing.
– Het verder terugdringen van veldemissies van ammoniak bij het uitrijden van meststoffen door het aanscherpen van middelvoorschriften.
– Het invoeren van een grondgebondenheidsnorm in de melkveehouderij van 2,6 GVE per hectare als eindnorm in 2035 en een grasland- en rustgewasverplichting met flankerende maatregelen.
– Het bevorderen van de afzet van duurzaam geproduceerd voedsel door de keten (mede)verantwoordelijk te houden.
– Het wegnemen van drukfactoren waardoor natuur de kans krijgt om zich te herstellen, mede door inzet op zonering rond Natura 2000-gebieden.
– Het bevorderen van extensiever agrarisch grondgebruik rondom kwetsbare watergebieden waarbij minder nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt door specifieke regels te ontwikkelen voor deze gebieden.
– Het fors terugdringen van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen, onder andere door afspraken te maken met partijen in het convenant gewasbeschermingsmiddelen.
– Het legaliseren van PAS-melders en interimmers door een juridisch houdbare en wetenschappelijk onderbouwde rekenkundige ondergrens in te voeren.
– Het mogelijk maken van toestemmingsverlening (vergunningen) middels inzet op Europees niveau waardoor verduurzaming gericht op stikstofemissiereductie weer mogelijk wordt.
Uitvoeren:
– Het inzetten op de transitie naar rendabele regeneratieve landbouw via het Nationaal Groenfonds-project.
– Het versterken van de uitvoeringskracht om de gebiedsspecifieke inzet tot uitvoering te brengen door regie hierop te voeren in vijf gebieden en twee economische clusters.
– Het versterken en uitbreiden van natuurmonitoring door elke twee jaar de landelijke en regionale voortgang op het gebied van natuur, bodem en water te monitoren.
– Het bijdragen aan een robuustere natuur door te voldoen aan de in het Natuurpact afgesproken uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland.
Dit is met de ingang van de Ontwerpbegroting 2027 een nieuw begrotingsartikel. Met het coalitieakkoord is het Stikstoffonds van € 20 mld. beschikbaar gekomen voor het Stikstoffonds. Deze middelen worden tot en met 2035 ingezet voor maatregelen op het gebied van stikstof, landbouw en natuur. Het coalitieakkoord bevat de volgende verdeling van het fonds:
Onderdeel | Budget |
|---|---|
Gebiedsgerichte aanpak / zonering | € 9 miljard |
Agrarisch natuurbeheer | € 1,2 miljard + € 165 miljoen per jaar na 2035 |
Natuurherstel | € 2,2 miljard + € 200 miljoen per jaar na 2035 |
Managementmaatregelen en innovatie | € 2 miljard |
Vrijwillige beëindigingsregeling | € 2,75 miljard |
Kaderrichtlijn Water | € 1,25 miljard |
Flankerend beleid en uitvoering (overig) | € 1,35 miljard + € 70 miljoen per jaar na 2035 |
Industrie en mobiliteit | € 250 miljoen |
Werking van het fonds
De incidentele maatregelen van LVVN uit het Stikstoffonds van € 20 mld. worden vanaf dit artikel besteed. Structurele maatregelen worden onderdeel van de overige artikelen op de LVVN-begroting.
Middelen van het fonds zullen onder andere gebruikt worden voor het doorzetten van bestaande incidentele maatregelen die op een ander artikel waren begroot. Deze bestaande maatregelen worden naar artikel 25 overgeheveld.
Middelen die nog niet aan specifieke maatregelen zijn toebedeeld zullen op artikel 26 "Reservering Fonds voor stikstof, landbouw en natuur" worden begroot. Op dat artikel vinden geen uitgaven plaats. Beide artikelen krijgen aanvullende eindejaarsmarge, waarmee alle middelen die aan het einde van het jaar niet zijn besteed wel beschikbaar blijven in volgende jaren.
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Verplichtingen | 0 | 0 | 3.117.820 | 447.127 | 317.991 | 283.601 | 93.389 |
Uitgaven | 0 | 0 | 1.512.573 | 1.973.805 | 1.324.732 | 337.655 | 95.054 | |
25.1 | Gebiedsgerichte aanpak | |||||||
Bijdrage aan agentschappen | ||||||||
Rijksvastgoedbedrijf t.b.v. Nationale Grondbank | 0 | 0 | 45.386 | 63.500 | 24.435 | 9.500 | 10.000 | |
Bijdrage aan medeoverheden | ||||||||
Aanpak prioritaire gebieden | 0 | 0 | 208.932 | 574.456 | 200.000 | 0 | 0 | |
25.2 | Natuur | |||||||
Subsidies (regelingen) | ||||||||
Natuurherstel en -beheer op land | 0 | 0 | 42.481 | 41.866 | 22.181 | 28.452 | 0 | |
Opdrachten | ||||||||
Natuurherstel en -beheer op land | 0 | 0 | 16.500 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Bijdrage aan medeoverheden | ||||||||
Natuurherstel en -beheer door medeoverheden | 0 | 0 | 29.600 | 64.900 | 65.000 | 60.000 | 0 | |
Caribisch Nederland | 0 | 0 | 10.000 | 10.000 | 10.000 | 10.000 | 0 | |
25.3 | Generieke aanpak | |||||||
Subsidies (regelingen) | ||||||||
Stal- en managementmaatregelen | 0 | 0 | 40.196 | 45.266 | 47.940 | 50.906 | 47.363 | |
Doelsturingssysteem | 0 | 0 | 40.643 | 17.443 | 17.443 | 24.907 | 0 | |
Gewasbescherming | 0 | 0 | 8.449 | 6.417 | 3.970 | 4.187 | 326 | |
Biologische landbouw | 0 | 0 | 21.131 | 21.551 | 20.340 | 6.177 | 4.865 | |
Vrijwillige beëindiging, verplaatsing en extensivering | 0 | 0 | 752.330 | 925.889 | 777.397 | 30.000 | 0 | |
Leningen | ||||||||
Investeringsfonds Duurzame Landbouw | 0 | 0 | 26.300 | 43.000 | 0 | 0 | 0 | |
(Schade)vergoeding | ||||||||
PAS-melders | 0 | 0 | 49.000 | 75.783 | 66.000 | 45.000 | 0 | |
Opdrachten | ||||||||
Doelsturingssysteem | 0 | 0 | 37.541 | 26.740 | 1.226 | 1.226 | 0 | |
Gewasbescherming | 0 | 0 | 8.300 | 6.800 | 6.800 | 6.300 | 6.000 | |
Bijdrage aan medeoverheden | ||||||||
PAS-melders | 0 | 0 | 109.000 | 9.000 | 9.000 | 8.000 | 0 | |
25.4 | Maatschappelijke ondersteuning | |||||||
Subsidies (regelingen) | ||||||||
Toekomst van de landbouw | 0 | 0 | 48.154 | 10.000 | 25.000 | 25.000 | 25.000 | |
Opdrachten | ||||||||
Toekomst van de landbouw | 0 | 0 | 7.380 | 3.194 | 0 | 0 | 0 | |
Bijdrage aan medeoverheden | ||||||||
Regionale ondersteuning | 0 | 0 | 11.250 | 28.000 | 28.000 | 28.000 | 1.500 | |
Ontvangsten | 0 | 0 | 10.000 | 15.000 | 18.000 | 20.000 | 30.000 |
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Ontvangsten | 0 | 0 | 10.000 | 15.000 | 18.000 | 20.000 | 30.000 |
25.1 | Gebiedsgerichte aanpak | |||||||
Ontvangsten | ||||||||
Verkoop gronden Nationale Grondbank | 0 | 0 | 10.000 | 15.000 | 18.000 | 20.000 | 30.000 |
Budgetflexibiliteit
Geschatte budgetflexibiliteit | 2027 |
|---|---|
juridisch verplicht | 25,8% |
bestuurlijk gebonden | 39,7% |
beleidsmatig gereserveerd | 34,5% |
nog niet ingevuld/vrij te besteden | 0,0% |
25.1 Gebiedsgerichte aanpak
Bijdrage aan agentschappen
Rijksvastgoedbedrijf t.b.v. Nationale Grondbank
In 2027 is er € 45,4 mln. begroot voor de bijdrage aan het Rijksvastgoedbedrijf t.b.v. de Nationale Grondbank. Onderdeel hiervan is budget voor het aankopen van gronden (€ 40,0 mln). Verder is voor de uitvoering van deze aankopen door het Rijksvastgoedbedrijf een bedrag beschikbaar van € 1,9 mln. Het betreft personele en materiele kosten, zoals taxaties, kadastrale kosten en onderzoek. Als laatste is voor afwaardering van grond door de Nationale Grondbank € 3,5 mln. geraamd. Bij verkopen door de Nationale Grondbank kan grond worden afgewaardeerd. Indien gronden worden verkocht met gebruiksbeperking of een andere functie dan dient het waardeverschil te worden gefinancierd.
Bijdrage aan medeoverheden
Aanpak prioritaire gebieden
In 2027 is € 208,9 mln. beschikbaar voor de aanpak in de prioritaire gebieden. Hiervan is € 108,9 mln. bestemd voor de gebiedsgerichte aanpak in de Veluwe en de Peel. In 2027 wordt geïnvesteerd in maatregelen ten behoeve van natuurherstel, hydrologisch herstel en stikstofemissiereductie in de arealen die grenzen aan Natura 2000-gebieden van de Veluwe en de Peel. Met deze impuls wordt beoogd om snel en concreet aan de slag te gaan met maatregelen t.b.v. de Natura 2000-gebieden in de prioritaire gebieden en economische clusters. Daarnaast is € 100 mln. beschikbaar voor de overige pioritaire gebieden en de economsiche clusters (Noordwest-Overijssel, Hart van het Noorden en Groene Hart, en Brainportregio en Rotterdamse Haven). Dit budget wordt ingezet voor maatregelen die onderdeel zijn van het samenhangende gebiedsgerichte pakket en die concreet voortvloeien uit de opgave van de betreffende Natura 2000-gebieden om drukfactoren te verlagen en stappen te zetten richting perspectief op vergunningverlening: extensivering van agrarisch gebruik, hydrologisch herstel, natuurmaatregelen en herverkaveling/grond.
25.2 Natuur
Subsidies
Natuurherstel en -beheer op land
Het geraamde subsidiebudget voor Natuurherstel en -beheer op land in 2027 bedraagt € 42,5 mln. Dit is onder meer bedoeld voor de uitvoering van de samenwerkingsmaatregel overgangsgebieden N2000. Hier is € 26,3 mln. voor geraamd. Het gaat hier om de additionele middelen bovenop de EU-financiering uit het Gemeenschappelijk Landbouw beleid (GLB). De regeling is gericht op de reductie van ammoniakemissie door extensivering van melkveehouderij en akkerbouwbedrijven in overgangsgebieden N2000. Het budget is voor ondersteuning van de samenwerking en voor een jaarlijkse vergoeding voor extensivering en voor de bekostiging van aanpassingen aan het watersysteem, die samenhangen met de peilverhoging.
Daarnaast wordt er in 2027 € 16,1 mln. geraamd voor de monitoring van de Natuurherstelverordering (NHV). Deze middelen worden ingezet voor verplichte, additionele monitoring zodat kan worden bepaald welke herstelmaatregelen kunnen worden opgenomen in het Natuurplan.
Opdrachten
Natuurherstel en -beheer op land
Het geraamde opdrachtenbudget voor Natuurherstel en -beheer op land in 2027 bedraagt € 16,5 mln. voor diverse opdrachten voor natuurherstel in stikstofgevoelige natuurgebieden. Dit wordt gebruikt om in en rondom Natura 2000-gebieden systeem- en herstelmaatregelen te nemen. De focus hierbij ligt op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en op de gebieden met de meeste potentie om de NHV-doelstellingen voor 2030 te realiseren (circa 40 gebieden).
Bijdrage aan mede-overheden
Natuurherstel en -beheer door medeoverheden
In 2027 wordt € 29,6 mln. voor Natuurherstel en -beheer door medeoverheden geraamd. Dit is bedoeld voor herstelmaatregelen in stikstofgevoelige natuurgebieden.
Caribisch Nederland
Voor Caribisch Nederland wordt in 2027 € 10 mln. geraamd voor fase 2 van het Natuur en milieubeleidsplan Caribisch Nederland. Deze fase richt zich op de verdere implementatie, opschaling en borging van maatregelen en het duurzaam verankeren van natuurbeheer in beleid en praktijk.
25.3 Generieke aanpak
Subsidies
Stal- en managementmaatregelen
Het geraamde subsidiebudget voor Stal- en managementmaatregelen in 2027 bedraagt € 40,2 mln. In 2027 wordt € 7,4 mln. geraamd voor adviesdiensten gericht op kennisoverdracht naar het boerenerf zodat boeren gericht en effectief aan de slag kunnen met managementmaatregelen. Agrarische ondernemers kunnen een voucher aanvragen voor het laten opstellen van een bedrijfsplan, het krijgen van een agrarisch advies gericht op handelingsperspectief, deelnemen aan een praktijkleernetwerk of het opzetten van een demonstratiebedrijf om bewezen managementmaatregelen in de eigen landbouwpraktijk te demonstreren.
Daarnaast is in 2027 € 32,8 mln. gereserveerd voor de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal-en managementmaatregelen (Sbv). Deze middelen zijn onder andere gereserveerd voor het nakomen van reeds aangegane verplichtingen uit eerdere openstellingen van zowel de innovatiemodule als de investeringsmodule van deze subsidieregeling. Ook wordt een deel van de middelen ingezet voor verdere ondersteuning van het in 2025 gelanceerde Nationaal Innovatieloket Veehouderij (NIV), dat het centrale punt is voor iedereen die vragen heeft over innovaties in de veehouderij die helpen emissies te verlagen.
Doelsturingssysteem
Het geraamde subsidiebudget voor Doelsturingssysteem in 2027 bedraagt € 40,6 mln. Hiervan is € 15,5 mln. bestemd voor doelsturing grondwaterkwaliteit . Het doel van dit project is te komen tot een systeem van bedrijfsgerichte doelsturing op de grondwaterkwaliteit onder landbouwbedrijven. Dit doelsturingssysteem heeft ten doel om agrariërs te informeren over, en op langere termijn te stimuleren, hoe af te rekenen op de grondwaterkwaliteit onder hun bedrijf, aan de hand van gevalideerde indicatoren (N-mineraal en stikstofbodemoverschot).
Daarnaast is in 2027 € 25,1 mln. gereserveerd voor overige subsidies in het kader van doelsturing. Hiermee worden agrariërs in 2027 op weg geholpen om de omslag te maken, worden kpi’s verder doorontwikkeld en worden eerste pilots gestart.
Gewasbescherming
Het geraamde subsidiebudget voor Gewasbescherming in 2027 bedraagt € 8,4 mln. Dit is gereserveerd om vervolg te geven aan het in overeenstemming brengen van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen met de normering van de Kaderrichtlijn Water conform de motie Grinwis (Kamerstukken 27858, nr. 663, 671 en 764). Ook is dit bestemd voor een meerjarige subsidie voor de ontwikkeling van een benchmarkingssysteem conform aangenomen moties (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 43 en Kamerstuk 27 858, nr. 694) en voor de uitvoering van de amendementen over versnelde toelating van groene gewasbeschermingsmiddelen respectievelijk de uitvoering van een praktijkprogramma plantgezondheid (Kamerstuk 36800-XIV-21 en Kamerstuk 36800-XIV-31).
Biologische landbouw
Het geraamde subsidiebudget voor Biologische landbouw in 2027 bedraagt € 21,1 mln. Er is € 13,9 mln. beschikbaar voor het stimuleren van biologische landbouw. Met het actieplan Groei van biologische productie en consumptie wordt ingezet op een vergroting van het biologisch landbouwareaal in Nederland (Kamerstuk 30 252, nr. 78). De middelen zijn onder andere bedoeld voor een consumentencampagne, een meerjarige opdracht voor RVO, de subsidieregeling Vabiola en de uitvoering van een kennis- en innovatieagenda.
Daarnaast is er in 2027 € 7,2 mln. beschikbaar voor het stimuleren van de vraag naar biologische producten. Dit gebeurt door middel van intensivering van de subsidieregeling Vergroten afzet biologische landbouwproducten (Vabiola), budget te reserveren voor doorbraak projecten in biologische ketens en het faciliteren van de totstandkoming van afspraken met ketenpartijen om de afzet van biologische producten te stimuleren. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de uitvoering van de plannen die zijn aangekondigd in de brief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw’ (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 87) en aan de uitvoering van de motie Bromet over een versnellingsplan voor de biologische landbouw (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 32).
Vrijwillige beëindiging, verplaatsing en extensivering
LVVN voert meerdere subsidieregelingen uit waarmee veehouders de mogelijkheid hebben om hun veehouderijlocatie tegen een subsidie te beëindigen. Deze regelingen dragen bij aan het realiseren van de blijvende reductie van stikstofdepositie op stikstofgevoelige en overbelaste Natura 2000-gebieden. De Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de Lbv-plus doen dit voor de meestvoorkomende diersoorten en de Lbv kleinere sectoren voor veehouders met overige diersoorten. De Landelijke verplaatsingsregeling (Lvvp) biedt financiële ondersteuning aan veehouders die hun bedrijf willen verplaatsen en met hun locatie voldoen aan de criteria van de 'aanpak piekbelasting'.
De Vrijwillige Beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) is in voorbereiding. Het voornemen is de regeling in 2026 open te stellen, en tot betaling te komen in 2027. Met deze regeling kunnen ondernemers met steun van de overheid hun veehouderijlocatie vrijwillig beëindigen. De Vbr heeft tot doel om de emissie van ammoniak van veehouderijlocaties in heel Nederland blijvend te reduceren en hiermee natuurherstel te bevorderen. Deze Vbr moet een geborgde bijdrage leveren aan het verminderen van de stikstofproblematiek.
Het kabinet heeft in 2026 de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) opengesteld, waarmee permanente emissiereductie van ammoniak en broeikasgassen zal worden geborgd. De Sem leidt daarnaast tot een blijvende afname van het aantal fosfaatrechten op nationaal niveau en daardoor tot een permanente vermindering van het aantal melk- en kalfkoeien in Nederland. Een belangrijk neveneffect is dat de mestproductie afneemt, waardoor naar verwachting de druk op de mestmarkt zal afnemen. Ook kan de Sem de omschakeling naar een extensievere bedrijfsvoering stimuleren.
realisatie | begroting | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Subsidieregeling | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 |
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) | 309.989 | 182.700 | 123.282 | 0 | ‒ | ‒ | ‒ |
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) | 534.114 | 283.800 | 98.138 | 16.500 | 40.600 | ‒ | ‒ |
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties kleinere sectoren (Lbv ks) | 15.267 | 46.900 | 11.539 | 2.566 | ‒ | ‒ | |
Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (Lvvp) | 2.153 | 18.350 | 33.347 | 35.979 | 15.204 | ‒ | ‒ |
Tijdelijke extensiveringsregeling melkveehouderij (in voorbereiding) | 0 | 5.000 | 185.844 | 185.844 | 246.593 | ‒ | |
Vrijwillige beëindigingsregeling (in voorbereiding) | 834 | 300.000 | 685.000 | 475.000 | 30.000 | ‒ | |
Totaal | 861.523 | 537.584 | 752.150 | 925.889 | 777.397 | 30.000 | ‒ |
Leningen
Investeringsfonds Duurzame Landbouw
Het geraamde budget in 2027 van € 26,3 mln. is bestemd voor het structurele Investeringsfonds Duurzame Landbouw (IDL) om boeren te ondersteunen bij de omschakeling naar meer duurzame bedrijfsvoering. Met het Investeringsfonds Duurzame Landbouw (IDL) kunnen boeren een gunstige financiering (qua rente, aflossingsvrije periode, achterstelling) krijgen voor investeringen die zij doen bij een omschakeling. Het fonds is per juni 2024 opengesteld en heeft een initiële looptijd van 10 jaar tot 2034 met optie tot verlenging van 5 jaar (Kamerstuk 30 252, nr. 170)
Schadevergoedingen
PAS-melders
Om schadeclaims van PAS-melders te behandelen, is in 2023 een onafhankelijke commissie ingericht. Voor de schadecommissie PAS-melders is in 2027 in totaal € 49,0 mln. beschikbaar om PAS-melders met een door de commissie goedgekeurde schade te compenseren.
Opdrachten
Doelsturingssysteem
Het geraamde opdrachtenbudget voor Doelsturingssysteem in 2027 bedraagt € 37,5 mln. Hiermee wordt door RVO en NVWA gewerkt aan toezicht, handhaving en uitvoering van doelsturing, de opzet en uitrol van een data-ecosysteem voor doelsturing en wordt onderzoek verricht om doelsturing mogelijk te kunnen maken.
Gewasbescherming
Het geraamde opdrachtenbudget voor Gewasbescherming in 2027 bedraagt € 8,4 mln. Hiermee wordt bijgedragen aan de inrichting van het convenant gewasbescherming zoals toegelicht in het Hoofdlijnenconvenant Gewasbeschermingsmiddelen (Kamerstuk 27 858, nr. 770). De middelen zijn bedoeld voor de inrichting van een gegevensautoriteit, het versterken van toezicht en handhaving en overige maatregelen die bijdragen aan de borging en uitvoering van het convenant.
Bijdrage aan medeoverheden
PAS-melders
In 2027 is er € 109,0 mln. geraamd voor PAS-melders. Hiervan is € 100 mln. gereserveerd voor een vijfde tranche voor de Regeling Maatregelen PAS-melders 2024 (RPMP). Deze SPUK wordt door provincies gebruikt om regelingen open te stellen waarmee PAS-melders via een maatregel geholpen kunnen worden. Provincies kunnen een regeling openstellen voor verplaatsing, omschakeling, extern salderen (aanschaf stikstofruimte), vermindering van stikstofuitstoot en/of beëindiging. Het doel is PAS-melders hiermee aan een oplossing te helpen die leidt tot een legale situatie. Aanvullend is € 9,0 mln geraamd voor de inzet van Rijkszaakbegeleiding. PAS-melders kunnen het verzoek doen om ondersteuning te krijgen van een zaakbegeleider om samen op zoek te gaan een oplossing voor hun PAS-melding. De zaakbegeleider helpt ondernemers bij het geven van een beeld welke oplossingen er zijn en welke passen bij de ondernemer zodat deze vervolgens een perspectief op een legale situatie kan ontwikkelen.
25.4 Maatschappelijke ondersteuning
Subsidies
Toekomst van de landbouw
Het geraamde subsidiebudget voor Toekomst van de landbouw in 2027 bedraagt € 48,2 mln. Dit is gereserveerd voor Vestigingssteun jonge landbouwers: Het Nederlands Nationaal Strategisch Plan voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023–2027 beoogt jonge landbouwers te stimuleren om te kiezen voor een duurzaam agrarisch ondernemerschap. De ‘Subsidie voor vestiging van jonge landbouwers’ ondersteunt ondernemers in de fase van het overnemen of starten van een bedrijf. Samen met de Europese middelen die beschikbaar zijn kan een subsidiebedrag van € 80.000 per aanvrager worden verstrekt.
Opdrachten
Toekomst van de landbouw
Het geraamde opdrachtenbudget voor Toekomst van de landbouw in 2027 bedraagt € 7,4 mln. Dit is bedoeld voor de inzet en ondersteuning van zaakbegeleiders. Zaakbegeleiders worden gericht ingezet bij een ondernemersgerichte aanpak waarbij de uitvoering is vormgegeven inclusief persoonlijke begeleiding en specifieke kennis. Zaakbegeleiders worden ingezet bij de uitvoering aanpak piekbelasting. Deze is gericht op het verminderen van de stikstofuitstoot van circa 3000 agrarische ondernemers die vallen onder de aanpak, bij de legalisatie van de PAS-melders en bij de provinciale Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging (MGB), een uitkering voor provincies voor het beëindigen van veehouderijlocaties.
Bijdrage aan medeoverheden
Regionale ondersteuning
Voor Regionale ondersteuning is in 2027 € 11,3 mln. geraamd. Hiervan is € 10,0 mln. beschikbaar voor een Investeringsprogramma dat initiatieven ondersteunt (mede) vanuit de samenleving die bijdragen aan de versterking van lokale gemeenschappen. Daarnaast is er € 1,0 mln. beschikbaar voor een Actieprogramma om een impuls te geven aan regionale economieën en te investeren in de leefbaarheid van plattelandregio's. Tot slot is er € 0,3 mln. beschikbaar voor overige zaken.
Ontvangsten
25.1 Gebiedsgerichte aanpak
Verkoop gronden Nationale Grondbank
Voor verkoop gronden Nationale Grondbank is er voor 2027 een ontvangst van € 10,0 mln. geraamd. Het gaat hier om verkoop van gronden in het bezit van de Nationale Grondbank.
3.6 Artikel 26: Reservering Fonds voor stikstof, landbouw en natuur
De minister van LVVN heeft voor de doelstellingen van het fonds voor stikstof, landhouw en natuur twee artikelen ter beschikking. Op artikel 26 vinden geen uitgaven plaats, het betreft een indicatieve reservering voor maatregelen die nog worden uitgewerkt en die vanaf artikel 25 zullen worden uitgevoerd. Indien nodig kan de precieze verdeling aangepast worden. Er is daarom geen algemene doelstelling bij dit artikel.
Niet van toepassing
Dit is met de ingang van de Ontwerpbegroting 2027 een nieuw begrotingsartikel. Er zijn geen beleidswijzigingen vergeleken met vorig jaar.
26 Reservering Fonds voor stikstof, landbouw en natuur | bedragen x1.000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Omschrijving | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 |
Verplichtingen | 0 | 0 | 110.560 | 652.098 | 1.021.364 | 1.636.778 | 2.332.247 | |
Uitgaven | 0 | 0 | 110.560 | 652.098 | 1.021.364 | 1.636.778 | 2.332.247 | |
Stalmaatregelen | 0 | 0 | 0 | 50.000 | 150.000 | 200.000 | 200.000 | |
Managementmaatregelen | 0 | 0 | 0 | 30.158 | 41.534 | 38.568 | 32.637 | |
Doelsturing | 0 | 0 | 4.000 | 30.000 | 50.000 | 45.000 | 45.000 | |
Zonering | 0 | 0 | 25.000 | 212.170 | 334.460 | 851.810 | 1.147.310 | |
Grondfaciliteit | 0 | 0 | 0 | 10.000 | 15.000 | 17.000 | 20.000 | |
Versterken uitvoeringskracht | 0 | 0 | 5.000 | 12.500 | 12.500 | 12.500 | 12.500 | |
Vrijwillige beëindigingsregeling | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 350.000 | |
Natuurherstel | 0 | 0 | 46.600 | 52.300 | 162.200 | 157.300 | 230.200 | |
Extensivering beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden | 0 | 0 | 0 | 200.000 | 200.000 | 200.000 | 200.000 | |
Gewasbescherming | 0 | 0 | 15.800 | 15.800 | 16.000 | 21.600 | 21.600 | |
Grondgebondenheid flankerende maatregelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 35.000 | 50.000 | |
9e actieprogramma nitraat | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 35.000 | 0 | |
Veenweide en bossenstrategie | 0 | 0 | 8.490 | 20.500 | 21.010 | 0 | 0 | |
Overige maatregelen | 0 | 0 | 5.670 | 18.670 | 18.660 | 23.000 | 23.000 | |
Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Budgetflexibiliteit
Geschatte budgetflexibiliteit | 2027 |
|---|---|
juridisch verplicht | 0,0% |
bestuurlijk gebonden | 0,0% |
beleidsmatig gereserveerd | 100,0% |
nog niet ingevuld/vrij te besteden | 0,0% |
Stalmaatregelen
Op dit artikel staat een reservering van € 600,0 mln. in de jaren 2028 t/m 2031 voor de ondersteuning bij 1) onderzoek en ontwikkeling van stalmaatregelen en versnelling van het innovatieproces, inclusief stappen naar een geborgde meetketen ten behoeve van het continu meten van stalemissies op bedrijfsniveau en 2) investeringen in integraal duurzame stallen.
Managementmaatregelen
Op dit artikel staat een reservering van € 100,7 mln. in de jaren 2028 t/m 2031 voor het ontwikkelen van de nieuwe Stimuleringsregeling Managementmaatregelen Veehouderij voor emissiereductie (SMV).
Doelsturing
Op dit artikel staat een reservering van € 174,0 mln. in de jaren 2027 t/m 2031 om met doelsturing via afrekenbare emissienormen in 2035 per bedrijf sturen op de emissies in de melkveehouderij en de intensieve veehouderij.
Zonering
Op dit artikel staat een reservering van € 2,5 mld. in de jaren 2027 t/m 2031 voor het inzetten op een zonering rond Natura 2000-gebieden die zich richt op meerdere drukfactoren, waarmee de natuur de kans krijgt zich te herstellen.
Grondfaciliteit
Op dit artikel staat een reservering van € 42,7 mln. in de jaren 2027 t/m 2031 voor de grondfaciliteit voor het ondersteunen van extensivering via aankoop, ruil en verplaatsing.
Versterken uitvoeringskracht
Op dit artikel staat een reservering van € 67,0 mln. in de jaren 2027 t/m 2031 om de gebiedsspecifieke inzet tot uitvoering te brengen. Hiervoor is het nodig om de uitvoeringskracht te versterken. Het kabinet wil hier regie op voeren, onder andere in vijf gebieden en twee economische clusters (de Veluwe, de Peel, Noordwest-Overijssel, Hart van het Noorden en Groene Hart, en Brainportregio en Rotterdamse Haven).
Vrijwillige beëindingsregeling
Op dit artikel staat een reservering van € 350,0 mln. in 2031 voor de diverse beëindigingsregelingen.
Natuurherstel
Op dit artikel staat een reservering van € 522,0 mln. in de jaren 2027 t/m 2031. Deze aanpak focust in en rondom Natura 2000-gebieden op het nemen van systeem- en herstelmaatregelen. De focus hierbij ligt op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en op de gebieden met de meeste potentie om de NHV-doelstellingen voor 2030 te realiseren (circa 40 gebieden).
Extensivering beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden
Op dit artikel staat een reservering van € 800,0 mln. in de jaren 2028 t/m 2031 voor de aanpak voor kwetsbare watergebieden. Deze aanpak richt zich op een aantal beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden met een KRW-opgave voor de landbouw om uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar het grond- en oppervlaktewater te verminderen.
Gewasbescherming
Op dit artikel staat een reservering van € 90,8 mln. in de jaren 2027 t/m 2031. Dit is bedoeld voor het ontwikkelen van een ondersteunend instrumentarium voor het Convenant Gewasbescherming.
Grondgebondenheid flankerende maatregelen
Op dit artikel staat een reservering van € 85,0 mln. in 2030 en 2031 voor flankerende maatregelen voor een normering van grondgebondenheid in de melkveehouderij. Dit budget wordt vooral in de vee-dichte gebieden ingezet. Daarmee doet het kabinet de verplichting gestand die Nederland is aangegaan in het kader van het addendum 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn.
Actieprogramma nitraatrichtlijn
Op dit artikel staat een reservering van € 35,0 mln. in 2030 voor de uitvoering van het actieprogramma nitraatrichtlijn.
Veenweide en bossenstrategie
Op dit artikel staat een reservering van € 50,0 mln. in de jaren 2027 t/m 2029 voor een gebiedsgerichte inzet op het Programma Veenweide en de Landelijke Bossenstrategie.
Overige maatregelen
Op dit artikel staat een reservering van € 89 mln. in de jaren 2027 t/m 2031 voor diverse maatregelen.
4. Niet-beleidsartikelen
4.1 Artikel 50: Apparaat
A. Budgettaire gevolgen
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Verplichtingen | 254.139 | 270.867 | 283.242 | 262.955 | 258.235 | 241.352 | 234.841 |
Uitgaven | 254.139 | 270.867 | 283.242 | 262.955 | 258.235 | 241.352 | 232.414 | |
50.0 | Apparaat | 254.139 | 270.867 | 283.242 | 262.955 | 258.235 | 241.352 | 232.414 |
Personele uitgaven | 196.940 | 216.032 | 228.118 | 215.254 | 214.480 | 199.381 | 191.115 | |
Eigen personeel | 178.262 | 200.248 | 218.935 | 206.423 | 206.288 | 191.288 | 183.109 | |
Externe inhuur | 15.714 | 13.335 | 6.718 | 6.390 | 5.766 | 5.656 | 5.595 | |
Overige personele uitgaven | 2.964 | 2.449 | 2.465 | 2.441 | 2.426 | 2.437 | 2.411 | |
Materiële uitgaven | 57.199 | 54.835 | 55.124 | 47.701 | 43.755 | 41.971 | 41.299 | |
Bijdrage aan SSO's (exclusief DICTU) | 6.808 | 6.755 | 6.678 | 6.578 | 6.542 | 6.609 | 6.539 | |
DICTU | 25.264 | 24.947 | 23.491 | 23.692 | 21.520 | 21.274 | 21.049 | |
Overige materiële uitgaven | 25.127 | 23.133 | 24.955 | 17.431 | 15.693 | 14.088 | 13.711 | |
Ontvangsten | 7.743 | 7.526 | 6.671 | 6.909 | 4.692 | 4.146 | 4.146 | |
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Ontvangsten | 7.743 | 7.526 | 6.671 | 6.909 | 4.692 | 4.146 | 4.146 |
50.0 | Apparaat | 7.743 | 7.526 | 6.671 | 6.909 | 4.692 | 4.146 | 4.146 |
Ontvangsten | 7.743 | 7.526 | 6.671 | 6.909 | 4.692 | 4.146 | 4.146 | |
Ontvangsten | 7.743 | 7.526 | 6.671 | 6.909 | 4.692 | 4.146 | 4.146 |
B. Toelichting op de financiële instrumenten
Personele uitgaven
Dit betreft alle personeelsuitgaven voor het kerndepartement van het ministerie van LVVN, inclusief het aan LVVN toegerekende deel van de uitgaven die worden gedaan voor de dienstonderdelen die worden gedeeld met het ministerie van EZK. Deze gezamenlijke onderdelen, waaronder de directies Bedrijfsvoering en Wetgeving en Juridische Zaken, vallen formeel onder het Ministerie van EZK. De enige uitzondering hierop vormt de Crisisorganisatie, die onder LVVN valt. De kosten van de gezamenlijke onderdelen worden volgens een verdeelsleutel aan de begrotingen van de ministeries van LVVN en EZK toebedeeld. Overschrijdingen, meevallers en taakstellingen bij deze onderdelen worden door beide departementen gezamenlijk gedragen. Het apparaatsbudget van LVVN halveert over de komende jaren. Om de afloop te verminderen wordt vanaf 2033 € 27 mln. toegevoegd aan het apparaatsbudget door taakstellend om te buigen op de RVO opdracht.
Materiële uitgaven
Dit betreft de materiële uitgaven voor het kerndepartement LVVN. Net als bij de personele uitgaven, geldt ook hier dat de uitgaven inclusief het LVVN-deel van de uitgaven voor de gezamenlijke onderdelen zijn. Binnen de materiële uitgaven worden de ICT-uitgaven geraamd onder de posten ICT en de bijdrage aan Shared Service Organisatie (SSO) DICTU.
Ontvangsten
De geraamde ontvangsten van het kerndepartement bestaan onder andere uit ontvangsten voor detacheringen en ontvangsten voor doorbelaste kosten.
Apparaatsbudget per beleidsterrein/DG
In onderstaande tabel staan de personele budgetten voor het kerndepartement van LVVN opgenomen. Onder het budget van de stafdirecties zijn ook de gezamenlijk gedeelde onderdelen met de ministeries van EZK en LVVN opgenomen. Onder personeelsgebonden kosten vallen onder andere uitgaven voor opleidingen, reis- en verblijfkosten en dergelijke. Omdat alle medewerkers van deze budgetten gebruik maken, is ervoor gekozen deze component uit te splitsen en niet onder Staf op te nemen.
Totaal budget eigen personeel | 217.652 |
|---|---|
DG Regieorganisatie Realisatie Transitie Landelijk gebied inclusief UAPB | 16.721 |
DG Natuur en Visserij | 29.734 |
DG Landelijk Gebied en Stikstof | 15.230 |
DG Agro inclusief PTV, Regieorganisatie GLB en Regieorgaan stalinnovaties | 40.464 |
HGIS | 2.023 |
Raad voor Dierenaangelegenheden | 874 |
Staf (DC, FEZ, BPZ, SKI en inclusief de gezamenlijke onderdelen van EZ/KGG/LVVN). | 101.478 |
Personeelsgebonden kosten | 11.128 |
C. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Totaal apparaatsuitgaven ministerie | |||||||
Kerndepartement | 196.940 | 216.032 | 226.835 | 213.766 | 213.004 | 196.056 | 189.363 |
NVWA | 591.782 | 621.398 | 661.175 | 676.357 | 676.357 | 676.357 | 676.357 |
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Totaal apparaatsuitgaven Agentschappen | |||||||
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit | 591.782 | 621.398 | 661.175 | 676.357 | 676.357 | 676.357 | 676.357 |
Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's | |||||||
Staatsbosbeheer | 126.100 | 312.0001 | |||||
Wageningen Research | ‒ | 405.4002 | |||||
College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) | 23.111 | 23.820 | |||||
Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) | 42.020 | 44.512 | |||||
Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau (KCB) | 24.306 | 24.760 | |||||
Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) | 8.279 | 11.3753 | |||||
Stichting Skal Biocontrole (Skal) | 21.425 | 20.999 | |||||
Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) | ‒ | 59.967 | |||||
Rendac | ‒ | 32.835 |
De bovenstaande twee tabellen geven de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement en de apparaatskosten van de agentschappen en de begrotingsgefinancierde ZBO’s en RWT’s weer. Bij rijksdiensten zijn de apparaatsuitgaven de personele en materiële uitgaven. Bij agentschappen en ZBO’s/RWT’s omvatten de apparaatskosten de personele kosten en materiële kosten, exclusief afschrijvingskosten en overige lasten (zoals dotaties aan voorzieningen, rentelasten en andere lasten).
In tabel 40 zijn onder andere de personele en materiële apparaatskosten van de NVWA, ZBO’s en RWT’s vermeld. Deze apparaatskosten worden niet alleen door LVVN gefinancierd, maar ook door andere opdrachtgevende ministeries, decentrale overheden en derden. In de agentschapsparagraaf en in Bijlage 1 Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak wordt dit nader toegelicht. De apparaatskosten van de zelfstandige bestuursorganen zonder rechtspersoonlijkheid zijn vanwege hun beperkte omvang niet opgenomen in de tabel. Een groot deel van hun werkzaamheden is uitbesteed aan andere organisaties.
4.2 Artikel 51: Nog onverdeeld
A. Budgettaire gevolgen
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Art. | Verplichtingen | 0 | 4.667 | 41.925 | 17.201 | 25.493 | 50.865 | 49.032 |
Uitgaven | 0 | 4.667 | 41.525 | 16.801 | 25.493 | 50.865 | 49.032 | |
51.0 | Nog onverdeeld | 0 | 4.667 | 41.525 | 16.801 | 25.493 | 50.865 | 49.032 |
Nog onverdeeld | 0 | 4.667 | 41.525 | 16.801 | 25.493 | 50.865 | 49.032 | |
Loonbijstelling | 0 | 0 | 3.654 | 2.597 | 5.899 | 5.818 | 3.818 | |
Nog te verdelen | 0 | 4.667 | 37.871 | 14.204 | 19.594 | 45.047 | 45.214 | |
Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
B. Toelichting op de financiële instrumenten
Dit artikel is een administratief begrotingstechnisch artikel. Dit betekent dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van artikel 51 worden gedaan. Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstelling naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats. Ook worden er taakstellingen of middelen die nog niet aan de beleidsartikelen zijn toegevoegd op dit artikel geplaatst.
5. Begroting agentschappen
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
Vastgestelde begroting 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
Baten | ||||||
Omzet | 692.589 | 722.468 | 738.102 | 738.102 | 738.102 | 738.102 |
- waarvan Toezicht | 465.898 | 502.918 | 518.552 | 518.552 | 518.552 | 518.552 |
- waarvan retribueerbare werkzaamheden | 174.086 | 170.932 | 170.932 | 170.932 | 170.932 | 170.932 |
- waarvan overig | 52.605 | 48.618 | 48.618 | 48.618 | 48.618 | 48.618 |
Financiële baten | 2.000 | 2.000 | 2.000 | 2.000 | 2.000 | 2.000 |
Overige baten | 15.181 | 13.368 | 13.368 | 13.368 | 13.368 | 13.368 |
Totaal baten | 709.770 | 737.836 | 753.470 | 753.470 | 753.470 | 753.470 |
Lasten | ||||||
Apparaatskosten | 621.398 | 661.175 | 676.357 | 676.357 | 676.357 | 676.357 |
- Personele kosten | 459.200 | 509.600 | 522.492 | 522.492 | 522.492 | 522.492 |
- waarvan eigen personeel | 414.168 | 470.427 | 482.724 | 482.724 | 482.724 | 482.724 |
- waarvan externe inhuur | 24.890 | 20.652 | 20.652 | 20.652 | 20.652 | 20.652 |
- waarvan overige personele kosten | 20.142 | 18.521 | 19.116 | 19.116 | 19.116 | 19.116 |
- Materiële kosten | 162.198 | 151.575 | 153.865 | 153.865 | 153.865 | 153.865 |
- waarvan apparaat ICT | 18.136 | 20.800 | 21.140 | 21.140 | 21.140 | 21.140 |
- waarvan bijdrage aan SSO's | 89.347 | 79.105 | 80.719 | 80.719 | 80.719 | 80.719 |
- waarvan overige materiële kosten | 54.715 | 51.670 | 52.006 | 52.006 | 52.006 | 52.006 |
Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten | 77.659 | 70.994 | 71.446 | 71.446 | 71.446 | 71.446 |
Rentelasten | 400 | 184 | 184 | 184 | 184 | 184 |
Afschrijvingskosten | 6.027 | 3.122 | 3.122 | 3.122 | 3.122 | 3.122 |
- Materieel | 1.399 | 1.357 | 1.357 | 1.357 | 1.357 | 1.357 |
- waarvan apparaat ICT | 250 | 255 | 255 | 255 | 255 | 255 |
- Immaterieel | 4.628 | 1.765 | 1.765 | 1.765 | 1.765 | 1.765 |
Overige kosten | 4.285 | 2.361 | 2.361 | 2.361 | 2.361 | 2.361 |
- waarvan dotaties voorzieningen | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 |
- waarvan bijzondere lasten | 3.785 | 1.861 | 1.861 | 1.861 | 1.861 | 1.861 |
Totaal lasten | 709.770 | 737.836 | 753.470 | 753.470 | 753.470 | 753.470 |
Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Agentschapsdeel Vpb-lasten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Saldo van baten en lasten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Toelichting algemeen
De NVWA streeft naar effectief, doelmatig en efficiënt toezicht binnen de gegeven financiële kaders, met adequate beheersing van budgettaire en bedrijfsmatige risico’s waarbij gestreefd wordt naar een meerjarige stabiele formatieve omvang.
Toelichting op de meerjarenbegroting
In de meerjarenbegroting vanaf 2028 is nog geen rekening gehouden met inflatie, LPO, meerwerk en de efficiency- en apparaat-taakstellingen.
Toelichting op de baten
Omzet Toezicht
Dit betreft de ureninzet voor het moederdepartement en de overige departementen. Onderstaande tabel laat de verdeling over het moederdepartement en de overige departementen zien.
Vastgestelde begroting 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
Moederdepartement | 336.261 | 356.633 | 367.133 | 367.133 | 367.133 | 367.133 |
Overige dpt. | 129.637 | 146.285 | 151.419 | 151.419 | 151.419 | 151.419 |
Totaal | 465.898 | 502.918 | 518.552 | 518.552 | 518.552 | 518.552 |
Omzet retribueerbare werkzaamheden
Dit betreft de verwachte opbrengsten vanuit het bedrijfsleven.
Omzet overig
Dit betreft omzet uit werkzaamheden die aan derden worden uitbesteed (extern geoormerkte budgetten, afgekort EGB), zoals aan Wageningen Food Safety Research en het RIVM. De financiering hiervan komt van het moederdepartement en overige departementen. De daling ten opzichte van 2026 wordt veroorzaakt doordat het RVDM-EGB (Real time Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (eCert)) in 2027 komt te vervallen.
Onderstaande tabel laat de verdeling over het moederdepartement en de overige departementen zien.
Vastgestelde begroting 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
Moederdepartement | 20.654 | 14.522 | 14.522 | 14.522 | 14.522 | 14.522 |
Overige dpt. | 31.951 | 34.096 | 34.096 | 34.096 | 34.096 | 34.096 |
Totaal | 52.605 | 48.618 | 48.618 | 48.618 | 48.618 | 48.618 |
Financiële baten
Dit betreft de rente op de uitstaande middelen op de rekening-courant bij het ministerie van Financiën.
Overige baten
Bijdragen van het moederdepartement aan de NVWA in het kader van door de bewindspersoon besloten demping van de door de NVWA berekende kostendekkende tarieven voor retribueerbare toezichtwerkzaamheden voor het bedrijfsleven worden onder de overige baten verantwoord.
In 2027 gaat het om compensatie voor de demping Reistijd=Werktijd (€ 8,6 mln.), demping BTW WFSR en practitioners (€ 3,1 mln.) en de demping voor de zelf-slachtende slagers (€ 1,6 mln.).
Toelichting op de lasten
Personele kosten
De stijging van de kosten voor eigen personeel hangt samen met de groei van het aantal fte’s, met name nodig voor het realiseren van de aanvullende RA-opdrachten, extra markttoezicht VWS en de mestopdrachten voor LVVN. Daarnaast zullen in 2027 alle EU-dierenartsen worden verambtelijkt. Voorheen werden deze ingehuurd en vielen de kosten onder Uitbesteed werk. Dit gaat om circa 30 fte. Tot slot zorgen de recente cao-afspraken voor 2026 en de gehanteerde indexering voor 2027 voor hogere loonkosten per fte.
De efficiencytaakstelling uit het HLA Schoof voor 2027 wordt ingevuld door het percentage indirecte medewerkers terug te brengen van 20,5% naar 20,0%.
Het streven is om meer te verambtelijken, waardoor de kosten voor externe inhuur in 2027 lager zijn begroot.
Voor de overige personele kosten wordt, op basis van de realisatie van de laatste jaren, een lager bedrag opgenomen dan in de begroting van 2026.
Materiële kosten
De kosten voor apparaat ICT stijgen doordat de NVWA in 2027 kosten voor O&P Rijk en P-Direkt doorbelast krijgt vanuit het kerndepartement.
De bijdrage aan SSO’s is lager begroot dan in 2026 op basis van de realisatie in de laatste jaren. Dit betreft zowel de kosten voor DICTU als de huisvestingskosten (huur).
De overige materiële kosten dalen ook ten opzichte van de begroting van 2026, op basis van de lagere kostenrealisatie in de laatste jaren. Dit is mede een gevolg van een scherp kostenbewustzijn.
Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten
Deze kosten zijn lager dan in de begroting van 2026 omdat EU-dierenartsen zullen worden verambtelijkt.
Rentelasten
De rentelasten zijn in lijn met de prognose van 2026 en daarmee lager dan in de begroting van 2026.
Afschrijvingskosten
Deze kosten liggen naar verwachting lager dan in 2026, doordat de investeringen de afgelopen jaren achter bleven bij de planning. Daarnaast is de RVDM (Real time Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen) applicatie eind 2026 economisch volledig afgeschreven, waardoor daar in 2027 geen afschrijvingskosten meer voor zijn.
Dotaties aan voorzieningen
Voor (schade)claims wordt, net als in 2026, een bedrag van € 0,5 mln. aan de voorziening gedoteerd.
Bijzondere lasten
Er is voor € 1,9 mln. aan bijzondere lasten begroot. Dit betreft de niet-verrekenbare omzetbelasting die de NVWA betaalt voor de inzet van practitioners voor keuringswerkzaamheden, zoals dierenartsen of keuringsassistenten. Deze kunnen niet doorberekend worden aan het bedrijfsleven. De compensatie voor deze kosten wordt verantwoord onder de overige baten. De daling van het aantal practitioners zorgt voor een lagere compensatie dan in 2026.
Stand Slotwet 2025 | Vastgestelde begroting 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
1 | Rekening courant RHB 1 januari (incl. deposito) | 111.348 | 85.587 | 115.464 | 113.538 | 111.612 | 109.686 | 107.760 |
+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom | 669.832 | 709.770 | 737.836 | 753.470 | 753.470 | 753.470 | 753.470 | |
-/- totaal uitgaven operationele kasstroom | -/-616.676 | -/- 703.243 | -/- 734.214 | -/-749.848 | -/-749.848 | -/-749.848 | -/- 749.848 | |
2 | Totaal operationele kasstroom | 53.156 | 6.527 | 3.622 | 3.622 | 3.622 | 3.622 | 3.622 |
-/- totaal investeringen | -/- 2.270 | -/- 10.850 | -/- 3.750 | -/- 3.750 | -/- 3.750 | -/- 3.750 | -/- 3.750 | |
+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen | 131 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
3 | Totaal investeringskasstroom | -/-2.139 | -/- 10.850 | -/- 3.750 | -/- 3.750 | -/- 3.750 | -/- 3.750 | -/- 3.750 |
-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement | -/- 13.819 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
+/+ eenmalige storting door moederdepartement | 100 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
-/- aflossingen op leningen | -/- 8.100 | -/- 7.135 | -/- 5.548 | -/- 5.548 | -/- 5.548 | -/- 5.548 | -/- 5.548 | |
+/+ beroep op leenfaciliteit | 1.400 | 10.850 | 3.750 | 3.750 | 3.750 | 3.750 | 3.750 | |
4 | Totaal financieringskasstroom | -/- 20.419 | 3.715 | -/- 1.798 | -/- 1.798 | -/- 1.798 | -/- 1.798 | -/- 1.798 |
5 | Rekening courant RHB 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4) | 141.946 | 84.979 | 113.538 | 111.612 | 109.686 | 107.760 | 105.834 |
Toelichting op het kasstroomoverzicht
Rekening-courant per 1-1-2027
Dit betreft de rekening-courant stand per 31-12-2025 plus de verwachte kasstroom in 2026. Daarbij is er rekening mee gehouden dat het teveel aan eigen vermogen per 31-12-2025 in 2026 zal worden teruggestort.
Operationele kasstroom
De operationele kasstroom is in 2027 circa € 2,9 mln. lager dan in de begroting van 2026. De NVWA gaat uit van een sluitende begroting. Het verschil tussen de inkomende en uitgaande geldstroom is gelijk aan de afschrijvingen en de dotatie aan voorzieningen. De afschrijvingen zijn in 2027 lager dan in 2026.
Investeringskasstroom
De investeringen zijn in 2027 fors lager dan in de begroting 2026. Deze zijn meer in lijn gebracht met de gerealiseerde investeringen van de afgelopen jaren.
Financieringskasstroom
De financieringskasstroom is in 2027 € 5,5 mln. lager dan in de begroting van 2026. Het beroep op de leenfaciliteit is € 7,1 mln. lager begroot, doordat er naar verwachting minder geïnvesteerd zal worden. Daarnaast zal de aflossing op bestaande leningen € 1,6 mln. lager zijn dan in 2026.
Stand slotwet 2025 | Vastgestelde begroting 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Tarieven | |||||||
Gemiddelde kostprijs (€/uur) | 152,32 | 152,15 | 147,76 | 147,76 | 147,76 | 147,76 | 147,76 |
Index 2012 = € 94,07 = 100 | 161,92 | 161,74 | 157,07 | 157,07 | 157,07 | 157,07 | 157,07 |
Omzet per productgroep ( in € mln.) | |||||||
Toezicht (moeder- en overige departementen) | 445,1 | 465,9 | 502,9 | 518,6 | 518,6 | 518,6 | 518,6 |
retribueerbare werkzaamheden (derden) | 149,7 | 174,1 | 170,9 | 170,9 | 170,9 | 170,9 | 170,9 |
Percentage meerwerk t.o.v. Jaarplan | 2,77% | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
FTE | |||||||
Aantal FTE (excl. Externe inhuur) | 3.692 | 4.028 | 4.274 | 4.389 | 4.389 | 4.389 | 4.389 |
Verhouding FTE direct/indirect (exclusief externe inhuur) | 2.917/ 775 | 3.182/ 846 | 3.419/ 855 | 3.511/ 878 | 3.511/ 878 | 3.511/ 878 | 3.511/ 878 |
Salariskosten per fte | 103.123 | 102.825 | 110.080 | 110.080 | 110.080 | 110.080 | 110.080 |
Saldo van baten en lasten | |||||||
Saldo van baten en lasten als % van de totale baten | 4,96% | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
Kwaliteit | |||||||
% meldingen, vragen, klachten afgehandeld binnen de gestelde termijn | 87% | 90% | 90% | 90% | 90% | 90% | 90% |
Tijdig betaalde facturen (< 30 dagen) | 97% | 95% | 95% | 95% | 95% | 95% | 95% |
6. Diergezondheidsfonds
Leeswijzer
Het Diergezondheidsfonds (DGF) is een begrotingsfonds waaruit de kosten worden betaald die verband houden met de bestrijding, bewaking en preventie van besmettelijke dierziekten en zoönosen. Deze fondsbegroting bevat een inleidende paragraaf over de achtergronden van het fonds en plafondbedragen voor de maximale opbrengst van de diergezondheidsheffing. Aansluitend volgt de toelichting bij het enige artikel van het fonds, inclusief budgettaire tabel en de bijbehorende toelichting. Een toelichting op de saldosystematiek van het DGF volgt na de tabel budgettaire gevolgen van beleid.
Inleiding en achtergrond
Uitbraken van besmettelijke dierziekten kunnen een grote impact op de Nederlandse samenleving hebben als geheel en op de agrarische sector in het bijzonder. Voor dierziekten die zich in potentie snel verspreiden gelden speciale maatregelen die grotendeels in Europese regelgeving zijn voorgeschreven. Bij een aantal van deze dierziekten bevat de Europese regelgeving een plicht tot bestrijding. Daarnaast kan sprake zijn van een plicht tot het doen van onderzoek naar de aan- of afwezigheid van een dierziekte via het monitoren van dieren.
Het fonds wordt gevoed door jaarlijkse bijdragen vanuit de begroting van LVVN, heffingen bij de sector op grond van de Wet dieren en de middelen die de Europese Unie ter beschikking stelt in verband met het weren en bestrijden van besmettelijke dierziekten.
Financiering van het fonds
De verdeling welke activiteiten uit de heffingen bij de agrarische sector worden gefinancierd en welke uit de begroting van LVVN, is vastgelegd in een convenant tussen LVVN en de betrokken sectorpartijen (Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2025–2029; Kamerstuk 29683, nr 287).
De kosten voor de bewaking van dierziekten en crisisparaatheid worden in beginsel voor 50% door LVVN en voor 50% uit de heffingen gefinancierd. Uitzondering hierop vormen de kosten van de monitoringsprogramma’s voor zoönotische en niet-zoönotische Salmonella, Newcastle disease, Mycoplasma, Leukose, de serologie-monitoring bij pluimvee voor aviaire influenza, en de beschikbaarheid van vaccins voor de ziekte van Aujeszky. Deze worden voor 100% uit de heffingen gefinancierd.
De financiering van de kosten van bestrijding van dierziekten, inclusief het afhandelen van verdenkingen, is afhankelijk van de dierziekte en diersoort. De kosten voor de bestrijding worden, bij gehouden dieren waarvoor de heffing betaald wordt, in beginsel – tot een per diersoort afgesproken plafondbedrag – voor 100% doorberekend aan de sectoren. Boven de plafondbedragen draagt LVVN de resterende kosten. De kosten van de verdenkingendiagnostiek en bestrijding bij gehouden dieren die geen heffing hoeven te betalen, zoals bij kleinschalig gehouden vogels of houders met minder dan 25 schapen of geiten, worden gedragen door LVVN.
De plafondbedragen
De tarieven voor de diergezondheidsheffing welke in rekening worden gebracht aan de sectoren voor de jaren 2025 tot en met 2029 zijn gemaximeerd door middel van een totaal plafond en een plafond voor bestrijdingskosten. Deze zijn vastgelegd in het convenant en de bedragen voor de totaalplafonds zijn tevens opgenomen in het Besluit diergezondheid. Deze plafonds per sector zijn als volgt te specificeren:
Sector | Totaalplafond | Waarvan bestrijdingskosten maximaal |
|---|---|---|
Rundersector | 90.000.000 | 45.000.000 |
Pluimveesector | 130.000.000 | 97.800.000 |
Schapensector | 8.900.000 | 1.900.000 |
Geitensector | 9.700.000 | 2.500.000 |
Varkenssector | 85.000.000 | 61.700.000 |
Groeiparagraaf
Ten opzichte van de Ontwerpbegroting 2026 is de structuur van de budgettaire tabel van artikel 1 Bewaking en bestrijding van dierziekten aangepast en transparanter gemaakt. Daarbij is de indeling in activiteiten (bewaking, crisisparaatheid en bestrijding) leidend en niet het type instrument (subsidies, opdrachten e.d.). Bij Ontvangsten is verder onderscheid aangebracht tussen de Ontvangsten die de begrote uitgaven dekken, en Ontvangsten die betrekking hebben op uitgaven in eerdere jaren.
1 Bewaking en bestrijding van dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen
Algemene doelstelling
Bewaking en bestrijding van specifieke dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen.
Rol en verantwoordelijkheid
De Minister van LVVN is verantwoordelijk voor:
– Het bestrijden van dierziekten die op basis van (Europese) wetgeving verplicht moeten worden bestreden en indirect verantwoordelijk – houders van dieren zijn zelf primair verantwoordelijk – voor welzijnsaspecten bij de bestrijding.
– Het tijdig signaleren en afhandelen van verdenkingen en besmettingen door onderzoek en monitoring/bewaking van bepaalde dierziekten.
– Effectieve en doelmatige crisisorganisatie bij dierziektenuitbraken.
Beleidswijzigingen
Er zijn geen wijzigingen in het beleid ten opzichte van 2026.
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Verplichtingen | 50.442 | 38.133 | 43.093 | 43.390 | 43.779 | 43.718 | 43.807 | |
Uitgaven | 42.953 | 49.133 | 43.093 | 43.390 | 43.779 | 43.718 | 43.807 | |
Waarvan juridisch verplicht | ||||||||
Bewaking van dierziekten | ||||||||
Subsidies | ||||||||
Subsidies voor bewaking van dierziekten | 106 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | |
Opdrachten | ||||||||
Opdrachten voor bewaking van dierziekten | 249 | 3.177 | 698 | 698 | 698 | 698 | 698 | |
Bijdrage aan ZBO's / RWT's | ||||||||
Gezondheidsdienst voor Dieren B.V. | 15.930 | 16.839 | 17.462 | 17.462 | 17.462 | 17.462 | 17.462 | |
Stichting Wageningen Research | 1.872 | 1.771 | 2.457 | 2.457 | 2.457 | 2.457 | 2.457 | |
Bijdrage aan overige ZBO's/RWT's voor bewaking van dierziekten | 1.474 | 747 | 2.319 | 2.319 | 2.319 | 2.319 | 2.319 | |
Crisisparaatheid | ||||||||
Opdrachten | ||||||||
Opdrachten voor crisisparaatheid | 2.680 | 2.889 | 4.279 | 4.279 | 4.279 | 4.279 | 4.279 | |
Bijdrage aan ZBO's / RWT's | ||||||||
Stichting Wageningen Research | 2.734 | 3.178 | 2.370 | 2.667 | 3.056 | 2.995 | 3.084 | |
Bijdrage aan overige ZBO's/RWT's voor crisisparaatheid | 1.629 | 1.517 | 366 | 366 | 366 | 366 | 366 | |
Bestrijding van dierziekten | ||||||||
(Schade)vergoedingen | ||||||||
Schadevergoedingen bij bestrijding van dierziekten | 8.934 | 14.000 | 8.500 | 8.500 | 8.500 | 8.500 | 8.500 | |
Opdrachten | ||||||||
Opdrachten voor bestrijding van dierziekten | 2.447 | 500 | 1.644 | 1.644 | 1.644 | 1.644 | 1.644 | |
Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s | ||||||||
Gezondheidsdienst voor Dieren B.V. | 421 | 700 | 700 | 700 | 700 | 700 | 700 | |
Stichting Wageningen Research | 2.104 | 730 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | |
Bijdrage aan overige ZBO's/RWT's voor bestrijding van dierziekten | 137 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | |
Overig | ||||||||
Subsidies | ||||||||
Overige subsidies | 435 | 474 | 621 | 621 | 621 | 621 | 621 | |
Opdrachten | ||||||||
Overige opdrachten | 910 | 1.171 | 867 | 867 | 867 | 867 | 867 | |
Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s | ||||||||
Gezondheidsdienst voor Dieren B.V. | 891 | 1.440 | 810 | 810 | 810 | 810 | 810 | |
Ontvangsten | 57.543 | 50.148 | 57.487 | 43.390 | 43.779 | 43.718 | 43.807 | |
Ontvangsten Sector - dekking begrote uitgaven | 20.375 | 21.182 | 29.260 | 29.165 | 30.173 | 30.112 | 30.201 | |
Ontvangsten LVVN - dekking begrote uitgaven | 12.638 | 11.190 | 12.106 | 12.106 | 12.106 | 12.106 | 12.106 | |
Dekking begrote uitgaven vanuit Saldo LVVN in DGF | ‒ | 988 | 1.500 | 1.500 | 1.500 | 1.500 | 1.500 | |
Ontvangsten EU | ‒ | ‒ | ‒ | 619 | ‒ | ‒ | ||
Overige ontvangsten | ‒ | ‒ | 227 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | |
Ontvangsten meerjarig saldo | ||||||||
Ontvangsten Sector - inlopen tekort voorgaande jaren | 2.607 | 7.109 | 6.994 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | |
Ontvangsten Sector - aanvullen crisisreserve | 5.316 | ‒ | 7.400 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | |
Ontvangsten EU | 15.152 | 9.679 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ||
Overige ontvangsten | 1.455 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | |
Fondssystematiek | ||||||||
Saldo van de afgesloten rekeningen | 23.129 | 37.719 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ |
Toelichting bij bovenstaande tabel budgettaire gevolgen van beleid
Budgetflexibiliteit
Er zijn doorlopende contracten met bedrijven om bewakingsprogramma’s uit te voeren en/of om beschikbaar te zijn voor dienstverlening tijdens crises (Crisisparaatheid), waardoor uitgaven meerjarig juridisch verplicht zijn. De overige verplichtingen zijn op basis van het convenant aan bestuurlijke afspraken gebonden.
Bewaking van dierziekten
Het signaleren van (mogelijke) dierziekten vindt plaats door houders van dieren, dierenartsen en/of medewerkers van laboratoria/onderzoeksinstellingen, hetzij op basis van klinische verschijnselen dan wel op basis van de uitkomsten van laboratoriumonderzoek. In het geval deze verschijnselen kunnen wijzen op een aangifteplichtige ziekte, dient dit onmiddellijk bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) te worden gemeld. Naast de meldplicht worden in opdracht van LVVN bewakings- en monitoringsprogramma’s uitgevoerd die deels door de Europese Unie (EU) verplicht zijn gesteld ter behoud van de dierziektevrij-status.
Ook een vrijstatus voor de Wereldorganisatie voor diergezondheid (World Organisation for Animal Health (WOAH, voorheen OIE) vereist voor sommige ziekten een monitoringsprogramma. Door bewakingsonderzoeken uit te voeren wordt het risico dat een ziekte niet of niet tijdig wordt opgemerkt gereduceerd.
Naast deze officiële vrijstatus zijn er andere redenen voor het uitvoeren van monitoringprogramma’s, zoals de volksgezondheid of nationale diergezondheidsbelangen. Zo is ervoor gekozen om een monitoringsprogramma uit te voeren op Q-koorts, Mycoplasma gallisepticum en Salmonella St./Se.
Voor een snelle opsporing van dierziekten is de overheid in sterke mate afhankelijk van de opmerkzaamheid van veehouders en dierenartsen en van hun bereidheid een eventuele verdenking te melden. Hiervoor worden in aanvulling op de monitoringsprogramma’s, waarbij een aangewezen aantal bedrijven wordt bemonsterd, zogenaamde ‘early warning’-programma’s uitgevoerd voor aviaire influenza (AI), Klassieke varkenspest (KVP) en Afrikaanse varkenspest (AVP). Deze early warning verplicht de dierhouder om bij zieke dieren, waarbij AI, KVP of AVP niet kan worden uitgesloten op basis van het klinische beeld, monsters op te sturen voor uitsluitingsdiagnostiek.
Het budget voor bewaking van dierziekten wordt onder meer ingezet voor de volgende activiteiten:
2027 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Runderen | Schapen | Geiten | Varkens | Pluimvee | LVVN | Totaal | |
Basismonitoring | 2.792 | 384 | 384 | 1.428 | 1.203 | 5.176 | 11.367 |
Brucellose | 655 | 655 | 1.310 | ||||
BSE | 1.889 | 1.890 | 3.779 | ||||
Leukose | 430 | 430 | |||||
Blauwtong | 125 | 83 | 42 | 250 | 500 | ||
Brucella melitensis | 126 | 126 | 254 | 506 | |||
TSE | 75 | 75 | 150 | 300 | |||
Q-koorts | 109 | 327 | 437 | 873 | |||
KVP/AVP | 167 | 167 | 334 | ||||
KVP/AVP Wilde Zwijnen | 72 | 72 | 144 | ||||
KVP/AVP Early Warning (tonsillen) | 106 | 107 | 213 | ||||
AI Early warning monsters (swabs) | 8 | 8 | 16 | ||||
AI Early warning hobbypluimvee en monitoring wilde/dode vogels | 150 | 150 | |||||
Monitoringsprogramma AI (serologie), NCD, Mycoplasma en niet-zoönotische Salmonella | 1.434 | 1.434 | |||||
diagnostiek AI (serologie) | 1.026 | 1.026 | |||||
Monstername en monitoring Zoönotische Salmonella | 555 | 555 | |||||
Totaal bewaking van dierziekten | 5.891 | 777 | 954 | 1.773 | 4.226 | 9.316 | 22.937 |
Toelichting bij bovenstaande tabel bewaking van dierziekten
De monitoringsprogramma’s zijn grotendeels ongewijzigd ten opzichte van de begroting 2026. Als gevolg van de uitbraak van blauwtong type 3 is een beperkte monitoring om de vrijstatus van blauwtong aan te tonen niet meer mogelijk. Medio 2026 is daarom voor blauwtong een monitoringprogramma gestart waarin in 2 à 3 rondes een steekproef wordt genomen bij dieren met klinische verschijnselen die wijzen op blauwtong, en waarbij in geval van positieve uitslagen serotypering plaatsvindt om te bepalen of sprake is van een besmetting met BTV-3 of een ander, nieuw serotype. Daarnaast is de kostenverdeling van de monitoring op brucellose aangepast. Bij het afsluiten van het convenant 2025-2030 was afgesproken om de kostenverdeling van de brucellose monitoring bij runderen stapsgewijs gelijk te gaan trekken met de kostenverdeling die ook bij andere lijst-B ziekten wordt gehanteerd. In de begroting 2027 is deze 50-50 verdeling tussen sector en LVVN opgenomen.
Crisisparaatheid
Crisisparaatheid omvat het treffen van voorzieningen om onmiddellijk te kunnen bestrijden op het moment dat een ziekte is vastgesteld. Zodra sprake is van een besmetting of hier vanuit moet worden gegaan, worden onmiddellijk bestrijdingsmaatregelen getroffen door de (permanente) crisisorganisatie van LVVN. Vertraging van de bestrijding kan leiden tot meer besmettingen en daarmee tot langdurige bestrijdingsmaatregelen.
Waakvlamcontracten omvatten vaste uitgaven in de vorm van een beschikbaarheidsvergoeding om ervoor te zorgen dat de benodigde partijen stand-by staan en direct in actie kunnen komen bij een besmetting welke acuut bestreden moet worden. Het budget voor crisisparaatheid wordt onder meer ingezet voor de volgende activiteiten:
2027 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Runderen | Schapen | Geiten | Varkens | Pluimvee | LVVN | Totaal | |
Waakvlamcontracten | 65 | 9 | 5 | 213 | 187 | 491 | 970 |
Crisiscapaciteit en consignatiediensten | 61 | 8 | 4 | 49 | 61 | 183 | 366 |
Vaccinbanken MKZ, KVP, ZvA en LSD | 495 | 63 | 34 | 903 | 1.129 | 2.624 | |
Sectordeel High Containment Unit | 792 | 78 | 78 | 630 | 792 | 685 | 3.055 |
Totaal crisisparaatheid | 1.413 | 158 | 121 | 1.795 | 1.040 | 2.488 | 7.015 |
Toelichting bij bovenstaande tabel crisisparaatheid
De uitgaven aan crisisparaatheid zijn grotendeels vergelijkbaar met de begroting 2026.
Aan de begrote contracten voor noodvaccins is Lumpy Skin Disease (LSD) toegevoegd. Daarnaast is een aanpassing van de overeenkomst met Rendac voor de crisiscapaciteit en consignatiediensten voor het ophalen en de destructie van kadavers doorgevoerd. De bijdrage van het DGF aan de crisiscapaciteit van Rendac neemt hierdoor af. Tegelijkertijd stijgen de normale tarieven die dierhouders aan Rendac betalen voor de afvoer van reguliere kadavers door deze wijziging van de overeenkomst met een vergelijkbaar bedrag. Om de lasten voor dierhouders grosso modo gelijk te houden is besloten het volledige bedrag dat door het DGF wordt bespaard ten goede te laten komen aan een verlaging van de tarieven die dierhouders betalen aan het DGF. Dit is verwerkt in de begroting door het bedrag dat LVVN zou besparen in te zetten als extra LVVN-bijdrage aan de High Containment Unit. Beide sluiten aan bij de afspraken zoals gemaakt in artikel 6.1.4 van het convenant 2025-2029.
Bestrijding van dierziekten
Onder de bestrijding van dierziekten vallen:
Verdenkingen
– Onderzoek naar verschijnselen die kunnen duiden op een aangifteplichtige dierziekte na een melding door een (vee)houder en/of door een dierenarts;
– Onderzoek van verdachte dieren;
Bestrijding
– Bestrijding van besmettelijke dierziekten zoals tuberculose, brucellose, leukose, hoogpathogene vogelgriep (HPAI), Mond en klauwzeer (MKZ) en klassieke of Afrikaanse varkenspest (KVP en AVP).
Als veehouders verschijnselen signaleren bij hun dieren die kunnen duiden op een aangifteplichtige dierziekte, is melding daarvan verplicht. Ook een positief testresultaat van een aangifteplichtige ziekte moet door een laboratorium gemeld bij de NVWA. Het onderzoeken van deze meldingen is een belangrijke structurele taak van de NVWA. Indien een bevestigingstest positief is, wordt het bedrijf door de NVWA besmet verklaard. Als er sprake is van een bestrijdingsplichtige ziekte, wordt aansluitend tot bestrijding overgegaan.
Bestrijding vindt plaats volgens Europese bestrijdingsrichtlijnen. De aanpak is geregeld in diverse draaiboeken van het Ministerie. Op Rijksoverheid.nl staan de actuele bestrijdingsdraaiboeken.
In bepaalde gevallen kan de inzet van beschermende noodvaccinatie (vaccinatie ‘voor het leven’) een effectieve bestrijdingsmethode zijn. In plaats van het in grote aantallen preventief ruimen van dieren kan de uitbraak bij bepaalde dierziekten tot staan worden gebracht door vaccinatie, in een bepaald gebied rondom besmette bedrijven. Gezonde gevaccineerde dieren worden niet meer gedood. Op basis van de huidige EU-regelgeving is beschermende noodvaccinatie mogelijk bij de bestrijding van uitbraken van MKZ, KVP, LSD, Ziekte van Aujeszky (ZvA) en AI. Deze aanpak is alleen uitvoerbaar bij dierziekten waarvoor een effectief en praktisch toepasbaar vaccin beschikbaar is (het DGF heeft in het kader van de crisisparaatheid contracten voor MKZ, KVP en ZvA). Voornemen is hier LSD aan toe te voegen. De mogelijkheid van noodvaccinatie is beschreven in de betreffende beleidsdraaiboeken.
Voor de bestrijding van dierziekten staan onder andere de volgende instrumenten ter beschikking:
– wettelijke verplichting van houders van dieren en dierenartsen om verschijnselen die duiden op een aangifteplichtige dierziekte te melden;
– klinische inspectie door een zogenaamd deskundigenteam, bestaande uit dierenartsen (bedrijfsdierenarts van veehouder, dierenarts van de Gezondheidsdienst van Dieren en NVWA-dierenarts op bedrijven waar mogelijk sprake is van aangifteplichtige dierziekten);
– monsternames en diagnostisch onderzoek van afgenomen monsters bij verdachte dieren;
– instellen van stand-still, vervoersverboden en/of compartimenten;
– vaccineren van dieren;
– onderzoek van dieren op buurt-/contactbedrijven en andere relevante bedrijven;
– tracering van een besmetting (van en naar);
– doden van besmette dieren en van dieren die een reëel gevaar zijn voor verspreiding van de besmetting;
– destructie van gedode (besmette) dieren;
– reinigen en ontsmetten van bedrijven.
De grondslag voor de inzet van bovenstaande instrumenten zijn:
– EU-richtlijnen en EU-verordeningen;
– Wet Dieren;
– (Beleids-)draaiboeken;
– crisisorganisatie en voorzieningen.
Het budget voor opdrachten voor verdenkingen en bestrijding wordt onder meer ingezet voor de volgende activiteiten:
2027 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Runderen | Schapen | Geiten | Varkens | Pluimvee | LVVN | Totaal | |
Verdenkingen: | |||||||
AI | 800 | 800 | |||||
Salmonella | 100 | 100 | |||||
Overige verdenkingen | 133 | 15 | 15 | 112 | 468 | 743 | |
Bestrijding: | |||||||
Salmonella | 1.500 | 1.500 | |||||
HPAI | 7.000 | 7.000 | |||||
HPAI (screening en kadaverbemonstering) | 700 | 700 | |||||
Totaal bestrijding van dierziekten | 133 | 15 | 15 | 112 | 10.100 | 468 | 10.843 |
Toelichting bij bovenstaande tabel bestrijding
Verdenkingen en bestrijdingen zijn posten die lastig te voorspellen zijn.
Voor vogelgriep (HPAI) en Salmonella uitbraken is respectievelijk € 7,0 mln. en € 1,5 mln. begroot. In 2025 waren de bestrijdingsuitgaven voor HPAI hoger. In de begroting is uitgegaan van 14 introductie van HPAI op commerciële bedrijven, conform het rapport van WUR (kst-36410-XIV-13).
Tot slot is in de begroting voor de screening en kadavertonbemonstering een bedrag opgenomen van € 0,7 mln. Deze uitgaven vallen onder bestrijding en komen in de plaats van preventief ruimen.
Overig
Het budget 2027 voor overige activiteiten wordt ingezet voor de bijdrage aan de Stichting Diergeneesmiddelen Autoriteit voor € 0,621 mln., de uitvoeringskosten voor het innen van heffingen en voeren van de administratie van € 0,8 mln. en de overeenkomst met de Gezondheidsdienst voor Dieren voor veterinaire kennis en beleidsadvisering, deelname aan de zoönose structuur, helpdesk Paard (€ 0,8 mln.).
Ontvangsten
Ontvangsten van de sector
De verwachte ontvangsten worden via heffingen aan de sectoren geïnd en zijn vastgelegd in het ‘Besluit tot wijziging van het Besluit diergezondheid in verband met de tarieven van de diergezondheidsheffing voor 2027’. Voor het bepalen van de hoogte van het tarief zijn de volgende componenten van belang:
– De begrote uitgaven voor het betreffende instrument per diersoort of diercategorie in het begrotingsjaar waarvoor het tarief wordt vastgesteld;
– De minimale omvang van de crisisreserve;
– Mogelijke overschotten of tekorten op het saldo per sector die zijn verrekend in de tarieven.
De verwachte ontvangsten zijn als volgt te specificeren:
Runderen | Varkens | Schapen | Geiten | Pluimvee | Totaal | |
|---|---|---|---|---|---|---|
Heffingen 2027 | 7.952 | 3.784 | 1.075 | 1.093 | 15.582 | 29.486 |
Verrekening sectorsaldo | 3.894 | 3.100 | 6.994 | |||
Aanvullen crisisreserve | 7.400 | 7.400 | ||||
Totaal verwachte ontvangsten | 11.846 | 3.784 | 1.075 | 1.093 | 26.082 | 43.880 |
De heffingen 2027 zijn gebaseerd op de begroting 2027 met de verdeling van uitgaven tussen LVVN en de sectoren conform het convenant 2025-2029.
De verrekening bij de rundsector betreft een correctie uit voorgaande jaren. Sinds 2019 loopt de rundsector een jaar achter met de heffingen waardoor het DGF structureel een jaar heeft voorgefinancierd. Hierdoor had de rundsector structureel een saldo tekort van € 7,8 mln. Met de sector is afgesproken dit tekort in drie jaar in te lopen. Daarnaast is het saldotekort bij runderen in 2024 opgelopen door extra uitgaven aan blauwtong-verdenkingen, met name diagnostiek. Voor pluimvee wordt een saldotekort dat in 2025 is ontstaan ten gevolge van de uitbraken van vogelgriep verwerkt in de heffingen 2027. Onder overige ontvangsten is een bijdrage aan het DGF van het Fonds Pluimveebelangen aan een veldproef voor Salmonella opgenomen.
Ontvangsten LVVN
Dit betreft de brijdage van LVVN aan de DGF-begroting voor met name de bewaking en monitoring van dierziekten, en voor voorzieningen in geval van een dierziekte-uitbraak (zoals vaccins, waakvlamcontracten en bestrijdingsmaterialen). De bijdrage van LVVN is op de LVVN-begroting terug te vinden op artikel 21 onder Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken. Het wordt verantwoord geacht om de komende jaren de bijdrage van LVVN gedeeltelijk te financieren door in te teren op het saldo van LVVN in het DGF. Voor 2027 is de jaarlijkse storting van LVVN hiertoe met € 1,5 mln. verlaagd waardoor de totale bijdrage 2027 van LVVN aan de DGF begroting € 12,1 mln. bedraagt.
Saldosystematiek DGF
In de systematiek van het DGF speelt het fondssaldo een belangrijke rol. Het fondssaldo is in feite het banksaldo van het fonds aan het einde van het jaar. Het fondssaldo bestaat uit de volgende onderdelen:
Crisisreserve
Via het fondssaldo worden de middelen gereserveerd voor onverwachte (grote) uitgaven die samenhangen met het uitbreken van een dierziektecrisis. Dit betreft de crisisreserve. De crisisreserve die door elke sector moet worden aangehouden is vastgelegd in het Besluit Diergezondheid. De crisisreserve bedroeg eind 2025 € 7,5 miljoen. De crisisreserve van de varkenssector was € 7,4 mln. en de crisisreserve van de schapen- en geitensector € 0,98 mln. De pluimveesector had eind 2025 geen crisisreserve meer in het DGF: het aanvullen van dit saldo is verwerkt in de heffingen in 2027. De rundersector beheert haar crisisreserve buiten het DGF.
Saldo Sectoren
De verschillen tussen ontvangsten en uitgaven per begrotingsjaar, verrekeningen uit voorgaande jaren en nieuwe activiteiten gedurende het boekjaar die niet zijn begroot leiden tot een positief of negatief saldo per sector. Positieve verschillen zijn dan een onderdeel van het fondssaldo. Dit saldo moet dan worden verrekend in het tarief voor de heffingen in het opvolgende jaar. Een negatief saldo (voorfinanciering door DGF) wordt eveneens verrekend in het tarief in het opvolgende jaar.
Nog te betalen bedragen voorgaand boekjaar
In de praktijk komt het voor dat uitgaven in 2027 betrekking hebben op geleverde prestaties in 2026. Het fonds heeft de verplichting om deze bedragen te betalen en moet dit via het fondssaldo reserveren.
Saldo LVVN
Het fondssaldo verminderd met de crisisreserve, het saldo van de sectoren en nog te betalen bedragen uit voorgaand boekjaar is het deel wat aan LVVN is toegerekend. Hierbij is rekening gehouden met eventuele voorschotten die van de EU afkomstig zijn.
In de begrotingcyclus en de berekening van de tarieven wordt de omvang en samenstelling van het fondssaldo meegenomen.
Ontwikkelingen Fondssaldo
Het fondssaldo per 31 december 2025 sluit op een bedrag van € 37,7 mln. In dit saldo is de crisisreserve, opgeteld ad € 7,45 mln., inbegrepen.
Het saldo van sectoren gezamenlijk bedraagt eind 2025 € 14,2 mln. negatief (nog te ontvangen van de sectoren) en zal door DGF worden verrekend in de tarieven. Dit saldo bestaat voor €11,04 mln. uit een negatief saldo van de rundersector en voor € 3,3 mln. uit een negatief saldo van de pluimveesector. Voor de rundveesector betreft dit een tekort uit eerdere jaren, dat is verrekend in de tarieven 2025, 2026 en 2027. Voor de pluimveesector is het tekort meegenomen in het tarief 2027. Het restant betreft het saldo van de sectoren schaap, geit en varken waar het saldo relatief beperkt van omvang is.
Meerjarig beeld
In het meerjarig beeld is rekening gehouden met stijgende uitgaven die op dit moment kunnen worden voorzien en zijn afgestemd met de sectoren (indexatie is niet meegenomen). In de jaren 2028 tot en met 2031 zijn de inkomsten en uitgaven aan elkaar gelijk. In de volgende paragrafen worden de uitgaven per instrument nader toegelicht.
In 2026 tot en met 2027 zijn de ontvangsten hoger dan de uitgaven. De oorzaak is tweeledig: de verrekening van het saldotekort van de pluimveesector en de runderensector in de heffingen, en doordat in de heffingen voor de pluimveesector tevens de opbouw van de crisisreserve is verwerkt.
Ontvangsten van LVVN
De bijdrage van LVVN aan het fonds is gebaseerd op de uitgaven en ontvangsten zoals overeengekomen in het convenant met de sectoren. Door extra stortingen van LVVN in 2022 en 2023 in het Diergezondheidsfonds, ter voorfinanciering van uitgaven voor vogelgriep, heeft LVVN voldoende saldo in het Diergezondheidsfonds. Het wordt verantwoord geacht om de komende jaren de bijdrage van LVVN gedeeltelijk te financieren door in te teren op het saldo van LVVN in het DGF. Voor 2026 was de jaarlijkse storting van LVVN hiertoe met € 1,0 mln. verlaagd en vanaf 2027 met € 1,5 mln. per jaar. De taakstelling LVVN wordt hiermee voor de duur van het convenant 2025-2029 gedekt uit het saldo LVVN in het DGF. Voor 2027 bedraagt de taakstelling € 1,5 mln.
Dekking vanuit saldo LVVN in DGF
Deze post is vanaf begrotingsjaar 2026 meerjarig in de begroting opgenomen om zichtbaar te maken met welk bedrag het aandeel van LVVN in het begrote fondssaldo afneemt.
Ontvangsten Sector
De ontvangsten van de sector zijn gebaseerd op de vastgestelde tarieven en worden geïncasseerd middels heffingen welke vooraf zijn afgestemd met de sector. In 2027 zijn de ontvangsten hoger dan in voorgaande jaren als gevolg van verrekening van de sectorsaldo’s.
Ontvangsten EU
De EU draagt bij aan de uitgaven voor de bestrijding van Salmonella, BSE/TSE en HPAI. In 2026 zal er naar verwachting € 0,5 mln. worden ontvangen van de EU voor de bevoorschotting van het programma in 2025-2027. In 2028 verwachten wij de afrekening ad € 0,6 mln. van het programma 2025-2027. Bijdragen van de EU aan de bestrijding van dierziekten is niet opgenomen in de begroting. De controle door de EU op de uitgaven en de besluitvorming over de toekenning van cofinanciering kan enkele jaren duren.
Bijdrage van sector aan crisisreserve
De crisisreserves van de sectoren rundvee-, schapen-, geiten- en varkenssector waren eind 2025 op het vereiste niveau. Hierbij opgemerkt dat de rundveesector de crisisreserve in eigen beheer heeft. Voor de pluimveesector is in de tariefbepaling 2027 de opbouw van de crisisreserve opgenomen ad € 7,4 mln. De crisisreserve was eind 2025 gedaald tot nul door de bestrijdingsuitgaven voor vogelgriep.
7. Bijlagen
Bijlage 1: ZBO's en RWT's
Naam organisatie | ZBO/RWT | Begrotingsartikel | Begrotingsramingen (X € 1.000) | Uitgevoerde evaluatie ZBO | Volgende evaluatie ZBO |
|---|---|---|---|---|---|
RWT | ‒ | Evaluatieplicht niet van toepassing | Evaluatieplicht niet van toepassing | ||
ZBO | 21 | 1.506 | 2028 | ||
ZBO | 21 | 2.525 | 2025 | ||
College voor de toelating van gewasbeschermings-middelen en biociden (Ctgb) | ZBO en RWT | 21 | 1.490 | 2026 | |
ZBO en RWT | 22 | 32.434 | 2026 | ||
RWT | 23 | 142.666 | 2028 | ||
ZBO en RWT | 21 | 519 | 2027 | ||
Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) | ZBO en RWT | 21 | 619 | 2027 | |
Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (NAK) | ZBO en RWT | 21 | 1.070 | 2027 | |
ZBO en RWT | 21 | 315 | 2027 | ||
ZBO en RWT | 21 | 9.613 | 2028 | ||
ZBO en RWT | 21 | 592 | 20271 | ||
ZBO en RWT | 22 | ‒ | Evaluatieplicht niet van toepassing | Evaluatieplicht niet van toepassing | |
RWT | 21 | ‒ | Evaluatieplicht niet van toepassing | ||
ZBO en RWT | 21 | ‒ | 2026 | ||
ZBO | 21 | ‒ | Evaluatie wordt meegenomen bij de herziening van de pachtwetgeving | ||
ZBO | 22 | ‒ | Evaluatieplicht niet van toepassing | Evaluatieplicht niet van toepassing | |
Naam organisatie | Ministerie | ZBO/RWT | Begrotingsartikel | Begrotingsramingen |
|---|---|---|---|---|
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | ZBO | 23 | 0 |
Bijlage 2: Specifieke uitkeringen per departement
SiSa nr. | Onderdeel | Toelichting | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
L18 | Agroprogramma Groningen | 62,4 | 18,3 | 16,0 | ||||
Korte duiding | Het Agroprogramma Groningen is onderdeel van het programma Nij Begun. Hiermee wordt aan agrarische ondernemingen in groningen gewerkt aan toekomstperspectief na geleden aarbevingsschade. | |||||||
Juridische grondslag | Kaderwet EZK- en LNV-subsidies art. 2a, 1ste lid en onderdelen c en f | |||||||
Maatschappelijke effecten | Mogelijk maken van investeringen en begeleidingen voor een toekomstbestendige bedrijfsvoering in groningen. | |||||||
Ontvangende partijen | Provincie Groningen | |||||||
Artikel | 22 | |||||||
L23 | Programma Eems-Dollard 2050 Groningen | 0,1 | ||||||
Korte duiding | Financiering van een deel van de programmakosten van het programma Eems-Dollard 2050 | |||||||
Juridische grondslag | Kaderwet EZK/LNV Subsidies | |||||||
Maatschappelijke effecten | Versterking van de natuur, economie en leefbaarheid in de Eems-Dollard | |||||||
Ontvangende partijen | Provincie Groningen | |||||||
Artikel | 22 | |||||||
L27 | Legalisatie PAS-melders | 39,7 | ||||||
Korte duiding | Het legalisatie programma PAS-melders is gefocust op het vinden van maatwerkoplossingen voor PAS-melders die op dit moment een gedeelte van hun bedrijfsvoering onvergund uitvoeren. | |||||||
Juridische grondslag | Ministeriële regeling | |||||||
Maatschappelijke effecten | Provinciale maatwerkoplossingen die Juridisch houdbare oplossingen voor boeren die PAS-melder zijn geven. | |||||||
Ontvangende partijen | Provincies | |||||||
Artikel | 22 | |||||||
L32 | Regeling regionale uitvoeringsteams Aanpak Piekbelasters | 0,3 | 0,3 | |||||
Korte duiding | Om de ca. 3000 bedrijven die vallen onder de aanpak piekbelasters persoonlijke begeleiding vanuit de overheid te kunnen bieden zijn er zogeheten zaakbegeleiders beschikbaar gemaakt. | |||||||
Juridische grondslag | Ministeriële regeling | |||||||
Maatschappelijke effecten | Persoonlijke begeleiding van boeren voor toekomstbestendige landbouw vlakbij kwetsbare natuurgebieden | |||||||
Ontvangende partijen | Provincies | |||||||
Artikel | 22 | |||||||
L33 | Programma Natuur | 90,8 | 295,2 | 196,0 | 196,4 | 234,4 | ||
Korte duiding | Programma Natuur omvat afspraken met provincies voor natuurherstel en stikstofreductie | |||||||
Juridische grondslag | Kaderwet EZK/LNV subsidies | |||||||
Maatschappelijke effecten | Gericht natuurherstel en stikstofreductie | |||||||
Ontvangende partijen | Provincies | |||||||
Artikel | 22 | |||||||
L35 | Financiering Maatregelpakketten (WEcR) | 288,7 | ||||||
Korte duiding | Met dit programma worden provinciale maatregelpakketten gefinancierd die door Wageningen economic research als laag risico zijn getoetst. | |||||||
Juridische grondslag | Ministeriële regeling | |||||||
Maatschappelijke effecten | Wettelijke doelen voor o.a. natuurherstel | |||||||
Ontvangende partijen | Provincies | |||||||
Artikel | 22 | |||||||
L36 | Maatregel Gerichte Beëindiging | 0,0 | ||||||
Korte duiding | Met de regeling kunnen provincies bedrijfslocaties van veehouders nabij stikstofgevoelige natuurgebieden die vrijwillig gedeeltelijk of geheel willen stoppen via een subsidie laten beëindigen. | |||||||
Juridische grondslag | Ministeriële regeling | |||||||
Maatschappelijke effecten | Gericht verlagen van de stikstofneerslag op kwetsbare natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, veenweide en beekdalen) | |||||||
Ontvangende partijen | Provincies | |||||||
Artikel | 21 | |||||||
L38 | Convenant Visserijontwikkelplan | 0,0 | ||||||
Korte duiding | Met het Visserijontwikkelplan zal er geïnvesteerd worden in visafslagen voor de versterking en verbreding van de verbinding van visclusters. Daarnaast wordt ook ingezet op het faciliteren van innovatie rondom de visserij. | |||||||
Juridische grondslag | Ministeriële regeling | |||||||
Maatschappelijke effecten | Behoud en ontwikkeling van toekomstbestendige landzijdige visclusters voor een kleinere, duurzamere en meer diverse aanvoersector. | |||||||
Ontvangende partijen | Provincies | |||||||
Artikel | 22 | |||||||
L41 | Gebiedsgerichte aanpak | 111,1 | 110,9 | 378 | ||||
Korte duiding | Deze aanpak richt zich op het realiseren van opgaven voor natuur, water en stikstof, waarin overheden via samenhangende maatregelpakketten samenwerken | |||||||
Juridische grondslag | Ministeriële regeling | |||||||
Maatschappelijke effecten | Wettelijke doelen voor o.a. natuurherstel | |||||||
Ontvangende partijen | Provincies | |||||||
Artikel | 22, 25 |
Bijlage 3: Subsidieoverzicht
Artikel | Naam Subsidie | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | Laatste evaluatie | Volgende evaluatie | Einddatum Subsidie |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Artikel 21: Land- en tuinbouw | |||||||||||
Regeling | |||||||||||
2.243 | 1.896 | 1.061 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | |||||
‒ | 7.740 | 17.942 | 3.250 | ‒ | ‒ | ‒ | |||||
5.586 | 5.899 | 5.964 | 5.110 | 4.689 | 4.689 | 4.689 | 2029 | ||||
330 | 833 | 456 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | |||||
Regeling brongerichte verduurzaming stallen pluimveehouderij | 94 | 120 | 315 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ||||
Regeling brongerichte verduurzaming stallen melkgeitenhouderij | 546 | 1.243 | 1.342 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ||||
1.142 | 100 | 1.950 | 2.000 | 2.000 | 2.000 | 2.142 | |||||
37.691 | 23.529 | 44.007 | 45.190 | 47.424 | 33.238 | 15.548 | 2030 | ||||
11.012 | 9.726 | 7.605 | 6.234 | 4.097 | 4.097 | 4.097 | 2030 | ||||
3.952 | 12.362 | 45.335 | 59.423 | 55.409 | 58.464 | 78.978 | 2029 | ||||
3.558 | 6.637 | 10.504 | 3.311 | 3.035 | 3.035 | ‒ | 2026 | 2027 | |||
RENURE | ‒ | ‒ | 19.500 | 21.500 | 29.000 | 25.500 | ‒ | ||||
Bemest op z'n best | ‒ | 231 | 10.769 | 8.500 | 11.000 | ‒ | ‒ | ||||
Voedselzekerheid | 294 | 917 | 1.146 | 1.041 | 983 | 1.133 | 1.133 | ||||
Incidenteel | |||||||||||
Subsidieregeling verduurzaaming landbouwwerktuigen | ‒ | 13.500 | 1.500 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ||||
Agro Economie (subsidies) | 2.237 | 310 | 250 | 240 | ‒ | ‒ | ‒ | ||||
Klimaatvriendelijke veehouderij | 405 | 874 | 8.998 | 8.298 | 8.142 | 7.386 | ‒ 198 | ||||
Veehouderij en dierlijke ketens | 1.706 | 2.924 | 2.913 | 2.702 | 2.702 | 2.537 | 1.914 | ||||
Innovatieagenda energie | 5.734 | 8.238 | 8.715 | 1.041 | 234 | 1.339 | 1.280 | ||||
Kas als energiebron | 1.000 | 4.475 | 6.825 | 7.100 | 7.000 | 6.475 | |||||
Projecten biologisch | 290 | 123 | 114 | 105 | 97 | 97 | 97 | ||||
Bodem en klimaatadaptatie | 1.404 | 1.035 | 1.011 | 950 | 613 | 613 | ‒ | 2027 | |||
Projecten Plantgezondheid | 142 | 720 | 758 | 719 | 681 | 681 | 681 | ||||
Projecten mestbeleid | 4.975 | 2.908 | 15.140 | 31.298 | 27.868 | 9.088 | 30.679 | ||||
Mestvergisting | ‒ | ‒ | 11.000 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ||||
Verbetering dierenwelzijn gezelschapsdieren | 4.195 | 6.803 | 4.606 | 4.334 | 3.056 | 3.056 | 3.099 | ||||
Projecten dierenwelzijn landbouwhuisdieren | 885 | 1.435 | 1.138 | 1.158 | 1.156 | 1.156 | 1.151 | ||||
Duurzaam voedsel (consumptie) | 7.372 | 5.987 | 6.245 | 5.843 | 5.730 | 5.730 | 3.706 | 2030 | |||
Totaal artikel | 95.793 | 117.090 | 234.759 | 219.072 | 215.016 | 170.839 | 155.471 | ||||
Artikel | Naam Subsidie | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | Laatste evaluatie | Volgende evaluatie | Einddatum Subsidie |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Artikel 22: Natuur, visserij en landelijk gebied | |||||||||||
Regeling | |||||||||||
‒ | 4.700 | 5.800 | 5.800 | 5.800 | ‒ | ‒ | |||||
361 | 304 | 280 | 258 | 237 | 297 | 297 | |||||
Energie-efficiëntieregeling Visserijsector | 270 | 1.500 | 21.150 | ‒ | 167 | 2.183 | ‒ | ||||
Energie-efficiëntieregeling Schelpdiersector | ‒ | 218 | 1.616 | ‒ | 22 | 140 | ‒ | ||||
1.999 | 26.679 | 20.000 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | 2024 | 2031 | 2031 | ||
Sociaal Economische Begeleiding | 803 | 7.274 | 8.200 | 8.200 | 7.152 | 7.201 | |||||
Europees subsidieprogramma | |||||||||||
9.075 | 2.811 | 6.968 | 6.797 | 6.785 | 6.785 | 5.122 | 2024 | 2031 | 2031 | ||
Begroting | |||||||||||
Monitoring en evaluatie (NEM, BIJ12) | 13.617 | 17.599 | 28.072 | 34.645 | 34.636 | 34.464 | 30.711 | ||||
Natuureducatie | 1.300 | 1.300 | 1.040 | 1.040 | 1.040 | 2.080 | 14 | ||||
745 | 774 | 763 | 759 | 759 | 759 | 759 | 2032 | 2027 | |||
Ecologische autoriteit | 2.370 | 2.146 | 3.426 | 2.470 | 2.470 | 2.470 | ‒ | ||||
Incidenteel | |||||||||||
Wildopvang en dierenambulances | ‒ | 900 | 900 | 900 | 900 | ‒ | ‒ | ||||
Programma Veenweide | 14.053 | 7.378 | 13.929 | 10.921 | 11.338 | 7.303 | ‒ | 2026 | |||
Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer | 4.758 | 1.314 | 36.810 | 76.181 | 100.726 | 124.726 | 150.726 | ||||
Uitbreiding ANB | 58.469 | 131.273 | 134.457 | 251.838 | 232.474 | 202.864 | |||||
Aanvalsplan Landschapselementen | 5.712 | 557 | 1.413 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | 2027 | |||
Overig/Uitv.kosten beheer (RVO) | 54 | 45 | 42 | 39 | 36 | 36 | 36 | ||||
Ecologisch Impulspakket Wadden | ‒ | 300 | 300 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ||||
Natuurlijk kapitaal en vergroening financiële sector | 1.345 | 1.164 | 1.412 | 1.627 | 1.491 | 1.491 | 1.491 | ||||
Natuurcombinaties | 2.453 | 1.714 | 2.729 | 1.587 | 1.508 | 1.628 | 1.628 | ||||
Maatwerkoplossingen piekbelasters | 224 | 300 | 7.000 | 6.924 | 6.923 | 3.000 | ‒ | ||||
Totaal artikel | 58.336 | 130.975 | 292.197 | 292.605 | 434.876 | 426.988 | 400.849 | ||||
Artikel | Naam Subsidie | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | Laatste evaluatie | Volgende evaluatie | Einddatum Subsidie |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Artikel 23: Kennis en innovatie | |||||||||||
Regeling | |||||||||||
73.103 | 66.819 | 46.775 | 30.610 | 27.516 | 26.406 | 15.024 | 2031 | ||||
‒ | 1.870 | 3.510 | 6.549 | 7.700 | 8.815 | ‒ | 2026 | 2027 | |||
47.000 | 50.506 | 44.411 | 50.501 | 45.880 | 45.880 | 45.880 | 2031 | ||||
2.352 | 155 | 400 | 2.810 | 2.950 | 3.000 | ‒ | 2031 | ||||
3.358 | 2.657 | 3.692 | 9.634 | 7.955 | 6.645 | 7.645 | 2031 | ||||
1.762 | 97 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | 2031 | ||||
325 | 271 | 1.800 | 1.500 | 1.000 | 400 | ‒ | 2031 | ||||
‒ | 4.852 | 4.000 | 300 | 300 | ‒ | ‒ | 2031 | ||||
121 | 290 | 178 | 39 | ‒ | ‒ | ‒ | 2026 | 2027 | |||
4.217 | 9.773 | 6.033 | 2.095 | ‒ | ‒ | ‒ | 2026 | 2027 | |||
4.025 | 4.144 | 12.357 | 12.705 | 13.437 | 15.587 | 9.890 | 2026 | 2027 | |||
3.853 | 2.315 | 2.106 | 841 | ‒ | ‒ | ‒ | 2027 | ||||
1.980 | 1.980 | 1.550 | 1.550 | 1.550 | 1.000 | 1.000 | 2027 | ||||
Begroting | |||||||||||
OBN | 3.774 | 3.602 | 1.601 | 1.231 | 1.271 | 977 | 977 | ||||
Incidenteel | |||||||||||
Onderzoeksprojecten (KD) | 3.391 | 932 | 771 | 420 | 1.632 | 1.632 | 1.632 | ||||
Innovatie | 150 | 678 | 1.126 | 2.600 | 2.719 | 2.377 | ‒ 127 | 2031 | |||
Transitie landbouw meten en berekenen (KD) | 559 | 168 | 6.000 | 2.500 | 1.000 | 1.000 | ‒ | 2031 | |||
Transitie landbouw KPIs en bedrijfsmanagement (KD) | 187 | 27 | 294 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | 2031 | |||
Transitie landbouw Digitalisering (KD) | 991 | 5.831 | 7.022 | 7.001 | 4.801 | 1.800 | ‒ | 2031 | |||
Transitie Landbouw: Sociaal Economische Begeleiding (KD) | 6.405 | 2.092 | 2.370 | 1.486 | ‒ | ‒ | ‒ | ||||
Doelsturing | 1.882 | 3.659 | 6.790 | 300 | 300 | ‒ | ‒ | 2031 | |||
Innovatieprojecten | 1.069 | 2.798 | 3.228 | 2.822 | 2.536 | 2.536 | 2.309 | ||||
Vernieuwen onderzoeksinfrastructuur | 723 | 26 | 146 | 184 | 151 | 151 | 151 | ||||
Jong Leren Eten en Aanpak Sociale Innovaties | 4.672 | 3.108 | 3.348 | 2.833 | 3.312 | 2.662 | 2.657 | 2027 | |||
Aanvullende onderwijssubsidies | 1.827 | 4.764 | 4.655 | 4.093 | 3.749 | 3.749 | 3.349 | ||||
Groeifonds Centrum voor Proefdiervrije Biomedische Translatie (CPBT) | 10.657 | 11.010 | 12.060 | 12.246 | 8.330 | ‒ | ‒ | ||||
Groeifonds – Crop XR | 4.794 | 5.200 | 2.419 | 2.661 | ‒ | ‒ | ‒ | ||||
Groeifonds – Cellulaire agricultuur | 18.660 | 9.447 | 7.836 | 5.455 | 1.389 | 801 | 2.187 | ||||
Groeifonds - Re-Ge-NL | 18.404 | 17.344 | 17.397 | 16.812 | 10.142 | 44.722 | ‒ | ||||
Groeifonds - Holomicrobioom | 1.818 | 3.254 | 8.965 | 8.965 | 8.965 | 7.511 | 19.808 | ||||
Totaal artikel | 222.059 | 219.669 | 212.840 | 190.743 | 158.585 | 177.651 | 112.382 | ||||
Artikel | Naam Subsidie | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | Laatste evaluatie | Volgende evaluatie | Einddatum Subsidie |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Artikel 25: Fonds voor stikstof, landbouw en natuur | |||||||||||
Regeling | |||||||||||
10.926 | 38.085 | 26.362 | 41.866 | 22.181 | 28.452 | ‒ | |||||
2.280 | 3.154 | 8.449 | 6.417 | 3.970 | 4.187 | 326 | |||||
Managementmaatregelen | ‒ | ‒ | 7.400 | 19.842 | 38.466 | 41.432 | 47.363 | ||||
2.610 | 23.131 | 32.796 | 25.424 | 9.474 | 9.474 | ‒ | |||||
Vrijwillige beëindigingsregeling | ‒ | 834 | 300.000 | 685.000 | 475.000 | 30.000 | ‒ | ||||
309.989 | 182.700 | 123.282 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | 2027 | ||||
534.114 | 283.800 | 148.318 | 7.100 | ‒ | ‒ | ‒ | 2027 | ||||
15.267 | 46.900 | 11.539 | 2.566 | ‒ | ‒ | ‒ | |||||
2.153 | 18.350 | 33.347 | 35.979 | 15.204 | ‒ | ‒ | 2027 | ||||
‒ | 185.749 | 185.844 | 185.844 | 65.844 | ‒ | ‒ | |||||
39.930 | 42.211 | 48.154 | 10.000 | 25.000 | 25.000 | 25.000 | |||||
Incidenteel | |||||||||||
Natuurherstelverordening (subsidies) | 842 | 6.140 | 16.119 | ‒ | ‒ | ‒ | ‒ | ||||
Doelsturing | ‒ | ‒ | 25.172 | 1.972 | 1.972 | 1.972 | ‒ | ||||
Doelsturing waterkwaliteit | 452 | 6.605 | 15.471 | 15.471 | 15.471 | 22.935 | ‒ | ||||
Biologische landbouw - buiten zones | ‒ | ‒ | 7.200 | 8.450 | 8.450 | 3.200 | 3.200 | ||||
Biologische landbouw | 2.034 | 7.032 | 13.931 | 13.101 | 11.890 | 2.977 | 1.665 | 2027 | 2029 | ||
Totaal artikel | 920.597 | 844.691 | 1.003.384 | 1.059.032 | 692.922 | 169.629 | 77.554 | ||||
Artikel | Naam Subsidie | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | Laatste evaluatie | Volgende evaluatie | Einddatum Subsidie |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Artikel 1: Bewaking en bestrijding van dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen | |||||||||||
Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit | 435 | 474 | 621 | 621 | 621 | 621 | 621 | ||||
Totaal artikel | 435 | 474 | 621 | 621 | 621 | 621 | 621 | ||||
Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda
Inleiding en doelstelling
De Strategische Evaluatie Agenda (SEA) biedt een overzicht van de belangrijkste beleidsthema’s van een departement, een korte toelichting op de inzichtbehoefte en een daarbij passende agendering van evaluatieonderzoek. Deze SEA-bijlage is opgesteld om inzicht te bieden in de door LVVN verwachte inzichtbehoefte naar het onderliggende beleid dat de afgelopen jaren is uitgevoerd. Dit wordt geboden middels een evaluatieagenda en een toelichting hoe de agenda zich verhoudt tot de context van de onderliggende beleidsvelden.
Deze LVVN-SEA geeft aan hoe er de komende jaren inzichten verzameld worden over de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid van LVVN of het functioneren van organisaties die uitvoering geven aan dat beleid. Door een omvangrijke evaluatieagenda te programmeren, neemt het aantal bruikbare beleidsinzichten toe en daarmee onze kennis over het bereiken van onze departementale missie en onderliggende doelstellingen.
Bij het opstellen van de SEA is gebruik gemaakt van de aanbevelingen en best practices uit het rapport ‘Eerste ervaringen met de Strategische Evaluatie Agenda’ van Berenschot (2022). Aan de hand daarvan is een traject ingezet om tot een SEA te komen waar een grondige witte vlekken analyse en beleidstheorie (per thema) aan ten grondslag ligt. Het verwerken van de aanbevelingen heeft geholpen om vast te stellen op welke thema’s evaluaties toegevoegd konden worden aan de SEA en de transparantie van de verantwoording te vergroten door inzicht te bieden in welke evaluaties op welk moment door het Ministerie worden uitgevoerd. Ook wordt beoogd om op feiten gebaseerde besluitvorming te bevorderen door evaluaties op een logischer moment te programmeren en de analyses te gebruiken voor de ontwikkeling van nieuw beleid. Voor de vier thema’s op de SEA zijn daarom ook de beleidstheorieën toegevoegd.
Leeswijzer SEA/opbouw SEA
De SEA kent een gelaagde opbouw en bestaat uit vier verschillende treden. Elke volgende trede gaat in op een dieper detailniveau:
-Trede 1: departementale missie
-Trede 2: hoofdthema's
-Trede 3: centrale doelstellingen
-Trede 4: evaluatieonderzoek
Trede 1 - Departementale missie
Het Ministerie van LVVN zet zich in voor een toekomstbestendig voedsel systeem waarin voedselzekerheid, innovatie en het verdienvermogen van Nederlandse boeren, tuinders en vissers centraal staan. Daarnaast werken we aan robuuste natuur, als basis voor ons welzijn en verweven met onze dagelijkse leefomgeving. Natuurherstel en voedselproductie gaan hand in hand in het werken aan een vitaal landelijk gebied.
Trede 2 - Hoofdthema's
Onder de departementale missie onderscheiden we vier thema's. Dat zijn: (1) Land- en tuinbouw, (2) Natuur, (3) Visserij en (4) Kennis en innovatie. Conform afspraak met de Kamer wordt periodiek (elke 4 tot 7 jaar), per thema verantwoording afgelegd over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid. Dit gebeurt via een periodieke rapportage (voorheen: beleidsdoorlichting). Onder deze thema’s vallen evaluaties die meerdere doelen dienen. Zo zijn er activiteiten van LVVN die ook bijdragen aan de klimaatopgaves.
Trede 3 - Centrale doelstellingen
Elk thema kent een aantal centrale doelstellingen. Dit zijn de doelstellingen die opgenomen zijn in de onderliggende begrotingsartikelen. Het streven is om deze doelstellingen in de komende periode te herzien zodat voortgang op de doelstellingen beter getoetst kan worden. Om de relaties tussen de beleidsinstrumenten en deze doelen helder in kaart te brengen, is per thema een beleidstheorie opgesteld. Een beleidstheorie is een momentopname (de beleidstheorie kan naar aanleiding van politieke keuzes of veranderend beleid over tijd veranderen) van de relaties tussen beleid en doelen. De beleidstheorie kan op het moment dat een thematische evaluatie plaatsvindt, gebruikt worden om een inschatting te maken van de samenhang van het beleid en daarmee of het overkoepelende beleid doeltreffend en doelmatig was. Daarnaast kan het gebruikt worden om de achterliggende beleidshypotheses te toetsen.
Trede 4 - Evaluatieonderzoek
Op het niveau van de centrale doelstellingen wordt relevant evaluatieonderzoek weergegeven. Evaluatieonderzoek wordt gebruikt om uitspraken te kunnen doen over het effect van beleid op de voortgang van doelstellingen. Het voorziet in benaderingen en methoden om valide en betrouwbare antwoorden te geven op vragen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid.
Toelichting inzichtbehoefte (overkoepelend)
De insteek achter de informatiebehoefte van LVVN is gebaseerd op twee uitgangspunten wat betreft evalueren: verantwoording en leren. Binnen LVVN wordt er vanuit een jaarlijkse cyclus gewerkt om de onderwerpen te verzamelen waar een verantwoordingsverplichting voor geldt, of een leerbehoefte bestaat. Aangezien deze twee uitgangspunten voor alle evaluaties gelden, kiest LVVN er voor om in deze toelichting uit een te zetten wat de algemene motivaties zijn voor verantwoorden of leren.
Ter vereenvoudiging wordt in deze inleiding een harde scheidslijn gemaakt tussen verantwoordingsonderzoek en lerend evalueren. Deze scheidslijn is een sterke veralgemenisering van de praktijk. In de praktijk leiden veel verantwoordingsonderzoeken ook tot leereffecten en kunnen lerende evaluaties ook een verantwoordend effect hebben. Het onderscheid van opzet ligt vooral in de aanleiding en methodologische opzet van de evaluaties.
Verantwoordingsonderzoek
De Regeling periodiek evaluatieonderzoek (RPE) bepaalt dat beleid periodiek geëvalueerd moet worden om het doelbereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan inzichtelijk te maken. Deze verantwoordende evaluaties worden met de term ‘ex-post’ evaluatie aangeduid in deze SEA. Het doel van ex-post evalueren is om op regeling niveau kennis te verzamelen over de effectiviteit van het beleid en daaropvolgend voldoende informatie te hebben om overkoepelende beleidsthema’s periodiek door te lichten. Verantwoordingsonderzoek is van belang vanuit het oogpunt dat de Rijksoverheid inzichtelijk moet maken hoe belangrijke maatschappelijke doelen dichterbij worden gebracht. Daarnaast wordt de overheid geacht om spaarzaam om te gaan met de schaarse middelen die het tot de beschikking heeft. Daarbij is het van belang dat het beleid rechtvaardig, legitiem en met zo min mogelijk negatieve neveneffecten is.
Lerende evaluaties
Bij aanvang van nieuw beleid of gedurende de looptijd van beleidsinstrumenten kan de behoefte ontstaan om inzichten te verzamelen over de voortgang hiervan. Deze tussentijdse evaluaties worden in deze SEA getypeerd als ex-durante of ‘lerende evaluaties’. Waar de ex-durante evaluaties vaak zowel een verantwoordende als lerende component hebben richten de lerende evaluaties zich vooral op de samenwerking tussen de belanghebbenden en de rol van de overheid binnen een beleidsveld. Lerende evaluaties geven vaak aanbevelingen over de aanpak richting complexe overheidsopgaven of dragen heel specifiek bij aan de doorontwikkeling van één van de beleidsinstrumenten van LVVN.
Verwachte kennisinzichten
Voor alle verantwoordende evaluaties stelt LVVN de vraag of het beleid doeltreffend en doelmatig is geweest. Naast deze verplichte hoofdvraag wordt er per evaluatie een aantal beleidshypotheses opgesteld die per beleidsinstrument verschillen. Deze beleidshypotheses worden aan de hand van een aantal deelvragen beantwoord. De deelvragen beslaan onderwerpen zoals de interactie tussen uitvoering van beleid, de handhaafbaarheid van wet/regelgeving, de duurzaamheid van het beleid en in hoeverre het beleid uitvoerbaar is. LVVN volgt een werkwijze waarin elke evaluatie wordt begeleid door een expert op het gebied van evaluaties. Daarnaast wordt er per evaluatie een specifieke methode ontwikkeld waardoor de kennisinzichten per beleidsinstrument zeer specifiek uitgevraagd kunnen worden.
Voor de lerende evaluaties ligt de kennisbehoefte vaak in het thema interbestuurlijke of maatschappelijke samenwerking. De evaluaties richten zich vaak op de rol van de overheid binnen bestaande netwerken of de rol die de overheid inneemt binnen een maatschappelijk vraagstuk. In lerende evaluaties wordt ook de ruimte genomen om te evalueren of paradigma die gelden vanuit de overheidsaanpak nog valide zijn of dat dit eventueel herzien moet worden. Lerende evaluaties bieden goede inzichten in de kwaliteit van processen en aanbevelingen om samenwerkingsverbanden te versterken.
THEMA 1: Land- en tuinbouw
Het thema land- en tuinbouw omvat het beleid dat gericht is op de sociaal-economische positie van boeren, duurzame veehouderij, glastuinbouw, weerbare planten en teeltsystemen, mestbeleid, diergezondheid, dierenwelzijn, voedselzekerheid, internationale samenwerking (agro-domein) en overige bijdrages.
Dit beleid komt samen in het overkoepelende hoofddoel:
Een weerbaar, veerkrachtig en veilig functionerend land- en tuinbouw- en voedselsysteem, dat internationaal concurrerend is, met aandacht voor dierenwelzijn, waarbinnen zorgvuldig wordt omgegaan met natuurlijke hulpbronnen en waar opbrengsten en reststromen zo efficiënt en hoogwaardig mogelijk worden (her)benut.
Door beleid hierop te maken, draagt LVVN bij aan de volgende subdoelstellingen:
1. Het versterken van de concurrentiekracht van duurzame agroketens
2. Bevorderen van voedselzekerheid in de wereld
3. Borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit
4. Vergroten maatschappelijke waardering van landbouw/voedsel
5. Verduurzaming productie en consumptie (door middel van kringlooplandbouw)
6. Bevorderen plantgezondheid
7. Bevorderen diergezondheid
8. Bevorderen dierenwelzijn
Vorige periodieke rapportage:
Volgende periodieke rapportage:
2032
Toelichting periodieke rapportage Land- en tuinbouw:
De periodieke rapportage (syntheseonderzoek) heeft op basis van de onderliggende beleidstheorie en voortbordurend op de inzichten van de geprogrammeerde evaluaties, conclusies getrokken over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid dat onder dit thema valt. De belangrijkste bron voor de meest recente periodieke rapportage waren inzichten die zijn opgedaan uit reeds afgeronde evaluatieonderzoeken. De rapportage is begin 2026 opgeleverd en voor het zomerreces gedeeld met de Kamer. Komend jaar wordt dit SEA-thema opnieuw vormgegeven ter voorbereiding op de periodieke rapportage van 2032, momenteel betreft het nog de oude evaluatieplanning. De vanaf 2019 opgeleverde en geplande evaluatieonderzoeken binnen het thema land- en tuinbouw worden hieronder per centrale doelstelling weergegeven.
Figuur 3 Beleidstheorie thema Land- en tuinbouw

Doelstelling | Evaluatieplanning | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) |
|---|---|---|---|---|---|
Versterken concurrentiekracht duurzame agroketens | Ex post | 2019 | Afgerond | 21, 24 | |
Ex post | 2020 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2022 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex durante/Fiscaal | 2024 | Afgerond | N.v.t. | ||
Ex durante/Fiscaal | 2024 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2025 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2025 | Afgerond | 21, 24 | ||
MEI/EG regelingen glastuinbouw | Ex post | 2026 | In uitvoering | 21, 24 | |
Bevorderen van voedselzekerheid in de wereld | Ex post | 2019 | Afgerond | 21, 24 | |
Borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit | Ex post | 2020 | Afgerond | 21, 24 | |
Ex post | 2020 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2021 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2021 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2022 | Afgerond | 21, 24 | ||
Agentschaps-doorlichting | 2024 | Afgerond | 21, 24 | ||
Verduurzamen productie en consumptie | Wet gewasbeschermingsmiddelen/beleidsnota Gezonde Groei, Duurzame Oogst | Ex post | 2019 | Afgerond | 21, 24 |
Ex post | 2020 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2020 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2020 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex durante | 2021 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex ante | 2021 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex ante | 2021 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2021 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex durante | 2022 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex ante | 2022 | Afgerond | 21, 24 | ||
College ter beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en biociden | Ex post | 2022 | Afgerond | 21, 24 | |
Ex post | 2023 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2025 | Afgerond | 21, 24 | ||
Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) | Ex post | 2025 | Afgerond | 21, 24 | |
Ex durante | 2026 | Afgerond | 21, 24 | ||
Geactualiseerd Nederlands actieplan duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen | Ex post | 2026 | Afgerond | 21, 24 | |
Ex post | 2026 | Afgerond | 21, 24 | ||
Bossenstrategie | Ex post | 2026 | In uitvoering | 22, 24 | |
Regeling kunstmestvervanging en mestverwerking | Ex post | 2026 | Te starten | 21, 24 | |
Evaluatie meststoffenwet | Ex post | 2027 | Te starten | 21, 24 | |
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) | Ex post | 2027 | Te starten | 21, 24 | |
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) | Ex post | 2027 | Te starten | 21, 24 | |
Evaluatie actieplan biologische landbouw | Ex durante | 2027 | Te starten | 21, 24 | |
Nationaal programma landbouwbodems | Ex durante | 2027 | Te starten | 21, 24 | |
Investeringsfonds duurzame landbouw | Ex post | 2027 | Te starten | 21, 24 | |
Bevorderen plantgezondheid | Brede analyse | 2020 | Afgerond | 21, 24 | |
Handhavingsinstrumentarium Keuringsdiensten binnen de Zaaizaad en plantgoedwet | Ex post | 2022 | Afgerond | 21, 24 | |
Ex post | 2023 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2023 | Afgerond | 21, 24 | ||
Brede analyse | 2023 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2024 | Afgerond | 21, 24 | ||
Bevorderen diergezondheid | Ex post | 2019 | Afgerond | 21, 24 | |
Evaluatie van de uitbraak van Sars-Cov-2 in de nertsenhouderij | Ex post | 2021 | Afgerond | 21, 24 | |
Evaluatie van de vogelgriepuitbraken in het seizoen 2020/2021/2022 | Ex post | 2023 | Afgerond | 21, 24 | |
Ex durante | 2025 | Afgerond | 21, 24 | ||
Bevorderen dierenwelzijn | Ex post | 2020 | Afgerond | 21, 24 | |
Ex post | 2021 | Afgerond | 21, 24 | ||
Inbeslaggenomen goederen (IBG) en Landelijke inspectiedienst dierenbescherming (LID) | Ex post | 2021 | Afgerond | 21, 24 | |
Ex post | 2021 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2021 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2022 | Afgerond | 21, 24 | ||
Ex post | 2022 | Afgerond | 21, 24 | ||
Effecten van de bestuurlijke boete Wet dieren in de praktijk | Ex post | 2023 | Afgerond | 21, 24 | |
Identificatie en registratie hond | Ex post | 2026 | Te starten | 21, 24 | |
Overige evaluaties | Onderzoeksrapporten van de Auditdienst Rijk (ADR) over de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit | Onderzoek | 2019 | Afgerond | N.v.t. |
Onderzoek | 2020 | Afgerond | N.v.t. | ||
Fiscaal | 2021 | Afgerond | N.v.t. | ||
Brede evaluatie van het verlaagde btw-tarief (incl. sierteelt) | Fiscaal | 2023 | Afgerond | N.v.t. | |
Ex post | 2025 | Afgerond | 21, 24 | ||
Fiscaal | 2026 | Afgerond | N.v.t. |
Toelichting per centrale doelstelling
1. Versterken van de concurrentiekracht van duurzame agroketens:
LVVN draagt door middel van verschillende activiteiten bij aan het versterken van de concurrentiekracht van duurzame agroketens. LVVN stimuleert duurzaam ondernemen, uitwisseling van kennis, samenwerking tussen verschillende ketenpartijen en neemt risico’s weg rondom financiering en onverwachte omstandigheden. Een deel van deze activiteiten valt onder dit thema en een deel wordt gedekt via het thema kennis en innovatie. Om een goed beeld te krijgen van de vooruitgang op deze doelstelling, worden door LVVN ingezette fiscale-, financiële- en risicomitigerende instrumenten geëvalueerd. Afgelopen jaar zijn in dit kader de Wet oneerlijke handelspraktijken en borgstelling MKB-Landbouwkredieten geëvalueerd.
2. Bevorderen voedselzekerheid in de wereld:
Het bevorderen van mondiale voedselzekerheid is een gezamenlijke opgave van de Ministeries van LVVN en Buitenlandse Zaken (BZ). De inzet van het Ministerie van LVVN richt zich vooral op de beleidsbeïnvloeding van en uitvoering door multilaterale organisaties, waaronder de Food and Agriculture Organization (FAO) en het Committee on World Food Security (CFS), en daarnaast op de bilaterale samenwerking tussen Nederland en landen waar een landbouwraad is geaccrediteerd. De internationale agenda van LVVN is hierbij leidend. Inhoudelijk ligt het accent op de thema’s: a) Transitie duurzaam voedselsysteem en circulaire landbouw; b) Opgaven klimaat en natuurlijke hulpbronnen; c) Internationale markten en duurzame, efficiënte ketens en d) Ontwikkelen van kennis en technologie op landbouwgebied. Na het afronden van de huidige periodieke rapportage zal worden bezien of het passend is om onderweg naar de volgende periodieke rapportage wederom een evaluatie naar voedselzekerheid te plannen.
3. Borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit:
De voedselveiligheid en -kwaliteit wordt geborgd door inzet van meerdere (semi)-publieke organisaties. Het gewenste effect achter dit beleid is dat door middel van de uitvoering ervoor gezorgd wordt dat het voedselveiligheidsstelsel in Nederland waarborgt dat geproduceerd voedsel voldoet aan (Europese) veiligheidseisen. De voortdurende controle van de veiligheid en kwaliteit van voedsel biedt voldoende inzicht in de actuele stand van zaken. Zo is recent de agentschapsdoorlichting van de NVWA opgeleverd. Verder kan er voor deze doelstelling een beroep gedaan worden op de inzichten uit de evaluaties van de wettelijke onderzoekstaak Voedselveiligheid beleid (LVVN) en handhaving (NVWA).
4. Vergroten maatschappelijke waardering van landbouw/voedsel:
In de politiek-maatschappelijk vereiste transitie van de (Nederlandse) landbouw is het vergroten van maatschappelijke waardering van landbouw en voedsel van toenemend belang. Dit draagt bij aan het vergroten van waardering van de producenten van ons voedsel en het tegengaan van voedselverspilling. Ook biedt het handelingsperspectief aan consumenten om een duurzamere (en gezondere) keuze te maken ten aanzien van het voedselpatroon en biedt het een stimulans aan verduurzaming van het aanbod en de productie van duurzamere producten.
5. Verduurzaming productie en consumptie:
De randvoorwaarden (natuur en stikstof, klimaat, gewasbescherming en waterkwaliteit, o.a. via meststoffen) bepalen de ruimte waarbinnen de land- en tuinbouw economisch rendabel kan produceren. Het doel van dit beleid is om de ecologische ruimte voor land- en tuinbouw te bepalen, waarbij inzicht gewenst is in de effecten hiervan op zowel de beoogde doelen als de economische mogelijkheden voor betrokken ondernemers. De genoemde evaluaties dekken de verschillende domeinen (en instrumentering daarvan) en geven daarmee aanknopingspunten om tot een goede thematische evaluatie te komen. De komende jaren staan er meerdere evaluaties gepland om meer inzicht te bieden in de verduurzaming van productie en consumptie.
6. Bevorderen plantgezondheid:
Het Ministerie van LVVN heeft de Europese verplichting om plantgezondheid te bevorderen en borgen, zowel van in Nederland geteeld plantmateriaal als via Nederland doorgevoerd plantmateriaal. Dit vraagt om borging en handhaving van deze verplichtingen door verschillende (al dan niet onderling samenwerkende) uitvoeringsorganisaties zoals plantaardige keuringsdiensten. Evaluaties geven zicht op de werking van deze organisaties in relatie tot de gestelde taak én de realisatie van de EU verplichtingen, en geven zo nodig aanbevelingen om zwakke punten te verbeteren. Zo hebben de afgelopen jaren onder andere evaluaties plaatsgevonden naar de plantaardige keuringsdiensten en het handhavingsinstrumentarium binnen de Zaaizaad- en plantgoedwet.
7. Bevorderen diergezondheid:
Het doel van het beleid is om dierziekten zoveel mogelijk te voorkomen, vroegtijdig op te sporen en effectief te bestrijden waar noodzakelijk. Op het gebied van antibioticabeleid krijgt LVVN jaarlijks een rapportage van de onafhankelijke stichting Autoriteit Diergeneesmiddelen. Daarnaast is in 2021 een expert-rapport zoönosen verschenen, die samen met de evaluatie van de uitbraak van Sars-Cov-2 in de nertsenhouderij de basis vormt voor het Nationaal Actieplan Zoönosen. Ook staat dit jaar een evaluatie gepland naar de basismonitoring diergezondheid. De uitgevoerde en geplande evaluaties bieden momenteel voldoende inzicht in het beleidsterrein diergezondheid.
8. Bevorderen dierenwelzijn:
Veruit de meeste normen voor dierenwelzijn bij (landbouwhuis)dieren, transport voor dieren en het doden van landbouwhuisdieren zijn gebaseerd op EU-wetgeving. LVVN zet zich om het niveau van dierenwelzijn verder te verhogen. Voor gezelschapsdieren zijn relatief minder specifieke normen in (EU)-regelgeving opgenomen. In de praktijk worden problemen met dierenwelzijn bij gezelschapsdieren veelal veroorzaakt door gebrek aan kennis bij huisdiereigenaren over de lichamelijke en gedragsmatige behoeftes van de dieren. Daarom wordt naast wetgeving voor gezelschapsdieren voornamelijk ingezet op het instrument communicatie (Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren). Daarnaast is handhaving van belang, dat wordt uitgevoerd door de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID). De genoemde evaluaties geven zicht op de werking van het (regelgevend) instrumentarium, de handhaving, en geven aanbevelingen om (de uitvoering van) het instrumentarium in de praktijk zo nodig te versterken.
THEMA 2: Natuur
Het thema Natuur omvat het deel van het natuurbeleid waarvoor de rijksoverheid verantwoordelijk is. De rijksoverheid is systeemverantwoordelijke voor de natuur op land en zowel uitvoerend als systeemverantwoordelijke voor de natuur in de grote wateren. Onder dit thema vallen taken als het uitvoeren van natuurherstelmaatregelen, waaronder het terugbrengen en voorkomen van invasieve exoten, en het functioneren van Staatsbosbeheer.
De laatste doorlichting van het begrotingsartikel Natuur (voormalig begrotingsartikel 12) vond plaats in 2020/21 en is eind 2021 met de Kamer gedeeld (Kamerstukken 33576, nr. 244). Op basis van deze beleidsdoorlichting heeft LVVN een beleidstheorie en witte vlekken-analyse opgesteld, die ten grondslag liggen aan de evaluaties die in dit thema genoemd worden en ook een basis zal vormen voor de volgende periodieke rapportage natuur.
De grootste uitdaging waar in de vorige periodieke evaluatie tegenaan werd gelopen, was de scope van het onderzoek. Een vaak terugkomende vraag was: moet het gehele natuurbeleid worden meegenomen in het onderzoek of alleen het door het Rijk uitgevoerde beleid? In deze SEA is ervoor gekozen om voor de huidige periode vooral het Rijksbeleid op te nemen, aangezien het naar de provincies gedecentraliseerde natuurbeleid een autonome bevoegdheid van provincies betreft waar het Rijk slechts in beperkte mate op kan sturen. Natuurlijk zijn er inhoudelijk wel raakvlakken. In 2026 is, op verzoek van het Interprovinciaal Overleg en LVVN gezamenlijk, een onderzoek afgerond naar de balans tussen taken, middelen en uitvoeringskracht van het gedecentraliseerde natuurbeleid (Kamerstukken 33576, nr. 477). Zoals opgenomen in het coalitieakkoord en nader uitgewerkt in de Kamerbrief over de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof van 26 juni 2026, gaat het kabinet met provincies in gesprek over nieuwe bestuurlijke afspraken: Natuurpact 2.0. Het door Berenschot opgestelde onderzoeksrapport wordt hierbij benut.
Uit de overkoepelende doelstelling van het rijksnatuurbeleid en daaronder hangende subdoelstellingen, komen de belangrijkste onderwerpen waarin de komende jaren inzicht moet worden verworven voor het in kaart brengen van de doeltreffendheid. Deze zijn gebaseerd op de doelen uit het VN-Biodiversiteitsverdrag (CBD).
De centrale doelstelling van het Rijksnatuurbeleid is:
In 2050 is de natuur blijvend voldoende veerkrachtig om zichzelf in stand te houden en ecosysteem-diensten voor (inter)nationale maatschappelijke behoeften te leveren.
De daarbij behorende subdoelen zijn:
1. Meer en betere natuur
– De integriteit van ecosystemen wordt vergroot door groei van gebieden, connectiviteit, vermindering uitsterving en gezonde en genetisch diverse populaties (CBD).
– Voordelen van benutting van natuur zijn wereldwijd eerlijk verdeeld (CBD).
2. De transitie naar een natuurinclusieve samenleving
– Ecosysteemdiensten worden op de juiste waarde geschat en onderhouden.
– Er zijn voldoende financiële middelen, capaciteit, techniek en samenwerking beschikbaar voor de realisatie van het hoofddoel.
Vorige beleidsdoorlichting:
2021
Volgende periodieke rapportage:
2028
Toelichting periodieke rapportage Natuur:
De voor 2028 geplande periodieke rapportage moet inzicht bieden in de mate waarin de natuurmaatregelen, die vanaf 2021 Rijksbreed genomen worden, bijdragen aan het dichterbij brengen van de centrale doelstelling. De rapportage moet inzicht bieden in de mate waarin de verschillende kernfactoren voor de versterking en instandhouding van de natuur en biodiversiteit, door overheidsbeleid worden bediend. De periodieke rapportage kan in die zin inzicht bieden in de mate waarin het beleid doeltreffend bijdraagt aan het versterken van het biodiversiteitssysteem, en welke voorwaarden er nog missen om de natuur op een zo doelmatig mogelijke manier te versterken. De belangrijkste bron voor deze periodieke rapportage zijn inzichten die worden opgedaan uit relevante evaluatieonderzoeken. Zowel de beleidstheorie als de recent opgeleverde en geplande evaluatieonderzoeken binnen het thema Natuur zijn hieronder weergegeven. Ook evaluaties die het gedecentraliseerde natuurbeleid betreffen, zoals het Berenschot-rapport uit 2026, zullen hierbij waar nodig worden betrokken, gelet op de noodzakelijke samenhang tussen het rijksnatuurbeleid en het gedecentraliseerde natuurbeleid. Wanneer de onderzoeksopzet voor de periodieke rapportage gereed is, zal deze ook aan de Tweede Kamer gestuurd worden.
Figuur 4 Beleidstheorie thema Natuur

Doelstelling | Evaluatieplanning | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) |
|---|---|---|---|---|---|
Zorgen voor de instandhouding van biodiversiteit | Beleidsevaluatie Programma aanpak Stikstof (PAS) en evaluatie Wetstraject PAS | Ex post | 2020 | Afgerond | 22, 24 |
Ex durante | 2020 | Afgerond | 22, 24 | ||
Evaluatie collectief stelsel Agrarisch natuur en landschapsbeheer (ANLb) | Ex post | 2021 | Afgerond | 22, 24 | |
Ex post | 2022 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex post | 2022 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex post | 2023 | Afgerond | 22, 23 | ||
Lerende evaluatie | 2023 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex post | 2023 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex post | 2024 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex post | 2024 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex durante | 2025 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex post | 2025 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex post | 2025 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex durante | 2025 | Afgerond | 22, 24 | ||
Natuurbeleids- en koraal actieplan Caribisch Nederland 2020–2030 | Lerende evaluatie | 2025 | Afgerond | 22, 24 | |
Stelselwijziging jacht en faunabeheer | Ex post | 2026 | In uitvoering | 22, 24 | |
Bossenstrategie | Ex post | 2026 | In uitvoering | 22, 24 | |
Impuls natuurherstelmaatregelen | Ex post | 2026 | In uitvoering | 22, 24 | |
Governance Agrarisch Natuurbeheer | Ex post | 2026 | In uitvoering | 22, 24 | |
Veenweiden | Ex post | 2026 | Te starten | 22, 24 | |
Programma Natuur Tweede Fase | Ex durante | 2027 | Te starten | 22, 24 | |
Natuurinclusief 2.0 | Ex durante | 2028 | Te starten | 22, 24 | |
Evaluatie Natuurherstelplan | Ex durante | 2031 | Te starten | 22, 24 | |
Regie voeren over de instandhouding van de kwaliteit van het landelijk gebied en een vitale regio | Lerende evaluatie | 2021 | Afgerond | 22, 24 | |
Ex durante | 2022 | Afgerond | 22, 24 | ||
Ex durante | 2024 | Afgerond | 22, 24 | ||
Fiscale regelingen | Fiscaal | 2026 | Afgerond | N.v.t. | |
Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet | Fiscaal | 2033 | Te starten | N.v.t. | |
Overige evaluaties | IBO | 2023 | Afgerond | N.v.t. | |
IBO | 2023 | Afgerond | N.v.t. | ||
Ex post | 2026 | Afgerond | N.v.t. |
Toelichting bij de centrale doelstelling:
De evaluatieaanpak van het natuurbeleid is vormgegeven via twee subdoelen die tegelijkertijd worden gerealiseerd:
1) Meer en betere natuur
2) De transitie naar een natuurinclusieve samenleving
Dit beleid wordt in nauwe samenspraak met provincies en andere natuur gerelateerde partijen gevoerd.
1. Meer en betere natuur
Onder deze subdoelstelling valt het beter en sneller doorvoeren van reeds ingezet en beoogd beleid om de natuur te beschermen en nieuwe natuur te ontwikkelen. Te denken valt hierbij aan het afmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) , beheer van het NNN en Natura 2000-gebieden, uitvoeren programmatische aanpak grote wateren, Noordzee-akkoord, de Bossenstrategie, Nationale Parken, Programma Natuur en het verder vergroten van het natuurareaal.
In 2027 en latere jaren zal veel aandacht uitgaan naar de implementatie van de in 2024 in werking getreden EU-Natuurherstelverordening (NHV). Dit vereist onder meer het opstellen van een ‘basislijn’ voor de staat van de natuur in Nederland en het versterken van de natuurmonitoring. In 2027 zal Nederland conform de vereisten van de NHV het definitieve Natuurplan naar de Europese Commissie sturen.
Onder meer de NHV vraagt om een substantieel en langjarig pakket van natuurherstelmaatregelen in de omgeving van natuurgebieden. Als onderdeel van de besluiten van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof wordt hier de komende jaren vol op ingezet. Deze aanpak gaat gepaard met intensieve monitoring, zodat indien nodig tijdig kan worden bijgestuurd.
2. De transitie naar een natuurinclusieve samenleving
Uit onderzoek, zowel nationaal als internationaal (onder meer het IPBES-rapport uit 2019) wordt steeds meer duidelijk dat het beschermen van de bestaande natuur en het uitbreiden van het areaal beschermde natuur niet voldoende is om de natuur en biodiversiteit duurzaam te versterken. Daarvoor is een transitie nodig naar een natuurinclusieve samenleving. Natuur moet een vanzelfsprekend onderdeel worden van alle maatschappelijke domeinen en ook het landschap buiten beschermde natuurgebieden dient natuurinclusief ingericht te worden. Denk hierbij aan de veranderingen in de landbouw naar kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw, maar ook aan natuurinclusief bouwen en wonen, het vergroenen van infrastructuur en bedrijventerreinen en onze consumptie-en productiemechanismen (ecologische voetafdruk).
In 2025 verscheen onder meer de (voor het eerst gezamenlijke) Landbouw- en Natuurverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), alsmede de reguliere tweejaarlijkse Balans voor de Leefomgeving van het PBL. Ook de zesjaarlijkse rapportage aan de Europese Commissie over de uitvoering van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn is opgeleverd in 2025. Daarnaast publiceren Rijk en provincies gezamenlijk de jaarlijkse Voortgangsrapportage Natuur.
Door gebruik te maken van de SEA kan de samenhang van het natuurbeleid met andere beleidsdomeinen, zoals landbouw, klimaat en energie, inzichtelijk worden gemaakt en versterkt worden. De behoefte aan meer integraliteit is verder versterkt door de ambities met betrekking tot het landelijk gebied. De grote uitdaging daarbij is om het natuurbeleid goed in te bedden in de transitie die het landelijk gebied de komende jaren zal doormaken.
Thema 3 - Visserij
Dit thema omvat het Rijksbeleid dat gericht is op de visserijsector. Het in stand houden van visbestanden en het reguleren van vangsten zijn, samen met het verduurzamen en toekomstbestendig maken van de visserijvloot, de belangrijkste taken voor de Rijksoverheid. De visserijsector levert belangrijke hoogwaardige en gezonde voedingsmiddelen voor Nederland en andere EU-landen. Door actief beleid te voeren, wordt overbevissing voorkomen en steunt de overheid de sector in het (verduurzamen) innoveren van de vloot. Deze systeemtaken worden gerealiseerd door het ondersteunen van netwerken, het toepassen van wet- en regelgeving, subsidies en beheer/regie op de grote wateren.
De centrale doelstelling van dit beleid is:
De Rijksoverheid streeft naar de realisatie van een duurzame en economisch rendabele visserijsector
Hier vallen de volgende subdoelstellingen onder:
1. Voedsel uit zee is belangrijk en oogsten we binnen de draagkracht van het ecosysteem (Visie voedsel uit zee en grote wateren).
2. De Nederlandse visserij wordt duurzamer en meer rendabel (Kottervisie en Noordzeeakkoord).
3. De Nederlandse vlootcapaciteit is in balans met de toekomstige vangstmogelijkheden.
4. De nalevingsbereidheid van Nederlandse vissers en de effectiviteit van controle en handhaving neemt toe.
5. De garnalensector heeft een toekomstperspectief.
6. De natuur in de Nederlandse wateren wordt versterkt.
7. De visserij draagt bij aan de voedselzekerheid van Nederland.
Vorige periodieke rapportage:
Niet van toepassing
Volgende periodieke rapportage:
2030
Toelichting periodieke rapportage:
Het thema visserij is in de begroting 2024 voor het eerst als een afzonderlijk thema in de SEA opgenomen. In het verleden is het visserijbeleid meegenomen in de beleidsdoorlichtingen van het Agro beleid. Gelet op de complexiteit van de transities waarvoor de visserijsector op dit moment staat, past het beter om het thema visserij afzonderlijk als periodieke evaluatie in te plannen. Door in 2030 een periodieke rapportage uit te voeren, kan de evaluatieplanning grondig uitgevoerd worden. Daarnaast biedt het de kans om gedurende deze periode eventuele jaarlijkse indicatoren bij te houden om zo de ontwikkeling naar een duurzame en economische visserijsector in kaart te brengen.
Figuur 5 Beleidstheorie thema Visserij

Doelstelling | Evaluatieplanning | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) |
|---|---|---|---|---|---|
Streven naar een duurzaam beheer visbestanden | Ex post | 2021 | Afgerond | 22 | |
Ex post | 2023 | Afgerond | 22, 23 | ||
Ex durante | 2023 | Afgerond | 22 | ||
Ex durante | 2024 | Afgerond | 22 | ||
Ex post | 2024 | Afgerond | 22 | ||
Ex durante | 2025 | Afgerond | 22 | ||
Ex durante | 2025 | Afgerond | 22 | ||
Ex durante | 2026 | Afgerond | 22 | ||
Review Visserij Ontwikkel Plan | Ex post | 2026 | Afgerond1 | 22 | |
Visserij Innovatie Netwerk | Ex durante | 2026 | Te starten | 22 | |
Brexit Adjustment Reserve | Ex post | 2026 | In uitvoering | 22 | |
Saneringsregeling Garnalenvisserij | Ex post | 2027 | Te starten | 22 | |
Energie Efficiëntie subsidieregeling visserij | Ex post | 2027 | Te starten | 22 | |
Bijdrage Rijksrederij | Ex durante | 2027 | Te starten | 22 |
Toelichting bij de centrale doelstelling:
European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF)
Voor het Programma EMFAF is er een evaluatieplan opgesteld om de kwaliteit en de uitvoering van het programma te waarborgen, deze evaluatie is recent opgeleverd. Daarnaast staat er een evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de subsidieregelingen onder de Brexit Adjustment Reserve gepland.
Visserij Innovatie Netwerk (VIN)
In de Innovatieagenda is toegezegd dat het VIN onafhankelijk geëvalueerd zal worden. De eerste tussentijdse evaluatie is opgeleverd in juni 2024 en een nieuwe tussentijdse evaluatie is voorzien in 2026. Doelstelling van de evaluatie is om een reflectiemoment in te bouwen om te leren van de doorontwikkeling van het netwerk en om inzicht krijgen in de mate waarin het VIN heeft bijgedragen aan het stimuleren aan een positief innovatieklimaat in de visserijsector.
Programma Noordzee
De tussentijdse beleidsevaluatie van het Programma Noordzee 2022–2027 is uitgevoerd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en in maart 2026 afgerond. In de evaluatie is ook aandacht besteed aan de visserij, waaronder de verduurzaming van de visserijvloot en de samenhang tussen de opgaven voor voedsel, natuur en energie. De evaluatie biedt daarmee inzichten die kunnen bijdragen aan de verdere transitie en positionering van de visserijsector op de Noordzee. Bevindingen worden meegenomen in het nieuw op te stellen Programma Noordzee (2028 ‒ 2032).
Brexit Adjustment Reserve (BAR)
Er is recent een evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de subsidieregelingen onder de Brexit Adjustment Reserve uitgevoerd. In 2027 zal gestart worden met een evaluatie van de energie-efficiëntieregeling visserij die in 2023 is opengesteld.
Visserij Ontwikkel Plan (VOP)
In 2026 wordt een interne evaluatie uitgevoerd. De evaluatie zal inzichten kunnen opleveren over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de ingezette middelen van het VOP. In de toekomst kan de evaluatie gebruikt worden voor eventuele nieuwe projecten ten behoeve van visserijketens en -gemeenschappen.
Saneringsregeling garnalenvisserij
De saneringsregeling garnalenvisserij is ontwikkeld om de garnalenvisserij in balans te brengen door enerzijds een goed verdienmodel voor de garnalenvloot te bereiken en anderzijds de druk op de natuur te verlichten door de visserijdruk te verlagen. Naar verwachting zal in 2026 en begin 2027 het merendeel van de subsidievaststellingen plaatsvinden. Vanaf 2027 zal een onderzoek, uitgevoerd door Wageningen Marine Research, van start gaan om te evalueren wat de effecten zijn van de saneringsregeling op de visserijintensiteit, de ruimtelijke en temporele spreiding van de visserij, en op de mariene ecologie. Momenteel wordt nog bezien of de saneringsregeling garnalenvisserij ook op andere aspecten zal worden geëvalueerd.
THEMA 4 - Kennis en innovatie
LVVN stimuleert de kennisontwikkeling omtrent het verduurzamen en optimaliseren van de landbouw-, visserijsector en het landelijk gebied, alsmede het versnellen van de toepasbaarheid van innovaties voor agrarische ondernemers. Door het waarborgen van een hoogwaardige onderzoeksinfrastructuur, draagt LVVN bij aan het voldoen aan (een deel) van de randvoorwaarden om de doelen genoemd in thema 1, 2 en 3 dichterbij te brengen. Door in te zetten op het ontwikkelen, versnellen en verspreiden van kennis en innovatie, draagt LVVN bij aan de ontwikkeling van kennis op de LVVN-thema’s, en doorontwikkeling van innovatie op het gebied van landbouw, voedsel en natuurbeheer. Daarnaast heeft LVVN de taak om aan een aantal Europese verplichtingen te voldoen op maatschappelijke onderwerpen zoals voedselveiligheid, beheer van genetische bronnen en het voorkomen van uitbraken van besmettelijke dierziektes, deze taken worden ook in dit thema geëvalueerd.
De centrale doelstellingen die uit deze taakopgaves volgen zijn:
1. Het ontwikkelen van kennis en innovaties voor beleid en samenleving
2. De verspreiding van werkende ideeën en oplossingen, t.b.v. een volhoudbaar voedselsysteem, robuuste natuur, en een vitaal platteland
Terugblik afgelopen periodieke rapportage:
De rapportage van Berenschot gaat specifiek over de rol van het Kennis en Innovatie (K&I)-beleid binnen het kennissysteem en hoe het bijdraagt aan het behalen van de doelen zoals voorheen beschreven in artikel 23 van de LVVN-begroting. Berenschot doet op basis van bestaande evaluaties van K&I-beleidsinstrumenten en interviews met belanghebbenden uitspraken over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gehele K&I-beleid. Het rapport gaat in op de periode 2019–2023. Het onderzoek kijkt dus terug en geeft aanbevelingen om het huidige beleid te verbeteren.
Bevindingen, aanbevelingen en opvolging:
Doeltreffendheid: Het beleid is volgens Berenschot op hoofdlijnen doeltreffend. Veel K&I-beleidsinstrumenten dragen effectief bij aan de doelen en scheppen voorwaarden voor succes. De inrichting van het K&I-systeem) wordt als kwalitatief hoogstaand beoordeeld, met kennisinstellingen van hoog niveau.
Doelmatigheid: Wat betreft de doelmatigheid van het Kennis- en Innovatiebeleid (K&I-beleid) heeft Berenschot geconcludeerd dat de bestaande evaluaties onvoldoende bewijskracht bieden om tot een overkoepelend oordeel te komen. De onderliggende analyses zijn te fragmentarisch om uitspraken te kunnen doen over de efficiëntie van het beleid als geheel. Om die reden wordt in deze SEA een gestandaardiseerde en eenduidige aanpak voorgesteld voor het uitvoeren van doelmatigheidsanalyses, waarmee toekomstige evaluaties robuustere inzichten kunnen opleveren
Vorige periodieke rapportage:
Volgende periodieke rapportage:
2031
Toelichting periodieke rapportage:
De periodieke rapportage van het Kennis- en Innovatiebeleid moet inzichtelijk maken, in hoeverre LVVN op een doeltreffende en doelmatige manier bijdraagt aan het (behouden van) het ontwikkelen van kennis en innovaties voor beleid en samenleving, (2) en aan de verspreiding van werkende ideeën en oplossingen, t.b.v. Een volhoudbaar voedselsysteem, robuuste natuur, en een vitaal platteland. Verder gaat de periodieke rapportage in op het doelbereik van het instrumentarium en de algemene samenhang van de geëvalueerde beleidsinitiatieven. Ten slotte wordt het algehele doelbereik van het overkoepelende Wettelijke Onderzoekstaken (WOT)-instrumentarium geëvalueerd. De onderstaande beleidstheorie (figuur 6) en verderop beschreven inzichtbehoefte bieden een beeld van de informatie waarop de volgende periodieke rapportage zal worden gebaseerd.
Beschrijving beleidstheorie:
Het kennis- en innovatiebeleid van LVVN is gericht op het versterken van de kennis van beleid en in de samenleving om maatschappelijke opgaven toekomstgericht aan te pakken. Kennis en innovatie worden daarbij ingezet als strategische beleidsinstrumenten voor de ontwikkeling naar een volhoudbaar voedselsysteem, robuuste natuur en een vitaal platteland. Deze inzet vereist een samenhangende beleidslogica, waarin helder wordt hoe middelen (geld en inzet), activiteiten en beleidsinspanningen samen leiden tot zichtbare en meetbare maatschappelijke resultaten.
De financiering van dit beleid vindt primair plaats via begrotingsartikel 23. Dit artikel voorziet in de bekostiging van de kennisbasis van Wageningen Research (WR), de uitvoering van wettelijke onderzoekstaken (WOT), en de regie op onderzoeks- en innovatiesubsidies binnen het groene domein. Ook worden hieruit opdrachten aan het RIVM gefinancierd, evenals activiteiten op het snijvlak van onderwijs, kennisbenutting en praktijkontwikkeling.
Op basis van deze middelen worden diverse activiteiten uitgevoerd. De eerste pijler betreft de ontwikkeling van kennis en innovatie voor beleidsdoeleinden en maatschappelijke toepassing. Dit gebeurt onder meer via het BasisOnderzoek (BO), het Nationaal Kennisprogramma Stikstof, het Kennisnetwerk OBN en missiegedreven publiek-private programma’s (zoals MMIP’s). Een tweede pijler betreft de verspreiding en benutting van kennis via onder andere Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)-interventies, Subsidiemodule Agrarische Bedrijfsadvisering en Educatie (SABE), Kennis op Maat en de ondersteuning van experimenteerlocaties. Daarnaast wordt ingezet op vernieuwing in onderwijs en praktijk, via Groenpact, Jong Leren Eten en duurzame leernetwerken, alsook op sociale innovatie, zoals de ondersteuning van bottom-up initiatieven, startups en innovatieve vormen van samenwerking. Tot slot behoren ook regievoering, monitoring en kennisinfrastructuur tot de kerntaken, die de randvoorwaarden scheppen voor een effectief kennis- en innovatiesysteem.
Deze activiteiten leiden tot output in de vorm van kennisproducten, praktijktoepassingen, beleidsadviezen, onderwijsmaterialen, innovatieve werkwijzen en samenwerkingsovereenkomsten. Dit vormt de basis voor structurele verbeteringen in de kennispositie van beleid, sector en samenleving.
De onderliggende beleidstheorie biedt hiermee een raamwerk om de effectiviteit en doelmatigheid van het beleid te volgen, te evalueren en waar nodig bij te sturen. Door de samenhang tussen input, activiteiten, output, outcome en impact expliciet te maken, wordt een basis gelegd voor evidence-informed beleidsontwikkeling en verantwoording.
Figuur 6 Beleidstheorie thema Kennis en innovatie

Doelstelling | Evaluatieplanning | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) |
|---|---|---|---|---|---|
Het ontwikkelen van kennis en innovaties voor beleid en samenleving en verspreiding van werkende ideeën en oplossingen t.b.v. voldhoudbaar voedselsysteem, robuuste natuur en een vitaal platteland. | Kennisprogramma Klimaat | Ex post | 2026 | Afgerond1 | 23 |
Thematische evaluatie kansengelijkheid | Ex ante | 2026 | In uitvoering | 23 | |
NKS | Ex post | 2026 | In uitvoering | 23 | |
Thematische evaluatie opdrachten en tijdelijke subsidies K&I | Ex durante | 2026 | Te starten | 23 | |
Biobased | Ex post | 2026 | Te starten | 23 | |
KIA | Ex durante | 2027 | Te starten | 23 | |
Subsidieregeling Re-Ge-NL voor deelname aan onderzoek | Ex post | 2027 | Te starten | 23 | |
Thematische evaluatie basisinfrastructuur K&I | Lerende evaluatie | 2028 | Te starten | 23 | |
Programma weerbare teeltsystemen | Ex durante | 2028 | Te starten | 23 | |
OBN | Ex post | 2029 | Te starten | 23 | |
Thematische evaluatie Kennis voor beleid | Lerende evaluatie | 2029 | Te starten | 23 | |
Actieprogramma Digitalisering | Ex post | 2029 | Te starten | 23 | |
Subsidieregeling Experimenteerlocaties | Ex post | 2030 | Te starten | 23 | |
Programma Robotisering | Ex post | 2030 | Te starten | 23 | |
Kennisprogramma dierwaardige veehouderij | Ex durante | 2030 | Te starten | 23 | |
Evaluatie SABE-regeling | Ex post | 2031 | Te starten | 23 | |
Realiseren (sociale) innovatie in de praktijk en groen onderwijs | Thematische evaluatie voedsel educatie (waaronder Jong leren eten) | Ex post | 2027 | Te starten | 23 |
Thematische evaluatie opdrachten groen onderwijs | Ex durante | 2027 | Te starten | 23 | |
Groenpact | Ex durante | 2028 | Te starten | 23 | |
Sociale innovatie en Jong Leren Eten | Ex durante | 2028 | Te starten | 23 | |
Realiseren van (rand)voorwaarden voor effectief beleid | Ex post | 2026 | Afgerond | 21, 23 | |
WOT Genetische bronnen | Ex post | 2026 | In uitvoering | 21, 23 | |
WOT Besmettelijke dierziekten | Ex post | 2027 | Te starten | 21, 23 | |
WOT Economische informatievoorziening | Ex post | 2027 | Te starten | 21, 23 | |
WOT Visserijonderzoek | Ex post | 2028 | Te starten | 22, 23 | |
WOT Natuur en milieu | Ex post | 2028 | Te starten | 22, 23 |
Toelichting bij de centrale doelstelling:
1. Het ontwikkelen van kennis en innovaties voor beleid en samenleving:
De inzichtbehoefte voor de doelstelling ‘het ontwikkelen van kennis en innovaties voor beleid en samenleving’ is: In hoeverre slaagt het opgebouwde K&I-systeem erin om inzichten te leveren voor beleid en samenleving die bijdragen aan het versterken van een volhoudbaar voedselsysteem, robuuste natuur en een vitaal platteland? Voor deze inzichtbehoefte wordt kennis verzameld door middel van de evaluaties van meerjarige subsidies (deductief - vast stramien) en thematische evaluaties (mixed methods).
Evaluaties meerjarige subsidies
De evaluaties voor meerjarige subsidies volgen op hoofdlijn de vereisten vanuit de comptabiliteitswet, waarbij er in de evaluaties gestreefd wordt naar een zo hoog mogelijke mate van robuustheid op basis van de effectladder.3 Daarnaast wordt er bij deze evaluaties een kader toegepast dat ontwikkeld is op basis van de vorige periodieke rapportage4 en het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer.5 Het kader bestaat uit een analysekader voor doeltreffendheid en doelmatigheid voor K&I instrumenten en een verantwoordingskader evaluatieonderzoek.
Het analysekader is afgestemd met de Beleidskwaliteit en Evaluatiecommissie (LVVN/EZ/KGG) het PBL en RVO, en intern beschikbaar. Het verantwoordingskader moet als bijlage bij elke evaluatie door het onderzoeksbureau ingevuld worden, om beknopt antwoord te geven op behoefte van de Algemene Rekenkamer (AR) om per evaluatie meer expliciete verantwoording af te geven over de methodologie en onafhankelijkheid. LVVN wil graag de AR tegemoet komen in deze wens, daarom is vanaf 2025 het aanleveren van dit kader bij elke K&I evaluatie verplicht.
Het verantwoordingskader bevat de volgende vragen:
-Wat was de afbakening van het beleid en tijdsperiode waarover het onderzoek ging?
-Hoe is de objectiviteit van het onderzoek gewaarborgd?
-Beschrijf de methode waar gebruik van werd gemaakt en waarom is er voor deze methode gekozen?
-Beschrijf waarom het onderzoek passend was bij de fase en context waarin het beleid zich bevindt en sluit aan op de kenmerken van het beleid dat wordt onderzocht (RPE Artikel 3.a).
-Wat zijn de doelen die zijn geëvalueerd?
-Hoe zag de beleidstheorie eruit en was deze al aangeleverd door LVVN?
-Welke financiële afbakening (rijksbegroting) had het instrument?
-Welke evaluatievragen moeten centraal staan om inzicht te geven in de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleid?
2. Het realiseren van (sociale) innovatie in de praktijk en groen onderwijs:
Onder dit onderdeel vallen de activiteiten die gericht zijn op het versnellen en stimuleren van het sociale vermogen om te innoveren op de LVVN-thema’s en groen onderwijs. De evaluaties die hier geprogrammeerd staan moeten inzicht geven in het instandhouding van een groene kennisinfrastructuur ten behoeve van het landbouw-, natuur- en voedseldomein en de mate waarin kinderen en jongeren onderwijs krijgen waardoor zij gezond en bewust voedsel leren eten.
3. Borgen en benutten van een kwalitatief hoogwaardige kennis- en innovatie- en onderzoeksinfrastructuur:
Het Ministerie van LVVN heeft de Europese verplichting om zes wettelijke onderzoekstaken uit te laten voeren. Deze onderzoekstaken/systeemtaken worden namens LVVN door verschillende Wageningse instituten uitgevoerd. De evaluaties van deze wettelijke onderzoekstaken geven inzicht in hoeverre deze taken doeltreffend en doelmatig worden uitgevoerd. Het verschaft daarnaast per wettelijke onderzoekstaak specifieke inzichten in een variëteit aan thema’s zoals de interactie tussen de verschillende betrokken ministeries, Europese vergelijking (uitvoering van deze taken in verschillende landen) en de toekomstbestendigheid van de wettelijke onderzoekstaken (vergrijzing).
WOT-evaluaties:
De bestaande Wettelijke Onderzoekstaken dienen, volgens de geldende richtlijnen, elke vijf jaar geëvalueerd te worden. Om het leereffect van deze evaluaties te verbeteren, wordt aanbevolen de focus te verleggen naar de relevante veranderingen en vernieuwingen binnen de afgelopen periode. Aangezien veel WOTs over de jaren heen relatief stabiel blijven, kan een gerichtere aanpak bijdragen aan een kortere en kostenefficiëntere evaluatie, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit en het beoogde doel. De nadruk van deze evaluaties dient te liggen op de belangrijkste veranderingen ten opzichte van de vorige evaluatie, de implementatie en toepassing van eerdere aanbevelingen en specifieke verbeterpunten en toekomstige ontwikkelmogelijkheden.
Door deze gerichte aanpak kan het evaluatieproces worden geoptimaliseerd, terwijl de beleidsmatige en wetenschappelijke onderbouwing van de WOTs gewaarborgd blijft. Bij het uitvoeren van nieuwe evaluaties is het essentieel dat er wordt voortgebouwd op de vorige evaluaties. Het is de bedoeling dat de nieuwe evaluatie niet het werk gaat overdoen wat er in de evaluaties in de vorige periode is gedaan.
4. Thematische evaluaties
Kansengelijkheid:
Het Ministerie van LVVN streeft naar een inclusief en gelijkwaardig beleid, waarbij alle agrarische ondernemers – ongeacht geslacht – gelijke toegang hebben tot beleidsmaatregelen, subsidies en ondersteuningsprogramma’s. Het doel van deze evaluatie is om een Impact Assessment uit te voeren van het landbouwbeleid van LVVN inclusief subsidieregelingen en andere beleidsinstrumenten.
Kennis voor Beleid:
Één van de activiteiten binnen het K&I-beleid is het verzamelen van kennis ten behoeve van beleidsontwikkeling. In dit kader is de thematische evaluatie ‘Kennis voor beleid’ geagendeerd voor 2029. Deze agendering vloeit voort uit de vorige periodieke rapportage van het K&I-beleid, waarin onvoldoende duidelijk werd in hoeverre kennis daadwerkelijk bijdraagt aan beleidsontwikkeling en maatschappelijke effecten. Om in de volgende periodieke rapportage beter inzicht te kunnen bieden in dit aspect, is het noodzakelijk dat hierover gerichte kennis wordt ontwikkeld. LVVN zal deze thematische evaluatie vormgeven op basis van de principes van lerend en reflectief evalueren.
Voedseleducatie:
De Minister van LVVN stimuleert dat kinderen en jongeren educatie krijgen om op termijn gezonde en duurzame keuzes te kunnen maken in hun voedselconsumptie. De redenering daarachter is dat we dagelijks keuzes maken in onze voeding, maar dat een bewuste keuze voor gezond en/of duurzaam voedsel voor veel mensen niet vanzelfsprekend is. Om te werken aan een duurzame en gezonde toekomst is het programma Jong Leren Eten opgezet. Jong Leren Eten combineert educatie over gezond en duurzaam voedsel met natuur- en milieueducatie (samengevat als ‘voedseleducatie’).
Waarden en voorkeuren rond voedsel worden grotendeels gevormd op jonge leeftijd. Scholen zijn de meest effectieve plaats voor voedseleducatie, aangezien alle kinderen en jongeren naar school moeten. Naast het programma Jong Leren Eten lopen er meerdere initiatieven om een gezonde ontwikkeling te stimuleren, waar Jong Leren Eten intensief mee samenwerkt. Hieronder vallen onder meer de programma's van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport: Gezonde School waar LVVN financieel aan bijdraagt en Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Daarnaast wordt onder andere samengewerkt met het Voedingscentrum die aanvullende informatie voor het ontwikkelen van een gezond en duurzaam voedingspatroon biedt en het Voedsel Educatie Platform (Smaaklessen, Wageningen University & Research).
De verschillende LVVN-beleidsinstrumenten zijn eerder in samenhang geëvalueerd ten tijde van de Voedselagenda (2021). Daaruit werd geconcludeerd dat de losse initiatieven doeltreffend waren, maar dat er geen sprake is geweest van een integraal voedselbeleid. De aanbeveling om hier meer integraliteit in te brengen is nog niet opgevolgd. Deze thematische evaluatie beoogt via reflectieve methodes aanknopingspunten te creëren, om alsnog recht te doen aan deze eerdere aanbeveling en te streven naar samenhang in de ontwikkeling van dit beleidsveld.
Omdat de intentie is om het programma Jong Leren Eten in 2028 te beëindigen, en er nog onvoldoende zicht is op hoe opvolging wordt gegeven aan de ministeriële verantwoordelijkheid (zie onderdeel A en B van artikel 23) om ervoor te zorgen dat kinderen en jongeren onderwijs krijgen waardoor zij gezond en bewust leren eten, staat er voor 2026 een thematische evaluatie van voedseleducatie gepland. Deze thematische evaluatie heeft deels een verantwoordend en deels een lerend karakter. De evaluatie omvat een impact assessment van Jong Leren Eten, en een analyse van hoe het voedselonderwijs in bredere zin zich heeft ontwikkeld Ook richt het onderzoek zich op de toekomst van het beleidsveld voedseleducatie binnen LVVN.
Opdrachten portfolio groen onderwijs
De maatschappelijke opgaven waarop LVVN zich richt, vereisen naast structureel beleid ook maatwerk en incidentele oplossingen om de voortgang te versnellen. In samenwerking met partners in het veld levert LVVN via incidentele opdrachten een bijdrage aan de versterking van het groene onderwijs. Om zicht te krijgen op de effectiviteit van deze aanpak is er behoefte aan inzicht in de mate waarin deze losse opdrachten onderling samenhangen, en of het geheel aan incidentele financiering daadwerkelijk bijdraagt aan het bereiken van de onderliggende beleidsdoelen op een doeltreffende en doelmatige manier.
Hoewel de opdrachten buiten het Rijksbrede Programma Evaluatiebeleid (RPE) vallen en daardoor geen formele evaluatieverplichting kennen, vormt incidentele financiering een belangrijk onderdeel van het beleid op dit terrein. Daarom is ervoor gekozen om deze opdrachten gezamenlijk te evalueren als één portfolio. De opdrachten zijn gegund aan sleutelorganisaties binnen het groene onderwijsveld, zoals Aeres Hogeschool en Wageningen Universiteit.
Basisinfrastructuur
Deze thematische evaluatie zal zich richten op de laatste ‘outcome’ die in de beleidstheorie van het kennis- en innovatiebeleid is geformuleerd: een goed functionerende kennis-, innovatie- en onderzoeksinfrastructuur op het gebied van landbouw, tuinbouw, visserij, voedsel, natuur en het landelijk gebied. Binnen deze brede doelstelling ligt de nadruk specifiek op het fundament van deze infrastructuur: de basisinfrastructuur.
Onder de term basisinfrastructuur verstaat het Ministerie van LVVN het geheel aan infrastructuur voor onderzoek, kennisproductie en innovatie. Dit omvat kennisinstellingen en instituten met specifieke expertisegebieden en een beschikbare capaciteit aan onderzoekers die inzetbaar zijn op de thema’s van LVVN, inclusief hun fysieke onderzoeksfaciliteiten. Daarnaast vallen hieronder ook netwerkorganisaties en platforms die gericht zijn op innovatiebevordering en kennisdeling, met als doel de toepassing van kennis in de praktijk te stimuleren.
De evaluatie kent zowel een deductieve als een inductieve benadering. Een belangrijke vraag is of de huidige inrichting van aansturing en financiering op een doeltreffende en doelmatige wijze bijdraagt aan een goed functionerende basisinfrastructuur (deductief). Hierbij worden aspecten als governance, communicatie, digitalisering en de uitvoering van Europese verplichtingen meegenomen. Een tweede, meer inductieve component van het onderzoek richt zich op de vraag in hoeverre de huidige structuur ruimte biedt voor disruptief onderzoek, en of er sprake is van een heldere strategische visie op de toekomstige basisinfrastructuur.
Bijlage 5: Indicatoren en kengetallen
Inleiding
Dit overzicht gaat in op diverse indicatoren en kengetallen. Deze zijn gecategoriseerd in de herkenbare thema's van de Strategische Evaluatie Agenda (zie Bijlage 4). Dit komt de samenhang tussen monitoring en evaluatieonderzoek ten goede. Indicatoren en kengetallen zijn meetbare grootheden die een belangrijke signalerende functie hebben. Kengetallen bieden met name belangrijke contextuele informatie. Indicatoren zijn vaker concreet gebonden aan de inzet van een beleidsmaatregel of doelen van beleid. Scores op indicatoren kunnen daarom aanleiding zijn om beleid bij te sturen. Om echter de daadwerkelijke effecten van het gevoerde beleid op de «scores» uit de indicatoren vast te kunnen stellen, is nader evaluatieonderzoek nodig. De recent afgeronde evaluatieonderzoeken staan opgenomen in Bijlage 4 en op rijksfinancien.nl
Doelstelling 1: Versterken concurrentiekracht duurzame agroketens
Export van agrarische producten uit Nederland (bron: WSER en CBS) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Land | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 (raming) |
Duitsland | 22.688 | 23.579 | 24.496 | 26.100 | 29.300 | 29.500 | 31.000 | 34.000 |
België | 10.254 | 10.779 | 10.708 | 12.300 | 14.500 | 15.000 | 15.800 | 16.900 |
Verenigd Koninkrijk | 8.591 | 8.658 | 8.524 | 8.400 | 9.300 | 9.400 | 9.400 | 9.800 |
Frankrijk | 7.665 | 7.726 | 7.571 | 8.700 | 10.100 | 10.700 | 10.600 | 11.400 |
China | 2.400 | 3.100 | 3.800 | 3.700 | 4.300 | 3.200 | 2.900 | 3.000 |
Overige landen | 38.798 | 40.781 | 40.640 | 45.200 | 54.300 | 55.200 | 57.200 | 62.400 |
Totaal landen | 90.396 | 94.623 | 95.739 | 104.400 | 121.800 | 123.000 | 126.900 | 137.500 |
Kengetallen land- en tuinbouwbedrijven (bron: WSER en CBS) | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Jaartal | 2010 | 2015 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 (raming) |
Aantal land- en tuinbouwbedrijven | 72.324 | 63.910 | 53.233 | 52.695 | 52.110 | 50.975 | 50.634 | 49.900 | 49.459 |
Gemiddelde inkomen per onbetaalde aje in de primaire sector (€) | 41.400 | 46.800 | 71.400 | 52.100 | 83.500 | 113.600 | 119.000 | 118.000 | 129.000 |
Aantal landbouwbedrijven met verbrede landbouw activiteiten | 22.000 | 24.434 | |||||||
Kengetallen toegevoegde waarde (bron: WSER) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Jaartal | 2010 | 2015 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 |
Toegevoegde waarde van het agrocomplex (mld. €) | 45 | 49 | 54 | 56 | 55,8 | 57,7 | 66 | 77 |
Waarvan gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen (%) | 64% | 61% | 57% | 59% | 57% | 58% | 61% | 59% |
Werkgelegenheid in het agrocomplex | 545.000 | 529.000 | 570.000 | 573.000 | 583.000 | 600.000 | 605.000 | 621.000 |
Waarvan gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen (%) | 68% | 67% | 66% | 67% | 63% | 63% | 64% | 62% |
Kengetallen bedrijfshoofd (bron: CBS) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
Kengetal bedrijfshoofd | 2004 | 2008 | 2012 | 2016 | 2020 | 2023 |
Aantal bedrijven met een bedrijfshoofd van ≥ 55 jaar | 46.414 | 39.839 | 39.508 | 33.202 | 34.136 | 27.970 |
Waarvan zonder opvolging (%) | 64% | 72% | 66% | 62% | 60% | 57% |
Aandeel technologische landbouw goederen in de totale landbouwexport (bron: WSER & CBS) | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Realisatie 2021 | Realisatie 2022 | Raming 2023 | Realisatie 2023 | Raming 2024 | Realisatie 2024 | Raming 2025 | Streefwaarde | Planning |
Aandeel technologische landbouwgoederen in de totale landbouwexport | 9.5% | 2019 | 9,30% | 9,80% | 8,84% | 8.78% | 8,71% | 8,78% | 9,24% | 12% | 2021 |
Verhouding duurzame / totale investeringen (bron: WSER) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Realisatie 2020 | Realisatie 2021 | Realisatie 2022 | Realisatie 2023 | Streefwaarde | Planning |
Verhouding duurzame / totale investeringen | 25% | 2017 | 18% | 27% | 29% | 25% | 30% | 2025 |
Toelichting
1. Tabel Export van agrarische producten uit Nederland
Bovenstaande tabel toont de belangrijkste exportlanden (in waarde) van Nederland met betrekking tot agrarische producten en de totale (agrarische) exportwaarde van Nederland.
2. Tabel Kengetallen land- en tuinbouwbedrijven
Aantal land- en tuinbouwbedrijven
Dit kengetal geeft het aantal land- en tuinbouw bedrijven weer dat actief is in Nederland. Deze gegevens worden verzameld in de Landbouwtelling en gepubliceerd door het CBS. De landbouwtelling maakt deel uit van de gecombineerde opgave, die onder meer gebruikt wordt voor de uitvoering van het landbouwbeleid en handhaving van de Meststoffenwet.
Gemiddelde inkomen per onbetaalde aje in de primaire sector (€)
Dit kengetal geeft het gemiddelde inkomen uit bedrijf in de primaire landen tuinbouwsector weer in euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje). Deze gegevens worden verzameld door Wageningen Social & Economic Research via het Bedrijveninformatienet (BIN).
Wageningen Social & Economic Research berekent het agrarisch inkomen per onbetaalde aje. Agrarisch ondernemers en hun gezinsleden verrichten in de meeste sectoren nog het merendeel van de arbeid zelf, maar krijgen meestal geen salaris. Een arbeidskracht die in een jaar 2.000 uur of meer werkt, wordt gezien als één aje. Wie minder werkt, telt voor minder dan één aje. Wageningen Social & Economic Research deelt het inkomen uit bedrijf in deze situatie door het aantal onbetaalde aje. Op deze manier zijn de inkomens van verschillende bedrijfstypen beter met elkaar te vergelijken. Daarmee is het resultaat dus gekoppeld aan de hoeveelheid input.
Aantal landbouwbedrijven met verbrede landbouw activiteiten
Dit kengetal geeft het aantal land- en tuinbouwbedrijven weer dat een of meer verbredingsactiviteiten als aanvullende inkomstenbron heeft. De gegevens voor dit kengetal komen uit de landbouwtelling en worden gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De landbouw telling maakt deel uit van de gecombineerde opgave, die onder meer gebruikt wordt voor de uitvoering van het landbouwbeleid en handhaving van de Meststoffenwet. De verbredingscijfers op basis van de Landbouw telling kunnen een onvolledig beeld geven, onder andere omdat steeds meer ondernemers hun bedrijven (als gevolg van bv. wetgeving, fiscale voordelen, of risicospreiding) splitsen in meerdere zelfstandige bedrijven met eigen rechtsvorm en boekhouding. Deze bedrijven komen mogelijk niet in beeld via de Landbouwtelling.
Onder verbredingsactiviteiten wordt verstaan: Verkoop aan huis, stalling van goederen of dieren, agrotoerisme, verwerking van landbouwpro ducten, zorglandbouw, aquacultuur, loonwerk voor derden, agrarisch natuur- en landschapsbeheer, agrarische kinderopvang, boerderij educatie en energieproductie (levering aan derden).
3. Tabel Kengetallen toegevoegde waarde agrocomplex
Toegevoegde waarde van het agrocomplex
Het agrocomplex bestaat uit het geheel van directe en indirecte activi teiten rond de agrarische sector die als een samenhangende keten kan worden gezien. Dit bestaat uit de agrarische sector - opgebouwd uit de sectoren landbouw, tuinbouw en visserij - plus de toeleverende partijen van goederen en diensten zoals veevoer, kunstmest, energie, machines, stallen, kassen, veterinaire en zakelijke diensten enerzijds en de verwerking, handel en distributie anderzijds.
Dit kengetal geeft de toegevoegde waarde van dit gehele complex weer in miljarden euro’s. Een deel van de activiteiten van het totale agrocomplex hangt samen met de verwerking van geïmporteerde agrarische grondstoffen, zoals cacao, granen, soja en tabak. De rest is gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen. Bij dit kengetal is ook aangegeven welk percentage van de toegevoegde waarde is gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen. Deze gegevens zijn gebaseerd op data van Wageningen Social & Economic Research.
Werkgelegenheid in het agrocomplex
Het agrocomplex bestaat uit het geheel van directe en indirecte activiteiten rond de agrarische sector die als een samenhangende keten kan worden gezien. Dit bestaat uit de agrarische sector - opgebouwd uit de sectoren landbouw, tuinbouw en visserij - plus de toeleverende partijen van goederen en diensten zoals veevoer, kunstmest, energie, machines, stallen, kassen, veterinaire en zakelijke diensten enerzijds en de verwerking, handel en distributie anderzijds.
Dit kengetal geeft de werkgelegenheid in dit gehele complex weer in het aantal arbeidsjaren. Een deel van de activiteiten van het totale agrocomplex hangt samen met de verwerking van geïmporteerde agrarische grond stoffen, zoals cacao, granen, soja en tabak. De rest is gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen. Bij dit kengetal is ook aangegeven welk percentage van de werkgelegenheid is gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen. Deze gegevens zijn gebaseerd op data van Wageningen Social & Economic Research.
4. Tabel Kengetallen opvolging landbouwbedrijven
Dit kengetal laat het aantal bedrijven zien dat een bedrijfshoofd heeft van 55 jaar of ouder. Ook wordt weergegeven welk percentage van deze bedrijven al een opvolger heeft. Deze gegevens worden verzameld in de Landbouw telling en gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De landbouwtelling maakt deel uit van de gecombineerde opgave, die onder meer gebruikt wordt voor de uitvoering van het landbouwbeleid en handhaving van de Meststoffenwet. Er zijn momenteel geen cijfers beschikbaar over 2024 en 2025.
5. Tabel Technologische landbouwgoederen
Deze indicator geeft het technologisch aandeel (kennis en innovatie omgezet in goederen/diensten in de vorm van o.a. kassen- en machinebouw) van de aan de landbouw gerelateerde goederen weer in de totale landbouwexport van alle goederen.
6. Tabel Verhouding duurzame / totale investeringen
Deze indicator drukt het bedrag aan duurzame investeringen uit ten opzichte van het bedrag van de totale investeringen in de landbouw.
Doelstelling 2: Borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit
Voldoen controle vereisten HACCP (bron: NVWA) | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2022 | Realisatie 2022 | Raming 2023 | Realisatie 2023 | Realisatie 2024 | Realisatie 2025 | Streefwaarde |
Nalevingsniveau HACCP-verplichting | 80% | 9-Apr | 92% | 93% | 94% | 87% | 92% | 96% | 100% |
Vertrouwen consument in veiligheid voedsel (bron: NVWA consumentenmonitor) | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Kengetal | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 |
Mate van vertrouwen consumenten in voedsel | Geen meting | Geen meting | 3,2 | 3,2 | Geen meting | 3,34 | Geen meting | 3,36 | Geen meting | 3,27 |
Toelichting
1. Tabel Controle vereisten HACCP
Het betreft het percentage van het totale aantal gecontroleerde bedrijven met een wettelijk verplicht Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP)-systeem uit het eerste deel van de vleesketen (slachthuizen, uitsnijderijen en koel- en vrieshuizen) dat aan alle controle-items voor HACCP voldoet. Voor de berekening van het nalevingspercentage HACCP (Hazard Analysis and Critical Control Points) is uitgegaan van de resultaten die tijdens volledige audits bij slachthuizen, wildbewerkingsinrichtingen, uitsnijderijen en koel- vrieshuizen zijn beoordeeld door auditoren van de NVWA. Koelvrieshuizen en uitsnijderijen worden standaard minder vaak geaudit dan slachthuizen. In dit cijfer wordt hier geen rekening mee gehouden.
De berekening van de HACCP indicator is alleen te vergelijken met 2024 en niet met de jaren daarvoor. Dit omdat de auditlijst veranderd is en vanaf 2024 in het geheel op de nieuwe wijze is ingevuld. In de oude lijsten werden er heel veel vragen meegenomen in de berekening van het getal. Nu zijn al die losstaande vragen samengevoegd tot één vraag ('Wat is de totale beoordeling van HACCP / Hygiëne code'). Het percentage in 2024 en 2025 valt dus anders uit omdat er veel minder vragen worden meegenomen en 1 afwijking al zorgt voor een groot verschil in percentage.
Voor 2025 is het op deze wijze berekende nalevingspercentage voor HACCP uitgekomen op 96,3%. Voor 2024 was dit 92,1%. Het percentage ernstige overtredingen is in 2025 gedaald t.o.v. 2024.
2. Tabel Vertrouwen consument
De NVWA meet op een schaal van 1–5 het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedsel. Deze meting vindt om de 2 jaar plaats. In 2024 is geen onderzoek uitgevoerd. De meest recente meting is in 2025 uitgevoerd. De NVWA Consumentenmonitor 2025 laat zien dat het vertrouwen in het systeem van voedselveiligheid behoorlijk stabiel is. Dit vertrouwen wordt uitgedrukt in het kengetal: de representatie van de antwoorden op 1 algemene vraag: «Ik maak mij zorgen over de veiligheid van voedingsmiddelen». Het kengetal wordt berekend door de schaal = 6 – [gemiddelde score op deze negatief gestelde vraag]. Het kengetal bedroeg in 2023 3,36 en in 2025 3,27, en toont dus een daling van 0,09. Daarmee zijn we een lichte daling in het vertrouwen in voedselveiligheid. Hier zien we effecten van de gebeurtenissen rondom terugroepacties, PFAS in eieren en blauwe bessen.
Doelstelling 3: Vergroten maatschappelijke waardering van landbouw & voedsel
Voedselverspilling (kiloton) (bron: Monitor voedselverspilling update 2009-2020, WFBR, 2023) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Kengetal | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | Meest recente jaar |
Voedselverspilling (kiloton) | min: 1.814 max: 2.509 | min: 1.649 max: 2.568 | min: 1.514 max: 2.380 | 2.811 (nieuwe methode nu incl. onvermijdbare reststromen) | 2.510 | 2.350 | 2.271 | 2023 |
Afgeleide voedselverspilling in kiloton (absoluut en percentage) (bron: Monitor voedselverspilling) | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | Meest recente jaar | Streefwaarde | |
Afgeleide voedselverspilling in kiloton (absoluut) | 2.124 | 2.162 | 2.109 | 1.947 | 2.811 (nieuwe methode) | 2.510 | 2.350 | 2.271 | 2023 | 1.081 (2030) |
Afgeleide voedselverspilling in % (relatief) | 98 | 100 | 98 | 90 | t.o.v. omgerekende cijfers: 103 | 92 | 86 | 83 | 2023 | 50 |
Duurzaam voedsel (consumentenbestedingen aan voor consumenten herkenbaar duurzamer geproduceerd voedsel) (bron: Monitor duurzaam voedsel, Wageningen University & Research) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | |
Totale consumentenbestedingen aan duurzaam voedsel (x€1.000.000.0000) | 9,5 | 10,8 | 12,6 | 14,3 | 15,6 |
Marktaandeel van bestedingen aan duurzaam voedsel in de totale bestedingen aan voedsel | 19% | 18% | 19% | 21% | 22% |
Toename bestedingen van consumenten aan duurzaam voedsel ten opzichte van het voorgaande jaar | 12% | 13% | 14% | 4% | 6% |
Toelichting
1. Tabel Voedselverspilling
Er is sprake van voedselverspilling als voedsel dat voor menselijke consumptie bedoeld is, hier niet voor wordt gebruikt. De Monitor voedselverspilling geeft de omvang van voedselresten in Nederland weer, gebaseerd op openbare cijfers. De totale hoeveelheid reststromen wordt uitgesplitst naar de bestemmingen voedselbank, veevoer, vergisten, composteren, verbranden en storten/lozen. Per hoofd van de bevolking bedroeg de voedselverspilling in 2023 127 kilogram, in totaal 2.271 kiloton. Dit is lager dan het voorgaande jaar, in 2022 was dat 2.350 kiloton.
De omvang van de voedselverspilling is vanwege de vergelijkbaarheid per hoofd van de bevolking omgerekend naar de omvang volgens de voormalige definitie (2020 en eerder): in 2023 is dat 91-110; 2022 is dat 99-117 kilogram; in 2021 is dat 99-116 kilogram; in 2020 is dat 97-123 kilogram; in 2019 was dit 88-136 kilogram per hoofd van de bevolking. Vanuit de voormalige Nederlandse definitie is de voedselverspilling in 2023 nagenoeg gelijk aan het voorgaande jaar.
2. Tabel Afgeleide voedselverspilling
Nederland heeft zich gecommitteerd aan het realiseren van het Duurzame Ontwikkelingsdoel 12.3 van de Verenigde Naties (SDG 12.3). SDG 12.3 stelt dat in 2030 t.o.v. 2015 de hoeveelheid voedselverspilling gehalveerd dient te zijn. In de Monitor voedselverspilling werd tot en met 2019 de omvang van de voedselverspilling in Nederland niet als een absoluut getal weergegeven, maar aangeduid met een bandbreedte. De omvang van de voedselverspilling bedraagt tenminste de ondergrens van de bandbreedte (minimum) en ten hoogste de bovengrens van de bandbreedte (maximum). Hoewel het niet correct is om te stellen dat het ‘midden’ van de bandbreedte de hoeveelheid voedselverspilling aangeeft, was deze afgeleide voedselverspilling wel een indicatie van de ontwikkeling.
3. Tabel Kengetallen bestedingen duurzaam voedsel
Bestedingen aan duurzaam voedsel
De bovenstaande cijfers uit de Monitor Duurzaam Voedsel geven een overzicht van de consumentenbestedingen aan duurzaam voedsel. Duurzaam voedsel wordt in deze monitor gedefinieerd als voedsel waarbij tijdens de productie en verwerking meer rekening is gehouden met milieu, dierenwelzijn en/of sociale aspecten dan wettelijk verplicht is. Het gaat om de in Nederland geconsumeerde producten in de belangrijkste afzetkanalen voor duurzaam voedsel: supermarkten, foodservice en speciaalzaken voor duurzame voeding in Nederland. De gegevens zijn gebaseerd op de omzet van producten die zijn voorzien van een duurzaamheidskeurmerk met onafhankelijke controle. De voedingsmiddelen kunnen daarmee door consumenten op één of meer aspecten als duurzaam worden herkend.
Toename bestedingen van consumenten aan duurzaam voedsel ten opzichte van het voorgaande jaar
Voor elk jaar wordt berekend hoeveel er meer of minder is uitgegeven aan duurzaam voedsel dan het jaar ervoor. Omdat de rekenmethode elk jaar een beetje verandert en er soms correcties worden gedaan, wordt het cijfer van het vorige jaar steeds opnieuw berekend. Het cijfer waartegen de uitgave van dit jaar wordt afgezet kan dus afwijken van het cijfer van het vorige jaar zoals dat in deze tabel staat.
Doelstelling 4: Verduurzaming productie en consumptie (d.m.v. kringlooplandbouw)
Productie van dierlijke mest uitgedrukt in miljoen kg stikstof (bron: CBS) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025* | 2026** | |
Landelijk | 489,7 | 489,4 | 471 | 467,1 | 463,5 | 448,9 | 439,6 | 438 |
Melkvee | 279,9 | 286,5 | 273 | 269,2 | 273,8 | 265,2 | 260,5 | 264,8 |
Varkens | 93,7 | 91,8 | 88,9 | 88,6 | 81,7 | 80,1 | 77,7 | 73,8 |
Pluimvee* | 56 | 54,7 | 54,3 | 53,9 | 52,6 | 48,7 | 48,1 | 46,9 |
Productie van dierlijke mest uitgedrukt in miljoen kg fosfaat (bron: CBS) | ||||||||
2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025* | 2026** | |
Landelijk | 155,5 | 150,7 | 148 | 150,4 | 147,5 | 146,7 | 141,5 | 138,6 |
Melkvee | 75,5 | 73,6 | 74,2 | 77,2 | 75,6 | 76,7 | 75,1 | 73,3 |
Varkens | 36,8 | 36,7 | 34,5 | 34,4 | 32,8 | 32,3 | 30,2 | 29,7 |
Pluimvee* | 25,1 | 24,1 | 23,2 | 22,5 | 23,0 | 20,8 | 20,0 | 19,8 |
* | Voorlopige cijfers | |||||||
** | Verwachte mestproductie (bron: CBS-monitor fosfaat- en stikstofexcretie, 1e kwartaalrapportage 2026) | |||||||
Gemiddelde nitraatconcencratie per liter in uitspoelend water onder landbouwbedrijven (bron: RIVM, Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
Bodemsoort | 2012-2015 | 2016-2019 | 2020-2023 | 2024 | 2025** | Streefwaarde |
Löss | 72 | 74* | 82* | 62* | 63 | gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond |
Zand | 54 | 49* | 67* | 33* | 30 | gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond |
Klei | 23 | 30 | 35 | 17 | 18 | gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond |
Veen | 9 | 8 | 11 | 5 | 4 | gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond |
* Gecorrigeerd t.o.v. vorig jaarverslag op basis van database actualisatie | ||||||
** Resultaten onder voorbehoud (opstellen jaarrapportage LMM loopt nog) | ||||||
Totale CO2-emissie glastuinbouw (bron: Energiemonitor van de Nederlandse glastuinbouw 2024, WSER) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Indicator | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | Meest recente jaar | Streefwaarde 2030 |
Totale broeikasgasemissie glastuinbouw in CO2- equivalenten | 7,9 Mton | 7,5 Mton | 8,2 Mton | 4,9 Mton | 5,1 Mton | 5,2 Mton | 2024 | 4,3 Mton |
Aandeel biologisch landbouwareaal (bron: Skal) | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | Referentiewaarde | Streefwaarde 2027 | Streefwaarde 2030 |
4% | 4% | 4,30% | 4,40% | 4,80% | 5,10% | 5,70% | 4,10% | 6,50% | 15% |
Toelichting
1. Tabel Productie van dierlijke mest
Sinds 2006 zijn er zogenoemde mestproductieplafonds gesteld aan de hoeveelheid mest, uitgedrukt in stikstof en fosfaat, die de Nederlandse veehouderij mag produceren. Deze maxima waren tot aan 2022 gelijk aan de gerealiseerde mestproductie in 2002. Vanwege de derogatiebeschikking 2022-2025 is in 2022 eerst het landelijke mestproductieplafond aangepast en gelijkgesteld aan de gerealiseerde mestproductie in 2020; in 2024 zijn ook de sectorale mestproductieplafonds gelijkgesteld aan de gerealiseerde mestproductie in 2020. Met de wijziging van de Meststoffenwet die op 1 januari 2025 inwerking is getreden, is conform de derogatiebeschikking 2022-2025 het landelijke mestproductieplafond verder verlaagd en zijn de sectorale mestproductieplafonds hiermee in lijn gebracht.
De hoeveelheid geproduceerde mest is een indicator voor de mate waarin de Nederlandse veehouderij geopereerd heeft binnen de milieutechnische grenzen die gesteld zijn.
2. Tabel Gemiddelde nitraatconcentratie
Het mestbeleid geeft invulling aan de implementatie van de Europese Nitraatrichtlijn, gericht op het terugdringen van uit- en afspoeling van nutriënten uit de landbouw met als doel om onder het niveau van 50 mg nitraat/l in het grondwater te komen en de eutrofiëring van oppervlaktewater tegen te gaan, om zo verontreiniging van grond- en oppervlaktewater te verminderen en te voorkomen. Elke lidstaat dient per vier jaar een actieprogramma te ontwikkelen dat moet leiden tot een nutriëntenuit- en afspoeling op of onder de genoemde niveaus. Het zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn loopt sinds 2022. Momenteel lopen de voorbereidingen voor het actieprogramma Nitraatrichtlijn dat naar verwachting vanaf 1 juli 2027 in zal gaan. Effecten van actieprogramma’s zijn pas zichtbaar enkele jaren (>vijf jaar) na afloop van het desbetreffende actieprogramma. Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) monitort de nitraatuitspoeling op landbouwbedrijven en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op de nitraatuitspoeling. Het mestbeleid draagt ook bij aan het bereiken van de doelen van de Kaderrichtlijn Water van chemisch schoon en ecologisch gezond water voor wat betreft nutriënten afkomstig uit de landbouw.
3. Tabel CO2-emissie glastuinbouw
Voor de CO2-emissiecijfers wordt de jaarlijkse Energiemonitor Glastuinbouw van Wageningen Economic Research (WEcR) gerapporteerd. De Klimaat en Energieverkenning (KEV) rapporteert de totale broeikasgas emissie van de glastuinbouwsector. Deze broeikasgasemissie bestaat uit CO2 en methaanemissie en zijn te vinden in de bijlage van de KEV. In de Wet milieubeheer is vastgelegd dat de KEV- cijfers worden gebruikt voor wettelijke rapportages. In de Voorjaarsbesluitvorming klimaat 2023 (Kamerstuk 32813, nr. 1230) is vastgelegd dat de broeikasgasrestemissie doelstelling in 2030 voor de glastuinbouw 4,3 Mton CO2-equivalenten is.
4. Tabel Aandeel biologisch landbouwareaal
De tabel geeft de ontwikkeling van het biologische landbouwareaal over de afgelopen jaren weer. In 2025 bedroeg het biologisch landbouwareaal in Nederland (inclusief het areaal in omschakeling) volgens de cijfers van Skal Biocontrole 102.538 hectare. Dit was 5,70% van het totale Nederlandse landbouwareaal van 1,8 miljoen hectare.
Doelstelling 5: Bevorderen plantgezondheid
Aantal projecten toolbox kwekersrecht | ||||
|---|---|---|---|---|
Raming 2024 | Realisatie 2024 | Realisatie 2025 | Raming 2026 | Raming 2027 |
10-15 projecten | 14 projecten | 12 projecten | 11 tot 12 projecten | 18 projecten |
Toelichting
Het kwekersrecht stimuleert bedrijven om nieuwe plantenrassen met verbeterde eigenschappen te ontwikkelen. Verbeterde plantenrassen zijn van groot belang om de landbouw duurzamer te maken (meer productiviteit, minder chemische middelen). Nederland is actief via het "PVP Development Program» (PVP-toolbox) waarin Nederlandse kennis en ervaringen met het ontwikkelen, implementeren en ondersteunen van kwekersrecht wordt gedeeld met landen die kwekersrecht willen implemen teren of verder ontwikkelen. De projecten lopen uiteen van het geven van voorlichting, het trainen van technici of beleidsmakers tot het ontvangen van delegaties om te laten zien hoe we een en ander hebben georganiseerd. Jaarlijks komen via onder andere landbouwattachés voorstellen voor projecten binnen. Deze worden door een internationale stuurgroep beoordeeld en geprioriteerd.
Doelstelling 6: Bevorderen diergezondheid
Reductie antibioticagebruik in de dierhouderij (bron: SDa) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Realisatie 2023 | Realisatie 2024 | Realisatie 2025 | Streefwaarde |
Mate van afname van antibioticagebruik in de dierhouderij | Antibiotica verkoop in 2009 | 2009 | 76,40% | 75,5% | 77,2% | 70% reductie (ten opzichte van 2009) |
Toelichting
De bovenstaande indicator betreft de reductie van het antibioticagebruik in de dierhouderij ten opzichte van 2009. De gerealiseerde reductie per 2025 is 77,2%. Het beleid is er op gericht om antibioticagebruik verder te reduceren door middel van sectorspecifieke reductiedoelstellingen en een reductie van hooggebruikende bedrijven (zie ook Kamerstuk 29 683, nr. 317 en het Nationaal Actieplan AMR).
Doelstelling 7: Zorgen voor de instandhouding van biodiversiteit
Oppervlakte ANLb beheerd landbouwareaal (bron: RVO) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Realisatie 2017 | Realisatie 2019 | Realisatie 2020 | Realisatie 2021 | Realisatie 20221 | Realisatie 2023 | Realisatie 2024 | Realisatie 2025 |
62.116 ha | 76.943 ha | 83.968 ha | 88.795 ha | 90.168 ha | 101.355 ha | 103.991 ha | 110.100 ha |
Toelichting
Het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) maakt onderdeel uit van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en is een belangrijk instrument voor agrarische collectieven en provincies om biodiversiteit en waterkwaliteit in landelijk gebied te verbeteren. In het Nationaal Strategisch Plan (NSP) voor de GLB-periode 2023-2027 is een extra inzet opgenomen, waarbij het de doelstelling is dat het ANLb groeit van ruim 100.000 ha naar 130.000 ha in 2027.
De oppervlakte landbouwareaal die door ANLb wordt beheerd en betaald is in 2024 toegenomen van 103.991 ha in 2024 naar 110.100 ha in 2025.
Het kengetal oppervlakte ANLb beheerd landbouwareaal illustreert de ontwikkeling van het areaal agrarisch gebied waarin natuur en landbouw met elkaar verbonden worden.
Het kengetal geeft weer op hoeveel areaal de ecologische randvoorwaarden worden verbeterd voor de diersoorten van internationaal belang (Vogel- en Habitatrichtlijn). Of de populaties van die soorten daadwerkelijk toenemen, hangt van meer factoren af.
Het vorige kabinet heeft in 2025 besloten om een bedrag van € 200 miljoen per jaar aan structurele middelen toe te kennen voor het Agrarisch Natuurbeheer, waarvan het overgrote deel voor het ANLb.
Met de uitbreiding wordt aan boeren beter perspectief geboden om met Agrarisch Natuurbeheer te werken aan de doelen voor natuur, water en klimaat. Daarnaast biedt het startpakket de mogelijkheid om de instrumenten in het Agrarisch Natuurbeheer - samen met provincies, collectieven, agrariërs, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en andere belanghebbenden - te versterken, vergoedingen te actualiseren, het ANLb te verbeteren en nieuwe instrumenten te ontwikkelen. Daardoor kunnen boeren die deelnemen aan ANB optimaal bijdragen aan de doelen in gebieden.
Uitbreiding bossen in Nederland (bron: periodieke Nederlandse Bos Inventarisatie (NBI) | |||
|---|---|---|---|
Startpunt 2021 | Realisatie tot en met 2024 | Streefdoel 2030 | |
Areaal bos in Nederland | 363.801 ha | 3.010 ha | 37.400 ha uitbreiding1 |
Toelichting
Met de Landelijke Bossenstrategie werkt LVVN samen met provincies aan de realisatie van 37.400 hectare nieuw bos in 2030, het revitaliseren van bestaand bos en het aanleggen van agroforestry en landschapselementen.
In totaal is er tot en met 2024 binnen en buiten het (NNN) 3.010 hectare bos gerealiseerd (8% van de totale bosuitbreidingsopgave). Hoewel daarmee een versnelling zichtbaar is ten opzichte van eerdere jaren, wordt om de klimaatdoelen binnen bereik te houden extra ingezet op het revitaliseren van bestaande bossen.
Hiervoor is in 2025 € 1,6 miljoen aan de provincies beschikbaar gesteld. Daarnaast is in 2026 een tweede impuls gegeven aan het herstel en aanleg van landschapselementen via het Aanvalsplan Landschap (€ 7 mln.) en op gronden van Staatsbosbeheer (€ 1,3 mln.). Hiermee wordt naar schatting 350 hectare landschapselementen gerealiseerd.
Figuur 7 Bosareaal in Nederland

Bron: IPO en LVVN, Natuur in Nederland - Stand van zaken eind 2021 en ontwikkelingen in 2022
Toelichting
De Nederlandse Bos Inventarisatie (NBI) rapporteert elke 5 jaar over de staat van het Nederlandse bos. In juni 2022 is de meest recente NBI verschenen en die rapporteert over de periode 2017-2021. In 2021 bedroeg de oppervlakte bos 363.801 hectare. Het oppervlakte bos in 2021 is beperkt gedaald ten opzichte van het bosareaal in 2017. Net als in de voorgaande periode is het areaal bos teruggelopen doordat bos verdwenen is voor andere natuurtypen en er tijdelijke bossen op agrarische grond zijn teruggezet naar landbouwareaal. Rijk en provincies hebben in de landelijke Bossenstrategie uit 2020 een ambitie gesteld om het areaal bos in Nederland met 10% te vergroten (37.400 hectare) tot en met 2030. De voortgangsrapportage natuur (VRN) rapporteert jaarlijks over de voortgang van de Bossenstrategie. Tussen 2020 en 2024 is in totaal 3.010 ha nieuw bos gerealiseerd (11e VRN, december 2025). Het tempo van realisatie ligt daarmee nog ver achter op het doelbereik.
Figuur 8 Condities voor doelbereik Vogel- en Habitatrichtlijn landnatuur

* Het planpotentieel is het te verwachten effect in 2030 als het vastgesteld en concreet uitgewerkte voorgenomen beleid (Natuurpact, Uitvoeringsprogramma Natuur en regeling Versneld natuurherstel; Van Bussel et al., 2026) volledig, zonder vertraging en ecologisch optimaal wordt uitgevoerd. Daarbij is dus geen rekening gehouden met de te lage realisatiesnelheid waarover in de elfde Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk 33576, nr. 472) is gerapporteerd.
Bron: Planbureau voor de Leefomgeving clo.nl/nl1606
Toelichting
Om de potentiële effecten van het beleid te laten zien, gebruikt het Planbureau van de Leefomgeving (PBL) de indicator ‘Condities voor het doelbereik van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) van landnatuur’. Deze indicator wordt modelmatig berekend door het effect in te schatten van de stikstofdepositie, grondwaterstand, zuurgraad van de bodem en ruimtelijke condities (omvang en inrichting Natuurnetwerk Nederland) op de mogelijkheden voor duurzame instandhouding van VHR-soorten.
Het getal van 50,7% condities op orde voor VHR-doelbereik in 2024 betekent dat er naar schatting voor 50,7% van de VHR-soorten op land een duurzame instandhouding bereikt kan worden op basis van de bekeken condities. De berekende condities zijn in de periode 2015-2024 voorzichtig verbeterd.
Analyses met het model geven geen feitelijke veranderingen in de natuur buiten weer (het is geen monitoring), maar geven slechts een inschatting of VHR-soorten naar verwachting landelijk gezien duurzaam kunnen voorkomen op basis van de (eveneens ingeschatte) ruimte- en milieucondities. De indicator wordt daarom gebruikt om een landelijk beeld te schetsen in hoeverre voorgenomen beleidsmaatregelen de condities kunnen verbeteren bij optimale uitvoering van beleid, en hoe groot het gat naar 100% condities op orde dan nog is. De indicator wordt niet gebruikt bij vergunningverlening of om de staat van instandhouding van de natuur te bepalen en te rapporteren naar Europa. Het model omvat een beperkt aantal soorten (broedvogels, vaatplanten, dagvlinders) en niet alle beschermde VHR-soorten en habitattypen.
In deze modelberekening zijn actuele (meet)gegevens van het RIVM en de provincies gebruikt over stikstofdepositie, natuurinrichting en -uitbreiding. Actuele bodem- en grondwatercondities konden niet worden gebruikt door onvoldoende monitoring op dit vlak. De toename in condities voor VHR-doelbereik sinds 2015 komt vooral voort uit de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland door aankoop en inrichting van nieuwe natuur.
De indicator wordt door het PBL tweejaarlijks berekend in het kader van de evaluatie van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering. De hierboven gepresenteerde informatie komt uit de laatste rapportage.
Figuur 9 Fauna van land en zoetwater/moeras

Index (1990=100)
Bron: Netwerk Ecologische Monitoring (NEM)(Soortenorganisaties, CBS) clo.nl/nl1569, clo.nl/nl1577, clo.nl/nl1579
Figuur 10 Fauna per leefgebied in zoetwater/moeras

Index (1990=100); Vennen en hoogvenen: Index (1999=100)
Bron: NEM (Soortenorganisaties, CBS) clo.nl/nl1577
Figuur 11 Fauna per leefgebied op land

Index (1990=100); Vogels in stedelijk gebied: Index (2007=100)
Bron: NEM (Soortenorganisaties, CBS) clo.nl/nl1162, clo.nl/nl1586, clo.nl/nl1580, clo.nl/nl1585
Toelichting
Sinds 1990 is de populatieomvang van zoetwater- en moerassoorten sterk toegenomen. Dit is mede een gevolg van een sterk verbeterde waterkwaliteit, met name dankzij verbeterde rioolwaterzuiveringen en afname van meststoffen in het water. Ook zijn er natuurherstelmaatregelen genomen en is de oppervlakte moeras uitgebreid. Tenslotte zijn er relatief veel soorten die profiteren van de klimaatverandering en flink in aantal of verspreiding zijn toegenomen. Vooral populaties van broedvogels zijn toegenomen. Ook soorten die niet gebonden zijn aan één type leefgebied gaan gemiddeld vooruit.
Dit heeft ook een keerzijde: soorten die gevoelig zijn voor droogte of hittestress namen de laatste jaren juist af. Zo zijn soorten die kenmerkend zijn voor vennen en hoogvenen (inclusief natte heide) sinds 2010 bijna gehalveerd na een aanvankelijke stijging.
Voor de afname van de populatieomvang van landsoorten is onder meer een aantal soorten van open natuurgebieden (heide, duinen, schrale graslanden) verantwoordelijk. De hoge stikstofdepositie speelt bij die afname een belangrijke rol, naast verdroging, verminderde dynamiek en versnippering van leefgebieden.
Soorten van het agrarisch gebied zijn gemiddeld aanzienlijk afgenomen, zoals grutto en kievit. De soorten blijven de afgelopen twaalf jaar dalen. Een waaier aan oorzaken is hiervoor verantwoordelijk, waaronder intensivering van het agrarisch gebruik. Bossoorten daarentegen zijn gemiddeld juist iets toegenomen sinds 2000. Dit heeft vooral te maken met het ouder en gevarieerder worden van de bossen.
De trend van vogelsoorten in stedelijk gebied daalt licht. De daling betreft vooral soorten van parken, struwelen en open groen. Watervogels en de slechtvalk gaan juist vooruit.
Doelstelling 8: Streven naar een duurzame en economisch rendabele visserijsector
Mate van duurzame bevissing (bron: Wageningen University & Research report C045/20) | |||
|---|---|---|---|
Omschrijving | Basis- of Referentiewaarde en jaar | Huidige waarde en jaar | Streefwaarde en jaar |
Het percentage duurzaam bevist, van de door Nederlandse vissers gericht beviste bestanden. | Basiswaarde 2024 per vlootsegment:Pelagisch: 1,47Grootschalige boomkor: 0,36 | De laatst bekende waarde is 2024 | 1 (of lager) |
Toelichting
Voor het beoordelen of de Nederlandse vissersvloot afhankelijk is van overbeviste visbestanden en/of een biologisch risico vormt voor uitgeputte visbestanden wordt gebruik gemaakt van de duurzame oogst indicator. Indien deze indicator onder of gelijk is aan 1 is de oogst van het bestand in balans.
Doelstelling 9: Borgen en benutten van een kwalitatief hoogwaardige kennis- en innovatie- en onderzoeksinfrastructuur
Klanttevredenheid uitgevoerd onderzoek WR en Kennisbenutting uitgevoerd onderzoek WR (bron: Wageningen Research) | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Raming 2023 | Realisatie 2023 | Raming 2024 | Realisatie 2024 | Raming 2025 | Realisatie 2025 | Raming 2026 | Streefwaarde | Planning |
Klanttevredenheid | 8,6 | 2020 | 8,5 | 8,8 | 8,5 | 8,7 | 8,5 | 8,9 | 8,5 | 8 | 2030 |
Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties | 93% | 2020 | >90% | 92% | >90% | 93% | >90% | 95% | >90% | >80% | 2030 |
Percentage innoverende agrarische bedrijven (bron: WSER) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Indicator | Referentiewaarde | Peildatum | Realisatie 2020 | Realisatie 2021 | Realisatie 2022 | Realisatie 2023 | Realisatie 2024 | Streefwaarde |
Percentage innoverende agrarische bedrijven | 8% | 2017 | 8,90% | 5,30% | 9,10% | 9,80% | 10% | 10% |
Toelichting
1. Tabel Klanttevredenheid en kennisbenutting
In 2015 zijn alle Toegepast Onderzoek Organisaties (TO2-instituten) (waaronder Wageningen Research (WR)) overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klant tevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabel tonen de gerealiseerde waarden.
2. Tabel Innoverende agrarische bedrijven
Dit geeft het percentage van de bedrijven weer dat product- of proces in novaties heeft doorgevoerd. Het gaat hierbij zowel om bedrijven die als eerste bedrijf iets nieuws hebben doorgevoerd als om innovatieve volgers (vroege volgers).
3. Impact missiegedreven innovaties voor landbouw, water en voedsel
LVVN werkt aan een monitorings-meting en evalueert de Kennis en Innovatie Agenda Landbouw Water Voedsel (KIA LWV) op input en output.
Input: we monitoren het aantal projecten en budget per jaar.
Output: om te kwantificeren ontwikkelen we een set kern-kpi’s van de publiek-private samenwerkingsprojecten (PPS-projecten) zoals type partners (kennisinstelling, mkb en grote bedrijven), verhouding tussen publieke en private financiering.
Outcome: kern-kpi’s worden ontwikkeld zoals het aantal nieuwe of verbeterde producten/processen/diensten.
Bijlage 6: Europese geldstromen
Inleiding
Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen die relevant zijn voor de beleidsterreinen van LVVN. Er wordt ingegaan op de uitvoering van het GLB voor de periode 2023-2027 conform het vastgestelde Meerjarig Financieel Kader.
Meerjarig Financieel Kader
Op 21 juli 2020 bereikte de Europese Raad overeenstemming over het MFK voor de periode 2021 ‒ 2027. Het akkoord betekent voor Nederland een totale bijdrage vanuit de Europese Commissie (EC) van € 5,6 mld. (ELGF: € 4,2 mld.; ELFPO: € 1,4 mld.; EMFAF: € 139 mln.).
De Europese Commissie heeft op 16 juli 2025 haar voorstel voor het volgende MFK gepubliceerd. In aanloop naar het nieuwe MFK werkt het ministerie van LVVN nauw samen met de andere departementen om de gezamenlijke Nederlandse inzet te bepalen.
De verschillende EU-programma’s en EU-fondsen
Voor de uitvoering in gedeeld beheer van het Europees beleid worden vanuit de Europese Commissie eisen gesteld aan de uitvoering door de lidstaten. Deze eisen zijn vastgelegd in EU-Verordeningen en zijn uitgewerkt in Gedelegeerde- en Uitvoeringshandelingen en bijbehorende richtsnoeren. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de geharmoniseerde en eenduidige uitvoering van het EU-beleid.
Voor de uitvoering van het EU-beleid stelt de Europese Commissie een aantal Europese fondsen aan de lidstaten beschikbaar. Voor LVVN zijn de volgende EU-fondsen relevant:
– 1.Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) eerste pijler: het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF);
– 2.Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) tweede pijler: het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);
– 3.Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): het European Maritime, Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF).
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)
Binnen het GLB zijn twee pijlers te onderscheiden. De eerste pijler bestaat uit inkomenssteun aan landbouwers en markt- en prijsbeleid. Met behulp van de basisinkomenssteun (BISS) richt deze pijler zich op het stabiliseren van landbouwinkomens en door middel van de eco-regeling wordt ingezet op een verduurzaming van de sector. De herverdelende inkomenssteun (CRISS) is een aanvullende subsidie die bedoeld is om kleinere en middelgrote landbouwbedrijven te steunen. De tweede pijler betreft het plattelandsbeleid. Financieringsinstrumenten uit deze pijler leveren een bijdrage aan de meeste EU-prioriteiten op het gebied van plattelandsontwikkeling waaronder kennisoverdracht en het bevorderen van de concurrentiepositie van de landbouw. Verder richt het zich op de kwaliteit en, via een vergrote inspanning, verduurzaming van alle plattelandsgebieden in de EU.
Nederland heeft op basis van de GLB-verordeningen een Nationaal Strategisch Plan (NSP) opgesteld, waarmee uitvoering wordt gegeven aan het GLB voor de periode 2023-2027.
1. GLB pijler 1: het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)
Hieronder volgen de belangrijkste maatregelen van het Europese Landbouw garantiefonds (ELGF):
1a. Inkomenssteun voor boeren
Er geldt een vaste hectarebetaling als basisinkomenssteun die voor iedere landbouwer gelijk is. Voor alle hectarebetalingen moeten landbouwers voldoen aan de conditionaliteiten: randvoorwaarden waaraan de landbouwers moeten voldoen om in aanmerking te komen voor grondgebonden toeslagen (BISS, CRISS, eco-regeling en ANLb), de zogenaamde ‘base line’. De voorwaarden hebben betrekking op leefomgeving, klimaat, volksgezondheid, dier- en plantgezondheid en dierenwelzijn. Naast de basisinkomenssteun is er ter ondersteuning van de kleinere landbouwbedrijven de herverdelingssteun, waarbij alle landbouwers voor de eerste 40 hectaren een extra premie ontvangen. De Eco-regeling is een instrument dat doelgerichte betalingen voor inspanningen op het terrein van biodiversiteit, klimaat, bodem en lucht, water en landschap mogelijk maakt. Hiermee worden landbouwers gestimuleerd te investeren in een duurzame landbouw. In de periode 2023-2027 zal de basisinkomenssteun geleidelijk worden afgebouwd ten gunste van duurzaamheidsmaatregelen in de tweede pijler, door overheveling van budget uit de eerste pijler.
1b. Aanvullende inkomenssteun voor jonge boeren
De aanvullende inkomenssteun voor jonge boeren zal de komende jaren worden uitgefaseerd door deze alleen nog uit te betalen aan jonge boeren die in de vorige GLB-periode (2014-2022) een aanvraag hiervoor hebben gedaan en nog niet de volle vijfjaarsperiode hebben benut. In het huidige GLB is steun aan jonge boeren ondergebracht in de tweede pijler. Zie verder hieronder in de paragraaf over ELFPO.
1c. Markt- en prijsbeleid
Met de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten wordt beoogd een gelijk speelveld voor de landbouw in de EU te realiseren. Nederland meent dat marktoriëntatie het uitgangspunt moet zijn voor het realiseren van de doelen van het GLB, zoals het bevorderen van het optimale gebruik van productiefactoren, verwerven van een redelijk inkomen door landbouwers, en verzekeren van redelijke prijzen voor consumenten. In de Gemeenschappelijk Marktordening (GMO-)verordening (Vo. 1308/2013) is een vangnet voorzien voor landbouwmarkten bestaande uit marktondersteunende instrumenten (bv. openbare interventie en steun voor particuliere opslag), uitzonderlijke crisismaatregelen en steun aan bepaalde sectoren. Voorafgaand aan een jaar is niet te zeggen of en zo ja hoeveel steun zal worden gegeven aan marktondersteunende en crisismaatregelen aangezien deze onvoorspelbaar zijn. Voor Nederland is voorts de financiering van zogenaamde operationele programma’s van producentenorganisaties in de groente- en fruitsector relevant. Een ander relevant voorbeeld betreft het bijenprogramma. Van belang voor Nederland is ook de steun die op grond van de GMO-verordening wordt gegeven voor het Europese programma voor schoolmelk en -groente en -fruit.
In het algemeen geldt dat subsidies in het kader van EU markt- en prijsbeleid, net als in het geval van directe betalingen, uitsluitend EU-middelen betreffen en er dus geen nationale middelen bij betrokken zijn. De schoolregeling wordt wel (waar nodig) met nationale middelen aangevuld om meer scholen te kunnen laten deelnemen. Nederland draagt voorts de nationale uitvoeringskosten voor deze subsidies. Uitzondering hierop is het bijenprogramma. Hiervoor geldt 50% nationale cofinanciering.
2. GLB pijler 2: Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)
Vanaf 1 januari 2023 maakt het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) integraal onderdeel uit van het Nationaal Strategisch Plan (GLB-NSP), dat samen met de provincies wordt uitgevoerd. Het programma bestaat uit de volgende interventies: Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb), Productieve investeringen voor bedrijfsmodernisering op landbouwbedrijven, Niet-productieve investeringen voor landbouwbedrijven, Niet-productieve investeringen voor niet-landbouwbedrijven, Kennisverspreiding en informatie, Brede weersverzekering, Samenwerking voor gebiedsgerichte aanpak, Zeldzame Huisdierrassen, Veenweide, samenwerking voor generatievernieuwing, innovatie (EIP) en het versterken van het landelijk gebied (LEADER). De interventie Vestigingssteun jonge landbouwers en de interventie samenwerking voor generatievernieuwing zijn onder andere nieuw binnen het GLB-NSP. Met vestigingssteun wordt steun verleend aan een jonge landbouwer bij de start of overname van een bedrijf. Deze steun komt in de plaats van de aanvullende steun onder de eerste pijler van het GLB.
Anders dan onder het POP3- en POP3+-programma is de EU-bijdrage verlaagd van 50% naar 43%. De nationale cofinanciering is daarmee verhoogd naar 57%. Daarbij worden ook een aantal interventies onder (gedeelde) verantwoordelijkheid van de provincies uitgevoerd, die deze interventies ook van een (verplicht) co-financiering of top-up voorzien.
3. Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): European Maritime, Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF)
Het GVB is gericht op de ontwikkeling van een duurzame en verantwoorde visserijketen, met als doel een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visbestanden te waarborgen. Daartoe zijn op Europees niveau afspraken gemaakt en regelgeving vastgesteld, waaronder beperkingen op bepaalde visserijmethoden. Daarnaast omvat het GVB-afspraken over controle en handhaving, de verzameling van visserijgegevens (datacollectie) en maatregelen ter bevordering van een stabiele en goed functionerende vismarkt.
Ontwikkelingen EMFAF
Met het EMFAF ondersteunt Nederland de uitvoering van de doelstellingen onder het GVB en in mindere mate het Europees Geïntegreerd Maritiem Beleid (GMB) (IenW). Het fonds loopt van 2021 tot en met 2027. Het EMFAF-programma is bedoeld voor de (middel)lange termijn en maakt financiële middelen beschikbaar om de uitdagingen voor deze periode aan te gaan. De hoofddoelen van het Nederlandse programma zijn:
– Het verder verduurzamen van de visserijvloot door innovatie;
– Rendementsverbetering en verduurzaming van de aquacultuurproductie en de verwerkende keten;
– Een bijdrage leveren aan natuuronderzoek, natuurherstel en biodiversiteitsbehoud;
– Ervoor zorgen dat Nederland haar verplichtingen uit het GVB op het gebied van datacollectie en controle en handhaving nakomt.
Het EMFAF is inmiddels al ingezet voor een investeringsregeling voor de aanschaf van Mosselzaadinvanginstallaties (MZI’s), een investeringsregeling voor de aanschaf van een SCR-katalysator voor de garnalenvloot, een investeringsregeling voor de aanschaf van een blackbox-systeem voor de garnalenvisserij, innovatieregelingen voor visserij, aquacultuur en keten en een steunmaatregel onder het EMFAF-crisismechanisme. In 2027 is een brede investeringsregeling voor de aanschaf van controlemaatregelen zoals sensor- en camerasystemen aan boord voorzien. Daarnaast is er geld voor overheidsopdrachten, zoals datacollectie en controle, de uitzet van glas- en pootaal, fully documented fisheries en fishing for litter.
Financieel overzicht EMFAF
In 2022 is het EMFAF-programma goedgekeurd. De verdeling van de kosten van dit programma tussen overheid en begunstigden bedraagt in de meeste gevallen 50–50. Van het overheidsdeel komt gemiddeld 70% uit het EMFAF, de resterende 30% is nationale cofinanciering. Het daadwerkelijke kasritme van het EMFAF wordt ingegeven door het moment waarop Nederland uitgaven bij de EU declareert.
Bijlage 7: Afkortingenoverzicht
Afkorting | Betekenis |
|---|---|
ABBA | Algemene Beginselen Behoorlijk Afwegen |
ABD | Algemene Bestuursdienst |
AC | Audit Committee |
ACM | Autoriteit Consument en Markt |
ACOI | Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding |
ADR | Auditdienst Rijk |
AI | Aviaire Influenza |
AKIS | Agrarisch Kennis- en Innovatiesysteem |
AMR | Antimicrobiële Resistentie |
AMvB | Algemene Maatregel van Bestuur |
ANB | Agrarisch Natuurbeeher |
ANLb | Agrarisch natuur en landschapsbeheer |
AO | Algemeen Overleg |
AP | Actieprogramma |
APB | Algemene Politieke Beschouwingen |
APR | Annual Performance Review |
AR | Algemene Rekenkamer |
ASB | Assurantiebelasting |
ATCM | Antarctic Treaty Consultative Meeting |
AVG | Algemene Verordening Gegevensbescherming |
AVP | Afrikaanse Varkenspest |
BAR | Brexit Adjustment Reserve |
BAS | Bedrijfsadviseringssysteem |
BAW | Beheerautoriteit Waddenzee |
BBL | Bureau Beheer Landbouwgronden |
BBT | Beste Beschikbare Technieken |
BD | Besmettelijke Dierziekten |
BEC | Beleidskwaliteit en -Evaluatiecommissie |
BES | Bonaire, Sint Eustatius, Saba |
BHOS | Ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingsamenwerking |
BIN | Bedrijven Informatie Netwerk |
BISS | Basisinkomenssteun |
BKD | Bloembollenkeuringsdienst |
BL | Borgstelling MKB Landbouwkredieten |
BLV | Borgstelling Landbouw en Visserijkredieten |
BMKB | Borgstelling MKB Kredieten |
BNC | Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen |
BNP | Bruto Nationaal Product |
BO | Beleidsondersteunend Onderzoek |
BPF | Bioprocess Pilot Facility |
BSE | Bovine Spongiforum Encephalopathy |
BT | Blauwtong |
BTW | Belasting toegevoegde waarde |
BVA | Beveiligingsautoriteit |
BVD | Bovine Virus Diarree |
BVP | Bedrijfsvoeringparagraaf |
BZ | Ministerie van Buitenlandse Zaken |
BZK | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties |
CA | Cellulaire Agricultuur |
CBD | Convention on Biological Diversity |
CBPP | Contagieuze Bovine Pleuropneumonie |
CBS | Centraal Bureau voor Statistiek |
CCAMLR | Convention for the Conservation of Antarctic Marine Living Resources |
CCD | Centrale Commissie Dierproeven |
CD | Commissiedebat |
CDM | Commissie van Deskundigen Meststoffenwet |
CER | Critical Entities Resilience Directive |
CFS | Committee on World Food Security |
CGR | Global Research Alliance |
CIBBRiNA | Coordinated Development and Implementation of Best Practice in Bycatch Reduction in the North Atlanctic, Baltic and Mediterranean regions |
CIBG | Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondsheidszorg |
CIO | Chief Innovation Officer |
CITES | Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Flora and Fauna |
CJIB | Centraal Jusititieel Incassobureau |
CMS | Convention on the Conservation of Migratory Species of Wild Animals |
COGEM | Commissie Genetische Modificatie |
COKZ | Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel |
CPBT | Centrum voor Proefdiervrije Biomedische Translatie |
CRa | College van Rijksbouwmeesters en Rijksadviseurs |
CTGB | College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en biociden |
CVO | Centrum voor Visserij Onderzoek |
CW | Comptabiliteitswet |
DAW | Deltaplan Agrarisch Waterbeheer |
DBE | Duurzame Blauwe Economie |
DD | DuurzaamDoor |
DG | Directoraat-Generaal |
DGF | Diergezondheidsfonds |
DICTU | Dienst ICT Uitvoering |
DJI | Dienst Justitiele Inrichtingen |
DLO | Dienst Landbouwkunding Onderzoek |
DNB | De Nederlandse Bank |
DPC | Dienst Publiek en Communicatie |
DUTO | Duurzaam toegankelijke overheidsinformatie |
EA | Ecologische Autoriteit |
EB | Energiebelasting |
EC | Europese Commissie |
EFMZV | Europees Fonds voor Maritieme Zaken |
EFSA | Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid |
EG | Energie-efficiëntie glastuinbouw (voorheen EHG) |
EGB | Extern Geoormerkt Budget |
EHG | Energie-efficiëntie en hernieuwbare energie glastuinbouw |
EHS | Ecologische Hoofdstructuur |
EI | Economische Informatievoorziening |
EIP | Europees Innovatie Partnerschap |
EK | Eerste Kamer der Staten-Generaal |
ELFPO | Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling |
ELGF | Europees Landbouwgarantiefonds |
EMA | European Medicines Agency |
EMFAF | European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund |
ERK | Europese Rekenkamer |
ESR | Effort Sharing Regulation |
ESTEC | European Space Research and Technology Centre |
ETS2 | Emissions Trading System 2 |
EU | Europese Unie |
EZK | Ministerie van Economische Zaken en Klimaat |
FAO | Food and Agriculture Organization of the United Nations |
FEZ | Directie Financieel Economische Zaken |
FLEGT | Forest Law Enforcement, Governance and Trade |
FTO | Faciliteitein Toegepast Onderzoek |
GB | Genetische Bronnen |
GBCS | Geïntegreerd beheers- en controlesysteem |
GBDA | Groenblauwe Dooradering |
GD | Gezondheidsdienst voor Dieren |
GFRA | Global Forest Resources Assessment |
GGD | Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst |
GK | Grondkamers |
GKN | Groen Kennisnet |
GL | Garantieregeling Landbouw |
GLB | Gemeenschappelijk Landbouwbeleid |
GMB | Europees Geïntegreerd Maritiem Beleid |
GMI | Garantstelling Marktintroductie Innovaties |
GMO | Gemeenschappelijke Marktordening |
GRI | Global Reporting Initiative |
GVB | Gemeenschappelijk Visserijbeleid |
GWD | Gezondsheids-en welzijnswet voor dieren |
HACCP | Hazard Analysis and Critical Control Points |
HBO | Hoger Beroeps Onderwijs |
HCU | High Containment Unit |
HEHW | Tijdelijke subsidieregeling hernieuwbare warmteprojecten |
HGIS | Homogene Groep Internationale Samenwerking |
HLA | Hoofdlijnakkoord |
HMB | Holomicrobioom |
HPAI | hoogpathogene vogelgriep |
HVP | Herstel- en Veerkrachtplan |
IBG | Inbeslaggenomen goederen |
IBO | Interdepartementaal Beleidsonderzoek |
IBP | Interbestuurlijk Programma |
ICT | Informatie- en communicatietechnologie |
IDL | Investeringsfonds Duurzame Landbouw |
IenW | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat |
IHH | Informatiehuishouding |
IKB | Individueel Keuzebudget |
ILG | Investeringsbudget Landelijk Gebied |
IPBES | Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten |
IPO | Interprovinciaal Overleg |
ISB | Incidentele Suppletoire Begroting |
IUC | Inkoop Uitvoering Centrum |
IUCN | International Union for Conservation of Nature and Natural Resources |
JAMRAI | Joint Action on Antimicrobial Resistance and Healthcare-Associated Infections |
JLE | Jong Leren Eten |
JOGG | Jongeren Op Gezond Gewicht |
JPI | Joint Programming Initiatives |
KCB | Kwaliteits-Controle-Bureau |
KDS | Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector |
KDW | Kritische Depositiewaarde |
KEV | Klimaat en Energieverkenning |
KF | Klimaatfonds |
KGG | Ministerie van Klimaat en Groene Groei |
KIA | Kennis- en Innovatie Agenda |
KIC | Kennis- en Innovatieconvenant |
KM-GBF | Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework |
KPI | Kritische Prestatie-indicatoren |
KRM | Kaderrichtlijn Mariene Strategie |
KRW | Kaderrichtlijn Water |
KVP | Klassieke Varkenspest |
LAN | Landbouwraden Netwerk |
LBI | Louis Bolk Instituut |
LBV | Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties |
LBV-plus | Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting |
LEI | Landbouw-Economisch Instituut |
LETLG | Lerende Evaluatie van de Transitie Landelijk Gebied |
LICG | Landelijk informatiecentrum gezelschapdieren |
LID | Landelijke inspectiedienst dierenbescherming |
LIW | Landelijk Informatiepunt Wolf |
LMM | Landelijk Meetnet Mestbeleid |
LNS | Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof |
LSD | Lumpy Skin Disease |
LVR | Landbouw- en Visserijraad |
LVVN | Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur |
LWV | Landbouw, water, voedsel |
MAX | Maximaal |
MBO | Middelbaar beroepsonderwijs |
MC | Monitorcommissie |
MEI | Marktintroductie energie-innovaties |
MFIN | Minister van Financiën |
MFK | Meerjarig Financieel Kader |
MFL | Multifunctionele Landbouw |
MGA | Maatregel Gerichte Aankoop |
MGB | Maatregel Gerichte Beëindiging |
MKB | Midden- en kleinbedrijf |
MKMD | Meer Kenis met Minder Dieren |
MKZ | Mond-en-klauwzeer |
MMIP | Meerjarige Missiegedreven Innovatie Programma |
MVO | Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen |
MVWS | Minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
MZI | Mosselzaadinvanginstallaties |
MZS | Minister voor Medische Zorg en Sport |
NAJK | Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt |
NAM | Nederlandse Aardolie Maatschappij |
NBI | Nederlandse Bos Inventarisatie |
NBSAP | Nationaal Biodiversiteit Strategie- en Actieplan |
NCD | Newcastle Disease |
NDFF | Nationale Databank Flora en Fauna |
NEM | Netwerk Ecologische Monitoring |
NES | Nationale Eiwitstrategie |
NGB | Nationale Grondbank |
NGF | Nationaal Groeifonds |
NGO | Niet-gouvernementele organisatie |
NHV | EU-Natuurherstel Verordening |
NIPO | Nederlands Instituut voor Publieke Opinie |
NKS | Nationaal Kennisprogramma Stikstof |
NMBP | Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland |
NNBW | Nationaal Netwerk Brede Welvaart |
NNN | Natuurnetwerk Nederland |
NOBV | Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden |
NOF | Programma Natuuroffensief |
NOVI | Nationale Omgevingsvisie |
NPL | Nationaal Programma Landbouwbodems |
NPLG | Nationaal Programma Landelijk Gebied |
NPPL | Nationale Proeftuin Precisielandbouw |
NRPP | Nationaal Regionaal Partnerschapsplan |
NSP | Nationaal Strategisch Plan |
NVIC | Nederlands Veterinair Incident- en Crisiscentrum |
NVWA | Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit |
NWO | Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek |
OBN | Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit |
OBUR | Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeften |
OCR | Official Controls Regulation |
OCW | Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
ODA | Officieel erkende financiering ontwikkelingssamenwerking |
ODI | Rijksorganisatie voor Ontwikkeling, Digitalisering en Innovatie |
OESO | Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling |
OIE | Office international des Épizooties |
OLAF | antifraude-DG van de Europese Commissie |
OM | Openbaar Ministerie |
OTO | Opdrachttevredenheidsonderzoken |
OVB | Overdrachtsbelasting |
OVK | ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven |
PAGW | Programmatische Aanpak Grote Wateren |
PAS | Programma Aanpak Stikstof |
PAWOZ | Programma Aansluiting Wind Op Zee |
PBL | Planbureau voor de Leefomgeving |
PBO | Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie |
PGW | Plantgezondsheidswet |
PIA | Programma Internationale Agroketens |
PIT | Programma Informatiehuishouding van de Toekomst |
PLOOI | Platform Open Overheidsinformatie |
POK | Parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslagen |
POP | Plattelandsontwikkelingsprogramma |
POV | Producentenorganisatie Varkenshouderij |
PPLG | Provinciale Programma’s Landelijk Gebied |
PPO | Publiek Private Organisatie |
PPS | Publiek-private samenwerking |
PRRS | Porcine reproductive and respiratory syndrome virus |
PSAN | Provinciale Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer |
PSN | Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering |
RBV | Rijksbegrotingsvoorschriften |
RCE | Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed |
RDI | Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, voorheen Agentschap Telecom |
RIVM | Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu |
RLN | Ruimte voor Landbouw en Natuur |
RKO | Rekenkundige Ondergrens |
RPE | Rijksbrede Programma Evaluatieonderzoek |
RVB | Rijksvastgoedbedrijf |
RVDM | Realtime Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen |
RVO | Rijksdienst voor Ondernemend Nederland |
RWS | Rijkswaterstaat |
RWT | Rechtspersonen met een Wettelijke taak |
SBB | Staatsbosbeheer |
SBO | Strategisch Belangrijke Onderzoeksprogramma's |
SDA | Stichting Diergeneesmiddelen Autoriteit |
SDG | Sustainable Development Goal |
SEA | Strategische Evaluatie Agenda |
SEB | Programma Schoon en Emissieloos Bouwen |
SEIA | Sociaal Economische Impact Analyse |
SER | Sociaal Economische Raad |
SG | Secretaris-Generaal |
SKAL | Skal Biocontrole, voorheen Stichting Keur Alternatief voorgebrachte Landbouwproducten |
SMV | Stimuleringsregeling Managementmaatregelen Veehouderij voor emissiereductie |
SNL | Subsidieregeling Natuur en Landschapsbeheer |
SPUK | Specifieke Uitkering |
SREL | subsidieregeling experimenteerlocaties |
SRL | Social Readiness Level |
SRV | Saneringsregeling Varkenshouderij |
SSC | Shares Service Center-ICT |
SSO | Shared Service Organisatie |
SSRS | Stikstofregistratiesysteem (Rijksbank) |
STV | Samen Tegen Voedselverspilling |
SVD | Swine Vesicular Disease (Blaasjesziekte) |
SWIG | Subsidieregeling Warmte-infrastructuur Glastuinbouw |
SZW | Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid |
TK | Tweede Kamer der Staten-Generaal |
TMD | Tijdelijke Maatregel Dieren |
TO2 | Toegepast Onderzoeks Organisaties |
TPI | Transitie Proefdiervrije Innovaties |
TRL | Technological Readiness Level |
TSE | Transmissible Spongiform Encephalopathies |
TWT | Tijdelijke Wet Transitiefonds landelijk gebied en natuur |
UAPB | Uitvoering Aanpak Piekbelasters |
UBR | Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk |
UNEP | United Nations Environment Programme |
UNESCO | United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization |
UNFCCC | United Nations Framework Convention on Climate Change |
VAMIL | Regeling Vervroegde Afschrijving Milieu-investeringen |
VBNE | Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren |
VGI | Voedings- en genotmiddelenindustrie |
VHR | Vogel- en Habitatrichtlijn |
VIN | Visserij Innovatie Netwerk |
VIP | Veenweiden Innovatieproramma |
VKO | Vereenvoudigde Kosten Opties |
VN | Verenigde Naties |
VNG | Vereniging Nederlandse Gemeenten |
VO | Visserijonderzoek |
VOP | Visserij Ontwikkel Plan |
VRN | Voortgangsrapportage Natuur |
VRO | Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening |
VV | Voedselveiligheid |
VVK | Vermogens Versterkend Krediet |
VVM | Verbeterprogramma VHR-Monitoring |
VWS | Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
WAU | Werk aan Uitvoering |
WBVR | Wageningen Bioveterinary Research |
WEcR | Wageningen Economic Research |
WFBR | Wageningen Food & Biobased Research |
WGB | Wet Gewasbeschermingsmiddelen en biociden |
WGO | Wetgevingsoverleg |
WMR | Wageningen Marine Research |
WNB | Wet Natuurbescherming |
WNT | Wet Normering Topinkomens |
WOAH | World Organisation for Animal Health |
WOT | Wettelijke onderzoekstaken |
WOZ | Wind Op Zee |
WR | Wageningen Research |
WRR | Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid |
WUR | Wageningen University & Research |
ZBO | Zelfstandig Bestuursorgaan |