Er zijn geen eenduidige oprichtingsmotieven voor het oprichten van een stichting of vereniging. Het oprichten van een stichting is namelijk per definitie een uitzonderingsgeval. Uit ervaring blijkt wel dat er in bepaalde situaties snel aan een stichtingsvorm gedacht wordt – wat niet wil zeggen dat een stichtingsvorm ook passend is. Hieronder worden deze situaties nader gespecificeerd.
Publiek-private samenwerking
In de private sector is het relatief gebruikelijk om samenwerking tussen verschillende partijen vorm te geven in een nieuwe rechtspersoon – vaak vanuit de wens om op gelijkwaardige basis deel te nemen aan het rechtsverkeer. De stichtingsvorm komt daarom soms op in gedachtenvormig over samenwerking met, of het aanzetten van samenwerking tussen, private partijen. Het is daarom goed om te begrijpen waarom er alleen bij uitzondering, wanneer alle overwegingen uit het Stichtingenkader zijn doorlopen en er geen alternatief is, de mogelijkheid van een stichting in beeld komt. Het is belangrijk om doordrongen te zijn van het feit dat de logica uit de private sector (waarbij een stichting sneller voor de hand ligt) heel anders is dan die van de publieke sector (met een “nee tenzij”-beleid); dit om te voorkomen dat gesprekken over van rijkswege (aanzetten tot) samenwerking met (of tussen) private partijen in een stichtingsvorm in een vergevorderd stadium komen terwijl dat in praktijk geen reële route is.
Aandachtspunten
Als er echt geen andere optie is dan de stichtingsvorm, is het belangrijk bij een publiek-private samenwerking om in ieder geval extra aandacht te hebben voor:
Bij samenwerking met, en het toebedelen van publieke taken aan private samenwerkingsverbanden, moet er extra aandacht zijn voor staatssteunregels.
Wanneer de partijen gelijkwaardig willen samenwerken moet dat ook tot uiting komen in de financiële en statutaire verantwoordelijkheden.
Bij overheidsopdrachten van de Staat aan de op te richten stichting zijn in beginsel de aanbestedingsregels van toepassing.