Base description which applies to whole site

ARTIKEL 14. CULTUUR

14.1 Algemene doelstelling: een bloeiend cultureel leven

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De minister van OCW is belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid.

Om deze algemene doelstelling te bereiken zet de minister van OCW zich in voor een stelsel van onderling samenhangende wetten en regels, geldstromen en voorzieningen. Voor de periode 2009–2012 zijn de cultuursubsidies voor het eerst volgens een nieuwe systematiek verdeeld. In 2010 is deze systematiek extern geëvalueerd.

Een brede maatschappelijke deelname aan cultuur is een belangrijk uitgangspunt in het cultuurbeleid. Passief, als toeschouwer, en actief, als beoefenaar, worden zoveel mogelijk mensen betrokken bij culturele activiteiten. Om het maatschappelijk draagvlak van culturele instellingen te vergroten geldt met ingang van 2010 een eigen inkomstennorm van 17,5% voor instellingen in de basisinfrastructuur.

Externe factoren

Het Rijk levert een bijdrage via het in stand houden van de stelsels, gecombineerd met aanvullende beleidsinspanningen in de vorm van specifieke programma’s. Naast het Rijk spelen met name gemeenten een belangrijke rol (door financiering van accommodaties, ondersteuning amateurkunst en buitenschoolse kunsteducatie). Belangrijke externe factoren die van invloed zijn op de resultaten van het cultuurbeleid zijn de:

  • economische ontwikkeling (besteedbaar inkomen, beschikbare vrije tijd);

  • ontwikkeling van het gemiddelde opleidingsniveau;

  • condities voor creatieve bedrijvigheid (juridische en fiscale condities, omvang van de administratieve lasten);

  • ontwikkelingen in de internationale verhoudingen (internationale uitwisseling);

  • ontwikkelingen in de integratie- en inburgering van nieuwkomers;

  • inzet van decentrale overheden.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

In de onderstaande tabel staat de geïndexeerde ontwikkeling in de cultuurparticipatie (beoefening, kunstprogramma’s radio/tv, bezoek). Deze is gebaseerd op het percentage mensen dat minimaal één maal per jaar participeerde.

Tabel 14.1 Kengetallen
 

1983

1987

1995

2003

2007

Amateurkunst:

     

Zelf theater spelen

100

98

66

58

51

Zelf musiceren en/of zingen

100

102

96

95

97

Zelf beeldende kunst maken

100

97

72

85

79

Radio/tv:

     

Kunstprogramma’s radio/tv

100

114

100

99

89

Bezoek:

     

Cinema

100

93

101

118

116

Populaire muziek

100

113

138

172

185

Klassieke muziek

100

113

133

106

107

Cabaret

100

97

101

127

133

Ballet

100

124

99

115

113

Beroepstoneel

100

102

109

115

111

Toneel (inclusief uitvoeringen amateurtoneel)

100

102

110

111

118

Monumenten

100

103

100

104

104

Musea

100

111

98

107

115

Bron: Sociaal en Cultureel Planbureau (AVO 1979–2007), Cultuurminnaars en cultuurmijders, p. 93

Toelichting: het SCP voert dit onderzoek om de vier jaar uit. Aanvullende cijfers komen in 2011 beschikbaar.

Toelichting:

Ontwikkelingen in cultuurparticipatie zijn in belangrijke mate afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen die de (rijks)overheid in beperkte mate kan beïnvloeden. Van belang is de vaststelling dat de rijksoverheid met subsidies een klein deel van de «markt» beïnvloedt. Zo is het marktaandeel van het rijksgesubsidieerde aanbod in de Nederlandse schouwburgen 16% (VSCD, Podia 2008). Bovenstaande trendcijfers over de cultuurparticipatie zijn dan ook primair te beschouwen als kengetal. Voor het bezoek aan cultuuruitingen geldt dat de meeste genres groei vertonen, in het bijzonder bij de «populaire» genres als cabaret en populaire muziek. Bij enkele genres is een lichte daling zichtbaar. De cijfers wijzen op een teruggang van de actieve participatie (amateurkunst).

Tabel 14.2 Indicatoren

Indicator

Basiswaarde Gemiddelde 2005–2008

Realisatie 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

Percentage cultuurproducerende instellingen in basisinfrastructuur dat voldoet aan de eigen inkomsten-norm van minimaal 17,5%

85%

76%

85%

N.n.b.

Toelichting:

De basiswaarde 2005–2008 betreft het gemiddelde percentage van de instellingen die voldoen aan de eigen inkomstennorm van minimaal 17,5 %.

De gegevens 2010 zijn nog niet beschikbaar maar worden met de jaarrekeningen van de cultuurinstellingen in de loop van 2011 aangeleverd.

14.2 Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 14.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (Bedragen x € 1 000)
      

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2006

2007

2008

2009

2010

2010

2010

Verplichtingen

1 348 621

814 454

2 779 161

918 594

1 130 082

611 712

518 370

Waarvan garantieverplichtingen

831 300

375 373

253 465

432 305

767 539 1

  

Totale uitgaven

932 844

874 163

946 945

934 749

991 219

951 738

39 481

         

Programma-uitgaven

878 403

816 960

887 290

866 190

928 913

903 249

25 664

         

Bevorderen van de deelname van de burgers aan Cultuuruitingen

497 427

520 150

533 407

599 049

599 775

584 580

15 195

Cultuurnota 2009–2012 2

439 388

456 199

474 186

567 272

571 272

552 678

18 594

4 jarig

   

100 617

96 469

97 311

– 842

 

– producerend

   

75 155

69 785

69 949

– 164

 

– niet producerend

   

25 426

26 684

27 362

– 678

Langjarig

   

305 405

304 741

293 867

10 874

 

– producerend

   

273 953

268 527

264 910

3 617

 

waarvan Musea

   

153 258

156 953

150 802

6 151

 

– niet producerend

   

31 452

36 214

28 957

7 257

Fondsen

   

161 250

170 062

161 500

8 562

Verbreden inzet Cultuur

56 579

63 818

58 945

25 896

21 971

26 262

– 4 291

Internationaal Cultuurbeleid (HGIS)

1 460

133

276

5 881

6 532

5 640

892

         

Behoud en Beheer Cultureel Erfgoed

300 256

202 875

262 307

180 752

231 208

222 105

9 103

Archieven

22 994

23 549

25 924

27 213

27 618

26 222

1 396

Beelden voor de toekomst

0

12 546

25 578

24 551

46 896

23 468

23 428

 

waarvan FES

0

0

0

0

21 896

22 032

– 136

Musea: huisvesting

54 656

68 501

65 656

18 324

26 208

27 202

– 994

Musea (buiten de Cultuursubsidies 2009–2012)

6 906

8 323

8 017

15 736

18 325

19 143

– 818

Mooier Nederland

0

0

0

0

900

6 743

– 5 843

Monumenten

207 423

71 866

130 057

90 403

109 786

110 397

– 611

Archeologie

2 253

12 463

2 000

740

658

2 725

– 2 067

 

waarvan FES

    

0

1 750

– 1 750

Overige instrumenten

6 024

5 627

5 075

3 785

817

6 205

– 5 388

         

Bibliotheken

29 272

40 799

35 378

32 232

32 299

31 179

1 120

Subsidies

667

825

731

0

0

0

0

Bibliotheekvernieuwing

15 238

26 965

21 040

16 869

17 730

18 500

– 770

Leesvoorziening leesgehandicapten

13 367

13 009

13 607

13 463

11 589

9 679

1 910

Programma leesbevordering

0

0

0

1 900

2 980

3 000

– 20

         

Programmakosten overig

36 130

25 221

36 773

31 453

43 339

47 581

– 4 242

         

Nationaal Archief

15 318

27 915

19 425

22 704

22 292

17 804

4 488

waarvan Informatie op Orde (Archief-achterstanden)

     

500

 
         

Apparaatsuitgaven

54 441

57 203

59 655

68 559

62 306

48 489

13 817

Bestuursdepartement

10 955

10 760

10 423

10 740

9 534

9 131

403

Uitvoeringsdiensten

43 486

46 443

49 232

57 819

52 772

39 358

13 414

Ontvangsten

12 101

24 804

35 206

35 794

36 217

24 276

11 941

1

Het gaat hier met name om kredietgaranties/verzekeringen in de cultuursector. Hier moet gedacht worden aan een indemniteitsregeling voor kunstvoorwerpen die op uitleenbasis in een Nederlands museum zijn tentoongesteld.

2

Hier doet zich een definitiebreuk voor in de onderverdeling van de Cultuursubsidies m.i.v. 2009. Daarom zijn voor 2007 en 2008 alleen totalen vermeld.

Toelichting:

De realisatie van de uitgaven 2010 is € 39,5 miljoen hoger dan begroot. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn:

  • Cultuursubsidies: Verhoging van het budget met € 18,6 miljoen als gevolg van het verdelen van de middelen van de matchingsregeling, innovatieregeling en middelen cultuurprofijt.

  • Verbreden inzet Cultuur: Verlaging van het budget met € 4,3 miljoen als gevolg van een bijdrage aan de taakstelling op incidentele subsidies en dekking van afbouw Beelden voor de Toekomst.

  • Behoud en beheer Cultureel Erfgoed: Verlaging van het budget met per saldo € 14,3 miljoen, door onder andere:

    • Het budget van de monumentenzorg is voor economische stimuleringsmaatregelen verhoogd met € 24 miljoen;

    • verlaagd met € 19 miljoen voor een toevoeging aan het Provinciefonds voor restauratie monumenten;

    • verlaagd met € 11,5 miljoen voor o.a. toekenning van gelden aan de uitvoeringsdienst RCE voor Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed, Architectuur, Nieuwe Hollandse Waterlinie, digitalisering, archeologie en archieven.

  • Behoud en beheer Cultureel Erfgoed, Beelden voor de Toekomst: Verhoging van het budget met € 23,4 miljoen voor de afwikkeling van het project Beelden voor de Toekomst (Zie ook paragraaf 14.3.2.).

  • Programmakosten overig: Verlaging van het budget met € 4,1 miljoen waar onder toedeling van het budget matchingsregeling.

  • Nationaal Archief: Verhoging van het budget met € 4,5 miljoen voor o.a. het digitaal e-depot, gemeenschappelijk cultureel erfgoed, Suriname-archief en archiefachterstanden musea en NIOD-archieven.

  • Uitvoeringsdiensten: Verhoging van het budget met € 13,4 miljoen als gevolg van desaldering ontvangsten RCE voor uitvoeringskosten dienstverlening Nationaal Restauratiefonds en programma- en projectuitgaven, aanpassingen i.v.m. collectiebeheer en huisvesting ICN.

De realisatie van de ontvangsten is € 11,9 miljoen hoger dan geraamd door onder andere:

  • ontvangsten uit afrekeningen en opgelegde sancties Basis Infrastructuur voor € 1,8 miljoen;

  • Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE) voor € 6,6 miljoen voor uitvoeringskosten dienstverlening Nationaal Restauratiefonds;

  • programma- en projectuitgaven en Rijksdienst Instituut Collectie Nederland voor € 1,4 miljoen;

  • rente fonds museale aankopen voor € 1,6 miljoen.

14.3 Operationele beleidsdoelstellingen
14.3.1 Bevorderen dat burgers deelnemen aan een kwalitatief hoogwaardig, divers en onafhankelijk aanbod van cultuur door de aanwezigheid van dit aanbod te waarborgen

Doelbereiking

De voorwaarden voor een bloeiend cultureel leven zijn een vrij, kwalitatief hoogwaardig aanbod van kunst en cultureel erfgoed en een brede maatschappelijke deelname daaraan. Passief, als toeschouwer, en actief als beoefenaar, worden zoveel mogelijk mensen betrokken bij culturele activiteiten.

• Basisinfrastructuur culturele voorzieningen

Voor de periode 2009–2012 zijn de cultuursubsidies voor het eerst volgens een nieuwe systematiek verdeeld. In 2010 is deze systematiek door de Raad voor Cultuur en een extern onderzoeksbureau geëvalueerd. De conclusies zijn in juni 2010 naar de Tweede Kamer gestuurd (kamerstuk 31 482, nr. 62). De conclusies zijn dat de nieuwe systematiek een verbetering is ten opzichte van de vorige structuur maar dat de inrichting van het bestuurlijk overleg als onbevredigend is ervaren. De Raad voor Cultuur signaleert een aantal «onvolkomenheden», vooral in de afbakening tussen de taakverdeling van instellingen in de basisinfrastructuur en de cultuurfondsen.

Op basis van het regeerakkoord heeft het Kabinet een Uitgangspuntenbrief cultuurbeleid naar de Tweede Kamer gestuurd (kamerstuk 32 500 VIII, nr. 75) met een financieel kader. In de Adviesaanvraag cultuurbeleid (kamerstuk 32 500 VIII, nr. 134) aan de Raad voor Cultuur is aangegeven dat het aantal functies of categorieën in de nieuwe basisinfrastructuur en de eisen daaraan opnieuw worden gedefinieerd.

De visitatie is voortgezet voor de fondsen en de instellingen in de basisinfrastructuur met een langjarig subsidieperspectief (sectorinstituten, orkesten, musea, opera- en balletgezelschappen). Het SCP heeft een onderzoek naar de toekomst van de amateurkunstbeoefening afgerond. Een onderzoek naar een concrete uitwerking van verschillende prestatiemodellen voor rijksgesubsidieerde orkesten is gestart.

• Verbreden inzet cultuur

De canon van Nederland is met ingang van het schooljaar 2010–2011 opgenomen in de kerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs. Daarmee is de toegang tot en de kennis over de canon voor toekomstige generaties gewaarborgd.

In 2010 zijn aan het Fonds voor Cultuurparticipatie in het kader van «Het beste van twee werelden» subsidies toegekend voor acht grootschalige en meerjarige projecten van professionele kunstinstellingen om de samenwerking met amateurs en de kunstbeoefening door jongeren te versterken. In het kader van «Muziek in ieder kind» is subsidie toegekend aan achttien instellingen om in hun gemeente, regio of provincie samen met het onderwijs zoveel mogelijk jonge kinderen met muziek in aanraking te brengen. Met dit laatste programma worden naar verwachting ruim 90 000 kinderen bereikt.

In schooljaar 2009–2010 zijn 939 958 Cultuurkaarten aangevraagd. Van het totaal beschikbare bedrag is 78% besteed. Van de aangevraagde Cultuurkaarten zijn er 817 763 geactiveerd. Van het geactiveerde bedrag is 88% besteed. Beide bestedingspercentages zijn inclusief het tegoed dat het VSBfonds bijdraagt aan de Cultuurkaart.

• Een sterke sector

Een bloeiend cultureel leven vraagt om een sterke sector die voldoende eigen inkomsten genereert. In 2009 is in overleg met de cultuursector een eigen inkomstennorm van minimaal 17,5% afgesproken, met een groeinorm van 4 procentpunt in de nieuwe subsidieplanperiode. Deze eigen inkomstennorm heeft betrekking op de verhouding tussen eigen inkomsten en structurele subsidies van de drie overheidslagen.

In 2010 was € 10 miljoen beschikbaar voor de matchingsregeling. Dit bedrag is in zijn geheel uitgekeerd aan 122 instellingen die in 2009 ten opzichte van de referentieperiode 2005–2008 een groei in eigen inkomsten hebben laten zien. Voor de innovatieregeling was € 3 miljoen beschikbaar. Het budget is uitgeput. Zes projecten zijn gehonoreerd.

• Internationaal cultuurbeleid en ruimte voor de top

Onder de naam Dutch Design, Fashion and Architecture loopt in de periode 2009–2012 een gezamenlijk programma van OCW, EZ en BZ om de internationale positie van design, mode en architectuur duurzaam te versterken. Aan het eind van 2010 is een midterm review gestart. Deze wordt extern uitgevoerd.

De actieve inzet op China (door ondersteuning van de Netherlands China Arts Foundation) heeft in 2010 geleid tot een positieve Nederlandse culturele bijdrage aan de Wereldtentoonstelling in Shanghai: het Dutch Culture Centre. De actieve inzet heeft ook voor de komende jaren een goed klimaat voor samenwerking geschapen, te beginnen met de Beijing Bookfair 2011 waarvan Nederland gastland zal zijn.

Op het gebied van het Werelderfgoed werden in 2010 twee belangrijke stappen gezet: de zeventiende-eeuwse grachtengordel van Amsterdam kreeg een plaats op de Werelderfgoedlijst en de commissie Leemhuis adviseerde over de voorgenomen herziening van de Nederlandse Voorlopige Lijst.

In 2009 heeft Nederland het UNESCO-verdrag 1970, over de bestrijding van de illegale handel, geratificeerd. De erfgoedsector is met diverse communicatieactiviteiten goed geïnformeerd over dit UNESCO-verdrag.

De Nederlandse ratificatie van het verdrag voor de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed (UNESCO 2003) en uitvoering ervan in Nederland werden verder voorbereid.

In het kader van het programma voor Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed ontplooiden NA, RCE en ICN in de acht prioriteitslanden diverse activiteiten, ter aanvulling op en ondersteuning van projecten die door de Nederlandse ambassades in deze landen werden gesubsidieerd.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 14.4 Indicatoren

Indicator

Basiswaarde 1 2006

Realisatie 2008

Realisatie 2 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

1.

Uitvoeringen gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)

16 957

16 957

15 479

17 000

n.n.b.

Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen

     

2.

Bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)

4 066 942

3 844 592

478 544

4 000 000

n.n.b.

Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen

     

3

Aantal Nederlandse Filmproducties

29

30

37

Minimaal 20–25

32

Bron: Nederlandse Vereniging voor Bioscoopexploitanten (NVB)

     

4.

Marktaandeel publiek Nederlandse Film

11%

17,6%

17,4%

Minimaal 12%

15,8%

Bron: Nederlandse Vereniging voor Bioscoopexploitanten (NVB)

     

5.

Percentage verzilverde waarde cultuurkaart

n.v.t.

n.v.t.

79%

75%

78% resp. 88%

Bron: uitvoerder cultuurkaart

     

6.

Culturele diversiteit: percentage divers samengestelde besturen

13,5%

(2005)

15,1%

(2007)

PM

15%

n.n.b.

Bron: RISBO, mei 2008 t/m jaar 2007; APE 2008 e.v. jaren, nog te verschijnen

     

7.

ICB: aantal Nederlandse uitvoeringen podiumkunsten in het buitenland

2 232

2 181

2 325

2 200

n.n.b.

Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen

     

8.

ICB: aantal bezoeken aan Nederlandse uitvoeringen podiumkunsten in het buitenland

865 069

760 152

738 044

770 000

n.n.b.

Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen

     
1

Basiswaarde: de waarde die als referentie dient ten opzichte van de latere jaren.

2

De realisatie 2009 t.o.v. 2008 is gestegen vanwege de positieve uitwerking van de eigen inkomstennorm.

Toelichting:

  • Podiumkunsten (1, 2, 7, 8): De aantallen hebben betrekking op uitvoeringen van langjarig- en vierjarig gesubsidieerde gezelschappen en orkesten inclusief schoolvoorstellingen en exclusief festivals (vanaf 2009 bij BIS en NFPK+). De groep instellingen van 2009 wijkt sterk af in aantal en begroting van eerdere jaren (ingang van de nieuwe Cultuurnotaperiode). Voor de periode 2009–2012 hebben instellingen hun voornemens voor uitvoeringen en, in de BIS, bezoekersaantallen vastgelegd in activiteitenplannen. Deze zijn beoordeeld door de Raad voor Cultuur en het NFPK+ en vormen de basis voor de streefwaarden. De gegevens over het aantal uitvoeringen en bezoeken in 2010 is nog niet beschikbaar, maar worden met de jaarrekeningen 2010 in de loop van 2011 aangeleverd.

  • Film (3, 4): Aantal Nederlandse filmproducties betreft het aantal nieuw uitgebrachte Nederlandse films op basis van de (voorlopige) cijfers van de Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten. Marktaandeel publiek Nederlandse film betreft het aandeel van alle bezoeken aan alle Nederlandse films ten opzichte van het totale aantal films in roulatie.

  • Cultuurkaart (5): De cultuurkaart is ingevoerd in schooljaar 2008/2009. CJP rapporteert jaarlijks over de besteding van het beschikbaar budget door de gebruikers van de cultuurkaart. Er zijn twee percentages opgenomen: in het eerste geval (88%) zijn alleen de door leerlingen geactiveerde kaarten meegerekend. In het tweede geval (78%) zijn alle door scholen aangevraagde kaarten meegerekend (ook de niet-geactiveerde). De eerste berekeningswijze is dezelfde als in het jaarverslag 2009.

  • Culturele Diversiteit (6): Een bestuur is cultureel divers als er tenminste één lid van allochtone origine is. Het betreft periodiek onderzoek dat in 2010 is herhaald. De gegevens zijn nog niet bekend.

14.3.2 Bevorderen dat burgers kennisnemen van het culturele erfgoed door het te behouden, te beheren en te ontsluiten

• Beelden voor de Toekomst

Doelbereiking

In 2010 heeft TNO een tussentijdse evaluatie uitgevoerd. De evaluatie is positief over het verloop en de maatschappelijke waarde van het project. Het project ligt op schema. De evaluatie concludeerde ook dat de verwachtingen over de terugverdienverplichting niet realistisch waren en bepleitte een drastische bijstelling daarvan. Het niet kunnen genereren van inkomsten vormde een groot financieel en organisatorisch risico voor de consortiumpartijen en voor OCW. Na verkenning van diverse oplossingsrichtingen is de projectomvang teruggebracht van € 154 miljoen naar € 115 miljoen. Om het project te kunnen afronden en aan de reeds aangegane verplichtingen te voldoen, is eenmalig € 25 miljoen beschikbaar gesteld. De terugverdienverplichting is daarmee komen te vervallen. De al ontwikkelde diensten en het digitale bronnenmateriaal blijven beschikbaar voor het onderwijs.

• Musea

Aangewezen musea ontvingen via de reguliere bekostiging subsidie zodat zij in 2010 in staat waren een hoogwaardig en divers aanbod te bieden. De aanbesteding van de verbouwing van het Rijksmuseum is afgerond en de bouw is in volle gang en verloopt volgens plan. Bij brief van 17 december 2010 is de TK geïnformeerd over de voortgang van de verbouwing. Hierin is vermeld dat er sprake is van enige meerkosten als gevolg van het onverwacht tegenkomen van ondergrondse objecten die gevolgen hebben voor de waterhuishouding en de fundering. De meerkosten kunnen vooralsnog worden opgevangen binnen het huidige financiële kader. Tegelijkertijd zijn de topstukken van de collectie voor het publiek toegankelijk en trokken de tentoonstellingen meer bezoekers dan in 2009; in totaal ruim 900 000.

Daarnaast is aan een Nationaal Historisch Museum (NHM) gewerkt dat het historisch besef bij een breed publiek moet vergroten door middel van uiteenlopende activiteiten. In 2010 is besloten dat het NHM niet langer zal worden gesubsidieerd voor het realiseren van een gebouw.

Ten slotte is voortgegaan met de inzet voor veiligheid en het stimuleren van collectiemobiliteit voor musea.

  • Mooier Nederland:

    Instrumenten:

  • 1. Ondersteuning architectuurinstellingen uit basisinfrastructuur (gerealiseerd)

  • 2. Regeling versterken stedenbouw en regionaal ontwerp (gerealiseerd)

  • 3. Impuls herbestemming erfgoed in aandachtswijken (gerealiseerd)

Toelichting:

De uitvoering van de nota «Een Cultuur van Ontwerpen, Visie Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp (VARO)»; (kamerstuk 31 535, nr. 1) heeft plaatsgevonden door ondersteuning van de basisinfrastructuur van Architectuurinstellingen en specifieke inzet voor de drie beleidsspeerpunten uit de visie: herbestemmen, de structurele verankering van de positie van het ontwerp in rijksprojecten en stedenbouwkunde. In 2010 is de tweede tranche van de impuls herbestemmen cultureel erfgoed in de veertig krachtwijken uitgevoerd. Het Stimuleringsfonds voor Architectuur heeft een deelregeling Stedenbouw opengesteld gericht op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het stadslandschap op alle schaalniveaus door de inzet van hoogwaardige ontwerpen.

• Monumenten

Na de bespreking van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (kamerstuk 32 156, nr. 1) in de Tweede Kamer eind 2009 heeft de Raad van State een positief advies gegeven over de wijzigingen in de Monumentenwet. Die wijzigingen zijn eind 2010 voorgelegd aan de Staten Generaal zodat de wet naar verwachting op 1 juli 2011 van kracht kan worden.

De wijzigingen in het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (Brim), waardoor de regeling wat eenvoudiger wordt en waardoor ook eigenaren van archeologische monumenten een aanvraag kunnen indienen, zijn tijdig in 2010 ingevoerd zodat het Brim 2011 per 1 januari 2011 in werking is getreden.

In 2010 is € 69 miljoen aan subsidie verleend voor de instandhouding van monumenten via het Brim. Voor het eerst konden eigenaren ook subsidie aanvragen voor groene elementen (historische tuinen, parken, begraafplaatsen). Verder is in het aanvullend beleidsakkoord van maart 2009 (kamerstuk 31 070, nr. 24) bepaald dat € 44 miljoen uit het stimuleringsbudget woningbouw mocht worden besteed aan monumenten. In 2010 zijn daarvoor de subsidiebeschikkingen afgegeven onder meer op grond van de Regeling restauratie en herbestemming Cultureel erfgoed. Voor restauratie, herbestemming en gebiedsgerichte monumentenzorg is structureel € 23 miljoen aan de begroting toegevoegd met ingang van 2010; dit bedrag is beschikbaar gekomen ter compensatie van de afschaffing van de vrijstelling overdrachtsbelasting monumentenpanden. Volgens afspraak wordt dit budget de eerste twee jaar ingezet voor het versneld inlopen van de restauratieachterstand. In oktober 2010 is daarom de Restauratieregeling Monumenten 2010 en 2011 in werking getreden.

Door bovenstaande maatregelen is de restauratiebehoefte inmiddels gedaald tot een aanvaardbaar niveau van 10%. Zie ook indicator 1 in tabel 14.4.

• Archeologie

Eind 2010 is de evaluatie archeologiewetgeving aanbesteed en van start gegaan. De evaluatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) zal een terugblik zijn op de beoogde doelen en de bereikte effecten van deze in 2007 ingevoerde regelgeving. Het onderzoeksrapport zal samen met een beleidsreactie van de Staatssecretaris in 2011 aan de Kamer worden aangeboden.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 14.5 Indicatoren

Indicator

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

1.

Aantal monumenten met een restauratie-achterstand

33%

17,1%

n.v.t.

10%

10%

Bron: RCE; Rapport PRC 2006/monitor gebouwd erfgoed 2009

2005

2006

   

2.

Percentage van de bevolking van 16 jaar en ouder dat minimaal eens in de 12 maanden een bezoek brengt aan een archief

3,3%

4,3%

n.n.b.

4,5%

n.n.b.

Bron: SCP; Cultuurbewonderaars en cultuurbeoefenaars, mei 2009

2003

2007

   

3.

Percentage beschikbaar materiaal Nationaal Archief van het totaal

Totaal: 97% Digitaal: 1%

Totaal: 97% Digitaal: 1%

n.n.b.

Totaal: 97% Digitaal: 1%

n.n.b.

Bron: Nationaal Archief

2007

2008

   

4.

Aantal bezoeken rijksgesubsidieerde musea

5,7 miljoen

5,5 miljoen

5,6 miljoen

6,0 miljoen

n.n.b.

Bron: Jaarverslagen rijksgesubsidieerde musea

2007

2008

   

5.

Aantal in situ bewaarde archeologische monumenten

12 949

12 996

n.n.b.

13 000

n.n.b.

Bron: RCE; Erfgoedbalans 2009

2005

2007

   

6.

Beelden voor de Toekomst’s

     
 

Uren video

0

20 904

47 087

78 400

n.n.b.

 

Uren audio

0

23 343

40 462

70 800

n.n.b.

 

Uren film

0

1 606

5 840

12 863

n.n.b.

 

Aantal foto

0

36 138

50 065

1 657 143

n.n.b.

Bron: Jaarverslag consortium Beelden voor de Toekomst

 

2008

   

Toelichting:

  • 1. Monumenten: Voor de betreffende jaren is geen specifieke meting uitgevoerd. Wel is een monitor inzake de staat van gebouwd erfgoed 2009 uitgevoerd, waarin een nulmeting betreffende rijksmonumenten is geinspecteerd door de Monumentenwacht. Hierin is een restauratiebehoefte van 8% gesteld. De komende jaren wordt het onderzoek verbreed om een representatiever beeld te geven. In 2010 kan, in plaats van een restauratieachterstand, gesproken worden van een aanvaardbare restauratiebehoefte van 10%. Zie ook de tekst over monumenten.

  • 2. Archieven: In het genoemde SCP rapport zijn de realisatiecijfers tot en met 2007 opgenomen. Over de jaren 2008 tot en met 2010 zijn deze cijfers nog niet bekend. Het betreft hier een vierjarig periodiek onderzoek.

  • 3. Archieven: Over de jaren 2008, 2009 en 2010 is geen meting uitgevoerd. Zie ook de jaarrekening van het Nationaal Archief in dit jaarverslag.

  • 4. Musea: De basiswaarde van 2007 heeft betrekking op een andere groep musea dan de cijfers in latere jaren. We gaan nu uit van de groep musea met een langjarig subsidieperspectief. De gegevens over 2010 komen medio 2011 beschikbaar.

  • 5. Archeologie: De Erfgoedbalans wordt eens in de vijf jaar opgesteld, de laatste cijfers zijn over 2007. Om de effecten van beleid nog beter in kaart te brengen wordt vanaf 2012 ook een nieuw instrument in gebruik genomen, de Erfgoedmonitor.

  • 6. Beelden voor de Toekomst: De realisatiecijfers zijn afkomstig uit de jaarverslagen van het Consortium Beelden voor de Toekomst. Hierdoor kan er nu slechts gerapporteerd worden over de jaren tot en met 2009. De realisatiecijfers in de jaren zijn cumulatieve aantallen, omdat het project gedurende een aantal jaren video, audio, film en foto’s digitaliseert. De verwachting is dat de in 2009 afgeronde aanbesteding fotodigitalisering in 2010 al snel tot resultaat zal leiden.

14.3.3 Mensen toegang bieden tot een kwalitatief hoogwaardig, multimediaal toegankelijk stelsel van openbare bibliotheken

Doelbereiking

In 2010 werd veel vooruitgang geboekt bij het realiseren van een hoogwaardige – multimediaal toegankelijke – informatievoorziening voor bibliotheekgebruikers. De bouw van de landelijke digitale bibliotheek is in 2010 aanzienlijk gevorderd. Dankzij deze vorderingen konden lokale en regionale bibliotheekorganisaties zich aanmelden voor aansluiting op de digitale bibliotheek. Om dat te stimuleren werd een subsidieregeling in het leven geroepen. Vrijwel alle bibliotheekorganisaties (156, circa 90% van het veld) dienden daarvoor een aanvraag in. Daaruit blijkt dat de digitale openbare bibliotheek op een groot draagvlak in het bibliotheekveld kan rekenen.

Op basis van een advies van de Raad voor Cultuur over het beleidsplan 2010–2012 van het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken (SIOB) zijn nadere afspraken gemaakt over de bestel- en opdrachttaken van het SIOB. Dit instituut geeft sinds 2010 invulling aan de stelselverantwoordelijkheid van de minister van OCW. Dankzij de meerjarige OCW-subsidie die op grond van het raadsadvies werd verstrekt, kan het SIOB gericht verder werken aan de versterking van het openbaar bibliotheekstelsel.

Voorts werd in 2010 uitvoering gegeven aan het Bibliotheekcharter 2010–2012 (Staatscourant nr. 2061, 12 februari 2010). IPO, VNG en OCW spraken daarin onder meer af om de bibliotheekwetgeving te actualiseren. De werkzaamheden betroffen vooral de voorbereiding van de wetaanpassing. Die is onder meer nodig omdat de huidige (summiere) bepalingen in de Wet op het specifiek cultuurbeleid onvoldoende rekening houden met digitalisering van de informatievoorziening (digitale bibliotheek).

Eind 2010 werd opdracht verstrekt voor financieel onderzoek. De opdrachtverlening betrof een nulmeting. Het financieel onderzoek moet de kwaliteit van de financiële gegevens over de sector op een hoger plan brengen. Het is nauw verbonden met de onlangs door het SIOB ontwikkelde Bibliotheekmonitor, die vooral de beleidsmatige kant van de sector beter in kaart moet brengen.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 14.6 Kengetallen

Indicator

Basiswaarde «peildatum»

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

Loket aangepast lezen – aantal ingeschreven lezers

31 165

31 165

29 186

n.v.t.

31 035

Bron: SIOB (t/m 2009:VOB)

2007

    

Loket aangepast lezen – uitleningen algemene lectuur brailletitels

6 819

7 184

6 960

n.v.t.

7 148

Bron: SIOB (t/m 2009: VOB)

2007

    

Loket aangepast lezen – uitleningen algemene lectuur gesproken boeken

1 037 858

1 061 259

991 782

n.v.t.

1 076 085

Bron: SIOB (t/m 2009: VOB)

2007

    
14.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
Tabel 14.7 Overzicht afgeronde onderzoeken
 

Onderzoek onderwerp

AD of OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Kunstenbeleid: waarborgen aanbod en participatie

OD 14.3.1

2010

2011

n.n.b.

Effectenonderzoek ex post

Evaluatie flankerend beleid WWIK

OD 14.3.1

2009

2010

Bijlage bij Tweede Kamer, kamerstuk 32 327, nr. 2

Overig evaluatieonderzoek

Evaluatie aanvraagprocedure Verschil maken

OD 14.3.1

2009

2010

Bijlage bij Tweede Kamer, kamerstuk 31 482, nr. 62

Licence