Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

BATEN-LASTENDIENST RIJKSGEBOUWENDIENST

Inleiding

De Rijksgebouwendienst ziet het als zijn missie bij te dragen aan het succesvol functioneren van zijn klanten, door het bieden van efficiënte en effectieve huisvestingsoplossingen. Met het in stand houden van monumenten draagt de Rijksgebouwendienst bij aan het behoud van ons cultureel erfgoed. Sinds 1 januari 1999 heeft de Rijksgebouwendienst de status van baten-lastendienst. Deze status vloeit voort uit het destijds vernieuwde rijkshuisvestingsstelsel. Het rijkshuisvestingsstelsel is in deze opzet ingevoerd met als doel een rijksbrede vergroting van de doelmatigheid in de huisvesting van de rijksoverheid.

In 2008 is het Besluit Rijksgebouwendienst 1999 gewijzigd (Stb. 2008, 381). Daarmee is onder andere besloten om de verantwoordelijkheid voor de kaderstelling voor het rijksbrede beleid van rijkshuisvesting bij het DG Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk (DGOBR) van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) te beleggen. Per 14 oktober 2010 ressorteert de Rijksgebouwendienst onder het ministerie van BZK.

De Rijksgebouwendienst levert de producten huisvesting, services, adviezen en beleidsondersteuning. Het product Huisvesting bestaat uit het ontwikkelen, realiseren en leveren van huisvesting. De Rijksgebouwendienst handhaaft de afgesproken kwaliteit van de geleverde huisvesting volgens de Regeling Taakverdeling Beheer Rijkshuisvesting.

Rapportage aan de Nederlandse Mededingingsautoriteit

De Rijksgebouwendienst heeft een meldpunt mededinging, dat fungeert als aanspreekpunt voor de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). Bij dat meldpunt kunnen zowel medewerkers van de Rijksgebouwendienst als externe partijen vermoedens van prijs- of marktverdelingsafspraken of andere overtredingen van de Mededingingswet melden.

In 2011 zijn analyses van inschrijvingsbegrotingen uitgevoerd. Deze analyses zijn periodiek gerapporteerd aan en besproken met de NMa.

Overige prestaties

Indicator

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Brandveiligheid

Fase 2 in justitiële inrichtingen gerealiseerd.

gerealiseerd

Duurzaamheid

Energieindex is verbeterd

gerealiseerd

Energieambitie 2020

In 320 000m2 rijksgebouwen FCIB gerealiseerd

Kopgroep gestart

Duurzaam inkopen

Rgd gaat voor enkele projecten verder dan criteria voor duurzaam inkopen

gerealiseerd

Inspecties monumenten

70 inspecties uitgevoerd

71 inspecties uitgevoerd

Toelichting

Brandveiligheid

Fase 2 is in de justitiële inrichtingen, binnen de kaders voor planning en budget, medio 2011 gerealiseerd. Hiermee voldoen alle ruimten binnen een justitiële inrichting aan de bouwkundige brandveiligheidseisen. Voor ruimten met de gebruiksfunctie «dwangverblijf» gold als streefniveau het nieuwbouwniveau uit het Bouwbesluit 2003, tenzij dat vanwege organisatorische, technische of financiële redenen niet haalbaar of wenselijk was (onder meer de monumentale koepelgevangenissen). Voor overige ruimten is het bestaande bouwniveau gerealiseerd. (Kamerstukken II, 24 587 nr. 431).

Duurzaamheid

Toepassing van de duurzaam inkoopeisen hebben tot een energiezuiniger portefeuille geleid. Een groot deel van de kantoren van de Rijksgebouwendienst (huur en eigendom) en penitentiaire inrichtingen heeft een energielabel. In 2010 hadden de kantoorgebouwen gemiddeld een energielabel D en de penitentiaire inrichtingen energielabel E. Het energielabel van een gebouw wordt bepaald met de energie-index. De gemiddelde Energie-Index van de kantoren en de penitentiaire inrichtingen is verbeterd van 1,45 op 1 januari 2010 naar 1,42 op 1 januari 2011 en daarmee met de beoogde jaarlijkse verbetering van 2%. Voor de kantoren betekent deze verbetering van de portefeuille theoretisch een jaarlijkse reductie van gezamenlijk 3 600 ton CO2-emissie en een besparing van € 0,7 mln op energiekosten.

Voortgang programma Energieambitie 2020

De doelstelling om in 8% van de geprogrammeerde 4 mln m² rijksgebouwen (320 000 m²) het functioneel controleren, inspecteren en beheren (FCIB) van klimaatinstallaties te realiseren, is niet gehaald. Deze 8% betreft de objecten uit de zogenaamde kopgroep, waarvoor een leertraject was ingezet voor de aanpak van overige te behandelen objecten. De planning van de uitvoering van FCIB is afgestemd op de lopende onderhoudsplanning van de Rgd en de lopende bedrijfsprocessen bij de gebruiker, zodat de financiële middelen zo efficient mogelijk kunnen worden ingezet. Deze afstemming heeft geleid tot een vertraging, waardoor het werk uit de kopgroep voor ruim 2/3e deel kon worden uitgevoerd. Deze vertraging zal in de loop van het traject worden ingelopen.

Duurzaam inkopen

In maart 2011 is het gebouw van de Dienst Uitvoering Onderwijs en de Belastingdienst aan de Kempkensberg in Groningen in gebruik genomen. De aanbestedingsvorm DBFMO heeft het consortium gestimuleerd om innovatief en integraal te ontwerpen en uit te gaan van de levenscyclusbenadering. Vanaf het eerste ontwerp is rekening gehouden met onderhoud, energiegebruik en zelfs voor de langere termijn, hergebruik van het pand voor woningen. De score op Greencalc is 254 ten opzichte van de voor duurzaam inkopen verplichte 200 punten. Om deze hogere score te bereiken zijn de gevel, de materialisering, de afwerking en integratie van installaties alle afgestemd op een hoge mate van duurzaamheid en een minimale milieubelasting.

In 2011 heeft het toekomstige Paleis van Justitie in Amsterdam, onderdeel van het nieuwbouwproject IJDock, als één van de eerste gebouwen in Nederland een breeam-certificaat ontvangen. Het ontwerp heeft met gemak een BREEAM-NL Nieuwbouw keurmerk «good» verdiend. Hoewel de ontwikkeling al was gestart voordat de verplichting van 100% duurzaam inkopen inging, is kostenneutraal een Greencalc score van 214 bereikt.

Inspecties monumenten

In 2010 heeft de Rijksgebouwendienst een landelijke overeenkomst voor inspecties op bouwkundige aspecten afgesloten met de monumentenwachten in de diverse provincies. De bouwkundige inspecties in 2011 zijn uitgevoerd door gecertificeerde inspecteurs conform de NEN 2 767 methodiek.

Financieel deel bij het jaarverslag van de baten-lastendienst Rgd

Deze jaarrekening is opgesteld volgens de voorschriften van de Comptabiliteitswet (CW2001) en de nadere uitwerking hiervan in de Rijksbegrotings- en verantwoordingsvoorschriften (RBV), de Regeling Departementale Begrotingsadministratie 2007 (RDB 2007) en de Regeling Baten-lastendiensten 2011. De Rijksgebouwendienst heeft bij de invoering van het rijkshuisvestingsstelsel met het ministerie van Financiën nadere afspraken gemaakt omtrent bepaalde onderdelen van de jaarrekening. Deze afspraken zijn herijkt in het kader van de Regeling Baten-lastendiensten 2007 (en daarna in 2011). In deze Regeling is in beginsel het Burgerlijk Wetboek 2 (BW 2), titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ) van toepassing verklaard. De afwijkingen van BW 2 titel 9 en RJ zijn goedgekeurd door het ministerie van Financiën en FEZ van het moederdepartement. De afwijkingen zijn nader toegelicht bij de betreffende posten van de balans en de staat van baten en lasten.

Baten-lastendienst Rijksgebouwendienst
Gespecificeerde verantwoordingstaat 2011
Bedragen x € 1 000
 

(1)

(2)

(3)=(2)–(1)

(4)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting (incl ISB)

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2010

Baten

       

Leveren producten/diensten

       

Omzet moederdepartement

19 934

21 570

1 636

23 088

Omzet overige departementen

1 307 236

1 373 204

65 968

1 394 474

Omzet derden

11 110

12 024

914

12 021

         

Bedrijfsvoering

       

Rentebaten

800

3 089

2 289

3 571

Overige baten

13 130

16 282

3 152

32 403

Vrijval voorzieningen

0

1 317

1 317

 

Totaal baten

1 352 210

1 427 486

75 276

1 465 557

         

Lasten

       

Product Huisvesting

       

Apparaatskosten (netto)

77 976

87 065

9 089

90 085

Huren

302 499

287 781

– 14 718

307 079

Rentelasten

268 192

272 539

4 347

283 915

Afschrijvingen

311 573

346 684

35 111

326 763

Onderhoud

136 076

155 775

19 699

145 526

Dotaties voorzieningen

500

17 749

17 249

27 322

Belastingen en heffingen

23 836

23 900

64

23 500

Investeringen buiten gebruiksvergoedingen

100 975

113 132

12 157

133 358

Overige producten

       

Services

59 691

48 443

– 11 248

61 929

Adviezen

4 343

8 818

4 475

8 318

Beleidsondersteuning

7 599

6 941

– 658

7 735

PPS lasten

39 000

39 218

218

19 363

Overige lasten

18 513

73 104

54 591

28 330

         

Totaal lasten

1 350 773

1 481 149

130 376

1 463 223

Saldo van baten en lasten

1 437

– 53 663

– 55 100

2 334

Toelichting op de staat van baten en lasten uitgaande van baten-lastendienst Rgd

Baten

Baten: leveren producten en diensten

De omzet overige departementen hebben betrekking op:

de opbrengsten van de interne verhuurcontracten met de ministeries volgens het huur-verhuurmodel (gebruiksvergoedingen).

de à fonds perdu gefinancierde huisvestingsprojecten voor ministeries (investeringen buiten de gbv);

het verschil tussen de ontvangen gebruiksvergoeding en de afschrijvings- en rentekosten van de vaste activa (egalisatie). In 2011 is er sprake van een afname van de egalisatierekening.

Het onderdeel services betreft de opbrengsten voor werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar die op verzoek van de afnemers, voor zover rijksoverheid, door de Rijksgebouwendienst worden verricht.

Services worden door de Rijksgebouwendienst uitgevoerd zowel via incidentele opdrachten als via servicecontracten.

De opbrengsten adviezen hebben betrekking op de opbrengsten van niet-projectgebonden huisvestingsadviezen aan rijksoverheden.

De klantvraag met betrekking tot serviceprojecten en adviesopdrachten is vooraf lastig in te schatten. Tegenover hogere/lagere baten staan ook hogere/lagere lasten.

Opbrengsten moeder

Onder inputfinanciering buiten de huur- verhuurrelatie vallen het beheer van monumenten met een erfgoedfunctie (inclusief Paleis Soestdijk), de beleidsondersteunende taken van de Rijksgebouwendienst en het Energiebesparingsprogramma Rijkshuisvesting. Voor de dekking van de inputfinanciering wordt zorg gedragen door het moederdepartement. Het moederdepartement verstrekt gedurende het jaar voorschotten aan de Rijksgebouwendienst en op basis van de definitieve realisatiecijfers worden de kosten het jaar daarop afgerekend.

Het verschil tussen de voorschotten (en overige ontvangsten) en de realisatie wordt afgerekend met het moederdepartement. De kosten en opbrengsten zijn per saldo aan elkaar gelijk.

Opbrengsten derden

De opbrengsten van derden betreffen de huuropbrengsten die de Rijksgebouwendienst via RVOB ontvangt. Onder deze post vallen tevens de opbrengsten voor de exploitatie van de bijzondere objecten (parkeergarages en de grafelijke zalen).

Baten: Bedrijfsvoering

Rentebaten

Specificatie rentebaten

(Bedragen in € 1 000)

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting 2011

Rentebaten rekening-courant RHB

70

99

0

Rentebaten projecten

3 352

1 435

0

Overige rentebaten

149

1 555

800

Totaal

3 571

3 089

800

Het rentepercentage op de rekening-courant RHB is nagenoeg nihil. Rentebaten projecten betreffen rentebaten op à fonds perdu projecten. Tegenover deze baten staan lasten voor de Rijksgebouwendienst als gevolg van voorfinanciering tijdens de realisatiefase.

Overige baten

Specificatie overige baten

(Bedragen in € 1 000)

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting 2011

Boekwinst verkoop onroerend goed

255

735

5 050

Resultaat op investeringsprojecten

410

468

0

Resultaat op nazorg

5 733

819

0

Baten voorgaande boekjaren

7 487

3 987

0

Diverse overige baten

18 518

10 273

8 080

Totaal

32 403

16 282

13 130

In de post diverse overige baten zitten onder meer de opbrengsten uit de bestemmingsreserve ten behoeve van apparaats- en onderhoudskosten brandveiligheid ad € 6,9 mln., de bijbehorende kosten worden bij de overige lasten gepresenteerd.

Lasten: product huisvesting

Apparaatskosten

Deze post omvat alle apparaatskosten, die niet gedekt worden uit de overige producten te weten huisvestingsprojecten, adviezen, services en beleid maar die gedekt dienen te worden uit 1-opslag Gebruiksvergoeding. De apparaatskosten zijn de kosten voor intern en extern personeel plus de materiële kosten, zoals eigen huisvestingskosten en ICT-kosten. De correctie technisch advies heeft betrekking op de uitgevoerde advies werkzaamheden die direct ten laste van de projecten komen.

Specificatie apparaatskosten

(Bedragen in € 1 000)

 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting 2011

Totaal (bruto) kosten Personeel

 

108 324

94 387

101 024

Totaal (bruto) kosten Materieel

+/+

37 313

37 640

40 077

Totaal personele en materiële kosten

 

145 637

132 027

141 101

Correctie Technisch Advies

–/–

1 172

2 431

2 525

Apparaatskosten (bruto)

 

144 465

129 596

138 576

         

Totaal toegerekend aan overige producten

–/–

54 380

42 531

60 600

Totaal apparaatskosten (= netto)

 

90 085

87 065

77 976

De gerealiseerde bruto apparaatskosten 2011 liggen lager dan is geraamd bij begroting 2011. In de begroting 2011 is uitgegaan van een gemiddelde bezetting van 926 fte, terwijl de realisatie 873 fte bedraagt. Ook de inzet van externen is lager dan begroot. Daarmee samenhangend is ook sprake van lagere materiële kosten over 2011.

Over 2011 is sprake van een lagere toerekening aan producten dan begroot. Hierdoor zijn de netto-apparaatskosten € 9,1 mln. hoger dan begroot (lagere kosten € 9 mln. maar ook een lagere toerekening aan producten met € 18,1 mln.). Deze lagere productie, is in lijn met de ontwikkelingen rond een krimpende rijksoverheid, waardoor de opdrachten van departementen aan de Rijksgebouwendienst afnemen. In aanloop naar het nieuwe Rijkshuisvestingsstelsel is tegelijkertijd wel sprake van een uitbreiding van taken van de Rijksgebouwendienst, zoals bijvoorbeeld in de ondersteuning van DGOBR bij de opstelling van masterplannen. Dergelijke huisvestingsstudies in het kader van voorraadoptimalisatie werden tot nog toe gedaan in opdracht van en gefinancierd door de gebruiker.

Huren

Het betreft hier de huren die de Rijksgebouwendienst aan de markt betaalt. De daling t.o.v. 2010 wordt veroorzaakt door het aankopen van diverse huurpanden door de Rijksgebouwendienst.

Rentelasten

Onder deze post worden de rentekosten van de rentedragende leningen en (eventuele) debetrente van de rekening courant RHB verantwoord.

Afschrijvingen

Onder deze post worden de afschrijvingskosten voor materiële vaste activa (gebouwen, inclusief inbouwpakketten en bedrijfsmiddelen) verantwoord. De gerealiseerde afschrijvingen zijn hoger dan geraamd bij begroting als gevolg van doorwerking van 2010 ( onder meer door diverse aankopen van huurpanden). Daarnaast is ook sprake van afwijkingen van de daadwerkelijke oplevering ten opzichte van de geplande data. Tegenover de hogere lasten staan ook hogere opbrengsten gebruiksvergoedingen.

Onderhoud

Onder deze post vallen dagelijks onderhoud, planmatig onderhoud, het beheer van monumenten en bijzondere objecten.

Mutaties voorzieningen

Deze post bestaat enerzijds uit dotaties aan de voorzieningen (ad € 17,7mln.) en anderzijds uit vrijval van voorzieningen (ad € 1,3 mln.). Een specifieke toelichting op de dotatie of de vrijval is terug te vinden bij de toelichting op de balans bij de betreffende voorziening.

Belastingen

Het betreft hier het eigenaarsdeel van de onroerend zaakbelasting (OZB) over de verhuurde voorraad onroerend goed. De OZB is afgedragen aan Domeinen.

Investeringen buiten gebruiksvergoedingen

Onder deze post zijn investeringen opgenomen die niet leiden tot een (aanpassing van de) gebruiksvergoeding. Het betreft hier kleine projecten voor ministeries en het energiebesparingsprogramma rijkshuisvesting. Kleine projecten voor ministeries betreffen de integrale kosten van de door de Rijksgebouwendienst uitgevoerde kleine, à fonds perdu gefinancierde, projecten voor ministeries alsmede à fonds perdu bijdragen aan investeringsprojecten. Het betreft hier voornamelijk (ver)bouwactiviteiten van relatief geringe financiële omvang.

PPS Lasten

De PPS -lasten omvatten de totale vergoeding, die Rijksgebouwendienst uit hoofde van DBFMO-contracten verschuldigd is aan consortia, gecorrigeerd voor de aflossingscomponent van de langlopende schuld (indien van toepassing).

Overige producten

Services

De post services betreft de integrale kosten (inclusief apparaatskosten) voor werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar op verzoek van de afnemers door de Rgd worden verricht en overige services. Hieronder valt ook het facilitymanagement. De service projecten komen pas in het uitvoeringsjaar in beeld en de totale omvang fluctueert jaarlijks.

Adviezen

De Rgd levert op verzoek van de gebruikers niet-projectgebonden adviezen. De kosten betreffen zowel de interne als externe kosten. De hogere realisatie is gevolg van het uitvoeren van meer adviesaanvragen voor de diverse ministeries. De adviesvraag van klanten aan de Rgd fluctueert over de jaren heen.

Beleidsondersteuning

Onder deze post zijn opgenomen de door het moederdepartement gefinancierde kosten voor beleidsondersteuning.

Overige lasten

De overige lasten ad € 73,1 mln. hebben betrekking op:

  • apparaats- en onderhoudskosten van brandveiligheid € 6,9 mln.

  • boekwaardecorrecties € 42,7 mln.

  • bouwkundig tekenwerk € 5,6 mln.

  • lasten voorgaande boekjaren € 10,4 mln., onder meer afschrijvings- en huurlasten.

  • aanvullende huurrestitutie PI Alphen € 3,1 mln. i.v.m. vertraging herstelwerkzaamheden.

  • afdracht DGOBR € 1,0 mln.

  • projectresultaten € 2,2 mln.

  • btw aanslag jaren 2004–2007 € 1,1 mln.

Toelichting op het resultaat

In de onderstaande tabel is het resultaat van de Rijksgebouwendienst gepresenteerd op productniveau.

Specificatie resultaat 2011 per product

(Bedragen in € 1 000)

Baten

Lasten

Resultaat

Huisvesting

1 365 730

1 416 947

– 51 217

Services

45 996

48 443

– 2 447

Adviezen

8 819

8 818

1

Beleidsondersteuning

6 941

6 941

0

Totaal

1 427 486

1 481 149

– 53 663

Binnen het product huisvesting is sprake van een component die vanuit tarieven (gebruiksvergoeding, a fonds perdu) gefinancierd wordt, de grootste posten betreffen rente & afschrijving, huren uit de markt en 1-opslag. Daarnaast is sprake van een component die, ten laste van het eigen vermogen komt (bijvoorbeeld boekwaardecorrecties, dotaties aan voorzieningen). In de eerste categorie is sprake van positief resultaat (€ 21,3 mln.), terwijl in de tweede sprake is van een negatief resultaat van € 72,5 mln. Het negatieve resultaat buiten de tariefstelling betreft met name de boekwaardecorrectie naar aanleiding van de ministerraadbesluitvorming rond het masterplan Den Haag (€ 36,4 mln.). De rest van het resultaat (€ 14,8 mln.) is een saldo van positieve en negatieve resultaten in de reguliere bedrijfsvoering (zie toelichting eerder).

Met betrekking tot services is sprake van een verliespost van € 2,4 mln. Het betreft de afwikkeling van eerdere jaren.

Het aandeel van de producten Adviezen en Beleidsondersteuning in de omzet van de Rijksgebouwendienst is beperkt. De baten en de lasten voor deze producten zijn in evenwicht.

Balans

Baten-lastendienst Rijksgebouwendienst
Balans per 31 december 2011
Bedragen x € 1 000
 

Balans 2011

Balans 2010

Activa

   

Immateriële activa

0

0

Materiële activa

6 330 520

6 230 678

– grond en gebouwen

5 238 090

5 179 649

– onderhanden huisvestingsprojecten (leenfaciliteit)

1 092 339

1 050 896

– inventaris en overige bedrijfsmiddelen

91

133

Egalisatierekening

726 695

746 308

Financiële vaste activa

318 916

198 208

Vlottende activa

125 551

122 232

– onderhanden werk services, adviezen en overig

51 026

53 925

– debiteuren en overige vorderingen

39 446

53 042

– overlopende activa

35 079

15 265

Liquide middelen

426 206

448 820

– bank/kas

1

7 756

– in bewaring genomen gelden NRA

6 281

4 283

– RHB

419 924

436 781

Totaal activa

7 927 888

7 746 246

     

Passiva

   

Eigen Vermogen

149 683

210 284

– exploitatiereserve

130 000

130 000

– bestemmingsreserves

73 346

77 950

– onverdeeld resultaat

– 53 663

2 334

Voorzieningen

86 095

84 517

– asbestverontreiniging

36 728

32 379

– herstel onderhoud

43 372

43 540

– overig

5 995

8 598

Langlopende schulden

6 763 702

6 625 909

– leenfaciliteit Financiën

6 445 188

6 428 459

– overige langlopende schulden

318 514

197 450

Kortlopende schulden

928 408

825 536

– nazorgbudgetten

42 006

28 957

– crediteuren

32 954

28 885

– overige schulden en overlopende passiva

358 436

326 802

– kortlopend deel langlopende schulden

495 012

440 892

Totaal passiva

7 927 888

7 746 246

Grond en Gebouwen

In 2011 genomen besluiten rond het masterplan den Haag hebben geleid tot een boekwaardecorrectie van € 36,4 mln. i.v.m. lagere verwachte opbrengstwaarden van de activa.

De mogelijke financiële consequenties van de masterplannen die worden uitgewerkt voor de rest van Nederland zijn nog onzeker en derhalve niet in de jaarrekening verwerkt.

Egalisatierekening

Het gebruik van de egalisatierekening is verbonden met de regeling Rekenmethodiek Rijksgebouwendienst (RMR). Deze methodiek is, als onderdeel van het rijkshuisvestingsstelsel, door de Ministerraad vastgesteld. Het ministerie van Financiën heeft bij brief BZ 2006–878 d.d. 23/01/2007 ingestemd met de egalisatierekening. Met brief BZ 2007–00220 d.d. 26/11/2007 is de egalisatierekening aangemerkt als geaccepteerde afwijking van de Regeling baten-lastendiensten 2007. Ook de Algemene Rekenkamer heeft aangegeven met de regeling RMR in te stemmen bij brief 6004413R d.d. 31/08/2006.

De gebruiksvergoeding wordt bij aanvang zodanig vastgesteld dat gedurende de contractperiode de netto contante waarden van de kosten (inclusief rente en afschrijvingen) en de opbrengsten elkaar dekken. Hierbij wordt bij de berekening van de gebruiksvergoeding uitgegaan van een verwachte inflatie. Voor de departementen leidt dit over de gehele periode tot een vaste gebruiksvergoeding, die uitsluitend door de stijging van het prijsindexcijfer wordt beïnvloed.

De totale kosten van rente en afschrijvingen dalen over de jaren. Het verschil tussen kosten en opbrengsten wordt jaarlijks op contractniveau geëgaliseerd en in de balans tot uitdrukking gebracht in een langlopende afdwingbare vordering op de gebruikers van de objecten. De vordering wordt over de totale contractperiode geneutraliseerd en is bij afloop van het contract nihil. Bij vroegtijdige contractontbinding wordt de opgebouwde vordering (= egalisatie) door de klant afgekocht. Dit bedrag wordt dan gecrediteerd op de egalisatierekening.

De egalisatie is berekend op basis van de aannames bij de berekening van de gebruiksvergoeding en de vooraf geraamde inflatie. Omdat het ministerie van Financiën in haar brief BZ 2007–07210 d.d. 21/12/2007 heeft aangegeven dat dit ministerie vanaf het verslaggevingsjaar 2007 het inflatierisico draagt op rente en afschrijving dat de Rijksgebouwendienst loopt als gevolg van de regeling RMR, hebben de verschillen tussen de geraamde en de werkelijke inflatie geen gevolgen voor het resultaat van de Rijksgebouwendienst. Ingeval van een positief resultaat wordt dit afgedragen aan het ministerie van Financiën, ingeval van een negatief resultaat wordt de Rijksgebouwendienst hiervoor gecompenseerd door het ministerie van Financiën.

Het inflatieresultaat over 2011 bedraagt € 2 374 286,= negatief en zal worden gevorderd van het ministerie van Financiën.

Egalisatierekening

(Bedragen in € 1 000)

Saldo per 1 januari 2011

   

Egalisatie afschrijvingskosten

312 042

 

Egalisatie rentekosten

434 266

 
   

746 308

Mutaties

   

Egalisatie afschrijvingskosten

– 2 752

 

Egalisatie rentekosten

– 9 460

 

Afgekochte egalisatie afschrijvingskosten

– 3 232

 

Afgekochte egalisatie rentekosten

– 4 169

 
   

– 19 613

Saldo per 31 december 2011

   

Egalisatie afschrijvingskosten

306 058

 

Egalisatie rentekosten

420 637

 

Saldo per 31 december 2011

 

726 695

Financiële Vaste Activa

Vorderingen PPS

Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 is de Regeling Baten-lastendiensten 2011 van kracht geworden. Deze Regeling zou door artikel 17 lid 9 voor de Rijksgebouwendienst tot gevolg hebben dat een ongelijksoortige behandeling van PPS-projecten zou ontstaan. Het ministerie van Financiën heeft toestemming verleend om de huidige verwerkingswijze van de PPS-projecten te handhaven en als financieel vast actief in de balans op te nemen.

PPS Contracten

(Bedragen in € 1 000)

Saldo per 1 januari 2011

   

196 762

       

Mutaties

     

Oprenting

+/+

14 819

 

Betaling

–/–

22 302

 

Nieuw contract

+/+

133 302

 
     

125 819

Saldo per 31 december 2011

   

322 581

       

Toelichting PPS Contracten

     

(Bedragen in € 1 000)

     

Kortlopend deel

   

8 899

Langlopend deel

   

313 682

Saldo per 31 december 2011

   

322 581

In 2011 is 1 nieuw PPS-project opgeleverd waarbij activering noodzakelijk is. De Rijksgebouwendienst heeft per ultimo 2011 drie (geactiveerde) PPS – contracten lopen. De vorderingen omvatten de geïndexeerde renovatiekosten respectievelijk bouwkosten van een in publiek, privaat samenwerking (PPS) uitgevoerd project. Tegenover deze vorderingen staat een zelfde bedrag aan schulden aan de drie consortia in verband met het design, build, finance maintain and operate (DBFMO)-contracten die ten behoeve van deze projecten zijn afgesloten.

Afkoop BTW

(Bedragen in € 1 000)

Saldo per 1 januari 2011

   

6 608

       

Mutaties

     

Afname

–/–

936

 

Afgekochte BTW

+/+

494

 
     

– 442

Saldo per 31 december 2011

   

6 166

       

Toelichting Afkoop BTW

     

(Bedragen in € 1 000)

     

Kortlopend deel

   

932

Langlopend deel

   

5 234

Saldo per 31 december 2011

   

6 166

Activering van afgekochte BTW vindt plaats op basis van goedkeuring van het ministerie van Financiën. In 2011 heeft er één BTW -afkoop via de leenfaciliteit plaatsgevonden. De afkopen worden opgenomen in de gebruiksvergoeding en in 10 jaar verrekend.

Toelichting op het eigen vermogen

Overzicht vermogensontwikkeling 2010–2011
excl. bestemmingsreserves
(Bedragen in € 1 000)

Saldo per 1 januari 2011

210 284

Correctie bestemmingsreserves

– 80 284

Bijdrage door het moederdepartement

0

Uitkering aan het moederdepartement

0

Exploitatiereserve

130 000

Saldo van baten en lasten

– 53 663

Rgd eigen vermogen ultimo 2011 t.b.v. normering eigen vermogen

76 337

De correctie bestemmingsreserves per 1-1-2011 is inclusief de toevoeging van het positieve resultaat over 2010 (€ 2,3 mln.).

Uit voorgaande opstelling blijkt dat het vermogen van de Rijksgebouwendienst tot ruim onder het gemaximeerde eigen vermogen van € 130 mln. is gedaald. Er wordt voorgesteld om het negatieve resultaat 2011 ten laste van de exploitatiereserve te brengen.

Voor de bepaling van het gemaximeerde eigen vermogen dienen de bestemmingsreserves buiten beschouwing gelaten te worden.

Voorzieningen

De voorzieningen worden gevormd voor egalisatie van kosten en voorzienbare specifieke risico’s en verplichtingen die uitgaan boven het algemene bedrijfsrisico dat aan het bedrijfsproces van de Rgd is verbonden. De voorzieningen zijn opgebouwd door kwantificering van de voorzienbare redelijkerwijs in te schatten risico’s.

Overzicht voorzieningen per 31 december 2011

(Bedragen in € 1 000)

Stand 01-01-2011

Onttrekking

Dotatie

Vrijval

Stand 31-12-2011

Asbestverontreiniging

32 379

– 741

5 090

0

36 728

Wachtgelden en FPU uitk.

3 297

– 1 392

282

0

2 187

Bodemsanering

3 176

– 1 552

403

– 7

2 020

Verlieslatende contracten

1 757

– 179

0

0

1 578

Herstel onderhoud

43 540

– 11 267

11 549

– 450

43 372

Geschillen en rechtsgedingen

368

– 337

307

– 128

210

Sub-totaal

84 517

– 15 468

17 631

– 585

86 095

           

Dubieuze debiteuren

2 227

– 159

118

– 732

1 454

Totaal

86 744

– 15 627

17 749

– 1 317

87 549

Niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen bestaan uit:

Post

Omschrijving

Bedrag

Markthuren

De totale nominale betalingsverplichting voor de gehele contractsduur, die voortvloeit uit panden welke zijn gehuurd uit de markt.

looptijd < 1 jaar € 37,1 mln

looptijd > 1 ≤ 5 jaar € 387,2 mln

looptijd > 5 jaar € 1 444 mln

Geïntegreerde contracten

(PPS)

De waarderingsgrondslag voor de niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen in het jaarverslag 2011 is identiek aan de gevolgde systematiek 2009 en 2010.

De verplichtingen, die voortvloeien uit de projecten waarvan de financial close heeft plaatsgevonden maar die nog niet zijn opgeleverd, zijn meegenomen als onderdeel van de niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen:

 
 

Nieuwbouw justitieel complex Schiphol

In 2010 is de DBFMO -overeenkomst gesloten. De geplande opleverdatum is december 2012 en het contract kent een looptijd van 25 jaar.

€ 336 mln.

 

Opgeleverde DBFMO -contracten waarbij sprake is van een financiële verplichting m.b.t. onderhoud en facilitaire diensten:

 
 

Inzake de huisvesting van het ministerie van Financiën (Korte Voorhout 7)

€ 147,1 mln.

 

Inzake detentiecentrum Rotterdam

€ 80,8 mln.

 

Inzake DUO – groep te Groningen Aan het einde v.d. looptijd is er een bedrag van € 50,4 mln. verschuldigd aan het consortium.

€ 136,7 mln.

PPS contract zonder eigendom

Opgeleverd DBFMO -contract zonder eigendom:

 
 

Belastingkantoor Doetinchem

€ 47 mln.

Projecten

De verplichting is gelijk gesteld aan de geraamde betalingen in 2012 en volgende jaren ten behoeve van de projecten in projectadministratie.

€ 561 mln. Allen hebben een looptijd korter dan 5 jaar.

Projecten

Oostvaarderskliniek te Almere: Na de oplevering in 2008 zijn er bouwkundige en installatietechnische problemen aan het licht gekomen. Er spelen een achttal belangrijke knelpunten, die opgelost dienen te worden. Hiervoor heeft in 2011 onderzoek plaatsgevonden, de aanvullende onderzoeken vinden plaats in 2012. Er is op dit moment nog onvoldoende inzicht in de exacte omvang van de herstelkosten die substantieel zullen zijn. Ook de mogelijke verdeling van deze kosten tussen de Rijksgebouwendienst, de aannemers en gebruiker is nog niet bepaald.

 

Verplichting afdracht eigen vermogen boven € 130 mln.

De Rijksgebouwendienst draagt het eigen vermogen af voor zover dit het genormeerd eigen vermogen van maximaal € 130 miljoen overstijgt dan wel voegt dit toe aan de bestemmingsreserves.

Er wordt voorgesteld het verlies ad € 53,7 mln. t.l.v. het eigen vermogen te brengen.

Kasstroomoverzicht

Baten-lastendienst Rijksgebouwendienst
Kasstroomoverzicht per 31 december 2011
Bedragen x € 1 000
   

Oorspronkelijk vastgestelde begroting (incl ISB) (1)

Realisatie (2)

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting (3)=(2)–(1)

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2011

493 782

436 781

– 57 001

2.

Totaal operationele kasstroom

299 712

410 552

110 840

 

Totaal investeringen (–/–)

– 425 000

– 501 567

– 76 567

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

59 000

14 209

– 44 791

3.

Totaal investeringskasstroom

– 366 000

– 487 358

– 121 358

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (–/–)

– 460

0

460

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (–/–)

– 316 730

– 450 117

– 133 387

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

425 000

516 347

91 347

4.

Totaal financieringskasstroom

107 810

66 230

– 41 580

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2011 (=1+2+3+4)

535 304

426 205

– 109 099

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen in de verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en op welke wijze gebruik is gemaakt van deze middelen. Aan de hand van het kasstroomoverzicht worden de kapitaaluitgaven en -ontvangsten toegelicht. In dit model vormen de posten 3a, 4a en 4c de kapitaaluitgaven, terwijl de posten 3b, 4b en 4d de kapitaalontvangsten vormen.

Operationele kasstroom

Bij het bepalen van de operationele kasstroom is uitgegaan van het saldo van baten en lasten, dat is gecorrigeerd voor de afschrijvingen en de mutaties in de balansposten egalisatie, voorzieningen en kortlopende activa en passiva en langlopende activa en passiva, voor zover dit niet betreft de leenfaciliteit van het ministerie van Financiën.

Op verzoek van het ministerie van Financiën worden de «In bewaring genomen gelden», de gelden voor het programma ter realisatie van «Het Nieuwe Rijksmuseum» te Amsterdam, met ingang van 2011 in het kasstroomoverzicht opgenomen. Om de aansluiting met voorgaand boekjaar niet te verstoren is het beginsaldo (4,283 mln.) in de operationele kasstroom verwerkt. Ook de mutatie van € 2,1 mln. is in de operationele kasstroom verwerkt want dit betreft geen investeringen of financieringen.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom bestaat uit het saldo van investeringen en (boekwaarde van de) desinvesteringen. Per 31 december 2011 is in de volgende vaste activa geïnvesteerd:

Onderhanden werk (investeringen) € 501,6 mln.

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen € 0,1 mln.

De desinvesteringen bestaan alleen uit grond en gebouwen.

Het verschil tussen de realisatie desinvesteringen en de oorspronkelijk vastgestelde begroting komt door de lagere – dan begrote – afstootresultaten, die niet door de Rijksgebouwendienst te beïnvloeden zijn.

Financieringskasstroom

De aflossingen op leningen bestaan uit de aflossing op de leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën (€ 450 mln.). Alleen voor de investeringen in huisvestingsprojecten en voor de terugbetaling van de voorfinancieringen wordt een beroep op de leenfaciliteit gedaan

Doelmatigheid

Doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving Generiek Deel

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

begroting 2011

realisatie 2011

Producten en diensten

         

Omzet product huisvesting * € 1 000

1 369 596

1 316 615

1 246 328

1 243 202

1 365 730

Omzet product adviezen * € 1 000

5 375

7 384

5 801

4 343

8 819

Omzet product services * € 1 000

66 389

58 303

59 100

59 691

45 996

           

Saldo van baten en lasten * € 1 000

– 3 678

– 5 717

2 334

1 437

– 53 663

Saldo van baten en lasten (%)

– 0,2

– 0,4

0,2

0,1

– 3,8

           

Klanttevredenheid

67%

nulmeting

Leegstand

2,4%

3,3%

3,8%

3,9%

4,8%

ITK

2,26

2,32

2,32

2,1 – 2,8

2,21

           

Bedrijfsvoering

         

Gemiddelde bezetting fte's

993

966

927

926

873

Gemiddelde loonkosten * € 1

66 402

70 528

74 816

75 864

Bruto Apparaat/omzet

8,6%

9,3%

9,9%

10,2%

9,1%

Bruto Apparaat/m2 * € 1

20,66

20,22

20,94

18,34

Klanttevredenheid

Om de sturing op klanttevredenheid te verbeteren en effectiever te maken werkt de Rijksgebouwendienst met zogenaamde geobjectiveerde prestatie-indicatoren. Met de stakeholders worden meetbare afspraken gemaakt over te leveren prestaties, op sleutelmomenten in het primaire proces van de Rijksgebouwendienst. In 2011 is actief gestuurd op een aantal indicatoren dat gemeten kunnen worden en die voor de stakeholders relevant zijn.

Leegstand

De leegstand voor rekening van de Rijksgebouwendienst (4,8%) is hoger dan begroot (3,9 %). De verwachting is dat de leegstand in 2012 verder zal oplopen. De totale huisvestingsbehoefte zal de komende jaren minder worden als gevolg van de afslanking bij de Rijksoverheid. Daarnaast ontstaat behoefte aan andersoortige huisvesting waardoor de huisvestingsmutaties zullen toenemen. Het RVOB is verantwoordelijk voor het afstoten van door de Rijksgebouwendienst aangemelde objecten. Zowel het tijdstip waarop, als de opbrengstwaarde, is niet door de Rijksgebouwendienst te beïnvloeden.

ITK

De indicator technische kwaliteit (ITK) geeft in een cijfer de technische kwaliteit van de vastgoedportefeuille weer op een bepaald tijdstip. Het cijfer loopt van 1 (nieuwbouw) tot 6 (zeer slecht). De ITK is een gewogen gemiddelde van de technische condities van alle gebouwelementen. Deze technische condities worden bepaald door inspecties. De realisatie voldoet aan de doelstelling.

Bezetting in fte’s

De gemiddelde bezetting over 2011 was 873 fte. De werkelijke bezetting per 31 december 2011 bedroeg 811 fte. De taakstelling Balkenende IV bedroeg voor de Rijksgebouwendienst ultimo 2011 875 fte. Deze is ruimschoots gerealiseerd.

Gemiddelde loonkosten

Onder de loonkosten ambtelijk personeel vallen de salarissen, inclusief aanspraken op vakantiegeld en eindejaarsuitkering, alsmede incidentele beloningen. De stijging van de gemiddelde loonkosten is het gevolg van de daling van het aantal medewerkers in de lagere loonschalen.

Apparaatsindicatoren

De realisatie van de indicator bruto apparaat versus omzet over 2011 is lager dan begroot, als gevolg van lagere dan begrote apparaatskosten en een hogere omzet. De indicator bruto apparaat per m² is lager dan begroot, doordat de gerealiseerde apparaatskosten lager zijn dan begroot in 2011 en de voorraad in 2011 minder is gedaald, dan waar bij de begroting vanuit werd gegaan.

Licence