Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3. Betere en betaalbare zorg

We moeten investeren in betere kwaliteit en slimmer werken om goede zorg te kunnen garanderen voor mensen nu en in de toekomst. De vraag naar zorg neemt de komende jaren alleen maar toe en de zorguitgaven beslaan een steeds groter deel van de collectieve uitgaven. Het afgelopen jaar heeft dit kabinet gewerkt aan een agenda gericht op kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg. De komende jaren wordt dit verder uitgewerkt.

Indicator
 

2007

2008

2009

2010

2011

Raming 2012

1. Beheerste ontwikkeling gemiddelde nominale premie Zvw in €

1 103

1 053

1 064

1 110

1 224

1 253

2. Beheerste ontwikkeling bruto schadelast Zvw (bedragen x € 1 miljard)

26,2

31,5

33,8

35,6

36,6

36,0

3. Beheerste ontwikkeling AWBZ-uitgaven langdurige zorg (x € 1 miljard)

22,4

21,5

22,9

24,0

24,9

26,0

Bron

1. VWS. De daling van de nominale premie van 2007 op 2008 is deels vertekend door de afschaffing van de no-claim en de invoering van het verplicht eigen risico. De nominale premie is gebaseerd op de MEV 2012 van het Centraal Planbureau.

2. VWS en CVZ. De ontwikkeling 2007–2008 is voor een groot deel te verklaren door de overheveling van de geneeskundige ggz uit de AWBZ naar de Zvw.

3. VWS, NZa productieafspraken en (voorlopige)realisatiegegevens, CVZ (voorlopige) financieringslasten.

Betere kwaliteit

Hervorming: Kwaliteit ouderenzorg is een van de hervormingen uit het Regeerakkoord. Het kabinet versterkt met de Beginselenwet AWBZ zorg de positie van de cliënt in de langdurige zorg. In 2011 is het voorstel voor de Beginselenwet AWBZ zorg bij de Tweede Kamer ingediend. In 2011 is een begin gemaakt met de behandeling van de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) door de Tweede Kamer. In 2011 sloten VWS en zorgaanbieders het convenant Kwaliteitsimpuls langdurige zorg, waarin de afspraken zijn uitgewerkt voor de jaarlijkse besteding van 852 miljoen euro voor extra personeel en opleiding.

We streven ernaar om op 1 januari 2013 het Kwaliteitsinstituut voor de Zorg opgericht te hebben. Dit instituut heeft als doel de kwaliteit van zorg te verbeteren door de kwaliteit en doelmatigheid van zorg inzichtelijk te maken voor burgers, professionals, verzekeraars en anderen, zoals de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) (TK 32 620, nr. 14). In 2011 is langs drie sporen gewerkt aan de totstandkoming van het Kwaliteitsinstituut: een uitgebreide consultatie in het veld, het wetgevingstraject en het verstrekken van de opdracht aan het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) om het Kwaliteitsinstituut op te bouwen. Het wetsvoorstel dat de oprichting van het Kwaliteitsinstituut als een sectie bij het CVZ regelt, ligt voor advies bij de Raad van State.

Het programma «Zichtbare Zorg» valt per 2013 onder het Kwaliteitsinstituut. In 2011 heeft een commissie geadviseerd over kaderstellende documenten die de veldpartijen duidelijkheid moeten verschaffen over de verwachtingen van VWS over transparantie. Nu in alle sectoren het ontwikkelen en verzamelen van indicatoren is begonnen, wordt begonnen met het afbouwen van de financiële impuls van VWS en is een start gemaakt met de overgang van het programma Zichtbare Zorg naar het Kwaliteitsinstituut.

Dit kabinet wil dat het gebruik van e-health toepassingen toeneemt, mede ter substitutie van reguliere zorg. Hiervoor is in juni 2011 het programma Zorg voor Innoveren van start gegaan. In dit programma gaan CVZ, NZa, ZonMw en VWS aan de slag met het inrichten en beheer van één centraal informatiepunt zorginnovatie, en meer specifiek e-health. Ook wordt in dit programma gewerkt aan het realiseren van eenduidige procedures voor de toelating tot reguliere zorg. Tevens komt er een subsidieregeling voor anonieme e-mental health-initiatieven.

In de programmabrief «Langdurige Zorg» is het voornemen uit het regeer- en gedoogakkoord opgenomen om vanaf 2012 structureel 852 miljoen euro extra beschikbaar te stellen voor het leveren van goede zorg. Met dit bedrag krijgen instellingen meer financiële armslag en kunnen er 12 000 extra fte worden aangenomen en opgeleid (TK 30 597, nr. 186). Dit heeft ertoe geleid dat op 5 september 2011 de overheid het convenant «Kwaliteitsimpuls langdurige zorg» heeft gesloten met betrokken organisaties (koepelorganisatie van zorgverzekeraars, zorgondernemers, zorg voor mensen met een beperking, geestelijke gezondheidszorg, thuiszorg, opvang en verpleegkundigen en verzorgenden). In het convenant staan afspraken over onder andere de aanwending van de extra gelden, de rollen van de betrokken partijen en het terugdringen van de administratieve lasten. Verpleegkundig specialisten en physician assistants hebben het afgelopen jaar meer bevoegdheden gekregen om bepaalde taken zelfstandig uit te voeren. Het kabinet wil hiermee bereiken dat de zorg doelmatiger wordt en dat tegelijkertijd wordt bijgedragen aan de oplossing van het personeelstekort.

Kengetal
 

Gemiddeld 2003–2007

2008

2009

2010

2011

1. Werkgelegenheidsontwikkeling zorg en welzijn

2,70%

2,00%

3,80%

3,50%

1,40%

2. Vacaturegraad in zorg en welzijn

16

23

16

14

13

3. Aantal leerlingen in zorg en welzijn opleidingen (mbo en hbo)

240 000

251 000

260 000

268 000

271 000

4. Netto verloop verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel

4,30%

4,00%

4,10%

5. Ziekteverzuim (1e ziektejaar)

5,50%

5,00%

4,90%

4,80%

4,80%

Bron

De gegevens over 2009 t/m 2011 betreffen voorlopig cijfers.

1. CBS, 4e kwartaal van elk jaar. 2011 is ontwikkeling van het aantal banen in plaats van fte.

2. CBS en CFI/DUO, bewerking Panteia/SEOR/Etil

3. CBS en Prismant, bewerking Panteia/SEOR/Etil. Betreft 3e kwartaal van elk jaar. Het gemiddelde is hier niet 2003–2007, maar 2005–2007.

4. Koppeling werknemersenquêtes Prismant met SSB (CBS). Er is nog geen informatie over 2010 en 2011 bekend.

5. Vernet, bewerking Panteia/SEOR/Etil. Betreft ziekteverzuim zorg (niet welzijn).

Bovenstaande tabel laat een relatief gunstige ontwikkeling van de arbeidsmarktsituatie voor de zorg zien. Mede door de financiële crisis is het relatief eenvoudig voor zorginstellingen om personeel te vinden. Dit is terug te zien in de hoge werkgelegenheidsgroei en de daling van de vacaturegraad. Daarnaast is het positief dat meer mbo- en hbo-studenten kiezen voor een opleiding in de zorg en welzijn sector. Het netto verloop laat zien dat zorginstellingen goed in staat zijn om hun personeel te behouden voor de zorg. Het ziekteverzuim is sinds 2003 gedaald van 6,1% naar 4,8% in 2010, waarmee het nog maar 0,5% boven het Nederlands gemiddelde ligt. Rekening houdend met de inherente gezondheidsrisico’s van het werk in de zorg is 4,8% een redelijk laag percentage.

Positie van de cliënt versterken

In 2011 zijn stappen gezet om de transparantie van kwaliteit van zorg te verbeteren. De kwaliteitsinformatie van ziekenhuizen per aandoening op KiesBeter.nl is uitgebreid naar 17 aandoeningen. Het aantal klantervaringen (CQ indices) op basis waarvan behandelingen onderling kunnen worden vergeleken, is aanzienlijk uitgebreid. Ook zijn dit jaar voor het eerst klantervaringen en zorginhoudelijke indicatoren gepubliceerd voor de zorg voor mensen met een beperking. Onderzocht wordt of de taken van KiesBeter op termijn kunnen worden ondergebracht in het Kwaliteitsinstituut.

Indicator (output)
 

2009

2010

2011

Voor 80 aandoeningen kunnen burgers op www.kiesBeter.nl zien welke kwaliteit ziekenhuizen bieden.

6

15

17

Bron

RIVM, www.kiesBeter.nl

De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) is zodanig aangepast dat berispingen, boetes en schorsingen in het openbare BIG-register worden opgenomen. Hiermee krijgt de patiënt inzage in het functioneren van beroepsbeoefenaren, is hij beter in staat keuzes te maken en krijgt hij inzicht in het functioneren van instanties die waken over de kwaliteit van de gezondheidszorg (TK 32 261, nr. 23). Tevens is in 2011 een begin gemaakt met een project dat de toegankelijkheid verbetert van de website van het BIG-register. Onderdeel van dit project is de promotie van het gebruik van het BIG-nummer door zorgverleners.

De rechten van de patiënt moeten worden versterkt en individueel afdwingbaar zijn, maar tevens moet erop worden toegezien dat er sprake is van redelijkheid en billijkheid bij de invoering van deze rechten. De Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) beoogt de rechtspositie van cliënten in de zorg te verstevigen. Met de Wcz kan een cliënt (patiënt) bijvoorbeeld makkelijker kiezen voor de zorgaanbieder die het beste past bij zijn of haar zorgvraag. Begin 2011 is een begin gemaakt met de behandeling van de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) door de Tweede Kamer.

Het kabinet versterkt daarnaast met de Beginselenwet AWBZ-zorg de positie van de cliënt in de langdurige zorg. In december 2011 is het voorstel voor de Beginselenwet AWBZ-zorg bij de Tweede Kamer ingediend. Na aanvaarding kan de wet in 2013 in werking treden. De wet geeft cliënten een afdwingbaar recht op het maken van afspraken in hun zorgplan, bijvoorbeeld over de dagelijkse hygiënische verzorging en over naar buiten gaan. Ook kunnen cliënten met ernstige klachten over persoonlijke verzorging en bejegening zich rechtstreeks wenden tot de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Om mishandeling van ouderen te voorkomen moeten aanbieders van AWBZ-zorg een verklaring omtrent gedrag kunnen overleggen voor nieuwe medewerkers. Tevens zijn zij verplicht gevallen van mishandeling door medewerkers te melden bij de Inspectie.

Zorg die veiliger is

De sector heeft afgesproken dat vermijdbare schade in ziekenhuizen in 2012 moet zijn gehalveerd ten opzichte van 2004. Bij de start van het veiligheidsprogramma Voorkom schade, werk veilig in 2007 hebben de ziekenhuizen afgesproken dat ze de vermijdbare schade en sterfte in de ziekenhuizen met de helft willen terugdringen. Alle ziekenhuizen moeten eind 2012 beschikken over een veiligheidsmanagementsysteem (VMS). De meeste ziekenhuizen dienen hun systeem in 2012 op accrediteerbaar niveau te hebben. De IGZ heeft bij een voortgangsonderzoek in oktober 2011 geconcludeerd dat er al heel wat gebeurt, maar dat het nog allemaal niet snel genoeg gaat. Zonder extra inzet – met name op het gebied van risicomanagement – lijkt voor een groot aantal ziekenhuizen een volwaardig VMS in 2012 niet haalbaar.

Om professionals in de eerstelijnszorg beter te leren omgaan met incidenten, is in november 2011 voor de tweede keer de Nationale meldweek patiëntveiligheid gehouden.

Indicator (output)
 

2004

2006

2008

2009

2010

2011

1. Aantal vermijdbare incidenten in ziekenhuizen

30 000

30 000

(+ 2004)

2. Vermijdbare sterfte in ziekenhuizen (meting bij huidige stand technologie)

1 735

1 735*

3. Percentage ziekenhuizen dat de speerpunten 2009 op het gebied van het Veiligheidsmanagementsysteem (VMS) heeft geïmplementeerd

in ontwikkeling

in ontwikkeling

4. Het aantal ziekenhuizen dat op de thema’s van het programma «voorkom schade, werk veilig» participeert of aantoonbaar vergelijkbare initiatieven ontplooit

82

93

5. Het aantal ziekenhuizen dat deelneemt aan de HSMR (Hospital Standardised Mortality Rate)

69

68

6. Aantal gevallen van vermijdbare ziekenhuisopname ten gevolge van medicijngebruik

19 000

13 300*

* = Streefwaarde

Bron

1. en 2. De basiswaarden zijn gemeten door het EMGO/Nivel in 2004. Eind 2008 zijn de resultaten van de tweede landelijke dossierstudie over 2008 beschikbaar gekomen. De meting betreft circa de helft van het aantal dossiers dat in de nulmeting van 2004 betrokken was. De resultaten van de derde en laatste meting worden in het voorjaar 2013 gepubliceerd.

3. IGZ. Vier keer (2009, 2010, 2011 en 2012) controleert de IGZ steekproefsgewijs hoever de ziekenhuizen zijn met het implementeren van het VMS aan de hand van de extra speerpunten voor dat jaar uit het VMS. Voor de IGZ is dat een indicator voor certificatie/accreditatie van het VMS eind 2012 van alle ziekenhuizen. De conclusie van het onderzoek over 2010 was dat de scores van de onderzochte ziekenhuizen, bezien vanuit de speerpunten voor 2010, op schema liggen. De conclusie van het onderzoek over 2011 was dat er onvoldoende vooruitgang is ten opzichte van de resultaten van 2010. Begin 2013 zal moeten blijken hoeveel ziekenhuizen certificatie/accreditatie van het VMS hebben behaald.

4. VWS op basis van VMS. Cijfer is inclusief UMC’s.De laatste Quick-scan van VMS (juni 2011) geeft aan dat 97% van de ziekenhuizen verwachten de doelstellingen van het VMS eind 2012 te halen. De eindresultaten van het VMS programma komen in mei 2013.

5. VNZ/NFU. Het gaat hier om gecorrigeerde sterftecijfers. In 2010 hebben alle ziekenhuizen reeds hun ongecorrigeerde sterftecijfers openbaar gemaakt over het jaar 2009. In 2011 zijn voor het eerst door 68 van de 93 ziekenhuizen gestandaardiseerde cijfers openbaar gemaakt over het jaar 2010. Dat is 73%. Deelname aan de HSMR wordt door de IGZ gemeten.

6. Eindrapport Hospital Admissions Related to Medication (Harm), Universiteit Utrecht.

Zorg belonen naar prestatie

Hervorming: De invoering van prestatiebekostiging in de medisch specialistische zorg is één van de hervormingen uit het Regeerakkoord. Met het bestuurlijk hoofdlijnenakkoord zijn in 2011 afspraken gemaakt over de ziekenhuiszorg, zoals de invoering per 2012 van prestatiebekostiging, uitbreiding tot 70% van de behandelingen waar vrije prijsvorming geldt, en het afbouwen van de achteraf compensaties voor zorgverzekeraars. Het wetsvoorstel dat gereguleerde winstuitkering in de zorg mogelijk maakt, is in 2011 voor advies naar de Raad van State gestuurd.

In 2011 hebben overheid, zorgverzekeraars en zorgaanbieders afspraken gemaakt voor een beheerste uitgavenontwikkeling van 2,5 procent (exclusief loon- en prijsontwikkeling) voor de periode 2012–2015 en vastgelegd in een bestuurlijk hoofdlijnenakkoord. Dit akkoord richt zich verder op selectieve zorginkoop, vermindering van praktijkvariatie, spreiding en specialisatie van ziekenhuisfuncties, het doelmatiger voorschrijven van geneesmiddelen en het verbeteren van de informatievoorziening over de verleende zorg (TK 29 248, nr. 215). Ook zijn in het akkoord afspraken gemaakt over de inzet van het MBI mocht deze beheerste uitgavenontwikkeling zich toch niet voordoen. Het bestuurlijk hoofdlijnenakkoord is daarmee een stevige afsprakenset die een aanzienlijk bijdrage moet leveren aan het beheersen van de zorguitgaven en de verbetering van de zorg. Het akkoord vraagt de komende jaren om een forse inspanning van alle betrokken partijen.

Onderdeel van het bestuurlijk hoofdlijnenakkoord is de prestatiebekostiging ziekenhuizen, die per 1 januari 2012 zal ingaan. Vanaf 2012 gelden vrije prijzen voor 70 procent van de ziekenhuisbehandelingen. De systematiek van het declareren van zorgprestaties is vereenvoudigd.

Het aantal dbc’s (diagnosebehandelcombinaties) is teruggebracht van circa 30 000 dbc’s naar 4 400 DOT’s. De DOT-zorgproducten (nieuwe naam voor dbc’s) zijn beter medisch herkenbaar, kostenhomogener en specialisme-overstijgend. De DOT-systematiek is per 1 januari 2012 in werking getreden. Voor de realisatie van het eindperspectief van prestatiebekostiging is aanpassing van wetgeving vereist. In 2011 zijn de wijzigingsvoorstellen voor de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet op de Bijzondere Medische Verrichtingen (WMBV) naar de Tweede Kamer gestuurd.

Om de in het voorjaar geconstateerde forse overschrijdingen in de uitgaven voor curatieve geestelijke gezondheidszorg terug te halen, is in de zomer van 2011 besloten tot ingrijpende maatregelen in deze sector. Mede daarom is in het najaar overleg gestart met verschillende veldpartijen (GGZ Nederland, Meer-GGZ, NVvP, ZN en LPGGZ) over de toekomst van de geestelijke gezondheidszorg. Dit overleg is gebaseerd op een gezamenlijke toekomstvisie op goede samenhangende zorg die past binnen het beschikbare budgettaire kader, waarin mensen met een psychische aandoening snel en effectief worden geholpen. Daarbij wordt gestreefd naar afspraken omtrent versterking van de eerstelijnszorg, meer inzet van e-mental health en preventie, hulp aan huis, de invoering van prestatiebekostiging binnen het budgettair kader, vergroting van de risicodragendheid door verzekeraars conform het Regeerakkoord, inkoop verzekeraars, informatieaanlevering,en het transparanter maken van de kwaliteit van zorg. Naar verwachting kan in de loop van 2012 een bestuurlijk akkoord geestelijke gezondheidszorg worden bereikt.

In 2011 heeft het kabinet flinke stappen gezet om te komen tot vrije tarieven en nieuwe prestatiebeschrijvingen voor apothekers en apotheekhoudende huisartsen. De tarieven worden per 1 januari 2012 niet meer landelijk vastgesteld door de overheid. Apothekers en zorgverzekeraars maken afspraken over tarieven voor farmaceutische zorg. Het betreft afspraken over de prijs van een geneesmiddel en de (kwaliteit van) dienstverlening. De overheveling van (dure) medisch specialistisch geneesmiddelen naar de ziekenhuisbekostiging is in 2011 voorbereid. Met ingang van 2012 zijn de TNF-alfaremmers als eerste overgeheveld. Met de invoering van prestatiebekostiging in de ziekenhuiszorg is ook invulling gegeven aan nieuwe bekostiging (add on) van dure geneesmiddelen.

In verband met het experiment vrije prijsvorming in de mondzorg heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op 8 september 2011 een prestatiebeschrijvingbeschikking vastgesteld. Daarin zijn de prestaties beschreven die met ingang van 1 januari 2012 in rekening mogen worden gebracht door tandartsen, orthodontisten, mondhygiënisten en tandprothetici. Het experiment betreft het vrijgeven van de prijzen voor mondzorg voor een periode van 3 jaar. Hiermee wordt een advies opgevolgd van de Nza uit 2008. Het experiment beoogt betere kwaliteit en meer transparantie. Gedurende het experiment zullen de ontwikkelingen op de markt gemonitord worden.

De wet Opsporing onverzekerden (Zvw) die op 15 maart 2011 in werking is getreden, werpt inmiddels zijn vruchten af. Na de inwerkingtreding van de wet zijn bijna 160 000 onverzekerden aangeschreven. Op 1 december 2011 was het aantal onverzekerden al met circa 100 000 personen afgenomen. In reactie op de aanschrijving door het CVZ hebben circa 63 000 onverzekerde burgers een ziektekostenverzekering afgesloten, daarnaast bleken ruim 37 000 niet (meer) verzekeringsplichtig. Op dit moment is sprake van een restant van 57 965 onverzekerden, die zich in diverse fasen van het traject van opsporing en aanschrijving bevinden.

Indicator (outcome)
 

2007

2008

2009

2010

2011

Streefwaarde 2012

1. Aantal onverzekerden op 1 mei van een jaar

231 000

153 000

152 000

136 000

< 136 000

2. Aantal wanbetalers aan het einde van een jaar bij zorgverzekeraars

240 000

257 000

318 000

0

0

0

3. Aantal wanbetalers aan het einde van het jaar bij het CVZ

29 000

282 000

318 000

< 282 000

Bron

1. CBS.

2. CBS. Deze regel is gesplitst ten opzichte van de begroting 2011. Regel 2 geeft thans het aantal wanbetalers weer die geen premie betaalden aan hun zorgverzekeraar. Sinds de inwerkingtreding van de Wet structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering op 1 september 2009 zijn deze wanbetalers overgeheveld van de zorgverzekeraars naar het bestuursrechtelijk premieregime bij het CVZ. Daarmee is het aantal wanbetalers, met een achterstand van meer dan zes maanden dat geen premie betaalt aan de eigen zorgverzekeraar, tot 0 gereduceerd.

3. CVZ. Betreft het aantal wanbetalers dat in het bestuursrechtelijk premieregime is opgenomen en waarbij het CVZ de premie int. Zoals is aangegeven in de VWS-Verzekerdenmonitor 2010 (TK 29 689, nr. 299) wordt in rapportages over de omvang van het aantal wanbetalers niet langer uitgegaan van cijfers van het CBS, maar van het aantal wanbetalers bij het CVZ. Het realisatiecijfer 2011 is afkomstig uit de CVZ-maandrapportage december 2011.

Sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) hebben elders in Europa wonende Nederlanders bezwaar gemaakt tegen het verplichte karakter van de ziektenkostendekking uit hoofde van het EU-verdragsrecht. Hierover zijn de afgelopen jaren verschillende rechtszaken gevoerd. In december 2011 heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat de ziektekostendekking verplicht is en dat Nederland hiervoor een bijdrage mag heffen. Tevens concludeerde de Raad dat bij de invoering van de Zvw de overheid de in het buitenland wonende Nederlanders niet heeft benadeeld ten opzichte van andere Nederlanders. Daarmee is een einde gekomen aan een juridische strijd die zes jaar heeft geduurd. Dit betekent een aanzienlijke vermindering van de uitvoeringslast door het CVZ.

Een toekomstbestendige langdurige zorg

Hervorming: De herziening in de AWBZ is een van de hervormingen uit het Regeerakkoord. Het kabinet heeft in 2011 maatregelen getroffen zodat de toegang tot het persoonsgebonden budget (pgb) per 2012 is beperkt en de voorwaarden strenger zijn geworden. Daarbij behoudt iedereen zijn recht op AWBZ zorg, maar alleen cliënten met een verblijfsindicatie kunnen nog kiezen voor een pgb. De functies dagbesteding en begeleiding wil het kabinet overhevelen van de AWBZ naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het kabinet vindt dat deze functies het best dichtbij de cliënt geregeld kunnen worden. De gemeenten, die de Wmo uitvoeren, staan dichterbij de cliënt en kunnen dus meer maatwerk leveren. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wmo dat daartoe moet dienen, is in 2011 aan de Tweede Kamer gezonden.

Het kabinet treft deze kabinetsperiode tal van maatregelen om de kwaliteit van de langdurige zorg te verbeteren, de zorg beter te laten aansluiten bij de wensen van de cliënt en de medewerkers meer zeggenschap en ruimte te geven. Ook worden de uitgaven beheerst zodat de AWBZ behouden blijft voor hen die deze zorg het meest nodig hebben.

Het afgelopen jaar is duidelijk geworden dat de pgb-uitgaven sterk zijn gegroeid. Volgens de meest recente inzichten zal bij ongewijzigd beleid in 2015 een tekort van 0,7 miljard euro ontstaan op de uitgaven voor het pgb (TK 30 597, nr. 218). Dat is onhoudbaar. Het kabinet heeft (naast een investering van 500 miljoen euro) daarom maatregelen getroffen om het beroep op het pgb terug te dringen. Daarnaast wordt het pgb vanaf 2014 wettelijk verankerd. Vanaf 2012 komen alleen mensen met een indicatie voor verblijf in een zorginstelling in aanmerking voor een pgb. Mensen die anders in een instelling terecht zouden komen krijgen bovendien 5% extra.

De mensen die in 2011 een pgb hebben, behouden deze bijna altijd tot 1 januari 2014. Dit geldt niet voor de mensen die in 2013 voor begeleiding worden geherindiceerd. Vanwege de decentralisatie van deze functie naar de gemeenten, is vanaf dat moment de gemeente verantwoordelijk voor het aanbieden van begeleiding. Door de pgb-maatregelen zullen meer personen een beroep doen op zorg in natura. Omdat de zorg in natura nog niet voor iedereen de gewenste zorg kan bieden, is vanaf 1 januari 2012 de Vergoedingsregeling persoonlijke zorg geïntroduceerd. Cliënten met een complexe zorgvraag (van minimaal tien uur per week) kunnen onder voorwaarden een beroep doen op deze vergoedingsregeling. In 2011 zijn maatregelen voorbereid ter voorkoming van pgb-fraude. Deze zijn op 1 januari 2012 ingevoerd. Het gaat bijvoorbeeld om betere voorlichting en ondersteuning van aspirant-budgethouders, het invoeren van een zorgplan en het alleen toestaan van bancaire betalingen.

In 2009 zijn de Zorgzwaartepakketten (ZZP’s) ingevoerd om de beschikbare middelen voor de kwetsbare AWBZ-cliënten beter te verdelen. Uitgangspunt is dat iedere cliënt de zorg ontvangt die hij of zij nodig heeft. Onderzoek uit 2010 naar de ZZP’s heeft ertoe geleid dat vanaf 1 maart 2011 een ondersteuningsprogramma voor aanbieders is ingesteld. In dit programma, «Werken met ZZP’s», worden aanbieders geholpen met de invoering van zorgzwaartebekostiging door middel van regiobijeenkomsten, workshops, een website met praktijkvoorbeelden en hulp op locatie (TK 30 597, nr. 242). Het ZZP-onderhoud is in 2011 overgedragen aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Om de langdurige zorg meer cliëntgericht te maken, is de koppeling van financiering van zorg aan het resultaat voor de cliënt van groot belang: resultaatsfinanciering. Dit model wordt begin 2012 verder uitgewerkt.

Het streven is om de AWBZ per 1 januari 2013 te laten uitvoeren door zorgverzekeraars voor eigen verzekerden. Hiermee wordt een aantal belangrijke voordelen verwacht, zoals vergroting van de keuzevrijheid voor verzekerden en cliënten, een grotere klantgerichtheid, verbetering van kwaliteit en meer kostenefficiency. Het conceptwetsvoorstel waarmee de beoogde uitvoering van de AWBZ voor eigen verzekerden wordt ingevoerd, is in september 2011 aan de Raad van State ter advisering aangeboden. De verwachting is dat het wetsvoorstel na ontvangst van het advies begin 2012 aan de Kamer ter behandeling kan worden aangeboden.

Een toekomstbestendige jeugdzorg

In de beleidsbrief «Geen kind buiten spel» van 8 november 2011 zijn de hoofdlijnen van het nieuwe jeugdstelsel geschetst (TK 31 839, nr. 142). De ambitie van het kabinet is dat alle kinderen gezond en veilig opgroeien, hun talenten ontwikkelen en meedoen. De hoofddoelen van de stelselwijziging zijn eerdere ondersteuning aansluitend op de eigen kracht van jeugd en gezin, problemen minder snel medicaliseren, betere samenwerking rond gezinnen, zorg op maat en meer ruimte voor professionals. Hiermee wordt invulling gegeven aan de afspraak in het Regeerakkoord om alle ondersteuning en zorg voor de jeugd over te hevelen naar gemeenten, zowel bestuurlijk als financieel. Gemeenten zijn op deze wijze in staat om samenhangend beleid te ontwikkelen en maatwerk te bieden, afgestemd op de lokale situatie en de behoeften van de individuele kinderen, jongeren en hun ouders. De kabinetsvoorstellen zijn in het Wetgevingsoverleg Jeugd van 19 december 2011 besproken met de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel wordt voorjaar 2012 voor consultatie aan het veld voorgelegd en eind 2012 ingediend bij het parlement. Invoering van het nieuwe stelsel is voorzien per 1 januari 2015. Over het transitietraject zijn bestuurlijke afspraken gemaakt met VNG en IPO.

De vraagstukken, waar het kabinet bij de uitwerking van het nieuwe jeugdstelsel voor staat, zien we terug in de hervorming van jeugdzorg, de decentralisatie van de begeleiding, het passend onderwijs, en werk en inkomen (Wet werken naar vermogen). In de verschillende sectoren is de vraag aan de orde hoe de participatie naar vermogen voorop komt te staan, de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van mensen opnieuw wordt ingevuld en hoe professionals meer ruimte krijgen. Deze beleidsterreinen staan niet los van elkaar. Het betreft immers deels dezelfde mensen. Een goede intersectorale afstemming is nodig. Het kabinet beziet daarom de uitwerking van de verschillende decentralisaties naar gemeenten in samenhang. Hierdoor wordt het voor instellingen en professionals die werkzaam zijn in zorg, onderwijs en participatie, beter mogelijk hun inspanningen op elkaar af te stemmen. De minister van SZW heeft daartoe in 2011 de coördinatie gekregen.

Zorg voor oorlogsgetroffenen en herinnering

Kern van het kabinetsbeleid op het terrein van oorlogsgetroffenen is het garanderen van de kwaliteit en continuïteit van de uitvoering van ondersteuning aan oorlogsgetroffenen, ondanks de gestaag kleiner wordende doelgroep. Dit doel is in 2011 een stuk dichterbij gebracht. Met ingang van 1 januari 2011 is het cliëntbeheer van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) naar de Sociale Verzekeringsbank overgebracht. Dankzij een zorgvuldige voorbereiding hebben de cliënten geen hinder ondervonden van de overgang. Tevens is per 1 januari 2011 een aantal taken op het terrein van educatie en voorlichting overgedragen aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

Indicatoren (output)
 

2008

2009

2010

2011

Streefwaarde

≥ 2012

1. Percentage apparaatskosten PUR (SVB) in verhouding tot de

uitgaven voor pensioenen en uitkeringen

4,8%

4,6%

4,6%

5,9%

4,5%

2. Percentage eerste aanvragen die door de PUR binnen de (verlengde) wettelijke termijn zijn afgehandeld

85%

84%

82%

90%

84%

3. Percentage vervolgaanvragen die door de PUR binnen de (verlengde) wettelijke termijn zijn afgehandeld

86%

83%

78%

94%

84%

Bron

1. Jaarverslagen PUR 2009 en 2010.

2. Jaarverslagen PUR 2009 en 2010.

3. Jaarverslagen PUR 2009 en 2010. De basiswaarden en de streefwaarden voor de afhandeling van eerste aanvragen en vervolgaanvragen betreffen een gewogen gemiddelde van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv), de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) en de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp). Deze indicatoren worden jaarlijks gepubliceerd in het jaarverslag van de PUR. De percentages over 2011 kunnen nog veranderen als aanvragen in voorraad nog binnen de wettelijke termijnen worden afgehandeld.

Kengetal
 

2008

2009

2010

2011

Wuv

       

Gemiddeld aantal betaalbare uitkeringen (inclusief uitkeringen art. 21b)

16 624

15 881

14 682

14 266

Uitgaven Wuv totaal (bedragen x € 1 miljoen)

182,0

179,0

177,2

172,0

         

Wubo

       

Gemiddeld aantal betaalbare uitkeringen (inclusief toeslag art. 19)

13 338

13 407

13 214

12 936

Uitgaven Wubo totaal (bedragen x € 1 miljoen)

69,2

70,9

72,3

70,1

         

Wbp

       

Gemiddeld aantal betaalbare pensioenen

4 044

3 744

3 415

3 241

Uitgaven Wbp totaal (bedragen x € 1 miljoen)

85,5

78,5

72,1

64,3

         

AOR

       

Gemiddeld aantal uitkeringen

1 831

2 025

2 187

2 333

Uitgaven AOR totaal (bedragen x € 1 miljoen)

6,4

6,6

6,9

7,9

Bron

PUR, Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, januari 2012. De cijfers over 2011 betreffen voorlopige cijfers.

Wuv = Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945

Wubo = Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945

Wbp = Wet buitengewoon pensioen 1940–1945

AOR= Algemene Ongevallenregeling

Het gemiddeld aantal uitkeringen bij Wuv, Wubo en Wbp daalt geleidelijk. Bij de AOR-regeling is nog sprake van een stijging, direct of indirect als gevolg van het projecten «Gerichte benadering» en «Brede benadering».

Licence