Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

5. Eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht

De overheid moet problemen van burgers niet overnemen, maar hen zo veel mogelijk in staat stellen hun problemen aan te pakken. De samenleving wordt gemaakt door al haar leden samen. Het zelforganiserend vermogen uit de samenleving kan beter worden benut. Dit vereist een omslag in werken en denken en een andere houding en oplettendheid van zowel overheid, maatschappelijk middenveld en individuele burgers. In het afgelopen jaar zijn stappen gezet om burgers beter in positie te brengen waar het de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van gezondheid en zorg betreft. De rol van de overheid is vooral stimuleren en de juiste randvoorwaarden creëren. Tegelijkertijd heeft de overheid wel een nadrukkelijke taak bij het aanpakken van misstanden.

Zelf beslissen over leefstijl

Als het om leefstijl gaat, is het van belang dat de overheid niet de illusie geeft de verantwoordelijkheid van mensen te kunnen overnemen. Mensen maken zelf keuzes. Die keuzes moeten bij voorkeur worden gemaakt in een omgeving waarin de gezonde keuze makkelijk is. Aan die omgeving dragen diverse maatschappelijke sectoren bij (TK 32 793, nr. 2). Publiek private samenwerking (PPS) is hiervoor een kansrijke methode. Daarnaast is de beschikbaarheid van betrouwbare en toegankelijke informatie die aansluit bij de belevingswereld van mensen essentieel. Algemene massamediale campagnes passen hier niet in, informatie op maat wel. Zo wordt het gebruik van nieuwe (sociale) media steeds belangrijker.

Het kabinet streeft ernaar dat interventies zo veel mogelijk gebundeld worden aangeboden (op thema), zodat bijvoorbeeld scholen niet worden overspoeld met versnipperde informatie. Dat gebeurde afgelopen jaar onder meer via de Gezonde schoolaanpak en het vignet Gezonde School, dat in samenwerking door het RIVM Centrum Gezond Leven en het Convenant Gezond Gewicht werd uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Het doel is om in het Nederlandse onderwijs op attractieve wijze meer aandacht te krijgen voor en het gebruik van deze leefstijlactiviteiten gericht op bewegen en voeding.

Indicator (outcome)
 

2001

2007

2008

2009

2010

2011

Streefwaarde 2012

1. Het percentage niet-rokers ≥ 15 jaar

 

72%

73%

72%

73%

75%

≥ 73%

2. Overgewicht bij volwassenen

 

45,5%

46,9%

47,2%

47%

≤ 47%

3. Overgewicht bij kinderen leeftijd 2–8 jaar

 

14,5%

≤ 14,5%

4. Overgewicht bij kinderen leeftijd 9–17 jaar

 

10,3%

≤ 10,3%

5. Obesitas bij volwassenen

 

11,2%

11,1%

11,8%

11,0%

≤ 11%

6. Obesitas bij kinderen leeftijd 2–8 jaar

 

3,9%

≤ 3,9%

7. Obesitas bij kinderen leeftijd 9–17 jaar

 

2,4%

≤ 2,4%

8. Het percentage mensen in algemene bevolking (12 jaar en ouder) dat niet zwaar drinkt

 

89,3%

90,0%

89,6%

90,4%

≥ 91,1%

9. Het percentage 12–15 jarigen dat nog nooit alcoholhoudende drank heeft gedronken

 

25,6%

35%

≥ 38%

10. Aantal problematische drugsverslaafden per 1 000 inwoners

3,1

1,6

≤ 1,6

11. Aantal spoedeisende hulpbehandelingen in ziekenhuizen door privéongevallen en sportblessures

700 000

650 000

650 000

640 000

630 000

Bron

1. Trendpublicatie percentage rokers, Stivoro. Percentage rokers in de Nederlandse bevolking 1985–2011

2. CBS Statline: Leefstijl, preventief onderzoek; persoonskenmerken lengte en gewicht

3 en 4. VTV 2010, http://www.vtv2010.nl/object_binary/o9228_RIVM02-Gezondheid-en-determanten-VTV-2010.pdf , pagina 58.

5. CBS Statline: Leefstijl, preventief onderzoek; persoonskenmerken lengte en gewicht

6 en 7. VTV 2010, http://www.vtv2010.nl/object_binary/o9228_RIVM02-Gezondheid-en-determanten-VTV-2010.pdf , pagina 58.

8. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), via www.Statline.nl van Centraal Bureau voor de Statistiek

9. Health Behaviour in School-aged Children, Trimbos Instituut, zie www.trimbos.nl

10. Jaarbericht Nationale Drug Monitor 2009, Trimbos instituut, 2010, zie www.trimbos.nl

11. Letselinformatiesysteem 2001–2009 (Consument en Veiligheid) en CBS, zie www.veiligheid.nl en www.cbs.nl.

Zoals uit dit initiatief blijkt, richt dit kabinet zich met preventie met voorrang op jongeren. Grensoverschrijdend gedrag als gevolg van overmatig alcoholgebruik is zorgwekkend. Betere handhaving en het kunnen optreden tegen drinkende jongeren onder de 16 moeten dit terugdringen.

Het voorkómen van seksueel grensoverschrijdend gedrag is te prefereren. Dit kabinet vindt het stimuleren van weerbaarheid en het bevorderen van gezond seksueel gedrag onder jongeren van groot belang. In het Nationaal soa/hiv plan 2012–2016 «Bestendigen en versterken», dat in 2011 aan de Tweede Kamer is verzonden (TK 29 220, nr. 17), wordt hier aan ook aandacht besteed. Het kabinet vindt het van belang dat jongeren worden bereikt via hun directe omgeving en op een manier die aansluit bij hun belevingswereld (zoals via sociale media).

Indicator (output)
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Streefwaarde 2012

Aantal opgespoorde seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s)

               

a. Gonorroe

1 623

1 757

1 827

1 964

2 422

2 815

≥ 2 815

b. Chlamydia

5 988

7 085

7 801

9 403

9 771

11 526

≥ 11 526

Bron

Een opgespoorde seksueel overdraagbare aandoening (soa) is het startpunt voor behandeling. Het aantal soa’s zal voorlopig toenemen. De reden hiervoor is dat er meer testen worden uitgevoerd en daardoor dus meer gevallen gevonden worden. Er is (nog) geen exacte opgave te geven van onderrapportage van het aantal geslachtsziekten. De indicator wordt jaarlijks geactualiseerd. Gonorroe en Chlamydia zijn de meest voorkomende soa’s. Deze cijfers betreffen de diagnosen afkomstig van de soa-centra, dus exclusief huisartsen cijfers.

Eigen kracht benutten

Een samenleving waarin mensen oog hebben voor elkaar en zich om elkaar bekommeren maakt het mogelijk dat mensen (ook met hun beperkingen) zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen. Ook mensen met beperkingen die daartoe in staat zijn, willen regie kunnen voeren over hun eigen situatie en verantwoordelijkheid nemen voor het organiseren van de daarvoor benodigde ondersteuning. Deze (informele-) ondersteuning wordt voor een groot deel gegeven door mantelzorgers en vrijwilligers. 2011 was het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk. Doel van het jaar was om onder meer de vele vrijwilligers die Nederland rijk is, in de schijnwerpers te zetten. Dit is onder meer gebeurd door een digitale complimentencampagne, het uitreiken van awards, de week van het applaus en een Europese week met allerlei inhoudelijke bijeenkomsten voor vrijwilligersorganisaties en gemeenten. In het afgelopen jaar zijn verder activiteiten ondernomen om de ondersteuning van de mantelzorgers te versterken: het opstellen en verspreiden van een handreiking mantelzorg voor huisartsen; het project Goed voor elkaar van Movisie; het project Werk en mantelzorg bij het Rijk; en het project Kwaliteit door Mezzo.

Indicatoren (outcome)
 

2002

2008

2010

2011

Streefwaarde

≥ 2012

1. Aantal mantelzorgers (x 1 miljoen)

2,6

≥ 2,6

2. Percentage vrijwillige inzet van het aantal mensen van 18 jaar en ouder.

42%

42%

44,7%

≥42%

≥42%

Bron

1. Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) «Mantelzorg uit de doeken», 2010.

2. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS): rapport Vrijwillige inzet 2010 , september 2011.

Het CBS meet iedere twee jaar de deelname aan vrijwilligerswerk in het kader van het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS). De CBS-meting 2011 is aan de tabel toegevoegd.

Om de situatie van zwerfjongeren te verbeteren is in het Plan van aanpak maatschappelijke opvang tweede fase – dat in april 2011 tussen Rijk en vier grote steden (G4) is afgesloten – expliciet aandacht besteed aan het voorkomen of het op eigen benen laten staan van zwerfjongeren. Vanaf eind 2011 organiseert het ministerie van VWS een «Tour Zwerfjongeren». In de «Tour Zwerfjongeren» worden de 43 centrumgemeenten stuk voor stuk benaderd en ondersteund om te kijken hoe zij hulp aan en begeleiding van zwerfjongeren kunnen verbeteren.

Patiënten en gehandicaptenorganisaties

Het kabinet heeft grote waardering voor de vele vrijwilligers die zich iedere dag met hart en ziel inzetten voor het werk van de patiënten- en gehandicaptenorganisaties (pg-organisaties). Mensen krijgen van pg-organisaties informatie over hoe zij hun leven zo goed mogelijk kunnen inrichten en hoe zij het best voor zichzelf of hun naasten kunnen zorgen. Bovendien hebben deze organisaties kennis waarmee zorg en ondersteuning kunnen worden verbeterd. Pg-organisaties zijn daarmee voor de zorg van blijvende maatschappelijke waarde.

Tegelijkertijd kunnen deze organisaties nog meer winst behalen. In de Visiebrief «Bundel je kracht, samen sterk» (TK 29 214, nr. 59) zijn door dit kabinet de contouren geschetst voor het verstrekken van subsidies aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties op grond van de Kaderregeling VWS-subsidies. In het kader van de bezuinigingsbijdrage die ook de zorg moet leveren, is gekeken hoe we met minder geld toch meer hulp voor patiënten kunnen realiseren. Ook in de nieuwe setting wil het kabinet via een gerichte bijdrage pg-organisaties ondersteunen om mensen te helpen regie te voeren over hun eigen situatie en hun eigen verantwoordelijkheid te nemen voor de daarvoor benodigde ondersteuning. Bundeling van kracht is in dit kader essentieel om patiëntenverenigingen effectiever en efficiënter te laten opereren en hun invloed sterker aan te wenden.

Geweld en mishandeling worden niet geaccepteerd

Geweld is erg, maar geweld jegens iemand die jong, oud, onmachtig of kwetsbaar is en daardoor afhankelijk, is nog erger. Het kabinet zet zich in voor een duurzaam stelsel van hulp aan en opvang van slachtoffers en plegers van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Onder geweld in afhankelijkheidsrelaties verstaan we alle geweld dat voorkomt in huiselijke kring, in professionele setting en in de vrijwilligerssector (TK 31 015, nr. 69). Het kabinet heeft in een brief aan de Tweede Kamer het beleid ten aanzien van de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties verder uiteengezet (TK 28 345, nr. 117). In de aanpak zijn drie pijlers maatgevend voor de maatregelen die we nemen: het versterken van de positie van (potentiële) slachtoffers (voorkomen, signaleren, stoppen en opvang, schade beperken); het gericht opsporen en aanpakken van de daders; en het doorbreken van de overdracht van geweld tussen generaties.

Het kabinet heeft daarnaast aangekondigd maatregelen te nemen tegen ouderenmishandeling. In het Actieplan «Ouderen in veilige handen» zijn tien concrete acties uitgewerkt om ouderenmishandeling te bestrijden (TK 29 389, nr. 30). Het actieplan voorziet onder meer in de komst van mentoren die ouderen kunnen ondersteunen in geval van mishandeling. Ook komt er een campagne die ouderen over de drempel moet helpen om misstanden te melden En er komt een meldplicht voor mishandeling gepleegd door professionals.

In 2011 is tevens het Actieplan aanpak kindermishandeling «Kinderen veilig 2012–2016» naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 31 015, nr. 69). Het actieplan is gericht op het voorkomen, signaleren, stoppen en beperken van de schadelijke gevolgen van kindermishandeling. In het verlengde hiervan is het concept wetsvoorstel Verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling bij de Tweede Kamer ingediend (TK 33 062, nrs. 1–4). Met behulp van de meldcode weten professionals beter hoe te handelen bij signalen van dit geweld.

Financieel beeld op hoofdlijnen

In 2011 bedroeg de totale overschrijding van het Budgettair Kader Zorg (BKZ) ten opzichte van de ontwerpbegroting bijna € 2 miljard. Het grootste deel van deze overschrijding van € 1,6 miljard vloeit voort uit de actualisering van de zorguitgaven. Tegenvallers deden zich voor onder meer bij de huisartsen (€ 122 miljoen), paramedische zorg (€ 74 miljoen), ziekenhuizen (€ 294 miljoen), medisch specialisten (€ 143 miljoen), ZBC’s (€ 238 miljoen), geneeskundige ggz (€ 369 miljoen), zorg in natura door AWBZ-instellingen (€ 644 miljoen). Anderzijds waren er lagere uitgaven bij de genees- en hulpmiddelen (€ 352 miljoen).

De zorguitgaven mogen deze kabinetsperiode stijgen met vijftien miljard euro1. Het kabinet treft maatregelen om ervoor te zorgen dat aan het einde van deze kabinetsperiode niet méér dan dit bedrag wordt uitgegeven. In 2011 zijn daarom flinke stappen gezet om de zorguitgaven te beheersen. Er is een Bestuurlijk Hoofdlijnenakkoord gesloten met de ziekenhuissector waarmee de overheid, zorgaanbieders en verzekeraars gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben genomen ten aanzien van een beheerste kostenontwikkeling van de ziekenhuiszorg. Partijen hebben ook de gezamenlijke intentie om de uitgavengroei structureel te beheersen door het uitwerken van een inhoudelijke agenda die uitgaat van selectieve inkoop van zorg op basis van prijs, kwaliteit, gepast gebruik en terugdringen van ongewenste praktijkvariatie. Daarnaast wordt ingezet op spreiding en concentratie van ziekenhuisfuncties waar dit wenselijk is en ontwikkeling van veiligheidsmanagementsystemen.

Ook in de langdurige zorg is gewerkt aan een majeure veranderagenda met een afgewogen pakket aan maatregelen. Voorbereidingen zijn getroffen om te komen tot de implementatie van pgb-maatregelen, het scheiden van wonen en zorg in de AWBZ en de overheveling van taken in het kader van begeleiding en jeugdzorg naar de gemeenten omdat ze daar beter en goedkoper kunnen worden uitgevoerd.

Het kabinet heeft in 2011 ook maatregelen getroffen om eerdere structurele tegenvallers op te vangen. Uitgangspunt daarbij is dat overschrijdingen zoveel mogelijk worden teruggehaald in de sectoren waar zij zich voordoen. In 2011 zijn de medisch specialisten en ziekenhuizen gekort. Bij de farmaceutische hulp zijn ook maatregelen getroffen. Dit heeft geleid tot de vervanging naar middelen met lagere prijzen en prijsverlagingen onder invloed van het preferentiebeleid van zorgverzekeraars. Tevens is de mondzorg voor 18–21-jarigen uit het basispakket gehaald. Binnen de langdurige zorg is de contracteerruimte verlaagd. Tevens is in 2011 een aantal maatregelen genomen ten aanzien van de persoonsgebonden budgetten. De tarieven zijn verlaagd en de toegang en controle van het gebruik van pgb’s is aangescherpt.

Tabel 1. Ontwikkeling van de geraamde kosten en besparingen van maatregelen die zijn aangekondigd in de begroting 2011 (bedragen x € 1 000 000)
 

Ontwerpbegroting 2011

Actualisatie 2011

Gezondheidszorg

   

Eerstelijnszorg

– 111,0

– 87,0

1. Verloskunde

24,0

24,0

2. Verhoging eigen bijdrage fysiotherapie

– 30,0

– 30,0

3. Pakketmaatregel tandheelkunde 18–21 jaar

– 100,0

– 76,0

4. Pakketmaatregel extracties door tandheelkundige specialisten

– 5,0

– 5,0

     

Ziekenhuizen, medisch specialisten en overig curatief

– 1 000,0

– 644,0

5. Maatregel medisch specialisten (doorwerking 2010)

– 137,0

– 137,0

6. Intertemporele compensatie korting medisch specialisten (schuif 2010)

– 33,0

– 33,0

7. Aanvullende tariefsmaatregel medisch specialisten 2011

– 136,0

– 94,0

8. Korting ziekenhuizen

– 549,0

– 235,0

9. Functionele bekostiging eerstelijnsdiagnostiek

– 60,0

– 60,0

10. Zorgstandaarden

– 40,0

– 40,0

11. Stepped care

– 30,0

– 30,0

12. Veiligheidsprogramma's

– 15,0

– 15,0

     

Ziekenvervoer

– 13,0

– 13,0

13. Efficiencymaatregel ambulances

– 13,0

– 13,0

     

Genees- en hulpmiddelen

– 266,5

– 196,0

14. Farmaceutische hulp

– 105,0

– 105,0

15. Uitbreiding inkoopbeleid zorgverzekeraars ten aanzien van geneesmiddelen

– 30,0

– 30,0

16. Onder verantwoordelijkheid van de ziekenhuissector brengen van bepaalde dure geneesmiddelen

– 50,0

0,0

17. Pakketmaatregel anticonceptie > 21 jaar

– 32,0

– 32,0

18. Pakketmaatregel beperkte vergoeding antidepressiva

– 20,0

– 20,0

19. Beweegkuur opnemen in pakket

– 9,0

– 9,0

20. Pakketmaatregel mobiliteitshulpen

– 20,5

0,0

     

Geestelijke gezondheidszorg

– 110,0

0,0

21. Invoering eigen bijdrage tweedelijns ggz

– 110,0

0,0

Totaal

– 1 500,5

– 940,0

Langdurige zorg

   

Zorg in natura

– 262,0

– 202,0

22. Beëindigen bonus-malusregeling

– 60,0

– 60,0

23. Contracteerruimte verlagen

– 142,0

– 142,0

24. Verhogen van de minimale eigen bijdrage

– 60,0

0,0

     

Persoonsgebonden budgetten

– 210,0

– 210,0

25. Persoonsgebonden budgetten

– 210,0

– 210,0

     

Overige langdurige zorg

– 98,4

– 98,4

26. Inzet reserve AWBZ-knelpunten

– 98,4

– 98,4

Totaal

– 570,4

– 510,4

Bron: VWS, Nza-gegevensover productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ-gegevens over voorlopige financieringslasten Zvw en AWBZ.

Overige indicatoren en kengetallen

Het voorgaande beleidsverslag biedt geen compleet overzicht van de behaalde doelen in 2011, maar geeft een overzicht van de meest relevante ontwikkelingen en in gang gezette en gerealiseerde beleidsmaatregelen op het terrein van volksgezondheid, welzijn en sport. In onderstaande tabel worden een aantal overige indicatoren en kengetallen uit de begroting 2011 inclusief de gerealiseerde waarde weergegeven.

Indicatoren
 

2000

2003

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Streefwaarde ≥ 2012

1. Absolute levensverwachting in jaren:

                   

– mannen

75,5

76,2

77,2

 

78,0

78,3

78,5

78,8

≥ 78,8

– vrouwen

80,6

80,9

81,6

 

82,3

82,3

82,6

82,7

≥ 82,7

2. waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:

                   

– mannen

61,5

62,4

62,5

 

64,7

63,7

65,3

63,9

≥ 65,3

– vrouwen

60,9

61,6

61,8

 

63,4

63,5

63,8

63,0

≥ 63,8

3. Percentage gemeenten met een 2e nota gezondheidsbeleid

       

14%

45,8% (juli)

71,2% (juli)

90,5% (dec)

4. Congruentie GGD’en /GHOR met veiligheidsregio’s

       

68% (mei)

 

76% (jan)

80% (jan)

88% (jan)

100%

5. Percentage deelname aan Rijksvaccinatieprogramma

   

95,8%

94,3%

94,0%

94,5%

95,2%

95,0%

95,4%

≥ 95%

6. Percentage deelname aan griepvaccinatieprogramma (seizoensgriep)

   

76,9%

74,5%

73,5%

71,5%

70,4%

68,9%

≥ 72%

7. Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek borstkanker

   

81,7%

81,9%

82,4%

82,0%

81,5%

80,7%

≥ 83%

8. Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker

   

65,5%

66,0%

66,0%

64,6%

63,8%

≥ 65%

9. Percentage deelname aan hielprik

     

99,9%

99,9%

99,8%

99,8%

≥ 99%

10. Aantal donoren (exclusief levende donoren)

   

217

200

257

201

215

216

221

 

11. Percentage ambulances dat binnen 15 minuten ter plaatse is bij spoed/ levensbedreigende situaties

   

91%

91%

92%

92%

92%

≥ 92%1

≥ 95%

12. Percentage bevolking dat binnen 30 minuten een SEH afdeling met de auto kan bereiken

   

98%

99,4%

99,7%

99,4%

99,3%

≥99,41

≥ 95%1

 

13. Percentage poliklinieken waar je binnen drie weken een afspraak hebt

   

78,2%

82,0%

80,3%

74,3%

72%

≥ 72%1

≥ 74,3%

14. Percentage burgers dat binnen 4 weken een afspraak heeft voor aanmelding bij een tweedelijns ggz-aanbieder

   

77%

74%

71%

72%

72%

≥ 72%1

≥ 72%1

80%

15. Aantal verwijzingen van huisartsen naar de tweedelijn (per 1 000 patiënten)

     

171

174

188

200

198

2001

174

16. Aantal multidisciplinaire samenwerkingsverbanden in de eerstelijn

       

1 674

1 782

1 775

≥ 1 7821

1 800

17. Percentage ziekenhuizen dat de CQ-index meet

             

in ontwikkeling

in ontwikkeling

 

18. Percentage huisartsen dat de CQ-index meet

             

voorbereiding

voorbereiding

 

19. Percentage ggz-instellingen dat de CQ-index meet

                   

– Ambulant

             

verplicht

verplicht

verplicht > 90%

– Klinisch/langdurig

             

in ontwikkeling

facultatief

facultatief

20. Score ggz-instellingen op de indicator «bejegening patiënten»

                   

– Ambulant

             

verplicht

verplicht

stabilisatie gemiddelde

– Klinisch/langdurig

             

in ontwikkeling

facultatieve uitvraag

facultatief

21. Ontwikkeling ketenzorgindicatoren voor diabetes mellitus

             

verplicht

verplicht

data beschikbaar op zorgniveau

22. Ontwikkeling ketenzorgindicatoren voor cardiovasculair risicomanagement

             

in ontwikkeling

facultatieve uitvraag

data beschikbaar op zorgniveau

23. Ontwikkeling ketenzorgindicatoren voor COPD

             

invoering

data beschikbaar op zorgniveau

data beschikbaar op zorgniveau

24. Klanttevredenheid over Valys

       

7,1

8,0

8,5

8,6

8,7

> 8,7

25. Percentage 65+ dat extramuraal woont

       

92,9%

93,0%

93,3%

93,7

93,9

> 93,2%

26. Percentage van de Nederlandse bevolking dat lid is van een sportvereniging

 

35%

   

34%

     

38%1

 

27. Percentage van de Nederlandse bevolking dat als vrijwilliger in de sport actief is

8%

11%

   

10%

     

13%1

 

28. Percentage van de bevolking dat (veel) belang aan 4 mei hecht

         

85%

86%

80%

86%

86%

29. Percentage van de bevolking dat (veel) belang aan 5 mei hecht

         

79%

77%

80%

78%

80%

Bron

1. CBS-Statline. De levensverwachting van in Nederland geboren meisjes in 2010 bedroeg 82,7 jaar. Dat is 4 jaar hoger dan die van jongens (78,8 jaar). Sinds 1980 is het verschil in levensverwachting tussen de seksen kleiner geworden. Mannen boekten vanaf 1980 een winst van 6,1 jaar, vrouwen zijn gemiddeld 3,2 jaar ouder geworden. De verklaring is de sterke daling van de sterfte: ondanks de vergrijzing is in de periode 2002–2007 het aantal sterfgevallen ieder jaar gedaald.

2. CBS StatLine – Gezonde levensverwachting vanaf 1981. Voor het berekenen van levensverwachting in als goed ervaren gezondheid is het aantal «gezonde» jaren bepaald op basis van een vraag naar de ervaren gezondheid. In de loop der jaren is de vraag naar de ervaren gezondheid op twee (vrijwel identieke) manieren gesteld, namelijk:

1. Hoe is het over het algemeen met uw gezondheid?

2. Hoe is over het algemeen de gezondheidstoestand van onderzochte persoon?

Mensen die deze vraag beantwoorden met «goed» of «zeer goed» worden gezond genoemd.

3. RIVM: Nationale Atlas Volksgezondheid

4. RIVM, Nationale Atlas Volksgezondheid. Het betreft hier de congruentie van de buitengrenzen van de GGD’en met de veiligheidsregio’s. Dit betekent dat de buitengrenzen van GGD’en gelijk zijn aan de buitengrens van één veiligheidregio.

5. Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland. Verslagjaar 2011 – RIVM rapport 210021014.

Voor het verslagjaar 2011 is dit percentage 95,4%. Dit betreft het percentage kinderen geboren in 2008 dat basisimmuun is voor DKTP vóór het bereiken van hun 2–jarige leeftijd

6. www.nivel.nl. De cijfers vanaf 2008 zijn niet vergelijkbaar met voorgaande jaren, onder andere doordat de leeftijdsgrens van 65 naar 60 is verlaagd in het najaar 2008.

7. Landelijk EvaluatieTeam bevolkingsonderzoek Borstkanker (LETB) Erasmus MC Rottterdam. http://www.lrcb.nl/userdata/site_124/documents/Kennisnet/Radiologen/LETBtusrap0809_28nov2011.pdf

8. Erasmus MC. Landelijke Evaluatie Bevolkingsonderzoek naar Baarmoederhalskanker (LEBA). Rapportage 2009. Het cijfer over 2009 wordt in 2011 verwacht.

9. TNO, evaluatie van de neonatale hielprikscreening bij kinderen geboren in 2009.

10. Nederlandse Transplantatie Stichting , jaarlijkse meting. Betreft het aantal postmortale orgaandonoren uit Nederland van wie minstens een orgaan is getransplanteerd in binnen- of buitenland.

11. RIVM, Zorgbalans .

12. RIVM, Zorgbalans .

13. RIVM, Zorgbalans . Dit betreft de verwachte wachttijd zoals opgegeven door ziekenhuizen.

14. GGZ Nederland, wachttijden in de ggz-instellingen laatste meting is over 2009).

15. NIVEL, Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (LINH) (jaarlijkse meting). De streefwaarde is gebaseerd op een stabiel blijvend aantal verwijzingen naar de tweedelijn, ondanks de toenemende druk op de eerstelijnszorg.

16. NIVEL, Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (LINH), (jaarlijkse meting

17. VWS

18. VWS

19. VWS

20. VWS

21. VWS via Zichtbare Zorg en Coördinatieplatform Zorgstandaarden.

22. VWS via Zichtbare Zorg en Coördinatieplatform Zorgstandaarden.

23. VWS via Zichtbare Zorg en Coördinatieplatform Zorgstandaarden.

24. Jaarlijks tevredenheidonderzoek Valys.

25. CBS (cijfers demografie) en NZa (cijfers over aantal intramurale plaatsen). De cijfers over 2010 en 2011 zijn voorlopige cijfers.

26. Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek, dat eens in de vier jaar door het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt uitgevoerd. Het eerstvolgende onderzoek heeft betrekking op 2011. Deze indicator geeft aan hoeveel Nederlanders lid zijn van een sportvereniging. Dat is een indicatie van meedoen in de maatschappij.

27. Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek, dat eens in de vier jaar door het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt uitgevoerd. Het eerstvolgende onderzoek heeft betrekking op 2011. Deze indicator geeft aan hoeveel Nederlanders als vrijwilliger actief zijn binnen de sport. Dat is een indicatie van meedoen in de maatschappij.

28. Nationaal Comité 4 en 5 mei. Deze indicator wordt jaarlijks gemeten.

29. Nationaal Comité 4 en 5 mei. Deze indicator wordt jaarlijks gemeten.

1

= streefwaarde

Indicator (outcome)
 

Waarde

Peildatum

Streefwaarde lange termijn

1. Positie van Nederland in de medaillespiegel van de Olympische Zomerspelen

12e plaats

Augustus 2008

Positie bij de eerste tien (2012)

2. Positie van Nederland in de medaillespiegel van de Olympische Winterspelen

10e plaats

Februari 2010

Positie bij de eerste tien (2014)

Bron

De bronnen zijn de World Sports Nations Index van NOC*NSF en de Medaillespiegels van de meest recente Olympische Spelen. In de World Sports Nations Index zijn de uitslagen verwerkt van alle medaille-evenementen van de laatst gehouden Wereldkampioenschappen.

Deze prestatie-indicatoren geven aan in hoeverre Nederland erin slaagt om zich te scharen bij de top tien van

topsportlanden.

Kengetallen
 

2007

2008

2009

2010

2011

1. Aantal pashouders met standaard pkb Valys

168 876

209 592

257 744

300 210

346 062

2. Aantal pashouders met hoog pkb Valys

6 588

7 444

8 128

8 478

9 142

3. Totaal aantal pashouders Valys

175 464

217 036

265 872

308 688

355 204

4. Percentage van het aantal Valys-pashouders dat daadwerkelijk reist met bovenregionaal vervoer gehandicapten

63,5%

59,5%

54,7%

51,9%

48,8%

Bron

Managementinformatie Valys conform de maandelijkse facturen van de vervoerder. Het aantal pashouders neemt maandelijks toe.

pkb = persoonlijk kilometer budget

Kengetallen

Participatie-indexcijfer

2007

2008

2009

2010

Totale groep 

105

104

104

104

         

Geslacht

       

Man

103

100

101

98

Vrouw (ref.)

105

106

106

106

         

Leeftijd

       

15–39

120

114

117

115

40–64 (ref.)

109

108

105

105

65 jaar en ouder

94

94

99

98

         

Opleidingsniveau

       

Laag

95

94

97

98

Midden (ref.)

110

109

110

104

Hoog

125

121

118

121

         

Ernst van de beperking

       

Licht (ref.)

114

112

114

111

Matig

101

99

100

100

Ernstig

78

80

79

83

Bron

Nivel, Participatiemonitor. Basisjaar 2006=100. De participatie van mensen met een beperking wordt sinds 2006 gemeten. De participatie van ouderen sinds 2009.

Voor mensen met een beperking onderzoekt het Nivel de participatie voor de domeinen sociale contacten, wonen, werk, vrijetijdsbesteding, vervoer en opleiding. Door het Nivel wordt jaarlijks aan een steekproef van personen uit hun patiëntenpanel «mensen met een beperking of chronische ziekte» een vragenlijst voorgelegd over hun activiteiten op genoemde domeinen. Uit deze resultaten wordt vervolgens een indexcijfer over de feitelijke totale participatie op deze domeinen bepaald.

Deze participatie wordt weergegeven met het participatie-indexcijfer voor zelfstandig wonende mensen met een lichamelijke beperking van 15 jaar en ouder. Over het algemeen is de participatie van mensen met een lichamelijke beperking vanaf 2006 niet toe- of afgenomen. Ook de participatie van mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking is over het algemeen vanaf 2006 gelijk gebleven.

Kengetal
 

1-7-2007 t/m

30-6-2008

1-7-2008 t/m

30-6-2009

1-7-2009 t/m

30-6-2010

1-7-2010 t/m 30-6-2011

1. Zorgplaatsen via high-care hospices

1 753

1 190

1 249

1 353

2. Zorgplaatsen via bijna-thuishuizen

1 969

2 474

2 595

2 529

3. Thuisplaatsen

4 375

4 553

4 553

4 553

Totaal aantal zorgplaatsen

8 097

8 217

8 397

8 435

Bron

VWS. De middelen uit de subsidieregeling palliatieve terminale zorg zijn bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die organisaties maken voor de coördinatie van vrijwilligers die ingezet worden in palliatief terminale situaties. De regeling is nadrukkelijk niet bedoeld om het aantal zorginzetten groter te maken. De verdeling van de middelen vindt plaats op basis van het aantal zorginzetten in de periode voorafgaand aan de aanvraag. In dit kader kan het aantal zorgplaatsen als kengetal dienen in de monitoring van de regeling, maar zijn daar niet primair voor bedoeld en dienen niet om het succes van de regeling aan af te meten.

Kengetal
 

2008

2009

2010

2011

1. Aantal personen dat instroomt in het eerste jaar van de huisartsenopleiding

538

582

588

618

2. Aantal personen dat instroomt in het eerste jaar van de opleiding tot medisch specialist

950

1 059

1 057

1 209

Bron

1. SBOH. De cijfers tot en met 2010 hebben betrekking op de gerealiseerde instroom conform jaarverslagen SBOH. Het cijfer 2011 betreft de toegestane instroomcapaciteit.

2. Toewijzingskader VWS. De cijfers hebben betrekking op de maximaal door VWS gefinancierde instroom in één van de opleidingen vallend onder de subsidieregeling zorgopleidingen eerste tranche (zijnde de erkende medisch specialismen, inclusief de erkende bèta beroepen en tandzorg specialismen, maar exclusief psychiatrie).

1

De uitgavengroei van 15 miljard euro is gebaseerd op de aan het begin van deze kabinetsperiode (in de zogenoemde «Startbrief») vastgestelde uitgaven.

Licence