Base description which applies to whole site

Beleidsartikel 4. Meer welvaart, eerlijke verdeling en minder armoede

A. Algemene doelstelling

Het bestrijden van structurele armoede en het bevorderen van duurzame economische groei en zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden.

Duurzame economische groei en een overheid die deze groei mogelijk maakt en doeltreffend armoedebeleid voert, leiden tot zelfredzaamheid. Meewegen van ontwikkelingsbelangen in nationale en internationale beleidsvoering – beleidscoherentie voor ontwikkeling – voorkomt negatieve gevolgen van niet-hulpbeleid op ontwikkeling. Hiermee worden ontwikkelingslanden op termijn minder afhankelijk van hulp.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een financierende rol:

  • De Minister financiert diverse programma’s gericht op duurzame economische ontwikkeling en armoedevermindering, uitgevoerd door multilaterale instellingen, internationale organisaties, lokale overheden, centrale programma uitvoerders, via ambassades of via publiek-private partnerschappen;

  • Daarnaast vindt niet-geoormerkte financiering plaats van verschillende multilaterale instellingen die een sleutelrol spelen bij de aanpak van armoedebestrijding vraagstukken.

De Minister heeft een regisserende rol:

  • De regisserende rol van de Minister komt tot uiting in het coördineren van verschillende initiatieven op het gebied van private sector ontwikkeling, voedselzekerheid en armoedebeleid;

  • In multilateraal verband speelt de Minister een effectieve rol in het debat over grotere effectiviteit en hervorming van armoedebestrijding en over onder andere innovatieve financiering, marktontwikkeling en markttoegang;

  • Daarnaast speelt de Minister een centrale rol in het ontsluiten van de Nederlandse kennis en kunde op gebied van voedselzekerheid, bijvoorbeeld door het stimuleren van samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en de private sector.

De Minister heeft een stimulerende rol:

  • Op gebied van voedselzekerheid wordt ingezet via intensieve samenwerking en een mix van doelgerichte activiteiten en instrumenten (bilateraal, multilateraal, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en de private sector). De totale inzet op het gebied van private sector ontwikkeling is via de steun aan diverse nationale en internationale programma’s die het ondernemingsklimaat in ontwikkelingslanden stimuleren. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken;

  • Op het gebied van armoedebestrijding bestaat de stimulerende rol van de Minister ook uit het bevorderen van effectief, resultaatgericht en transparant armoedebeleid, zodat belastinggelden verantwoord worden besteed en samenwerking met private en maatschappelijke partners beter gefundeerd.

C. Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Wel liet het Initiatief Duurzame Handel (IDH) uitzonderlijke resultaten zien, waarbij in het theeprogramma het inkomen van ruim 350.000 kleine boeren en landarbeiders in de afgelopen 4 jaren met minstens 25% omhoog is gegaan. In het katoenprogramma zijn daarnaast 90.000 boeren bereikt, die daardoor meer winst – tussen de 8 en 35% – zijn gaan maken. Het IDH cacaoprogramma laat ook grote productiviteits- en inkomstenverbeteringen zien (>50 %). Het thema landrechten is in 2013 door de politieke aandacht voor landroof centraler op de agenda gekomen. Zo investeerde Nederland in Rwanda, Benin en Mozambique in verbetering van de landrechten van boeren en boerinnen. In Rwanda zijn inmiddels 4,5 miljoen landtitels uitgegeven, waarvan 24% aan vrouwen.

Naar aanleiding van de dramatische gebeurtenissen in de textiel industrie in Bangladesh is besloten om de inspanningen op het gebied van MVO en arbeidsomstandigheden in 2013 te intensiveren. Nederland coördineert, middels de ingestelde taskforce, de inzet van donoren op politiek niveau, draagt met OS middelen bij aan het ILO programma voor de textielsector in Bangladesh en werkt samen met relevante brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties en internationale organisaties.

In december 2013 heeft het IOB de beleidsdoorlichting van het beleid gericht op private sector ontwikkeling afgerond. Het rapport is beschikbaar na behandeling in de MR begin 2014.

Naar aanleiding van het IOB-rapport «Working with the Worldbank; Evaluation of Dutch World Bank policies and funding (2000–2011)» zijn stappen gezet om de Nederlandse Trust Fund portefeuille te consolideren. Dit moet leiden tot het vergroten van de beleidscoherentie en het terugdringen van de bestaande fragmentatie. Hier zijn concrete afspraken met het management van de Wereldbank Groep over gemaakt.

Naast de gebruikelijke HIPC en MDRI compensatie is EUR 1,9 miljoen schuldverlichting verleend aan Birma/Myanmar.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 4 Meer welvaart, eerlijke verdeling en minder armoede (x EUR 1.000)
     

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Vastgestelde begroting 2013

Verschil 2013

Verplichtingen

 

773.548

1.648.290

316.105

749.287

– 433.182

               

Uitgaven:

Instrument

         
               

Programma-uitgaven totaal

 

823.828

846.230

928.802

921.679

7.123

               

4.1

Voedselzekerheid

 

20.386

277.589

340.290

303.105

37.185

               
 

Bijdragenovereenkomst

waarvan landenprogramma's

   

133.229

113.992

19.237

 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

waarvan IFDC/CGIAR/IFPRI

   

38.523

33.600

4.923

   

waarvan IFC/FMO

   

41.466

46.390

– 4.924

   

waarvan IFAD

   

24.000

0

24.000

   

waarvan PPP (IDH en Agentschap)

   

35.106

69.243

– 34.137

 

Subsidie

waarvan NUFFIC

   

15.000

15.000

0

   

waarvan Agriterra

   

15.100

12.310

2.790

   

waarvan Solidaridad

   

6.437

0

6.437

             

4.2

Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden

 

425.952

264.266

308.876

256.936

51.940

             

 

Bijdragenovereenkomst

waarvan Landenprogramma's

   

39.245

83.474

– 44.229

 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

waarvan WB/Afdb

   

44.402

44.402

0

   

waarvan UNDP

   

57.500

55.500

2.000

   

waarvan UNCEF

   

34.000

34.000

0

   

waarvan Multilatere banken en fondsen

   

126.738

119.139

7.599

 

Nog te verdelen i.v.m. wijzigingen in BNP en/of toerekeningen

     

0

– 82.017

82.017

               

4.3

Private sector ontwikkeling

 

371.651

298.152

268.311

354.678

– 86.367

               
 

Bijdragenovereenkomst

Landenprogramma's

   

18.543

58.366

– 39.823

 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

Marktontwikkeling via WB/WTO/WHO/IFC

   

34.773

34.831

– 58

   

Financiele sector ontwikkeling via WB/FMO/AfDB

   

15.608

11.514

4.094

   

PIDG

   

0

7.743

– 7.743

   

Diversen

   

19.009

24.450

– 5.441

 

Subsidie

PUM

   

15.622

12.540

3.082

   

MOL fonds via FMO

   

33.880

26.484

7.396

 

Bijdragen aan agentschappen

ORIO

   

25.927

66.200

– 40.273

   

Bedrijfsleveninstrumentarium

   

73.307

79.043

– 5.736

   

CBI

   

31.642

25.026

6.616

               
               

4.4

Effectieve Nederlandse handels- en investeringsbevordering

 

5.839

6.223

11.325

6.960

4.365

               
 

Bijdragen aan agentschappen

NBSO

   

11.325

6.960

4.365

               

Ontvangsten

 

65.699

57.045

78.619

57.363

21.256

             

4.20

Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen

 

34.523

25.869

59.248

57.363

1.885

               

4.21

Diverse ontvangsten OS

 

31.176

31.176

19.371

0

19.371

E. Toelichting

Verplichtingen

De lagere realisatie van verplichtingen is het saldo van verschillende mutaties. Voor het voedselzekerheidsprogramma zijn de verplichtingen hoger uitgevallen dan begroot. Zoals ook bij Tweede Suppletoire Wet is vermeld is de stijging veroorzaakt door nieuwe programma’s binnen de partnerlanden op het gebied van landbouwmanagement, visserij, tuinbouw en voedselzekerheid in enge zin. Binnen de publiek private partnerschappen zijn diverse committeringen aangegaan als uitwerking van één van de vier pijlers binnen het thema, deze zijn hoger uitgevallen dan begroot. De committeringen die zijn aangegaan voor het nieuwe kennisprogramma voor voedselzekerheid en private sector development zijn eveneens hoger uitgevallen dan begroot. Om budgettaire redenen heeft een decommittering op FMO MASSIF+ plaatsgevonden.

De verplichting voor de dertiende middelenaanvulling voor de African Development Bank is in 2013 niet aangegaan, omdat het door Nederland te ondertekenen Instrument of Commitment niet in 2013 is ontvangen. Daarnaast is in 2012 een tweejarige verplichting voor de United Nations Development Programme (UNDP) aangegaan, waardoor deze in 2013 komt te vervallen. De realisatie is tevens lager als gevolg van de neerwaartse bijstelling van de garantieverplichtingen van NIO-leningen (kapitaalmarktleningen) van zowel de aflossing als de rente voor de komende jaren. Dit komt mede door de schuldverlichting voor Myanmar die in 2013 heeft plaatsgevonden.

Voor het ORET-ORIO programma zijn de verplichtingen lager uitgevallen dan begroot. Binnen het ORET programma heeft een vrijval van middelen plaatsgevonden en binnen het ORIO programma heeft de tweede call for proposals geen doorgang gevonden. De verplichtingen voor het Infrastructure Development Fund (MOL fonds FMO) zijn hoger uitgevallen dan begroot vanwege nieuwe realisaties. Het programma gericht op duurzame economische ontwikkeling is vanwege budgettaire redenen geschrapt. Als gevolg hiervan is het verplichtingenniveau neerwaarts bijgesteld. Binnen de pijler «kennis en kunde» van private sector ontwikkeling is het verplichtingenniveau naar beneden bijgesteld als gevolg van een lagere behoefte aan verplichtingenruimte.

Uitgaven

Landenprogramma’s

Conform de toezegging van de Minister aan de Kamer is in het jaarverslag een passage opgenomen waarin aangegeven wordt of de geplande uitgaven aan een landenprogramma lager/hoger uitvallen. Dit gebeurt, zoals in de leeswijzer is aangegeven, bij het betreffende beleidsartikel. De lagere realisatie op de landenprogramma’s binnen artikel 4.2 wordt voor een groot deel verklaard door het schrappen van algemene begrotingssteun ten behoeve van Mali. Daarnaast hebben sectordoorsnijdende programma’s voor Suriname geen doorgang gevonden als gevolg van het opschorten van de betaling van de verdragsmiddelen. De landenprogramma’s op het gebied van ondernemingsklimaat tonen een lagere realisatie. Als gevolg van de lokale omstandigheden hebben activiteiten op dit terrein in Mali geen doorgang gevonden. In Zambia is vanwege gebrek aan voortgang het programma Public Sector Development Programme III stopgezet, en in Ghana hebben de voorstellen van de National Health Insurance Authority en de Public Procurement Authority niet tot financiering geleid. Tot slot is het geraamde budget voor ondernemingsklimaat in Burundi en Rwanda voor een groot deel ingezet op programma’s op het gebied van voedselzekerheid.

Artikel 4.1

De uitgaven voor de landenprogramma’s op het terrein van voedselzekerheid zijn hoger uitgevallen dan begroot. Zoals ook in de Eerste Suppletoire Begroting is vermeld zijn de uitgaven met name in Burundi, Bangladesh, Rwanda en Mozambique gestegen. Daarnaast zijn ook middelen overgeheveld vanuit artikel 4.3 en is een aantal geplande uitgaven voor 2012 doorgeschoven naar 2013. De betaling aan IFAD betreft een doorlopende verplichting van EUR 20 mln en een betaling aan IFAD van EUR 4 mln, deze laatste in het kader van landrechten onder het UNhabitat programma. Doordat IFAD bij de begroting niet in de tabel was opgenomen, laat het jaarverslag een mutatie zien van EUR 24 mln. Deze uitgaven waren echter al wel in de raming opgenomen bij de begroting maar niet dusdanig zichtbaar zijnde als IFAD uitgaven. Ook is er een bijdrage aan Solidaridad gedaan die nog niet bij begroting was voorzien. Binnen de centrale programma’s is sprake van een gemengd beeld. Door een verminderde behoefte aan budgetruimte binnen de uitwerking van de speerpuntpijler «verbetering ruraal ondernemingsklimaat» is het uitgavenniveau neerwaarts bijgesteld. Voor de programma’s CGIAR en GAFSP was er een hogere liquiditeitsbehoefte waardoor de uitgaven zijn gestegen. Daarnaast is voor MASSIF+ een betaling uit 2012 doorgeschoven naar 2013 waardoor de uitgaven eveneens zijn gestegen. Aanvullend hierop is EUR 10 mln vanuit artikel 6.1 (duurzaam milieugebruik wereldwijd) naar artikel 4.1 overgeheveld om klimaataspecten binnen het voedselzekerheidsprogramma op te nemen. Hier tegenover staat een daling van de uitgaven doordat de bevoorschotting aan IDH geen doorgang heeft gevonden.

Artikel 4.2

De stijging van het budget bestaat uit een saldo van mutaties. Enerzijds is de hogere realisatie met name het gevolg van het parkeerkarakter van dit artikel en is technisch van aard. Wijzigingen in het totale ODA-budget (BNP-cijfers) evenals aanpassingen in de toerekeningen (onder andere EKI en de eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen) worden op dit artikel opgevangen. In 2013 was dit een neerwaartse BNP-bijstelling, die in de realisatie wegvalt. Als gevolg valt de realisatie op het artikel hoger uit dan verwacht. De hogere realisatie komt tevens door een bijdrage aan de African Legal Support Facility van EUR 2,5 mln in 2013. Hier staat daling van de uitgaven tegenover als gevolg van het schrappen van algemene begrotingssteun ten behoeve van Mali. Zoals vermeld in de Tweede Suppletoire Begroting daalt het budget voor landenprogramma’s omdat de sectordoorsnijdende programma’s voor Suriname geen doorgang vinden als gevolg van het opschorten van de betaling van de verdragsmiddelen. Daarnaast is de bijdrage aan het assistent-deskundige programma, op basis van de liquiditeitsbehoefte, verlaagd. Tevens is het Nederlandse aandeel in schuldverlichting voor Myanmar lager dan geraamd, en verdeeld over meerdere jaren. De kosten voor garantiebetalingen leningen NIO en rentesubsidies OS-leningen zijn daarnaast lager uitgevallen. Tot slot zijn er minder kleine ODA-activiteiten uitgevoerd door de posten dan geraamd.

Artikel 4.3

De daling van de uitgaven wordt veroorzaakt door een saldo van mutaties. Door een verlaagde behoefte aan budgettaire ruimte binnen het landenprogramma ter verbetering van het ondernemingsklimaat zijn de budgetten neerwaarts bijgesteld. Daarnaast is de voorgenomen bijdrage 2013 voor de Private Infrastructure Development Group (PIDG) niet doorgegaan. Voor ORET-ORIO is het budget neerwaarts bijgesteld als gevolg van een vertraagde ontwikkelfase van projecten en de uitvoering hiervan. Daar staat tegenover dat de uitgaven voor het Infrastructure Development Fund (MOL fonds FMO) zijn gestegen, doordat er nieuwe verplichtingen zijn aangegaan. Daarnaast is de betaling voor het eerste half jaar van 2014 aan het PUM programma al in 2013 gedaan. Tevens zijn de uitgaven voor het CBI gestegen, door een additionele opdracht aan het CBI.

Artikel 4.4

De overschrijding van de uitgaven wordt veroorzaakt door een voorschot voor de Nederlands Business Support Offices (NBSO’s) voor 2014, dat reeds in 2013 is verstrekt aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Ontvangsten

De stijging in de ontvangsten is een saldo van mutaties. Zoals bij Tweede Suppletoire Begroting is vermeld heeft een overheveling plaatsgevonden van de ontvangsten op de begroting van Buitenlandse Zaken naar de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daar staat tegenover dat de realisatie van de ontvangsten OS lager is dan voorzien.

Licence