Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

4. BELEIDSARTIKELEN

Artikel 11 Waterkwantiteit

Algemene doelstelling

Het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft en over voldoende zoetwater beschikt.

(Doen) uitvoeren

Rol en verantwoordelijkheden

Vanuit de Begroting hoofdstuk XII wordt bijgedragen aan het Deltafonds (zie extracomptabele verwijzingen). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1), zoetwatervoorziening (artikel 2) en beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwantiteit:

  • Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en de rivieren volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn op het niveau van 2001 (basiskustlijn).

  • Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen ten behoeve van waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

  • Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma, Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken (waterveiligheid).

  • Het (doen) uitvoeren van beheer, onderhoud en vervanging (waterveiligheid, waterkwantiteit).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het Deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

De rol «regisseren» heeft op dit artikel ook betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterkwantiteit, zoetwatervoorziening en innovatie:

  • Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en het daartoe zo te beheren hoofdwatersysteem dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2009–2015 (Hoofdstuk 4 «Waterbeleid in thema’s»)27 en het Programma Rijkswateren 2010–2015 (waterkwantiteit28).

  • Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote rijkswateren. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2009–2015 (Hoofdstuk 3 «Samenwerken aan realisatie van het waterbeleid»29 en Hoofdstuk 5 «Waterbeleid in gebieden»), het Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2010–201530 en het Programma Rijkswateren 2010–201531.

  • Het beleid in het kader van de Topsector Water is gericht op het versterken van de concurrentiekracht van de Nederlandse watersector. Het gaat onder meer om het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies en het ontvangen van buitenlandse delegaties (innovatie).

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Waterkwantiteit

Indicatoren en Kengetallen

Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II, 2012/13, 33 400, nr. 19). Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwantiteit opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator één en twee: waterveiligheid: (droge voeten)

Onderstaande indicatoren geven weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006, 2011 en de verlengde derde toetsing uit 2014. Conform de Waterwet wordt periodiek getoetst of de primaire waterkeringen voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Deze toetsing wordt door de beheerder uitgevoerd volgens het door de Minister vastgestelde wettelijk toetsinstrumentarium. Indien een kering niet aan de norm voldoet, worden maatregelen getroffen.

In 2013 is de Verlengde Derde Toetsronde Primaire Waterkeringen (LRT3+) gehouden. Deze toetsing kwam voort uit de derde toetsing uit 2011, met als bedoeling om zoveel mogelijk de categorie die bij de derde toetsing het oordeel «nader onderzoek nodig» had gekregen weg te werken. In 2014 is hierover aan de Tweede Kamer gerapporteerd met als belangrijkste conclusie dat voor circa 80% van de dijken en duinen het oordeel «nader onderzoek nodig» nu is omgezet in een definitief oordeel, wat eveneens geldt voor bijna 70% van de kunstwerken (Kamerstukken II, 2013/14, 31 710, nr. 32). Na drie rondes van toetsen heeft nog 1.302 km keringen de status afgekeurd. Die moeten dus worden versterkt in de nabije toekomst. Ongeveer de helft hiervan heeft reeds een plek in lopende verbeterprogramma’s, zoals HWBP-2, Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. De afgekeurde keringen uit de derde en verlengde derde toetsing krijgen een plek in het nieuwe HWBP, mits wordt voldaan aan de subsidiecriteria.

In 2017 start de volgende toetsronde. Over de resultaten van deze toetsing wordt in 2023 gerapporteerd aan de Eerste en Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2013/2014, 33 750 J, nr. 20).

Kengetal: Dijken en duinen (in kilometers)

Kengetal: Dijken en duinen (in kilometers)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Kengetal: Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kengetal: Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Ten behoeve van een goede verdeling van water wordt peilbeheer op het hoofdwatersysteem toegepast. Hiervoor dienen de streefpeilen van drie belangrijke watersystemen (het IJsselmeer, Amsterdam-Rijnkanaal/ Noordzeekanaal en het Haringvliet) op het afgesproken niveau te worden gehouden. Stuwen en spuien/gemalen zijn nodig om dit peil te beïnvloeden.

Indicator: Beschikbaarheid streefpeilen voor Noordzeekanaal/ Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet
   

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Indicator

Eenheid

2013

2014

2015

Beschikbaarheid streefpeilen voor Noordzeekanaal/ Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet

%

100%

100%

100%

De norm is dat 90% van de (24-uursgemiddelde) tijd de afgesproken (streef)peilen, onder normale omstandigheden, binnen de operationele marge worden gerealiseerd. De streefpeilen van het Haringvliet, Amsterdam-Rijnkanaal, Noordzeekanaal en IJsselmeer (alleen zomerpeil telt mee) waren in 2015 de gehele periode binnen de marge.

Over de voortgang in de uitvoering van het waterbeleid – ook voor de grote rijkswateren – wordt jaarlijks gerapporteerd in de Staat van Ons Water (www.staatvanonswater.nl). Dat geldt bijvoorbeeld voor waterveiligheid, waterkwaliteit en zoetwatervoorziening. Meer specifieke informatie over de wateren die in beheer zijn bij de waterschappen wordt jaarlijks gepubliceerd op (www.waterschapsspiegel.nl).

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen, zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

In 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016–2021 (NWP2) (Kamerstukken 2015/2016, 27 625, nr. 45) vastgesteld en aangeboden aan de Tweede Kamer. In het Nationaal Waterplan worden de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016–2021 weergegeven met een vooruitblik richting 2050.

Met de uitvoeringsprogramma’s Maaswerken, het tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma en het (nieuwe) Hoogwaterbeschermingsprogramma is goede voortgang geboekt. Bij de laatste twee gaat het met name om de verbetering van dijken en kunstwerken die bij de toetsrondes van 2006 en 2013 niet aan de wettelijke norm voldeden. Bij het uitvoeringsprogramma Ruimte voor de Rivier is een groot aantal projecten afgerond. Dit draagt bij aan een veiliger rivierengebied en een aantrekkelijke leefomgeving. Dankzij deze inzet is de begroting van het Deltafonds in 2015 nagenoeg geheel uitgeput. Gezamenlijke inspanning van Rijk en waterschappen blijft noodzakelijk om de afgesproken planning in de uitvoering van alle projecten te realiseren. Er wordt met het oog op toekomstige grote waterveiligheidprojecten thans een methode ontwikkeld om de ex post doelmatigheid daarvan goed te kunnen beoordelen. Voor een nadere toelichting over de uitvoeringsprogramma’s wordt verwezen naar het Deltafonds.

Voor een goede verdeling van water in het hoofdwatersysteem wordt in drie belangrijke watersystemen (het IJsselmeer, Amsterdam-Rijnkanaal/ Noordzeekanaal en het Haringvliet) peilbeheer toegepast. De streefpeilen van deze watersystemen bleven in 2015 binnen de afgesproken marges. Voor meer informatie over de indicatoren wordt verwezen naar de hier bovenstaande toelichtingen.

Evaluaties

De Beleidslijn kust (2007) is in 2015 geëvalueerd en op basis daarvan herzien. Daarop volgend is in het AO Omgevingswet van 21 januari 2016 aangegeven dat er geen uitvoering wordt gegeven aan het onderdeel Kust uit het ontwerpbesluit herziening Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

In 2015 zijn de Evaluatie Structuurvisie Waddenzee en het door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) uitgevoerde nadere onderzoek naar de doorwerking van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voor het Waddengebied uitgevoerd32. Geconcludeerd werd o.a. dat de structuurvisie en het Barro als instrument goed werken voor de duurzame bescherming van de Waddenzee. De bevindingen uit de evaluatie en het ILT-onderzoek worden meegenomen in een in 2016 nader uit te voeren onderzoek «Beleidsverkenning Toekomstige Rol en Ambitie van het Rijk voor het Waddengebied». Hierin worden de contouren van het gewenste toekomstige beleid nader onderzocht en beschreven.

In een drietal gebieden, te weten Dordrecht, IJssel-Vecht Delta en Marken, is verkend of de toepassing van meerlaagsveiligheid een kansrijke methode is voor verbetering van de waterveiligheid. Deze pilots vonden plaats in de vorm van een MIRT-onderzoek. Om de ervaringen uit deze pilots inzichtelijk te maken en om na te denken over de implicaties ervan voor de verdere beleidsontwikkeling is in 2015 een evaluatie uitgevoerd33. De conclusies uit het evaluatierapport laten onder meer zien dat de kennis over het gebied en over de mogelijkheden van meerlaagsveiligheid sterk zijn toegenomen. Met de partners in het Deltaprogramma wordt besproken hoe de lessen uit deze evaluatie kunnen worden benut.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

11

Waterkwantiteit

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

37.457

40.756

32.289

30.634

1.655

 

Uitgaven

 

41.021

40.075

34.852

37.847

– 2.995

 

11.01

Algemeen waterbeleid

 

35.591

34.016

29.857

32.903

-3.046

 

11.01.01

Opdrachten

 

1.812

1.527

2.147

3.354

– 1.207

 

11.01.02

Subsidies

 

12.259

11.809

8.722

9.506

– 784

 
 

– Partners voor Water (HGIS)

 

11.615

11.788

8.597

9.506

– 909

 
 

– Overige subsidies

 

644

21

125

0

125

 

11.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

20.993

19.908

18.169

18.005

164

1)

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

20.265

19.350

17.643

17.605

38

 
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

 

728

558

526

400

126

 

11.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

527

772

819

2.038

– 1.219

 

11.02

Waterveiligheid

 

3.338

3.225

2.788

2.516

272

 

11.02.01

Opdrachten

 

3.338

3.225

2.788

2.516

272

 

11.03

Grote oppervlaktewateren

 

2.092

2.834

2.207

2.428

– 221

 

11.03.01

Opdrachten

 

2.092

2.834

2.207

2.107

100

 

11.03.05

Bijdrage aan internationale organisaties

   

0

0

321

– 321

2)

 

Ontvangsten

 

78

73

24.357

23.800

557

 

Verplichtingen

Toelichting op de financiële instrumenten

Het verschil in verplichtingen op dit artikel wordt met name veroorzaakt door de aangegane verplichting voor het programma Partners voor Water dat met Homogene Groep Internationale Samenwerkingsmiddelen (HGIS) wordt gefinancierd.

11.01 Algemeen waterbeleid
11.01.01 Opdrachten

Het merendeel van de acties uit het in mei 2011 getekende Bestuursakkoord Water (BAW; Kamerstukken II 2010/11, 27 625, nr. 204) is uitgevoerd. De afspraken over het behalen van doelmatigheidswinst zijn goed op koers. Over de voortgang is in mei 2015 gerapporteerd in de Staat van Ons Water.

In maart 2015 zijn voor het eerst waterschapsverkiezingen gehouden samen met verkiezingen voor Provinciale Staten. De gemeenten zijn belast met de organisatie van beide verkiezingen. Na afloop van de verkiezingen heeft de Adviescommissie Water (AcW) op verzoek van de Minister van IenM een evaluatie uitgevoerd over het waterschapsbestel, met name wat betreft de geborgde zetels en de bezoldiging van het dagelijks bestuur van de waterschappen. Op 7 juli 2015 heeft de Adviescommissie Water (AcW) haar Advies Waterschapsbestuur uitgebracht. Dit advies is op 25 november naar de Tweede Kamer gestuurd (bijlage bij de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 25 november 2015 inzake waterbeleid (31 710, nr. 44).

De activiteiten op het gebied van de Watercoalitie zijn gericht op het ontwikkelen van een nieuw sturingsinstrument voor het waterdomein. Rond het onderwerp «Water in en om het huis» wordt onderzocht of met adaptieve sturing ook huishoudens meer zijn te activeren om bij te dragen aan de doelstellingen van het Bestuursakkoord Water over de waterketen. Het betreft een meerjarige activiteit door middel van verschillende kleine pilots.

Over de monitoring van de stand van zaken rond het waterbeleid in Nederland wordt jaarlijks gerapporteerd in de Staat van Ons Water (www.staatvanonswater.nl). Hierin wordt ingegaan op de voortgang van de verschillende uitvoeringsprogramma’s en de actiepunten uit het Bestuursakkoord Water.

In 2015 is binnen IenM een strategie ontwikkeld voor Human Capital in de Watersector. Deze strategie bestaat uit het verhogen van de awareness voor waterveiligheid via algemene communicatie bij bezoeken van de Minister (de blauwe loper) en de site «onswater.nl».

Verder is samen met de waterschappen een watereducatietraject ontwikkeld, wat tot uitdrukking komt in lesprogramma’s voor scholen, focuspunten van educatie en kennis in de regio en het aanbieden van gastlessen.

Een ander speerpunt was het bevorderen van de instroom van Human Capital in de watersector. Dit gaat via het kernteam Human Capital waarin het bedrijfsleven, de kennissector en de overheden samenwerken. Er worden o.a. beurzen gegeven.

Activiteiten binnen de Human Capital Agenda (HCA) zijn o.a. geweest: ondersteunen van de GEO-week water en bodem, toekenning van beurzen aan veelbelovende studenten, organisatie van het Wereld Water College, geven van gastlessen op scholen, samen met de Watergezant geven van adviezen aan de sector, organiseren waterkennisweek en het ontwikkelen van een programmatische aanpak.

Ook in 2015 is door de Helpdesk Water gewerkt aan het up-to-date houden van de informatie op de website van de Helpdesk. Daarbij is technische ondersteuning verleend aan het Omgevingsloket.

De lagere realisatie wordt deels veroorzaakt door budgetoverhevelingen van in totaal circa € 0,4 miljoen. Dit betreft de bijdrage voor EIP Waterconferentie aan gemeente Leeuwaarden, de bijdrage aan medeoverheden voor het onderzoek aanpassing belastingstelsel waterschappen, de bijdrage aan het project OLO2 op artikel 13 en de bijdrage aan waterveiligheidsmaatregelen op 11.02.01. Verder zijn er voordelige aanbestedingsresultaten (€ 0,3 miljoen) geboekt en is eigen capaciteit ingezet voor de evaluatie waterschapsbestel waardoor uitbesteding (circa € 0,1 miljoen) niet nodig was. Daarnaast zijn de kosten van het project «Ons Water» € 0,1 miljoen. lager uitgevallen als gevolg van een vertraging in het aanbestedingsproces en doordat een aantal activiteiten binnen de Europese onderzoeksprogramma’s rondom Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK) zijn uitgesteld (€ 0,2 miljoen) naar latere jaren vanwege een tragere opstart vanwege de afstemming met diverse partijen over de onderzoekslijnen van het NKWK.

11.01.02 Subsidies

HGIS Partners voor Water

HGIS Partners voor Water: Het programma Water Mondiaal was een belangrijk instrument bij het realiseren van de mondiale ambities in 2015. Door de krachten te bundelen en daarmee de internationale positie van de Nederlandse watersector te verbeteren is bijgedragen aan oplossingen voor de wereldwaterproblematiek. De interdepartementale samenwerking tussen de ministeries van IenM, BuZa (incl. HGIS) en EZ is gecontinueerd. Onderdeel hiervan is het uitvoeringsprogramma Partners voor Water 3 dat in uitvoering was bij de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) en dat liep tot en met 2015. Het budget is geactualiseerd in 2015 voor het deel dat in 2014 al werd gerealiseerd. Een nieuw Partners voor Water programma (2016–2021) (ingaand op 1 januari 2016) dat uitvoering geeft aan de Internationale Waterambitie (IWA)34 is voorbereid in 2015. Het nieuwe accent richt zich op stedelijke delta’s en de toeleverende gebieden waarbij de integrale aanpak evenals de preventieve aanpak centraal staan. Het Ministerie van IenM is penvoerder en doet dit in nauw overleg met de andere twee departementen. De uitgaven zijn via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd.

Overige subsidies

In 2015 is een subsidie van € 75.000 verstrekt aan de Technologiestichting STW-NWO voor het project SAFElevee. Dit betreft een onderzoek naar de betrouwbaarheid van waterkeringen en beter begrip van faalmechanismen door het analyseren van echte doorbraken en overstromingen, met name ook internationaal. Dit project wordt uitgevoerd door de TU Delft. Met onze bijdrage en die van andere partijen (o.a. RWS, Deltares, Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (Stowa) en HKV lijn in water) is gezorgd voor een multiplier-effect en wordt een onderzoek van ruim € 1 miljoen mogelijk gemaakt.

Daarnaast is ook een bijdrage van het Ministerie van IenM van € 150.000, verdeeld in drie gelijke delen in de periode 2015 tot en met 2017, bijgedragen aan het instituut voor Fysieke Veiligheid (IVF) verstrekt voor het project Water en Evacuatie. Het Ministerie van V&J en de veiligheidsregio’s dragen in totaliteit € 660.000 bij. Hierbij wordt een structurele aanpak ontwikkelt waarmee de veiligheidsregio’s kunnen zorgen voor een adequate rampenbeheersing bij overstromingen. Het project geeft hiermee invulling aan het voornemen in het Nationaal Waterplan om de rampenbeheersing van overstromingen te verbeteren.

De hogere realisatie betreft de hierboven genoemde subsidies.

11.01.03 Bijdrage aan agentschappen

De bijdrage aan RWS heeft betrekking op de beleidsondersteunende en beleidsadviserende activiteiten (BOA) in 2015. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren onder andere de bijdragen aan de uitwerking van de MIRT-onderzoeken waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

In 2015 zijn aan het KNMI diverse onderzoeken en analyses gevraagd omtrent neerslagpatronen, het gedrag van extreme stormen, verbeterde windmodellen, het weer in de toekomst en risico-analyses ten aanzien van het samenvallen van extreme weerssituaties. De resultaten van deze analyses hebben bijgedragen aan de onderbouwing van het wettelijke toetsinstrumentarium voor de primaire waterkeringen en het waterveiligheidsbeleid in het algemeen.

11.01.04 Bijdragen aan medeoverheden (ad 1)

Er zijn door IenM afspraken gemaakt met het Ministerie van SZW over compensaties in relatie tot de kinderopvang voor de waterschappen. Die afspraak behelst het laten meelopen van deze compensaties met de geldstroom van IenM richting de waterschappen. Daartoe zijn budgetten (voor de duur van de subsidieregeling tot en met 2017) van SZW overgeboekt naar IenM.

De lagere realisatie betreft de subsidieregeling met betrekking tot de kinderopvang, waarvoor minder aanvragen zijn ontvangen dan begroot. In 2015 is in totaliteit aan zes instanties subsidie verleend. Het betreft de Hoogheemraadschappen Rijnland, Delfland en Hollands Noorderkwartier, alsmede de waterschappen Aa en Maas, Scheldestromen en Rivierenland. De niet gebruikte middelen zijn teruggeboekt naar het Ministerie van SZW.

Op grond van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) van BZK is een commissie BBV ingesteld. Deze commissie draagt zorg voor een eenduidige uitvoering en toepassing van het besluit, en voor een visie ten aanzien van rechtmatigheid in de controleverklaring van gemeenten, gemeenschappelijke regelingen, waterschappen en provincies. Sinds 2014 draagt het Ministerie van IenM de helft van de kosten voor het secretariaat van de commissie BBV bij vanwege de betrokkenheid van de commissie met de waterschappen. De bijdrage bedraagt € 35.695 per jaar, lopend tot en met 2018.

11.02 Waterveiligheid
11.02.01 Opdrachten

In 2015 is door het Rijk in overleg met decentrale overheden uitvoering gegeven aan het vervolmaken van de overstromingsrisicobeheerplannen (ORBP’s) voor de vier stroomgebieden Eems, Rijn, Maas en Schelde. De definitieve ORBP’s zijn op 14 december 2015 als onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016–2021 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het Interprovinciaal Overleg (IPO) is verantwoordelijk voor de risicokaarten. Zie: www.risicokaart.nl.

In het kader van het Hoogwaterbeschermingsprogramma als onderdeel van het Deltaprogramma is de jaarlijkse programmering van hoogwaterbeschermingsmaatregelen op basis van de resultaten van de derde toetsronde primaire waterkeringen geactualiseerd. Daarnaast is de vierde toetsronde primaire waterkeringen (2017) voorbereid.

In 2015 is gewerkt aan de implementatie van de Deltabeslissing Waterveiligheid zoals deze is verankerd in de Tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan 2009–2015. Met deze Deltabeslissing is de overstap gemaakt naar de risicobenadering. De doelen van het waterveiligheidsbeleid worden via normspecificaties voor primaire waterkeringen wettelijk verankerd. In 2015 is hiertoe gewerkt aan de wijziging van de Waterwet.

Beheerders van primaire waterkeringen moeten iedere twaalf jaar beoordelen of hun keringen voldoen aan de wettelijke veiligheidseisen. De methoden en regels die ze bij de beoordeling dienen te gebruiken, zijn vastgelegd in het Wettelijk Beoordelingsinstrumentarium (WBI). Het Voorschrift Beoordelen op Veiligheid en de Hydraulische Belastingen die bij dit instrumentarium horen zijn op basis van technische ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht geactualiseerd. Ook is het toets- en ontwerpinstrumentarium aangepast aan de nieuwe normering. In december 2015 zijn het algemeen en het technisch deel van het Voorschrift Beoordelen op Veiligheid in concept gereed gekomen.

11.03 Grote oppervlaktewateren
11.03.01 Opdrachten

Voor de beleidsnota Noordzee, is in juni 2015 de nationale en internationale consultatie afgerond. De consultatie heeft niet tot ingrijpende beleidswijzigingen geleid. De beleidsnota Noordzee is in december 2015 definitief vastgesteld als onderdeel van het tweede Nationale Water Plan.

De uitrol van de routekaart, ligt op schema. De wet- en onderliggende regelgeving voor windenergie op zee is per 1 juli 2015 van kracht geworden. De ontwerp-kavelbesluiten III, IV en V (tezamen 700 MW) voor het windenergiegebied Borssele zijn in december 2015 gepubliceerd. De definitieve kavelbesluiten I en II staan begin 2016 op de rol. Voor de uitrol van windenergie voor de Hollandse Kust is de aanwijzing van twee stroken tussen de 10 en 12 mijlszone als windenergiegebied nodig, hiertoe is een bestuurlijkproces opgestart wat begin 2016 zal leiden tot een ontwerp Rijksstructuurvisie Aanvulling gebied Hollandse Kust.

In het kader van de consultatie van de Beleidsnota Noordzee zijn de meeste Noordzeelanden bezocht en zijn tevens gesprekken gevoerd met onder meer IJsland en Ierland. Om de maritieme planningsprocessen van de Noordzeelanden te ondersteunen wordt in 2016 een onderzoek- en samenwerkingsproject gestart. Hiervoor is in 2015 een Interreg subsidie toegewezen. Het project zal in 2018 worden afgerond.

Voor de verwezenlijking van het ontwikkelperspectief uit de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (Kamerstukken II, 2014/2015, 33 531, nr. 2) is financiële dekking vereist. In maart 2015 is door Regio en Rijk de Bestuursovereenkomst Ontwikkeling Grevelingen Volkerak-Zoommeer ondertekend waarin afspraken over samenwerking en het realiseren van de bekostingsopgave zijn vastgelegd. In 2015 is tevens gewerkt aan een aanvulling op het MER.

11.03.05 Bijdrage aan internationale organisaties (ad 2)

De bijdragen aan internationale organisaties betreffen de juridisch verplichte contributie aan het Uitvoerend Secretariaat van de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie voor de juiste implementatie van de Scheldeverdragen.

Bij 1ste suppletoire wet 2015 is deze structurele bijdragen overgeboekt naar RWS, waardoor de realisatie nu met de jaarlijkse bijdrage afwijkt van de oorspronkelijke begroting.

Ontvangsten

In 2015 is een bijdrage ontvangen van de Waterschappen voor de waterschapsverkiezingen en de provincies voor het Zuidwestelijk Deltaprogramma.

Extracomptabele verwijziging naar artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

508.042

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

207.416

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

715.458

waarvan

   

1.01

Grote projecten waterveiligheid

546.895

1.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

165.228

1.03

Studiekosten

3.335

Extracomptabele verwijziging naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2015

 

6.117

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

2.219

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

8.336

waarvan

   

2.01

Aanleg waterkwantiteit

 

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

6.727

2.03

Studiekosten

1.609

Extracomptabele verwijziging naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

156.952

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

0

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

156.952

waarvan

   

3.01

Watermanagement

7.764

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

149.188

Artikel 12 Waterkwaliteit

Algemene Doelstelling

Het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland schoon (drink)water heeft.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Vanuit de Begroting hoofdstuk XII (artikel 26.02) is een bijdrage gedaan aan het Deltafonds (artikel 7). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterkwaliteit bekostigd. De rol «(doen) uitvoeren» heeft betrekking op taken binnen het beleidsdomein waterkwaliteit:

  • Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren.

  • Het (doen) uitvoeren van beheer, onderhoud en vervanging.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid en het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de volgende onderdelen:

  • Beleidsontwikkeling ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische waterkwaliteit van de oppervlaktewateren en de uitvoering gericht op het halen van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen35.

  • Beleidsontwikkeling ten behoeve van het nemen van de nodige maatregelen om een goede milieutoestand te bereiken en te behouden in het Nederlandse deel van de Noordzee, in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) 11.

  • Ten aanzien van de KRM geldt dat de coördinerende verantwoordelijkheid ligt bij de Minister van IenM, tezamen met de Minister van EZ voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Op dit artikel worden geen uitgaven meer verantwoord gericht op de aanleg van voorzieningen en maatregelen ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems, conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen 12. Dit onderdeel is vanaf 2015 ondergebracht bij artikel 7 van het Deltafonds.

Indicatoren en kengetallen

Over de ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems wordt de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd via «Water in Beeld» (laatste publicatie: Kamerstukken II, 2015/2016, 27 625, nr. 338. Ook heeft het PBL op verzoek van IenM de tussenresultaten in het Milieucompendium gepresenteerd en een ex ante evaluatie uitgevoerd om het effect van rijks- en regionale maatregelen samen in beeld te brengen36. De indicator «KRW-maatregelen per fase per einde van het jaar (rijkswateren)» en de middelen voor waterkwaliteit worden vanaf 2015 verantwoord op artikel 7 van Deltafonds.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen, zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

In 2015 is de beleidsdoorlichting waterkwaliteit uitgevoerd (Kamerstukken II, 2015/2016, 32 861, nr. 16) over de periode 2010–2014. Uit de beleidsdoorlichting blijkt dat het beleid doeltreffend en doelmatig is geweest en dat het beleid heeft bijgedragen aan de verbetering van de waterkwaliteit; deze beleidslijn is voortgezet in 2015. Deze bevinding wordt ondersteund door een rapport van het Wereld Natuur Fonds, waarin is aangegeven dat de zoete wateren en moerassen in Nederland verbeteren. Sinds 1990 zijn de dierpopulaties hier met gemiddeld 40 procent vooruit gegaan. De diersoorten profiteren van verbeterde milieukwaliteit, aanleg van natuurvriendelijke oevers en vispassages, herstel van moerassen, toename moerasareaal en natuurontwikkeling langs de grote rivieren37.

In 2015 is de planperiode die loopt van 22 december 2009 tot 22 december 2015 afgerond. Er is uitgebreid verantwoording afgelegd over de ontwikkeling van de toestand in de stroomgebiedbeheerplannen 2016–2021, die zijn vastgesteld als onderdeel van het NWP38. Daarin is tevens opgenomen welke aanvullende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de resterende opgave. De begrote investeringen in waterkwaliteit, gefinancierd van en verantwoord bij artikel 7 van het Deltafonds, zijn voortvarend opgepakt in 2015.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

12

Waterkwaliteit

     

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

Verplichtingen

 

70.389

85.651

4.193

4.564

– 371

Uitgaven

 

78.565

84.827

5.915

6.225

– 310

12.01

Waterkwaliteit

 

78.565

84.827

5.915

6.225

– 310

12.01.01

Opdrachten

 

4.729

3.978

4.076

4.012

64

12.01.02

Subsidies

 

94

277

261

262

– 1

12.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

65.861

78.946

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

65.861

78.946

0

0

0

 

* Verbeterprogramma Waterkwaliteit rijkswateren

 

52.791

67.970

0

0

0

 

* Natuurcompensatie Perkpolder

 

7.325

7.372

0

0

0

 

* Natuurlijker Markermeer/IJ'meer

 

4.485

3.153

0

0

0

 

* Verruiming vaargeul Westerschelde

 

1.260

451

0

0

0

12.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

6.557

0

460

404

56

12.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

 

1.324

1.626

1.118

1.547

– 429

 

Ontvangsten

 

0

0

0

0

0

12.01 Waterkwaliteit

Toelichting op de financiële instrumenten

12.01.01 Opdrachten

De stroomgebiedbeheerplannen onder de KRW 13 kennen een 6-jaarlijkse cyclus. Doel is om in 2027 de doelstelling van schoon water en een gezond watersysteem voor duurzaam gebruik bereikt te hebben. De voortgang van de uitvoering van de maatregelen is gerapporteerd in «Water in Beeld» (laatste publicatie: Kamerstukken II, 2015 27 625, nr. 338). De stroomgebiedbeheerplannen 2010–2015 zijn uitgevoerd. De stroomgebiedbeheerplannen 2016–2021 zijn in december 2015 vastgesteld als onderdeel van het NWP (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/27625/kst-31710–45?resultIndex=11&sorttype=1&sortorder=4) en de uitvoering daarvan start in 2016. De middelen voor de daadwerkelijke uitvoering van de KRW-maatregelen in het hoofdwatersysteem worden vanaf 2015 op het Deltafonds, artikel 7 verantwoord.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene strategie (KRM) kent, net als de KRW, een zesjarige plancyclus. In 2015 is uitvoering gegeven aan de eerste plancyclus die doorloopt tot en met 2016. In 2015 is op basis van de Mariene Strategie Deel 1 (Initiële Beoordeling, de Goede Milieu Toestand en bijbehorende milieudoelen voor 2020 en indicatoren) besloten over Mariene Strategie Deel 3, het KRM-Programma van Maatregelen, waaronder onderwerpen waarvoor aanvullend beleid nodig is, om aan de richtlijn te voldoen. Dit KRM-Programma van Maatregelen maakt deel uit van het NWP Deel 2. Een maatschappelijke kosten-baten analyse (MKBA) maakt hier tevens onderdeel van uit. Uitbestedingen zijn er geweest voor de uitvoering van het KRM-Monitoringprogramma (Mariene Strategie Deel 2, vastgesteld in 2014), ontwikkeling van indicatoren en kennisprogrammering in het bijzonder op het gebied van de zwerfvuil en microplastics in zee en onderwatergeluid. Daarnaast hebben de uitbestedingen zich gericht op maatregelen om zwerfvuil (waaronder microplastics) in zee terug te dringen en de voorbereiding van besluitvorming over bodembescherming op het Friese Front en Centrale Oestergronden (waaronder een MKBA). Hierbij is ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU-programmering) en op samenwerking met het Ministerie van EZ, kennisinstituten en belanghebbenden. Voor de ontwikkeling van kennis en maatregelen is op onderdelen gebruik gemaakt van co-financiering uit het Europese Fonds voor Maritieme zaken en Visserij (EMFZV) in gedeeld beheer tussen de Europese Commissie en de lidstaten. In 2015 zijn lagere uitgaven gerealiseerd voor met name de optimalisatie van het modelinstrumentarium voor kwaliteit en voor de ontwikkeling van analysemethoden voor nieuwe prioritaire stoffen.

12.01.02 Subsidies

In het Bestuursakkoord Water (BAW) is afgesproken in de regio samen te werken bij de uitvoering van de beheertaken van het stedelijk watersysteem en de waterketen. Kenniscoaches hebben dit proces gefaciliteerd. Het programma Kenniscoaches, dat in december 2011 is gestart en loopt tot en met 2016, wordt uitgevoerd door stichting RIONED en wordt financieel ondersteund door het Ministerie van IenM. Er zijn vijftien kenniscoaches aangesteld en getraind in het coachen van het bevorderen van samenwerking in de waterketen. De inzet van kenniscoaches heeft ertoe bijgedragen dat de samenwerking bij de uitvoering van de beheertaken van het stedelijk watersysteem en de waterketen is verbeterd. Er zijn inmiddels bijna 20 trajecten afgerond waarbij kenniscoaches samenwerkingsregio’s (waterschap en gemeenten) hebben geholpen bij het opzetten van gezamenlijke investeringsprogramma’s, planvorming, databeheer en assetmanagement of bijvoorbeeld met het opzetten van een gezamenlijk meet- en monitoringssyteem. De verbeterde samenwerking moet leiden tot een doelmatiger beheer van de waterketen. Ervaringen van regio’s met kenniscoaches zijn te vinden op http://www.riool.net/-/hoe-ervaren-regios-de-ondersteuning-van-kenniscoaches.

12.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

In 2015 zijn er bijdragen gerealiseerd aan de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de uitvoering van de Regeling voor Stedelijke synergieprojecten. De gerealiseerde bijdragen hadden betrekking op de uitvoering van de toegekende projecten.

12.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Binnen de internationale riviercommissies voor Rijn, Maas en Schelde en voor de Eems wordt gezamenlijk met de bovenstroomse landen gewerkt aan verbetering van waterkwaliteit, hoogwaterbescherming en gevolgen klimaatverandering. Voor de Kaderrichtlijn water en de richtlijn Overstromingsrisico’s is afstemming binnen de internationale stroomgebieden een Europese vereiste. In 2015 zijn voor beide richtlijnen afgestemde internationale plannen afgerond.

Voor de internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op het gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee, bestaat het OSPAR-verdrag, waarvoor de bijdrage in 2015 is gerealiseerd. De activiteiten hebben zich gericht in het bijzonder op de internationale afstemming van de implementatie van Kaderrichtlijn Marien.

In 2015 is het Memorandum of Understanding (MOU) met UNESCO-IHE voor capaciteitsopbouw verlengd om het kennisniveau verder te ontwikkelen in relatie tot de actuele waterproblemen in de wereld. Daarnaast is door het nationale UNESCO-IHP comité met Duitsland en Belgie een workshop georganiseerd over de benodigde monitoring voor de Sustainable Development Goals (SDG’s). Resultaat is dat door de MOU Nederland zich internationaal goed heeft geprofileerd als kenniscentrum voor watervraagstukken. Dit blijkt uit alle internationale interesse in de Nederlandse aanpak waardoor op constructieve wijze wordt bijgedragen aan de algemene doelstelling bij dit artikel om bij te dragen aan kennisuitwisseling en kennisontwikkeling.

In VN-kader is ingezet op de totstandkoming van een breed en integraal water SDG. Daarbinnen is specifiek de nadruk gelegd op het verminderen van risico’s van watergerelateerde rampen. De SDG’s zijn in 2015 vastgesteld door de Algemene Vergadering van de VN. De Nederlandse inzet was gericht op het tot stand brengen van een specifiek doel voor water, opdat wateropgaven in samenhang kunnen worden geïmplementeerd, zoekend naar de verbinding met andere duurzaamheids- en ontwikkelingsthema’s. Dit resultaat is herkenbaar in SDG 6, daarnaast zijn watergerelateerde doelstellingen opgenomen onder SDG 3, 11, 13 en 15. De opgestelde SDG’s vormen de leidraad voor internationale activiteiten op het gebied van water en moeten leiden tot de ontwikkeling van werkbare indicatoren voor water op nationaal niveau. In 2015 is met multilaterale internationale organisaties en platforms samengewerkt, zijn activiteiten ondersteund en is de Nederlandse deltabenadering uitgedragen. Zo heeft Nederland actief bijgedragen aan de internationale afspraken die zijn gemaakt tijdens de World Conference on Disaster Risk Reduction in Sendai in maart 2015. Nederlandse principes als preventie, preparedness en urban resilience zijn daardoor verankerd in het internationale beleidskader voor de komende 15 jaar. In Sendai en tijdens het Wereld Water Forum in Korea in april 2015 is de Delta Coalitie gepresenteerd als Nederlands initiatief (samen met Japan en Colombia) om een landenplatform voor deltalanden op te zetten. Ook in Parijs tijdens de COP21 in december 2015 is dit initiatief gepresenteerd. Onder Nederlands voorzitterschap zijn in de Ministerial Council Meeting (MCM) van de OESO de Water Governance Principles verwelkomd en is er in de MCM besloten om overkoepelende Water Recommendations te ontwikkelen. Verder is met de OESO en het GWP en de WWC gewerkt aan twee studies over het belang van waterzekerheid voor duurzame economische ontwikkeling en over de financiering van water infrastructuur. Daarnaast heeft Nederland met de actieve participatie van de Minister IenM in het High Level Expert and Leaders Panel for Water and Disaster (HELP) de Nederlandse aanpak op gebied van preventie uitgedragen. Andere platforms en gremia waarin de Nederlandse inbreng heeft plaatsgevonden, zijn de 7e MoP UNECE Water Convention, het World Economic Forum (Minister in Global Agenda Council Water) en de United nations Secretary general’s Advisory Board on Water and Sanitation.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

6.117

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

2.219

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

8.336

waarvan

   

2.01

Aanleg waterkwantiteit

 

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

6.727

2.03

Studiekosten

1.609

Extracomptabele verwijzing naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

156.952

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

0

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

156.952

waarvan

   

3.01

Watermanagement

7.764

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

149.188

Extracomptabele verwijzing naar artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 7 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

34.781

Andere ontvangsten van artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

0

Totale uitgaven op artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

34.781

waarvan

   

7.01

Realisatieprogramma Kaderrichtlijn water

24.971

7.02

Overige aanlegprojecten waterkwaliteit

9.810

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling

Algemene Doelstelling

Een ruimtelijk beleid voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, waarin sprake is van regionaal maatwerk, waarin de gebruiker voorop staat, waarin investeringen scherp geprioriteerd worden en waarin ruimtelijke ontwikkelingen, milieu en mobiliteit met elkaar zijn verbonden.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Het Rijksbeleid voor ruimtelijke ontwikkeling is beschreven in de in 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR; Kamerstukken II, 2011/12, 32 660, nr. 50). Dit ruimtelijk beleid kent een selectieve beleidsinzet op dertien nationale belangen. Bij deze dertien nationale belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de uitvoering. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening. In dit kader werkt het Rijk aan meer eenvoudige regelgeving. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Om dit doel te bereiken is goede samenwerking met en inzet door medeoverheden van groot belang. De uitvoering van de SVIR is in 2012 gestart.

Door een goede afstemming met de andere overheden en met maatschappelijke partners kan de rijksrol zo efficiënt mogelijk worden ingevuld. De Minister van IenM is vanuit deze rol verantwoordelijk voor:

  • Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en EU kaders en wet- en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie en de daarbij behorende informatievoorziening. Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders. Samenwerken met bedrijfsleven en wetenschap in een topteam geo-informatie om de gezamenlijke opgestelde toekomstvisie GeoSamen te realiseren.

  • Vanuit de ruimtelijke invalshoek bijdragen aan (de nieuwe) bestuurlijke structuren en inrichting.

  • De duurzame kwaliteit van de ruimtelijke inrichting en doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

  • Het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies, zoals de Structuurvisie Ondergrond en een Visie op de ruimtelijke kansen voor duurzame energie-opwekking, -opslag en -transport in 2050.

  • Verdere ontwikkeling van kennis op het ruimtelijke vlak en het faciliteren van de toepassing daarvan door de andere overheden.

  • De structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling.

  • Via de gebiedsagenda’s in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het ruimtelijk-fysieke domein (onder andere woningbouw, bereikbaarheid, economie, energie, natuur en waterveiligheid). Dit gebeurt op een zodanige wijze dat Rijk en regio tijdens het Bestuurlijk Overleg MIRT afspraken kunnen maken over afgestemde acties en investeringsbeslissingen.

  • De stelselherziening van het omgevingsrecht.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

De monitor Infrastructuur en Ruimte onderzoekt de realisatie van de dertien nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), afgezet tegen de gestelde ambities. In 2012 heeft het PBL de nulmeting uitgebracht. In 2014 is de eerste herhalingsmeting verschenen. Daarin wordt, op verzoek van de Tweede Kamer, behalve aan de dertien nationale belangen uit de SVIR ook aandacht besteed aan enkele van de «losgelaten» doelen van de Nota Ruimte. In april 2015 is de kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de SVIR. Begin 2016 zal de ex-durante evaluatie van de SVIR aan de Tweede Kamer worden aangeboden39.

Met betrekking tot artikel 13 zijn de onderstaande kengetallen van belang (Kamerstukken II, 2011/2012, 32 660, nr. A/50).

Nationaal belang SVIR

Doel SVIR

Voorlopige kengetallen Monitor Infrastructuur en Ruimte

Meting 2014/2016

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2150-Economische-ontwikkeling-in-regio%27s-met-concentratie-topsectoren.html?i=40–189

Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren

Versterken concurrentiekracht stedelijke regio’s

Internationale concurrentie Nederlandse regio’s

Bereikbaarheid

Nabijheid wonen-werken

0,4% toename bereikbare banen tussen 2000 en 2012

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2134-Nabijheid-wonen-werken.html?i=40–189

Vestigingsklimaat

Fysiek vestigingsklimaat

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2133-Regionale-Quality-of- living.html?i=40–189

     

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie

Realisering netwerk SEV-III

Toename netlengte hoogspanningslijnen met spanning 220 kV en hoger

2.800 km (2008), 2.890 km (2012)

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2135-Hoogspanningsleidingen.html?i=40–190

Transitie duurzame energie

Verbruik hernieuwbare energie

4,2% (2011) 4,5%

(2013)

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0385-Verbruik-van-hernieuwbare-energie.html?i=40–190 2% (2011) 4,5% (2013)

Doelstelling windenergie

Opgesteld vermogen windenergie op land en op zee

2237 MW (2010) 2433 MW op land (2012)

228 MW op zee (2012)

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0386-Windvermogen-in-Nederland-html?i=40–190

     

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen

Buisleidingen in gereserveerde stroken

Toename rode ontwikkelingen buisleidingstroken

Netlengte 18.406 km (2008),

Aantal woningen binnen gereserveerde buisleidingstroken 251(2000), 250 (2012)

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2136-Hoofnetwerk-buisleidingen.html?i=40–191

Efficiënt gebruik van de ondergrond

Winning opper-vlaktedelfstoffen verbinden met andere functies

Nog uit te werken op basis van structuurvisie ondergrond

Realisatiecijfers worden verwacht wanneer structuurvisie beschikbaar is. Deze worden uitgewerkt voor de meting 2016.

Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten

Ladder voor duurzame verstedelijking

Ladder voor duurzame verstedelijking

Evaluatie gereed,

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/onderwerpen/nl0041-Monitor-Infrastructuur-en-Ruimte.html?i=40

Aandeel Ladderplichtige bestemmingsplannen waarbij de Ladder volledig is toegepast 8% (nulmeting 2013)

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2173-Toepassing-Ladder-duurzameverstedelijking.html?=40–203

Bron: De kengetallen zijn afkomstig uit de Monitor Infrastructuur en Ruimte 2014, Planbureau voor de Leefomgeving (www.clo.nl). Gegevens zijn deels afkomstig uit de meting 2016. Deze meting zal in september 2016 worden gepubliceerd.

Kengetallen: Geo-informatie
   

Basiswaarde

Oude streefwaarde

Realisatie 2013

Nieuwe streefwaarde

Te behalen in jaar

Realisatie 2015

1

Gebruik Nationaal GeoRegister

Index: 100

>100%

85%

Gebruik relevante overheids-bestanden 100%

2015

99%

2

Implementatie Inspire

Inspire-monitor indicatoren

Beter dan 2013

99%

Volledig Inspire Compliant

2016

100%

3

Basisregistraties

           
 

BAG gebruik

100%

>50%

85%

>90%

2014

95%

 

BRT gebruik

100%

>75%

100%

100%

n.v.t.

100%

 

BGT opbouw registratie

100%

>75%

>65%

100%

2016

80%

 

BRK gebruik

100%

100%

100%

100%

n.v.t.

100%

 

BRO opbouw registratie

100%

>50%

<35%

>90%

2016

<50%

Bron: Kadaster, stichting SVB-BGT en TNO Afkortingen:

BAG: Basisregistratie Adressen en Gebouwen;

BRT: Basisregistratie Topografie;

BGT: Basisregistratie Grootschalige Topografie;

BRK: Basisregistratie Kadaster;

BRO: Basisregistratie Ondergrond.

Beleidsconclusie

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren in 2015 conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn in zijn algemeenheid geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

In 2015 is de beleidsdoorlichting ruimtelijke ontwikkeling40 gepubliceerd. Het rapport gaat in op de plausibiliteit van de doelmatigheid van de verschillende uitgaven. Geconstateerd wordt dat de doelstelling ten aanzien van het onderdeel «Geo-informatie» grotendeels is bereikt. Het beeld ten aanzien van het onderdeel «Gebiedsontwikkeling» is dat de verschillende instrumenten een bijdrage (gaan) leveren aan het realiseren van een excellente ruimtelijk-economische structuur. Ten aanzien van Ruimtegebruik Bodem wordt geconstateerd dat het streven naar beheersing van de verontreinigingsproblematiek in 2030 naar verwachting kan worden bereikt. Het rapport geeft aan dat het niet goed mogelijk is het doelbereik van het onderdeel ruimtelijk instrumentarium (c.q. invulling van de systeemverantwoordelijkheid) aan te geven.

De bij de kengetallen en indicatoren gepresenteerde monitor Infrastructuur en Ruimte onderzoekt de realisatie van de dertien nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) afgezet tegen de gestelde ambities. Samenvattend kan gesteld worden dat de realisatie van de acties uit de SVIR op koers ligt; het overgrote deel van de acties ligt op schema of is gereed. Over het geheel genomen is de beleidsontwikkelingsfase gereed en ligt de focus op de uitvoering. Belangrijkste conclusie van de tussentijdse evaluatie van de SVIR41 is dat het de beoogde functie heeft vervuld. Er is een duidelijk positie ingenomen ten aanzien van de taken die de rijksoverheid vervulde op het gebied van infrastructuur en ruimte. Dat leidde tot een scherpe taakopvatting in de vorm van een select aantal nationale belangen.

In relatie tot de Geo-informatie zijn de streefcijfers met betrekking tot het gebruik van het Nationaal GeoRegister praktisch volledig en in het geval van Inspire zelfs een jaar eerder gehaald. Met betrekking tot de basisregistraties loopt realisatie iets achter bij streefwaardes. Dat komt voornamelijk door de complexe opbouw van de BRO registratie. Het gebruik van BAG stijgt conform de verwachtingen en ook bij de opbouw ten behoeve van de BGT zijn in 2015 dusdanige vorderingen gemaakt dat naar verwachting in 2016 de streefwaarde van 100% gerealiseerd zal worden.

Op basis van de evaluatie van het Besluit en Regeling Financiële Bepalingen bodemsanering wordt geconcludeerd dat het Besluit en de Regeling Financiële Bepalingen Bodemsanering doeltreffend en doelmatig is. Deze evaluatie wordt samen met het wijzigingsbesluit Financiële bepalingen Bodemsanering naar verwachting vóór de zomer 2016 aan de Tweede Kamer gestuurd. Bedrijven hebben gebruik gemaakt van de regeling waarmee maatregelen zijn getroffen om de kwaliteit van de bodem te verbeteren. Mede door het besluit en de regeling is het inzicht in de bodemverontreiniging verbeterd. De uitvoerbaarheid kan worden verbeterd door enkele, relatief beperkte, aanpassingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

13

Ruimtelijke ontwikkeling

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

35.851

101.410

69.162

172.302

– 103.140

1)

Uitgaven

 

112.483

98.154

112.043

194.236

– 82.193

 

13.01

Ruimtelijk instrumentarium

 

12.920

7.728

12.065

11.586

479

 

13.01.01

Opdrachten

 

5.651

4.469

4.665

6.080

– 1.415

 
 

– Wabo

 

187

25

2

2.872

– 2.870

 
 

– Architectonisch beleid

 

1.543

1.800

1.744

1.522

222

 
 

– Overige opdrachten

 

3.921

2.644

2.919

1.686

1.233

 

13.01.02

Subsidies

 

4.868

1.770

4.472

3.506

966

 

13.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

1.948

1.451

2.436

1.200

1.236

2)

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

1.948

1.451

2.436

1.200

1.236

 

13.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

453

38

492

800

– 308

 

13.02

Geo-informatie

 

36.184

42.613

51.639

42.967

8.672

 

13.02.01

Opdrachten

 

2.554

2.676

2.385

2.173

212

 

13.02.02

Subsidies

 

5.060

11.494

12.532

12.532

0

 
 

– Basisregistraties

 

5.060

11.494

12.532

12.532

0

 

13.02.06

Bijdrage aan ZBO en RWT

 

28.570

28.443

36.722

28.262

8.460

3)

 

– Kadaster

 

28.570

28.443

36.722

28.262

8.460

 

13.03

Gebiedsontwikkeling

 

16.345

13.603

3.422

3.828

– 406

 

13.03.01

Opdrachten

 

5.341

1.733

932

1.219

– 287

 

13.03.02

Subsidies

 

48

194

134

60

74

 

13.03.03

Bijdrage aan agentschappen

 

86

0

0

0

0

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

86

0

0

0

0

 

13.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

10.870

11.676

2.356

2.549

– 193

 
 

– Projecten BIRK

 

4.823

11.676

2.288

2.549

– 261

 
 

– Projecten Nota Ruimte

 

6.047

0

68

0

68

 
 

– Projecten Bestaand Rotterdams Gebied

 

0

0

0

0

0

 

13.04

Ruimtegebruik bodem

 

42.609

28.438

32.367

128.593

– 96.226

 

13.04.01

Opdrachten

 

2.756

1.846

1.784

3.505

– 1.721

 

13.04.02

Subsidies

 

22.047

19.447

17.654

16.538

1.116

 
 

– Bedrijvenregeling

 

6.912

6.924

10.746

10.000

746

 
 

– Bodemsanering NS

 

4.538

4.538

4.538

4.538

0

 
 

– Overige subsidies

 

10.597

7.985

2.370

2.000

370

 

13.04.03

Bijdrage aan agentschappen

 

7.938

6.862

8.709

6.750

1.959

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

7.938

6.862

8.709

6.750

1.959

 

13.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

1.500

283

1.900

99.480

– 97.580

4)

 

– Meerjarenprogramma Bodem

 

0

0

1.900

98.680

– 96.780

 
 

– Programma Gebiedsgericht instrumentarium

 

1.500

283

0

800

– 800

 

13.04.07

Bekostiging

 

8.368

0

2.320

2.320

0

 
 

– Uitvoering klimaatadaptie

 

8.368

0

2.320

2.320

0

 

13.05

Eenvoudig Beter

 

4.425

5.772

12.550

7.262

5.288

 

13.05.01

Opdrachten

 

2.357

3.700

4.158

6.949

– 2.791

5)

 

– Eenvoudig beter

 

2.357

3.512

4.019

3.949

70

 
 

– OLO 3

 

0

188

139

3.000

– 2.861

 

13.05.03

Bijdrage aan agentschappen

 

2.068

2.072

8.392

313

8.079

6)

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

2.068

2.072

8.392

313

8.079

 
 

Ontvangsten

 

6.938

2.901

6.371

934

5.437

7)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Het verschil in de verplichtingenrealisatie en het oorspronkelijke budget wordt door een aantal verschillende ontwikkelingen in 2015 verklaard. Zo hebben er in 2015 budgetoverboekingen plaatsgevonden vanaf het budget voor het Meerjarenprogramma Bodem naar BZK vanwege de uitkering van saneringsgelden aan lokale overheden via het Gemeente- en Provinciefonds. Verder is er in 2015 geen aanspraak gemaakt op de garantieregeling voor saneringen in het midden- en kleinbedrijf, waardoor € 15 miljoen niet besteed is.

Daar staat tegenover dat in verband met de opdracht aan het Kadaster bij 1ste suppletoire wet 2015 met tweemaal ca. € 3,0 miljoen het verplichtingenbudget is opgehoogd enerzijds van vanwege de bijdrage vanuit de waterschappen en anderzijds om de meerjarige aansluiting tussen de kas- en verplichtingenbudgetten te houden. Tevens in bij 2de suppletoire begroting 2015 het budget nogmaals opgehoogd vanwege de EZ bijdrage aan de Kadasteropdracht (€ 1,1 miljoen), een compensatie voor een in een eerder jaar ten onrechte belasting van dit opdrachtenbudget (€ 1,4 miljoen) en nogmaals ten behoeve van de actualisatie van de gewenste budgetaansluiting (ca. € 4,5 miljoen).

13.01 Ruimtelijke Instrumentarium
13.01.01 Opdrachten Uitvoering SVIR (Structuurvisie infrastructuur en ruimte)

De financiële middelen zijn in 2015 vooral ingezet in het kader van het realiseren van de SVIR doelstellingen en het vergaren van benodigde kennis daartoe. Te denken valt hierbij, aan de evaluaties van de SVIR, het uitvoeren van beleidsverkenningen met betrekking tot krimp, leegstand, steden en economisch vestigingsklimaat onderzoek in het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking en tot slot financiële bijdragen aan kennisinstituten zoals Platform31. Daarnaast zijn de provincies en gemeenten in krimpregio’s, door middel van kennis en experimenten in 2015 actief ondersteund. Tevens zijn enige onderdelen van het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) gewijzigd.

Begin 2015 is de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de SVIR en in 2016 zal de ex-durante evaluatie van de SVIR aangeboden worden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2014/2015, 32 660, nr. 63).

De ruim € 200.000 hogere realisatie bij de opdrachten ruimtelijke ontwikkeling hangt hoofdzakelijk samen met het bij 1ste en 2de suppletoire begroting ophogen van het budget met totaal ruim € 1,0 miljoen t.b.v. de opdrachtverlening in het kader van het realiseren van NOVI (de nationale omgevingsvisie) en het ruim € 0,2 miljoen meer betalen van niet gebudgetteerde opdrachten.

Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp

De financiële middelen ter ondersteuning van architectuur en ruimtelijk ontwerp zijn voor 2015, in lijn met het beleid van de laatste jaren, ingezet om de positie van het ruimtelijk ontwerp en de ontwerpers verder te versterken. Het beschikbare budget voor de actieagenda is in 2015 grotendeels als meerjarige subsidie uitgekeerd aan een aantal Lead Partners (Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Architectuur Lokaal etc.), zoals het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie en Architectuur Lokaal.

Daarnaast is in 2015, in het kader van programma’s als Atelier Making Projects, Atelier Stad en het Delta Ontwerpplatform, ontwerpend onderzoek zowel interdepartementaal als in samenwerking met andere overheden ondersteund. Met het Atelier Making Projects is ontwerpend onderzoek ingezet in de Ruimtelijk Economische Ontwikkelstrategie om concrete inzichten te geven in maatregelen die agglomeratiekracht kunnen versterken. Daarnaast is met ontwerpend onderzoek een tool ontwikkeld die inzichtelijk maakt wat de regionale potentie is voor de opwekking van duurzame energie en wordt deze tool ingezet in een ontwerpproces samen met verschillende regio’s. Door Atelier Stad zijn «City Studio’s» geïnitieerd waarmee innovatieve oplossingen voor lokale opgaven zijn ontwikkeld en nieuwe allianties zijn gevormd om hieraan uitvoering te geven. Met het Delta Ontwerpplatform is ontwerp ingezet in verschillende projecten om de wateropgave en ruimte aan elkaar te verbinden. Daarbij is een publieke bijeenkomst georganiseerd om nog meer projecten rond dit thema van elkaar te laten leren.

WABO

Ter uitvoering van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht wordt het beheer en onderhoud van het ondersteunende ICT systeem (OLO2) jaarlijks opgedragen aan RWS en de interne ICT dienst.

Het verschil tussen het oorspronkelijke budget en de realisatie wordt in hoofdzaak veroorzaakt doordat bij 1ste suppletoire begroting 2015 voor € 0,5 miljoen herschikt is binnen de budgetten voor OLO2 en het OLO3 systeem, voor € 1,1 miljoen de personele inzet vanuit RWS en voor € 1,0 miljoen de benodigde programmatische inzet van RWS is geregeld. Daar komt nog bij dat bij 2de suppletoire begroting 2015 voor ca. € 0,3 miljoen extra uitgaven m.b.t. de release van OLO2.11 aan RWS is overgemaakt.

Ruimtelijke adaptatie

Onder leiding van het Ministerie van IenM is het Rijk in 2015 gestart met het zorg dragen dat nationale vitale en kwetsbare functies uiterlijk in 2050 beter bestand zijn tegen overstromingen.

In 2015 is het driejarige Stimuleringsprogramma Ruimtelijke Adaptatie van start gegaan, wat ondermeer heeft geleid tot tien zogenaamde impactprojecten, geselecteerd op basis van hun voorbeeldwerking.

Het programma Ruimtelijke Adaptatie heeft in 2015 ook een eerste meting van een monitoring over klimaatadaptatie uitgevoerd.

Uit de meting blijkt dat gemeenten, waterschappen, provincies en Rijk allemaal met ruimtelijke adaptatie aan de slag zijn, waarbij de waterschappen het verst gevorderd lijken te zijn en de differentiatie bij de gemeenten het grootst is. Alle partijen zijn op de hoogte van de gevolgen van klimaatverandering voor wateroverlast, overstromingsrisico's en droogte, maar dit geldt minder voor hittestress.

Naast het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is in 2015 ook gewerkt aan een overkoepelende Nationale Adaptatie Strategie. Deze strategie richt zich op alle mogelijke gevolgen van klimaatverandering voor Nederland en is in zijn scope daarbij breder dan het Deltaprogramma.

Bovendien is in 2015 gewerkt aan de organisatie van een grote internationale conferentie over klimaatadaptatie in mei 2016 in Rotterdam: Adaptation Futures 2016.

In het kader van deze conferentie is bij 2de suppletoire begroting het budget zowel vanuit de EU (€ 465.000) als vanuit dit ministerie (€ 100.000) opgehoogd. Daarnaast is een deel van het Topsector Water budget ter grootte van ca. € 300.000 aan het budget van Ruimtelijke Adaptatie toegevoegd. Daar tegenover is € 100.000 overgeboekt naar RWS in het kader van uitvoeringstaken en is er voor ca. € 150.000 minder opgedragen dan aanvankelijk voorgenomen was.

13.01.02 Subsidies

In 2015 zijn de laatste betalingen voor het programma’s Duurzame Dynamiek in de Delta en Klimaatbuffers verricht. Tevens is een eenmalige subsidie aan Platform 31 verricht voor het «Jaar van de Ruimte».

13.01.03 Bijdragen aan agentschappen (ad 2)

Het agentschap RWS heeft in 2015 het beheer van het OLO2-systeem gevoerd. Dit wordt in het kader van de uitvoering van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) gedaan.

De realisatie ligt hoger dan het oorspronkelijk budget als gevolg van een overboeking vanuit het OLO2 budget voor de programmatische inzet van RWS voor OLO2 ter grootte van € 900.000 (bij 1ste suppletoire begroting) en € 350.000 vanuit het OLO2 budget vanwege hogere kosten met betrekking tot de realisatie van release 11 (bij 2de suppletoire begroting). De uiteindelijk hogere realisatie wordt mede bepaald door het sneller moeten betalen van een deel van de opdrachten dan gebudgetteerd was in 2015.

13.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

De uitvoering en realisatie van projecten in het kader van het Innovatieprogramma Mooi Nederland liep ook in 2015 door. Uiterlijk 2019 zal het laatste project zijn gerealiseerd.

13.02 Geo-informatie
13.02.01 Opdrachten

Primair zijn deze middelen in 2015 ingezet ten behoeve van de exploitatie, beheer en onderhoud van de voorzieningen op grond van Europese verplichtingen (onder meer de implementatie van de Europese richtlijn INSPIRE). Uit deze middelen zijn in 2015 mede in dat kader opdrachten aan onder meer Geonovum, SAGEO en Geofort verstrekt.

13.02.02 Subsidies GEO

In 2015 is verder gewerkt aan de transitie van de oude Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) naar de nieuwe BGT (basisregistratie grootschalige topografie). In dat kader zijn subsidies verstrekt aan de stichtingen Landelijk Samenwerkingsverband GBKN (LSV-GBKN) en het Samenwerkingsverband van Bronhouders BGT (SVB-BGT).

13.02.06 Bijdragen aan ZBO/RWT (ad 3)

In 2015 is de jaarlijkse opdracht aan het Kadaster verstrekt voor de ontwikkeling, beheer en realisatie van de landelijke voorziening van de basisregistraties en voor de ontsluiting van geo-informatie in Nederland.

De hogere realisatie is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan bijdragen van respectievelijk ca. € 3 miljoen en € 1,9 miljoen van de Unie van Waterschappen en EZ voor de Kadasteropdracht.

Hiernaast is ca. € 1,5 miljoen overgeboekt vanuit 13.02.01 en besteed aan de doorontwikkeling van Ruimtelijke Plannen.nl, het Nationaal Geo Register en het beheer van de Basisregistratie Grootschalige Topografie.

Ter compensatie van een tekort ontstaan als gevolg van een in 2014 beschikbaar budget voor gebruik van postcodes ter grootte van € 1,4 miljoen zijn extra middelen toegekend in 2015. Deze middelen zijn eveneens ingezet ten behoeve van de kadasteropdracht.

Tevens is er ca. € 0,75 miljoen meer uitgegeven aan de laatste ronde BAG inspecties bij de gemeenten.

13.03 Gebiedsontwikkeling
13.03.01 Opdrachten

Met betrekking tot de gebiedsontwikkeling waren de opdrachten in 2015 veelal gerelateerd aan MIRT onderzoeken, de organisatie van de Bestuurlijke Overleggen MIRT en activiteiten die in het kader van de Vernieuwing MIRT hebben plaatsgevonden.

13.03.02 Subsidies

In 2015 is een subsidie aan het Regiecollege Waddengebied (RCW) verstrekt.

Tevens heeft het bedrijf Wind Unie EDevelopment (WindUnie) van IenM een subsidie verkregen voor communicatie rondom Greendeal Windpark Wieringermeer.

Tot slot is een incidentele subsidies verstrekt aan de Stichting Projectbureau Masterplan Noordzeekanaalgebied ten behoeve van de Ruimte-investeringsmonitor en communicatieactiviteiten.

13.03.04 Bijdragen aan medeoverheden

Projecten BIRK/NSP

Van de vijf nog lopende BIRK (Besluit Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit) projecten, waaraan IenM nog een bijdrage geeft, heeft het project IODS van de provincie Zuid Holland in 2015 volgens planning € 0,4 miljoen ontvangen.

Van de twee nog lopende NSP (nationale sleutelprojecten) projecten, waaraan het departement nog een bijdrage geeft, heeft Breda in 2015 circa € 1,8 miljoen ontvangen.

13.04 Ruimtegebruik bodem
13.04.01 Opdrachten

Het beleidsonderbouwend onderzoek heeft in 2015 onder meer betrekking gehad op onderzoek ten behoeve van de Structuurvisie Ondergrond, de fundamentele herziening van de Wet bodembescherming, de Visitatiecommissie Waterketen en een Visie op de ruimtelijke kansen voor duurzame energieopwekking, -opslag en -transport in 2050. Ten behoeve van de Structuurvisie Ondergrond en de bijbehorende besluitvorming heeft publieksconsultatie plaatsgevonden en is aanvullend onderzoek uitgevoerd.

13.04.02 Subsidies

Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, zijn conform planning in 2015 subsidies in het kader van de bedrijvenregeling toegekend.

Bodemsanering NS

Aan de Stichting Bodemsanering NS is op basis van het convenant Bodemsanering NS- percelen (d.d. 21 december 1995) een laatste subsidie vertrekt in 2015. In maart 2015 hebben de convenantpartners de Beëindigingovereenkomst ondertekend met het oog op de beëindiging van de stichting per 1 januari 2017.

Programma Commissie m.e.r.

Om de continuïteit van de bij wet ingestelde Commissie m.e.r. niet in gevaar te brengen wordt door het Rijk in de jaren 2014–2017 een overbruggingsbudget van jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar gesteld (Kamerstukken II 2013–2014, Kamerstuk 33 686, nr. 6, pagina 4).

13.04.03 Bijdragen aan agentschappen

Uitvoeringsorganisatie Bodem + en ondergrond heeft in 2015 projectmiddelen en menskracht ingezet. Concreet gaat het om het verrichten van uitvoerende wettelijke taken, ondersteuning van de beleidsontwikkeling, het organiseren van een kennis en expertisenetwerk en daarmee de overheden faciliteren ten aanzien van de thema’s Bodem en Ondergrond door RWS.

13.04.04 Bijdragen aan medeoverheden (ad 4)

Meerjarenprogramma bodem

2015 was het laatste jaar waarin uitvoering is gegeven aan het zogenaamde oude bodemconvenant. Hiervoor is in 2015 een bedrag van € 83 miljoen overgeheveld naar BZK ten behoeve van het Gemeentefonds voor € 44 miljoen en Provinciefonds voor € 39 miljoen. Daarnaast is er € 15 miljoen overgeheveld voor uitkering via BZK overeenkomstig specifieke saneringsafspraken met Gemeente Rotterdam, Gemeente Amsterdam, Provincie Zeeland, Provincie Overijssel en Gemeente Utrecht.

Op 17 maart 2015 is het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 getekend. Voor uitvoering van dit convenant heeft IenM bij Voorjaarsnota € 287 miljoen overgeheveld naar de bevoegde overheden op grond van de wet bodembescherming (12 provincies en 29 gemeenten) via Gemeenten – en Provinciefonds. Voor specifieke afspraken met individuele overheden in de periode 2016–2020 is nog eens € 97 miljoen overgeheveld. Het totaalbedrag van € 384 miljoen, (€ 287 en € 97 miljoen) is in 2015 als meerjarenmutatie over de periode tot en met 2020 geëffectueerd vanuit 13.04.04.

Voor de concrete voortgangsinformatie over de uitvoering van het Meerjarenprogramma Bodem wordt verwezen naar de bijlage bij Kamerstukken II, 2012/2013, 30 015, nr. 47 «Bodembeleid in beweging» (februari 2013). In dit Kamerstuk wordt gerapporteerd over de uitvoering van het convenant Bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties uit 2009.

Programma gebiedsgericht instrumentarium

Hieronder valt ondermeer de aanpak van de drink- en afvalwatervoorziening in Caribisch Nederland. Door IenM is in 2015 een bijdrage verstrekt voor de verbetering van de drinkwatervoorziening op Saba. De nadruk lag daarbij op het vergroten van de drinkwatervoorraad, vanwege de steeds langer wordende periodes van droogte op het eiland. In dat kader heeft Saba in deze droogteperiode vanuit de bijdrage van IenM een bijdrage verstrekt ten behoeve van de transportkosten van drinkwater op alle eilanden. In 2015 is ook een bijdrage ten behoeve van de exploitatiekosten van de rioolwaterzuivering op Bonaire verstrekt, conform de in 2012 gemaakte afspraken. De rioolwaterzuivering zuivert het afvalwater van Bonaire, waardoor er geen ongezuiverd afvalwater via de bodem naar zee stroomt. De realisatie is nihil in de tabel aangezien deze bijdragen van IenM via budgetoverboekingen naar BZK zijn geschied.

13.04.07 Bekostiging

Uit het onderzoeksbudget is in 2015 aan de Stichting Kennis voor Klimaat ten behoeve van het Nationaal Onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat de afrondende betaling van € 2,3 mln. versterkt.

13.05 Eenvoudig Beter
13.05.01 Opdrachten (ad 5)

In 2015 zijn de middelen ingezet voor verdere uitwerking van de uitvoeringsregelgeving (AMvB’s) van de Omgevingswet. De ondersteunende werkzaamheden om te komen tot een goed stelsel zoals omgevingsmanagement, het uitdragen van goede voorbeelden en opbouwen van kennis via het project Nu al Eenvoudig Beter (EB) en de implementatie van de Crisis- en herstelwet (Chw). Met Nu al EB en de Chw wordt het mogelijk gemaakt voor gemeenten om nu al te werken met een bestemmingsplan met verbreedde reikwijdte. Verder zijn middelen besteed aan het nader uitwerken van de scope en uitwerking van de implementatie.

OLO 3

In 2015 zijn middelen besteed aan de start van de bouw en doorontwikkeling van het systeem OLO 3, ter ondersteuning van de uitvoering van het Omgevingsloket, dat onderdeel uitmaakt van de digitale ondersteuning van de nieuwe Omgevingswet. De lagere realisatie is met name gelegen in vertraging bij de start van het bouwtraject.

13.05.03 Bijdragen aan agentschappen (ad 6)

In 2015 zijn middelen ingezet als agentschapbijdrage voor de capaciteitsinzet RWS voor de implementatie van de Omgevingswet (Ow) en de Crisis- en herstelwet (Chw). Daarnaast leverde RWS capaciteit voor de uitwerking van de uitvoeringsregelgeving voor de Omgevingswet.

De realisatie ligt hoger dan het oorspronkelijk budget als gevolg van een overboeking van € 8,2 miljoen bij 2de suppletoire begroting vanuit het opdrachten budget 13.05.01 ten behoeve van de bovengenoemde inzet van RWS en is mede het gevolg van het eerder dan gepland moeten aangaan van opdrachten en de daarbij behorende betalingen.

Ontvangsten (ad 7)

De hogere ontvangsten zijn voornamelijk toe te schrijven aan

  • een niet gebudgetteerde afrekening van een Geonovum opdracht (€ 310.000),

  • ontvangsten in het kader van verhaalacties met betrekking tot bodemsaneringen (€ 340.000),

  • meerontvangstenuit afrekeningen van projecten Mooi Nederland (€ 791.000).

  • bijdragen van de EU voor de Provia conferentie in 2016 en het project Duurzame Dynamiek in de Delta.

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

Algemene Doelstelling

Om weggebruikers zo snel, verkeersveilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen ontwikkelt, beheert en benut IenM het hoofdwegennet. Daartoe zet IenM in op een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en voldoet aan milieunormen. Daarnaast wordt ingezet op een afname van het aantal verkeersslachtoffers op alle Nederlandse wegen. Om deze doelen te bereiken werkt IenM samen met decentrale overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikelen 15 OV-keten en 16 Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, vervanging, verkeersmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement. Via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen.

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het meerjarenprogramma Geluid (MJPG).

  • Het oplossen van de knelpunten voor luchtkwaliteit langs het hoofdwegennet door middel van maatregelen (zowel generiek en locatie specifiek) in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenM voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid.

  • Een slim gebruik van de huidige en toekomstige infrastructuur. Met het programma Beter Benutten wordt – naast investeringen in de infrastructuur – gewerkt aan het terugdringen van de files met 20% op specifieke corridors in de drukste gebieden van het land, ten opzichte van een situatie zonder het programma Beter Benutten (zie ook artikelen 15 OV-keten en 16 Spoor). Samen met de regio’s worden de afgesproken gebiedspakketten in het kader van Beter Benutten uitgevoerd om zo op basis van maatwerk de beoogde effecten te realiseren. Daarbij is er nadrukkelijk ook samenwerking met het bedrijfsleven.

  • De inzet van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020 en de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid. Ze richten zich op verbetering van infrastructuur, voertuigen en gedrag van weggebruikers ter vermindering van het aantal verkeersdoden en ernstig verkeersgewonden. Samen met decentrale overheden en maatschappelijke partners is met name aandacht voor de groeiende risicogroepen onder de verkeersdeelnemers: ouderen, fietsers, notoire overtreders en beginnende bestuurders.

  • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten- en gewichten van het vrachtverkeer in Europa.

  • In samenwerking met sociale partners, de transportsector en maatschappelijke organisaties wordt ingezet op verbeterde duurzaamheid van mobiliteit.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator: acceptabele reistijd
 

Basis- waarde 2001

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Streef- waarde 2020

percentage trajecten waar de streefwaarde wordt gehaald.

86%

84%

83%

88%

92%

94%

93%

87%

100%

Bron: Publieksrapportage RWS/WVL, 2016

Toelichting:

De reistijd op een traject is acceptabel als de streefwaarde voor de reistijd wordt gehaald. De streefwaarde voor trajecten op het hoofdwegennet tussen steden is een reistijd in de spits van maximaal 1,5 keer de reistijd buiten de spits (referentiesnelheid 100 kilometer/uur). Op trajecten rond de vijf grote steden en trajecten op niet-autosnelwegen van het hoofdwegennet is de streefwaarde maximaal 2,0. Er zijn 188 trajecten (alle autosnelwegen binnen het hoofdwegennet). Hiervan zijn er 82 trajecten onbemeten. Aangenomen is dat deze onbemeten trajecten voldoen aan de gewenste reistijd in de spits omdat dit de minst drukke trajecten zijn.

Het afgenomen percentage trajecten waar de streefwaarde wordt gehaald kan mogelijk als volgt worden verklaard. De economische groei in Nederland is in 2015 aangetrokken, waardoor de automobiliteit op het hoofdwegennet met 2,2 procent gestegen is (bron: Publieksrapportage RWS T3 2015). Daardoor is de congestie op een groot aantal trajecten fors toegenomen. De voertuigverliesuren zijn in 2015 met 22 procent toegenomen tot 67,8 miljoen uur (bron: Publieksrapportage RWS T3 2015). Een belangrijk deel van het relatief kleine MIRT-realisatie programma voor 2015 is pas aan het eind van het jaar opengesteld. Het betreft bijvoorbeeld de A4 Delft-Schiedam en de A15 Maasvlakte-Vaanplein. De effecten hiervan zullen pas zichtbaar zijn in de cijfers van 2016. In 2016 vindt nader onderzoek plaats naar de aard en mechanismen die deze congestiegroei nader kunnen verklaren.

Indicator: lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden opgesteld
 

2012

2013

2014

2015

Streefwaarde peildatum

1. Lokale luchtkwaliteit NO2

       

0 knelpunten langs rijkswegen 2015

2. Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld1

8.700

8.650

8.600

8.600

0 knelpunten in 2020

Bron: RijkswaterstaatWS/WVL, 2015

1

De hier genoemde reeks verschilt van de in eerdere jaarverslagen gepubliceerde reeksen omdat het aantal nog te saneren knelpunten nu kan worden gebaseerd op het geluidregister en de daarop gebaseerde nieuwe, meer gedetailleerde saneringsonderzoeken.

Toelichting:

Ad 1) Tussenliggende waarden zijn niet vastgesteld. In de prognose voor 2015 wordt voor stikstofdioxide (NO2) op alle locaties langs rijkswegen, na volledig gebruik van de wettelijke beginselen van blootstelling en toepasbaarheid, voldaan aan de grenswaarde. Op basis van de monitoring in 2016 kan vastgesteld worden of de prognose daadwerkelijk gerealiseerd is. De doelstelling van 0 knelpunten in 2011 voor fijn stof (PM10) is destijds gehaald. Uit de in 2015 uitgevoerde monitoring blijkt dat over het gepasseerde jaar (2014) dit nog steeds het geval is.

Ad 2) Het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG) is in 2011 van start gegaan. Het MJPG is gericht op het realiseren van geluidreducerende maatregelen bij geluidsknelpunten (woningen met een geluidbelasting van meer dan 65 dB als gevolg van een rijksweg) en bij woningen langs die infrastructuur die in het kader van de saneringsoperatie onder de Wet geluidhinder tijdig zijn gemeld. Daarnaast zijn woningen die als gevolg van verkeersgroei onder de Wet geluidhinder een toename van meer dan 5 dB hebben ondergaan onderdeel van de saneringsoperatie. De Tweede Kamer is op 20 november 2015 per brief geïnformeerd over de financiële stand van zaken van het MJPG en de te nemen vervolgstappen (Kamerstukken II, vergaderjaar 2015/2016, 32 252, nr. 56).

Het totale aantal knelpunten zal worden herijkt op basis van nieuw beschikbaar landelijk onderzoek dat als gevolg van het voortschrijdende onderzoek steeds gedetailleerder is dan de eerder beschikbare informatie. In 2015 is de sanering van circa 50 geluidsknelpunten boven de 65dB formeel afgehandeld in aanlegprojecten en parallel daaraan vastgestelde saneringsplannen. Deze getallen waren in de begroting 2015 echter al aan het jaar 2014 toegeschreven en zijn derhalve hier niet opnieuw in mindering worden gebracht. Daarnaast zijn – in het kader van de PreNoMo-sanering – vooruitlopend op formele afhandeling van de sanering, in 2015 maatregelen opgeleverd waarmee de geluidsbelasting van circa 500 geluidsknelpunten boven de 65dB wordt aangepakt.

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

basiswaarde

2002

2010

2011

2012

2013

2014

realisatie

2015

doelstelling

2020

aantal verkeersdoden

1.066

640

661

650

570

570

n.n.b.

500

ernstig verkeersgewonden

16.100

19.200

20.100

19.200

18.800

20.700

n.n.b.

10.600

Bron: Rijkswaterstaat/WVL, 2014

De gegevens over 2015 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De cijfers omtrent het aantal verkeersdoden komen in mei beschikbaar en het aantal verkeersgewonden in december. Deze cijfers zullen apart worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar deels conform de verwachtingen, zoals vermeld in de begroting. Op een aantal terreinen zijn in 2015 goede resultaten geboekt.

De inspanningen om luchtknelpunten op te lossen en de voortgang met de geluidsanering zijn conform verwachting verlopen. De evaluatie van het eerste deel van het programma Beter Benutten heeft laten zien dat het programma significant bijdraagt aan een betere bereikbaarheid. Daarnaast is het wetsvoorstel tijdelijke tolheffing aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer. Dit maakt het mogelijk om de projecten Blankenburgverbinding en ViA15 gedeeltelijk te bekostigen via tolinning.

Het aantal ernstige verkeersgewonden is in 2014 gestegen. Slachtoffers vallen vooral op gemeentelijke wegen, er is een traject ingezet met de decentrale overheden om maatregelen en budgetten van decentrale overheden zo effectief mogelijk in te zetten.

De voertuigverliesuren zijn in 2015 met 22 procent toegenomen tot 67,8 miljoen uur. Het percentage trajecten met acceptabele reistijden geeft aan dat er blijvend ingezet moet worden op het realiseren van het huidige MIRT-programma tot en met 2028. In deze periode wordt onder andere gewerkt aan de Ring Utrecht en de Blankenburgverbinding.

Streefwaarde acceptabele reistijd

Het percentage trajecten waar de streefwaarde voor acceptabele reistijd wordt gehaald is afgenomen van 93% in 2014 naar 87% in 2015. Dit is in belangrijke mate te wijten aan de aantrekkende economie, waardoor de automobiliteit op het hoofdwegennet met 2,2 procent gestegen is (bron: Publieksrapportage RWS T3 2015).

Daardoor is de congestie op een groot aantal trajecten fors toegenomen. De voertuigverliesuren zijn in 2015 met 22 procent toegenomen tot 67,8 miljoen uur (bron: Publieksrapportage RWS T3 2015). In 2015 zijn enkele grote projecten opengesteld (A4 Delft-Schiedam en A15 Maasvlakte-Vaanplein). Dit zal vanaf aankomend jaar bijdragen om de groei van het verkeer op te vangen. Het KiM heeft daarnaast wel geconstateerd dat de filedruk met name tot 2020 zal gaan toenemen. Na 2020 is openstelling voorzien van enkele grote wegenprojecten zoals de A13/A16 Rotterdam, ViA15 en Knooppunt Hoevelaken. Deze projecten zijn nodig om de bereikbaarheid te blijven garanderen.

Geluid en Luchtkwaliteit

De in de begroting voorgenomen inspanningen om luchtknelpunten op te lossen (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is conform verwachtingen verlopen. Op basis van de monitoring 2015 wordt op tijd voldaan aan de grenswaarden. Dit blijkt uit de RIVM-rapportage, die op 10 december 2015 door de Staatssecretaris is aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, vergaderjaar 2015/2016, 30 175, nr. 224). Met de jaarlijkse monitoring wordt een vinger aan de pols gehouden. En indien nodig, worden extra maatregelen getroffen.

In 2015 is de sanering van 50 geluidknelpunten formeel afgehandeld en zijn daarnaast voor 500 knelpunten maatregelen opgeleverd vooruitlopend op de formele afhandeling van de sanering. Hiermee is verder voortgang geboekt met de geluidsanering. Echter, het merendeel van de geluidsanering zal na 2018 plaatsvinden omdat dan de akoestische onderzoeken zijn afgerond op basis waarvan de maatregelen kunnen worden geprioriteerd om binnen het beschikbare budget te blijven. Zoals gemeld in de brief van 20 november 2015 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015/2016, 32 252, nr. 56) is gebleken dat niet alle op papier vereiste geluidmaatregelen even effectief zijn en is prioritering nodig om binnen het vastgestelde taakstellend budget te blijven.

Verkeersveiligheid

In 2015 is voortgebouwd op het beleid dat in gang is gezet ter uitvoering van het Strategisch Plan verkeersveiligheid en de Beleidsimpuls, met meer focus voor de risicogroepen. Dit laat zich echter niet direct vertalen in een vermindering van het aantal slachtoffers, dat moet blijken uit de cijfers over een langere periode. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) brengt jaarlijks monitoringsrapportages uit die de ontwikkelingen aangeven. Uit de verkenning die de SWOV in 2015 heeft uitgebracht blijkt dat het gestelde doel voor het aantal doden haalbaar is (500 in 2020), maar dat op basis van het huidige beleid het niet lukt de doelstelling te halen voor het aantal ernstig verkeersgewonden (10.600 in 2020). Vooralsnog wordt de doelstelling niet aangepast. Omdat de slachtoffers vooral op gemeentelijke wegen vallen is een traject ingezet met de decentrale overheden om maatregelen en budgetten van decentrale overheden zo effectief mogelijk in te zetten. De gegevens over 2015 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. Deze cijfers zullen apart worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Beter Benutten

Via de brief (IENM/BSK-2015/212446) aan de kamer over de uitkomsten BO’s MIRT najaar 2015 heb ik u geïnformeerd over de eindresultaten van het eerste deel van het programma Beter Benutten. De uitvoering van de maatregelen heeft geleid tot 19% minder files ten opzichte van een situatie zonder Beter Benutten. Aanvullend geldt dat de Beter Benutten maatregelen op jaarbasis gezamenlijk leiden tot een CO2 reductie van ruim 70.000 ton. De afname aan stikstofuitstoot (NOx) is 150 ton per jaar en de fijnstof reductie (PM10) is 15 ton per jaar. Het streven van het programma was een reductie van de files met circa 20% (waaronder 25.000 spitsmijdingen) op specifieke corridors in de drukste gebieden van het land. Daarmee heeft het programma Beter Benutten aan haar verwachting voldaan.

Er is in 2015 verder een begin gemaakt met het uitvoeren van de maatregelen voor het Vervolg van Beter Benutten.

Snelhedenbeleid

In 2015 zijn ontwerpverkeersbesluiten genomen om de snelheid op verschillende autosnelwegen te verhogen naar 130 km/u gedurende de hele dag of gedurende de avond- en nachturen. Na realisatie van deze besluiten is het aandeel snelwegen met een limiet van 130 km/u gestegen van circa 50% naar circa 60%.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

14

Wegen en verkeersveiligheid

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

31.318

26.712

40.149

30.322

9.827

1)

Uitgaven

 

32.729

33.866

40.064

32.043

8.021

 

14.01

Netwerk

 

11.884

15.581

21.538

15.029

6.509

 

14.01.01

Opdrachten

 

8.332

11.494

16.980

10.303

6.677

2)3)

 

– Beter Benutten

 

4.697

8.101

10.165

5.180

4.985

 
 

– Overige opdrachten

 

2.044

3.393

6.815

5.123

1.692

 

14.01.02

Subsidies

 

1.229

1.412

1.229

2.166

– 937

 

14.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

2.323

2.675

3.329

2.560

769

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

2 323

2 675

3.329

2.560

769

 

14.02

Veiligheid

 

20.845

18.285

18.526

17.014

1.512

 

14.02.01

Opdrachten

 

7.054

5.541

6.774

5.313

1.461

 

14.02.02

Subsidies

 

13.121

12.107

11.329

11.313

16

 
 

– VVN

 

3.523

3.620

3.619

3.651

– 32

 
 

– SWOV

 

3 879

3 729

3.737

3.949

– 212

 
 

– Overige subsidies

 

5.719

4 758

3.973

3.713

260

 

14.02.03

Bijdrage aan agentschappen

 

670

637

393

388

5

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

670

637

393

388

5

 

14.02.05

Bijdragen aan internationale organisaties

     

30

0

30

 
 

Ontvangsten

 

5.236

4.253

2.504

6.782

– 4.278

 

Verplichtingen (ad. 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De hogere verplichtingen realisatie is veroorzaakt door uitgaven van het project Beter Benutten. Hiervoor heeft een overboeking uit het Infrastructuurfonds plaatsgevonden.

14.01 Netwerk
14.01.01 Opdrachten (ad. 2 en 3)

De uitgaven betreffen diverse onderzoeken op het gebied van geluid, zelfrijdende auto, wegmaatregelen en het verduurzamen van de mobiliteit. Daarnaast vinden uitgaven plaats voor het kennisplatform tunnelveiligheid, handhaving cabotage en kosten voor de uitvoeringsagenda Beter Geïnformeerd. Daarnaast is aan het Openbaar Lichaam Saba € 2,2 mln verstrekt voor groot onderhoud van de weg naar de haven. Deze was niet geraamd.

De uitgaven voor Beter Benutten betreffen diverse onderzoeken op het gebied van communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding, fietsbeleid en ITS (Intelligente Transport Systemen). Het budget voor Beter Benutten staat op het Infrastructuurfonds. Voor de bovenstaande uitgaven is een budget overgeboekt van het Infrastructuurfonds. Dit verklaart het verschil tussen de stand begroting en realisatie 2015.

14.01.02 Subsidies

De vaststelling van de subsidie aan de VU Amsterdam voor het onderzoek bestuurscultuur in Nederland rond besluitvorming over infrastructuur heeft in 2015 plaatsgevonden. Daarnaast is een voorschot verstrekt aan de stichting Natuur en milieu ten behoeve van de Hopper Campagne.

Subsidies Beter Benutten

De uitgaven hebben betrekking op de Fietsersbond, een subsidie voor het NHTV (leerstoel mobiliteitsmanagement) en twee subsidies voor het Wandelnet en Fietsplatform conform amendement Hoogland.

14.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies.

14.02 Veiligheid
14.02.01 Opdrachten

Het verbeteren van de positie van kwetsbare verkeersdeelnemers gebeurt onder meer door onderzoeken op het gebied van fietsveiligheid. Opdrachten in verband met de invoering van het trekkerrijbewijs, vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad en onderzoek cat. III medicijnen en onderzoek rijden onder invloed. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door onderzoeken door Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s best verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt ondermeer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd. Daarnaast zijn uitgaven verricht voor: gevolgen van de wijziging van de regelgeving code 95 (schrappen van de vrijstellingen voor beroepschauffeurs geboren voor 1 juli 1955): voor de herbeoordeling van de rijvaardigheid na geconstateerde fraude bij een aantal praktijkexamens: gevolgen van de uitspraak van de Raad van State over het alcoholslotprogramma (asp), waaronder het vergoeden van de feitelijke kosten van het asp aan de personen waarvan het besluit tot oplegging van het asp nog niet onherroepelijk was en het inwinnen van juridisch advies.

14.02.02 Subsidies

De uitgaven hebben betrekking op de aan maatschappelijke organisaties verstrekte subsidies Veilig Verkeer Nederland (VVN), ANBO, Fietsersbond, Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV).

Aan het CBR is in 2015 een vergoeding verstrekt voor de onderzoeken naar de rijvaardigheid en de geestelijke en lichamelijke geschiktheid die zij uitvoeren en waarvan de kosten ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) voor rekening van het Rijk komen.

Daarnaast zijn uitgaven verricht voor het Fietshelmproject, Blijf veilig mobiel voor 50+, Veilig en bewust op de fiets en het Nationaal Verkeersveiligheid Congres (NVCC).

14.02.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies.

14.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties

Dit betreft de jaarlijkse lidmaatschapsbijdrage aan EuroNCAP (New Car Assessment Programme).

Ontvangsten

De tegenvallende ontvangsten worden met name veroorzaakt doordat er € 2,2 miljoen minder aan bestuurlijke boetes zijn uitgeschreven door de politie. Ook zijn er uit de stichting buisleidingstraat € 2,1 miljoen minder opbrengsten ontvangen dan geraamd. Hieraan ten grondslag liggen bestuurlijke afspraken over het herinvesteren van de inkomsten door de stichting.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

1.800.743

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

592.926

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.393.669

waarvan

   

12.01

Verkeersmanagement

14.510

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

662.460

12.03

Aanleg

618.288

12.04

GIV/PPS

655.822

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

442.589

12.07

Investeringsruimte

0

Artikel 15 OV-keten

Algemene Doelstelling

Reizigers veilig, betrouwbaar en met een voorspelbare reistijd vervoeren door de OV-Keten, waarbij verschillende modaliteiten optimaal op elkaar aangesloten zijn. De verantwoordelijkheid van de Minister inzake spoor wordt verantwoord op artikel 16 Spoor.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het beleid inzake regionaal openbaar vervoer (onder andere regionaal openbaar vervoer, taxi, waddenveren). De uitvoering vindt grotendeels plaats door middel van samenwerking in de gehele OV-Keten. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Ook het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid. De rol «regisseren» heeft specifiek betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het stellen van regels en de kaders (wetgeving) voor het openbaar vervoer (overheden, marktpartijen en reizigers). De regels en kaders hebben betrekking op het openbaar vervoer per bus, tram en metro, het CVV (Regiotaxi) en het openbaar vervoer over water.

  • Het faciliteren (waar nodig) van de decentrale overheden om hen in staat te stellen hun regionale OV-systeem beter te laten aansluiten op het landelijke spoorsysteem met het oog op het optimaliseren van de deur-tot-deur-reis. Hiertoe wordt samenwerking tussen alle betrokken partijen zoveel mogelijk gestimuleerd.

  • Het monitoren van sociale veiligheid door het ministerie. De uitvoering vindt plaats door decentrale overheden en OV-bedrijven voor het stad- en streekvervoer.

  • Het ontwikkelen van beleid voor toegankelijkheid in de OV-keten. Dit gebeurt door initiatieven bij elkaar te brengen, maar ook door maatregelen te testen waarbij organisaties zijn betrokken van reizigers met functiebeperkingen. Bij deze acties wordt samengewerkt met de vervoersbranche en de decentrale overheden.

  • Het financieren van grote regionale en lokale projecten, vanuit artikel 14 op het Infrastructuurfonds: Regionaal, lokale infrastructuur. Via artikel 25 Brede doeluitkering (op de Begroting hoofdstuk XII) wordt het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraagstukken gefinancierd.

  • Het implementeren van de concessiesystematiek voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel), waarbij extra aandacht wordt besteed aan de rol van de gebruikers van het vervoer en de belanghebbenden bij de eilanden.

  • Het opstellen en handhaven van wet- en regelgeving voor het taxivervoer over de vakbekwaamheid, maximum tarieven en de toegang tot de markt ter verbetering van de kwaliteit van het taxivervoer.

  • Het inpassen in nationale wetgeving van Europese en internationale wetgeving omtrent busvervoer.

  • Samen met decentrale overheden deelnemen in de ND-OV organisatie met als doel (actuele) brongegevens voor reisinformatie beschikbaar te stellen voor afnemers.

  • Het aanpassen van de governance structuur rond de OV-chipkaart om zo het belang van de concessiegrensoverschrijdende reiziger beter te dienen en toezicht op de OV-betaalmarkt te introduceren. Daarom wordt samen met decentrale overheden, vervoerders en consumentenorganisaties via de werkagenda van het NOVB gewerkt aan het verder verbeteren van het OV-chipkaartsysteem.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Het kengetal reizigerskilometers regionaal openbaar vervoer is met ingang van de begroting 2015 niet meer opgenomen omdat de gegevens niet langer verzameld worden en dus niet meer beschikbaar zijn. Om deze gegevens weer beschikbaar te krijgen wordt in het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) nagegaan of gebruik gemaakt kan gaan worden van geanonimiseerde OV-Chipkaartdata. Inmiddels zijn afspraken gemaakt over de gegevens die niet privacy gevoelig zijn. De Tweede Kamer is via de voortgangsrapportage van het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) hierover geïnformeerd (Kamerstukken II, 2015/2016, 23 645, nr. 605). In de Lange Termijn Spooragenda (LTSA) is in actie 43 aangegeven dat gezamenlijk een dashboard wordt ontwikkeld waarmee de verbetering van de reis van deur-tot-deur in beeld kan worden gebracht. Op basis van het dashboard wordt de deur-tot-deur ambitie gemonitord aan de landsdelige en landelijke OV&Spoortafels. Over de uitvoering van deze actie is de Tweede Kamer op 7 juli 2015 geïnformeerd via de voortgangsrapportage over de uitvoeringsagenda van de LTSA. (Kamerstukken II, 2014/2015, 29 984, nr. 611)

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Openbaar vervoer opgenomen.

Kengetal klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer

Kengetal klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2011

2012

2013

2014

2015

Algemeen oordeel

7,2

7,4

7,4

7,5

7,5

Informatie en veiligheid

7,5

7,6

7,6

7,6

7,7

Rijcomfort

7,3

7,4

7,5

7,5

7,6

Tijd en doorstroming

6,6

6,8

6,8

6,9

7,0

Prijs

5,9

6,2

6,3

6,4

6,6

Bron: CROW/KpVV – Klantenbarometer 2015

Toelichting:

De OV-Klantenbarometer heeft betrekking op al het openbaar vervoer dat wordt aangestuurd door de twaalf provincies en de twee metropoolregio’s en is het klanttevredenheidsonderzoek voor het regionaal openbaar vervoer. Het is een landelijk onderzoek naar de mening van reizigers in het stads- en streekvervoer. Het onderzoek wordt jaarlijks gehouden in de periode van eind oktober tot begin december. Voor het vierde jaar op rij is het klantoordeel over de rit met bus, tram, metro, regionale trein en boot licht gestegen. In 2015 was het rapportcijfer afgerond een 7,5 (om precies te zijn een 7,53; en in 2014 was het een 7,48).

Kengetal sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer

Kengetal Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer
 

2011

2012

2013

2014

2015

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

 

– Reizigers (1)

7,9

7,9

7,9

8

8

– Personeel (2)

nb

6,9

nb

7

nb

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

       

– Reizigers(3)

nb

15

15

16

14

– Personeel(4)

nb

60

nb

60

nb

Bron: Rapportage OV-Klantenbarometer en Personeelsmonitor (CROW-KpVV)

Toelichting:

Ad 1) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reizigers zowel in als rond het voertuig.

Ad 2) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het voertuig.

Ad 3) Dit betreft het percentage reizigers dat slachtoffer is geworden van een incident. Het percentage in 2012 is niet vergelijkbaar met voorgaande jaren omdat een andere vraagstelling heeft plaatsgevonden. Voor een toelichting wordt verwezen naar de uitgave Sociale Veiligheid van OV-reizigers in het stads- en streekvervoer 16.

Ad 4) Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Bij (2) en (4); Voor personeel wordt tweejaarlijks gemeten.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen. Dit blijkt met name uit de gelijk gebleven en of gestegen klanttevredenheid en het gelijk gebleven / gestegen waarderingsgevoel sociale veiligheid in 2014.

Het beleid van IenM is gericht op een toekomstbeeld waarin de taxisector zelf zorg draagt voor veilig, betaalbaar en betrouwbaar taxivervoer voor de reiziger. Uit de evaluatie van het Taxibeleid (Kamerstuk 31 521 nr.88) is gebleken dat dit beleid volop ruimte biedt voor nieuwe initiatieven en innovaties binnen de regelgeving.

In de Kamerstukken II, 2014/2015, 29 984, nr. 603 en Kamerstukken II, 2015/2016, 29 984, nr. 623: zijn de uitkomsten weergegeven van de 3e en 4e OV en Spoortafel. Hierin wordt melding gemaakt van constructieve discussies over onderwerpen die het OV en Spoor aangaan. De OV en Spoortafels worden in 2016 geëvalueerd. Over de uitkomsten zal de TK nader worden geïnformeerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

15

OV-keten

     

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

Verplichtingen

 

3.018

15.322

4.712

6.521

– 1.809

Uitgaven

 

8.200

15.528

5.673

6.521

– 848

15.01

OV-keten

 

8.200

15.528

5.673

6.521

– 848

15.01.01

Opdrachten

 

5.406

13.778

3.838

4.768

– 930

15.01.02

Subsidies

 

1.799

736

1.036

758

278

15.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

995

1.014

799

995

– 196

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

995

1 014

799

995

– 196

 

Ontvangsten

 

10

123

0

0

0

15.01 Openbaar vervoer

Toelichting op de financiële instrumenten

15.01.01 Opdrachten

Opdrachten betreffen voornamelijk (onderzoeks) opdrachten voor het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV), Beheer en Implementatie van Standaarden voor het OV (BISON), indicatiestelling OV-Begeleiderskaart, continue screening taxi, de implementatie van de Boord Computer Taxi, het samenwerkingsinitiatief Samen op Reis, het Nationaal Openbaar Vervoerberaad (NOVB), verbeteropgaven verkeer- en vervoermodellen en het Onderzoek Verplaatsingen in Nederland (OVIN).

15.01.02 Subsidies

Er zijn subsidie-uitgaven gedaan voor:

  • Het OV-loket (ROVER)

  • Beleidsondersteuning ROVER

  • Het Landelijk Klachtenmeldpunt Taxi (Koninklijk Nederlands Vervoer)

  • Waddenveren (ROCOV Fryslan)

  • Eenmalige subsidieregeling update software Boord Computer Taxi

  • OV-Klantenbarometer (Kennisplatform CROW)

15.01.03 Bijdragen aan agentschappen

RWS ontvangt een jaarlijkse agentschapbijdrage voor de beleidsondersteunde en adviserende taken voor het openbaar vervoer.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

134.120

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

844

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

134.964

waarvan

   

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

128.658

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

0

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

6.306

Artikel 16 Spoor

Algemene Doelstelling

De kwaliteit van het spoorproduct verbeteren zodat de reiziger en de verlader de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen. Het goed functioneren van de gehele keten is hierbij van belang. In artikel 15 wordt hier verder op ingegaan. Specifiek voor het spoordeel gaat het met name om betrouwbaarheid en veiligheid.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor aanleg en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur. Om hier invulling aan te geven wordt ProRail als uitvoerder ingeschakeld. De andere wijze van aansturen die voortkomt uit de Lange Termijn Spooragenda heeft ook gevolgen voor de rol van ProRail als uitvoerder van het Rijksbeleid. De rol «uitvoeren» heeft betrekking op:

  • Verkenningen en planuitwerkingen;

  • Aanleg van projecten;

  • Beheer waaronder: onderhoud van infrastructuur, verkeersleiding en capaciteitsmanagement.

De Minister is ook verantwoordelijk voor het aanbod van reizigersvervoer op het hoofdrailnet. Invulling gebeurt door een concessie te verlenen aan vervoerder NS.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het spoorbeleid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving.

Het beleid is vastgelegd in de Lange Termijn Spooragenda. Deze heeft tot doel het verbeteren van de kwaliteit van het spoor zodat reizigers en verladers de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie zien en gebruiken. In de Lange Termijn Spooragenda deel 2 is de wijze van aansturing van de spoorsector voor de periode tot 2028 weergegeven. De overheid gaat langs 5 lijnen haar aansturing van de spoorsector aanscherpen. Dit zijn:

  • Aanscherpen wet- en regelgeving;

  • Scherpere sturing met concessies op ProRail en NS;

  • Betere sturing met aandeelhouderschap;

  • Verbeteren sturing op financiële bijdrage Prorail;

  • Beter sturen op samenwerking.

Daarnaast heeft de Lange Termijn Spooragenda invloed op de wijze waarop de uitvoering plaatsvindt.

De verantwoordelijkheid van IenM heeft betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het aansturen van het beheer van en vervoer over het hoofdrailnet. Dit verloopt via concessies. Per 1 januari 2015 is de nieuwe beheerconcessie wederom voor 10 jaar aan ProRail gegund. Conform het Regeerakkoord is ook het vervoer op het hoofdrailnet de komende 10 jaar onderhands gegund aan de Nederlandse Spoorwegen. Met ingang van de nieuwe vervoerconcessie per 1 januari 2015 zijn ook de treindiensten op de Hogesnelheidslijn (HSL) onder de hoofdrailnetconcessie gebracht. IenM werkt verder aan het uitwerken en uitvoeren van concrete acties en afspraken uit de Lange Termijn Spooragenda middels de uitvoeringsagenda. Hieronder valt het vastleggen van wetgeving ter bevordering van een gelijk speelveld (waaronder implementatie Herschikkingsrichtlijn) en het faciliteren van samenwerking in de Spoorsector middels de OV- en spoortafels en de goederenvervoertafel.

  • Het stellen van wettelijke kaders voor veilige aanleg, beheer en gebruik van lokale spoorwegen (met name tram en metro) en het eenduidig regelen van de verantwoordelijkheden.

  • Het verbeteren van de ketenregie op de logistieke processen in het goederenvervoer. Daarnaast wordt wet- en regelgeving voor de one-stop-shop verbeterd en wordt gestuurd op het verbeteren van de kwaliteit en benutting van de goederenpaden.

  • Het samen met medeoverheden en infrastructuurbeheerders werken aan de drie Europese spoorgoederencorridors (naar Frankrijk, Italië en Polen/Tsjechië) die in ons land beginnen, waarbij de regelgeving zoveel mogelijk wordt afgestemd op de Nederlandse situatie.

  • De zorg voor de veiligheid van het spoorvervoer en van de omgeving. Onderdeel van de veiligheidsaanpak zijn het STS verbeterplan (reductie stoptonend sein passages), de veiligheidscultuur, veilig werken aan het spoor, aanpak overwegen, suïcide preventie en sociale veiligheid, maar ook externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen. In 2015 heeft een tussenevaluatie en actualisatie plaatsgevonden van de Derde Kadernota Spoorveiligheid. Om onder meer de veiligheid verder te verhogen wordt het European Railway Traffic Management System (ERTMS) ingevoerd. In 2015 bevond het programma ERTMS zich in de planuitwerkingfase.

  • De verdere invulling en uitvoering van het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen langs de volgende lijn: een integrale vernieuwende aanpak van overwegproblemen, door middel van bij voorkeur generieke maatregelen voor meerdere overwegen en waar nodig specifieke maatregelen.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Hieronder staan de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Spoor opgenomen. In de begroting 2015 was reeds aangegeven dat de indicatoren ten aanzien van punctualiteit zouden worden aangepast naar aanleiding van de nieuwe vervoerconcessie die op 1 januari 2015 is ingegaan. In productartikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator: Punctualiteit Hoofdrailnet (HRN)

Indicator: Punctualiteit Hoofdrailnet (HRN)
 

Basiswaarde 2003

2011

2012

2013

2014

Grenswaarde Vervoerplan 20152

Bodemwaarde3

Realisatie 2015

Indicator: 3 minuten punctualiteit HRN1

83,1%

89,6%

88,5%

n.v.t.

89,7%

n.v.t.

n.v.t.

86,1%

Indicator: 5 minuten punctualiteit HRN1

 

94,7%

94,2%

93,6%

94,9%

n.v.t.

n.v.t.

92,8%

Reizigerspunctualiteit

 

91,5%

91,5%

90,0%

92,3%

n.v.t.

90,0%

89,5%

Klantoordeel op tijd rijden (% dat een 7 of hoger geeft)4

 

51,0%

48,9%

46,8%

49,9%

n.v.t.

n.v.t.

43,5%

Algemeen klantoordeel4

 

74,0%

74,0%

75,0%

75,0%

n.v.t.

74,0%

74,2%

Bron: NS Jaarverantwoording 2015

Toelichting:

Ad 1) Met het oog op de internationale vergelijkbaarheid is er sinds 2013 geen prestatie-afspraak meer op basis van de norm van 3 minuten, maar op basis van de norm van 5 minuten. De 3 minuten punctualiteit wordt nog wel gemeten, maar niet meer voorzien van een grenswaarde.

Ad 2) Vanaf 2015 geldt een nieuwe vervoerconcessie. Met deze concessie wordt er niet meer gewerkt met grenswaarden.

Ad 3) Als de realisatie lager is dan de bodemwaarde, kan een boete worden opgelegd.

Ad 4) De realisatie is lager dan 2014. NS verklaart dit onder meer door een aantal grote verstoringen (ijzel, ICT-storing, stroomstoring, etc.) In 2014 waren er 3 «zwarte dagen», in 2015 13 «zwarte dagen».

Indicator: Spoorveiligheid (naar risicodrager)

Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)
     

Beoordelingsjaar

 

verbetering in 2014 t.o.v. 2013?

Nr.

Risico-drager

Omschrijving indicator

NRV

MWA 2014

MWA 2013

 

1.1

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigerstreinkm’s

7,43

3,87

4,22

ja

1.2

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigerskm’s

0,089

0,03

0,03

gelijk

2

Personeel

FWSI onder spoorpersoneel / jaar / mld treinkm’s

5,97

1,83

3,37

ja

3

Overweggebruiker

FWSI onder overweggebruikers / jaar / mld treinkm's

127

71,6

85,22

ja

4

Onbevoegden

FWSI onder onbevoegden op het spoor / jaar / mld treinkm’s

15,9

7,66

7,92

ja

5

Anderen

FWSI onder «anderen (derden)» / jaar / mld treinkm»

4,7

6,58¹

5,74

neen

6

Overall

Totaal FWSI / jaar / mld treinkm’s

148

90,09

110

ja

Bron: ILT Jaarverslag spoorveiligheid 2014, Kamerstukken II, 2015/16, 29 893, nr. 200

Gebruikte afkortingen in de tabel:

FWSI = Fatalities and Weighted Serious Injuries (het aantal doden en gewogen zwaargewonden)

NRV = National Reference Value, de in Europees kader vastgestelde referentiewaarde per lidstaat voor de betreffende indicator

MWA = Moving Weighted Average (voortschrijdend gewogen gemiddelde)

Toelichting:

Ad 1) Abusievelijk is in het op 8 december 2015 naar de Tweede Kamer gestuurde Jaarverslag Spoorveiligheid 2014 (Kamerstukken II, 2015/16, 29 893, nr. 200) aangegeven dat het voortschrijdend gewogen gemiddelde voor deze risicodrager 4,88 in plaats van 6,58 FWSI per miljard treinkilometer bedraagt.

Hierboven staan de indicatoren voor spoorveiligheid. Dit betreft de ontwikkeling van de verschillende veiligheidsdoelstellingen voor de diverse risicodragers conform de Europese systematiek. Risicodragers zijn actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen. In bovenstaande tabel is voor de belangrijkste railveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2014 was op basis van meerjarige voortschrijdende gewogen gemiddelden (MWA). Deze gegevens en de in Europees kader vastgestelde referentiewaarden (NRV) komen jaarlijks in oktober na afloop van het betreffende jaar beschikbaar in het Jaarverslag Spoorveiligheid. Dit Jaarverslag wordt vervolgens separaat aan de Tweede Kamer verzonden.

Zoals in bovenstaande tabel te zien is het MWA in 2014 bij zes railveiligheidsindicatoren beter dan of gelijk aan die in 2013 en beter dan het NRV. Alleen bij de risicodrager «Anderen» is het MWA van 2014 slechter dan in 2013. Dit is onder andere veroorzaakt door een dodelijk ongeval in 2014, terwijl daar in 2013 geen sprake van was.

Kengetal: aantal treinbewegingen goederentreinen per week

Kengetal aantal treinbewegingen goederentreinen per week
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Betuweroute

190

310

420

430

410

480

440

Zevenaar grens

340

380

480

490

490

540

470

Oldenzaal grens

80

70

60

60

70

60

100

Venlo grens

230

250

230

220

240

190

270

Maastricht grens

30

30

20

20

30

30

30

Roosendaal grens

120

120

120

110

110

110

130

Bron: ProRail Operatie, VL/PAB en ProRail Vervoer en Dienstregeling PV/POV

Toelichting:

De treinbewegingen van goederentreinen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen en exclusief losse locomotieven. In de ontwerpbegroting voor 2015 is bij de betreffende tabel aangegeven dat het treinbewegingen betrof inclusief losse locomotieven. Dit bleek niet juist: alleen de aantallen voor de Betuweroute betroffen treinbewegingen inclusief losse locomotieven; voor de grensovergangen waren het cijfers exclusief losse locomotieven. Omdat het kengetal beoogt de ontwikkeling van de vervoersprestatie in beeld te brengen, is ervoor gekozen om het aantal treinbewegingen exclusief losse locomotieven te presenteren. Bewegingen van losse locomotieven zijn immers niet relevant voor de vervoersprestatie.

  • Zevenaar grens en Betuweroute in 2015 lager dan in 2014 ten gevolge van de werkzaamheden 3e spoor;

  • Oldenzaal en Venlo grens (mede) daardoor in 2015 hoger dan in 2014;

  • Oldenzaal en Venlo grens ook hoger ten gevolge van nieuw transit vervoer, geldt ook voor Roosendaal grens;

  • Roosendaal grens ook hoger ten gevolge van andere opzet wagenladingverkeer België.

Kengetal: Sociale veiligheid NS

Kengetal sociale veiligheid NS
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Klantoordeel sociale veiligheid (1)

78,3%

79,1%

78,3%

79,5%

80,2%

80,1%

Bron: Verantwoording NS over 2015

Toelichting:

Ad 1) In het Vervoerplan (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/29984/blg-103345?resultIndex=9&sorttype=1&sortorder=4) van NS wordt voor sociale veiligheid, net als voor diverse andere zorggebieden, het klantoordeel gebruikt. Het klantoordeel veiligheid geeft een percentage en niet een cijfer. Het klantoordeel is het gewogen gemiddelde van de klantoordelen overdag en ’s avonds in de trein en overdag en ’s avonds op stations.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar deels conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting.

Dit kan worden afgeleid uit de scores op de indicator voor de overall railveiligheid die in 2014 ten opzichte van 2013 is verbeterd en op alle specifieke indicatoren voor spoorveiligheid en punctualiteit die of wel een verbetering of wel een gelijke score in 2014 laten zien ten opzichte van 2013. Alleen bij de risicodrager «Anderen» is het voortschrijdend gewogen gemiddelde van 2014 slechter dan in 2013. Dit is onder andere veroorzaakt door een dodelijk ongeval in 2014, terwijl daar in 2013 geen sprake van was.

Afwijkend geldt ten aanzien van sociale veiligheid dat er in de afgelopen jaren vaker sprake is van ernstig fysiek geweld. De departementen van IenM, VenJ en BZK hebben in maart 2015 afspraken gemaakt met NS, ProRail, OR NS en vakbonden over extra maatregelen voor de aanpak van sociale veiligheid (Kamerstukken II, 2014/2015, 28 642, nr. 60). De maatregelen zijn volop in uitvoering en concrete resultaten zijn bereikt. (Kamerstukken II, 2015/2016, 28 642, nr. 65)

Een andere afwijking van de algemene conclusie over dit artikel zijn de lagere subsidie-aanvragen dan oorspronkelijk geraamd voor GSM-R. Teneinde vervoerders te stimuleren om snel de gesubsidieerde, interferentiebestendige apparatuur in te bouwen zijn in de subsidieregeling «incentives» aangebracht, waarbij in de beginfase van de subsidieregeling sprake is van ruimere subsidiëring dan in de latere fasen. Omdat gebleken is dat het grootste deel van de vervoerders niet in staat was snel de betreffende apparatuur in te bouwen zijn in 2015 lagere subsidiebedragen benut dan voorzien.

Eind 2014 zijn de nieuwe concessies gegund aan ProRail en NS voor de periode 2015 tot 2025. Met de gunning van deze concessies is de in de LTSA deel 2 aangekondigde nieuwe sturing van de NS en ProRail van start gegaan. Daartoe zijn o.a. beheerprotocollen met NS en ProRail in gebruik genomen en is een ontwikkelagenda opgesteld met een meerjarig perspectief. Daarnaast is een handhavingkader opgesteld waarin beschreven is op welke wijze op de concessies wordt gehandhaafd.

In de nieuwe vervoerconcessie zijn de volgende drie indicatoren op het gebied van punctualiteit vervallen: Indicator: 3 minuten punctualiteit HRN, Indicator: 5 minuten punctualiteit HRN en Klantoordeel op tijd rijden. In de ontwerpbegroting 2016 is voor de indicator Punctualiteit Hoofdrailnet (HRN) het element grenswaarde in de tabel vervangen door de afgesproken bodemwaarde, streefwaarde en progressiewaarde. De bodemwaarde is de waarde waaronder NS niet mag presteren op straffe van een boete. De streefwaarde voor 2019 werkt met een bonus/malusregime, waardoor er zowel een positieve als een negatieve prikkel is om de gewenste verbetering van de prestaties te realiseren. Voor elke prestatie-indicator geeft NS in het vervoerplan een zogeheten progressiewaarde voor het betreffende jaar die aangeeft wat de tussentijdse ambitie is. Progressiewaarden en realisaties moeten tezamen over het geheel gezien progressie tonen richting de streefwaarden voor 2019. De benaming voor de gewijzigde indicator wordt «Reizigerspunctualiteit en Algemeen klantoordeel». Door het toevoegen van een Algemeen klantoordeel is aansluiting gezocht bij het Algemeen klantoordeel zoals dit binnen het overige OV wordt toegepast (zie artikel 15).

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

16

Spoor

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

10.051

8.453

49.388

19.709

29.679

1)

Uitgaven

 

60.350

39.471

24.603

28.785

– 4.182

 

16.01

Spoor

 

60.350

39.471

24.603

28.785

– 4.182

 

16.01.01

Opdrachten

 

17.651

16.687

12.042

2.339

9.703

2)

 

– ERTMS

     

10.417

0

10.417

 
 

– Overige opdrachten

 

17.651

16.687

1.625

2.339

– 714

 

16.01.02

Subsidies

 

42.493

22.710

12.388

26.346

– 13.958

3)

 

– GSM-R

 

32.491

12.805

1.092

15.000

– 13.908

 
 

– Subsidie bodemsanering NS percelen

 

9.076

9.076

9.076

9.076

0

 
 

– Overige subsidies

 

926

829

2.220

2.270

– 50

 

16.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

137

74

44

0

44

 
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

 

74

74

44

0

44

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

63

0

0

0

0

 

16.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

 

69

0

129

100

29

 
 

Ontvangsten

 

0

0

152

0

152

4)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De hogere verplichtingen zijn met name veroorzaakt door het aangaan van meerjarige verplichtingen voor subsidieregeling beheersing GSM-Rail interferentie (+ € 13,0 miljoen) en bodemsanering NS-percelen (+ € 18,152 miljoen).

16.01 Spoor
16.01.01 Opdrachten (ad 2)

Opdrachten betreffen voornamelijk (onderzoeks) opdrachten voor de bijdrage aan de NS voor de pilot ERTMS op het traject Amsterdam-Utrecht, adviezen ter ondersteuning van de nieuwe beheer- en vervoerconcessie, de Lange Termijn Spoor Agenda, railveiligheid en de parlementaire enquête Fyra. Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, welke een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor (onder andere de Vervoerkamer). De Vervoerkamer reguleert vooral de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

De hogere realisatie is met name veroorzaakt door reeds verplichte uitgaven (€ 10,4 miljoen) voor de bijdrage aan de NS voor de pilot ERTMS op het traject Amsterdam-Utrecht welke zijn begroot op het Infrastructuurfonds (artikel 13 Spoor) en verantwoord op Hoofdstuk XII.

16.01.02 Subsidies (ad 3)

Er zijn subsidie-uitgaven gedaan voor:

  • De uitvoering van de Complete Lijn Uitschakeling en de inzet van de 25kV Spanningstester (CLU+) op basis van de bestuurlijke overeenkomst tussen de Staat en Veiligheidsregio’s

  • Bodemsanering NS-percelen: sinds 1996 dragen het Ministerie van IenM (en haar voorganger) en de Nederlandse Spoorwegen jaarlijks geld bij aan de Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen (SBNS) voor de landelijke aanpak van bodemverontreiniging in NS-percelen.

  • De subsidieregeling beheersing GSM-Rail interferentie. Bij Miljoenennota 2016 is vanwege de lagere verwachting ten aanzien van de uitgaven op voorhand een kasschuif verwerkt van € 4,5 miljoen van 2015 naar 2016. De subsidieregeling kent drie aanvraagperiodes. Het aantal subsidieaanvragen in de eerste aanvraagperiode van de subsidieregeling bleek nadien lager uit te vallen dan geraamd waardoor bij Najaarsnota 2015 aanvullend € 9,0 miljoen is doorgeschoven naar 2016. Na deze kasschuiven resteerde een kasbudget van € 1,5 miljoen waarvan € 0,4 miljoen niet tot betaling is gekomen vanwege een lager aantal subsidieaanvragen. Gebleken is dat het voor de meeste vervoerders onmogelijk was om de ambitieuze planning van de eerste twee aanvraagperiodes te realiseren. Nu blijkt dat de meeste treinen pas in de derde periode interferentiebestendig worden gemaakt.

16.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Aan het KNMI is een agentschapbijdrage verstrekt voor beleidsondersteunde en adviserende taken voor het spoor.

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

De uitgaven betreffen de contributie 2014 en 2015 voor de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF).

16.01.09 Ontvangsten (ad 4)

Dit betreft een onvoorziene ontvangst in het kader van een subsidieafrekening op gebied van internationale samenwerking spoorgoederen.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

1.759.133

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

240.852

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

1.999.985

waarvan

   

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.225.522

13.03

Aanleg

625.037

13.04

GIV/PPS

132.285

13.07

Rente en aflossing

17.141

13.08

Investeringsruimte

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL en 17.07 ERTMS van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL en 17.07 ERTMS van het Infrastructuurfonds

18.644

Andere ontvangsten van artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL en 17.07 ERTMS van het Infrastructuurfonds

1.438

Totale uitgaven op artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL en 17.07 ERTMS van het Infrastructuurfonds

20.082

waarvan

   

17.02

Betuweroute

778

17.03

HSL

383

17.07

ERTMS

18.921

Artikel 17: Luchtvaart

Algemene Doelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren heeft» betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken stelt de Minister normen en handhaaft deze. Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister naar een internationaal level playing field. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA) en anderen.

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten cruciaal (multilateraal en bilateraal). De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek belangrijke landen.

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd.

  • IenM zorgt voor de regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen.

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en verbeteren van de inrichting, beheer en gebruik van het luchtruim en op verbetering van de prestaties van de Luchtverkeersleiding Nederland en het Maastricht Upper Area Control Centre, intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (co-locatie) en betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheidsmanagement.

  • De Minister richt zich op het veilig stellen van voldoende nationale luchthavencapaciteit en geeft invulling aan de wettelijke taken en verplichtingen ten aanzien van inrichting en gebruik van luchthavens en de omgeving.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • Tevens draagt de Minister zorg voor een actieve inzet van Nederland in internationale gremia waar discussies worden gevoerd en besluiten worden genomen die van invloed zijn op het Nederlandse (mainport)beleid, zoals in de Europese Raad van Transportministers.

  • Het behalen van de doelstelling hangt af van de betrokkenheid van en samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven en het innovatieve vermogen van en technologische ontwikkelingen in de luchtvaartsector, de internationale ontwikkelingen en ontwikkelingen in internationale organisaties (EU, Eurocontrol, EASA, ICAO, ea.) en de verhouding met andere economische ontwikkelingen in Nederland.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Indicator: Creëren van Luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

2010

2011

2012

2013

2014

Gerealiseerd 2015

Streefwaarde 2020

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen tov plafond 510.000

390.000

386.000

420.000

423.000

426.000

438.300

450.679

500.000

78%

77%

84%

85%

85%

88%

90%

100%

Bron realisatie: 2015 Traffic Review Schiphol Amsterdam Airport, januari 2016

Bron streefwaarde: luchtvaartnota, april 2009, januari 2014

Voor de luchthaven Schiphol is tot 2020 een plafond aan het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken. Met het oog op de netwerkkwaliteit moet binnen dit plafond ruimte blijven voor de ontwikkeling van mainportgebonden verkeer. Het Rijk heeft hierbij verantwoordelijkheid voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. In 2012 is afgesproken de inspanning er op te richten al bij 90 procent van de 510.000 vliegtuigbewegingen extra regionale luchthavencapaciteit te kunnen inzetten ter ontlasting van Schiphol (Kamerstukken II, 2011/2012, 29 665, nr. 181). De marktontwikkeling op Schiphol wordt daarom nauwlettend door het ministerie gevolgd.

In 2015 zijn in het kader van het nieuwe normen- en handhavingstelsel voor Schiphol nadere afspraken gemaakt over de ontwikkelruimte tot en met 2020. Als tegemoetkoming voor de ophoging van de dagnorm van de vierde baan en de introductie van een hardheidsclausule is de in het akkoord van 2008 afgesproken capaciteit van 510.000 vliegtuigbewegingen teruggebracht tot 500.000 tot en met 2020 (Kamerstukken II, 2014/2015, 34 098, nr. 1–3). In 2015 zijn verdere stappen gezet om het nieuwe normen- en handhavingstelsel conform het advies van de Alderstafel te verankeren in wet- en regelgeving (Kamerstukken II, 2014/2015, 34 098, nr. 5).

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad (vliegtuigbewegingen)
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd t/m 2014

Gerealiseerd t/m 2015

Streefwaarde 2015

Streefwaarde 2020

Luchthaven-capaciteit Eindhoven

0

25.000 (10.000)

25.000

10.000

25.000

Luchthaven-capaciteit Lelystad

0

0

45.000

25.000

45.000

Bron Eindhoven: Luchthaven besluit Eindhoven 2014 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013/2014, 31 936, nr. 187

Bron Lelystad: Ontwerp Luchthavenbesluit Lelystad (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013/2014 31 936 nr. C)

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) vindt plaats in een zodanig tempo dat op Schiphol meer ruimte wordt gecreëerd voor mainportgebonden verkeer zodat de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol» (Kamerstukken II, 2008/2009, 29 665, nr. 108). De feitelijke toevoeging van capaciteit vindt plaats op het moment dat deze is vastgelegd in het luchthavenbesluit.

In 2014 is voor Eindhoven met het vaststellen van het luchthavenbesluit de wettelijke basis gelegd voor 25.000 extra vliegtuigbewegingen tot 2020. In 2015 is de eerste tranche, met circa 10.000 extra vliegtuigbewegingen, geëvalueerd (Kamerstukken II, 2014/2015, 31 936, nr. 291). Uit de evaluatie komt naar voren dat alle afspraken die gemaakt zijn over de te evalueren onderwerpen zijn uitgevoerd en dat aan alle elementen van de evaluatie is voldaan, zodat conform het eerder door kabinet en Kamer onderschreven advies uit 2010, fase 2 in werking kan treden. Het kabinet neemt het Aldersadvies uit 2015 over en heeft hieraan enkele additionele hinderbeperkende maatregelen toegevoegd. Dit betekent de start van de tweede fase van de ontwikkeling van Eindhoven Airport met de mogelijkheid om circa 15.000 extra vliegtuigbewegingen te accommoderen tot 2020.

Voor Lelystad is in 2015 een luchthavenbesluit vastgesteld voor 45.000 vliegtuigbewegingen «groot handelsverkeer». Vanaf 2018 komt deze extra capaciteit op Lelystad gefaseerd beschikbaar afgestemd op de marktontwikkelingen.

Met het vaststellen van de beide luchthavenbesluiten is de eerste stap van de beleidsopgave van de creatie van 70.000 extra vliegtuigbewegingen op Eindhoven en Lelystad gerealiseerd.

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Streefwaarde 2015 e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

1

1

 

Parijs (CDG)

2

3

3

3

 

Frankfurt (FRA)

3

2

2

2

 

Gatwick

4

4

4

4

 

Schiphol

8

8

8

9

< LHR, FRA, CDG

Zürich

5

5

5

6

 

München

6

6

6

5

 

Brussel

9

9

9

8

 

Madrid

7

7

7

7

 

Bron: SEO, Benchmark Luchthavengelden en Overheidsheffingen 2015

Toelichting:

Om te kunnen vaststellen of Schiphol een concurrerend kostenniveau heeft, vindt er jaarlijks een vergelijking plaats van de luchthavengelden, de ATC-heffingen en de overheidsheffingen op Schiphol en tien concurrerende luchthavens.

In deze benchmark wordt berekend wat op de verschillende luchthavens voor een vergelijkbaar aantal vluchten betaald zou moeten worden in het laatste onderzoeksjaar en een aantal voorgaande jaren. De resultaten van de benchmark van 2015 laten zien dat Schiphol medio 2015 goedkoper is dan acht andere Europese luchthavens. Het streven is om de huidige positie van Schiphol in de rangorde van kostenniveau onder die van Londen Heathrow, Frankfurt en Parijs Charles de Gaulle te houden.

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

2012

2013

2014

2015

grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

62,71

62,45

62,55

62,67

63.46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

52,47

52,09

52,14

52,35

54.44 dB(A)

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol van de ILT 2015

Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit 2004

Toelichting:

Op Schiphol is ook in 2015 aan de grenswaarden voor het Totale Volume Geluid (TVG) voldaan.

Het TVG is de totale hoeveelheid geluid die door alle vliegtuigen gezamenlijk in een jaar mag worden geproduceerd. In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat de totale hoeveelheid geluid van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar voor het etmaal (de Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (de Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen.

Kengetal: Jaarlijkse TRG-score voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit
 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Grens

TRG-score

6,62

6,057

6,118

6,47

6,486

6,841

7,101

7,408

9,724

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol van de ILT 2015

Toelichting:

Op Schiphol is ook in 2015 aan de grenswaarde voor het Totale Risico Gewicht (TRG) voldaan. Het TRG is het resultaat van een vermenigvuldiging van het maximale startgewicht van een vliegtuig met de ongevalskans per vliegtuigbeweging. De TRG-waarde 2015 bedraagt 7,408 ton. In het luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat het TRG van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar niet meer dan 9,724 ton mag bedragen. Het gebruiksjaar 2015 loopt van 1 november 2013 tot en met 31 oktober 2014. Afgezet tegen de grenswaarde van 9,724 ton betekent dit dat op 31 oktober 2015 nog een TRG-ruimte van 2,316 ton beschikbaar was.

Kengetal: Aantal passagiersbestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Amsterdam

258

246

253

263

271

266

261

264

263

Frankfurt

288

291

284

283

288

301

286

286

287

London Heathrow

181

177

171

165

174

176

176

179

180

Parijs Charles de Gaulle

260

273

272

271

268

256

258

278

274

Brussel

158

190

183

188

200

190

181

192

190

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat, januari 2016

Toelichting:

Het aantal bestemmingen blijft in 2015 op de meeste luchthavens ongeveer gelijk. Met name op Parijs Charles de Gaulle neemt het aantal bestemmingen licht af.

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, aantal passagiers en vrachttonnage per luchthaven
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Vliegbewegingen (x 1.000)

                 

Amsterdam

436

428

391

386

420

423

426

438

451

Frankfurt

485

480

458

458

481

476

466

463

457

London Heathrow

476

473

460

449

476

471

470

471

472

Parijs Charles de Gaulle

544

551

518

492

507

491

472

465

469

Brussel

241

236

212

205

214

206

199

214

221

Passagiers (x mln)

           

Amsterdam

48

47

44

45

50

51

53

55

58

Frankfurt

54

53

51

53

56

57

58

59

61

London Heathrow

68

67

66

66

69

70

72

73

75

Parijs Charles de Gaulle

60

61

58

58

61

61

62

64

66

Brussel

18

19

17

17

19

19

19

22

23

Vracht (x 1.000 ton)

             

Amsterdam

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

1.531

1.633

1.621

Frankfurt

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

2.016

2.051

1.993

London Heathrow

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

1.423

1.499

1.497

Parijs Charles de Gaulle

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

1.876

1.896

1.861

Brussel

762

659

449

476

475

459

430

454

463

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2016

Toelichting:

  • Het aantal vliegtuigbewegingen stijgt in 2015 op zowel Amsterdam als Brussel met 3%. Op de andere luchthavens wijzigt het aantal vliegtuigbewegingen minder sterk.

  • Het aantal passagiers stijgt in 2015 op alle luchthavens en het sterkst op Amsterdam (met 6%).

  • Met uitzondering van Brussel neemt het vrachtvolume in 2015 op alle luchthavens af. Op Amsterdam is de afname 1%.

De jaarlijkse Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties geeft een beeld van de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit op Schiphol ten opzichte van enkele concurrerende buitenlandse luchthavens. Daarnaast wordt in de monitor het netwerk van Skyteam (Air France KLM en alliantiepartners) vanaf Schiphol vergeleken met dat vanaf Parijs Charles de Gaulle. Zo wordt de naleving van de staatsgaranties gevolgd die in het kader van de fusie van KLM met Air France zijn afgesproken.

Uit het onderzoek blijkt dat het netwerk van Schiphol ook in 2015 sterker groeit dan de netwerken van de concurrerende Europese luchthavens. Het netwerk van Skyteam heeft zich op Schiphol sinds de fusie van Air France en KLM in 2004 op alle fronten aanzienlijk sterker ontwikkeld dan op Parijs Charles de Gaulle. Het netwerk van directe verbindingen van Skyteam is op Schiphol in de loop der jaren nagenoeg op hetzelfde niveau gekomen als op Parijs Charles de Gaulle. Ook de mate waarin vluchten van Skyteam op elkaar aansluiten (de «hubconnectiviteit») was op Schiphol alle jaren al beter en dit heeft zich op Schiphol sinds de fusie bovendien ook nog sterker ontwikkeld dan op Parijs Charles de Gaulle.

Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management (in minuten)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

2,8

2,44

2,08

1,72

1,4

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

nb

0,7

0,6

0,5

0,5

Gerealiseerd

2,5

1,4

0,9

0,8

0,9

1,0

1,2

1,4

0,9

2,0

1,1

0,63

0,54

0,61

0,76

Bron: Performance Review Body, Performance monitoring Dashboard 2016

Toelichting:

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim. Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning, human resource management, weersomstandigheden en stakingen. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

De in bovenstaande tabel opgenomen reeks is gewijzigd: waar Eurocontrol in eerdere rapporten uitsluitend de gemiddelde vertraging in het en route verkeer gedurende de zomer heeft gemeten, hanteert de Performance Review Body (PRB; de onafhankelijke adviseur van de Europese Commissie inzake het EU-breed toegepaste prestatiesturingssysteem) thans een jaargemiddelde. De wijziging houdt verband met de invoering van het EU-brede prestatiesturingssysteem in 2012, waarin de vertraging als kernprestatie-indicator van het prestatiekerngebied capaciteit per jaar wordt gemeten. De waarden in de jaren tot 2012 zijn niet herberekend. De gegevens uit de onderscheiden perioden zijn derhalve niet vergelijkbaar.

Kengetal: Gemiddelde ATFM 1ATFM staat voor «Air Traffic Flow Management»-vertraging per vlucht (in minuten)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht

2,8

1,0

1,0

1,0

1,0

2,0

Gerealiseerd

0,94

0,9

0,78

0,68

0,94

2,91

Kengetal: Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Grenswaarde

           

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht

2,80

1,00

1,00

1,00

1,00

2,00

Gerealiseerd

           

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht

0,94

0,90

0,78

0,68

0,94

2,91

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht volgens PRB methode1

1,85

1,81

1,41

1,34

1,89

 

Bron: Luchtverkeersleiding Nederland 2016

1

Deze berekening betreft de oude systematiek en is vanaf 2015 niet meer beschikbaar.

Toelichting:

Dit kengetal heeft betrekking op de gemiddelde en-route vertraging per vlucht in het Nederlandse luchtruim en de gemiddelde vertraging op Schiphol tezamen. Het merendeel van de vertragingen treedt op in de terminalfase van een vlucht en wordt veroorzaakt door weersomstandigheden (storm, mist, sneeuw) die een direct negatief effect hebben op de afhandeling van de starts en landingen in de vluchtfase beneden een hoogte van een kilometer. Beperkte aantallen vliegtuigopstelplaatsen kunnen ook vertragingen veroorzaken. Zo is de toename in 2014 van de gemiddelde vertraging met name veroorzaakt door stormen en mist.

LVNL heeft met ingang van 2015 dezelfde systematiek als de Performance Review Body om vertragingen te meten. Verder heeft LVNL in 2015 de vertragingswaarden vanaf 2010 herberekend volgens de PRB systematiek om de effecten van de wijziging van de meetsystematiek transparant weer te geven. Er is uitsluitend sprake van een technische wijziging in de meetsystematiek zonder een beleidsmatige impact.

De door LVNL beheersbare vertragingen zijn in 2015 onder de gestelde norm gebleven. 58% van de vertragingen is in 2015 veroorzaakt door weersomstandigheden.

Beleidsconclusies

Het op artikel 17 uitgevoerde beleid en de resultaten waren in 2015 conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen opgetreden en er was geen noodzaak tot bijstelling.

Met het vaststellen van de luchthavenbesluiten Lelystad en Eindhoven is de beoogde creatie van extra capaciteit voor 70.000 extra vliegtuigbewegingen op Lelystad en Eindhoven behaald.

Geconcludeerd kan worden dat met deze ontwikkeling van Lelystad en Eindhoven op Schiphol meer ruimte wordt gecreëerd voor mainportgebonden verkeer zodat de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt.

In 2015 heeft de schriftelijk behandeling door de Tweede Kamer van het wetsvoorstel Nieuw Normen- en handhavingsstelsel (NNHS) voor de luchthaven Schiphol plaatsgehad.

In mei 2015 is het voorstel tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake de exploitatie van de luchthaven Schiphol (regulering luchthaventarieven Schiphol) naar de Kamer gestuurd (Kamerstukken II, vergaderjaar 2014/2015, 34 197 nr. 2).

Onderzoek van bureau Altenburg en Wyminga (in samenwerking met bureau Trifolium) in 2015, waarbij onder andere gebruik is gemaakt van de vogelradar van Schiphol, bevestigt de afname van het aantal ganzenbewegingen gedurende de graanoogstperiode.

Een groot deel van de geraamde uitgaven van het Schadeschap Schiphol voor 2015 schuift door naar 2016 omdat voor een aantal dossiers beroepszaken lopen die in tegenstelling tot eerdere verwachting pas in 2016 of later tot een uitspraak zullen leiden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

17

Luchtvaart

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

27.313

17.542

19.220

20.617

– 1.397

 

Uitgaven

 

21.796

20.201

21.288

23.759

– 2.471

 

17.01

Luchtvaart

 

21.796

20.201

21.288

23.759

– 2.471

 

17.01.01

Opdrachten

 

17.536

6.727

5.651

10.229

– 4.578

1)

 

– Opdrachten GIS

 

10.604

1.598

1.401

5.001

– 3.600

 
 

– Leefbaarheidsfonds

 

0

0

0

0

0

 
 

– Overige opdrachten

 

6.932

5.129

4.250

5.228

– 978

 

17.01.02

Subsidies

 

2.862

2.284

2.423

452

1.971

2)

17.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

64

10.071

12.068

11.898

170

3)

 

– waarvan bijdrage aan RWS (Caribisch Nederland)

 

48

10.048

12.010

11.850

160

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

0

10.000

35

48

– 13

 
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

 

16

23

23

0

23

 

17.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

 

1.334

1.119

1.146

1.180

– 34

 
 

Ontvangsten

 

38.863

38.168

31.354

33.109

– 1.755

4)

17.01 Luchtvaart

Toelichting op de financiële instrumenten

17.01.01 Opdrachten (ad 1)

Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS)

De derde fase van het geluidsisolatieprogramma is in 2012 afgerond. De beleidsevaluatie GIS is in 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden. (Kamerstukken II, 2013/2014, 26 959, nr. 140). De resultaten van de beleidsevaluatie GIS worden betrokken bij de brede beleidsdoorlichting luchtvaart in 2017. Doel van het project GIS is het verminderen van de geluidshinder voor omwonenden van Schiphol door middel van geluidsisolatie van woningen. Ook wordt de behandeling en uitbetaling van schadeclaims en aankopen van woningen in de geluids- en sloopzones uit het LIB (Luchthaven Indelingsbesluit) uitgevoerd.

De besluiten met betrekking tot Schiphol die aanleiding geven tot schadeverzoeken zijn (grotendeels) verjaard en de werkzaamheden van het Schadeschap hebben voornamelijk betrekking op verzoeken die in voorgaande jaren zijn binnengekomen. Een groot deel van de geraamde uitgaven voor 2015 schuift door naar 2016 omdat voor een aantal dossiers beroepszaken lopen die in tegenstelling tot eerdere verwachting pas in 2016 of later tot een uitspraak zullen leiden.

Overige opdrachten

Luchtvaartnota en de Alderstafels

In 2014 is voor Eindhoven met het vaststellen van het luchthavenbesluit de wettelijke basis gelegd voor 25.000 extra vliegtuigbewegingen tot 2020. In 2015 is de eerste tranche, met circa 10.000 extra vliegtuigbewegingen, geëvalueerd.

Voor Lelystad is in 2015 een luchthavenbesluit vastgesteld voor 45.000 vliegtuigbewegingen «groot handelsverkeer».

Met het vaststellen van de beide luchthavenbesluiten is de eerste stap van de beleidsopgave van de creatie van 70.000 extra vliegtuigbewegingen op Eindhoven en Lelystad gerealiseerd.

Normen en handhavingsstelsel

In 2015 zijn in het kader van het nieuwe normen- en handhavingstelsel voor Schiphol nadere afspraken gemaakt over de ontwikkelruimte tot en met 2020. In 2015 zijn verdere stappen gezet om het nieuwe normen- en handhavingstelsel conform het advies van de Alderstafel te verankeren in wet- en regelgeving (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 098, nr. 5).

Verminderen risico op vogelaanvaringen

In 2015 is de evaluatie van het convenant door de Tweede Kamer gepubliceerd (Vergaderjaar 2014–2015 Bijlage bij Kamerstuk 28 286 nr. 778). Monitoring vindt plaats op basis van een monitoringsprogramma waarin alle partijen hun verantwoordelijkheid nemen. In 2015 hebben wederom vangacties plaatsgevonden en heeft de Adviesgroep Vogeltoets zijn eerste advies opgesteld om gemeenten te adviseren over de kwaliteit van de vogeltoets in relatie tot nieuwe bestemmingen en vormen van grondgebruik rondom Schiphol die mogelijk een vogelaantrekkende werking hebben.

Beleidsonderzoek vliegveiligheid

In 2015 is prioriteit gegeven aan onderzoek naar het effect van versneld onderploegen van graanresten en de ondersteuning door het RIVM van de ingestelde Nederlandse Adviesgroep Cabinelucht. De werkzaamheden van het RIVM met betrekking tot externe veiligheid zijn gecontinueerd.

Nadere uitwerking luchtruimvisie en civiel-militaire samenwerking

In 2015 zijn verregaande stappen gezet in de realisatie van civiel-militaire co-locatie van de militaire luchtverkeersleidingstaken bij LVNL voor het lagere luchtruim, en het overdragen van de militaire taken voor het hogere luchtruim naar Maastricht Upper Area Control Centre (MUAC). In april is een intentieovereenkomst ondertekend tussen betrokken partijen voor de realisatie van luchtverkeersleiding Lelystad. Met de General Aviation partijen zijn toekomstvaste locaties voor GA activiteiten verkend en zal een advies begin 2016 volgen.

KDC

In 2015 heeft De Stichting Knowledge & Development Center (KDC) een reeks projecten gerealiseerd om de grond- en luchtoperaties van de luchthaven Schiphol te innoveren. Daarbij is ook kennis ingezet die in Europees verband voor de «Single European Sky» is ontwikkeld. De innovaties zijn gericht op de verbetering van het functioneren van de luchthaven in termen van efficiency, betrouwbaarheid van de operatie, flexibiliteit van operaties, omgang met verstoringen, veiligheid en vermindering van milieuhinder. Het beschikbare budget is daarvoor ten volle benut, aangevuld met bijdragen van de deelnemende sectorpartijen.

Opdrachten Caribisch Nederland

Het betreft opdrachten ter bevordering van het veilig gebruik van de luchthavens en het luchtruim in Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius) en ter verbetering van de bedrijfsvoering van deze luchthavens en de luchtverkeersdienstverlening. Tevens betreft het bijdragen aan de opleidingen en brevettering van betrokken personeel.

17.01.02 Subsidies (ad 2)

Versneld onderwerken graanresten ten behoeve van reduceren risico vogelaanvaringen

Eén van de uitvoeringsmaatregelen van het «Convenant Reduceren Risico Vogelaanvaringen Schiphol» is een vergoedingsregeling voor agrarische ondernemers die de oogstresten op hun percelen in de noordelijke Haarlemmermeer na de graanoogst versneld onderwerken. Hiervoor is bij Miljoenennota 2016 € 1,9 miljoen aan het subsidiebudget toegevoegd.

Doel van deze maatregel is dat ganzen niet meer op de resterende graankorrels gaan foerageren zodat het aantal ganzenbewegingen op en rond Schiphol afneemt. De betreffende agrarische ondernemers ontvangen hiervoor een vergoeding per hectare versneld ondergewerkte graanakker.

Jaar

2012

2013

2014

2015

         

Deelnemende agrarische ondernemers

62

74

71

78

Oppervlak ondergewerkte graanakker

1.572,22

2.092,72

1.953,95

2.328,27

Totaal subsidiebedrag

(x € 1.000)

1.341

1.785

1.667

1.986

Percentage totale oppervlakte graan in de zone

75%

95%

95%

Naar verwachting meer dan 95% (totaal oppervlak graan in 2015 is onbekend)

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2016

De effectiviteit van het onderwerken van oogstresten wordt sinds 2013 elk jaar onderzocht. Het resultaat van het onderzoek van de oogstseizoenen 2013 en 2014 is betrokken in de «Evaluatie Nederlandse Regiegroep Vogelaanvaringen» (Kamerstukken II, 2014/15, 28 286, nr. 778).

Het onderwerken van oogstresten zorgt voor een verlaging van de hoeveelheid voedsel voor met name ganzen. Echter ook na onderwerken blijven er nog graanresten achter op de akkers. Onderzoek van Altenburg en Wyminga (in samenwerking met bureau Trifolium) in 2015 toont aan dat de hoeveelheid vogelvoedsel in de vorm van resterende graankorrels door het onderwerken met 60% wordt gereduceerd. Het blijkt echter dat ganzen in sommige gevallen ook met een lager graanaanbod nog foerageren op de ondergewerkte akkers. Dit is met name afhankelijk van de voedselsituatie in de omgeving Gebleken is dat alleen ploegen 100% effectief is om alle graanresten onder te werken. Behalve meeuwen direct achter de ploeg, foerageren er geen vogels op de geploegde percelen. Het verdient aanbeveling om te onderzoeken of ploegen haalbaar is.

De huidige geringe toename in het aantal vliegbewegingen staat niet in verhouding met de situatie van enkele jaren geleden, toen de graanresten nog niet werden ondergewerkt. Ganzentellingen tijdens de oogstperiode in 2009–2010 laten een toename zien van enkele honderden procenten ten opzichte van de ongeoogste situatie; van dergelijke toenames in het aantal vliegbewegingen is momenteel geen sprake meer. Uit systematische tellingen in 2014 door Van

de Riet et al. bleek dat in de laatste jaren het aantal ganzen dat tijdens de oogstperiode de Haarlemmermeer komt binnenvliegen aanzienlijk is afgenomen.

Het versneld onderwerken van de oogstresten is een voor de hand liggende oorzaak van deze afname. Daarnaast is het waarschijnlijk dat ook de reductie van het aantal ganzen, door onder ander de vangacties – een andere maatregel voortvloeiend uit bovengenoemd convenant – van invloed is. Het hierboven genoemde onderzoek van Altenburg en Wyminga, waarbij o.a. vogelbewegingen met de vogelradar van Schiphol in beeld zijn gebracht, bevestigt de eerdere conclusie omtrent de afname van het aantal ganzenbewegingen gedurende de graanoogstperiode. Geconstateerd is dat de hoeveelheid vliegbewegingen na het onderwerken gemiddeld iets hoger (17 %) is dan in de situatie vóór de oogst.

ORS en commissies regionaal overleg

In januari 2015 is de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS) en de Alderstafel Schiphol opgegaan in de Omgevingsraad Schiphol (ORS). De ORS heeft een adviserende bevoegdheid. Het doel van de ORS is het bevorderen van een duurzame ontwikkeling, inpassing en gebruik van de luchthaven Schiphol in zijn omgeving. Het gaat om het gezamenlijk vinden van een balans door partijen door middel van overleg, consultatie en advies. De balans moet gevonden worden tussen netwerkkwaliteit, ruimtelijk-economische structuurversterking en leefomgeving. Betrokken partijen bestaan uit vertegenwoordigers van het Rijk, de regionale overheden, de luchtvaartsector, bewonersvertegenwoordigers namens de omwonenden van Schiphol en vertegenwoordigers voor zowel het bedrijfsleven als milieuorganisaties.

Voor de luchthavens Eelde, Lelystad, Maastricht en Rotterdam zijn de afgelopen jaren Commissies regionaal overleg (CRO) ingesteld. Voor Lelystad is dat op 1 april 2015 gebeurd.

Incidentele subsidies

Bij eerste suppletoire begroting 2015 is het subsidiebudget met € 0,2 miljoen verhoogd voor het KLM biofuel programma. Het bedrag is niet uitgegeven omdat aan het eind 2015 de procedure daarvoor bij de Europese Commissie nog niet was afgerond. Deze uitgave is nu voorzien voor 2016.

17.01.03 Bijdragen aan agentschappen (ad 3)

Aan Rijkswaterstaat (RWS) is budget verstrekt als agentschapsbijdrage met name voor de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland.

Bij Voorjaarsnota 2015 is € 0,023 miljoen toegevoegd van het opdrachtenbudget aan de agentschapsbijdrage KNMI.

17.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Ieder jaar is de directie Luchtvaart verplicht om in het kader van internationale verplichtingen een vijftal contributies te voldoen aan een drietal internationale organisaties, te weten de ICAO, de ECAC en de ABIS groep. Het betreft de jaarlijkse contributies aan:

  • de ICAO voor het lidmaatschap van Nederland en;

  • de ICAO ten behoeve van de overvliegrechten boven (a) IJsland en (b) Denemarken op basis van een multilateraal MoU waar Nederland partij bij is;

  • de ECAC voor het Nederlandse lidmaatschap

  • de ABIS groep als lidstaat en partij bij het MoU.

Ontvangsten (ad 4)

Als gevolg van minder vliegbewegingen dan eerder geraamd zijn minder heffingsaanslagen opgelegd, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat minder ontvangsten in het kader van de overige Schipholheffingen (hoofdzakelijk ter financiering van het Schadeschap Luchthaven Schiphol) zijn gerealiseerd dan was geraamd. Daarnaast heeft een ontvangst voor dezelfde heffing die in december 2015 werd verwacht, in januari 2016 plaatsgevonden.

De heffing ten behoeve van Geluidsisolatie Schiphol (GIS) is in 2015 beëindigd, omdat het bedrag dat voor het project GIS benodigd is, middels deze heffing is ontvangen.

Een deel van de uitgaven voor het project, voor de klachtenafhandeling, vinden plaats in latere jaren. Afhankelijk van deze toekomstige uitgaven is mogelijk teveel geheven, er dient bezien te worden hoe in dat geval met dit teveel geheven bedrag wordt omgegaan.

Artikel 18 Scheepvaart en Havens

Algemene Doelstelling

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit de Begroting hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 18) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat voert als beheerder het beheer, onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer, onderhoud en vervanging worden verantwoord op het infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering, waaronder het toezicht op de uitvoering, van de wet- en regelgeving (zowel de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)) van het maritiem beleid. De rol «regisseren» heeft ook betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor deze normen, bijvoorbeeld in de Europese Raad van transportministers en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties.

  • De in 2015 vastgestelde maritieme strategie en de daaronder hangende werkprogramma’s voor de zeehavens, scheepvaart en binnenvaart geven de leidende principes aan: meerwaarde door samenwerking, ruimte voor ondernemerschap en oog voor de stad en leefomgeving.

  • Vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving in de zeehavengebieden de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd.

  • IenM zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, bemanningszaken en security.

  • Met de programma’s Beter Benutten en Impuls Dynamisch Verkeersmanagement Vaarwegen stimuleert de Minister een slim, efficiënt en veilig gebruik van de vaarwegen. Samen met de inspanningen van de vervoerders en verladers kan daarmee de capaciteit van de vaarwegen beter worden benut.

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid met betrekking tot maritiem beleid.

  • IenM draagt binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht)

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor scheepvaart en havens opgenomen. In productartikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator: Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Streefwaarde 2015

Realisatie 2015

Hoofdtransportas

75%

68%

67%

68%

69%

70%

85%

68%

Hoofdvaarweg

85%

81%

79%

78%

80%

80%

75%

80%

Overige vaarweg

90%

88%

92%

93%

92%

92%

70%

91%

Bron: RWS 2016

Toelichting:

Voor elk type vaarweg (Hoofdtransportas, Hoofdvaarweg en Overige vaarwegen) wordt een te realiseren percentage schepen nagestreefd dat binnen de normtijd de sluis passeert (streefwaarde). De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald.

De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden. Dit speelt al langere tijd en wordt (naast geplande onderhoudsmaatregelen bij bijv. de Kreekraksluizen) voornamelijk veroorzaakt door gebrek aan capaciteit op de corridors tussen Zeeland en Rotterdam. Voor de sluizen op die corridors lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van deze capaciteit. De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren wel ruim voldoende.

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»
 

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Totaal Nederlandse Zeehavens

45,9

44,4

44,9

44,9

44,2

44,5

45

46,9

47,8

47,2

47,9

47,5

47,2

48,1

Mainport Rotterdam

35,6

34,5

34,6

34,9

33,8

34,2

34,4

36

37

36,3

37

36,6

36,2

37,3

Overige Nederlandse Zeehavens

10,3

9,9

10,3

10

10,4

10,4

10,6

10,9

10,8

10,9

10,9

10,9

11

10,8

Bron: 2001–2010 Nationale Havenraad, 2011–2015 IENM

Toelichting:

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest-Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de «Hamburg-Le Havre range») tenminste te handhaven.

«Totaal Nederlandse Zeehavens» laat in 2015 weer een lichte stijging van het marktaandeel zien ten opzichte van voorgaande jaren. Met name Mainport Rotterdam die na een lichte stijging in 2012 in 2013 en 2014 marktaandeel verloor, laat een behoorlijke stijging van het marktaandeel zien. Het marktaandeel van de overige Nederlandse zeehavens laat een lichte daling zien.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van schepen > 100 GT en pontons > 1000 GT
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag

   

Aantallen

                     

Handelsvaart

570

574

566

640

688

725

769

800

822

808

790

Zeesleepvaart

164

174

212

222

222

249

235

247

260

258

275

Waterbouw

151

148

139

118

121

120

156

169

168

167

171

Totaal

885

896

917

980

1.031

1.094

1.160

1.216

1.250

1.233

1.236

Bruto tonnage

                     

Handelsvaart

4.932

5.031

5.114

5.980

6.313

6.075

6.883

6.740

7.045

6.978

6.572

Zeesleepvaart

178

181

243

264

237

310

290

362

347

360

409

Waterbouw

498

509

477

375

441

450

513

531

533

537

531

Totaal

5.608

5.721

5.834

6.619

6.991

6.835

7.686

7.633

7.925

7.875

7.512

van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer

   

Aantallen

                     

Handelsvaart

375

434

462

395

410

433

422

408

403

403

432

Zeesleepvaart

329

284

332

358

406

459

456

477

498

519

512

Waterbouw

37

39

45

52

66

63

55

55

52

52

62

Totaal

741

757

839

805

882

955

933

940

953

974

1.006

Bruto tonnage

                     

Handelsvaart

4.692

5.566

6.278

4.542

5.057

5.259

5.232

5.072

5.517

5.987

6.500

Zeesleepvaart

2.704

2.782

1.903

1.423

1.217

1.011

1.298

1.640

1.612

1.643

1.740

Waterbouw

99

102

122

184

225

251

210

264

248

285

312

Totaal

7.495

8.450

8.303

6.149

6.499

6.521

6.740

6.976

7.377

7.915

8.552

Bron: Zeeschepen onder Nederlandse vlag: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2016. Zeeschepen onder buitenlandse vlag: cijfers 2005 Ecorys (december 2008); cijfers van 2006–2009 Policy Research Corporation (april 2010); cijfers 2010–2015 Inspectie Leefomgeving en Transport, 2016. Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS.

Toelichting:

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. Het tonnage van de vloot onder Nederlandse vlag is afgenomen. Dat komt vooral door een lichte daling van het aantal handelsvaartschepen onder Nederlandse vlag. De cijfers laten hiervoor geen duidelijke oorzaak zien. Mogelijk dat een afname van het aantal nieuwbouwschepen hier een rol in speelt. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar van meerdere factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod, investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Kengetal: veiligheid scheepvaart
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Aantal scheepvaartongevallen (inclusief visservaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag)

Zeer ernstige scheepvaart ongevallen

1

1

1

0

0

1

1

0

4

2

0

Ernstige scheepvaart ongevallen

7

4

2

6

3

7

9

4

15

13

12

Totaal

8

5

3

6

3

8

10

4

19

15

12

Aantal significante ongevallen 1 met schepen op de Nederlandse binnenwateren

Aantal significante scheepsongevallen

117

96

123

150

127

121

164

159

161

136

138

Aantal doden en gewonden op schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag)

Aantal doden

4

7

3

4

4

4

4

8

4

9

4

Aantal gewonden

29

49

54

30

51

56

45

63

58

27

44

De gegevens over 2015 komen in mei 2016 beschikbaar en zullen dan worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Toelichting:

In 2014 hebben geen zeer ernstige scheepvaartongevallen (ZESO’s) plaatsgevonden. De 12 ernstige scheepvaartongevallen (ESO’s) zijn als volgt verdeeld: koopvaardij (vijf), visserij (één), recreatievaart (vijf) en één gecombineerde ESO aanvaring zeevaart en visserij. Sinds 2012 is de registratie en classificatie van scheepsongevallen op de Noordzee aanzienlijk verbeterd en verfijnd. Dit heeft tot het inzicht geleid dat de historische reeks 2004–2011 waarschijnlijk een onderschatting van het aantal ESO’s geeft dat in werkelijkheid is opgetreden. Om een goede uitspraak te kunnen doen over de ontwikkeling van de veiligheid van scheepvaart op de Noordzee moet vanaf 2012 een nieuwe historische reeks van ESO’s worden opgebouwd. De historische reeks van ZESO’s wordt wel betrouwbaar geacht.

Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren wordt gebruik gemaakt van het begrip «significant scheepsongeval». Dit zijn scheepsongevallen op de Nederlandse binnenwateren met schepen (ook onder niet Nederlandse vlag) waarbij schade is ontstaan die als ernstig wordt geclassificeerd in de vorm van slachtoffers (doden/gewonden), stremming van de vaarweg of schade aan de vaarweg, schip, lading of milieu.

Wat betreft de veiligheid op de binnenwateren vertonen de resultaten over 2014 geen grote afwijkingen ten opzichte van voorgaande jaren en is er geen noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar in lijn met de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen nieuwe of grote afwijkingen aan het licht gekomen. Wel bevindt de maritieme sector zich in een dynamische internationale omgeving met toenemende concurrentie. Dit vraagt van alle betrokken partijen in de sector een stevige inspanning.

Belangrijk voor de maritieme sector in 2015 is het door de Tweede Kamer aannemen van de Maritieme Strategie.42 Deze bevat het rijksbrede maritieme beleid tot 2025 en heeft als doel de Nederlandse internationale maritieme toppositie verder te versterken. Voor de implementatie van de strategie is een rijksbrede beleidsagenda opgesteld. Deze is voor modaliteitspecifieke onderwerpen uitgewerkt in dynamische werkprogramma’s voor zeevaart, zeehavens en binnenvaart. Alle relevante maritieme partners zijn betrokken het opstellen van de strategie en bij de uitvoering van de werkprogramma’s.

Eind 2015 zijn de Maritieme Monitor43 en de Havenmonitor44 gepubliceerd. Deze geven een compleet beeld van de maritieme cluster en de havens. Zo steeg de toegevoegde waarde van het maritieme cluster met 3,3% en de totale werkgelegenheid met 3,2%, wat gezien de mondiale concurrentie een grote prestatie is. Dit is echter geen vanzelfsprekendheid. Opkomende economieën en schaalvergroting in de zeevaart zijn ontwikkelingen waar de cluster innovatief op zal moeten reageren. Binnen de uitvoering van de maritieme strategie zijn dit onderwerpen van gesprek tussen alle betrokkenen.

Voor de CCR heeft Nederland in 2014 en 2015 als voorzitter opgetreden. De activiteiten van het Nederlands Voorzitterschap waren met name gericht op samenwerking met de Europese Commissie, modernisering van regelgeving, vergroening van de binnenvaart en het Beheersen van de crisis in de binnenvaart.

De CCR-regelgeving varen op LNG is in 2015 vastgesteld, eind 2016 zullen de technische voorschriften gebruik LNG in de binnenvaart in werking treden.45

Beleidsdoorlichting beleidsartikel 18: Scheepvaart en Havens

Voor het jaar 2016 is een beleidsdoorlichting van dit beleidsartikel 18 Scheepvaart en Havens voorzien. In 2015 is gestart met de voorbereidingen hiervan. De Kamer is middels een brief geïnformeerd over de opzet van de beleidsdoorlichting.46

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

18

Scheepvaart en Havens

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

5.077

18.793

30.508

4.707

25.801

1)

Uitgaven

 

5.361

4.801

10.932

4.732

6.200

 

18.01

Scheepvaart en havens

 

5.361

4.801

10.932

4.732

6.200

 

18.01.01

Opdrachten

 

2.317

1.956

6.279

2.324

3.955

2)

 

– Topsector Logistiek

     

4.909

0

4.909

 
 

– Overige opdrachten

     

1.370

2.324

– 954

 

18.01.02

Subsidies

 

467

543

2.200

0

2.200

3)

 

– Topsector Logistiek

     

1.750

0

1.750

 
 

– Overige subsidies

     

450

0

450

 

18.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

1.705

1.404

1.283

1.404

– 121

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

1.705

1.404

1.283

1.404

– 121

 

18.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

 

872

898

1.170

1.004

166

 
 

Ontvangsten

 

97

465

0

0

0

 

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Bij de eerste suppletoire wet 2015 is voor zowel opdrachten als subsidies ten behoeve van de Topsector Logistiek € 28,9 mln. toegevoegd aan verplichtingenruimte. Deze ruimte is op € 2,8 mln. na benut. Het resterende verschil betreft een afboeking van afgeronde subsidieregelingen.

18.01 Scheepvaart en Havens
18.01.01 Opdrachten (ad 2)

Het verschil wordt met name verklaard door een overboeking van € 6,7 miljoen uit het Infrastructuurfonds naar opdrachten artikel 18 Scheepvaart en Havens bij de eerste suppletoire wet 2015. Dit ten behoeve van de Topsector Logistiek, conform de beslissing van de Minister. Hiervan is € 4,9 miljoen besteed. De hoofdoorzaak van de onderuitputting is dat 2015 een opstartjaar was voor de Topsector waarin de, tussen partijen vastgestelde governance-afspraken en het verkrijgen van cofinanciering, voor het eerst in de praktijk werden getest.

De overige verschillen worden verklaard door overboekingen van opdrachtenbudget naar subsidies, een interdepartementale overboeking naar EZ t.b.v. ACM voor het toezicht op het loodswezen en een overboeking naar bijdragen internationale organisaties met name voor de bijdrage aan North Atlantic Ice Patrol.

  • Het Ministerie heeft financieel voor circa € 0,3 miljoen bijgedragen bij aan de ACM voor het uitvoeren van toezicht op het loodswezen.

  • Voor beleidswerk gericht op havens (onder andere havensamenwerking) en Caribisch Nederland (de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba) hebben diverse ondersteunende activiteiten en onderzoeken plaatsgevonden.

  • Als vlaggen-, kust- en havenstaat heeft Nederland in IMO- en EU-verband ingezet op verbetering van het stelsel van regelgeving (bij voorkeur door optimaliseren bestaande regelgeving). Dit is onderbouwd met gedegen onderzoeken naar de effecten.

  • De concurrentiepositie van het maritieme cluster vereist de implementatie van verdragen, een gelijk speelveld en vermindering van de administratieve lasten. De inzet richt zich bijvoorbeeld op een Europese maritieme ruimte zonder grenzen, de bevordering van de aanwas in het maritieme onderwijs, het monitoren van de arbeidsmarkt en het faciliteren van verbetering van de efficiency van bemanningen. Hiervoor is beleidsinformatie verzameld en onderzoek verricht.

18.01.02 Subsidies (ad 3)

Het verschil wordt met name verklaard door een overboeking van € 1,75 miljoen uit het Infrastructuurfonds naar subsidies artikel 18 Scheepvaart en Havens bij de eerste suppletoire wet 2015 ten behoeve van de Topsector Logistiek.

De overige verschillen worden verklaard door twee overboekingen van opdrachten naar subsidies, ten behoeve van de subsidie innovatie duurzame binnenvaart (€ 200 k) en voor de subsidie voor kennismakingstages zeevaart (€ 250 k).

18.01.03 Bijdragen aan agentschappen

In het kader van het BeleidsOndersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd. In totaal heeft de directie maritiem een beroep gedaan op 10,9 fte van RWS voor deze taken, voornamelijk voor taken op het terrein van de binnenvaart.

18.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

In 2015 zijn conform verdragsverplichtingen contributies betaald. Het betreft circa € 0,4 mln aan contributie aan de International Maritime Organization (IMO), en ca € 0,58 aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) wegens contributies en activiteiten in het kader van 200 jarig bestaan van de CCR onder Nederlands voorzitterschap.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 15 Hoofdvaarwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 15 Hoofdvaarwegen van het Infrastructuurfonds

660.554

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegen van het Infrastructuurfonds

211.061

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegen van het Infrastructuurfonds

871.615

waarvan

   

15.01

Verkeersmanagement

7.545

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

401.328

15.03

Aanleg

210.556

15.04

GIV/PPS

679

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

251.507

15.07

Investeringsruimte

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

4.613

Andere ontvangsten van artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

37

Totale uitgaven op artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

4.650

waarvan

   

17.06

PMR

4.650

Extracomptabele verwijzing naar artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)

Extracomptabele verwijziging naar artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

1.272

Andere ontvangsten van artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

 

Totale uitgaven op artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

1.272

waarvan

   

18.03

Intermodaal vervoer

1.272

Artikel 19 Klimaat

Algemene doelstelling

Klimaatverandering door menselijk handelen tegen gaan. Door uitstoot van CO2 en overige broeikasgassen stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat en stijgt de zeespiegel. Nederland heeft internationale afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Beperking van CO2-uitstoot biedt bovendien economische kansen, waaronder lagere energiekosten.

Het internationale IenM-beleid vindt niet alleen haar grondslag in dit artikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van IenM zijn bij de betreffende artikelen vermeld.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister van IenM regisseert de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • Het door Nederland nakomen van de in UNFCCC47 en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van emissies van CO2 en overige broeikasgassen en voor het emissiehandelssysteem waaronder het toewijzen en het doen veilen van CO2-emissierechten.

  • De regie op de internationale aspecten van het IenM-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.

  • De opdracht aan de NEa voor het handelssysteem in CO2-emissierechten. Ook de registratie van biobrandstoffen en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van.

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies, op brandstofkwaliteit, op productie en inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (Emissions Trading System/ETS).

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit de Klimaatbrief en de Lokale Klimaatagenda tot succesvolle uitvoering te brengen. Green Deals en financiële incentives dragen hieraan bij.

  • Via de Lokale Klimaatagenda, initiatieven voor reductie van CO2-emissies. Ondernemers, burgers en andere overheden brengt zij beter in positie om maatregelen te nemen die goed zijn voor klimaat en economie.

  • De aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen, zoals de productie van groen gas en van energie op daken en in kassen, wordt onder andere door middel van financiële stimulering (MIA48/Vamil49 en Groen Beleggen) aantrekkelijk gemaakt.

  • Zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te stimuleren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • Het verduurzamen van brandstoffen in het transport. De jaardoelstelling voor hernieuwbare energie stimuleren door ontwikkeling en toepassing van alternatieve energiedragers zoals elektrisch rijden en rijden op waterstof en het faciliteren van de aanleg van tankinfrastructuur voor alternatieve energiedragers.

Tenslotte is de Minister van IenM verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Kengetal: Sectorale niet-ETS emissieplafonds voor 2020 (in megaton CO2equivalenten)
 

Verantwoordelijk ministerie

Nieuw raming (Mton)

Emissieplafond (Mton)

CO2 industrie en energie

EZ

7,2

11

CO2 verkeer en vervoer

IenM

34,5

36

CO2 gebouwde omgeving

BZK

23,9

22,5

CO2land- en tuinbouw

EZ

6,0

6

Overige CO2 broeikasgassen landbouw

EZ

18,8

16

Resterende overige broeikasgassen

IenM

9,5

9

Bron: Nationale Energieverkenning 2015, tabel 3.4 op blz. 100 www.pbl.nl;

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-597873

Toelichting:

In deze tabel zijn de sectorale emissieplafonds en de raming weergegeven. De raming geeft aan in welke mate het doelbereik in zicht is. In deze raming is het effect van het begrotingsakkoord, het SER-energieakkoord en de Klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen» verwerkt.

In de kabinetsaanpak Klimaatbeleid op weg naar 2020 heeft het kabinet afgesproken dat indien in een sector tegenvallers optreden die samenhangen met (de uitvoering van) het beleid van het ministerie, de verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen neemt. Wanneer is aangetoond dat (alle) binnen de sector mogelijke compenserende maatregelen veel duurder zijn dan de oorspronkelijke maatregelen, zal het kabinet zoeken naar alternatieve kosteneffectieve maatregelen – binnen de beschikbare middelen – in andere sectoren. Vervolgens zal het kabinet een besluit nemen en de Tweede Kamer hierover informeren. Is er een tegenvaller die niets van doen heeft met tegenvallende beleidseffecten, dan volstaat naar verwachting het overschot in andere sectoren om deze tegenvaller op te vangen.

Kengetal: Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer (in %)

Verplichtingen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Besluit Hernieuwbare energie vervoer 2015

2

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

7

7,75

8,5

9,25

10

Realisatie

2

3,26

3,75

4,01

4,31

4,54

5,05

5,54

Nog niet bekend

         

Bron: Besluit Hernieuwbare energie vervoer 2015 (Stb. 2014, 460)

Bron realisatie 2014: Rapportage hernieuwbare energie 2014 van de Nederlandse Emissieautoriteit

(https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-586974)

Toelichting:

In artikel 2.1 van het Besluit Hernieuwbare Energie vervoer 2015 dat op 1 januari 2015 van kracht is geworden, is de ontwikkeling van de jaarverplichting hernieuwbare energie in het vervoer tot en met 2020 vastgelegd.

Kengetal: Ontwikkeling CO2-emissie nieuwe personenauto’s in gram CO2 per kilometer
 

2005

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2021

EU

162,6

145,7

140,3

135,7

132,2

127,0

123,4

130,0*

95,0*

Nederland

169,9

146,9

135,8

126,2

118,6

109,1

107,3

Nog niet bekend

 

*Norm

Bron: Bron: European Environment Agency; EEA Technical report No 16/2015. Monitoring CO2 emissions from new passenger cars and vans in 2014

: www.icct.org

Toelichting:

  • Nadat vrijwillige afspraken over CO2-reductie met de Europese autofabrikanten niet tot gewenste resultaten hebben geleid, heeft de Europese Commissie in december 2007 een voorstel gedaan voor verplichte reductiedoelstellingen. Dat voorstel is in 2009 aangenomen en bevatte een verplichte norm van gemiddeld 130 g CO2/km in 2015. Daarnaast is in november 2013 overeenstemming bereikt dat een verplichte norm van gemiddeld 95 g CO2/km in 2021 zal gelden. Deze norm zal er straks toe leiden dat de gemiddelde automobilist op jaarbasis zo’n € 340 aan brandstofkosten bespaart ten opzichte van het referentiejaar 2007.

  • Alleen voor 2015 en 2021 zijn er EU-normen (voor fabrikanten). De CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord.

Met name fiscaal beleid, waaronder de korting op de bijtelling voor het privé gebruik van zakelijke auto’s, heeft ervoor gezorgd dat de gemiddelde CO2 uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland sterk is gedaald, veel sterker dan in de rest van Europa. Daarmee onderstreept Nederland het belang van de reductie van broeikasgassen in het verkeer.

Beleidsconclusies

Op 27 oktober 2015 is de eerste voortgangsrapportage van de Klimaatagenda naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 2015–2016, 32 813, nr.118). De doelen voor het SER Energieakkoord zijn binnen bereik op basis van de Borgingscommissie (TK brief d.d. 22 december 2015, 30 196 nr. 381). Hiervoor hebben de partijen bij het SER-energieakkoord een pakket intensiveringen afgesproken. Daarnaast is de Nationale Energieverkenning (NEV) in oktober naar de Tweede Kamer gezonden (TK 2015–2016, 30 196, nr. 363). Hieruit kan geconcludeerd worden dat Nederland naar verwachting ruimschoots voldoet aan zijn Europese doel voor reductie van uitstoot van broeikasgassen in 2020. De jaarlijkse niet-ETS emissie daalt bij zowel vastgesteld als voorgenomen beleid van 109 megaton CO2-equivalenten in 2013 naar 100 [97–102] megaton in 2020. De cumulatieve uitstoot komt op ongeveer 820 megaton CO2-equivalenten. Daarmee voldoet Nederland ruimschoots aan het gestelde doel. Het kabinet heeft in juni 2015 (TK2015–2016, 31 793, nr. 116) aangekondigd dat eventuele overschotten aan emissierechten geannuleerd zullen worden en dus niet meegenomen zullen worden naar de periode na 2020.

Twee relevante ontwikkelen betreffen een nieuw mondiaal klimaatakkoord dat in 2020 in werking treedt en het voorgenomen beleid dat is ontstaan als gevolg van de uitspraak van de rechtszaak van Urgenda tegen de staat. Zie hiervoor het beleidsverslag 2015.

De EU-doelstelling van tenminste 40% emissiereductie ten opzichte van 1990 en de overige onderdelen van het door de Europese Raad vastgestelde Klimaat- en Energiekader voor 2030, worden uitgewerkt in wetgevingsvoorstellen van de Europese Commissie. Het gaat hier onder meer over de hervorming van het emissiehandelssysteem (ETS)50. Ook heeft de EU besloten om vanaf 2019 een marktstabiliteitsreserve in te voeren51. Bij overaanbod van emissierechten worden deze tijdelijk niet geveild, totdat het aanbod voldoende is gedaald. Het kabinet heeft in september de Nederlandse positie met betrekking tot de hervorming van het ETS aan de Kamer aangeboden (TK2015–2016, 22 112, nr. 1998). Nederland deelt het standpunt van de Europese Commissie dat het ETS de hoeksteen van het klimaatbeleid is en dat het ETS moet worden versterkt.

Voor Nederland is het belangrijk dat in het totale pakket om het EU ETS te versterken de balans wordt gevonden tussen aanscherpen van het emissieplafond, de borging van de internationale concurrentiepositie van de industrie die gevoelig is voor koolstoflekkage en vereenvoudiging van het ETS.

De ontwikkeling van het aandeel hernieuwbare energie in het vervoer ontwikkelt zich positief en ligt daarmee op koers om het doel van 10% in 2020 te kunnen behalen.

De in het kader van het SER-energieakkoord opgestelde Duurzame Brandstofvisie voor de transportsector is op 10 juli toegestuurd aan de Tweede Kamer (TK 2015–2016, 30 196, nr. 353). Hierin is per modaliteit aangegeven hoe deze kan bijdragen aan de klimaatdoelstellingen en welke kansen er zijn voor de Nederlandse industrie.

Op 20 april 2015 is de uitvoeringsrichtlijn FQD (Fuel Quality Directive)52 gepubliceerd. In deze richtlijn zijn de berekeningsmethoden en de eisen vastgelegd die aan de in de FQD genoemde rapportages worden gesteld. Op 9 september 2015 is de ILUC-richtlijn53 gepubliceerd. Deze richtlijn wijzigt zowel de RED (Renewable Energy Directive)54 als de FQD (Fuel Quality Directive). De belangrijkste punten van deze richtlijn zijn het bepalen van een limiet op de bij te mengen hoeveelheid conventionele biobrandstoffen en een subdoel voor de bijmenging van de meest geavanceerde biobrandstoffen. In 2015 is in opdracht van het ministerie een impactanalyse uitgevoerd van beide richtlijnen. De impactanalyse is gereed gekomen en deze wordt begin 2016 meegenomen in de Kamerbrief over de implementatie van ILUC.

Om de fraudegevoeligheid van de inzet van de meest geavanceerde biobrandstoffen te beheersen, is in april 2015 bij de Nederlandse Emissieautoriteit het Register Energie voor Vervoer operationeel geworden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

19

Klimaat

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

27.629

63.217

32.414

55.891

– 23.477

1)

Uitgaven

 

95.080

65.813

81.400

59.915

21.485

 

19.01

Klimaat

 

11.749

16.934

21.582

25.124

– 3.542

 

19.01.01

Opdrachten

 

876

3.243

3.327

9.032

– 5.705

2)

19.01.02

Subsidies

 

1.667

1.696

4.697

5.300

– 603

 

19.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

9.206

11.995

13.558

10.792

2.766

3)

 

– Waarvan bijdrage aan KNMI

 

411

906

716

218

498

 
 

– Waarvan bijdrage aan RWS

 

5.187

4.146

5.522

3.391

2.131

 
 

– Waarvan bijdrage aan Nea

 

3.608

6.943

7.320

7.183

137

 

19.02

Internationaal beleid, coördinatie en

         

 
 

samenwerking

 

83.331

48.879

59.818

34.791

25.027

 

19.02.01

Opdrachten

 

76.931

4.715

8.868

8.204

664

4)

 

– Uitvoering CDM

 

29.905

2.863

5.114

0

5.114

 
 

– RIVM

 

29.613

0

0

0

0

 
 

– RVO

 

8.096

34

0

0

0

 
 

– Interreg

 

8.097

344

1.671

2.783

– 1.112

 
 

– Overige opdrachten

 

1.220

1.474

2.083

5.421

– 3.338

 

19.02.02

Subsidies

 

0

0

913

0

913

5)

 

– Interreg

 

0

0

913

0

913

 

19.02.03

Bijdrage aan agentschappen

 

3.258

40.311

46.222

23.913

22.309

6)

 

– waarvan bijdrage aan RIVM

 

3.258

29.647

35.096

23.509

11.587

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

449

404

402

2

 
 

– waarvan bijdrage aan RVO

   

10.215

10.722

2

10.720

 

19.02.05

Bijdrage aan internationale organisaties

 

3.142

3.853

3.815

2.674

1.141

 
 

Ontvangsten

 

134.567

134.089

188.286

168.000

20.286

7)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Met ingang van 2016 worden de opdrachten aan alle agentschappen op dezelfde wijze vastgelegd, namelijk in het jaar waarop de opdracht betrekking heeft. In de raming van het verplichtingenbudget 2015 was ten aanzien van de opdracht 2016 aan het RIVM nog voorzien dat deze in 2015 zou worden vastgelegd. Gelet op het voorgaande wordt deze opdracht in 2016 vastgelegd, waardoor het verplichtingenbudget 2015 vrij is gevallen. Dit is bij 2e suppletoire begroting 2015 verantwoord.

19.01 Klimaat
19.01.01 Opdrachten (ad 2)

In 2015 zijn opdrachten verstrekt en betalingen gedaan in het kader van zowel beleidsonderbouwend onderzoek als uitvoeringswerkzaamheden op onderstaande beleidsterreinen:

  • Klimaat (onder andere de uitwerking van de Lokale Klimaatagenda, alsmede de Roadmap/Klimaatagenda 2050 en de uitwerking van de Klimaattop in Parijs);

  • SER-Energieakkoord;

  • Duurzame mobiliteit (onder andere in verband met de duurzame brandstoffenvisie).

De lagere realisatie wordt met name verklaard door een overheveling naar 19.02.03 van € 4,6 miljoen ten behoeve van werkzaamheden die RVO in 2015 uitvoert. Op 19.02.03 wordt de opdracht aan het RVO verantwoord. Daarnaast is € 2 miljoen naar 19.01.02 overgeheveld ten behoeve van een juiste artikelbelasting van de subsidie aan de VNG inzake Energiebesparing bij bedrijven.

19.01.02 Subsidies

In het verleden heeft het Ministerie van IenM een subsidie verstrekt aan het RVO waarvan in 2015 nog betalingen hebben plaatsgevonden. Het betreft hier de afwikkeling van het innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden uit 2010. Daarnaast is in 2014 aan de Vereniging Nederlandse Gemeenten inzake Energiebesparing bij bedrijven een subsidie van € 3 miljoen verstrekt. Deze subsidie is in 2015 uitgekeerd.

19.01.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 3)

Nederlandse Emissieautoriteit (NEA)

Aan de NEa zijn via de jaarlijkse opdrachtverlening middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van alle (grotendeels wettelijk vereiste) werkzaamheden in het kader van emissiehandel, alsmede het register voor biobrandstoffen.

Koninklijk Meteorologisch Instituut (KNMI)

Aan het KNMI zijn middelen ter beschikking gesteld voor diverse werkzaamheden in het kader van klimaatonderzoek en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC).

Rijkswaterstaat (RWS)

Aan RWS Leefomgeving zijn voor 2015 middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van de klimaat- en energiegerelateerde onderdelen van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving), alsmede voor programma’s in het kader van onder andere lokale klimaatinitiatieven, overige broeikasgassen, rijden op waterstof en monitoring duurzame mobiliteit.

De budgetten voor de uitvoering van de bijdragen aan agentschappen waren voor een deel geraamd bij de opdrachtenbudetten binnen dit artikel. Het verschil tussen begroting 2015 en realisatie betreft met name de budgettaire overhevelingen binnen dit artikel voor de uitvoering van werkzaamheden in 2015 door NEA, KNMI en RWS.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking
19.02.01 Opdrachten (ad 4)

Uitvoering CDM

Voor de uitvoering van het Clean Development Mechanism (CDM) is een aantal jaren geleden met (inter-)nationale instellingen overeenkomsten afgesloten. Deze instellingen hebben in opdracht van IenM, voor de levering van emissierechten (CER’s), aankopen gedaan waarmee Nederland een deel van de verplichtingen onder het Kyoto Protocol is nagekomen. Het CDM is inmiddels afgerond.

In 2015 is naar aanleiding van een voor Nederland negatief geëindigde arbitragezaak voor nog af te nemen emissierechten uit het CDM-waterkrachtproject XACbal/Panama € 4 miljoen betaald. IenM is voor de afhandeling van deze arbitragezaak inclusief de BTW-verplichtingen gecompenseerd vanuit HGIS middelen.

Interreg

Interreg is een Europese subsidieregeling waarin partijen uit meerdere landen samenwerken op het terrein van innovatie, duurzaamheid, bereikbaarheid en regionale gebiedsontwikkeling. De deelname van Nederlandse organisaties aan de transnationale en interregionale programma’s van Interreg wordt bevorderd. Met de beschikbare middelen wordt de Nederlandse bijdrage voor de kosten van de internationale uitvoering en de uitvoering in Nederland (waaronder inbegrepen de stimulering van de deelname door Nederlandse partners) gefinancierd. De stimulering via de Projectstimuleringsregeling (PSR-regeling) is hieronder bij 19.02.02 vermeld.

Overige opdrachten

In 2015 zijn opdrachten verleend in het kader van internationale diplomatie waaronder het uitvoeren van bedrijfslevenmissies, het ondersteunen en faciliteren van de delegaties bij internationale bijeenkomsten waaronder de klimaatconferentie in Parijs. Tenslotte zijn middelen ingezet voor de financiering van het programma Duurzaam Doen.

Het verschil in de overige opdrachten wordt met name verklaard door de overheveling van een deel van het budget naar het budget voor RVO en RWS. Daarnaast is een aantal HGIS-projecten niet door gegaan of vertraagd.

19.02.02 Subsidies (ad 5)

Interreg

Op 22 april 2015 is in de Staatscourant de Projectstimuleringregeling Interreg V (PSR-regeling) gepubliceerd (Strcrt. 2015, nr. 10986). In 2015 is in totaal € 0,938 miljoen betaald, waarvan € 0,913 miljoen ten laste van dit instrument en € 0,025 miljoen via het Gemeentefonds.

Bij 2e suppletoire begroting 2015 is vanuit 19.02.01 Interreg voor de PSR-regeling € 1 miljoen naar dit instrument overgeheveld.

19.02.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 6)

RWS

RWS voert in opdracht van IenM werkzaamheden uit die verband houden met de uitvoering van de Wet bescherming Antarctica. Daarnaast zijn aan RWS voor een aantal overige activiteiten, waaronder Horizon 2020, EU handboek en voor de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieuwet- en regelgeving) middelen toegekend.

RIVM en RVO

IenM heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals het RIVM (uitvoering van wettelijke taken en beleidsonderbouwend onderzoek) en RVO Nederland (uitvoering van subsidieregelingen en beleidsonderbouwend onderzoek).

Het verschil tussen begroting 2015 en realisatie betreft met name de overhevelingen bij de 1e suppletoire begroting 2015 vanuit diverse artikelen voor de uitvoering van werkzaamheden in 2015 door RIVM en RVO.

19.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties

Op grond van internationale verdragen, internationale afspraken en contributieverplichtingen zijn aan (inter-)nationale organisaties in 2015 de volgende bijdragen van € 0,1 miljoen of meer betaald.

Organisatie

Onderwerp

Bedrag

x € 1.000

UNEP

Bijdrage aan het International Resource Panel. Het IRP is de pendant van het klimaatpanel IPCC, bestaat uit vooraanstaande wetenschappers en verschaft onafhankelijke informatie over het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Net als bij klimaat is het op dat gebied van belang te beschikken over onafhankelijke beleidsrelevante gegevens. De bijdrage verzekert invloed middels lidmaatschap van de stuurgroep.

100

Montrealprotocol

Het Montrealprotocol is een VN-verdrag, ter bescherming van de ozonlaag door productie en gebruik van stoffen die bijdragen aan de aantasting van de ozonlaag uit te faseren. 197 hebben dit dit protocol geratificeerd en in politieke en wetenschappelijk kringen wordt het Montrealprotocol gezien als het meest succesvolle milieuverdrag. Ondersteuning en actie van het Ozonsecretariaat blijft echter nodig om bestaande afspraken uit te kunnen voeren

114

UNEP – Verdrag van Stockholm

Het Verdrag van Stockholm is een wereldwijd verdrag ter identificatie en uitfasering van persistente organische verbindingen (bijvoorbeeld PCB). Het doel van dit verdrag is om de gezondheid van mens en milieu te beschermen tegen chemicaliën die lang in het milieu blijven en via accumulatie de gezondheid van mensen en dieren kan bedreigen. 178 landen en de EU zijn partij bij dit verdrag.

137

China Council

Nederland (in de persoon van de secretaris generaal IenM) neemt (op uitnodiging van China) deel aan deze adviesraad op hoog niveau op het gebied van duurzame ontwikkeling. De contributies worden gebruikt voor het laten doen van studies. Nederland heeft veel ervaring en kennis op het voor China relevante thema steden en wil dit thema de komende jaren beter onder de aandacht brengen.

100

Internationaal TransportForum (ITF)

Deze mondiale organisatie op vervoersgebied (dochterorganisatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), 54 landen zijn lid: alle Europese landen, en bv. de VS, China, Rusland etc.) is hét internationale publiekprivate platform dat ontwikkelingen bespreekt zoals de globalisering en de verduurzaming van vervoer.

186

UNEP

IenM aandeel in de Nederlandse bijdrage aan het United Nations Environment Programme (UNEP)

615

UNEP

Climate and Clean Air Coalition: Dit in 2012 opgerichte vrijwillige partnerschap van landen, wetenschappelijke instellingen, internationale organisaties en NGO’s wil via gerichte initiatieven en projecten een lagere uitstoot van short lived climate pollutants bewerkstelligen – kortlevende stoffen als roet en ozon die zorgen voor klimaatopwarming en een slechtere luchtkwaliteit. Nederland is eind 2012 toegetreden.

100

UNEP – Verdrag van Rotterdam

Het Verdrag van Rotterdam betreft het vooraf melden van transport van bepaalde zeer schadelijke chemicaliën en het meeleveren van informatie over beschermingsmaatregelen voor gezondheid en milieu tijdens toepassing en gebruik. Het gaat daarbij om gewasbeschermingsmiddelen, biociden of industriële chemicaliën die zo schadelijk zijn dat ze vrijwel zonder uitzondering verboden zijn in de EU. Het verdrag beoogt om de verantwoordelijkheid voor dit soort schadelijke stoffen te delen en om samenwerking te vergroten. Het verdrag functioneert goed. Juist vanwege de rol van Nederland als handelsland en de Europese functie van de haven van Rotterdam is het van bijzonder belang dat dit verdrag goed functioneert.

120

UNEP – Verdrag van Bazel

Het Verdrag van Bazel betreft de bescherming van gezondheid en milieu tegen de nadelige gevolgen van gevaarlijk afval, onder meer door beperking van het ontstaan, beperking van het grensoverschrijdend transport en het verantwoord verwerken van afval. Voor ontwikkelingslanden is het verdrag een belangrijke bron van informatie over het verantwoord beheer van afvalstoffen.

187

UNEP – Minamata-kwikverdrag

Bijdrage aan voorlichtingsactiviteiten die tot doel hebben andere landen klaar te stomen voor ratificatie van het kwikverdrag. Dit draagt bij aan een snelle inwerkingtreding.

100

Earthmind

Door middel van het VCA-platform werkt een internationale multistakeholder-coalitie (overheden, NGO’s en bedrijven) aan de vormgeving en financiering van maatregelen om gebieden duurzaam te ontwikkelen, met positieve baten voor klimaat, water, landgebruik en biodiversiteit. Doel is om het bedrijfsleven te helpen om op transparante en afrekenbare manier te investeren. Deze coalitie is een concrete bijdrage aan de modernisering van (internationaal) milieubeleid.

125

World Resources Institute (WRI)

Bijdrage voor de totstandkoming van het rapport «Better Growth Better Climate» van het New Climate Economy Programme (NCE) van WRI. De Nederlandse bijdrage is gericht op specifieke thema’s, die aansluiten bij de profilering waarop Nederland inzet bij de klimaatonderhandelingen en die tevens aansluiten bij de Nederlandse expertise.

205

UNFCCC

Trust fund for supplementary activities: het fonds is voor aanvullende activiteiten, waartoe landen in gezamenlijkheid hebben besloten tijdens klimaatconferenties.

100

UNFCCC

Trust fund for participation: het fonds is bestemd voor de deelname van ontwikkelingslanden aan klimaatconferenties (COP en voorbereidende sessies)

100

World Resources Institute (WRI)

Bijdrage aan het operationalisering van Aqueduct. Bij het plannen van besluiten over klimaatadaptatie is inzicht nodig in bestaande en toekomstige risico's en in de effecten van maatregelen op het verlagen van risico's. Met dat doel wordt het online instrument Aqueduct ontwikkeld door een consortium van WRI, Dellares, VU-Amsterdam en PBL, gericht op Flood Risk and Intervention Assessment for Global Cities.

150

Dutch Cycling Embassy

Bijdrage voor het promoten van Nederlandse fietscultuur in het buitenland past in modernisering milieubeleid (smart / healthy cities). Het gaat over kennis, innovatie, mobiliteit, infrastructuur, exportbevordering en «Holland Branding».

190

     

Diverse organisaties

Bijdragen van minder dan € 0,1 miljoen.

1.186

Totaal

 

3.815

Ontvangsten (ad 7)

Dit betreft de ontvangsten in het kader van de Emission Trade System (ETS) veilingopbrengsten. Uiteindelijk is de veilingopbrengst in 2015 op € 187,7 miljoen uitgekomen, hetgeen € 19,7 miljoen meer is dan de oorspronkelijke raming.

Artikel 20 Lucht en geluid

Algemene doelstelling

Bevorderen van een solide en gezonde leefomgeving door de luchtkwaliteit te verbeteren en door geluidhinder te voorkomen of te beperken.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

Om qua luchtkwaliteit een solide en gezonde leefomgeving te bereiken, regisseert de Minister van IenM de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese luchtkwaliteits- en geluidbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van grenswaarden en plafonds voor emissies van luchtverontreinigende stoffen, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen, grenswaarden en normen hebben betrekking op verbetering van de luchtkwaliteit, op bronbeleid voor geluid- en industriële emissies en op bronbeleid om schadelijke luchtemissies door de verkeersector (auto’s, lucht- en scheepvaart) tegen te gaan.

  • De ondersteuning van gemeenten en provincies bij het opstellen van algemene regels en bij de vergunningverlening ter vermindering van luchtemissies bij de industrie en bij een juiste toepassing van de geluidregelgeving.

  • De reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven door vereenvoudiging van de monitoring- en rapportagestructuur voor emissies.

  • Met de implementatie van de vernieuwde geluidregelgeving (wet SWUNG55) wordt een optimale gezondheidsbescherming van burgers en flexibiliteit voor de beheerders van rijkswegen en hoofdspoorwegen beoogd. SWUNG-2 zal de aanpak van geluidhinder op gemeentelijk en provinciaal niveau beter uitvoerbaar maken. Aan lagere overheden worden subsidiemiddelen ter beschikking gesteld om aan de voorschriften van deze regelgeving te kunnen voldoen en geluidsgevoelige locaties langs infrastructuur aan te pakken.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van luchtkwaliteit en geluid te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en SWUNG (geluid) tot een succesvolle uitvoering te brengen.

  • Schonere en stillere voertuigen. Dit gebeurt door samen met de verkeerssector een strategie te ontwikkelen, een internationale normering van voertuigen tot stand te brengen, een stabiel beleid gericht op de klimaatdoelen van 2050 te voeren, de voorlopers in de sector te subsidiëren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • Medeoverheden tot uitvoering van maatregelpakketten in het NSL om daarmee de Europese normen voor luchtkwaliteit (voor fijn stof in 2011 en voor NO2in 2015) te halen. Dit is belangrijk voor de gezondheid van burgers en hiermee schept de Minister tevens ruimte voor nieuwe infrastructuur, woningbouw en bedrijvigheid.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Kengetal: Tegengaan geluidhinder (kengetallen sanering verkeerslawaai, aantal woningen)
 

t.g.v. Rijksinfrastructuur

t.g.v. andere infrastructuur

Totaal

Aantal woningen

Rijkswegen inclusief betreffende

A-lijst woningen

Spoorwegen

A-lijst

Overig

 

Totaal

109.800

70.650

77.355

335.800

593.605

Uitgevoerd 1980–1990 (schatting)

40.000

7.450

40.000

87.450

Uitgevoerd 1990–2011

58.302

16.238

48.650

36.721

159.911

Uitgevoerd 2012

549

3.031

1.125

4.705

Uitgevoerd 2013

831

3.000

2.784

6.615

Uitgevoerd 2014

56

704

3.000

397

4.157

Planning 2015

1.500

2.000

700

4.200

Uitgevoerd 2015

22

2.311

2.000

434

4.767

Restant per eind 2015

11.420

42.567

17.674

254.339

326.000

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV), 1 december 2015

Toelichting:

  • De gepresenteerde realisatiecijfers voor Rijksinfrastructuur hebben betrekking op de sanering die nog door Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV) onder de Wet geluidhinder wordt afgehandeld. Deze sanering kent een ander normenkader dan de sanering zoals die nu door RWS en ProRail wordt uitgevoerd onder de (meer recente) Wet milieubeheer. Hierdoor wijken de gepresenteerde aantallen af van de aantallen bij beleidsartikel 14.

  • De gerealiseerde en geplande uitvoering van de A-lijst betreft een aanname op basis van de beschikbare budgetten en gemiddelde kosten per woning. Voortgangsgegevens zijn niet centraal beschikbaar.

Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen 1990, 2000, 2005, 2010 en latere jaren, doels tellingen en prognoses 2020 en 2030 in kton/jr.
 

1990

2000

2005

2010

2010

2010

2013

20151

2020

20202

2030

2030

         

Gotenburg Protocol

NEC- Richtlijn

Reali satie

Raming

Raming

Voorstel EC

Raming

Voorstel EC

SO2

192

73

65

34

50

50

30

38

30

46

30

26

NOx

575

395

341

274

266

260

240

222

172

201

125

117

NH3

355

162

160

144

128

128

134

117

127

124

118

107

NM VOS3

482

238

178

158

191

185

150

145

146

160

149

115

PM2.5

46

24

20

15

13

12

10,4

13

9,6

12,8

Noot 1: Inschatting op basis van verwachte ontwikkelingen in de emissies tussen 2011 en 2020.

Noot 2: Plafonds voor 2020 en 2030 zijn afgeleid van de Commissievoorstellen, die reductiepercentages geven ten opzichte van basisjaar 2005. De voorstellen voor 2020 zijn gelijk aan de waarden in het nog niet geratificeerde herziene Gotenburgprotocol, de voorstellen voor 2030 zijn nog in onderhandeling (Kamerstukken II, 2014–2015, 22 112, nr. 1942).

Noot 3: NMVOS: Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan

Bronnen: de informatie over de gerealiseerde emissies is afkomstig uit «Informative Inventory Report 2015» (RIVM Rapport 2014_0166) en «Nationale Energieverkenning 2015» (ECN, PBL, CBS, RVO, Petten, 2015). De geraamde emissies komen uit de «Nationale Energieverkenning 2015» (ECN, PBL, CBS, RVO, Petten, 2015). De ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid.

Toelichting:

In mei 2012 zijn in Genève de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen vastgesteld. Het betreft aanpassing van het zogenaamde Gothenburg Protocol. Enigszins complicerend is dat er, in tegenstelling tot het bestaande protocol alsook de National Emission Ceiling (NEC) richtlijn, geen emissieplafonds zijn opgenomen, maar reductiepercentages. Het referentiejaar voor die reducties is 2005 en de doelstellingen betreffen reductiepercentages die in 2020 dienen te zijn gerealiseerd. In bovenstaande tabel zijn de reductiepercentages omgerekend naar vrachten. Naast voorgaande verandering geldt dat aan de bestaande stoffenlijst (NOx, SO2, NH3 en VOS) ook fijn stof PM2,5 is toegevoegd. Elk jaar wordt een nieuwe analyse uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen, dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast.

Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoer (noot 1) in kton/jr.
 

1990

2000

2005

2010

2011

2012

20142

2020

2030

 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Raming

Raming

Raming

NOx

339

243

205

166

159

152

138

103

82

SO2

19

9

6

1

0,8

0,7

0,4

0,3

0,3

PM2,5

20

13

10

6

6

6

5

3

3

NH3

0,9

4,4

5,4

4,8

4,7

4,6

4,3

3,6

3,6

NMVOS3

196

80

51

40

39

37

35

28

26

Noot 1. Betreft mobiele bronnen totaal, dus transportmiddelen en mobiele werktuigen, exclusief zeevaart.

Noot 2. Inschatting op basis van verwachte ontwikkelingen in de emissies tussen 2010 en 2015.

Noot 3. NMVOS – Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan

Bron: Emission of trans boundary pollutants in the Netherlands 1990-2013 Informative Inventory Report 2015 (chapter 4, Transport page 49-90). De geraamde emissies NMVOS komen uit de Referentieraming energie en emissies: actualisatie 2012. Energie en emissies in de jaren 2020 en 2030 (pagina 66-67, tabel B4.6). De ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid. De geraamde emissies NOx, SO2, PM2,5 en NH3 komen uit de Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2015, Bijlage 1 Tabellen B1.1 tot en met B1.6. De ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid.

Toelichting:

Op basis van nieuwe inzichten aangaande de emissiefactoren voor de verkeersemissies en het gebruik van een nieuw model voor de berekening van de stikstofstromen in de landbouwketen zijn de emissies voorhistorische jaren herberekend voor verkeer (NOx, PM2,5 en NMVOS) en ammoniak (Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2012: Informative Inventory Report 2015, Jimmink et al, 2014, RIVM report 2014–0166) (Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2015, RIVM rapport 2015–0166). De getallen worden jaarlijks aan de hand van nieuwe inzichten voor emissieregistratie door het Planbureau voor de Leefomgeving in samenwerking met het RIVM, TNO e.d. bepaald, waarna doorrekening plaatsvindt voor de hele reeks. Dit laatste betekent dat daarmee ook realisaties uit voorgaande jaren eventueel worden bijgesteld.

Beleidsconclusie

Op 10 december 2015 is de jaarlijkse monitoringsrapportage van Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) naar de Kamer gestuurd (TK 2015–2016, 30 175, nr. 224). In de rapportage worden naast een prognose voor het jaar 2015 ook de resultaten voor 2014 getoond. Geconcludeerd kan worden dat vrijwel overal in Nederland de grenswaarden worden gehaald. Gedurende de looptijd van het NSL is de luchtkwaliteit sterk verbeterd en is het aantal mensen dat is blootgesteld aan normoverschrijding gedaald. De aanpak van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in 2015 voortgezet. Bronbeleid staat daarin centraal. Er resteren nog enkele hardnekkige knelpunten in bepaalde gebieden, zoals die met intensieve veehouderij (fijnstof) en bij binnenstedelijke gebieden (NO2). In de aanpak van knelpunten in veehouderijgebieden speelt het Besluit emissiearme huisvesting een belangrijke rol (Stbl. 2015, nr. 266). Dit besluit is op 1 augustus 2015 in werking getreden en omvat onder meer emissie-eisen voor fijnstof uit stallen. Daarnaast is het streven erop gericht om in samenwerking met de grote steden en andere stakeholders te bezien op welke manier verdere verbetering van de luchtkwaliteit mogelijk is. In 2015 is hiertoe samen met de zeven grote steden een Actieplan Luchtkwaliteit56 opgesteld. Verder is in de Autobrief (blg-667307) aangekondigd dat ten behoeve van verbetering van de luchtkwaliteit de MRB voor de meest vervuilende diesels wordt verhoogd.

Door vrijwillige afspraken van benzeenvervoerende bedrijven, Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (VNPI) en Vereniging van Onafhankelijke Tankopslagbedrijven Votob is het varend ontgassen van benzeen in 2015 nagenoeg totaal gestopt.

Uit het kengetal Emissies luchtverontreinigende stoffen blijkt dat Nederland voor de langere termijn kan voldoen aan de internationale afspraken in het kader van het Gothenburgprotocol en aan de te verwachten plafonds voor de herziene NEC-Richtlijn.

In 2015 zijn voor de emissies luchtverontreinigende stoffen de realisatie cijfers voor 2013 opgeleverd. De realisatie in 2013 laat een overschrijding zien van het ammoniakplafond voor 2010 (zie kolommen 2010 Gothenburg Protocol en 2013 Realisatie). Deze overschrijding is vooral ontstaan doordat er verbeterde berekeningsmethoden zijn gebruikt en extra bronnen geïdentificeerd zijn, op basis van de uitgangspunten van de UNECE. Het gaat om o.a. het gebruik van rioolwaterzuiveringslib, gebruik van andere organische meststoffen inclusief compost en emissies veroorzaakt door oogst(resten). Deze emissies zullen in de toekomst afnemen. Daarnaast ontstaat de overschrijding door een toename van melkvee als gevolg van de afschaffing van de Europese melkquota. Door genomen maatregelen bij o.a. de veeteelt is de verwachting dat de overschrijding in 2013 en 2014 tijdelijk is.

Voor wat betreft de kengetallen sanering woning en verkeerlawaai zijn meer woningen vanwege spoorweglawaai gesaneerd en iets minder woningen vanwege lokale verkeersbronnen. Per saldo zijn meer woningen gereed gekomen dan voor 2015 gepland: 4.767 eenheden ten opzichte van een planning van 4.200.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

20

Lucht en Geluid

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

84.084

36.076

31.227

25.638

5.589

1)

Uitgaven

 

90.946

47.294

31.867

36.450

– 4.583

 

20.01

Luchtkwaliteit en tegengaan geluidshinder

 

90.946

47.294

31.867

36.450

– 4.583

 

20.01.01

Opdrachten

 

7.054

6.195

6.431

7.328

– 897

 
 

– Verkeersemissies

 

2.923

2.218

3.061

3.802

– 741

 
 

– Geluid- en luchtsanering

 

4.131

3.977

3.370

3.526

– 156

 

20.01.02

Subsidies

 

16.819

11.661

3.544

2.000

1.544

2)

 

– Euro 6 en Euro-VI

 

16.819

11.661

3.544

2.000

1.544

 

20.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

2.205

1.028

2.477

1.057

1.420

3)

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

2.205

1.028

2.477

1.057

1.420

 

20.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

63.732

27.517

18.095

25.191

– 7.096

4)

 

– NSL

 

42.000

0

0

1.250

– 1.250

 
 

– Wegverkeerlawaai

 

20.080

27.385

18.074

23.941

– 5.867

 
 

– Overige bijdrage medeoverheden

 

1.652

132

21

0

21

 

20.01.07

Bekostiging

 

1.136

893

1.320

874

446

5)

 

Ontvangsten

 

337

427

169

0

169

 

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

In 2015 heeft er een overheveling plaatsgevonden vanuit Infrafonds naar dit artikel. Binnen dit fonds zijn middelen gereserveerd voor de maatregelen in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma NSL. Deze middelen zijn ingezet voor de uitvoering van zowel opdrachten in het kader van luchtkwaliteit als voor het tegengaan van geluidhinder.

20.01 Luchtkwaliteit en tegengaan geluidshinder
20.01.01 Opdrachten

In 2015 zijn opdrachten verstrekt en betalingen op lopende opdrachten gedaan in het kader van zowel beleidsonderbouwend onderzoek als uitvoeringswerkzaamheden op onderstaande beleidsterreinen:

  • Verkeersemissies (onder andere de steekproefcontrolepropgramma’s door TNO);

  • Geluidshinder (onder andere de opdracht aan BSV (Bureau Sanering Verkeerslawaai) voor de uitvoering van het subsidieprogramma Sanering Wegverkeerslawaai);

  • Luchtkwaliteit (onder andere opdrachten samenhangend met Slimme en Gezonde Stad).

20.01.02 Subsidies (ad 2)

Het Ministerie van IenM heeft in het verleden subsidies verstrekt in de aanschafkosten van nieuwe voertuigen, uitgerust met schone motoren, die voldoen aan normen voor Euro-6 (taxi’s en bestelauto’s). In 2015 is via RVO in totaal € 3,5 miljoen uitgekeerd. In de begroting was uitgegaan van een benodigd budget van € 2 miljoen. Bij 2e suppletoire begroting 2015 is het kasbudget verhoogd.

20.01.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 3)

Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving voert in opdracht van het Ministerie IenM werkzaamheden voor de uitvoering van de onderdelen Luchtkwaliteit/Monitoring NSL en Geluid van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving), alsmede voor het programma Stiller op weg en het Expertisecentrum Milieuzones uit.

De budgetten voor de uitvoering van de bijdragen aan agentschappen waren voor een deel geraamd bij de opdrachtenbudetten binnen dit artikel. Bij 2e suppleotoire begroting zijn de benodigde middelen voor de opdracht aan RWS naar dit artikelonderdeel overgeheveld.

20.01.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 4)

NSL

In 2015 zijn geen betalingen in het kader van de NSL gedaan omdat de afrekeningen van de derde en vierde tranches van bijdragen aan de betreffende provincies in 2018 plaatsvinden.

Wegverkeerslawaai

In het kader van de bestrijding van geluidhinder zijn in 2015 bijdragen aan provincies en gemeenten verstrekt voor de kosten van geluidwerende maatregelen tegen wegverkeerslawaai aan woningen. Het gaat hierbij om de uitvoering van Subsidieregeling sanering verkeerslawaai en de Tijdelijke overgangsregeling Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) geluid.

Het verschil tussen de begroting en de realisatie komt door een aanpassing van de programmering waardoor de bijdragen aan provincies en gemeenten voor het uitvoeren van de saneringsmaatregelen in het kader van geluidhinder lager waren dan oorspronkelijk geraamd.

20.01.07 Bekostiging (ad 5)

In 2015 zijn in het kader van de bekostiging van het jaarlijkse programma van milieu gerelateerd onderzoek, bijdragen verstrekt aan het Energie Onderzoek Centrum Nederland (ECN).

Het verschil tussen begroting en realisatie betreft onder andere het extra budget van € 0,2 miljoen naar aanleiding van amendement 34 000 XII nr. 18 is toegezegd voor de financiering van de metingen die ECN doet met gebruikmaking van de KNMI-meetmast in Cabauw. Daarnaast is vanuit artikel 21 Duurzaamheid eveneens bij 1e suppletoire begroting 2015 € 0,3 miljoen overgeheveld voor de werkzaamheden die ECN in 2015 op het duurzaamheidsbeleidsterrein uitvoert.

Ontvangsten

Het betreffen terugontvangen bedragen van andere overheden in het kader van de subsidieregeling Wegverkeerslawaai.

Artikel 21 Duurzaamheid

Algemene doelstelling

Bevorderen van de transitie naar een duurzame economie door het stimuleren van een verstandig gebruik van grondstoffen en versterking van de veerkracht van het natuurlijk kapitaal.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

Duurzaamheid moet expliciet onderdeel uit gaan maken van afwegingen en besluiten van organisaties en individuen in Nederland. Om dit te bereiken worden belemmeringen weggenomen, instrumenten ontwikkeld en samenwerkingsverbanden georganiseerd met de benodigde maatschappelijke partners. De Minister is hierbij verantwoordelijk voor:

  • Een transitie naar een circulaire economie, door uitvoering van het programma «Van Afval naar Grondstof» (VANG) met als belangrijkste doelen om het marktaandeel van duurzame producten te vergroten, duurzamer te consumeren en meer en beter te recyclen;

  • Het ontwikkelen van instrumenten om de waarde van biodiversiteit en natuurlijk kapitaal tot uitdrukking te brengen in het economisch verkeer;

  • Het borgen van verduurzaming via wetgeving op nationaal en op internationaal niveau, bijvoorbeeld om ongewenste emissies van stoffen te kunnen voorkomen of door het marktaandeel van circulaire producten te verhogen;

  • Het met behulp van de minimumstandaarden in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) verder realiseren van hoogwaardige afvalverwerking;

  • Het coördineren van beleid in Europees en in mondiaal verband om het internationale level playing field voor duurzaamheid te versterken;

  • Het beter benutten van duurzame functiecombinaties (infra, groen, et cetera) bij het opdrachtgeverschap voor aanleg en beheer van eigen terreinen. Ecosysteemdiensten (zoals watervasthoudend en zelfreinigend vermogen van de bodem, waterzuivering en natuurlijke plaagregulatie) vormen hiervoor een goede basis; en

  • Stellen van grenzen aan de uitputting en de aantasting van natuurlijke hulpbronnen. Dit gebeurt via generieke en brongerichte maatregelen ter versterking van de veerkracht van het natuurlijk kapitaal.

Stimuleren

Zowel producenten als consumenten moeten concrete stappen kunnen zetten naar een meer circulaire economie. Om dit te bereiken steunt IenM duurzame initiatieven in de samenleving. Daarom stimuleert de Minister in samenwerking met andere departementen door:

  • De verduurzaming van productketens waarbij bedrijven worden gestimuleerd om efficiënter om te gaan met grondstoffen, kringlopen verder te sluiten en meer waarde uit afval te halen. Hiertoe worden partijen gefaciliteerd via bijvoorbeeld aanpassing van regelgeving, Green Deals en ketenprojecten;

  • Het stimuleren van ketenpartijen om duurzaamheidscriteria te hanteren. Door het bieden van meer transparantie en vergelijkingsmogelijkheden kan duurzaamheid een integraal onderdeel uitmaken van ieders afwegingen en besluiten;

  • Samenwerking met andere organisaties om begrippen als «duurzaam consumeren» en «maatschappelijk verantwoord ondernemen» concreet en hanteerbaar maken voor (kleine) bedrijven en burgers;

  • Het stimuleren van duurzaam gebruik van het bodem- en watersysteem door concrete projecten op het gebied van groene functiecombinaties mogelijk te maken. Hiervoor wordt kennis en informatie over het duurzaam gebruik ter beschikking gesteld door ondermeer het ontwikkelen van de «Digitale Atlas van het Natuurlijk Kapitaal», worden beslissingsondersteunende instrumenten aangeboden aan bedrijven en overheden en worden voorbeeldprojecten ondersteund.

Tenslotte is de Minister van IenM verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Duurzame ontwikkeling kan op meerdere manieren inzichtelijk worden gemaakt. Wat betreft duurzaamheid in de Nederlandse samenleving zijn kengetallen te vinden in de Monitor Duurzaam Nederland (MDN) 2011 van het CPB, PBL, SCP en CBS, en in de CBS rapportage Green growth in the Netherlands 2011. In 2014 zijn aan de MDN ook indicatoren toegevoegd die meer gericht zijn op groene groei. Onderstaande grafiek laat kengetallen zien met betrekking tot de hoogwaardigheid van afvalverwerking.

Kengetal: Ontwikkeling in aanbod en toepassing van afval

Kengetal: Ontwikkeling in aanbod en toepassing van afval

Bron: LAP en RWS Leefomgeving.

Toelichting bij de grafiek:

In maart 2010 is het gewijzigde Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) 2009–2021 van kracht geworden. Ook is het werkelijk afvalaanbod weergegeven.

Beleidsconclusie

In 2010 is het gewijzigde Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) 2009–2021 van kracht geworden. Er zijn in het LAP (tussen)doelen voor de jaren 2015 en 2021 geformuleerd. Er zijn in het LAP, en dus bij dit kengetal, alleen (tussen)doelen voor de jaren 2015 en 2021 geformuleerd. Medio 2016 zullen de cijfers voor wat betreft 2015 bekend worden. In 2014 was de ontwikkeling in lijn met de weergegeven doelen.

Het Rijk werkt in het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) samen met het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en wetenschap aan het versnellen van de transitie naar een circulaire economie. De eerste voortgangsrapportage VANG (Van Afval Naar Grondstof) is op 15 april 2015 naar de Tweede Kamer gezonden met als bijlage een overzicht van de voortgang van alle acties van het programma (TK 2014/-2015, 33 043, nr. 41). In deze rapportage wordt teruggeblikt op een succesvol eerste jaar VANG. De uitvoering ligt op schema en daarom was er geen aanleiding tot bijsturen. Ook is de jaarlijkse voortgang van de raamovereenkomstafspraken Verpakkingen naar de Kamer gezonden op 16 april 2015 (TK 2014–2015, 28 694, nr. 129). De conclusie uit deze voortgangsrapportage is dat de raamovereenkomstpartijen (verpakkende bedrijfsleven, VNG en het Rijk) net als in 2013 de afspraken goed uitvoeren. Alleen voor glas en hout zijn de normen niet gehaald. Voor het behalen van de recyclingspercentages hout heeft de Werkgroep Hout aanbevelingen gedaan welke ook zijn overgenomen. Voor glas is een onafhankelijk onderzoek geweest welke tot verschillende vervolgacties heeft geleid. Op 18 juni 2015 is het onderdeel statiegeld van de raamovereenkomst apart gezonden (TK 2014–2015, 28 694, nr. 130). Met die brief is ook de milieueffectenanalyse van de Raamovereenkomst aan uw Kamer aangeboden.

Door de lancering van de Digitale Atlas Natuurlijk Kapitaal (DANK) hebben bedrijven en overheden vanaf september meer inzicht gekregen in hoe zij natuurlijke hulpbronnen benutten en wat voor effect zij hebben op de vitaliteit van het natuurlijk kapitaal.

Tijdens de begrotingsbehandeling IenM op 28 en 29 oktober 2015 is de motie Cegerek-Dijkstra aangenomen, die het kabinet oproept te komen met een visie op een overkoepelend programma voor circulaire economie. In het AO Circulaire Economie van 17 december zijn de contouren van het overkoepelend programma besproken.

Een onderdeel van het programma Circulaire Economie is Maatschappelijk Verantwoord Inkopen door overheden (MVI). MVI richt zich op het bevorderen van people, planet en profit in het inkoopbeleid van het Rijk en mede overheden. Hierbij is het doel klimaatneutraal arm en circulair inkopen te bevorderen. Samen met de ministeries van BZK, EZ, SZW en BuZa is daarom in 2015 in afstemming met medeoverheden en maatschappelijke organisaties het plan van aanpak MVI opgesteld. Dit plan richt zich op het verhogen van de ambities om duurzaam in te kopen. Dit Plan van Aanpak is op 11 september 2015 naar de Tweede Kamer gezonden (TK 2014–2015, 30 196, nr. 358).

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

21

Duurzaamheid

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

8.880

18.650

17.656

20.262

– 2.606

1)

Uitgaven

 

11.596

18.420

18.530

21.493

– 2.963

 

21.01

Afval en duurzaamheidagenda

 

6.045

         

21.01.01

Opdrachten

 

1.762

         
 

– Uitvoering AgNL

 

0

         
 

– Overige opdrachten

 

1.762

         

21.01.02

Subsidies

 

1.393

         
 

– Afvalfonds

 

1.393

         
 

– Overige subsidies

 

0

         

21.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

2.890

         
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

2.890

         

21.02

Preventie en milieugebruiksruimte

 

2 839

         

21.02.01

Opdrachten

 

2.469

         

21.02.03

Bijdrage aan agentschappen

 

370

         

– waarvan bijdrage aan RWS

 

370

         

21.03

Ecosystemen en landbouw

 

2 712

         

21.03.01

Opdrachten

 

1.274

         

21.03.02

Subsidies

 

934

         

21.03.03

Bijdrage aan agentschappen

 

504

         
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

504

         

21.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

0

         

21.04

Duurzaamheidsinstrumentarium

 

0

753

1.310

1.787

– 477

 

21.04.01

Opdrachten

   

559

1.120

1.593

– 473

 

21.04.03

Bijdrage aan agentschappen

 

0

194

190

194

– 4

 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

194

190

194

– 4

 

21.05

Duurzame Productketens

 

0

12.522

13.531

16.399

– 2.868

 

21.05.01

Opdrachten

   

5.818

4.818

13.279

– 8.461

2)

21.05.02

Subsidies

   

1.660

1.494

520

974

3)

21.05.03

Bijdrage aan agentschappen

 

0

5.044

7.219

2.600

4.619

4)

 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

5.044

7.219

2.600

4.619

 

21.06

Natuurlijk kapitaal

 

0

5.145

3.689

3.307

382

 

21.06.01

Opdrachten

   

3.217

1.322

2.079

– 757

 

21.06.02

Subsidies

   

631

138

359

– 221

5)

21.06.03

Bijdrage aan agentschappen

 

0

1.297

2.229

869

1.360

6)

 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

1.297

2.229

869

1.360

 

21.06.04

Bijdrage aan medeoverheden

     

0

0

0

 
 

Ontvangsten

 

125

72

6

0

6

 

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Met ingang van 2016 wordt de opdracht aan de Nederlandse Norm (NEN) op dezelfde wijze vastgelegd als de opdrachten aan de agentschappen, namelijk in het jaar waarop de opdracht betrekking heeft. In de raming van het verplichtingenbudget was ten aanzien van de opdracht 2016 nog voorzien dat deze in 2015 zou worden vastgelegd, hierdoor is het geraamde verplichtingenbudget niet gerealiseerd.

21.04 Duurzaamheidsinstrumentarium
21.04.01 Opdrachten

In 2015 zijn opdrachten verstrekt voor de ontwikkeling en implementatie van duurzaamheidsinstrumentarium, zoals groene business cases, afwegingskaders op het gebied van verduurzaming en financiële instrumenten.

21.04.03 Bijdrage aan agentschappen

Aan Rijkswaterstaat, unit Leefomgeving zijn in 2015 middelen ter beschikking gesteld voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van het duurzaamheidsbeleid, waaronder de duurzaamheidgerelateerde taken van InfoMil (centraal punt voor de bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving).

21.05 Duurzame productketens
21.05.01 Opdrachten (ad 2)

De opdrachten hadden betrekking op uitvoering van wettelijke taken op het gebied van het afvalbeleid (onder andere de uitvoering van het LAP). Daarnaast werden opdrachten geboekt voor de uitvoering van VANG en projecten ter verduurzaming van ketens in het kader van de circulaire economie. Dit betrof vooral de ketens fosfaat, kunststof, voedsel, textiel, beton, hout en elektronica, alsmede sectoren met een grote milieudruk zoals landbouw en bouw.

Het verschil wordt met name verklaard door de reeds bij Voorjaarsnota en Najaarsnota toegelichte overboekingen voor de opdrachten RVO (€ 2,2 miljoen) en RIVM (€ 0,2 miljoen) die als gecoördineerde opdracht binnen DGMI op artikel 19.02.03 worden verantwoord. Ditzelfde geldt voor een overboeking naar artikel 21.05.03 van € 3,8 miljoen voor de opdracht aan RWS. Daarnaast betreft de verlaging van het uitgavenbudget de uitvoering van het amendement Cegerek en Dijkstra (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 000, nr. 40) in het kader van de cofinanciering opruiming drugsdumpingen van € 1 miljoen in het Provinciefonds en € 0,2 miljoen in het BTW-compensatiefonds.

21.05.02 Subsidies (ad 3)

Er zijn in 2015 subsidies verstrekt aan Stichting Milieu Centraal en Stichting Milieukeur. Het verschil wordt met name verklaard doordat er vanuit de artikelen 19 en 22 budget is overgeboekt ten behoeve van de subsidie aan Stichting Milieu Centraal die voor alle beleidsdirecties centraal op artikel 21 wordt verantwoord.

21.05.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 4)

Aan Rijkswaterstaat, unit Leefomgeving zijn in 2015 middelen ter beschikking gesteld voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van het beleid op het gebied van afval, grondstoffen en productketens.

Het verschil op deze budgetplaats wordt verklaard door de overboeking van € 3,8 miljoen vanaf artikel 21.05.01 ten behoeve van de opdracht aan RWS die op artikel 21.05.03 wordt verantwoord.

21.06 Natuurlijk kapitaal
21.06.01 Opdrachten

Op deze budgetplaats zijn opdrachten op het gebied van landbouw verstrekt, onder andere voor de werkzaamheden van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Deze opdracht valt onder de verantwoording van het Ministerie van Economische Zaken, met het oog hierop zijn bij de 2e suppletoire begroting 2015 middelen overgeheveld naar dit ministerie (in totaal € 0,65 miljoen).

21.06.02 Subsidies (ad 5)

De middelen zijn ingezet voor de afwikkeling van een aantal subsidieregelingen uit voorgaande jaren (onder andere de Subsidieregeling Maatschappelijke Organisaties en Milieu). Daarnaast wordt het verschil met de ontwerpbegroting verklaard door de overboeking vanuit dit artikel naar artikel 20 voor de subsidiëring van het milieuonderzoeksprogramma van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), welke centraal op artikel 20 wordt verantwoord.

21.06.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 6)

Aan Rijkswaterstaat, unit Leefomgeving zijn in 2015 middelen ter beschikking gesteld voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van het beleid op het gebied van Natuurlijk Kapitaal.

Het verschil op deze budgetplaats wordt met name verklaard door de overboeking van € 1 miljoen vanaf artikel 21.06.01 ten behoeve van de opdracht aan RWS die op artikel 21.06.03 wordt verantwoord.

Artikel 22 Externe veiligheid en risico’s

Algemene doelstelling

Mens en milieu beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte milieu- en gezondheidsrisico’s.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de integrale kaderstelling rond activiteiten die risico’s kunnen veroorzaken voor het milieu en de gezondheid van de mens. Deze regisserende rol komt naar voren in:

  • De normstelling en regels waaraan bedrijven en overheden zich bij de uitoefening van hun activiteiten moeten houden. Dit beschermingsniveau wordt bij voorkeur op Europees of internationaal niveau vastgelegd en zonder «nationale kop» geïmplementeerd, waardoor een level playing field bereikt wordt. De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s), bij de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van chemische stoffen (REACH), bij risicovolle bedrijven en bij het transport van gevaarlijke stoffen (water, rail en weg) zijn voorbeelden waarbij dit in de vorm van wet- en regelgeving gebeurt. Voor deze dossiers geldt dat Nederland een actieve bijdrage levert aan de Europese processen die leiden tot verdere verbetering van deze Europese regels.

  • Waar Europese regels (deels) ontbreken of lidstaatspecifieke implementatie vereisen, of waar specifieke omstandigheden in Nederland het stellen van regels voor de veiligheid van de omgeving noodzakelijk maakt, wordt in dialoog met stakeholders gezocht naar een optimum tussen de te bereiken doelen (en dus baten in termen van milieu en gezondheidswinst) en de lasten die deze regels veroorzaken. Dit is onder meer aan de orde bij de regelgeving rond buisleidingen en het wetsvoorstel «Basisnet» waarmee een balans wordt gezocht tussen de belangen van vervoer, ruimte en veiligheid.

  • De reductie van administratieve lasten voor bedrijven door de vereenvoudiging van de bestaande wet- en regelgeving. Het Activiteitenbesluit is hiervan het belangrijkste voorbeeld. Dit besluit is er onder meer op gericht de vergunningplicht te vervangen door algemene regels. Reductie van de regeldruk wordt ook nagestreefd door een betere kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze taken worden voortaan door de 29 Regionale Uitvoeringdiensten (RUD’s)/omgevingsdiensten uitgevoerd.

  • Het verlenen van vergunningen met als doel bescherming van mens en milieu voor activiteiten met GGO’s. Het verlenen van vergunningen voor defensie-inrichtingen waarvoor een strikt geheimhoudingsregime geldt. Hetzelfde geldt voor een beperkt aantal bedrijven (vooralsnog twee) met een verhoogd risico voor de externe veiligheid op de eilanden van Caribisch Nederland.

Stimuleren

Het is primair de verantwoordelijkheid van bedrijven die risico’s voor mens en milieu veroorzaken om deze risico’s te identificeren en te voorkomen of te beperken. Dit geldt ook voor overheden die – bijvoorbeeld in de ruimtelijke ordening – keuzen maken die invloed hebben op veiligheid en risico’s. De Minister stimuleert:

  • Het in beeld (doen) brengen van bestaande of nieuwe risicosituaties en het vermijden of beperken hiervan. Dit geschiedt door inventarisaties van deze risico’s en het stimuleren van de aanpak daarvan, zoals bijvoorbeeld gebeurt bij asbest in scholen en met betrekking tot de kwaliteit van het binnenklimaat in woningen, door het in beeld brengen van de risico’s van nieuwe technologieën zoals het gebruik van nanomaterialen, het volgen van nieuwe wetenschappelijke inzichten op het gebied van hormoonverstoring en gecombineerde blootstelling aan stoffen en door het ontwikkelen van beleid ten aanzien van onzekere risico’s zoals bij elektromagnetische velden. De eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en andere overheden is daarbij een belangrijk anker, onder andere door openheid te geven ten aanzien van feitelijke risico’s. Het ontwikkelen van de Risicokaart (in overleg met het Ministerie van Veiligheid en Justitie) en de Atlas Leefomgeving zijn hiervan voorbeelden. Op basis van deze informatie kunnen burgers nagaan hoe het is gesteld met de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Het landelijk asbestvolgsysteem moet alle ketenpartijen van de nodige informatie voorzien en door die ketenpartijen worden gefinancierd.

  • Het nemen van maatregelen ter bescherming van mens en maatschappij tegen moedwillige verstoring van onderdelen van de vitale infrastructuur door te bevorderen dat de risico’s op moedwillige verstoring (bijvoorbeeld terroristische aanslagen) worden geïdentificeerd en waar mogelijk beperkt. Het betreft hier onder andere chemische bedrijven en buisleidingen.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Veiligheid en veiligheidsbeleving zijn niet eenvoudig objectief te meten. Het streven is gericht op het voorkomen van onveiligheid: vermeden onveilige situaties laten zich niet meten. Op dit terrein worden daarom kwantitatieve kengetallen gehanteerd:

Basisnet:

Voor het oplossen van knelpunten veroorzaakt door het Basisnet is een milde saneringsregeling gestart57. Het aantal knelpunten is in 2014 gereduceerd van 4258 naar 34 woningen omdat door extra veiligheidsmaatregelen aan de infrastructuur (snelheidsverlaging bij omrijdroute tunnel «de Noord») 8 woningen niet meer binnen de risicozone vallen. Verder zijn voorafgaand aan de in werking treding op 1 april 2015 van de Aankoopregeling Basisnet59 7 woningen aangekocht. Na 1 april 2015 is aan de eigenaren van de resterende 27 woningen een aanbod tot aankoop gedaan. Hierop zijn in 2015 3 woningen aangekocht. Hiermee ligt de uitvoering op schema(Bron: RWS).

Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO’s):

In onderstaande tabel zijn voor 2015 als kengetallen de aantallen ontvangen vergunningaanvragen, aanvragen voor wijziging van vergunningen, kennisgevingen, wijzigingen op kennisgevingen en art 2.8-verzoeken opgenomen, alsmede als indicator het percentage waarbij het risico voor mens en milieu gelijk of lager is dan een verwaarloosbaar risico.

Ingeperkt gebruik:

   

– Vergunningaanvragen tot 1 maart

139

100%

– Vergunningaanvragen na 1 maart

44

100%

– Kennisgevingen1

230

100 %

– Verzoeken ex art. 2.8 Besluit ggo milieubeheer 2013

95

100%

Introductie in het milieu, landbouw (inclusief marktaanvragen)

5

100%

Introductie in het milieu, medisch, veterinair

13

100%

Totaal

526

100%

Bron: RIVM Bureau Genetisch Gemodificeerde Organismen

1

Het betreft kennisgeving op niveau I, II-k, II-v, en III, inclusief de wijzigingen op de respectievelijke niveau’s

Toelichting:

De regelgeving voor GGO’s is op 1 maart 2015 is gewijzigd (Stb. 2014, 57 en Stcrt. 2014, 11317). Naast vergunningen zijn ook algemene regels en de mogelijkheid tot het doen van kennisgevingen geïntroduceerd en de structuur van de vergunningverlening is gewijzigd. Daardoor zijn de cijfers over 2015 niet meer vergelijkbaar met die van voorgaande jaren en was bij het opstellen van de ontwerpbegroting 2015 het aantalvergunningen dat in 2015 wordt verleend nog niet goed in te schatten.

Defensievergunningen:

De Minister van IenM is het bevoegd gezag voor de Wabo voor een aantal Defensie-inrichtingen en enkele bijzondere inrichtingen. Wabo staat voor Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Normaal gesproken berust de Wabo-vergunningverlening en het Wabo-toezicht bij gemeenten en provincies, maar onder meer omdat veel informatie van deze inrichtingen staatsgeheim is, zijn deze taken in dit geval bij het Rijk belegd. In 2015 zijn de volgende vergunningen verleend:

Wabo-vergunningen

13

Omgevingsvergunningen beperkte milieutoets

11

Totaal

24

Bron: DCMR

De planning was 50: er zijn minder vergunningen afgerond dan gepland. Dit heeft mede te maken met de Raad van State uitspraak over het schietgeluid(beleid) en anticiperen op inwerkingtreden van de 4e tranche Activiteitenbesluit per 1-1-2016.

REACH

In het kader van de Europese stoffenregelgeving (REACH) worden stoffen beoordeeld en waar nodig van maatregelen voorzien (autorisatie, restrictie). Nederland levert een bijdrage aan dat proces, waarbij de Nederlandse inzet bepaald wordt door de ontwikkelde beleidsprioriteringscriteria en de mate waarin de betreffende stof voor Nederland zorgen oplevert, of hier geproduceerd of gebruikt wordt. Onderstaande tabel geeft aan wat de Nederlandse inbreng in 2015 is geweest bij deze producten van het Europese systeem, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen door Nederland ingebrachte dossiers en dossiers door andere lidstaten ingebracht die Nederland actief becommentarieert.

Tabel resultaten EU REACH in 2015
   

Geraamd 2015**

Gerealiseerd 2015***

   

NL inbreng

Hele EU*

NL inbreng

Hele EU*

1

Beoordelingen ontwerpbesluiten ECHA t.a.v. registratiedossiers en testvoorstellen van Europese bedrijven

100

360

74

286

2

Door Nederland uitgevoerde en becommentarieerde stofevaluaties1

20 (3)

50

18 (3)

48

3

Door Nederland ingediende en becommentarieerde RMO-analyses en informatieverzoeken2

20 (5–10)

 

8 (10)

 

4

Door Nederland ingebrachte en becommentarieerde Annex XV dossiers t.a.v. zeer ernstige zorgstoffen3

30–50 (3–5)

50

8 (1, 7)

8

5

Door Nederland ingebrachte en becommentarieerde restrictiedossiers4

6

9

11

3

6

Door Nederlandse ingebrachte en becommentarieerde voorstellen voor geharmoniseerde classificatie & labelling5

30–50 (6–10)

70

55 (6)

52

7

Behandelde vragen door de REACH helpdesk6

300–400

n.v.t.

± 675

 

* Het aantal dossiers dat in de Europese Unie is ingebracht.

** Bron: ECHA’s «baseline figures for 2014–2018 (Annex 3)».

*** Bron: RIVM; met uitzondering van onder 7; ook geplaatst op EC website (CIRCABC).

Toelichting:

Algemeen: Het beoordelings- en besluitvormingstraject met betrekking tot de REACH-werkprocessen stofevaluatie, autorisatieverzoeken en restrictiedossiers beperkt zich veelal niet tot één kalenderjaar waarmee de daarmee samenhangende werklast over meerdere jaren wordt verspreid. De getallen in dit overzicht voor genoemde processen geven daarmee veelal een onderschatting van het daadwerkelijk aantal dossiers waarop in dat betreffende jaar input is geleverd.

De aantallen door Nederland ingebrachte dossiers staan steeds tussen haakjes.

Ad 1) In 2012 is het stofevaluatieproces van start gegaan (het getal tussen haakjes geeft aan hoeveel stofevaluaties door NL zijn uitgevoerd). In 2015 zijn 2 stofevaluaties op het conto van IenM uitgevoerd. Na de stofevaluatie volgt nog besluitvormingsprocedure en follow-up van de eerdere stofevaluaties (van 2012 t/m 2014). In 2015 zijn 18 van de in totaal 29 door ECHA voorgelegde ontwerpbesluiten (waarvan 2 NL-besluiten) m.b.t. stofevaluaties van andere lidstaten bekeken en indien nodig becommentarieerd en hebben in de EU 48 stoffen stofevaluatie ondergaan, waarvan 3 door NL. In deze rij is niet verwerkt het screeningwerk om tot de selectie te komen voor de kandidaten voor stofevaluaties in de komende jaren. In 2015 zijn 18 stoffen uitvoerig gescreend om daarmee vast te stellen welke vervolgacties nodig zijn met het oog op classificatie en labelling of voor adequate beheersing van risico’s.

Ad 2) Er zijn 8 RMO-analyses van andere lidstaten becommentarieert. In eerdere jaren waren de aantallen hoger als gevolg van de behandelde informatieverzoeken, in 2015 zijn namelijk geen informatieverzoeken ontvangen. Het aantal door NL ingediende RMO-analyses staat tussen haakjes.

Ad 3) Hier is de Europese inbreng veel beperkter dan oorspronkelijk gepland (8 in plaats van 50). Op alle 8 door andere lidstaten en ECHA ingediende dossiers voor zeer zorgwekkende stoffen (SVHC’s) is input geleverd. Het getal tussen haakjes geeft voor de komma het ene NL SVHC dossiers weer en achter de komma de 7 autorisatieverzoeken (alle verzoeken in 2015) waarop input is geleverd (als rapporteur of op conceptopinie).

Ad 4) Het aantal dossiers waarop input is gegeven, met (indien van toepassing) het door NL ingediende restrictiedossier tussen haakjes. De besluitvormingsprocessen van restrictiedossiers lopen ver over de jaargrens heen, vandaar dat het aantal dossiers waaraan gewerkt het aantal van 3 ingediende dossiers overstijgt. Op 6 dossiers is wezenlijk input geleverd, voor de overige dossiers bleef de input beperkt tot prioritering of het volgen van ingediende dossiers.

Ad 5) In de tabel is het totale aantal door NL ingediende dan wel becommentarieerde CLH stoffen opgenomen. Onder becommentariëring vallen zowel de reacties op publieke consultatie (13), reacties op ontwerp opinies (40) van het RAC, als rapporteurschappen (2, zeer arbeidsintensief) van de Nederlandse RAC-leden. Reacties op publieke consultatie en conceptopinie kunnen volgtijdelijk voor hetzelfde dossier ingediend worden (vandaar dat deze aantallen die van EU overstijgen). Tussen haakjes is het aantal door NL ingediende CLH-dossiers weergegeven.

Ad 6) Sinds 2015 heeft Bureau REACH ook de taak voor de beantwoording van helpdeskvragen m.b.t. CLP erbij gekregen, waarmee het totaal aantal vragen op circa 675 is uitgekomen (375 m.b.t. REACH & ± 300 m.b.t. CLP).

Beleidsconclusie

Met de start van het programma Impuls Omgevingsveiligheid is in 2015 een belangrijke stap gezet naar de versterking van de uitvoering van omgevingsveiligheid. Versterking van de veiligheid rond BRZO bedrijven heeft onder andere plaatsgevonden door meer uniforme en integrale vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarbij zijn belangrijke stappen gezet als het gaat om het verbeteren van de deskundigheid/kwaliteit. De uitvoering van omgevingsveiligheid bij andere bedrijven is versterkt door het ondersteunen van onder andere de vergunningverlening niet BRZO-bedrijven, uitvoeren van risico-inventarisaties ten behoeve van de ruimtelijke ordening en het ondersteunen van het opstellen van omgevingsvisies door Omgevingsdiensten en Veiligheidsregio’s.

Met Veiligheid in de keten als thema, is in 2015 door de chemieketen het proces gestart om bedrijven die zaken met elkaar doen, elkaar te laten beoordelen op veiligheidsprestaties. De chemiesector heeft hiervoor een position paper en meerjarenplan opgesteld en aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aangeboden. Drie van de zes Safety Deals (zie hiervoor het beleidsverslag) bieden rechtstreeks ondersteuning aan dit proces, te weten:

  • Cluster Veiligheid Voorop (regionale workshops ketenverantwoordelijkheid, € 50.000).

  • Samen Veilig Werken (veiligheid in de relatie opdrachtgevers – contractors in de tankopslagsector, € 120.000).

  • Best Chain Practices (vastleggen procedures voor veilige overdracht van gevaarlijke stoffen in de handelsketen, € 55.000).

In 2015 is de voorbereiding van het verbod op asbestdaken, dat in 2024 moet ingaan, afgerond. Dit omvat niet alleen het juridisch vastleggen van het verbod op asbestdaken, maar ook het voor een deel financieel ondersteunen van de maatschappelijke kosten die de verwijdering met zich meebrengt en het in kaart brengen van de consequenties voor verwijdering en handhaving.

Op 2 december 2015 is de subsidieregeling verbod op asbestdaken gepubliceerd in de Staatscourant (Strct 2015, nr. 42366). Deze regeling is bedoeld om de verwijdering van asbestdaken in de eerste jaren te stimuleren.

Nederland heeft zich in 2015 onverminderd ingezet voor het verbeteren van de implementatie van REACH. Zo zijn samen met het bedrijfsleven een twintigtal acties ter verlaging van de implementatiekosten in gang gezet (TK 2014–2015, 21 501–08, nr. 548). Daarnaast heeft Nederland met de andere lidstaten van de EU, verenigd in de zgn. REACH-UP-groep een conferentie georganiseerd die heeft geresulteerd in een groot aantal praktische aanbevelingen om de implementatie en effectiviteit van REACH verder te vergroten. Deze resultaten zijn in december 2015 voorgelegd aan de Milieuraad. Helaas is het de Europese Commissie niet gelukt om in 2015 criteria op te stellen voor het aanmerken van stoffen als hormoonverstorend. Mede daarom is Nederland in 2015 een project gestart dat in 2016 gaat resulteren in suggesties voor een pragmatische aanpak (input op EU-niveau) om deze risico’s te beheersen.

In 2015 is de Europese GGO-regelgeving, ten aanzien van de vrijheid voor lidstaten om teelt van genetisch gemodificeerde gewassen op het eigen grondgebied te beperken, aangepast. Deze aanpassingen zijn uiteindelijk het gevolg van de Nederlandse voorstellen zoals die in 2009 zijn gedaan.

In 2015 heeft het vuurwerkbeleid zich gericht op maatregelen om het aantal letselgevallen door vuurwerk terug te dringen. Een aantal vuurwerkproducten (babypijltjes en Romeinse kaarsen) is verboden en de jaarlijkse vuurwerkcampagne heeft zich gericht op het bevorderen van het veilig gebruik van vuurwerk. Daarnaast is gewerkt aan het voorzien in een vergunningstelsel voor vuurwerkimporteurs. Doel hiervan is om de handel in zwaar en illegaal vuurwerk voor een deel tegen te gaan. De (voor)genomen maatregelen voor de aanpak van zwaar en illegaal vuurwerk en de extra bestuurlijke en operationele inspanningen beginnen voorzichtig hun vruchten af te werpen (TK 2014–2015, 28 684, nr. 437 en TK 2014–2015, 34 000-XII, nr. 68).

In de zomer van 2015 is de evaluatie van het VTH-stelsel afgerond en op 27 augustus 2015 met een beleidsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 2014–2015, 107 – lijst ingekomen stukken). De hoofdconclusie is dat het nieuwe stelsel zich in korte tijd positief heeft ontwikkeld. Dit is mede te danken aan de inzet van veel betrokkenen, zoals bestuurders van gemeenten en provincies en medewerkers van omgevingsdiensten. Ook is geconcludeerd dat de wet VTH voldoende waarborgen geeft om vanuit stelselverantwoordelijkheid te kunnen ingrijpen indien de kwaliteit van de VTH-taken achterblijft. Het VTH-stelsel zal een belangrijke bijdrage leveren aan de verbetering van de kwaliteit van een veilige en gezonde leefomgeving.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

22

Externe veiligheid en risico's

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

34.184

15.965

30.217

41.203

– 10.986

1)

Uitgaven

 

29.451

18.549

25.225

42.846

– 17.621

 

22.01

Veiligheid chemische stoffen

 

12.470

6.784

11.802

10.597

1.205

 

22.01.01

Opdrachten

 

6.510

5.313

3.576

7.483

– 3.907

2)

 

– Veiligheid en gezondheid

 

4.758

3.675

2.156

2.182

– 26

 
 

– Overige opdrachten

 

1.752

1.638

1.420

5.301

– 3.881

 

22.01.02

Subsidies

 

4.882

370

5.646

2.469

3.177

3)

 

– NANoREG

   

270

5.266

6.165

– 899

 
 

– Overige subsidies

   

100

380

275

105

 

22.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

779

1.101

2.580

645

1.935

4)

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

779

1.101

2.580

645

1.935

 

22.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

 

299

0

0

0

0

 

22.02

Veiligheid GGO's

 

1.877

509

1.516

2.910

– 1.394

 

22.02.01

Opdrachten

 

1.779

509

1.516

2.910

– 1.394

 

22.02.05

Bijdragen aan internationale organisaties

 

98

0

0

0

0

 

22.03

Externe veiligheid inrichtingen en transport

 

15.104

11.256

11.907

29.339

– 17.432

 

22.03.01

Opdrachten

 

4.601

4.030

3.422

23.053

– 19.631

5)

 

– Programma omgevingsveiligheid

 

518

506

799

18.000

– 17.201

 
 

– Uitvoering veiligheid inrichtingen en basisnetten

3.327

272

2.004

3.083

– 1.079

 
 

– Overige opdrachten

 

756

3.252

619

1.970

– 1.351

 

22.03.02

Subsidies

 

4.160

3.506

3.479

524

2.955

6)

22.03.03

Bijdrage aan agentschappen

 

2.438

3.085

4.059

2.762

1.297

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

2.438

3.085

4.059

2.762

1.297

 

22.03.04

Bijdragen aan medeoverheden

 

3.870

635

75

0

75

 
 

– Bijdragen asbestsanering

 

570

0

0

0

0

 
 

– Bijdragen programma Externe Veiligheid

   

635

75

0

75

 
 

– Overige bijdrage aan medeoverheden

 

3.300

         

22.03.05

Bijdragen aan internationale organisaties

 

35

0

0

0

0

 

22.03.09

Inkomensoverdracht

     

872

3.000

– 2.128

7)

 

Ontvangsten

 

16.919

1.543

11.607

2.719

8.888

8)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Het verschil tussen begroting en realisatie wordt met name verklaard door vertraging bij het afsluiten van een aantal safety-deals en doordat een reservering voor een nabetaling in het kader van de afwikkeling 3e fase Sanering asbestregeling niet in 2015 is aangewend.

22.01 Veiligheid chemische stoffen
22.01.01 Opdrachten (ad 2)

De opdrachten die in 2015 zijn verstrekt en betaald betreffen onder andere de jaarlijkse opdracht aan de Gezondheidsraad voor de uitvoering van wettelijke taken op het gebied van asbest, chemische stoffen en externe veiligheid, uitgaven in het kader van de atlas leefomgeving (http://www.atlasleefomgeving.nl) en het onderzoeksprogramma elektromagnetische velden (EMV).

De lagere realisatie wordt met name verklaard door verlagingen van het budget (in totaal € 3,9 miljoen) in verband met de opdrachtverstrekking aan het RIVM (€ 3,5 miljoen) die op artikel 19 wordt verantwoord.

22.01.02 Subsidies (ad 3)

De subsidies hebben voornamelijk betrekking op de bijdrage van de Europese Commissie (EC) voor de coördinatie door het RIVM van het EU-projecten NaNoREG (€ 3,6 miljoen) en ProSafe (€ 1,6 miljoen), de bijdrage aan het Kennisplatform Elektrisch Magnetische Velden (EMV) (€ 0,28 miljoen) en een bijdrage aan Zuidelijke Landelijke TuinbouwOrganisatie (ZLTO) voor het programma agro-asbestveiligheid (€ 0,1 miljoen).

IenM heeft van de Europese Commissie middelen ten behoeve van twee genoemde EU-projecten in 2015 € 3,9 miljoen ontvangen. Bij 1e suppletoire 2015 heeft deze ontvangst geleid tot een verhoging van het uitgavenbudget middels een desaldering. Van dit bedrag is bij 2e suppletoire begroting 2015 € 1,1 miljoen doorgeschoven naar 2016 omdat het RIVM heeft aangegeven deze gelden in 2015 niet nodig te hebben.

22.01.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 4)

Rijkswaterstaat voert in opdracht van IenM werkzaamheden uit in het kader van de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op de beleidsonderwerpen «kennisoverdracht externe veiligheid» en «vergunningverlening (activiteitenbesluit)». Daarnaast worden hier verantwoord de uitgaven voor het beleidsterrein asbest. De budgetten voor de uitvoering van de bijdragen aan agentschappen waren voor een deel geraamd bij de opdrachtenbudetten binnen dit artikel. Bij 2e suppleotoire begroting zijn de benodigde middelen voor de opdracht aan RWS (€ 1,935 mln) naar dit artikelonderdeel overgeheveld.

22.01.05 Bijdrage aan internationale organisaties

De bijdragen voor (inter)nationale organisaties worden verantwoord op artikel 19 en vanuit de daar beschikbare HGIS-middelen gefinancierd.

22.02 Veiligheid GGO’s
22.02.01 Opdrachten

Vergunningen voor werkzaamheden met Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO’s) worden verleend indien het risico van die werkzaamheden voor mens en milieu verwaarloosbaar klein is. Ter uitvoering van deze wettelijke taak wordt jaarlijks een opdracht verstrekt aan de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) ten behoeve de vergunningverlening, het maken van beoordelingen inzake risico’s verbonden aan werkzaamheden aan GGO’s en het adviseren over maatregelen risicobeheersing en monitoring die bij het uitvoeren van werkzaamheden met GGO’s kunnen worden toegepast. In 2015 is € 1,5 miljoen betaald.

Eind 2015 is opdracht gegeven voor het meerjarige onderzoeksprogramma Biotechnologie (2016–2019). Door vertraging bij het opstarten van het programma zijn de geraamde uitgaven 2015 (€ 1 miljoen) niet aangewend en bij 2e suppletoire begroting 2015 overgeheveld naar andere onderdelen binnen artikel 22.

22.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties

De bijdragen voor (inter)nationale organisaties worden vanaf 2014 verantwoord op artikel 19 en vanuit de beschikbare HGIS-middelen gefinancierd.

22.03 Externe veiligheid inrichtingen en transport
22.03.01 Opdrachten (ad 5)

Het betreft hier de overheveling naar het provinciefonds voor de uitgaven in het kader van de Impuls omgevingsveiligheid (IOV 2015–2018) voor de deelprogramma’s Besluit risico’s zware ongevallen (BRZO). De overheveling (€ 16,7 miljoen) is bij ontwerpbegroting 2016 geëffectueerd. Dit verklaard met name het verschil tussen begroting en realisatie.

De middelen zijn ingezet voor verschillende opdrachten ten behoeve van de uitvoering van wettelijke taken zoals vergunningverlening (defensie-inrichtingen, BRZO-bedrijven en olieterminals in Caribisch Nederland), de monitoring van basisnetten (weg, water en spoor), de aanpassing van regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen als gevolg van wijzigingen van internationale verdragen, modellenbeheer buisleidingen (Bevb), uitbreiding en onderhouden Activiteitenbesluit voor het realiseren vermindering regeldruk bedrijven en de ontwikkeling en het beheer van standaarden voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarnaast zijn opdrachten verstrekt voor onderzoek en implementatie van risicoreductie maatregelen.

22.03.02 Subsidies (ad 6)

Ten laste van dit financiële instrument komen de voorschotten die aan de Sociale Verzekeringsbank ten behoeve van de uitvoering van de Regeling Tegemoetkoming Niet-loondienst gerelateerde Slachtoffers van mesothelioom (TNS-regeling) zijn gedaan. Deze regeling is bedoeld voor iedereen die de ziekte van maligne mesothelioom heeft als gevolg van contact met asbest door de werksituatie.

De uitgaven waren oorspronkelijk geraamd bij het financiële instrument 22.03.09 Inkomensoverdracht. Om administratieve redenen worden de uitgaven voor de regelingen 2014/2015 verantwoord op 22.03.02 subsidies. Hiervoor is bij 1e suppletoire begroting 2015 € 2,472 miljoen vanuit 22.03.09 Inkomensoverdracht overgeheveld naar 22.03.02 subsidies.

Tevens zijn ten laste van dit instrument de subsidies betaald in het kader van het stimulering van de coördinatie van het Besluit risico’s zware ongevallen (BRZO), de vuurwerkcampagne 2015, veiligheid en transport en VTH-stelsels(vergunningen, toezicht en handhaving) en tenslotte Safety Deal Veiligheid Voorop (zie http://www.veiligheidvoorop.nu/safety-deals). Voor de financiering van deze subsidies was in 2015 totaal € 1,934 miljoen beschikbaar. De onderuitputting wordt veroorzaakt doordat niet alle geplande Safety Deals tijdig in 2015 konden worden gerealiseerd.

22.03.03 Bijdrage aan agentschappen

Rijkswaterstaat voert in opdracht van IenM werkzaamheden uit in het kader van de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op de beleidsonderwerpen «kennisoverdracht externe veiligheid» en «vergunningverlening (activiteitenbesluit)». Daarnaast worden hier verantwoord de uitgaven voor werkzaamheden van de Dienst Verkeer en Scheepvaart van RWS in het kader van basisnet, vervoer gevaarlijke stoffen en de vergunningverlening olieterminals Caribisch Nederland. De budgetten voor de uitvoering van de bijdragen aan agentschappen waren voor een deel geraamd bij de opdrachtenbudetten binnen dit artikel. Bij 2e suppleotoire begroting zijn de benodigde middelen voor de opdracht aan RWS (€ 1,297 mln) naar dit artikelonderdeel.

22.03.04 Bijdrage aan medeoverheden

In het kader van de afrekening van het project Saneringregeling Asbestwegen derde fase heeft is bij 1e suppletoire begroting 2015 het budget met € 6,2 miljoen verhoogd. Dit budget was nodig als reservering voor eventuele nabetalingen in het kader van deze regeling en voor de financiering van de Safety Deals. Omdat verwachte uitgaven in 2015 niet hebben plaatsgevonden is bij 2e suppletoire begroting 2015 een deel van het budget € 1,3 miljoen overgeheveld voor tekorten elders binnen dit artikelen.

22.03.09 Inkomensoverdracht (ad 7)

De inkomensoverdrachten hebben betrekking op de uitgaven in het kader van TNS-regeling. Bij 1e suppletoire begroting 2015 is het budget van € 2,472 miljoen overgeheveld naar 22.03.02 subsidies (zie ad 6). De uitgaven die dit jaar zijn gedaan betreffen het voorschot aan SVB voor de kosten eerste kwartaal 2016.

Ontvangsten (ad 8)

De ontvangsten hebben met name betrekking op de EU bijdrage project Nanoreg 2014–2016 (3,6 miljoen), EU-bijdrage voor Prosafe (1,7 miljoen) en de afrekening van het project Saneringregeling Asbestwegen (€ 6,2 miljoen).

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 18.06 Externe Veiligheid van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2015

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.06 Externe Veiligheid van het Infrastructuurfonds

1.085

Andere ontvangsten van artikel 18.06 Externe Veiligheid van het Infrastructuurfonds

 

Totale uitgaven op artikel 18.06 Externe Veiligheid van het Infrastructuurfonds

1.085

waarvan

   

18.06

Externe veiligheid

1.085

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

Algemene Doelstelling

Het KNMI garandeert als onafhankelijke autoriteit aan Nederland de best beschikbare informatie op het gebied van meteorologie en seismologie als bijdrage aan de veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van Nederland, inclusief de openbare lichamen Saba, Sint Eustatius en Bonaire.

Financieren

Rollen en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het faciliteren van een internationaal systeem van organisaties waarin Nederland vertegenwoordigd wordt door het KNMI. Dit doet zij door haar rol van financier in de vorm van bijdragen en contributies. Met name te noemen zijn EUMETSAT, ECMWF en WMO.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van het agentschap KNMI zoals vastgelegd in de Wet op het KNMI (2002). De rol «(doen) uitvoeren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • Het beschikbaar maken, houden en stellen van een algemeen weerbericht voor de Nederlandse samenleving en het afgeven van weerwaarschuwingen;

  • Het beschikbaar maken, houden en stellen van meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens (onder andere voor hergebruik);

  • Het beschikbaar maken, houden en stellen van luchtvaartmeteorologische inlichtingen;

  • Het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, met name op het gebied van meteorologie en seismologie;

  • Het desgevraagd en onder voorwaarden ondersteunen van bestuursorganen, de rechterlijke organisatie, overheidsbedrijven of openbare lichamen op het terrein van meteorologie, seismologie of andere geofysische terreinen bij de uitvoering van aan hen opgedragen taken;

  • Het onderhouden van de nationale infrastructuur voor de meteorologie en andere geofysische terreinen;

  • Internationale samenwerking op het gebied van meteorologie en seismologie en andere geofysische terreinen.

De Minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het Kernstopverdrag en de Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het kader van de Mijnbouwwet.

Indicatoren en kengetallen

 

Realisatie

Streefwaarde/ norm

Realisatie2

 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2015

Algemene weersverwachtingen en adviezen

             

– afwijking min.temperatuur (°C)

– 0,24

– 0,06

– 0,17

–  0,01

–  0,18

ABS1 (<0,5)

0,45

– afwijking max.temperatuur (°C)

– 0,21

– 0,33

– 0,37

–  0,25

–  0,52

ABS (<0,5)

– 0,31

– gemiddelde afwijking windsnelheid (m/s)

0,04

– 0,03

– 0,06

0,26

0,00

ABS (<1,0)

0,00

Maritieme verwachtingen

             

– tijdigheid marifoonbericht (%)

99,3

99

98,6

99,3

99,9

> 99

99,5

Gereviewde publicaties

120

97

103

105

105

> 80

120

Kengetallen

             

Aantal uitgegeven weeralarmen

4

0

1

2

1

 

1

Percentage tijdige beschikbaarheid van de meteorologische producten (Bron: EUMETSAT)

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

>98,53

Noot 1: ABS betekent absolute waarden.

Noot 2: Betreft gegevens over de periode januari t/m juni 2015

Bron: KNMI, 2015

Toelichting:

Evaluatie weeralarm: Op zaterdag 25 juli is door het KNMI code rood uitgegeven voor zeer zware windstoten in de westelijke provincies. De verwachte storm was uitzonderlijk zwaar voor de tijd van het jaar. Doordat zij vol in blad stonden was met name de schade aan bomen groot. Door de stormschade was er sprake van ontwrichting van het weg- en treinverkeer en grootschalige verstoring van de buitenrecreatie. Op grond van deze effecten wordt geconcludeerd dat de uitgifte terecht was. Door het vroegtijdig betrekken van bestuursorganen belast met de crisisbeheersing in het proces leidend tot code rood, werd zorggedragen voor een tijdige uitgifte, met instemming van alle betrokken partijen.

Beleidsconclusies

In juni 2015 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet taken meteorologie en seismologie (Wtms) aangenomen. Aanleiding was de wens van de Staatssecretaris van IenM om (1) de koppeling tussen organisatie en taken zoals deze nu bij wet m.b.t. het KNMI is geregeld, los te laten, (2) de wetenschappelijke onafhankelijkheid beter te borgen en (3) de relatie met de markt te verbeteren. De wet en de Regeling taken meteorologie en seismologie (Rtms) treden per 1 januari 2016 in werking.

De Regeling agentschappen schrijft voor dat agentschappen iedere 5 jaar worden doorgelicht. Het agentschap KNMI is in 2015 in samenwerking met het Ministerie van Financiën doorgelicht. Uit de doorlichting blijkt dat het KNMI in algemene zin goed functioneert. Het rapport bevat enkele aanbevelingen om de werking van het agentschap waar mogelijk verder te versterken. Dit betreft onder andere het versterken van het opdrachtgeverschap richting het KNMI, het transparanter maken van het kostprijsmodel en de verantwoording van de programma-uitgaven aardobservatie. Het rapport wordt gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

     

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

Verplichtingen

 

42.042

37.645

42.200

40.781

1.419

Uitgaven

 

43.001

36.760

41.030

39.914

1.116

23.01

Meteorologie en seismologie

 

26.911

26.078

28.824

22.913

5.911

23.01.03

Bijdrage aan het agentschap KNMI

 

25.952

25.204

27.795

22.046

5.749

 

– Meteorologie

 

24.363

24.630

27.292

21.553

5.739

 

– Seismologie

 

1.589

574

503

493

10

23.01.04

Bijdrage aan internationale organisaties

 

959

874

1.029

867

162

 

– Contributie WMO (HGIS)

 

959

874

1.029

867

162

23.02

Aardobservatie

 

16.090

10.682

12.206

17.001

– 4.795

23.02.03

Bijdrage aan het agentschap KNMI

 

16.090

10.682

12.206

17.001

– 4.795

 

– Aardobservatie

 

16.090

10.682

12.206

17.001

– 4.795

 

Ontvangsten

 

0

0

0

0

0

23.01 Meteorologie en seismologie

Toelichting op de financiële instrumenten

23.01.03 Bijdrage aan het agentschap KNMI

Meteorologie en Seismologie

De verschillen worden vooral veroorzaakt door het toevoegen van extra middelen voor specifieke activiteiten en projecten (€ 3,7 miljoen voor Nieuw overheidsbeleid en wet- en regelgeving, beschikbaarstelling van KNMI data voortkomend uit de «open data» politiek, reken- en opslaginfrastructuur IenM voor kortlopende (reken)projecten, Neerslagradar, overname dienstverlening BES-eilanden en Anders omgaan met data). Daarnaast zijn middelen toegevoegd voor dienstverlening aan de veiligheidsregio’s (€ 0,2 miljoen) en Cabauw (€ 0,4 miljoen). Tenslotte zijn ter financiering van gestegen kosten middelen toegevoegd (loon- en prijsbijstelling € 0,4 miljoen en ECMWF € 0,4 miljoen).

23.01.04 Bijdragen aan internationale organisatie: contributie WMO

De beschikbare middelen worden gebruikt om de Nederlandse contributie aan de WMO te voldoen. Deelname aan de activiteiten van de WMO wordt gefinancierd uit HGIS.

23.02 Aardobservatie
23.02.03 Bijdrage aan het agentschap KNMI

De onderschrijding wordt enerzijds veroorzaakt door een verschuiving van de middelen naar Meteorologie en seismologie (€ 2,9 miljoen) en anderzijds door een verschuiving van de middelen naar latere jaren (€ 1,9 miljoen).

Aardobservatie

De volgende producten zijn geleverd:

  • Het verzorgen van de waarnemingen vanuit polaire en geostationaire weersatellieten in Europees verband (EUMETSAT).

Artikel 24 Handhaving en toezicht

Algemene doelstelling

Het stimuleren en bewaken van veilige vervoers- en watersystemen en een duurzame leefomgeving.

Financieren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving in het transport en de leefomgeving. De Minister van BZK heeft een medeverantwoordelijkheid inzake wonen en bouwen. De Minister heeft een nationale coördinatie- c.q. verantwoordingsverplichting richting de EU ten aanzien van internationale milieuregelgeving. Bij de totstandkoming van wet- en regelgeving beoogt de wetgever een door haar gewenst niveau van veiligheid en duurzaamheid te bewerkstelligen. Daarbij worden de rechtsbeginselen van rechtvaardigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gehanteerd, met oog voor de nalevingseisen die van de ondertoezichtstaanden worden gevraagd (administratieve lasten). Zij streeft daarbij samenwerking met andere overheidspartners na.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van het agentschap ILT. De Minister van BZK is mede verantwoordelijk op het terrein van wonen en bouwen.

De rol uitvoeren heeft betrekking op:

  • vergunningverlening;

  • toezicht door middel van objectinspecties, administratie controles, audits, convenanten en digitale inspecties;

  • het verrichten van opsporing in geval van ernstige overtreding of fraude (onder aansturing van het OM);

  • incidentafhandeling en onderzoek. Een uitgebreidere toelichting op de producten is te vinden in de agentschapsparagraaf van de inspectie.

Sinds 1 juli 2015 houdt de ILT ook toezicht op de woningcorporaties.

Een gedetailleerde beschrijving van het uitvoeringsprogramma van de inspectie is te vinden in het Meerjarenplan 2016–2020 dat samen met het jaarverslag ILT 2015 begin 2016 aan de Tweede Kamer wordt gezonden.

Indicatoren en kengetallen

Indicatoren en Kengetallen

Vergunningen

Realisatie 2015

Adm. Contr.

Realisatie 2015

Audits

Realisatie 2015

Convenanten

Realisatie 2015

Digitale inspecties

Realisatie 2015

Objectinsp.

Realisatie 2015

(incident.) onderzoek

Realisatie 2015

Risicovolle bedrijven

15

1

390

117

160

124

4

2

0

0

690

327

4

13

Rail- en wegvervoer

700

650

1.000

859

185

155

81

78

3.000

1.687

20.000

18.083

0

0

Scheepvaart

7.200

5.732

150

277

110

13

19

6

0

0

4.880

4.951

250

243

Luchtvaart

6.300

4.772

0

0

390

433

20

0

0

0

1.350

1.358

0

0

Risicovolle stoffen en producten

3.000

2.688

1.000

780

10

0

3

1

0

0

7.000

4.276

197

198

Water, bodem en bouwen

30

105

2.900

6.508

20

14

7

11

0

0

9.600

391

0

0

Transport gevaarlijke stoffen

290

206

200

227

30

36

5

6

0

0

2.200

5.441

0

1.232

Bron: ILT, 2015

Toelichting:

In de tabel bij indicatoren en kengetallen staan de verschillen tussen geplande en gerealiseerde productie weergegeven. In de tijdsspanne tussen het opstellen van de begroting en de uiteindelijke verantwoording in het financieel jaarverslag kunnen nieuwe inzichten leiden tot andere toezichtvormen en organisatieveranderingen. Hierdoor zijn geplande aantallen niet altijd realistisch meer en zijn verklaarbare afwijkingen tussen planning en realisatie zichtbaar.

Convenanten algemeen

De interesse vanuit het bedrijfsleven in het afsluiten van handhavingsconvenanten is beperkt, daarnaast zijn veel bedrijven onvoldoende geschikt om in aanmerking te komen voor een convenant.

Digitale inspecties Wegvervoer

In verband met technische problemen (onbetrouwbare datagegevens) kon pas in de 2e helft van 2015 met het uitvoeren van digitale inspecties worden gestart.

Administratiecontroles Scheepvaart

De objectinspecties kunnen beter informatiegestuurd worden uitgevoerd, hierdoor is de inspectie in 2015 gestart met extra administratiecontroles. Op basis van deze controles heeft de inspectie bedrijven geattendeerd op het verstrijken van de geldigheidstermijn van certificaten en de keuze voor objectinspecties sterk gericht op schepen waarvan bekend was dat de certificaten niet op orde waren. Per jaar wordt de mix van toezichtvormen geëvalueerd en waarnodig aangepast.

Audits Scheepvaart

Er zijn minder audits uitgevoerd dan gepland. Belangrijkste oorzaak is een combinatie van een klein cluster van medewerkers met specifieke deskundigheid waarbinnen een onvoorzien capaciteitsgebrek ontstond. Ook bleek een nieuw type audit meer voorbereidingstijd te kosten dan verwacht, waardoor de uitvoering en afronding ervan doorschuiven naar 2016.

Risicovolle bedrijven

Hier geldt dat de aantallen van de voormalige Kern Fysische Dienst nog in de planning zijn opgenomen. Hierdoor zijn de geplande aantallen vergunningen, objectinspecties en administratiecontroles hoger dan de gerealiseerde aantallen.

Vergunningverlening Water, bodem en bouwen

Het afgeven van extra vergunningen LIB leidt tot een hogere realisatie dan verwacht.

Toezicht Water, bodem en bouwen en Risicovolle Stoffen en Producten

Begin 2015 is besloten om het toezicht effectiever uit te voeren d.m.v. administratiecontroles i.p.v. door objectinspecties en audits. Hierdoor zijn er voor deze onderdelen grote verschillen tussen planning en realisatie.

Toezicht Gevaarlijke stoffen

Begin 2015 is besloten om het toezicht anders in te richten. Dit had tot effect dat er meer objectinspecties werden gepland en gerealiseerd. Ook waren in eerste instantie de onderzoeken niet gepland.

Beleidsconclusies

ILT baseerde haar optreden steeds meer op een risicoselectie. Risicogestuurd toezicht houdt in dat de ondertoezichtstaande de toezichtvorm krijgt die past bij de mate van naleving en de veiligheids- of financiële risico’s die zich kunnen voordoen. Goedpresterende ondertoezichtstaanden werden minder onderworpen aan inspecties; de vrijkomende capaciteit werd meer gericht op bedrijven waar de naleving (eerder) te wensen overliet.

Met een omvangrijk intern veranderingstraject bereidt de ILT zich voor op veranderende omgeving waarin zij haar taken verricht: digitalisering, samenwerkende overheidsinspecties, versterking internationale samenwerking, transparantie en de effecten van rijksbrede programma’s zoals de compacte rijksdienst.

In 2015 heeft de inspectie de samenwerking met andere toezichthouders – als de inspectie SZW, de NVWA, Rijkswaterstaat, de politie en de douane – gecontinueerd en versterkt.

Door deze ontwikkelingen inspecteert de inspectie vanuit een betere informatiepositie waarbij de administratieve lasten voor de ondertoezichtstaanden steeds vaker beperkt blijven tot de minder presterenden. Tegelijkertijd werkt de inspectie hierdoor effectiever en efficiënter.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

24

Handhaving en toezicht

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2014

2015

2015

 

Verplichtingen

 

130.230

116.481

119.051

110.047

9.004

1)

Uitgaven

 

111.857

116.481

119.051

110.047

9.004

 

24.01

Handhaving en toezicht

 

111.857

116.481

119.051

110.047

9.004

 

24.01.03

Bijdrage aan het agentschap ILT

 

111.857

116.481

119.051

110.047

9.004

2)

 

– Risicovolle bedrijven

 

9.251

13.304

27.706

9.990

17.716

 
 

– Rail en wegvervoer

 

29.330

25.636

24.691

24.286

405

 
 

– Scheepvaart

 

17.985

15.149

23.063

14.892

8.171

 
 

– Luchtvaart

 

15.799

13.168

19.166

12.957

6.209

 
 

– Risicovolle stoffen en producten

 

39.492

33.826

0

33.131

– 33.131

 
 

– Water, bodem, bouwen

 

0

15.398

24.425

14.791

9.634

 
 

Ontvangsten

 

0

0

0

0

0

 

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op financiële instrumenten

Zie toelichting hieronder bij Bijdrage aan het agentschap ILT.

24.01 Handhaving en toezicht
24.01.03 Bijdrage aan het agentschap ILT (ad 2)

Door het vertrek van de Kernfysische Dienst (KFD) naar de ANVS is naast het overdragen van de middelen (€ 3,7 miljoen) ook de organisatorische structuur binnen de ILT gewijzigd. Er zijn taken en mensen verplaatst naar andere domeinen waarna het domein Risicovolle stoffen en producten wegviel. Deze budgetneutrale wijziging verstoord het financiële beeld per domein.

Bij de 1e suppletoire begroting 2015 is het budget van de inspectie met € 4,3 miljoen verhoogd om de investering in de nieuwe ICT-omgeving mogelijk te maken. Voor structurele nieuwe taken is het uitgavenbudget verhoogd met onder anderen energielabels (€ 0,5 miljoen), toezicht precursoren (€ 0,2 miljoen) en exportheffing afval (€ 0,1 miljoen). Tevens zijn er middelen toegevoegd voor loon- en prijsbijstelling en de CAO-aanpassing (€ 1,4 miljoen).

Artikel 25 Brede Doeluitkering

Algemene doelstelling

Het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraagstukken.

Financieren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is systeemverantwoordelijk voor de bijdrage aan de Brede Doeluitkering verkeer en vervoer (BDU), die het mogelijk maakt dat er op decentraal niveau maatwerkoplossingen kunnen worden gemaakt voor verkeers- en vervoervraagstukken. De beleidsinhoudelijke beslissingen worden voornamelijk door de mede overheden genomen. Dit artikel hangt samen met artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid en artikel 15 OV-keten waarin het bredere beleidsveld wordt geschetst.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

25

Brede doeluitkering

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

 

2.000.820

1.872.801

884.538

1.807.451

– 922.913

1)

Uitgaven

 

2.046.018

1.989.790

1.878.691

1.782.405

96.286

2)

25.01

Brede doeluitkering

 

2.046.018

1.989.790

1.878.691

1.782.405

96.286

 
 

Ontvangsten

 

0

0

0

0

0

 

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De beschikking voor de BDU wordt in het jaar voorafgaand aan het uitvoeringsjaar(kas)jaar als betalingsverplichting vastgelegd. De verplichtingen lopen daarmee een jaar vooruit op de kasuitgaven. De lagere verplichtingen zijn veroorzaakt door een verlaging van € 961 miljoen door decentralisatie BDU naar provincies en na te laten om het verplichtingenbudget hierop aan te passen, verhoging van € 29,2 miljoen voor Station Bleizo en regiopaketten en verhoging € 6 miljoen voor loon- en prijsbijstelling.

Uitgaven (ad 2)

De hogere uitgaven zijn met name veroorzaakt door € 59 miljoen voor Beter Benutten (waaronder Decentraal Spoor), € 4,7 miljoen voor proeven met zero-emissie waterstofbussen in het openbaar vervoer, € 6 miljoen aanleg P+R voorzieningen, € 7,5 miljoen Spoor Lente akkoord (Kamerstukken II, 2014/15, 34 000 A, nr. 4), € 6,3 miljoen decentralisatiespoorlijn Zwolle Enschede, € 5,6 miljoen twee spoorprojecten in de gemeente Utrecht en € 6 miljoen voor loon- en prijsbijstelling.

25.01 Brede doeluitkering

Het betreft het verstrekken van een beschikking voor de BDU aan de regionale en lokale overheden. Deze wordt jaarlijks berekend op basis van in de regelgeving BDU Verkeer en Vervoer opgenomen methodiek. Uitbetaling vindt plaats in vijf termijnen, waarvan de tweede termijn een dubbele is.

Op 1 januari 2015 is de Wet Afschaffing plusregio’s in werking getreden. In het verlengde daarvan zal vanaf 2016 het gedeelte van de BDU verkeer en vervoer dat is bestemd voor de provincies worden uitgekeerd via het Provinciefonds. De bijdrage voor de twee vervoerregio’s in de Noordvleugel en Zuidvleugel blijft bij IenM op de begroting staan en wordt vanaf 2016 uitgekeerd op basis van de aangepaste Wet BDU.

In de Wet BDU is opgenomen dat de verantwoordings-constructie voor de (doelmatige) besteding van de BDU-gelden via decentraal en regionaal democratisch gelegitimeerde organen verloopt. Er wordt daarom via de verantwoording van de regionale en lokale overheden gerapporteerd over de behaalde prestaties.

Artikel 26 Bijdragen aan investeringsfondsen

Algemene doelstelling

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds verantwoord.

Financieren

Rol en verantwoordelijkheden

De rollen en verantwoordelijkheden voor zaken die op het Infrastructuurfonds en Deltafonds worden verantwoord zijn terug te vinden in de verschillende beleidsartikelen.

Voor de indicatoren en kengetallen wordt verwezen naar de betreffende beleidsartikelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

26

Bijdrage investeringsfondsen

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2015

2015

 

Verplichtingen

7.163.030

6.696.616

6.910.205

5.874.315

6.453.944

– 579.629

 

Uitgaven

7.163.030

6.696.616

6.910.205

5.874.315

6.453.944

– 579.629

 

26.01

Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

7.163.030

5.722.871

5.834.916

4.821.159

5.329.360

– 508.201

1)

26.02

Bijdrage aan het Deltafonds

 

973.745

1.075.289

1.053.156

1.124.584

– 71.428

2)

 

Ontvangsten

 

0

0

0

0

0

 
26.01 Bijdrage aan het Infrastructuurfonds (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Het betreft hier de bijdrage vanuit de beleidsbegroting van Hoofdstuk XII aan het Infrastructuurfonds ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord (zie onderstaande specificatie). Voor een toelichting op de verschillen wordt verwezen naar het Jaarverslag over 2015 van het Infrastructuurfonds.

Het verschil tussen de begroting en de realisatie is het gevolg van een groot aantal mutaties die in het verslagjaar op de in de oorspronkelijke begroting opgenomen raming zijn aangebracht. De belangrijkste oorzaken hebben betrekking op de hieronder vermelde oorzaken. Een volledig inzicht is verstrekt in de verschillende suppletoire begrotingen over 2015.

  • Verwerking van de generale kasschuif (€ 250 miljoen uit 2015 naar 2016, 2018 en 2019).

  • Omzetting van de budgettaire reeksen van de DBFM-projecten A12 Ede-Grijsoord, A9 Gaasperdammerweg en Keersluis Limmel om aan de beschikbaarheidsvergoedingen te kunnen voldoen (€ 131 miljoen).

  • Overboekingen van diverse artikelen op het IF naar HXII artikel 25 Brede Doeluitkering voor het programma Beter Benutten, het toekennen aan de provincie Gelderland van de tranche 2015 voor de in het Lenteakkoord van 2012 afgesproken bijdrage aan 3 spoorlijnen in Oost-Nederland, een tweetal toezeggingen aan de gemeente Utrecht, de decentralisatie bijdrage Zwolle-Enschede en een bijdrage aan de aanleg van P+R voorzieningen (€ 86 miljoen).

  • Overboekingen van IF artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur naar het Provinciefonds, Gemeentefonds en het BTW-compensatiefonds in het kader van het Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn (€ 67 miljoen).

Specificatie van de bijdragen uit de begroting van hoofdstuk XII aan de begroting van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)

Specificatie van de bijdragen uit de begroting van hoofdstuk XII aan de begroting van het het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)

INFRAFONDS

 

Begroting

Realisatie

Verschil

12

Hoofdwegen

Uitgaven

2.293.979

2.393.669

99.690

12.01

Verkeersmanagement

 

4.038

14.510

10.472

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

 

658.195

662.460

4.265

12.03

Aanleg

 

723.322

618.288

– 105.034

12.04

GIV/PPS

 

545.431

655.822

110.391

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

 

424.674

442.589

17.915

12.07

Investeringsruimte

 

– 61.681

0

61.681

           

12.09

Ontvangsten

Ontvangsten

533.670

592.926

59.256

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

1.760.309

1.800.743

40.434

           

13

Spoorwegen

Uitgaven

2.387.881

1.999.985

– 387.896

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

 

1.240.257

1.225.522

– 14.735

13.03

Aanleg

 

952.335

625.037

– 327.298

13.04

GIV/PPS

 

147.026

132.285

– 14.741

13.07

Rente en aflossing

 

48.397

17.141

– 31.256

13.08

Investeringsruimte

 

– 134

0

134

           

13.09

Ontvangsten

Ontvangsten

232.720

240.852

8.132

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

2.155.161

1.759.133

– 396.028

           

14

Regionaal, lokale infrastructuur

Uitgaven

181.447

134.964

– 46.483

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

 

118.082

128.658

10.576

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

 

0

0

0

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

 

63.365

6.306

– 57.059

           

14.09

Ontvangsten

 

0

844

844

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

181.447

134.120

– 46.483

           

15

Vaarwegen

Uitgaven

883.428

871.615

– 11.813

15.01

Verkeersmanagement

 

7.516

7.545

29

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

 

394.852

401.328

6.476

15.03

Aanleg

 

251.126

210.556

– 40.570

15.04

GIV/PPS

 

0

679

679

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

 

246.589

251.507

4.918

15.07

Investeringsruimte

 

– 16.655

0

16.655

           

15.09

Ontvangsten

Ontvangsten

26.980

213.179

186.199

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

856.448

658.436

– 198.012

           

17

Megaprojecten

Uitgaven

143.740

82.329

– 61.411

17.01

Westerscheldetunnel

 

0

0

0

17.02

Betuweroute

 

5.055

778

– 4.277

17.03

HSL

 

614

383

– 231

17.06

PMR

 

3.482

4.650

1.168

17.07

ERTMS

 

40.000

18.921

– 21.079

17.08

Zuidasdok

 

94.589

57.597

– 36.992

           

17.09

Ontvangsten

 

40.347

32.932

– 7.415

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

103.393

49.397

– 53.996

           

18

Overige uitgaven

Uitgaven

272.602

235.889

– 36.713

18.01

Saldo afgesloten rekeningen

 

0

0

0

18.02

Beter benutten

 

49.872

0

– 49.872

18.03

Intermodaal vervoer

 

852

1.272

420

18.04

Gebiedsgerichte aanpak (UPR)

 

0

1

1

18.06

Externe veiligheid

 

1.995

1.085

– 910

18.07

Mobiliteitsonafh. Kennis en expertise

 

42

0

– 42

18.08

Netwerkoverstijgende kosten

 

219.841

233.531

13.690

18.11

Investeringsruimte

 

0

0

0

18.12

Reservering beheer, onderhoud en vervanging

 

0

0

0

18.13

Tol gefinancierde uitgaven

 

0

0

0

           

18.10

Saldo afgesloten rekeningen

Ontvangsten

0

24.166

24.166

18.11

Tolopgave

Ontvangsten

0

0

0

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

272.602

211.723

– 60.879

           

19

Bijdragen andere begrotingen Rijk

       

19.09

Ontvangsten

Ontvangsten

5.329.360

4.821.159

– 508.201

Totaal uitgaven

6.163.077

5.718.451

– 444.626

Totaal ontvangsten

833.717

1.104.899

271.182

Totaal Bijdrage van hfdst XII (art 26)

5.329.360

4.821.159

– 508.201

26.02 Bijdrage aan het Deltafonds (ad 2)

Het betreft hier de bijdrage vanuit de beleidsbegroting van Hoofdstuk XII aan het Deltafonds ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord (zie onderstaande specificatie). Voor een toelichting op de verschillen wordt verwezen naar het Jaarverslag over 2015 van het Deltafonds.

Het verschil tussen de begroting en de realisatie is het gevolg van een groot aantal mutaties die in het verslagjaar op de in de oorspronkelijke begroting opgenomen raming zijn aangebracht. De belangrijkste is hieronder vermeld. Een volledig inzicht is verstrekt in de verschillende suppletoire begrotingen over 2015:

  • De grote projecten Ruimte voor de Rivier en het Tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma lopen binnen een aantal jaar af. Daarnaast zijn de deltabeslissingen genomen en is het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma opgestart. Als gevolg hiervan staat IenM voor de opgave om het ritme van het meerjarige programma en het budget op het Deltafonds weer met elkaar in overeenstemming te brengen. Hiertoe is een kasschuif via de algemene middelen van € 75 miljoen op het Deltafonds van 2015 naar 2019 aangebracht.

Specificatie van de bijdragen uit de begroting van hoofdstuk XII aan de begroting van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)

begroting van het het Deltafonds (bedragen x € 1.000)

DELTAFONDS

 

Begroting

Realisatie

Verschil

1

Investeren in waterveiligheid

Uitgaven

903.737

715.458

– 188.279

1.01

Grote projecten waterveiligheid

 

792.671

546.895

– 245.776

1.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

 

105.716

165.228

59.512

1.03

Studiekosten

 

5.350

3.335

– 2.015

1.04

GIV/PPS

       
           

1.09

Ontvangsten investeren in waterveiligheid

Ontvangsten

246.003

207.416

– 38.587

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

657.734

508.042

– 149.692

           

2

Investeren in zoetwatervoorziening

Uitgaven

6.249

8.336

2.087

2.01

Aanleg waterkwantiteit

 

0

0

0

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

4.258

6.727

2.469

2.03

Studiekosten

 

1.991

1.609

– 382

           

2.09

Ontvangsten investeren in waterkwantiteit en

       
 

zoetwatervoorziening

Ontvangsten

4.000

2.219

– 1.781

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

2.249

6.117

3.868

           

3

Beheer, onderhoud en vervanging

Uitgaven

190.021

156.952

– 33.069

3.01

Watermanagement

 

7.734

7.764

30

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

 

182.287

149.188

– 33.099

           

3.09

Ontvangsten Beheer, onderhoud en vervanging

Ontvangsten

0

0

0

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

190.021

156.952

– 33.069

           

4

Experimenteren cf. art. III Deltawet

Uitgaven

11.463

0

– 11.463

4.01

Experimenteerprojecten

 

11.463

0

– 11.463

           

4.09

Ontvangsten Experimenteerartikel

Ontvangsten

0

0

0

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

11.463

0

– 11.463

           

5

Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

Uitgaven

216.347

249.940

33.593

5.01

Apparaat

 

176.412

181.697

5.285

5.02

Overige uitgaven

 

64.932

68.243

3.311

5.03

Investeringsruimte

 

– 24.997

0

24.997

           

5.09

Netwerkgebonden kosten en overige ontvangsten

Ontvangsten

0

0

0

5.10

Saldo van afgesloten rekeningen

   

– 37.942

– 37.942

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

216.347

287.882

33.593

           

6

Bijdragen andere begrotingen Rijk

       

6.09

Ten laste van begroting van IenM

Ontvangsten

1.124.584

1.053.156

– 71.428

           

7

Investeren in waterkwaliteit

 

46.770

34.781

– 11.989

7.01

Realisatieprogramma Kaderrichtlijn water

 

38.827

24.971

– 13.856

7.02

Overige aanlegprojecten waterkwaliteit

 

7.943

9.810

1.867

         

0

7.09

Ontvangsten Investeren in waterkwaliteit

Ontvangsten

0

0

0

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

46.770

34.781

– 11.989

 

Totaal uitgaven

 

1.374.587

1.165.467

– 209.120

 

Totaal ontvangsten

 

250.003

171.693

– 78.310

 

Totaal Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

1.124.584

1.053.156

– 71.428

42

Kamerstukken II. 2015/01, 31 409, nr. 70

45

Kamerstukken II. 2015/12, 31 409, nr. 94

46

Kamerstukken II. 2015/10, 32 861, nr. 15

47

United Nations Framework Convention on Climate Change.

48

Milieu-investeringsaftrek.

49

Willekeurige afschrijving milieu-investeringen; voorheen: «vervroegde».

50

COM (2015) 337

51

Zie het verslag van de Milieuraad, opgenomen in Kamerstuk 21 501-08, nr. 589.

52

Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad

53

Richtlijn 2015/1513/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 ter aanpassing van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en ter aanpassing van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

54

Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG

55

SWUNG: Samen Werken aan de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid

56

Kamerstukken 30 175-223.

57

Staatscourant 2015, nr. 10961, Beleidsregel verwerven van woningen langs basisnetroutes.

58

Brief DGMI aan RWS van 25 september 2012, kenmerk IENM/BSK-2012/167677, inzake opdracht aankoop woningen basisnet.

59

Staatscourant 2015, nr. 10961, Beleidsregel verwerven van woningen langs basisnetroutes.

Licence