Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Artikel 1. Woningmarkt

A Algemene doelstelling

Een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister voert de regie over een heldere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen op het terrein van wonen.

De Minister voert via regelgeving de regie ten aanzien van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de woningvoorraad op grond van de Huisvestingswet. De Minister voert de regie ten aanzien van het ontwikkelen van kaders om onrechtmatige bewoning tegen te gaan op grond van de Woningwet.

De Minister stimuleert in beleidsmatige zin de huisvesting van bijzondere aandachtsgroepen.

De Minister voert de regie ten aanzien van het scheppen van voorwaarden voor de betaalbaarheid van het wonen, onder meer via de Wet op de huurtoeslag, de huurprijsregulering en maatregelen ten aanzien van de koopwoningmarkt.

De Minister voert de regie over het beleid voor de koopwoningmarkt. Hieronder valt onder meer het beleid ten aanzien van de Nationale Hypotheekgarantie (NHG), de fiscale behandeling van de eigen woning, en de hypothecaire leennormen. Tevens draagt de Minister zorg voor het kapitaalmarktbeleid betreffende investeringen in de woningmarkt.

De Minister is verantwoordelijk voor het beleidsmatig vormgeven van het instrument huurtoeslag en het budgettair beheer hiervan op grond van de Wet op de Huurtoeslag. De uitvoering van de huurtoeslag is, op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR), onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën, belegd bij de Belastingdienst/Toeslagen. Deze dienst is ook verantwoordelijk voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de toeslag.

De Minister is verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van de verhuurderheffing. De uitvoering van de verhuurderheffing is, onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën, belegd bij de Belastingdienst.

De Minister is verantwoordelijk voor een adequate werking van de sociale huurwoningenmarkt. Het betreft het beleid en de regelgeving ten aanzien van het maatschappelijk presteren van woningcorporaties en het toezicht hierop. Voor de huisvesting van diegenen die moeilijkheden ondervinden bij het vinden van adequate huisvesting op de woningmarkt, spelen woningcorporaties een belangrijke rol, waarbij het huisvesten van huishoudens met een inkomen tot € 34.678 (inkomensgrens 2014) tot hun kerntaak behoort.

De Minister draagt zorg voor een adequate uitvoering van een laagdrempelige beslechting van huurgeschillen. In het Burgerlijk Wetboek (art. 7:249 t/m 7:261) is vastgelegd dat huurders en verhuurders een beroep kunnen doen op de Huurcommissie. De organisatie en werkwijze van de Huurcommissie, evenals de administratieve ondersteuning door de Dienst van de Huurcommissie (DHC), is vastgelegd in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw).

C Beleidsconclusies

Zoals in het beleidsverslag aangegeven is op 1 juli 2015 de Herziening van de Woningwet (Stb. 2015, 145) in werking getreden. Het betreft een versterking van het interne- en externe toezicht op woningcorporaties, een versterking van de rol van gemeenten en huurdersorganisaties als het gaat om de prestaties van woningcorporaties en een beperking van het werkdomein van woningcorporaties tot verhuur en bouw van sociale huurwoningen, maatschappelijk vastgoed en leefbaarheid (de zogenoemde opgedragen dienst van algemeen economisch belang (DAEB). Tevens is opnieuw een zogenaamde passendheidstoets ingevoerd.

In 2015 is in samenwerking met partijen (o.a. Aedes, Woonbond, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Vereniging van Toezichthouders in Woningcorporaties) een implementatietraject gestart met het oog op de invoering van de wet. Daartoe heeft een landelijk congres en een viertal regionale bijeenkomsten plaatsgevonden en is de internetsite www.woningwet2015.nl gelanceerd met daarop praktische informatie over de wet. Het implementatietraject wordt in 2016 voortgezet.

De wijziging van de wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek maakt het voor gemeenten mogelijk om woningzoekenden met een crimineel of overlast verleden, te weren uit gebieden die kampen met ernstige leefbaarheidproblemen (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 314, nr. 3).

Daarnaast heeft het Rijk lokale partijen ondersteund met kennis, onder andere door het organiseren van leerkringen.

Rotterdam Zuid heeft ondersteuning gekregen bij de aanpak van de fysieke problematiek. Krimp- en anticipeerregio’s zijn ook in 2015 met kennis en middelen gefaciliteerd bij de aanpak van bevolkingsdaling. Met regionale partners is samengewerkt aan de opstelling van een nieuw Actieplan Bevolkingsdaling voor de periode 2016–2020.

Het toezicht op woningcorporaties is zoals vermeld in het beleidsverslag versterkt met de komst van de Autoriteit woningcorporaties (Aw) per 1 juli 2015. In 2016 zal de organisatie en de werkwijze van de nieuwe autoriteit verder gestalte krijgen.

In het beleidsverslag is opgenomen dat de relatie tussen het Rijk en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) in 2015 is verstevigd. Over de invulling van een algemene maatregel van bestuur hiervoor is op 30 oktober 2015 een brief naar de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2015–2016, 29 453, nr. 401) gezonden, waarover in november 2015 een plenair debat heeft plaatsgevonden. De voorhang bij het parlement zal in de eerste helft van 2016 plaatsvinden.

In de herziene Woningwet is ondermeer geregeld dat de taak voor sanering- en projectsteun aan woningcorporaties onder direct gezag van de Minister voor Wonen en Rijksdienst komt te liggen. Tot 1 juli 2015 was deze taak toebedeeld aan het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV). Bij de overdracht van deze taak zijn tevens de fondsmiddelen voor sanering- en projectsteun overgekomen naar de begroting van Ministerie voor Wonen en Rijksdienst. De uitvoering van de saneringstaak is per 1 juli 2015 gemandateerd aan het Waarborgfonds Sociale Woningbouw.

Medio 2015 is de brief «Integrale visie op de woningmarkt» (Kamerstukken II, 2014–2015, 32 847, nr. 180) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met deze brief zijn de prioriteiten (Woonagenda) vastgesteld, waarover gemeenten, corporaties en huurders de komende jaren afspraken zouden moeten maken. Het betreft betaalbaarheid en beschikbaarheid van sociale huurwoningen, de verduurzaming van de voorraad, het huisvesten van urgente doelgroepen waaronder vergunninghouders en ouderenhuisvesting dan wel wonen met zorg.

Na consultatie van de sector is in de herziene Woningwet uitwerking gegeven aan de wooncoöperatie.

De liberalisatiegrens is per 1 januari 2015 nog op reguliere wijze aangepast. De bevriezing voor drie jaar is per 1 januari 2016 ingegaan. De reden voor de verlate invoering is, dat de bevriezing wordt geregeld in het wetsvoorstel Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting (Kamerstukken II, 2014–2015, 33 966). Deze stelselwijziging wordt naar verwachting met de jaarlijkse huurverhoging vanaf 1 juli 2016 van kracht.

Conform de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) is ook voor de woningcorporatiesector de norm verlaagd van 130% van de bezoldiging van een Minister naar 100%.

Gerealiseerde huurverhoging

Gerealiseerde huurverhoging

Bron: Bewerking jaarlijkse rapportage «Feiten en achtergronden huurbeleid»en «»Analyse van het huurbeleid van verhuurders»

Net als in 2013 en 2014 is in 2015 een boveninflatoire huurverhoging toegestaan (inflatie + 1,5%). Ook is in 2015 de inkomensafhankelijke extra huurverhoging toegestaan (inflatie + 2% voor middeninkomens, inflatie + 4% voor hogere inkomens). De inflatie (CPI) over 2014 was 1%. De maximale huurverhoging kwam daarmee respectievelijk op 2,5%, 3% en 5%.

Verhuurders zijn vrij om al dan niet gebruik te maken van de maximale huurverhogingsruimte. De gemiddelde gerealiseerde huurverhoging in 2015 was 2%.

Eind december 2015 is zoals in het beleidsverslag vermeld het wetsvoorstel Doorstroming Huurmarkt 2015 bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 373, nr. 1–3) ingediend en op 9 februari 2016 aangenomen.

Eveneens is zoals in het beleidsverslag opgenomen op 1 oktober 2015 het nieuwe woningwaarderingsstelsel (MG 2015–04) in werking getreden.

De verhuurderheffing is in 2015 gecontinueerd conform de afspraken in het Woonakkoord. De opbrengsten over 2015 bedragen € 1. 345 mln. In de verhuurderheffing bestaat de mogelijkheid tot heffingsvermindering voor investeringen in krimpgebieden, in Rotterdam-Zuid en bij transformatie van kantoren naar woningen. In totaal is hier in de periode 2014–2018 € 280 mln. voor beschikbaar. Tot en met 1 maart 2016 is voor een bedrag van € 112,4 mln. aan heffingsvermindering gereserveerd, in relatie tot voorgenomen investeringen. Hiervan betreft € 44,6 mln. al afgeronde investeringen, waarvoor een definitieve investeringsverklaring is afgegeven, die door verhuurders in mindering kan worden gebracht op de aangifte verhuurderheffing.

In 2015 heeft een beleidsdoorlichting artikel 1 Woningmarkt plaatsgevonden (zie Kamerstukken II, 2015–2016, 34 120, nr. 9). Gebleken is, dat de doelen van artikel 1 niet zodanig gekwantificeerd zijn, dat het mogelijk was eenduidige conclusies te trekken over de bijdrage aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. De beleidsdoorlichting concludeert, dat de huurtoeslag een sterk effect heeft op het verlagen van de huurlasten. Zonder overheidsingrijpen zou de hoogte van de huren voor een deel van de huishoudens de toegang tot de woningmarkt belemmeren. Daar staat tegenover, dat het overheidsingrijpen kan leiden tot onbedoelde neveneffecten, effecten van de huurtoeslag die losstaan van het beoogde doel. In de beleidsdoorlichting worden diverse beleidsopties aangedragen om deze neveneffecten te verminderen. De uitkomsten van de beleidsdoorlichting bieden een goede input voor het inmiddels gestarte Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) sociale huur, dat uiterlijk in juni 2016 wordt afgerond. Aangezien dit IBO deels voortborduurt op de beleidsdoorlichting, volgt er na afronding van het IBO een integrale kabinetsreactie op de beleidsdoorlichting en het IBO sociale huur.

Om inzicht te geven in de uitwerking van de huurtoeslag op de huurlasten voor huurtoeslagontvangers laat de onderstaande tabel het aandeel zien van de bruto huur dat per saldo (na aftrek van de huurtoeslag) nog netto door huurtoeslagontvangers is verschuldigd. Dit cijfer is berekend voor voorbeeldhuishoudens met een huur rond de diverse huurtoeslaggrenzen en met een minimuminkomen.

Verhouding Bruto-Netto huur Huurtoeslag

       

Realisatie

Begroting

Afwijking

Huishoudtype

Netto Huur

2011

2012

2013

2014

2015

2015

20151

Eenpersoonshh

Huur rond kwaliteitskortingsgrens

65,3%

64,3%

63,4%

62,0%

61,2%

60,3%

0,9%

Huur rond aftoppingsgrens

51,2%

53,2%

53,1%

52,3%

51,5%

51,1%

0,3%

Huur rond huurgrens

48,7%

52,8%

53,2%

52,7%

51,8%

51,7%

0,0%

Meerpersoonshh

Huur rond kwaliteitskortingsgrens

65,3%

64,3%

63,4%

62,0%

61,2%

60,3%

0,9%

Huur rond aftoppingsgrens

49,4%

52,0%

51,9%

51,2%

50,4%

50,1%

0,3%

Huur rond huurgrens

49,9%

54,0%

55,4%

55,1%

53,8%

54,1%

– 0,4%

Eenpersoonshh pensioen lft

Huur rond kwaliteitskortingsgrens

64,7%

63,8%

62,8%

61,5%

60,7%

59,8%

0,9%

Huur rond aftoppingsgrens

50,8%

52,8%

52,8%

52,0%

51,1%

50,8%

0,3%

Huur rond huurgrens

48,4%

52,5%

52,9%

52,4%

51,5%

51,5%

0,0%

Meerpersoonshh pensioen lft

Huur rond kwaliteitskortingsgrens

64,2%

63,3%

62,3%

61,0%

60,2%

59,4%

0,9%

Huur rond aftoppingsgrens

50,4%

52,4%

52,4%

51,6%

50,8%

50,5%

0,3%

Huur rond huurgrens

48,1%

52,2%

52,7%

52,1%

51,3%

51,2%

0,0%

 

Bruto Huur

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Bron: Eigen berekening Ministerie van BZK

1

Door afrondingen zijn verschillen mogelijk

Uit de tabel blijkt, dat het aandeel van de bruto huur dat door de huurtoeslagontvanger zelf netto nog betaald moet worden in 2015 is gedaald ten opzichte van 2014. Deze daling is echter geringer dan in de ontwerpbegroting verwacht. De reden hiervoor is, dat de bruto huur minder is gestegen, dan bij het opstellen van de begroting 2015 nog werd verwacht. Dit leidt er toe, dat, hoewel het door de huurder zelf te betalen bedrag aan eigen bijdrage slechts beperkt stijgt of zelfs daalt, het procentuele aandeel hiervan in de totale (lagere huur) toeneemt.

De resultaten van de doorlichting van het agentschap Dienst van de Huurcommissie (DHC) zijn in september 2015 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 120, nr. 5) gestuurd. De aanbeveling met betrekking tot de positionering van DHC als agentschap wordt bezien in het kader van de lopende verkenning.

Sinds zijn aantreden heeft het kabinet belangrijke hervormingen op de koopmarkt gerealiseerd. Met de hervormingen wordt perspectief geboden op een stabiele koopwoningmarkt met minder schulden. Als onderdeel van de hervormingen is zoals aangegeven in het beleidsverslag in 2015 de zogenaamde Verhuisregeling permanent verruimd. Voorts is het maximale leenbedrag ten opzichte van de waarde van de woning, de zgn. «Loan-to-Value-ratio» (LTV-ratio), verder beperkt. Daarnaast is per 1 juli 2015 de kostengrens van de Nationale Hypotheek Garantie teruggebracht van € 265.000 tot € 245.000. Zo is het maximale leenbedrag ten opzichte van de waarde van de woning, de zogeheten «Loan-to-Value-ratio» (LTV-ratio), per 1 januari 2015 beperkt van 104% tot 103%. De komende jaren wordt dit stapsgewijs verder verlaagd naar 100% in 2018.

Verder zijn in 2015 de volgende maatregelen uitgevoerd:

  • Het maximale aftrektarief voor de kosten van eigenwoningschulden in de inkomstenbelasting wordt elk jaar met 0,5%-punt verlaagd tot uiteindelijk een aftrektarief bereikt wordt gelijk aan het tarief van de tweede en derde schijf in de inkomstenbelasting.

  • De opbrengsten van de verschillende hervormingen in het fiscale stelsel op de koopmarkt worden teruggesluisd naar de burger via verlagingen in de loon- en inkomstenbelasting. In het Belastingplan 2016 zijn daarnaast maatregelen genomen die invloed hebben op het tarief van de tweede en derde schijf en het einde van de derde schijf in de loon- en inkomstenbelasting. Het einde van de derde schijf wordt hierdoor geleidelijk verlengd van € 56.531 in 2015 naar € 79.526 (in prijzen 2016) in 2031. Het tarief van de tweede en derde schijf wordt geleidelijk verlaagd naar 37,65% in 2042 en het tarief van de vierde schijf wordt geleidelijk verlaagd naar 49,5% in 2039.

De evaluatie van de Leegstandswet is in juli 2015 afgerond, samen met de evaluatie van de wetswijziging inzake het kraken (Wet kraken en leegstand). De Minister van Veiligheid en Justitie heeft de begeleidende brief (Kamerstukken II, 2015–2016, 31 560, nr. 36) met deze evaluatie op 1 februari 2016 naar de Tweede Kamer gezonden.

Geconcludeerd kan worden, dat het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten het afgelopen jaar grotendeels conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting zijn uitgevoerd.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)
   

2011

2012

2013

2014

Realisatie 2015

Oorspronkelijk vastgestelde begroting 2015

Verschil 2015

Verplichtingen:

0

0

2.900.728

3.382.465

3.959.739

3.377.405

582.334

                 

Uitgaven:

0

0

2.929.201

3.404.536

3.965.674

3.335.413

630.261

                 

1.1

Betaalbaarheid

0

0

2.922.871

3.396.259

3.957.657

3.328.246

629.411

 

Subsidies

0

0

61.971

22.124

19.517

16.815

2.702

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid

0

0

743

1.045

201

508

– 307

 

Bevordering eigen woningbezit (BEW)

0

0

59.694

19.923

9.748

15.186

– 5.438

 

Onderzoek en kennisoverdracht

0

0

314

0

0

0

0

 

Saneringsbijdrage woningcorporatie WSG

0

0

0

0

8.367

0

8.367

 

Woonconsumentenorganisaties

0

0

1.220

1.156

1.201

1.121

80

 

Opdrachten

0

0

778

445

295.812

617

295.195

 

Begrotingsreserve sanering- en projectsteun woningcorporaties

0

0

0

0

294.314

0

294.314

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid

0

0

696

421

1.496

617

879

 

Onderzoek en kennisoverdracht

0

0

82

24

2

0

2

 

Inkomensoverdracht

0

0

2.846.103

3.360.001

3.629.966

3.296.844

333.122

 

Huurtoeslag

0

0

2.846.103

3.360.001

3.629.966

3.296.844

333.122

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

0

0

0

0

170

2.872

– 2.702

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid (Agentschap (RvO)

0

0

0

0

0

2.872

– 2.872

 

Overige uitvoeringsinstanties

0

0

0

0

170

0

170

 

Bijdragen aan ZBO's / RWT's

0

0

13.300

13.689

12.192

10.291

1.901

 

Huurcommissie

0

0

13.300

13.558

12.048

9.976

2.072

 

Overige uitvoeringsinstanties

0

0

0

131

144

315

– 171

 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

719

0

0

807

– 807

 

Overige uitvoeringsinstanties

0

0

719

0

0

807

– 807

                 

1.2

Onderzoek en kennisoverdracht

0

0

6.330

8.277

8.017

7.167

850

 

Subsidies

0

0

3.589

3.296

4.679

1.801

2.878

 

Samenwerkende kennisinstellingen e.a.

0

0

3.589

3.296

4.679

1.801

2.878

 

Opdrachten

0

0

2.711

4.981

3.338

5.366

– 2.028

 

Basisonderzoek en verkenningen

0

0

0

4.981

3.338

5.366

– 2.028

 

Onderzoek en kennisoverdracht

0

0

2.711

0

0

0

0

 

Bijdragen aan medeoverheden

0

0

30

0

0

0

0

 

Experimenten en kennisoverdracht Wonen

0

0

30

0

0

0

0

                 

Ontvangsten:

0

0

407.994

496.935

810.381

501.116

309.265

E Toelichting op de financiële instrumenten

1.1. Betaalbaarheid

Subsidies

Beleidsprogramma Betaalbaarheid

Binnen het beleidsprogramma Betaalbaarheid zijn activiteiten ondernomen in het kader van de uitrol en verdere inregeling van de Herzieningswet (Woningwet). De aftrap is gegeven door middel van een groot startcongres. De implementatie is begeleid met regiobijeenkomsten en een kennisplatform implementatie Woningwet voor professionals (gemeenten, corporaties, huurdersbelangenverenigingen, branchepartijen) met Q&A’s, handreikingen, praktijkvoorbeelden en actualiteiten, en dialoog (interactief forum over beleidsonderwerp, zoals huurderparticipatie, scheiden/splitsen).

Voorts zijn onder andere de volgende activiteiten gefinancierd:

  • Onderzoek naar de institutionele vormgeving van het toezicht op woningcorporaties, de interface sector/ governance corporaties en ten behoeve van de evaluatie van de verkoopregels.

  • Een uitwerking van de huursombenadering en flexibilisering huurwoningmarkt.

  • Doorrekeningen voor de huurtoeslag(beleids)ontwikkeling en in het kader van de start evaluatie verhuurderheffing.

  • Een analyse naar aard en omvang van de heffingsverminderingsregeling

  • De monitor betaalbaarheid is uitgebracht.

  • Follow up van de wooncoöperatie is ondersteund.

  • Subsidie aan het Nibud ten behoeve van de doorontwikkeling van hypotheeknormen.

  • De ontwikkeling van risico- en beheersingsmodellen voor de kapitaalmarktinstituties op woningmarktterrein.

Bevorderen Eigen Woningbezit

De uitgaven aan de Wet bevordering eigen woningbezit (BEW) en de eigenwoningenregelingen zijn in 2015 lager uitgevallen door de hoger dan verwachte uitval bij de vijfjaarlijkse inkomenstoetsen en vanwege verhuizingen. Hiervoor is bij de eerste en tweede suppletoire begroting het budget naar beneden bijgesteld.

In 2013 is conform het woonakkoord een aanvullende subsidie van € 30 mln. als bijdrage voor de Startersleningen aan het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) ter beschikking gesteld. Hiermee komt de subsidie aan de SVn in totaal uit op € 50 mln. De SVn geeft aan dat het budget per 1 mei 2015 is uitgeput. Op dat moment was het budget volledig ingezet voor verstrekte leningen of gereserveerd voor aanvragen en offertes.

Om de financiering van het eigen woningbezit te bevorderen staat de Minister voor Wonen en Rijksdienst garant voor het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) die de uitvoering verzorgt van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG).

Indicatoren NHG-garanties en aandeel eigenwoningbezit
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

NHG verstrekkingen

97.000

130.698

137.219

122.642

106.200

116.100

135.4001

Aandeel eigenwoningbezit

57,8%

59,3%

59,7%

55,1%2

54,9%

55,9%

n.n.b.3

Bron: Aandeel eigenwoningbezit: BZK/WB Systeem Woningvoorraad (Sysswov)

Bron: NHG verstrekkingen: jaarverslag 2014 stichting WEW en kwartaalbericht 4e kwartaal 2015 Stichting WEW (voorlopig cijfer 2015)

1

2015 zijn voorlopig cijfers.

2

De woningvoorraadstatistiek van het CBS was tot 2012 gebaseerd op het Woningregister. Vanaf 2012 wordt de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) voor deze statistiek gebruikt. In deze statistiek wordt een andere definitie van zelfstandige woonverblijven gehanteerd, waardoor de woningvoorraad in omvang is toegenomen met vooral huurwoningen.

3

Cijfer nog niet beschikbaar.

Saneringsbijdrage woningcorporatie WSG

Aan de Woningstichting Geertruidenberg (WSG) is eind 2015 een saneringsbijdrage van € 8,4 mln. verleend. Deze bijdrage wordt onttrokken aan de begrotingsreserve voor sanering- en projectsteun aan woningcorporaties. Zie voor een verdere toelichting het instrument «Begrotingsreserve sanering- en projectsteun woningcorporaties».

Woonconsumentenorganisaties

De Woonbond en de Stichting VACpunt Wonen hebben in 2015 financiële bijdragen ontvangen voor de uitvoering van een met BZK overeengekomen programma van activiteiten op het gebied van kennisoverdracht, voorlichting en scholing.

Opdrachten

Begrotingsreserve sanering en projectsteun woningcorporaties

In de herziene Woningwet is ondermeer geregeld dat de taak voor sanering- en projectsteun aan woningcorporaties onder direct gezag van de Minister voor Wonen en Rijksdienst komt te liggen. Tot 1 juli 2015 was deze taak toebedeeld aan het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV). Bij de overdracht van deze taak zijn tevens de fondsmiddelen voor sanering- en projectsteun overgekomen naar de begroting van Wonen en Rijksdienst. Deze middelen worden aangehouden in een begrotingsreserve voor saneringen projectsteun aan woningcorporaties. De overschrijding ten opzichte van de stand oorspronkelijke begroting 2015 betreft de initiële storting in deze begrotingsreserve.

Beleidsprogramma betaalbaarheid

Zie de toelichting onder het kopje Subsidies.

Inkomensoverdracht

Huurtoeslag

De realisatie huurtoeslag van 2015 laat bij de uitgaven een overschrijding zien van € 333 mln. Bij de ontvangsten is € 6 miljoen meer binnengekomen waardoor een netto overschrijding resulteert van € 327 mln. ten opzichte van de ontwerpbegroting.

Bij voorjaarsnota 2015 was al een overschrijding voorzien van € 194 mln. bestaande uit € 139 mln. hogere uitgaven door hogere aantallen aanvragers en € 55 mln. lagere ontvangsten als gevolg van lagere aantallen terugvorderingen uit definitief toekennen.

Bij najaarsnota werd een verdere overschrijding van de raming verwacht van per saldo € 110 mln. (€ 154 mln. hogere uitgaven en € 44 mln. hogere ontvangsten). De uitgaven lagen hoger door hogere aantallen aanvragers en de ontvangsten door versnelling van het definitief toekennen waardoor meer terugvorderingen werden ingesteld in 2015. Uiteindelijk bleek de overschrijding bij slotwet nog eens € 22,5 mln. hoger uit te vallen (€ 40 mln. hogere uitgaven en € 17,5 mln. hogere ontvangsten).

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

Zoals reeds verantwoord met de eerste suppletoire begroting 2015 is het budget voor de uitvoering van de regeling BEW en de Eigen Woningregeling door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO, voormalig Agentschap NL) overgeheveld naar het centrale instrument «bijdrage baten-lastendiensten» op artikelonderdeel 2.2 van de begroting.

Bijdragen aan ZBO’s /RWT’s

Huurcommissie

Het werkterrein van de Huurcommissie wordt gevormd door het gereguleerde deel van de markt voor huurwoonruimte. Als huurders en verhuurders in conflict raken over de hoogte van huurprijzen of servicekosten en er onderling niet uitkomen, doet de Huurcommissie op verzoek uitspraken in deze geschillen. Sinds 2012 beslecht de Huurcommissie ook geschillen in het kader van de Wet op het overleg huurders verhuurder (Wohv) en met ingang van 2013 de inkomensafhankelijke huurverhogingsgeschillen.

In 2015 zijn de onderstaande aantallen en maximale behandeltermijnen gerealiseerd.

Soort zaak

Afhandeling 2014

Begroting 2015

Afhandeling 2015

Huurprijsgeschillen

5.712

5.100

5.222

Servicekostengeschillen

2.438

1.700

2.410

Huurverhogingsgeschillen1

1.610

1.000

1.005

Redelijkheid huurprijzen2

352

100

339

WOHV-geschillen3

14

10

12

Subtotaal

10.126

7.910

8.988

Inkomensafhankelijke huurverhogingsverschillen

3.540

2.275

2.176

Totaal

13.666

10.185

11.164

Bron: Jaarrekening Dienst van de Huurcommissie

1

Noot 1: Exclusief geschillen over huurverhoging op grond van inkomen.

2

Noot 2: Verzoeken van de Belastingdienst in het kader van de behandeling van huurtoeslag-aanvragen.

3

Noot 3: Geschillen op grond van de Wet op het overleg huurders verhuurder

De aantallen afgehandelde huurprijsgeschillen in 2015 zijn ongeveer uitgekomen op de ramingen.

Ondanks enkele in 2014 doorgevoerde wettelijke vereenvoudigingen in het proces bij de indiening en afhandeling van servicekostengeschillen is het aantal ingediende verzoeken tot behandeling van servicekostengeschillen niet veel gedaald (2014: 2.500, 2015: 2.300). Omdat er ook nog op de voorraad uit 2014 is ingelopen, is het aantal afgehandelde verzoeken hier uitgekomen op ruim 2.400 (raming was 1.900).

Ook het aantal verzoeken die door de Belastingdienst worden ingediend om de redelijkheid van de huurprijzen te beoordelen in verband met aangevraagde huurtoeslag, is minder gedaald dan verwacht.

Afhandeltijd per soort geschil

Realisatie 2014

Begroting 2015

Realisatie 2015

% huurprijsgeschillen afgerond binnen 4 maanden

63%

90%

77%

% servicekosten afgerond binnen 4 maanden

45%

90%

38%

% servicekosten afgerond binnen 5 maanden

70%

nvt

72%

% huurverhogingsgeschillen afgerond binnen 4 maanden

96%

90%

88%

Bron: Jaarrekening Dienst van de Huurcommissie

De in 2015 gerealiseerde doorlooptijden bleven weliswaar nog achter bij de norm, maar ontwikkelen zich wel in positieve zin. De afgelopen jaren heeft de Huurcommissie veel energie gestoken in de mogelijkheden om de tijd te versnellen waarbinnen zij de verzoeken afhandelt. Zo werd in 2012 66 procent van de huurprijsgeschillen binnen vijf maanden afgedaan, in 2013 76 procent en in 2015 92 procent. Om beter grip te krijgen op de interne factoren die de doorlooptijd van een zaak vertragen, is eind 2014 een prioriteitsmodel ontwikkeld. Dit heeft ertoe geleid dat met ingang van 2015 nog beter op de doorlooptijd kan worden gestuurd.

Ondanks de eerdergenoemde wettelijke vereenvoudigingen in het proces bij de afhandeling van servicekostengeschillen blijkt het in de praktijk niet haalbaar om voor dit type geschillen de norm van 90 procent binnen vier maanden te halen. Bijna driekwart van deze geschillen kon in 2015 binnen vijf maanden worden afgehandeld.

Omdat er bij de huurverhogingsgeschillen een bijzondere kwestie uit eind 2014 van een complex met ruim 300 woningen doorwerkte, is de doorlooptijd daar in 2015 incidenteel nadelig door beïnvloed.

De vergeleken met de stand oorspronkelijk vastgestelde begroting 2015 gerealiseerde overschrijding betreft de vergoeding door de opdrachtgevende beleidsdirectie Woningmarkt (Wm) voor het aantal gerealiseerde zaken. Deze wordt in principe bepaald door de gerealiseerde aantallen geschilzaken respectievelijk redelijkheiduitspraken te vermenigvuldigen met het tarief per soort zaak. Met betrekking tot huurverhogingsgeschillen op grond van inkomen is in 2015 (net als in 2013 en 2014) in overeenstemming met de opdrachtgever afgeweken van deze systematiek in verband met het ontbreken van meerjarige ervaringscijfers over de uitvoeringskosten. Met de opdrachtgever is afgesproken dat deze geschillen op basis van daadwerkelijk gemaakte kosten worden vergoed.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Overige uitvoeringsinstanties

De bijdragen dienen ter bekostiging van uitvoeringsorganisaties waaronder de belastingdienst voor verstrekking van inkomensgegevens, noodzakelijk voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke huurstijging. Bij de tweede suppletoire begroting is voor de uitvoeringskosten van de Inkomensafhankelijke Huurverhoging € 0,9 miljoen overgeboekt naar de Belastingdienst.

1.2 Onderzoek en kennisoverdracht

Binnen dit artikelonderdeel heeft gedurende het jaar een technische herschikking van budgetten van «Opdrachten» naar «Subsidies» plaatsgevonden. Door middel van deze herschikking vindt de verantwoording van de uitgaven binnen dit artikelonderdeel plaats op het juiste instrument.

Subsidies

Samenwerkende Kennisinstellingen e.a.

Een groot deel van de subsidiemiddelen is verstrekt aan Platform31, een kennis- en netwerkorganisatie voor stad en regio. De subsidie is ingezet op activiteiten op het terrein van Ruimte en Economie, Wonen, Sociaal en Agenda Stad. De activiteiten van Platform31 over het jaar 2015 worden medio 2016 geëvalueerd, als onderdeel van het verzoek tot subsidievaststelling (juli 2016).

Daarnaast zijn in 2015 ondermeer subsidies verstrekt voor:

  • de voorbereidingen en organisatie van het City Makers Summit tijdens Nederlands EU-voorzitterschap. Dit betreft een aantal bijeenkomsten gerelateerd aan de Europese Agenda Stad met sociale «innovatoren uit Europese steden» in aanloop naar en tijdens het EU-voorzitterschap;

  • de voorbereidingen en organisatie van een Europese Hoofdstedelijke Burgemeestersbijeenkomst over de Europese Agenda Stad tijdens het Nederlands EU-voorzitterschap.

Opdrachten

Basisonderzoek en verkenningen

Het budget is in 2015 besteed aan opdrachten voor onderzoeken naar woningbehoefte, woonwensen en marktontwikkelingen, waaronder de voorbereiding van het WoonOnderzoek Nederland, monitoring van beleid en ramingmodellen.

In 2015 zijn hiertoe ondermeer de volgende onderzoeken opgeleverd en verkenningen uitgevoerd:

  • Onderzoeken behorende bij de Staat van de Woningmarkt 2015 (Kamerstukken II, 2015–2016, 32 847, nr. 203)

  • Investeren in Nederland (Economisch Instituut voor de Bouw)

  • Overzicht van de Leefbaarometer (Kamerstukken II, 2015–2016, 32 847, nr. 206)

  • Leefbaarheid in beeld – Analyse van de leefbaarheidsontwikkeling 2012–2014 (Kamerstukken II, 2015–2016, 32 847, nr. 206).

Bij de eerste suppletoire begroting 2015 is € 1 mln. toegevoegd aan het budget voor activiteiten voor Agenda Stad / Urban Agenda. De activiteiten bestonden voornamelijk uit bevordering van de samenwerking tussen betrokken partijen, onderzoek en informatiedeling.

In 2015 zijn voor Agenda Stad / Urban Agenda opdrachten verstrekt voor:

  • de voorbereiding, organisatie en begeleiding van de 10 finalisten van de Challenge «Stad van de Toekomst».

  • een analyse van de politieke verklaringen en beleidsontwikkelingen op het gebied van Europese stedelijke ontwikkeling;

het uitvoeren van een inventarisatie naar knelpunten op het gebied van Europese wet-en regelgeving die het bereiken van beleidsdoelen van steden en medeoverheden op een aantal thema’s van de (Europese) Agenda Stad bemoeilijken.

Ontvangsten

Zie de toelichting bij de uitgaven huurtoeslag.

Licence