Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3.2 Samenvatting Nationale Schuld

De Nationale Schuld was aan het eind van 2016 € 363 miljard. Dit is € 31 miljard lager dan opgenomen in de begroting. De belangrijkste oorzaken zijn de sterk verbeterde kassaldi in 2015 en 2016, vooral als gevolg van meevallers bij de belastinginkomsten en de verkoop van aandelen ABN AMRO.

Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties 2016 (in € mld.)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

EMU-schuld

434

466

– 32

Staatsschuld

363

394

– 31

Schuldverhouding met ABN AMRO

– 0,8

– 0,8

0

Interne schuldverhouding

– 12,4

– 20,4

8,0

       

Rentelasten relevant voor het EMU-saldo

     

Rentelasten vaste en vlottende schuld (art. 11)

7,4

7,9

– 0,5

Rentelasten interne schuldverhouding (art. 12)

– 0,1

– 0,1

0,0

Totaal rentelasten art. 11 en 12

7,2

7,8

– 0,6

       

Niet relevant voor het EMU-saldo

     

Rentelasten derivaten

– 1,1

– 1,6

0,5

Voortijdige beëindiging derivaten

– 5,4

0

– 5,4

Voortijdige beëindiging schuld

0,3

0

0,3

De voor het EMU-saldo relevante rentelasten voor de financiering van de staatsschuld zijn uitgekomen op € 7,2 miljard. De rentelasten zijn de gesaldeerde rentelasten en rentebaten op de vaste en de vlottende schuld (artikel 11) en de rentelasten op de interne schuldverhouding (artikel 12). Dit is € 0,6 miljard lager dan in de begroting 2016 werd geraamd. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat de Staat op de uitgegeven leningen lagere rentetarieven heeft betaald dan de tarieven waarmee in de begroting rekening werd gehouden en dat minder schuld is uitgegeven vanwege een lagere financieringsbehoefte.

De Nederlandse Staat heeft eind 2016 nog een vordering op ABN AMRO van € 0,8 miljard. De rente die op deze vordering van ABN AMRO is ontvangen is meegeteld in de rentelasten van artikel 11. Zonder deze ontvangsten zouden de rentekosten uit zijn gekomen op € 7,3 miljard.

In 2015 was reeds begonnen met het voortijdig beëindigen van langlopende receiverswaps. In 2016 is hiermee verder gegaan. Deze voortijdige beëindigingen hebben plaats gevonden om de gemiddelde looptijd van de schuldportefeuille te verhogen, hetgeen in lijn is met de uitgangspunten van het nieuwe renterisicokader 2016–20194. Dit heeft geleid tot eenmalige, staatsschuldverlagende ontvangsten van in totaal € 5,4 miljard. Op receiverswaps die de Staat in het verleden heeft afgesloten ontvangt de Staat een vaste rente en betaalt hij een variabele rente. Doordat rentes sterk gedaald zijn, hebben receiverswaps een relatief hoge marktwaarde. Door de langlopende receiverswaps voortijdig te beëindigen, ontvangt de Staat de marktwaarde die de swap op dat moment heeft. Deze marktwaarde is de contant gemaakte waarde van alle toekomstige renteontvangsten en -betalingen die nu in één keer worden ontvangen. Dit houdt in dat er lagere toekomstige rentebaten zijn. In bovenstaande is te zien dat de rentebaten op derivaten met € 0,5 miljard zijn gedaald. Het voortijdig beëindigen van derivaten is de belangrijkste reden hiervoor.

De € 0,3 miljard uitgaven bij een voortijdige beëindiging van de schuld zijn het gevolg van het vervroegd aflossen van leningen. Er is voor een bedrag van € 11,4 miljard aan leningen vervroegd afgelost. Dit betreft voor € 7,9 miljard leningen die anders in 2017 of 2018 afgelost zouden moeten worden. De resterende € 3,5 miljard betreft vroegtijdig in 2016 afgeloste leningen. Het vervroegd inkopen is een manier om de aflossingen beter over de tijd te spreiden, wat gunstig is voor het financieringsbeleid en het cash management.

Er bestaat een schuldverhouding tussen de Staat en de publieke instellingen die deelnemen aan het schatkistbankieren. Het schatkistbankieren kent een aantal groepen deelnemers. Voor de groepen gelden verschillende voorwaarden en rentetarieven. In 2016 is gestart met een initiatief om de rentes te harmoniseren tussen verschillende deelnemers5. Ook verschilt het per groep of de deelnemers verplicht schatkistbankieren of dat zij daar vrijwillig voor kunnen kiezen. De volgende groepen doen mee aan schatkistbankieren: ministeries, de sociale fondsen, agentschappen, rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), decentrale overheden en een aantal derden.

Deelnemers hebben vorderingen (bij rekening-couranttegoeden en deposito’s) en schulden bij de Staat (bij leningen en roodstand op de rekening-courant). Het saldo van de vorderingen en schulden wordt de interne schuldverhouding genoemd. De interne schuldverhouding is ultimo 2016 € 12,4 miljard negatief. Dit houdt in dat de deelnemers aan het schatkistbankieren per saldo een schuld hebben bij de Staat.

Deze netto schuld wordt veroorzaakt doordat er leningen zijn verstrekt aan de deelnemers van schatkistbankieren (€ 11,4 miljard) en doordat het saldo van alle rekeningen-courant van de deelnemers samen ook negatief is (€ 2,4 miljard negatief). Tegenover deze leningen en (per saldo) roodstand staat een vordering van de deelnemers op de Staat vanwege de bij de schatkist gestalde deposito’s (€ 1,4 miljard positief).

De interne schuldverhouding is lager uitgevallen dan in de begroting werd geraamd. Dit komt voornamelijk doordat de roodstand van de sociale fondsen sneller afneemt dan geraamd. Eind 2016 stonden de sociale fondsen gezamenlijk € 17,6 miljard rood op hun rekeningen-courant bij de schatkist. Eind 2015 was dit nog € 23,4 miljard.

Desondanks is de interne schuldverhouding nog negatief en zijn de daarbij horende rentekosten (artikel 12) € 0,1 miljard negatief. Er is per saldo sprake van rentebaten. De deelnemers aan het schatkistbankieren betalen netto meer rente aan de Staat (op leningen en rekening-courantkredieten) dan dat zij van de Staat ontvangen (op rekening-couranttegoeden en deposito’s).

Opbouw en dekking financieringsbehoefte

De financieringsbehoefte bedroeg in 2016 € 65,1 miljard en bestond voornamelijk uit leningen die moesten worden afgelost. Deze aflossingen waren de obligaties die gedurende het jaar afliepen en uit de omvang van de geldmarkt eind 2015. Leningen op de geldmarkt lopen per definitie korter dan een jaar en worden dus allemaal afgelost in het volgende jaar. Het kassaldo van het Rijk was positief en droeg voor € 5,8 miljard bij aan de verlaging van de financieringsbehoefte.

De financieringsbehoefte is gedekt met de uitgifte van nieuwe langlopende leningen op de kapitaalmarkt en nieuwe kortlopende leningen op de geldmarkt. In 2016 is ondanks de lagere rentestanden het onderpand in contanten afgenomen dankzij de afname van de omvang van de swapportefeuille. Per saldo is de hoeveelheid onderpand het afgelopen jaar met € 3,6 miljard afgenomen.

De volgende tabel laat zien dat een deel van de financieringsbehoefte gedekt kon worden doordat het onderpand in contanten eind 2016 € 15,8 miljard bedroeg. Het betreft kasgeld dat banken bij de Staat plaatsen wanneer swapcontracten een positieve marktwaarde hebben voor de Staat. Hiermee wordt het kredietrisico, het risico dat de tegenpartij niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen, ondervangen. Onderpand in contanten is daarmee een vorm van financiering voor de Staat. De omvang van het onderpand is afhankelijk van de marktwaarde van de swapcontracten.

De resterende afname van € 1,0 miljard komt voort uit de zogeheten mutatie van overige banksaldi. Het betreft het saldo dat op 31 december nog uitstaat op bankrekeningen van het Rijk.

Opbouw en dekking van de financieringsbehoefte van het Rijk in 2016, inclusief de geldmarkt (in € mld.)1
 

Realisatie

Financieringsbehoefte

 

Aflossingen kapitaalmarkt

36,3

Geldmarkt ultimo 2015

15,2

Onderpand in contanten ultimo 2015

19,4

Kasoverschot Rijk 2016

– 5,8

Totaal

65,1

   

Dekking door

 

Kapitaalmarktuitgifte2

31,0

Geldmarkt ultimo 2016

19,3

Mutatie overige banksaldi

– 1,0

Onderpand in contanten ultimo 2016

15,8

Totaal

65,1

1

In tegenstelling tot de overige tabellen van de artikelen Nationale Schuld worden in deze tabel cijfers op kasbasis weergegeven in plaats van op transactiebasis.

2

De post «Kapitaalmarktuitgifte» is inclusief de overname van leningen van Propertize.

4

Kamerstukken II 2015–2016, 31 935, nr. 20 en 25.

5

Zie de beleidsconclusies in artikel 12 «Kasbeheer».

Licence