Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Artikel 19 Klimaat

Algemene Doelstelling

Klimaatverandering door menselijk handelen tegen gaan. Door uitstoot van CO2 en overige broeikasgassen stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat en stijgt de zeespiegel. Nederland heeft internationale afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en zo de klimaatverandering te beperken. Vermindering van CO2-uitstoot biedt bovendien economische kansen, stimuleert slimme groene investeringen, creëert daarmee banen, en bevordert zo Nederlandse innovaties die ook buiten de landsgrenzen kunnen worden ingezet.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister van IenM regisseert de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • het door Nederland nakomen van de (onder andere) in UNFCCC37 en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van emissies van CO2 en overige broeikasgassen en voor het emissiehandelssysteem waaronder het toewijzen en het doen veilen van CO2-emissierechten;

  • de regie op het nationale klimaatbeleid en de internationale aspecten van het IenM-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten;

  • de opdracht aan de NEa voor het handelssysteem in CO2-emissierechten. Ook de registratie van hernieuwbare energie voor het verkeer en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van;

  • de coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies van motorvoertuigen, op brandstofkwaliteit, op productie en inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (Emissions Trading System/ETS).

Het internationale IenM-beleid vindt niet alleen zijn grondslag in dit artikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van IenM zijn bij de desbetreffende artikelen vermeld.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit de Klimaatagenda, de afspraken in het SER-Energieakkoord waar de Minister voor verantwoordelijk is en het Lokale Klimaatactieprogramma tot succesvolle uitvoering te brengen. Via het Lokale Klimaatactieprogramma, Green Deals en initiatieven voor reductie van CO2-emissies brengt de Minister ondernemers, burgers en andere overheden beter in positie om maatregelen te nemen die goed zijn voor klimaat en economie;

  • zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te stimuleren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren;

  • Het verduurzamen van brandstoffen in de sectoren mobiliteit en transport door afspraken te maken over de rijksbijdrage aan de Actieagenda duurzame brandstofvisie voor het doelbereik van 15 tot 20 petajoule energiebesparing voor 2020 en een maximumuitstoot van 25 megaton CO2 in 2030. Dit vanuit het SER-Energieakkoord, pijler zeven transport en mobiliteit. Het bereiken van de jaardoelstelling voor hernieuwbare energie stimuleren door ontwikkeling en toepassing van alternatieve energiedragers zoals elektrisch rijden en rijden op waterstof, en het faciliteren van de aanleg van tankinfrastructuur voor alternatieve energiedragers.

Ten slotte is de Minister van IenM verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Kengetal: Sectorale niet-ETS emissieplafonds voor 2020 (in megaton CO2 -equivalenten)
 

Verantwoordelijk ministerie

Raming 2020 (voorgenomen beleid)

Emissieplafond

CO2 industrie en energie

EZ

7,1

11

CO2 verkeer en vervoer

IenM

32,4

36

CO2 gebouwde omgeving

BZK

20,9

22,5

CO2 land- en tuinbouw

EZ

6,1

6

Overige CO2 broeikasgassen landbouw

EZ

18,8

16

Resterende overige broeikasgassen

EZ

9,0

9

In deze tabel zijn de sectorale emissieplafonds en de raming weergegeven. De raming geeft aan in welke mate het doelbereik in zicht is. In deze raming is het effect van het begrotingsakkoord, het SER-energieakkoord en de Klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen» verwerkt.

In de kabinetsaanpak Klimaatbeleid op weg naar 2020 heeft het kabinet afgesproken dat, indien in een sector tegenvallers optreden die samenhangen met (de uitvoering van) het beleid van het ministerie, de verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen neemt. Wanneer is aangetoond dat (alle) binnen de sector mogelijke compenserende maatregelen veel duurder zijn dan de oorspronkelijke maatregelen, zal het kabinet zoeken naar alternatieve kosteneffectieve maatregelen – binnen de beschikbare middelen – in andere sectoren. Vervolgens zal het kabinet een besluit nemen en de Tweede Kamer hierover informeren. Is er een tegenvaller die niets van doen heeft met tegenvallende beleidseffecten, dan volstaat naar verwachting het overschot in andere sectoren om deze tegenvaller op te vangen.

Kengetal: Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer (in %)

Verplichtingen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015

2

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

7

7,75

8,5

9,25

10

Realisatie

2

3,26

3,75

4,01

4,31

4,54

5,05

5,54

6,25

7

       

Bron: realisatie 2016: Rapportage hernieuwbare energie 2016 van de Nederlandse Emissieautoriteit (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-812393)

Toelichting:

In artikel 2.1 van het Besluit hernieuwbare energie voor vervoer 2015 dat op 1 januari 2015 van kracht is geworden, is de ontwikkeling van de jaarverplichting hernieuwbare energie in het vervoer tot en met 2020 vastgelegd. Bedrijven hebben in 2016 aan de gestegen jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer (van 6,25% naar 7%) voldaan.

Kengetal: Ontwikkeling CO2 -emissie nieuwe personenauto’s in gram CO2 per kilometer
 

2005

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2021

EU

162,6

145,7

140,3

135,7

132,2

127,0

123,4

119,6 (130,0)1

118,1

(95,0)

Nederland

169,9

146,9

135,8

126,1

118,6

109,1

107,3

101,2

105,9

 

Bron: European Environment Agency; EEA Technical report N0 19/2017. Monitoring CO2 emissions from new passenger cars and vans in 2016.

1

Norm

Toelichting:

Nadat vrijwillige afspraken over CO2-reductie met de Europese autofabrikanten niet tot gewenste resultaten hebben geleid, heeft de Europese Commissie in december 2007 een voorstel gedaan voor verplichte reductiedoelstellingen. Dat voorstel is in 2009 aangenomen en bevatte een verplichte norm van gemiddeld 130 g CO2/km in 2015. Daarnaast is in november 2013 overeenstemming bereikt dat een verplichte norm van gemiddeld 95 g CO2/km in 2021 zal gelden. Deze norm zal er straks toe leiden dat de gemiddelde automobilist op jaarbasis zo’n € 340 aan brandstofkosten bespaart ten opzichte van het referentiejaar 2007.

Alleen voor 2015 en 2021 zijn er EU-normen (voor fabrikanten). De CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord.

De gemiddelde CO2-uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland is in de periode tussen 2010 en 2016 sterk gedaald, veel sterker dan in de rest van Europa. In 2016 nam de uitstoot van nieuw verkochte personenauto’s in Nederland als enige lidstaat in de EU licht toe.

Volgens voorlopige cijfers die het Europese milieuagentschap in april 2017 heeft gepubliceerd, komt in 2016 de voorlopige gemiddelde CO2-uitstoot uit op 105,9 g/km in Nederland en op 118,1 g/km in Europa. Nederland blijft daarmee ruim onder het Europese gemiddelde en kan nog steeds tot de kopgroep worden gerekend. Ook blijft het aantal elektrische voertuigen groeien. Op Europees niveau is aan fabrikanten opgelegd om in 2015 een gemiddeld CO2-uitstoot te realiseren van 130 g/km. In 2021 ligt de reeds vastgestelde norm op 95 gram CO2 per kilometer.

Op 8 november 2017 heeft de Europese Commissie een voorstel gepubliceerd voor de aanscherping van de normen voor personen- en bestelauto’s voor de jaren 2025 en 2030. Zoals verwoord in het BNC-fiche ondersteunt Nederland het doel van het voorstel om CO2-uitstoot te reduceren, maar is kritisch over de uitwerking van het voorstel en had graag meer ambitie willen zien met het oog op de klimaatdoelstellingen.

Beleidsconclusies

In 2017 hebben de Raad en het Europees Parlement overeenstemming bereikt over het pakket aan wetsvoorstellen waarmee het EU broeikasgasdoel voor 2030 van tenminste 40% emissiereductie (t.o.v. 1990) wordt geïmplementeerd:

  • Met de herziening van het EU-emissiehandelssysteem (ETS) zal het aantal beschikbare rechten jaarlijks sneller dalen in lijn met het EU-doel voor 2030. Daarmee wordt EU-breed in het ETS in 2030 een reductie van 43% gerealiseerd t.o.v. 2005. Daarnaast wordt vanaf 2023 via het marktstabiliteitsreserve een deel van het heersende overschot aan rechten blijvend vernietigd. Op termijn moet dit zorgen voor een sterkere koolstofprijs in het ETS die een betere financiële prikkel geeft voor reductiemaatregelen. Onder de herziene ETS-richtlijn blijft de bescherming van bedrijven die te maken hebben met internationale concurrentie (zogenaamde «carbon leakage» sectoren) in stand, waarbij de benchmarks voor het afgeven van gratis rechten worden aangescherpt.

  • De nieuwe Effort Sharing Regulation (ESR) schrijft bindende reductiepercentages voor die lidstaten moeten realiseren in de sectoren die niet onder het ETS vallen. Voor Nederland is het reductiedoel 36% t.o.v. 2005. EU-breed zal in 2030 30% reductie worden gerealiseerd t.o.v. 2005. Lidstaten hebben zelf de vrijheid om hun reductiedoel over de verschillende sectoren te verdelen en krijgen veel flexibiliteit om maatregelen in de tijd te spreiden. Voor een aantal lidstaten, waaronder Nederland, bestaat eveneens de mogelijkheid om een beperkt deel van de opgave te realiseren via de inzet van ETS-rechten. Daarnaast kunnen lidstaten onderling emissieruimte verhandelen. Dit alles draagt bij aan een zo kosteneffectief mogelijke inspanning op zowel lidstaat- als EU-niveau. De ESR zal er voor zorgen dat alle EU-lidstaten in de periode 2021–2030 maatregelen inzetten om hun emissies te reduceren, en houdt daarbij rekening met de verschillende uitgangspunten van lidstaten. Ook is er een veiligheidsreserve ingebouwd waarmee lidstaten die door omstandigheden niet aan hun doel kunnen voldoen geholpen kunnen worden. Voorwaarde hierbij is dat de EU als geheel haar 2030 doel nog wel haalt.

  • De nieuwe LULUCF-verordening stelt de boekhoudregels vast voor de landgebruik sector. Daarnaast is als doel vastgelegd dat de balans tussen koolstofopname en uitstoot van broeikassen door landgebruik op lidstaat-niveau niet mag verslechteren (zogenaamd «no net debit»). Als een lidstaat juist zorgt dat de LULUCF-sectoren netto meer koolstof gaan opnemen, dan levert dit kredieten op die kunnen worden ingezet tegenover het doel onder de Effort sharing regulation. Een compensatiemechanisme zorgt ervoor dat landen niet onbedoeld benadeeld worden door de keuzes die zijn gemaakt bij de uitwerking van rekenregels, bijvoorbeeld t.a.v. basisjaren. De keuze om niet jaarlijks maar om de vijf jaar de balans op te maken doet recht aan de sterke fluctuaties die in de landgebruik sector kunnen voorkomen.

Met dit pakket aan EU-wetgeving is het EU-broeikasgasreductiedoel van tenminste 40% op een robuuste wijze zeker gesteld. Het is wel duidelijk dat dit nog niet voldoende zal zijn om de doelen van de Overeenkomst van Parijs binnen bereik te brengen. Herzieningsclausules in zowel de ETS-richtlijn als de Effort Sharing Regulation bieden de mogelijkheid om deze instrumenten aan te scherpen als de EU besluit haar 2030-doel op te hogen.

De Rechtbank Den Haag heeft in zijn uitspraak van 24 juni 2015 bepaald dat de Staat de emissies van broeikasgassen in Nederland in 2020 moet beperken tot een niveau van 25% onder de uitstoot in 1990. De Staat heeft in september 2015 aangegeven in hoger beroep te gaan tegen het vonnis. Het is echter uitvoerbaar bij voorraad verklaard, hetgeen betekent dat de Staat, hangende het hoger beroep, het vonnis uit moet voeren. Wanneer alle Energieakkoord-doelen behaald worden zal in 2020 volgens de NEV2017 naar verwachting 25% broeikasgasreductie ten opzichte van 1990 worden gerealiseerd, waarmee uitvoering wordt gegeven aan het vonnis van de Rechtbank Den Haag in de zaak Urgenda/Staat.

In 2017 is voor de verduurzaming van mobiliteit ingezet op uitvoering van de verschillende actiesporen vanuit de Brandstofvisie (Kamerstukken II 2015–2016, 30 196, nr. 353). Deze zijn opgesteld in nauwe samenwerking met SER UMT, decentrale overheden en de sectorpartijen. Samengewerkt wordt in verschillende publiek-private platforms (elektrisch rijden, waterstof, geavanceerde biobrandstoffen en bio-LNG) en de verschillende greendeals en bestuursakkoorden zoals o.a. de greendeal zero-emissie stadslogistiek en het landelijk bestuursakkoord zero-emissie bussen. Per deelonderwerp is een rollende agenda bepaald. De scope hiervan is afhankelijk van de mate van marktrijpheid van de verschillende product/markt-combinaties. Acties worden in overleg uitgevoerd. Het beleid om via publiek/private bundeling van middelen Europese cofinanciering te verkrijgen is effectief gebleken. Een eerste tranche van de investeringsagenda Brandstofvisie is uitgevoerd met de publicatie – medio 2017 – van de DKTI-regeling (Demonstratieregeling klimaattechnologieën en -innovaties in transport). De eerste tranche van deze regeling is op 22 december 2017 gesloten. Daarbij is duidelijk geworden dat de regeling fors is overtekend. Dit kan gezien worden als een signaal dat het bedrijfsleven kansen ziet en bereid is zelf te investeren.

Verder is afgelopen jaar vanuit de Brandstofvisie gestart met een herijking van de doelstellingen. Dit was nodig omdat de afspraken vanuit het Parijsakkoord nog niet in de scope waren opgenomen. Ook dienen de effecten te worden meegenomen van de aanscherping van de Alternative Fuels Infrastructure richtlijn, (een van de onderdelen van het EU-pakket Decarbonizing transport, naast een aangescherpte norm voor personenauto’s) en de nieuwe nationale Energie- en Klimaatagenda die momenteel wordt voorbereid.

In 2017 is de wetsbehandeling in de Tweede Kamer geweest van de implementatie van de ILUC-richtlijn. Voorts zijn de EU-onderhandelingen gestart over de RED2 (Renewable Energy Directive), waarvan de doelstellingen voor hernieuwbare energie voor vervoer na 2020 onderdeel uitmaken.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid artikel 19 Klimaat (x € 1.000)
           

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2013

2014

2015

2016

2017

2017

2017

 

Verplichtingen

27.629

63.217

32.414

71.954

– 51.002

60.195

– 111.197

1

Uitgaven

95.080

65.813

81.400

72.006

70.475

61.434

9.041

 

19.01

Tegengaan klimaatverandering

11.749

16.934

21.582

15.190

17.676

13.244

4.432

 

19.01.01

Opdrachten

876

3.243

3.327

2.681

3.401

2.506

895

2

19.01.02

Subsidies

1.667

1.696

4.697

992

2.613

0

2.613

 

19.01.03

Bijdrage aan agentschappen

9.206

11.995

13.558

11.517

11.662

10.738

924

 
 

– Waarvan bijdrage aan KNMI

411

906

716

809

424

398

26

 
 

– Waarvan bijdrage aan NEa

3.608

6.943

7.320

8.017

8.127

6.934

1.193

 
 

– Waarvan bijdrage aan RWS

5.187

4.146

5.522

2.691

3.111

3.406

– 295

 

19.02

Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

83.331

48.879

59.818

56.816

52.799

48.190

4.609

 

19.02.01

Opdrachten

76.931

4.715

8.868

3.314

2.648

7.643

– 4.995

3

 

– Uitvoering CDM

29.905

2.863

5.114

68

47

0

47

 
 

– RIVM

29.613

0

0

0

0

0

0

 
 

– Interreg

8.097

344

1.671

108

0

322

– 322

 
 

– Overige opdrachten

1.220

1.474

2.083

3.206

2.601

7.321

– 4.720

 

19.02.02

Subsidies

0

0

913

1.438

650

1.533

– 883

 
 

– Interreg

0

0

913

638

650

1.533

– 883

 
 

– Overige subsidies

     

800

       

19.02.03

Bijdrage aan agentschappen

3.258

40.311

46.222

43.024

46.008

36.695

9.313

4

 

– waarvan bijdrage aan RIVM

3.258

29.647

35.181

33.194

34.755

29.308

5.447

 
 

– waarvan bijdrage aan RVO

   

10.722

9.492

11.003

7.008

3.995

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

449

319

338

250

379

– 129

 

19.02.05

Bijdrage aan internationale organisaties

3.142

3.853

3.815

9.040

3.493

2.319

1.174

5

 

Ontvangsten

134.567

134.089

188.286

145.474

198.797

226.500

– 27.703

6

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De negatieve verplichtingenrealisatie betreft met name het afboeken van het saldo van openstaande CDM raamovereenkomsten van in totaal € 127,9 miljoen met de uitvoeringsorganisaties. De raamovereenkomsten zijn in 2017 financieel vastgesteld en afgewikkeld.

19.01 Klimaat
19.01.01 Opdrachten (ad 2)

In 2017 zijn opdrachten verstrekt en betalingen gedaan in het kader van de beleidsterreinen:

  • Klimaat (onder andere de uitwerking van de Lokale Klimaatagenda, alsmede de Roadmap/Klimaatagenda 2050 en de uitwerking van de Klimaattop in Parijs);

  • SER-Energieakkoord;

  • Duurzame mobiliteit (onder andere in verband met de duurzame brandstoffenvisie).

In het kader van de 1e suppletoire begroting 2017 is het budget voor de opdrachten met € 9,8 miljoen opgehoogd, bestemd voor de verplichtingen en uitgaven van de Duurzame Brandstofvisie. Bij 2e suppletoire begroting is verantwoord dat in 2017 de uitgaven lager zijn dan eerdere geraamd. Een budget van € 8,3 miljoen is doorgeschoven, waarmee het uitgavenbudget 2017 is uitgekomen op € 3,9 miljoen. Het verschil met de uiteindelijke realisatie ad € 0,5 miljoen komt door lagere uitgaven op toegekende verplichtingen.

19.01.02 Subsidies

In 2017 zijn subsidies uitgekeerd in het kader van de Nederlandse Klimaatcoalitie, de uitvoering van het SER-Energieakkoord en de nieuwe Omgevingswet.

Het verschil tussen budget begroting en realisatie wordt voornamelijk verklaard door de mutaties die bij 1e en 2e suppletoire begroting 2017 zijn verantwoord. Het betreft o.a. een overheveling binnen artikel 19 van het opdrachtenbudget naar het subsidiebudget van € 1,8 miljoen voor de subsidie aan de Omgevingsdienst.nl ten behoeve van de intensivering van de handhaving van maatregelen bij bedrijven. Daarnaast zijn via herschikkingen binnen artikel 19 middelen vrijgemaakt voor de financiering van de toegekende subsidies.

19.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Koninklijk Meteorologisch Instituut (KNMI)

Aan het KNMI zijn middelen ter beschikking gesteld voor diverse werkzaamheden in het kader van klimaatonderzoek en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC).

Rijkswaterstaat (RWS)

Aan RWS Leefomgeving zijn middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van de klimaat- en energiegerelateerde onderdelen van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving), alsmede voor programma’s in het kader van onder andere lokale klimaatinitiatieven, overige broeikasgassen, rijden op waterstof en monitoring duurzame mobiliteit.

Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)

Aan de NEa zijn via de jaarlijkse opdrachtverlening middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van alle (grotendeels wettelijk vereiste) werkzaamheden in het kader van emissiehandel, alsmede het register voor biobrandstoffen.

Het verschil tussen de begroting en de realisatie wordt met name verklaard door de aanvullende middelen aan de NEa ter compensatie voor hogere uitvoeringskosten ten gevolge van twee gewijzigde EU-richtlijnen (ILUC-implementatie). Hiervoor zijn bij 1e en 2e suppletoire begroting 2017 respectievelijk € 0,9 miljoen en € 0,4 miljoen aan dit financiële instrument toegevoegd.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking
19.02.01 Opdrachten (ad 3)

Interreg

Interreg is een Europese subsidieregeling waarin partijen uit meerdere landen samenwerken op het terrein van innovatie, duurzaamheid, bereikbaarheid en regionale gebiedsontwikkeling. De deelname van Nederlandse organisaties aan de transnationale en interregionale programma’s van Interreg wordt bevorderd. Met de beschikbare middelen wordt de Nederlandse bijdrage voor de kosten van de internationale uitvoering en de uitvoering in Nederland (waaronder begrepen de stimulering van de deelname door Nederlandse partners) gefinancierd. Deze subsidiëring gebeurt via de PSR-regeling (projectstimulering) en via de CETSI-regeling (cofinanciering). Beide worden hieronder bij 19.02.02 vermeld.

Het verschil tussen begroting en realisatie wordt met name verklaard door de bij 1e suppletoire begroting 2017 aangebrachte verschuiving van € 0,26 miljoen binnen het instrument opdrachten, van opdrachten Interreg naar overige opdrachten.

Overige opdrachten

In 2017 zijn opdrachten verstrekt in het kader van internationale diplomatie waaronder het uitvoeren van bedrijfsleven missies en voor de inhoudelijke onderbouwing en voorbereiding van internationaal beleid en bijeenkomsten. Tevens zijn in 2017 opdrachten verstrekt voor de oprichting van het Global Centre of Excellence on Climate Adaptation (GCECA), alsmede voor het beleidsterrein Satellietdata en DGMI-brede opdrachten.

Het verschil tussen begroting en realisatie wordt met name verklaard door de bij 1e suppletoire begroting 2017 aangebrachte verlaging van in totaal € 1,679 miljoen waarin het uitgavenbudget verwerkt is, zijnde een overboeking van het opdrachten- naar het bijdragenbudget (19.02.05). Deze € 1,5 miljoen betroffen de resterende Clean Development Mechanism (CDM)-middelen die door de CDM-uitvoeringsorganisaties naar de IenM-begroting zijn teruggestort. Binnen de klimaatbeleidsdoelstellingen zijn deze middelen herbestemd voor activiteiten op het gebied van Carbon Pricing. In het kader van de 2e suppletoire begroting is het uitgavenbudget verlaagd met € 1,865 miljoen en overgeheveld naar art. 21 voor de kosten van het opruimen van drugsafvaldumping (invulling van het amendement Cegerek en Dijkstra, Kamerstukken II 2014–2015, 34 000 XII, nr. 17) en naar artikel 97 Algemeen departement voor de kosten van de juridische opdrachten die de hoofddirectie Juridische Zaken (HBJZ) uitvoert. Met deze verlagingen is het budget uitgekomen op € 3,8 miljoen.

Het verschil met de realisatie à € 1,2 miljoen komt met name doordat een aantal projecten vertraging heeft opgelopen, zoals bijvoorbeeld de bouw van het Galileo Reference Centre en de hierboven genoemde GCECA.

19.02.02 Subsidies

Interreg

Op 27 december 2016 is in de Staatscourant het subsidieplafond 2017 gepubliceerd voor de Cofinancieringsregeling Interreg V (CETSI-regeling, Stcrt. 2016, nr. 71691). Op deze regeling hebben in 2017 door RVO betalingen plaatsgevonden voor een bedrag van € 0,663 miljoen. Daarnaast is aan overheden een bedrag van € 0,235 miljoen verstrekt via een decentralisatie-uitkering (overboeking naar het Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-compensatiefonds). Hiervan betrof € 0,160 de CETSI-regeling en € 0,075 miljoen de Projectstimuleringsregeling Interreg V (PSR-regeling). Voorts zijn enkele door RVO terugontvangen subsidies in mindering gebracht op de eerdergenoemde uitgaven van € 0,663 miljoen.

19.02.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 4)

RIVM

IenM heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals het RIVM (uitvoering van wettelijke taken en beleidsonderbouwend onderzoek). IenM heeft ervoor gekozen om de gecoördineerde opdrachtverlening voor de capaciteitsinzet van RIVM via het artikelonderdeel 19.02.03 te laten plaatsvinden. Daartoe zijn bij suppletoire begrotingen vanuit de beleidsartikelen middelen naar dit onderdeel overgeheveld. Dit verklaart het verschil tussen de begroting en de realisatie.

RWS

RWS voert in opdracht van IenM werkzaamheden uit die verband houden met de uitvoering van de Wet bescherming Antarctica. Daarnaast zijn aan RWS voor een aantal overige activiteiten, waaronder Horizon 2020, EU-handboek en voor de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieuwet- en regelgeving) middelen toegekend.

RVO

IenM heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals RVO Nederland (uitvoering van subsidieregelingen en beleidsonderbouwend onderzoek). IenM heeft ervoor gekozen om de gecoördineerde opdrachtverlening voor de capaciteitsinzet RVO via het artikelonderdeel 19.02.03 te laten plaatsvinden. Daartoe zijn bij suppletoire begrotingen vanuit de beleidsartikelen middelen naar dit onderdeel overgeheveld. Dit verklaart het verschil tussen de begroting en de realisatie.

19.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties (ad 5)

Op grond van internationale verdragen, internationale afspraken, contributieverplichtingen en aanvragen zijn aan internationale organisaties in 2017 de volgende bijdragen van € 0,1 miljoen of meer betaald.

Organisatie

Onderwerp

Bedrag x € 1.000

UNEP

Het aandeel van IenM in de Nederlandse bijdrage aan het United Nations Environment Programme (UNEP).

615

Bogor Agricultural University (Indonesië)

Bijdrage aan het project van het Center for Climate Risk and Opportunity Management (CCROM) van de universiteit van Bogor, betreffende de opzet van een systeem van emissieregistratie in Indonesië. De totale bijdrage bedraagt € 0,5 miljoen, waarmee de eerste twee jaren van dit vierjarige project kunnen worden gefinancierd. De betaling van € 0,224 miljoen in 2017 betreft het tweede jaar.

224

International Transport Forum (ITF)

Van deze mondiale organisatie op vervoersgebied (een aan de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling gelieerde organisatie) zijn 61 landen lid: alle Europese landen en bijvoorbeeld ook de VS, China en Rusland. Het ITF is hét internationale publiek/private platform dat ontwikkelingen op vervoersgebied bespreekt, zoals de globalisering en de verduurzaming.

191

The Ocean Cleanup Interception

Bijdrage voor het testen van prototypes van een geavanceerd, efficiënt en kosteneffectief systeem voor het verwijderen van plastic afval uit het water, in het gebied rondom Jakarta (Indonesië). Deze bijdrage is uitvloeisel van een tussen Nederland en Indonesië gesloten MoU. De totale bijdrage bedraagt € 0,2 miljoen waarvan in 2017 € 0,160 miljoen is betaald.

160

World Resources Institute (WRI)

Bijdrage aan de operationalisering van het online instrument Aqueduct. Bij het plannen van besluiten over klimaatadaptatie is inzicht nodig in bestaande en toekomstige risico's en in de effecten van maatregelen voor het verlagen van risico's. Met dat doel wordt het instrument Aqueduct ontwikkeld door een consortium van WRI, Deltares, VU-Amsterdam en PBL, gericht op Flood Risk and Intervention Assessment for Global Cities.

150

Earthmind

Door middel van het VCA-platform werkt een internationale multistakeholder-coalitie (overheden, NGO’s en bedrijven) aan de vormgeving en financiering van maatregelen om gebieden duurzaam te ontwikkelen, met positieve baten voor klimaat, water, landgebruik en biodiversiteit. Doel is om het bedrijfsleven te helpen om op transparante en afrekenbare manier te investeren. Deze coalitie is een concrete bijdrage aan de modernisering van (internationaal) milieubeleid.

125

Stichting IABR/UP

Bijdrage in de uitvoering van het project Climate Adaptation in Practice. Dit ter ondersteuning van de totstandkoming van het Global Centre of Excellence on Climate Adaptation, zoals door Nederland aangekondigd tijdens de Klimaattop (CoP) in november 2017 in Bonn. De totale bijdrage bedraagt € 0,135 miljoen waarvan in 2017 € 0,108 miljoen is betaald

108

UNEP

Bijdrage aan het International Resource Panel, de pendant van het klimaatpanel IPCC. Het bestaat uit vooraanstaande wetenschappers en verschaft onafhankelijke informatie over het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Net als bij klimaat is het op dat gebied van belang te beschikken over onafhankelijke beleidsrelevante gegevens. De bijdrage verzekert invloed door middel van het lidmaatschap van de stuurgroep.

100

China Council for International Cooperation and Development

Nederland neemt (op uitnodiging van China) deel aan deze adviesraad op hoog niveau op het gebied van duurzame ontwikkeling. De contributies worden gebruikt voor het laten doen van studies. Nederland heeft veel ervaring en kennis op het voor China relevante thema vergroening en wil dit thema de komende jaren beter onder de aandacht brengen.

100

Diverse organisaties

Bijdragen van minder dan € 0,1 miljoen.

1.721

Totaal

 

3.494

Zoals hierboven bij overige opdrachten is toegelicht, is bij de bij 1e suppletoire begroting 2017 een bedrag van € 2,5 miljoen voor Carbon Pricing gerelateerde projecten overgeboekt van het opdrachtenbudget (19.02.01) naar het bijdragenbudget. Bij 2e suppletoire begroting heeft een soortgelijke overboeking plaatsgevonden voor een bedrag van € 0,535 miljoen Dit betrof projecten die aanvankelijk als opdrachten waren geraamd, maar die uiteindelijk in de vorm van subsidies zijn toegezegd.

Het na deze mutaties resterende verschil met de realisatie wordt grotendeels verklaard doordat van de eerdergenoemde € 2,5 miljoen een bedrag van € 1,5 miljoen pas in 2018 tot besteding zal komen. Het resterende verschil van ruim € 0,2 miljoen is veroorzaakt doordat in een aantal gevallen de gevraagde bijdrage lager was dan het bedrag dat hiervoor aanvankelijk was geraamd.

Ontvangsten (ad 6)

Dit betreft de ontvangsten in het kader van de Emissions Trading System (ETS) veilingopbrengsten. Uiteindelijk is de veilingopbrengst in 2017 op € 198,8 miljoen uitgekomen, hetgeen € 27,7 miljoen minder is dan de oorspronkelijke raming. De lagere ETS-ontvangsten komen doordat de gemiddelde veilingopbrengst per emissierecht € 1,74 lager is uitgekomen dan vooraf was ingeschat (€ 7,0).

37

United Nations Framework Convention on Climate Change.

Licence