Base description which applies to whole site

Beleidsartikel 19 Klimaat

Algemene Doelstelling

Klimaatverandering door menselijk handelen tegen gaan. Door uitstoot van CO2 en overige broeikasgassen stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat en stijgt de zeespiegel. Nederland heeft internationale afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en zo de klimaatverandering te beperken. Vermindering van CO2-uitstoot biedt bovendien economische kansen, stimuleert slimme groene investeringen, creëert daarmee banen, en bevordert zo Nederlandse innovaties die ook buiten de landsgrenzen kunnen worden ingezet.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister van IenM regisseert de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • Het door Nederland nakomen van de (onder andere) in UNFCCC7 en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van emissies van CO2 en overige broeikasgassen en voor het emissiehandelssysteem waaronder het toewijzen en het doen veilen van CO2-emissierechten;

  • De regie op het nationale klimaatbeleid en de internationale aspecten van het IenM-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten;

  • De opdracht aan de NEa voor het handelssysteem in CO2-emissierechten. Ook de registratie van hernieuwbare energie voor het verkeer en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van;

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies van motorvoertuigen, op brandstofkwaliteit, op productie en inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (Emissions Trading System/ETS).

Het internationale IenM-beleid vindt niet alleen zijn grondslag in dit artikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van IenM zijn bij de betreffende artikelen vermeld.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit de Klimaatagenda, de afspraken in het SER-Energieakkoord waar de Minister voor verantwoordelijk is en het Lokale Klimaatactieprogramma tot succesvolle uitvoering te brengen. Via het Lokale Klimaatactieprogramma, Green Deals en initiatieven voor reductie van CO2-emissies brengt de Minister ondernemers, burgers en andere overheden beter in positie om maatregelen te nemen die goed zijn voor klimaat en economie;

  • Zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te stimuleren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren;

  • Het verduurzamen van brandstoffen in de sectoren mobiliteit en transport door afspraken te maken over de rijksbijdrage aan de Actieagenda duurzame brandstofvisie voor het doelbereik van 15 tot 20 petajoule energiebesparing voor 2020 en een maximumuitstoot van 25 megaton CO2 in 2030. Dit vanuit het SER-Energieakkoord, pijler zeven transport en mobiliteit. Het bereiken van de jaardoelstelling voor hernieuwbare energie stimuleren door ontwikkeling en toepassing van alternatieve energiedragers zoals elektrisch rijden en rijden op waterstof, en het faciliteren van de aanleg van tankinfrastructuur voor alternatieve energiedragers.

Tenslotte is de Minister van IenM verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Kengetal: Sectorale niet-ETS emissieplafonds voor 2020 (in megaton CO2equivalenten)
 

Verantwoordelijk ministerie

Nieuwe raming (Mton)

Emissieplafond (Mton)

CO2 industrie en energie

EZ

7,2

11

CO2 verkeer en vervoer

IenM

34,5

36

CO2 gebouwde omgeving

BZK

23,9

22,5

CO2land- en tuinbouw

EZ

6,0

6

Overige CO2 broeikasgassen landbouw

EZ

18,8

16

Resterende overige broeikasgassen

IenM

9,5

9

Bron: Nationale Energieverkenning 2015, tabel 3.4 op blz. 100 www.pbl.nl;

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-597873

Toelichting:

In deze tabel zijn de sectorale emissieplafonds en de raming weergegeven. De raming geeft aan in welke mate het doelbereik in zicht is. In deze raming is het effect van het begrotingsakkoord, het SER-energieakkoord en de Klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen» verwerkt.

In de kabinetsaanpak Klimaatbeleid op weg naar 2020 heeft het kabinet afgesproken dat indien in een sector tegenvallers optreden die samenhangen met (de uitvoering van) het beleid van het ministerie, de verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen neemt. Wanneer is aangetoond dat (alle) binnen de sector mogelijke compenserende maatregelen veel duurder zijn dan de oorspronkelijke maatregelen, zal het kabinet zoeken naar alternatieve kosteneffectieve maatregelen – binnen de beschikbare middelen – in andere sectoren. Vervolgens zal het kabinet een besluit nemen en de Tweede Kamer hierover informeren. Is er een tegenvaller die niets van doen heeft met tegenvallende beleidseffecten, dan volstaat naar verwachting het overschot in andere sectoren om deze tegenvaller op te vangen.

Kengetal: Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer (in %)

Verplichtingen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Besluit Hernieuwbare energie vervoer 2015

2

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

7

7,75

8,5

9,25

10

Realisatie

2

3,26

3,75

4,01

4,31

4,54

5,05

5,54

           

Bron: Besluit Hernieuwbare energie vervoer 2015 (Stb. 2014, 460)

Bron realisatie 2014: Rapportage hernieuwbare energie 2014 van de Nederlandse Emissieautoriteit (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-586974)

Toelichting:

In artikel 2.1 van het Besluit Hernieuwbare Energie vervoer 2015 dat op 1 januari 2015 van kracht is geworden, is de ontwikkeling van de jaarverplichting hernieuwbare energie in het vervoer tot en met 2020 vastgelegd.

Kengetal: Ontwikkeling CO2-emissie nieuwe personenauto’s in gram CO2 per kilometer
 

2005

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2021

EU

162,6

145,7

140,3

135,7

132,2

127,0

123,4

130,01

95,01

Nederland

169,9

146,9

135,8

126,2

118,6

109,1

107,3

   

Bron: European Environment Agency; EEA Technical report No 16/2015. Monitoring CO2 emissions from new passenger cars and vans in 2014

1

Norm

Toelichting:

Nadat vrijwillige afspraken over CO2-reductie met de Europese autofabrikanten niet tot gewenste resultaten hebben geleid, heeft de Europese Commissie in december 2007 een voorstel gedaan voor verplichte reductiedoelstellingen. Dat voorstel is in 2009 aangenomen en bevatte een verplichte norm van gemiddeld 130 g CO2/km in 2015. Daarnaast is in november 2013 overeenstemming bereikt dat een verplichte norm van gemiddeld 95 g CO2/km in 2021 zal gelden. Deze norm zal er straks toe leiden dat de gemiddelde automobilist op jaarbasis zo’n € 340 aan brandstofkosten bespaart ten opzichte van het referentiejaar 2007.

Alleen voor 2015 en 2021 zijn er EU-normen (voor fabrikanten). De CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord.

Met name fiscaal beleid, waaronder de korting op de bijtelling voor het privé gebruik van zakelijke auto’s, heeft ervoor gezorgd dat de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland sterk is gedaald, veel sterker dan in de rest van Europa. Daarmee onderstreept Nederland het belang van de reductie van broeikasgassen in het verkeer.

Volgens voorlopige cijfers die het Europese milieuagentschap in april 2016 heeft gepubliceerd, komt in 2015 de voorlopige gemiddelde CO2-uitstoot uit op 101,2 g/km in Nederland en op 119,6 g/km in Europa. Op Europees niveau is aan fabrikanten opgelegd om in 2015 een gemiddeld CO2-uitstoot te realiseren van 130 g/km. Omdat fabrikanten in Nederland onder de Europese norm komen, kunnen zij het zich veroorloven in andere landen minder zuinige auto's te verkopen: het zogenaamde «waterbedeffect». Door het waterbedeffect gaat klimaatwinst verloren en daarmee ook van de effectiviteit van nationale beleid. De voorlopige cijfers over 2015 laten echter zien dat in 2015 de werkelijke CO2-uitstoot in Europa ruimschoots onder norm ligt. Fabrikanten gebruiken dus niet «alle ruimte» om exact aan de norm te voldoen. Het is derhalve niet vast te stellen in welke mate het waterbedeffect in de praktijk daadwerkelijk optreedt.

Beleidswijzigingen

Met het sluiten van het klimaatakkoord in Parijs eind 2015 is een belangrijke stap gezet om in internationaal verband klimaatverandering tegen te gaan. Alle 195 bij de Verenigde Naties aangesloten landen hebben unaniem uitgesproken dat ze de opwarming van de aarde tot ruim onder de 2 graden zullen beperken en zullen streven de opwarming te beperken tot 1,5 graad. Om deze doelen te bereiken dienen de mondiale emissies zo snel mogelijk omgebogen te worden naar een daling en dient er in de tweede helft van deze eeuw een balans worden bereikt tussen de uitstoot en opname van broeikasgassen (klimaatneutraliteit).

Het kabinet kiest naar aanleiding van akkoord Parijs voor een tweesporenbenadering:

  • 1. Onverkort uitvoeren wat reeds is afgesproken via implementatie van de EU-klimaatdoelstelling voor 2030 in wetgeving en doorvertaling hiervan naar nationaal beleid;

  • 2. Verdere stappen zetten om de ambitie van Parijs te realiseren, door een proces waarmee door middel van het vijfjaarlijks indienen bij de UNFCCC van aangepaste bijdrages de afgesproken doelstelling wordt gerealiseerd en invulling wordt gegeven aan de afspraken rondom klimaatfinanciering.

Voor Nederland zijn de Europese afspraken leidend en heeft het uitvoeren van de bestaande 2030 afspraken prioriteit. Deze afspraken vormen de basis voor de klimaatbijdrage van de Europese Unie (EU) aan het Parijs-akkoord. De EU heeft zich gecommitteerd aan een broeikasgasreductie in 2030 van ten minste 40% ten opzichte van 1990. Dit is wat minimaal nodig is om het oorspronkelijke «beneden twee graden doel» te halen.

De in het klimaatakkoord aangescherpte mondiale ambitie onderstreept het belang om binnen de EU de reeds in gang gezette trajectenvoortvarend te behandelen, waaronder: (i) de aanpassing van het emissiehandelssysteem (EU ETS), waarvoor de Commissie al een voorstel heeft uitgebracht, en; (ii) de verdeling van de resterende opgave over de lidstaten. Voor de inspanningenverdeling voor de niet-ETS sectoren (landbouw, transport, gebouwen en lichte industrie) en de integratie van de landgebruiksector (LULUCF) in het 2030-raamwerk verwacht de Commissie rond de zomer van 2016 één of meerdere voorstellen te kunnen presenteren.

Het is de verwachting dat in de loop van 2017 een akkoord kan worden bereikt over de voorgenoemde voorstellen.

Conform de afspraak in de Energieraad in 2015 dienen de lidstaten uiterlijk eind 2019 een nationaal energie- en klimaatplan voor de periode 2021–2030 op te stellen, gevolgd door een eerste Europese evaluatie van de ingediende plannen in 2021 (Kamerstukken II 2015–2016 21 501-33, nr. 572). Voor de contouren van dit plan zal onder andere gebruik worden gemaakt van de Energiedialoog en het klimaatakkoord van Parijs. Nederland zal in lijn met de Europese 2030 CO2-doelstelling in dit plan ook maatregelen beschrijven.

Het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) CO2 (Kamerstukken II 2015–2016 32 813, nr. 122) bevat een eerste analyse van elementen die van belang zijn voor een kostenefficiënt lange termijn klimaatbeleid. Mede naar aanleiding hiervan en op basis van de uitkomsten van de «faciliterende dialoog»8 in 2018 kan voor de lange termijn in kaart worden gebracht wat een nog vast te stellen hogere ambitie in de EU voor 2030, 2040 of 2050 zou betekenen voor Nederland.

Het huidige nationale klimaat- en energiebeleid richt zich op het behalen van de doelen voor 2020:

  • 16% CO2-reductie ten opzichte van het jaar 2005 in de niet-emissiehandelsectoren;

  • 14% hernieuwbare energie (16% in 2023);

  • 1,5% energiebesparing per jaar (als bijdrage aan het Europese doel voor 2020 van 20%);

  • 100 PJ energiebesparing.

In de voortgangsrapportage van het SER-Energieakkoord (Kamerstukken II 2015–2016 30 196, nr. 381) is aangegeven met welke aanvullende maatregelen het hernieuwbare-energiedoel van 14% en het energiebesparingdoel van 100 PJ zullen worden gerealiseerd.

In het kader van het Energieakkoord wordt binnen de sector Transport en Mobiliteit in 2020 15 tot 20 PJ energiebesparing gerealiseerd en wordt de CO2-uitstoot van deze sector gemaximeerd tot 25 Mton in 2030. In het najaar komt de nationale Energieverkenning (NEV) uit, waaruit blijkt hoe de voortgang is op deze en andere doelen. Indien de NEV daartoe aanleiding geeft zullen alle partijen in overleg treden om tot aanvullende maatregelen te komen zodat de doelstellingen worden gerealiseerd.

Volledige implementatie van het Energieakkoord leidt op basis van informatie uit NEV 2015 en de Nederlandse emissieregistratie tot een broeikasgasreductie van circa 21% in 2020 ten opzichte van 1990. De Rechtbank Den Haag heeft in zijn uitspraak van 24 juni 2015 bepaald dat de Staat de emissies van broeikasgassen in Nederland in 2020 moet beperken tot een niveau van 25% onder de uitstoot in 1990. De Staat heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Het is echter uitvoerbaar bij voorraad verklaard, hetgeen betekent dat de Staat, hangende het hoger beroep, het vonnis uit moet voeren. De implementatie van het Energieakkoord is daarin een eerste stap. In aanvulling daarop is uw Kamer in de kabinetsreactie op het IBO CO2 geïnformeerd over de aanvullende maatregelen die het kabinet overweegt om uitvoering te kunnen geven aan de resterende opgave van het vonnis (Kamerstukken II 2015–2016 32 813, nr. 122). Besluitvorming over de in deze brief genoemde maatregelen volgt in het najaar van 2016.

In de Duurzame Brandstofvisie voor de transportsector (Kamerstukken II 2015–2016 30 196, nr. 353) is per modaliteit aangegeven hoe deze kan bijdragen aan de klimaatdoelstellingen en welke kansen er zijn voor de Nederlandse industrie. Het Rijk heeft medewerking toegezegd bij het nader vormgeven van zeven actiesporen. Hiermee maakt Nederland werk van groene mobiliteit. De Brandstofvisie met bijbehorende investeringsagenda is breed gedragen. Het Kabinet maakt zich hard voor aanscherping van Europees bronbeleid van motorvoertuigen als kosteneffectieve manier om generiek reducties te bereiken. Naar verwachting komt de Europese Commissie in 2017 met een voorstel voor «decarbonising» de transportsector. Daarbij zet het kabinet in op versnelling van de transitie naar elektrische aandrijflijnen.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 19 Klimaat (bedragen x € 1.000)
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

32.414

76.702

60.195

55.927

54.216

53.148

53.818

Uitgaven:

81.400

76.607

61.434

56.602

54.216

53.147

53.817

Waarvan juridisch verplicht

   

96%

       

19.01

Tegengaan klimaatverandering

21.582

18.497

13.244

12.386

11.433

11.440

11.435

19.01.01

Opdrachten

3.327

6.461

2.506

2.160

1.624

1.627

1.627

19.01.02

Subsidies

4.697

452

0

0

0

0

0

19.01.03

Bijdrage aan agentschappen

13.558

11.584

10.738

10.226

9.809

9.813

9.808

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

716

809

398

398

109

109

109

 

– waarvan bijdrage aan NEa

7.320

8.084

6.934

6.789

6.789

6.789

6.789

 

– waarvan bijdrage aan RWS

5.522

2.691

3.406

3.039

2.911

2.915

2.910

19.02

Internationaal beleid, coordinatie en samenwerking

59.818

58.110

48.190

44.216

42.783

41.707

42.382

19.02.01

Opdrachten

8.868

11.806

7.643

6.365

6.010

5.189

5.979

 

– Uitvoering CDM

5.114

0

0

0

0

0

0

 

– RIVM

0

0

0

0

0

0

0

 

– RVO

0

0

0

0

0

0

0

 

– Interreg

1.671

215

322

1.255

777

244

244

 

– Overige opdrachten

2.083

11.591

7.321

5.110

5.233

4.945

5.735

19.02.02

Subsidies

913

1.215

1.533

0

267

0

0

 

– Interreg

913

1.215

1.533

0

267

0

0

19.02.03

Bijdrage aan agentschappen

46.222

42.215

36.695

35.521

33.926

33.938

33.823

 

– waarvan bijdrage aan RIVM

35.181

32.520

29.308

28.844

27.250

27.262

27.251

 

– waarvan bijdrage aan RVO

10.722

9.357

7.008

6.472

6.471

6.471

6.471

 

– waarvan bijdrage aan RWS

319

338

379

205

205

205

101

19.02.05

Bijdragen aan internationale organisaties

3.815

2.874

2.319

2.330

2.580

2.580

2.580

 

Ontvangsten

188.286

195.485

226.500

224.000

224.000

224.000

224.000

19.01 Tegengaan klimaatverandering

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en agentschapsbijdragen zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon en de agentschapbijdragen hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht door lopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten in de sfeer van klimaat en duurzame mobiliteit.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

De uitfinanciering van de in voorgaande jaren aangegane verplichtingen in het kader van de uitvoering van de opdrachten 2015 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en RIVM zijn juridisch verplicht. Deze bijdragen hebben een structureel karakter. De bijdrage aan internationale organisaties is grotendeels juridisch verplicht. Het betreft hier uitgaven op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken. Deels zijn deze structureel van aard.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor opdrachten die worden verstrekt voor wetenschappelijk internationaal klimaatonderzoek, onderzoekprogramma’s en bijdragen aan (inter)nationale organisaties die een bijdrage leveren aan de internationale beleidsdoelstellingen op het gebied van milieu.

19.01 Tegengaan klimaatverandering

Toelichting op de financiële instrumenten

19.01.01 Opdrachten

Het Ministerie van IenM geeft uitvoerings- en onderzoeksopdrachten in het kader van de beleidsterreinen klimaat, duurzame mobiliteit en industrie.

In het kader van het SER-Energieakkoord realiseert en bekostigt het Ministerie van IenM de volgende maatregelen:

  • 1. Verankering in de Wet milieubeheer en onderhoud van erkende maatregelenlijsten voor realiseren van energiebesparing bij bedrijven;

  • 2. Het samen met het Ministerie van Economische Zaken uitvoeren van negen pilots met betrekking tot de Energie Prestatie Keuring om energieprestaties bij bedrijven te verbeteren;

  • 3. Ondersteuning en activering van bevoegde gezagen bij handhaving van de Wet milieubeheer in het kader van energiebesparing bij bedrijven;

  • 4. Ontwikkelen en uitvoeren van de publiekscampagne veilige, zuinige, stille banden op spanning.

19.01.02 Subsidies

In het verleden heeft het Ministerie van IenM subsidies aan bedrijven, onderzoeksinstellingen en andere organisaties verstrekt, waarvoor in de jaren tot en met 2016 nog betalingen moeten plaatsvinden. Het betreffen subsidies in het kader van Lokale Klimaatinitiatieven, milieutechnologie, duurzame mobiliteit en energiebesparing.

19.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)

Het KNMI verricht diverse werkzaamheden in het kader van klimaatonderzoek, het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en andere internationale verplichtingen.

Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)

Jaarlijks verstrekt het Ministerie van IenM een opdracht aan de NEa voor de uitvoering van alle werkzaamheden in het kader van emissiehandel, alsmede met betrekking tot het register voor biobrandstoffen.

Rijkswaterstaat (RWS)

Het betreft hier werkzaamheden die door RWS worden uitgevoerd. Het gaat met name om de uitvoering Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) en om de uitvoering van werkzaamheden en het leveren van expertise op de beleidsterreinen klimaat (uitvoering Klimaatagenda en SER-energieakkoord) en duurzame mobiliteit.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking
19.02.01 Opdrachten

Interreg

Interreg is een Europese subsidieregeling waarin partijen uit meerdere landen samenwerken op het terrein van innovatie, duurzaamheid, bereikbaarheid en regionale gebiedsontwikkeling. De deelname van Nederlandse organisaties aan de transnationale en interregionale programma’s van Interreg wordt bevorderd. Met de beschikbare middelen wordt de Nederlandse bijdrage voor de kosten van de internationale uitvoering en de uitvoering in Nederland (waaronder inbegrepen de stimulering van de deelname door Nederlandse partners) gefinancierd. De stimulering via de Interreg-subsidieregelingen is hieronder bij 19.02.02 vermeld.

Partnership for Market Readiness en Carbon Pricing Leadership Coalition

In 2016 en 2017 worden via de Wereldbank projecten uitgevoerd in het kader van Carbon Pricing. Het gaat daarbij om de programma’s Partnership for Market Readiness en Carbon Pricing Leadership Coalition. Een Nederlandse bijdrage voor dit laatste programma is reeds tijdens de Klimaattop van December 2015 aangekondigd. Genoemde programma’s worden gefinancierd uit de door de Wereldbank terug te storten resterende CDM-gelden; zie 19.09 Ontvangsten.

Overige opdrachten

Het Ministerie van IenM verstrekt aan nationale en internationale wetenschappelijke en adviserende instellingen opdrachten, onder andere op het gebied van de klimaatverandering, duurzame productie en consumptie en de inzet van biobrandstoffen. Ook worden de middelen aangewend voor het in Europees verband uitwerken van het klimaatbeleid richting 2050, activiteiten in het kader van internationale diplomatie, waaronder het uitvoeren van bedrijfslevenmissies, en het ondersteunen en faciliteren van delegaties bij internationale bijeenkomsten.

19.02.02 Subsidies

Interreg

Dit betreft uitgaven in het kader van subsidieregelingen ter stimulering van deelname door Nederlandse partners aan de Europese Interreg-subsidieprogramma’s Europe, North West Europe of North Sea Region:

  • Via de PSR-regeling (Projectstimuleringsregeling Interreg V; Stcrt. 2015, 10986) worden subsidies verstrekt in de voorbereiding en indiening van Interreg-projectvoorstellen.

  • Via de Cofinancieringsregeling (Stcrt. 2015, 30863) kunnen partners een bijdrage krijgen in hun aandeel in de projectkosten.

19.02.03 Bijdragen aan agentschappen

RIVM en RVO.nl

IenM heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (uitvoering van subsidieregelingen en ander beleidsondersteunende werkzaamheden) en aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (uitvoering van wettelijke taken en beleidsonderbouwend onderzoek).

RWS

Dit betreft de agentschapsbijdrage voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieuwet- en regelgeving), de uitvoering van de Antarctica regelgeving en enkele ondersteunende activiteiten in het kader van het internationaal beleid van IenM.

19.02.05 Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

Het Ministerie van IenM kent op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken financiële bijdragen toe aan (inter-)nationale organisaties. Dat is nodig om de kosten te dekken van de doorlopende ontwikkeling van zo’n verdrag of organisatie.

In onderstaande tabel zijn de verwachte bijdragen voor 2017 vermeld.

Verwachte bijdragen 2017

Bedragen x € 1.000

Verdragen

1.215

United Nations Environment Programme (UNEP)

615

VNECE – environmental performance review

50

Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag

10

Montrealprotocol (uitbanning ozonlaagaantastende stoffen)

67

VNECE CLRTAP-verdrag (grensoverschrijdende luchtverontreiniging)

73

VNECE PRTR-verdrag (emissieregisters)

20

Verdrag van Rotterdam (melding vooraf export chemicaliën)

40

Verdrag van Stockholm (persistente organische stoffen)

80

Verdrag van Bazel (overbrenging gevaarlijk afval)

100

OESO Programme on Chemicals Accidents (voorkomen en bestrijden van gevolgen van chemische ongelukken)

35

Cartagenaprotocol (verdrag over veiligheid van grensoverschrijdend vervoer van levend ggo's)

50

VNECE Aarhus-verdrag (toegang tot informatie, besluitvorming en rechter)

45

VNECE Helsinki-verdrag (bescherming tegen industriële ongevallen)

30

   

Contributies

533

UNFCCC International Transaction Log (verificatie transactie Kyoto units)

74

IPCC (Trustfund tbv draagvlak gebruik rapporten)

43

China Council (adviesraad voor duurzame ontwikkeling)

100

Control of Chemicals (OESO) (veiligheid van chemische producten)

20

European Sustainable Phosphorus Platform (gericht op duurzame productie en gebruik van fosfaat)

10

International Transport Forum (ontwikkelingen op vervoersgebied)

186

International Resource Panel (informatie over het gebruik van natuurlijke hulpbronnen)

100

Tevens worden de middelen ingezet voor het verstrekken van incidentele bijdragen en vrijwillige bijdragen aan (inter-)nationale organisaties voor activiteiten die het internationaal milieubeleid van het Ministerie van IenM ondersteunen.

Ontvangsten

De opgenomen ontvangsten betreffen de geraamde opbrengsten van de verkoop van CO2-emissierechten, als onderdeel van het Europese Emissions Trading System (EU ETS).

Daarnaast zijn in 2016 en 2017 ontvangsten van € 5,9 miljoen respectievelijk € 2,5 miljoen geraamd in verband met het door de Wereldbank terugstorten van HGIS-middelen die resteren na afloop van het Clean Development Mechanism (CDM)-programma. Deze gelden worden vervolgens ingezet voor de programma’s Partnership for Market Readiness en Carbon Pricing Leadership Coalition. Zie 19.02.01 Opdrachten.

7

United Nations Framework Convention on Climate Change.

8

De faciliterende dialoog vindt plaats met alle partijen die zijn aangesloten bij het VN klimaatverdrag (waaronder de EU), waarbij zal worden gesproken over de verschillende klimaatbijdragen; daarmee is dit ook een moment om naar de eigen EU-inzet te kijken. Als input voor de dialoog zal onder andere het rapport worden gebruikt dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), op verzoek van het UNFCC zal opstellen, over de effecten van 1,5 graad opwarming en de daaraan gerelateerde mondiale emissiepaden.

Licence