Base description which applies to whole site

XVI Volksgezondheid, Welzijn en Sport

A. ALGEMEEN

1 Gerealiseerde uitgaven en ontvangsten

Figuur 1 Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x €1 mln.). Totaal € 34.830,4

Figuur 2 Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en nietbeleidsartikelen (x €1 mln.). Totaal € 1.309,2

1 2 Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

Aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) over het jaar 2025 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport decharge te verlenen over het in het jaar 2025 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • a. het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;

  • b. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;

  • c. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • d. de totstandkoming van de niet financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • e. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2025;

  • b. het voorstel van de Slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2025 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2025, alsmede over de saldibalans over 2025 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken Slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,SophieHermans

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

3 Leeswijzer

1. Inleiding

Voor u ligt het departementale jaarverslag 2025 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Het onderdeel Algemeen omvat het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Het jaarverslag is opgebouwd uit zeven onderdelen:

  • De beleidsprioriteiten. Deze paragraaf gaat in op de belangrijkste resultaten van het ministerie van VWS over het afgelopen jaar. Het gaat om de hoofdlijnen van het beleid en de beleidsprioriteiten.

  • De beleidsartikelen. Hierin wordt per artikel de algemene doelstelling vermeld en wat de rol en verantwoordelijkheden zijn van de minister. Daarnaast bevat elk beleidsartikel beleidsconclusies waarin een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van beleid in het afgelopen jaar. Tevens is per artikel een budgettaire tabel opgenomen inclusief een toelichting op de belangrijkste bestedingen van middelen en op de opmerkelijke verschillen tussen de begrote en gerealiseerde uitgaven en ontvangsten.

  • De niet-beleidsartikelen. Deze artikelen bestaan uit een budgettaire tabel en een toelichting op de verschillen tussen de begrote en gerealiseerde uitgaven en ontvangsten.

  • De bedrijfsvoeringsparagraaf. Deze paragraaf geeft informatie op het gebied van rechtmatigheid, de totstandkoming van beleidsinformatie, financieel en materieel beheer en overige aspecten van de bedrijfsvoering.

  • De jaarrekening is opgebouwd uit de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen, de jaarverantwoordingen van de agentschappen, de saldibalans en het overzicht van de topinkomens.

  • In hoofdstuk D zijn de premiegefinancierde zorguitgaven en -ontvangsten binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet Langdurige Zorg (Wlz), de uitgaven voor Wmo beschermd wonen uit het gemeentefonds en de middelen op de Aanvullende Post (AP) bij Financiën opgenomen en toegelicht. Dit hoofdstuk geeft op hoofdlijnen een toelichting op de financiële cijfers en de voorlopige realisatie over het jaar 2025.

  • Tot slot bevat het jaarverslag een aantal bijlagen, te weten: de toezichtrelaties op Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s) en de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s), afgerond evaluatie- en overig onderzoek, inhuur externen, en een budgettair overzicht Oekraïne.

2. Grondslagen voor de vastlegging en de waardering

De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2026 en de Regeling agentschappen 2024. Voor de departementale begrotingsadministratie wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast en voor de baten-lasten agent­schappen het baten-lastenstelsel.

3. Groeiparagraaf

Ten opzichte van het jaarverslag 2024 zijn, conform de Regeling Rijksbegrotingsvoorschrfiten 2026, de volgende wijzigingen aangebracht:

  • De Tweede Kamer heeft het thema «Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld» aangeweze als focusonderwerp voor de verantwoording over het jaar 2025. Dit onderwerp is opgenomen als onderdeel van de beleidsprioriteiten.

  • Bij de beleidsprioriteiten wordt in een afzonderlijke paragraaf ingegaan op brede welvaart.

  • De bijlagen Caribisch Nederland en het Nationaal Groeifonds worden gecentraliseerd opgenomen bij de beleidsverantwoordelijke ministeries. De bijlage Caribisch Nederland is opgenomen bij het ministerie van BZK en de bijlage Nationaal Groeifonds bij het ministerie van EZK.

  • Bij de suppletoire begroting september VWS 2025 zijn de Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds 18-, de Rijksbijdrage voor de kosten van korting (BIKK) en de Rijksbijdrage Wlz vanuit artikel 2 en artikel 3 overgeheveld naar artikel 8.

  • Bijlage moties en toezegingen wordt niet meer opgenomen in de departementale begrotings- en verantwoordingsstukken. Deze bijlage is daarmee komen te vervallen.

4. Toelichting Budgettaire tabel

Afzonderlijke posten in de budgettaire tabellen in de beleidsartikelen worden toegelicht als de mutaties groter of gelijk zijn aan de ondergrenzen in onderstaande staffel conform de Rijksbegrotingsvoorschriften.

Tabel 1 Ondergrenzen RBV

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 en < 1000

5

10

=> 1000

10

20

5. Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt teruggekomen op de landenspecifieke aanbevelingen zoals verwoord in de begroting.

6. Focusonderwerp

Elk jaar wordt er in het jaarverslag aandacht besteed aan het focusonderwerp. Voor de verantwoording over 2025 heeft de Tweede Kamer «Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld» als focusonderwerp aangewezen. De informatie hierover is opgenomen in de beleidsprioriteiten (paragraaf 4.17)

7. Staat van Volksgezondheid en Zorg

De Staat van Volksgezondheid en Zorg presenteert sinds 2016 actuele en eenduidige cijfers over de verschillende domeinen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS): volksgezondheid, zorg, maatschappelijke ondersteuning en jeugd. Ook sport komt aan bod, voor zover het samenhangt met volksgezondheid en zorg. De Staat van Volksgezondheid en Zorg wordt gemaakt door een kennisconsortium met onder andere RIVM, Nivel, het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP), en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), onder regie van het RIVM en met VWS als opdrachtgever.

Het maken van de Staat van Volksgezondheid en Zorg is een dynamisch proces. De kerncijfers van de Staat van Volksgezondheid en Zorg vormen een dynamische basis en kunnen worden aangevuld om duiding, een goed beeld en meer inzicht te krijgen in de staat van de zorg in Nederland.

B. BELEIDSVERSLAG

4. Beleidsprioriteiten

4.1 Thema 1: Een gelijkwaardige toegang tot zorg

Het eigen risico

Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan de afspraken in het aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord over het doen van onderzoek naar welke elementen en maatregelen van o.a. triage bijdragen aan een gelijkwaardige toegang tot zorg. Conform het regeerprogramma is het eigen risico bevroren op € 385 in 2025 en 2026. Vanwege de demissionaire status van het kabinet Schoof op het moment dat het wetsvoorstel verlaging eigen risico en de amvb tranchering eigen risico zouden worden ingediend in de Tweede Kamer, heeft het kabinet ervoor gekozen om het wetsvoorstel en de amvb aan te houden.1

Voor de jaren 2025 en 2026 is een lastenverlichting van € 2,5 miljard beschikbaar gesteld voor burgers. In 2025 zijn de maatregelen uit het hoofdlijnenakkoord om de lastenverzwaring door de stijgende zorgpremie te compenseren deels uitgevoerd. De inkomstenbelasting voor burgers is verlaagd en de AOF-premie voor kleine werkgevers is aangepast. Daarnaast is de zorgtoeslag verhoogd en de inkomensgrens verruimd, zodat de betaalbaarheid van zorg voor lagere inkomens wordt ondersteund.

Een heldere zorgverzekering

In het afgelopen jaar zijn verschillende stappen gezet om meer transparantie rond contractering tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders te creëren, met als doel het verbeteren van de informatievoorziening voor verzekerden bij de start van het overstapseizoen. Voor dit contracteerproces is onder meer ingezet op uniforme informatievoorziening vanuit zorgaanbieders. Hierdoor weten verzekerden in het overstapseizoen in hoeverre de zorg volledig vergoed wordt ook als er (nog) geen contract is. De NZa is op dit moment bezig met een herijking van de handvatten, die zijn opgesteld als hulpmiddel voor zorgverzekeraars en zorgaanbieders, zodat het contracteerproces voorspelbaarder is waardoor de contractering soepeler en sneller kan verlopen. Deze herijkte handvatten worden in het voorjaar gepubliceerd en gaan gelden voor de contracten die ingaan op 1 januari 2027 of een latere datum. Ondanks de afspraken dat partijen er naar streven dat de contracten op 12 november worden afgerond kan het zijn dat dit in sommige situaties niet mogelijk is omdat dit anders ten koste gaat van de kwaliteit van het contract. De NZa publiceert jaarlijks in mei een informatiekaart Zorgverzekeringen waarbij het gehele contracteerseizoen geëvalueerd wordt.2

Beschikbaarheid geneesmiddelen

In 2025 zijn belangrijke stappen gezet om geneesmiddelentekorten beter te voorkomen en te beheersen. Tekorten worden nu eerder en systematischer gesignaleerd, waardoor er sneller kan worden gezocht naar alternatieven voor patiënten. In samenwerking met behandelaren zijn zoveel mogelijk vervangende geneesmiddelen beschikbaar gesteld, en import uit het buitenland is ingezet wanneer nodig. Door een wetswijziging kunnen bij ernstige tekorten geneesmiddelen uit het buitenland worden geïmporteerd onder vrijstelling.3 Daarnaast is gewerkt aan het aantrekkelijker maken van de Nederlandse markt voor fabrikanten. Ook zijn er extra voorraden aangelegd van de meest noodzakelijke geneesmiddelen om tijdelijke productiestoringen of verhoogde vraag op te vangen.4

Beschikbaarheid medische hulpmiddelen

Op het gebied van medische hulpmiddelen zijn er het afgelopen jaar verschillende mijlpalen gehaald. Zo geldt er onder andere sinds 10 januari 2025 een Europese meldplicht voor fabrikanten van medische hulpmiddelen bij (dreigende) leveringsonderbrekingen. In lijn met deze Europese meldplicht is een wetswijziging ingediend die het mogelijk maakt om basisinformatie van de meldingen openbaar beschikbaar te stellen voor het hele zorgveld. Zo zorgen we ervoor dat alle partijen tijdig op mogelijke tekorten van medische hulpmiddelen kunnen anticiperen.5

4.2 Thema 2: Afwenden van een onbeheersbaar arbeidsmarkttekort

De afgelopen jaren is hard gewerkt aan het efficiënter inzetten van zorgpersoneel. Het is onacceptabel dat essentiële zorg — acute, chronische, langdurige of sociale — in gevaar komt doordat structureel onvoldoende personeel beschikbaar is.

In 2025 is hieraan gewerkt langs verschillende lijnen: halvering van administratietijd in 2030, de juiste inzet van medewerkers en het vergroten van vakmanschap en werkplezier.

Halvering van administratietijd in 2030Zorgverleners besteden een groot deel van hun werktijd aan het bijhouden van administratie. Deze tijd kunnen ze niet aan de patiënt of cliënt besteden. Daarom is de inzet van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) om de administratietijd per 2030 tot maximaal 20% van de werktijd van een zorgverlener te verminderen.6

Een belangrijke stap om dit te realiseren is de samenwerking van alle betrokken partijen binnen de Regiegroep Aanpak Regeldruk. Via een gezamenlijk plan van aanpak en individuele werkagenda’s wordt gewerkt aan verschillende maatregelen en aan de afspraken voortkomend uit het IZA en daarop aanvullend het AZWA. Deze richten zich onder meer op het opschalen van doorbraakprojecten, het verminderen van regeldruk als gevolg van machtigingen en verklaringen en het terugdringen van verschillen in inkoop- en verantwoordingseisen.

Daarnaast wordt ingezet op het opschalen van AI-toepassingen in de zorg zodat AI (met name voor het verlichten van administratieve lasten) veilig en verantwoord kan landen in zorgprocessen via de doorbraakmiddelen en afspraken in het AZWA. In 2025 zijn in de praktijk al concrete AI-toepassingen in de zorg zichtbaar, zoals spraakgestuurd rapporteren en capaciteitsplanning. Om implementatie en opschaling verder te ondersteunen heeft VWS de regie gevoerd via diverse Ronde Tafels, is via ZonMw stevig ingezet op de validatie van AI-toepassingen door het RIGH:T-consortium en is er op Europees niveau actief bijgedragen aan een met andere lidstaten meegeschreven vraag- en antwoorddocument over de samenhang tussen de MDR, IVDR en de AI-verordening. Tegelijkertijd laat 2025 ook zien dat AI-geletterdheid van organisaties en adoptie(vermogen) van AI sterk verschillen, databeschikbaarheid/-kwaliteit en interoperabiliteit blijven beperkend, en er is behoefte aan betere validatie en heldere governance om vertrouwen en veiligheid te borgen.

Een belangrijk instrument dat in 2025 is ingezet om de implementatie en opschaling van digitale en hybride ondersteuning van gezondheid, zorg en welzijn te versnellen is de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg (STOZ). De STOZ is gericht op het bieden van ondersteuning bij het gebruik van digitale en hybride processen om zorg- en ondersteuningsmedewerkers substantieel minder in te zetten (arbeidsverlichting), of mensen langer thuis te laten wonen. In 2025 konden organisaties in zorg en welzijn in de tweede ronde van de STOZ een subsidie aanvragen voor het opstarten van projecten. Voor aanvragen in 2025 gold een subsidieplafond van € 54 miljoen en er zijn bijna 1.300 aanvragen ontvangen voor een totaalbedrag van € 124 miljoen.

Gezien de grote rol van digitale en hybride toepassingen in de zorg, is het noodzakelijk dat de professionals in zorg en welzijn de juiste (digi)vaardigheden hebben, passend bij hun functie en in lijn met de toekomstige ontwikkelingen. Ook in 2025 heeft het Ministerie van VWS daarom de Coalitie Digivaardig in de Zorg door middel van cofinanciering ondersteund om in de praktijk invulling te geven aan de ontwikkeling en verbetering van digitale vaardigheden van professionals. Via de Coalitie is onder meer ook bijgedragen aan een onderzoek dat Hogeschool Windesheim in samenwerking met Deltion College en de Coalitie heeft verricht naar de digitale vaardigheden van mbo-studenten in de zorg. De resultaten van dit onderzoek zijn in 2025 met de Tweede Kamer gedeeld.7

Vergroten van vakmanschap en werkplezierEén van de elementen die bijdragen aan meer werkplezier is een goede balans tussen werknemers in loondienst en zelfstandigen. Het terugdringen van het aantal schijnzelfstandigen is hierbij van belang. Om dit te bereiken heeft VWS, aanvullend op het algemene kabinetsbeleid, in 2025 ingezet op het vergroten van duidelijkheid over wanneer in de zorg met en als zelfstandige gewerkt kan worden. VWS heeft samen met SZW en de Belastingdienst door het veld ingediende casusposities beoordeeld. Deze casusposities dragen bij aan meer duidelijkheid over de beoordeling van arbeidsrelaties in de zorg, doordat ze handvatten bevatten op grond waarvan werkverschaffers en werkenden in de zorg hun eigen samenwerking kunnen beoordelen. In gevallen waarin de inzet van zzp’ers niet aannemelijk is in lijn met wet- en regelgeving is met brancheorganisaties gekeken naar alternatieven. Focus hierbij was het vormgeven van een flexibele schil in loondienst en daarbij in te zetten op regionaal werkgeverschap. In 2025 zijn diverse opties voor een btw-vrijstelling bij het uitwisselen van personeel samen met het veld uitgewerkt. Een deel van deze informatie is beschikbaar gemaakt via de website van het samenwerkingsverband van werkgeversorganisaties in de zorg Regioplus, waar ook een link te vinden is naar de regionale informatiepunten. Deze verschillende vormen van regionaal werkgeverschap bieden niet alleen een flexibele schil in loondienst, maar kunnen ook bijdragen aan meer werkplezier doordat zij werknemers meer autonomie, flexibiliteit en loopbaanontwikkeling bieden.

Om te onderzoeken of het kennisniveau over dit onderwerp is toegenomen is in het tweede kwartaal een peiling gedaan. Het onderzoek laat zien dat zowel werkenden als werkgevenden beter bekend zijn met de term schijnzelfstandigheid en handhaving dan in 2024. Het aantal werkenden dat nadenkt over zzp-schap is afgenomen en werkgevers krijgen minder vragen over mogelijkheden tot zzp-schap. Daarnaast blijkt uit de cijfers van het CBS programma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn8 dat er een afname is van het aantal zzp’ers. Tegelijkertijd is sprake van een toename van het totaal aantal werkenden en het aantal werknemers in zorg en welzijn.

Ook zijn in 2025 initiatieven ondersteund die gericht waren op het voorkomen van en omgaan met agressie tegen medewerkers en vergroten we de zeggenschap en professionele autonomie van zorgverleners door bijvoorbeeld praktische initiatieven te faciliteren die bijdragen aan het duurzaam verankeren van zeggenschap, bijvoorbeeld met de financiering van de projectorganisatie ‘Landelijk Actieplan Zeggenschap’ en met financiering voor de Landelijke Monitor Zeggenschap. Daarnaast is in 2025 ingezet op de borging van zeggenschap op landelijk niveau door professionals te betrekken in beleid- en besluitvorming. Eén van de instrumenten om deze betrokkenheid te organiseren is de online community ‘Zorg en Welzijn Denkt Mee’. Sinds mei 2025 geven ruim 250 zorg- en welzijnsprofessionals via de online community ‘Zorg en Welzijn Denkt Mee’ hun input op allerlei actuele (beleids)onderwerpen die invloed hebben op het werk van professionals in de praktijk. In 2025 zijn diverse vraagstukken behandeld, zoals scholing en ontwikkeling, duurzame zorg en de vormgeving van een nieuw loopbaanplatform. Aanvullend is in 2025 het evenement ‘VOICE III’ georganiseerd waar meer dan 200 zorg- en welzijnsprofessionals bij aanwezig waren om mee te denken over (arbeidsmarkt)beleid van VWS.

Daarnaast heeft VWS in 2025 het Preventieplan zorg en welzijn ondersteund. Dit is een initiatief van PGGM, IZZ en FWG om het werkplezier te vergroten en daarmee verzuim en verloop omlaag te brengen. De aanpak is beschreven in een handzaam rapport dat zo breed mogelijk is verspreid in de sector. Een groot deel van de medewerkers in zorg en welzijn heeft een of meerdere keren per jaar te maken met (verbale) agressie. In juni 2025 is er een publiekscampagne tegen agressie geweest.9 Ten slotte heeft VWS een initiatief gesubsidieerd van de KNMG om een handelingskader te ontwikkelen voor zorgverleners die te maken krijgen met agressie.

4.3 Thema 3: Aanvullend hoofdlijnenakkoord voor een toegankelijker zorglandschap

Om de zorg toegankelijk te houden in tijden van arbeidsmarkttekorten heeft het toenmalige kabinet in 2022 het Integraal Zorgakkoord (IZA) gesloten met dertien zorg- en welzijnspartijen.10 Met het IZA is een belangrijke beweging in gang gezet naar meer passende zorg en betere samenwerking binnen regio’s en over de domeinen heen. Om deze beweging te versterken en versnellen heeft het kabinet in 2025 een Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA) gesloten met de IZA-partijen, aangevuld met Sociaal Werk Nederland, GGD GHOR Nederland en MIND.11 Het nieuwe akkoord, dat loopt tot en met 2028, richt zich op het verbeteren van toegang tot zorg en welzijn en op het afwenden van het toenemende tekort aan zorgprofessionals.

Het AZWA bevat aanvullende afspraken om de zorg toekomstbestendiger te maken. Zo wordt sterk ingezet op passende zorg, preventie en samenwerking tussen het medisch en sociaal domein. Zorg en welzijn moeten beter op elkaar aansluiten, zodat mensen tijdig de juiste ondersteuning krijgen en zwaardere zorg voorkomen kan worden. Er is afgesproken dat zorgverzekeraars, gemeenten en zorgorganisaties gezamenlijk investeren in regionale samenwerking en digitale ondersteuning. Ook komt er een landelijke digitale infrastructuur voor gegevensuitwisseling tussen zorgverleners en ondersteuning van patiënten bij digitale zorgtoegang. Daarnaast wordt ingezet op het verminderen van administratieve lasten en het vergroten van de werkplezier en behoud van zorgprofessionals door efficiëntere werkprocessen en de inzet van technologie, zoals spraakherkenning en kunstmatige intelligentie.

Zo wordt, in dit akkoord, bijna € 70 miljoen per jaar vrijgemaakt voor medische preventie en bijna € 400 miljoen per jaar voor voorzieningen en samenwerking op het snijvlak van het sociaal medisch domein. Ook is in dit nieuwe akkoord afgesproken dat verzekeraars gericht gaan investeren in regio’s en wijken waar de (verwachte) tekorten aan huisartsenzorg het grootst zijn en waar deze investeringen de meeste impact hebben. Ook is in 2025 gewerkt aan het versterken van de samenwerking binnen de eerstelijnszorg. Daarvoor is in het AZWA € 70 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Het doel is dat mensen dichtbij huis laagdrempelige toegang hebben tot goede eerstelijnszorg. Zo moet in de wijk in ieder geval de huisarts, wijkverpleegkundige, apotheker en het lokale team van de gemeente elkaar makkelijk en goed kunnen vinden.

Lange wachttijden in de spoedzorg

Voor complexe behandelingen worden patiënten doorverwezen naar hooggespecialiseerde ziekenhuizen. Terugverwijzing naar regionale of kleinere ziekenhuizen na de behandelingen waarborgen de continuïteit van zorg en de nabijheid voor familie. Om de samenwerking tussen grote en kleinere ziekenhuizen te bevorderen, zijn in 2025 afspraken gemaakt over ondersteuning en het behoud van volwaardige streekziekenhuizen. Deze aanpak verbetert de toegankelijkheid van zorg en vermindert de reisafstand voor patiënten.

Daarnaast is in het AZWA gewerkt aan structurele afspraken met zorgverzekeraars over meerjarige financiering van ziekenhuizen, waardoor financiële zekerheid wordt geboden en de continuïteit van zorg en personeel wordt gewaarborgd. Tegelijkertijd zijn in het AZWA maatregelen genomen om de beschikbaarheid van spoedeisende zorg en acute verloskunde in alle regio’s te verbeteren, waarbij samenwerking en coördinatie tussen aanbieders centraal staan.

Met het IZA is een belangrijke beweging ingezet: naar passende zorg, betere samenwerking in de regio en tussen domeinen, de beweging naar de voorkant met een cruciale rol voor de eerstelijnszorg en wijkverpleging en het realiseren van gegevensuitwisseling. Ook in 2025 is door partijen hard gewerkt aan het uitvoeren van de IZA-afspraken. Inmiddels zijn 287 van de 445 IZA-acties volledig afgerond, en zijn er nog eens 146 in gang gezet.12

Enkele mijlpalen die in 2025 zijn behaald:

  • De (volume)normen voor de geselecteerde oncologische en vaatchirurgische interventies zijn vastgesteld. Deze krijgen, afhankelijk van de regio, vanaf 2026 of 2027 een plek in de contracten.

  • Binnen alle ROAZ-regio’s vindt nu structureel overleg plaats om de benodigde geboortezorg te coördineren en de beschikbare capaciteit zo optimaal mogelijk in te zetten.

  • Sinds 1 mei 2025 is de nieuwe betaaltitel ‘PatiëntenGroepsgebonden Afstemming binnen Zvw-verzekerde Zorg (PGAZ)’ van kracht.

  • De handreiking contractering Regionale Eerstelijns Samenwerkingsverbanden (RESV’s) is gepubliceerd. Vanaf 2027 is voor de RESV’s structurele financiering beschikbaar via zorgverzekeraars. De handreiking biedt regio’s handvatten om de benodigde stappen richting contractering te zetten.

  • Er is een gezamenlijke intensiveringsagenda digitale en hybride zorg opgesteld.

  • Er zijn middelen toegekend aan in totaal 178 transformatieplannen. De transformatiemiddelen zijn daarmee beschikbaar gesteld.13

  • In september 2025 is de website zorgakkoorden.nl gelanceerd, waarmee er een centraal loket is waar informatie wordt gedeeld met en tussen regio’s en waar regio’s terecht kunnen voor vragen.

Gegevensuitwisseling

Op het gebied van gegevensuitwisseling is in 2025 verder gewerkt aan een toekomstbestendig gezondheidsinformatiestelsel, zodat burgers regie houden over hun eigen gezondheidsgegevens en deze op het juiste moment beschikbaar zijn voor zorgverleners.

De implementatie van de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg (Wegiz) is voortgezet, waarbij zorgaanbieders stap voor stap verplicht worden tot elektronische uitwisseling van gegevens volgens uniforme standaarden. Begin juni 2025 heeft uw Kamer de wetsvoorstellen Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en Cyberbeveiligingswet (Cbw) ontvangen. Met de sectorale ministeriële regeling Cbw wordt ingezet op een stelsel waarin de sector zorg (waaronder de zorgaanbieders) hun netwerk- en informatiebeveiliging aantoonbaar op orde moeten hebben. Op basis van de sectorale ministeriële regeling Wwke zal de Minister van VWS  organisaties in de zorg aanwijzen als kritieke entiteiten met als doel dat zij zich voorbereiden op grootschalige incidenten en fysieke rampen.

Daarnaast zijn voorbereidingen gestart voor de inwerkingtreding van de European Health Dataspace-verordening (EHDS), waarbij de nadruk ligt op privacybescherming en veilige, patiëntgestuurde opt-outmechanismen. Door deze maatregelen wordt de veiligheid van medische gegevens versterkt en wordt een basis gelegd voor de verdere inzet van digitale en AI-toepassingen in de zorg. Het afgelopen jaar zijn werkzaamheden verricht die betrekking heeft op het voornemen voor het opzetten van een nieuw zbo die de taken van de Autoriteit Digitale Gezondheid en de Health Data Access Body zal uitvoeren. Het programma HDAB-NL heeft voortvarend de digitale business capabilities van de HDAB ontwikkeld. Alle toegezegde opleveringen aan de Europese Commissie zijn gerealiseerd. Daarnaast is actief gecommuniceerd in het veld om de EHDS uit te leggen. Tenslotte zijn de eerste voorbereidingen getroffen t.a.v. de implementatie van de rechten van burgers incl. de opt-out.

10

ActiZ, De Nederlandse ggz, Federatie Medisch Specialisten, In Een, Landelijke Huisartsen Vereniging, De Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, Patiënten federatie Nederland, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Verpleeg kundigen & Verzorgenden Nederland, Zelfstandige Klinieken Nederland, Zorgverzekeraars Nederland en Zorgthuisnl

4.4 Thema 4: Hoofdlijnenakkoord onderdeel ouderenzorg

In 2025 is stevig ingezet op het versterken van de kwaliteit van leven van ouderen en het toekomstbestendig maken van de ouderenzorg. De vergrijzing blijft toenemen, en daarmee ook de vraag naar zorg en ondersteuning. In 2025 is verder gewerkt aan het verbeteren van de samenhang tussen de verschillende zorgwetten (Wlz, Zvw en Wmo), met als doel de zorgtoegang voor ouderen eenvoudiger en minder versnipperd te maken.14 In het kader van het programma WOZO (Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen) heeft het kabinet samen met uitvoeringsorganisaties, gemeenten en zorgverzekeraars verschillende trajecten in gang gezet om knelpunten in wet- en regelgeving te verminderen.

Het in 2024 aangekondigde traject richting een Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg heeft in 2025 geleid tot afronding van gesprekken met de sector, waarna het akkoord op 4 juni 2025 is ondertekend.15Het akkoord richt zich op het terugdringen van de arbeidsmarkttekorten door het vergroten van werkplezier, het verminderen van regeldruk en het stimuleren van opleidings- en zij-instroomtrajecten. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over regionale personeelsplanning en het benutten van technologie ter ondersteuning van het zorgproces.

Om de inzet van AI in de Nederlandse zorg- en welzijnssector veilig en verantwoord te versnellen is in 2025 het Programma Realisatie AI in de zorg gestart. Dit programma is aansluitend op de afspraken van het AZWA. Het programma legt focus op het verlichten van de administratieve lasten in de zorg met AI. Tegelijkertijd bereiden zorgpartijen zich voor op de bredere uitrol van AI in de zorg en zorgt het programma voor de randvoorwaarden voor de bredere adoptie van AI in de zorg.16 Ook is er in september 2025 een bijeenkomst gehouden door de Regiegroep Aanpak Regeldruk, waarbij vertegenwoordigers vanuit het Ministerie van VWS, Nictiz en Digizo aanwezig waren. In de bijeenkomst ging het over digitalisering als middel om de regeldruk en administratieve lasten te verlagen, met nadruk op verpleeghuizen en ouderenzorg.17

Daarnaast was een van de doelen om in 2025 verbetervoorstellen te doen zoals het beëindigen van het systeem van herindicaties voor mensen die in een verpleeghuis wonen. In het HLO is vastgesteld dat in 2025 de herziening van het herindicatieproces plaatsvindt in samenwerking met veldpartijen. Ook is in 2025 mogelijk gemaakt om per 2026 om met terugwerkende kracht een Wlz-indicatie af te geven. Daarmee wordt het mogelijk om cliënten die vanwege bijzondere omstandigheden vanuit de thuissituatie met spoed worden opgenomen in een instelling een juist zorgprofiel te geven.

Nationale Dementiestrategie

Onderdeel van het HLO is de Nationale Dementiestrategie (NDS) 2021-2030. De strategie richt zich op drie samenhangende pijlers: onderzoek naar dementie, mensen met dementie laten meedoen in de samenleving en passende ondersteuning en zorg gedurende het leven met dementie. Er zijn belangrijke stappen gezet in wetenschappelijk onderzoek naar dementie, de samenleving is dementie vriendelijker geworden en zorg en ondersteuning zijn beter op elkaar afgestemd. Daarnaast heeft in 2025 het Nationale dementiecongres heeft plaatsgevonden; heeft de Gezondheidsraad in november advies uitgebracht over risicoreductie en vroegdiagnostiek; is de doelstelling bereikt dat ruim 750.00018 mensen de online training Samen Dementievriendelijk hebben gevolgd; is er een Kamerbrief verstuurd over de toekomstbestendigheid van casemanagement dementie en is er een nieuwe aanbesteding voor Dementie in Kaart gestart. 19

Het jaar 2025 stond ook in het teken van de actualisatie van de NDS. Samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), Alzheimer Nederland, ActiZ, GGD GHOR Nederland, Sociaal Werk Nederland, Dementie Netwerk Nederland (DNN), Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN), Verenso en de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW), ZonMw en Zorgstandaard Dementie zijn de thema’s en doelen voor de periode 2026-2030 herijkt. De actualisatie is op 29 januari 2026 naar de Kamer gestuurd.

Palliatieve en terminale zorg

In 2025 is belangrijke voortgang geboekt rond palliatieve en terminale zorg. In het kader van het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II), is gewerkt aan IZA-transformaties in de regio, waarbij het Kwaliteitskader Palliatieve Zorg wordt geïmplementeerd, om zo palliatieve zorg structureel onderdeel te maken van de reguliere zorg. Ook is gewerkt aan maatschappelijke bewustwording via de publiekscampagne ‘Leven tot het laatst’ en de zorgverlenerscampagne ‘Zorg tot het laatst. Je doet het samen’. Verder is de Handreiking financiering palliatieve zorg 2025 geactualiseerd. Belangrijke wijzigingen omvatten onder andere een nieuwe betaaltitel voor proactieve zorgplanning in medisch-specialistische zorg, verhoging van het tarief voor eerstelijns verblijf (ELV) en afspraken over dagtarieven in bijna-thuis-huizen. Ook is er via het NPPZ II extra aandacht gegeven aan scholing van zorgmedewerkers en docenten. En is er in het kader van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) een eenmalige subsidie beschikbaar gekomen voor strategische bij- en nascholing op het gebied van palliatieve zorg. Verder is een werkconferentie georganiseerd met stakeholders uit zorg en onderwijs om concrete afspraken te maken over wie welke acties gaat ondernemen om palliatieve en levenseindezorg een structurele plek te geven binnen bestaande zorgopleidingen en bij- en nascholing.

Daarnaast zijn in het AZWA afspraken gemaakt over proactieve zorgplanning in de palliatieve fase. Bovendien is in 2025 een bedrag oplopend tot € 17 miljoen extra per jaar toegevoegd aan de subsidieregeling palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis. Dit is bedoeld om maatschappelijk kapitaal en inzet van vrijwilligers te blijven stimuleren. De inzet van vrijwilligers zorgt er namelijk voor dat mensen in de laatste fase van hun leven ondersteuning ontvangen, steeds vaker in de vertrouwde omgeving van hun eigen huis. Dit vergroot de kwaliteit van leven en sterven voor patiënten. Daarnaast verlichten vrijwilligers de druk op mantelzorgers en zorgverleners. We stimuleren op deze manier een samenleving waarbij zorg en aandacht voor mensen in de laatste levensfase een gedeelde verantwoordelijkheid wordt.

Toegankelijke informatie

Er is in 2025 ingezet om de zorg toegankelijk te houden voor mensen die moeite hebben met digitalisering, zoals laaggeletterden en ouderen met slechthorendheid of slechtziendheid. Middelen uit het IZA en regionale Wlz-budgetten via zorgkantoren zijn ingezet om de digitale vaardigheden van deze groepen te versterken. Een belangrijk instrument om de implementatie en opschaling van digitale en hybride ondersteuning van gezondheid, zorg en welzijn te versnellen is de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg (STOZ). De STOZ is gericht op het bieden van ondersteuning bij het gebruik van digitale en hybride processen om zorg- en ondersteuningsmedewerkers substantieel minder in te zetten (arbeidsverlichting), of mensen langer thuis te laten wonen. Tot 30 september jl. konden partijen in de tweede ronde van de STOZ een subsidie aanvragen voor het opstarten van projecten. Voor aanvragen in 2025 geldt een subsidieplafond van € 54 miljoen. Dat plafond zal naar verwachting worden bereikt. De RVO werkt momenteel hard aan het verwerken van de aanvragen en hanteert daarbij het principe van ‘first come, first serve’.

Onafhankelijke indicatiestelling ongecontracteerde wijkverpleging (Zvw)

In 2025 is door het ministerie voorbereidend werk gedaan voor de beoogde wettelijke verplichting tot onafhankelijke indicatiestelling voor ongecontracteerde zorgaanbieders in de wijkverpleging. Doel van deze maatregel is om het verschil in doelmatigheid tussen gecontracteerde en ongecontracteerde wijkverpleging terug te dringen.20

Dak- en thuisloosheid

In 2025 is het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023-2030) voortgezet als blauwdruk voor de landelijke aanpak van dak- en thuisloosheid. Vanuit het Rijk en samen met gemeenten, zorg- en woningcorporaties is verder gewerkt aan preventie, huisvesting en ondersteuning voor kwetsbare groepen. Lokale overheden zijn ondersteund bij het opzetten van woonzorgvisies en het vertalen van het ‘Wonen Eerst’-principe. Er is ook gewerkt aan het opstellen van het volkshuisvestingsprogramma dat met de Wet versterking regie volkshuisvesting verplicht wordt voor gemeenten. Via landelijke bijeenkomsten werden gemeenten, woningcorporaties, zorg- en welzijnspartijen ondersteund bij de voorbereidingen voor deze programma’s, inclusief thema’s als huisvesting voor aandachtsgroepen, zoals mensen die uitstromen uit zorginstellingen en (dreigend) dakloze mensen.21

4.5 Thema 5: Zorg voor jongeren die dit het meest nodig hebben

Op 30 januari 2025 heeft de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd haar advies uitgebracht. Naar aanleiding hiervan worden de maatregelen in het kader van de Hervormingsagenda geïntensiveerd, worden aanvullende maatregelen genomen en heeft het kabinet in dit kader besloten cumulatief circa € 3,7 miljard extra toe te voegen in de jaren 2025 ‒ 2027 aan het Gemeentefonds.

Dit jaar is het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg aangenomen door de Eerste Kamer. De wet zal per 1 januari 2026 (deels) in werking treden. Ondertussen wordt in de praktijk hard gewerkt aan het versterken van de lokale teams die – in samenwerking met andere partijen – steeds meer hulp zelf gaan bieden. Om de beoogde beweging te ondersteunen, zijn afspraken gemaakt tussen de VNG, Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), Jeugdartsen Nederland (AJN) en het ministerie van VWS met als doel om kinderen en gezinnen sneller passende hulp te bieden.

In 2025 is een belangrijke stap gezet in het proces om te komen tot minder administratieve lasten en beter inzicht in de werking van het stelsel door het vaststellen van de hoofdindeling van de productstructuur op basis waarvan partijen informatie over specialistische hulp moeten gaan registreren.

In 2025 is ook verder gewerkt aan het voorkomen van uithuisplaatsingen door het stelsel van jeugd- en gezinsbescherming te vereenvoudigen en te verbeteren. Het Rijk, de VNG en partnerorganisaties zetten hierbij gezamenlijk in op een eenduidige visie en werkwijze, waarbij professionals vanuit verschillende organisaties effectief samenwerken op verschillende plekken in het land.2223 Vanuit het programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming is het werkpakket Werken aan veiligheid ontwikkeld.24

4.6 Thema 6: Naar een gezonder, sportiever en fitter Nederland

In 2025 heeft het kabinet maatregelen genomen om de gezondheid van alle Nederlanders te beschermen en te bevorderen, hiervoor is een preventiestrategie uitgewerkt met thema’s zoals het schermgebruik en sociale media, problematisch alcoholgebruik, voeding en overwicht. Ook is er specifieke aandacht voor mentale gezondheid.

Preventie

Het doel is een gezonde generatie in 2040, onder andere door de stimulatie van een gezondere leef- en schoolomgeving. Voor kinderen en jongeren is het niet altijd makkelijk, of soms zelfs niet mogelijk om een gezonde keuze te maken. Daarom is er in 2025 gewerkt aan de Samenhangende preventiestrategie, waarbij de focus ligt op zeven omgevingen waarin kinderen en jongeren opgroeien, zich ontwikkelen en worden beïnvloed. Met de preventiestrategie zetten we ons in om in deze omgevingen tot acties, maatregelen en doelen te komen en de gezonde keuze vanzelfsprekender te maken. Een voorbeeld hiervan is dat gewerkt is aan monitoring van het verkoopaandeel Schijf van Vijf producten in supermarkten, mede ter voorbereiding op te maken afspraken met supermarkten over toename van dit verkoopaandeel.

In 2025 is de handhaving op illegale vapes verder versterkt. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) heeft hiervoor structureel extra middelen ontvangen, aangevuld met nieuwe wettelijke bevoegdheden en de mogelijkheid tot het opleggen van hogere boetes. Daarnaast heeft het Trimbos-instituut in 2025 extra financiering gekregen om stoptrajecten beter aan te laten sluiten op de behoeften van jongeren, en is de campagne ‘Nee tegen vapen’ gestart die ouders van extra informatie voorziet over de gevaren van vapen. Dit is onderdeel van het Actieplan tegen vapen dat in maart 2025 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Verder zijn in 2025 voorbereidingen getroffen voor de maatregel dat vapes zo snel als mogelijk uitsluitend nog in speciaalzaken verkocht mogen worden. Op het terrein van alcohol is gewerkt aan het aanscherpen van de regelgeving voor de (online) verkoop van alcohol en zijn er voor gemeenten regiosessies georganiseerd om hen te ondersteunen met een preventie- en handhavingsplan. Ook is voortzetting gegeven aan de sociale normcampagne NIX18 en aan bewustwordingscampagnes als «IkPas» en 'Proost op je Gezondheid?! van gezondheidsorganisaties. Naast dat aan de wetgeving over kindermarketing is gewerkt, is op het thema overgewicht in 2025 ingezet op programma’s als gezonde school, gezonde kinderopvang, gezonde buurten en de JOGG-aanpak. Ook is ingezet op de ketenaanpakken overgewicht en obesitas voor volwassenen en kinderen, implementatie van het leefstijlscreeningsinstrument en het programma 2Diabeat.

Samen met het ministerie van Justitie en Veiligheid is in 2025 gewerkt aan het voorkomen van drugsgebruik en een strengere aanpak van drugscriminaliteit, onder andere door specifieke doelgroepgerichte voorlichting, het beperken van het aanbod van drugs, het versterken van handhaving en het voorkomen dat jongeren in de drugscriminaliteit belanden. Daarbij is als pilot ook een gerichte publiekscampagne gestart die de onzichtbare gevolgen van drugsgebruik onder de aandacht brengt.

Daarnaast is er in 2025 volop aandacht geweest voor de mentale gezondheid van jongeren en studenten. Wij hebben bijvoorbeeld ingezet op het concept Praatpower, wat het gesprek over mentale veerkracht aanjaagt en jongeren, ouders, professionals en onderwijs concrete handvatten geeft om gezond opgroeien samen te versterken. Daarnaast is het online jongerenplatform In je Bol gelanceerd, waarbij Laagdrempelige hulp wordt aangeboden aan jongeren die vastlopen en waarbij de mentale gezondheid bespreekbaar wordt gemaakt.

Vanwege de complexiteit om investeringen in preventie vooraf te koppelen aan toekomstige besparingen, is in 2025 gewerkt aan de ontwikkeling van een investeringsmodel voor preventie. In juni 2025 vond een werkconferentie plaats met zo’n 200 experts uit onder meer de zorg, gemeenten, onderzoek en financiën om input te leveren voor het investeringsmodel.25 In het model zullen de volgende vier pijlers gehanteerd worden: passend bewijs, een afwegingskader, financiële besluitvorming en monitoring van gegevens om publieke gezondheidsinterventies beter te onderbouwen.26 Afgelopen oktober is de richtlijn passend bewijs preventie naar de Kamer gestuurd.27 Deze richtlijn vormt de eerste pijler van het investeringsmodel voor preventie en stelt een standaard voor de kwaliteit van het bewijs over de effecten van preventieve maatregelen. Daarnaast heeft de Kamer in december een brief over de voortgang van alle pijlers van het investeringsmodel ontvangen, namelijk het afwegingskader dat het RIVM ontwikkelt (pijler 2) om de inschatting van de aard en omvang van de effecten verder te onderbouwen, de financiële besluitvorming (pijler 3) en monitoring en evaluatie (pijler 4).

Vaccins

In 2025 zijn verschillende stappen gezet om mensen in Nederland door vaccinatie beter te beschermen tegen ernstige infectieziekten en om de gedaalde vaccinatiegraden tegen te gaan.

Sinds het najaar wordt immunisatie tegen het RS‑virus aangeboden via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). In andere Europese landen heeft dit geleid tot een daling van ongeveer 80% in ziekenhuisopnames van baby’s. Ook in Nederland lijkt er direct sprake te zijn van een daling in ziekenhuisopnames van zuigelingen.28 Daarnaast is in het najaar van 2025 gestart met het aanbieden van een nieuw pneumokokkenvaccin aan 60-jarigen en mensen van 78 jaar en ouder. Dit nieuwe vaccin is effectiever en beschermt langer dan het vaccin dat eerder werd gebruikt.29 Tot slot is er in 2025 gestart met het doorvoeren van wijzigingen in het schema van het RVP. Met deze wijzigingen wordt het RVP geoptimaliseerd en zijn kinderen in Nederland beter beschermd tegen ernstige infectieziekten.30

Op basis van de nieuwste RIVM-cijfers is vastgesteld dat de vaccinatiegraad in bepaalde wijken en gebieden nog achterblijft.31Met de aanpak ‘Vol vertrouwen in vaccinaties’ en de wijkgerichte aanpak is gewerkt aan het verhogen van de vaccinatiegraden van het RVP. Deze aanpak is gericht op het volgen en bewaken van het vertrouwen in vaccinaties, het verbeteren van de informatievoorziening en het vergroten van de toegankelijkheid van het Rijksvaccinatieprogramma.32Onderdeel van deze aanpak is bijvoorbeeld dat de organisaties die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en het RIVM zich in samenwerking met  het ministerie van VWS inzetten om doelgroepen beter te bereiken.

Sport en Bewegen

Voldoende sporten en bewegen draagt bij aan een gezonde leefstijl en een verhoging van ons welzijn. In 2025 is aandacht besteed aan het toegankelijk maken van sport en bewegen voor iedereen die dat wil. In september 2025 is de internetconsultatie van het wetsvoorstel ‘Wet Integere Sport’ gestart, om één onafhankelijk integriteitscentrum op te richten: Integere Sport Nederland (ISN).33 Het ISN zal gaan bijdragen aan het eerlijker en veiliger maken van sport. Daarnaast wordt gewerkt aan het toekomstbestendig maken van de sportinfrastructuur, omdat zonder maatregelen de beschikbare ruimte voor sportvoorzieningen zal afnemen.34Bovendien is in 2025 verder gewerkt aan de ondersteuning van VWS bij (top)sport en evenementen.35

Sportverenigingen spelen een belangrijke rol voor gezondheid en sociale verbondenheid. In 2025 is gewerkt aan het verlagen van energielasten en het versterken van de financiële positie, zodat contributies betaalbaar blijven. Amateursportverenigingen konden daartoe subsidie aanvragen voor energiebesparende maatregelen via de BOSA-regeling.36

In 2025 zijn stappen gezet om de concrete Aanpak Regeldruk die de voormalige staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorg (LMZ), samen met de Staatssecretaris Rechtsbescherming, minister van Financiën en staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst, door te vertalen naar de sportsector. Hierbij wordt gewerkt aan het verminderen van de tien wettelijke verplichtingen die de meeste regeldruk veroorzaken bij vrijwilligers binnen de sportsector.

Gezondheidsbevordering

In 2025 zijn verschillende stappen gezet om gezondheid en leefomgeving integraal te verbeteren. Het kabinet lanceerde de Hitte-aanpak 2025, met maatregelen voor hittebestendige woningen, vergroening van stedelijke gebieden en bescherming van kwetsbare groepen.37 Gemeenten namen concrete stappen om hun leefomgeving beter voor te bereiden op hitte, en er werd gewerkt aan bewustwording via campagnes en de eerste nationale Heat Action Day.38 Ook is eind september de Ontwerp-Nota Ruimte door het kabinet uitgebracht over de ruimtelijke opgaven waarvoor we richting 2050 staan. Daarin wordt ook aandacht besteed aan de kwaliteit van de gezonde leefomgeving.

Mentale gezondheid

Een goede (mentale) gezondheid versterkt de weerbaarheid en helpt de zorg toegankelijk en betaalbaar te houden. In 2025 is een werkagenda «Een betekenisvol leven met een langdurige psychische aandoening» gepresenteerd, waaraan verschillende partijen, waaronder VWS, zorgaanbieders, cliënten en gemeenten, hebben meegewerkt. De agenda richt zich op passende, toekomstbestendige zorg en ondersteuning voor mensen met langdurige psychische aandoeningen. Met deze werkagenda is er ingezet op drie actielijnen: beter zicht op doelgroep en behoeften; verbetering van ondersteuning en zorg; en passende zorg in complexe situaties.39

Per 1 januari 2025 is een vierjarig experiment gestart, waarmee zorgverleners de kosten van een verkennend gesprek kunnen declareren40Dit draagt bij aan de ontwikkeling van een landelijk dekkend netwerk van mentale gezondheidsnetwerken. Ook is er in 2025 gestart met een gezamenlijke aanpak voor hulp aan verwarde personen.41 Bij deze integrale aanpak werken verschillende ministeries nauw samen. Tenslotte is eind 2025 de Versterkingsagenda Mentale Gezondheid en GGZ uitgebracht. Deze agenda maakt werk van de thema’s mentale veerkracht, wachttijdondersteuning, overgang jeugdhulp – naar volwassenen-ggz en vrouwengezondheid.

Er is een ondersteuningsprogramma suïcidepreventie van start gegaan door de VNG in samenwerking met Stichting 113 Zelfmoordpreventie en GGD GHOR Nederland om gemeenten voor te bereiden/te equiperen voor het vormgeven van suïcidepreventiebeleid.De hulplijn is gratis bereikbaar voor de beller. Naast het nummer 0800-0113, dat al kosteloos was, is nu ook het nummer 113 gratis voor de beller.

Kansrijke Start

De eerste 1000 dagen – de omstandigheden vóór de zwangerschap, tijdens de zwangerschap en na de geboorte - bepalen in grote mate de kansen voor later. Het landelijk actieprogramma Kansrijke Start is in 2018 gelanceerd vanuit de overtuiging dat ieder kind een goede start verdient. In de afgelopen jaren is er landelijk, regionaal en lokaal een grote beweging in gang gezet voor een kansrijke start tijdens de eerste 1000 dagen. In november 2025 heeft uw Kamer de structurele aanpak Kansrijke start en de actieagenda voor de periode 2026 t/m 2030 ontvangen. Daarin is de inzet voor de komende jaren uiteengezet.

Landelijke nota gezondheidsbeleid 

De landelijke nota gezondheidsbeleid is een wettelijke verplichting ​vanuit de Wpg (artikel 13) en wordt één keer in de 4 jaar opgesteld. De nota is in december gepubliceerd met daarin de richting en prioriteiten ten aanzien van ​publieke gezondheid voor de periode 2025-2028 welke als basis dienen voor lokale nota’s gezondheid die gemeenten dienen op te stellen. ​De landelijke nota is onder andere gebaseerd op de uitkomsten van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) van het RIVM en heeft specifiek aandacht voor de dalende vaccinatiegraad, seksuele gezondheid en suïcidepreventie. 

AZWA 

In de zomer van 2025 is het Aanvullende Zorg en Welzijn Akkoord gesloten met diverse zorg- en welzijnsorganisaties met een focus op het terugdringen van zorgkosten beperken van inzet zorgpersoneel. Daarvoor zijn onder andere afspraken gemaakt ten aanzien van het verbeteren van de samenwerking tussen het zorg en sociaal domein. Met het AZWA hebben gemeenten middelen voor de uitvoering van de zogeheten basisfunctionaliteiten. Dat zijn aanpakken die op het snijvlak liggen van het zorg en sociaal domein, die zorgkosten terugdringen. Daarnaast investeren gemeenten in de basisinfrastructuur zodat er stevige netwerken en voorzieningen ​ontstaan​ in de wijken en buurten ​die randvoorwaardelijk zijn voor het samenwerken tussen zorg en sociaal domein. 

Volksgezondheid

In 2025 is verder gewerkt aan het versterken van de volksgezondheid, waarbij samenwerking met gemeenten, zorgverzekeraars en maatschappelijke partners centraal stond. Er is ingezet op het inzichtelijk maken van de effecten van preventie en gezondheidsmaatregelen, en op het bevorderen van gezondheid, sport en bewegen, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen.

Recente rapporten van de RVS42, de IGJ43 en het Verwey-Jonker Instituut44 pleiten voor structurele versterking van de publieke gezondheid. In april 2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de taskforce ‘Gezond geweten’ waarin experts uit het veld en de wetenschap input leveren voor de  lange termijn van de publieke gezondheid in Nederland . De taskforce is gestart in november 2025 en geeft input op vier thema’s:

  • 1. Gezamenlijk beeld lange termijn

  • 2. Verkennen gezondheidsdoelen

  • 3. Verkenning lange termijn basispakket

  • 4. Verkenning benodigde wijzigingen in stelsel en governance

Tevens is voor de bestuurlijke afstemming over toekomstig beleid op publieke gezondheid een Bestuurlijk Overleg Publieke Gezondheid (BO PG) ingesteld met VWS en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) waarin de beleidsontwikkeling van het stelsel van publieke gezondheid bestuurlijk besproken wordt en de samenhang tussen de verschillende prioriteiten op het gebied van publieke gezondheid wordt geborgd. Op de agenda staan bijvoorbeeld ‘gezondheid in alle beleidsterreinen’, mentale gezondheid, gezondheid & leefomgevingsvraagstukken, het investeringsmodel preventie of andere relevante thema’s die bestuurlijk commitment en agendering behoeven.

4.7 Thema 7: Zorgvuldige afweging medisch-ethische wetgeving

In 2025 heeft het kabinet de wettelijke kaders rondom abortus en euthanasie ongewijzigd gehouden. In het eerste kwartaal van 2025 heeft de regering een wetsvoorstel tot wijziging van de Embryowet aangeboden aan de Tweede Kamer, naar aanleiding van de derde evaluatie van deze wet. De schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel heeft reeds plaatsgevonden.45Bij dit wetsvoorstel is expliciet aandacht besteed aan het behouden van de juiste balans tussen de beschermwaardigheid van beginnend leven en de ruimte voor medisch-wetenschappelijk onderzoek. Voorts heeft de regering een tweede nota van wijziging bij het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal aan de Kamer aangeboden.

Bescherming van de medisch-ethische balans

Het kabinet blijft zich bewust van de gevoeligheid van medisch-ethische thema’s, rond leven en dood, lichamelijke autonomie en waardigheid. Er wordt vastgehouden aan zorgvuldigheid, respect voor diversiteit van opvattingen en betrokkenheid van beroepsgroepen bij mogelijke wetswijzigingen.

4.8 Thema 8: Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog

In de periode van 12 september 2024 tot 15 augustus 2025 herdacht en vierde Nederland dat het tachtig jaar geleden is dat de Tweede Wereldoorlog ten einde kwam. Tijdens dit lustrumjaar stond het besef centraal dat Nederland sinds 1945 in vrijheid leeft binnen een democratische rechtsstaat. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei organiseerde, in samenwerking met provincies, gemeenten en lokale comités, een landelijk programma rond vijf nationale thema’s:

  • Bevrijding van Zuid-Nederland (september-oktober 2024)

  • Herdenking van de Holocaust (januari 2025)

  • Bevrijding van Noordoost-Nederland (april 2025)

  • Nationale Herdenking en Bevrijdingsdag (4 en 5 mei 2025)

  • Einde van de oorlog in Nederlands-Indië en Azië (15 augustus 2025)

Het lustrumjaar draagt bij aan de ambitie van het kabinet om ervoor te zorgen dat alle inwoners van Nederland, in iedere levensfase, op een kwalitatief hoogwaardige wijze in aanraking komen met het brede verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. In alle provincies vonden honderden lokale en regionale activiteiten plaats, waaronder tentoonstellingen, schoolprojecten en ontmoetingen met ooggetuigen en nazaten. De deelname aan herdenkingen en bevrijdingsfestivals was breed en divers.

In 2025 is uitvoering geven aan het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie. Dit plan heeft tot doel de kennis over de Holocaust te vergroten en het bewustzijn te versterken over de gevolgen van antisemitisme, racisme en discriminatie. In april 2025 vond de eerste landelijke werkconferentie Holocausteducatie plaats, waaraan ruim tweehonderd docenten, museummedewerkers en onderwijsprofessionals deelnamen. Daarnaast is een landelijke peiling uitgevoerd naar de ondersteuningsbehoefte van docenten bij het lesgeven over de Holocaust. Uit dit onderzoek blijkt dat leraren vooral behoefte hebben aan toegankelijke lesmaterialen, nascholing en meer kennisdeling tussen scholen en herinneringsinstellingen.46

Om het erfgoed van de Tweede Wereldoorlog zichtbaar te houden voor toekomstige generaties en Holocausteducatie verder te versterken, is in 2025 structureel ruim € 6 miljoen beschikbaar gesteld voor de versterking van WOII-sector. Daarnaast is in totaal € 15 miljoen beschikbaar gesteld voor de jaren 2026 en 2027 voor de vernieuwing van Herinneringscentrum Kamp Westerbork.47

Met deze middelen kan de vernieuwing gefaseerd van start gaan. Daarnaast is in 2025 ook het Nationaal Programma Herdenking 80 jaar Vervolging Sinti en Roma van start gegaan, gecoördineerd door Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Dit programma vormt een belangrijke stap richting structurele erkenning en verankering van de geschiedenis van de Sinti- en Romagemeenschappen in Nederland. Daarnaast bleef de collectieve erkenning van de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen in 2025 een belangrijk speerpunt. Het Indisch Herinneringscentrum en WO2NET hebben de website onsland.nl verder vormgegeven. Hier vind je diepgaande informatie over het gedeelde Nederlands-Indonesisch verleden. Het omvat onder meer gedigitaliseerde historische bronnen uit archieven en musea, oral history, en een educatie pagina. Tijdens de Nationale Herdenking op 15 augustus 2025 is uitgebreid stilgestaan bij de oorlogservaringen in voormalig Nederlands-Indië en de doorwerking daarvan in latere generaties.

4.9 Thema 9: Betere bedrijfsvoering daar waar sprake is van fraude of de kwaliteit van zorg in geding komt

Fraude met zorggelden is ontoelaatbaar. De aanpak van zorgfraude vergt een ketenbrede inspanning; van preventie tot aan de inzet van handhavingsmiddelen zoals controle, toezicht, opsporing en vervolging. In 2025 zijn diverse verbeteringen in gang gezet om zorgfraude aan te pakken, alsook de criminaliteit in de zorgketen.

Op 1 januari 2025 is de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) in werking getreden. Deze wet lost belangrijke knelpunten in de gegevensuitwisseling op, waardoor ketenpartners zorgfraude beter kunnen aanpakken. Ook is, op enkele uitzonderingen na48, per 1 januari 2025 de vergunningplicht uitgebreid naar alle aanbieders die zorg verlenen op grond van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg. Met de middelen uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is in 2025 een noodzakelijke stap gezet om de aanpak van zorgfraude daadwerkelijk te kunnen verstevigen. Uitgebreide informatie over de voortgang van de aanpak van zorgfraude en de criminaliteit in de zorgketen is gegeven in recente Kamerbrieven.49

Private equity in de zorg

In de Kamerbrief van 5 maart 202550 is aangegeven dat er geen algemeen verbod komt op private equity. Een algeheel verbod zou de continuïteit en toegankelijkheid van zorg in gevaar brengen. In plaats van een algeheel verbod is ingezet op aangescherpte regulering. Hiervoor is aanvullende wetgeving naar de Tweede Kamer gestuurd. Dit betreft het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz).51 Met deze wet worden extra weigerings- en intrekkingsgronden gecreëerd voor zorgaanbieders met dubieuze bedrijfsvoering. Daarnaast moet deze wet helpen om excessieve winstuitkeringen en onverantwoorde winstgedreven overnames, waaronder bij/door private-equity partijen, tegen te gaan. In de Kamerbrief van 11 december 202552 is aangegeven dat een herbezinning plaatsvindt op hoe dit wetsvoorstel kan worden aangescherpt. Daarbij wordt onder andere gekeken naar aanscherpingen die zien op (private) investeerders met niet zuivere intenties. Daarnaast wordt er op dit moment gewerkt aan de aanscherping van de zorgspecifieke fusietoets van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om fusies en overnames meer inhoudelijk te kunnen toetsen.

4.10 Thema 10: Weerbare zorg

Het terugdraaien van de eerdere intensiveringen op het publieke gezondheid, gericht op pandemische paraatheid over de volle breedte van het zorgveld, conform het hoofdlijnenakkoord van Kabinet-Schoof is in 2025 beleidsmatig ingevuld door onder andere de SPUK voor de GGD te verlagen en de inzet op kennis en innovatie te verminderen. Dit betekent dat in 2025 de voorgenomen vergroting van personele capaciteit bij de GGD’en niet is uitgevoerd en dat een aantal voorgenomen (onderzoeks)trajecten, zoals rond het verbeteren van de modellering van infectieziekte uitbraken niet van start is gegaan

Daarnaast is in 2025 gewerkt aan het voorkomen dat op korte termijn onomkeerbare schade optreedt bij uitvoerders van de publieke gezondheidszorg en het ROAZ. Voor een aantal onderdelen is in het kader van weerbare zorg incidentele financiering beschikbaar gesteld. In juli 2025 heeft uw Kamer de stand van zaken brief omtrent weerbare zorg ontvangen waarin dit nader is toegelicht.

4.11 Thema 11: Duurzaamheid en gezondheidszorg

In 2025 is gewerkt aan het verduurzamen van de gezondheidszorg. Het Uitvoerings-programma verduurzaming (publieke) zorg en welzijn en de Green Deal Samen werken aan Duurzame Zorg 2023-2026 vormen hiervoor de basis. De Tweede Kamer is in april 2025 geïnformeerd over de voortgang hiervan.53

Zorgorganisaties signaleren en verminderen verspilling, besparen energie en grondstoffen, en maken processen efficiënter zonder in te leveren op kwaliteit.54 Zij zijn daar in 2025 bij ondersteund met kennis en praktische hulpmiddelen. Bijvoorbeeld met haalbare en direct toepasbare tips voor energiebesparing in operatiekamers, met aanbevelingen voor duurzamer vaccineren of met een toolkit ‘Samen duurzaam’ voor patiënten en cliënten in de langdurige zorg.55 Ook is het platform ‘De Groene Z’ gelanceerd. Dit platform biedt professionals in de zorg praktische handvatten om circulaire (inkoop)keuzes voor medische hulpmiddelen te maken. Een tweede ronde voor initiatieven voor duurzame zorg binnen de Innovatie- en Opschalingsregeling, onderdeel van Zorg voor Innoveren, sloot wegens groot succes voortijdig.56 Met het beschikbare budget zijn 39 aanvragen voor implementatie van duurzaamheidsinitiatieven gehonoreerd. Landelijke campagnes zoals «Zorg voor Energie57» en «Zorg zonder Afval58» en het derde Groene Zorgfestival bereikten een groot aantal zorginstellingen en zorgverleners.

De Green Deal is inmiddels door meer dan 650 partijen ondertekend.59 Onder andere met ‘proudly copied from’, netwerkbijeenkomsten en een bedrijventafel over circulariteit van medische hulpmiddelen is onderlinge uitwisseling van kennis en goede voorbeelden tussen ondertekenaars ondersteund. Een ‘nulmeting’ vormt de basis voor structureel inzicht in CO₂-uitstoot en andere milieu-indicatoren in de zorg.60

Mede dankzij inzet van Nederland is op Europees niveau nu toegestaan dat medische hulpmiddelen voor professioneel gebruik met een digitale in plaats van papieren gebruiksaanwijzing mogen worden geleverd in heel Europa. Dit scheelt veel papier. Daarnaast heeft Nederland een ontheffing gekregen voor een nationale pilot met digitale bijsluiters voor intramurale geneesmiddelen. Ook dit zal significant bijdragen aan verminderen van papiergebruik in de zorg.

4.12 Thema 12: Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking

In 2025 is voortgebouwd aan de uitvoering van de Toekomstagenda zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking (2022–2026). Het overkoepelende doel hiervan: een samenleving waarin iedereen met een beperking kan meedoen en een betekenisvol leven kan leiden. Een belangrijke stap dit jaar was de aanpassing van de bekostiging voor zorgprofielen voor kwetsbare doelgroepen.

Om bij te dragen aan beschikbare en goede zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking en een complexe zorgvraag zijn in 2025 47 zorgaanbieders ondersteund vanuit het ontwikkelprogramma complexe zorg.61 Voor deze doelgroep was een belangrijke stap dit jaar ook de aanpassing van de bekostiging. Aan het verder toekomstbestendig maken van zorg en ondersteuning draagt de Toekomstagenda bij door de inzet van zorgtechnologie en het gebruik van data te stimuleren. De innovatieroute heeft in 2025 een update gehad. Ervaringsdeskundigen van de Landelijke Federatie Belangenverenigingen Onderling Sterk (LFB) lieten tijdens gastlessen zien op mbo en hbo-scholen en bij zorgaanbieders hoe technologie bijdraagt aan hun zelfredzaamheid.

Ook is inzet gepleegd om zorg en ondersteuning in de Wmo voor mensen met een levenslange en levensbrede beperking beter passend, onder meer door het beperken van administratieve lasten voor mensen met een beperking en naasten. We ondersteunden gemeenten om met een (langere) beschikkingsduur te werken passend bij de (levenslange) ondersteuningsbehoefte van mensen met een beperking in de Wmo2015. Door middel van het opleveren van een handreiking, stappenplan, magazine en organiseren van webinars en workshops.

Ook is de door de branche-erkende opleiding Ervaringsdeskundige Verstandelijke Beperking door ontwikkeld en is in 2025 de herziene opleiding aan alle STERKplaatsen in Nederland aangeboden en uitgevoerd. Dit zijn concrete acties om ervoor te zorgen dat er meer kansen en mogelijkheden komen voor mensen met een beperking om zichzelf te ontplooien.

Het RIVM heeft in 2025 een plan van aanpak gemaakt voor de monitoring en evaluatie van de Toekomstagenda: zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking. Het plan van aanpak voor monitoring en evaluatie is aan de Tweede kamer gestuurd met de voortgangsrapportage Toekomstagenda 28 maart 2025.62

Ook is de formalisering gestart van de eerste vijfjarige rijksbrede werkagenda in het kader van het VN-verdrag Handicap63, opgesteld samen met mensen met een beperking en hun naasten. Dit is een belangrijke stap richting een toegankelijke en ontvankelijke samenleving

Persoonsgebonden budgetten

In het kader van gebruiksvriendelijker maken van het persoonsgebonden budget (pgb) is ook in 2025 verder gewerkt aan de transitie naar het zogeheten PGB Portaal: dit digitale portaal moet het beheer van pgb-zaken, van het opstellen van zorgovereenkomsten tot declaraties, centraliseren en toegankelijker maken voor budgethouders en zorgverleners. In 2025 zijn ook afspraken gemaakt met gemeenten, VNG en de Sociale verzekeringsbank (SVB) om voorbereidingen te treffen om gemeenten vanaf 2026 te laten aansluiten op dit portaal. Daarnaast is de wetswijziging Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) voorbereid, is een verkenning gestart naar andere financieringsmogelijkheden waaronder het Vlaams model en wordt samen met de pgb-keten verkend hoe het werkgeverschap voor budgethouders én uitvoerders makkelijker gemaakt kan worden.

4.13 Thema 13: Geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling

In 2025 zijn stappen gezet in de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel ten behoeve van de implementatie van de EU-Richtlijn ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Ook wordt samen met gemeenten gewerkt aan lokale versterking van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. In het verlengde daarvan heeft het kabinet in 2025 besloten om vanaf 2026 € 12 miljoen per jaar beschikbaar te stellen voor extra opvangplaatsen in de vrouwenopvang waarmee de capaciteit wordt vergroot en tekorten aan opvangplekken worden aangepakt. Daarnaast is in 2025 ingezet op verstevigen van Veilig Thuis onder andere door de lancering van het digitale platform. Als onderdeel van de uitvoering van het plan van aanpak Stop Femicide! is gewerkt aan de doorontwikkeling van risicotaxatie instrumenten en is samen met het veld gewerkt aan deskundigheidsbevordering voor professionals.

Binnen het Nationaal Actieprogramma Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag en Seksueel Geweld is ingezet voor een integrale en preventieve aanpak, samen met OCW, SZW en JenV. Er zijn trainingen en ondersteuningsprogramma's ontwikkeld voor onderwijs, zorg, werk en sport, gericht op vroegsignalering en het creëren van een veilige cultuur.

Het Actieplan Samen tegen Mensenhandel is in 2025 verder uitgevoerd. Via voorlichting en scholing van zorgprofessionals is gewerkt aan het vergroten van bewustwording en meldingsbereidheid, zodat signalen van mensenhandel eerder worden herkend en gemeld.64 In samenwerking met ketenpartners is gewerkt aan de ontwikkeling van een landelijk verwijzingsmechanisme, dat slachtoffers binnen 36 uur toegang moet bieden tot passende zorg en opvang. 65 Het netwerk van regionale zorgcoördinatoren is verder versterkt en de samenwerking tussen zorg- en veiligheidspartners verbeterd. Daarnaast is bijgedragen aan monitoring en kennisontwikkeling om te komen tot een samenhangende en slachtoffergerichte aanpak van mensenhandel.

4.14 Thema 14: Caribisch Nederland

In 2025 is de zorg en ondersteuning in Caribisch Nederland verder versterkt, met speciale aandacht voor de uitdagingen die de kleinschaligheid van de eilanden met zich meebrengt. De Commissie Zorg Caribisch Nederland is opgericht om de bevindingen uit het Health in Transition (HiT)-rapport te duiden en op basis daarvan aanbevelingen te formuleren om toe te werken naar een zorgstelsel in Caribisch Nederland dat op een gelijkwaardig niveau functioneert als in Europees Nederland, rekening houdend met de specifieke context van de eilanden. De strategische aanbevelingen richten zich op meerdere thema’s, waaronder preventie en gezondheidsbevordering, kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg en de arbeidsmarkt voor zorgprofessionals. In 2025 is het aansprakenpakket voor Caribisch Nederland aangepast. In lijn met Europees Nederland is het aansprakenpakket uitgebreid en verduidelijkt, onder meer door het aanpassen van voorwaarden voor revalidatie- en oefentherapie en het verduidelijken van bepaalde medisch-specialistische aanspraken. Daarnaast zijn binnen het aansprakenpakket specifieke aanpassingen doorgevoerd die gelden binnen de context van Caribisch Nederland. Deze betreffen onder andere wijzigingen rond medische uitzendingen, begeleiders en enkele beoordelingscriteria. Tot slot is het door werkgevers te betalen premiepercentage voor de zorgverzekering per 1 januari 2025 met 2,4% verlaagd. Het wettelijk minimumloon is verhoogd naar 1.750 USD en de premieverlaging is bedoeld om de werkgevers tegemoet te komen.66

Voorts is per 1 januari 2025 regelgeving voor maatschappelijke ondersteuning in werking getreden. Vanaf dat moment doorlopen inwoners de beschreven procedure voor hun aanvraag. De openbare lichamen zijn ondersteund bij de doorontwikkeling van hun algemene voorzieningen en het aanbod van maatwerkvoorzieningen is verder uitgebreid. Dezelfde regelgeving voorziet tevens in een verplichte beschermingscode huiselijk geweld en kindermishandeling.67

In 2025 hebben de beschermingscode-plichtige organisaties ondersteuning ontvangen bij de implementatie hiervan en heeft er een publiekscampagne plaatsgevonden om bewustzijn te vergroten. De extra middelen die in 2025 meerjarig zijn toegekend om de zorg voor jongeren met complexe problematiek te verbeteren, zijn ingezet voor het versterken van het pedagogisch klimaat en van de organisatie bij een instelling voor residentiële jeugdzorg op Bonaire. Op het gebied van sport en spelen zijn er speelakkoorden gesloten met de drie openbare lichamen om meer en betere speelruimte te creëren voor kinderen en jongeren en heeft van 21 tot en met 23 november 2025 op Curaçao de tweede editie plaatsgevonden van de Special Olympics Kingdom Games.

Tenslotte wordt er gewerkt aan versterking van preventie en samenwerking tussen zorg, welzijn en lokale overheden via de Health Deal Caribisch Nederland, met aandacht voor chronische ziekten en gezonde leefstijl. In 2025 is de eerste basis hiervoor gelegd en zal in 2026 verder worden gecontinueerd.68

4.15 Realisatie periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen

Toelichting

Conform de opbouw van de verantwoording ligt in deze passage de focus op de voortgang van de Periodieke Rapportages (PR) en eerdere Beleidsdoorlichtingen als onderdeel van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van VWS. Een Periodieke rapportage geeft elke 4 ‒ 7 jaar voor ieder SEA-thema een totaalbeeld van de bereikte doeltreffendheid, doelmatigheid en de voorwaarden hiervoor. De opgenomen beleidsdoorlichting is de resultante van het evaluatieprogramma zoals deze tot en met 2017 door VWS werd gehanteerd, waarbij in 2019 de laatste doorlichting is afgerond.

Vanaf 2018 is deze agenda vervangen door eerst het Meerjarenprogramma van de pilot Lerend evalueren van VWS. Het doel van de pilot was om werkende weg het inzicht in de kwaliteit van het beleid te verbeteren. Het jaarverslag over 2023 van VWS bevat een uitgebreid overzicht van de uitgevoerde evaluaties ten tijde van de pilot lerend evalueren over de planperiode 2018-2023. De nieuwe programmering is niet begrensd door de begrotingsindeling van VWS, daar waar dat aan de orde is worden ook betreffende premiegefinancierde zorguitgaven meegenomen. Deze aanpak heeft een belangrijke impuls gegeven aan de lancering van het instrument SEA waarbij 2021-2023 overgangsjaren waren voor de invoering ervan.

Tabel 2 Realisatie Periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen

BD/PR

Thema

Artikel(en)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Kamerstuk

BD

Zorgbreed beleid

4 (delen)

x

      

Beleidsdoorlichting begrotingsartikel 4.3 Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling (TK nr. 32772-35)

PR

Arbeidsmarkt en opleidingen zorg

4 (deel)

      

x

Periodieke rapportage ‘Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn’ (TK nr. 29282-616)

PR

Geneesmiddelen en medische technologie

Premiegefinanceerde zorguitgaven (PZ)

      

x

Zie onderstaande toelichting

Voor het meest recente overzicht van de programmering van periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen, zie het overzicht Ingepland en uitgevoerd onderzoek op de site van Rijksfinancien.nl. In de verantwoording over de SEA 2025, staan in dit deel de uitvoering van de ingeplande Periodieke rapportages centraal. Voor de realisatie van de in 2025 afgeronde (evaluatie)onderzoeken wordt verwezen naar de bijlage 2. Afgerond evaluatie- en overig onderzoek.

Periodieke rapportage Arbeidsmarkt- en Opleidingsbeleid

In de Periodieke rapportage is onderzocht op welke wijze de doeltreffendheid en doelmatigheid van het arbeidsmarkt- en opleidingsbeleid kan worden vergroot, rekening houdend met de rol die het ministerie van VWS hierin kan en hoort te spelen. Geconcludeerd wordt dat het opleidingsbeleid vaak potentieel doeltreffend is, maar dat er nog een gebrek is aan harde metingen. De doelmatigheid is potentieel beperkt door het risico van overcompensatie en verdringing van private investeringen. Wat betreft het arbeidsmarktbeleid is er door een gebrek aan samenhang en systematische evaluatie geen oordeel mogelijk.

De onderzoekers bevelen aan om de verantwoordelijkheid voor opleiden en goed werkgeverschap (deels) bij het veld zelf neer te leggen. Hier horen alternatieve instrumenten naast subsidies bij. VWS zou het arbeidsmarkt en opleidingen-beleid primair moeten richten op het scheppen van de juiste randvoorwaarden om de arbeidsmarkt en het opleidingsstelsel binnen de zorg goed te laten functioneren. Verder dient VWS de faciliterende rol die het de laatste jaren ten aanzien van de arbeidsmarkt heeft aangenomen, te bestendigen en voorlopers te ondersteunen bij de toepassing van technologie en nieuwe werkvormen om zo een cultuuromslag richting meer innovatie binnen de sector te realiseren. Wat betreft het evaluatiebeleid is de aanbeveling om bij toekomstig te ontwikkelen beleid concrete, meetbare doelstellingen te formuleren die voortkomen uit een expliciete beleidstheorie. Vervolgens dient aan de voorkant helder te worden gemaakt hoe het nieuwe beleid wordt geëvalueerd. Daar waar resultaten van beleid met min of meer eenduidige indicatoren te vatten zijn, zou het streven moeten zijn om het instrument (of samenhang van instrumenten) door een onafhankelijke partij te evalueren middels een (quasi-experimenteel) effectonderzoek (zoals een verschil-in-verschilanalyse) in plaats van alleen op basis van kwalitatieve percepties van partijen die baat hebben bij de betreffende regeling.

Toelichting status Periodieke rapportage geneesmiddelen en medische technologie

De einderesultaten van de Periodieke rapportage zijn in Q4 2025 opgeleverd. De Kamerbrief met (beleids)reactie is in voorbereiding en zal in Q1 2026 naar de Tweede Kamer worden gestuurd. De vertraging is mede het gevolg van de demissionaire status van het vorige kabinet.

Programmering Periodieke rapportages VWS 2026-2031

In de begroting 2026 zijn ten aanzien van de programmering en planning een aantal onderbouwde aanpassingen in de SEA doorgevoerd. Voor een eenduidige toelichting zijn deze actualisaties ook in onderstaande toelichting verwerkt:

Tabel 3 Programmering Periodieke rapportages
  

Begrotingsartikelen

        

Thema / Periodieke rapportage

Eerstvolgende Periodieke rapportage

1

2

3

4

5

6

7

8

PZ

Volksgezondheid, Sport en Bewegen

2028

x

        

Curatieve 1e en 2e lijnszorg

2027

 

x

       

Geestelijke gezondheidszorg

2028

 

x

x

 

x

    

Geneesmiddelen en medische technologie

2031

        

x

Jeugd

2030

    

x

    

Maatschappelijke ondersteuning

2026

  

x

      

Ouderenzorg en palliatieve zorg

2028

  

x

      

Gehandicaptenzorg

2027

  

x

      

Arbeidsmarkt en opleidingen zorg

2031

   

x

     

Overig, stelsel en sturing, zoals:

n.v.t.

         

* OHW

       

x

  

* Zorgtoeslag

        

x

 

* Carbisch / BES

 

x

  

x

     

4.16 Risicoregelingen

Tabel 4 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 20241

Verleend 2025

Vervallen 2025

Uitstaande garanties 2025

Garantie-plafond

Totaal plafond

Totaalstand risico-voorziening

Artikel 2. Curatieve zorg

Voorzieningen tbv De Hoogstraat (WFZ)

3.880

0

833

3.047

 

3.047

 

Artikel 2. Curatieve zorg

Voorzieningen tbv ziekenhuizen (WFZ)

58.566

0

13.703

44.863

 

44.863

 

Artikel 3. Langdurige zorg en ondersteunig

Voorzieningen tbv verpleeghuizen (WFZ)

2.071

0

533

1.538

 

1.538

 

Artikel 3. Langdurige zorg en ondersteunig

Voorzieningen tbv psychiatrische instellingen (WFZ)

4.937

0

1.172

3.765

 

3.765

 

Artikel 3. Langdurige zorg en ondersteunig

Voorzieningen tbv zwakzinnigen inrichtingen (WFZ)

708

0

181

527

 

527

 

Artikel 3. Langdurige zorg en ondersteunig

Voorzieningen tbv instellingen gehandicapten (WFZ)

4.672

0

1.027

3.645

 

3.645

 

Artikel 3. Langdurige zorg en ondersteunig

Voorzieningen tbv zwakzinnigen-inrichtingen (WFZ)

1.862

0

222

1.640

 

1.640

 

Artikel 3. Langdurige zorg en ondersteunig

Voorzieningen tbv instellingen gehandicapten (WFZ)

20.594

1.138

3.428

18.304

 

18.304

 

Artikel 2. Curatieve zorg

Garantie NRG Petten2

27.978

1.231

0

29.209

 

29.209

 

Artikel 1. Volksgezondheid

Garantie Bestuurlijke aansprakelijkheid SON

2.500

0

0

2.500

 

2.500

 

Totaal

 

127.768

2.369

21.099

109.038

0

109.038

0

1

Door afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.

2

Betreft geen nieuwe verlening in 2019 maar een gedeeltelijke overheveling van een bestaande garantie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Toelichting Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ)

Doel en werking garantieregeling

De in de tabel vermelde verstrekte garanties komen voort uit drie aparte regelingen: de Garantieregeling inrichtingen voor gezondheidszorg 1958, de Rijksregeling Dagverblijven voor gehandicapten inzake erkenning, subsidiëring, verlening van garanties en toezicht uit 1971 en de Rijksregeling Gezinsvervangende Tehuizen voor gehandicapten, ook uit 1971. De betreffende regelingen dateren uit een tijd dat de overheid een expliciete verantwoordelijkheid had voor bouw en spreiding van intramurale zorgvoorzieningen. Door het afgeven van de garanties was het voor zorginstellingen eenvoudiger om via institutionele beleggers, en in latere jaren door banken, financiering te krijgen voor investeringen in hun vastgoed.

Beheersing risico’s en versobering

De Rijksgarantieregelingen zijn rond de eeuwwisseling gesloten voor nieuwe gevallen waardoor het financiële risico van het ministerie van VWS door reguliere en vervroegde aflossing van de uitstaande leningen geleidelijk wordt afgebouwd. De laatste rijksgegarandeerde lening loopt af in 2043. De aflossingen in 2025 bestaan voor € 19,8 miljoen uit reguliere aflossingen en voor € 0,1 miljoen uit vervroegde aflossingen, waardoor de stand per 31-12-2025 € 77,3 miljoen is. Het monitoren van de instellingen aan wie een rijksgarantie verstrekt is, alsmede van de leningen, wordt sinds 2004 in mandaat uitgevoerd door het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) namens de minister van VWS.69 Instellingen die financieel in de gevarenzone dreigen te komen, worden door het WFZ onder verscherpte bewaking gesteld waarbij onder meer frequent informatie wordt ingewonnen. Indien een zorginstelling met een geborgde lening niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen dan neemt het ministerie van VWS in een dergelijk geval de betalingsverplichting van de zorginstelling over. Dit betekent dat een schade niet ineens hoeft te worden uitgekeerd, maar ook verspreid over de resterende looptijd van de lening kan worden betaald.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor de afgegeven garanties worden geen risicopremies doorberekend en dit is op basis van de afgesloten contracten ook niet mogelijk.

Tabel 5 Overzicht achterborgstellingen (bedragen x €1.000.000)
 

2024

20251

Achterborgstelling (incl. failliete deelnemers)

5.779,4

5.638,7

Bufferkapitaal

297,8

302,0

Obligo

173,0

170,3

1

Voorlopige cijfers waarvan de controle nog niet is afgerond.

Toelichting

Doel en werking garantieregeling

De bovenstaande tabel is gebaseerd op gegevens van het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ). Het WFZ verstrekt garanties aan financiële instellingen voor leningen van de bij het WFZ aangesloten leden. De Staat is achterborg voor het WFZ. Het WFZ is voortgekomen uit de financieringsproblemen voor zorginstellingen die ontstonden begin jaren '90 van de vorige eeuw. Het WFZ is door de koepels in de sector opgericht om de financiering voor zorginstellingen te vergemakkelijken en daarmee de continuïteit van de zorg veilig te stellen. Het totaalbedrag aan uitstaande verplichtingen is volgens de raming van het WFZ € 5,6 miljard in 2025.

Beheersing risico’s en versobering

De risico’s voor het ministerie van VWS van de achterborg worden beperkt door een aantal maatregelen. Allereerst kent het WFZ een selectieve toelating. Voor deelname aan het WFZ moeten zorginstellingen hun financiële situatie voldoende op orde hebben. Daarnaast worden garanties alleen verstrekt aan vertrouwenwekkende investeringen. Te risicovolle projecten worden niet geborgd. Verder zijn aangesloten leden gebonden aan het reglement van het WFZ en de daarin omschreven risicobeperkende bepalingen. Een deelnemer mag bijvoorbeeld niet zonder toestemming van het WFZ gebruik maken van rentederivaten. In het kader van het kabinetsbeleid van versobering van risicoregelingen heeft een evaluatieonderzoek van het WFZ plaatsgevonden.

Premiestelling en kostendekkendheid

Het ministerie van VWS ontvangt geen premie voor de achterborg. Zorginstellingen betalen een eenmalige premie (disagio) voor de garantstelling aan het WFZ. Hiermee bouwt het WFZ een risicovermogen op waarmee eventuele claims kunnen worden gedekt. Als dit risicovermogen onvoldoende zou zijn om eventuele schades te dekken, kunnen de deelnemers aan het WFZ via de zogenaamde obligo worden verplicht een financiële bijdrage te leveren van maximaal 3% van de uitstaandegaranties van de instelling. Als het risicovermogen van het WFZ en de obligoverplichting van de deelnemers tezamen niet voldoende zijn voor het WFZ om aan zijn verplichtingen richting geldverstrekkers te kunnen voldoen, kan het WFZ zich richting VWS beroepen op de achterborg. Dit houdt in dat op dat moment VWS het WFZ van een lening zal voorzien zodat het WFZ aan zijn verplichtingen kan voldoen. Het WFZ heeft nog nooit een beroep hoeven doen op de obligoverplichting van de WFZ-deelnemers.

Begrotingsreserve

Het is nog nooit nodig geweest voor het WFZ om de achterborg van het Rijk in te roepen. Niettemin is besloten om in het kader van de verdere beperking van de risico’s vanaf het jaar 2017 een begrotingsreserve aan te leggen voor eventuele schade in het kader van de achterborg. Deze begrotingsreserve is opgenomen onder artikel 9.

Toelichting verstrekte garantie t.b.v. NRG Petten

Aan NRG Pallas BV voorheen Stichting Nuclear Research and Consultancy Group (NRG) is door het ministerie van EZK een lening verstrekt voor het uitwerken en uitvoeren van een Herstelplan, in algemene zin gericht op de continuïteit van de bedrijfsvoering van NRG en in het bijzonder op het scheppen van de noodzakelijke financiële, technische, commerciële en organisatorische voorwaarden voor het in bedrijf houden van de Hoge Flux Reactor (HFR). Het ministerie van VWS staat voor 40% garant voor deze lening. De € 1,2 miljoen toevoeging bestaat uit rentebijschrijving.

Toelichting verstrekte garanties t.b.v. Bestuurlijke aansprakelijkheid SON

Stichting Open Nederland (SON) die testcapaciteit voor toegangstesten heeft georganiseerd om de samenleving zoveel mogelijk open te houden, heeft een verzekering voor bestuurdersaansprakelijkheid gevonden die met terugwerkende kracht per 21 april 2021 ingaat. Deze verzekering dekt niet alles. Het ministerie van VWS heeft daarom een garantie verstrekt met een plafond van € 2,5 miljoen voor mogelijke juridische kosten en claims die niet gedekt worden door de verzekering. De Stichting heeft dit nodig om de leden van de raad van toezicht en de leden van het bestuur de zekerheid te kunnen bieden dat zij geen persoonlijke schade kunnen ondervinden van hun functie. Het toetsingskader is opgenomen in de bijlage van de achtste incidentele suppletoire begroting 2022.

69

Besluit van 17 december 2003, Staatscourant 2004 nr. 7 blz. 11

4.17 Focusonderwerp: Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld

Het verkrijgen van inzicht in de belangrijkste risico’s voor de effectieve en doelmatige inzet zijn nodig om beter te sturen op de beheersing van die risico’s in de verantwoording. In deze paragraaf wordt ingegaan op drie concrete gesignaleerde risico’s, budgettair omvangrijke en/of strategisch belangrijke programma’s. Deze risico’s vragen om een voldoende mate van beheersing zodat nu of in de toekomst grote negatieve maatschappelijke impact wordt voorkomen. Voor de drie gesignaleerde risico’s worden de maatregelen beschreven die in 2025 worden ingezet om het risico procesmatig te beheersen. Deze risico's sluiten aan bij eerder gerapporteerde risico's aan de Tweede Kamer (TK)70. De uitkomsten van de getroffen maatregelen en de beheersing van deze risico’s zijn onderdeel van de bedrijfsvoeringsparagraaf (paragraaf 6.1).

Externe inhuur – naleving Wet DBA

Begin 2025 worden binnen VWS (inclusief Agentschappen) ruim 1.000 medewerkers extern ingehuurd. Deze medewerkers vallen allemaal onder de Wet DBA. Na de aankondiging van de belastingdienst in 2024 dat vanaf 1 januari 2025 deze Wet actief zal worden gehandhaafd is hier een risico gesignaleerd voor VWS. Zowel voor de naleving, dossier fiscaal op orde, als op het gebied van het voorbeeld wat het Rijk moet stellen aan de maatschappij.

Eind 2024 is in samenwerking tussen bedrijfsvoering Personeel en Organisatie, Inkoop en Fiscaal Coördinator een werkgroep opgestart onder aansturing van een stuurgroep. De werkgroep heeft een nulmeting uitgevoerd op alle aanwezige externe inhuurdossiers per 1 januari van VWS kern, de onderdelen hebben zelfstandig een nulmeting gedaan. De externe inhuurdossiers waar sprake was van een zzp-er is een beoordeling gedaan aan de hand van een beslisboom om een oordeel te geven of er sprake is van schijnzelfstandigheid (directe en indirecte inhuur).

Op basis van de uitgevoerde nulmeting was het fiscale dossier op orde gebracht en was de conclusie dat het risico in het kader van de Wet DBA beperkt zijn (bedrijfsvoeringsparagraaf 6.1). Vanwege de complexiteit van de wetgeving en de interpretatie die hierin schuilt is wel verder gewerkt aan procesoptimalisatie rondom de externe inhuur en de verrijking van de beslisboom. Beide stappen dragen bij aan het begrip en uitwerking van de Wet DBA zodat ook uniformiteit en objectiviteit in de beoordeling van schijnzelfstandigheid wordt bevorderd. 

Herstel- en Veerkrachtplan

Op 8 juli 2022 heeft het Kabinet het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) ingediend bij de Europese Commissie. VWS is verantwoordelijk voor de uitvoering van drie maatregelen binnen het HVP: de Stimuleringsregeling E-Health Thuis COVID-19, IC-opschaling en de Tijdelijke extra personele capaciteit voor de zorg in crisistijd. Deze maatregelen vormen de volledige verantwoordelijkheid van VWS binnen het HVP.

Binnen VWS zijn deze maatregelen gecentreerd onder de directie Financieel Economische Zaken (FEZ) zodat directe sturing op deze mijlpalen en doelstellingen kan plaatsvinden. De wet- en regelgeving rondom de verantwoording van de bestede gelden is helder geformuleerd. Daarbij is zowel nationale als Europese wet- en regelgeving van toepassing, wat maakt dat een gestructureerde manier van werken essentieel is. Daarnaast is goede afstemming noodzakelijk om te waarborgen dat de verantwoording correct en volledig plaatsvindt. De dossiervorming en verantwoordingsinformatie zijn daarom binnen FEZ belegd bij één functionaris die als actiehouder verantwoordelijk is voor dit dossier. Het werken met één actiehouder, één werkwijze en heldere mijlpalen maakt dat de verantwoording van HVP beheersbaar gemaakt is (bedrijfsvoeringsparagraaf 6.1). Naast afstemming binnen VWS zijn ook op verschillende momenten afstemmingen met andere departementen omdat deze opgave ook Rijksbreed is aangegaan.

Pallas

Gedurende het verantwoordingsjaar 2025 zijn diverse veranderingen opgetreden in de aansturing van het PALLAS nieuwbouwprogramma. Binnen VWS is dit programma gecentreerd onder de Programmadirectie Medische Isotopen (PMI). Vanwege de financiële omvang en het risicoprofiel van het PALLAS-nieuwbouwprogramma, heeft de Tweede Kamer begin januari dit programma aangewezen als een groot project conform de Regeling Grote Projecten. Deze regeling kent een aantal belangrijke waarborgen die de risico’s beter beheersbaar maken. Op deze waarborgen bestaat voor VWS de verplichting om periodiek een voortgangsrapportage aan te bieden aan de Tweede Kamer. Vanaf 2026 wordt dit halfjaarlijks gestuurd.

Deze regeling brengt daarnaast met zich mee dat de Auditdienst Rijk (ADR) aan de Tweede Kamer rapporteert over de door VWS aan de Kamer aangeboden (voortgang)rapportages. De rapportage van de ADR ziet enerzijds toe op assurance ten aanzien van historische financiële informatie in de voortgangsrapportages en anderzijds een ‘overige opdracht’ in termen van de standaarden van de NBA, waarbij de ADR aansluit bij de wensen die volgen uit de informatiebehoefte van de Tweede Kamer. De door de ADR gerapporteerde constateringen en aanbevelingen worden in het audit committee besproken. de aanbevelingen worden door PMI gewogen en waar nodig geacht opgevolgd teneinde het Pallas-nieuwbouwprogramma adequaat te kunnen beheersen.

4.18 Openbaarheidsparagraaf

Inleiding

In de samenleving en binnen het Rijk groeit de behoefte aan gerichte informatie en transparantie. De overheid streeft ernaar om een open overheid te zijn. Door informatie actief openbaar te maken, krijgt de samenleving beter zicht op keuzes van de overheid en afwegingen hierbij. Ook is er bij een open overheid meer ruimte om samen met burgers beleid te maken. Een goede digitale informatiehuishouding is hierbij een randvoorwaarde.

Binnen het ministerie van VWS lopen trajecten in het kader van een open overheid. Daaronder ook het vijf jaar durende programma VWS Open op Orde (2021-2026).

Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. De Woo beoogt een transparante en actief openbaar makende overheid. Met dit doel kan het belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische rechtsstaat, de burger, het bestuur en economische ontwikkeling beter worden gediend. De Woo legt het ministerie van VWS de verplichting op van zowel passieve als actieve openbaarmaking. Bij passieve openbaarmaking (op verzoek) gaat het om Woo-verzoeken waarbij een verzoek ingediend wordt om informatie openbaar te maken binnen een vaste termijn. Bij actieve openbaarmaking is VWS verplicht om bepaalde categorieën informatie (cf. koninklijk besluit) en uit eigen beweging openbaar te maken.

Om openbaarmaking structureel en duurzaam te kunnen organiseren is het van belang dat de informatiehuishouding van VWS op orde is. De Woo bevat een algemene zorgplicht om documenten in goede, geordende en toegankelijke staat te houden en schrijft maatregelen voor om digitale documenten duurzaam toegankelijk te maken. Sinds de inwerkingtreding van de Woo is het aantal verzoeken overheidsbreed toegenomen en wordt de uitvoering complexer. Hierbij loopt VWS tegen diverse uitvoeringsproblemen aan. Dit betekent dat VWS haar organisatie zodanig moet inrichten dat actieve en passieve openbaarmaking op verzoek zo optimaal mogelijk gerealiseerd kunnen worden. Niet alleen op grond van de Wet open overheid (Woo), maar ook naar aanleiding van parlementaire enquêtes. Dit geldt in het bijzonder voor de parlementaire enquête COVID-19.

Actieve openbaarmaking

Beslisnota’s bij Kamerstukken over beleidsvorming, wetgeving, voortgang, kennisdeling, begroting en internationale en Europese onderhandelingen worden meegestuurd naar de Kamer.

Sinds 1 november 2024 zijn de eerste informatiecategorieën verplicht die vallen onder actieve openbaarmaking van de Woo. Het kerndepartement van VWS voldoet aan de verplichtingen van deze tranche 1, eveneens als de meeste concernonderdelen. Kennis is en wordt verspreid om ervoor te zorgen dat alle onderdelen gaan voldoen aan deze verplichting.

Sinds 1 juli 2025 worden adviesaanvragen aan formeel ingestelde adviescolleges en -commissies actief openbaar gemaakt door VWS-kern. Adviezen en adviesaanvragen over individuele gevallen zijn uitgezonderd. De Directie Open Overheid faciliteert en ontzorgt bij het lak- en publicatieproces om informatie verantwoord openbaar te maken. De komende tijd zullen meer informatiecategorieën actief openbaar gemaakt gaan worden.

Passieve openbaarmaking

Met ingang van 1 april 2025 behandelt de centrale directie Open Overheid (DOO) alle reguliere Wet open overheid verzoeken van VWS én alle Wob/Woo-verzoeken, die betrekking hebben op de COVID-19 periode. De directie voert met ingang van 1 juli 2025 ook de Bezwaar en Beroepzaken voor de Woo uit.

De centrale directie Open Overheid is binnen VWS de proceseigenaar en kadersteller voor een zorgvuldig proces van openbaarmaking. Zorgvuldig, omdat ook het beschermen van mensen, gegevens en de Staat van belang is hierbij. VWS hecht eraan dat de openbare stukken goed vindbaar en doorzoekbaar zijn. Daarvoor heeft VWS ten tijde van de corona-crisis het platform open.minvws.nl ontwikkeld. Inmiddels plaatst VWS daar alle stukken die onder de Woo openbaar gemaakt worden.

Op deze manier krijgen journalisten en geïnteresseerde burgers inzicht in de beleidsvorming van het kerndepartement en de afwegingen die daarbij zijn gemaakt. Zo worden zij in staat gesteld om geïnformeerd te worden, VWS te controleren en indien nodig tot verantwoording te roepen. Het houdt het departement scherp en draagt daarom bij aan de werking van ons democratisch stelsel.

Innovatie

Het ministerie van VWS ontwikkelde ten tijde van- en na de coronacrisis instrumenten om de grote hoeveelheden documenten en informatie voor verzoekers vindbaar, begrijpelijk en doorzoekbaar te maken.

De directie Open Overheid bouwt voort op wat in crisistijd is gestart. VWS levert daarmee haar bijdrage aan het realiseren van de strategieën geformuleerd in de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (2025). De innovaties van DOO maken het makkelijker om overheidsinformatie digitaal te verwerken, categoriseren, archiveren, anonimiseren en (actief) openbaar te maken. Deze innovaties stelt VWS ter beschikking aan ander overheidsinstanties. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Het Publicatieplatform met chatbot-functionaliteit en persoonlijke link;

  • Een Ontdubbelings-mechanisme voor chatberichten;

  • De Excel Standardiser om Excel-bestanden leesbaar, bruikbaar actief openbaar te maken;

  • Autoredactieregels in ZyLAB

  • Het Zaakvolgsysteem waarmee de voortgang en status van Woo-verzoeken en bezwaar- en beroepszaken wordt gevolgd.

  • De Datalek-detecteertool die geautomatiseerd datalekken opspoort;

  • Persoonlijk dossier ZyLAB. Een persoonlijk dossier is een gepersonaliseerde en gecategoriseerde webpagina waarmee alle documenten in de persoonlijke omgeving door verzoekers te raadplegen zijn.

  • Actieve openbaarmaking van tijdlijnen coronacrisis.

Verbetering van de informatiehuishouding

Om informatie (actief) beschikbaar te kunnen stellen, te kunnen verantwoorden en de bedrijfsprocessen goed te laten verlopen is het belangrijk om overheidsinformatie goed op te slaan. Als we onze informatie op orde hebben, kunnen we als ministerie van VWS goed samenwerken, open, transparant en betrouwbaar zijn.

Vanuit de actielijn Informatieprofessionals is enerzijds aandacht voor capaciteit en opleiding van de informatieprofessionals en anderzijds richt zich het op het informeren van de medewerkers in het gehele departement over goed informatiebeheer. Hiervoor zijn bij VWS binnen actielijn 1 diverse activiteiten ontwikkeld, waaronder een campagne bij VWS kern ten behoeve van bewustwording en gedragsverandering voor alle medewerkers.

Vanuit de actielijn Volume en Aard van de informatie is er in 2025 aandacht geweest voor de rijksbreed lopende trajecten rondom het archiveren van chatberichten en het archiveren van e-mailberichten en sociale media en websitearchivering. Tevens zijn er bij concernonderdelen belangrijke stappen gezet in het vaststellen van de informatiebeheerplannen en is het informatiebeheerplan bij VWS kern vastgesteld.

Vanuit de actielijn Informatiesystemen wordt er ingezet op de verbetering van architectuur, systemen en applicaties. Vanuit deze actielijn moet er meer aandacht komen voor ‘archiving by design’ waar aan de voorkant wordt gekeken naar de duurzame toegankelijkheid van informatie over de hele levenscyclus. VWS is één van de deelnemers departementen aan het programma VWS is één van de deelnemers departementen aan het programma Beter Samen Werken (BSW) dat als doel heeft het creëren van een optimale digitale werkomgeving voor de rijksambtenaar, die informatiehuishouding, samenwerking en openbaarmaking beter moet gaan ondersteunen. Vanuit de actielijn Bestuur en naleving wordt ingezet op het versterken van de onderlinge samenwerking op het gebied van informatiehuishouding binnen het concern en in aansluiting op de rijksbrede ontwikkelingen. In 2025 is de kennisdeling binnen het concern gecontinueerd via bijeenkomsten met de programmamanagers Open op Orde. Daarnaast werkt VWS toe naar structurele inbedding van de informatiehuishouding in en een verantwoordingscyclus.

4.19 Onderuitputting

Bij het jaarverslag van 2023 besteedden departementen, op verzoek van de Tweede Kamer, aandacht aan resultaatbereik in relatie tot onderuitputting. Voor dit focusonderwerp werd een bijlage voorgeschreven. Vanwege de politieke actualiteit moet het onderwerp onderuitputting sinds 2024 verplicht worden opgenomen in het beleidsverslag bij het jaarverslag.

Aan de hand van onderstaande tabel wordt de totale onderuitputting gepresenteerd. Daarbij worden de grootste en belangrijkste meevallende realisaties toegelicht. De netto-begroting bevat de stand van de ontwerpbegroting exclusief de instrumenten «bekostiging» en 'inkomensoverdrachten'.

Tabel 6 Grootste posten met onderuitputting in 2025

Omschrijving onderuitputting

Bedragen in miljoenen euro

Als % v.d. vastgestelde netto-begroting 2025

Hogere ontvangsten sport (artikel 6)

‒ 50,1

‒ 0,8%

Begrotingsreserve stimuleringsregeling wonen (artikel 3)

‒ 50,0

‒ 0,8%

Meevaller verhuiskosten RIVM (artikel 9)

‒ 41,3

‒ 0,6%

Meevaller ontvangsten (artikel 4)

‒ 35,2

‒ 0,5%

Meevaller apparaatskosten VWS (artikel 10)

‒ 30,5

‒ 0,5%

Meevaller subsidies (artikel 4)

‒ 29,6

‒ 0,5%

Hogere ontvangsten SPUK IZA (artikel 3)

‒ 25,5

‒ 0,4%

Meevaller ZonMw uitvoering project PharmaNL (artikel 2)

‒ 21,1

‒ 0,3%

Meevaller IOHVV-middelen (artikel 4)

‒ 19,1

‒ 0,3%

Meevaller opdrachten (artikel 4)

‒ 16,1

‒ 0,2%

Meevaller ZonMw (artikel 1)

‒ 16,0

‒ 0,2%

Bekostiging zorg BES-eilanden (artikel 4)

‒ 14,3

‒ 0,2%

Hogere ontvangsten betalingsachterstand zorgpremie (artikel 2)

‒ 12,9

‒ 0,2%

Afrekening bijdragen RIVM 2022 en 2023 (artikel 1)

‒ 12,3

‒ 0,2%

Ruimte SOV-regeling (artikel 2)

‒ 11,6

‒ 0,2%

Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg (artikel 3)

‒ 10,5

‒ 0,2%

Overige meevallers en tegenvallers

32,3

0,5%

Totaal

‒ 363,7

‒ 5,6%

Hogere ontvangsten sport

Door vaststelling en afrekeningen op diverse regelingen vond incidenteel in 2025 hogere ontvangsten plaats op artikel 6. Dit betreft onder andere de SPUK Meerkosten Energie Openbare Zwembaden (MEOZ), de Tegemoetkoming Amateur Sport Organisaties (TASO), de regeling voor topsportcompetities en -evenementen (STIK) en de Stimulering Sport. De ontvangstraming is daarom met € 35 miljoen naar boven bijgesteld.

Daarnaast vond er door vaststellingen en afrekeningen op diverse subsidies en regelingen in 2025 incidenteel € 15,1 miljoen aan hogere ontvangsten plaats op artikel 6.

Tezamen resulteert dit in een verlaging van de uitgaven van € 50,1 miljoen.

Begrotingsreserve stimuleringsregeling wonen

Vanwege de afbouw van de begrotingsreserve van de stimuleringsregeling wonen en zorg werd de ontvangstenraming met € 50 miljoen verhoogd in 2025. Een ophoging van de ontvangsten resulteert in een netto verlaging van de uitgaven.

Meevaller verhuiskosten RIVM

Het begrote bedrag voor de dubbele huisvestingskosten van € 20,2 miljoen werd in 2025 niet meer uitgegeven. De bevoorschotting aan het RIVM voor dit bedrag werd teruggedraaid. Hierdoor kwam het geld opnieuw beschikbaar binnen de VWS-begroting, waardoor dit per saldo resulteerde in een ophoging van € 20,2 miljoen van de uitgaven. Daarnaast stond er al een bedrag op de begroting gereserveerd van circa € 20 miljoen, waardoor het totale bedrag dat gereserveerd was voor de verhuiskosten van het RIVM uitkwam op € 40,2 miljoen. Aangezien er op dit bedrag niet gerealiseerd is doordat de verhuizing niet doorging, is dit bedrag vrijgevallen.

Meevaller ontvangsten artikel 4

De hogere ontvangsten op artikel 4 worden voor het grootste gedeelte (€ 31,3 miljoen) verklaard doordat een aantal subsidies, waaronder Sectorplanplus, uiteindelijk lager zijn vastgesteld.

Tezamen met wat klenere mutaties is er in totaal € 35,2 miljoen meer gerealiseerd aan ontvangsten.

Meevaller apparaatskosten VWS

Op artikel 10 is een meevaller van € 30,5 miljoen op de apparaatskosten van het kerndepartement, waarvan € 10,3 miljoen op eigen personeel en € 23,4 miljoen op externe inhuur. De meevaller op externe inhuur wordt mede verklaard door inhuur op iRealisatie, veroorzaakt door te late facturering in december en doordat de contractwaarden vaak te hoog zijn vastgesteld. In totaal bedraagt dit een bedrag van € 7,8 miljoen.

Daarnaast zijn er aanzienlijk minder juristen extern ingehuurd waardoor er voor € 4,7 miljoen onderuitputting is.

Tezamen met wat kleinere mutaties resulteert dit in een verlaging van de apparaatskosten van VWS in 2025 met € 30,5 miljoen.

Meevaller subsidies artikel 4

Op artikel 4 is er een meevallende realisatie op de subsidies van in totaal € 29,6 miljoen. Door vertraging in de uitvoering van een project op het Nationaal Groeifonds is het beschikbare budget voor 2025 niet volledig benut. Van de € 29,5 miljoen die beschikbaar was, is circa € 15,9 miljoen niet benut.

Ook is € 3,5 miljoen van het budget voor pandemische paraatheid niet ingezet. Dit betreft onder andere de opleiding Basis Acute Zorg (BAZ), waarmee medisch personeel wordt getraind in handelen tijdens crisissituaties, en de Nationale Zorgreserve (NZR), een netwerk van zorgprofessionals dat kan worden ingezet bij crises.

Daarnaast is er € 3 miljoen minder besteed van de middelen voor het opleiden van artsen maatschappij en gezondheid dat gefinancierd werd uit de regeerakkoordmiddelen. Dit werd veroorzaakt door een lagere instroom dan verwacht, en uitval gedurende de opleiding.

Tezamen met wat kleinere meevallers resulteert dit in een verlaging van de realisaties op subsidies op artikel 4 in 2025 met € 29,6 miljoen.

Hogere ontvangsten SPUK IZA

De ontvangstenraming werd in 2025 naar beneden bijgesteld met € 25,5 miljoen, naar aanleiding van de vaststelling SPUK IZA 2023 en de afbouw van het begrotingsreserve van de stimuleringsregeling wonen en zorg.

Meevaller ZonMw uitvoering project PharmaNL

De lagere uitgaven aan bijdragen ZBO’s en RWT’s op artikel 2 worden veroorzaakt doordat er € 21,1 miljoen minder nodig was bij ZonMw voor uitvoering van het project PharmaNL.

Meevaller IOHVV-middelen

Doordat er minder beroep is gedaan dan verwacht op de regeling Inrichten Opleidingsstructuur Helpenden, Verzorgenden en Verpleegkundigen (IOHVV) viel er in 2025 incidenteel budget vrij ter waarde van € 19,1 miljoen.

Meevaller opdrachten artikel 4

Doordat geplande activiteiten rondom Generieke functies, PGO en Landelijk dekkend netwerk vertraging hebben opgelopen valt er € 12,8 miljoen vrij.

Tezamen met wat kleinere mutaties resulteert dit in een meevaller van € 16,1 miljoen.

Meevaller ZonMw

Vanuit verschillende opdrachtgevende budgetten vanuit het gehele ministerie is er onderuitputting en/of vertraging opgetreden in de opdrachten richting ZonMw, waardoor het budget voor 2025 verlaagd is met € 16 miljoen.

Bekostiging zorg BES-eilanden

De middelen die zijn bedoeld voor de bekostiging van de zorg op de BES-eilanden zijn per saldo met € 14,3 miljoen verlaagd. De zorguitgaven vielen voor € 6 miljoen lager uit als gevolg van de wisselkoerseffecten. Daarnaast is € 8,3 miljoen ongerealiseerd gebleven, doordat uitgekeerde loon- en prijscompensatie niet meer in 2025 kon worden ingezet.

Hogere ontvangsten betalingsachterstand zorgpremie

De ontvangsten van burgers met een betalingsachterstand in de bestuursrechtelijke premieregeling betalingsachterstand zorgpremie (BAZ) waren in 2025 hoger dan eerder geraamd, waardoor de uitgaven verlaagd zijn met € 12,9 miljoen.

Afrekening bijdragen RIVM 2022 en 2023

In 2022 en 2023 zijn voorschotten verstrekt aan het RIVM voor het uitvoeren van verschillende programma's. Bij de vaststellingen in 2025 bleek dat het vooral gaat om het Covid-vaccinatieprogramma en de pneumokokkenvaccinaties, waarvoor te hoge bedragen waren bevoorschot die in 2025 zijn teruggestort. In totaal bedraagt dit een meevaller van € 12,3 miljoen.

Ruimte SOV-regeling

Het doel van de SOV is het vergoeden van zorgkosten die aanbieders maken voor het verstrekken van medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerde (verwarde) personen. Uit een bijgestelde prognose van het CAK voor de SOV regeling bleek dat er in 2025 € 11,6 miljoen minder nodig was dan vooraf verwacht.

Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg

Daarnaast heeft een deel van de uitgaven in 2025 voor de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg (STOZ) niet plaatsgevonden. Dit kwam voornamelijk doordat subsidieaanvragen later binnenkwamen en daardoor ook later zijn beschikt. Hierdoor is een deel van de middelen niet in 2025 verleend en valt er € 10,5 miljoen vrij.

Overige meevallers en tegenvallers

Tezamen met wat kleinere mee- en tegenvallers resulteert dit in een totale onderuitputting van € 363,7 miljoen in 2025.

4.20 Brede welvaart

Brede welvaart omvat de levenskwaliteit hier en nu, de kwaliteit van leven op middellange termijn (ongeveer 8 jaar), en voor toekomstige generaties en mensen elders in de wereld. Op Verantwoordingsdag 2026 zal het CBS wederom per ministerie een Factsheet publiceren. Deze Factsheet zal de brede welvaartsresultaten visualiseren die relevant zijn voor de beleidsterreinen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Een belangrijke maatstaf voor brede welvaart is goede gezondheid en welzijn, omdat gezondheid een grote invloed heeft op de levenskwaliteit. De monitor brede welvaart & SDG’s 2025, gepubliceerd door het CBS, toont dat 76,6% van de bevolking in 2024 de eigen gezondheid als (zeer) goed ervaart.71 Daarnaast neemt het aandeel rokers van 15+ af. Ook is een daling te zien in het percentage mensen dat ernstige langdurige beperkingen ervaart in het dagelijks leven door gezondheidsproblemen. Anderzijds stijgen de wachttijden in de specialistische zorg polikliniek. Ook neemt het ziekteverzuim onder werknemers in de zorgsector toe en stijgt het aantal vacatures per 1.000 banen in de gezondheids- en welzijnszorg.72 Daar staat tegenover dat het aandeel instroom in zorgopleidingen toeneemt en het aandeel gewerkte uren per inwoner in de zorg stijgt. De bredewelvaartsindicatoren laten ontwikkelingen in de zorg en welzijn zien, dit weerspiegelt wat van waarde is voor mensen en de maatschappij als geheel.

Het ministerie van VWS draagt vooral bij aan SDG 3 (goede gezondheid en welzijn), en heeft raakvlakken met diverse andere SDG’s, zoals SDG 5 (gendergelijkheid), SDG 8 (waardig werk en economische groei), SDG 12 (verantwoorde consumptie en productie) en SDG 16 (veiligheid).73

5. Beleidsartikelen

5.1 Artikel 1 Volksgezondheid

Een goede volksgezondheid, waarbij mensen zo min mogelijk blootstaan aan bedreigingen van hun gezondheid én zij in gezondheid leven.

Tabel 7 Absolute levensverwachting1en waarvan jaren in goed ervaren gezondheid2
 

1980

2000

2010

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1. Absolute levensverwachting in jaren:1

            

- mannen

72,5

75,5

78,8

79,9

80,1

80,2

80,5

79,7

79,7

80,1

80,3

80,5

- vrouwen

79,2

80,6

82,7

83,1

83,3

83,3

83,6

83,1

83,0

83,1

83,3

83,3

             

2. Waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:2

            

- mannen

-

61,5

63,9

64,9

65,0

64,2

64,8

66,4

65,4

63,2

64,1

63,5

- vrouwen

-

60,9

63,0

63,3

63,8

62,7

63,2

65,8

65,1

62,3

62,4

62

             

1

Dit kerncijfer betreft het gemiddeld aantal nog te verwachten levensjaren op een bepaalde leeftijd.

2

Dit kerncijfer betreft het aantal jaren dat een persoon naar verwachting in goede gezondheid zal leven, onder de aanname dat de huidige kansen op sterfte en ongezondheid gelijk blijven.

Een belangrijke beleidsopgave voor de minister is het beschermen en bevorderen van de gezondheid van burgers. Mensen zijn in eerste instantie echter wel zelf verantwoordelijk voor hun gezondheid en dienen zichzelf – indien mogelijk – te beschermen tegen gezondheidsrisico’s.

De minister vervult de volgende rollen:

Stimuleren: van het maken van gezonde keuzes, van de beschikbaarheid van betrouwbare informatie over gezonde keuzes, en van een gezonder aanbod van voeding.

Financieren: van (bevolkings-)onderzoeken/screeningen, van diverse nationale programma’s, projecten en organisaties die zich bezig houden met de bescherming en bevordering van de gezondheid van burgers en preventie van ziekten.

Regisseren: het opstellen van wettelijke kaders om op verschillende manieren burgers te beschermen tegen gezondheidsrisico’s.

AZWA

Op 8 september 2025 is het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) ondertekend door de IZA-partijen74 aangevuld met MIND, Sociaal Werk Nederland en GGD GHOR Nederland. Het AZWA bouwt voort op het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA). In het AZWA zijn onder meer afspraken gemaakt over:

  • De inzet van arbeidsbesparende maatregelen, zoals medische technologie, hulpmiddelen en kunstmatige intelligentie (AI).

  • Investeringen in opleidingen, vooral in delen van zorg en welzijn met de grootste personeelstekorten.

  • Inzicht in wachtlijsten en proactieve zorgbemiddeling door zorgverzekeraars in de msz en de ggz.

  • Verdere versterking van de ‘beweging naar de voorkant’, onder andere door investeringen in medische preventie en samenwerkingsafspraken tussen het zorgdomein en het sociaal domein.

Opvolgen GR adviezen

De GR heeft in 2023 geadviseerd over vaccinatie van ouderen tegen pneumokokken. De kern van dit advies is om mensen van 60 jaar en ouder eenmalig het vaccin PCV20 aan te bieden, omdat dit meer gezondheidswinst oplevert dan herhaaldelijk vaccineren met het huidige (PPV23) vaccin. Dit advies is overgenomen en in 2025 is gestart met het aanbieden van het PCV20 vaccin aan de doelgroep (in 2025 zijn dit alle mensen van 60 jaar en alle mensen van 78 jaar en ouder).

De GR heeft in 2024 geadviseerd om op korte termijn alle kinderen in hun eerste jaar te beschermen tegen het RS-virus via het RVP. Dit advies is overgenomen; sinds september 2025 is de RSV-immunisatie van start. Ook adviseerde de GR in 2025 om het 9-valente vaccin in te zetten in het HPV-vaccinatieprogramma. Dit advies is ook overgenomen en vanaf najaar 2026 zal met dit vaccin gevaccineerd worden.75

Weerbare zorg

In het hoofdlijnenakkoord van het kabinet Schoof is de eerdere intensivering op publieke gezondheid, gericht op pandemische paraatheid over de volle breedte van het zorgveld, volledig terugdraaid (oplopend naar structureel € 300 miljoen). In 2025 bedroeg deze ombuiging € 50 miljoen en is deze beleidsmatig ingevuld door onder andere de SPUK voor de GGD te verlagen en de inzet op kennis en innovatie te verminderen. Gevolg van deze bezuiniging is verlies aan kennis, werkwijzen en functionaliteiten die ten tijde van Covid-19 nodig bleken en die nu geconsolideerd worden voor de reguliere infectieziektebestrijding. De budgettaire korting zal de kwaliteit en effectiviteit van de reguliere preventie en bestrijding van infectieziekten en daarmee de paraatheid en weerbaarheid van de publieke gezondheidzorg beperken.

Counseling 20 wekenecho

In 2025 is verder uitvoering gegeven aan het overhevelen van de prenatale screening van de Zorgverzekeringswet naar de Rijksbegroting, conform het advies van Zorginstituut uit 2017. Counseling maakt onderdeel uit van het aanbod prenatale screening en is bedoeld om zwangeren en hun partners te begeleiden bij het maken van een geïnformeerde keuze over prenatale screening. De counseling is per 1 januari 2025 overgeheveld van de Zorgverzekeringswet naar de Rijksbegroting. Deze wijziging heeft niet tot knelpunten in de uitvoering geleid. Met deze wijziging worden alle onderdelen van de prenatale screening nu gefinancierd vanuit de Rijksbegroting (via subsidie aan de Regionale Centra Prenatale screening).

Tabel 8 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1: Volksgezondheid (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

6.907.739

3.769.283

3.768.488

2.032.035

2.357.426

1.605.662

751.764

         
 

Uitgaven

7.633.717

5.286.291

2.797.819

2.401.551

2.335.822

2.271.801

64.021

         

1.10

Gezondheidsbeleid

567.514

562.906

926.551

1.008.062

977.950

936.478

41.472

 

Subsidies (regelingen)

23.389

19.516

48.885

49.698

47.908

57.696

‒ 9.788

 

(Lokaal) gezondheidsbeleid

22.770

19.516

48.885

49.698

47.908

57.696

‒ 9.788

 

Overige

619

0

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

3.154

3.484

3.187

1.581

1.308

5.950

‒ 4.642

 

(Lokaal) gezondheidsbeleid

3.154

3.484

3.187

1.581

1.308

5.950

‒ 4.642

 

Bijdrage aan agentschappen

139.527

141.420

170.160

199.492

192.000

174.727

17.273

 

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

109.466

111.528

133.628

155.657

151.140

143.111

8.029

 

RIVM: Wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

29.591

29.657

36.232

43.535

40.560

30.138

10.422

 

Overige

470

235

300

300

300

1.478

‒ 1.178

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

393.924

388.362

396.230

449.474

426.258

390.076

36.182

 

ZonMw: Programmering

393.924

388.362

396.230

449.029

425.871

390.076

35.795

 

Overige

0

0

0

445

387

0

387

 

Bijdrage aan medeoverheden

7.520

10.124

308.089

307.817

310.476

308.029

2.447

 

Lokale aanpak

7.520

10.124

308.089

307.817

310.476

307.874

2.602

 

Overige

0

0

0

0

0

155

‒ 155

1.20

Ziektepreventie

6.907.201

4.546.347

1.676.929

1.184.416

1.144.988

1.132.307

12.681

 

Subsidies (regelingen)

553.921

496.471

388.879

446.098

445.789

433.924

11.865

 

Ziektepreventie

325.828

234.164

88.187

127.694

93.509

74.982

18.527

 

Bevolkingsonderzoeken

134.113

164.839

197.036

246.568

271.904

248.402

23.502

 

Bevolkingsonderzoeken

17.473

19.640

0

0

0

0

0

 

Vaccinaties

76.507

77.828

103.656

71.836

80.376

110.540

‒ 30.164

 

Opdrachten

3.899.557

1.695.575

163.295

13.536

11.137

94.101

‒ 82.964

 

Ziektepreventie

3.899.557

1.695.433

149.593

5.723

9.116

83.139

‒ 74.023

 

Pandemische paraatheid

0

142

13.702

7.813

2.021

10.962

‒ 8.941

 

Bijdrage aan agentschappen

541.372

508.049

586.009

535.327

580.273

449.409

130.864

 

RIVM: Opdrachtverlening aan kenniscentra

354.557

337.199

408.814

376.634

367.161

173.749

193.412

 

RIVM: Bevolkingsonderzoeken

45.535

43.880

50.060

58.774

62.003

59.226

2.777

 

RIVM: Vaccinaties

141.280

126.970

127.135

99.919

151.109

149.534

1.575

 

Pandemische paraatheid

0

0

0

0

0

66.887

‒ 66.887

 

Overige

0

0

0

0

0

13

‒ 13

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

529.113

88.392

1.133

0

0

0

 

LCCB

0

529.113

88.392

1.133

0

0

0

 

Bijdrage aan medeoverheden

1.818.867

1.274.469

450.354

167.803

107.789

141.563

‒ 33.774

 

Pandemische paraatheid

0

0

49.708

50.868

42.117

71.533

‒ 29.416

 

Overige

1.818.867

1.274.469

400.646

116.935

65.672

70.030

‒ 4.358

 

Garanties

93.234

42.670

0

0

0

0

0

 

Overige

93.234

42.670

0

0

0

0

0

 

(Schade)vergoeding

250

0

0

0

0

0

0

 

Overige

250

0

0

0

0

0

0

 

Vermogensverschaffing/-onttrekking

0

0

0

20.519

0

13.310

‒ 13.310

 

Afwikkeling Intravacc

0

0

0

20.519

0

13.310

‒ 13.310

1.30

Gezondheidsbevordering

129.197

149.303

160.916

165.139

166.964

160.044

6.920

 

Subsidies (regelingen)

108.043

85.175

92.824

90.112

87.372

76.577

10.795

 

Preventie van schadelijk middelengebruik

17.786

24.557

31.786

31.925

32.071

29.213

2.858

 

Gezonde leefstijl en gezond gewicht

26.115

30.776

31.581

32.294

32.205

26.981

5.224

 

Letselpreventie

5.024

6.783

8.138

9.014

8.614

5.132

3.482

 

Bevordering van seksuele gezondheid

58.200

22.106

20.313

15.827

13.217

12.326

891

 

Overige

918

953

1.006

1.052

1.265

2.925

‒ 1.660

 

Opdrachten

5.708

7.693

9.080

6.325

8.544

13.137

‒ 4.593

 

Gezondheidsbevordering

5.708

7.693

9.080

6.325

8.544

13.137

‒ 4.593

 

Bijdrage aan agentschappen

443

162

1.378

2.300

3.187

2.823

364

 

Overige

443

162

1.378

2.300

3.187

2.823

364

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

0

0

0

876

‒ 876

 

Overige

0

0

0

0

0

876

‒ 876

 

Bijdrage aan medeoverheden

15.003

56.273

57.634

66.402

67.861

66.631

1.230

 

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

15.003

14.496

15.216

15.531

15.836

16.711

‒ 875

 

Seksuele gezondheid

0

41.777

42.418

50.871

52.025

49.920

2.105

1.40

Ethiek

29.805

27.735

33.423

43.934

45.920

42.972

2.948

 

Subsidies (regelingen)

27.106

25.425

30.221

38.418

41.544

37.925

3.619

 

Abortusklinieken

17.797

17.039

23.771

26.968

26.932

23.784

3.148

 

Medische ethiek

9.309

8.386

6.450

11.450

14.612

14.141

471

 

Opdrachten

182

57

472

1.346

1.605

2.399

‒ 794

 

Medische ethiek

182

57

472

1.346

1.605

2.399

‒ 794

 

Bijdrage aan agentschappen

2.517

2.253

2.730

4.170

2.771

2.648

123

 

CIBG: Uitvoeringstaken medische ethiek

2.517

2.253

2.730

4.170

2.771

2.648

123

         
 

Ontvangsten

59.074

485.260

181.311

207.410

246.677

102.059

144.618

         

Verplichtingen

In 2025 is het verplichtingenbudget per saldo € 751,8 miljoen verhoogd voor onder andere het aangaan van verplichtingen voor 2026 en verder. Om zo uitvoering te kunnen geven aan lopend beleid in 2026 en verder.

Dit betreft het verhogen van het verplichtingenbudget voor onder andere:

  • Het vastleggen van meerjarige verplichtingen van ZonMw-programma's (€ 385 miljoen);

  • Verhoging van het verplichtingenbudget van het RIVM met € 327 miljoen. Dit in verband met de verstrekking van de opdrachtbrief 2026;

  • In verband met de verstrekkingen van de SPUK Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg (ASG) voor 2026 is € 26 miljoen toegevoegd aan de verplichtingenruimte in 2025;

  • Verhoging brede spuk (€ 43 miljoen);

  • Voor de bijdrage aan de NVWA in 2026 (€ 70,5 miljoen);

  • Verplichtingenbudget voor subsidies Gezond Gewicht, Voeding en schadelijke middelen en letselpreventie (€ 33,1 miljoen);

  • Nieuwe verplichtingen voor SPUK VGGD 2025 (€ 41 miljoen).

1.10 Gezondheidsbeleid

Bijdrage aan agentschappen

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

De totale realisatie op het budget van de NVWA bedroeg in 2025 € 151,1 miljoen, dat is € 8,0 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting in 2025. Hiervan betreft € 1,2 miljoen doorschuif van extern geoormerkte budgetten (EGB’s) uit 2024. Vervolgens is bij de eerste suppletoire begroting € 1,9 miljoen toegevoegd voor het versterken van de huidige handhaving op illegale vapes. Bij de tweede suppletoire begroting is er een aanvullende loon- en prijsbijstelling toegekend van € 4,0 miljoen. De overige mutaties bedragen per saldo € 0,9 miljoen.

RIVM: Wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed.

Het verschil met de ontwerpbegroting bedraagt € 10,4 miljoen. Voor de uitvoering van verschillende programma’s zijn er middelen overgeheveld naar dit budget, onder andere voor de kennisbasis duurzame zorg (€ 1 miljoen). Verder is op dit budget LPO toegekend (€ 1,1 miljoen) en is er geld toegekend vanuit het programma Open en op Orde (€ 1,5 miljoen) . De overige mutaties zijn kleinere bedragen en tellen per saldo op tot € 6,8 miljoen.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

ZonMw: programmering Op de bijdrage aan ZBO's/RWT’s is een verschil te zien van € 36,2 miljoen.

Dit betreft voor € 35,8 miljoen bijdragen aan ZonMw.

Binnen artikel 1 Volksgezondheid betreft het middelen voor:

  • Programma preventie (€ 1,6 miljoen)

Vanuit artikel 2 Curatieve Zorg zijn in 2025 middelen overgeheveld voor:

  • Programma Voor Elkaar (€ 4,1 miljoen)

  • Programma Thuisarts.nl (€ 3,8 miljoen)

Daarnaast zijn vanuit artikel 3 Langdurige Zorg en ondersteuning middelen overgeheveld voor:

  • Programma Zorg voor innoveren (€ 1,4 miljoen)

  • Programma Digitale zorg (€ 1 miljoen)

  • Voucherregeling wijkscans (€ 0,8 miljoen)

Daarnaast is er in 2024 teveel budget ingeleverd door het programma Kwaliteitsgelden. Het budget is daarom in 2025 weer verhoogd met € 5,2 miljoen.

Vanuit het ministerie van SZW zijn middelen overgeheveld voor het programma Innovatieve Arbozorg (€ 4,7 miljoen) en vanuit het ministerie van I&W voor het programma Fietsveiligheid Voorop (€ 0,2 miljoen) en voor het programma Microplastics (€ 1,3 miljoen)

Het budget is met € 9,2 miljoen loonbijstelling opgehoogd. De overige kleine mutaties bedragen per saldo € 2,3 miljoen.

Tabel 9 Kengetallen voedselveiligheid: Aantal verloren gezonde levensjaren ten gevolge van voedselinfecties door ziekteverwekkende micro-organismen in voedsel in Nederland gegevens 2019-20231

Micro-organismen

2019

2020

2021

2022

2023

Campylobacter

1.800

1.300

1.400

1.400

1.400

STEC O157

56

59

61

56

56

L. monocytogenes

140

140

410

270

260

Salmonella

510

400

470

440

830

B. cereus toxine

29

29

29

29

30

C. perfringens toxine

180

180

180

180

180

S. aureus toxine

190

190

190

190

190

Hepatitis-A virus

8

6

10

6

9

Hepatitis-E virus

63

54

43

41

53

Norovirus

310

140

240

   330

400

Rotavirus

150

50

120

190

130

C. parvum

15

4

7

10

28

G. lamblia

29

7

13

19

29

T. gondii

1.000

1.100

1.100

1.100

1.000

Totaal

4.600

3.600

4.200  

 4.300       

4.700

1

1.20 Ziektepreventie

Subsidies

Ziektepreventie

Vanuit het budget Bijdrage aan medeoverheden is € 31 miljoen naar het instrument subsidies overgeboekt voor de subsidie aan GGD-GHOR voor het IV-programma infectieziektebestrijding. Daarnaast is € 5 miljoen overgeboekt naar de G4 voor de pilot Wijkgerichte aanpak en is € 6 miljoen minder uitgegeven aan GGD-GHOR voor de landelijk coördinerende taken voor de Covid-19 vaccinaties. Samen met enkele kleinere mutaties geeft dit in totaal een verhoging van het budget met € 18.5 miljoen.

Bevolkingsonderzoeken

Er is sprake van een verschil op subsidies voor bevolkingsonderzoeken van € 23,5 miljoen. Het budget is met € 13,8 miljoen verhoogd door de loonbijstelling. Het overige deel van de extra besteding is te verklaren door een herstructurering van middelen tussen het artikel en de ontvangsten kant.

Vaccinaties

Voor de vaccinatie van ouderen tegen pneumokokken is € 24 miljoen overgeheveld van het instrument subsidies naar het instrument bijdrage aan agentschappen. Dit vaccinatieprogramma valt onder het RIVM en wordt door hen uitgevoerd. Daarnaast is er € 5,5 miljoen overgeboekt naar Subsidie Bevolkingsonderzoeken, tezamen met een aantal kleinere mutaties wordt het budget met € 30,2 miljoen verlaagd.

Tabel 10 Kengetallen deelname aan vaccinatieprogramma, bevolkingsonderzoeken en screeningen in procenten 12345678910
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Rijksvaccinatieprogramma1

91,2%

90,2%

90,2%

90,8%

91,3%

90,6%1

84,2%

83,7%

86%

Nationaal Programma Pneumokokkenvaccinatie Volwassenen (NPPV)10

   

73%

74,1%

63%

56,4%

45,4%

 

Nationaal programma Grieppreventie2

49,9%

51,3%

52,6%

54,0%

58,3%

56,8%

55,2%

54,2%

 

Deelname bevolkingsonderzoek borstkanker3

76,9%

76,9%

76,0%

64,0%

68,3%

66,7%

66,7%

65,3%

 

Deelname bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker4

57,0%

57,1%

55,6%

49,2%

54,3%

45,7%

49,7%

54,4%

 

Deelname bevolkingsonderzoek darmkanker5

73,0%

73,0%

71,8%

72,0%

70,8%

68,4%

66,5%

67,1%

 

Deelname hielprik6

99,2%

99,1%

99,3%

99,4%

99,2%

98,9%

98,8%

98,7%

 

Deelname aan NIPT7

41,1%

46,3%

48,3%

52,0%

55,3%

57,8%

67,8%

  

Deelname 20 weken echo8

82,1%

82,8%

86,6%

86,4%

85,7%

85,6%

86,6%

  

Deelname bloedonderzoek bij zwangere vrouwen9

99,0%

100%

99,0%

100%

99,0%

99,0%

100%

  
1

Dit betreft het percentage kinderen geboren in 2018 dat alle vaccinaties volgens het RVP-schema toegediend heeft gekregen vóór het bereiken van de leeftijd van 2 jaar.

2

Dit kerncijfer betreft het percentage gevaccineerde personen in de groep patiënten die conform het advies van de GR in aanmerking komen voor vaccinatie tegen influenza.

3

Dit kerncijfer betreft het percentage vrouwen uit de doelgroep, dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek borstkanker. De doelgroep van het bevolkingsonderzoek bestaat uit vrouwen van 50 tot 75 jaar.

4

Dit kerncijfer betreft het percentage vrouwen uit de doelgroep, dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. De doelgroep van dit bevolkingsonderzoek bestaat uit 30-60 jarige vrouwen.

5

Dit kerncijfer betreft het percentage personen dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek dikke darmkanker. De doelgroep van dit bevolingsonderzoek bestaat uit 55-75-jarige personen.

6

Dit kerncijfer betreft het percentage pasgeborenen dat gescreend is.

7

Deelname NIPT vanaf april 2017. Dit kerncijfer betreft het percentage zwangere vrouwen dat deelneemt aan de NIPT ter bepaling van een eventuele verhoogde kans op een kind met het downsyndroom, edwardssyndroom of patausyndroom.

8

Dit kerncijfer betreft het percentage van zwangere vrouwen dat deelneemt aan de 20-wekenecho.

9

Dit Kerncijfer betreft het percentage zwangere vrouwen dat deelneemt aan de bloedonderzoek PSIE.

10

Dit betreft het percentage mensen van 60 jaar en ouder dat zich laat vaccineren tegen pneumokokken.

Opdrachten

Ziektepreventie

Voor de aanschaf van COVID-19 vaccins door het RIVM is € 42,2 miljoen overgeheveld naar het instrument Bijdrage aan agentschappen RIVM: Opdrachtverlening aan kenniscentra. Daarnaast is er bij de BUR €4,5 miljoen aan ruimte ingeleverd. Een verlaging van € 27 miljoen door vertraging rechtzaken covid-19 vaccinatie, en enkele kleine mutaties geeft in totaal een verlaging van het budget met € 74 miljoen.

Bijdrage aan agentschappen

Op de bijdrage aan agentschappen is er een verschil van € 130,9 miljoen. Hieronder wordt dit verschil per onderdeel nader toegelicht.

RIVM: opdrachtverlening aan kenniscentra

Op de post RIVM: opdrachtverlening aan kenniscentra is een verschil van € 193,4 miljoen tussen de begroting en de realisatie. Voor de uitvoering van verschillende programma’s zijn er middelen over geheveld naar dit budget.

Het betreft hier onder andere de programma’s Infectieziektebestrijding (€ 16,8 miljoen), Pandemische Paraatheid (€ 33,8 miljoen) en de Landelijke Functionaliteit Infectieziekten (€ 15,9 miljoen) en een bedrag van € 37 miljoen voor de aanschaf, opslag en beheer van RS vaccins.

Voor het RIVM Covid-19 vaccinatieprogramma en het RIVM Rioolsurveillance programma is er respectievelijk € 32,3 miljoen en € 4 miljoen overgeheveld naar het instrument Bijdrage aan agentschappen RIVM: opdrachtverlening aan kenniscentra.

De loon- en prijsbijstelling betrof € 5,3 miljoen. Verder is er op dit artikel sprake van een ophoging door de eindejaarsmarge 2024 met € 10 miljoen.

Pandemische paraatheid

Voor de uitvoering van de RIVM programma’s Infectieziektebestrijding (€ 33,8 miljoen), het IV-programma infectieziektebestrijding (€ 16,8 miljoen) en Landelijke Functionaliteit Infectieziekten (LFI) (€ 15,9 miljoen) is in totaal € 66,9 miljoen overgeheveld naar RIVM: Opdrachtverlening aan kenniscentra.

Bijdrage aan medeoverheden

Pandemische paraatheid

Het IV-programma Infectieziektebestrijding wordt uitgevoerd door het RIVM en de GGD-GHOR. Het deel van de GGD-GHOR wordt verstrekt middels een subsidie. Deze middelen (€ 31,0 miljoen) zijn daarom overgeboekt naar het instrument subsidies. Samen met enkele kleinere mutaties geeft in totaal een verlaging van het budget met € 29,4 miljoen.

Vermogenverschaffing/-onttrekking

Afwikkeling Intravacc

Bij de verkoop van Intravacc aan FDI is overeengekomen dat ook een bedrag aan Intravacc B.V. als vermogensverschaffing wordt overgemaakt. Aangezien deze bijdrage in 2024 is geëffectueerd, valt het budget van € 13,3 miljoen in 2025 vrij.

1.30 Gezondheidsbevordering
Tabel 11 Schadelijk middelen gebruik in percentages12345

Schadelijk middelen gebruik

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Roken (volwassenen)1

26,3%

24,1%

23,1%

22,4%

21,7%

20,2%

20,6%

18,9%

19,0%

18,2%

Roken (jongeren)2

10,6%

 

7,8%

 

7,7%

 

9,5%

 

8,5%

 

Roken (zwangere vrouwen)3

 

8,6%

 

7,4%

  

7,7%

 

6,3%

 

Overmatig alcohol gebruik (volwassenen)4

9,5%

8,8%

9,2%

8,2%

8,5%

6,9%

7,3%

6,5%

6,7%

5.5%

Alcohol gebruik onder jongeren 12 t/m 16 jaar5

25,5%

 

25%

 

26,2%

 

27,8%

 

22,0%

 
1

Dit kerncijfer betreft het percentage van 18 jaar of ouder in de bevolking dat aangeeft wel eens te roken.

2

Dit kerncijfer betreft het percentage jongeren van 12 tot en met 16 dat aangeeft in in de maand voorafgaand aan het onderzoek sigaretten of shag te hebben gerookt.

3

Dit kerncijfer betreft het percentage vrouwen dat op enig moment tijdens de zwangerschap heeft gerookt. Enig moment tijdens de zwangerschap betreft vrouwen die tijdens één of meerdere trimesters van de zwangerschap hebben gerookt.

4

Dit kerncijfer betreft het percentage van de bevolking van 18 jaar en ouder dat meer dan 21 glazen alcohol per week (mannen) of meer dan 14 glazen alcohol per week (vrouwen) drinkt.

5

Dit kerncijfer betreft het percentage jongeren van 12 tot en met 16 jaar dat aangeeft in de maand voorafgaand aan het onderzoek alcohol te hebben gedronken.

Tabel 12 Overgewicht 12

Overgewicht

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Overgewicht (volwassenen)1

49,3%

49,2%

48,7%

50,2%

50,1%

50.0%

50.0%

50,2%

50,0%

50,4%

Overgewicht (jongeren)2

11,6%

13,6%

13,5%

11,7%

13,2%

14,7%

15,9%

12,9%

12,7%

14,2%

1

Dit kerncijfer betreft het percentage van de bevolking van 18 jaar en ouder met overgewicht. Het gaat hier zowel om matig overgewicht als ernstig overgewight (obesitas).

2

Dit kerncijfer betreft het percentage personen van 4 t/m 17 jaar met overgewicht. Het gaat hier zowel om matig overgewicht als ernstig overgewicht (obesitas).

Ontvangsten

In totaal zijn de ontvangsten met € 144,6 miljoen verhoogd.

Vanuit de afrekening Covid-activiteiten in eerdere jaren zijn middelen teruggevloeid naar het ministerie van VWS. Het betreft onder meer de afrekeningen van de SPUK Covid GGD'en, subsidie Covid IV GGD GHOR, de SPUK versterking GGD'en en de afrekeningen van de rioolwatersurveillance door waterschappen. Tezamen bedraagt dit € 128 miljoen.

Ook zijn er in 2022 en 2023 voorschotten verstrekt aan het RIVM voor het uitvoeren van verschillende programma's. Hieronder vallen bijvoorbeeld het Covid vaccinatie programma en het vaccinatie programma pneumokokken. Bij de vaststelling zijn te hoge bedragen bevoorschot die nu terugvloeien, dit betreft € 45,4 miljoen die terug zijn gevloeid via de afrekening.

Daarnaast is er een verlaging van ontvangsten door minder ontvangsten op bestuurlijke boetes (€ 3,8 miljoen), minder ontvangsten dan geraamd op subsidies artikel 1 (€ 24,8 miljoen) en een aantal kleinere verlagingen van ontvangsten, die geven bij elkaar een verlaging van ontvangsten met € 28,8 miljoen.

In totaal zijn de ontvangsten met € 144,6 miljoen verhoogd.

74

ActiZ, De Nederlandse ggz, Federatie Medisch Specialisten, In Een, Landelijke Huisartsen Vereniging, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, Patiëntenfederatie Nederland, UMCNL, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland, Zelfstandige Klinieken Nederland, Zorgverzekeraars Nederland, Zorgthuisnl en het Ministerie van VWS

75

Kamerstukken II 2025/26, 32 793, nr. 868

5.2 Artikel 2 Curatieve zorg

Een kwalitatief goed, toegankelijk en betaalbaar aanbod voor curatieve zorg.

Tabel 13 Ziekenhuisopnamen123

Ziekenhuisopnamen

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Astma en COPD1

26,0

24,8

23,5

22,4

22,0

13,7

12,4

15,4

16,9

Diabetes2

6,3

6,0

5,9

5,5

5,3

4,7

4,5

4,4

4,2

Hartfalen3

16,6

16,2

16

15,2

16

14,1

14,6

15,1

15,2

1

Dit kerncijfer geeft het totaal aantal ziekenhuisopnamen per 10.000 personen weer met als hoofddiagnose astma of COPD(Chronic Obstructive Pulmonary Disease (Chronische Obstructieve Long Ziekte)).

2

Dit kerncijfer geeft het totaal aantal ziekenhuisopnamen per 10.000 personen weer met als hoofddiagnose diabetes mellitus.

3

Dit kerncijfer geeft het totaal aantal ziekenhuisopnamen per 10.000 personen weer met als hoofddiagnose hartfalen.

De minister is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor de curatieve zorg. De Zvw vormt samen met de zorgbrede wetten, zoals de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi), de wettelijke basis van dit stelsel. Vanuit deze verantwoordelijkheid vervult de minister de volgende rollen:

Stimuleren van kwaliteit, veiligheid en innovatie in de curatieve zorg, de beschikking over de benodigde materialen, de toegankelijkheid en betaal baarheid van de curatieve zorg, de werking van het zorgverzekerings-stelsel en informatievoorziening over het zorgverzekeringsstelsel.

Financieren van de zorguitgaven voor kinderen tot 18 jaar, van diverse onderzoeken en initiatieven binnen de curatieve zorg en van initiatieven op het gebied van ICT-infrastructuur en van de risicoverevening binnen het stelsel.

Het onderhouden van wet- en regelgeving op gebied van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, lichaamsmaterialen, bloedvoorziening en registers.

Tabel 14 Aantal gebruikers extramurale geneesmiddelen12

Aantal gebruikers extramurale geneesmiddelen

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022*

2023*

2024*

Aantal gebruikers1

11.389

11.471

11.389

11.570

11.568

11.134

11.199

11.604

11.801

11.848

1

Dit kerncijfer betreft informatie over het totaal aantal gebruikers van geneesmiddelen die extramuraal (d.w.z. buiten instellingen zoals ziekenhuizen en verpleeghuizen) zijn verstrekt en vergoed op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

2

* Voorlopig cijfer

Veelbelovende zorg

In 2025 is de Subsidieregeling Veelbelovende zorg voortgezet met een verlaagd budget van € 39 miljoen. De regeling kende in 2025 de laatste openstellingsrondes. Lopende projecten konden in 2025 regulier worden voortgezet, zodat onderzoeken naar de (kosten)effectiviteit van veelbelovende zorg kunnen worden afgerond. De resultaten uit deze laatste ronde leveren input voor toekomstige besluitvorming over de inzet van innovatieve zorg.

Genees- en medische hulpmiddelen

In 2025 is er verder ingezet op het versterken van de beschikbaarheid en leveringszekerheid van genees- en hulpmiddelen.

Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten (dat bestaat uit het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft meerdere keren maatregelen genomen om geneesmiddelentekorten te voorkomen of om de impact van een tekort te verzachten. Dit gaat bijvoorbeeld om toestemming voor een tijdelijke afwijkende verpakking uit het buitenland of import van alternatieven uit het buitenland tijdens een ernstig tekort middels een vrijstellingsbesluit. Om dit laatste mogelijk maken is in 2025 de Geneesmiddelenwet en Regeling Geneesmiddelenwet gewijzigd. Tevens wordt door publicatie van de beleidsregel over de meldplicht tijdelijke leveringsonderbrekingen meer duidelijkheid geboden aan handelsvergunningshouders wanneer zij een melding moeten doen bij het Meldpunt.

Door middel van een subsidie zijn de farmaceutische groothandels in staat gesteld extra voorraden van de meest kritieke geneesmiddelen aan te leggen. Deze aanvullende voorraden zijn bedoeld als buffer om tijdelijke leveringsonderbrekingen te overbruggen en de impact van tekorten op patiënten en zorgverleners te verminderen.

Daarnaast wordt op Europees niveau ingezet op het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen. In 2025 heeft de Europese Raad zijn standpunt vastgesteld over het voorstel van de Europese Commissie voor een verordening kritieke geneesmiddelen. Nederland heeft actief bijgedragen aan dit standpunt. Dit voorstel bevat maatregelen ter ondersteuning van productie binnen Europa en voorziet in mogelijkheden voor gezamenlijke en publieke inkoop van kritieke geneesmiddelen.

In 2025 is de bilaterale samenwerking met India, een groot producerend land, versterkt via een hoogambtelijk werkbezoek van VWS en een Memorandum of Understanding is gesloten met het Department of Pharmaceuticals.

Ook op het gebied van medische hulpmiddelen zijn belangrijke stappen gezet. Sinds januari 2025 geldt een Europese meldplicht voor (dreigende) leveringsonderbrekingen, waardoor tekorten eerder zichtbaar worden. Daarnaast wordt onderzocht hoe eventuele structurele voorraadvorming voor medische hulpmiddelen kan worden ingericht om risico’s beter op te vangen. Daarnaast is er in Europees verband gekeken hoe voorraden en/of productietekorten beter voorkomen kunnen worden. Zo heeft Nederland bijgedragen aan de strategie van de Europese Commissie met betrekking tot medische tegenmaatregelen en de samenwerking van verschillende Europese lidstaten om een strategie voor (nood)voorraden te inventariseren. Tot slot is gestart met de evaluatie van de Europese wet- en regelgeving van medische hulpmiddelen: de Medical Device Regulation (MDR) en de In-Vitro Diagnostics Regulation (IVDR). Hierin zijn verschillende voorstellen gedaan die de beschikbaarheid van bijvoorbeeld weeshulpmiddelen (hulpmiddelen die gebruikt worden door een kleine patiëntenpopulatie) verbeteren en voorstellen om de certificering van hulpmiddelen efficiënter in te richten.

Tabel 15 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2: Curatieve zorg (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

3.387.494

3.496.633

3.961.390

4.262.619

1.951.260

5.099.190

‒ 3.147.930

         
 

Uitgaven

3.476.461

3.444.812

3.719.608

4.094.044

867.541

4.288.749

‒ 3.421.208

         

2.10

Kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

472.376

369.291

351.983

529.524

239.425

533.338

‒ 293.913

 

Subsidies (regelingen)

202.405

256.248

302.835

440.493

193.399

214.985

‒ 21.586

 

Medisch specialistische zorg

78.851

83.435

79.199

82.520

84.947

75.106

9.841

 

Curatieve ggz

22.433

25.439

9.472

11.438

10.476

13.511

‒ 3.035

 

Eerstelijnszorg

14.140

31.082

9.342

4.124

4.146

9.386

‒ 5.240

 

Lichaamsmateriaal

23.946

25.297

25.469

25.076

25.914

24.566

1.348

 

Medische producten

63.035

90.995

179.353

317.335

67.916

92.416

‒ 24.500

 

Opdrachten

237.542

93.797

12.053

14.956

13.567

23.551

‒ 9.984

 

Medisch specialistische zorg

725

990

1.449

6.966

7.874

12.514

‒ 4.640

 

Curatieve ggz

685

301

1.402

647

815

2.136

‒ 1.321

 

Eerstelijnszorg

1.210

1.208

1.920

593

127

1.661

‒ 1.534

 

Lichaamsmateriaal

433

923

349

317

524

2.205

‒ 1.681

 

Medische producten

234.489

90.375

6.933

6.433

4.227

5.035

‒ 808

 

Bijdrage aan agentschappen

25.105

18.000

25.115

47.728

26.713

24.086

2.627

 

aCBG

4.150

8.354

8.504

13.531

7.761

6.103

1.658

 

aCBG

2.166

300

0

0

0

0

0

 

CIBG

17.847

8.096

15.579

33.272

18.623

17.733

890

 

Overige

942

1.250

1.032

925

329

250

79

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

10.957

25.131

4.716

4.716

0

 

Overige

0

0

10.957

25.131

4.716

4.716

0

 

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

0

1.000

1.000

1.180

1.030

1.000

30

 

Overig

0

1.000

1.000

1.180

1.030

1.000

30

 

Garanties

7.324

246

23

36

0

0

0

 

Overige

7.324

246

23

36

0

0

0

 

Vermogensverschaffing/-onttrekking

0

0

0

0

0

265.000

‒ 265.000

 

Kapitaalverschaffing Pallas

0

0

0

0

0

265.000

‒ 265.000

2.34

Ondersteuning van het zorgstelsel

3.004.085

3.075.521

3.367.625

3.564.520

260.791

3.755.411

‒ 3.494.620

 

Subsidies (regelingen)

107.210

139.233

163.388

152.607

135.591

146.983

‒ 11.392

 

Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen

1.251

1.361

1.445

1.614

1.783

1.816

‒ 33

 

Regeling medisch noodzakelijke zorg onverzekerden

44.500

69.842

88.579

111.470

102.808

96.640

6.168

 

Regeling veelbelovende zorg

6.956

21.691

33.441

28.848

23.956

26.807

‒ 2.851

 

Medisch specialistische zorg

6.364

11.405

8.260

5.194

6.061

199

5.862

 

Medisch specialistische zorg

35.753

27.647

12.889

351

0

440

‒ 440

 

Curatieve ggz

2.352

565

0

0

172

0

172

 

Eerstelijnszorg

10.034

6.722

1.232

2.528

141

11.230

‒ 11.089

 

Overige

0

0

17.542

2.602

670

9.851

‒ 9.181

 

Bekostiging

2.844.186

2.883.377

3.139.543

3.367.001

66.991

3.467.308

‒ 3.400.317

 

Rijksbijdrage 18-

2.796.500

2.831.900

3.078.200

3.303.300

0

3.397.700

‒ 3.397.700

 

Zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

47.055

51.477

61.343

63.701

66.991

69.608

‒ 2.617

 

Overige

631

0

0

0

0

0

0

 

Inkomensoverdrachten

25.323

27.948

20.007

21.922

36.823

20.530

16.293

 

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

25.229

27.853

19.919

21.832

36.731

20.430

16.301

 

Overige

94

95

88

90

92

100

‒ 8

 

Opdrachten

13.160

11.633

11.142

4.883

3.320

101.255

‒ 97.935

 

Risicoverevening

1.494

1.278

1.662

1.346

1.753

2.580

‒ 827

 

Uitvoering zorgverzekeringsstelsel

644

771

301

180

69

11.308

‒ 11.239

 

Medisch specialistische zorg

9.416

6.521

1.070

409

3

370

‒ 367

 

Curatieve ggz

446

1.874

1.395

1.317

765

1.173

‒ 408

 

Eerstelijnszorg

202

238

598

0

0

115

‒ 115

 

Passende Zorg

0

0

40

3

415

84.133

‒ 83.718

 

Overige

958

951

6.076

1.628

315

1.576

‒ 1.261

 

Bijdrage aan agentschappen

7.504

7.287

25.834

9.108

9.254

8.917

337

 

CJIB: Onverzekerden en wanbetalers

7.504

7.287

8.291

9.108

9.254

8.917

337

 

Overige

0

0

17.543

0

0

0

0

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

6.702

6.043

7.711

8.999

8.812

10.418

‒ 1.606

 

Sociale Verzekeringsbank: Onverzekerden

5.760

5.535

7.510

8.258

8.682

7.966

716

 

Overige

942

508

201

741

130

2.452

‒ 2.322

2.50

NRG Pallas

0

0

0

0

367.325

0

367.325

 

Leningen

0

0

0

0

23.654

0

23.654

 

Pallas nieuwbouw programma

0

0

0

0

23.654

0

23.654

 

Vermogensverschaffing/-onttrekking

0

0

0

0

343.671

0

343.671

 

Pallas nieuwbouw programma

0

0

0

0

267.410

0

267.410

 

Instandhouding NRG

0

0

0

0

76.261

0

76.261

         
 

Ontvangsten

133.534

138.158

121.077

92.936

102.099

78.701

23.398

         

Verplichtingen

De verplichtingenrealisatie is in totaal circa € 3,2 miljard lager dan begroot. Dit is voornamelijk het gevolg van het overhevelen van de Rijksbijdrage Zorgverzekeringswet 18- van artikel 2 naar artikel 8.

Subsidies medisch specialistische zorg:

In de Veegbrief 2024 is voor subsidies medisch specialistische zorg aanvullend € 33 miljoen aan verplichtingenbudget naar voren gehaald. Het verplichtingenbudget voor 2025 is bij de eerste suppletoire begroting hierdoor met € 33 miljoen verlaagd. Gelijktijdig is hiervoor weer gecorrigeerd met een verhoging van € 23,6 miljoen, door verplichtingenbudget uit 2030 te schuiven naar 2025.

Subsidies medisch specialistische zorg:

Er is bij de suppletoire begroting september 2025 voor € 69,6 miljoen aan verplichtingenruimte van 2026 naar 2025 gehaald. Dit was nodig om de instellingssubsidies in het voorafgaande jaar te kunnen verstrekken.

Opdrachten medisch specialistische zorg

VWS werkt met het veld aan een Nationale Zorgreserve. Hiervoor is in 2025 een meerjarige opdracht gesloten. Omdat in een eerder stadium geen verplichtingenruimte naar voren gehaald is, wordt dit bij de Slotwet gecorrigeerd door € 10 miljoen aanvullend aan verplichtingenruimte beschikbaar te stellen.

2.10 Kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Subsidies (regelingen)

Medische producten

De uitgaven aan subsidies medische producten zijn € 24,5 miljoen lager uitgevallen door meerdere oorzaken. De belangrijkste oorzaak is de vertraging in de uitvoering van subsidies, dit geldt onder andere voor medicatieoverdracht (€ 10,1 miljoen), VIPP Farmacie (€ 2,5 miljoen) en meerdere kleinere subsidies. Daarnaast is er een ijklijn (overheveling van begroting naar premie) geweest voor de pilot Uitzonderen van AMR-middelen van de GVS-limiet (€ 3,0 miljoen).

Tabel 16 Sociale media: problematisch gebruik onder jongeren1

Sociale media

2017

2019

2021

2023

Problematisch gebruik sociale media

3,8%

3,3%

5,3%

4,8%

1

Dit kerncijfer betreft het percentage jongeren van 12 tot en met 16 jaar dat ervaringen rapporteert die duiden op problematisch gebruik van sociale media

Tabel 17 Relatieve 5-jaarsoverleving123

Relatieve 5-jaarsoverleving

1991-1995

1996-2000

2001-2005

2006-2010

2011-2015

2016-2020

Borstkanker1

77,5%

81,1%

84,2%

86,0%

87,8%

88,6%

Dikkedarmkanker2

52,8%

55,5%

57,9%

61,2%

65,8%

69,5%

Baarmoederhalskanker3

63,4%

63,8%

65,9%

66,5%

68,5%

68,7%

1

Dit kerncijfer betreft het percentage patiënten met borstkanker dat na 5 jaar nog in leven is, vergeleken met het percentage personen uit de algemene bevolking dat na 5 jaar nog in leven is.

2

Dit kerncijfer betreft het percentage patiënten met dikkedarmkanker dat na 5 jaar nog in leven is, vergeleken met het percentage personen uit de algemene bevolking dat na 5 jaar nog in leven is.

3

Dit kerncijfer betreft het percentage patiënten met baarmoederhalskanker dat na 5 jaar nog in leven is, vergeleken met het percentage personen uit de algemene bevolking dat na 5 jaar nog in leven is.

Tabel 18 Foetale sterfte, neonatale sterfte, vroeggeboorte en laaggeboortegewicht123
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Foetale sterfte1

3,1

2,8

2,6

2,8

2,9

2,9

3,2

Neonatale sterfte2

2

2

2,3

2,4

2,2

2,4

1,7

Vroeggeboorte3

7%

6,8%

6,9%

6,8%

6,7%

6,7%

6,6%

Laaggeboortegewicht3

6,1%

5,8%

5,9%

5,8%

5,7%

5,7%

5,7%

1

Dit kerncijfer betreft de foetale sterfte, dat wil zeggen het aantal overledenen vóór of tijdens de geboorte bij een zwangerschapsduur van 24 weken of meer. Deze sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- of doodgeborenen.

2

Dit kerncijfer betreft het aantal overledenen tot en met 28 dagen na de geboorte per 1.000 geborenen na een zwangerschapsduur van 24 weken of meer. 

3

Dit kerncijfer betreft vroeggeboorten en laag geboortegewicht (bij levend- en doodgeborenen met zwangerschapduur van 24 weken of meer).

Tabel 19 Aantal patiënten curatieve GGZ1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

GGZ: aantal patienten curatieve GGZ

1.426.581

1.402.548

1.428.907

1.437.526

1.498.620

1.544.288

1

Dit kerncijfer betreft het totaal aantal patiënten dat gebruik heeft gemaakt van geestelijke gezondheidszorg (ggz) vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Vermogensverschaffing/ onttrekking

Kapitaalverschaffing Pallas

In 2025 zijn alle middelen die beschikbaar zijn voor kapitaalverschaffing aan NRG PALLAS B.V. verplaatst naar een separaat artikelonderdeel om de uitgaven aan het Pallas-nieuwbouwprogramma beter inzichtelijk te maken.

De uitgaven in 2025 zijn hoger uitgevallen vanwege een eenmalige kapitaalstorting ter hoogte van € 76,3 miljoen ten behoeve van de instandhouding van de liquiditeitspositie van NRG Pallas. Deze eenmalige uitgave staat los van het nieuwbouwprogramma.

Voorts zijn enkele kasschuiven gedaan, onder meer vanwege de schuivende planning van het project.

2.34 Ondersteuning van het zorgstelsel

Subsidies (regelingen)

Eerstelijnszorg

Zoals reeds aangegeven bij de suppletoire begroting september, vallen de uitgaven op dit budget € 11 miljoen lager uit. Dit is te verklaren door de onderstaande aanpassingen:

  • Als gevolg van het opheffen van het instrument subsidies eerstelijnszorg onder het artikelonderdeel Ondersteuning van het zorgstelsel, wordt een bedrag van € 6,6 miljoen overgeboekt naar Kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg.

  • Daarnaast is meerjarig € 9,5 miljoen, waarvan € 3,8 miljoen in 2025, overgeboekt naar artikel 1 Volksgezondheid ten behoeve van het ZonMw-programma voor digitale zelfzorgmiddelen.

Tezamen met een aantal kleinere mutaties verspreid over de verschillende begrotingsmomenten is het subsidiebudget voor Eerstelijnszorg met € 11,2 miljoen verlaagd.

Regeling medisch noodzakelijke zorg onverzekerden

De uitgaven voor de reguliere SOV (exclusief uitgaven voor zorg aan Oekraïense ontheemden) zijn € 14,4 miljoen hoger dan in de begroting geraamd. De SOV-uitgaven ten behoeve van zorg aan Oekraïense ontheemden zijn € 8,2 miljoen lager dan in de begroting geraamd; er was € 15,0 miljoen geraamd terwijl de werkelijke kosten € 6,8 miljoen bedroegen. De totale SOV-uitgaven zijn in 2025 per saldo € 6,2 miljoen hoger dan geraamd.

Bekostiging

Rijksbijdrage 18-

De Rijksbijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds voor kinderen tot 18 jaar is in 2025 overgeheveld van artikel 2 naar artikel 8. De gerealiseerde uitgaven op artikel 2 zijn daarom gelijk aan 0. De uitgavenrealisatie voor de Rijksbijdrage in 2025 wordt toegelicht op artikel 8.

Inkomensoverdrachten

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

Zoals vermeld bij de suppletoire begroting september, zijn de nabetalingen voor de vaststellingen op de FLO/VUT regeling hoger uitgevallen dan geraamd. Hiervoor wordt dit budget met € 14,5 miljoen verhoogd in 2025.

Tezamen met een aantal kleinere mutaties is het budget voor de overgangsregeling FLO/VUT regeling met € 16,3 miljoen verhoogd.

Opdrachten

Uitvoering zorgverzekeringsstelsel

Een deel van de in de begroting geraamde middelen (€ 9,4 miljoen) is overgeboekt naar het ministerie van EZK ten behoeve van het programma Coalitie Leefstijl in de Zorg. Tezamen met een aantal in omvang geringe mutaties vallen de uitgaven per saldo € 11,2 miljoen lager uit.

Tabel 20 Aantal onverzekerden
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Aantal onverzekerden1

57.965

31.681

28.740

29.454

24.269

22.960

17.424

24.205

24.870

20.260

23.876

25.024

28.584

25.821

19.560

1

Dit kerncijfer betreft verzekeringsplichtigen die geen zorgverzekering hebben afgesloten, en via bestandskoppeling zijn opgespoord (sinds 2011 mogelijk).

Passende zorg

Om de uitgaven van het programma in het juiste kasritme te zetten, heeft er een kasschuif plaatsgevonden van € 39,0 miljoen naar latere jaren. Omdat in de komende jaren niet het hele budget benodigd blijkt, is er in 2025 € 20,0 miljoen vrijgevallen. Daarnaast is € 21,9 miljoen overgeboekt naar artikel 1 "ZonMw Programmering" ten behoeve van de uitvoering van de beleidsdoelstellingen op het gebied van Passende Zorg.

Tezamen met een aantal in omvang geringe mutaties zijn de uitgaven voor passende zorg € 83,7 miljoen lager dan in de begroting geraamd.

Tabel 21 Gemiddelde wachttijd GGZ1
 

2022-2

2022-3

2022-4

2023-1

Basis ggz: gemiddelde wachttijd in weken

12,3

12,5

14,9

14,1

1

Dit kerncijfer betreft het percentage wachttijden in de generalistische basis-ggz langer dan de Treeknorm.

Tabel 22 Aantal wachtenden op de Wlz-zorg in de GGZ12
 

2015-4

2016-4

2017-4

2018-4

2019-4

2020-4

2021-4

2022-4

2023-4

2024-4

2025-4*

Aantal wachtenden op Wlz-zorg in de ggz1

88

64

48

11

13

59

573

800

673

653

638

Wacht op voorkeur / Niet-actief wachtend1

47

39

29

2

1

6

358

536

477

450

429

Totaal urgent plaatsen1

      

6

2

6

13

5

Totaal actief plaatsen1

      

206

262

190

190

204

Totaal actief wachtenden1

41

25

19

9

12

53

3

    
1

Dit betreft kerncijfers over het aantal wachtenden op de Wlz in de zorg binnen de GGZ.

2

* Voorlopig cijfer

2.50 NRG Pallas

Lening

In 2025 zijn de voor Pallas beschikbare middelen verplaatst naar een separaat artikelonderdeel om de uitgaven aan Pallas beter inzichtelijk te maken. Hiernaast zijn enkele kasschuiven gedaan, onder meer vanwege de schuivende planning van het project.

Vermogensverschaffing/ - onttrekking

In 2025 zijn de voor Pallas beschikbare middelen verplaatst naar een separaat artikelonderdeel om de uitgaven aan Pallas beter inzichtelijk te maken. De uitgaven in 2025 zijn hoger uitgevallen vanwege een eenmalige kapitaalstorting ten behoeve van de instandhouding van de liquiditeitspositie van NRG Pallas. Deze uitgaven staan los van het nieuwbouwprogramma. Hiernaast zijn enkele kasschuiven gedaan, onder meer vanwege de schuivende planning van het project.

Ontvangsten

De door het CAK (en het CJIB) gerealiseerde ontvangsten van burgers met een betalingsachterstand in de premiebetaling Zvw zijn € 5,4 miljoen hoger dan in de begroting geraamd. Dit komt voornamelijk doordat het aantal wanbetalers in 2025 hoger was dan waar eerder rekening mee was gehouden.

De algemene subsidieontvangsten binnen de Curatieve Zorg vielen € 7 miljoen lager uit dan geraamd. Deze tegenvaller is budgettair verwerkt bij de tweede suppletoire begroting.

Tezamen met enkele andere kleinere mutaties zijn de ontvangsten met € 23,3 miljoen verhoogd.

Tabel 23 Financiële toegankelijkheid123
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025*

Afzien van zorg vanwege de kosten1

16%

11%

8%

9%

7%

8%

8%

11%

8%

 

Wanbetalers zorgverzekering2

277.023

249.044

223.714

202.702

189.652

170.221

170.541

178.916

184.861

187.425

1

Dit kerncijfer betreft het percentage van de bevolking van 18 jaar en ouder dat in de voorgaande 12 maanden wel eens heeft afgezien van één of meer vormen van zorg vanwege de kosten.

2

Dit kerncijfer betreft het aantal mensen van 18 jaar en ouder dat verzekerd is voor de Zorgverzekeringswet, maar een achterstand heeft bij de betaling van hun premie.

3

* Betreft een voorlopig cijfer.

5.3 Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

Een stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat:

  • 1. ieder mens in staat stelt om zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen en

  • 2. wanneer dit nodig is – thuis of in een instelling kwalitatief goede ondersteuning en zorg biedt.

Daarbij worden ondersteuning en zorg geboden aansluitend op informele vormen van hulp. De complexiteit van de zorgvraag en de weerbaarheid van de burger staan centraal bij het bieden van passende zorg. Er wordt gestreefd naar welbevinden en een afname van de afhankelijkheid van ondersteuning en zorg. Dit alles tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

Tabel 24 Goed ervaren gezondheid 75 en ouder1
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Goed ervaren gezondheid 75 jaar of ouder1

53,2%

57,0%

59,2%

57,3%

55,1%

64,1%

62,9%

55,6%

58,9%

58,4%

1

Dit kerncijfer geeft het percentage mensen van 75 jaar of ouder weer zat zijn of haar gezondheid als goed of zeer goed ervaart.

Tabel 25 Wlz zorg in percentages12

Wlz zorg in percentages

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024*

Aandeel mensen met wlz zorg

1,72%

1,73%

1,71%

1,73%

1,78%

1,80%

1,95%

2,01%

2,07%

2,10%

Aandeel mensen met wlz zorg met verblijf3

1,23%

1,20%

1,17%

1,18%

1,18%

1,16%

1,23%

1,23%

1,24%

1,23%

Aandeel mensen met wlz zorg zonder verblijf, met volledig pakket thuis4

0,05%

0,05%

0,06%

0,07%

0,08%

0,08%

0,10%

0,12%

0,14%

0,17%

Aandeel mensen met wlz zorg zonder verblijf met modulair pakket thuis5

0,18%

0,17%

0,18%

0,21%

0,24%

0,26%

0,30%

0,33%

0,35%

0,36%

Uitsluitend pgb6

0,15%

0,18%

0,18%

0,19%

0,19%

0,21%

0,23%

0,24%

0,24%

0,25%

Geen Wlz zorg7

0,11%

0,12%

0,12%

0,09%

0,09%

0,09%

0,09%

0,09%

0,09%

0,10%

1

2

* Voorlopige cijfers.

3

Gebruik van Wlz-zorg met verblijf. Dit is zorg in bijvoorbeeld een verpleeghuis of verzorgingshuis, een instelling voor gehandicapten of een instelling voor personen met langdurige psychische problemen.

4

Gebruik van Wlz-zorg via een volledig pakket thuis.

5

Gebruik van Wlz-zorg via een modulair pakket thuis.

6

Personen met uitsluitend pgb maken enkel gebruik van Wlz zorg vanuit persoonsgebonden budget en niet van andere vormen van de Wlz-zorg (dit is zonder verblijf).

7

Personen met een indicatie voor Wlz-zorg die op basis van deze indicatie geen gebruik maken van Wlz-zorg in natura en/of Wlz zorg bekostigd uit pgb's.

De minister is verantwoordelijk voor een effectief en efficiënt werkend systeem van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning in Nederland.

Mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, dienen dit of thuis of in een instelling op maat en van een goede kwaliteit te krijgen. Gemeenten dragen zorg voor de ondersteuning via de Wmo 2015.

Voor mensen met een blijvende behoefte aan permanent toezicht en die 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben, is zorg vanuit de Wlz beschikbaar. Zorgkantoren sluiten namens Wlz-uitvoerders overeenkomsten met zorgaanbieders voor het leveren van verzekerde zorg. Het kan onder andere gaan om verblijf in een instelling, persoonlijke verzorging en verpleging en/of geneeskundige zorg in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

De minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren:

  • en aanjagen van een adequate uitvoering van betreffende wetten en vernieuwing in de maatschappelijk ondersteuning en de langdurige zorg. Vernieuwing wordt hoofdzakelijk door burgers, cliëntenorganisaties, gemeenten, zorg- en welzijnsaanbieders en zorgverzekeraars vormgegeven.

  • van de ontwikkeling en verspreiding van kennis, waaronder goede voorbeelden en innovaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg en initiatieven om de kwaliteit en het innoverend vermogen van de ondersteuning en zorg te versterken.

Financieren:

  • van de Wmo 2015 en de Wlz.

  • van partijen die een belangrijke rol vervullen binnen het stelsel.

Regisseren:

  • vaststellen van de wettelijke kaders van de Wmo 2015 en de Wlz en sturen door het maken van bestuurlijke afspraken en door gebruik te maken van de bevoegdheid van interbestuurlijk toezicht.

  • monitoren en evalueren van de werking van de Wmo 2015 en de Wlz.

Doe onbeperkt mee/coördinatie implementatie VN-verdrag handicap

In 2025 heeft het kabinet de werkagenda VN-verdrag Handicap 2025-2030 vastgesteld. Met deze werkagenda zet de Rijksoverheid stappen in het bereiken van de doelen in de nationale strategie VN-verdrag Handicap. VWS werkt vanuit deze werkagenda onder andere aan het verbeteren van de toegang en beschikbaarheid van hulpmiddelen, passende beschikkingsduur en het verbeteren van de toegang tot zorg en ondersteuning,

Daarnaast is in 2025 verder gewerkt aan de Toekomstagenda Zorg en Ondersteuning voor mensen met een beperking. Deze agenda richt zich op nieuwe manieren van werken en organiseren, die moeten leiden tot meer passende zorg en ondersteuning.

Kengetal: De participatie van mensen met een lichamelijke beperking, lichte of matige verstandelijke beperking, en de algemene bevolking in 2023 (percentages)

*De cijfers zijn berekend op basis van standaardpopulaties van de betreffende groep in Nederland.

*Dagbesteding is alleen gemeten voor mensen met een verstandelijke beperking.

**Cijfers voor politieke participatie door mensen met een verstandelijke beperking konden niet betrouwbaar geschat worden vanwege het kleine aantal mensen dat hierop participeert.

*< 65 jaar. Bij mensen met een verstandelijke beperking gaat het om (on)betaald werk, zowel 65-plus als 65-min.

***Training, cursus of opleiding is voor mensen met een verstandelijke beperking berekend voor mensen onder de 65 jaar, omdat dit in onze steekproef niet wordt gedaan door mensen in de categorie 65+.

Bron: Notitie NIVEL Participatiecijfers 2023

Programma Eén tegen eenzaamheid

Met de in 2022 gelanceerde vervolgaanpak van het programma Eén tegen eenzaamheid is in 2025 voortgang geboekt in het verminderen van eenzaamheid. De drie actielijnen zijn verder verdiept en verankerd.76Er is meer bewustwording in de samenleving over eenzaamheid gecreëerd. Uit de evaluatie van de publiekscampagne Eén tegen eenzaamheid in 2025 blijkt onder andere dat meer mensen iets samen hebben gedaan met iemand anders en meer mensen hebben contact gezocht met iemand die ze kennen. 77Daarnaast zijn tijdens de Week tegen Eenzaamheid in 2025 honderden activiteiten georganiseerd door het hele land en waren ruim 800 deelnemers en Zijne Majesteit de Koning aanwezig bij de netwerkconferentie Landelijke opening Week tegen Eenzaamheid.

Ook heeft in 2025 de Wetenschappelijke Adviescommissie van het actieprogramma een laatste advies uitgebracht over ‘eenzaamheidsbeleid’. Daarnaast is Movisie in 2025 gestart met de begeleiding van tien eenzaamheidsinterventies bij hun (her)beoordeling voor de databank Erkende Sociale Interventies. In 2025 is verder ingezet op het uitbouwen van duurzame samenwerkingen en het professionaliseren van de Nationale Coalitie tegen Eenzaamheid. Er is een kernteam en diverse werkgroepen gevormd om met concrete thema’s aan de slag te gaan. Ook is in 2025 vanuit het Trimbos-instituut een handreiking gemaakt voor onderwijsprofessionals over wat zij kunnen doen om eenzaamheid onder kinderen en jongeren te voorkomen en verminderen. In 2025 is circa 80% van alle gemeenten aangesloten bij Eén tegen eenzaamheid. Daarvan werkt ruim 80% met een lokale coalitie tegen eenzaamheid. Het actieprogramma richtte zich in 2025 op het verduurzamen van de bestaande lokale aanpakken.

Toekomstbestendige Wmo

Samen met veldpartijen is gewerkt aan de verbetering van de houdbaarheid van de Wmo 2015 om zo de beschikbaarheid van voorzieningen in de toekomst te kunnen (blijven) waarborgen, met name voor de meest kwetsbare groepen. Het houdbaarheidsonderzoek is in november 2025 opgeleverd.78 Dit onderzoek is een gezamenlijk traject van gemeenten (VNG) en het Rijk om een beeld te schetsen van hoe de Wmo 2015 nu functioneert en wat er in de nabije toekomst nodig is om de Wmo 2015 houdbaar te houden.

Aanpak Dakloosheid

Met het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2022-2030) 79(hierna: NAD) wordt ingezet op een omslag van opvang naar passende huisvesting met begeleiding, preventie van dakloosheid en het versterken van de financiële bestaanszekerheid met als doel het beëindigen van dakloosheid in 2030. In 2025 is de eerste 2,5 jaar van de uitvoering van het NAD geëvalueerd. Deze evaluatie en een eerste reactie van het (demissionaire) kabinet zijn op 17 december 2025 naar de TK gestuurd.80 Gemeenten, woningcorporaties, zorg- en welzijnspartijen en belangenbehartigers zijn in de regio hard aan de slag, door bijv. uitstroom uit verblijfsinstellingen te versnellen en het sociaal domein beter te verbinden met het fysieke domein, om de doelen uit het NAD te behalen. Tegelijkertijd laat de evaluatie zien dat extra inzet nodig is om dakloosheid daadwerkelijk te beëindigen.

Wonen met zorg

In 2025 werd verdere uitwerking gegeven aan de inzet van de vanaf 2027 beschikbare € 600 miljoen in de enveloppe voor betere ouderenzorg, waaronder de uitbreiding van zorg- en verpleegplekken. Een (incidenteel) deel van deze enveloppe op de Aanvullende Post is inmiddels ingezet voor afspraken in het Hoofdlijnenakkoord ouderenzorg (HLO). In 2027 en 2028 gaat het om respectievelijk € 229 miljoen en € 148 miljoen. Daarnaast wordt er in 2027 € 65 miljoen ingezet ter (intertemporele) dekking van de motie Dobbe en Westerveld om de tariefmaatregel meerjarig contracteren in de gehandicaptenzorg en de langdurige ggz voor 2026 niet in te laten gaan.81 Ook wordt er € 4,4 miljoen in 2027 en vanaf 2028 structureel € 7,7 miljoen ingezet voor het toevoegen van twee doelgroepen in de aanspraak op gespecialiseerde langdurige zorg (traject ‘laag volume hoog complex’ (LVHC)). Ter dekking van structurele problematiek op de Rijksbegroting wordt structureel € 150 miljoen vanaf 2027 ingezet. Er resteerde een bedrag van € 8 miljoen in 2027, € 320 miljoen in 2028/2029 en € 470 miljoen structureel vanaf 2030. In he nieuwe coalitieakkoord is deze reservering komen te vervallen.

Wet zorg en dwang

Om de uitvoering van de Wet zorg en dwang (Wzd) te verbeteren en de rechtsbescherming van cliënten te versterken, is gewerkt aan een wijzigingswet die in samenhang wordt voorbereid met aanpassingen in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Deze integrale benadering beoogt de uitvoerbaarheid te vergroten en de kwaliteit van de wettelijke waarborgen te versterken. In het voorjaar van 2025 is het wetsvoorstel van de wijziging van de Wvggz en de Wzd online ter consultatie aangeboden. Daarnaast zijn, zoals het beleidskompas voorschrijft, ten aanzien van dit wetsvoorstel verschillende uitvoeringstoetsen gedaan en adviezen over het wetsvoorstel gegeven. De uitkomsten van de consultatie, de adviezen en de toetsen worden betrokken bij de verdere uitwerking van het conceptwetsvoorstel.82

Tabel 26 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3: Langdurige zorg en ondersteuning (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

14.790.146

15.459.398

32.366.506

23.066.078

816.986

18.961.576

‒ 18.144.590

         
 

Uitgaven

12.186.970

13.655.535

29.589.725

21.617.993

881.800

19.852.599

‒ 18.970.799

         

3.10

Participatie en zelfredzaamheid van kwetsbare groepen

165.522

139.465

305.460

334.752

377.732

481.683

‒ 103.951

 

Subsidies (regelingen)

64.234

47.557

60.186

70.417

96.395

44.398

51.997

 

Toegang tot zorg en ondersteuning

9.286

8.658

7.633

7.939

20.244

8.630

11.614

 

Passende zorg en levensbrede ondersteuning

25.182

13.626

13.151

14.422

3.069

2.454

615

 

Inclusieve samenleving

14.734

6.053

20.464

26.104

35.901

23.964

11.937

 

Kennis en informatiebeleid

11.571

11.149

14.765

17.780

37.181

9.109

28.072

 

Overige

3.461

8.071

4.173

4.172

0

241

‒ 241

 

Opdrachten

57.504

62.862

67.995

82.025

77.529

140.013

‒ 62.484

 

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer

48.948

52.645

58.025

69.646

67.579

64.090

3.489

 

Toegang tot zorg en ondersteuning

187

3.663

53

113

0

2.369

‒ 2.369

 

Passende zorg en levensbrede ondersteuning

2.933

3.342

2.091

3.229

0

4.854

‒ 4.854

 

Inclusiviteit

2.747

1.865

7.078

7.639

0

48.329

‒ 48.329

 

Kennis, informatie en innovatiebeleid

170

0

233

98

0

1.649

‒ 1.649

 

Aanbesteden sociaal domein

1.146

28

0

0

0

0

0

 

Overige

1.373

1.319

515

1.300

9.950

18.722

‒ 8.772

 

Bijdrage aan agentschappen

16.891

3.100

6.774

9.016

11.645

24.929

‒ 13.284

 

Overige

16.891

3.100

6.774

9.016

11.645

24.929

‒ 13.284

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

11.280

15.267

16.385

18.299

20.723

14.581

6.142

 

Doventolkvoorzieningen

11.280

15.267

16.385

18.299

20.723

14.581

6.142

 

Bijdrage aan medeoverheden

8.313

10.512

153.816

154.235

171.440

178.712

‒ 7.272

 

Overige

8.313

10.512

153.816

154.235

171.440

178.712

‒ 7.272

 

Storting/onttrekking begrotingsreserve

7.300

167

304

760

0

79.050

‒ 79.050

 

Stimuleringsregeling wonen en zorg

7.300

167

304

760

0

79.050

‒ 79.050

3.21

Langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

12.021.448

13.516.070

29.284.265

21.283.241

504.068

19.370.916

‒ 18.866.848

 

Subsidies (regelingen)

159.281

154.481

176.350

214.022

254.248

299.005

‒ 44.757

 

Zorg merkbaar beter maken

77.359

69.928

85.798

112.749

143.428

190.128

‒ 46.700

 

Kennis, informatie en innovatiebeleid

37.129

33.403

28.000

26.794

30.045

30.059

‒ 14

 

Palliatieve zorg en ondersteuning

44.793

51.150

62.552

74.479

80.775

78.818

1.957

 

Bekostiging

11.681.043

13.184.000

28.923.125

20.852.200

0

18.816.800

‒ 18.816.800

 

Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

4.101.700

4.234.000

4.823.800

5.302.200

0

6.016.800

‒ 6.016.800

 

Bijdrage Wlz

7.579.343

8.950.000

9.650.000

15.550.000

0

12.800.000

‒ 12.800.000

 

Overige

0

0

14.449.325

0

0

0

0

 

Opdrachten

31.566

25.938

14.052

15.401

21.268

26.987

‒ 5.719

 

Zorgdragen voor langdurige zorg

31.566

25.938

14.052

15.401

21.268

26.987

‒ 5.719

 

Bijdrage aan agentschappen

427

865

476

811

778

718

60

 

Algemeen

427

865

476

811

778

718

60

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

148.007

150.112

165.003

183.954

202.088

200.406

1.682

 

Uitvoeringskosten Sociale Verzekeringsbank

42.317

43.222

43.603

45.146

52.348

56.541

‒ 4.193

 

Uitvoeringskosten Centrum Indicatiestelling Zorg

105.690

106.890

121.400

138.808

149.740

143.865

5.875

 

Bijdrage aan medeoverheden

1.124

674

5.259

16.853

25.686

27.000

‒ 1.314

 

Overige

1.124

674

5.259

16.853

25.686

27.000

‒ 1.314

         
 

Ontvangsten

10.547

6.606

12.943

31.330

86.429

8.376

78.053

         

Verplichtingen

De verplichtingenrealisatie is in totaal circa € 18,1 miljard lager dan begroot. Dit is voornamelijk het gevolg van het overhevelen van de Rijksbijdrage in de kosten van kortingen en de Bijdrage Wlz van artikel 3 naar artikel 8.

3.10 Participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

Subsidies

Toegang tot zorg en ondersteuning

Door een technische schuif van budgetten binnen artikel 3 wordt het budget voor dit subsidieonderdeel opgehoogd. Het budget betreft onder andere subsidies verleningen met betrekking tot sociale basis, toegankelijkheid en geweld in afhankelijkheidsrelaties.

Inclusieve samenleving

Door een technische schuif van budgetten binnen artikel 3 wordt het budget voor dit subsidieonderdeel opgehoogd. Hieronder vallen subsidies als de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg (STOZ), Fonds Woon coöperaties, Leefomgeving. Digitale vaardigheden burgers en subsidieinitiatieven met betrekking tot het VN-verdrag Handicap.

Kengetal: Over het geheel genomen geven de pashouders het reizen met het BRV een hoog waarderingscijfer.

Bron: Klantervaringsonderzoek Valys 2025

pkb = persoonlijk kilometer budget

Het BRV is vraagafhankelijk vervoer, dit betekent dat factoren zoals de toegankelijkheid van het lokale openbaar vervoer, het weer of de gezondheid van de pashouders invloed kunnen hebben op het aantal verreden kilometers.

Kennis en informatiebeleid

Door een technische schuif van budgetten binnen artikel 3 wordt het budget voor dit subsidieonderdeel opgehoogd. Hieronder vallen subsidies zoals werkplaatsen sociaal domein, instellingsubsidies Movisie, luisterlijn, VNG ketenbureau en stimuleringsprogramma sociaalwerk.

Opdrachten

Inclusiviteit

Dit betreft een reservering voor de meerkosten in het sociaal domein voor Oekraïense ontheemden en een  technische schuif binnen de VWS-begroting.

Bijdrage aan agentschappen

Overige

Door een technische schuif van budgetten binnen artikel 3 wordt het budget verlaagd. De realisatie betreft de bijdragen voor het CIBG, RVO en Justis.

Storting/onttrekking begrotingsreserve

Stimuleringsregeling wonen en zorg

Een bedrag van € 79,1 miljoen in 2025 is overgeheveld naar de juiste plek in de begroting. Deze middelen hebben voornamelijk betrekking op de subsidieregeling Zorggeschikte Woningen en behoren toe aan artikel 3 begrotingsonderdeel «Langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten».

Tabel 27 Eenzaamheid onder ouderen1

Eenzaamheid

2012

2016

20202

2022

2024

75-84 jr eenzaam1

49,5

52,5

53,6

52,3

49,2

75-84 jr (zeer) sterk 1eenzaam

9,9

10,3

11,2

11,9

10,7

> 85 jr eenzaam1

59,2

62,7

65,9

62,6

60,2

> 85 jr (zeer) sterk eenzaam1

13,8

14,8

14,3

15,6

14,2

1

Dit kerncijfer betreft het percentage personen van 18 jaar en ouder dat zelf aangeeft zich eenzaam te voelen

2

In 2020 brak de coronapandemie uit. Hiermee moet rekening worden gehouden bij het interpreteren van de trends.

Tabel 28 Langdurige beperkingen door gezondheidsdproblemen1
 

2014/2015

2016/2017

2018/2019

2020/2021

2022/2023

Langdurige beperkingen door gezondheidsproblemen (GALI beperking)1

22,9%

24,9%

25,6%

25,0%

26,8%

1

GALI = Global Activity Limitation Indicator. Het percentage personen dat vanwege problemen met de gezondheid sinds 6 maanden of langer beperkt is in activiteiten die mensen gewoonlijk doen

3.21 Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Subsidies

Zorg merkbaar beter maken

Voor de subsidieregeling Groninger Zorgakkoord (GZA) was er in 2025 € 81 miljoen beschikbaar. In 2025 is er voor € 50 miljoen aan subsidieaanvragen binnengekomen. De totale onderbesteding komt daarmee uit op € 31 miljoen. Een groot gedeelte van het budget (€ 50 miljoen) is doorgeschoven naar de jaren 2027 en 2028.

Voor de subsidieregeling Zorggeschikte woningen is bij voorjaarsnota  2025 € 68 miljoen beschikbaar. In 2025 heeft er een kasschuif plaatsgevonden van in totaal € 50 miljoen naar de jaren 2027 en 2028. Daarmee resteerde er nog € 18 miljoen aan budget, waarvan voor € 7 miljoen de betalingen achter lopen op de verplichtingen. De totale besteding voor 2025 komt op € 11 miljoen. Ook is met € 10 miljoen het budget opgehoogd voor het waarborgen van de continuïteit van zorg in de gehandicaptenzorgsector. Deze is niet tot besteding gekomen in 2025.

Door vertraging in de bevoorschotting van de subsidieregelingen Gespecialiseerde Cliënt Ondersteuning en Vilans waren er in 2025 drie kasschuiven nodig naar de jaren 2027 en 2028 met in totaal een omvang van € 21,2 miljoen. 

Verder hebben er in 2025 verschillende kleinere mutaties plaats gevonden, zoals de invulling van de taakstelling op subsidies (€ 3,6 miljoen), meerdere interne overboekingen (totaal € 4 miljoen), een amendement subsidieregeling palliatieve zorg (€ 3 miljoen) en is er € € 3 miljoen aan subsidiegelden nog niet tot besteding gekomen.

Bekostiging

De Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) en de Rijksbijdrage Wlz aan het Fonds langdurige zorg zijn in 2025 overgeheveld van artikel 3 naar artikel 8. De gerealiseerde uitgaven op artikel 3 zijn daarom voor beide Rijksbijdragen gelijk aan 0. De uitgavenrealisaties voor de BIKK en de Rijksbijdrage Wlz in 2025 worden toegelicht op artikel 8.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Uitvoeringskosten Sociale Verzekeringsbank

De uitvoeringskosten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor de trekkingsrechten pgb en aanverwante opdrachten vallen € 4,2 miljoen lager uit dan begroot. Dit komt voornamelijk door het later aansluiten van gemeenten op het PGB 2.0 systeem.

Ontvangsten

Vanwege de afbouw van de begrotingsreserve van de stimuleringsregeling wonen en zorg wordt de ontvangstenraming met € 50 miljoen verhoogd. Daarnaast betreft dit terugontvangsten van de SPUK IZA van € 25,5 miljoen. Na beoordeling van de jaarrekening CIZ wordt het teveel van € 3,9 miljoen aan bevoorschotting over 2024 terugbetaald. Tezamen met een aantal kleinere mutaties zijn de ontvangsten € 78,1 miljoen hoger dan oorspronkelijk geraamd.

5.4 Artikel 4 Zorgbreed beleid

Het scheppen van randvoorwaarden om het zorgstelsel verder te optimaliseren zodat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de zorg voor de burger gewaarborgd blijft.

De minister bevordert de werking van het stelsel door partijen in staat te stellen hun rol te spelen en door belemmeringen weg te nemen die een goede werking van het stelsel in de weg staan. Daar waar publieke belangen in het geding zijn die niet voldoende door (partijen in) het stelsel behartigd kunnen worden, bevordert de minister dat deze belangen worden behartigd.

De minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren: van een stevige positie van de cliënt in het zorgstelsel en transparantie van zorg, een logische beroepenstructuur die aansluit op de huidige en toekomstige zorg- en ondersteuningsvraag en van beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd zorgpersoneel (het aantal werkenden minder meer laten groeien, om ook voldoende mensen beschikbaar te hebben voor andere maatschappelijke sectoren en via behoud van de huidige zorgmedewerkers door goed werkgeverschap en zeggenschap), van andere manieren van werken en voldoende opleidingsplaatsen, van innovaties en (digitale) vaardigheden in de zorg en de ontwikkeling hiervan, alsmede betrouwbaar informatiebeleid en van vertrouwen in datagebruik in de zorg, en van een gezonde leefstijl voor de mensen woonachtig in Caribisch Nederland.

Financieren: de minister draagt bij aan de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg door middel van het financieren van organisaties gemoeid met patiënten, zoals gehandicaptenorganisaties en ZBO’s of agentschappen. Tevens financiert de minister projecten en onderzoeken uitgevoerd door ZonMw, opleidings- en bijscholingsinstrumtenten, de zorg in Caribisch Nederland, en financiert instrumenten voor PGO's om het gebruik te stimuleren.

Regisseren: van wet- en regelgeving die zorgen voor een stevige positie van de patiënt in het zorgstelsel, verlagen van de regeldruk in de zorg, voorkomen van systeemrisico’s bij financiering in de zorg, regisseren van een duurzaam informatiestelsel.

Subsidieregeling strategisch opleiden medisch specialistische zorg / SectorplanPlus / Stagefonds

In 2025 heeft VWS concreet uitvoering gegeven aan de gemaakte beleidskeuzes rond opleiding en ontwikkeling in zorg en welzijn. Met de verlenging van SectorplanPlus tot en met 2025 en de continuering van de subsidieregelingen Stagefonds en strategisch opleiden medisch-specialistische zorg (SO-MSZ) werd gewaarborgd dat instellingen in zorg en welzijn én medisch-specialistische zorg in 2025 voldoende ruimte hadden voor het opleiden en bij- en nascholen van zorgmedewerkers. In 2025 zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt over het verkennen van hoe de financiering van opleiden en bij- en nascholing in de toekomst structureel geborgd kan worden en zijn er middelen vrijgemaakt om vanaf 2026 te investeren in opleiden buiten de medisch-specialistische zorg.

Basis Acute Zorg (BAZ)

In 2025 heeft VWS de aangekondigde transitie van de bekostiging van de BAZ-opleidingsmodules doorgezet. Vanaf 1 januari 2025 kunnen de modules van de BAZ-opleiding bekostigd worden onder het modulaire bekostigingssysteem voor ziekenhuisopleidingen83. De wijziging maakt het mogelijk om de bekostiging beter af te stemmen op maatwerk in opleidingstrajecten, doordat ook afzonderlijke Entrustable Professional Activities (EPA’s) van de BAZ-opleiding vanaf 2025 direct bekostigd kunnen worden. Op die manier kunnen zorgmedewerkers losse modules volgen, waarna zij sneller ingezet kunnen worden voor taken in de acute zorg waar om deze kennis en vaardigheden wordt gevraagd. 

Structurele bekostiging opleiden in de wijkverpleging (IOW)

In 2025 heeft VWS een belangrijke stap gezet om het opleidingspotentieel in de wijkverpleging beter te benutten. Naar aanleiding van de afspraken uit het Investeringsakkoord Opleiden Wijkverpleging84 en het onderliggende onderzoeksrapport Zorg voor de leerling (2024, SEO)85 is vanaf het jaar 2025 een bedrag van € 60 miljoen beschikbaar voor een bijdrage in de werkgeverskosten voor het opleiden in de wijkverpleging.

Hiervoor is in 2025 de subsidieregeling Werkgeverskosten Opleiden Wijkverpleging (WOW) ontwikkeld. Op basis van deze regeling kunnen aanbieders van wijkverpleging in 2026 subsidie aanvragen voor opleidingsactiviteiten in 2025 en in 2027 voor opleidingsactiviteiten in 2026. In 2025 is ook de subsidieregeling Inrichten Opleidingsstructuur Helpenden, Verzorgenden en Verpleegkundigen (IOHVV) in werking getreden waarmee zorg-, welzijn- en onderwijsinstellingen gestimuleerd worden om vernieuwde opleidingsstructuren te ontwikkelen zodat er meer, samen en anders opgeleid kan worden.

Slavernijverleden

VWS heeft in 2025 concreet uitvoering gegeven aan de beleidsinzet om de negatieve doorwerking van het slavernijverleden op gezondheid en welzijn tegen te gaan. Voor de periode 2025–2028 is hiervoor in totaal € 1,7 miljoen beschikbaar gesteld. In 2025 zijn de volgende acties ondernomen.

  • VWS is in het eerste kwartaal van 2025 een verkennend onderzoek gestart naar mogelijke invloeden van het slavernijverleden op gezondheid en zorg. De resultaten van het onderzoek, getiteld ‘Gezondheidseffecten van slavernij’ zijn eind januari 2026 naar de Tweede Kamer verstuurd. Uit het onderzoek blijkt dat de doorwerking van het slavernijverleden gevolgen heeft voor de mentale en fysieke gezondheid van nazaten van tot slaaf gemaakten en de gezondheidszorg.

  • Als vervolg op het onderzoek is adviesbureau IZI Solutions eind 2025 gestart met de opdracht om een denktank van nazaten van tot slaaf gemaakte mensen op te richten. Deze denktank zal de komende 3 jaar in nauwe samenwerking met VWS-stakeholders aanbevelingen geven voor gezondheidsinterventies.

Tarieven van BIG-producten en -diensten

Zoals op 31 mei 202486 aan uw Kamer toegezegd, is in 2025 verkend in hoeverre de door het CIBG gehanteerde BIG-tarieven voor specifieke producten en diensten meer kostendekkend gemaakt kunnen worden en hoe de kosten voor de afgifte van andere BIG-producten en diensten gedragen kunnen worden door de aanvrager. Zoals op 25 november 2025 aan de Tweede Kamer gemeld87 heeft KPMG in dit kader in de afgelopen periode onderzoek uitgevoerd met betrekking tot alle BIG-producten en diensten. De Tweede Kamer heeft het rapport met beleidsreactie op 26 november jl. ontvangen. Hierin is toegezegd om de bestaande tarieven voor BIG-producten en diensten per 1 januari 2027 te gaan verhogen en om tarieven in te voeren voor BIG-producten en diensten die nog geen tarieven kennen.

Gegevensuitwisseling

Het kunnen uitwisselen en kunnen beschikken over de juiste gegevens is cruciaal om goede zorg te verlenen. In lijn met de Nationale Visie en Strategie Gezondheidsinformatiestelsel (NVS) zijn er in 2025 stappen gezet om databeschikbaarheid voor passende zorg te bevorderen.

Zo is er verder gewerkt aan de ontwikkeling van persoonlijke gezondheidsomgevingen (PGO's). Er is een selectie gemaakt van kwalitatief goede en gebruiksvriendelijke aanbieders van PGO’s. De geselecteerde PGO‑ontwikkelpartners hebben samengewerkt aan de actualisatie van de «MedMij‑Roadmap», waarmee de infrastructuur voor veilige en betrouwbare uitwisseling van gezondheidsgegevens verder wordt uitgerold.88 Daarnaast is voortgang geboekt in de ontwikkeling van de publieke dienst: Mijn Gezondheidsoverzicht (MGO). Hiermee krijgt elke inwoner van Nederland de mogelijkheid om via een vertrouwde authenticatiedienst toegang te krijgen tot eigen gezondheidsgegevens, verspreid over verschillende zorgaanbieders en instellingen. 89

Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat de ambitie «databeschikbaarheid voor iedereen» niet vanzelf leidt tot direct volledige en gebruiksvriendelijke toegang voor alle burgers. In een advies van het Adviescollege ICT-toetsing is in januari 2025 geconcludeerd dat de huidige aanpak nog niet voldoende is om de beoogde verbeterde inzage voor burgers te garanderen. De minister heeft op dit advies gereageerd en erkent dat er extra inspanning nodig is op gebied van coördinatie, regie en wettelijke kaders. 90

Stichting Informatieknooppunt zorgfraude

In 2025 is de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) in werking getreden, waarmee de wettelijke basis is gelegd voor intensievere samenwerking en gegevensuitwisseling tussen instanties in de zorgketen ten behoeve van het tegengaan van fraude91. De oprichting van de Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude (hierna: St. IKZ) per 1 januari 2025 markeert een belangrijke stap. St. IKZ vervangt het voormalige samenwerkingsverband en is een onafhankelijke rechtspersoon met wettelijke taak voor het verzamelen, verrijken en analyseren van signalen van vermoedelijke zorgfraude.92 Tot en met 1 september 2025 heeft de St. IKZ 440 signalen ontvangen, waarmee het aantal meldingen al het totaal over geheel 2024 overtreft. Inmiddels is ruim de helft van alle gemeenten aangesloten bij St. IKZ.93

Caribisch Nederland

Het beleid van Zorg en Jeugd op Caribisch Nederland is nog volop in ontwikkeling en het streven is om de Nederlandse burgers van de eilanden uiteindelijk een gelijkwaardig voorzieningenniveau te kunnen bieden. Dat is een geleidelijk proces waarbij kwaliteit en kwantiteit bij de door ZJCN gefinancierde zorgaanbieders centraal staat.

Tabel 29 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4: Zorgbreed beleid (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

2.152.935

1.290.647

1.216.181

1.612.834

1.462.031

1.371.010

91.021

         
 

Uitgaven

2.154.091

1.312.176

1.410.440

1.401.042

1.311.179

1.539.901

‒ 228.722

         

4.10

Positie cliënt en transparantie van zorg

75.897

71.741

57.285

68.734

62.352

86.068

‒ 23.716

 

Subsidies (regelingen)

34.299

36.298

38.587

50.963

48.108

71.730

‒ 23.622

 

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

16.369

16.896

18.315

29.135

31.186

44.275

‒ 13.089

 

Transparantie van zorg

17.830

18.952

19.622

16.078

11.206

27.455

‒ 16.249

 

Overige

100

450

650

5.750

5.716

0

5.716

 

Opdrachten

34.472

27.524

9.071

7.944

3.082

4.154

‒ 1.072

 

Ondersteuning cliëntorganisaties

3.998

3.999

3.991

333

0

0

0

 

Transparantie van zorg

780

1.104

612

1.489

2.186

1.696

490

 

Overige

29.694

22.421

4.468

6.122

896

2.458

‒ 1.562

 

Bijdrage aan agentschappen

7.126

7.919

9.627

9.827

11.162

10.184

978

 

CIBG

7.126

7.919

9.627

9.827

11.162

10.184

978

4.20

Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

1.457.625

666.439

758.847

672.079

534.568

665.972

‒ 131.404

 

Subsidies (regelingen)

1.398.135

645.466

736.236

647.405

508.377

630.370

‒ 121.993

 

Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

1.144.561

336.049

445.723

334.949

318.548

444.313

‒ 125.765

 

Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

253.574

309.417

287.500

305.688

179.594

174.001

5.593

 

Overige

0

0

3.013

6.768

10.235

12.056

‒ 1.821

 

Opdrachten

6.732

7.125

6.469

8.946

8.930

17.379

‒ 8.449

 

Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

6.732

7.125

6.304

8.928

8.930

17.159

‒ 8.229

 

Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

0

0

0

0

0

20

‒ 20

 

Overige

0

0

165

18

0

200

‒ 200

 

Bijdrage aan agentschappen

14.093

13.632

16.038

15.373

16.860

16.185

675

 

Overig

14.093

13.632

16.038

15.373

16.860

16.185

675

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

38.628

124

0

0

0

1.978

‒ 1.978

 

Overig

37.380

0

0

0

0

1.978

‒ 1.978

 

SVB

1.248

124

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

37

92

104

355

401

60

341

 

OECD

37

92

104

355

401

60

341

4.30

Informatiebeleid

104.868

97.033

90.651

112.684

133.008

253.149

‒ 120.141

 

Subsidies (regelingen)

32.299

36.631

44.446

64.518

85.175

86.008

‒ 833

 

Informatiebeleid

21.358

27.334

33.041

58.465

78.969

79.900

‒ 931

 

Maatschappelijke diensttijd

1.000

‒ 423

0

0

0

0

0

 

Overige

9.941

9.720

11.405

6.053

6.206

6.108

98

 

Opdrachten

38.111

42.802

31.526

21.282

23.600

147.994

‒ 124.394

 

Informatiebeleid

34.792

40.280

25.768

20.916

23.010

142.726

‒ 119.716

 

Overige

3.319

2.522

5.758

366

590

5.268

‒ 4.678

 

Bijdrage aan agentschappen

34.458

17.600

14.679

25.948

24.140

18.340

5.800

 

Informatiebeleid

34.458

17.600

14.679

25.948

24.140

18.340

5.800

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

0

936

93

807

‒ 714

 

Overige

0

0

0

936

93

807

‒ 714

4.40

Inrichting zorgstelsel

279.300

276.255

305.682

329.939

338.180

309.146

29.034

 

Subsidies (regelingen)

735

1.039

400

217

0

0

0

 

Programma's zorgstelsel

735

1.039

400

217

0

0

0

 

Opdrachten

1.218

872

548

621

609

619

‒ 10

 

Programma's zorgstelsel

661

460

15

0

0

0

0

 

Overige

557

412

533

621

609

619

‒ 10

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

277.347

274.344

304.734

329.101

337.571

308.527

29.044

 

CAK

129.743

124.075

136.553

149.201

157.099

143.743

13.356

 

NZa

66.131

69.053

76.701

80.874

80.775

76.393

4.382

 

ZiNL

79.873

79.616

89.880

97.526

94.206

87.004

7.202

 

CSZ

1.600

1.600

1.600

1.500

1.500

1.387

113

 

Overige

0

0

0

0

3.991

0

3.991

4.50

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

236.401

200.708

197.975

217.606

243.071

225.566

17.505

 

Subsidies (regelingen)

3.182

3.864

4.023

4.733

5.230

4.366

864

 

Algemeen

3.182

3.864

4.023

4.733

5.230

4.366

864

 

Bekostiging

228.364

184.929

184.068

199.853

225.625

211.679

13.946

 

Jeugd, Welzijn en Sport

98.320

39.932

14.589

3.236

5.928

16.231

‒ 10.303

 

Zorg

130.044

144.997

169.479

196.617

219.697

195.448

24.249

 

Opdrachten

0

0

3.134

3.857

1.199

97

1.102

 

Zorg

0

0

344

999

412

97

315

 

Welzijn

0

0

2.790

2.858

787

0

787

 

Bijdrage aan medeoverheden

4.855

11.915

6.750

9.163

11.017

9.424

1.593

 

Overige

4.855

11.915

6.750

9.163

11.017

9.424

1.593

         
 

Ontvangsten

41.434

30.656

321.843

44.564

74.998

31.574

43.424

         

Verplichtingen

Zoals gemeld bij 2e suppletoire begroting is het verplichtingenbudget verhoogd om verplichtingen voor 2026 aan te kunnen gaan. Deze ophoging heeft geen consequenties voor de geraamde uitgaven in 2025. De verhoging is noodzakelijk om tijdig verplichtingen te kunnen aangaan die benodigd zijn voor de uitvoering van lopend beleid in 2026 en verder.

Het betreft onder meer een verhoging van € 12,5 miljoen voor het vastleggen van verplichtingen voor instellingssubsidies aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, € 111,7 miljoen voor het tijdig aangaan van zorgcontracten op de BES-eilanden en een herschikking van de verplichtingenruimte van het CAK ter hoogte van € 77 miljoen.

Tezamen met een aantal kleinere mutaties leidt dit per saldo tot een verhoging van het verplichtingenbudget met € 91,0 miljoen.

4.10 Positie cliënt en transparantie van zorg

Subsidies

Patiënten en gehandicaptenorganisaties

Voor de uitvoering van de ZonMw-programma Voor Elkaar 2024-2028 is € 4,1 miljoen overgeheveld naar artikel 1 (onderdeel 1). De instellingssubsidie van € 5,7 miljoen aan Involv (voorheen PGO-support) is verantwoord onder Overige subsidies in plaats van subsidies patiënten- en gehandicaptenorganisaties. Een gereserveerd budget van € 1,5 miljoen voor gezondheidsvaardigheden viel vrij vanwege een latere start van een projectsubsidie. Verder heeft een herschikking van € 1,8 miljoen plaatsgevonden naar artikelonderdeel 4.4. Tezamen met een aantal kleinere mutaties leidt dit tot € 13,1 miljoen lager uitgaven dan de oorsporkelijk vastgestelde begroting.

Transparantie van zorg

De gezamenlijke planvorming met de HLA-partijen voor de implementatie van Uitkomstgerichte Zorg (UZ) duurt lang. Het programma UZ heeft in fase I (2018-2023) zogenoemde uitkomstensets ontwikkeld. Deze sets vormen de basis voor uitkomstgericht werken met uitkomsten. In de praktijk blijkt dat het lastig of niet mogelijk is om deze uitkomstensets te implementeren. Een van de oorzaken hiervan is het gefragmenteerde ICT landschap in de msz-instellingen.

Daarnaast zeggen de msz-partijen naar een implementatiefase te willen op andere onderdelen uit het programma UZ, zoals samen beslissen in de spreekkamer. Het maken van de onderliggende keuzes en afhankelijkheden en afstemmingen met andere programma’s vergen veel tijd en hebben daarom ook tot vertraging in de uitvoering geleid. Een gereserveerd budget van € 12,3 miljoen viel hierdoor vrij. Voor de hosting van het Linnean initiatief en activiteiten uitkomstgerichte zorg door Nictiz is een bedrag van totaal € 1,1 miljoen overgeheveld naar andere onderdelen binnen dit artikel. Verder heeft een herschikking van € 2,8 miljoen plaatsgevonden naar artikelonderdeel 4.4. Tezamen met een aantal kleinere mutaties leidt dit tot € 16,2 miljoen lagere uitgaven dan de oorsporkelijke vastgestelde begroting.

4.20 Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

Opleiden

Subsidies (regelingen)

Werkgeverskosten kwalificerende beroepsopleidingen en bij- en nascholing in zorg en welzijn

Met de subsidieregeling Stageplaatsen zorg II (het Stagefonds Zorg) worden zorgaanbieders gestimuleerd tot het aanbieden van kwalitatief goede stageplaatsen. In 2025 was oorspronkelijk een bedrag van € 127,6 miljoen beschikbaar voor stages in het opleidingsjaar 2024-2025. Dit is in het kader van de overheidsbijdrage in de arbeidsmarktontwikkeling (OVA) verhoogd naar € 132,6 miljoen. Dit bedrag is volledig besteed.

Met de regeling Strategisch Opleiden Medisch Specialistische Zorg (SO-MSZ) zijn middelen beschikbaar gesteld om ziekenhuizen en UMC’s te stimuleren om strategischer te investeren in het opleiden en scholen van personeel. In 2025 is hiervoor oorspronkelijk een bedrag van € 119,2 miljoen beschikbaar gesteld. In het kader van de overheidsbijdrage in de arbeidsmarktontwikkeling (OVA) is dit verhoogd naar € 123,6 miljoen. Dit bedrag is volledig besteed.

In 2025 is voor een bedrag van € 93,5 miljoen aan voorschotten uitgekeerd aan RegioPlus voor het project SectorplanPlus, waarmee een zorg- en welzijnsbrede impuls wordt gegeven aan opleiding, training en ontwikkeling. Dit betrof € 91,9 miljoen voor opleidingstrajecten van SectorplanPlus 2024-2025 en € 1,6 miljoen aan uitvoeringskosten voor dat project en de afwikkeling van SectorplanPlus 2023-2024. Daarnaast is bij de eerste suppletoire begroting door middel van een kasschuif een bedrag van € 2,3 miljoen naar 2026 en 2027 geschoven in verband met de uitvoeringskosten voor de afwikkeling van SectorplanPlus 2024-2025.

Medische- en GGZ-vervolgopleidingen

In 2025 was initieel een bedrag van € 42,0 miljoen beschikbaar voor medische vervolgopleidingen in het kader van de Wet publieke gezondheidszorg. Het betreft de opleidingen tot jeugdarts, arts infectieziektenbestrijding, arts medische milieukunde, arts tuberculosebestrijding en donorarts. Hiervan is een bedrag van € 41,9 miljoen als voorschot uitgekeerd.

Voor ggz-vervolgopleidingen bij jeugdhulpinstellingen was oorspronkelijk een bedrag van € 3,7 miljoen beschikbaar. Hiervan is een bedrag van ca. € 3,6 miljoen als voorschot uitgekeerd.

Opleiden tot Physician Assistants en Verpleegkundig Specialisten

Voor de werkgeverskosten van het opleiden van verpleegkundig specialisten (VS) en physician assistants (PA) was in 2025 een bedrag van € 38,0 miljoen beschikbaar. Door uitval gedurende de opleiding is uiteindelijk voor € 35,6 miljoen aan voorschotten uitgekeerd. Daarnaast was er € 2,0 miljoen beschikbaar voor een aanvullende subsidie voor het opleiden van VS en PA in de huisartsenzorg. Hiervan is een bedrag van € 1,0 miljoen als voorschot uitgekeerd. Het restant van ca. € 3,4 is bij Slotwet vrijgevallen.

Investeringsakkoord Opleiden in de Wijkverpleging (IOW)

Met de eerste suppletoire begroting is het volledige voor 2025 beschikbaar gestelde budget van € 60,0 miljoen voor de subsidieregeling Werkgeverskosten Opleiden in de Wijkverpleging (WOW) met een kasschuif naar 2027 geschoven. Hiermee is het mogelijk gemaakt om de subsidieregeling zo vorm te geven dat de subsidie na afloop van de activiteiten wordt uitgekeerd. Dit bevordert de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regeling.

Voor het investeren in vernieuwde opleidingsstructuren voor het opleiden van helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen in de wijkverpleging was een bedrag van € 49,1 miljoen beschikbaar. Op dit budget is eerder een bedrag van € 41,7 miljoen vrijgevallen. Het resterende bedrag van € 7,4 miljoen is volledig besteed aan de subsidieregeling Inrichten Opleidingsstructuur Helpenden, Verzorgenden en Verpleegkundigen (IOHVV) en een projectsubsidie voor het opleiden van extra verpleegkundig specialisten.

Arbeidsmarkt

Versterking regionaal arbeidsmarktbeleid

In 2025 was oorspronkelijk € 18,0 miljoen beschikbaar voor de uitvoering van het beleidsprogramma Samenwerken en Innoveren in de Regio (SIR) door RegioPlus. Hiermee is door VWS geïnvesteerd in de regionale arbeidsmarktinfrastructuur. Bij de eerste suppletoire begroting is dit bedrag met € 1,4 miljoen opgehoogd vanuit een ander begrotingsartikel om binnen het programma aanvullend te kunnen investeren in de aanpak van regeldruk. Het totale bedrag van € 19,4 miljoen is volledig als voorschot uitgekeerd.

Arbeidsbesparende innovatie

Bij eerste suppletoire begroting is met een kasschuif een bedrag van € 9,5 naar de jaren 2026, 2027 en 2028 geschoven ten behoeve van de Stimuleringsregeling technologie in ondersteuning en zorg (STOZ). Vanuit artikel 3 worden er met deze subsidieregeling middelen beschikbaar gesteld aan aanbieders in zorg en welzijn voor het anders organiseren van zorg via de inzet van digitale processen. Hiervoor is bij tweede suppletoire begroting een bedrag van € 18,4 miljoen overgeboekt naar artikel 3. De totale uitgaven aan deze regeling worden onder dat artikel verantwoord.

Zeggenschap

In 2025 was in totaal € 3,9 miljoen gereserveerd voor de financiering van het meerjarenplan zeggenschap, waaronder voor de subsidieregeling veerkracht en zeggenschap, een subsidie voor de organisatie van het landelijk actieplan zeggenschap (LAZ) en de monitor zeggenschap. Dit bedrag is volledig besteed. Daarnaast is bij eerste suppletoire begroting een bedrag van € 2,4 miljoen met een kasschuif naar 2026 en 2027 geschoven voor het uitvoeren van de subsidieregeling.

Overig

Nationaal Groeifonds project DUTCH

In 2025 was oorspronkeijk € 16,8 miljoen beschikbaar voor het Nationaal Groeifonds-project DUTCH, dat gericht is op innovatie bij het opleiden van zorgprofessionals via digitale training en simulatieonderwijs. Bij de eerste suppletoire begroting is een kasschuif gedaan van 2026 naar 2025 met een omvang van € 7,6 miljoen. Bij tweede suppletoire begroting is een bedrag van € 5 miljoen aan ontvangsten uit de subsidie voor DUTCH in 2024 opnieuw beschikbaar gesteld voor dit project. Van dit totale budget van € 29,4 miljoen is een bedrag van € 13,6 miljoen aan voorschotten uitgekeerd.

Duurzaamheid en gezondheid

Voor het stimuleren van de implementatie van de afspraken in de Green Deal Duurzame Zorg was in 2025 in totaal € 13,0 miljoen beschikbaar. Hiervan is bij eerste en tweede suppletoire een bedrag van in totaal € 2,3 miljoen overgeboekt naar andere begrotingsartikelen voor opdrachten en subsidies die vanuit daar worden gefinancierd, bijvoorbeeld bij het RIVM. Van het resterende budget is € 10,2 miljoen als voorschot uitgekeerd. Bij slotwet is een bedrag van € 0,5 miljoen vrijgevallen.

Opdrachten

Nationale Zorgreserve

In 2025 was budget beschikbaar voor het inrichten in in stand houden van een Nationale Zorgreserve. Bij eerste suppletoire begroting is een bedrag van € 3,0 miljoen overgeheveld naar een ander begrotingsartikel omdat de financiering van de Nartionale Zorgreserve per medio 2025 vanaf dit artikel geschied. In aanvulling hierop is bij tweede suppletoire nogmaals € 0,67 miljoen overgeboekt naar dat artikel. De uitgaven vanaf artikel 4 in het eerste deel van 2025 betroffen ca. € 2,1 miljoen. Het resterende budget van € 2,8 miljoen is vrijgevallen bij Slotwet.

Bijdrage aan agentschappen

CIBG

In 2025 was budget beschikbaar voor het CIBG voor werkzaamheden in het kader van het beheer van het BIG-register, de uitvoering van diverse besluiten en regelingen met betrekking tot de uitoefening van medische beroepen op de BES-eilanden, de erkenning van buitenlandse diploma's en handhaving van de Wet Normering Topinkomens (WNT) en informatieverstrekking hieromtrent. Bij eerste suppletoire begroting is aanvullend hierop € 2,4 miljoen extra beschikbaar gesteld. In totaal is in 2025 € 18,6 miljoen uitgegeven.

Tabel 30 Arbeidsmarkt1
 

2017-4

2018-4

2019-4

2020-4

2021-4

2022-4

2023-4

2024-4

2025-4

Uitstroompercentage uit de sector zorg en welzijn exclusief pensionering in meest recente kwartaal per jaar1

8,7%

8,6%

8,3%

7,8%

8,5%

9,7%

9,5%

8,8%

8,4%2

Aandeel ZZP'ers werkzaam in zorg en welzijn (%)1

7,2%

6,7%

7,3%

8,4%

7,4%

8,3%

9,0%

9,2%

8,1%

Ziekteverzuim1

5,6%

5,8%

5,9%

6,9%

7,5%

7,9%

7,6%

7,4%

7,9%

Vacaturegraad in laatst bekende kwartaal per jaar (openstaande vacatures per 1.000 banen)1

-

25

27

25

37

41

41

42

413

Percentage medewerkers binnen zorg en welzijn dat (zeer) tevreden is1

-

-

77,7%

80,9%

76,8%

76,6%

77,9%

78,8%

77,3%4

Deeltijdfactor1

0,68

0,68

0,68

0,68

0,68

0,69

0,69

0,68

0,685

1

Dit betreft kerncijfers uit het interactieve dashboard van het CBS en maakt onderdeel uit van het AZW-programma

2

Dit betreft het cijfer over het 3e kwartaal van 2025

3

Dit betreft het cijfer over het 3e kwartaal van 2025

4

Dit betreft het cijfer over het 2e kwartaal van 2025

5

Dit betreft het cijfer over het 3e kwartaal van 2025

4.30 Informatiebeleid

Opdrachten

Informatiebeleid

Op Informatiebeleid is € 119,7 miljoen minder aan opdrachten uitgegeven ten opzichte van de vastgestelde begroting. Op CA middelen is bij de eerste suppletoire een meevaller van € 6,0 miljoen ingeboekt met betrekking op dossier Landelijk dekkend netwerk. Bij het loketmoment Augustusbrief is € 20,2 miljoen via een technische mutatie anders ingezet en € 77,6 miljoen via een kasschuif doorgeschoven naar toekomstige jaren. Dit betreft met name de dossiers Generieke functies € 30,1 miljoen, Landelijk dekkend netwerk € 26,7 miljoen, PGO € 17,0 miljoen, Identificatie en Authenticatie € 15,8 miljoen, EHDS € 5,8 miljoen en in totaal € 2,4 miljoen aan kleinere mutaties op overige dossiers. Met jaareinde is de kasruimte € 10,5 miljoen, dit komt met name doordat op de dossiers Generieke functies € 4,2 miljoen, PGO € 2,9 miljoen, Landelijk dekkend Netwerk € 2,0 miljoen, Eenheid van Taal € 0,8 miljoen en EHDS € 0,6 miljoen minder aan opdrachten is uitgezet.

Daarnaast is op de reguliere middelen, bij het loketmoment Augustusbrief, € 1,6 miljoen als meevaller ingeboekt doordat duidelijk werd dat veel opdrachten niet op tijd weggezet zouden kunnen worden. Ook hebben er gedurende het jaar € 1,5 miljoen aan interne opdrachten plaatsgevonden en via het kasbudget verwerkt. Met jaareinde is de kasruimte € 2,3 miljoen, dit wordt met name verklaard door dossier Cyber € 1,4 miljoen en € 0,9 miljoen op overige dossiers.

Bijdrage aan agentschappen

Informatiebeleid

De bijdrage aan agentschappen valt € 5,8 miljoen hoger uit dan de vastgestelde begroting. Dit komt met name doordat bij de eerste suppletoire € 5,6 miljoen, middels een technische mutatie, overgeheveld is ten behoeve van de ontwikkelingskosten DIAZ 2025-2026.  

4.40 Inrichting Zorgstelsel

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

CAK

De uitvoeringskosten van het CAK waren in 2025 € 13,4 miljoen hoger dan in de begroting geraamd. De belangrijkste oorzaken zijn de extra uitvoeringskosten in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire (€ 1,0 miljoen) en de voorbereidingskosten van de inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage Wmo (ivb 2027, € 5,0 miljoen). Tenslotte waren de uitvoeringskosten € 6,8 miljoen hoger als gevolg van prijs- en volumeverschillen in de reguliere uitvoering.

4.50 Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Bekostiging

Zorg

Bij de 1e suppletoire begroting is circa € 24,2 miljoen beschikbaar gesteld om tegenvallers in de hogere zorgkosten op te vangen, namelijk € 15,1 miljoen voor ongunstige wisselkoersverschil en € 2,1 miljoen voor renovatie van de zorgcentrum in St. Eustatius en € 6,0 miljoen aan eindejaarsmarge. Verder is € 1,0 miljoen beschikbaar gesteld voor het versterken van de huisartsenzorg en screeningsprogramma’s op de BES-eilanden. Tot slot heeft een instrumentwijziging plaatsgevonden van € 8,5 miljoen van bekostiging jeugd, welzijn en sport naar bekostiging zorg. Deze middelen waren bedoeld voor twee zorgcontracten die vanuit het Besluit Zorgverzekering BES worden uitgevoerd en vanuit het instrument bekostiging zorg worden gefinancierd.

Bij de suppletoire begroting september is er € 8,3 miljoen beschikbaar gesteld om hogere loon en prijsontwikkelingen op te vangen. Daarnaast is er €1,5 miljoen is vanwege een gunstige wisselkoers vrijgevallen. Tot slot is € 1,3 miljoen aan middelen beschikbaar gesteld in het kader van het verduurzamen van de zorginstellingen. Tevens is bij de 2e suppletoire begroting € 14,3 miljoen aan meevallers ingediend, namelijk € 6,0 miljoen voor een gunstige wisselkoers en € 8,3 miljoen aan uitgekeerde loon en prijsontwikkeling die niet ingezet kon worden in 2025 bij de zorginstellingen.

Bij de suppletoire begroting september is er € 0,2 miljoen beschikbaar gesteld om hogere loon en prijsontwikkelingen op te vangen voor digitalisering. Verder is er middels een kasschuif €4,0 miljoen budget voor digitalisering overgeheveld naar het boekjaar 2026 omdat de middelen in 2025 niet tijdig meer konden worden ingezet bij zorginstellingen.

Op het instrument bekostiging zorg is voor € 24,3 miljoen meer gerealiseerd vanwege hogere zorgkosten. Per saldo is er voor digitalisering in 2025 € 4,1 miljoen minder uitgegeven dan initieel begroot was. Totaal is op het instrument bekostiging zorg € 28,4 miljoen meer gerealiseerd dan initieel beschikbaar was.

Jeugd, welzijn en sport

Bij de 1e suppletoire begroting 2025 is per saldo minus € 7,5 miljoen budget aan mutaties overgeheveld, minus € 8,5 miljoen aan instrumentwijziging naar het instrument bekostiging zorg bedoeld voor twee zorgcontracten die vanuit het Besluit Zorgverzekering BES worden uitgevoerd. Daarnaast is er € 0,6 miljoen aan eindejaarsmarge beschikbaar gesteld en € 0,3 miljoen voor ongunstige wisselkoers. In de 2e suppletoire begroting is er € 0,7 miljoen beschikbaar gesteld om hogere loon en prijsontwikkelingen op te vangen van onder andere jeugdinstellingen. In de 2e suppletoire begroting 2025 en 2e suppletoire begroting 2026 is per saldo € 2,7 miljoen overgeheveld naar andere instrumenten. Per saldo is er € 10,3 miljoen minder gerealiseerd dan initieel begroot was omdat de middelen middels andere instrumenten zijn ingezet. Bij Slotwet is er € 0,8 miljoen aan budget vrijgevallen.

Ontvangsten

De ontvangstenrealisatie is hoger uitgevallen dan oorspronkelijk begroot. Een van de hogere ontvangsten (€ 1,3 miljoen) betreft een terugontvangst van het Waarborgfonds voor de zorgsector voor een in het verleden door VWS verstrekte initiële storting.

Verder zijn de ontvangsten hoger dan geraamd doordat een aantal subsidies van onder andere Sectorplanplus lager zijn vastgesteld. Tezamen met een aantal kleinere mutaties leidt dit per saldo tot een verhoging van het ontvangstenbudget met € 43,4 miljoen.

5.5 Artikel 5 Jeugd

Kinderen in Nederland groeien gezond en veilig op.

Ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Als ouders, met waar nodig hulp van hun ondersteunende sociale netwerk, dat niet of niet alleen kunnen, is er een taak weggelegd voor de overheid om jeugdigen met hulp op maat naar een zelfstandige toekomst te leiden. Kinderen wiens veiligheid in het geding is of die in hun ontwikkeling worden bedreigd, moeten passende bescherming krijgen.

Met de invoering van de Jeugdwet op 1 januari 2015 zijn gemeenten bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet. De ministers van VWS en Justitie en Veiligheid (JenV zijn verantwoordelijk voor het gedecentraliseerde stelsel van jeugdhulp, waaronder het wettelijk kader (de Jeugdwet).

De minister is verantwoordelijk voor:

Regisseren: van het wettelijk kader. De Jeugdwet bevat regels voor de inrichting van het jeugdstelsel waaraan gemeenten, jeugdhulpaanbieders en andere betrokken partijen moeten voldoen. Onder andere is dit op het gebied van toegang, kwaliteit en beleidsinformatie. De minister voert bestuurlijk overleg met de relevante actoren gericht op het realiseren van de maatschappelijke doelen van het jeugdstelsel. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie van Justitie en Veiligheid (JenV) zijn verantwoordelijk voor onafhankelijk toezicht op aanbieders van jeugdhulp. De Jeugdautoriteit heeft de taak risico’s met betrekking tot de continuïteit van cruciale zorg voor jeugdigen te signaleren, waar mogelijk te voorkomen en op te kunnen vangen. De minister is bovendien verantwoordelijk voor het monitoren en evalueren van de werking van het jeugdstelsel.

Financieren: van de gemeenten via het gemeentefonds en uitkeringen om hun verantwoordelijkheid voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet waar te kunnen maken. Daarnaast ook het uitvoeren van de Subsidieregeling schippersinternaten en diverse andere subsidies om jeugdzorg te voorkomen of betere hulp te organiseren voor de meest kwetsbare kinderen.

Stimuleren: de minister werkt integraal samen binnen de Rijksoverheid en met partijen aan het voorkomen van jeugdzorg en het bevorderen dat de jeugdhulp kwalitatief goed, tijdig en passend is voor de meest kwetsbare kinderen en gezinnen. Daarnaast zorgt de minister voor verbetering van de samenhang tussen beleid en uitvoering van jeugdzorg binnen het bredere kader van het sociaal domein. Als laatste zorgt hij voor een landelijke kennisinfrastructuur voor beleidsontwikkeling en implementatie.

Hervormingen jeugdzorg

Op 30 januari 2025 heeft de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd haar advies uitgebracht. Naar aanleiding hiervan zijn de maatregelen in het kader van de Hervormingsagenda geïntensiveerd en worden aanvullende maatregelen genomen. Daarnaast heeft het kabinet in dit kader besloten cumulatief circa € 3,7 miljard extra toe te voegen in de jaren 2025 ‒ 2027 aan het Gemeentefonds.

De uitvoering van de op 19 juni 2023 vastgestelde Hervormingsagenda is ondertussen volop gaande.

Dit jaar is het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg aangenomen door de Eerste Kamer. De wet zal per 1 januari 2026 (deels) in werking treden.

Aanbieders hebben o.a. in dit kader een Norm voor Opdrachtnemerschap vastgesteld waarin is aangegeven hoe de rol van aanbieders t.a.v. de regio’s wordt versterkt en verduidelijkt. Ook gaan zij in op de wijze waarop gemeenten en aanbieders hun opdrachtgever- en opdrachtnemerschap zodanig invullen dat specialistische expertise dichtbij de lokale teams is gepositioneerd.

In de praktijk wordt hard gewerkt aan het versterken van de lokale teams die – in samenwerking met andere partijen – steeds meer hulp zelf gaan bieden. Om de beoogde beweging te ondersteunen, zijn afspraken gemaakt tussen de VNG, Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), Jeugdartsen Nederland (AJN) en het ministerie van VWS met als doel om kinderen en gezinnen sneller passende hulp te bieden. Het voornemen is in het wetsvoorstel reikwijdte – waaraan in 2025 is gewerkt – de rol en taken van de lokale teams te verankeren evenals de verplichting voor gemeenten en huisartsen m.b.t. de onderlinge samenwerking.

Daar waar het gaat om de transformatie van de gesloten jeugdhulp, werken we toe naar zo dichtbij mogelijk nul gesloten plaatsingen in 2030. Daarnaast was de ambitie dat in 2025 alle gesloten jeugdhulpinstellingen kleinschalig zouden werken. Instellingen voor gesloten jeugdhulp hebben groepen verkleind en werken met groepsgroottes van maximaal 6 jeugdigen. De laatste monitor van de Jeugdautoriteit laat zien dat op 1 oktober 2025, 405 jongeren verbleven in de gesloten jeugdhulp.94 Om het aantal plekken verder te af te bouwen wordt ingezet op het éérder passende hulp bieden aan jeugdigen en hun gezin om (gesloten) residentiële hulp waar mogelijk te voorkomen, en op het uitbreiden van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Gemeenten en zorgaanbieders worden hierbij ondersteund door het programmateam Transformatie Gesloten Jeugdhulp.

Om de administratieve lasten in de jeugdzorg fors te kunnen terugdringen en het inzicht in het stelsel te vergroten, is het nodig om te komen tot een landelijk uniforme en gelimiteerde set aan producten en productcodes, begrippen en onderliggende standaarden. In 2025 is hierin een belangrijke stap gezet met het vaststellen van de hoofdindeling van de beoogde productstructuur voor de specialistische jeugdzorg.

Tot slot is de Leeragenda Kwaliteit en Blijvend vastgelegd. Deze bevat een uitwerking op de volgende vijf prioritaire thema’s: jeugdhulp die werkt, samenwerken met gezin en alle betrokkenen onderling, sociale basis, kwaliteit en leren in lokale teams en lerend werken aan transformatie residentiële jeugdhulp.

Jeugdigen en gezinnen goed beschermd

In 2025 is verder gewerkt aan het voorkomen van uithuisplaatsingen door het stelsel van jeugd- en gezinsbescherming te vereenvoudigen en te verbeteren. Het Rijk, de VNG en partnerorganisaties zetten hierbij gezamenlijk in op een eenduidige visie en werkwijze, waarbij professionals vanuit verschillende organisaties effectief samenwerken op verschillende plekken in het land.9596 Vanuit het programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming is het werkpakket Werken aan veiligheid ontwikkeld.97 Het is een hulpmiddel voor gemeenten en uitvoeringsorganisaties om een passende opdracht aan het lokale team te geven die gericht is op het werken aan veiligheid.

Daarnaast zijn in 2025 stappen gezet om de rechtsbescherming van ouders en kinderen te versterken wanneer er zorgen bestaan over de veiligheid in het gezin. Het klachtrecht in het jeugdzorgdomein is een belangrijke vorm van rechtsbescherming voor jeugdigen en/of ouders. Het opgeleverde rapport ‘Onderzoek klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein’98 geeft een overkoepelend en actueel overzicht van de uitvoeringspraktijken van interne klachtprocedures bij organisaties in het jeugdzorgdomein99100. Ook is het rapport «Veilig zijn en veilig voelen - Onderzoek naar veiligheidsbeleving in jeugdhulp met verblijf» opgeleverd.101 De huidige manier van onderzoek is niet effectief genoeg om het gewenste objectieve beeld op te halen. We beraden ons hoe onderzoek naar veiligheidsbeleving in de toekomst ingevuld moet worden.

Tabel 31 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5: Jeugd (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

206.492

105.723

150.768

198.430

234.354

203.753

30.601

         
 

Uitgaven

217.167

101.156

108.317

216.358

175.090

203.753

‒ 28.663

         

5.30

Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

217.167

101.156

108.317

216.358

175.090

203.753

‒ 28.663

 

Subsidies (regelingen)

74.910

59.526

67.461

78.656

85.724

157.175

‒ 71.451

 

Kennis en informatiebeleid

12.282

13.937

15.248

19.766

25.434

14.383

11.051

 

Jeugdbeleid

24.962

14.831

18.716

19.450

24.792

110.449

‒ 85.657

 

Jeugdstelsel

37.666

30.758

33.497

39.440

35.498

32.343

3.155

 

Opdrachten

8.596

11.484

8.229

4.962

3.449

11.126

‒ 7.677

 

Kennis en informatiebeleid

1.318

1.484

1.595

1.542

1.363

2.572

‒ 1.209

 

Jeugdbeleid

6.536

9.507

6.492

3.207

1.907

7.912

‒ 6.005

 

Jeugdstelsel

742

493

142

213

179

642

‒ 463

 

Bijdrage aan agentschappen

1.714

1.721

1.863

2.035

2.336

1.598

738

 

Overige

1.714

1.721

1.863

2.035

2.336

1.598

738

 

Bijdrage aan medeoverheden

131.947

28.425

30.764

130.705

83.581

33.589

49.992

 

Overige

131.947

28.425

30.764

130.705

83.581

33.589

49.992

 

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

0

0

0

0

265

‒ 265

 

Overige

0

0

0

0

0

265

‒ 265

         
 

Ontvangsten

11.559

3.244

8.015

5.464

6.730

2.400

4.330

         

Verplichtingen

De verplichtingenstand volgt grotendeels de bijbehorende verlaging van de uitgavenbudgetten. De realisatie van het verplichtingenbudget is € 30,6 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit komt voornamelijk door het ophogen van het verplichtingenbudget met € 31 miljoen voor het verlenen van de specifieke uitkering transformatie gesloten jeugdhulp voor de jaren 2025 en 2026. De overige mutaties leiden tot een mutatie van per saldo -€ 0,4 miljoen.

5.30 Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

Subsidies

Kennis in informatiebeleid

De realisatie is circa € 11,1 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. In het kader van kwaliteit blijvend lerend (KBL) is € 7 miljoen aan subsidie verstrekt. KBL is een netwerkorganisatie waarin betrokkenen uit de jeugdhulp samenwerken aan het duurzaam verhogen van de kwaliteit van de jeugdhulp. Verder zijn middelen vanuit andere onderdelen van de begroting naar dit hoofdbudget overgeboekt en zijn ingezet voor diverse subsidie rondom het thema kennis en informatiebeleid.

Jeugdbeleid

De realisatie is € 85,7 miljoen lager uitgevallen dan begroot. De specifieke uitkering transformatie gesloten jeugdhulp ondersteunt coördinerende gemeenten om de gesloten jeugdhulp af te bouwen en tot een passend alternatief te komen. Hiervoor is € 51,7 miljoen overgeheveld naar het instrument bijdrage medeoverheden. De resterende middelen van € 16,4 miljoen, die beschikbaar zijn gesteld voor de frictiekosten van de transformatie van de gesloten jeugdhulp, zijn vanwege vertraging van geplande activiteiten niet tot besteding gekomen en zijn middels een kasschuif beschikbaar gesteld voor de jaren 2026 en 2027. Daarnaast is in het kader van Kwaliteit Blijvend Leren € 7 miljoen overgeboekt naar de subsidie Kennis en Informatiebeleid.

Circa € 2,2 miljoen van de Hervormingsagenda middelen zijn overgeheveld naar de algemene uitkeringen van het Gemeentefonds. Verder zijn in het kader van (inter)departementale samenwerkingen op het terrein jeugdhulp ca. € 3,8 miljoen overgeheveld naar andere departementen en artikelen van VWS voor onder andere de projectsubsidie nderwijs(zorg)consulenten en de projectsubsidie ketenbureau.  De overige mutaties en interne herschikkingen leiden tot een mutatie van per saldo € 4,6 miljoen.

Opdrachten

Jeugdbeleid

De realisatie is € 6,0 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Een deel van de mutatie betreft herschikking van middelen naar andere instrumenten binnen artikel 5. Daarnaast is een deel van het programmabudget jeugd vrijgevallen als gevolg van vertraging van geplande activiteiten.

Bijdrage aan medeoverheden

Overige

De realisatie is € 50,0 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. In het kader van de specifieke uitkering transformatie gesloten jeugdhulp is circa € 51,7 miljoen toegekend aan de coördinerende gemeenten. De overige mutaties en interne herschikkingen leiden tot een mutatie van per saldo minus € 1,7 miljoen.

Tabel 32 Jongeren met jeugdhulp1 2, jeugdhulptrajecten34
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Jongeren met jeugdhulp12

       

Totaal jeugdhulp gebruik

410 875

424.665

416.740

453.200

461.870

476.415

478.655

Totaal jeugdhulp zonder verblijf

392.035

405.710

397.680

433.835

443.695

458.900

461.890

Totaal jeugdhulp met verblijf

42.770

43.345

42.470

45.580

43.630

43.015

41.255

        

Jeugdhulptrajecten34

       

Totaal begonnen jeugdhulptrajecten

335.695

281.810

269.020

304.760

309.615

326.450

323.860

Jeugdhulptrajecten zonder verblijf (%)

93,3

93,1

93,1

93,8

94

94,3

94,8

Jeugdhulptrajecten met verblijf (%)

6,7

6,9

6,9

6,2

6,0

5,7

5,2

        

Herhaald beroep bij start traject (%)

27,4

28,5

23,6

26,1

25,9

25,5

26,0

passende jeugdhulp 43(trajecten voortijdig door cliënt beëindigd)

2,4

3,0

3,3

1,0

1,1

1,2

1,1

1

Dit toont de resultaten van de jeugdhulp in de periode 2018 – 2020.

2

Dit toont de resultaten van de jeugdhulp in de periode 2021- heden.

3

Dit toont de resultaten van de jeugdhulptrajecten in de periode 2018 – 2020.

4

Dit toont de resultaten van de jeugdhulptrajecten in de periode 2021 –heden.

5.6 Artikel 6 Sport en bewegen

Een sportieve samenleving waarbij plezier in sport en bewegen belangrijk is, waarin voor iedereen passende en veilige sport- en beweegmogelijkheden aanwezig zijn en topsport mensen inspireert en samenbrengt.

De minister is verantwoordelijk voor het landelijke sportbeleid. Sport en bewegen dragen in belangrijke mate bij aan een betere gezondheid, aan het verbeteren van leefbaarheid en veiligheid, sociale samenhang en integratie, aan het verbeteren van de schoolprestaties en het verminderen van schooluitval. Daarnaast erkent de minister de intrinsieke waarde van sport en het belang van sportevenementen. Vanuit die verantwoordelijkheid vervult de minister de volgende rollen:

Stimuleren: van samenwerking tussen relevante partijen om op lokaal niveau sportmogelijkheden te bewerkstelligen, van bevorderen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

Financieren: van programma’s die bijdragen aan voor iedereen passende en veilige sport- en beweeginfrastructuur, van internationaal aansprekende sportevenementen, van topsport vanuit een gezamenlijke strategie met betrekking tot het zichtbaar maken en vergroten van de maatschappelijke waarde van topsport, van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

Regisseren: het bijeenbrengen van gemeenten, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en provincies om tot een gezamenlijke beleidsagenda te komen.

Eind 2022 is een meerjarig akkoord gesloten genaamd Sportakkoord II: ‘Sport versterkt’. Met dit akkoord wordt niet alleen de sport de komende jaren versterkt, maar ook de bijdrage van sport aan de Nederlandse samenleving. Om dit te bereiken, zijn drie ambities geformuleerd:

  • 1. Het versterken van het fundament van de sport

  • 2. Het vergroten van het bereik

  • 3. Het vergroten van de zichtbaarheid en betekenis van sport.

Ook in 2025 zijn weer stappen gezet op dit akkoord. Vanaf april 2025 kwam er opnieuw budget beschikbaar om services uit het akkoord aan te vragen. In 2025 was er € 1,0 miljoen beschikbaar, en in 2026 nog € 0,4 miljoen. Dit budget kan onder andere ingezet worden voor verduurzaming, maar ook voor het verbeteren van de sociale veiligheid en inclusiviteit.102Uit een voortgangsrapport dat eind 2025 verscheen, bleek dat de meeste gemeenten de randvoorwaarden voor de ambities van het akkoord hadden gerealiseerd. Hierdoor kregen meer kinderen de kans om zichzelf te ontwikkelen binnen de sport. Op het gebied van inclusie en het stimuleren van een structureel bewegende jeugd waren echter nog stappen nodig.103

Voor het Sportakkoord II was in 2025 via de Brede Specifieke Uitkering een uitvoeringsbudget voor gemeenten beschikbaar van € 12,9 miljoen, waarmee zij konden werken aan de uitvoering van lokale sportakkoorden.

In 2023 is het actieplan ‘Nederland beweegt’ opgezet, dat eind 2025 afliep. Het actieplan stimuleert mensen die nu weinig of niet bewegen om actiever te worden en bevordert een gezonde, beweegvriendelijke leefomgeving. Daarbij is het doel om de gezondheidswinst te behalen door beweging een vast onderdeel van het dagelijks leven te maken. In 2025 lag de nadruk bij het actieplan voornamelijk op evaluatie en voorbereiding van vervolgstappen. Zo is er eind januari een rapport uitgekomen over de voortgang van het actieplan in 2024. Dit rapport liet zien dat er al eerste stappen zijn gezet om bewegen onder de aandacht te brengen bij organisaties en dat het actieplan heeft geleid tot de aansluiting van meer dan 400 organisaties bij de Beweegalliantie. Daarnaast werken steeds meer partijen samen om bewegen te stimuleren. Tegelijkertijd concludeerde het rapport dat het stimuleren van beweging in Nederland een structurele, langdurige aanpak vereist, die niet gebonden is aan een specifieke regeringsperiode of een kortlopend programma.104

Om de sport betaalbaar te houden, is de verduurzaming binnen de sportinfrastructuur van groot belang. Zo is in 2025 de Subsidieregeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA) verruimd, waardoor ook de sportsector er gebruik van kon maken. Ook is er een nieuwe handreiking Integraal Huisvestingsplan Sport en Bewegen beschikbaar, dat gemeenten, sportbonden en verenigingen helpt bij het plannen en realiseren van toekomstbestendige en duurzame sportaccommodaties.105

Daarnaast is er in 2025 samen met de ministeries van EZ en BZK gekeken hoe de bevindingen uit het rapport ‘Amateursport fit voor de toekomst’ kunnen worden toegepast om de verduurzaming van de amateursport te bevorderen. Het Nationaal Klimaat Platform (NKP) heeft in zijn rapportage drie sleutels gegeven voor de versnelling van de verduurzaming van amateursportclubs. In de Najaarsbrief van 2024106 is aangegeven hoe de belangrijkste aanbevelingen worden overgenomen:

  • 1. Ontzorging: Ontzorgingstrajecten ondersteunen eigenaren van sportaccommodaties bij verduurzamingsmaatregelen. Energiecoaches adviseren en begeleiden. De continuïteit is geborgd met middelen uit het Klimaatfonds tot en met 2030.107

  • 2. Gebiedsgerichte aanpak betekent dat niet naar één sportaccommodatie of één beleidsdoel gekeken wordt, maar naar het geheel van opgaven binnen een bepaald gebied of wijk. Dit is onderdeel van de beoogde integrale huisvestingsplannen.

  • 3. Financiering: Geschikte financieringsbronnen zijn een essentiële sleutel tot versnelling.

Bovendien zijn de tweede en derde sleutel uitgelicht in het beleidsplan Toekomstige sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen, dat op 31 oktober 2025 naar de Kamer is gestuurd.108

In september 2025 is de internetconsultatie van het wetsvoorstel ‘Wet Integere Sport’ gestart, waarmee het onafhankelijk Integriteitscentrum Integere Sport Nederland (ISN) wordt opgericht om bij te dragen aan een eerlijkere en veiligere sportomgeving.

Tabel 33 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6: Sport en Bewegen (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

678.620

438.868

731.363

444.107

464.920

387.167

77.753

         
 

Uitgaven

685.680

469.573

617.544

479.271

452.969

429.207

23.762

         

6.10

Passend sport- en beweegaanbod

338

0

0

0

0

0

0

 

Subsidies (regelingen)

338

0

0

0

0

0

0

 

Passend sport- en beweegaanbod

338

0

0

0

0

0

0

6.40

Sport verenigt Nederland

685.342

469.573

617.544

479.271

452.969

429.207

23.762

 

Subsidies (regelingen)

235.001

190.003

231.029

235.829

225.560

208.655

16.905

 

Sportakkoord

161.763

114.645

139.159

107.344

137.883

119.679

18.204

 

Duurzame en toegankelijke sportaccommodaties

63.136

64.146

79.384

113.687

73.140

74.272

‒ 1.132

 

Kennis en innovatie

10.102

11.212

12.486

14.798

14.537

14.704

‒ 167

 

Inkomensoverdrachten

15.850

15.732

18.691

20.231

0

18.375

‒ 18.375

 

Financiële voorziening topsporters

15.850

15.732

18.691

20.231

0

18.375

‒ 18.375

 

Opdrachten

1.391

1.197

5.912

12.270

2.654

5.452

‒ 2.798

 

Sportakkoord

1.046

571

5.700

11.854

2.153

5.202

‒ 3.049

 

Kennis en innovatie

228

413

212

253

460

250

210

 

Overige

117

213

0

163

41

0

41

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

2.928

3.043

3.221

3.953

4.674

4.677

‒ 3

 

Dopingautoriteit

2.928

3.043

3.221

3.953

4.674

4.677

‒ 3

 

Bijdrage aan medeoverheden

430.110

259.204

358.198

206.257

219.440

191.475

27.965

 

Duurzame en toegankelijke sportaccommodaties

187.072

192.170

358.129

206.257

219.440

191.475

27.965

 

Sportakkoord

243.038

67.034

69

0

0

0

0

 

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

0

332

484

572

556

500

56

 

Dopingbestrijding

0

332

484

527

556

500

56

 

Organisaties in de sport

0

0

0

45

0

0

0

 

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

62

62

9

159

85

73

12

 

Sportakkoord

62

62

9

159

85

73

12

         
 

Ontvangsten

64.869

75.054

72.491

59.980

143.680

60.627

83.053

         

Verplichtingen

Op de oorspronkelijke verplichtingraming van € 387,2 miljoen heeft in 2025 een veelheid aan mutaties plaatsgevonden. De mutaties zijn divers van aard en hebben plaatsgevonden om de uitgaven zoals hieronder apart toegelicht mogelijk te maken.

Zo is er voor een bedrag van € 121,9 miljoen geschoven voor het administratief kunnen vastleggen van meerjarige verplichtingen. Het betreft een budget van € 59,5 miljoen op diverse subsidiebudgetten, het Stipendium van € 28,4 miljoen, de BOSA-regeling van € 1,0 miljoen en een technische desaldering in verband met nabetalingen op de SPUK Stimulering Sport ter waarde van € 33,0 miljoen. Daarnaast is de verplichtingruimte opgehoogd met een bedrag van € 3,6 miljoen voor loonbijstellingen.  

Daarnaast is voor minus € 0,9 miljoen tussen departementen en voor minus € 1,0 miljoen binnen VWS tussen directies de verplichtingenruimte verschoven om uitvoering te geven aan beleid. Hier gaat het onder andere om overheveling en toevoeging aan diverse programma's zoals ZonMw, RIVM, Koningspelen en de Sportpas.

Tevens heeft een aantal mutaties plaatsgevonden met een totale omvang van € 5,6 miljoen. Het gaat hierbij om bijstellingen in het kader van overloop van posten uit 2024 naar 2025, een bijdrage schoolpleinen en verplichtingruimte die eind 2025 niet is besteed.

Ten slotte is een verplichtingbedrag van € 51,5 miljoen administratief dubbel vastgelegd. Hiervoor heeft een correctie plaatsgevonden.

Tezamen is er voor € 77,8 miljoen meer aan verplichtingenruimte gerealiseerd dan begroot.

6.40 Sport verenigt Nederland

Subsidies

SportakkoordVanuit de verschillende deelthema’s van het Sportakkoord is in 2025 via subsidies ingezet op: Inclusief sporten, Vaardig in bewegen, de Beweegalliantie, Vitale sport aanbieders, Topsportevenementen, het Topsportprogramma en Veilige en Integere sport. Het betreft een voortzetting van bestaande activiteiten. Hiertoe is boven op de oorspronkelijke raming van € 119,7 miljoen in 2025 een aantal mutaties uitgevoerd, waarbij de realisatie € 18,2 miljoen hoger is uitgevallen dan begroot.

Bij de 1e suppletoire begroting heeft een aantal mutaties van en naar andere begrotingshoofdstukken (amendement Sporthulpmiddelen, Koningspelen, zwemmen, dansdossier en loopstimulering), andere artikelonderdelen binnen VWS (Gezonde school, bewegen, VeiligheidNL), en tussen financiële instrumenten binnen het artikel Sport en Bewegen plaatsgevonden. Daarnaast is via de Eindejaarsmarge een budgettaire bijstelling ingeboekt voor het doen van nabetalingen uit 2024. Hierdoor zijn de subsidies vallend onder het Sportakkoord per saldo met € 0,6 miljoen verlaagd in 2025.

Bij de incidentele Septemberbegroting is het budget met € 1,1 miljoen verhoogd. Dit is het onder andere het gevolg van toekenning van loonbijstelling.

Bij de 2e suppletoire begroting heeft een positieve bijstelling plaatsgevonden. Zo wordt voortaan de bijdrage in het kader van het Stipendium en de Kostenvergoeding Topsporters binnen artikel 6 Sport en Bewegen verantwoord onder het financiële instrument Subsidie in plaats van Inkomensoverdracht. Tezamen met enkele andere kleine mutaties is het budget verhoogd met € 16,6 miljoen.

Ten slotte is op de verschillende deelthema's van het Sportakkoord € 1,1 miljoen niet tot besteding gekomen.

Inkomensoverdrachten

Financiële voorziening topsportersOp de oorspronkelijke begroting van € 18,4 miljoen heeft in de 2e suppletoire begroting een negatieve mutatie plaatsgevonden. Zo wordt voortaan de bijdrage in het kader van het Stipendium en de Kostenvergoeding Topsporters binnen artikel 6 Sport en Bewegen verantwoord onder het financiële instrument Subsidie in plaats van Inkomensoverdracht. Hierdoor is het budget met € 18,4 miljoen verlaagd in 2025.

Bijdrage aan medeoverheden

Duurzame en toegankelijke sportaccommodatiesDe realisatie is € 28,0 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Zo heeft om de vaststellingen van de SPUK-regeling Stimuleren Sport 2023 af te ronden, een ophoging plaatsgevonden vanuit de hogere ontvangstenraming (€ 33,0 miljoen). De melding hiervan heeft reeds in de 1e suppletoire begroting plaatsgevonden. Ook is een bedrag van € 2,5 gemuteerd in het kader van de Najaarsnota VWS.

Ten slotte is een bedrag van € 2,6 miljoen op de SPUK-regeling Stimuleren Sport niet tot besteding gekomen. De reden hiervan is dat in de raming rekening gehouden werd met een nabetaling aan een gemeente. Die is echter komen te vervallen.

Tabel 34 Zitgedrag1, bewegingsrichtlijn2 en wekelijks sporten3
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Zitgedrag (uren) 1

         

Geslacht: mannen/jongens

9,2

9

9,3

9,3

-

Geslacht: vrouwen/meisjes

8,8

8,8

8,9

9,0

-

          

Voldoet aan de beweegrichtlijn (%)2

         

Geslacht: mannen

44,8%

48%

49,2%

51,1%

55,1%

49,2%

45,8%

47,7%

49,4%

Geslacht: vrouwen

43,6%

45,1%

44,5%

47%

50,4%

45,2%

42,9%

42,5%

43%

          

Sport wekelijks (%)3

         

Geslacht: mannen

53,8%

56,2%

54,3%

54,6%

56%

56%

54,6%

57,0%.

58,3%

Geslacht: vrouwen

50,9%

53,3%

52,6%

52,9%

53,5%

52,1%

50,8%

54,3%

55%

1

Dit kerncijfer betreft het gemiddelde aantal uren dat Nederlanders van 4 jaar en ouder zitten op een gemiddelde dag in de week.

2

Dit kerncijfer betreft het percentage personen van 4 jaar en ouder dat voldoet aan de Beweegrichtlijnen.

3

Dit kerncijfer betreft het percentage personen van 4 jaar en ouder dat aangeeft minstens een keer per week aan sport te doen. 

Tabel 35 Sporfan via bezoek1
 

2016

2017

2018

2020

2022

2024

Sportfan via bezoek (maandelijks of vaker %)

      

Geslacht: mannen/jongens

23

-

23

12

20

20

Geslacht: vrouwen/meisjes

16

-

18

10

13

15

1

Dit kerncijfer betreft het percentage van de bevolking van 12 jaar en ouder dat maandelijks of vaker sportwedstrijden en/of sportevenementen bezoekt.

Ontvangsten

De realisatie is € 83,1 miljoen lager uitgevallen dan begroot. De vaststellingen op de SPUK Stimulering Sport vindt jaarlijks plaats waaruit enerzijds terugvorderingen en anderzijds nabetalingen (zie toelichting Bijdrage aan medeoverheden) volgen. De financiële afwikkeling hiervan in de vorm van realisatie op de terugvorderingen heeft in 2025 plaatsgevonden. Hierdoor is de ontvangstenraming met € 33,0 miljoen verhoogd. De bijstelling is reeds toegelicht in de 1e suppletoire Wet.

Door vaststelling en afrekeningen op diverse regelingen vindt incidenteel in 2025 hogere ontvangsten plaats op artikel 6. Dit betreft onder andere de SPUK Meerkosten Energie Openbare Zwembaden (MEOZ), de Tegemoetkoming Amateur Sport Organisaties (TASO), de regeling voor topsportcompetities en -evenementen (STIK) en de Stimulering Sport. In totaal zijn de ontvangsten in 2025 verhoogd met € 50,1 miljoen.

Tezamen is een bedrag van € 143,7 miljoen aan ontvangsten gerealiseerd.

5.7 Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

De zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog (WO II) is geborgd en mensen beseffen, mede op basis van de gebeurtenissen uit WO II, wat het betekent om in vrijheid te kunnen leven.

Het Nationaal Vrijheidsonderzoek 2025 geeft aan dat zowel de Nationale Herdenking als Bevrijdingsdag nog steeds door het grootste deel van de Nederlandse bevolking belangrijk of heel belangrijk worden gevonden. Maar liefst 80% van de Nederlanders geeft aan de Nationale Herdenking (heel) belangrijk te vinden. Als het gaat om Bevrijdingsdag is dat 73%. Vergeleken met vorig jaar is het belang dat men hecht aan de Nationale Herdenking iets gedaald. Mensen vinden Bevrijdingsdag iets belangrijker dan vorig jaar. De herdenking en Bevrijdingsdag worden belangrijk gevonden vanwege voornamelijk de volgende redenen: men is van mening dat het belangrijk is om stil te staan bij de vrijheid en diegenen die daarvoor hun leven hebben gegeven; omdat de dagen een gevoel van saamhorigheid geven; en omdat het belangrijk is ons te realiseren dat zoiets als de Tweede Wereldoorlog niet meer zou mogen plaatsvinden. Motieven die zijn gerelateerd aan angst voor oorlog, zijn belangrijker geworden: 64% herdenkt uit angst dat zoiets als de Tweede Wereldoorlog weer kan gebeuren (tegenover 58% in 2024).

Nationaal Vrijheidsonderzoek 2025

bron is jaarplan 2026 SVB.

De minister is verantwoordelijk voor de continuïteit, kwaliteit, effectiviteit en toekomstgerichtheid van specifieke zorg en het stelsel van pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II. Het is belangrijk om de herinnering aan WO II levend te houden en te borgen dat blijvend betekenis kan worden gegeven aan het verhaal.

De minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren: van het blijvend betekenis laten houden aan de herinnering aan WO II109.

Financieren: van begeleidende instellingen voor maatschappelijk werk en sociale dienstverlening aan erkende deelnemers aan het voormalig verzet en oorlogsgetroffenen en van instellingen die de herinnering aan de WO II levend houden.

Regisseren: het in stand houden en ondersteunen van een infrastructuur die het mogelijk maakt de zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II te garanderen en de herinnering aan WO II blijvend betekenis te laten houden en het actueel houden van de wet- en regelgeving voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II.

Uitvoeren: opdrachtgever en toezichthouder van diverse ZBO’s en het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

In de periode van 12 september 2024 tot 15 augustus 2025 herdacht en vierde Nederland dat het tachtig jaar geleden is dat de Tweede Wereldoorlog ten einde kwam. Gedurende dit lustrumjaar vonden door heel Nederland herdenkingen en activiteiten plaats.

Dit jubileumjaar heeft de ambitie versterkt om alle inwoners van Nederland op een betekenisvolle manier in aanraking te laten komen met het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. Ook is een subsidieregeling ontwikkeld die in 2025 in werking is getreden. Deze regeling ondersteunt organisaties bij het realiseren van aansprekende (cultureel-)educatieve en museale activiteiten gericht op de Holocaust en een aantal onderbelichte onderwerpen binnen de WOII-sector.

Daarnaast is met het Nationale Plan Versterking Holocausteducatie extra aandacht besteed aan educatie over de Holocaust. In dit kader wordt vanaf 2025 de educatieve functie van de Nationale Herinneringscentra, het Nationaal Holocaust Museum en de Anne Frank Stichting versterkt. Ook hebben deze partijen in 2025 gezamenlijk aan een plan gewerkt om lerarenopleidingen beter te ondersteunen en aan de ontwikkeling van educatieve kwaliteitsstandaarden.110

Om aandacht te besteden aan de genocide op Sinti en Roma tijdens de Tweede Wereldoorlog is in 2024 het Nationaal Programma 80 jaar vervolging Sinti en Roma gestart, dat doorliep in 2025. Het programma omvat tien projecten op het gebied van herdenking, cultuur en erfgoed, educatie en wetenschap. Alle projecten worden uitgevoerd door of in samenwerking met Sinti en Roma. In 2025 is bovendien een wetenschappelijk onderzoekstraject naar de vervolging van Sinti en Roma gestart, dat wordt uitgevoerd door het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies.

Tot slot is in 2025 bij de Voorjaarsnota besloten tot het instellen van een Backpay voor weduwen111. De Backpay-kwestie betreft ambtenaren en militairen die in dienst waren van het Nederlands-Indisch gouvernement en die tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië/Indonesië geen of niet volledig salaris hebben ontvangen. De regeling wordt momenteel uitgewerkt.

Tabel 36 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7: Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

211.985

218.918

207.412

212.000

29.949

198.913

‒ 168.964

         
 

Uitgaven

225.204

215.431

220.039

218.154

205.873

199.279

6.594

         

7.10

De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeeln. en oorlogsgetroffenen WOII en de herinnering aan WOII

21.896

26.532

25.415

28.784

27.444

27.073

371

 

Subsidies (regelingen)

21.206

26.248

25.158

28.414

27.019

25.965

1.054

 

Nationaal Comité

7.384

11.656

9.085

9.902

8.411

6.219

2.192

 

Nationale herinneringscentra

3.088

3.468

4.571

4.171

4.820

3.136

1.684

 

Herinnering Indisch Molukse Doelgroep

2.103

1.927

1.560

2.010

1.675

3.405

‒ 1.730

 

Zorg- en dienstverlening

5.604

5.531

5.683

5.849

6.260

7.222

‒ 962

 

Overige

3.027

3.666

4.259

6.482

5.853

5.983

‒ 130

 

Bekostiging

292

0

0

0

182

400

‒ 218

 

Overige

292

0

0

0

182

400

‒ 218

 

Opdrachten

368

229

257

370

154

482

‒ 328

 

Overige

368

229

257

370

154

482

‒ 328

 

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

30

55

0

0

89

226

‒ 137

 

Overige

30

55

0

0

89

226

‒ 137

7.20

Pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeeln. en oorlogsgetroffenen WOII

203.308

188.899

194.624

189.370

178.429

172.206

6.223

 

Inkomensoverdrachten

193.743

179.740

185.135

179.854

168.422

161.817

6.605

 

Wetten/regelingen verzetsdeelnemers/oorlogsgetroffenen

193.743

179.740

185.135

179.854

168.422

161.817

6.605

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

9.565

9.159

9.489

9.516

10.007

10.389

‒ 382

 

Sociale Verzekeringsbank

8.564

9.159

9.489

9.516

10.007

9.769

238

 

Pensioen- en Uitkeringsraad

1.001

0

0

0

0

620

‒ 620

         
 

Ontvangsten

3.240

1.568

3.991

1.690

2.220

3.339

‒ 1.119

         

Verplichtingen

Het verschil op de verplichtingen wordt veroorzaakt doordat een verplichting die voorheen werd aangegaan in jaar t-1, nameijk de verplichting voor de uitkeringen en pensioenen V&O, is aangegaan in 2026 (jaar t). De SVB heeft aangegeven liever één brief vanuit de verschillende directies van VWS te ontvangen. Tijdens de onderlinge afstemming is tijd verloren gegaan, met als gevolg dat de verplichting in januari 2026 is aangemaakt. Hierbij is het verplichtingenbedrag verlaagd met € 177,4 miljoen.

Tezamen met wat kleinere mutaties is er voor € 169,0 miljoen minder aan verplichtingenruimte gerealiseerd dan begroot.

7.10 De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII en de herinnering aan WOII

Subsidies (regelingen)

Nationaal Comité

Door een technische mutatie is per saldo € 2,2 miljoen meer gerealiseerd op dit subsidiebudget, tegelijkertijd leide dit tot een lagere realisatie bij andere subsidiebudgetten.

7.20 Pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII

Inkomensoverdrachten

Wetten/regelingen verzetsdeelnemers/oorlogsgetroffenen

Tijdens de voorjaarsbesluitvorming van 2025 is het budget voor de inkomensoverdrachten van de SVB verhoogd met € 5,6 miljoen, om tot het benodigde budget voor de SVB te komen. Daarnaast is Looncompensatie uitgedeeld ter hoogte van € 7,7 miljoen. Bij de 2e suppletoire begroting is vervolgens een meevaller van € 6,7 miljoen geboekt. Netto geeft dit een verklaring voor het verschil van € 6,6 miljoen.

Kengetal: Uitkeringen aan Oorlogsgetroffenen WO II op basis begroting SVB 2026 (bedragen x €1.000.000)

Prestatie-indicator: percentage eerste aanvragen dat door de PUR en de SVB binnen de (verlengde) wettelijke termijn is afgehandeld.

Bron: Tertiaalverslag T2 2025 van de SVB

5.8 Artikel 8 Tegemoetkomingen en Rijksbijdragen

De zorg financieel toegankelijk houden.

De zorgtoeslag is een tegemoetkoming om de zorg die geleverd wordt via de Zvw financieel toegankelijk te maken. De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van het huishoudinkomen en van de standaardpremie. De standaardpremie is het gemiddelde van de nominale premies die de zorgverzekeraars in rekening brengen, vermeerderd met het gemiddelde bedrag dat een verzekerde aan eigen risico betaalt. De Wet op de zorgtoeslag waarborgt dat niemand een groter deel van zijn inkomen aan standaardpremie hoeft te betalen dan wat aan de hand van de wet als aanvaardbaar wordt beschouwd. Het bedrag dat een huishouden geacht wordt aan zorg te betalen, de normpremie, wordt berekend als een percentage van het minimumloon plus een percentage van het inkomen van het huishouden dat het minimumloon te boven gaat. De hoogte van de zorgtoeslag is het verschil tussen de standaardpremie en de normpremie.

De Zorgverzekeringswet en de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) kennen rijksbijdragen ter medefinanciering van respectievelijk de zorgverzekering en de langdurige zorg. Voor de financiering van de zorgverzekeringspremie voor kinderen van 0 tot 18 jaar wordt een premievervangende Rijksbijdrage gestort in het Zorgverzekeringsfonds (Zvf). De langdurige zorg kent een specifieke Rijksbijdrage aan het Fonds langdurige zorg (Flz) die compenseert voor premiederving door fiscale heffingskortingen. Daarnaast is er sprake van een algemene Rijksbijdrage om de tekorten in het Flz aan te vullen die ontstaan doordat de Wlz-premie op een constant niveau wordt gehouden.

De minister is verantwoordelijk voor:

  • financieren van de zorgtoeslag, inclusief het vaststellen van de hoogte van de zorgtoeslag en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving over de zorgtoeslag;

  • financieren van de tegemoetkoming voor personen die in de inkomstenbelasting hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als gevolg van heffingskortingen niet of niet geheel kunnen inzetten;

  • financieren van de premievervangende Rijksbijddrage voor kinderen van 0 tot 18 jaar aan het Zorgverzekeringsfonds (Zvf);

  • financieren van de Rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) aan het Fonds langdurige zorg (Flz);

  • financieren van de Rijksbijdrage Wlz aan het Fonds langdurige zorg (Flz).

In 2025 zijn de normpremiepercentages voor de zorgtoeslag vastgesteld op 1,896% (zonder partner) en 4,273% (met partner) voor inkomens tot het minimumloon, en 13,7% voor inkomens boven het minimumloon112.

In de Fiscale Verzamelwet 2025 is het partnerbegrip in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) uitgebreid door het vervallen van de 27-jaarsgrens voor eerstegraads bloed- en aanverwanten als toeslagpartners. Dit heeft ertoe geleid dat meer mensen recht krijgen op zorgtoeslag. Deze extra kosten zijn gedekt binnen het zorgtoeslagbudget.

De percentages voor het inkomen tot aan het minimumloon zijn daardoor structureel verhoogd met 0,002%-punt. Dit betekent dat alle zorgtoeslagontvangers € 0,54 op jaarbasis minder zorgtoeslag hebben ontvangen in 2025.

Het terugdringen van het niet-gebruik van de zorgtoeslag heeft voor VWS prioriteit. Om dit te realiseren wordt samengewerkt met de Dienst Toeslagen. Eind juni 2025 zijn ruim 200.000 huishoudens met een mogelijk recht op zorgtoeslag over 2024 aangeschreven. Van deze groep hebben circa 72.000 (35%) zorgtoeslag over 2024 aangevraagd en zij hebben inmiddels circa € 54 miljoen aan zorgtoeslag uitgekeerd gekregen.

Tabel 37 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8: Tegemoetkomingen en Rijksbijdragen (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

6.007.175

6.347.281

8.493.818

7.133.988

32.455.600

7.057.449

25.398.151

         
 

Uitgaven

6.007.175

6.347.281

8.493.818

7.133.988

27.926.800

7.057.449

20.869.351

         

8.10

Tegemoetkoming specifieke kosten

6.007.175

6.347.281

8.493.818

7.133.988

7.455.200

7.057.449

397.751

 

Inkomensoverdrachten

6.007.175

6.347.281

8.493.818

7.133.988

7.455.200

7.057.449

397.751

 

Zorgtoeslag

5.940.018

6.287.790

8.391.128

7.043.866

7.360.240

6.969.500

390.740

 

Tegemoetkoming specifieke kosten

67.157

59.491

102.690

90.122

94.960

87.949

7.011

8.40

Rijksbijdragen

0

0

0

0

20.471.600

0

20.471.600

 

Bekostiging

0

0

0

0

20.471.600

0

20.471.600

 

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds 18-

0

0

0

0

3.397.700

0

3.397.700

 

Rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

0

0

0

0

6.073.900

0

6.073.900

 

Bijdrage Wlz

0

0

0

0

11.000.000

0

11.000.000

         
 

Ontvangsten

443.248

497.705

615.969

666.802

612.576

0

612.576

         

Verplichtingen

De verplichtingenrealisatie is in totaal circa € 25,4 miljard hoger dan begroot. Dit is voornamelijk het gevolg van het overhevelen van de Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds 18- van artikel 2 en van de Rijksbijdrage in de kosten van kortingen en de Bijdrage Wlz van artikel 3 naar dit artikel. Daarnaast zijn de aangegane verplichtingen circa € 4,5 miljard hoger dan de uitgaven in 2025. Dit komt doordat de verplichtingen voor de Rijksbijdragen die in 2026 uitbetaald worden al aan het eind van 2025 zijn aangegaan. De verplichtingen lopen daardoor een jaar vooruit op de kasuitgaven.

8.10 Tegemoetkoming specifieke kosten

Inkomensoverdrachten

Zorgtoeslag

De gehanteerde systematiek is dat in de ontwerpbegroting van VWS de netto uitgaven aan zorgtoeslag worden weergegeven. Dat wil zeggen het saldo van de verwachte uitgaven aan zorgtoeslag en ontvangsten vanwege terugvorderingen. In het jaarverslag worden de uitgaven en de ontvangsten daarentegen afzonderlijk gepresenteerd. Vanaf de ontwerpbegroting 2026 zijn de uitgaven en ontvangsten wel afzonderlijk gepresenteerd.

De gepresenteerde uitgaven van € 7,5 miljard betreft zowel de betalingen aan zorgtoeslag over 2025 als nabetalingen over voorgaande jaren, zijnde circa € 719 miljoen. Er is sprake van een onderuitputting van circa € 222 miljoen over 2025 (saldo van uitgaven en ontvangsten), die wordt verklaard doordat er minder mensen dan verwacht zorgtoeslag over 2025 hebben ontvangen. Dit aantal kan en zal naar verwachting teruglopen door aanvragen in 2026 met terugwerkende kracht of definitieve toekenning waarbij alsnog recht wordt geconstateerd. Omdat de inkomensontwikkeling in 2025 gunstiger was dan vooraf verwacht en de standaardpremie lager is uitgevallen is een lager gebruik van zorgtoeslag te verklaren.

Figuur 3 Het aantal eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens met een (voorlopige) toekenning.

Bron: Dienst Toeslagen

4. Rijksbijdragen

Het artikelonderdeel «8.40 Rijksbijdragen» is in 2025 toegevoegd. Daarbij is tevens de naam van artikel 8 gewijzigd in «Tegemoetkomingen en Rijksbijdragen». De middelen op dit artikelonderdeel waren in de ontwerpbegroting 2025 nog opgenomen op artikel 2 en 3. Ze zijn verplaatst naar artikel 8 omdat de aard en de omvang van de Rijksbijdragen aan het Zorgverzekeringsfonds en het Fonds langdurige zorg het financiële beeld op artikel 2 en 3 vertroebelden. Door deze technische wijziging kan meer inzicht worden gegeven in de hoogte van de Rijksbijdragen zelf en in de overgebleven budgetten op artikel 2 en 3. Daarnaast zijn alle niet-comptabele uitgaven nu in één artikel samengebracht, wat zorgt voor een duidelijker onderscheid tussen amendeerbare en niet-amendeerbare uitgaven in de begroting.

Bekostiging

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds 18-

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds 18-

Kinderen tot 18 jaar betalen geen nominale Zvw-premie aan hun zorgverzekeraar. De Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds 18- voorziet in de financiering van de kosten voor deze verzekerden. Voor 2025 is de rijksbijdrage vastgesteld op € 3,4 miljard. Dit is gelijk aan het bedrag in de ontwerpbegroting 2025.

Rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

De BIKK is ingesteld bij de belastingherziening in 2001. Fiscale aftrekposten werden daarbij omgezet in heffingskortingen, waardoor de opbrengst van de premies volksverzekeringen daalde. Het Fonds langdurige zorg (voor de Wlz), het Ouderdomsfonds (voor de AOW) en het Nabestaandenfonds (voor de ANW) worden via de BIKK gecompenseerd voor de gevolgen van deze veranderingen in de belasting- en premieheffing. De rekenregels waarmee de hoogte van de BIKK wordt bepaald, zijn vastgelegd in de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Voor 2025 is de BIKK voor de Wlz vastgesteld op € 6,1 miljard. Het vastgestelde bedrag is € 57,1 miljoen hoger dan de raming in de ontwerpbegroting 2025. Het verschil komt door opwaartse bijstellingen van de geraamde groei van de heffingskortingen in 2025 in het Centraal Economisch Plan (CEP 2025) en de Macro Economische Verkenning (MEV 2026) van het Centraal Planbureau.

Bijdrage Wlz

Sinds 2019 wordt het negatieve saldo van het Fonds Langdurige Zorg (Flz) jaarlijks gecompenseerd door middel van een rijksbijdrage aan het Flz. De hoogte van de Rijksbijdrage Wlz wordt zodanig vastgesteld, dat het fondssaldo aan het einde van het jaar naar verwachting op nul uitkomt. De Rijksbijdrage Wlz is ingevoerd om de Wlz-premie op een constant niveau te houden en tegelijkertijd structurele tekorten in het Flz te voorkomen. Voor 2025 is de rijksbijdrage vastgesteld op € 11,0 miljard. Dit is € 1,8 miljard lager dan de raming van de rijksbijdrage in de ontwerpbegroting 2025. De neerwaartse bijstelling in 2025 is het gevolg van de doorwerking van een positief fondssaldo over 2024, dat nog niet bekend was bij het opstellen van de ontwerpbegroting.

Ontvangsten

De gepresenteerde ontvangsten van € 612,6 miljoen betreft zowel de terugvorderingen aan zorgtoeslag over 2025 als terugvorderingen over voorgaande jaren, zijnde circa € 490 miljoen.

6. Niet-beleidsartikelen

5 6.1 Artikel 9 Algemeen

In dit niet-beleidsartikel worden de departementsbrede uitgaven vermeld die niet zinvol kunnen worden toegerekend aan een beleidsartikel.

Tabel 38 Budgettaire gevolgen van niet-beleidsartikel 9: Algemeen (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

25.343

22.480

66.262

46.380

31.763

52.294

‒ 20.531

         
 

Uitgaven

33.426

28.029

41.973

46.246

42.021

60.662

‒ 18.641

         

9.10

Internationale samenwerking

9.841

8.377

16.073

13.900

14.700

13.989

711

 

Bijdrage aan agentschappen

900

1.180

1.175

1.200

1.687

1.200

487

 

Overige

900

1.180

1.175

1.200

1.687

1.200

487

 

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

8.941

7.197

14.898

12.700

13.013

12.789

224

 

World Health Organization

2.968

2.688

4.299

4.296

4.573

4.648

‒ 75

 

EMA

4.374

4.006

3.873

3.820

3.789

3.861

‒ 72

 

Overige

1.599

503

6.726

4.584

4.651

4.280

371

9.20

Verzameluitkering

0

0

0

0

0

105

‒ 105

 

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

0

0

0

105

‒ 105

 

Overige

0

0

0

0

0

105

‒ 105

9.30

Eigenaarsbijdrage

18.585

14.652

20.900

27.346

22.321

41.568

‒ 19.247

 

Bijdrage aan agentschappen

18.585

14.652

20.900

27.346

22.321

41.568

‒ 19.247

 

Eigenaarsbijdrage RIVM

18.585

14.652

20.900

22.079

22.321

41.568

‒ 19.247

 

Eigenaarsbijdrage CIBG

0

0

0

5.267

0

0

0

9.40

Begrotingsreserve achterborg WFZ-garanties

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

0

 

Garanties

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

0

 

Overige

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

0

         
 

Ontvangsten

2.686

8.811

1.500

8.296

22.531

0

22.531

         

Verplichtingen

De verplichtingen zijn € 20,5 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Dit betreft grotendeels het verschuiven van verplichtingenbudget inzake de dubbele huisvestingslasten van het RIVM naar 2026.

9.10 Internationale samenwerking

Bijdrage aan agentschappen

Overige

De hogere realisatie van € 0,5 miljoen betreft de bijdrage aan het RIVM.

9.30 Eigenaarsbijdrage

Bijdrage aan agentschappen

Eigenaarsbijdrage RIVM

De lagere realisatie eigenaarsbijdrage van € 19,2 miljoen komt door de latere verhuizing van het RIVM en de daarmee samenhangende bijdrage voor de dubbele huisvestingslasten.

Ontvangsten

Bij de 1e suppletoire begroting is het surplus van het eigen vermogen van het RIVM en het CIBG over 2024 afgeroomd. Dit verklaart grotendeels het hogere ontvangstenbudget van € 22,5 miljoen.

6.2 Artikel 10 Apparaat Kerndepartement

In dit niet-beleidsartikel wordt ingegaan op de personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het ministerie van VWS.

Tabel 39 Apparaatsuitgaven kerndepartement budgettaire gevolgen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

        

Verplichtingen

532.013

549.192

566.422

630.626

639.536

607.078

32.458

        

Uitgaven

492.661

540.244

587.193

622.433

631.261

610.596

20.665

        

Personele uitgaven

397.588

438.315

468.931

509.869

517.382

489.136

28.246

waarvan eigen personeel

292.894

318.681

352.998

400.557

417.773

395.307

22.466

waarvan inhuur externen

102.888

117.209

112.454

105.971

90.097

90.632

‒ 535

waarvan inhuur deskundigen

0

0

0

0

4.556

0

4.556

waarvan overige personele uitgaven

1.806

2.425

3.479

3.341

4.956

3.197

1.759

Materiële uitgaven

95.073

101.929

118.262

112.564

113.879

121.460

‒ 7.581

waarvan ICT

12.669

12.320

13.809

16.958

15.988

25.264

‒ 9.276

waarvan bijdrage aan SSO's

58.404

59.503

70.648

75.159

76.781

65.996

10.785

waarvan overige materiële uitgaven

24.000

30.106

33.805

20.447

21.110

30.200

‒ 9.090

        

Ontvangsten

14.657

10.874

10.512

10.552

11.233

9.171

2.062

Tabel 40 Apparaatsuitgaven Kerndepartement budgettaire gevolgen (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

532.013

549.192

566.422

630.626

639.536

607.078

32.458

         
 

Uitgaven

492.661

540.244

587.193

622.433

631.261

610.596

20.665

         

10.30

Kerndepartement

362.819

403.023

431.428

449.067

453.052

445.748

7.304

 

Personele uitgaven

293.692

327.466

343.760

363.483

368.790

355.845

12.945

 

Eigen personeel

193.441

213.402

233.356

261.325

276.105

261.585

14.520

 

Eigen personeel

1.367

1.480

2.233

2.588

2.109

2.367

‒ 258

 

Externe inhuur

97.255

110.481

105.087

96.405

81.242

88.981

‒ 7.739

 

Inhuur deskundigen

0

0

0

0

4.543

0

4.543

 

Overige

1.629

2.103

3.084

3.165

4.791

2.912

1.879

 

Materiële uitgaven

69.127

75.557

87.668

85.584

84.262

89.903

‒ 5.641

 

ICT

7.733

7.890

8.658

11.135

9.994

14.337

‒ 4.343

 

Bijdrage SSO's

49.474

51.824

60.646

63.372

64.342

61.689

2.653

 

Bijdrage SSO's

776

0

0

0

0

0

0

 

Overig

1

0

777

0

0

0

0

 

Overige

11.143

15.843

17.587

11.077

9.926

13.877

‒ 3.951

10.40

Inspecties

101.123

105.148

119.677

131.835

135.430

124.516

10.914

 

Personele uitgaven

81.096

85.463

96.607

112.395

112.885

100.378

12.507

 

Eigen personeel

76.204

80.065

89.898

104.965

107.235

98.875

8.360

 

Externe inhuur

4.715

5.076

6.314

7.254

5.485

1.218

4.267

 

Overige

177

322

395

176

165

285

‒ 120

 

Materiële uitgaven

20.027

19.685

23.070

19.440

22.545

24.138

‒ 1.593

 

ICT

2.817

2.895

2.935

3.515

4.378

9.920

‒ 5.542

 

Bijdrage SSO's

8.143

7.605

9.947

11.554

11.894

3.910

7.984

 

Overige

9.067

9.185

10.188

4.371

6.273

10.308

‒ 4.035

10.50

SCP en Raden

28.719

32.073

36.088

41.531

42.779

40.332

2.447

 

Personele uitgaven

22.800

25.386

28.564

33.991

35.707

32.913

2.794

 

Eigen personeel

21.882

23.734

27.511

31.679

32.324

32.480

‒ 156

 

Externe inhuur

918

1.652

1.053

2.312

3.370

433

2.937

 

Inhuur deskundigen

0

0

0

0

13

0

13

 

Materiële uitgaven

5.919

6.687

7.524

7.540

7.072

7.419

‒ 347

 

ICT

2.119

1.535

2.216

2.308

1.616

1.007

609

 

Bijdrage SSO's

11

74

55

233

545

397

148

 

Overige

3.789

5.078

5.253

4.999

4.911

6.015

‒ 1.104

         
 

Ontvangsten

14.657

10.874

10.512

10.552

11.233

9.171

2.062

         
Tabel 41 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten agentschappen en Zelfstandige Bestuursorganen/ Rechtspersonen met een wettelijke taak (bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Totaal apparaatskosten agentschappen

773.814

799.094

895.777

806.862

894.683

1.040.871

‒ 146.188

       

0

Agentschap College Ter Beoordeling van Geneesmiddelen

56.303

63.144

68.084

76.297

76.627

78.971

‒ 2.344

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

105.298

112.965

122.637

118.710

110.510

117.200

‒ 6.690

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

612.213

622.985

705.056

611.855

707.546

844.700

‒ 137.154

        

Totaal apparaatskosten ZBO’s en RWT’s

394.605

391.937

438.758

481.044

498.438

509.478

‒ 11.040

        

Zorg Onderzoek Nederland/ Medische Wetenschappen (ZonMw)

6.991

6.991

8.044

13.887

17.876

20.523

‒ 2.647

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

105.690

106.890

121.400

134.096

143.257

147.200

‒ 3.943

Centraal Administratie Kantoor (CAK)

129.743

124.075

136.553

147.261

154.251

157.099

‒ 2.848

Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

1.001

0

711

711

483

522

‒ 39

Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO), inclusief Medisch Ethische Commissies (METC’s)

0

0

0

0

0

0

0

Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

66.131

69.053

76.701

79.037

80.369

80.505

‒ 136

Zorginstituut Nederland (ZiNL)

79.873

79.616

89.880

97.702

92.949

94.293

‒ 1.344

College Sanering Zorginstellingen (CSZ)

1.600

1.600

1.600

1.503

1.470

1.500

‒ 30

Dopingautoriteit (DA)

2.928

3.043

3.221

6.159

7.071

7.073

‒ 2

College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG)

648

669

648

688

711

763

‒ 52

10.30 Toelichting apparaatsuitgaven kerndepartement

Personele uitgaven

Eigen personeel

De personele uitgaven van het kerndepartement zijn met € 12,9 miljoen gestegen ten opzichte van de vastgestelde begroting 2025. De uitgaven aan eigen personeel komen € 14,5 miljoen hoger uit dan begroot. Er is ten opzichte van de vastgestelde begroting € 18,4 miljoen toegevoegd voor uitvoering van de Wet Open Overheid (WOO), daarnaast is een bedrag van € 14,4 miljoen toegevoegd voor de toedeling van de loonbijstelling. Eveneens is een bedrag verschoven van eigen personeel naar externe inhuur en zijn de daadwerkelijke uitgaven lager dan begroot als gevolg van vertraging of het niet invullen van vacatures.

Externe inhuur

De meevaller op externe inhuur wordt mede verklaard door inhuur op iRealisatie, veroorzaakt door te late facturering in december en doordat de contractwaarden vaak te hoog zijn vastgesteld. In totaal bedraagt dit een bedrag van € 7,8 miljoen. Daarnaast zijn er aanzienlijk minder juristen extern ingehuurd waardoor er voor € 4,7 miljoen onderuitputting is. Tezamen met wat kleinere mutaties is op externe inhuur € 7,7 miljoen minder gerealiseerd dan begroot.

10.40 Toelichting apparaatsuitgaven inspecties

Personele uitgaven

Eigen personeel

De uitgaven aan eigen personeel bij de inspecties komt € 12,5 miljoen hoger uit dan de vastgestelde begroting. Een deel hiervan wordt verklaard door hogere uitgaven aan eigen personeel in 2025 dit als gevolg van het overschrijden van de actuele formatie. Op eigen personeel is er in totaal € 8,4 miljoen meer gerealiseerd dan begroot.

6.3 Artikel 11 Nog onverdeeld

Dit niet-beleidsartikel heeft een technisch-administratief karakter. Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats. Ook worden er taakstellingen of extra middelen op dit artikel geplaatst die nog niet aan de beleidsartikelen zijn toegedeeld.

Tabel 42 Nog onverdeeld budgettaire gevolgen (bedragen x €1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

0

0

0

0

0

‒ 15.046

15.046

         
 

Uitgaven

0

0

0

0

0

‒ 15.046

15.046

         

11.4

Nog onverdeeld

0

0

0

0

0

‒ 15.046

15.046

 

Nog te verdelen

0

0

0

0

0

‒ 15.046

15.046

 

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

24

‒ 24

 

Taakstellingen

0

0

0

0

0

‒ 15.070

15.070

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         

Verplichtingen

In 2025 is het verplichtingenbudget per saldo in totaal met € 15,0 miljoen verhoogd. Deze verhoging hangt samen met de uitgaven op artikel 11.

11.4 Nog onverdeeld

Bij de vaststelling van de begroting is een deel van amendement Bontebal (ter dekking van de OCW begroting) op artikel 11 geboekt. Deze is later toegedeeld naar de juiste artikelen waarna artikel 11 op 0 sluit. Dit verklaart het verschil op artikel 11 met de vastgestelde begroting.

7. Bedrijfsvoeringsparagraaf

Paragraaf 1: Rapportage bedrijfsvoering

1.1 Rechtmatigheid

Tabel 43 Overzicht overschrijdingen rapporteringstoleranties fouten en onzekerheden (bedragen x 1.000)

(1) Rapporteringstolerantie

(2) Verantwoord bedrag in € (omvangsbasis)

(3) Rapporterings-tolerantie voor fouten en onzekerheden in €

(4) Bedrag aan fouten in €

(5) Bedrag aan onzekerheden in €

(6) Bedrag aan fouten en onzekerheden in €

(7) Percentage aan fouten en onzekerheden t.o.v. verantwoord bedrag = (6)/(2)*100%

Artikel 3 verplichtingen

816.986

40.849

67.338

25.798

93.136

11,4

Artikel 10 verplichtingen

639.536

31.976

48.739

3.876

52.615

8,2

Artikel 2 uitgaven

969.640

48.482

0

64.862

64.862

6,7

Samenvattende staat baten-lastenagentschappen

1.015.534

25.000

95.280

95.280

9,4

Artikel 3 - Verplichtingen

De overschrijding op dit artikel wordt veroorzaakt door een onzekerheid over de naleving van de Europese staatssteunregels in een spoeddossier en de aanbestedingsregels in een ander dossier (tezamen € 92 miljoen).

Artikel 10 - Verplichtingen

De overschrijding op dit artikel (Apparaat kerndepartement) wordt veroorzaakt door het onrechtmatig afroepen van verplichtingen op rijksbrede mantelcontracten (ad. € 48 miljoen). Het overgrote deel (73%) van deze onrechtmatigheid wordt veroorzaakt door één mantelcontract (overbrugging ad. € 35 miljoen).

Artikel 2 - Uitgaven

De overschrijding op dit artikel (Curatieve Zorg) wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door een te vroege betaling aan Pallas (ad. € 64 miljoen).

Samenvattende staat baten-lastenagentschappen

Voor wat betreft de agentschappen wordt er in totaal een onrechtmatigheid van € 95 miljoen geconstateerd. Deze onrechtmatigheid is voornamelijk geïmporteerd en is het gevolg van de onrechtmatige Rijksbrede overbruggingsovereenkomsten ICT Inhuur, financieel advies, audit advies en inkoopadvies bij zowel het RIVM als het CIBG (ad. € 77 miljoen). Daarnaast heeft CIBG een onrechtmatig verwerking van projectgelden (ad. € 15 miljoen).

1.2 Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden te melden. Er wordt voor de indicatoren zoveel als mogelijk aangesloten bij de Staat van Volksgezondheid en het Centraal bureau voor de Statistiek. Wanneer dit niet mogelijk is, komt de informatie uit andere openbare bronnen. De bronvermelding van de indicatoren wordt vermeld in het jaarverslag.

1.3 Begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiele bedrijfsvoering

Hieronder worden de voornaamste aandachtsgebieden binnen de bedrijfsvoering beschreven, waaronder die aandachtsgebieden die de Auditdienst Rijk (ADR) en de Algemene Rekenkamer (AR) hebben genoemd in de (verantwoordings-)onderzoeken over het jaar 2024. De voortgang op de verschillende aspecten van het beheer is in 2025 regelmatig besproken, onder andere in het Audit Committee. Ook de Tweede Kamer is in november 2025 over de voortgang geïnformeerd.113

Begrotingsbeheer

Op het gebied van het begrotingsbeheer betreft één van de ontwikkelingen dat wijze waarop is omgegaan met omvangrijke technische mutaties, zoals ook is opgenomen in het auditrapport 2024 van de ADR en het verantwoordingsonderzoek 2024 van de AR. Dit zijn onder andere grote schommelingen in het verplichtingenbudget bij de 1e en 2e suppletoire begroting. Deze schommelingen werden met name veroorzaakt door de Rijksbijdragen (Rijksbijdrage 18-, Rijksbijdrage Wlz en de BIKK). Bij de 2e suppletoire begroting werd het verplichtingenbudget opgehoogd om de verplichting voor het volgende jaar aan te kunnen gaan. Dit werd vervolgens bij de 1e suppletoire begroting weer naar beneden bijgesteld. Om deze grote schommelingen eruit te halen zijn in overleg met het ministerie van Financiën bij 1e suppletoire begroting114 eenmalig de verplichtingen van de Rijksbijdragen in het juiste ritme gezet. Dit heeft als doel om het hele jaar door een realistische en stabieler verplichtingenbudget te hebben.

Een andere ontwikkeling in het begrotingsbeheer betreft de aanpassing van de structuur van de Rijksbijdragen. De Rijksbijdragen zijn geen comptabele uitgaven, maar zijn een administratieve weergave van financiering van de zorg en zijn daardoor niet amendeerbaar. Om meer inzicht te geven in de beschikbare amendeer ruimte zijn de Rijksbijdragen bij de suppletoire begroting september115 verplaatst naar artikel 8. Op deze manier is het zowel in de administratie als in de presentatie zichtbaar welke ruimte niet amendeerbaar is.

Financieel beheer (o.a. subsidiebeheer)

Op het gebied van financieel beheer bevindt VWS zich in de fase van consolidatie en verankering. De programmatische aanpak die in de afgelopen jaren is ingezet om het financieel beheer te versterken is afgerond. De activiteiten die in dit kader zijn ontwikkeld, zijn inmiddels belegd binnen de staande organisatie en maken daarmee onderdeel uit van de reguliere bedrijfsvoering. Een belangrijke randvoorwaarde voor de versterking van het financieel beheer was de afronding begin 2025 van de herinrichting van de financiële functie (zie ook paragraaf 3).

Binnen het subsidiebeheer is in 2025 op een aantal kernonderdelen belangrijke verbeteringen gerealiseerd. Ten eerste is op het gebied van beleidslogica en instrumentkeuze het Expertisecentrum Instrumentkeuze (ECIK) opgericht. Dit expertisecentrum adviseert beleidsdirecties over de inzet van passende beleidsinstrumenten, waaronder subsidies, met expliciete aandacht voor doelmatigheid en rechtmatigheid. Vanuit dit gremium en het Expertisecentrum Subsidies (ECS) wordt nadrukkelijk gestuurd op consistent gebruik van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Op het terrein van staatssteun blijkt dat de verscherpte aandacht van de afgelopen jaren ertoe heeft geleid dat het beheer op orde is en dat grotere dossiers met staatssteunrisico’s in 2025 zijn afgerond en opgelost. Hierdoor doen zich in 2025 geen grote onvolkomenheden meer voor op het gebied van staatssteun binnen het subsidiebeheer.Ten aanzien van misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O) is het beleid verder geprofessionaliseerd. In paragraaf 1.4 wordt uitgebreid ingegaan hoe de opzet, bestaan en werking van het M&O beleid zich heeft ontwikkeld in 2025. Hiermee is het preventieve en corrigerende vermogen van het subsidiebeheer versterkt. Zoals ook uit de rechtmatigheidsparagraaf 1.1 blijkt hebben zich in 2025 geen substantiële onvolkomenheden voorgedaan op subsidiebeheer.

De investeringen van de afgelopen jaren in de financiële administratie leveren daadwerkelijk rendement op. Door de herinrichting van de financiële functie, de gerichte versterking van capaciteit en expertise en de opzet van kenniskringen is de kwaliteit van de financiële administratie structureel verbeterd. Ook is het interne stelsel van controles en monitoring aanzienlijk versterkt, waardoor afwijkingen en fouten steeds vaker vroegtijdig worden onderkend en gecorrigeerd. Hierdoor is VWS beter in staat om tijdig bij te sturen en herstelmaatregelen te treffen voordat fouten doorwerken in de jaarverantwoording. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de zogenaamde P13- en P14-boekingen (correctieboekingen na het sluiten van het boekjaar). Deze zijn significant lager dan in voorgaande jaren. Deze ontwikkeling onderstreept dat VWS zich steeds meer ontwikkelt tot een organisatie die financieel ‘in control’ is.

Materiële bedrijfsvoering (o.a. inkoopbeheer)

2025 stond in het teken van de implementatie van het nieuwe inkoopsysteem, ‘inkoop tot betalen’. Met dit systeem is het inkoopbeheer verder geprofessionaliseerd middels een geformaliseerde digitale werkwijze. Het nieuwe systeem is gekoppeld aan het financieel ERP systeem. Voor het inkoopbeheer geldt dat zich in 2025 geen substantiële onvolkomenheden hebben voorgedaan (zie paragraaf 1.1).

Categoriemanagement raamovereenkomsten

VWS neemt, net zoals alle andere ministeries, deel aan het rijksbrede categoriemanagement stelsel. Er zijn enkele categoriemanagement raamovereenkomsten waarvoor overbruggingsovereenkomsten zijn afgesloten. Als gevolg daarvan worden de verplichtingen onder deze overbruggingsovereenkomsten als onrechtmatig bestempeld. De her-aanbestedingen voor een aantal van deze raamovereenkomsten is vertraagd, als gevolg van juridische bezwaren en rechtszaken door inschrijvers. Over 2025 gaat het voor VWS om circa € 38 miljoen.

Externe inhuur

VWS heeft in 2025 19,2% (2024; 21%) van de personele uitgaven besteed aan de inhuur van externen. Dit is een overschrijding van de zogenaamde Roemer-norm, te weten 9,2 %- punt (de norm bedraagt 10%). Tussentijds is de Tweede Kamer in 2025 naar aanleiding van de motie Sneller/Vermeer116 geïnformeerd over het eerste half jaar van 2025117. VWS heeft tot doel hierbij om in 2026 aan de norm van 10% te voldoen, mede naar aanleiding van motie De Korte.118 Om dit te realiseren, wat een zeer forse opgave is, is aan alle onderdelen van VWS gevraagd om inzicht te geven in de voorgenomen inhuur en hoe dit zal worden afgebouwd.

Naast de Roemer-norm is naar aanleiding van de motie Boon119 mede in het kader van de Wet DBA ook tussentijdse inzicht gegeven in de aantallen externe inhuur. Te zien is dat op alle categorieën een dalende lijn is te zien.

Tabel 44 Externe inhuur (aantallen)
 

1 januari 2025

1 juli 2025

1 januari 2026

Externe inhuur

1.010

946

873

Externe inhuur waarvan zzp

501

508

361

Externe inhuur waarvan schijnzelfstandig (indirecte inhuur)

65

34

3

Externe inhuur waarvan schijnzelfstandig (directe inhuur)

0

0

0

1.4 Misbruik en oneigenlijk gebruik

VWS heeft als kerntaak het waarborgen van een goed functionerend zorgstelsel dat toegankelijk en betaalbaar blijft voor alle burgers. Een effectief misbruik- & oneigenlijk gebruik beleid (M&O beleid) is daarbij onmisbaar. Dit M&O beleid voorkomt verspilling van publieke middelen, beschermt de zorgkwaliteit en versterkt het vertrouwen van burgers in ons zorgsysteem. Op 8 juli 2025 is het vernieuwd M&O beleid vastgesteld. Dit nieuwe beleid ziet niet enkel toe op subsidies, maar op alle relevante financiële instrumenten, waaronder specifieke uitkeringen (spuk) en inkopen.VWS maakt gebruik van een risicogerichte benadering. Dit houdt in dat beschikbare middelen en controles worden ingezet op die financiële instrumenten en processen waar de kans op misbruik het grootst is en de impact het meest ingrijpend kan zijn. Voor subsidie- en spuk-regelingen wordt over het algemeen een verhoogd M&O risico onderkend. Indien sprake is van nieuwe of gewijzigde regeling is het dan ook verplicht een inschatting van de M&O-risico’s te maken. In 2025 zijn op alle nieuwe en gewijzigde regelingen ook dergelijke analyses uitgevoerd. We hanteren in principe het standpunt dat alle significante restrisico’s afgedekt dienen te zijn. Echter niet altijd is het mogelijk alle restrisico’s geheel te beperken. In dit geval is het aan de bewindspersonen om te beslissen of het restrisico acceptabel is en of de wijziging/ regelgeving doorgevoerd kan worden.

In 2023 zijn vanuit interne controles door het CAK signalen van misbruik & oneigenlijk gebruik geconstateerd bij de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV) en met de regeling Onverzekerbare vreemdelingen (OVV). Op basis hiervan is de Nederlandse Arbeidsinspectie een strafrechtelijk onderzoek gestart. Op 18 december 2024120 is de Tweede Kamer hier voor het eerst over geïnformeerd. Uit de gecontroleerde SOV verantwoording 2025 van het CAK blijkt dat in 2025 ter waarde van € 875.000 uitbetaald is aan dossiers waarbij mogelijke onregelmatigheden geconstateerd zijn, maar die wel voldoen aan de formele eisen in het uitvoeringsproces van het CAK. Voor OVV is in 2025 ter waarde van € 308.000 uitbetaald aan dossiers waar het CAK mogelijke onregelmatigheden heeft geconstateerd. Op de cijfers 2025 van OVV heeft nog geen accountantscontrole plaatsgevonden. Daarnaast lopen nog onderzoeken van de NLA en het OM die nog tot extra (fraude- danwel M&O-) uitkomsten kunnen leiden.

In juli 2025 is een werkgroep gevormd bestaande uit vertegenwoordigers van VWS, het CAK, de Nederlandse Arbeidsinspectie, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de Nederlandse Zorgautoriteit en Zorgverzekeraars Nederland. De werkgroep heeft de opdracht om te adviseren over gepaste maatregelen om het frauderisico bij deze regelingen zo klein mogelijk te maken, zowel op korte als lange termijn. De korte termijn maatregelen zien met name toe op het opvragen van aanvullende bewijsstukken en verrichten van aanvullende controles gericht op het voorkomen en detecteren van mogelijke misbruik en oneigenlijk gebruik en/of fraude. Zorgaanbieders moeten voortaan bij de aanvraag van een eerste bijdrage hun KvK-nummer (voor verificatie bij de Kamer van Koophandel) overhandigen en een kopie van een lopend contract met een zorgverzekeraar, Wlz-uitvoerder of gemeente, inclusief een kopie van een declaratie op basis van dat contract en een bankafschrift als bewijs dat deze declaratie daadwerkelijk is ontvangen. Daarnaast moet bij elke declaratie (niet alleen de eerste) voortaan de Algemeen Gegevensbeheer (AGB)-code van de zorgaanbieder worden vermeld. VWS is voornemens om de SOV en OVV te vervangen door een nieuwe wet voor zorgkosten voor onverzekerden, waarbij onder andere kritisch wordt gekeken naar de instrumentkeuze (en bijvoorbeeld de mogelijkheid om over te gaan op algehele contractering), het wettelijke organiseren van een toezichthouder en mogelijkheden om materiële controles mogelijk te maken.

1.5 Overige aspecten van de bedrijfsvoering

Herstel- en Veerkrachtplan

Het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) heeft als doel de Europese economieën veerkrachtiger, duurzamer en digitaler te maken na de COVID-19-crisis. Het plan ondersteunt lidstaten met EU-middelen voor hervormingen en investeringen, gericht op de groene en digitale transities, het versterken van de economie en het verzachten van de sociale gevolgen van de pandemie.VWS is verantwoordelijk voor de uitvoering van drie maatregelen binnen het HVP: de Stimuleringsregeling E-Health Thuis COVID-19, IC-opschaling en de Tijdelijke extra personele capaciteit voor de zorg in crisistijd. Deze maatregelen vormen de volledige verantwoordelijkheid van VWS binnen het HVP. In 2025 is het derde betaalverzoek ingediend door Nederland bij de Europese Commissie, met een omvang van € 551 miljoen. Dit betaalverzoek omvatte twee mijlpalen en doelstellingen voor VWS: Financiële kaders die opleiding in de gezondheidszorg mogelijk maakt en de Nationale zorgreserve: beide vallen onder de maatregel Tijdelijke extra personele capaciteit voor de zorg in crisistijd. De mijlpalen en doelstellingen zijn volgens planning behaald. Voor VWS resteert nog één doelstelling in 2026, waarna de afronding van het HVP-programma kan plaatsvinden.

PALLAS

De Tweede Kamer heeft PALLAS begin januari 2025 aangewezen121 als een groot project conform de Regeling Grote Projecten. Eind oktober 2025 is een tweede basisrapportage aangeboden aan de Kamer122 . Vanaf 2026 wordt halfjaarlijks een voortgangsrapportage aan de Kamer gestuurd. De ADR rapporteert op twee aspecten over deze voortgangsrapportages: ten eerste wordt een controleverklaring verstrekt bij de financiële informatie. Ten tweede wordt onderzoek gedaan naar de governance van het programma, de programmabeheersing (waaronder het risicomanagement), zowel binnen het ministerie als binnen NRG Pallas, de externe en interne informatievoorziening en naar de kwaliteit en volledigheid van de toekomstige financiële en niet-financiële informatie in de voortgangsrapportages. Naar aanleiding van de uitkomsten van een uitgevoerde Gate Review is binnen VWS de governance verbeterd door de rollen van financier, aandeelhouder en beleidsmaker expliciet van elkaar te scheiden.

1.6 Fraude- en corruptierisico’s

Interne fraude en corruptie is een standaard aandachtsgebied binnen de verschillende financiële stromen binnen VWS. Begin 2025 zijn voor de belangrijkste financiële stromen (subsidies, specifieke uitkeringen, inkoop en financiële administratie) zogenaamde interne controleplannen opgesteld. Deze plannen zijn opgesteld aan de hand van een ‘control framework’, dit is een raamwerk waarin de belangrijkste processtappen/ risico’s en interne beheersingsmaatregelen zijn uitgewerkt. In december 2025 zijn deze ‘control frameworks’ herijkt in een tweedaagse risico-sessie. De belangrijkste financiële instrumenten zijn besproken evenals enkele generieke risico’s waaronder interne fraude, M&O en staatssteun.

Bij het behandelproces subsidies is een melding gedaan inzake een mogelijke integriteitsschending. De onregelmatigheden zijn geconstateerd nog voordat er beschikkingen zijn verstuurd en betalingen zijn verricht (regeling Ministerie OCW). Op basis van de melding is een onderzoek ingesteld. Bij het uitvoeringsonderdeel is aanvullend onderzoek gedaan om de reikwijdte van de schending na te gaan, hieruit komen geen andere onregelmatigheden naar voren.

114

Kamerstukken II 2024/2025 36 725 XVI nr. 2

115

Kamerstukken II 2025/2026 36 820 XVI nr. 2

116

Kamerstukken 2024 kenmerk 31490-354

117

Kamerstukken 2025 kenmerk 31490-392

118

Kamerstukken 2025 kenmerk 36725-XVI-31

119

Kamerstukken 2024 kenmerk 2024D34928

120

Kamerstukken 2024 kenmerk: 4026805-1076544-Z

121

Kamerstukken 2025 kenmerk 33626-27

122

Kamerstukken 2025 kenmerk 33626-35

Paragraaf 2: Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

2.1 Gebruik open standaarden en open source software

Open Standaarden

Er wordt periodiek rijksbreed onderzoek gedaan naar de compliance op open standaarden (Monitor Open Standaarden). De knelpunten die daarin staan beschreven, waaronder het stagneren van de voortgang, worden ook binnen VWS herkend. Aanvullende verdiepende onderzoeken binnen VWS laten zien dat naast het actief blijven adresseren en aanjagen er ook fundamentelere veranderingen nodig zijn in o.a. het inkoopproces en het contract- en leveranciersmanagement dat daarop volgt. VWS zal zich blijven inspannen om de compliance op open standaarden te verbeteren.

Open source

Open source is binnen VWS een belangrijk thema. VWS werkt hard aan een missie en visie op het onderwerp zodat het thema de komende jaren structureel departement breed op de agenda komt te staan. In de tussentijd worden er vanuit VWS verschillende activiteiten ontplooid om de adoptie van opensourcewerken, zowel binnen het departement als in het veld, te versnellen. Denk daarbij aan rijksbrede kennissessies rond open source die elk kwartaal door VWS worden georganiseerd, het actief delen van kennis en instrumenten over de toepassing van open source en natuurlijk het goede voorbeeld geven door zelf ook een hoge mate van opensourcewerken toe te passen bij inkooptrajecten.

Cloud

Naar aanleiding van recent onderzoek van de Algemene Rekenkamer123 is geconcludeerd dat de rijksoverheid maar beperkt zicht heeft op het gebruik van clouddiensten en er onvoldoende is nagedacht over de risico’s. VWS heeft de onderzoeksresultaten opgevolgd door interne onderzoeken naar cloud uit te breiden en deze controle onderdeel te maken van de reguliere uitvraagcyclus op gebied van informatiebeveiliging, lifecyclemanagement (LCM) en privacy. Hieruit is gebleken dat niet alle VWS concernonderdelen de benodigde risicoanalyses hebben uitgevoerd conform het Rijksbrede cloudbeleid (2022) en het daarbij behorende implementatiekader. Er wordt binnen VWS gewerkt aan een inhaalslag om aan dit beleid te voldoen.Vooruitlopend op besluiten en regelgeving met betrekking tot cloud (waaronder de herziening van het rijksbrede cloudbeleid) en ter voorbereiding op eventuele crisissituaties is extra aandacht gegeven aan risicoanalyses met nieuwe uitvalscenario’s.

2.2 Betaalgedrag

VWS heeft over 2025 96,1% van de facturen binnen 30 dagen betaald. Hiermee heeft het ministerie voldaan aan de rijksbrede norm van 95% om de facturen binnen 30 dagen te betalen.

2.3 Normenkader financieel beheer

Op het gebied van het normenkader financieel beheer voor zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak hebben zich geen beleidsmatige of algemene ontwikkelingen voorgedaan.

2.4 Beheer NGF projecten

Over de Nationaal Groeifonds (NGF) projecten PharmaNL en DUTCH die in 2025 in uitvoering waren namens VWS zijn geen afwijkingen in het financieel beheer te melden. Volgens de daarvoor geldende afspraken is in 2025 niet uitgegeven budget voor PharmaNL door ZonMw (afgerond € 21 miljoen) teruggevloeid naar de VWS-begroting om per 100% eindejaarsmarge weer in volgende jaren beschikbaar te stellen. Ook voor DUTCH wordt een bedrag van € 15,9 miljoen via de 100% eindejaarsmarge opnieuw beschikbaar gesteld in latere jaren.

123

Algemene Rekenkamer 2025/01/15 Het Rijk in de cloud

Paragraaf 3: Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Herinrichting financiële functie

Eind 2024 en begin 2025 is de herinrichting van de financiële functie afgerond. Doel was om een versterking door te voeren voor de mensen die werkzaam zijn binnen het domein van financiën en control. Het ging hier zowel om een reorganisatie van de directie Financieel-Economische Zaken (FEZ) als een kwantitatieve als kwalitatieve versterking van de financiële medewerkers binnen de overige directies van VWS. Voor de zomer 2025 is de ADR gevraagd om een eerste evaluatie uit te voeren naar de belangrijkste aspecten van deze versterking: 1) de introductie van de functie van DG Controller, 2) het beter in positie brengen van de verschillende rollen bij de directies, onder andere door het aanvullen van de financiële administratieve capaciteit en 3) de uitbreiding van capaciteit en de verandering van rollen bij de directie FEZ. De uitkomsten van dit onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht en aan de Kamer gestuurd. De uitkomsten van het onderzoek zullen worden gebruikt om de financiële functie nog verder te versterken.

Bevorderen sociaal veilige en inclusieve werkomgeving

De in 2024 ingezette verbeteracties om een sociaal veilige werkomgeving binnen VWS te bevorderen zijn in 2025 voortgezet. Binnen het gehele VWS-concern zijn acties uitgevoerd gericht op het verbeteren van de leercultuur, de feedbackvaardigheden, de verbondenheid, het werkplezier en de aanpak van werkdruk. Voorbeelden van interventies zijn de inzet van maatwerktrainingen gericht op inclusie en sociale veiligheid. Ook werden facilitators ingezet om de medewerkersonderzoek (MO)-resultaten te bespreken in de organisatie. Er vonden sessies over sociale veiligheid plaats voor leidinggevenden en medewerkers. Vanuit het cultuurprogramma «Goed Verbonden» vonden lezingen, workshops en dialoogsessies plaats. Het brede MO van oktober 2025 toont een lichte verbetering van de sociale veiligheid op concernniveau.

Daarnaast is in 2025 het instrument risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) uitgevoerd waarmee risico’s in kaart zijn gebracht die kunnen leiden tot belasting op de mentale en sociale gezondheid van medewerkers. Daarbij is in het bijzonder gekeken naar intern ongewenst gedrag. Waar nodig zijn maatregelen geformuleerd en uitgevoerd. Er is een keuzehulp voor medewerkers ontwikkeld, een gedragscode sociale veiligheid in ontwikkeling, een tweede personeelsraadgever aangewezen en de voorbereidingen voor de oprichting van een Bureau Integriteit zijn gestart.

VWS zet in op rijksbrede doelstellingen voor gender- en culturele diversiteit. Voor functies vanaf schaal 15 geldt een streefcijfer van 45-55% vrouwen, voor VWS is dit op 31 december 2025: 54,3% (2024: 50,4%). Hiermee voldoet VWS aan de doelstelling. Voor culturele diversiteit is het streefgetal voor 2026: 16% van de medewerkers met een herkomst buiten Europa in de schalen 11-14 en 12% in de schalen 15+. Monitoring vindt structureel plaats via de CBS Barometer Culturele Diversiteit.

Voor de wetgeving rond de Banenafspraak zet VWS in op de realisatie van het quotum voor VWS. Dit was voor VWS 2,68% in 2025. Ontwikkelingen binnen VWS gedurende het jaar zijn te volgen via de VWS brede Monitor Banenafspraak. De realisatiecijfers over 2025 worden in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025 opgenomen.

In 2025 zijn de rijksbrede maatregelen ‘Breed werven & objectief selecteren’ geïmplementeerd binnen het VWS-kerndepartement. Het doel van deze maatregelen is om bij te dragen aan een eerlijk en inclusief werving- en selectieproces.

Informatiehuishouding

Jaarlijks voert het ministerie van Binnenlandse Zaken een rijksbrede volwassenheidsmeting uit naar de staat van de informatiehuishouding. Hieruit blijkt dat VWS in 2025 gestegen is op de volwassenheidsladder naar 2,38 (op een schaal van 4). Het rijksbrede streven is om op niveau 3 uit te komen. De toename laat zien dat het informatiebewustzijn groeit. Tegelijkertijd laat de geringe groei (0,1 ten opzichte van 2024) zien dat aandacht voor informatiehuishouding en openbaarmaking noodzakelijk blijft. Bij het streven naar verdere verbetering zijn de budgettaire kaders en externe factoren, zoals personeelskrapte en vertraging bij de oplevering en implementatie, randvoorwaarden.

Met het in 2025 vastgestelde Informatiebeheerplan heeft VWS meer grip gekregen op de vindplaats van de bedrijfsprocessen(informatie). Weten waar informatie te vinden is kan bijdragen aan een efficiëntere uitvoering van onderdelen van het Wet open overheid (Woo)-proces.

Informatiehuishouding is een standaard aandachtspunt geworden in het proces van organisatieveranderingen. Op deze wijze kan tijdige advisering en ondersteuning plaatsvinden met het oog op een goede omgang met informatie voorafgaand, gedurende en na een verandertraject.

Binnen VWS is er specifieke aandacht voor de ontwikkeling en implementatie van kaders, protocollen en afspraken als het gaat om de informatiehuishouding tijdens incidenten en in crisissituaties. In dat kader is het «Draaiboek Archivering» begin 2025 opgenomen in het 'Departementaal Handboek Crisisbeheersing'. Dit draaiboek concretiseert functies, rollen en verantwoordelijkheden van de crisisorganisatie voor archivering en bevat werkinstructies voor het uitvoeren van archiveringstaken.

C. JAARREKENING

8. Departementale verantwoordingsstaat

Tabel 45 Departementale verantwoordingsstaat 2025 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

  

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

 

Totaal

35.529.046

36.498.950

296.247

40.443.825

34.830.356

1.309.173

4.914.779

‒ 1.668.594

1.012.926

           
 

Beleidsartikelen

         

1

Volksgezondheid

1.605.662

2.271.801

102.059

2.357.426

2.335.822

246.677

751.764

64.021

144.618

2

Curatieve zorg

5.099.190

4.288.749

78.701

1.951.260

867.541

102.099

‒ 3.147.930

‒ 3.421.208

23.398

3

Langdurige zorg en ondersteuning

18.961.576

19.852.599

8.376

816.986

881.800

86.429

‒ 18.144.590

‒ 18.970.799

78.053

4

Zorgbreed beleid

1.371.010

1.539.901

31.574

1.462.031

1.311.179

74.998

91.021

‒ 228.722

43.424

5

Jeugd

203.753

203.753

2.400

234.354

175.090

6.730

30.601

‒ 28.663

4.330

6

Sport en bewegen

387.167

429.207

60.627

464.920

452.969

143.680

77.753

23.762

83.053

7

Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog

198.913

199.279

3.339

29.949

205.873

2.220

‒ 168.964

6.594

‒ 1.119

8

Tegemoetkomingen en Rijksbijdragen

7.057.449

7.057.449

0

32.455.600

27.926.800

612.576

25.398.151

20.869.351

612.576

           
 

Niet-beleidsartikelen

         

9

Algemeen

52.294

60.662

0

31.763

42.021

22.531

‒ 20.531

‒ 18.641

22.531

10

Apparaatsuitgaven

607.078

610.596

9.171

639.536

631.261

11.233

32.458

20.665

2.062

11

Nog onverdeeld

‒ 15.046

‒ 15.046

0

0

0

0

15.046

15.046

0

9. Samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen

Tabel 46 samenvattende verantwoordingsstaat 2025 inzake baten-lastenagentschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1) Vastgestelde begroting

(2) Realisatie

(3)=(2)-(1) Verschil realisatie en vastgestelde begroting

(4) Realisatie 2024

Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

     

Totale baten

  86.826

              83.765

            ‒ 3.061

    79.250

Totale lasten

        86.826

  84.284

   ‒ 2.542

              77.489

Saldo van baten en lasten

                               -  

     ‒ 519

               ‒ 519

        1.761

     

Totale kapitaaluitgaven

                         650

                                      1.314

                         664

                                  55

Totale kapitaalontvangsten

          -  

                         -  

                    -  

              -  

     

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

     

Totale baten

            120.885

                 131.199

               10.314

    124.306

Totale lasten

            120.885

          133.641

            12.756

            122.040

Saldo van baten en lasten

                                 -  

              ‒ 2.442

             ‒ 2.442

          2.266

     

Totale kapitaaluitgaven

                    5.031

           13.093

               8.062

14.701

Totale kapitaalontvangsten

                        5.031

                 1.925

       ‒ 3.106

8.396

     

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

     

Totale baten

                   852.100

     800.570

             -51.530

      703.893

Totale lasten

              852.100

         798.955

    -53.145

     693.194

Saldo van baten en lasten

                           -  

              1.616

          1.616

        10.699

     

Totale kapitaaluitgaven

                15.000

             21.217

             6.217

           11.631

Totale kapitaalontvangsten

                     -  

                            -  

                    -  

                         -  

10. Jaarverantwoording agentschap per 31 december 2025

10.1 Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (aCBG)

Voor de agentschapsverantwoording over boekjaar 2025 is gebruikgemaakt van het geldende model uit de Rijksbegrotingsvoorschriften 2025.

Tabel 47 Verantwoording van het agentschap aCBG over 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie -/- begroting

Realisatie 2024

Baten

    

- Omzet

85.926

83.055

‒ 2.871

78.308

waarvan omzet moederdepartement

14.793

10.875

‒ 3.918

12.736

waarvan omzet overige departementen

885

816

‒ 69

1.083

waarvan omzet derden

70.248

71.364

1.116

64.489

Rentebaten

900

710

‒ 190

924

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

18

Totaal baten

86.826

83.765

‒ 3.061

79.250

     

Lasten

    

Apparaatskosten

78.971

76.627

‒ 2.344

71.948

- Personele kosten

67.648

65.642

‒ 2.006

62.612

waarvan eigen personeel

56.885

57.890

1.005

54.000

waarvan inhuur externen

7.980

5.591

‒ 2.389

6.406

waarvan overige personele kosten

2.783

2.161

‒ 622

2.206

- Materiële kosten

11.323

10.985

‒ 338

9.336

waarvan apparaat ICT

5.458

6.043

585

5.418

waarvan bijdrage aan SSO's

0

0

0

0

waarvan overige materiële kosten

5.865

4.942

‒ 923

3.918

Kst uitbesteed werk en andere ext. kst

6.438

6.226

‒ 212

4.349

ZBO College

763

711

‒ 52

688

Rentelasten

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

654

624

‒ 30

408

- Materieel

654

624

‒ 30

408

waarvan apparaat ICT

650

620

‒ 30

402

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

4

4

0

6

- Immaterieel

0

0

0

0

Overige lasten

0

96

96

96

waarvan dotaties voorzieningen

0

96

96

96

waarvan bijzondere lasten

0

0

0

0

Totaal lasten

86.826

84.284

‒ 2.542

77.489

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

0

‒ 519

‒ 519

1.761

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten

0

‒ 519

‒ 519

1.761

Om aan te sluiten bij de nieuwe kostenrubricering in de Rijksbegrotingsvoorschriften 2025 waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen overige materiële apparaatskosten en de kosten van uitbesteed werk en overige programmakosten, zijn de vergelijkende cijfers – begroting 2025 en realisatie 2024 – hierop aangepast.

Toelichting op de staat van baten en lasten

Opmerking vooraf

Het aCBG is een tarief gefinancierde organisatie. Voor zijn omzet is het sterk afhankelijk van aanvragen (procedures) vanuit de farmaceutische industrie. Bij het indienen van de begroting in het voorjaar is er beperkt zicht op het werkaanbod voor het volgende jaar. Op basis van voortschrijdend inzicht is in het najaar van 2024 de financiële paragraaf bij het jaarplan opgesteld. Dit jaarplan is in december door de pSG goedgekeurd. Gedurende het jaar is de in- en uitstroom van procedures gemonitord in relatie tot de beschikbare capaciteit. Waar mogelijk zijn er maatregelen genomen om de werkvoorraad beheersbaar te houden en procedures binnen de daarvoor geldende termijnen af te ronden.

Resultaat

Het aCBG heeft over 2025 een negatief resultaat behaald van € 0,5 miljoen. Dit wordt verklaard door € 3,1 miljoen lagere baten en € 2,6 miljoen lagere kosten dan begroot. Het voorstel is om het negatieve saldo van € 0,5 miljoen ten laste te brengen van het eigen vermogen.

In 2026 zal op vaste momenten gemonitord worden hoe kosten en opbrengsten zich ontwikkelen. Indien nodig worden er maatregelen genomen om een negatief resultaat te voorkomen.

Tabel 48 Voorgestelde resultaatbestemming (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie-/- begroting

Realisatie 2024

Toevoeging/ onttrekking:

    

- Pok/ Wau

0

0

0

0

- Exploitatiereserve

0

‒ 519

‒ 519

1.761

Saldo van baten en lasten

0

‒ 519

‒ 519

1.761

Baten

De € 3,0 miljoen lagere baten ten opzichte van de begroting zijn te verklaren door € 3,9 miljoen lagere bijdrage van het moederdepartement, daar staat € 1,1 miljoen hogere omzet derden tegenover waarvan € 0,5 miljoen uit procedures en € 0,4 miljoen uit jaarvergoedingen en € 0,2 miljoen hogere EU subsidie. Tot slot zijn de rentebaten € 0,2 miljoen lager dan begroot.

De lagere bijdrage moederdepartement van € 3,9 miljoen betreft lagere subsidieopbrengsten voor het programma Werk aan Uitvoering. De begroting 2025 – opgesteld in het voorjaar van 2024 – was gebaseerd op een bijgestelde planning en begroting voor het deelproject Vervanging kernsysteem. De doorlooptijd van de aanbesteding in de tweede helft van 2024 heeft meer tijd gevraagd dan verwacht waardoor de ‘bouwwerkzaamheden’ pas in 2025 zijn gestart. Een deel van de activiteiten en budget schuiven door naar 2026 en verdere jaren. Daarnaast is de integrale WAU programmabegroting herzien op basis van het begin 2025 afgesloten contract met de leverancier van het nieuwe kernsysteem en dit heeft geleid tot lagere kosten en daarmee opbrengsten.

De hogere omzet uit procedures en jaarvergoedingen van € 0,9 miljoen komt voor € 0,4 miljoen voor rekening van hogere omzet uit jaarvergoedingen. De omzet uit procedures valt € 0,5 miljoen hoger uit dan begroot en wordt per saldo verklaard uit enerzijds lagere opbrengsten dan begroot voor nationale procedures (€ 0,1 miljoen) en voor centrale procedures (€ 0,6 miljoen). Het effect van de invoering van de nieuwe Europese tariefregeling per 1 januari 2025 op de instroom en de omzet is anders geweest dan waar ten tijde van het opstellen van de begroting vanuit werd gegaan. Voor de andere productgroepen is de omzet hoger uitgekomen dan begroot: wederzijdse erkenningsprocedures / MRP (€ 0,2 miljoen), decentrale procedures (€ 0,3 miljoen) en diergeneesmiddelen (€ 0,6 miljoen). Ten opzichte van 2024 zijn de opbrengsten uit de procedures gelijk gebleven en zijn de jaarvergoedingen gestegen met € 6,7 miljoen.

Lasten

De kosten eigen personeel zijn € 1,0 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Door verambtelijking van diverse functies en door uitbreiding van de mogelijkheid om IKB-uren te sparen met ingang van 2023 zijn de kosten door de toename van het gespaarde IKB verlof gestegen. De overige personele kosten zijn daarentegen € 0,6 miljoen lager dan begroot, dit zijn voornamelijk lagere scholingskosten € 0,6 miljoen.

De kosten van externe inhuur zijn € 2,4 miljoen lager dan begroot. Voor een deel van de moeilijk in te vullen vacatures is het in de loop van 2024 en 2025 gelukt om ambtelijk medewerkers te werven wat tot een kostendaling heeft geleid. Daarnaast heeft de latere start van projectwerkzaamheden zoals die voor het project Vervanging kernsysteem geleid tot lagere kosten. Voor deze tijdelijke en specialistische werkzaamheden (bijvoorbeeld op ICT gebied) blijft de inzet van externen voor de duur van de diverse programma’s en projecten ook in de toekomst noodzakelijk.

De overige materiële apparaatskosten zijn € 0,9 miljoen lager dan begroot. De verklaring hiervoor is tweeledig. Enerzijds is er prioriteit gegeven aan het project Vervanging kernsysteem dat is gestart in maart 2025). Daarnaast is de voorgenomen verambtelijking succesvol geweest, maar dit heeft impact gehad op inzetbaarheid van de (nieuwe) medewerkers. Als gevolg daarvan zijn intern geplande ICT trajecten, zoals de implementatie van bedrijfsvoering applicaties, doorgeschoven naar 2026. De latere start van het project Vervanging kernsysteem heeft ook geleid tot lagere kosten (€ 0,2 miljoen) voor uitbesteed werk.

Balans

Tabel 49 Balans van het baten-lastenagentschap aCBG per 31 december 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Balans 2025

Balans 2024

Activa

  

Vaste activa

1.300

632

Immateriële vaste activa

Materiële vaste activa

1.300

632

waarvan grond en gebouwen

waarvan machines en installaties

waarvan andere vaste bedrijfsmiddelen

1.300

632

waarvan vaste bedrijfsmiddelen in uitvoering en vooruitbetaald op materiële vaste activa

waarvan niet aan de bedrijfsuitvoering dienstbaar

Vlottende activa

35.234

33.311

Voorraden

waarvan grond- en hulpstoffen

waarvan onderhanden werk

waarvan gereed product en handelsgoederen

waarvan vooruitbetaald op voorraaden

Vorderingen

6.606

8.769

waarvan debiteuren

4.368

6.347

waarvan overige vorderingen

1.371

1.512

waarvan overlopende activa

867

910

Liquide middelen

28.628

24.542

Totaal activa:

36.534

33.943

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

1.703

2.222

Bestemmingsfonds(en)

  

Pok / Wau reserve

  

Exploitatiereserve

2.222

461

Onverdeeld resultaat

‒ 519

1.761

Voorzieningen

Langlopende schulden

Leningen bij het Ministerie van Financiën

Kortlopende schulden

34.830

31.721

Crediteuren

1.022

1.377

Belastingen en premies sociale lasten

  

Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën

  

Overige schulden

14.069

10.146

Overlopende passiva

19.740

20.198

Totaal passiva

36.534

33.943

Toelichting op de balans

Materiële vaste activa

In 2025 zijn laptops, mobiele telefoons en voor de nieuwe vergaderruimtes zijn audiovisuele middelen aangeschaft.

Debiteuren

Er is actief gestuurd op de post (oudere) openstaande debiteuren wat ertoe heeft geleid dat het debiteurensaldo is gedaald.

Eigen vermogen

Het eigen vermogen bedraagt maximaal 5% van de gemiddelde omzet van de afgelopen drie jaar. Voor 2025 komt dit neer op een bedrag van maximaal € 3,8 miljoen. Door het negatieve saldo van de exploitatie, € 0,5 miljoen, is het eigen vermogen in 2025 gedaald naar € 1,7 miljoen.

Kortlopende schulden

De post overlopende passiva betreft een bedrag van € 17,0 miljoen voor vooruit gefactureerde beoordelingswerkzaamheden. Dit betreft het onderhanden werk van het aCBG. Het agentschap ontvangt de verschuldigde vergoeding voor een groot deel van de aanvragen voordat de werkzaamheden worden verricht. Het onderhanden werk is in 2025 met € 2,3 miljoen toegenomen. Het saldo vooruit ontvangen subsidies bedraagt € 2,7 miljoen en is afgenomen met € 2,7 miljoen.

De overige schulden zijn met € 3,9 miljoen toegenomen. Er is € 2,3 miljoen toegevoegd aan het saldo verlofuren. Daarnaast is het saldo nog te ontvangen facturen met € 1,2 miljoen toegenomen. Ook staat hier een bedrag van € 0,4 miljoen nog af te dragen aan IGJ voor inspecties.

Omdat jubileumuitkeringen niet materieel zijn en de jaarlijkse lasten in lijn liggen met elkaar is hiervoor (net als voorgaande jaren) geen reservering in de jaarrekening opgenomen. 

Onderlinge vorderingen/schulden ministeries en agentschappen

Op 31 december 2025 hebben de volgende vorderingen/schulden betrekking op ministeries en agentschappen:

  • Vorderingen: nog te ontvangen VWS € 0,71 miljoen, LVVN € 0,13 miljoen en ABD € 0,01 miljoen.

  • Schulden: nog te betalen IGJ € 0,41 miljoen, RIVM € 0,06 miljoen, VWS € 0,05 miljoen en BZK € 0,03 miljoen.

Kasstroomoverzicht over het jaar 2025

Tabel 50 Kasstroomoverzicht van het baten-lastenagentschap aCBG over 2025 (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie-/- begroting

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

19.112

24.542

5.430

 

totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

85.927

90.917

4.990

 

totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 85.277

‒ 85.517

‒ 240

2.

Totaal operationele kasstroom

650

5.400

4.750

 

totaal investeringen (-/-)

‒ 650

‒ 1.314

‒ 664

 

totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 650

‒ 1.314

‒ 664

 

eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

 

eenmalige storting door moederdepartement (+)

0

0

0

 

aflossingen op leningen (-/-)

0

0

0

 

beroep op leenfaciliteit (+)

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

0

0

0

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

19.112

28.628

9.516

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Bij het opstellen van de begroting wordt standaard uitgegaan van stabiele uitgaven en ontvangsten. Het beginsaldo rekening courant per 1 januari 2025 is gebaseerd op het beginsaldo 2024. Het werkelijke beginsaldo 2025 was ruim € 5 miljoen hoger. Deze stijging is toegelicht in de jaarrekening 2024.

Het liquiditeitssaldo van het aCBG is in 2025 met € 4,1 miljoen gestegen. Dit wordt verklaard doordat het debiteurensaldo is gedaald met € 1,8 miljoen en het bedrag aan vooruit gefactureerde beoordelingswerkzaamheden eind 2025 € 2,2 miljoen hoger was dan eind 2024.

Er is voor € 1,3 miljoen geïnvesteerd in vaste activa (bestaande uit laptops, mobiele telefoons en audiovisuele middelen voor de nieuwe vergaderruimtes). De afschrijving is € 0,6 miljoen. Daarnaast is het bedrag aan vooruit ontvangen subsidies VWS is met € 2,7 miljoen gedaald.

Het saldo overige schulden zijn gestegen met € 3,6 miljoen en de overige vorderingen zijn gedaald met € 0,2 miljoen.

Een bedrag van € 2,3 miljoen is toegevoegd aan het saldo voor verlofuren. Deze boeking betreft wel kosten maar is geen operationele kasstroom.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2025

Tabel 51 Overzicht doelmatigheidsindicatoren van het baten-lastenagentschap aCBG per 31 december 2025
   

Vastgestelde begroting

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

Omschrijving Generiek Deel

      

1. Tarieven/uur

103

117

111

121

126

122

2. Omzet per productgroep (PxQ)

      

- Beoordelen van nationale aanvragen: Humaan

2.503

2.630

2.917

2.625

2.791

2.872

- Beoordelen van Europese aanvragen: centraal Humaan en Veterinair

11.999

13.060

12.014

14.765

14.093

14.671

- Beoordelen van Europese aanvragen: MRP Humaan

875

784

618

988

1.060

834

- Beoordelen van Europese aanvragen: DCP Humaan

8.958

8.606

9.565

12.357

12.195

11.889

- Beoordelen van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

18

35

27

10

3

3

- Beoordelen veterinaire aanvragen door Bureau Diergeneesmiddelen

2.517

2.339

2.985

3.095

3.727

3.100

- Jaarvergoedingen Humaan en Veterinair

25.565

26.350

28.275

30.287

36.967

36.534

- Overig

6.062

9.265

10.476

15.123

12.928

16.924

totaal baten

58.496

63.068

66.876

79.250

83.765

86.826

3. FTE-totaal (excl. externe inhuur)

395

424

476

480

499

485

4. Saldo van baten en lasten (%)

1,98%

0,21%

‒ 3,68%

2,22%

‒ 0,62%

0%

Kwaliteitsindicatoren

      

Gegronde klachten

9

8

2

9

6

15

% externe inhuur ten opzichte van totale personele kosten

12,2%

13,3%

11,9%

10,2%

8,5%

11,8%

% facturen betaald binnen 30 dagen

98,1%

98,3%

98,6%

98,2%

98,0%

> 95%

Toelichting doelmatigheidsindicatoren

Tarieven per uur

Het gemiddelde uurtarief wordt bijgehouden om de kostenefficiency aan te tonen. Deze indicator is een gemiddelde van alle functies van het primaire proces.

Omzet per productgroep

De omzet per productgroep geeft inzicht in de samenstelling van de omzet van het aCBG. De totale omzet is in 2025 toegenomen ten opzichte van 2024. Zowel de nationale tariefstijging van 8,8% als de invoering van de nieuwe Europese tariefregeling per 1 januari 2025 zijn zichtbaar in de cijfers. De omzet van nationale aanvragen is licht gestegen. In 2025 heeft de stijgende lijn van 2024 in de hoeveelheid aanvragen van de wederzijdse erkenningsprocedures (MRP / Repeat Use Procedure) zich doorgezet als gevolg van de deadline voor de verplichte Milieu- en effectbeoordeling. Daar staat tegenover dat de omzet Europese procedures ten opzichte van 2024 is afgenomen. In de nieuwe Europese tariefregeling zijn de vergoedingen voor kortlopende procedures verlaagd en die van langlopende procedures verhoogd. Het gevolg hiervan is dat de factuurwaarde van de instroom ten opzichte van 2024 weliswaar is toegenomen met bijna € 1,2 miljoen, maar dit is niet zichtbaar in het resultaat van 2025 omdat de in dit jaar gestarte en gefactureerde langlopende procedures nog niet zijn afgerond. De instroom en omzet van decentrale procedures zijn in 2025 achtergebleven bij de begroting. Het aanbod van dit type procedures blijft onverminderd hoog, tegelijkertijd worden ze complexer en vraagt de beoordeling meer capaciteit. In 2025 is geïnvesteerd in uitbreiding van de personele capaciteit, maar hiervoor was het wel noodzakelijk om de instroom (tijdelijk) te beperken.

Voor de omzet veterinaire procedures (Bureau Diergeneesmiddelen) geldt dat de hoge instroom eind 2024 zich vertaalt in stijging van de omzet in 2025.

De stijging van de omzet uit jaarvergoedingen houdt voor wat betreft de nationale vergoedingen gelijke tred met de jaarlijkse tariefstijging. Voor de centrale vergoedingen (Europese procedures via het EMA) is de sterke stijging het rechtstreekse gevolg van de aangepaste tariefstructuur.

De overige omzet heeft betrekking op bijdragen van het moederdepartement, andere ministeries en Europese subsidies. De VWS-bijdrage voor het totale programma Werk aan Uitvoering (WaU) is € 4,1 miljoen lager dan begroot. De gewijzigde fasering in de uitvoering en het besluit om niet alle interne kosten voor het deelproject Vervanging kernsysteem ten laste te brengen van de subsidie zijn hiervoor de verklaring .

Totaal aantal fte

Dit kengetal betreft het totaal aantal fulltime-equivalenten (fte) dat werkzaam was bij het aCBG per 31 december 2025, exclusief externe inhuur en stagiair(e)s. Het personeelsbestand is in 2025 gestegen met 19 fte ten opzichte van ultimo 2024. Het is in 2025 gelukt om een aantal moeilijk op te vullen vacatures binnen het bedrijfsvoering domein in te vullen.

Saldo van baten en lasten (% van de baten)

De ontwikkeling van het procentuele saldo is een weergave van de realisatie, zoals de afgelopen jaren in de jaarrekening gepresenteerd.

Aantal gegronde klachten

Het aantal gegronde klachten wordt bijgehouden om inzicht te krijgen in de geleverde kwaliteit van de productie. In 2025 zijn 6 klachten gegrond verklaard; dit is een daling ten opzichte van 2024 en blijft ruim binnen de norm van 15.

Percentage externe inhuur

In 2025 is de lijn doorgezet die in 2024 ingezet is; wervingsactiviteiten voor diverse vacatures die eerdere jaren door krapte op de arbeidsmarkt werden ingevuld door externe medewerkers zijn opnieuw succesvol gebleken met als resultaat een stijging van het aantal ambtelijk medewerkers en een daling van het aantal externe medewerkers. Het percentage externe inhuur is hierdoor met 1,7% gedaald ten opzichte van 2024 en is binnen het plafondbedrag van de begroting gebleven. Daarnaast heeft ook de gewijzigde planning van de extern gefinancierde projecten een dempend effect gehad.

Percentage tijdige betaalde facturen

Het percentage facturen dat binnen 30 dagen betaald wordt is al jaren stabiel en met 98,0% ruim boven de norm van 95%.

10.2 Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG)

Staat van baten en lasten

Tabel 52 Verantwoording van het agentschap CIBG over 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

Realisatie 2024 (4)

Baten

    

- Omzet

88.762

98.817

10.055

86.568

waarvan omzet moederdepartement

43.045

46.921

3.876

40.943

waarvan omzet overige departementen

3.036

2.966

‒ 70

2.978

waarvan omzet derden

42.681

48.930

6.249

42.647

Rentebaten

350

651

301

1.017

Vrijval voorzieningen

Bijzondere baten

31.773

31.731

‒ 42

36.721

Totaal baten

120.885

131.199

10.314

124.306

     

Lasten

    

Apparaatskosten

117.200

110.510

‒ 6.690

118.710

- Personele kosten

53.391

58.192

4.801

51.609

waarvan eigen personeel

37.706

40.186

2.480

34.277

waarvan inhuur externen

13.642

14.354

712

14.883

waarvan overige personele kosten

2.043

3.652

1.609

2.449

- Materiële kosten

63.809

52.318

‒ 11.491

67.101

waarvan apparaat ICT

11.504

12.547

1.043

12.065

waarvan bijdrage aan SSO's

8.394

8.647

253

8.130

waarvan overige materiële kosten

43.911

31.124

‒ 12.787

35.374

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

 

16.016

16.016

11.532

Rentelasten

1

‒ 1

Afschrijvingskosten

3.684

3.501

‒ 183

3.330

- Materieel

waarvan apparaat ICT

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

- Immaterieel

3.684

3.501

‒ 183

3.330

Overige lasten

3.614

3.614

waarvan dotaties voorzieningen

waarvan bijzondere lasten

3.614

3.614

Totaal lasten

120.885

133.641

12.756

122.040

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

‒ 2.442

‒ 2.442

2.266

Agentschapsdeel Vpb-lasten

Saldo van baten en lasten

‒ 2.442

‒ 2.442

2.266

Toelichting bij de staat van baten en lasten

Algemeen

De totale baten over 2025 bedragen € 131,2 miljoen, waarvan ca. € 8 miljoen betrekking heeft op het programma Digitale Identificatie en Authenticatie in de Zorg (DIAZ) van DI-CIO en € 25 miljoen betrekking op Bureau medicinale cannabis (hierna BMC). De totale lasten bedragen ca. € 133,6 miljoen. Het resultaat voor 2025 is negatief en bedraagt € 2,4 miljoen. Het negatief resultaat ontstaat door de toename van de lasten bij de personele kosten. Dit is grotendeels te wijten aan meer wervingstrajecten, verambtelijken van externe inhuur en openstaande verlofuren. Daarnaast is sprake van bijzondere lasten uit 2024 voor het Programma DIAZ.

Baten moederdepartement

De gerealiseerde baten van het moederdepartement ca. € 46,9 miljoen (2024: € 40,9 miljoen) is € 6 miljoen hoger dan in het verantwoordingsjaar 2024 en € 3,8 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting € 43 miljoen. Bij DI-CIO is sprake van hogere baten van ca. € 8,4 miljoen voor de kosten van het programma DIAZ. Bij GMT is sprake van lagere baten van € 3,6 miljoen doordat frictiekosten voor LCH volledig in de begroting zijn meegenomen terwijl de daadwerkelijke realisatie gespreid worden over meerdere jaren. Bij de start van de begroting wordt een verdeling van projectbijdragen naar rato gedaan omdat op het moment van het opstellen van de begroting niet in te schatten is welke projecten wanneer starten en hoe de realisatie uitpakt.

Tabel 53 Omzet moederdepartement (bedragen x €1.000)

Producten

Begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil

Realisatie 2024

Patiënt en Zorgordening (PZo)

         7.493

          7.089

           ‒ 404

          5.314

Informatiebeleid CIO (DI-CIO)

         6.486

         14.838

          8.352

          8.164

Publieke Gezondheid (PG)

         3.253

          3.214

             ‒ 39

          2.936

Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeug (IGJ)

         3.258

          2.834

           ‒ 424

          2.594

Macro-economische vraagstukken en arbeidsmarkt (MEVA)

         2.954

          2.581

           ‒ 373

          2.053

Directie Jeugd (DJ)

         2.734

          2.176

           ‒ 558

          1.904

Geneesmiddelen en Medische Technologie (GMT)

       15.317

         11.686

         ‒ 3.631

         16.642

Directie Maatschappelijke Ondersteuning (DMO)

           947

             960

              13

             648

Langdurige Zorg (LZ)

           603

             512

             ‒ 91

             476

Voeding, Gezondheidsbescherming en Preventie (VGP)

             -  

              -  

              -  

              -  

Stichting ICTU

             -  

             545

             545

              -  

Wet Open Overheid

             -  

             486

             486

             212

Totaal

        43.045

         46.921

            3.876

         40.943

Baten overige departementen

De gerealiseerde baten ca. € 3,0 miljoen (2024: ca. € 3,0 miljoen) van overige departementen is in lijn met de begroting.

Tabel 54 Omzet overige departementen (bedragen x € 1.000)

Producten

Begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil

Realisatie 2024

Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)

         3.036

          2.966

             ‒ 70

          2.275

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)

             -  

 

              -  

             703

Totaal DJ

          3.036

            2.966

                ‒ 70

            2.978

Baten derden

Onder de baten derden worden inkomsten verantwoord die verkregen zijn vanuit het maatschappelijk verkeer. De gerealiseerde baten van derden over 2025 zijn met ca. € 49 miljoen (2024: € 42,6 miljoen) hoger dan de begroting van € 42,7 miljoen. De belangrijkste verklaringen hiervoor zijn de grotere vraag naar medicinale cannabis (BMC), hogere afname van de UZI passen en meer MH-Notificaties.

Tabel 55 Omzet derden (bedragen x € 1.000)

Producten

Begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil

Realisatie 2024

20001 - Bureau Medicinale Cannabis

       18.863

         25.039

          6.176

         21.222

20027 - UZI

       12.390

         13.370

             980

          9.508

20024 - BIG-register

         5.461

          5.052

           ‒ 409

          7.005

20076 - Landelijke commissie Sociale Hygiene

         1.945

          1.039

           ‒ 906

             774

20020 - WTZA

           834

             995

             161

             468

20006 - Fabrikantenvergunning

           762

             786

              24

             747

20016 - Opiaten-In-Uitvoer

           750

             755

                5

             865

20008 - Groothandelsvergunning

           711

             681

             ‒ 30

             663

20028 - Erkenning Buitenlandse Diploma's

           379

             318

             ‒ 61

             447

20049 - MH-Exportverklaring

           242

             295

              53

             284

20007 - Opiumontheffing

           176

             228

              52

             191

20017 - Exportverkl Geregistr Geneesm

             90

              89

               ‒ 1

              98

20013 - MH-Notificaties

             80

             283

             203

             375

Totaal

        42.683

         48.930

            6.247

         42.647

Bijzondere baten

Bijzondere baten betreffen bijdragen van het moederdepartement ter ondersteuning van baten derden (saldofinanciering), waarbij sprake is van niet kostendekkende en gemaximeerde tarieven. De realisatie over 2025 bedraagt € 31,7 miljoen (2024: € 36,7 miljoen) en is bijna gelijk aan de begroting.

Tabel 56 Omzet bijzondere baten (bedragen x € 1.000)

Producten

Begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil

Realisatie 2024

MEVA

       15.257

         13.916

         ‒ 1.341

         11.736

DI-CIO

         7.270

          8.844

          1.574

          6.443

GMT

         3.930

          3.163

           ‒ 767

         10.702

PZO

         3.996

          3.809

           ‒ 187

          4.145

VGP

         1.321

          1.999

             678

          2.251

Vrijval transitoria

   

          1.444

Totaal

        31.774

         31.731

                ‒ 43

         36.721

Specificatie baten 

De nieuwe regeling agentschappen classificeert de omzet in de toekomst naar de aard (input versus outputfinanciering). Het CIBG heeft voor het jaarverslag voor de specificatie baten het model 1.35 van het RBV ingevuld. De inputfinanciering vanuit de VWS en andere departementen voor 2025 bedraagt € 80,7 miljoen en outputfinanciering bedraagt ca. € 48,9 miljoen.

Tabel 57 Baten als tegenpresatie voor de levering van producten en/of diensten

Categorie

Opdrachtgever

Moeder-departement

Overige departementen

Partijen anders

Totaal

BMC

GMT

                334

                 -  

            25.049

            25.383

Ontheffingen en vergunningen

GMT

             1.116

                 -  

             2.213

             3.329

VGP

                159

                 -  

                227

                386

Overig

GMT

             1.733

                 -  

                667

             2.400

Registers

DI-CIO

             8.816

                 -  

            13.370

            22.186

MEVA

             7.670

                 -  

             5.052

            12.722

VGP

             1.841

                 -  

             1.039

             2.880

Toezicht

MEVA

             6.282

                 -  

                318

             6.600

PZo

             3.780

                 -  

                995

             4.775

Eindtotaal

 

             31.731

                      -  

             48.930

             80.661

Tabel 58 Baten als tegenprestatie voor levering van input

Categorie

Opdrachtgever

Moeder-departement

Overige departementen

Partijen anders

Totaal

Registers

DJ

             1.213

                 -  

                 -  

             1.213

DMO

                960

                 -  

                 -  

                960

GMT

             4.652

                 -  

                 -  

             4.652

IGJ

             1.207

                 -  

                 -  

             1.207

LZ

                512

                 -  

                 -  

                512

PG

             3.214

                 -  

 

             3.214

PZo

             2.795

                 -  

                 -  

             2.795

LVVN

                 -  

             2.966

                 -  

             2.966

Toezicht

DJ

                963

                 -  

                 -  

                963

GMT

                481

                 -  

                 -  

                481

IGJ

             1.549

                 -  

                 -  

             1.549

MEVA

             2.453

                 -  

                 -  

             2.453

PZo

             4.400

                 -  

                 -  

             4.400

Uitwisseling gegevens

DI-CIO

            15.412

                 -  

                 -  

            15.412

Prijsvorming

GMT

             5.345

                 -  

                 -  

             5.345

Ontheffingen en vergunningen

GMT

                531

                 -  

                 -  

                531

MEVA

                  92

                 -  

                 -  

                  92

Overig

DI-CIO

                486

  

                486

GMT

                656

                 -  

                 -  

                656

Totaal

 

             46.921

                2.966

                      -  

             49.887

Rentebaten

De rentebaten in 2025 ca. € 0,7 miljoen (2024: € 1,0 miljoen) zijn hoger dan begroting van € 0,4 miljoen. Dit is een gevolg van een hogere rente die ontvangen is op onze uitstaande gelden.

Personele lasten

De personele lasten € 58,2 miljoen zijn hoger dan begroot € 53,4 miljoen.

Ten opzichte van vorig jaar is sprake van een toename van de lasten van eigen personeel vanwege een hogere bezetting 447 FTE (2024: 377 FTE) als gevolg van verambtelijken en de effecten van de loonsverhoging vanwege de CAO Rijk uit voorgaande twee jaren. Daarnaast zijn de bovenformatieve functies verminderd door de inzet van outplacement en intensieve begeleiding. De personele lasten die uitgegeven zijn aan inhuur bedraagt € 14,4 miljoen en zijn hoger dan de begroting van € 13,6 miljoen. Externe inhuur wordt voornamelijk ingezet op projecten en het ICT onderdeel. De overige personele lasten € 3,7 miljoen overschrijden de begroting van € 2,0 miljoen als gevolg van een toename van de openstaande verlofuren.

Materiële lasten

De gerealiseerde materiële lasten en kosten uitbesteed werk bedragen € 68,3 miljoen (2024: € 67,1 miljoen) en zijn hoger dan de begroting van € 63,8 miljoen. De hogere kosten worden veroorzaakt door hogere lasten ICT, hogere lasten voor de bijdrage aan SSO’s vanwege hogere indexeringen en hogere kosten overige materiële lasten en uitbesteed werk door meer ICT project- en beheerwerkzaamheden.

Afschrijvingslasten

Het CIBG heeft geen afschrijvingslasten voor materiële activa. Wel zijn er immateriële afschrijvingslasten als gevolg van het afschrijven op applicaties. De applicaties die zijn geactiveerd worden lineair afgeschreven in vijf jaar vanaf het moment van ingebruikname. De afschrijvingslasten bedragen € 3,5 miljoen (2024: € 3,3 miljoen) blijven onder de begroting € 3,6 miljoen. Dit wordt verklaard doordat minder investeringen zijn geactiveerd dan begroot.

Bijzondere lasten

In boekjaar 2025 zijn voor ca. € 3,6 miljoen aan bijzondere lasten voor het programma DIAZ gemaakt.

Rentelasten

Rente is verschuldigd over de leningen die uitstaan bij het ministerie van Financiën. Het CIBG heeft geen uitstaande lening en hierdoor geen rentelast.

Agentschapsdeel Vpb-lasten

Deze lasten komen voort uit de verkoop van medicinale cannabis en de vennootschapsbelasting die als gevolg hiervan dient te worden afgedragen. Over 2025 is er geen resultaat op deze activiteit en geen afdracht aan Vpb.

Balans van het baten-lastenagentschap CIBG per 31 december 2025

Tabel 59 Balans van het baten-lastenagentschap CIBG per 31 december 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Balans 2025

Balans 2024

Activa

  

Vaste activa

9.168

13.990

Immateriële vaste activa

9.168

13.990

Materiële vaste activa

0

0

waarvan grond en gebouwen

0

0

waarvan machines en installaties

0

0

waarvan andere vaste bedrijfsmiddelen

0

0

waarvan vaste bedrijfsmiddelen in uitvoering en vooruitbetaald op materiële vaste activa

0

0

waarvan niet aan de bedrijfsuitvoering dienstbaar

0

0

Vlottende activa

35.146

48.446

Voorraden

6.567

6.043

waarvan grond- en hulpstoffen

0

0

waarvan onderhanden werk

0

0

waarvan gereed product en handelsgoederen

6.537

6.567

waarvan vooruitbetaald op voorraaden

0

0

Vorderingen

7.928

12.193

waarvan debiteuren

3.056

4.390

waarvan overige vorderingen

4.872

7.803

waarvan overlopende activa

0

0

Liquide middelen

20.651

30.210

Totaal activa:

44.314

62.436

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

4.267

15.584

Bestemmingsfonds(en)

0

0

Pok / Wau reserve

0

0

Exploitatiereserve

6.709

8.050

Onverdeeld resultaat

‒ 2.442

2.267

Vermogensstorting

0

5.267

Voorzieningen

0

0

Langlopende schulden

0

0

Leningen bij het Ministerie van Financiën

0

0

Kortlopende schulden

40.047

46.852

Crediteuren

5.120

2.895

Belastingen en premies sociale lasten

0

0

Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën

0

0

Overige schulden

34.927

43.957

Overlopende passiva

  

Totaal passiva

44.314

62.436

Toelichting op de balans per 31 december 2025

Immateriële vaste activa

De boekwaarde bedraagt ultimo 2025 ca. € 9,2 miljoen. In 2025 is geïnvesteerd voor een bedrag van € 2,2 miljoen en bedragen de afschrijvingen € 3,5 miljoen. Er hebben geen buitengebruikstellingen of duurzame herwaarderingen plaatsgevonden in 2025.

Voorraden

De voorraden € 6,6 miljoen (2024: € 6,0 miljoen) betreffen de aangekochte cannabis (Bedrocan, Bediol, Bedica, Bedrolite en Bedrobinol) voor de levering (verkoop) aan apothekers en buitenlandse afnemers.

Debiteuren

Het debiteurensaldo ultimo 2025 bedraagt € 3,1 miljoen (2024: € 4,4 miljoen).

Overige vorderingen en overlopende activa

Ultimo van het jaar bedraagt het saldo overige vorderingen en overlopende activa € 4,9 miljoen (2024: € 7,8 miljoen). De grootste posten betreffen vooruitbetaalde licenties KPN, nog te ontvangen aangiftes BTW en nog te ontvangen rente van de rekening courant.

Liquide middelen

Het CIBG maakt gebruik van schatkistbankieren en heeft de liquide middelen als gevolg hiervan ondergebracht bij het Ministerie van Financiën. Ultimo 2025 bedraagt het saldo liquide middelen € 20,7 miljoen (2024: € 30,2 miljoen).

Eigen vermogen

Ultimo 2025 bedraagt het eigen vermogen € 4,3 miljoen (2024: € 15,6 miljoen). Het eigen vermogen ultimo 2025 wordt gevormd door een exploitatiereserve van € 6,7 miljoen (2024: € 8,1 miljoen) en een onverdeeld negatief resultaat van € 2,4 miljoen (2024: positief resultaat € 2,3 miljoen).

Het onverdeelde negatief resultaat over 2025 van € 2,4 miljoen zal aan het eigen vermogen 2026 in de administratie worden verwerkt. Het CIBG blijft binnen de toegestane grens van het eigen vermogen.

Tabel 60 Voorgestelde resultaatbestemming (bedragen x € 1.000)

Voorgestelde resultaatbestemming

Vastgestelde begroting

realisatie

Verschil

Realisatie 2024

(Voorgesteld het resultaat als volgt te verdelen)

    
     

Toevoeging/ onttrekking:

    

- Pok/Wau

- Exploitatiereserve

‒ 2.442

‒ 2.442

2.266

Saldo van baten en lasten

‒ 2.442

‒ 2.442

2.266

Voorzieningen

Het CIBG neemt, onder verwijzing naar artikel 27 van de Regeling agentschappen, geen voorziening op voor bezwaar & beroep en ambtsjubilea. De lasten hiervoor worden genomen in het jaar dat ze zich voordoen.

Langlopende schulden

Eind 2025 bedraagt het saldo van de langlopende schulden € 0 miljoen (2024: € 0 miljoen).

Kortlopende schulden

De kortlopende schulden ultimo 2025 bedragen € 40 miljoen (2024: € 46,9 miljoen) en bestaan uit de crediteuren en de overige schulden en overlopende passiva.

Crediteuren

Ultimo 2025 bedraagt het saldo van de crediteuren € 5,1 miljoen (2024: € 2,9 miljoen).

Overige schulden en overlopende passiva

Ultimo 2025 bedraagt het saldo overige schulden en overlopende passiva € 34,9 miljoen (2024: € 44,0 miljoen). Hieronder vallen de reservering verlofuren, afrekeningen met opdrachtgevers, tussenrekening of onderhanden werk, nog te ontvangen facturen en vooruit ontvangen BIG inschrijvingen.

Kasstroomoverzicht van het baten-lastenagentschap CIBG over 2025

Tabel 61 Kasstroomoverzicht van het baten-lastenagentschap CIBG over 2025 (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

18.201

30.210

12.009

 

totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

120.885

135.464

14.579

 

totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 117.201

‒ 133.855

‒ 16.654

2.

Totaal operationele kasstroom

3.684

1.609

‒ 2.075

 

totaal investeringen (-/-)

‒ 5.031

‒ 2.293

2.738

 

totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 5.031

‒ 2.293

2.738

 

eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

‒ 10.800

‒ 10.800

 

eenmalige storting door moederdepartement (+)

1.925

1.925

 

aflossingen op leningen (-/-)

 

beroep op leenfaciliteit (+)

5.031

‒ 5.031

4.

Totaal financieringskasstroom

5.031

‒ 8.875

‒ 13.906

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

21.885

20.651

‒ 1.234

Toelichting kasstroomoverzicht

Het saldo aan liquide middelen is in 2025 naar € 20,7 miljoen.

De operationele kasstroom bedraagt € 1,6 miljoen en komt voort operationele activiteiten incl. afschrijvingen en mutaties in schulden en vorderingen. De investeringskasstroom bedraagt €2,2 miljoen. De financieringskasstroom laat per saldo een afname van liquide middelen zien van € 8,9 miljoen. Als gevolg van een hoger dan toegestaan eigen vermogen is € 10,8 miljoen afgedragen aan het kerndepartement. Op grond van de resultaatbestemming WaU 2025 is daarentegen € 1,9 miljoen aan storting in het eigen vermogen ontvangen.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren van het baten-lastenagentschap CIBG per 31 december 2025

Tabel 62 Overzicht doelmatigheidsindicatoren van het baten-lastenagentschap CIBG per 31 december 2025
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

 

2022

2023

2024

2025

2025

Omschrijving Generiek Deel

     

Kostprijzen per product (groep)

     

- Beschikking BIG-register

163

190

192

328

334

- Vakbekwaamheidverklaring

4.023

6.063

4.151

25.095

4.606

- Vergunning Farmatec

2.484

1.802

1.198

1.714

1.832

- UZI-pas/certificaat

370

389

424

382

445

- Wilsbeschikking donorregister

10

10

9

8

8

      

Omzet per productgroep (PxQ)

     

- BIG en herregistratie

11.779

15.874

13.796

12.569

14.684

- Vakbekwaamheid

4.936

5.596

5.392

6.600

6.218

- Farmatec

2.497

2.404

3.242

3.738

4.062

- UZI-pas/certificaat

14.609

15.068

15.687

18.704

19.567

- Donorregister

3.452

3.750

3.566

4.166

4.197

      

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

343

357

377

391

405

      

Saldo van baten en lasten (%)

1%

‒ 1%

6%

‒ 2%

0%

      

Productievolume

     

- BIG en herregistratie

100.090

142.444

51.760

38.365

44.000

- Vakbekwaamheid

1.227

923

1.299

263

1.350

- Farmatec

1.037

1.536

2.186

2.181

2.217

- UZI-pas/certificaat

51.410

26.864

28.757

48.956

44.000

- Donorregister

318.487

314.267

396.903

537.325

555.000

      

Aantal klachten

     

- Vakbekwaamheid

2

3

2

1

10

- Donorregister

8

7

1

15

Toelichting op de doelmatigheidsindicatoren 2025

Kostprijzen, baten en volumes

De kostprijzen zijn gebaseerd op de werkelijk gerealiseerde lasten en werkelijke outputvolumes.

Klachten en bezwaar en beroep

Als norm voor de klachten en bezwaren wordt gehanteerd de afspraak die met de opdrachtgever is vastgelegd. Het aantal klachten bleef onder de gemaakte afspraken.

10.3 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Staat van baten en lasten

Tabel 63 Verantwoording van het agentschap RIVM over 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

Realisatie 2024 (4)

Baten

    

- Omzet

836.600

786.754

‒ 49.846

687.397

waarvan omzet moederdepartement

662.700

613.673

‒ 49.027

526.635

waarvan omzet overige departementen

138.500

129.898

‒ 8.602

127.680

waarvan omzet derden

35.400

43.183

7.783

33.082

Rentebaten

8.000

10.590

2.590

15.865

Vrijval voorzieningen

7.500

3.226

‒ 4.274

631

Bijzondere baten

Totaal baten

852.100

800.570

‒ 51.530

703.893

     

Lasten

 

Apparaatskosten

844.700

707.546

‒ 137.154

611.855

- Personele kosten

365.300

356.361

‒ 8.939

332.953

waarvan eigen personeel

280.000

263.872

‒ 16.128

243.586

waarvan inhuur externen

72.900

79.143

6.243

76.580

waarvan overige personele kosten

12.400

13.346

946

12.787

- Materiële kosten

479.400

351.185

‒ 128.215

278.902

waarvan apparaat ICT

48.000

42.395

‒ 5.605

39.169

waarvan bijdrage aan SSO's

7.500

16.042

8.542

8.620

waarvan overige materiële kosten

423.900

292.748

‒ 131.152

231.113

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

77.818

77.818

67.238

Rentelasten

Afschrijvingskosten

7.400

6.311

‒ 1.089

6.572

- Materieel

7.400

6.305

‒ 1.095

6.568

waarvan apparaat ICT

5.000

4.616

‒ 384

4.672

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

2.400

1.689

‒ 711

1.896

- Immaterieel

6

6

4

Overige lasten

7.184

7.184

7.502

waarvan dotaties voorzieningen

7.184

7.184

7.502

waarvan bijzondere lasten

Totaal lasten

852.100

798.859

‒ 53.242

693.167

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

1.712

1.712

10.726

Agentschapsdeel Vpb-lasten

96

96

27

Saldo van baten en lasten

1.616

1.616

10.699

Toelichting op staat van baten en lasten over 2025

Bedragen in duizenden euro’s, tenzij anders aangegeven.

Resultaat

Over 2025 heeft het RIVM een positief resultaat behaald van € 1,6 miljoen. Dit positieve resultaat is gerelateerd aan:

  • Een per saldo negatieve impact door een toevoeging (-/-) van € 4,0 miljoen op de voorzieningen;

  • Rentebaten (+) van € 10,6 miljoen op de rekening courant van het RIVM; en

  • Wat resteert is een per saldo negatief resultaat (-/-) van € 5,0 miljoen. Dit ziet toe op de reguliere bedrijfsvoering, waaronder het uitvoeren van opdrachten, en additionele kosten in verband met de aanstaande verhuizing.

Het positieve resultaat na belastingen wordt toegevoegd aan de exploitatiereserve als onderdeel van het eigen vermogen. Het eigen vermogen van een baten-lastenagentschap is gebonden aan een maximumomvang van 5% van de gemiddelde jaaromzet, berekend over de laatste drie jaar. Indien van toepassing worden de bedragen in bestemmingsfondsen niet meegeteld voor de berekening van deze grens van het eigen vermogen. De maximaal toegestane omvang van het eigen vermogen wordt niet overschreden.

Baten

De totale baten van het RIVM zijn € 51,5 miljoen lager dan initieel begroot en € 96,7 miljoen hoger dan in 2024. De belangrijkste reden voor de stijging ten opzichte van vorig jaar is een gestegen omzet moederdepartement in het kader van preventieprogramma’s.

De rentebate op de rekening courant van het RIVM van € 10,6 miljoen is € 2,6 miljoen hoger dan begroot, maar is conform verwachting € 5,3 miljoen lager dan 2024.

Onderstaand worden deze baten verder toegelicht.

Opzet per productgroep

In onderstaande tabel wordt de gerealiseerde omzet (baten exclusief vrijval voorzieningen en rentebaten) per productgroep weergegeven.

Tabel 64 Omzet naar productgroepen (bedragen x €1.000)
 

2025

2024

Strategisch Programma RIVM

    14.638

    11.712

Onderzoeken o.b.v. uren x tarief en bijbehorende materiële kosten

   502.837

  474.696

Uitvoeringskosten preventieprogramma’s

   254.047

  182.715

ICT-dienstverlening voor andere organisaties dan het RIVM (SSC-Campus)

    15.232

    18.274

Totaal

786.754

687.397

Omzet moederdepartement

De omzet moederdepartement is € 49,8 miljoen gedaald ten opzichte van begroting. Dit ziet voor een groot deel toe op de uitgestelde verhuizing. In de begroting werd een groter dan reguliere last door dubbele huisvestingslasten voorzien. In verband met het niet-structurele karakter en de uitzonderlijke omvang zijn deze lasten niet volledig doorberekend in de door het moederdepartement vastgestelde uurtarieven van het RIVM. Door het moederdepartement is daarom een ondersteunende bijdrage van € 20,2 miljoen voor deze incidentele verhuislasten toegezegd. Deze bate is in de begroting onder omzet moederdepartement verantwoord. Met de uitgestelde last is ook de bate uitgesteld.

In onderstaande tabel wordt de gerealiseerde omzet moederdepartement nader gespecificeerd.

Tabel 65 Omzet moederdepartement (bedragen x €1.000)
 

2025

2024

Direct gerelateerd aan geleverde producten/diensten:

          613.673

          526.635

- Strategisch Programma RIVM

           14.638

           11.712

- Cofinanciering voor internationale projecten via eigenaarsbijdrage

             5.797

             5.721

- Opdrachten beleidsdirecties (opdrachtgever) VWS

         593.238

         509.202

Overige ontvangsten/bijdragen van het moederdepartement:

                   -  

                   -  

- Bijdrage ten behoeve van de dekking van de voorbereidingskosten voor de verhuizing

                   -  

                   -  

   

Totaal

613.673

526.635

De gerealiseerde omzet moederdepartement omvat de bijdrage van VWS als eigenaar (€ 20,4 miljoen) en de bijdrage van de VWS-opdrachtgevers (€ 592,7 miljoen). De bijdrage van eigenaar VWS bestaat voor € 14,6 miljoen uit baten ten behoeve van het SPR-programma, voor € 2,0 miljoen uit cofinanciering vanuit het moederdepartement voor het realiseren van internationale projecten en voor € 3,8 miljoen uit wetenschapsbudget uit het OCW Fonds.

Omzet overige departementen

In de opbrengst van overige departementen is inbegrepen de bijdrage voor de reguliere onderzoeks- en adviesprogramma’s en de bijdrage voor additionele opdrachten voor de hieronder genoemde ministeries.

Tabel 66 Omzet overige departementen (bedragen x € 1.000)
 

2025

2024

I&W

      82.027

      80.439

KGG

             -  

             -  

LVVN

      31.784

      30.960

SZW

      12.115

      11.768

DEF

             -  

             -  

Overige departementen (o.a. J&V, BuZa, OC&W, BZK, DEF, KGG)

        3.972

        4.513

Totaal

129.898

127.680

De totale omzet van overige departementen is € 8,6 miljoen lager dan de begroting en € 2,2 miljoen hoger ten opzichte van 2024.

Omzet derden

Naast werkzaamheden in opdracht van het moederdepartement en overige departementen worden projecten en opdrachten uitgevoerd ten behoeve van derden. Bijvoorbeeld projecten voor en gefinancierd door andere nationale en internationale opdrachtgevers zoals de Europese Commissie, de WHO, Europese vrijgifte, Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en overige projecten uitgevoerd door derden. De omzet derden is € 7,8 miljoen hoger dan begroot en € 10,1 miljoen hoger ten opzichte van 2024. Een stijging van de omzet derden ten opzichte van 2024 werd verwacht, zoals ook zichtbaar is in de begroting. In de begroting is deze stijging omzet derden behoedzaam ingeschat. In de realisatie is dit uiteindelijk hoger uitgekomen door onder andere een stijging van werkzaamheden ten behoeve van niet-departementale en internationale opdrachtgevers.

Vrijval voorzieningen

De vrijval van de voorzieningen heeft met name voor € 1,9 miljoen betrekking op het vrijvallen van verplichtingen voor personeel, voor € 0,2 miljoen betrekking op het vrijvallen van verplichtingen voor verlieslatende projecten, voor € 0,1 miljoen betrekking op een lagere verplichting voor mitigerende maatregelen en voor € 0,9 miljoen betrekking op een bijstelling van de verplichting voor herstelkosten.

In de begroting werd een hogere vrijval van de voorzieningen met betrekking tot de huisvesting verwacht, omdat hierbij werd uitgegaan van een uitgestelde verhuizing, maar nog geen verlenging van de huurovereenkomst had plaatsgevonden.

Rentebaten

De rentebaten van € 10,6 miljoen hebben betrekking op ontvangen rente op de rekening courant van het RIVM. De rentebaten waren met € 8,0 miljoen behoedzaam begroot gezien de onzekerheid over de toekomstige rentestand.

Lasten

Personele kosten

De personele kosten van € 356,4 miljoen zijn in 2025 € 8,9 miljoen lager dan opgenomen in de begroting en € 23,4 miljoen hoger dan 2024.

Om aan de blijvend hoge vraag in uren ten behoeve van uitvoerings- en onderzoekstaken te voldoen en in verband met het streven om het percentage externe inhuur te verlagen, is het personeelsbestand verder gegroeid met 35 fte in dienstbetrekking bij het RIVM. De totale omvang van de inhuur externen bedroeg in 2025 € 79,1 miljoen. Het percentage externe inhuur komt hiermee uit op 22,2%. Dit is een daling ten opzichte van vorig jaar (23,0%), maar ligt 2,2% boven de RIVM doelstelling van 20% en 12,2% boven de Roemernorm van 10%. Door op plekken lastig in te vullen functies en kortjarige financiering van sommige opdrachten kan het RIVM daar geen structurele personeelslasten aangaan. Vooral bij de IV-organisatie en bij het domein Preventieprogramma’s en Opschaling voor de Publieke Gezondheid (PPG) is de inhuur blijvend hoog. Voor 2026 streeft het RIVM naar een verdere daling, door daar waar het kan inhuur om te zetten naar vast en/of tijdelijk eigen personeel.

Daarnaast zijn de personeelskosten gestegen als gevolg van aanpassingen in de CAO, waaronder een loonstijging halverwege 2024, waardoor de salarissen in 2025 structureel hoger zijn dan de eerste helft van 2024. Hiervoor is deels compensatie ontvangen vanuit de opdrachtgevers, welke is verantwoord onder de omzet. Tevens is in verband met een stijging van het aantal verlofuren vanuit het Individueel Keuzebudget (IKB) een toevoeging van € 7,7 miljoen op de reservering voor het opgebouwd verlofrecht verwerkt. Omdat de CAO onderhandelingen voor 2026 nog lopen, is bij de bepaling van deze reservering uitgegaan van een nullijn, waar in de begroting een loonsverhoging is voorzien.

Materiële kosten

De materiële kosten van € 351,2 miljoen zijn € 128,2 miljoen lager ten opzichte van de begroting en € 72,3 miljoen hoger dan 2024. De daling ten opzichte van de begroting komt met name doordat in de begroting de kosten uitbesteed werk en andere externe kosten van € 77,8 miljoen in de materiële kosten zijn verantwoord. In de verantwoording zijn deze kosten apart gerubriceerd, zie ook hieronder.

De resterende daling van overige materiële kosten ten opzichte van begroting wordt onder andere veroorzaakt door een lager dan verwachte stijging van kosten in verband met het uitstellen van de verhuizing en lager dan begrootte materiële kosten uit opdrachten. Ten opzichte van 2024 is sprake van een toename van overige materiële kosten van € 61,6 miljoen, welke met name voortkomt uit een stijging van materiaalkosten uit opdrachten.

De kosten ten behoeve van shared service organisaties (SSO’s) van € 16,0 miljoen zijn € 8,5 miljoen hoger dan begroot en € 7,4 miljoen hoger dan 2024. Dit komt met name door een stijging in materiële kosten voor diensten, waaronder beveiliging, ICT-diensten en ondersteunende diensten in bedrijfsvoering.

De ICT-kosten van € 42,4 miljoen zijn € 3,2 miljoen hoger dan 2024 als gevolg van een stijging van exploitatiekosten voor hardware en software. Deze kosten zijn € 5,6 miljoen lager dan begroot, omdat een grotere stijging van deze exploitatielasten werd verwacht.

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

De kosten uitbesteed werk en andere externe kosten van € 77,8 miljoen zien toe op onderzoek- en advieskosten van € 38,8 miljoen en overige uitbestedingsopdrachten van € 39,0 miljoen. De onderzoek- en advieskosten zijn € 5,7 miljoen hoger en de overige uitbestedingsopdrachten zijn € 4,8 miljoen hoger ten opzichte van 2024.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten zijn € 1,1 miljoen lager dan begroot en € 0,3 miljoen lager dan realisatie. De lager dan begrote afschrijvingskosten zijn met name een gevolg van uitblijven en uitstellen van investeringen.

Dotaties voorzieningen

De dotatie voorzieningen heeft betrekking op aangegane en herberekende verplichtingen voor (voormalige) werknemers van € 3,5 miljoen, op de gevormde voorziening voor uitkeringen aan personeel bij het behalen van een dienstjubileum van € 0,4 miljoen, op ingeschatte toekomstige verliezen op projecten van € 0,7 miljoen, op de voorziening leegstand gebouwen in Bilthoven van € 2,3 miljoen en op de gevormde voorziening voor mitigerende maatregelen van € 0,3 miljoen. De dotatie voorzieningen is niet begroot in verband met het incidentele karakter van de betreffende posten.

Balans per 31 december 2025

Na verwerking van het resultaat. De balans is opgesteld in duizenden euro’s.

Tabel 67 Balans van het baten-lastenagentschap RIVM per 31 december 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Balans 2025

Balans 2024

Activa

  

Vaste activa

22.802

17.955

Immateriële vaste activa

16

6

Materiële vaste activa

22.786

17.949

waarvan grond en gebouwen

waarvan machines en installaties

52

88

waarvan andere vaste bedrijfsmiddelen

16.736

14.666

waarvan vaste bedrijfsmiddelen in uitvoering en vooruitbetaald op materiële vaste activa

5.998

3.195

waarvan niet aan de bedrijfsuitvoering dienstbaar

  

Vlottende activa

500.004

521.267

Voorraden

65.490

51.376

waarvan grond- en hulpstoffen

waarvan onderhanden werk

waarvan gereed product en handelsgoederen

65.490

51.376

waarvan vooruitbetaald op voorraaden

Vorderingen

33.544

40.309

waarvan debiteuren

7.301

6.221

waarvan overige vorderingen

403

473

waarvan overlopende activa

25.840

33.615

Liquide middelen

400.970

429.582

Totaal activa:

522.806

539.222

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

35.386

43.742

Bestemmingsfonds(en)

Pok / Wau reserve

Exploitatiereserve

33.770

33.043

Onverdeeld resultaat

1.616

10.699

Voorzieningen

28.078

25.592

Langlopende schulden

Leningen bij het Ministerie van Financiën

Kortlopende schulden

459.342

469.888

Crediteuren

5.825

18.120

Belastingen en premies sociale lasten

1.231

1.424

Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën

Overige schulden

48.022

42.120

Overlopende passiva

404.264

408.224

Totaal passiva

522.806

539.222

Toelichting op de balans per 31 december 2025

Bedragen in duizenden euro’s, tenzij anders aangegeven.

Activa

De vaste activa zijn ten opzichte van 2024 per saldo gestegen met € 4,8 miljoen, met name door investeringen bestaande uit € 4,3 miljoen aan laboratorium apparatuur en € 2,3 miljoen aan ICT middelen. Daarnaast is voor € 4,5 miljoen geïnvesteerd in activa welke nog niet in gebruik genomen kunnen worden, omdat de installatie nog niet gereed is, maar welke al wel (deels) in ontvangst zijn genomen. Ook dit betreft met name investeringen in ICT middelen en laboratorium apparatuur. Daarnaast is een afschrijvingslast verantwoord van € 6,3 miljoen.

De voorraden betreffen de voorraad vaccins en materialen (naalden en registratiekaarten) binnen RIVM ten behoeve van het uitvoeren van het Rijksvaccinatieprogramma (€ 61,0 miljoen) en het uitvoeren van het Griepprogramma (1,0 miljoen), het aanhouden van voorraden in het kader van de overige nationale vaccinvoorziening (€ 3,5 miljoen), de aangekochte geneesmiddelen in het kader van COVID-19 (€ 0,3 miljoen) en voorziening van de expirerende voorraad (€ 0,3 miljoen negatief). De stijging van de voorraden van € 14,1 miljoen ziet met name toe op vaccins ten behoeve van het Rijksvaccinatieprogramma.

De debetpositie van de onderhanden projecten van € 7,7 miljoen betreft de nog te factureren omzet aan het moederdepartement voor € 1,5 miljoen, aan overige ministeries voor € 1,6 miljoen en aan derden voor € 4,6 miljoen.

De debiteurenpositie per balansdatum stijgt met € 1,1 miljoen. Het saldo per balansdatum bestaat voor € 0,2 miljoen aan vorderingen op het moederdepartement, € 1,0 miljoen uit vorderingen op overige ministeries en € 6,1 miljoen uit vorderingen op derden (internationale organisaties, ziekenhuizen en diverse overige opdrachtgevers in de publieke sector).

De overige vorderingen betreffen met name verleende voorschotten aan medewerkers in het kader van opleidingen.

De overlopende activa zijn ten opzichte van 2024 gedaald met € 5,1 miljoen en bestaan per balansdatum met name uit nog te ontvangen rente (€ 10,6 miljoen) en vooruitbetaalde kosten voor onder andere licenties, onderhoudscontracten, huren en abonnementen (€ 7,5 miljoen).

Het saldo per balansdatum bestaat voor € 10,6 miljoen uit vorderingen op overige ministeries en € 7,5 miljoen uit vorderingen op derden.

De analyse van de liquide middelen is opgenomen in de toelichting op het kasstroomoverzicht.

Passiva

Het verloop van het eigen vermogen is als volgt:

Tabel 68 Eigen vermogen per 31-12-2025 (bedragen x € 1.000)
 

31-12-2025

31-12-2024

Exploitatiereserve

43.742

35.411

Directe vermogensmutaties

‒ 9.972

‒ 2.368

Onverdeeld resultaat

1.616

10.699

Totaal

35.386

43.742

Het positieve saldo van baten en lasten over 2025 wordt toegevoegd aan de exploitatiereserve. Daarnaast is in 2025 € 10,0 miljoen teruggestort aan het moederdepartement, omdat de exploitatiereserve per balansdatum 2024 met dit bedrag boven de norm uitkwam. Hiermee wordt het eigen vermogen € 35,4 miljoen positief.

De omvang van het eigen vermogen per balansdatum overschrijdt niet de grens van 5% van de gemiddelde omzet over 2023 tot en met 2025. Indien van toepassing worden de bedragen in bestemmingsfondsen niet meegeteld voor de berekening van deze grens van het eigen vermogen. De maximaal toegestane omvang van het eigen vermogen bedraagt € 36,5 miljoen.

Het verloop van de post voorzieningen is als volgt:

Tabel 69 Verloopstaat voorzieningen (bedragen x € 1.000 )
 

Personeel

Jubilea

Reorganisatie

Projecten

Subtotaal

Stand voorziening per 31-12-2024

     

Waarvan kortlopend

2.622

330

-

-

2.952

Waarvan langlopend

2.165

-

199

4.745

7.109

Totaal

4.787

330

199

4.745

10.061

      

Dotatie

3.484

391

-

710

4.585

Onttrekkingen

‒ 800

‒ 326

-

‒ 346

‒ 1.472

Vrijval

‒ 1.930

‒ 4

‒ 86

‒ 169

‒ 2.189

Mutaties

754

61

‒ 86

195

924

      

Stand voorziening per 31-12-2025

5.541

391

113

4.940

10.985

      

Waarvan kortlopend

3.093

391

-

-

3.484

Waarvan langlopend

2.448

-

113

4.940

7.501

Totaal

5.541

391

113

4.940

10.985

Tabel 70 Verloopstaat voorzieningen (bedragen x € 1.000 )
 

Subtotaal

Leegstand Bilthoven

Mitigerende maatregelen

Herstelkosten Bilthoven

Totaal

Stand voorziening per 31-12-2024

     

Waarvan kortlopend

2.952

6.306

-

-

9.258

Waarvan langlopend

7.109

3.860

837

4.528

16.334

Totaal

10.061

10.166

837

4.528

25.592

      

Dotatie

4.585

2.345

254

-

7.184

Onttrekkingen

‒ 1.472

-

-

-

‒ 1.472

Vrijval

‒ 2.189

-

‒ 134

‒ 903

‒ 3.226

Mutaties

924

2.345

120

‒ 903

2.486

      

Stand voorziening per 31-12-2025

10.985

12.511

957

3.625

28.078

      

Waarvan kortlopend

3.484

6.347

-

-

9.831

Waarvan langlopend

7.501

6.164

957

3.625

18.247

Totaal

10.985

12.511

957

3.625

28.078

  • De voorziening voor personeel omvat de toekomstige verplichtingen als gevolg van rechten (zoals werkloosheidswet en pensioentoelagen) op balansdatum van voormalige werknemers.

  • De voorziening voor uitkeringen aan personeel bij het behalen van een dienstjubileum bestond uit een kortlopende verplichting en is per balansdatum vrijwel volledig onttrokken. De voorziening per balansdatum is volledig gevormd door de dotatie van € 0,4 miljoen voor de verplichting voor verwachte uitkeringen aan personeelsleden in het komend kalenderjaar.

  • Voor overdracht van pensioenrechten van overgenomen medewerkers van de voormalige ent-administraties is in 2008 een voorziening getroffen. Vanwege ontoereikende dekkingsgraden van de betrokken pensioenfondsen in het verleden, een langdurig verwerkingstraject en het besluit in 2024 van pensioenuitvoerders om voorlopig met collectieve waardeoverdrachten te wachten tot na de overgang naar de nieuwe pensioenregeling, heeft tot op heden geen overdracht en afrekening kunnen plaatsvinden. De collectieve waardeoverdrachten worden weer opgestart wanneer beide pensioenfondsen over zijn gegaan naar de nieuwe pensioenregeling, wat naar verwachting zal zijn vanaf 2027. Daarmee is de voorziening verantwoord als langlopende verplichting. In 2025 neemt de voorziening verder af in verband met een afname van rechthebbende medewerkers.

  • De voorziening ten behoeve van projecten betreft het bedrag aan voorziene nog te produceren verliezen op in uitvoering zijnde projecten.

  • De voorziening leegstand Bilthoven is gevormd als gevolg van het lopende contract met betrekking tot huur en exploitatie van de gebouwen en terreinen te Bilthoven. De verhuizing naar het Utrecht Science Park zal gefaseerd plaatsvinden vanaf 2026. Hierdoor zullen dubbele huur- en exploitatielasten ontstaan. Ter dekking van deze dubbele verplichting is een voorziening gevormd. In 2025 is een bedrag ad € 2,3 miljoen gedoteerd aan de voorziening naar aanleiding van indexatie van de huurkosten en bijstelling in verband met verschuiving van de opleverdatum en een in 2025 overeengekomen verlenging van de huurovereenkomst.

  • De voorziening mitigerende maatregelen ziet toe op de investeringen die in 2024 en 2025 zijn gedaan door de verhuurder in door het RIVM-gehuurde panden op Utrecht Science Park Bilthoven. De vrijval van € 0,1 miljoen ziet toe op een verlenging van de huurperiode, waardoor de afschrijvingsperiode voor de verhuurder toeneemt en de verwachte verplichting voor de resterende boekwaarde van de gebouwgebonden installaties bij het verlaten van het terrein afneemt. De dotatie van € 0,3 miljoen betreft een additionele investering binnen deze overeenkomst, die leidt tot een verhoging van de verplichting.

  • De voorziening herstelkosten Bilthoven is gevormd voor de toekomstige verplichting om bij het verlaten van het terrein en de gebouwen te Bilthoven, de huisvesting in oorspronkelijke staat en bezemschoon op te leveren. Deze voorziening ziet toe op de noodzakelijke kosten voor het uit (laten) voeren van werkzaamheden om aan de verplichting te voldoen. Daarnaast is met de eigenaar van terrein en gebouwen overeenstemming bereikt over een vergoeding voor het niet verwijderen van gebouwgebonden installaties op het moment van verhuizen. De vrijval van € 0,9 miljoen komt voort uit de meest recente inzichten en aannamen ten aanzien van de werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd en de daarbij behorende onvermijdbare kosten om aan de verplichting te voldoen.

De crediteuren zijn met € 12,3 miljoen lager ten opzichte van 2024. Het saldo bestaat voor € 1,6 miljoen uit schulden aan overige ministeries en voor € 4,2 miljoen uit schulden aan derden.

Het saldo onderhanden projecten heeft voor € 244,9 miljoen betrekking op uitvoering van projecten voor het moederdepartement, voor € 29,6 miljoen op uitvoering van projecten voor overige ministeries en voor € 25,1 miljoen uit uitvoering van projecten voor derden. Voorheen werd deze balanspost onderhanden projecten gesaldeerd gepresenteerd als onderhanden projecten met een saldo van € 383,6 miljoen. Onderhanden projecten welke reeds volledig afgerond zijn en waarvan financiële afwikkeling met de opdrachtgever in het voorgaande uitvoeringsjaar had moeten plaatsvinden zijn geherrubriceerd en worden separaat als overlopende vordering, dan wel overlopende schuld gepresenteerd.

De overige schulden zijn ten opzichte van 2024 met € 5,9 miljoen gestegen. De stijging wordt voornamelijk verklaard door de stijging van het opgebouwd verlofrecht met € 7,7 miljoen, voornamelijk door een stijging van het aantal verlofuren vanuit het Individueel Keuzebudget (IKB). Vanuit het IKB heeft personeel het recht om additionele verlofuren te sparen, waarbij personeel tevens een deel van het maandinkomen kan omzetten in verlofuren. Deze stijging wordt genivelleerd door een daling van de schuld aan medecontractanten. Onder medecontractanten zijn bedragen opgenomen die het RIVM uit hoofde van de functie als intermediair voor gezamenlijk met andere onderzoeksorganisaties aangegane contracten nog moet doorbetalen aan derden.

In de overlopende passiva is € 66,6 miljoen aan nog te factureren onderhanden projecten opgenomen. Dit betreft onderhanden projecten tot en met uitvoeringsjaar 2024124 waarvan de prestatie en verantwoording reeds volledig is geleverd, maar acceptatie door en financiële afwikkeling met de opdrachtgever nog niet heeft plaatsgevonden. Deze werden voorheen gepresenteerd onder de onderhanden projecten.[1] Voor boekjaar 2024 betreft dit nog te factureren onderhanden projecten waarvan de prestatie en verantwoording reeds volledig is geleverd, maar acceptatie door en financiële afwikkeling met de opdrachtgever nog niet heeft plaatsgevonden tot en met uitvoeringsjaar 2023.

De overlopende passiva zijn met € 26,8 miljoen hoger ten opzichte van 2024, met name door een stijging met een bedrag van € 13,7 miljoen van reeds ontvangen goederen en diensten, waarvan de factuur nog niet ontvangen is. Daarnaast heeft in 2025 financiële afwikkeling van onderhanden projecten van voorgaande jaren plaatsgevonden, maar is de balanspost per saldo met een bedrag van € 13,1 miljoen toegenomen door een toevoeging vanuit onderhanden projecten voor nog te factureren programma’s met uitvoeringsjaar 2024.

De overlopende passiva bestaan voor € 66,6 miljoen aan nog te betalen kosten aan het moederdepartement, € 6,7 miljoen aan nog te betalen kosten aan overige departementen en voor € 31,4 miljoen aan nog te betalen kosten aan derden, waarvan het saldo nog te factureren onderhanden projecten voor € 66,5 miljoen bestaat uit terug te betalen gedeclareerde termijnen aan het moederdepartement (2024: € 52,6 miljoen) en € 0,1 miljoen terug te betalen gedeclareerde termijnen aan overige departementen (2024: € 0,7 miljoen).

Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht is opgesteld in duizenden euro’s.

Tabel 71 Kasstroomoverzicht van het baten-lastenagentschap RIVM over 2025 (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

344.640

429.582

84.942

 

totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

844.600

937.879

93.279

 

totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 844.700

‒ 945.274

‒ 100.574

2.

Totaal operationele kasstroom

‒ 100

‒ 7.395

‒ 7.295

 

totaal investeringen (-/-)

‒ 15.000

‒ 11.245

3.755

 

totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 15.000

‒ 11.245

3.755

 

eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

‒ 9.972

‒ 9.972

 

eenmalige storting door moederdepartement (+)

 

aflossingen op leningen (-/-)

 

beroep op leenfaciliteit (+)

4.

Totaal financieringskasstroom

‒ 9.972

‒ 9.972

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

329.540

400.970

71.430

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Standen Rijkshoofdboekhouding

Opgenomen zijn de standen van de rekening-courant met de Rijkshoofdboekhouding (RHB) van het ministerie van Financiën.

Operationele kasstroom

De kasstroom van de vrije liquide middelen bedraagt in 2025 € 7,4 miljoen negatief. Deze wordt met name gedreven door een resultaat van € 1,6 miljoen, een correctie voor niet-kasstromen in het resultaat van € 7,4 miljoen en een stijging van het netto werkkapitaal van € 16,4 miljoen. De kasstromen uit het positieve resultaat zijn het gevolg van het uitvoeren van opdrachten binnen de reguliere bedrijfsvoering. De mutatie in het werkkapitaal komt voornamelijk voort uit een netto gedaalde onderhandenwerkpositie.

In onderstaande tabel wordt een specificatie gegeven van de operationele kasstroom op basis van het resultaat.

Tabel 72 Operationele kasstroom (bedragen x € 1.000)
 

2025

2024

Saldo van baten en lasten

1.616

10.699

Correctie voor niet-kasuitgaven en kasstromen uit financieringsactiviteiten

7.378

6.834

- Afschrijvingen

6.311

6.572

- Mutaties voorzieningen

3.958

6.871

- Mutatie verlofreservering

7.699

9.256

- Rentebaten

‒ 10.590

‒ 15.865

Mutatie werkkapitaal

‒ 16.389

79.040

Totaal operationele kasstroom

‒ 7.395

96.573

Investeringskasstroom

De investeringen bedragen € 11,2 miljoen en zijn € 3,8 miljoen lager dan de investeringen opgenomen in begroting 2025, maar € 2,0 miljoen hoger ten opzichte van 2024.

De investeringen van 2025 bestaan met name uit € 4,3 miljoen aan laboratorium apparatuur en € 2,3 miljoen aan ICT middelen. Daarnaast is voor € 4,5 miljoen geïnvesteerd in activa welke nog niet in gebruik genomen kunnen worden, omdat de installatie nog niet gereed is, maar welke al wel (deels) in ontvangst zijn genomen. Ook dit betreft met name investeringen in ICT middelen en laboratorium apparatuur.

De investeringen zijn kleiner dan in begroting 2025 als gevolg van uitgestelde investeringen onder andere in verband met de aanstaande verhuizing van het RIVM.

Financieringskasstroom

In 2025 is geen gebruik gemaakt van de begrote leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën vanwege de goede liquiditeitspositie. De gedane investeringen zijn gedaan uit de beschikbare liquide middelen.

In 2025 is € 10,0 miljoen teruggestort aan het moederdepartement, omdat de exploitatiereserve per balansdatum 2024 boven de omvanggrens van het eigen vermogen uitkwam.

Doelmatigheidsindicatoren

Tabel 73 Overzicht doelmatigheidsindicatoren van het baten-lastenagentschap RIVM per 31 december 2025
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

 

2022

2023

2024

2025

2025

Omschrijving Generiek Deel

     

Kostprijzen per product (groep)

0

0

0

0

0

Tarieven/uur

124,8

135,3

148,8

159,5

162,0

Omzet per productgroep (PxQ)

623.156

715.664

687.397

786.754

836.600

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

2.184

2.296

2.491

2.526

2.610

Saldo van baten en lasten (%)

‒ 0,5%

1,9%

1,5%

0,2%

0,0%

      

Omzet per productgroep

     

Strategisch Programma RIVM

11.457

12.152

11.712

14.638

Omzet per productgroep niet gesplitst afgegeven in begroting

Onderzoekingen o.b.v. uren x tarief en bijbehorende materiële kosten

397.113

492.704

474.696

502.837

Uitvoeringskosten preventieprogramma’s

200.221

195.832

182.715

254.047

ICT-dienstverlening voor andere organisaties dan het RIVM (SSC-Campus)

14.365

14.976

18.274

15.232

      

Kwaliteitsindactoren

     

1. Liquiditeit (current ratio)

1,1

1,1

1,1

1,1

1,0

2. Solvabiliteit (debt ratio)

0,9

0,9

0,9

0,9

1,0

3. Rentabiliteit eigen vermogen

‒ 12,0%

47,4%

27,0%

4,1%

0,0%

4. Percentage externe inhuur t.o.v. totale personele kosten

24,4%

26,0%

22,9%

22,2%

20,0%

5. Percentage facturen betaald binnen 30 dagen

93,2%

86,3%

92,3%

94,8%

95,0%

6. Declarabiliteit % primair proces

65,6%

64,8%

65,0%

64,7%

65,0%

7. FTE overhead als % totaal aantal FTE

16,2%

16,5%

16,7%

16,8%

20,0%

8. Ziekteverzuim

6,1%

5,7%

5,4%

5,4%

5,0%

9. % medewerkers met minimaal één gesprek in de gesprekscyclus

66,9%

61,9%

72,3%

73,7%

80,0%

Toelichting doelmatigheidsindicatoren

Uurtarieven

De uurtarieven worden jaarlijks vastgesteld door de eigenaar. De tarieven zijn ten opzichte van 2024 gestegen met gemiddeld € 10,71 per uur om de ontwikkelingen in prijsstijgingen en in maatschappelijke en organisatorische ontwikkelingen op te kunnen vangen.

Aantal fte totaal (exclusief externe inhuur)

Het RIVM streeft naar een bezetting die in lijn ligt met het opdrachtenpakket. Door een aanhoudend hoog opdrachtenpakket en een streven om het percentage externe inhuur te verlagen is het RIVM in 2025 met 35 fte gegroeid naar 2.526 fte.

Saldo van baten en lasten (% van de baten)

Het positieve percentage ten opzichte van de vastgestelde begroting is volledig toe te schrijven aan het positieve saldo van baten en lasten over 2025.

Liquiditeit/Solvabiliteit/Rentabiliteit

Voor wat betreft de financiële doelmatigheidsindicatoren steunt het RIVM op de gangbare bedrijfseconomische indicatoren liquiditeit, solvabiliteit en de rentabiliteit van het eigen vermogen. De liquiditeit (current ratio) geeft aan in hoeverre de kortlopende schulden kunnen worden voldaan vanuit de kortlopende activa. Een waarde van boven de 1 wordt over het algemeen als gezond gekenmerkt. Het RIVM voldoet hier met een waarde van 1,1 aan. De solvabiliteit (debt ratio) is door een begrenst eigen vermogen relatief hoog. Ten opzichte van voorgaande jaren is deze nagenoeg niet gewijzigd. De positieve rentabiliteit op het eigen vermogen wordt veroorzaakt door het positieve saldo van baten en lasten.

Percentage inhuur externen ten opzichte van totale personele kosten

De totale omvang van de inhuur externen bedroeg in 2025 € 79,1 miljoen. Het percentage externe inhuur komt hiermee uit op 22,2%. Dit is een daling ten opzichte van vorig jaar (23,0%), maar ligt 2,2% boven de RIVM doelstelling van 20% en 12,2% boven de Roemernorm van 10%. Door op plekken lastig in te vullen functies en kortjarige financiering van sommige opdrachten kan het RIVM daar geen structurele personeelslasten aangaan. Vooral bij de IV-organisatie en bij het domein Preventieprogramma’s en Opschaling voor de Publieke Gezondheid (PPG) is de inhuur blijvend hoog. Voor 2026 streeft het RIVM naar een verdere daling, door daar waar het kan inhuur om te zetten naar vast en/of tijdelijk eigen personeel.

Percentage facturen betaald binnen 30 dagen

Het percentage facturen dat in 2025 is betaald binnen 30 dagen bedraagt 94,8%. Daarmee is het percentage gestegen ten opzichte van 2024 (92,3%) en nadert daarmee de norm en begroting van 95%. Als gevolg van verbeterplannen en -acties in 2025 is het maandelijks percentage structureel gestegen. Verbeteringen worden in 2026 verder doorgezet en de verwachting is dat het maandelijks gemiddelde aan de norm zal voldoen.

Declarabiliteit % primair proces

In 2025 bedraagt het percentage declarabiliteit primair proces 64,7%. Dit is in lijn met de norm van 65%.

Fte overhead als % totaal aantal fte

Het percentage fte overhead ten opzichte van het totaal aantal fte in 2025 is 16,8% en is daarmee in lijn van het percentage 2024 (16,7%). Het percentage is de afgelopen jaren binnen de norm van 20% gebleven.

Ziekteverzuim

Het jaarlijks gemiddelde ziekteverzuim van 5,4% is in lijn met 2024 (5,4%). Het verzuim ligt boven de Verbaan norm van 2,6% en blijft relatief hoog. Naast het kortdurend verzuim, onder andere veroorzaakt door griepvirussen, is werkdruk een belangrijke oorzaak van verzuim. Het verzuimpercentage blijft voor het RIVM een punt van aandacht en naast het in kaart brengen van systemische werkdrukpatronen zijn verbeteracties ingezet.

% medewerkers met minimaal één gesprek in de gesprekscyclus

Het jaarlijks percentage medewerkers met minimaal één gesprek in de gesprekscyclus is 73,7%. Dit is gestegen ten opzichte van 2024, waar het percentage 72,3% was.

124

Voor boekjaar 2024 betreft dit nog te factureren onderhanden projecten waarvan de prestatie en verantwoording reeds volledig is geleverd, maar acceptatie door en financiële afwikkeling met de opdrachtgever nog niet heeft plaatsgevonden tot en met uitvoeringsjaar 2023.

11. Saldibalans

Tabel 74 Saldibalans per 31 december 2025 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) (bedragen x € 1.000)
 

ACTIVA

31-12-2025

31-12-2024

  

PASSIVA

31-12-2025

31-12-2024

 

Intra-comptabele posten

      

1)

Uitgaven ten laste van de begroting

34.830.353

38.231.075

 

2)

Ontvangsten ten gunste van de begroting

1.309.168

1.129.025

         

3)

Liquide middelen

0

0

     
         

4)

Rekening-courant RHB

0

0

 

4a)

Rekening-courant RHB

33.522.707

37.102.401

         

5)

Rekening-courant RHB begrotingsreserve

245.000

290.000

 

5a)

Begrotingsreserves

245.000

290.000

         

6)

Vorderingen buiten begrotingsverband

5.076

3.739

 

7)

Schulden buiten begrotingsverband

3.554

3.388

         

8)

Kas-transverschillen

0

0

     
 

Subtotaal intra-comptabel

35.080.429

38.524.814

  

Subtotaal intra-comptabel

35.080.429

38.524.814

 

Extra-comptabele posten

     

9)

Openstaande rechten

0

0

 

9a)

Tegenrekening openstaande rechten

0

0

         

10)

Vorderingen

1.469.760

835.410

 

10a)

Tegenrekening vorderingen

1.469.760

835.410

         

11a)

Tegenrekening schulden

0

0

 

11

Schulden

0

0

         

12)

Voorschotten

17.253.552

17.132.776

 

12a)

Tegenrekening voorschotten

17.253.552

17.132.776

         

13a)

Tegenrekening garantieverplichtingen

109.038

127.768

 

13)

Garantieverplichtingen

109.038

127.768

         

14a)

Tegenrekening andere verplichtingen

31.623.032

27.950.100

 

14)

Andere verplichtingen

31.623.032

27.950.100

         

15)

Deelnemingen

343.671

0

 

15a)

Tegenrekening deelnemingen

343.671

0

 

Subtotaal extra-comptabel

50.799.053

46.046.054

  

Subtotaal extra-comptabel

50.799.053

46.046.054

 

Overall Totaal

85.879.482

84.570.868

  

Overall Totaal

85.879.482

84.570.868

Toelichting op de saldibalans

Alle tabellen hebben als peildatum 31 december 2025 tenzij anders aangegeven.

Intra-comptabele posten (financiële posten 1 t/m 8)

Intra comptabele posten zijn de saldi op de grootboekrekeningen die op basis van het bij het Rijk gevoerde begrotings/boekhoudstelsel (verplichtingen-kasstelsel) in een dwingend evenwichtsverband met het kas/ bankboek (inclusief de rekening-courant met Financiën/RHB) worden bijgehouden.

Extra-comptabele posten (financiële posten 9 t/m 15)

Extra-comptabele posten zijn de saldi op de grootboekrekeningen die op grond van het bij het Rijk gevoerde begrotings-/boekhoudstelsel (verplichtingen-kasstelsel) niet in dwingend evenwichtsverband met het intracomptabele deel van het grootboek worden bijgehouden. Er worden extra grootboekrekeningen voor ingericht, die door middel van aanvullende boekingen worden bijgehouden (vandaar extra-comptabel). De tegenrekeningen die daarbij worden gebruikt, zijn nodig om pro forma het evenwichtsverband in stand te kunnen houden. De cijfers in de saldibalans zijn vermeld in duizendtallen en afgerond naar boven. Hierdoor kunnen bij het subtotaal en het totaal afrondingsverschillen optreden.

Ad 1 en 2) Uitgaven ten laste en –ontvangsten ten gunste van de begroting

Onder de posten uitgaven en ontvangsten zijn de per saldo gerealiseerde begrotingsuitgaven en -ontvangsten opgenomen. De bedragen komen overeen met de bedragen uit de verantwoordingsstaat. Door een verschillende afrondingssystematiek kunnen kleine afrondingsverschillen ontstaan (maximaal aantal begrotingsartikelen*1 (in duizenden)) tussen de posten ‘Uitgaven en ontvangsten ten laste van de begroting’ en de bedragen in de Verantwoordingsstaat.

Ad 3) Liquide middelen

De post Liquide middelen is opgebouwd uit het saldo van de banken en de contante gelden. Als bedrag voor het banksaldo wordt opgenomen de stand van de bankrekeningen die meelopen in het saldo loos betalingsverkeer via de schatkist van het Rijk. Van dit saldo ontvangen de ministeries een opgave van de RHB. Het ministerie van VWS heeft vanwege saldoregulatie geen saldo op haar bankrekeningen.

Ad 4 en 4a) Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding

Deze post geeft per saldo de financiële verhouding met de Rijkshoofdboekhouding weer. Het bedrag per 31 december 2025 is in overeenstemming met de opgave van de Rijkshoofdboekhouding.

Ad 5 en 5a) Begrotingsreserves

Een begrotingsreserve is een meerjarige budgettaire voorziening die op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën wordt aangehouden. Het gaat om een budgettaire voorziening of reserve binnen de Rijksbegroting. De reserve blijft meerjarig beschikbaar voor het doen van uitgaven in latere jaren. Voor de begrotingsreserve WFZ, Pallas en Stimuleringsfonds wonen en zorg wordt een rekening-courant aangehouden bij het Ministerie van Financiën.

Tabel 75 Begrotingsreserve (bedragen x € 1.000)

Naam begrotingsreserve

Saldo 1-1-2025

Toevoegingen 2025

Ontrekkingen 2025

Saldo 31-12-2025

Artikel

VWS begrotingsreserveStimuleringsregeling wonen en zorg

50.000

0

50.000

0

3

VWS begrotingsreserve Pallas

200.000

0

0

200.000

4

VWS begrotingsreserve WFZ

40.000

5.000

0

45.000

9

Totaal

290.000

5.000

50.000

245.000

 

Begrotingsreserve WFZ

In het kader van de verdere beperking van de risico’s rond de achterborgstelling van het Rijk bij het WFZ wordt er vanaf het jaar 2017 een begrotingsreserve aangelegd voor eventuele schade.

Begrotingsreserve Stimuleringsregeling wonen en zorg

Dit betreft de stimuleringsregeling woonzorg arrangementen. De stimuleringsregeling bestaat voor een deel uit een borgstellingsregeling. Voor eventuele verliezen worden middelen gereserveerd. Deze begrotingsreserve is in 2025 naar nul afgebouwd.

Begrotingsreserve Pallas

De Staat staat garant voor de ontmantelingskosten van de reactor van Pallas zolang de ontmantelingsreserve van Pallas zelf ontoereikend is. In 2025 hebben geen mutaties plaatsgevonden.

Ad 6) Vorderingen buiten begrotingsverband

Deze post betreft het saldo van de uitgaven waarvan verrekening met derden nog zal plaatsvinden.

Tabel 76 Vorderingen buiten begrotingsverband (bedragen x € 1.000)

Vorderingen buiten begrotingsverband

31-12-2025

Personeel

218

Belastingdienst

2.665

Overig

2.193

Totaal

5.076

De vorderingen buiten begrotingsverband worden hieronder toegelicht:

  • Personeel, dit betreffen vooruitbetaalde pensioenpremies en scholingskosten aan medewerkers, nog te vorderen bedragen op medewerkers en vooruitbetaalde salarissen en betalingen aan derden welke moeten verantwoord op de begrotingsuitgaven en moeten worden doorbelast aan de agentschappen.

  • Belastingdienst betreft een bedrag aan te vorderen BTW.

  • Overige, betreffen diverse posten die nog met derden verrekend moeten worden. Het  grootste betreft het saldo van ontvangsten en betalingen door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek voor aanvragen en beoordelingen van onderzoek dat onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) valt. Dit moet vooraf worden getoetst door een onafhankelijke commissie van deskundigen.

Ad 7) Schulden buiten begrotingsverband

Deze post betreft het saldo van de ontvangsten, waarvan verrekening met derden nog zal plaatsvinden.

Tabel 77 Schulden buiten begrotingsverband (bedragen x € 1.000)

Schulden buiten begrotingsverband

31-12-2025

Belastingdienst

29

Overig

3.525

Totaal

3.554

De schulden buiten begrotingsverband worden hieronder toegelicht:

  • De post afdracht belastingdienst betreft de omzetbelasting.

  • Diversen, dit betreft voornamelijk ontvangsten met betrekking tot EU subsidiegelden waar in toekomstige jaren uitgaven tegenover staan.

Ad 8) Kas-transverschillen

Op deze post worden bedragen opgenomen welke zijn verantwoord in de uitgaven en ontvangsten, maar nog niet daadwerkelijk per kas zijn uitgegeven en ontvangen. Deze post is alleen van toepassing op Hoofdstuk 9A (Nationale Schuld).

Ad 9 en 9a) Openstaande rechten

Openstaande rechten zijn vorderingen die niet voortvloeien uit met derden te verrekenen begrotingsuitgaven, maar die op andere wijze zijn ontstaan. Zo kunnen rechten ontstaan doordat conform wettelijke regelingen vastgestelde aanslagen aan derden worden opgelegd (bijvoorbeeld belastingen, college- en schoolgelden). Openstaande rechten doen zich bij het ministerie van VWS niet voor.

Ad 10 en 10a) Vorderingen

Vorderingen kunnen zijn voortgevloeid uit wettelijke heffingen, vorderingen van eerder gedane voorwaardelijke uitgaven en vorderingen uit verkoop of dienstverlening.

Tabel 78 Openstaande vorderingen naar ontstaansjaar (exclusief zorgtoeslag) (bedragen x € 1.000)
 

Herrubricering in 2025

31-12-2025

t/m 2021

118.246

174.694

2022

62.084

72.640

2023

152.592

193.688

2024

284.301

330.340

2025

 

114.702

Totaal

617.224

886.065

Toelichting herrubricering

In 2025 zijn voorschotten geherrubriceerd naar de vorderingen (zie toelichting voorschotten). Het oorspronkelijke ontstaansjaar van de voorschotten is overgenomen in de bovenstaande tabel «Openstaande vorderingen naar ontstaansjaar».

Het vorderingensaldo (exclusief zorgtoeslag) van € 886,1 miljoen.

De openstaande vorderingen bestaan uit:

  • vorderingen voor een bedrag van € 112,3 miljoen. Voornamelijk in verband met afgerekende subsidie-voorschotten. Hiervan bedraagt € 21,0 miljoen vorderingen voortkomend uit de afgerekende voorschotten van de crisis-regelingen (Coronabanen in de Zorg en Bonusregeling). Bekend is dat bij de openstaande vorderingen van de zogenaamde corona-crisisregelingen sprake is van misbruik- en oneigenlijk gebruik.

  • vorderingen voor een bedrag van € 773,8 miljoen bestaande uit onder meer:

  • vordering van € 43,4 miljoen. Wegens niet nagekomen leveringsplicht van mondkapjes. Er dient rekening gehouden te worden dat een aanzienlijk deel hiervan niet te verhalen zal blijken te zijn.

  • vorderingen met betrekking tot het innen van opgelegde bestuurlijke boetes uit hoofde van de Geneesmiddelenwet, Warenwet, Drank- en Horecawet, Tabakswet van € 7,3 miljoen;

  • de op termijn opeisbare vorderingen van € 703,6 miljoen. Deze zijn hierna toegelicht;

  • overige vorderingen optellend tot € 19,5 miljoen.

Van de vorderingen naar ontstaansjaar van 2021 en ouder bedragen. Een deel van deze vorderingen zijn ingesteld op organisaties waar een faillissementsprocedure op loopt. Er dient rekening gehouden te worden dat een deel hiervan niet te verhalen zal blijken te zijn.

Tabel 79 Opeisbaarheid van de vorderingen (inclusief zorgtoeslag) (bedragen x € 1.000)
 

31-12-2025

Direct opeisbaar

766.150

Op termijn opeisbaar

703.610

Geconditioneerd

0

Totaal

1.469.760

Een toelichting op de opeisbaarheid van vorderingen is:

  • een vordering die op termijn opeisbaar is, betreft een vordering van € 5,0 miljoen. Van PD-ALT (onderdeel VWS) op de eigenaar van het RIVM terrein (PSP). Deze wordt verrekend met toekomstige verplichtingen rondom het schoon opleveren van het terrein (na verhuizing RIVM naar de nieuwbouw) aan PSP;

  • een vordering die op termijn opeisbaar is, betreft een lening aan NRG Pallas B.V. van € 661,5 miljoen;

  • vordering die op termijn opeisbaar is, betreft een vordering van € 37,1 miljoen. Bij de oprichting van het Waarborgfonds Zorgsector heeft de overheid € 54,5 miljoen gestort. Het risicovermorgen van het fonds is inmiddels van voldoende omvang waardoor de terugbetalingsregeling in werking is getreden.

Tabel 80 Vorderingen naar ouderdom zorgtoeslag (bedragen x € 1.000)

Toeslagjaar

Openstaand 1-1-2025

Ingestelde vorderingen

Ontvangsten

Afboekingen

Openstaand 31-12-2025

t/m 2021

196.548

4.655

30.546

17.394

153.262

2022

109.103

16.716

50.992

2.466

72.361

2023

209.794

68.589

148.834

5.265

124.284

2024

50.670

393.891

265.417

3.287

175.857

2025

0

170.536

112.068

539

57.930

Totaal

566.115

654.387

607.857

28.951

583.694

In de jaren 2019-2024 heeft VWS leningen verstrekt aan de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor. In juli 2024 heeft de Europese Commissie aangegeven dat zij geen bezwaren heeft tegen deze steunverlening. Door deze goedkeuring is de steun inhoudelijk rechtmatig geworden (terugwerkend én vooruitwerkend). De steun zelf hoeft dan ook niet te worden teruggevorderd. Desalniettemin is door het verstrekken van de leningen vooruitlopend op de goedkeuring door de Europese Commissie de standstill-bepaling geschonden. Het afgelopen jaar is interdepartementaal besproken of naar aanleiding van deze schending onrechtmatigheidsrente moet worden teruggevorderd bij de Stichting. Uit dit overleg blijkt dat niet kan worden gesteld dat er een verplichting bestaat tot het terugvorderen van onrechtmatigheidsrente. Tevens blijkt dat het bestaan én de omvang van een eventuele rentevordering juridisch onzeker zijn en niet kunnen worden gekwantificeerd op een wijze die voldoet aan de vereisten voor verwerking in de financiële verantwoording.

Ad 11 en 11a) Schulden

Schulden zijn voortgekomen uit ontvangsten ten gunste van de begroting. Het Ministerie van VWS heeft geen schulden.

Ad 12 en 12a) Voorschotten

Onder de post voorschotten zijn per saldo de bedragen opgenomen die aan derden zijn betaald vooruitlopend op later definitief vast te stellen of af te rekenen bedragen. Het totaal aan openstaande voorschotten exclusief de zorgtoeslag bedraagt € 9,8 miljard.

Tabel 81 Voorschotten naar ouderdom (exclusief zorgtoeslag) (bedragen x € 1.000)
 

Openstaand 1-1-2025

Verstrekt in 2025

Afgerekend in 2025

Herrubricering in 2025

Stand per 31-12-2025

t/m 2021

703.620

 

196.054

108.000

399.566

2022

966.070

 

550.842

60.000

355.228

2023

2.938.460

 

1.696.750

148.700

1.093.010

2024

5.453.206

 

2.340.379

277.906

2.834.921

2025

 

5.197.331

89.082

 

5.108.249

Totaal

10.061.356

5.197.331

4.873.107

594.606

9.790.974

Herrubricering

In 2025 is een credit agreement afgesloten tussen het ministerie en NRG Pallas BV voor de bouw van een nieuwe reactor voor de productie van medische isotopen. Onderdeel van deze credit agreement zijn voorschotten die eerder zijn verstrekt als subsidie. Op basis van de voorwaarden in de credit agreement zijn deze voorschotten geherrubriceerd naar de post vorderingen.

Tabel 82 Voorschotten naar ouderdom zorgtoeslag (bedragen x € 1.000)

Toeslagjaar

Openstaand 1-1-2025

Verstrekt in 2025

Afgerekend in 2025

Stand per 31-12-2025

t/m 2021

11.888

0

11.428

460

2022

48.646

0

34.640

14.006

2023

368.975

0

294.099

74.876

2024

6.094.053

120.788

5.867.834

347.007

2025

547.858

5.943.861

0

6.491.719

2026

 

534.510

 

534.510

Totaal

7.071.420

6.599.159

6.208.000

7.462.578

Tabel 83 Openstaande voorschotten op artikelniveau (bedragen x € 1.000)

Art

Omschrijving

31-12-2025

1

Volksgezondheid

4.299.687

2

Curatieve Zorg

564.391

3

Langdurige zorg en ondersteuning

1.343.025

4

Zorgbreed beleid

1.866.767

5

Jeugd

554.499

6

Sport en bewegen

685.364

7

Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

435.074

8

Tegemoetkoming specifieke kosten

7.462.579

9

Algemeen

25.713

10

Apparaat Kerndepartement

16.453

Totaal

 

17.253.552

De voorschotten groter dan € 100,0 miljoen betreffen naast de Zorgtoeslag:

Artikel 1 Volksgezondheid

De openstaande voorschotten hebben met name betrekking op het RIVM (€ 1,4 miljard), ZonMW (€ 425,9 miljoen), de Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid / GGD GHOR (€ 207,3 miljoen), Stichting Bevolkingsonderzoek Nederland (€ 154,3 miljoen), SNPG (€ 152,5 miljoen) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (€ 150,0 miljoen).

Artikel 3 MO en LZ

De openstaande voorschotten hebben met name betrekking op bijdrage aan Centrum Indicatiestelling Zorg (€ 149,7 miljoen) en subsidie aan Stichting Vilans (€ 119,1 miljoen).

Artikel 4 Zorgbreed beleid

De openstaande voorschotten hebben met name betrekking op een subsidie aan de Coöperatief Samenwerkende Regio’s (€ 301,4 miljoen), bekostiging van RCN Zorgcontracten ZJCN voor verschillende organisaties (€ 157,2 miljoen), bijdragen aan het CAK (€ 157,1 miljoen), een subsidie aan Stichting Regioplus Arbeidsmarkt (€ 139,8 miljoen).

Artikel 6 Sport

De openstaande voorschotten hebben met name betrekking op subsidie aan het NOC*NSF (€ 171,6 miljoen).

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

De openstaande voorschotten op dit artikel hebben betrekking op de wetten Wereldoorlog II aan de Sociale Verzekeringsbank (€ 366,5 miljoen).

Ad 13 en 13a) Garantieverplichtingen

Onder deze post is het saldo van de garantieverplichtingen opgenomen. Een garantieverplichting wordt gezien als een voorwaardelijke financiële verplichting aan een derde, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Een verschil tussen een garantieverplichting en een andere verplichting is dat de hoofdsom van een garantie veelal niet of slechts gedeeltelijk tot uitbetaling zal komen.

Tabel 84 Verloop van de uitstaande garantieverplichtingen WFZ (bedragen x € 1.000)

Stand per 1 januari 2025

516.287

Aanpassing beginstand in verband met de doorlichting van de leningsgegevens door het waarborgfonds voor de Zorgsector.

0

Verleende garanties in het verslagjaar

1.138

Verleende garanties in het verslagjaar als gevolg van herfinanciering

0

Vervallen garanties in het verslagjaar

78.911

Vervallen garanties in het verslagjaar als gevolg van herfinancieringen

0

Stand per 31 december 2025

438.514

Tabel 85 Verloop van het feitelijk risico van de garantieverplichtingen WFZ op basis van de schuldrestant van de leningen (bedragen x € 1.000)

Stand per 1 januari 2025

97.290

Aanpassing beginstand in verband met de doorlichting van de leningsgegevens door het waarborgfonds voor de Zorgsector en correcties op voorgaande jaren die nog niet waren verwerkt.

0

Stortingen in het verslagjaar (inclusief herfinancieringen)

1.138

Aflossingen/afboekingen in het verslagjaar (inclusief herfinancieringen)

21.099

Stand per 31 december 2025

77.329

Tabel 86 Verloop van het feitelijk risico van de garantieverplichtingen NRG Petten op basis van de schuldrestant van de leningen (bedragen x € 1.000)

Stand per 1 januari 2025

27.978

Stortingen in het verslagjaar

1.231

Aflossingen/afboekingen in het verslagjaar

 

Stand per 31 december 2025

29.209

Aan NRG Pallas BV voorheen Stichting Nuclear Research and Consultancy Group (NRG) is door het ministerie van EZK een lening verstrekt voor het uitwerken en uitvoeren van een Herstelplan, in algemene zin gericht op de continuïteit van de bedrijfsvoering van NRG en in het bijzonder op het scheppen van de noodzakelijke financiële, technische, commerciële en organisatorische voorwaarden voor het in bedrijf houden van de Hoge Flux Reactor (HFR). Het ministerie van VWS staat voor 40% garant voor deze lening.

Tabel 87 Verloop van de garantie verplichtingen (bedragen x € 1.000)

Stand in SAP per 1 januari 2025

2.500

Aangegane verplichtingen

0

Tot betaling gekomen verplichtingen

0

Negatieve bijstellingen

0

Stand per 31 december 2025

2.500

Stichting Open Nederland (SON) die testcapaciteit voor toegangstesten heeft georganiseerd om de samenleving zoveel mogelijk open te houden, heeft een verzekering gevonden die met terugwerkende kracht per 21 april 2021 ingaat. Deze verzekering dekt niet alles. Het ministerie van VWS heeft daarom een garantie verstrekt met een plafond van € 2,5 miljoen voor mogelijke juridische kosten en claims die niet gedekt worden door de verzekering. De Stichting heeft dit comfort nodig om de leden van de raad van toezicht en de leden van het bestuur de zekerheid te kunnen bieden dat zij geen persoonlijke schade kunnen ondervinden van hun functie. Het toetsingskader is opgenomen in de bijlage van de achtste incidentele suppletoire begroting van 2022.

Ad 14 en 14a) Andere verplichtingen

De post openstaande verplichtingen vormt het saldo van de aangegane verplichtingen, hierop verrichte betalingen en bijstellingen van in eerdere begrotingsjaren aangegane verplichtingen.

Tabel 88 Verloop van de andere verplichtingen (bedragen x € 1.000)

Stand per 1 januari 2025

27.950.100

Aangegane verplichtingen

40.443.821

Tot betaling gekomen verplichtingen

34.830.353

Negatieve bijstellingen

1.940.536

Stand per 31 december 2025

31.623.032

De specificatie van de openstaande verplichtingen per artikel ultimo 2025 is hieronder opgenomen.

Tabel 89 Andere verplichtingen per artikel (bedragen x € 1.000)

Artikel

Artikel omschrijving

31-12-2025

1

Volksgezondheid

2.919.792

2

Curatieve Zorg

1.451.704

3

MO en LZ

901.808

4

Zorgbreed beleid

976.044

5

Jeugd

144.313

6

Sport

157.489

7

Oorlogsgetroffenen

22.149

8

Tegemoetkomingen en Rijksbijdragen

24.943.300

9

Algemeen

35.914

10

Apparaatuitgaven

70.519

Eindtotaal

 

31.623.032

De openstaande verplichtingen groter dan € 100,0 miljoen zijn hieronder toegelicht:

Artikel 1 Volksgezondheid  

De grootste openstaande verplichtingen op dit artikel hebben met name betrekking op bijdragen aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (€ 156,2 miljoen), RIVM (€ 494,0 miljoen) en ZonMw (€ 1,5 miljard) en subsidie aan Stichting Bevolkingsonderzoek Nederland (€ 143,8 miljoen),

Artikel 2 Curatieve Zorg

De grootste openstaande verplichtingen op dit artikel hebben betrekking op de subsidie aan Zorginstituut Nederland (€ 109,3 miljoen) en vermogensverschaffing en lening aan NRG PALLAS (€ 994,3 miljoen).

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning                                              

De grootste openstaande verplichtingen op dit artikel hebben betrekking op bijdrage aan Centrum Indicatiestelling Zorg (€ 153,1 miljoen) en subsidies aan derden via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (€ 105,7 miljoen).

Artikel 4 Zorgbreed beleid                                                                           

De grootste openstaande verplichting op dit artikel is een bijdrage aan het CAK (€ 144,3 miljoen).

Artikel 8  Tegemoetkomingen en Rijksbijdragen             

De grootste openstaande verplichting op dit artikel hebben betrekking op de Rijksbijdrage tot 18 jaar (€ 3,4 miljard), Rijksbijdrage Wlz (€ 15,1 miljard) en bijdrage kosten in kortingen (€ 6,3 miljard) aan Zorginstituut Nederland.

Negatieve bijstellingen

De rijksbijdrage Wlz aan het Fonds langdurige zorg is in 2025 neerwaarts bijgesteld als gevolg van een lager verwacht fondstekort. De belangrijkste oorzaken zijn het geraamde fondsoverschot van € 1,6 miljard over 2024, zoals toegelicht in het Jaarverslag 2024, en € 1,1 miljard lagere geraamde Wlz-uitgaven in 2025. Samen met de bijgestelde ramingen van de premieontvangsten en van de BIKK over 2025 leidt dit tot een neerwaartse bijstelling van het verwachte fondstekort in 2025 met € 1,8 miljard. De rijksbijdrage Wlz is met hetzelfde bedrag verlaagd om ultimo 2025 naar verwachting op een nihil fondssaldo uit te komen.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Achterborg

Het Ministerie van VWS is achterborg voor het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ). Het totaalbedrag aan uitstaande verplichtingen is, volgens informatie van het WFZ, € 5,6miljard. Dit bedrag is de uitstaande restschuld per 2024. Het Ministerie van VWS staat daadwerkelijk borg, indien het risicovermogen van het WFZ en de obligoverplichting van 3% van het restant geborgde leningen van de deelnemers tezamen niet voldoende is om het WFZ aan zijn verplichtingen jegens geldgevers te laten voldoen. Via renteloze leningen van VWS aan het WFZ wordt in die situatie invulling gegeven aan het borg staan.

Lopende geschillen

De onderstaande lopende juridische geschillen hebben een mogelijke financiële impact:

Staat (VWS) / Connexxion (hoger beroep)

Er loopt een rechtszaak over de gunning in 2012 van een opdracht voor Valys-vervoer. Connexxion Taxi Services B.V. (CTS) vindt dat VWS de opdracht ten onrechte niet aan haar heeft gegund. Bij arrest van 21 november 2025 heeft de Hoge Raad het eerdere vonnis van het Gerechtshof vernietigd. De Hoge Raad heeft bepaald dat VWS in een klempositie verkeerde. Het hof zal opnieuw moeten beoordelen en beslissen of VWS onrechtmatig heeft gehandeld door de Combinatie niet uit te sluiten van de opdracht, en of de opdracht aan CTS gegund had moeten worden. Het hof zal moeten beoordelen of VWS wel of niet aan het evenredigheidsbeginsel mocht toetsen. Hierbij moet het hof het oordeel van de Hoge Raad in acht nemen, met dien verstande dat zij de klempositie waarin VWS verkeerde meeweegt in haar oordeel. Het hof zal niet beslissen over de hoogte van de vordering (ad EUR 89 miljoen). Mocht het hof CTS toch gelijk geven, dan zal in een aparte schadestaatprocedure de schade moeten worden begroot

Staat (VWS) / Breathomix

Breathomix heeft ademtesten aan VWS geleaset en de bijbehorende verbruiksartikelen en diensten geleverd. De ademtest bleek in de praktijk niet de vooraf beloofde en in de overeenkomst vervatte prestaties te kunnen leveren. VWS heeft daarom de overeenkomst met Breathomix ontbonden. Partijen hebben vervolgens geprocedeerd bij de rechtbank, waarbij Breathomix betaling van € 24.713.233,- vermeerderd met de wettelijke rente, heeft gevorderd en VWS op haar beurt betaling van € 17.700.000,- vermeerderd met de wettelijke rente, van Breathomix eist. Op 20 december 2023 heeft de rechtbank Breathomix veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.872.625,- aan VWS, te weten het bedrag dat Breathomix in juni 2021 als interim dividend heeft uitgekeerd aan de aandeelhouders (vermeerderd met de wettelijke rente). Breathomix heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, welk hoger beroep nog loopt.

Staat (VWS) / Eurofins Nederlands Moleculair Diagnostisch Laboratorium B.V.

Eurofins heeft ten tijde van de coronapandemie PCR-test analysecapaciteit aan VWS geleverd. Overeengekomen was dat Eurofins een minimum gegarandeerde testcapaciteit per dag beschikbaar had. Voor deze garantie betaalde VWS een vergoeding. VWS had aanwijzingen dat Eurofins de gegarandeerde capaciteit niet werkelijk beschikbaar had en heeft om die reden de betaling van een factuur van Eurofins van € 19.506.400,- opgeschort. Eurofins heeft VWS gedagvaard en vordert betaling van de openstaande factuur, vermeerderd met de wettelijke rente. VWS vordert op haar beurt betaling van een bedrag € 34.325.495,- (de ten onrechte betaalde vergoeding), vermeerderd met de wettelijke rente, tenzij Eurofins kan aantonen dat het de gegarandeerde capaciteit wel heeft gehad. Bij vonnis van 10 april 2024 heeft de rechtbank de vordering van Eurofins toegewezen en die van VWS afgewezen. VWS heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is momenteel aanhangig bij het hof Den Haag.

Schijnzelfstandigheid (wet DBA)

Binnen het Ministerie van VWS zijn is er geen directe inhuur met schijnzelfstandigheid. Meer informatie hierover is opgenomen in de Bedrijfsvoeringsparagraaf.

Deelnemingen

In 2025 is het Ministerie van VWS voor 100% aandeelhouder geworden van NRG PALLAS. Naast de storting van in het kapitaal van 10 aandelen voor een bedrag van € 10.000,00 verstrekt het Ministerie van VWS ook bijdragen ten behoeve van het eigen vermogen van NRG PALLAS. De storting in het kapitaal en de bijdragen ten behoeve van het eigen vermogen vormen samen de waardering van de deelneming.

Tabel 90 Deelnemingen (bedragen x € 1.000)

Stand per 1 januari 2025

0

Mutaties 2025

343.671

Stand per 31 december 2025

343.671

12. WNT-verantwoording 2025 Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

De Wet normering topinkomens (WNT) bepaalt dat de bezoldiging en eventuele ontslaguitkeringen van topfunctionarissen in de publieke en semi-publieke sector op naamsniveau vermeld moeten worden in het financieel jaarverslag. Deze publicatieplicht geldt tevens voor topfunctionarissen die bij een WNT-instelling een - al dan niet fictieve - dienstbetrekking hebben of hadden. Daarnaast moeten van niet-topfunctionarissen de bezoldiging (zonder naamsvermelding) gepubliceerd worden indien deze het wettelijk bezoldigingsmaximum te boven gaan. Niet-topfunctionarissen zonder dienstverband vallen echter buiten de reikwijdte van de wet. Voor dit departement heeft de publicatieplicht betrekking op onderstaande functionarissen. De bezoldigingsgegevens van de leden van de Top Management Groep zijn opgenomen in het jaarverslag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Het geldende normenkader is te vinden via www.topinkomens.nl, daarbij gaat het onder meer om: de Wet normering topinkomens (WNT), het Uitvoeringsbesluit WNT, de Uitvoeringsregeling WNT, de Regeling Controleprotocol WNT 2025 en de Beleidsregels WNT 2025. Hier kan men ook terecht voor de antwoorden op veelgestelde vragen en een overzicht van de geldende bezoldigingsmaxima.

Het algemeen bezoldigingsmaximum bedraagt zoals dit is opgenomen in artikel 2.3 van de WNT bedraagt in 2025 € 246.000.

Tabel 91 Bezoldiging van topfunctionarissen

Naam instelling

Naam topfunctionaris

Functie(s) (+ tussen haakjes gegevens van 2024)

Datum aanvang functievervulling in 2025 (+ tussen haakjesa gegevens van 2024)

Datum einde functievervulling in 2025 (+ tussen haakjes gegevens van 2024)

Dienstverband in fte (+ tussen haakjes omvang in 2024)

Op externe inhuur-basis (nee; <= 12 kalender-mnd; >12 kalender-mnd)

Beloning plus onkostenvergoedingen (belast) (+ tussen haakjes bedrag in 2024)

Voorzieningen t.b.v. beloningen betaalbaar op termijn (+ tussen haakjes bedrag in 2024)

Totale bezoldiging in 2025 (+ tussen haakjes bedrag in 2024)

Individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum (+ tussen haakjes bedrag 2024)

Motivering en bedrag (indien overschrijding)

CCMO

Dhr. prof. dr. J.M.A. van Gerven**

Voorzitter (Voorzitter)

1-1-2025 (1-1-2024)

15-6-2025 (31-12-2024)

1,00(1,00)

>12 mnd.

123.000(233.000)

0(0)

123.000(233.000)

111.205 (233.000)

11.795

CCMO

Dhr. prof. dr. M. Boele van Hensbroek

Voorzitter (Voorzitter)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,558(0,222)

nee

105.807(30.739)

12.797(4.922)

118.604(35.661)

137.268 (51.778)

 

CCMO

Dhr. dr. T.J. Giezen

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-2-2024)

31-8-2025 (31-12-2024)

0,111 (0,111)

> 12 mnd

15.022 (9.808)

0(0)

15.022 (9.808)

18.179 (23.696)

 

CCMO

Dhr. dr. T.J. Giezen

Vicevoorzitter (-)

1-9-2025 (-)

31-12-2025 (-)

0,222(-)

<=12 mnd.

8.831(0)

0(0)

8.831(0)

18.254(0)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. J.J. van Lanschot

Vicevoorzitter (Vicevoorzitter)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,222(0,222)

nee

32.056(30.739)

908(4.922)

32.964(35.661)

54.612 (51.778)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. F.R. Rosendaal

Vicevoorzitter (Vicevoorzitter)

1-1-2025 (1-1-2024)

1-6-2025 (31-12-2024)

0,222(0,222)

nee

13.357(30.739)

2.133(4.922)

15.490(35.661)

22.593 (51.778)

 

CCMO

Dhr. drs. C.A. van Belkum

Secretaris (Secretaris)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

1,00(1,00)

nee

154.484(149.704)

23.067(23.185)

177.551(172.890)

246.000 (233.000)

 

CCMO

Mevr. Dr. E.B. Baart

Lid College (-)

1-7-2025 (-)

31-12-2025 (-)

0,111(-)

nee

8.014(0)

1.280(0)

9.294(0)

13.765(0)

 

CCMO

Mevr. prof. dr. K.W.M. Bloemenkamp

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

>12 mnd.

11.978(11.978)

0(0)

11.978(11.978)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Mevr. prof. dr. J.G. van der Bom

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

2.559( 2.461)

18.587(17.831)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Mevr. Dr. M.M.M.G. Brands

Lid College (-)

1-6-2025 (-)

31-12-2025 (-)

0,111(-)

nee

9.350(0)

1.493(0)

10.843(0)

16.010(0)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. M.P.H. van den Broek

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

2.559(2.461)

18.587(17.831)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. Prof. Dr. J. Burggraaf

Lid College (-)

1-6-2025 (-)

31-12-2025 (-)

0,111(-)

nee

9.350(0)

1.493(0)

10.843(0)

16.010(0)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. J.J. van Busschbach*

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

>12 mnd.

28.074(13.363)

0(0)

28.074(13.363)

27.306 (25.889)

768

CCMO

Dhr. prof. dr.A.C.G. Egberts

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

>12 mnd.

13.363(14.711)

0(0)

13.363(14.711)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. prof. dr.W.E. Fibbe

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

0(0)

16.028(15.369)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. T.van Gelder

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

1-6-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

6.678(15.369)

1.066( 2.461)

7.744(17.831)

11.296 (25.889)

 

CCMO

Mevr. Dr. R. van der Graaf

Lid College (-)

1-4-2025 (-)

31-12-2025 (-)

0,111(-)

<=12 mnd.

3.962(0)

0(0)

3.962(0)

20.573(0)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. J.B.A.G. Haanen

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

2.559( 2.461)

18.587(17.831)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Mevr. mr. dr. R.E. van Hellemondt

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

2.559( 2.461)

18.587(17.831)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. dr. W.G.Ista

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

2.559( 2.461)

18.587(17.831)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. prof. dr.C.J. Kalkman***

Lid College (Lid College)

 

1-1-2025

       

CCMO

Dhr. prof. dr.J.G.W. Kosterink

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

2.559( 2.461)

18.587(17.831)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. dr. S.M.J. van Kuijk

Lid College (-)

1-6-2025 (-)

31-12-2025 (-)

0,111(-)

nee

9.350(0)

1.493(0)

10.843(0)

16.010(0)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. P.H.M. van der Kuy

Lid College (-)

1-11-2025 (-)

31-12-2025 (-)

0,111(-)

nee

2.671(0)

427(0)

3.098(0)

4.563(0)

 

CCMO

Mevr. mr. H.J.M. van Lierop

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

>12 mnd.

20.527(9.870)

0(0)

20.527(9.870)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. prof. dr.C.N.L. Olivers

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

>12 mnd.

7.355(14.711)

0(0)

7.355(14.711)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Mevr. mr. dr.M.C. Ploem

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

>12 mnd.

14.071(17.589 )

0(0)

14.071(17.589 )

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. S.Repping

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

1-5-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

>12 mnd.

5.366(30.417 )

0(0)

5.366(30.417 )

8.977 (25.889)

 

CCMO

Mevr. dr. G.J.M.W. van Thiel*

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

1-2-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

>12 mnd.

9.559(18.977)

0(0)

9.559(18.977)

2.319 (25.889)

7.240

CCMO

Mevr. dr. F.H.J. van Tienen

Lid College (-)

1-2-2025 (-)

31-12-2025 (-)

0,111(-)

<=12 mnd.

14.692(0)

0(0)

14.692(0)

24.987(0)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. D.Tibboel

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

1-4-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

4.007(15.369)

0(0)

4.007(15.369)

6.733 (25.889)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. ir. R.M. Verdaasdonk

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

>12 mnd.

14.711(14.711)

0(0)

14.711(14.711)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. dr. H. Vermeulen

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

2.559( 2.461)

18.587(17.831)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Mevr. prof. dr.H. Vermeulen

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

2.559( 2.461)

18.587(17.831)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Mevr. dr.J.Y. Vis

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-12-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028 (1.336)

2.559 (215)

18.587 (1.551)

27.306 (2.193)

 

CCMO

Mevr. prof. dr.I.J.M. de Vries

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

2.559( 2.461)

18.587(17.831)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Mevr. prof. dr.M.C. de Vries

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

>12 mnd.

18.389(11.033)

0(0)

18.389(11.033)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. N.de Vries

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

2.559( 2.461)

18.587(17.831)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Mevr. prof. dr. S.N. de Wildt

Lid College (-)

1-7-2025 (-)

31-12-2025 (-)

0,111(-)

<=12 mnd.

5.519(0)

0(0)

5.519(0)

13.765(0)

 

CCMO

Dhr. baron mr.H.C.R.M. de Wijkersloothde Weerdesteijn

Lid College (Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111(0,111)

nee

16.028(15.369)

0(0)

16.028(15.369)

27.306 (25.889)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. T. van Gelder

Extern adviseur (-)

1-6-2025 (-)

1-7-2025 (-)

0,111(-)

<=12 mnd.

2.000(0)

0( 0)

2.000(0)

2.244(0)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. F.R. Rosendaal

Extern adviseur (-)

1-6-2025 (-)

1-7-2025 (-)

0,111(-)

<=12 mnd.

800(0)

0(0)

800(0)

2.244(0)

 

CCMO

Dhr. prof. dr. D. Tibboel

Extern adviseur (-)

1-6-2025 (-)

1-9-2025 (-)

0,111(-)

<=12 mnd.

3.800(0)

0(0)

3.800(0)

6.883(0)

 
            

CBG

Dhr. em. prof. dr. A. de Boer

Voorzitter (Voorzitter)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

1,00(1,00)

nee

149.458 (142.555)

23.034 (22.150)

172.492 (164.705)

246.000(233.000)

 

CBG

Dhr. prof. dr. ir. H. Boersma

Plv voorzitter(Plv voorzitter)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,276(0,240)

nee

45.664(37.520)

6.354(5.256)

52.018(42.776)

67.896(55.368)

 

CBG

Mevr. dr. V.H.M. Deneer

Plv voorzitter(Plv voorzitter)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,250(0,250)

nee

39.823(37.871)

5.759(5.538)

45.582(43.409)

61.500(58.250)

 

CBG

Mevr. dr. J.N. Belo

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

27.115(25.225)

3.692(3.550)

30.807(28.775)

39.360(37.345)

 

CBG

Mevr. prof. dr. A.M. Bosch

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

26.410(24.990)

3.692(3.550)

30.102(28.540)

39.360(37.345)

 

CBG

Dhr. prof. dr. M.L. Bouvy

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

26.645(25.460)

3.692(3.550)

30.337(29.010)

39.360(37.345)

 

CBG

Dhr. prof. dr. O.M. Dekkers

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

23.120(25.695)

3.692(3.550)

26.812(29.245)

39.360(37.345)

 

CBG

Mevr. dr. A. de Goede

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

27.115(25.460)

3.692(3.550)

30.807(29.010)

39.360(37.345)

 

CBG

Dhr. prof. dr. J.L. Hillege

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-10-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,271(0,271)

nee

43.143(10.727)

0(508)

43.143(11.235)

66.666(15.895)

 

CBG

Mevr. dr. S.Kersting

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

26.175(25.460)

3.692(3.550)

29.867(29.010)

39.360(37.345)

 

CBG

Dhr. dr. C. van Nieuwkoop

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

26.175(25.225)

3.692(3.550)

29.867(28.775)

39.360(37.345)

 

CBG

Dhr. prof. dr. M.T. Nurmohamed

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

26.645(25.225)

3.271(3.550)

29.917(28.775)

39.360(37.345)

 

CBG

Mevr. dr. C.A.C.M. Pittens

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

25.705 (23.110 )

3.692 (3.550)

29.397 (26.660)

39.360(37.345)

 

CBG

Mevr. dr. R. Ruiter

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-4-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

27.350(19.450)

3.692(2.663)

31.042(22.113)

39.360(28.060)

 

CBG

Dhr. prof. dr. F.G.M. Russel

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

1-4-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

7.425(24.990)

923(3.550)

8.348(28.540)

9.705(37.345)

 

CBG

Dhr. prof. dr. G.S. Sonke

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

28.055(26.400)

3.692(3.550)

31.747(29.950)

39.360(37.345)

 

CBG

Mevr. dr. A.M.E. Walenkamp

Lid College(Lid College)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,160(0,160)

nee

28.760 (26.400)

3.692 (3.550)

32.452 (29.950)

39.360(37.345)

 

aCBG

Mevr. drs. P.A. Loekemeijer

Directeur (Directeur)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

1,00(1,00)

nee

138.821 (144.810)

23.106(23.210)

161.927 (168.020)

246.000(233.000)

 

* Deze overschrijding is conform artikel 3, lid 2 van de Uitvoeringsregeling WNT toegestaan, aangezien een deel van de bezoldiging die is uitbetaald in 2025, is toe te rekenen aan werkzaamheden en opdrachtverleningen uit 2024. Van het bezoldigingsmaximum van 2024 was na de betalingen in 2024 nog ruimte beschikbaar. De bezoldiging in 2025 die is toe te rekenen aan 2024 overschrijdt deze ruimte niet.

** De overschrijding van de WNT-norm is het gevolg van een overgangsperiode van twee weken, waarin betrokkene op verzoek van de commissie is aangebleven totdat de opvolger de functie heeft overgenomen. Wanneer rekening wordt gehouden met deze verlenging, wordt de WNT-norm niet overschreden.

*** Topfunctionarissen met een bezoldiging van €2.100 of minder zijn gemarkeerd met ***

Naast de hierboven vermelde functionarissen zijn er geen andere functionarissen die in 2025 een bezoldiging boven het toepasselijke bezoldigingsmaximum hebben ontvangen, of waarvoor in eerdere jaren een vermelding op grond van de WNT heeft plaatsgevonden of hadden moeten plaatsvinden.

Er zijn in 2025 geen bezoldiging geweest van topfunctionarissen die hun werkzaamheden als topfunctionaris hebben neergelegd, maar die op rond van hun voormalige functie nog 4 jaar worden aangemerkt als topfunctionaris.

D. PREMIEGEFINANCIERDE ZORGUITGAVEN

1 Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de premiegefinancierde zorguitgaven en -ontvangsten binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet Langdurige Zorg (Wlz) en de uitgaven voor Wmo beschermd wonen uit het gemeentefonds toegelicht. Dit hoofdstuk geeft op hoofdlijnen een toelichting op de financiële cijfers en de voorlopige realisatie over het jaar 2025. De zorgcijfers in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de meest recente informatie van Zorginstituut Nederland (ZiNL) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Dit zijn voorlopige cijfers, omdat de Zvw bepaalt dat na afloop van het verslagjaar nog twee jaar later declaraties kunnen binnenkomen. Daardoor kunnen er ook na het verschijnen van VWS-jaarverslagen nog aanpassingen in de cijfers van het betreffende verslagjaar plaatsvinden.

Vanaf de ontwerpbegroting 2025 is de benaming van het Financieel Beeld Zorg (FBZ) gewijzigd in Premiegefinancierde zorguitgaven (PZ). Dit hoofdstuk heeft vanaf het jaar 2024 een aantal belangrijke wijzigingen ondergaan. Het kabinet Schoof heeft het advies van de 17e studiegroep begrotingsruimte overgenomen om één uitgavenplafond te hanteren. Bij de start van het kabinet Schoof zijn daarom de deelplafonds afgeschaft, waaronder het Uitgavenplafond Zorg (UPZ). Er is geen plafondtoets UPZ meer en daarnaast wordt het deel van de begrotingsgefinancierde VWS-uitgaven die ook onder het UPZ vielen niet meer opgenomen in dit hoofdstuk. Deze begrotingsgefinancierde zorguitgaven worden voortaan uitsluitend bij de beleidsartikelen van de VWS-begroting gepresenteerd en inhoudelijk toegelicht. In dit PZ-hoofdstuk worden de premiegefinancierde zorguitgaven en -ontvangsten binnen de Zvw en de Wlz en de uitgaven voor Wmo beschermd wonen uit het gemeentefonds toegelicht.

Het PZ-hoofdstuk bestaat uit de volgende onderdelen:

• Paragraaf 1: Inleiding

Deze paragraaf gaat over de inhoud van het PZ-hoofdstuk en over de wijzigingen in het jaarverslag 2025 ten opzichte van het jaarverslag 2024. Verder is de paragraaf voorzien van een leeswijzer en staafdiagrammen van de premiegefinancierde zorguitgaven en de -ontvangsten van de Zvw en Wlz en de uitgaven van de Wmo beschermd wonen.

• Paragraaf 2: Zorguitgaven in vogelvlucht

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen ingegaan op het financieel beeld van de ontwikkeling van de totale netto zorguitgaven van de Zvw, Wlz en de Wmo beschermd wonen.

• Paragraaf 3: Verticale ontwikkeling van de zorguitgaven

In deze paragraaf wordt de verticale ontwikkeling van de Zvw, Wlz en de Wmo beschermd wonen in drie aparte subparagrafen toegelicht. De onderdelen van deze subparagrafen zijn:

3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

Hier worden de verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en –ontvangsten, de ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en –ontvangsten per deelsector en de financiële afspraken in het Integraal Zorgakkoord (IZA) toegelicht.

3.2 Wet langdurige zorg (Wlz)

Hier worden de verticale ontwikkeling van de Wlz-uitgaven en –ontvangsten, de ontwikkeling van de Wlz-uitgaven en –ontvangsten per deelsector en de aansluiting van het Wlz-kader op de begroting en het jaarverslag toegelicht.

3.3 Wmo beschermd wonen

Hier wordt de verticale ontwikkeling van de uitgaven Wmo beschermd wonen toegelicht. De uitgaven voor Wmo beschermd wonen zijn de middelen die via een integratie-uitkering vanuit het gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar gesteld worden. Deze middelen staan op de begroting van het gemeentefonds van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), maar vallen onder de zorguitgaven in het PZ-hoofdstuk.

Paragraaf 4: Horizontale ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten

In deze paragraaf wordt de ontwikkeling van de premiegefinancierde zorguitgaven en -ontvangsten van de Zvw en Wlz en de uitgaven voor Wmo beschermd wonen per deelsector weergegeven. Verder wordt in deze paragraaf de horizontale ontwikkeling van de zorguitgaven over meerdere jaren grafisch weergegeven en toegelicht.

Paragraaf 5: Financiering van de zorguitgaven

Deze paragraaf gaat in op de financiering van de zorguitgaven.

Verdieping van de zorguitgaven in deelsectoren

Meer informatie is te vinden in het verdiepingshoofdstuk dat integraal als open data beschikbaar is op de website www.Rijksfinanciën.nl (https://www.rijksfinancien.nl/overzicht-datasets). In de inhoudsopgave van de genoemde datasets is deze informatie te vinden in de dataset ‘Premiegefinancierde Zorguitgaven en verdiepings-bijlage WLZ en ZVW (2021-2025)’. Dit verdiepingshoofdstuk presenteert de financiële bijstellingen tussen de ontwerpbegroting 2025 en het jaarverslag 2025 en licht deze per sector nader toe. Ook laat dit hoofdstuk de meerjarige ontwikkeling van de Zvw en Wlz zien.

1.1 Voorlopig gerealiseerde bruto zorguitgaven en ontvangsten

In de onderstaande figuren 1 en 2 zijn de voorlopig gerealiseerde bruto zorguitgaven en de ontvangsten van de premiegefinancierde zorguitgaven van de Zvw en Wlz en de uitgaven van de Wmo beschermd wonen opgenomen.

Figuur 1 Voorlopig gerealiseerde bruto zorguitgaven 2025. Totaal € 106.134,9 (x € 1 miljoen)

Bron: VWS-cijfers

Figuur 2 Voorlopig gerealiseerde ontvangsten 2025. Totaal € 5.965,1 (x € 1 miljoen)

Bron: VWS-cijfers

1.2 Wijzigingen in het PZ-hoofdstuk

De afschaffing van de uitgavenplafonds vanaf de ontwerpbegroting 2025, zoals opgenomen in de inleiding van dit jaarverslag, is reeds verwerkt in het jaarverslag 2024. Om die reden is dit geen wijziging voor dit jaarverslag ten opzichte van het jaarverslag 2024.

Het PZ-hoofdstuk in het jaarverslag 2025 heeft ten opzichte van het jaarverslag 2024 de onderstaande veranderingen ondergaan:

• Geen

1.3 Leeswijzer

De VWS-begroting bestaat uit begrotingsgefinancierde en de premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten. De leeswijzer geeft uitleg over het onderscheid tussen deze twee soorten uitgaven.

Begrotingsgefinancierde zorguitgaven en ontvangsten

Dit betreft de begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten die op de VWS-begroting in de artikelen 1 tot en met 11 zijn opgenomen. Dit zijn uitgaven voor onder meer preventie, jeugdhulp en sport. Ook zijn er uitgaven om het zorgstelsel goed te laten functioneren, maar die niet direct zijn te relateren aan de zorgverlening en/of ondersteuningsbehoefte. Voorbeelden hiervan zijn de exploitatiekosten van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s), zoals de NZa en Zorginstituut Nederland.

Premiegefinancierde zorguitgaven en -ontvangsten Zvw en Wlz en de uitgaven van de Wmo beschermd wonen in het PZ hoofdstuk.

Premiegefinancierde zorguitgaven en -ontvangsten Zvw en Wlz

Dit zijn de zorguitgaven en -ontvangsten die vallen onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz).

Wmo beschermd wonen (gemeentefonds)

De uitgaven voor Wmo beschermd wonen zijn de middelen die via een integratie-uitkering vanuit het gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar gesteld worden. Deze middelen staan op de begroting van het gemeentefonds van het ministerie van BZK, maar vallen onder de definitie zorguitgaven.

Bruto- en netto-zorguitgaven in het PZ-hoofdstuk

Onder de bruto zorguitgaven in het PZ-hoofdstuk vallen de premiegefinancierde zorguitgaven van de Zvw en Wlz en de uitgaven van de Wmo beschermd wonen. Naast de bruto zorguitgaven zijn er ook nog ontvangsten: het eigen risico Zvw en de eigen bijdragen Wlz, die samen worden gerekend tot de niet-belastingontvangsten. De totale bruto zorguitgaven minus deze niet-belastingontvangsten vormen de netto zorguitgaven in het PZ-hoofdstuk.

Financiering van de zorguitgaven en de sociale fondsen

Het grootste deel van de zorguitgaven betreft premiegefinancierde zorguitgaven in het kader van de Zvw en de Wlz. Voor een beperkt deel betreft het de Wmo beschermd wonen.

De collectieve zorguitgaven worden gefinancierd uit premies (nominale Zvw-premie, inkomensafhankelijke bijdrage Zvw- en Wlz-premie), belastingmiddelen vanuit de begroting (rijksbijdrage voor de financiering van de verzekering voor jongeren onder de 18 jaar, bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK) en rijksbijdrage Wlz), het eigen risico in de Zvw en de eigen bijdragen in de Wlz.

De Zvw en de Wlz zijn verzekeringen waar iedere volwassen ingezetene in Nederland verplicht premie voor betaalt en aanspraken aan ontleent. Een deel van de financiering loopt via de sociale fondsen, het Zorgverzekeringsfonds (Zvf) en het Fonds langdurige zorg (Flz). Deze fondsen maken geen onderdeel uit van de rijksbegroting, maar behoren wel tot de overheid. Veranderingen in de financiële positie van de fondsen hebben daarom invloed op het EMU-saldo. De fondsen worden gefinancierd met premies die door het kabinet worden vastgesteld (de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en de Wlz-premie) en de rijksbijdragen. Een eventueel exploitatietekort in het Zvf of Flz kan worden gezien als financiering van de zorguitgaven. Het exploitatiesaldo van de fondsen telt mee in het EMU-saldo en de EMU-schuld van het Rijk. Het Rijk moet hiervoor (meer of minder) lenen.

De nominale Zvw-premie wordt niet door het kabinet vastgesteld, maar door de zorgverzekeraars zelf en wordt rechtstreeks door burgers aan hen betaald. In paragraaf 5 is wel een raming opgenomen van de nominale premie. Het Zvf werkt als een vereveningsfonds voor zorgverzekeraars, dat moet zorgen voor een gelijk speelveld. Uit het Flz worden de aanspraken betaald die burgers en instellingen hebben op grond van de Wlz. In paragraaf 5 wordt nader ingegaan op de financiering van de zorguitgaven.

2 Zorguitgaven in vogelvlucht

2.1 Financieel beeld op hoofdlijnen

In de onderstaande figuur is de ontwikkeling van de netto zorguitgaven voor de periode 2021 tot en met 2025 opgenomen. De netto zorguitgaven groeien in deze periode naar verwachting met afgerond € 23,1 miljard, van € 77,1 miljard in 2021 naar € 100,2 miljard in 2025.

Figuur 3: Ontwikkeling van de netto zorguitgaven 2021-2025 (in miljarden euro’s) 2

1 Dit betreft de totale netto zorguitgaven in 2021 gecorrigeerd voor de technische boeking van de schadelastdip ggz van ‒ € 1,2 miljard125.

2 Vanwege het afschaffen van de deelplafonds vanaf het jaar 2024 zijn de begrotingsgefinancierde zorguitgaven vanuit de VWS-begroting en de gereserveerde loon- en prijsbijstellingen niet meer opgenomen in het PZ-hoofdstuk. Om vergelijkbare cijfers te kunnen presenteren zijn de cijfers voor de jaren 2021 t/m 2023 hiervoor gecorrigeerd. Het gaat hierbij om een bedrag van circa € 0,5 miljard voor elk jaar.

Bron: VWS-cijfers

De groei van de netto zorguitgaven in 2025 ten opzichte van het jaar 2024 is afgerond € 5,6 miljard. In de ontwerpbegroting 2025 werd uitgegaan van een verwachte groei van de netto zorguitgaven van afgerond € 7 miljard.

Deze lagere groei komt voor een groot deel doordat de actualisatiecijfers van de Zvw en Wlz zijn verwerkt voor 2025 en neerwaarts zijn bijgesteld (zie tabel 3 en 6).

In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op de horizontale ontwikkeling van de zorguitgaven. Hierin is zowel de nominale als de reële groei in de afzonderlijke jaren opgenomen en wordt een uitsplitsing gemaakt voor de ontwikkeling binnen de Zvw en de Wlz.

125

Met ingang van 2022 is een nieuw bekostigingsmodel voor de ggz ingevoerd. In dit nieuwe model wordt voor de bekostiging niet meer gewerkt met Diagnose Behandelcombinatie (DBC’s) en een aparte bekostiging voor de basis-ggz. De DBC’s die zijn geopend in 2021 worden derhalve uiterlijk 31-12-2021 afgesloten; dit geldt ook voor de huidige bekostiging van de basis-ggz. Hierdoor is er in 2021 om technisch-administratieve redenen sprake van eenmalig lagere zorguitgaven in termen van schadelast. Deze technische aanpassing had geen gevolgen voor de hoeveelheid ggz die feitelijk kon worden geleverd of op de omzet van zorgaanbieders. Er is geen sprake van een bezuiniging. Deze technische bijstelling heeft dan ook geen gevolgen voor het EMU-saldo en geen invloed op de premiehoogte.

2.2 Ontwikkeling van de netto zorguitgaven Zvw, Wlz en Wmo beschermd wonen

In de onderstaande tabel is, vanaf de stand ontwerpbegroting 2025, de ontwikkeling van de netto zorguitgaven Zvw, Wlz en Wmo beschermd wonen op hoofdlijnen te zien.

Tabel 1 Ontwikkeling van de netto zorguitgaven 2025 (bedragen x € 1 miljoen)1
  

2025

1

Netto zorguitgaven ontwerpbegroting 2025

102.427

2

Bijstellingen 1e sup 2025

‒ 365

 

Zorgverzekeringswet

5

 

Wet langdurige zorg

‒ 458

 

Wmo beschermd wonen

87

3

Netto zorguitgaven stand 1e suppletoire begroting 2025 (= 1+2)

102.062

4

Bijstellingen ontwerpbegroting 2026

‒ 1.759

 

Zorgverzekeringswet

‒ 978

 

Wet langdurige zorg

‒ 781

 

Wmo beschermd wonen

0

5

Netto zorguitgaven stand ontwerpbegroting 2026 (= 3+4)

100.302

6

Bijstellingen 2e suppletoire begroting 2025

‒ 47

 

Zorgverzekeringswet

‒ 23

 

Wet langdurige zorg

‒ 24

 

Wmo beschermd wonen

0

7

Netto zorguitgaven stand 2e suppletoire begroting 2025 (= 5+6)

100.255

8

Bijstellingen jaarverslag 2025

‒ 85

 

Zorgverzekeringswet

‒ 83

 

Wet langdurige zorg

‒ 3

9

Netto zorguitgaven stand jaarverslag 2025 (= 7+8)

100.170

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS-cijfers

Toelichting

In totaal zijn de premiegefinancierde netto zorguitgaven in dit jaarverslag 2025 ten opzichte van de ontwerpbegroting 2025 afgerond met € 2,3 miljard neerwaarts bijgesteld. Deze bijstellingen hebben met onderstaande wetswijzigingen plaatsgevonden.

  • In de 1e suppletoire begroting 2025 zijn de premiegefinancierde netto zorguitgaven 2025 ten opzichte van de ontwerpbegroting 2025 afgerond met € 0,4 miljard neerwaarts bijgesteld.

  • In de ontwerpbegroting 2026 zijn de premiegefinancierde netto zorguitgaven 2025 ten opzichte van de 1e suppletoire begroting 2025 afgerond met € 1,8 miljard neerwaarts bijgesteld. Dit bedrag is inclusief een technische correctie van afgerond € 0,5 miljard (zie voetnoot 2 onder figuur 3).

  • In de 2e suppletoire begroting 2025 zijn de premiegefinancierde netto zorguitgaven ten opzichte van de ontwerpbegroting 2026 neerwaarts bijgesteld met € 47 miljoen.

  • In dit jaarverslag zijn de premiegefinancierde netto zorguitgaven ten opzichte van de 2e suppletoire begroting 2025 neerwaarts bijgesteld met € 85 miljoen.

De bijstellingen van de netto premiegefinancierde zorguitgaven zijn opgenomen en toegelicht in paragraaf 3.

3 Verticale ontwikkeling van de Zvw, Wlz en Wmo beschermd wonen

3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

De verticale toelichting geeft een cijfermatig overzicht van de budgettaire ontwikkelingen in 2025 sinds het opstellen van de ontwerpbegroting 2025.

De verticale toelichting onderscheidt drie categorieën bijstellingen:

  • Autonoom: voornamelijk bijstellingen als gevolg van de actualisering van de zorguitgaven op basis van cijfers van Zorginstituut Nederland en de NZa en bijstellingen op basis van de actuele macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau (CPB).

  • Beleidsmatig: bijstellingen die verband houden met beleidswijzigingen.

  • Technisch: overhevelingen tussen financieringsbronnen/domeinen.

In deze paragraaf zijn voornamelijk afzonderlijke posten hoger dan € 10 miljoen toegelicht.

De onderstaande tabel laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2025 de verticale ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten op grond van de Zvw zien. Onder de tabel is een toelichting op de verschillende posten opgenomen.

Tabel 2 Verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten 2025 (bedragen x € 1 miljoen) 1
 

2025

Bruto Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2025

66.761,6

  

Bijstellingen

 

Autonoom

‒ 1.072,8

Actualisatie Zvw-uitgaven (zie tabel 3)

‒ 1.084,8

Tegenvaller RS-vaccinatie

12,0

  

Beleidsmatig

‒ 6,0

Kasschuiven transformatiemiddelen

33,0

Overboeking transformatiemiddelen

‒ 10,5

Overig beleidsmatig

‒ 28,5

  

Totaal bijstellingen

‒ 1.078,7

  

Bruto Zvw-uitgaven jaarverslag 2025

65.682,9

  

Zvw-ontvangsten ontwerpbegroting 2025

3.395,2

  

Bijstellingen

 

Nvt

0,0

  

Totaal bijstellingen

0,0

  

Zvw-ontvangsten jaarverslag 2025

3.395,2

  

Netto Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2025

63.366,4

Bijstellingen in de netto Zvw-uitgaven

‒ 1.078,7

Netto Zvw-uitgaven jaarverslag 2025

62.287,7

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS-cijfers, Zorginstituut Nederland en NZa.

Toelichting

Autonoom

Actualisatie Zvw-uitgaven

Tabel 3 Actualisatie Zvw-uitgaven 2025 (bedragen x € 1 miljoen)1
 

Bijstellingen t/m ontwerpbegroting 2026

Bijstellingen 2e suppletoire begroting 2025 t.o.v. ontwerpbegroting 2026

Bijstellingen jaarverslag 2025 t.o.v. 2e suppletoire begroting 2025

Totaal bijstellingen t.b.v. jaarverslag 2025

Huisartsenzorg

‒ 125,6

‒ 3,9

13,0

‒ 116,5

Multidisciplinaire zorgverlening

‒ 40,2

‒ 9,3

2,6

‒ 46,9

Medisch-specialistische zorg

‒ 205,8

63,3

‒ 51,7

‒ 194,2

Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

83,8

2,1

‒ 11,5

74,4

Wijkverpleging

‒ 406,7

‒ 22,0

‒ 2,0

‒ 430,6

Apotheekzorg en hulpmiddelen

‒ 170,0

‒ 49,3

‒ 0,3

‒ 219,7

Overige Zvw-sectoren

‒ 122,4

‒ 4,1

‒ 24,8

‒ 151,2

Bijstellingen

‒ 987,0

‒ 23,1

‒ 74,7

‒ 1.084,8

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: Zorginstituut Nederland en NZa.

In tabel 3 is het onderdeel ‘Actualisatie Zvw-uitgaven’ uit tabel 2 uitge­ splitst. Op basis van gegevens van Zorginstituut Nederland en de NZa zijn de Zvw-uitgaven 2025 geactualiseerd. Voor het jaar 2025 is in de ontwerpbegroting 2026 een neerwaartse bijstelling van circa € 1,0 miljard gerapporteerd en in de 2e suppletoire begroting 2025 een aanvullende neerwaartse bijstelling van € 23,1 miljoen. Ten opzichte daarvan vindt er in dit jaarverslag een verdere verlaging van de geraamde Zvw-uitgaven plaats van € 74,7 miljoen. Bij de IZA-sectoren is sprake van € 49,6 miljoen hogere uitgaven, terwijl bij de niet-IZA-sectoren juist sprake is van € 25 miljoen lagere uitgaven.

Tegenvaller RS-vaccinatie

Door opname van het RS-vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma ontstaat een structurele besparing van € 8 miljoen in het kader apotheekzorg en € 8 miljoen in het kader medisch-specialistische zorg. In de voorjaarsbesluitvorming 2024 is abusievelijk verondersteld dat deze besparingen al in 2025 volledig zouden optreden. Aangezien de vaccinatie in het najaar van 2025 start, treedt er een kleinere besparing van € 2 miljoen in elk kader op in 2025. Hierdoor is in 2025 sprake van een incidenteel besparingsverlies van € 6 miljoen bij zowel apotheekzorg als medisch-specialistische zorg, samen € 12 miljoen.

Beleidsmatig

Kasschuiven transformatiemiddelen

Op basis van de verwachtingen over de inzet van transformatiemiddelen zijn met deze kasschuif de middelen in de juiste jaren geplaatst.

Overboeking transformatiemiddelen

Met deze mutatie wordt een deel van de IZA-transformatiemiddelen dat aanvankelijk was toebedeeld aan de Zvw verschoven naar de begrotingsgefinancierde uitgaven, zodat de SPUK transformatiemiddelen kan worden verhoogd. Zorgverzekeraars kunnen namelijk alleen Zvw-aanbieders financieren voor de uitvoering van transformatieplannen. Bij een aantal transformatieplannen zijn echter ook gemeenten betrokken. Middelen worden overgeheveld op het moment dat die ook daadwerkelijk nodig zijn voor het financieren van gemeenten bij deelname aan transformatieplannen.

Overig beleidsmatig

Deze post is het saldo van kleine beleidsmatige mutaties.

In de onderstaande tabel worden de financiële bijstellingen in 2025 tussen de ontwerpbegroting 2025 en het jaarverslag 2025 per sector weergegeven. Het beeld voor 2025 is geactualiseerd bij de 1e suppletoire begroting 2025, de ontwerpbegroting 2026, de 2e suppletoire begroting 2025 en nu bij het jaarverslag 2025.

In aanvulling op de toelichting op hoofdlijnen in paragraaf 3.1.1 wordt de toelichting op de bijstellingen per sector in het verdiepingshoofdstuk als open data beschikbaar gesteld op: Overzicht Datasets | Ministerie van Financiën - Rijksoverheid (rijksfinancien.nl). In de inhoudsopgave van de genoemde datasets staat deze informatie in de map: Premiegefinancierde Zorguitgaven en verdiepingsbijlage WLZ en ZVW (2015-2026). Hierin worden de financiële bijstellingen per sector tussen de ontwerpbegroting 2025 en het jaarverslag 2025 gepresenteerd en toegelicht.

Tabel 4 Ontwikkeling van de Zvw-uitgaven per sector (bedragen x € 1 miljoen)1
 

Stand ontwerpbegroting 2025

Bijstelling

Stand Jaarverslag 2025

Eerstelijnszorg

8.544,0

211,0

8.755,0

Huisartsenzorg

4.470,2

106,6

4.576,8

Multidisciplinaire zorgverlening

962,2

‒ 1,1

961,0

Tandheelkundige zorg

1.011,7

20,3

1.032,0

Paramedische zorg

1.133,8

76,4

1.210,2

Verloskunde

310,0

9,1

319,1

Kraamzorg

424,9

‒ 12,1

412,8

Zorg voor zintuiglijk gehandicapten

231,3

11,9

243,2

Tweedelijnszorg

34.051,6

1.302,0

35.353,7

Medisch-specialistische zorg

30.575,1

1.170,2

31.745,3

Geriatrische revalidatiezorg en eerstelijnsverblijf

1.417,8

63,4

1.481,2

Beschikbaarheidbijdragen academische zorg

1.013,6

43,4

1.057,0

Beschikbaarheidbijdragen overig medisch-specialistische zorg

225,3

19,6

244,9

Overig curatieve zorg

819,8

5,4

825,3

Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

5.558,1

352,3

5.910,3

Apotheekzorg en hulpmiddelen

8.073,5

54,4

8.128,0

Apotheekzorg

5.984,9

19,6

6.004,5

Hulpmiddelen

2.088,6

34,8

2.123,4

Wijkverpleging

3.494,1

‒ 252,1

3.241,9

Ziekenvervoer

1.112,5

0,4

1.112,9

Ambulancezorg

977,7

19,1

996,8

Overig ziekenvervoer

134,8

‒ 18,6

116,1

Opleidingen

1.868,5

‒ 5,1

1.863,4

Grensoverschrijdende zorg

937,0

118,8

1.055,9

Transformatiemiddelen IZA

232,8

29,0

261,8

Nominaal en onverdeeld Zvw

2.889,5

‒ 2.889,5

0,0

Bruto Zvw-uitgaven

66.761,6

‒ 1.078,7

65.682,9

Eigen betalingen Zvw

3.395,2

0,0

3.395,2

Netto Zvw-uitgaven

63.366,4

‒ 1.078,7

62.287,7

1Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS-cijfers, Zorginstituut Nederland en NZa.

Figuur 4: Samenstelling van de bruto Zvw-uitgaven 2025 (in miljarden euro’s).

Bron: VWS-cijfers

In het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn voor de medisch-specialistische zorg (MSZ), geestelijke gezondheidszorg (GGZ), wijkverpleging, huisart­ senzorg en multidisciplinaire zorg (MDZ) budgettaire kaders afgesproken waarbinnen de zorgkosten zich in de periode 2023 t/m 2026 kunnen ontwikkelen.

De beschikbare macrokaders voor 2025 zijn sinds de ontwerpbegroting 2025 aangevuld met een indexatie voor de loon- en prijsontwikkeling. Daarnaast is bij de MSZ het in paragraaf 3.1.1 toegelichte incidentele besparingsverlies voor de RS-vaccinatie verwerkt en zijn uit het GGZ-kader de uitgaven van de beschikbaarheidbijdrage psychotraumazorg overgeheveld naar het kader beschikbaarheidbijdragen curatieve zorg

Tabel 5 geeft voor de verschillende sectoren de voorlopige stand van de uitgaven in 2025 weer, afgezet tegen de afgesproken financiële kaders op basis van het IZA.

Tabel 5 Voorlopige realisatie bestuurlijke akkoorden curatieve zorg 2025 (bedragen x € 1 miljoen)1
  

MSZ

Huisartsen2

MDZ

GGZ

Wijkverpleging

1

Stand kaders IZA-sectoren bij ontwerpbegroting 2025

30.575,1

4.470,2

962,2

5.558,1

3.494,1

 

Mutaties sindsdien:

     

2

- Loon- en prijsbijstelling tranche 2025

1.358,4

223,1

45,8

283,6

178,5

3

Besparingsverlies RS-vaccinatie

6,0

    

4

Overheveling beschikbaarheidbijdrage psychotraumazorg naar beschikbaarheidbijdragen curatieve zorg

   

‒ 5,7

 

5=1+2+3+4

Stand kaders IZA-sectoren bij jaarverslag 2025

31.939,5

4.693,3

1.007,9

5.835,9

3.672,5

6

Voorlopige realisatie IZA-sectoren bij jaarverslag 2025

31.745,3

4.576,8

961,0

5.910,3

3.241,9

7=6-5

Verschil relevant voor realisatie bestuurlijk akkoord (+Overschrijding / -Onderschrijding)

‒ 194,2

‒ 116,5

‒ 46,9

74,4

‒ 430,6

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

2 Conform afspraken met de veldpartijen in het IZA huisartsenzorg worden de ROS-gelden niet opgenomen in het kader en de afrekening. Hiervoor wordt gecorrigeerd in deze tabel.

Bron: VWS-cijfers, Zorginstituut Nederland en NZa.

De totale onder­schrijding van de IZA-sectoren komt uit op € 713,9 miljoen.

De afzonderlijke mutaties en de actuele macrokaders voor de betreffende sectoren zijn terug te vinden in het verdiepingshoofdstuk dat beschikbaar wordt gesteld op: Overzicht Datasets | Ministerie van Financiën - Rijksoverheid (rijksfinancien.nl). In de inhoudsopgave van de genoemde datasets staat deze informatie in de map: Premiegefinancierde Zorguitgaven en verdiepingsbijlage Wlz en Zvw (2015-2026).

Stand van zaken transformatiemiddelen

Met het IZA zijn transformatiemiddelen beschikbaar gesteld. Bij de start van het IZA was in totaal € 2,8 miljard beschikbaar voor de periode 2023-2027. Een deel van de transformatiemiddelen IZA is overgeheveld naar de VWS- begroting, omdat in een aantal gevallen financiering via VWS logischer is dan via zorgverzekeraars. Het gaat hierbij intertemporeel om circa € 0,4 miljard. De middelen via de VWS-begroting worden veelal ingezet om randvoorwaarden te creëren voor impactvolle transformaties. Bij het sluiten van het AZWA is besloten om een deel van de transformatiemiddelen in te zetten om afspraken uit het AZWA te financieren.

Om aanspraak te maken op de transformatiemiddelen binnen de Zvw kunnen IZA-partijen plannen voor impactvolle transformaties indienen bij de zorgverzekeraars. Voor vrijwel het volledige budget zijn inmiddels plannen goedgekeurd door zorgverzekeraars.

3.2 Wet langdurige zorg (Wlz)

De verticale toelichting geeft een cijfermatig overzicht van de budgettaire ontwikkelingen in 2025 sinds het opstellen van de ontwerpbegroting 2025.

De verticale toelichting onderscheidt drie categorieën bijstellingen:

  • Autonoom: voornamelijk bijstellingen als gevolg van de actualisering van de zorguitgaven op basis van cijfers van Zorginstituut Nederland en de NZa en bijstellingen op basis van de actuele macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau (CPB).

  • Beleidsmatig: bijstellingen die verband houden met beleidswijzigingen.

  • Technisch: overhevelingen tussen financieringsbronnen/domeinen.

In deze paragraaf zijn voornamelijk afzonderlijke posten hoger dan € 10 miljoen toegelicht.

De onderstaande tabel laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2025 de verticale ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten van de Wlz zien. Onder de tabel is een toelichting van de verschillende bijstellingen opgenomen.

Tabel 6 Verticale ontwikkeling van de Wlz-uitgaven en -ontvangsten 2025 (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2025

Bruto Wlz-uitgaven ontwerpbegroting 2025

39.849,7

  

Bijstellingen

 

Autonoom

‒ 1.137,5

Actualisatie Wlz-uitgaven

‒ 1.071,0

Actualisatie Wlz buiten kader

‒ 54,2

Loon- en prijsontwikkeling

2,5

Beheerskosten zorgkantoren

‒ 14,8

  

Beleidsmatig

‒ 6,0

Overig beleidsmatig

‒ 6,0

  

Technisch

‒ 87,2

Loon- en prijsindexatie Wmo beschermd wonen

‒ 87,2

  

Totaal bijstellingen

‒ 1.230,7

  

Bruto Wlz-uitgaven jaarverslag 2025

38.619,0

  

Wlz-ontvangsten ontwerpbegroting 2025

2.534,9

  

Bijstellingen

 

Autonoom

39,4

Actualisatie eigen bijdragen Wlz

39,5

Verwerking MLT 2026-2030

‒ 0,1

  

Beleidsmatig

‒ 4,4

Afroep AP herstel box 3

‒ 9,2

Kasschuif doorwerking herstel box 3

4,8

  

Totaal bijstellingen

35,0

  

Wlz-ontvangsten jaarverslag 2025

2.569,9

  

Netto Wlz-uitgaven ontwerpbegroting 2025

37.314,8

Bijstellingen in de netto Wlz-uitgaven

‒ 1.265,7

Netto Wlz-uitgaven jaarverslag 2025

36.049,1

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS-cijfers, Zorginstituut Nederland en NZa.

Toelichting

Uitgaven

Autonoom

Actualisatie Wlz-uitgaven

In het Wlz-kader voor 2025 was bij de definitieve kaderbrief Wlz 2025 rekening gehouden met een maximale groei en loon- en prijsontwikkeling van afgerond € 3,0 miljard, waarvan € 360 miljoen was gereserveerd als mogelijk op een later moment in te zetten herverdelingsmiddelen (zie Kamerstukken II, 2024–2025, 34 104, nr. 412). Op basis van de februaribrief 2025 van de NZa bleek al dat het niet nodig was om deze herverdelingsmiddelen beschikbaar te stellen. Dit bedrag van € 360 miljoen is daarom afgeboekt bij de Voorjaarsnota 2025. Uit de Julibrief 2025 van de NZa bleek dat ten opzichte van het over de zorgkantoren verdeelde Wlz-zorginkoopkader een additioneel bedrag van € 711 miljoen in 2025 overblijft. Daarmee vallen de uitgaven in 2025 in totaal naar verwachting € 1.071,0 miljoen lager uit. Overigens is het eerder over de zorgkantoren verdeelde Wlz-kader voor 2025 niet aangepast (afgerond € 39 miljard). Darmee is er in het Wlz-kader ten opzichte van 2024 afgerond € 2,7 miljard aan extra middelen beschikbaar, waarvan € 2,0 miljard tot extra uitgaven leidt.

Actualisatie Wlz buiten kader

De geraamde uitgaven voor onderdelen van de Wlz die buiten het vastge-stelde kader vallen, zijn geactualiseerd op basis van recente gegevens van het Zorginstituut en de NZa en vallen in 2025 € 54,2 miljoen lager uit dan verwacht.

Loon- en prijsontwikkeling

De raming van de loon- en prijsontwikkeling is aangepast op basis van de macro-economische inzichten van de Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau (CPB).

Beheerskosten zorgkantoren

De beheerskosten Wlz zijn geactualiseerd en vallen de uitgaven € 14,8 miljoen lager uit dan geraamd.

Beleidsmatig

Overig beleidsmatig

Deze post is het saldo van kleine beleidsmatige mutaties.

Technisch

Loon- en prijsindexatie Wmo beschermd wonen

Dit betreft het overboeken van de tranche loon- en prijsindexatie 2025 naar het budget voor beschermd wonen in het gemeentefonds.

Ontvangsten

Autonoom

Actualisatie eigen bijdragen Wlz

De geraamde eigen bijdragen Wlz zijn op basis van de kwartaalinformatie van het Zorginstituut geactualiseerd.

Verwerking MLT 2026-2030

De ramingen voor loon-, prijs- en volumeontwikkelingen zijn geactualiseerd op basis van de recente middellange-termijnverkenning (MLT) van het CPB.

Beleidsmatig

Afroep AP herstel box 3

Burgers met een box 3 vermogen kunnen in bepaalde gevallen bezwaar maken tegen hun belastingaangifte, met terugwerkende kracht vanaf 2017 tot aan de invoering van de wet werkelijk rendement, naar verwachting in 2028. Dit leidt tot lagere verzamelinkomens in de betreffende jaren, waardoor Wlz-cliënten ook lagere eigen bijdragen verschuldigd zijn. Hiervoor is de raming van de eigen bijdragen in 2025 met € 9,2 miljoen verlaagd.

Kasschuif doorwerking herstel box 3

Voor de bepaling van de eigen bijdragen wordt gebruik gemaakt van inkomensgegevens van twee jaar eerder. Daarom loopt het effect van de herstel box 3 op de eigen bijdrage Wlz en beschermd wonen Wmo in ieder geval door t/m 2029. Hiervoor is een kasschuif verwerkt.

In de onderstaande tabel worden de financiële bijstellingen in 2025 tussen de ontwerpbegroting 2025 en het jaarverslag 2025 per sector weergegeven. Het beeld voor 2025 is geactualiseerd bij de 1e suppletoire begroting 2025, de ontwerpbegroting 2026, de 2e suppletoire begroting 2025 en nu bij het jaarverslag 2025.

De toelichting op de bijstellingen per sector wordt in het verdiepingshoofdstuk als open data beschikbaar gesteld op: Overzicht Datasets | Ministerie van Financiën - Rijksoverheid (rijksfinancien.nl). In de inhoudsopgave van de genoemde datasets staat deze informatie in de map: Premiegefinancierde Zorguitgaven en verdiepingsbijlage WLZ en ZVW (2015-2026). Hierin worden de financiële bijstellingen per sector tussen de ontwerpbegroting 2025 en het jaarverslag 2025 gepresenteerd en toegelicht.

Tabel 7 Ontwikkeling van de Wlz-uitgaven per sector (bedragen x € 1 miljoen)1
 

Stand ontwerpbegroting 2025

Bijstelling

Stand Jaarverslag 2025

Zorg in natura binnen contracteerruimte

33.174,2

553,5

33.727,7

Ouderenzorg

19.156,0

618,2

19.774,2

Gehandicaptenzorg

11.564,4

‒ 25,8

11.538,6

Langdurige ggz

2.453,9

‒ 38,9

2.414,9

Persoonsgebonden budgetten

3.737,0

94,7

3.831,7

Ouderenzorg

924,4

‒ 9,5

914,9

Gehandicaptenzorg

2.505,3

86,8

2.592,1

Langdurige ggz

307,3

17,4

324,7

Buiten contracteerruimte

2.938,5

‒ 1.878,9

1.059,6

Beheerskosten

384,7

‒ 27,0

357,7

Overig buiten contracteerruimte2

692,8

9,1

701,9

Nominaal en onverdeeld Wlz

1.861,0

‒ 1.861,0

0,0

Bruto Wlz-uitgaven

39.849,7

‒ 1.230,7

38.619,0

Eigen bijdragen Wlz

2.534,9

35,0

2.569,9

Netto Wlz-uitgaven

37.314,8

‒ 1.265,7

36.049,1

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

2 Bij de Wlz zijn onder de post «overige buiten contracteerruimte» onder andere opgenomen de deelsectoren: hulpmiddelen, tandheelkunde Wlz, medisch-specialistische zorg Wlz, overige Wlz, ADL en beschikbaarheidbijdrage opleidingen Wlz.

Bron: VWS-cijfers, Zorginstituut Nederland en NZa.

    

Figuur 5: Samenstelling van de bruto Wlz-uitgaven 2025 (in miljarden euro's)

Bron: VWS-cijfers

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt voor ieder kalenderjaar op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), het bedrag vast dat in dat kalenderjaar beschikbaar is voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Dit wordt het Wlz-kader genoemd. Het bedrag voor het Wlz-kader is niet gelijk aan het bedrag dat in de begroting en het jaarverslag is opgenomen voor de Wlz. In deze paragraaf wordt de aansluiting gemaakt tussen het Wlz-kader en het jaarverslag.

Wlz-kader

Het Wlz-kader bestaat uit de contracteerruimte voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten en een geoormerkt budget voor de verbetering van de kwaliteit van de verpleeghuiszorg. De contracteerruimte betreft het budget waarbinnen zorgkantoren (Wlz-uitvoerders) en zorgaan­bieders afspraken maken (zorg inkopen) voor cliënten die gebruik maken van de Wlz. Pgb-houders kopen langdurige zorg (al dan niet ondersteund) zelf in.

Het Wlz-kader 2025 is voor het eerst via de voorlopige kaderbrief Wlz 2025 van 19 juni 2024 (Kamerstuk 34104, nr. 408) gepubliceerd. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) adviseert de minister over de verwachte uitputting van het Wlz-kader. Bij de berekening van het Wlz-kader 2025 is het Wlz-kader 2024 als uitgangspunt genomen. Daarnaast zijn verwachte wijzigingen vanwege de stijgende groeivraag (groeiruimte) en bijvoorbeeld de loon- en prijsbijstelling verwerkt. Op 26 september 2024 (Kamerstuk 34104, nr. 412) is vervolgens de definitieve kaderbrief 2025 verzonden. Gedurende het jaar 2025 hebben er ook wijzigingen in het Wlz-kader plaatsgevonden. Deze wijzigingen zijn gepubliceerd in de reactie op de februaribrief NZa van 19 maart 2025 (Kamerstuk 34104, nr. 430) en in de reacte op de julibrief NZa van 16 september 2025 (Kamerstuk 34104, nr 450).

REKENVOORBEELD

Aansluiting Wlz-kader en VWS-begroting

Om een duidelijke aansluiting te maken tussen het Wlz-kader en begroting/jaarverslag wordt hieronder van een fictief Wlz-kader uitgegaan. Hierdoor kan gerekend worden met vereenvoudigde en afgeronde bedragen en kunnen de wijzigingen in de budgetten beperkt zijn. We gaan uit van een fictief Wlz-kader van € 1.100, uitgesplitst naar een budget voor zorg in natura (€ 1.000) en een persoonsgebonden budget (€ 100). Op basis van de ervaringscijfers van de afgelopen jaren wordt er vanuit gegaan dat het beschikbare budget in het Wlz-kader niet geheel wordt gebruikt; er treedt zogeheten onderuitputting op. Hierdoor is het benodigde budget in begroting/jaarverslag lager dan het Wlz-kader. Bij de contracteerruimte voor zorg in natura is de onderuitputting 0,3% en bij het persoonsgebonden budget (pgb) 14%. Uit onderstaand fictief voorbeeld blijkt dat het ministerie van VWS een budget op de begroting nodig heeft van in totaal € 1.083 om het Wlz-kader voor de NZa en de zorgkantoren te kunnen vaststellen op € 1.100.

Tabel 8 Fictief Wlz-kader jaar t (bedragen x € 1 miljoen)
 

Wlz-kader

Onderuitputtings-percentage

Onderuitputting

Benodigd budget op de begroting

Contracteerruimte

1.000

0,3%

3

997

Persoonsgebonden budget

100

14%

14

86

Totaal

1.100

 

17

1.083

Wijzigingen in het Wlz-kader

Gedurende het jaar kunnen er wijzigingen en ontwikkelingen in het Wlz-kader optreden. NZa maakt wijzigingen van het Wlz-kader kenbaar via de NZa-adviesbrieven. In deze brieven wordt toegelicht welke ontwikkelingen positieve dan wel negatieve consequenties hebben voor het Wlz-kader. De budgettaire gevolgen worden verwerkt in onze begrotings- en verantwoordingstukken. Zorgkantoren kunnen overigens binnen hun budgettair kader middelen verschuiven tussen de zorg in natura en het pgb. Daarmee kunnen zij inspelen op de voorkeuren van hun cliënten ten aanzien van de verschillende leveringsvormen. Bij het schuiven tussen de budgetten moet echter rekening gehouden worden met de verschillende onderuitputtingspercentages; dit wordt bruteren genoemd. Op die manier wordt voorkomen dat overhevelingen tussen het pgb en zorg in natura leiden tot consequenties voor het totaal benodigde budget op de VWS-begroting. Dit werkt als volgt: een zorgkantoor geeft aan een tekort te verwachten op zijn deelkader voor pgb van € 7 en binnen zijn deelkader voor zorg in natura nog voldoende ruimte over te hebben om middelen over te hevelen om dit tekort zelf te kunnen oplossen. Bij een dergelijke overheveling wordt rekening gehouden met de hiervoor genoemde verschillende onder uitputtingspercentages. Dat betekent dat de verhoging van het deelkader pgb met € 7 vanwege de onderuitputting van 14% een belasting voor de VWS begroting betekent van € 6. Het zorgkantoor kan daarom volstaan met een overheveling van € 6 vanuit zijn deelkader zorg in natura om dit te dekken (de onderuitputting bij zorg in natura van 0,3% is bij deze berekening verwaarloosbaar en daarom niet meegenomen). Het Wlz-kader wordt bij deze fictieve verschuiving per saldo met € 1 verhoogd tot € 1.101 (deelkader pgb € 7 hoger en deelkader zorg in natura € 6 lager). Het benodigd budget op de begroting blijft per saldo gelijk aan € 1.083 (deelkader pgb € 6 hoger en deelkader zorg in natura € 6 lager).

Tabel 9 Fictieve mutatie Wlz-kader jaar t (bedragen x € 1 miljoen)
 

Overheveling Wlz-kader

Nieuw Wlz-kader

Onderuitputtings-percentage

Overheveling op de begroting

Contracteerruimte

‒ 6

994

0,3%

‒ 6

Persoonsgebonden budget

7

107

14%

6

Totaal

1

1.101

 

0

Aansluiting definitief Wlz-kader 2025 en jaarverslag 2025

Tabel 10 Aansluiting Wlz-kader en jaarverslag 2025 (bedragen x € 1 miljoen)1
 

Contracteerruimte

Pgb

Wlz-kader 2025 (kaderbrief)

34.635

4.349

Onderuitputtingspercentage

0,3%

14%

Verwachte onderuitputting

‒ 104

‒ 609

Benodigd budget

34.531

3.740

Verwerkte meevaller augustusbrief

‒ 802

91

Stand jaarverslag 2025

33.728

3.832

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: Juli-advies NZa

In tabel 10 is de aansluiting tussen het Wlz-kader 2025 en de stand jaarverslag 2025 gemaakt. Op basis van de augustusbrief in 2025 heeft de NZa aangegeven dat het Wlz-kader ruimschoots toereikend is en heeft VWS een meevaller verwerkt in de begroting. Het Wlz-kader wordt niet naar beneden bijgesteld. De stand jaarverslag komt overeen met de stand in tabel 7 in het hoofdstuk Premiegefinancierde zorguitgaven van dit jaarverslag.

3.3 Wmo beschermd wonen

In de onderstaande tabel wordt de verticale ontwikkeling van de uitgaven Wmo beschermd wonen gepresenteerd en toegelicht.

Tabel 11 Verticale ontwikkeling Wmo beschermd wonen 2025 (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2025

Netto uitgaven Wmo beschermd wonen ontwerpbegroting 2025

1.745,9

  

Bijstellingen

 

Technisch

87,2

Loon- en prijsindexatie Wmo beschermd wonen

87,2

  

Totaal bijstellingen

87,2

  

Netto uitgaven Wmo beschermd wonen jaarverslag 2025

1.833,0

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS-cijfers.

Toelichting

Loon- en prijsindexatie Wmo beschermd wonen

Dit betreft het toevoegen van de loon- en prijsindexatie 2025 aan het budget voor beschermd wonen in het gemeentefonds.

4 Horizontale ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten

4.1 Zorguitgaven en -ontvangsten per deelsector

In onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten op deelsectorniveau (uitgesplitst naar Zvw, Wlz en Wmo beschermd wonen) weergegeven voor de periode 2022-2025

Tabel 12 Zorguitgaven en -ontvangsten per deelsector 2022 ‒ 2025 (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2022

2023

2024

2025

Zvw-uitgaven per (deel) sector

    

Eerstelijnszorg

6.954

7.647

8.340

8.755

Huisartsenzorg

3.580

3.966

4.392

4.577

Multidisciplinaire zorgverlening

714

802

899

961

Tandheelkundige zorg

834

921

979

1.032

Paramedische zorg

1.005

1.065

1.138

1.210

Verloskunde

280

302

300

319

Kraamzorg

348

383

400

413

Zorg voor zintuiglijk gehandicapten

194

209

232

243

Tweedelijnszorg

29.018

31.201

33.524

35.354

Medisch-specialistische zorg

26.262

28.095

30.189

31.745

Geriatrische revalidatiezorg en eerstelijnsverblijf

1.143

1.242

1.326

1.481

Beschikbaarheidbijdrage academische zorg

897

960

1.015

1.057

Beschikbaarheidbijdragen overig medisch-specialistische zorg

142

215

233

245

Overig curatieve zorg

574

689

761

825

Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

4.592

5.031

5.558

5.910

Apotheekzorg en hulpmiddelen

6.942

7.206

7.705

8.128

Apotheekzorg

5.177

5.319

5.691

6.005

Hulpmiddelen

1.765

1.886

2.014

2.123

Wijkverpleging

3.097

3.221

3.309

3.242

Ziekenvervoer

897

982

1.053

1.113

Ambulancezorg

780

854

925

997

Overig ziekenvervoer

117

128

128

116

Opleidingen

1.505

1.589

1.668

1.863

Grensoverschrijdende zorg

1.071

813

841

1.056

Transformatiemiddelen IZA2

0

25

137

262

Nominaal en onverdeeld

0

0

0

0

Bruto Zvw-uitgaven jaarverslag 2025

54.078

57.716

62.136

65.683

Eigen risico Zvw

3.167

3.338

3.418

3.395

Netto Zvw-uitgaven jaarverslag 2025

50.911

54.378

58.718

62.288

     
 

2022

2023

2024

2025

Wlz-uitgaven per (deel) sector

    

Zorg in natura binnen contracteerruimte

26.390

29.097

31.993

33.728

Ouderenzorg

15.018

16.882

18.586

19.774

Gehandicaptenzorg

9.496

10.107

11.036

11.539

Langdurige ggz

1.877

2.108

2.371

2.415

Persoonsgebonden budgetten3

2.819

3.122

3.466

3.832

Pgb ouderenzorg

646

700

800

915

Pgb gehandicaptenzorg

1.980

2.126

2.373

2.592

Pgb langdurige ggz

193

296

292

325

Buiten contracteerruimte

1.361

947

997

1.060

Beheerskosten

291

307

332

358

Overig buiten contracteerruimte3

505

572

626

701,9

Nominaal en onverdeeld

564

68

38

0

Bruto Wlz-uitgaven jaarverslag 2025

30.570

33.166

36.455

38.619

Eigen bijdragen Wlz

2.115

2.233

2.328

2.570

Netto Wlz-uitgaven jaarverslag 2025

28.455

30.933

34.128

36.049

     
 

2022

2023

2024

2025

Wmo beschermd wonen 4

    

Wmo beschermd wonen (gemeentefonds)

1.498

1.641

1.731

1.833

Netto Wmo beschermd wonen jaarverslag 2025

1.498

1.641

1.731

1.833

     

Totaal zorguitgaven jaarverslag 2025

2022

2023

2024

2025

Bruto zorguitgaven

86.146

92.523

100.322

106.135

Ontvangsten

5.281

5.571

5.746

5.965

Netto zorguitgaven

80.865

86.952

94.577

100.170

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

2 De transformatiemiddelen IZA (samenhangend met de coalitieakkoord-maatregelen IZA en Juiste zorg op de juiste plek) zijn op een aparte sector opgenomen.

3 Bij de Wlz zijn onder de post «overige buiten contracteerruimte» onder andere opgenomen de deelsectoren: hulpmiddelen, tandheelkunde Wlz, medisch-specialistische zorg Wlz, overige Wlz, ADL, zorginfrastructuur (vanaf 2022) en beschikbaarheidbijdrage opleidingen Wlz.

4 Vanwege het afschaffen van de deelplafonds vanaf het jaar 2024 zijn de begrotingsgefinancierde zorguitgaven vanuit de VWS-begroting en de gereserveerde loon- en prijsbijstellingen niet meer opgenomen in de paragraaf PZ. Om vergelijkbare cijfers te kunnen presenteren zijn de cijfers voor de jaren 2021 t/m 2023 ook gecorrigeerd. Het gaat hierbij om een bedrag van circa € 0,5 miljard voor elk jaar.

Bron: VWS-cijfers, Zorginstituut Nederland en NZa.

4.2 Horizontale ontwikkeling van de netto zorguitgaven

In deze paragraaf wordt de horizontale ontwikkeling van de zorguitgaven grafisch weergegeven en toegelicht voor de jaren 2021-2025. De horizontale ontwikkeling geeft de jaar-op-jaar groei van de netto zorguitgaven weer. Hierbij wordt een tweetal groeiontwikkelingen onderscheiden:

– Nominale groeiontwikkeling: de groei van de zorguitgaven inclusief de loon- en prijsontwikkeling.

– Reële groeiontwikkeling: de ontwikkeling van de zorguitgaven gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling van het bbp.

In onderstaande figuur is de horizontale groei van de totale netto zorguitgaven (Zvw, Wlz en Wmo beschermd wonen) grafisch weergegeven voor de jaren 2021-2025. De verwachte reële groei van de totale netto zorguitgaven in 2025 is 2,6%.

Figuur 6 Horizontale groei van de totale netto zorguitgaven 2021-2025 (in %)2

1 Dit betreft de totale netto zorguitgaven in 2021 gecorrigeerd voor de technische boeking van de schadelastdip ggz van ‒ € 1,2 miljard.

2Vanwege het afschaffen van de deelplafonds vanaf het jaar 2024 zijn de begrotingsgefinancierde zorguitgaven vanuit de VWS-begroting en de gereserveerde loon- en prijsbijstellingen niet meer opgenomen in het PZ hoofdstuk. Om vergelijkbare cijfers te kunnen presenteren zijn de cijfers voor de jaren 2020 t/m 2023 ook gecorrigeerd. Het gaat hierbij om een bedrag van circa € 0,5 miljard voor elk jaar.

Bron: VWS-cijfers, CPB MEV 2026 en CEP 2026

De lagere nominale groei van de netto zorguitgaven van het jaar 2025 ten opzichte van het jaar 2024 is voornamelijk het gevolg van de neerwaartse bijstelling bij de actualisatie van de Zvw- en Wlz-uitgaven (zie ook figuur 7 en 8) en een beperkt deel door beleidsmatige ontwikkelingen.

Om de reële groei te berekenen, is de nominale groei van de zorguitgaven gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling BBP. De ontwikkeling van de reële groei in de jaren 2021-2023 wordt sterk bepaald door de bijzondere ontwikkeling van de gewogen lonen en prijzen van de nominale zorguitgaven in deze periode. In normale jaren is de gewogen stijging van lonen en prijzen van de nominale zorguitgaven hoger dan de prijsontwikkeling BBP. In 2021-2023 en met name 2022 was de gewogen loon- en prijsstijging van de nominale zorguitgaven lager dan de prijsontwikkeling BBP, waardoor de reële groei van de zorguitgaven gedrukt is door de reële loondaling. (Dit zelfde beeld is ook te zien bij de Zvw-uitgaven in figuur 7 en bij de Wlz-uitgaven in figuur 8).

In onderstaande figuur is de horizontale groei van de netto Zvw-uitgaven grafisch weergegeven voor de jaren 2021-2025. De reële groei van de netto Zvw-uitgaven in 2025 is 2,8%.

Figuur 7: Horizontale groei van de netto Zvw-uitgaven 2021-2025 (in %).

1 Dit betreft de netto Zvw-zorguitgaven in 2021 gecorrigeerd voor de technische boeking van de schadelastdip ggz van ‒ € 1,2 miljard.

Bron: VWS-cijfers, CPB MEV 2026 en CEP 2026

De afname van de nominale groei van de netto Zvw-uitgaven van het jaar 2025 ten opzichte van het jaar 2024 is voornamelijk het gevolg van de neerwaartse bijstellingen bij de actualisatie van de Zvw-uitgaven en een beperkt deel door beleidsmatige ontwikkelingen.

In onderstaande figuur is de horizontale groei van de netto Wlz-uitgaven grafisch weergegeven voor de jaren 2021-2025. De reële groei van de netto Wlz-uitgaven in 2025 is 2,4%.

Figuur 8: Horizontale groei van de netto Wlz-uitgaven 2021-2025 (in %).

Bron: VWS-cijfers, CPB MEV 2026 en CEP 2026

De de lagere nominale groei van de netto Wlz-uitgaven van het jaar 2025 ten opzichte van het jaar 2024 komt voornamelijk door de neerwaartse bijstellingen bij de actualisatie van de Wlz-uitgaven en een beperkt deel door beleidsmatige ontwikkelingen.

5 Financiering van de zorguitgaven

5.1 Ontwikkeling premies voor Zvw en Wlz

Tabel 13 geeft een overzicht van de premies Zvw en Wlz volgens de stand ontwerpbegroting 2025 en volgens de realisatie 2025 in dit jaarverslag.

Tabel 13: Premieoverzicht1
 

Ontwerpbegroting

Bijstelling

Jaarverslag

 

2025

2025

2025

 

a

b

c=a+b

Zvw

   

Inkomensafhankelijke bijdrage regulier (in %)

6,51

0,00

6,51

Inkomensafhankelijke bijdrage laag (in %)

5,26

0,00

5,26

Nominale premie (jaarbedrag in €)

1.868

8

1.876

    

Wlz

   

procentuele premie (in %)

9,65

0,00

9,65

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS-cijfers en NZa.

De inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (IAB) en de premie Wlz zijn door het kabinet vastgesteld op het percentage zoals in de ontwerpbegroting 2025. De nominale premie voor 2025 is in de ontwerpbegroting 2025 geraamd op € 1.868 per jaar. De zorgverzekeraars hebben hun nominale premie gemiddeld € 8 hoger vastgesteld op € 1.876 per jaar.

5.2 Ontvangsten, uitgaven en vermogens van de zorgfondsen (Zvw, Wlz en AWBZ)

Zorgverzekeringswet (Zvw)

De financiering van de Zvw loopt deels via het Zorgverzekeringsfonds (Zvf) en deels via de zorgverzekeraars. Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van de uitgaven en inkomsten van de Zvw uitgesplitst naar het Zvf en naar zorgverzekeraars.

Tabel 14: Uitgaven en inkomsten Zvw (bedragen x € 1 miljard)1
 

Ontwerpbegroting

Bijstelling

Jaarverslag

 

2025

2025

2025

 

a

b

c=a+b

Zorverzekeringsfonds

   

Uitgaven

37,2

0,0

37,1

- Uitkering aan verzekeraars

33,5

0,0

33,5

- Rechtstreekse uitgaven Zvf

3,7

‒ 0,1

3,6

    

Inkomsten

36,7

1,0

37,8

- Inkomensafhankelijke bijdrage (IAB)

33,3

0,9

34,2

- Rijksbijdrage verzekerden 18-

3,4

0,0

3,4

- Overige baten

0,0

0,2

0,2

    

Exploitatiesaldo

‒ 0,4

1,1

0,6

Vermogenssaldo Zvf ultimo 2024

0,4

2,2

2,6

Vermogenssaldo Zvf ultimo 2025

0,0

3,3

3,3

    

Individuele verzekeraars

   

Uitgaven

64,2

0,1

64,3

- Uitgaven voor zorg

63,1

‒ 1,0

62,1

- Beheerskosten/saldo

1,1

1,2

2,2

    

Inkomsten

64,2

0,1

64,3

- Uitkering van het Zvf

33,5

0,0

33,5

- Nominale premie/eigen risico

30,7

0,1

30,8

1 Door afrondingsverschillen kan de som van de delen afwijken van het totaal. De meeste cijfers in de kolom jaarverslag 2025 zijn afkomstig of afgeleid van Zorginstituut-cijfers. De raming van de zorguitgaven van zorgverzekeraars is vrijwel volledig gebaseerd op de maartlevering van Zorginstituut Nederland. Dit geldt ook voor de rijksbijdragen en de post overige baten (rentebaten, wanbetalers, onverzekerden, verdragsgerechtigden). Het vermogen per ultimo 2024 is gebaseerd op het jaarverslag 2024 van het Zvf van Zorginstituut Nederland. Voor de IAB is het CPB-cijfer in de EMU-definitie gebruikt. Het vermogenssaldo 2025 is bepaald door het exploitatiesaldo 2025 op te tellen bij het vermogenssaldo 2024.

Bron: VWS-cijfers, CPB, Zorginstituut Nederland en NZa.

Zorgverzekeringsfonds

De uitgaven van het Zvf bestaan uit de uitkering aan zorgverzekeraars (de vereveningsbijdrage) en de rechtstreekse uitgaven vanuit het Zvf. De voorlopige realisatie van de uitkering aan zorgverzekeraars over 2025 is beperkt hoger uitgevallen dan bij de ontwerpbegroting 2025 werd verwacht. Dit komt doordat er meer is uitgegeven aan transformatiemiddelen in 2025. De vergoeding aan verzekeraars voor uitgaven aan transformatiemiddelen worden volledig nagecalculeerd. Dat betekent dat verzekeraars de werkelijke uitgaven aan transformatie-middelen vergoed krijgen via de vereveningsbijdrage en dat hogere uitgaven ten laste komen van het Zvf. De definitieve uitkering aan verzekeraars over 2025 wordt in 2028 vastgesteld. De rechtstreekse uitgaven vanuit het fonds zijn beperkt lager dan begroot.

De ontvangsten van het Zvf bestaan uit de Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (IAB), de rijksbijdrage verzekerden 18- en de overige baten van het fonds126. De ontvangsten uit de IAB worden € 0,9 miljard hoger ingeschat dan in de ontwerpbegroting 2025 werd verwacht. Dat komt doordat de inkomensgrondslag waarover de IAB wordt geheven, hoger is uitgevallen dan eerder verwacht. Omdat het IAB-percentage is vastgesteld op het percentage in de ontwerpbegroting 2025, leidt een hogere grondslag tot een hogere IAB-opbrengst.

Sommige werkgevers hebben tijdens de corona-periode gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot uitstel van betaling van belastingen en premies. Een deel van deze uitgestelde afdrachten is in 2025 ontvangen door het fonds. In de begroting en het jaarverslag van VWS worden deze ontvangsten verantwoord in het jaar waarop deze afdrachten betrekking hebben en niet het jaar waarin deze ontvangen worden. De IAB-opbrengsten in het jaarverslag zijn daarom gecorrigeerd voor deze nabetalingen over eerdere jaren om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de inkomsten behorend bij 2025.

De rijksbijdrage voor verzekerden 18- is onveranderd ten opzichte van de ontwerpbegroting 2025. De raming van de overige baten van het fonds is € 0,2 miljard hoger uitgevallen. Dit wordt vooral verklaard doordat in 2025 meer rente is ontvangen door het Zvf dan bij de ontwerpbegroting werd verwacht.

Per saldo zijn de uitgaven van het fonds nagenoeg gelijk gebleven en de inkomsten van het fonds € 1,0 miljard hoger uitgevallen. Dit zorgt voor een verbetering van het exploitatiesaldo over 2025 van € 1,1 miljard. Bij de ontwerpbegroting 2025 werd uitgegaan van een negatief exploitatiesaldo over 2025 van € 0,4 miljard, met als doel het wegwerken van het vermogensoverschot in het fonds eind 2024. Door de gerealiseerde meevallers voor het fonds is het exploitatiesaldo over 2025 € 0,6 miljard positief uitgekomen.

Het vermogenssaldo eind 2024 is € 2,6 miljard positief. Dit vermogenssaldo is de resultante van het gerapporteerde fondsoverschot eind 2024 in het fondsjaarverslag van Zorginstituut van € 2,2 miljard en het gehanteerde normvermogen van negatief € 0,4 miljard voor 2024127. Gegeven het positieve vermogenssaldo van € 2,6 miljard eind 2024 en het positieve exploitatiesaldo over 2025 van € 0,6 miljard komt het vermogenssaldo eind 2025 uit op € 3,3 miljard.

Het positieve vermogenssaldo eind 2025 was al grotendeels in beeld bij de ontwerpbegroting 2026 en heeft via een lagere IAB en hogere vereveningsbijdrage geleid tot lagere zorgpremies in 2026. Dit heeft als doel om het vermogenssaldo eind 2026 weer op nihil te krijgen. Meevallers in het fondsvermogen die bekend worden na de ontwerpbegroting 2026 worden meegenomen in de ontwerpbegroting en premies voor 2027.

Individuele verzekeraars

De zorguitgaven van verzekeraars komen naar verwachting € 1,0 miljard lager uit dan bij de ontwerpbegroting verwacht. De post beheerskosten en saldo verzekeraars komt € 1,2 miljard hoger uit. Deze post is technisch berekend als het verschil tussen de inkomsten voor verzekeraars en de uitgaven aan zorg door verzekeraars.

De inkomsten voor verzekeraars zijn € 0,1 miljard hoger dan in de ontwerp-begroting 2025 werd verwacht. Dit komt door de beperkt hogere bijdrage uit het Zvf, zoals hierboven toegelicht, en doordat verzekeraars hun nominale premie € 8 per verzekerde hoger hebben vastgesteld dan waar in de ontwerpbegroting vanuit werd gegaan. Hierdoor hebben verzekeraars € 0,1 miljard meer opgehaald met de nominale premie.

Wet langdurige zorg (Wlz)

Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van de uitgaven en inkomsten van het Fonds langdurige zorg (Flz). De uitgaven in deze tabel sluiten aan bij de bruto Wlz-uitgaven in tabel 6 van de Premiegefinancierde Zorguitgaven, waarbij de stand ontwerpbegroting 2025 is gecorrigeerd voor de uitgaven aan de loon- en prijsbijstelling en volumegroei voor Wmo beschermd wonen. Deze uitgaven verlopen niet via het Flz maar worden jaarlijks overgeheveld van de VWS-begroting naar het gemeentefonds.

Tabel 15: Uitgaven en inkomsten Flz (bedragen x € 1 miljard)1
 

Ontwerpbegroting

Bijstelling

Jaaverslag

 

2025

2025

2025

 

a

b

c=a+b

Uitgaven

39,8

‒ 1,1

38,6

- Zorgaanspraken en subsidies

39,4

‒ 1,1

38,3

- Beheerskosten

0,4

0,0

0,4

    

Inkomsten

39,8

‒ 2,1

37,6

- procentuele premie

18,4

‒ 0,4

18,0

- Eigen bijdragen

2,5

0,0

2,6

- BIKK

6,0

0,1

6,1

- Rijksbijdrage Wlz

12,8

‒ 1,8

11,0

- Overige baten

0,0

0,0

0,0

    

Saldo

0,0

‒ 1,0

‒ 1,0

    

Vermogen Fonds langdurige zorg 2024

0,0

2,5

2,5

Vermogen Fonds langdurige zorg 2025

0,0

1,5

1,5

1 Door afrondingsverschillen kan de som van de delen afwijken van het totaal. Het vermogen van het Flz ultimo 2024 is overgenomen uit het Financieel Jaarverslag Flz 2024 van Zorginstituut Nederland. De gerealiseerde premieopbrengst 2025 is een raming van het Ministerie van Financiën, evenals de premieopbrengst in de ontwerpbegroting 2025. Uitgavencijfers en eigen bijdragen komen overeen met de realisatiecijfers van NZa en Zorginstituut Nederland, zoals toegelicht in paragraaf 3.2 van de Premiegefinancierde Zorguitgaven. Realisatiecijfers voor de rijksbijdrage BIKK en rijksbijdrage Wlz zijn overgenomen uit de kwartaalrapportage over het 4e kwartaal 2025 van Zorginstituut Nederland en komen overeen met de bedragen die door VWS zijn vastgesteld.

Bron: VWS-cijfers, Ministerie van Financiën, Zorginstituut Nederland en NZa.

Uitgaven

De uitgaven uit het Flz aan de Wlz zijn € 1,1 miljard lager uitgekomen dan geraamd in de ontwerpbegroting.

Inkomsten

De procentuele Wlz-premie heeft € 0,4 miljard minder opgebracht dan geraamd in de ontwerpbegroting 2025. Dit komt hoofdzakelijk doordat een kleiner deel van de totale loon- en inkomensheffingen wordt toegerekend aan de premies volksverzekeringen.

De opbrengst van de eigen bijdragen valt licht hoger uit dan geraamd in de ontwerpbegroting. De BIKK valt € 0,1 miljard hoger uit als gevolg van de bijgestelde ramingen van de ontwikkeling van de heffingskortingen in 2025.

De Rijksbijdrage Wlz voor 2025 is € 1,8 miljard lager vastgesteld dan werd geraamd in de ontwerpbegroting 2025. Dit is het gevolg van de doorwerking van het fondsoverschot uit 2024, dat nog niet bekend was bij het opstellen van de ontwerpbegroting. Daardoor was een lagere Rijksbijdrage nodig om eind 2025 naar verwachting op een nihil fondssaldo uit te komen. De Rijksbijdrage is vastgesteld op het benodigde niveau dat is geraamd in de September suppletoire begroting 2025 van VWS.

Exploitatiesaldo en fondsvermogen

In het Financieel Jaarverslag Flz 2024, dat in december 2025 is vastgesteld door het Zorginstituut Nederland (ZiNL), is sprake van een positief fondsvermogen van € 2,5 miljard ultimo 2024. In de September suppletoire begroting 2025 van VWS werd nog uitgegaan van een geraamd fondsoverschot van € 1,6 miljard ultimo 2024.

Het gerealiseerde fondsoverschot ultimo 2024 schuift door naar 2025. Samen met het verwachte negatieve exploitatiesaldo over 2025 van € 1,0 miljard wordt ultimo 2025 een fondsoverschot geraamd van € 1,5 miljard. De definitieve stand van het fondsvermogen wordt bepaald in het Financieel Jaarverslag Flz 2025, dat naar verwachting eind 2026 wordt vastgesteld door het ZiNL.

126

Dit betreft het saldo van baten en lasten voor wanbetalers, onverzekerden, gemoedsbezwaarden, rente en de premie van verdragsgerechtigden.

127

In het normvermogen is gecorrigeerd voor maatregelen die leiden tot een ander kasritme van de inkomsten en uitgaven van het fonds zonder dat de onderliggende opbrengsten of zorgkosten veranderen. Deze correctie voorkomt dat een ander kasritme van betalingen leidt tot fluctuaties in de premie. Ten eerste is het normvermogen verlaagd in verband met uitgestelde IAB-afdrachten. Werkgevers konden in de coronacrisis hun belasting- en premie afdrachten uitstellen. Dit zorgt ervoor dat het zorgverzekeringsfonds een deel van de IAB-ontvangsten uit 2020 tot en met 2022 pas ontvangt in de kas in latere jaren. Om stevige fluctuaties in de premie te voorkomen, is in het normvermogen gecorrigeerd voor dit andere kasritme. In het normvermogen is rekening gehouden met dat er vanaf 2025 nog € 658 miljoen aan uitgestelde betalingen kasmatig worden ontvangen. Ten tweede is het normvermogen gecorrigeerd voor kasmatige effecten in de uitgaven sinds de start van de Zvf. Deze correcties zijn het gevolg van de introductie van dbc’s in de ggz in 2008 (-€ 1.637 miljoen), de introductie van dbc’s in de geriatrische revalidatie in 2013 (- € 83 miljoen), het afschaffen van dbc’s in de jeugd-ggz bij overheveling naar de gemeenten in 2014 (+ € 346 miljoen), de dbc-duurverkorting in de MSZ in 2015 (+ € 685 miljoen), de afschaffing van de dbc’s in de ggz in 2021 (+ € 1.247 miljoen) en de kas/transactiehobbel bij de grens overschrijdende zorg in 2022 (- € 270 miljoen). Cumulatief heeft dit een effect van ‒ € 370 miljoen op het normvermogen.

5.3 Wat heeft de gemiddelde burger in 2025 aan zorg betaald?

Een gemiddelde volwassene heeft in 2025 € 7.379 betaald aan collectief gefinancierde zorg, zoals figuur 9 laat zien. Behalve de nominale premie voor de Zvw en de eigen betalingen wordt er ook een fors bedrag betaald aan Wlz-premie en aan de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw (IAB-Zvw). De IAB-Zvw wordt voor een beperkt deel rechtstreeks door burgers betaald, namelijk door gepensioneerden en zelfstandigen. Het grootste deel wordt betaald door werkgevers voor mensen in loondienst. Het werkgeversdeel van de IAB-Zvw is van invloed op de loonruimte en wordt daarom ook meegenomen in de totale som van de uitgaven van burgers aan collectieve zorg. Behalve via premies betaalt de gemiddelde burger via de belastingen mee aan de zorguitgaven die via de begroting worden gefinancierd, zoals de rijksbijdragen aan het Zorgverzekeringsfonds en het Fonds langdurige zorg en de uitgaven aan zorgtoeslag. Via de zorgtoeslag ontvangt de gemiddelde burger een bedrag waarmee de nominale Zvw-premie en het betaalde eigen risico gedeeltelijk worden gecompenseerd. Per saldo heeft de zorgtoeslag geen effect op de totale lasten. Het budget voor de zorgtoeslag wordt via belastingen opgehaald en vervolgens weer teruggegeven aan de burgers.

De gemiddelde lasten in 2025 komen met € 7.379 lager uit dan het bedrag van € 7.453 dat werd verwacht in de ontwerpbegroting. Wat opvalt is, dat de gemiddelde IAB-Zvw hoger is dan in de ontwerpbegroting 2025 werd verwacht. Dat komt doordat de inkomensgrondslag waarover de IAB wordt geheven, hoger is uitgevallen dan eerder verwacht. De gemiddelde uitgaven aan zorg via de algemene belastingen zijn daarentegen lager dan verwacht werd in de ontwerpbegroting. Dit komt hoofdzakelijk doordat de Rijksbijdrage Wlz lager is vastgesteld dan geraamd in de ontwerpbegroting 2025. De lasten van de nominale Zvw-premie vallen hoger uit omdat verzekeraars de premie iets hoger hebben vastgesteld dan werd geraamd in de ontwerpbegroting 2025. Tot slot valt op dat het gemiddelde bedrag aan zorgtoeslag iets lager is dan geraamd. Dit komt doordat de gemiddelde inkomensontwikkeling in 2025 gunstiger was dan vooraf werd verwacht. De uitgaven aan zorgtoeslag zijn daardoor lager dan vooraf werd ingeschat.

Figuur 9: Lasten per volwassene aan zorg in 2025 (in euro's per jaar)1

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS-cijfers, CPB, Zorginstituut Nederland, NZa, Ministerie van Financiën

E. BIJLAGEN

Bijlage 1: Toezichtrelaties ZBO's en RWT's

Tabel 92 Overzichtstabel ZBO’s en RWT's van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) (Bedragen x € 1.000)

CAK

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag VWS

143.743

157.099

 

Nee

Bedrag J&V

  

Bedrag BZK

 

 

Bijzonderheden

Het betreft hier de begrote bijdrage moederdepartement 2024 obv de ontwerpbegroting in kolom 2 en de stand in het jaarverslag in kolom 3 voor de gerealiseerde bijdrage moederdepartement. De jaarrekening 2025 van het zbo wordt uiterlijk 13 maart ingediend (kaderwet zbo's).

      
      

CBG

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

763

711

Nee

Bijzonderheden

CBG heeft geen eigen rechtspersoonlijkheid (Publiekrechtelijk - Onderdeel Staat der Nederlanden) en levert geen eigen jaarrekening op. Begroting en realisatie lopen mee in agenstschap CBG (aCBG).

      
      

CCMO

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

 

Nee

Bijzonderheden

CCMO heeft geen eigen rechtspersoonlijkheid (Publiekrechtelijk - Onderdeel Staat der Nederlanden) en levert geen eigen jaarrekening op (loopt mee in VWS jaarverslag onder VWS-kern).

      
      

CIZ

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

145.318

149.690

Nee

Bijzonderheden

Het betreft hier de begrote bijdrage moederdepartement 2024 obv de ontwerpbegroting in kolom 2 en de stand in het jaarverslag in kolom 3 voor de gerealiseerde bijdrage moederdepartement. De jaarrekening 2025 van het zbo wordt uiterlijk 13 maart ingediend (kaderwet zbo's).

      
      

CSZ

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

1.387

1.500

Nee

Bijzonderheden

Het betreft hier de begrote bijdrage moederdepartement 2024 obv de ontwerpbegroting in kolom 2 en de stand in het jaarverslag in kolom 3 voor de gerealiseerde bijdrage moederdepartement. De jaarrekening 2025 van het zbo wordt uiterlijk 13 maart ingediend (kaderwet zbo's).

      
      

Dopingautoriteit

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

4.677

4.674

Nee

Bijzonderheden

Het betreft hier de begrote bijdrage moederdepartement 2024 obv de ontwerpbegroting in kolom 2 en de stand in het jaarverslag in kolom 3 voor de gerealiseerde bijdrage moederdepartement. De jaarrekening 2025 van het zbo wordt uiterlijk 13 maart ingediend (kaderwet zbo's).

      
      

Nza

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag VWS

76.393

80.775

Nee

Bedrag J&V

  

Bijzonderheden

Het betreft hier de begrote bijdrage moederdepartement 2024 obv de ontwerpbegroting in kolom 2 en de stand in het jaarverslag in kolom 3 voor de gerealiseerde bijdrage moederdepartement. De jaarrekening 2025 van het zbo wordt uiterlijk 13 maart ingediend (kaderwet zbo's).

      
      

PUR

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

620

0

Nee

Bijzonderheden

Het betreft hier de begrote bijdrage moederdepartement 2024 obv de ontwerpbegroting in kolom 2 en de stand in het jaarverslag in kolom 3 voor de gerealiseerde bijdrage moederdepartement. De jaarrekening 2025 van het zbo wordt uiterlijk 13 maart ingediend (kaderwet zbo's).

      
      

ZiNL

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

87.004

94.206

Nee

Bijzonderheden

Het betreft hier de begrote bijdrage moederdepartement 2024 obv de ontwerpbegroting in kolom 2 en de stand in het jaarverslag in kolom 3 voor de gerealiseerde bijdrage moederdepartement. De jaarrekening 2025 van het zbo wordt uiterlijk 13 maart ingediend (kaderwet zbo's).

      
      

ZonMw

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag VWS

390.076

425.871

 

Nee

Bedrag LNV

   

 

Bijzonderheden

Het betreft hier de begrote bijdrage moederdepartement 2024 obv de ontwerpbegroting in kolom 2 en de stand in het jaarverslag in kolom 3 voor de gerealiseerde bijdrage moederdepartement. De jaarrekening 2025 van het zbo wordt uiterlijk 13 maart ingediend (kaderwet zbo's).

      
      

NTS

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

  

Nee

Bijzonderheden

 
      
      

FMMU ZBO/RWT

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

Nee

Bijzonderheden

FMMU heeft een opdracht van VWS voor de Indicatiestelling van de Hoge Persoonlijke Kilometer Budgetten voor het Bovenregionaal vervoer.

      
      

Clustering Keuringsinstanties

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Keuringsinstanties op grond van de Warenwet

     

Keuringsinstanties op grond van de Wet op de Medische Hulpmiddelen DEKRA

     

Keuringsinstanties VWS

     

Bedrag

Nee

Bijzonderheden

 
      
      

Aangewezen examenorganisatie geneesmiddelen wet

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

Nee

Bijzonderheden

 
      
      

Landelijke examencommissie ex art. 8 lid 5 Drank- en Horecawet

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

Nee

Bijzonderheden

 
      
      

Medisch-ethische toetsingscommissies (METC)

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

Nee

Bijzonderheden

 
      
      

Registratiecommissies en opleidingscolleges KNMG, KNMP en NMT

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

Nee

Bijzonderheden

 
      
      

Zorgverzekeraars Zvw (Zie FBZ)

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

  

Ja

Bijzonderheden

bedragen in miljarden en de ZBO wordt gefinancierd uit de premie's en niet direct door het departement

      
      

Concessiehouders zorgkantoren (Zie FBZ)

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Bedrag

  

Ja

Bijzonderheden

bedragen in miljarden en de ZBO wordt gefinancierd uit de premie's en niet direct door het departement

Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

Leeswijzer:

– EA: ex ante ondezoek;– ED: ex durante evaluatie;– EP: ex post evaluatie.

Thema 1: Volksgezondheid, Sport en Bewegen

Tabel 93 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 1: Volksgezondheid, Sport en Bewegen

Publieke gezondheid

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Doorlichting RIVM

EP

2022

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Evaluatie schema Rijksvaccinatieprogramma

EP

2022

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Monitor Kansrijke Start

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Kaderwetevaluatie ZonMw

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Evaluatie subsidieregeling NODOK

ED/EP

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

GALA-monitor 2025

ED

2025

afgerond

art. 1

Link naar Monitor

Monitor Buurtsportcoach Plus

ED

2025

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Monitor Brede Regeling Combinatiefunctionarissen

ED

2025

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Programma Gezonde Leefomgeving van start

ED

2025

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Preventie

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Alles is gezondheid ...

ED

2018-2022

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Evaluatie lokale en regionale preventieakkoorden

EP

2022

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord (2021)

ED

2022

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Tussentijdse evaluatie PrEP-pilot

ED

2022

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Toekomstverkenning Regeling aanvullende seksuele gezondheidszorg

EA

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Toekomstverkenning Neonatale Hielprikscreening

EA

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Alcoholverkoop op afstand

EP

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Gemeentelijk preventie- en handhavingsbeleid alcohol

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Evaluatie gezonde school

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Monitor GLI

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

voedselconsumptiepeiling 2019-2021

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

tussenevaluatie NAPV

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Natrium-, kalium- en jodiumonderzoek in Nederland: stand van zaken omtrent beleidsmaatregelen en monitoring | RIVM

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Geldstromen marketing voeding

EA

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

onderzoek getrapte verbruiksbelasting alcoholvrije dranken

EA

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

GR advies richtlijnen goede voeding bij HVZ door atherosclerose

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

GR advies gezonde eiwittransitie

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Evaluatie wetgeving toevoeging aminozuren aan voedingsmiddelen en -supplementen | RIVM

ED

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Advies aanvaardbare bovengrenzen voor vitamines en mineralen GR

EA

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

onderzoek btw verlaging groente fruit ( formeel opdrachtgever min FIN, VWS intensief betrokken)

EA

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Evaluatie onderzoek JOGG

ED

2024

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Doorrekening nationaal preventie akkoord

ED

2024

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Bevolkingsonderzoeken

ED

2024

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Monitor Kindermarketing voedingsproducten 2024

ED

2025

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

      

Sport

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Buurtsportcoach

ED

2022

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

Maatschappelijke waarde van de Nederlandse topsport

EP

2022

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

Duurzame Sportinfrastructuur 2022

ED

2022

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

Sport en corona

ED

2022

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

«Sport verenigt Nederland» De oogste van het Sportakkoord

EP

2022

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

Brede Regeling Combinatiesfuncties 2022

ED

2022

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

Onderzoek naar de governance en het tuchtrecht voor veilige en integere sport

 

2023

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

Evaluatieonderzoek BOSA en SPUK Stimulering sport

ED

2023

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

Kennis

2023

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

Schaduwdansen - Een onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag in het dansen

Kennis

2023

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

Onderzoek over consequenties van sturen via wetgeving in de sport

Kennis

2023

afgerond

art. 6

Link naar onderzoek

Monitor Sportakkoord II

ED

2025

jaarlijks

art. 6

Link naar onderzoek

Topsport in Nederland (TiN) 2025

ED

2025

jaarlijks

art. 6

Link naar onderzoek

Monitoring en evaluatie beweegbeleid

ED

2025

jaarlijks

art. 6

Link naar onderzoek

Evaluatie Sportakkoord

EP

2026

lopend

art. 6

N.v.t.

Ethiek

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Evaluatie Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen

EP

2022

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Wetsevaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding

EP

2023

afgerond

art. 1

Link naar onderzoek

Voor het meest recente overzicht van de programmering van periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen, zie het overzicht Ingepland en uitgevoerd onderzoek op rijksfinancien.nl. Voor het overzicht van de in 2025 afgeronde en andere grote (evaluatie)onderzoeken, zie paragraaf 3.15 Realisatie periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen. Voor de afgeronde Periodieke rapportages als overige (evaluatie)onderzoeken in 2025 is daar waar relevant een korte samenvatting opgenomen.

GALA-monitor 2025

Op 3 februari 2023 is het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) ondertekend met als doel mensen gezonder en actiever laten leven en zo gezondheidsproblemen te voorkomen. VWS, gemeenten, zorgverzekeraars en GGD’en hebben afspraken gemaakt om lokaal en regionaal samen te werken aan zeven (gezondheids)thema's. Voorbeelden zijn een gezonde leefomgeving, een gezonde leefstijl en vitaal ouder worden. Deze (tweede) voortgangsrapportage laat zien hoe in 2024 aan de uitvoering van de gemaakte plannen is gewerkt. De samenwerking tussen partijen in de regio is verbeterd, onder andere omdat het steeds duidelijker is wie wat moet doen. Ook worden gezondheidsthema’s steeds beter aan elkaar gekoppeld, waardoor beleid waarschijnlijk effectiever kan zijn. De betrokken partijen ervaren dezelfde knelpunten als uit de vorige rapportage bleek. Vooral het gebrek aan blijvende financiering en de onduidelijkheid daarover voor de toekomst zet de samenwerking tussen partijen en de uitvoering onder druk.

Monitor Buurtsportcoach Plus

In opdracht van Vereniging Sport en Gemeenten monitort Mulier Instituut de Buurtsportcoach Plus. De belangrijkste conclusies zijn: - De meeste gemeenten geven aan dat de BSC Plus een goede aanvulling is op de reguliere BSC. Onder andere omdat de BSC Plus andere doelgroepen bereikt.

- De meeste BSC Plus leggen verbinding tussen het zorg- en sportdomein.

- Er zijn maar weinig hbo-opgeleide BSC Plus die zelfstandig de GLI uitvoeren. Terwijl dit in eerste instantie wel de bedoeling was van de pilot.

- De opleiding is van meerwaarde door extra kennis op het gebied van gezondheid en leefstijl en over (het bereiken van) specifieke doelgroepen.

Monitor Brede Regeling Combinatiefunctionarissen

Sinds 2019 monitort het Mulier Instituut de Brede Regeling Combinatiefunctionarissen. Uit de monitor128over 2024 blijkt dat ze in vrijwel alle gemeenten werken aan de drie ambities van de BRC: meedoen (96%), sterke aanbieders (92%) en sterke verbindingen (86%). Maar door verschillen in de lokale invulling lopen de opbrengsten soms sterk uiteen.

Programma Gezonde Leefomgeving van start

Het Programma Gezonde Leefomgeving (PGLO) ondersteunt professionals bij het integraal meenemen van gezondheid in het ontwerp, de inrichting en het beheer van de leefomgeving door kennis toegankelijk te maken en praktisch toepasbare instrumenten te bieden. Het is uitgevoerd door het RIVM en ZonMw samen. De statusmeting (ruim 225 professionals en 14 interviews) en de tussenmeting (focusgroepen met adviesbureaus, gemeenten en gemengde doelgroepen) van het RIVM deel laten zien hoe professionals samenwerken aan een gezonde leefomgeving, waar behoefte is aan ondersteuning in samenwerking en instrumentatie en hoe gezondheid een plek krijgt in ruimtelijke planprocessen. De eindevaluatie wordt in Q1 2026 verwacht. Tijdens de evaluatie van het ZonMw programma verzamelde de AWGL, samen met Pharos en Platform31, input via onder meer workshops en leernetwerksessies, wat leidde tot inzichten over brede en domeinoverstijgende samenwerking, bewonersparticipatie en het duurzaam borgen van resultaten en tot zes aanbevelingen voor onderzoekers, GGD’en en gemeenten.

Monitor Kindermarketing voedingsproducten 2024

Deze monitor, uitgevoerd door Panteia, bestaat uit twee onderdelen:

  • 1. Monitor kindermarkteint voedingsproducten: inventariseert in welke mate kinderen van 0-13 jaar met reclame voor voedingsmiddelen in aanraking (kunnen) komen en in hoeverre die reclames voldoen aan de Reclamecode voor Voedingsmiddelen. Ook wordt gekeken in hoeverre de getoonde producten voldoen aan de schijf van vijf. Met de monitor zijn zowel media (televisie, websites, sociale media en YouTube) als de fysieke locaties (op verpakkingsmateriaal, in supermarkten, bioscopen etc.) in beeld gebracht.

  • 2. Monitor alcoholmarketing: Voor alcohol is gekeken in hoeverre jongeren onder de 18 jaar blootgesteld (kunnen) worden aan alcoholreclame en in hoeverre de Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken (RvA) en de Reclamecode voor Alcoholvrije alternatieven voor Alcoholhoudende dranken (RvAVA) worden nageleefd. Voor deze monitor is gekeken naar de media (tv, jongerenwebsites, YouTube, TikTok en Instagram) en naar fysieke locaties (supermarkten, sportevenementen, bioscopen, buitenreclame en recreatievoorzieningen).

Monitor Sportakkoord II: Een groter bereik

Het Mulier Instituut voert twee keer per jaar een monitor uit om de voortgang van Sportakkoord II te meten. ‘Een groter bereik’ richt zich op de ambitie om het bereik van de sport te vergroten. Dit betekent dat meer mensen zich aangesproken en uitgenodigd voelen te gaan sporten en sport te beleven. Hieronder vallen de afspraken zoals gemaakt in de thema’s Inclusie & Diversiteit en Vaardig in bewegen van het Sportakkoord II. Uit deze monitor blijkt dat het merendeel van de gemeenten de randvoorwaarden realiseert die nodig zijn voor de ambities van Sportakkoord II. De partners pakken hun rol op om te komen tot meer inclusie en sociaal diverse sportomgevingen. En meer kinderen krijgen de kans vaardig te worden in sporten en bewegen. Aan de andere kant constateren de onderzoekers van dit rapport dat inclusie nog zeker niet de norm is. Ook op het gebied van bewegende jeugd zijn nog veel stappen te zetten.

Topsport in Nederland (TiN) 2025

De monitor Topsport in Nederland (TiN) is een nieuwe programmering van monitoring en onderzoek op het gebied van topsport in Nederland, verzorgd door het Mulier Instituut. Hiervoor wordt in oneven jaren data verzameld bij organisaties die de ‘topsportomgeving’ vormen (zoals de Team-NL centra en gemeenten) en in de even jaren onder doelgroepen in de ‘topsport’ (zoals sporters, coaches en bonden). Uit TiN 2025 blijkt dat de maatschappelijke waardering van topsport licht is gestegen. Daarnaast beoordelen topsporters en coaches hun topsportklimaat positiever dan in 2019. Bijna negen op de tien talentvolle sporters en topsporters voelen zich veilig in hun topsportomgeving. Aandachtspunt is dat een deel van de sporters ongewenst gedrag meemaakt.

Monitoring en evaluatie beweegbeleid

De voortgangsrapportage 2024 van het RIVM laat zien dat er in de eerste anderhalf jaar (van mei 2022 tot en met november 2024) op alle drie de actielijnen van het Actieplan Nederland Beweegt positieve ontwikkelingen zichtbaar zijn. Zo is er meer bewustwording bij actoren en nieuwe samenwerkingen om bewegen te stimuleren. Ook hebben in één jaar tijd drie keer zoveel partijen zich aangesloten bij de Beweegalliantie, tot ruim 400. Vanuit de alliantie zijn 20 samenwerkingsverbanden begonnen en worden lokale initiatieven over bewegen op verschillende manieren ondersteund. Daarnaast werken steeds meer partijen uit verschillende domeinen samen om bewegen via de leefomgeving te stimuleren, zowel landelijk als lokaal. Deze samenwerking is belangrijk omdat dan het effect van beleid op het beweeggedrag van mensen groter is. Het RIVM concludeert dat blijvende inzet en tijd nodig is om verdere systeemveranderingen te bereiken en het beweeggedrag van mensen te verbeteren. Daarom adviseert het RIVM de ingeslagen weg langer door te zetten, ook na de afronding van het Actieplan.

Evaluatie Sportakkoord

Evaluatie over de gehele periode Sportakkoord I en II. De evaluatie zal inzicht moeten geven in hoe en in welke mate het instrument sportakkoord bijdraagt aan beleidsvorming en -implementatie in de sector. Het doel is om te evalueren in hoeverre Sportakkoord I en Sportakkoord II hebben geleid tot verandering in de wijze waarop sportbeleid (en uitvoering) landelijk en lokaal tot stand komt en in welke mate deze veranderingen duurzaam zijn verankerd. Daarbij ligt de nadruk op het creëren van samenwerking en samenhang. De evaluatie wordt uitgevoerd door Berenschot en naar planning in februari 2026 afgerond.

Thema 2: Curatieve 1e en 2e lijnszorg

Tabel 94 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 2: Curatieve 1e en 2e lijnszorg

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Polisaanbod en betalingsbereidheid verzekerden

EP

2022

afgerond

2

Link naar onderzoek

Kenmerken wanbetalers zorgverzekering 2021

EP

2022

afgerond

2

Link naar onderzoek

Terugdringen Bestaansonzekerheid op de gezondheid

EP

2022

afgerond

2

Link naar onderzoek

Stand van zaken gecombineerde leefstijlinterventie

ED

2022

afgerond

2

Link naar onderzoek

Evaluatie Subsidieregeling Zorgnetwerken ABR

ED

2023

afgerond

2

Link naar onderzoek

Evaluatie subsidieregeling borstprothesen transvrouwen

ED

2023

afgerond

2

Link naar onderzoek

Monitor Kostenontwikkeling Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorg

ED

2023

afgerond

2

Link naar onderzoek

MKBA gegevensuitwisseling acute zorg

EA

2023

afgerond

2

Link naar onderzoek

Onderzoek naar vrijwillig eigen risico

EA

2023

afgerond

2

Link naar onderzoek

Evaluatie wet Verzekerdeninvloed

ED

2023

afgerond

2

Link naar onderzoek

Onderzoek naar de ontwikkeling van het aantal collectiviteiten

EP

2023

afgerond

2

Link naar onderzoek

Midterm review IZA

ED

2024

afgerond

2

Link naar onderzoek

Eindrapportage Juiste zorg op de juiste plek (JZOJP)

EP

2024

afgerond

2

Link naar onderzoek

Kerncijfers acute zorg 2017-2023

ED

jaarlijks

lopend

2

Link naar onderzoek

Monitor Toegankelijkheid van de zorg

ED

jaarlijks

lopend

2

Link naar onderzoek

Monitor mondgezondheid

ED

jaarlijks

lopend

2

Link naar onderzoek

Evaluatie Wet ambulancezorgvoorziening

ED

2025

afgerond

2

Kamerstuk 35471-43

Monitor Acute Zorg

De NZa in 2025 de ‘Kerncijfers Acute Zorg 2017-2023’ uitgebracht. Hierin wordt een update van de cijfers uit de monitor acute zorg 2023 gepresenteerd, met extra aandacht voor het acute zorggebruik per leeftijdsgroep. Dit is een geactualiseerd overzicht op basis van de meest recente data (2023). Met de update toont de NZa ook drie opvallende ontwikkelingen aan:

  • het aantal ambulance-inzetten daalt in 2023 licht, wat vooral zichtbaar in het aantal ritten naar spoedeisende hulp. Daarnaast worden er meer zorgconsulten ter plaatse verleend door de ambulancediensten;

  • het gebruik van de huisarts buiten kantooruren (huisartsenpost) neemt af in 2023; en

  • er is een toename van het aantal ouderen op de spoedeisende hulp, maar procentueel (gecorrigeerd voor de bevolkingsgroei), stijgt dit niet.

Monitor Toegankelijkheid van de zorg

De monitor Toegankelijkheid van zorg geeft beeld bij de toegankelijkheid van zorg voor een aantal sectoren. In 2025 zijn drie versies van de monitor gepubliceerd, op 14 maart, 22 juli en 6 november. De toegankelijkheid van zorg blijft volgens de NZa onder druk staan.

Voor de medisch specialistische zorg groeit het aantal behandelingen in ziekenhuizen beperkt, terwijl het aantal patiënten in zelfstandige behandelcentra (zbc’s) sinds de coronaperiode is toegenomen maar in 2025 niet verder stijgt en vergelijkbaar blijft met 2024. De wachttijden voor behandelingen dalen landelijk licht of blijven ongeveer gelijk en verschillen sterk per regio. Ook binnen regio’s zijn duidelijke verschillen zichtbaar tussen wachttijden voor polikliniekbezoeken en behandelingen. Hierdoor blijft de toegankelijkheid van medisch-specialistische zorg in 2025 regionaal wisselend.

Monitor Mondgezondheid

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voert de Monitor Mondgezondheid uit. Met deze monitor krijgen we beter inzicht in de mondgezondheid van de Nederlandse bevolking. Die gegevens zijn belangrijk voor de pakkettoetsing door het Zorginstituut én voor het maken van gerichte beleidskeuzes. Uit de meest recente monitor blijkt dat het grootste deel van de Nederlanders zijn of haar mondgezondheid als (zeer) goed ervaart (72%). Deze cijfers zijn stabiel ten opzichte van de vorige meting. Nieuw in deze monitor is dat driekwart van de bevolking twee keer per dag of vaker hun tanden poetst. Mensen die dit doen, hebben vaker een goede mondgezondheid, minder tand- of kiespijn en bezoeken vaker een mondzorgverlener. Tegelijkertijd zijn er duidelijke verschillen tussen inkomens- en opleidingsgroepen. Mensen met een hoger opleidingsniveau of inkomen bezoeken vaker een mondzorgverlener en hebben een betere ervaren mondgezondheid.

Evaluatie Wet ambulancezorgvoorzieningen

In 2020 is de Wet ambulancezorgvoorzieningen (Wazv) in werking getreden. In de Wazv is bepaald dat de minister van VWS binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de wet een verslag zendt aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk.129 De wet is geëvalueerd en op 5 december 2025 is het rapport naar beide Kamers gestuurd.130 In het rapport wordt geconcludeerd dat de Wazv doeltreffend is in het borgen van continuïteit en kwaliteit van ambulancezorg. Met de komst van de Wazv is de bestaande situatie bestendigd, is de continuïteit van ambulancezorg geborgd en is er rust gebracht. Continuïteit is de belangrijkste verdienste van deze wet. Ook richting de toekomst zal dit een belangrijke functie van de wet blijven. Verder is onder de Wazv sprake van hoogwaardige kwaliteit van ambulancezorg. Het kunnen inspelen op ontwikkelingen in de acute zorgketen en ruimte bieden voor innovatie is steeds belangrijker geworden. Voor een toekomstbestendige ambulancezorg is het van belang dat de Wazv hiervoor de benodigde flexibiliteit en ruimte biedt.

Thema 3: Geestelijke gezondheidszorg

Tabel 95 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 3: Geestelijke gezondheidszorg

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Evaluatie Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wet zorg en dwang

ED

2022

afgerond

2

Link naar onderzoek

Ketenmonitor WVGGZ

ED

2023

afgerond

2

Link naar onderzoek

Zicht en grip op cruciale ggz

ED

2024

afgerond

2

Link naar onderzoek

Kerncijfers ggz NZa

ED

periodiek

lopend

2,3,5

Link naar onderzoek

Regiobeeld Psychische Problematiek

ED

periodiek

lopend

2,3,5

Link naar onderzoek

Monitoring wachttijden ggz Nza

ED

periodiek

lopend

2,3,5

Link naar onderzoek

Monitor zorggebruik ggz-wonen cliënten in Wlz

ED

periodiek

lopend

2,3,5

Link naar onderzoek

IBO mentale gezondheid en ggz

EP

2025

afgerond

2,3,5

Kamerstuk 25424-769

Kerncijfers ggz

De NZa heeft op hun website kerncijfers gedeeld die trends beschrijven in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en forensische zorg (fz) van 2019 tot en met een deel van 2025. De zorgkosten, het aantal patiënten en het aantal zorgaanbieders zijn in deze periode allemaal toegenomen.

Regiobeeld Psychische Problematiek

In opdracht van VWS hebben KPMG, kenniscentrum Phrenos en het RIVM de afgelopen jaren de monitor psychische problematiek ontwikkeld. In 2024 is de website live gegaan en sindsdien verder aangevuld en geactualiseerd. Het Regiobeeld Psychische Problematiek bestaat uit drie perspectieven:

  • 1. Inzicht in de regionale context: De feiten en cijfers geven inzichten over demografische en sociaal-culturele kenmerken.

  • 2. Sociale factoren: Dit op basis van factoren die iets kunnen zeggen over het (verwachte) zorg- en ondersteuningsgebruik in de regio.

  • 3. Aanbod en gebruik: Geven van inzichten over aanbod en gebruik dat vanuit verschillende kaders is georganiseerd Zvw (Zorgverzekeringswet), Wlz (Wet langdurige zorg , Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning , Pw (Participatiewet), etc.

Monitoring wachttijden ggz NZa

De NZa houdt de gemiddelde wachttijden per hoofdiagnosdegroep voor de curatieve ggz bij en publiceert die op hun eigen website. Vanaf 2026 monitort de NZa via declaratiedata de wachttijden voor behandeling en intake, en de instroomaantallen voor de curatieve ggz. Verwachting is dat de eerste resultaten hiervan in de tweede helft van 2026 worden gepubliceerd op www.zichtopzorgaanbieders.nl.

Monitor zorggebruik ggz-wonen cliënten in Wlz

Sinds 2021 hebben mensen met psychische problematiek direct toegang tot de Wlz. Dit kan effect hebben op de toegankelijkheid en betaalbaarheid van langdurige zorg. De NZa brengt periodiek een monitor uit, met wisselende hoofdthema’s. In 2025 publiceerde de NZa de monitor ‘ggz-behandeling voor mensen met een ggz-wonen zorgprofiel’.131 Deze monitor geeft verdiepend inzicht in het gebruik van ggz-behandeling vanuit de Zvw door mensen met een Wlz-indicatie voor ggz-wonen. Daarmee biedt deze monitor waardevolle inzichten in het totale zorggebruik van de doelgroep mensen met een Wlz-indicatie.

IBO Mentale gezondheid en ggz

In het rapport ‘Uit Balans – IBO mentale gezondheid en ggz’ wordt geconstateerd dat de mentale gezondheid verslechtert en dat het stelsel van ondersteuning en zorg voor psychische problematiek in de huidige vorm niet houdbaar is.132 De toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid schieten te kort. Er zijn vier kernoorzaken van de problemen in kaart gebracht:

  • 1. Een gerichte en structurele overheidsaanpak op preventie voor mentale gezondheid ontbreekt;

  • 2. De vraag naar ggz is aanzienlijk groter dan het aanbod;

  • 3. Het benodigde hulpaanbod komt onvoldoende tot stand en ondersteuning en

  • 4. Zorg voor psychische problematiek is sterk versnipperd.

Overkoepelend is geconstateerd dat een primair medische benadering bij een deel van de mensen te beperkt is, en bij een ander deel van de mensen juist niet nodig. Het is nodig om een meer fundamentele hervorming van het stelsel te overwegen, met als doel om de ondersteuning en zorg bij psychische klachten te verbeteren. Bij het uitwerken van de hervorming is het noodzakelijk om de inkoop van in ieder geval de zorg voor mensen met ernstige psychische problematiek te herzien, door de concurrentie in de inkoop in de huidige vorm weg te nemen.

In het IBO zijn 37 beleidsopties uitgewerkt om deze problemen te adresseren. De beleidsopties zijn onderdeel van de bouwblokken Voorkomen, Prioriteren, Sturen en Verbreden. Ook zijn een aantal fundamentele denkrichtingen voor hervormingen van het stelsel uitgewerkt. Een deel van de beleidsopties in het IBO bouwt voort op huidig beleid, zoals hierboven beschreven. Verschillende afspraken uit het IZA en AZWA grijpen ook in op de kernoorzaken van de problemen die in dit IBO zijn geconstateerd. Andere beleidsopties uit het IBO bieden alternatieven. Dit IBO is een waardevol rapport dat de urgentie van de problematiek rondom mentale gezondheid en de ggz onderstreept. De beleidsopties uit het IBO bieden keuzemogelijkheden voor het kabinet.

Thema 4: Geneesmiddelen en medische technologie

Tabel 96 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 4: Geneesmiddelen en medische technologie

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Eindrapportage Verkenning vereenvoudiging hulpmiddelen

EA

2022

afgerond

art. 2

Link naar onderzoek

Monitor overheveling geneesmiddelen voor de ziekte van Gaucher

ED

2022

afgerond

art. 2

Link naar onderzoek

Ex post evaluatie geneesmiddelenvisie - Van grip naar greep

EP

2023

afgerond

art. 2

Link naar onderzoek

Periodieke rapportage Beschikbaarheid medische producten

EP

2025

afgerond

art. 2

Wordt in Q1 2026 aangeboden

Evaluatie Nederlandse Transplantatie Stichting

ED

2025

afgerond

art. 2

Kamerstuk 28140-125

Beleidsmatige evaluatie voorwaardelijke toelating weesgeneesmiddelen

ED

2025

afgerond

art. 2

Kamerstuk 29477-942

Samen werken aan medicatieveiligheid

ED

2025

afgerond

art. 2

Kamerstuk 2025D25828

Knelpunten arbeidsmarkt in de openbare farmacie

ED

2025

afgerond

art. 2

Kamerstuk 33578-160

Evaluatie wetswijziging referentielanden Wgp

EP

2025

afgerond

art. 2

Kamerstuk 2025D30122

Procesmatige evaluatie voorwaardelijke toelating weesgeneesmiddelen

ED

2025

afgerond

art. 2

Kamerstuk 29477-933

Evaluatie Transparantieregister Zorg

EP

2025

afgerond

art. 2

Kamerstuk 2025D31210

Medicatieoverdracht

EP

2025

afgerond

art. 2

Link naar onderzoek

Periodieke rapportage Beschikbaarheid medische producten

De beschikbaarheid van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en lichaamsmaterialen staat onder druk en het evalueren van ingezet beleid is van belang om verder te kunnen verbeteren. Daarop aansluitend is voor deze Periodieke rapportage de volgende hoofdvraag nader onderzocht: In welke mate zijn de beleidsinstrumenten ten behoeve van of met een effect op de beschikbaarheid van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en lichaamsmaterialen [medische producten] doeltreffend en doelmatig? Dit in relatie tot de bijdrage die deze beleidsinstrumenten leveren aan de toegankelijkheid, veiligheid, kwaliteit en betaalbaarheid hiervan.

Onderlinge vergelijking tussen de beleidsinzet bij de drie productgroepen laat overlap, maar ook veel verschillen zien. Overlap zit bijvoorbeeld bij de meldpunten voor tekorten van respectievelijk geneesmiddelen en hulpmiddelen. Ook kennen beide productgroepen een gremium waarin ‘the whole system in the room’ vertegenwoordigd is. Opvallende verschillen zijn te zien in het aantal taak- en werkgroepen per gremium; de doelen van de gremia; de keuze voor voorraden bij de productgroep geneesmiddelen versus voor opschaalbare productiecapaciteit bij de productgroep medische technologie; de constatering dat er voor de productgroep lichaamsmaterialen relatief vaak subsidies zijn verstrekt, een instrument dat bij de andere productgroepen minder vaak is ingezet. Dit soort verschillen biedt volgens de onderzoekers mogelijkheden om van elkaar te leren.

Volgens het onderzoeksbureau geeft de beleidsevaluatie van de drie productgroepen aanknopingspunten om het monitoren en evalueren van beleid te verbeteren. Bij het uitvoeren van deze evaluatie is door de onderzoekers opgevallen dat regelmatig bij het in gang zetten van nieuw beleid een concretisering van de beoogde impact ontbreekt. De onderzoekers adviseren het ministerie van VWS daarom om bij alle beleidsontwikkeling het uitgangsprincipe te hanteren om SMART-doelstellingen op te stellen en om de beoogde impact van beleid concreet vast te leggen. Daarbij hoort ook een beschrijving van de benodigde data en de meetmethodiek om de beleidseffecten te monitoren en evalueren. Hiermee kan de voortgang op deze doelstellingen beter worden gemonitord en geëvalueerd, waardoor vaker een feitelijk en kwantitatief beeld van de voortgang en het uiteindelijk bereikte effect kan worden geschetst in evaluaties.

De effectiviteit van de onderzochte beleidsinstrumenten is volgens het onderzoeksbureau vaak positief: het merendeel van de instrumenten dat is ingezet t.b.v. beschikbaarheid heeft hier ook een positieve bijdrage op gehad. Het onderzoeksbureau doet een aantal aanbevelingen om de effectiviteit van de instrumenten verder te verhogen. In de loop van 2026 zal het kabinet een appreciatie van de aanbevelingen uit de rapportage met de Kamer delen. Daarbij zal het kabinet de Kamer tevens informeren over de wijze waarop opvolging aan deze aanbevelingen wordt gegeven.

Evaluatie Nederlandse Transplantatie Stichting

De evaluatie concludeert dat de NTS zowel haar wettelijke als niet-wettelijke taken doeltreffend uitvoert. De taakuitvoering door de NTS draagt bij aan ‘een goed functionerende orgaan- en weefselketen, waarin het donorpotentieel zo optimaal mogelijk wordt benut’.

Beleidsmatige evaluatie voorwaardelijke toelating weesgeneesmiddelen

Deze evaluatie is gericht op de vraag of de doelstellingen van het beleid van voorwaardelijke toelating (VT) worden behaald, of het budget toereikend is om deze doelstellingen te behalen en of er andere ontwikkelingen zijn die aanleiding geven tot aanpassing van het beleid. De VT wordt gezien als een gewenst instrument in het stelsel, maar heeft toe nu toe weinig inpact gehad. In de afgelopen vijf jaar slechts drie VT-trajecten zijn gestart doordat er weinig animo bij firma's was.

Samen werken aan medicatieveiligheid

Dit onderzoek heeft als doel inzicht te krijgen in de mate en wijze van implementatie van de aanbevelingen uit het HARM-Wrestling rapport en het Vervolgonderzoek Medicatieveiligheid, de randvoorwaarden voor implementatie en om te bepalen of er nieuwe aanbevelingen nodig zijn om de medicatieveiligheid zorgbreed te verbeteren. Het onderzoek concludeert dat een groot deel van de aanbevelingen voor medicatieveiligheid nog onvoldoende is geïmplementeerd, vooral bij grote patiëntgroepen, terwijl de potentiële impact groot is. Verbetering vraagt vooral om betere samenwerking tussen zorgverleners op landelijk, regionaal en lokaal niveau, ondersteund door goede gegevensuitwisseling, ICT en beslissingsondersteuning. Daarnaast zijn passende bekostiging en een beter geïnformeerde en actieve patiënt essentieel. Landelijke regie, duidelijke afspraken over verantwoordelijkheden en regionale protocollen zijn nodig om de implementatie te versnellen en medicatieveiligheid structureel te verbeteren.

Knelpunten arbeidsmarkt in de openbare farmacie

Dit onderzoek geeft inzicht in de omvang van het personeelstekort in de apotheeksector en de redenen van uitstroom van personeel. Het laat zien dat driekwart van de apothekers te maken heeft met een personeelstekort en dat zij verwachten dat deze tekorten aanhouden in het komende jaar. Een laag salaris, hoge werkdruk en de negatieve houding van patiënten zijn de meest genoemde redenen door apothekers voor de uitstroom van apothekersassistenten.

Evaluatie wetswijziging referentielanden Wgp

In 2019 is de Wgp gewijzigd, waarbij Noorwegen in plaats van Duitsland is geïntroduceerd als referentieland. Deze evaluatie gaat in op de effecten daarvan. De doeltreffendheid en effecten van de wetswijziging blijken moeilijk te evalueren door de opeenvolgende maatregelen die getroffen zijn na de COVID-19 crisis die samenviel met de wetswijziging. Hoewel maar in beperkte mate harde conclusies getrokken kunnen worden is wel gebleken dat de analyses en assumpties die aan de wetswijziging ten grondslag lagen niet volledig waren.

Procesmatige evaluatie voorwaardelijke toelating weesgeneesmiddelen

De uitvoering van de VT-procedure wordt elke twee jaar geëvalueerd door het Zorginstituut. Het Zorginstituut concludeert opnieuw dat er behoefte is aan een procedure voor voorwaardelijke toelating, maar constateert ook dat er verbeterpunten zijn. Uit de evaluatie volgen aanbevelingen voor het Zorginstituut, en een aantal vervolgacties voor VWS. Kernpunten zijn het scherper afbakenen van de regeling, het gericht inzetten ervan voor geneesmiddelen met onvoldoende marktprikkels, het beperken en eventueel verlengen van de looptijd, en het zoeken naar alternatieven voor ultra-weesgeneesmiddelen. Daarnaast wordt geadviseerd de VT te harmoniseren met bestaande protocollen (ODAP/DAP), rekening te houden met toekomstige indicaties, en beter onderbouwd advies te geven over verlaagde prijzen en het omgaan met evidence gaps. In de komende periode zal VWS deze aanbevelingen verder onderzoeken en uitwerken.

Evaluatie Transparantieregister Zorg

De jaarlijkse evaluatie van het Transparantieregister Zorg (TRZ) betreft de doeltreffendheid (volledig, actueel, juist en toegankelijk) en de effecten van het TRZ. In de verdiepingsslag van 2024 is geïnventariseerd welke andere typen relaties mogelijk relevant kunnen zijn voor opname in een toekomstig (wettelijk) register.

Medicatieoverdracht

Het overkoepelende doel van het onderzoek is om het effect van de implementatie van het Landelijk Programma Medicatieoverdracht inzichtelijk te maken middels een stand van zaken meting en een nameting. De conclusies van het onderzoek laten zien dat medicatiediscrepanties bij zorgtransities nog vaak voorkomen, met name in hoog-risicosectoren zoals ziekenhuiszorg bij opname en ontslag en bij opname in de GGZ. Niet alle aanbevelingen en verbetermaatregelen zijn in de praktijk voldoende geïmplementeerd, terwijl zij grote patiëntgroepen raken en het risico op matige tot ernstige gezondheidsschade aanzienlijk is. Effectieve verbetering van medicatieoverdracht vraagt daarom om betere samenwerking tussen zorgverleners, betrouwbare en volledige gegevensuitwisseling ondersteund door ICT en beslissingsondersteuning, passende bekostiging en een actievere, beter geïnformeerde patiënt. Landelijke regie in combinatie met regionale en lokale afspraken is essentieel om deze verbeteringen duurzaam te realiseren.

Thema 5: Jeugd

Tabel 97 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 5: Jeugd

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Verschillen in uitstroom Jeugdhulp in 4 gemeenten onderzocht

ED

2022

afgerond

5

Link naar onderzoek

CBS-cijfers jeugdhulp 1e halfjaar 2022

ED

2022

afgerond

5

Link naar onderzoek

Samen verder

EA

2022

afgerond

5

Link naar onderzoek

Slachtoffermonitor seksueel geweld tegen kinderen 2017-2021

ED

2022

afgerond

5

Link naar onderzoek

Gebruik gezinsgericht verblijf in 4 jeugdregio's onderzocht

EP

2022

afgerond

5

Link naar onderzoek

Meerkosten door corona in het sociaal domein

EP

2022

afgerond

5

Link naar onderzoek

Jongerenperspectief op de Hervormingsagenda Jeugd

ED

2023

afgerond

5

Link naar onderzoek

Rapportage onderzoek IV3 jeugd & WMO

ED

2023

afgerond

5

Link naar onderzoek

Verkenning verminderen behandelduur in de jeugdzorg

EA

2023

afgerond

5

Link naar onderzoek

Jeugdzorggebruik in de Noordelijke Provincies

ED

2023

afgerond

5

Link naar onderzoek

Jaarrapport 2024 Landelijke Jeugdmonitor

ED

2024

afgerond

5

Link naar onderzoek

uitgavenonderzoek

ED

2024

afgerond

5

Kamerstuk 2024D42030

Hervormingagenda afsprakenmonitor

ED

2024

afgerond

5

Kamerstuk 2024D42029

Leefwereldtoets

ED

2024

afgerond

5

Link naar onderzoek

Beleidsinformatie Jeugd

ED

Periodiek

afgerond

5

Link naar monitor

Jeugdmonitor

ED

Periodiek

afgerond

5

Link naar monitor

Adviezen Deskundigencommissie

ED

2025

afgerond

5

Kamerstuk nr.2025D03495

Jeugdmonitor

In 2024 bleef het welzijn van jongvolwassenen stabiel maar nog onder het niveau van vóór de coronaperiode, al verbeterde hun gezondheid en het vertrouwen in instituties. Tegelijkertijd groeit de druk op de jeugdzorg verder: in 2024 kreeg één op de negen jongeren ondersteuning, vooral doordat meer 12- tot 18-jarigen ambulante ondersteuning kregen. In het onderwijs vallen havo- en vwo-leerlingen vaker uit, terwijl vmbo-leerlingen juist vrijwel allemaal doorstromen. Jongeren vinden daarnaast moeilijk woonruimte en blijven vaker thuis wonen, ondanks stijgende inkomens en een iets lagere lastenquote. De arbeidsparticipatie daalde licht naar 77,7 procent, terwijl de tevredenheid over werk hoog blijft. Positief is dat vapen niet verder toenam en roken onder jongeren verder afnam. De belangrijkste aanbeveling die uit deze ontwikkelingen volgt, is dat beleid sterker moet inzetten op het verlagen van druk en kwetsbaarheid bij jongeren door hun mentale welzijn te versterken, onderwijskansen te verbeteren, de jeugdzorg toegankelijker en lichter te maken, en de woon- en inkomenspositie van jonge mensen te ondersteunen.

Adviezen Deskundigencommissie

Succesvolle hervorming vraagt van de vijfhoekpartners tijd, vertrouwen en erkenning van noodzakelijke veranderingen, en dat hiermee rekening wordt gehouden in de planning. De agenda richt zich te veel op jeugdzorg zelf, terwijl veel oorzaken van instroom liggen in onderwijs, gezin en bestaanszekerheid. Lokale steunstructuren en teams zijn cruciaal, maar moeten professionaliteit en stevigheid winnen om hun rol goed te kunnen vervullen. Door een te krap tijdpad, druk op snelle besparingen en gebrek aan betrouwbare data is het moeilijk om passende oplossingen te organiseren en de voortgang goed te meten. Daarom luidt het centrale advies dat het Rijk en de gemeenten eerst hun basis op orde moeten brengen: samen de tekorten van 2023 en 2024 dragen, dure en complexe casuïstiek beter onderzoeken, en de informatiehuishouding en monitoring structureel verbeteren. Besparingen vanaf 2026 mogen pas worden vastgesteld wanneer meetbare resultaten beschikbaar zijn, en het financiële kader kan niet eerder dan 2028 opnieuw worden bepaald. Om dit alles uitvoerbaar te maken, vraagt de commissie om vóór de zomer van 2025 een duidelijke routekaart op te stellen waarin staat hoe de aanbevelingen worden opgevolgd.

Thema 6: Maatschappelijke ondersteuning

Tabel 98 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 6: Maatschappelijke ondersteuning

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Vierde meting monitor abonnementstarief Wmo

ED

2022

afgerond

3

Kamerstuk nr.2022D41598

Eindrapport: inzet uitvoeringsvarianten in de Wmo

EP

2024

afgerond

3

Kamerstuk nr.2024D42376

Onderzoek naar de effecten van open house

EP

2024

afgerond

3

Kamerstuk nr.2024D42025

Zien, luister, helpen (SCP)

Kennis

2024

afgerond

3

Link naar onderzoek

De sociale basis en de houdbaarheid van de Wmo

Kennis

2024

afgerond

3

Kamerstuk nr.2024D37079

Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis

EP

2024

afgerond

3

Kamerstuk nr.29325-170

Monitor gemeentelijk sociaal domein

ED

periodiek

afgerond

3

Link naar monitor

Data Wmo op orde (Dashboard)

ED

periodiek

afgerond

3

Link naar onderzoek

Jaarrapport Wmo

ED

periodiek

afgerond

3

Link naar onderzoek

Dagbesteding in balans

EP

periodiek

afgerond

3

Link naar onderzoek

Rapportage cliëntervaringsonderzoek Wmo

ED

periodiek

afgerond

3

Kamerstuk nr.2025D07689

Houdbaarheidsonderzoek Wmo

EP

2025

afgerond

3

Kamerstuk nr.2025D48539

De uitvoeringspraktijk van de Wmo

EP

2025

afgerond

3

Kamerstuk nr.2025D31313

Demografische en andere uitdagingen Wmo

Kennis

2025

afgerond

3

Kamerstuk nr.2025D31314

Eén tegen eenzaamheid

EP

2025

afgerond

3

Kamerstuk nr.2025D33159

Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis

EP

2025

afgerond

3

Kamerstuk nr.2025D52912

Doelmatigheid Wmo BPSW

ED

2026

lopend

3

N.v.t.

De Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD)

Deze vrijwillige uitvraag bij gemeenten wordt gezamenlijk gefinancierd door gemeenten en VWS en is de basis voor de Landelijke Monitor Wmo. In 2025 hebben 338 gemeenten data aangeleverd, echter niet voor alle categorieën even volledig. Hier valt nog veel winst te behalen.

Data op orde: Dashboard Landelijke Monitor Wmo

Bij deze opsomming over gebruik en kosten 2024, ontbreken data over gebruik en kosten van collectieve voorzieningen en de toegang. De landelijke monitor is wel uitgebreid met data in het dashboard over rolstoelen, vervoersmiddelen en woonvoorzieningen. Ook zijn kwintielen geïntroduceerd i.p.v. absolute inkomenscategorieën, om het inflatie-effect te vermijden. Tenslotte worden de scores van gemeenten onder de knop «toon data» niet meer op alfabetische volgorde getoond, maar van hoog- tot laagscorend. Dit geeft voor het kiezen van gemeenten voor een benchmark een duidelijker beeld.

Jaarrapport Wmo 2025

Dit jaarrapport over 2024 laat zien dat de kosten van maatwerkvoorzieningen harder toeneemt dan het gebruik van maatwerkvoorzieningen. In het rapport worden de scores voor de hoofdcategorieën besproken en krijgt de stand van zaken betreffende data over de sociale basis aandacht. Dagbesteding is een van de weinige maatvoorzieningen die daalt, wat aanleiding was voor een nader benchmark onderzoek. In het jaarrapport zijn de bij het CBS bekende statistieken voor de sociale basis op een rij gezet.

Dagbesteding in balans

Dagbesteding als maatvoorziening is een van de weinige maatwerkvoorzieningen waarvan het gebruik en kosten dalen, al zijn de verschillen in het gebruik van dagbesteding groot. Verklaringsfactoren zijn:

  • Verschillen in toegang en werkwijze zijn de belangrijkste verklaring voor verschillen in gebruik van maatwerkdagbesteding.

  • De sociale basis en het lokale voorzieningenniveau beïnvloeden de druk op maatwerkdagbesteding.

  • Demografische en maatschappelijke trends versterken lokale verschillen.

  • Arbeidsmatige dagbesteding kent een eigen dynamiek.

  • Verschillen in definities, registratie en inkoopmodellen bemoeilijken vergelijking en sturing.

Rapportage cliëntervaringsonderzoek Wmo

Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verplicht jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek Wmo (ceo Wmo) uit te voeren. Sinds 2021 mogen gemeenten zelf de methode kiezen, mits toegang, kwaliteit en effecten in het onderzoek terugkomen. Voor 2024 leverden 265 van de 342 gemeenten gegevens aan, waarvan de ceo’s afgerond waren. Gemeenten schetsen overwegend een stabiel en positief beeld van de cliënttevredenheid, met weinig schommelingen ten opzichte van vorig jaar. De meeste Wmo-cliënten zijn tevreden over de toegang. Zij weten waar zij terecht kunnen, voelen zich serieus genomen en ervaren de keukentafelgesprekken als positief. De drie belangrijkste verbeterpunten zijn: (1) de bekendheid met onafhankelijke cliëntondersteuning (58%), (2) de wachtlijsten (35%) en (3) de bekendheid met de toegang (24%). Over de kwaliteit van de ondersteuning zijn de meeste cliënten tevreden volgens gemeenten. Wel verschilt de waardering vaak tussen voorzieningen: hulpmiddelen, vervoer en woningaanpassingen worden vaak hoger beoordeeld dan huishoudelijke hulp. Ongeveer de helft van de gemeenten ziet geen ruimte voor verbetering op de verschillende aspecten. Een deel van de gemeenten noemt dat de communicatie tussen zorgprofessionals en richting de cliënt beter kan. Een groot deel van de cliënten ervaart volgens gemeenten positieve effecten van de ondersteuning. Hier ziet eveneens ongeveer de helft van de gemeenten geen aanleiding voor verbetering. Verbetering op het aspect zelfredzaamheid wordt het vaakst genoemd (19%), iets meer dan vorig jaar.

Houdbaarheidsonderzoek Wmo

Het Houdbaarheidsonderzoek heeft als doel om een gezamenlijk beeld te vormen van de opgaven in de Wmo 2015 en om VNG en Rijk in staat te stellen gezamenlijk en proactief te sturen op lange termijnvraagstukken. De analyse laat zien dat demografische ontwikkelingen, toenemende complexiteit en de beweging naar de voorkant leiden tot inhoudelijke uitdijing en daarmee tot financiële, personele en maatschappelijke risico’s voor gemeenten. Ook drukken bezuinigingen en knelpunten in andere zorgdomeinen op de uitvoering, versterkt door arbeidsmarktkrapte en de groeiende complexiteit van Wmo-onderdelen. Diverse elementen van de oorspronkelijke beleidstheorie zijn niet waargemaakt: de decentralisatie wordt niet overal aanvaard, burgers blijven de Wmo zien als aanspraak, en jurisprudentie en Rijksingrijpen bemoeilijken het sturen op zelfredzaamheid. Daarnaast beïnvloeden externe factoren zoals bestaanszekerheid, huisvesting, schuldenproblematiek, de ggz en een versnipperde interbestuurlijke vormgeving de werking van de Wmo. Hoewel veel inwoners tevreden zijn, ervaren vooral mensen met een levenslange of levensbrede beperking tekortkomingen in hun ondersteuning.

Het onderzoek vraagt daarom om duidelijke afbakenende keuzes: moet de Wmo worden ingericht als een smalle, afgebakende ondersteuningswet of als een brede maatschappelijke vangnetwet? De eindrapportage benoemt maatregelen gericht op het bepalen van de positie van de Wmo, het versterken van bestaanszekerheid, zelf- en samenredzaamheid, de sociale basis, en het verbeteren van randvoorwaarden zoals data, landelijke kaders, toegang en administratieve lasten. Daarnaast zijn passende woningen, reablement, inkomens- en vermogensafhankelijke bijdragen, ondersteuning van mantelzorgers en aandacht voor de markt van zorgaanbieders noodzakelijk voor een goed functionerend stelsel. Daarmee komt het onderzoek tot de conclusie dat de Wmo 2015 zonder duidelijke afbakening en gerichte keuzes van de landelijke politiek op termijn niet houdbaar is, en de beschikbaarheid en toegankelijkheid van ondersteuning voor kwetsbare inwoners onder ernstige druk zal komen te staan.

De uitvoeringspraktijk van de Wmo

In het kader van het Houdbaarheidsonderzoek is onderzocht hoe gemeenten de Wmo 2015 uitvoeren en welke kosten hiermee gemoeid zijn. In dit onderzoek lag de nadruk op de manier waarop de toegang en lokale (wijk)teams zijn georganiseerd en de manier waarop ondersteuning wordt georganiseerd en ingekocht. Hiermee is in beeld gebracht of de initieel bedoelde diversiteit ook daadwerkelijk tot stand is gekomen in de uitvoeringspraktijk van de Wmo 2015. Grofweg zien gemeenten het gebruik van maatwerkvoorzieningen en de kosten ervan toenemen, maar de mate waarin verschilt per gemeente door vraagzwaarte, inrichting van de toegang en de gekozen uitvoeringsvariant. Landelijk gezien werkt ongeveer de helft van de gemeenten met een inspanningsgericht profiel (P*Q) een derde met een outputgericht profiel (resultaatgericht) en een op de tien met een taakgericht profiel (populatiebekostiging). Gemeenten met een lichtere taakzwaarte werken vaker met een inspanningsgericht profiel. Voordelen hiervan zijn volgens hen de flexibiliteit in het te contracteren aanbod en de keuzevrijheid voor inwoners. Gemeenten met een zwaardere taak werken vaker met een output- of taakgericht profiel. Een reden hiervoor is de nadrukkelijker gevoelde noodzaak om op resultaten of een bredere populatie te sturen vanwege meer langdurigere en/of complexe problematiek. Taakgerichte bekostiging gaat samen met de laagste uitgaven en het kleinst aantal cliënten met maatwerk ondersteuning. Wel zijn de kosten voor de toegang hoger.

Demografische en andere uitdagingen voor de Wmo 2015

In de notitie «Demografische en andere uitdagingen voor de Wmo 2015» is gekeken naar elementen en vraagstukken in de samenleving, buiten de (nauwe) koker van de Wmo 2015 zelf, die wel een effect kunnen hebben op de vraag naar zorg en ondersteuning vanuit de Wmo 2015. In 2040 is het aantal 80-plussers met meer dan 70% gegroeid (ten opzichte van nu) bij een binnenlands arbeidsaanbod dat krimpt ten opzichte van de huidige situatie. Het zorg en ondersteuningsaanbod krijgt het steeds moeilijker om de hulp en ondersteuningsvraag tegemoet te komen (dat geldt in alle zorgwetten). Een tweedeling binnen de maatschappij als gevolg hiervan is een denkbaar (maar onwenselijk) scenario: de ‘well to do’ kunnen in de nabije toekomst privaat hun zorg en ondersteuning inkopen, waardoor minder arbeidskrachten overblijven voor collectief gefinancierde zorg en welzijn voor de ‘less to do’. Mensen zullen meer naar elkaar moeten omkijken en mensen zullen in de toekomst ook meer afhankelijk zijn van hun kinderen en/of het netwerk in de wijk.

Eén tegen eenzaamheid

Eenzaamheid en sociaal isolement vormen serieuze maatschappelijke problemen met gevolgen voor gezondheid, participatie en welzijn. Het terugdringen van sterke en chronische eenzaamheid vraagt om een structureel langetermijnbeleid dat gezond sociaal gedrag in de gehele samenleving bevordert en gericht is op alle leeftijden en levensdomeinen, niet uitsluitend ouderen. De commissie constateert dat de huidige aanpak vaak projectmatig en tijdelijk is, waardoor structurele borging ontbreekt. Belangrijke werkzame elementen zijn onder meer: het bevorderen van gemeenschapszin, maatschappelijk vertrouwen, betekenisvol contact, herhaalde ontmoeting, sociaal-emotionele competenties en bestaanszekerheid. De focus ligt op het versterken van sociale verbindingen, het verminderen van sociaal isolement en het vergroten van zelf- en samenredzaamheid. Interventies moeten breed, duurzaam en geïntegreerd worden ingezet in zorg, welzijn, onderwijs, werk en wonen. De commissie adviseert tot slot een consistent en integraal eenzaamheidsbeleid, met brede maatschappelijke inzet en duurzame verankering, om sociale verbondenheid in Nederland effectief te versterken.

Nationaal actieplan dakloosheid

Eind 2022 is het Nationaal Actieplan Dakloosheid (NAD): Eerst een Thuis gepresenteerd. Dit plan zet in op een landelijke paradigmashift, uiterlijk bereikt in 2030, waarbij de oplossing voor dakloosheid niet langer maatschappelijke opvang is, waarbij preventie en wonen voor het eerst centraal staan. In opdracht van VWS en VNG voert het CBS een moni­tor uit waarmee dakloosheid structureel wordt gemonitord, zowel op regio­naal niveau als landelijk. Voor deze monitor zijn in 2024 en 2025 door het CBS in samen­wer­king met Valente en VNG-realisatie registraties op persoonsniveau over dakloze men­sen (inclu­sief BSN) uitgevraagd. Deze uitvraag vindt zowel plaats onder de centrumge­meen­­­ten als onder maatschappelijke opvangorganisa­ties. Het is belangrijk om eenzelfde definitie van dakloosheid te gebruiken. Daarvoor is er een ETHOS-Light classificatie ontwikkeld en die kent 7 categorieën. De cijfers over het jaar 2025 zijn op het moment van schrijven nog niet gepubliceerd.

Doelmatigheid Wmo

Hier was het de bedoeling om een ZonMw programma te ontwikkelen voor richtlijnen en onderzoek naar bewezen effectieve interventies. Op basis van nadere inzichten is een traject gestart voor de ontwikkeling van richtlijnen door de beroepsgroep van sociaal werkers de BPSW. De Wetenschappelijke AdviesRaad (WAR) van de BPSW adviseerde na een gedegen studie om een wetenschappelijke body of knowledge voor het beroep te ontwikkelen. Dit wordt nu door de BPSW uitgevoerd. Tenslotte wordt Centrum Sociaal Werk ingericht, om de ‘body of knowledge’ van een thuis te voorzien.

Thema 7: Ouderenzorg en palliatieve zorg

Tabel 99 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 7: Ouderenzorg en palliatieve zorg

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Kennisinfrastructuur Langdurige Zorg

EA

2022

afgerond

3

Link naar onderzoek

Onderzoek meerkosten geclusterde woonvormen Wet langdurige zorg (Wlz)

EA

2022

afgerond

3

Link naar onderzoek

WOZO monitor

ED

2023

afgerond

3

Link naar onderzoek

IBO ouderenzorg - Niets doen is geen optie

EP

2023

afgerond

3

Link naar onderzoek

Eindrapportage Waardigheid en trots op locatie

EP

2024

afgerond

3

Kamerstuk nr.2024D00066

Rapport tussenevaluatie Nationaal Programma Palliatieve Zorg II

ED

2024

afgerond

3

Kamerstuk nr.2024D50435

Monitor Langdurige zorg

ED

periodiek

afgerond

3

Link naar monitor

Kerncijfers Langdurige Zorg

ED

periodiek

afgerond

3

Link naar monitor

Monitor ouderenzorg: beweging in de samenleving

ED

2025

afgerond

3

Link naar onderzoek

Behandeling binnen de ouderenzorg

ED

2025

afgerond

3

Link naar onderzoek

Thema Dementie

Tussentijdse evaluatie Nationale Dementiestrategie

ED

2024

afgerond

3

Kamerstuk 25424 nr.701

Monitor Nationale Dementiestrategie

ED

periodiek

afgerond

3

Link naar monitor

Tussentijdse evaluatie van de Nationale Dementiestrategie (NDS)

ED

periodiek

afgerond

3

Kamerstuk nr.25424-728

Hospices in Nederland

Kennis

2025

afgerond

3

Kamerstuk nr.29509-97

GR advies Risicoreductie en vroegdiagnostiek

Kennis

2025

afgerond

3

Kamerstuk nr.2025D48056

Monitor ouderenzorg: beweging in de samenleving van het RIVM

Deze monitor is ontwikkeld door het RIVM en geeft aan de hand van 32 indicatoren kwantitatief en kwalitatief inzicht in de ontwikkelingen rondom zorg en ondersteuning voor thuiswonende ouderen in de periode 2015-2023. Dit rapport is ontwikkeld binnen het WOZO-programma waarin de elementen en de beweging naar ‘zelf als het kan, thuis als het kan en digitaal als het kan’ centraal stonden.

De monitor laat zien dat er een stabiele trend is als het gaat om de ervaren zelfredzaamheid en tevredenheid met het leven. In het veld worden nieuwe initiatieven gestart om de beweging tot langerzelfstandig thuis wonen voor ouderen te ondersteunen, bijvoorbeeld; wooninitiatieven of zorgzame buurten. Er zijn ontwikkelingen rondom de inzet van zorgtechnologie en digitale hulpmiddelen en er is een stijging te zien in het aandeel oudere zorggebruikers dat gebruik maakt van digitale zelfhulp en zorgtoepassingen. Deze monitor wordt binnen het HLO geïntegreerd en gecontinueerd.

Behandeling binnen de ouderenzorg

De aanleiding voor het onderzoek is de wens om meer grip en inzicht te krijgen in hoe deze behandelingen georganiseerd zijn, welke variatie bestaat en wat dat betekent voor kwaliteit, doelmatigheid en toekomstbestendigheid. Het rapport is tot stand gekomen op basis van kwantitatieve en kwalitatieve informatie, aangeleverd door 21 zorginstellingen. De onderzochte instellingen tonen betrokkenheid, reflectievermogen en bereidheid tot verbetering. In lijn met de uitdagingen zijn er perspectieven. De behandelcomponent binnen de ouderenzorg is daarmee volop in ontwikkeling, met een brede erkenning van de noodzaak tot samenwerking en gezamenlijke verdere inhoudelijke verdieping, met aandacht voor de uitvoerbaarheid en werkbaarheid in de praktijk.

Tussentijdse evaluatie van de Nationale Dementiestrategie (NDS)

In opdracht van VWS heeft Berenschot in 2024 een tussenevaluatie van de Nationale dementiestrategie uitgevoerd. Uit de evaluatie is gebleken dat er op basis van de NDS grote stappen zijn gezet als het gaat om onderzoek naar, zorg voor en de positie van mensen met dementie. De ernst en het hoge aantal mensen dat te maken krijgt met een vorm van dementie, onderstreept het belang en noodzaak voor het voortzetten van de NDS. Wel wordt een aantal aanbevelingen gedaan voor de inhoudelijke focus van de thema’s. Zo wordt er aangegeven dat er in thema 1 meer aandacht moet zijn voor preventie en kwaliteit van leven, dat in thema 2 er meer aandacht moet zijn voor beeldvorming en het verminderen van stigma over mensen met dementie en dat er in thema 3 meer ingezet kan worden op het borgen, verspreiden van kennis en het in stand houden van goede ondersteuning en zorg initiatieven voor mensen met dementie. Ook wordt aanbevolen om meer aandacht te besteden aan culturele diversiteit, te verduidelijken hoe besluiten binnen de governance van de NDS worden genomen en de NDS beter te verbinden met andere beleidsprogramma’s.

Rapport «Hospices in Nederland»

In 2024 een gestructureerd overzicht gemaakt van alle hospices in Nederland middels het project Versterken Hospicezorg. Hierin werd een beeld geschetst van het huidige landschap en de toekomstig benodigde capaciteit (landelijk en regionaal). Hierop voortbouwend is in het rapport Hospices in Nederland de variatie in organisatievormen in het hospicelandschap in kaart gebracht. Het rapport laat zien dat de huidige variëteit aan organisatievormen en bekostigingsstructuren knelpunten oplevert op het gebied van beschikbaarheid, kwaliteit en betaalbaarheid van hospicezorg. Er worden aanbevelingen gedaan voor hoe het landschap er over vijf tot tien jaar uit zou kunnen zien.

GR advies Risicoreductie en vroegdiagnostiek

Samenvattend adviseert de Gezondheidsraad vooral in te zetten op risicoreductie en niet op vroegdiagnostiek. Omdat de meerwaarde van de nieuwe methoden voor vroegdiagnostiek vooralsnog beperkt is en er geen effectieve therapeutische behandeling beschikbaar is, moeten de mogelijkheden om toekomstige ziektelast van dementie te verkleinen vooral gezocht worden in het reduceren van het risico op het ontwikkelen van dementie.

Thema 8: Gehandicaptenzorg

Tabel 100 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 8: Gehandicaptenzorg

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Strategische evaluatie Toekomstagenda gehandicaptenzorg

ED

2023

afgerond

3

Link naar onderzoek

Evaluatie maatregelen complexe zorg: Eindrapportage fase 1, 2 en 3

ED

2023

afgerond

3

Link naar onderzoek

Eindrapportage Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2019-2022

EP

2023

afgerond

3

Link naar onderzoek

Veilige zorgrelatie in gehandicaptenzorg

ED

2023

afgerond

3 en 4

Link naar onderzoek

Rapporten van onderzoek naar de in- en doorstroom van complexe zorg in de gehandicaptenzorg

EP

2023

afgerond

3

Link naar onderzoek

Monitor ZZP Gehandicaptenzorg (CBS)

ED

periodiek

afgerond

3

Link naar monitor

Toekomstagenda gehandicaptenzorg

EA

2025

afgerond

3

Kamerstuk nr.2025D13650

Toekomstagenda gehandicaptenzorg

Het RIVM heeft in 2025 een plan van aanpak gemaakt voor de monitoring en evaluatie van de Toekomstagenda: zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking. Het plan van aanpak voor monitoring en evaluatie is aan de Tweede kamer gestuurd met de voortgangsrapportage Toekomstagenda 28 maart 2025 (TK 24170-354). Het RIVM gaat in de overkoepelende monitor van de Toekomstagenda de beweging naar toekomstbestendige zorg en ondersteuning op twee manieren volgen: allereerst met een set aan indicatoren en door het houden van interviews. Deze monitor wordt tweemaal uitgevoerd en opgeleverd in maart 2026 en maart 2027. De Tweede Kamer ontvangt de eerste monitor in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda in het voorjaar van 2026. Daarnaast voert het RIVM een evaluatie uit. De evaluatie wordt eenmalig uitgevoerd en na afloop van de looptijd van de Toekomstagenda opgeleverd (eind 2027). De evaluatie vindt plaats door middel van kwalitatief onderzoek aan de hand van de volgende onderzoeksvraag: Heeft de Toekomstagenda bijgedragen aan de eventuele beweging naar toekomstbestendige zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking? En zo ja, op welke manier?

Thema 9: Arbeidsmarkt en opleidingen zorg

Tabel 101 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 9: Arbeidsmarkt en opleidingen zorg

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Evaluatie Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Personeel Ziekenhuiszorg

EP

2022

afgerond

art. 4

Kamerstuk 2022D11183

Ontwikkel het Stagefonds door. Verkenning vergoeding stagebegeleiding

EP

2024

afgerond

art. 4

Kamerstuk 2024D15164

Monitor arbeidsmarkteffecten (AZW)

ED

periodiek

afgerond

art. 4

Link naar monitor

Arbeidsmarkt & ontzorgen zorgprofessionals (IZA)

ED

periodiek

afgerond

art. 4

Link naar monitor

Periodieke rapportage Arbeidsmarkt- en Opleidingsbeleid

EP

2025

afgerond

art. 4

Kamerstuk 29282-616

Evaluatie subsidieregeling Basis Acute Zorg (BAZ)

EP

2025

afgerond

art. 4

Kamerstuk 2025D52829

Evaluatie subsidieregeling Opleidingen in een Jeugd ggz instelling

EP

2025

afgerond

art. 4

Kamerstuk 2025D52828

Evaluatie subsidieregeling stageplaatsen zorg II

EP

2025

afgerond

art. 4

Kamerstuk 29282-616

Evaluatie AZW-programma

EP

2025

afgerond

art. 4

Kamerstuk 2025D52834

Evaluatie instellingssubsidie SBOH

EP

2025

afgerond

art. 4

Kamerstuk 2025D52827

Monitor arbeidsmarkteffecten (AZW)

De arbeidsmarktmonitor is beschikbaar via het dashboard Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) en wordt bij het beschikbaar komen van nieuwe cijfers steeds geactualiseerd.

Evaluatie van de subsidieregeling opleidingsmodule Basis Acute Zorg (SiRM)

In de periode van juli 2022 tot en met september 2024 heeft het ministerie van VWS met de Subsidieregeling Opleidingsmodule Basis Acute Zorg (BAZ) ziekenhuizen gestimuleerd om verpleegkundigen een BAZ-opleidingsmodule te laten volgen. Verpleegkundigen met het BAZ-certificaat kunnen in geval van crises snel worden ingezet op de acute as van een ziekenhuis, zoals de intensive care of de spoedeisende hulp. De conclusie van de evaluatie is dat de regeling haar primaire functie heeft vervuld door het opleiden van BAZ-gecertificeerden. Het is echter onzeker of de regeling op zichzelf structureel heeft bijgedragen aan dat ziekenhuizen beter voorbereid zijn op toekomstige crises. Dit komt omdat het voor directe inzetbaarheid nodig is dat BAZ-gecertificeerden blijvend ervaring moeten opdoen in de acute zorg, wat door personeelstekort niet altijd kan. Subsidievoorwaarden hadden eisen kunnen stellen dat een structureel effect garandeert, maar omdat de regeling is vormgegeven in de nasleep van de covidpandemie is er wel twijfel of dit haalbaar en wenselijk was. De evaluatie gaat ook in op de onderbenutting van het subsidieplafond in 2023. De verklaring hiervoor wordt gegeven doordat het potentieel aantal BAZ-certificaten vermoedelijk is overschat door afnemende urgentie. Tevens werd de eerste aanvraagperiode relatief laat geopend en was deze complex ingericht, waardoor aanvragers in onzekerheid waren of zij verpleegkundigen moesten opleiden. De aanvraagperiode en het budget voor 2024 zijn op basis van de ervaringen aangepast waardoor het subsidieplafond beter is benut. Vanaf 1 januari 2025 zijn de opleidingsmodules van de BAZ opgenomen in de nieuwe modulaire bekostiging van ziekenhuisopleidingen via de beschikbaarheidbijdrage. De subsidieregeling is daarmee overbodig geworden.

Evaluatie subsidieregeling Opleidingen in een Jeugd ggz instelling

De subsidieregeling Opleidingen in een Jeugd ggz instelling waarborgt de financiering van opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog, psychiater, psychotherapeut, klinisch (neuro)psycholoog en verpleegkundig specialist ggz in instellingen die uitsluitend zorg aan jeugdigen tot 18 jaar bieden en hiermee niet in aanmerking komen voor bekostiging door middel van een beschikbaarheidbijdrage. De subsidieregeling wordt als doeltreffend en doelmatig beoordeeld. De regeling draagt echter maar in beperkte mate bij aan de realisatie van de benodigde opleidingscapaciteit in de gehele sector.

Evaluatie subsidieregeling stageplaatsen zorg II

De evaluatie van de subsidieregeling Stageplaatsen Zorg II (hierna: het Stagefonds) is uitgevoerd binnen het onderzoek voor de periodieke rapportage arbeidsmarkt- en opleidingenbeleid zorg en welzijn, op basis van drie reeds beschikbare rapporten die een duidelijk genoeg beeld geven over de doelmatigheid en doeltreffendheid. De conclusie is dat het Stagefonds zeer waarschijnlijk niet doeltreffend is. De rapportage van de Algemene Rekenkamer (AR) speelt hierbij een cruciale rol, aangezien het Stagefonds hierin als ondoelmatig en ondoeltreffend wordt beoordeeld. Deze bevindingen vormden samen met de taakstelling de basis voor het besluit om het Stagefonds per 2028 te stoppen.

Evaluatie AZW-programma

In het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) werken arbeidsmarktfondsen in zorg en welzijn en het ministerie van VWS sinds 1994 samen met als doel om betrouwbare, onafhankelijke informatie te bieden over de arbeidsmarkt. Dit zodat beleidsmakers en bestuurders op basis van beter begrip van de arbeidsmarkt keuzes kunnen maken, een goed arbeidsmarktbeleid kunnen uitvoeren en problemen kunnen oplossen. Uit de evaluatie blijkt dat de AZW-producten actief worden gebruikt en worden gewaardeerd door gebruikers. Bureau Bartels concludeert dat het programma effectief is, zowel in de organisatie en uitvoering als in het behalen van het beoogde doel. Eenduidige en betrouwbare arbeidsmarktinformatie blijft in de toekomst van belang en Bureau Bartels adviseert om het gebruik van de informatie ten behoeve van beleid verder te stimuleren.

Evaluatie instellingssubsidie SBOH

Een groot deel van de medische vervolgopleidingen betaalt het ministerie van VWS via de beschikbaarheidbijdrage, waarbij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) verantwoordelijk is voor de uitvoering van de beschikbaarheidbijdrage. Voor medische vervolgopleidingen in de publieke gezondheidszorg is er geen financiering via een beschikbaarheidbijdrage. Sinds 2019 stelt het ministerie van VWS een instellingssubsidie beschikbaar aan de stichting SBOH om deze opleidingen te financieren en het centraal werkgeverschap te faciliteren voor de aios tijdens de opleidingsperiode. Het gaat hierbij om de opleidingen tot Arts Maatschappij + Gezondheid met de profielen: jeugdgezondheidszorg, infectieziektebestrijding, tuberculosebestrijding, medische milieukunde, donorarts en vertrouwensarts. In de evaluatie is onderzocht hoe doeltreffend en doelmatig de instellingssubsidie is over de periode 2022-2024. Uit de evaluatie blijkt onder andere dat het centraal werkgeverschap de beoogde voordelen met zich meebrengt die de kwaliteit van de opleiding verbetert, zoals meer onafhankelijkheid van de aios ten opzichte van de opleidende partij en makkelijkere/betere mogelijkheden om op meerdere plekken stage te lopen. Ook zorgt centraal werkgeverschap voor gelijkheid tussen de aios. Bovendien is de meerderheid van de aios (zeer) tevreden over SBOH als werkgever. Er zijn echter ook aandachtspunten, zoals het verhogen van de instroom en de behoefte aan meer flexibiliteit in het subsidieproces.

Thema 10: Overige VWS-brede evaluaties

Tabel 102 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 10: Overige VWS-brede evaluaties

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Impactanalyse TNO Quickscan EHDS

EA

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Financiële impactanalyse KPMG

EA

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Juridisch advies over het voorstel voor de EHDS Verordening (Radboud)

EA

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Evaluatie van het subsidieprogramma Voor Elkaar!

EP

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Melius Health Informatics Transitieplan «Van ZIB-compliance naar hergebruik van zorginformatie»

EA

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Model voor stelselregie (Nictiz)

EA

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Rapport marktwerking in de zorg-ICT-markt (Deloitte)

EP

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Naar een geïntegreerd gezondheidsinformatiesysteem in Nederland (OECD)

EA

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Bureau Gateway Reviewrapport Programma Egiz

EA

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Impact assessment Eenheid van Taal (D&A)

EA

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Evaluatie aftrek specifieke zorgkosten

EP

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Evaluatie agenda Goed bestuur in de zorg

EP

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Ex durante evaluatie van de pilot Lerend Evalueren

ED

2022

afgerond

4

Link naar onderzoek

Invoeringstoets Wtza

ED

2023

afgerond

4

Link naar onderzoek

Kaderwetevaluatie NZa 2018-2022 - «Op weg naar meer stevigheid"

EP

2023

afgerond

4

Link naar onderzoek

Onderzoek naar geschilleninstanties Wkkgz

ED

2023

afgerond

4

Link naar onderzoek

Technische werkgroep Macrobeheersing Zorguitgaven

EA

2023

afgerond

4

Link naar onderzoek

Tussentijdse evaluatierapport Pandemische paraatheid

ED

2024

lopend

1

Kamerstuk 25295 nr. 2189

Nivel-onderzoek naar vertrouwen in databeschikbaarheid van gezondheidsgegevens voor primair en secundair gebruik

EP

2024

afgerond

4

Kamerstuk 27529 nr. 317

Doorlichting aCBG - agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

EP

2024

afgerond

4

Link naar onderzoek

1-meting van de «beweging van het IZA»

ED

2025

afgerond

2, 4, 5

Kamerstuk 2025D37663

Evaluatie van het instrument beschikbaarheidbijdrage

EP

2025

afgerond

4

Kamerstuk 2025D27508

Wetsevaluatie Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz)

EP

2025

afgerond

4

Kamerstuk 2025D48867

Herijking Financiële impactanalyse European Health Data Space

Kennis

2025

afgerond

4

Kamerstuk 27529-352

Zbo evaluatie CAK 2019 ‒ 2023 ‘Goed op weg’

EP

2025

afgerond

4

Kamerstuk 34104-428

Evaluatie doeltreffendheid en doelmatigheid PUR

EP

2025

afgerond

4

Kamerstuk 25268-238

Advies van het Adviescollege ICT-toetsing Ontwikkeling Mijn Gezondheidsoverzicht en aanbesteding PGO

ED

2025

afgerond

 

Kamerstuk 2025D03677

Doorlichting CIBG

EP

2026

lopend

4

n.v.t.

Kaderwetevaluatie Zorginstituut Nederland

EP

2026

lopend

4

n.v.t.

1-meting van de «beweging van het IZA»

Met het Integraal Zorgakkoord (IZA) wordt ingezet op toegankelijke, betaalbare en kwalitatief goede zorg. Om zicht te houden op de ontwikkelingen die worden bewerkstelligen met het IZA is in opdracht van de partijen een brede monitor opgebouwd, ondersteunt door verschillende kennisinstituten. Deze IZA monitor brengt: 1) regelmatig de ontwikkelingen in kaart op het gebied van planvorming en proces via de voortgangsrapportage. Daarnaast worden 2) de cruciale veranderingen in de zorg (‘de beweging’) en 3) de effecten van IZA maatregelen voor de gezondheid van verschillende doelgroepen inwoners en patiënten (‘monitor doelgroepen IZA’) in beeld gebracht. Deze 1-meting bevat nog weinig tot geen grote veranderingen ten opzichte van de 0-meting. Ondanks dat de deelmonitors soms een ‘positief’ of ‘negatief’ effect laten zien van het IZA, kunnen nog niet gesproken worden van een trend, noch causale relatie. Het zijn mogelijk indicaties van eerste effecten waar zicht op zou verkregen kunnen worden.

Evaluatie van het instrument beschikbaarheidbijdrage

Het rapport betreft een evaluatie naar de inzet en de werking van het instrument beschikbaarheidbijdrage sinds de inwerkingtreding van het instrument in 2012. De beschikbaarheidbijdrage is een subsidie op grond van artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg die onder voorwaarden kan worden ingezet om specifieke vormen van zorg beschikbaar te houden. Specifiek heeft VWS gevraagd om onderzoek te doen naar de doeltreffendheid en rechtmatigheid van het gebruik van het instrument beschikbaarheidbijdrage.

Het onderzoeksbureau concludeert dat het ministerie van VWS het instrument zorgvuldiger dient toe te passen. Daarnaast wordt aanbevolen het beoordelingskader voor de inzet van het instrument aan te scherpen, zodat duidelijker wordt onder welke voorwaarden inzet passend en gerechtvaardigd is. Deze aanbevelingen raken ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die belast is met de uitvoering van de beschikbaarheidbijdrage. Verder worden specifieke aanbevelingen gedaan ten aanzien van de beschikbaarheidbijdrage voor (medische) vervolgopleidingen en voor academische zorg. Daarbij wordt geconcludeerd dat deze regelingen het risico met zich meebrengen van ongewenste neveneffecten, zoals inefficiëntie en oneerlijke concurrentie. Tegelijkertijd constateert het onderzoeksbureau dat er geen evident bekostigingsalternatief is.

Wetsevaluatie Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz)

Op grond van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018) dient binnen vijf jaar na inwerkingtreding een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de Wmcz 2018 in plaats te vinden. De Wmcz geldt voor zorginstellingen, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen en heeft als belangrijkste doelen de positie van cliëntenraden te verstevigen ten opzichte van instellingen, en tegelijkertijd tegemoet te komen aan de wens van instellingsbesturen en cliëntenorganisaties tot grotere ruimte voor maatwerk. Bij de evaluatieopdracht stond de vraag centraal of de doelen die de wetgever voor ogen had met de Wmcz 2018 zijn gerealiseerd. Het onderzoek concludeert onder andere dat de Wmcz 2018 meer juridische basis biedt voor het versterken van de cliëntenraad en ruimte voor maatwerk, maar doet aanbevelingen om het animo bij cliëntenraden te vergroten en een cultuurverandering te bereiken. Daarnaast kan meer verduidelijkt worden wanneer de Wmcz van toepassing is.

Herijking Financiële impactanalyse European Health Data Space

KPMG heeft in 2025 in opdracht van VWS een herijking van de financiële impactanalyse European Health Data Space ('EHDS’) uitgevoerd om de financiële consequenties van de EHDS voor Nederland in kaart te brengen. De analyse maakt zichtbaar welke aanvullende investeringen nodig zijn voor de EHDS en welke kostenposten reeds meelopen met bestaande nationale trajecten als gevolg van overlap.

Zbo evaluatie CAK 2019 ‒ 2023 ‘Goed op weg’

De evaluatie van het onderzoek is in december 2024 opgeleverd en met de Kabinetsreactie in februari 2025 aan de Kamer aangeboden. Het onderzoeksbureau concludeert ten aanzien van de doeltreffendheid dat het CAK de afgelopen jaren de focus heeft gelegd op de kwaliteit en rechtmatigheid van de dienstverlening. Het CAK heeft zich ontwikkeld richting een meer klantgerichte, empathische en wendbare organisatie. Ook heeft het CAK een belangrijke ontwikkeling doorgemaakt om toe te werken naar het geborgd in control komen. Verder concludeert het rapport dat het CAK meer grip gekregen heeft op de kwaliteit van dienstverlening. Een aantal prestatie-indicatoren blijft een aandachtspunt.

Het rapport concludeert dat de focus de afgelopen jaren meer op de kwaliteit en rechtmatigheid van de dienstverlening lag, dan op de doelmatigheid. Dit is te verklaren door de grote uitdagingen op doeltreffendheid, waardoor er beperkt aandacht voor monitoring en sturing op doelmatigheid was. Het CAK heeft desondanks wel stappen gezet in het versterken van doelmatigheid. Het CAK werkt aan een CAK breed doelmatigheidskader. Hiervoor is helderheid nodig over wanneer het CAK, VWS en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) kunnen spreken over een doelmatig CAK. Ten aanzien van de governance concludeert het onderzoek dat de interne en externe checks and balances zijn verbeterd tijdens de evaluatieperiode. De open en transparante houding van het CAK in de afgelopen jaren heeft hier sterk aan bijgedragen.

Evaluatie doeltreffendheid en doelmatigheid Pensioen- en uitkeringsraad

Conform de verplichtingen in de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is het functioneren van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) in 2024 geëvalueerd. De einderesultaten van het onderzoek zijn in mei 2025 aan de Kamer aangeboden. Belangrijkste uitkomsten uit de rapportages zijn:

  • De PUR heeft doeltreffend gefunctioneerd;

  • De komende jaren zijn er voor de PUR, ondanks een dalende trend in het aantal aanvragen, voldoende werkzaamheden die kwalitatief goed moeten worden uitgevoerd;

  • Er zijn aandachtspunten die vragen om een verdere verkenning van de toekomstbestendige organisatie van de PUR.

Advies van het Adviescollege ICT-toetsing Ontwikkeling Mijn Gezondheidsoverzicht en aanbesteding PGO

Het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) adviseert de regering en het parlement over verbetering van de beheersing van ICT-projecten en informatiesystemen. Zij hebben een advies uitgebracht over twee onderdelen van het gezondheidsinformatiestelsel, namelijk de ontwikkeling van Mijn Gezondheidsoverzicht en de aanbesteding van de Persoonlijke Gezondheidsomgeving.

Doorlichting CIBG

Het CIBG vertaalt, samen met ketenpartners, beleid in tastbare en toegankelijke uitvoering voor burgers, professionals en organisaties op het gebied van registers, data en informatie. Als agentschap van het ministerie van VWS richt het CIBG zich primair op het VWS beleidsterrein. Uit de Regeling Agentschappen volgt dat agentschappen tenminste eens in de 5 jaar worden geëvalueerd. De meest recente Agentschapsdoorlichting is in 2020 opgeleverd. In 2025 is er een nieuwe evaluatie opgestart. Verwacht wordt dat deze evaluatie in Q2 2026 wordt afgerond.

Kaderwetevaluatie Zorginstituut Nederland

Het Zorginstituut Nederland (ZiNL) werkt aan de toegang tot goede zorg voor iedereen in Nederland. ZiNL is een zelfstandig bestuursorgaan. Conform de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt de organisatie ZiNL elke vijf jaar geëvalueerd. De meest recente Evaluatie van het Zorginstituut is in 2020 uitgevoerd133. In 2025 is er een nieuwe evaluatie opgestart. Verwacht wordt dat de resultaten van de eerstvolgende evaluatie medio 2026 aan uw Kamer aangeboden zal worden.   

128

Monitor: Brede Regeling Combinatiefuncties 2024 - Mulier Instituut

129

Artikel 31a van de Wazv

130

Kamerstukken II 2025/26, 35471, nr. 43

131

Monitor: ggz-behandeling voor mensen met een GGZ-Wonen zorgprofiel - Nederlandse Zorgautoriteit

132

Kamerstukken 25424, nr. 769

133

2020D53572, Evaluatie Zorginstituut Nederland

Bijlage 3: Inhuur Externen

Tabel 103 Inhuur Externen (bedragen x € 1.000)
 

Kern

RIVM

CBG

CIBG

Totaal

      

Programma- en apparaatskosten

     

1. Interim-management

728

4.316

 

354

5.398

2. Organisatie- en Formatieadvies

884

14.692

 

112

15.688

3. Beleidsadvies

4.326

951

  

5.277

4. Communicatieadvisering

4.525

2.560

  

7.085

Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4)

10.463

22.520

0

466

33.449

5. Juridisch Advies

5.457

1.690

 

181

7.328

6. Advisering opdrachtgevers automatisering

60.111

45.306

 

10.687

116.104

7. Accountancy, financiën en administratieve organisatie

10.653

7.209

 

1.037

18.899

(Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7)

76.221

54.205

0

11.905

142.331

8. Uitzendkrachten (formatie & piek)

3.905

2.418

5.591

1.983

13.896

Ondersteuning bedrijfsvoering

3.905

2.418

5.591

1.983

13.896

Totaal uitgaven inhuur externen

90.589

79.143

5.591

14.354

189.676

Verklaring overschrijding norm 10% externe inhuur

VWS heeft in 2025 19,2% van de personele uitgaven besteed aan de inhuur van externen. Dit is een overschrijding van de zogenaamde Roemer-norm (de norm bedraagt 10%). De uitgaven bedroegen aan ambtelijk personeel € 798,9 miljoen en externe inhuur € 189,7 miljoen, het totaalbedrag aan uitgaven eigen personeel € 988,6 miljoen.

Als gevolg van tijdelijkheid van opdrachten, een krappe arbeidsmarkt en benodigde specialistische (IT) kennis hebben RIVM, CIBG, aCBG en directies uit het VWS-kerndepartement te maken gehad met relatief hoge uitgaven voor externe inhuur. Ook is een deel van de inhuur te verklaren doordat reguliere werving van vacatures in de huidige (krappe) arbeidsmarkt. Omdat het lopende activiteiten betrof, is hiervoor ter overbrugging gekozen voor tijdelijke externe inhuur. Voor een toelichting op de overschrijding van de norm van 10% op externe inhuur van de agentschappen wordt verwezen naar C. Jaarrekening 10. Jaarverantwoording agentschap per 31 december 2025.

Inhuur externen buiten raamovereenkomsten

Tabel 104 Inhuur externen buiten raamovereenkomst
 

2025

Aantal overschrijdingen maximumuurtarief

13

Toelichting

In 2025 is 13 keer boven het maximumtarief ingehuurd. Het gaat om 2 contracten, die ook al in 2024 liepen en betrof de inzet van specialistische kennis die niet binnen het ministerie van VWS aanwezig is. De gebruikelijke markttarieven voor deze specialistische kennis liggen hoger dan het maximumtarief van € 235. 

Bijlage 4: Budgettair overzicht Oekraïne

Tabel 105 Budgettair overzicht Oekraïne (bedragen x € 1.000)

Art.

Artikelnaam

Maatregel

Verplichtingen 2025

Uitgaven 2025

Ontvangsten 2025

Relevante Kamerstukken

2

Curatieve Zorg

SUB Oekraïne

6.831

6.831

-

-

2

Curatieve Zorg

OPD Oekraïne

0,5

0,5

-

-

4

Zorgbreed Beleid

BZR Beheerkosten CAK

550

550

-

-

Toelichting:

Er is in 2025 € 6,8 miljoen gerealiseerd op de subsidie Oekraïne. Samen met een kleine uitgave van € 500 aan opdrachten bedragen de totale uitgaven voor Oekraïne op artikel 2 € 6,8 miljoen.

Daarnaast kunnen de kosten van medisch noodzakelijke zorg voor niet-geregistreerde Oekraïense ontheemden worden gedeclareerd via de SOV. Dit brengt extra uitvoeringskosten voor het CAK met zich mee, ter hoogte van € 0,5 miljoen.

Bijlage 5: Lijst van afkortingen

Tabel 106 Lijst van Afkortingen

Afkorting

Uitgeschreven

aCBG

Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

ADR

Auditdienst Rijk

AGB

Algemeen Gegevensbeheer

AI

Artificial Intelligence

AJN

Jeugdartsen Nederland

AMvB

Algemene Maatregel van Bestuur

ANVS

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming

ANW

Algemene nabestaandenwet

AOF

Arbeidsongeschiktheidsfonds

AOW

Algemene Ouderdomswet

AP

Aanvullende Post

AR

Algemene Rekenkamer

AWBZ

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

AWIR

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

AZW

Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn

AZWA

Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord

BAZ-opleiding

Basis Acute Zorgopleiding

BBP

Bruto binnenlands product

BD

Beleidsdoorlichtingen

BES-eilanden

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BIG

(Wet op de) Beroepen in Individuele Gezondheidszorg

BIKK

Bijdrage in de kosten van kortingen

BMC

Bureau Medicinale Cannabis

BO

Bestuurlijk Overleg

BOSA

Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties

BPSW

Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk

BRV

Basisregistratie Voertuigen

BSC Plus

Buurtsportcoach Plus

BTW

Belasting Toegevoegde Waarde

BUR

Begrotings Uitvoerings Rapportage

BZK

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Ministerie van -

CAK

Centraal Administratie Kantoor

CAO

Collectieve Arbeidsovereenkomst

CBd

College van Beroep voor het bedrijfsleven

CBG

College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

Cbw

Cyberbeveiligingswet

CCMO

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

CEP

Centraal Economisch Plan

CIBG

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

CIZ

Centrum Indicatiestelling Zorg

CJIB

Centraal Justitieel Incasso Bureau

c-MEV

Concept Macro Economische Verkenning

COPD

Chronic Obstructive Pulmonary Disease

CPB

Centraal Planbureau

CSZ

College Sanering Zorginstellingen

CST

Connexxion Taxi Services B.V.

CZ

Curatieve Zorg

DBA

Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties

DBC

diagnose- behandelcombinatie

DEF

Defensie

DIAZ

wet Digitale Identificatie en Authenticatie in de Zorg

DI-CIO

Directie Informatiebeleid CIO

DJ

Directie Jeugd

DMO

Directie Maatschappelijke Ondersteuning

DNN

Dementie Netwerk Nederland

DOO

Directie Open Overheid

DUMAVA

Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed

DUS-I

Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen

EA

Ex-ante

ECIK

Expertisecentrum Instrumentkeuze

ECS

Expertisecentrum Subsidies

ED

Ex-durante

EGB

Extern geoormerkte budgetten

EHDS

European Health Data Space

ELV

Eerstelijns verblijf

EMA

European Medicines Agency (Europees Geneesmiddelenbureau)

EMU

Economische en Monetaire Unie

EP

Ex-post

EPA's

Entrustable Professional Activities

EU

Europese Unie

EZK

Economische Zaken en Klimaat, Ministerie van -

FBZ

Financieel Beeld Zorg

FEZ

Financieel Economisch Zaken

FLO

Functioneel Leeftijdsontslag

Flz

Fonds Langdurige Zorg

FTE

Fulltime Equivalent

FWG

Functie Waardering Gezondheidszorg)

Fz

Forensische zorg

GALA

Gezond en Actief Leven Akkoord

GALI

Global Activity Limitation Indicator

GGD

Gemeentelijke gezondheidsdienst

GGZ

Geestelijke gezondheidszorg

GHOR

geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio

GLI

Gecombineerde Leefstijl Interventie

GMSD

Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein

GMT

Geneesmiddelen en Medische Technologie

GR

Gezondheidsraad

GZA

Groninger Zorgakkoord

HA

Hervormingsagenda

HDAB

Health Data Access Body

HFR

Hoge Flux Reactor

HiT

Health in Transition

HLA

Hoofdlijnenakkoord

HLO

Hoofdlijnenakkoord ouderenzorg

HVP

Herstel- en Veerkrachtplan

IAB

Inkomensafhankelijke bijdrage

IBO

Interdepartementaal Beleidsonderzoek

IC

Intensive Care

ICT

Informatie- en communicatietechnologie

IGJ

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

IKB

Individueel Keuze Budget

ISN

Integere Sport Nederland

IT

Informatietechnologie

IOHVV

Inrichten Opleidingsstructuur Helpenden, Verzorgenden en Verpleegkundigen

IOW

Investeringsakkoord Opleiden in de Wijkverpleging

IV

Informatievoorziening

IVDR

In-Vitro Diagnostics Regulation

I&W

Infrastructuur en Waterstaat, Ministerie van -

IZA

Integraal Zorgakkoord

IZZ

Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke belangen

JenV

Justitie en Veiligheid, Ministerie van -

JOGG

Jongeren op Gezond Gewicht aanpak

JZOJP

Juiste Zorg op de Juiste Plek

KBL

Kwaliteit blijvend lerend

KGG

Klimaat en Groene Groei, Ministerie van -

KNMG

Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst

LAZ

Landelijk actieplan zeggenschap

LCCB

Landelijke Coördinatie COVID-19 Bestrijding

LCM

Lifecyclemanagement

LFB

Landelijke Federatie Belangenverenigingen Onderling Sterk

LFI

Landelijke Functionaliteit Infectieziekten

LHV

Landelijke Huisartsen Vereniging

LMZ

Langdurige en Maatschappelijke Zorg

LVHC

Laag volume hoog complex’

LVVN

Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Ministerie van -

LZ

Langdurige Zorg

MBO

Middelbaar Beroepsonderwijs

MDR

Medical Device Regulation

MDZ

Multidisciplinaire Zorg

MEOZ

Meerkosten Energie Openbare Zwembaden

MEV

Macro-Economische Verkenning

MEVA

Macro-Economische Vraagstukken en arbeidsmarkt

MGO

Mijn Gezondheidsoverzicht

MO

Medewerkersonderzoek

M&O

Misbruik- & oneigenlijk gebruik

MKBA

Maatschappelijke Kosten Baten Analyse

MLT

middellangetermijnraming

MSZ

Medisch specialistische zorg

NAD

Nationaal Actieplan Dakloosheid

NAPV

Nationale Aanpak Productverbetering

NDS

Nationale Dementiestrategie

NGF

Nationaal Groeifonds

NIPT

Niet Invasieve Prenatale Test

NIVEL

Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg

NKP

Nationaal Klimaat Platform

NOC*NSF

Nederlands Olympisch Comité*Nederlandse Sport Federatie

NPPV

Nationaal Programma Pneumokokkenvaccinatie Volwassenen

NPPZ (II)

Nationaal Programma Pallatieve Zorg (II)

NRG

Nuclear Research and Consultancy Group

NTS

Nederlandse Transplantatie Stichting

NVS

Nationale Visie en Strategie Gezondheidsinformatiestelsel

NVWA

Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit

NZa

Nederlandse Zorgautoriteit

NZR

Nationale Zorgreserve

OCW

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ministerie van -

OECD

Organosation for Economic Cooperation and Development

OHW

Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II

OM

Openbaar Ministerie

OVA

Overheidsbijdrage in de arbeidsmarktontwikkeling

PA

Physician assistant

PD-ALT

Projectdirectie Antoenie van Leuuwenhoekterrein

PG

Publieke Gezondheid

PGAZ

Patiënten Groepsgebonden Afstemming binnen Zvw-verzekerde Zorg

pgb

Persoonsgebonden budget

PGO

Persoonlijke gezondheidsomgevingen

PGGM

Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke belangen

PGLO

Programma Gezonde Leefomgeving

PMI

Programmadirectie Medische Isotopen

PR

Periodieke Rapportages

PrEP

Pre Expositie Profylaxe (preventieve HIV-medicatie)

pSG

Plaatsvervangend Secretaris Generaal

PUR

Pensioen- en Uitkeringsraad

Pw

Participatiewet

PZ

Premiegefinancierde Zorguitgaven

PZo

Patiënt en Zorgordening

Rdah

Regeling dienstverlening aan huis

RESV’s

Regionale Eerstelijns Samenwerkingsverbanden

RHB

Rijkshoofdboekhouding

RI&E

Risico-inventarisatie en -evaluatie

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

ROAZ

Regionaal Overleg Acute Zorg

RvA

Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken

RvAVA

Reclamecode voor Alcoholvrije alternatieven voor Alcoholhoudende dranken

RVO

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

RVP

Rijksvaccinatieprogramma

RVS

Raad Volksgezondheid & Samenleving

RWT

Rechtspersoon met een wettelijke taak

SCP

Sociaal en Cultureel Planbureau

SDG

Sustainable Development Goal

SEA

Strategische Evaluatie Agenda

SER

Sociaal Economische Raad

SET

Stimuleringsregeling E-health Thuis

SIR

Samenwerken en Innoveren in de Regio

SON

Stichting Open Nederland

SO-MSZ

Stagefonds en strategisch opleiden medisch-specialistische zorg

SOV

Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg en onverzekerden

SPP

SectorplanPlus

SPUK

Specifieke Uitkering

SSO

Shared Service Organisatie

St. IKZ

Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude

STOZ

Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg

SVB

Sociale Verzekeringsbank

SZW

Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Ministerie van -

TASO

Tegemoetkoming Amateur Sport Organisaties

TiN

Topsport in Nederland

TK

Tweede Kamer

TNO

Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Werk

TRZ

Transparantieregister Zorg

TTSEO

Tweede Termijn Structureel Echoscopisch Onderzoek

UMC

Universitair Medisch Centrum

UPZ

Uitgavenplafond Zorg

USD

United States Dollar

UZ

Uitkomtgerichte Zorg

VGP

Voeding, Gezondheidsbescherming en Preventie

VN

Verenigde Naties

VNG

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VRO

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, ministerie van-

VS

Verpleegkundig specialisten

VT

Voorwaardelijke toelating

VTV

Volksgezondheid Toekomst Verkenning

VUT

Vervroegde Uittreding

V&VN

Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland

VWS

Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Ministerie van -

WAR

Wetenschappelijke AdviesRaad

Wazv

Wet ambulancezorgvoorzieningen

WaU

Werk aan Uitvoering

wbsrz

Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg

Wegiz

Wet op de Elektronische Gegevensuitwisseling

Wfsv

Wet financiering sociale verzekeringen

WFZ

Waarborgfonds voor de Zorgsector

Wgp

Wet geneesmiddelenprijzen

Wibz

Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders

Wlz

Wet langdurige zorg

Wmcz

Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen

Wmg

Wet marktordening gezondheidszorg

Wmo

Wet maatschappelijke ondersteuning

WMO

Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek

WNT

Wet normering topinkomens

WO II

Tweede wereldoorlog

Woo

Wet open overheid

WOPT

Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens

WOW

Werkgeverskosten Opleiden Wijkverpleging

WOZO

Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen

Wpg

Wet publieke gezondheid

WTZi

Wet Toelating Zorginstellingen

Wvggz

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

Wwke

Wet weerbaarheid kritieke entiteiten

Wzd

Wet zorg en dwang

ZBO

Zelfstandig bestuursorgaan

Z-CERT

Computer Emergency Response Team

ZiNL

Zorginstituut Nederland

ZJCN

Zorg en Jeugd op Caribisch Nederland

ZN

Zorgverzekeraars Nederland

ZonMw

Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen

Zvf

Zorgverzekeringsfonds

Zvw

Zorgverzekeringswet

ZZP

Zelfstandige Zonder Personeel

Licence