Base description which applies to whole site

XXIII Klimaat en Groene Groei

GEREALISEERDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln). Totaal € 6.071,3 mln.

Figuur 2 Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln). Totaal € 4.161,3 mln.

A. ALGEMEEN

1. Aanbieding jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) over het jaar 2025 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Klimaat en Groene Groei decharge te verlenen over het in het jaar 2025 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • 1. het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;

  • 2. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;

  • 3. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • 4. de totstandkoming van de niet-financiele verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • 5. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • 1. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2025;

  • 2. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • 3. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • 4. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2025 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2025, alsmede over de saldibalans over 2025 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.van Veldhoven - van der Meer

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. Leeswijzer

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Opbouw jaarverslag;

  • 2. Ondergrenzen toelichtingen;

  • 3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens;

  • 4. Groeiparagraaf;

  • 5. Grondslagen voor de vastlegging en de waardering;

  • 6. Motie Schouw en motie Hachchi c.s..

1. Opbouw jaarverslag

Dit jaarverslag bevat het beleidsverslag, een jaarrekening, en diverse bijlagen. Deze bevatten informatie over de in 2025 gerealiseerde beleidsresultaten en de budgettaire realisatiegegevens van KGG.

Het onderdeel beleidsprioriteiten van het beleidsverslag betreft de verantwoording over de beleidsagenda uit de KGG-begroting 2025. In het beleidsverslag worden de behaalde resultaten op de prioriteiten van KGG voor 2025 toegelicht. Dit gebeurt via de volgende blokken:

  • Klimaatbeleid;

  • Energiebeleid;

  • Netcongestie;

  • Kernenergie;

  • Verduurzaming industrie;

  • Transitie van de diepe ondergrond.

De beleidsartikelen in dit jaarverslag hebben dezelfde opzet als de begroting 2025 (Kamerstuk 36 600 XXIII, nrs. 1 en 2) en zijn conform de Rijksbegrotingsvoorschriften opgesteld (https://rbv.rijksfinancien.nl). Elk beleidsartikel bevat een paragraaf beleidsconclusies waarin voor de belangrijkste instrumenten een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van het beleid in het afgelopen jaar. De bedrijfsvoeringparagraaf doet verslag van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van het Ministerie van KGG.

De jaarrekening bestaat uit de departementale verantwoordingsstaten, de samenvattende verantwoordingsstaten inzake de agentschappen, de jaarverantwoordingen van de agentschappen, de saldibalans en de WNT-verantwoording.

De volgende bijlagen zijn opgenomen: Toezichtrelaties en Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), Afgerond evaluatie- en overig onderzoek, Inhuur externen, Budgettair overzicht Oekraïne, Rijksbreed overzicht klimaatuitgaven, Rapportage burgercorrespondentie en een lijst van afkortingen.

2. Ondergrenzen toelichtingen

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2024 zijn de ondergrenzen gehanteerd zoals opgenomen in de onderstaande tabel.

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

In sommige gevallen, waar politiek relevant, worden ook posten toegelicht beneden deze ondergrenzen.

3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens

Het jaarverslag bevat zowel financiële als niet-financiële gegevens (kengetallen en indicatoren). Deze gegevens zijn aan verschillende controlenormen onderhevig. De controle van financiële informatie is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2016 en de Rijksbegrotingsvoorschriften 2026 (RBV). De controle van beleidsinformatie en informatie over de bedrijfsvoering is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de RBV.

4. Groeiparagraaf

Ingevolge het verzoek van de Tweede Kamer om bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2025 aandacht te besteden aan het thema ‘Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld’ wordt eenmalig in het Jaarverslag 2025 het Focusonderwerp FJR 2025 opgenomen als onderdeel van het beleidsverslag.

5. Grondslagen voor de vastlegging en de waardering

De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2026 en de Regeling agentschappen 2024. Voor de departementale begrotingsadministratie wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast en voor de baten-lasten agentschappen het baten-lastenstelsel.

6. Motie Schouw en motie Hachchi c.s.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw c.s. ingediend en aangenomen (Kamerstuk 2010-2011, 21 501-20, nr. 537). Deze motie zorgt er voor dat de landspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie voor Nederland op grond van het Nederlands Nationaal Hervormingsprogramma een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen.

In de landspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie voor Nederland in 2024-2025 (COM(2024) 619 final) wordt onder andere aanbevolen:

  • De uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan (HVP), met inbegrip van het REPowerEU-hoofdstuk, aanzienlijk versnellen en ervoor zorgen dat de hervormingen en investeringen uiterlijk in augustus 2026 tot een goed einde zijn gebracht. De uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma’s versnellen. In het kader van de tussentijdse evaluatie daarvan gericht blijven op de overeengekomen prioriteiten en het testen en proefdraaien van oplossingen ter beperking van de congestie op het elektriciteitsnet bevorderen, en daarbij de kansen die het platform voor strategische technologieën voor Europa biedt om het concurrentievermogen te verbeteren, in overweging nemen (aanbeveling 2);

  • Randvoorwaarden verbeteren om investeringen in het elektriciteitstransmissie- en het elektriciteitsdistributienet te stimuleren, en met name de uitrol van hernieuwbare energie te versnellen en het concurrentievermogen te verbeteren (aanbeveling 4).

Voor aanbeveling 4 wordt de algemene afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderd door de uitrol van hernieuwbare energiebronnen te versnellen en de energie-efficiëntie te verbeteren, met name in gebouwen. De congestie van het elektriciteitsnet wordt verminderd door de capaciteit van het transmissie- en distributienet te vergroten, flexibiliteitsoplossingen toe te passen, zone-overschrijdende handel te maximaliseren en vergunningsprocedures verder te vereenvoudigen. Structurele maatregelen worden uitgevoerd om overmatige stikstofafzetting en de verslechtering van de waterkwaliteit doeltreffend aan te pakken, met name door verdere inspanningen te leveren op het gebied van duurzame landbouw.

Landspecifieke afspraken HVP

Op 4 oktober 2023 is het definitieve Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) goedgekeurd. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei geeft uitvoering aan de volgende vijf maatregelen: Groenvermogen Waterstof, Hervormingspakket Energiemarkt, Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing, Energiewet en Wind op Zee. Zoals aangegeven werkt het kabinet hard aan de implementatie van het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP).

Nederland heeft in 2024 twee betaalverzoeken en in 2025 één betaalverzoek ingediend bij de Europese Commissie ter waarde van € 1,3 mld en € 1,2 mld respectievelijk € 551 mln. Alle drie de betaalverzoeken zijn inmiddels goedgekeurd. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei was voor de eerste drie betaalverzoeken verantwoordelijk voor de uitvoering en verantwoording van verschillende mijlpalen en doelstellingen en het borgen van de financiële belangen van de Unie voor de relevante maatregelen van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

Motie Hachchi c.s.

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (Kamerstuk 33 000 IV, nr. 28) brengen departementen in kaart welke uitgaven zij doen in Caribisch Nederland, uitgesplitst per instrument. Voor het opnemen van deze uitgaven in de budgettaire tabellen geldt een ondergrens van € 1 mln. De totale uitgaven (realisatie) van KGG voor Caribisch Nederland in 2025 bedroegen € 12,1 mln. Deze uitgaven betreffen beleidsartikel 31. 

B. BELEIDSVERSLAG

3. Beleidsprioriteiten

Inleiding

Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei werkt aan een maatschappelijk gedragen klimaat- en energietransitie, voor een schoner en sterker Nederland. Naast het verder terugdringen van de CO₂-uitstoot zijn in 2025 belangrijke stappen gezet in de verantwoorde afbouw van het fossiele energiesysteem en de opbouw van een duurzaam, robuust en betaalbaar energiesysteem. Daarbij is aandacht voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van energie-infrastructuur en voor actieve betrokkenheid van burgers en regio’s. De energietransitie is nauw verbonden met het toekomstig verdienvermogen van Nederland. Daarom zet het ministerie in op het realiseren van een duurzame en concurrerende industrie. Hiermee wordt de economische structuur versterkt en verduurzaamd en ontstaan nieuwe kansen voor economische groei.

Tegelijk loopt de energietransitie steeds vaker aan tegen problemen in de randvoorwaarden zoals netcongestie, stikstofproblematiek, lange vergunningstrajecten en hoge energie-/elektriciteitsprijzen. Afgelopen jaar is dan ook veel aandacht uitgegaan naar het op orde brengen van de randvoorwaarden.

Bovenstaande inzet draagt bij aan de strategische onafhankelijkheid van Nederland in een tijd van toenemende geopolitieke onzekerheid. Door minder afhankelijk te worden van fossiele energie-importen en te investeren in een toekomstbestendige economie, wordt de weerbaarheid van Nederland vergroot.

Klimaatbeleid

Met effectief klimaatbeleid waarborgen we dat we een schonere en gezondere wereld kunnen doorgeven aan toekomstige generaties. Daarnaast is de transitie nodig voor een weerbaar en betaalbaar energiesysteem, een gezonde leefomgeving, en een toekomstbestendige economie die minder afhankelijk is in tijden van geopolitieke onrust. De transitie biedt kansen voor hoogwaardige werkgelegenheid, innovatieve bedrijven en nieuwe technologie die ons concurrentievermogen vergroot.

Nationale klimaatdoelen en het Klimaat- en energiefonds

In het voorjaar van 2025 is een beleidspakket opgesteld gericht op het streefdoel van 55% CO₂-reductie in 2030 en klimaatneutraliteit in 2050. Ten aanzien van het Klimaat- en energiefonds is besloten € 5,0 mld toe te kennen, voor onder andere de aanpak van netcongestie; het stimuleren van de uitrol van CCS, warmte en waterstof en de voorbereiding van de bouw van kerncentrales. Van de resterende € 21,4 mld in het Klimaat- en energiefonds is € 7,6 mld toegekend onder voorwaarden of gereserveerd voor specifieke maatregelen. In totaal is € 13,6 mld, waarvan het merendeel bedoeld is voor kernenergie, nog niet toegewezen voor een specifieke maatregel.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) raamde in de Klimaat- en Energieverkenning 20241 een CO₂-reductie van 45-52% in 2030. In het voorjaar van 2025 is het Pakket voor Groene Groei tot stand gekomen waarin wordt ingezet op het op orde brengen van de randvoorwaarden voor verduurzaming, een weerbaar energiesysteem en een toekomstbestendige economie.2 Met Prinsjesdag is de Klimaat- en Energienota gepubliceerd met extra aandacht voor het verder op orde brengen van de randvoorwaarden.3 Het PBL verwacht in de KEV 20254 een CO₂-reductie van 46,8-54,5% in 2030. Dat is een verbetering, maar meer is nodig, ook in de komende periode.

Nationaal Burgerberaad Klimaat

Het Nationaal Burgerberaad Klimaat is ingericht om de stem van burgers mee te nemen in klimaatbeleid. De deelnemers kwamen met 13 breed gesteunde aanbevelingen die zich richten op voedselverspilling, duurzaam vervoer zoals treinreizen, het verhogen van garanties en circulariteit van producten, en het belasten van producten met een hogere klimaatimpact om gedragsverandering te bevorderen. In december werd het advies aangeboden aan het kabinet en de Kamer.5 Medio 2026 komt het kabinet met een reactie op het advies en bespreekt de Kamer het advies en de kabinetsreactie.

Europees en mondiaal klimaatbeleid

Eind 2025 heeft de EU een 2040-doel van 90% vastgesteld op weg naar klimaatneutraliteit in 2050. Hierbij is overeengekomen dat maximaal 5% hoge kwaliteit internationale koolstofkredieten tussen 2036-2040 mogen worden ingezet om dit doel te bereiken. Op basis hiervan zal de Europese Commissie in de tweede helft van 2026 met voorstellen komen voor de wijze waarop dit doel kan worden gerealiseerd.

In de EU is een akkoord bereikt over REPowerEU dat de import van Russisch gas in de EU volledig en permanent verbiedt. Dit verbod is in lijn met de Nederlandse inzet.

Om de energietransitie EU-breed te versnellen is er een Commissievoorstel voor het EU Grids Package gepubliceerd. Het voorstel ziet op goed functionerende energie-infrastructuur. Hierin is onder andere opgenomen dat er meer ruimte komt voor energieprojecten die tijdelijk leiden tot stikstofuitstoot, maar op termijn zorgen voor minder stikstofuitstoot. Dit conform de Nederlandse inzet in het non-paper ‘Versnellen van de energietransitie met tijdelijke, beperkte stikstofdepositie’.6

Tijdens COP30 heeft de Nederlandse onderhandelingsdelegatie zich ingezet voor een ambitieus eindbesluit. Nederland heeft toegezegd een bijeenkomst over het wegbewegen van fossiele brandstoffen, een bestaande COP-afspraak, te co-hosten met Colombia. De door Nederland geleide ‘Coalition on Fossil Fuel Incentives including Subsidies’ die in december 2023 werd opgericht bestaat nu uit zeventien leden die, in navolging van Nederland, de door hen geboden fossiele voordelen in kaart brengen. Het doel van de Coalition is om koploper te zijn voor het afbouwen van financiële steun aan fossiele brandstoffen.

Energiebeleid

Energiebeleid gericht op een toekomstbestendig Nederland maakt de ontwikkeling van hernieuwbare energie en de bijbehorende infrastructuur mogelijk, en ondersteunt sectoren en huishoudens bij het zetten van concrete stappen richting verduurzaming.

Daarmee bouwen we aan een duurzame, betrouwbare en betaalbare energievoorziening die niet alleen bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen, maar ook de energieonafhankelijkheid van Nederland versterkt en onze samenleving weerbaarder maakt voor de toekomst.

Energiewet

Om de Energiewet in te voeren zijn het Energiebesluit en de Energieregeling voorbereid en vastgesteld.7 Het regime van de Energiewet biedt een toegankelijk, geactualiseerd en toekomstgericht ordeningskader voor het transport en de levering van zowel elektriciteit als gas. De Energiewet stimuleert goed werkende nationale en Europese energiemarkten en de transitie naar een schone, veilige en betaalbare energievoorziening.

Wet collectieve warmte

In 2025 hebben de Tweede Kamer en de Eerste Kamer de Wet collectieve warmte aangenomen. Deze wet draagt bij aan de opschaling van warmtenetten in de gebouwde omgeving. Het doel van de wet is om duurzame, betaalbare en betrouwbare warmtelevering te borgen, waarbij de regierol van gemeenten wordt versterkt. Tevens bevat de wet de eis dat aangewezen warmtebedrijven op termijn in meerderheid in publieke handen zijn.

Wind op zee

In 2025 is het Programma Aansluiting Wind op Zee – Eemshaven vastgesteld.8 Met dit programma wordt het mogelijk om 4GW vanuit windpark Doordewind aan te sluiten in Noord-Nederland, goed voor duurzame elektriciteit voor ruim 4 miljoen huishoudens. Het Rijk stelt € 124 mln beschikbaar aan de regio om te investeren in de leefbaarheid en zo de spin-off van deze aanlanding optimaal te benutten.

Om de kans op een succesvolle tender te vergroten, is in 2025 in plaats van 4 GW een tender van 1 GW (Nederwiek 1A) uitgezet, waarop geen biedingen kwamen. Een belangrijk marktsignaal. In het Actieplan windenergie op zee is aangekondigd dat het kabinet windparken op zee met subsidie gaat vergunnen.9 Omdat de huidige EU-regels vanaf midden 2027 geen subsidies meer toestaan, is in 2025 al begonnen met wetgeving voor nieuwe Contracts for Difference (CfD’s) vanaf dat moment.10 Bij Contracts for Difference (CfD’s) wordt het verschil tussen een vaste prijs en de marktprijs verrekend: bij lage prijzen ontvangt de producent bijbetaling, bij hoge prijzen moet hij terugbetalen, waardoor overwinsten tijdens prijscrises worden voorkomen en de baten eerlijker worden verdeeld.

Waterstof

In 2025 heeft het kabinet een aantal belangrijke resultaten behaald met de uitvoering en uitwerking van het waterstofbeleid.11 De opschaling van elektrolyse kreeg een belangrijke impuls met de tweede ronde van de OWE (opschalingsregeling voor waterstofproductie met elektrolyse): elf nieuwe projecten met een totale omvang van 600 megawatt (MW) ontvingen in totaal ruim € 700 mln aan steun; voor één groot project van 200 MW nam een van de aanvragers direct na de uitslag de finale investeringsbeslissing. Voor de ondersteuning van import zette het kabinet een belangrijke stap met de goedkeuring van de Europese Commissie voor een importtender samen met de Duitse overheid, die in 2026 moet plaatsvinden.

Delta Rhine Corridor

De Delta Rhine Corridor (DRC) is cruciaal voor het behalen van de klimaatdoelen, de energietransitie en de verduurzaming en concurrentiekracht van de Nederlandse industrie en de Rotterdamse haven. De DRC is een tracé van ondergrondse buisleidingen tussen Rotterdam en de Duitse grens bij Venlo, via de industrie in Moerdijk. Dat gebeurt in 2 afzonderlijke procedures die op elkaar aansluiten: DRC West en DRC Oost. De DRC West transporteert waterstof en CO₂ tussen Rotterdam en Boxtel. De DRC Oost transporteert CO₂ tussen Boxtel en de Duitse grens bij Venlo. De projectprocedure voor de ruimtelijke inpassing verloopt volgens schema. Realisatie van de waterstofleiding (onderdeel van het landelijke waterstofnetwerk) is voorzien in 2031/32 en voor CO₂ in 2032/33.

Instrumentering van de energietransitie

De SDE++ is in 2025 weer succesvol opengesteld. In deze ronde was € 8 mld beschikbaar. Gedurende de openstelling zijn 468 subsidieaanvragen ingediend, met een budgetclaim van in totaal bijna € 22 mld. RVO beoordeelt de aanvragen op technische- en financiële haalbaarheid. Aanvragen met de laagste subsidie-intensiteit, die de meeste CO2 besparen tegen de laagste kosten, krijgen als eerste subsidie. Zo worden de middelen zo efficiënt mogelijk besteed. Uiteindelijk wordt maximaal € 8 mld aan subsidie beschikt. Daarnaast zijn in 2025 verdere stappen gezet voor de doorontwikkeling van de SDE++. Ook zijn de uitkomsten van het traject Toekomst van de SDE++ gedeeld met de Kamer.12

In 2025 hebben de innovatieregelingen (DEI+, EKOO en MOOI Systeemintegratie) wederom succesvol opengestaan. De DEI+ (als geheel) was opnieuw overtekend met in totaal 164 aanvragen, goed voor een subsidievraag van ongeveer € 620 mln, terwijl er € 370 mln beschikbaar was. Daarnaast zijn 7 integrale innovatieprojecten van in totaal € 21,5 mln gehonoreerd binnen de MOOI Systeemintegratie, met name gericht op innovaties in datagedreven sturing, sectorale koppeling en nieuwe (governance)-structuren. Ook is in 2025 de organisatiestructuur van het missiegedreven innovatiebeleid herijkt, waarbij de Topteams zijn afgeschaft en er een nieuw, kleiner Themateam is opgericht aan het hoofd van de missie ‘een klimaatneutraal Nederland in 2050’.

Langetermijnontwikkeling van het energiesysteem

In 2025 is gestart met het proces om tot aanpassingen te komen voor de actualisatie van het NPE in 2026. Ook werd verdere uitwerking gegeven aan het toekomstbestendig maken van de bekostiging van de elektriciteitsinfrastructuur. De publicatie van het IBO ‘Schakelen naar de toekomst’ over de bekostiging van de elektriciteitsinfrastructuur heeft geleid tot een kabinetsreactie voorzien van een beleidsagenda.13

Met betrekking tot de regionale doorvertaling van het NPE is een visie op de gewenste decentrale ontwikkelingen van het energiesysteem opgesteld.14 Daarnaast is afgelopen jaar verder gewerkt aan de uitwerking van de interbestuurlijke samenwerkingsagenda (ISA).

Ruimtelijke sturing

Via het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) geven we verder vorm aan de ruimtelijke sturing op de nationale onderdelen van het energiesysteem. De Kamer is via een startnotitie geïnformeerd over de scope en mijlpalen van het tweede PEH dat in 2028 wordt opgeleverd.15 Het PEH II is in scope uitgebreid ten opzichte van de eerste versie uit 2024. Het gaat onder meer om keuzes over voorkeursgebieden voor kerncentrales, kansrijke locaties voor diepe aanlanding en ruimte voor importterminals en CO₂-infrastructuur.

Er is uitgebreid (milieu)onderzoek nodig om ruimtelijke keuzes te maken. Dit is nader uitgewerkt in het onderzoeksplan van het PEH II dat ter inzage heeft gelegen.16 Daarnaast heeft het kabinet de Ontwerp-Nota Ruimte gepubliceerd waarbinnen alle nationale ruimtelijke opgaven (waaronder energie) in samenhang worden bezien.17 In de Nota Ruimte is het belang van voldoende ruimte voor energie geborgd.

Netcongestie

Door het elektriciteitsnet gericht uit te breiden en te verzwaren en bestaande capaciteit slimmer te benutten, creëren we ruimte voor verdere verduurzaming en economische ontwikkeling. Zo zorgen we ervoor dat duurzame energie ook daadwerkelijk kan worden aangesloten en benut, en leggen we een stevige basis voor een betrouwbaar en robuust energiesysteem dat klaar is voor de toekomst.

Versnellen uitbreiding elektriciteitsnet

Het kabinet heeft in samenwerking met TenneT in april 2025 een nieuwe aanpak aangekondigd voor de versnelde uitbreiding van het elektriciteitsnet.18 Door in te zetten op meer regie bij de versnelling van projecten, een aanpak voor kortere procedures, het vergroten van draagvlak door gebiedsinvesteringen en het optimaliseren van de werkwijze van TenneT wordt de doorlooptijd verkort. Hiervoor zijn middelen uit het klimaatfonds beschikbaar gesteld.

Er zijn 26 hoogspanningsprojecten geselecteerd die een belangrijke bijdrage leveren aan de verlichting van netcongestie. Per project wordt nu een plan van aanpak opgesteld met de betrokken netbeheerders, provincies en gemeenten om de realisatie te versnellen.19

Om het draagvlak te vergroten is er geld beschikbaar gesteld voor gebiedsinvesteringen. Deze hebben als doel een bijdrage te leveren aan het verbeteren van de ervaren leefomgevingskwaliteit van direct omwonenden in gebieden waarbinnen projecten bovengemiddeld veel impact hebben.20

Beter benutten van het netOm de wachtrijen voor transportcapaciteit op het elektriciteitsnet fors en versneld terug te dringen heeft het ministerie in samenwerking met netbeheerders, marktpartijen en de ACM beleidsopties geselecteerd en uitgewerkt voor het beter benutten van het elektriciteitsnet. Deze worden in 2026 gepubliceerd. Daarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden voor flexibel gebruik, de inzet van gasgestookte opwek en het gecontroleerd zwaarder belasten van het elektriciteitsnet.21

Kernenergie

Kernenergie levert een belangrijke bijdrage aan een stabiele en duurzame energievoorziening. Met een groter aandeel kernenergie in de elektriciteitsmix versterken we de CO₂-vrije elektriciteitsproductie en vergroten we de flexibiliteit en betrouwbaarheid van het energiesysteem.

Daarmee draagt kernenergie bij aan een grotere energiezekerheid en aan een robuuste basis voor een toekomstbestendig en klimaatneutraal Nederland.

Nieuwbouw van kerncentrales

De voorbereidingen van de bouw van twee conventionele kerncentrales gaan door. De uitkomsten van technische onderzoeken die zijn uitgevoerd in samenwerking met technologieleveranciers, en zijn gevalideerd door een onafhankelijke partij, zijn gedeeld met de Kamer.22 De voorbereiding van het inkoopproces is aansluitend opgestart. Daarnaast heeft het kabinet een financieringsvoorstel gedaan met een nader uit te werken Government Support Package (GSP).23 Tevens vordert het proces om tot een locatiebesluit te komen. Hiervoor is in 2025 de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (cNRD) gepubliceerd.24

Voor de regio is het van belang om breed met het Rijk afspraken te maken over de voorwaarden waaronder kerncentrales gebouwd kunnen worden en over de borging daarvan in de jaren tot en met de bouw. In dat kader heeft de heer Knops als gebiedsverbinder Kernenergie Zeeland zijn tweede advies uitgebracht in juli 2025.25 Zijn aanbevelingen worden meegenomen in de verdere ontwikkeling van een Rijk-Regiopakket en er is afgelopen september een eerste inhoudelijke reactie op de Zeeuwse voorwaarden gedeeld.26

Verder zal voor de voorkeursgebieden van kerncentrales 3 en 4 richting worden gegeven via het Programma Energiehoofdstructuur (PEH). In dat kader zal worden bekeken of het wenselijk is om vanuit de totale opgave voor ons toekomstige energiesysteem, en in samenhang met andere ruimtelijke ambities, andere (ruimtelijke) uitgangspunten te gaan gebruiken dan voor centrales 1 en 2 worden gehanteerd.

Openhouden Borssele

Door Borssele langer open te houden behouden we na 2033 485 MW vermogen aan CO₂-vrije elektriciteit. Om dit te realiseren is een wijziging van de Kernenergiewet nodig. Hiervoor is een wetsvoorstel opgesteld en gedeeld met de Kamer.27

De huidige publieke aandeelhouders zijn niet bereid om nu te investeren in bedrijfsduurverlening, daarom wordt gesproken over overname van die aandelen door de Staat.

Nucleair ecosysteem

In 2025 zijn stappen gezet om het nucleaire ecosysteem te versterken, met investeringen in kennis en innovatie.28 Via het MOOI-instrument is een regeling voorbereid die in 2026 € 10 mln beschikbaar stelt voor nucleaire projecten, en NWO heeft daarnaast ruim € 6 mln beschikbaar gesteld voor onderzoek naar reactor- en splijtstoftechnologie en radioactief afval.29

De Nederlandse nucleaire waardeketen is inzichtelijk gemaakt. Dit heeft geresulteerd in de publicatie van een kansenkaart voor Nederlandse bedrijven met mogelijkheden in de toeleveringsketen van nucleaire projecten in Nederland.30

Small Modular Reactors (SMR)

In 2025 is uitvoering gegeven aan het SMR-programma, wat uiteindelijk heeft geleid tot een SMR-strategie.31 Met de SMR-strategie heeft het kabinet een aantal duidelijke keuzes gemaakt op randvoorwaarden die nodig zijn voor SMR-ontwikkeling, zoals duidelijkheid rondom bevoegd gezag, ruimtelijk beleid en financieringsopties voor private initiatieven.

Verduurzaming industrie

De energie-intensieve industrie blijft ook in de toekomst een belangrijke pijler onder de strategische autonomie en het verdienvermogen van Nederland. Dit vraagt blijvende aandacht om te waarborgen dat bedrijven kunnen blijven investeren in verduurzaming en innovatie. Daarom is het van belang dat Nederland een aantrekkelijk en voorspelbaar vestigingsklimaat behoudt voor zowel bestaande als nieuwe industriële bedrijven die willen bijdragen aan een duurzame en concurrerende economie.

Maatwerkafspraken

Het kabinet heeft afgelopen jaar gekozen voor realisme en concrete kansen in de maatwerkaanpak.32 Het kabinet heeft drie nieuwe intentieverklaringen (Joint letter of Intent, JLoI) ondertekend met AnQore, Coöperatie Koninklijke Cosun (Cosun) en Tata Steel Nederland. Met de Coöperatie Koninklijke Cosun is ook een bindende maatwerkovereenkomst getekend. De investeringen door Cosun voor 2 maatwerkprojecten bedragen € 256 mln, waarvan de Staat maximaal € 73 mln subsidieert. De ondertekening van de JLoI met Tata Steel Nederland is een belangrijke stap richting een bindende maatwerkafspraak, waarmee een uitstootreductie tot 7,2 megaton CO₂ (ongeveer 5% van de Nederlandse uitstoot) en reductie van de uitstoot van schadelijke stoffen, fijnstof, stikstof en geluidshinder kan worden gerealiseerd.33

NIKI-openstelling en IKC-verlenging

Het kabinet heeft binnen de mogelijkheden die er zijn om de elektriciteitskosten concurrerend te maken besloten om de Indirecte Kostencompensatie (IKC)-ETS met een jaar te verlengen t/m 2028.34 Door deze regeling te verlengen kunnen geëlektrificeerde bedrijven met weglekrisico ondersteund worden, door compensatie van ETS-kosten in de elektriciteitsprijs.

De eerste ronde van de Nationale Investeringsmodule Klimaatprojecten Industrie (NIKI) is in 2025 voor het eerst opengesteld. Deze regeling ondersteunt projecten voor het opschalen van innovatieve technieken in de industrie, zoals voor groene chemie of elektrificatie. Voor deze projecten kan een NIKI-subsidie van minimaal € 30 mln worden verstrekt.

Ruimte voor de industrie

Afgelopen jaar heeft een consortium onder leiding van advies- en onderzoeksbureaude Stec laten zien dat er voor de energie- en circulaire transities en verduurzaming voor de industrieclusters een groot ruimtelijk vraagstuk ligt.35 Het kabinet onderschrijft het belang om ook in de toekomst voldoende fysieke- en milieuruimte te borgen voor de clusters. In de Ontwerp-Nota Ruimte heeft het kabinet de grote industrieclusters daarom aangeduid als gebieden van nationaal belang en werkt het met de clusters verder aan een langetermijnstrategie.36

Transitie diepe ondergrond

De diepe ondergrond speelt een cruciale rol in de energietransitie en de veiligheid van onze energievoorziening. Het kabinet werkt eraan om het gebruik van deze ondergrond duurzaam, veilig en maatschappelijk verantwoord vorm te geven. We leggen de basis voor innovatieve energieoplossingen en werken aan een zorgvuldige afhandeling van mijnbouwschade.

Duurzaam gebruik van de diepe ondergrond

Het kabinet werkt aan het opstellen van een nationaal programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond. Dit programma moet inzicht geven in de ruimtelijke ontwikkelingen in de diepe ondergrond ten behoeve van de energie- en de grondstoffenvoorziening en onder welke voorwaarden gebruik van de diepe ondergrond kan.37 Het in 2025 gepubliceerde rapport van TNO is een belangrijke bouwsteen voor dit programma. Om maatschappelijk draagvlak te versterken is er in 2025 verder gewerkt aan de maatschappelijke dialoog en wordt er parallel een plan-mer procedure gevolgd.

Gaswinning Ternaard

De NAM (Nederlandse Aardoliemaatschappij B.V.) wilde gas gaan winnen uit het gasveld ten noorden van het dorp Ternaard. Een klein deel van dit gasveld ligt onder land, het grootste deel onder de Waddenzee. De Nederlandse staat en de NAM hebben een akkoord bereikt waardoor er geen gas wordt gewonnen onder de Waddenzee bij Ternaard. Er is afgesproken dat de NAM het verzoek tot instemming met het winningsplan intrekt.38

Gaswinning in de energietransitie

Met het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie en het uitgewerkte hoofdstuk gaswinning op land is afgelopen jaar een belangrijke stap gezet in het stimuleren van nieuwe investeringen in de opsporing en winning van gas uit de Nederlandse kleine velden op de Noordzee en op land.39

Doel hiervan is de importafhankelijkheid zo beperkt mogelijk te houden en de voorzieningszekerheid te bevorderen, waarbij veilige en verantwoorde gaswinning het uitgangspunt blijft.

Carbon capture and storage (CCS)

Naast de aanleg en afronding van de bouw van Porthos, is het noodzakelijk dat er verdere CO₂-infrastructuur ontwikkeld wordt op de Noordzee. Omdat grote infrastructurele projecten aanlooprisico’s kennen, zijn er in 2025 de benodigde middelen gereserveerd vanuit het Klimaatfonds. Hiermee wordt EBN in staat te gesteld om de Aramis-pijpleiding en de ontwikkeling van meerdere CO₂-opslaglocaties te financieren. Ook wordt een deel van het vollooprisico door de staat afgedekt, om zeker te stellen dat er tijdig een investeringsbesluit kan worden genomen. 

Afhandeling mijnbouwschade Limburg

Eind 2025 is het digitale loket van de schadeafhandeling gestart. Begin januari is het fysieke loket van het Instituut voor Mens, Milieu en Mijnbouw (I3ML) voor de afhandeling van de mijnbouwschade in Limburg geopend waar huiseigenaren uit het schadegebied zich kunnen melden.40 Rijk en regio hebben nauw samengewerkt om te komen tot een gedragen uitvoering van de schadeafhandeling. Hierbij is goed gekeken naar de wensen van de bewoners in Zuid-Limburg en is gebruikgemaakt van de ervaringen in Groningen. 

Tot slot

In 2025 heeft het Ministerie van Klimaat en Groene Groei verdere stappen gezet om ambitie te koppelen aan een realistische uitvoering. Door de randvoorwaarden voor verduurzaming zorgvuldig op orde te brengen, wordt de basis gelegd voor een succesvolle energietransitie en duurzame economische groei. De doelen van het ministerie blijven onverminderd relevant: de risico’s van klimaatverandering zijn urgent, en in een geopolitiek onrustige wereld blijft meer energie-onafhankelijkheid essentieel. Daarom blijft het ministerie zich inzetten voor het verder terugdringen van CO₂-uitstoot, het versterken van de energiezekerheid en het vergroten van het verdienvermogen van Nederland.

2

Kamerstuk 33 043, nr. 114

3

Kamerstuk 33 043, nr. 119

5

Kamerstuk 32 813, nr. 1542

8

Kamerstuk 33 561, nr. 88

9

Kamerstuk 33 561, nr. 91

10

Kamerstuk 31 239, nr. 428

11

Kamerstuk 32 813, nr. 1529

12

Kamerstuk 31 239, nr. 439

13

Kamerstuk 29 023, nr. 567

14

Kamerstuk 29 023, nr. 587

15

Kamerstuk 31 239, nr. 426

17

Kamerstuk 29 435, nr. 269

18

Kamerstuk 29 023, nr. 566

19

Kamerstuk 29 023, nr. 597

20

Kamerstuk 29 023, nr. 566

21

Kamerstuk 29 023, nr. 597

22

Kamerstuk 32 645, nr. 156

23

Kamerstuk 32 645, nr. 161

27

Kamerstuk 36 847, nr. 1

28

Kamerstuk 32 645, nr. 159

31

Kamerstuk 32 645, nr. 162

32

Kamerstuk 19 826, nr. 260

33

Kamerstuk 29 826, nr. 266, Kamerstuk 29 826, nr. 278 en Kamerstuk 29 826, nr. 262

34

Kamerstuk 33 043, nr. 117

35

Kamerstuk 29 826, nr. 258

37

Kamerstuk 32 849, nr. 268

38

Kamerstuk 33 529, nr. 1345

39

Kamerstuk 33 529, nr. 1293 en Kamerstuk 33 529, nr. 1368

40

Kamerstuk 32 849, nr. 289

Realisatie periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen

Tabel 1 Realisatie periodieke rapportages/beleidsdoorlichtingen

BD/PR/ LE/PE1

Thema

Artikel(en)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Kamerstuk

LE

Lerende Evaluatie Klimaatbeleid

42

     

x

 

Eindrapport Lerende Evaluatie Klimaatbeleid: «Klimaatbeleid richten op maatschappelijke transformatie»

BD

Synthese-onderzoek Klimaatbeleid

42

     

x

 

Kamerstuk 32 813, nr. 1401

PR

Evaluaties van herziening in regelgevend kader (o.a. Energiewet en Warmtewet)

31

       

Nog te starten

1

BD = Beleidsdoorlichting; PR = Periodieke Rapportage; LE = Lerende Evaluatie; PE = Parlementaire Enquête

2

Dit betreft artikel 4 van de voormalige EZK-begroting.

Lerende evaluatie Klimaatbeleid: Elke vijf jaar wordt op basis van de Klimaatwet een nieuw klimaatplan vastgesteld. Ten behoeve hiervan is het klimaatbeleid geëvalueerd. Er is voor gekozen om dit te doen via een «lerende evaluatie» en een syntheseonderzoek. De lerende evaluatie verbreedt de blik naar de vraag hoe de governance en het instrumentarium van het beleid kunnen worden ingericht op de transformatie richting klimaatneutraliteit in 2050. De lerende evaluatie is daarmee complementair aan het synthese-onderzoek. PBL heeft de Lerende Evaluatie Klimaatbeleid in mei 2024 afgerond en gepubliceerd. PBL formuleert in het rapport handelingsperspectieven om het transformerend vermogen van het klimaatbeleid richting klimaatneutraliteit in 2050 te vergroten. De uitkomsten zijn in het Klimaatplan 2025-2025 meegenomen.

Synthese-onderzoek Klimaatbeleid: Eind 2023/begin 2024 is een synthese-onderzoek naar het klimaatbeleid uitgevoerd. Het synthese-onderzoek heeft de beleidstheorie van het Nederlandse klimaatbeleid gereconstrueerd en een analyse gemaakt van wat we weten over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het klimaatbeleid tussen 2019 (Klimaatplan) en de Voorjaarsbesluitvorming 2023. Het synthese-onderzoek is daarbij uitgegaan van de beschikbare instrumentenevaluaties, onderzoeksrapporten en analyses. Het eindrapport is in juni 2024 aan de Tweede Kamer aangeboden. De uitkomsten zijn in het Klimaatplan 2025-2035 meegenomen.

Evaluaties van herziening in regelgevend kader (o.a. Energiewet en Warmtewet): Betreft de synthese van evaluaties van de gewijzigde Elektriciteit- en gaswet en Warmtewet. Dit thema richt zich op de in voorbereiding zijnde nieuwe Energiewet (wetsvoorstel tot vervanging van de Elektriciteit en Gaswet). Deze wet zal naar alle waarschijnlijkheid vijf jaar na inwerkingtreding (begin 2026) geëvalueerd worden (2031). Ook de nieuwe Warmtewet (Wet Collectieve Warmtevoorziening) is nog in voorbereiding en zal naar verwachting half 2026/begin 2027 in werking treden. Deze wet zal net als de Energiewet naar alle waarschijnlijkheid vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd worden (2031/2032).

Samenvatting afgerond onderzoek 2025:

Geen.

Voor het meest recente overzicht van de programmering van periodieke rapportages/beleidsdoorlichtingen, zie het overzicht Ingepland en uitgevoerd onderzoek op rijksfinanciën.nl.

Voor de realisatie van deze en andere grote (evaluatie)onderzoeken, zie bijlage 2 «Afgerond evaluatie- en overig onderzoek».

Overzicht van risicoregelingen

Tabel 2 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

nr.

Artikel omschrijving

Leningnemer

Huidig saldo

Einddatum

Totaalstand risicovoorziening 2025

Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2025 en 2024

1

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

NRG (ECN)

102.113

31-12-2026

nvt

nvt

2

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Pallas

44.925

1-7-2022

nvt

nvt

3

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Fibrant

2.071

1-12-2034

nvt

nvt

4

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Fibrant

7.757

1-12-2034

nvt

nvt

5

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Fibrant

17.547

1-12-2034

nvt

nvt

6

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

EBN BV

48.000

1-12-2034

nvt

nvt

7

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

ECN

40.000

31-12-2026

nvt

nvt

8

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

EBN BV (Porthos)

53.400

31-12-2038

nvt

nvt

9

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

EBN BV FEED Aramis Opslag

32.000

31-12-2042

nvt

nvt

10

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Solarge Holding B.V.

5.284

31-12-2024

nvt

nvt

11

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

LIOF Healix

950

1-7-2027

nvt

nvt

12

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Stichting Groenfonds

7.066

31-12-2039

nvt

nvt

1 NRG

Aan Stichting Nuclear Research and Consultancy Group (NRG) is een lening verstrekt voor het uitwerken en uitvoeren van een Herstelplan. In algemene zin is deze gericht op de continuïteit van de bedrijfsvoering van NRG en in het bijzonder op het scheppen van de noodzakelijke financiële, technische, commerciële en organisatorische voorwaarden voor het in bedrijf houden van de Hoge Flux Reactor (HFR).

2 Pallas

Aan de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor is een lening verstrekt voor fase 1 van de totstandkoming van een nieuwe hoge fluxreactor (de Pallas-reactor), die bestemd is voor de productie van medische en industriële radio-isotopen en voor nucleair technologisch onderzoek.

3 t/m 5 Fibrant

De leningen aan Fibrant zijn verstrekt voor investeringen in (de ombouw van) installaties waar lachgas is gereduceerd. Hiermee zijn drie projecten uitgevoerd met een totale lachgasreductie van ruim 0,6 Mton CO2 equivalent.

6 EBN

De achtergestelde lening tegen 0% rente van in totaal € 48 mln van EZK aan EBN is bedoeld voor investeringen in geothermieprojecten in Nederland. EBN zal samen met professionele marktpartijen risicodragend deelnemen in projecten voor 20% tot 40%.

7 ECN

In 2016 is aan ECN (tegenwoordig onderdeel van TNO) een lening verstrekt van € 40 mln voor het verwerken en afvoeren van historisch radioactief afval in Petten.

8 EBN BV

Dit betreft een in 2022 verstrekte lening aan EBN, tegen marktconforme rente, voor hun deelname aan de realisatiefase van het CCS-project Porthos, samen met de andere Staatsdeelnemingen HbR en GasUnie.

9 EBN B.V. FEED Aramis Opslag

In 2023 is een marktconforme lening van in totaal € 32 mln verstrekt aan EBN voor deelname in de FEED-fase ((Front-end engineering design) van Aramis, specifiek voor de ontwikkeling van de opslaglocaties. Het door EBN verkregen rendement op dit CCS-project zal worden gebruikt om deze lening af te lossen.

10 Solarge Holding B.V.

Er is in 2024 een lening verstrekt aan Solarge van € 5,3 mln. Dit betreft een lening in het kader van het Nationaal Groeifonds project SolarNL.

11 LIOF Healix

Dit betreft een marktconforme lening aan LIOF ten behoeve van ondersteuning van een specifiek innovatief en duurzaam bedrijf in regio Limburg. Deze lening is nodig om vanuit LIOF een tijdelijke overbrugging voor dit bedrijf uit de KGG doelgroep mogelijk te maken.

12 Stichting Groenfonds

Dit betreft een niet-rentedragende (renteloze) en achtergestelde geldlening aan Stichting Nationaal Groenfonds ten behoeve van ontwikkelleningen voor energiecoöperaties uit het Ontwikkelfonds Opwek. Stichting Nationaal Groenfonds beheert het Ontwikkelfonds Opwek en verstrekt leningen aan energiecoöperaties voor de ontwikkelfase van zon- en windprojecten.

Openbaarheidsparagraaf

Dit is de openbaarheidsparagraaf bij het jaarverslag van 2025 van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en de bijbehorende concernonderdelen. Met deze openbaarheidsparagraaf laten we zien welke activiteiten zijn uitgevoerd op het gebied van openbaarmaking en informatiehuishouding. Zo maken we de omslag naar een meer open departement. De ministeries EZ, KGG en LVVN werken vanuit een gezamenlijke bedrijfsvoering aan deze opgave.

Openbaarmaking

Openbaar maken van overheidsinformatie vraagt continu aandacht en dialoog. Hoe verbeteren we onze interne processen om te voldoen aan wetgeving en recht te doen aan de doelstelling van die wetgeving? Hoe kan Artificiële Intelligentie (AI) ons op een verantwoorde manier helpen? Welke invloed heeft de geopolitieke context op wat we openbaar maken? En hoe gaan we om met zeer omvangrijke en complexe Woo-verzoeken? Om goed invulling te geven aan deze vraagstukken zijn in 2025 de onderstaande activiteiten uitgevoerd en resultaten behaald.

  • Besluit tot centrale directie openbaarheid. Voor de kerndepartementen is het besluit genomen om een centrale directie op te richten voor strategie, beleid en uitvoering rondom openbaarmaking. De werkzaamheden van het huidige programma zullen hierin opgaan na de afronding van de programmafase Open Overheid.

  • Passieve openbaarmaking. Voor het versnellen van het Woo-proces is gewerkt aan een werkwijze voor centraal zoeken van informatie, de implementatie van nieuwe laktooling, het verbeteren van processtappen, de inzet van een extern bureau en het opleiden van medewerkers. Tevens is gewerkt aan het verantwoord inzetten van AI om het Woo-proces te versnellen. Ook is er een beslishulp voor de voorinzage onder geheimhouding ontwikkeld en een succesvolle pilot gedraaid om de betrokkenheid van het management bij Woo-verzoeken te verbeteren.

  • Verplicht actieve openbaarmaking informatiecategorieën. De focus voor verplicht actieve openbaarmaking lag op de voorbereiding van het openbaar maken van de volgende tranche informatiecategorieën (tranche 2). Onder deze tranche vallen bijvoorbeeld de openbaarmaking van Woo-verzoeken en -besluiten, adviezen en jaarverslagen. Onderdeel van de voorbereiding is het inregelen van technische randvoorwaarden conform Woo publicatie-eisen en het beschikbaar stellen van hulpmiddelen voor medewerkers. Zo zorgen we dat deze informatiecategorieën straks goed vindbaar, doorzoekbaar en raadpleegbaar zijn op open.overheid.nl. Parallel is gewerkt aan de voorbereiding van tranche 3 en 4 door de hierbij behorende publicatieprocessen door te lichten.

  • Inspanningsverplichting actieve openbaarmaking. Om in de toekomst meer en gerichter informatie proactief openbaar te maken, zijn een richtlijn en afwegingskader in de praktijk getoetst bij verschillende dossiers. De praktijkervaring bij het dossier Kernenergie (KGG) heeft bijvoorbeeld meer inzicht gegeven in de proceskant van het publiceren. Aanvullend wordt periodiek de maatschappelijke informatiebehoefte in kaart gebracht. Dit dient als basis om gerichter informatie actief openbaar te maken.

  • Beslisnota’s. Naar aanleiding van het onderzoek van Centerdata over de ervaringen rondom de openbaarmaking van beslisnota’s is op het departement het verdiepende gesprek gevoerd over hoe meer uniformiteit kan worden aangebracht in de werkwijze en de transparantie kan worden vergroot. Dit gesprek wordt voortgezet in 2026, waarbij de uitkomsten hiervan worden meegenomen in de interdepartementale dialoog en aanstaande kabinetsreactie.

  • Opleidingsplan. Het ontwerp van het opleidingsplan openbaarmaking is opgeleverd en getoetst. Het doel hiervan was om kennis en vaardigheden van beleidsmedewerkers te versterken met betrekking tot de Woo. De belangrijkste uitkomst: de praktijkgerichte training, de Woo-Express, vergroot het kennisniveau en handelingsvermogen van beleidsmedewerkers. Ook werkt integratie van openbaarmaking in bestaande trainingen goed en biedt vernieuwde onboarding kansen voor structurele borging. Deze activiteiten worden daarom structureel ingebed in de organisatie.

  • Datalek metadata. Begin april 2025 is er een Rijksbreed datalek ontdekt waar dit ministerie ook door geraakt is. In de metagegevens van documenten die actief openbaar worden gemaakt waren persoonsgegevens te vinden. Inmiddels is dit datalek gedicht door reeds gepubliceerde documenten te schonen van metagegevens. Bij nieuw te publiceren documenten worden metagegevens handmatig ontdaan van persoonsgegevens in afwachting op een structurele Rijksbrede oplossing.

Informatiehuishouding

Het op orde zijn van de informatiehuishouding (IHH) is een belangrijke randvoorwaarde voor het goed functioneren van het ministerie. De roep om verbetering van de informatiehuishouding blijft groot, net zoals de welwillendheid om hier stappen in te zetten. Hiervoor is in 2025 gewerkt aan de volgende activiteiten en zijn onderstaande resultaten behaald:

  • Groeiplan IHH. Het Groeiplan IHH geeft voor de kerndepartementen een praktische invulling aan de actielijnen uit het generieke actieplan ‘Open op orde’. De implementatie van de projecten uit het groeiplan ondersteunt de ambitie van de kerndepartementen om eind 2026 op een volwassenheidsscore van 3,0 uit te komen. Dit volwassenheidsniveau betekent dat de organisatie inzicht, overzicht en grip heeft op informatie en dat medewerkers weten wat hun verantwoordelijkheid is ten aanzien van die informatie.

  • Informatieprofessionals. Voor het versterken van de rol en vaardigheden van (informatie)professionals is dit jaar het opleidingsplan ‘Goed omgaan met Informatie’ ontwikkeld en met de bijbehorende leerinterventies getoetst. Implementatie van dit opleidingstraject volgt in 2026, zodat alle medewerkers weten waarom en hoe ze documenten moeten opslaan. Wegens groot succes zijn in 2025 de archiefdagen en opruimdagen gecontinueerd. 

  • Volume en aard van informatie. Met behulp van informatiebeheerplannen werken we aan overzicht waar informatie te vinden is, wie toegang heeft en hoe informatie wordt beheerd. Bij de kerndepartementen hebben directies hun informatiebeheerplannen en bijbehorende verbeterplannen conform planning opgeleverd. Op basis hiervan is een top 9 van meest voorkomende verbeterpunten opgesteld zoals het kennisniveau van medewerkers over IHH en het hebben van werkafspraken binnen directies. Deze verbeterpunten vormen belangrijke input voor de prioritering op IHH in het nieuwe jaar.

  • Informatiesystemen. Om ervoor te zorgen dat ICT-systemen zoveel mogelijk de organisatie en werkprocessen ondersteunen, is een richtlijn opgeleverd en DUTO-check uitgevoerd in samenwerking met het Nationaal Archief (duurzame toegankelijkheid van informatie). Tevens is er een toolkit opgeleverd om bij (nieuwe) processen eerder rekening te houden met de informatieketen en de waarde van informatie die openbaar gemaakt moet worden. De werking van het systeem SIRIS is sterk verbeterd door de uitgevoerde upgrade. Aansluitend zijn verdere verbeteringen doorgevoerd.

  • Bestuur en naleving. Op dit onderdeel is gewerkt aan de vernieuwing van de Regeling Informatiebeheer. Dit is de juridische grondslag van de visie en inrichting van de IHH-organisatie ten behoeve van een kwalitatief hoogwaardige informatiehuishouding. Ook is er een handreiking ontwikkeld voor een kwaliteitssysteem. Deze handreiking wordt uitgewerkt tot een kader voor het hele concern. Andere activiteiten waren de start van het platform informatiehuishouding en het vaststellen en publiceren van hotspots op de website van het Nationaal Archief. Een hotspot is een onderwerp met veel maatschappelijke impact en aandacht, waarvan de informatie eeuwig wordt bewaard. Verdere implementatie van de Regeling Informatiebeheer en inrichting van de IHH-organisatie en kwaliteitssysteem volgen in 2026.

  • N-meting. Op basis van de jaarlijkse n-meting (in 2025 de 4-meting) is het volwassenheidsniveau van de IHH gemeten voor kerndepartementen en concernonderdelen. De gemiddelde score van het concern was voor 2025 een 2,40. Daarmee is er een verbetering ten opzichte van de score 2,27 uit 2024, maar blijkt ook dat er nog belangrijke verbeterstappen moeten worden gezet.

Overkoepelende activiteiten

  • Netwerk informatiehuishouding, openbaarmaking en transparantie. In het najaar heeft de vierde editie van de Week van de Transparantie plaatsgevonden. Met een divers programma is ingezet op zowel bewustwording, inhoudelijke verdieping en waardering voor professionals op IHH en openbaarmaking. De week maakt onderdeel uit van verschillende communicatie- en netwerkactiviteiten gedurende het jaar. Zo zijn er de maandelijkse ‘Denk, deel en doe mee’-bijeenkomsten voor kennisuitwisseling en het versterken van samenwerking. Aan de orde kwamen de nieuwe ambtseed en de ontwikkeling van AI-tool voor een effectief Woo-proces.

  • Werkbijeenkomst concernonderdelen. Tijdens de fysieke werkbijeenkomst met alle concernonderdelen is door middel van workshops en sprekers extra geïnvesteerd in de samenwerking en kennisuitwisseling tussen de kerndepartement en concernonderdelen.

Financiële toelichting

Bovenstaande activiteiten worden deels gefinancierd uit de gelden die beschikbaar zijn gesteld voor de acties die volgen uit de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (vanaf 2021) en Woo-gelden (vanaf 2022) en deels uit eigen middelen van het departement. Het totaalbudget wordt gestuurd en verantwoord vanuit een integrale visie op beide thema’s en voor de drie departementen EZ, LVVN en KGG.

De POK- en Woo-gelden zijn meerjarig toegekend door het Ministerie van BZK. In 2025 was er vanuit POK- en Woo-gelden een totaalbudget van ruim € 24,3 mln (integraal voor EZ, KGG en LVVN). Van dit budget was al eerder voor 2025 € 7,3 mln toegekend aan concernonderdelen. Deze toekenningen zijn meerjarig doorgevoerd voor de planperiode t/m 2026.

In 2025 zijn de gelden conform budget besteed. Daarbij zijn er onderlinge verschuivingen tussen de verschillende budgetposten. Belangrijkste oorzaken hiervoor zijn dat enkele kosten lager zijn uitgevallen dan voorzien en dat een aantal projecten is opgeschoven in de tijd. Aan de andere kant zijn er ook extra initiatieven uitgevoerd en is op sommige trajecten juist versneld (met name binnen en tussen de concernonderdelen). Hierdoor is de totale realisatie conform budget.

Onderuitputting

Bij het jaarverslag van 2023 besteedden departementen, op verzoek van de Tweede Kamer, aandacht aan resultaatbereik in relatie tot onderuitputting. Voor dit focusonderwerp werd een bijlage voorgeschreven. Vanwege de politieke actualiteit moet het onderwerp onderuitputting nu verplicht worden opgenomen in het beleidsverslag bij het jaarverslag over 2025.

Aan de hand van onderstaande tabel wordt de totale onderuitputting gepresenteerd. Daarbij worden de grootste en belangrijkste meevallende realisaties toegelicht.

Tabel 3 Grootste posten met onderuitputting in 2025 (bedragen x € 1 mln)
 

Bedrag

Als percentage van de vastgestelde ontwerpbegroting 2025

MOOI

‒ 10,0

‒ 0,2%

DEI+

‒ 37,0

‒ 0,8%

Opschalingsinstrument waterstof

‒ 67,0

‒ 1,5%

IPCEI-waterstof

‒ 20,7

‒ 0,5%

NGF-project NieuweWarmteNu!

‒ 11,5

‒ 0,3%

Djewels

‒ 16,0

‒ 0,4%

Verduurzaming industrie

‒ 25,5

‒ 0,6%

NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie

‒ 101,4

‒ 2,3%

Investeringen Verduurzaming Industrie

‒ 18,0

‒ 0,4%

NGF - project Biobased Circular

‒ 12,5

‒ 0,3%

Lening NRG

‒ 27,1

‒ 0,6%

Overige meevallers (en tegenvallers)

22,7

0,5%

Totaal

‒ 324,0

‒ 7,2%

Toelichting

MOOI

Als gevolg van vertraging en uitval in projecten is er in 2025 € 10 mln minder uitgegeven voor Missie Onderzoek en Ontwikkeling en Innovatie (MOOI).

DEI+

Voor de Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) zijn er minder kasuitgaven geweest dan gepland als gevolg van onder andere vertraging en uitval van projecten. Daarnaast is er specifiek voor de modules, vergassing en circulaire economie, in de DEI+, minder uitbetaald dan eerder was voorzien in 2026 omdat een groot deel van de subsidies laat in het jaar zijn verleend en een deel van de betalingen die gepland waren daardoor pas plaatsvinden in 2026.

Opschalingsinstrument Waterstof

Vanwege het besluit om de ontwikkeling van offshore elektrolyse voor minimaal vijf jaar te pauzeren, zijn middelen voor het waterstofnetwerk op zee niet tot besteding gekomen. Door vertraging bij de projecten die gesubsidieerd worden middels de OWE-regelingen waren er lagere uitgaven dan geprognosticeerd.

IPCEI-waterstof

De middelen voor IPCEI-waterstof zijn reeds juridisch verplicht maar vanwege vertraging in de uitrol van de waterstofmarkt schuiven de uitgaven door naar latere jaren.

NGF-project NieuweWarmteNu

voor NieuweWarmteNu! is er in 2025 minder € 11,5 mln minder uitgegeven ten opzichte van het beschikbare budget met de stand van de tweede suppletoire begroting 2025. Dit komt door vertraging in de uitrol van collectieve warmte vanwege onzekerheid rondom het aannemen van de nieuwe wet collectieve warmte. Deze is eind 2025 door de Eerste Kamer aangenomen, waardoor de nieuwe kaders duidelijk worden.

Djewels

Als gevolg van vertragingen in het subsidieproject Djewels worden dit jaar niet alle verwachte mijlpalen behaald. Hierdoor worden de daaraan gekoppelde bijdragen niet gedaan.

Verduurzaming Industrie

Er is ruim € 25 mln minder uitgegeven aan de begrotingspost «Verduurzaming Industrie» dan geraamd. Dit komt doordat er minder aanvragen zijn ingediend en beschikkingen zijn verleend op de regeling TSE studies Industrie in 2025. Deze regeling loopt over de jaargrens en sluit in 2026. Meer aanvragen worden verwacht in aanloop naar sluitingsdatum. Verder kon een voorschot van ca. € 10 mln voor een van de reeds gemaakte maatwerkafspraken niet worden uitbetaald in verband met het niet halen van een afgesproken mijlpaal in de planning. Dit voorschot zal naar verwachting in 2026 alsnog worden verleend. Daarnaast was circa € 5 mln gereserveerd voor ondersteuning van specifieke bedrijven in de zgnde ’Nieuwe Industrie’. Verschillende ontvangen subsidieaanvragen zijn negatief beoordeeld en konden uiteindelijk dus niet worden beschikt.

NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie (GVNL)

Er is € 101,4 mln minder uitgegeven aan het project Groenvermogen van de Nederlandse economie dan geraamd. Dit is o.a. te verklaren uit het feit dat er uiteindelijk geen DEI-regeling met budget van GVNL is open gesteld, en hier dus ook geen nieuwe uitgaven op zijn gedaan, dat er voor de Investeringssubsidie Maakindustrie Klimaatneutrale Economie (IMKE) regeling slechts circa € 20 mln aan aanvragen is beschikt en dus ook navenant lagere kasuitgaven zijn gerealiseerd, en dat er minder is uitgegeven aan specifieke Front End Engineering Design-studies (FEED). Daarnaast heeft in 2025 nog een nieuwe toekenning van budget uit het Nationaal Groeifonds plaatsgevonden waarvan € 40 mln in 2025 aan het beschikbare kasbudget budget is toegevoegd. Per saldo leidt dat tot dit verschil.

NGF - project Biobased Circular

Er is € 12,5 mln minder uitgegeven aan het project Biobased Cricular dan geraamd. Dit komt grotendeels doordat een voorziene regeling voor stimulering van de omzetting van biogrondstoffen (á € 10 mln) uiteindelijk voor een kleiner bedrag is ondergebracht in een andere regeling; de regeling Energie en Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO). Daarnaast hebben verschillende projecten (de Human Capital Agenda (HCA), Interventies en een project voor stimulering van infrastructuur) vertraging opgelopen in de uitwerking en uitvoering waardoor deze beschikkingen, verplichtingen en uitgaven doorschuiven naar 2026.

Lening NRG

Er is een lening van NRG terugbetaald waarvoor nog niet gebudgetteerd was.

Focusonderwerp FJR 2025

Focusonderwerp: Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld

De Tweede Kamer heeft 'Risico's voor een goede inning en besteding van belastinggeld' aangemerkt als focusonderwerp voor het jaarverslag over 2025. Het kabinet is verzocht om in ieder geval in te gaan op drie concrete, budgettair omvangrijke en/of strategisch belangrijke (beleids)programma's of activiteiten waar substantiële verbeteringen mogelijk zijn. Het kan daarbij gaan om bedrijfsvoeringsrisico's maar ook om beleidsmatige risico's.

Het departement Klimaat en Groene Groei (hierna KGG) identificeert de volgende budgettaire risico’s voor het behalen van de beleidsdoelen:

  • Beheersbaarheid en doelmatige besteding van infrastructuurprojecten; en

  • Financiëel administratieve processen; en

  • Europese wetgevingstrajecten.

Beheersbaarheid en doelmatige besteding van infrastructuurprojectenDe afgelopen jaren zijn uit het Klimaat- en Energiefonds verschillende middelen overgeheveld naar de KGG-begroting voor grotere infrastructuurprojecten. Dit betreft bijvoorbeeld projecten voor waterstof infrastructuur, wind op zee en de WarmtelinQ. Daarnaast zullen er middelen worden overgeheveld voor kernenergie. Voor de overheveling van deze middelen kende de KGG-begroting dit soort uitgaven niet. Dit zijn projecten die een langere looptijd kennen waarbij vertraging een groot risico is, daarnaast kan ook als risico optreden dat niet alle middelen doelmatig worden besteed. Voor de overheveling naar de begroting er een tijdslijn bepaald met tussentijdse doelen en bijbehorende bedragen. KGG houdt contact met de uitvoerende partij om de voortgang in de gaten te houden. In dit contact is het van belang dat KGG bijstuurt bij wijzigingen in de uitvoering van het project en zorgt voor een spoedige uitvoering van de opdracht. Daarnaast is het van belang dat KGG ook de besteding monitort, zodat getoetst wordt of de uitgaven doelmatig zijn.Deze taken zijn belangrijk om de doelen te behalen die zijn geformuleerd bij de start van deze projecten. WarmtelinQ is een groot infrastructuur project dat via de KGG- begroting wordt gefinancierd. Bij dit project werd duidelijk dat er een tegenvaller van honderden miljoenen in beeld was gebracht. Dit liep via Gasunie de uitvoerder van dit project. KGG heeft een externe validatie laten uitvoeren naar de business case van dit project. Dit is een voorbeeld van het beheersbaar houden van de financiering van zo'n groot project.Vanuit de directie Financiële Economische Zaken (FEZ) zijn er gesprekken met IenW gevoerd over hoe zij omgaan met dit soort grote infrastructuurprojecten. Hun begroting bestaat uit veel van dit soort projecten. De best practices zullen worden overgenomen zodat KGG op de best mogelijke manier deze projecten kan aansturen en monitoren.

Financiëel administratieve processenHet is belangrijk dat middelen rechtmatig, doelmatig en transparant worden ingezet, onder andere zodat EZ en KGG effectief kunnen sturen op doelen en op een betrouwbare manier verantwoording kunnen afleggen. Daarbij is goed financieel beheer van belang. Door een forse toename van het aantal af te handelen (subsidie)dossiers, mede als gevolg van forse uitbreidingen van budgetten en personeel, en afname van de kwaliteit van deze dossiers was een toenemende druk op de financiële administratie waarneembaar aan het einde van het kalenderjaar. Deze verhoogde druk is een risico voor de zorgvuldigheid van de beoordeling en afhandeling van de dossiers. Dit kan onjuiste boekingen van financiële verplichtingen en betalingen tot gevolg hebben. Daarnaast ontstaat het risico dat aanvragen niet tijdig kunnen worden afgedaan en de jaargrens overschreden wordt. Dat is op zijn beurt een risico voor de beheersbaarheid van de begrotingsadministratie, met in het ene jaar onderuitputting en in het volgende jaar in potentie tekorten vanwege verlies van deze onderuitputting. Om dit risico te mitigeren hebben EZ en KGG verschillende maatregelen genomen. Zo is voor het subsidieproces een nieuwe handreiking opgesteld en zijn checklists geactualiseerd. Ook is geïnvesteerd in opleidingen en training van medewerkers en is de directie FEZ met alle directies in gesprek gegaan om kennis en informatie te delen en om inzicht te krijgen in wat komen gaat (wat zit er in de pijplijn en wanneer verwacht men dat dossiers kunnen worden aangeboden), zodat het werk beter gepland kan worden. Ook heeft de directie FEZ van EZ en KGG actief aangestuurd op het nemen van interne verbetermaatregelen bij beleidsdirecties.

Een ander risico voor de financiële administratie betreft de opeenvolging van departementale herverkavelingen. De administratieve aanpassingen die hiervoor nodig zijn vragen personele en financiële capaciteit die niet op reguliere wijze ingezet kan worden. Dat raakt ook de nodige vernieuwing van de financiële systemen. Met ervaringen uit eerdere herverkavelingen wordt zo gestandaardiseerd mogelijk te werk gegaan om dit risico te mitigeren.

Europese wetgevingstrajectenDe verplichtingen vanuit de Europese Unie nemen toe. EZ en KGG zijn stelselverantwoordelijk voor de uitvoering van toenemende Europese wet- en regelgeving op het gebied van digitalisering. Steeds meer Europese taken komen terecht bij EZ en KGG zelf maar ook bij diensten en uitvoeringsorganisaties onder ministeriële verantwoordelijkheid van EZ en KGG. Deze taken hebben vaak een wettelijke grondslag, maar komen tot stand zonder dat op voorhand goed duidelijk is wat de budgettaire gevolgen zijn, en zonder financiële compensatie vooraf. Dit betekent dat de uitvoering van nieuwe taken gefinancierd moet worden binnen een al krimpende begroting. Het gaat voornamelijk over wetgeving in het digitale domein. In recente jaren gaat het bijvoorbeeld om de wet weerbaarheid kritieke entiteiten (oftewel CER I), de Cyberbeveiligingswet (beter bekend als NIS2) en de Datavordening. Ook in komende jaren wordt implementatie van verschillende wetgevingsvoorstellen verwacht. EZ en KGG onderzoeken momenteel hoe interne besluitvormingsprocessen aangepast kunnen worden om beter te kunnen anticiperen op de budgettaire gevolgen van EU-wetgevingsvoorstellen.

4. Beleidsartikelen

Beleidsartikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Beleidsartikel 31 heeft doelstellingen in het kader van het klimaat- en energie­beleid. Het kabinet zet in op een draagbaar, haalbaar en uitvoerbaar klimaatbeleid. Voor het klimaatbeleid, ook in internationaal verband, betreft dit de bijdrage aan het realiseren van de doelen van de klimaatovereenkomst van Parijs en, op basis van de Europese en Nederlandse Klimaatwet, het realiseren van een netto-reductie van broeikasgassen in 2030 van ten minste 55% ten opzichte van 1990 en klimaatneutraliteit in 2050.

In het kader van het energiebeleid werken we toe naar een CO2-arme energievoorziening die veilig, betrouwbaar, betaalbaar en schoon is, op zodanige wijze dat economische kansen worden verzilverd en de benodigde energie-infrastructuur op een evenwichtige manier in het ruimtelijk beleid is geïntegreerd. Daarnaast zet het kabinet in op meer eigen duurzame energieproductie om de afhankelijkheid van minder betrouwbare regimes te verkleinen. De belangrijkste maatschappelijke uitdagingen waarop gefocust wordt, zijn de klimaat- en energietransitie, waaronder de verduurzaming van de industrie, en de goede afwikkeling van de sluiting van het Groningengasveld. Hierbij heeft KGG een gedeelde opgave met departementen als IenW, LVVN en VRO op het gebied van de klimaat- en energietransitie en de ruimtelijke inpassing.

Om de klimaat- en energiedoelstellingen te bereiken zet KGG een mix van subsidies en normerings- en beprijzingsinstrumenten in, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het transitiegericht maken van energie regelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren en de betrokkenheid van de samenleving te vergroten, zodat iedereen naar vermogen kan bijdragen. Mensen met een laag of middeninkomen en ondernemers worden bij de energietransitie geholpen en regio en omwonenden worden tijdig betrokken bij nieuwe projecten.

Het kabinet zal in ieder geval twee keer per jaar over de voortgang van het klimaat- energiebeleid rapporteren, aansluitend bij de begrotingscyclus. In het najaar wordt in de Klimaat- en Energienota verantwoording afgelegd over de resultaten van het klimaat- en energiebeleid. Dit gebeurt onder andere aan de hand van informatie uit het Dashboard Klimaatbeleid, de Energiemonitor en de cijfers over gerealiseerde emissies en ramingen uit de Klimaat- en Energie­ verkenning (KEV). Jaarlijks wordt in het voorjaar op basis van de KEV bezien of alternatief beleid nodig is om de doelen te bereiken en de Kamer hierover geïnformeerd.

Doelstelling Verduurzaming Industrie: Het faciliteren van de transitie naar een toekomstbestendige, klimaatneutrale, circulaire en inclusieve economie

De uitstoot van broeikasgassen en andere vervuiling die vrijkomt bij economische activiteiten hebben grote gevolgen voor het klimaat, onze natuurlijke hulpbronnen en de leefomgeving. Het is dan ook belangrijk om actie te ondernemen en de economie te verduurzamen. KGG vervult hierin een aanjagende, coördinerende en ondersteunende rol voor de verduurzaming van de industrie en het mkb, waarbij ervoor wordt gezorgd dat verduurzamingsprojecten kunnen en worden uitgevoerd in Nederland. Om deze rol te vervullen wordt er zowel gebruik gemaakt van generieke instrumenten om aan te jagen (beprijzen en normeren) en te ondersteunen (subsidiëren). Hierbij is het van belang dat zowel het aanjagen als de ondersteuning en coördinatie met elkaar in balans zijn, om te voorkomen dat bedrijven uit Nederland vertrekken, dat uitstoot als gevolg elders plaatsvindt en dat dit ten koste gaat van het toekomstig Nederlandse verdienvermogen. Onze Nederlandse industrie is van groot belang voor ons verdienvermogen. Het is van belang dat we onze fabrieken behouden en in staat stellen om te verduurzamen. Er is een grote toekomst voor bedrijven die schoon zijn, en toegevoegde waarde leveren voor Nederland. Het verduurzamen van de industrie levert een grote bijdrage aan de noodzakelijke CO2-reductie én biedt kansen voor nieuwe groeimarkten, een toekomstbestendig vestigingsklimaat en het versterken van onze economische veiligheid en strategische autonomie.

Om de nationale doelstelling voor 2030 te realiseren, die is vastgelegd in de Klimaatwet en de Europese Green Deal (de reductie van CO2-emissies met 55% ten opzichte van 1990) is de bijdrage van de industrie cruciaal. Voor de industrie geldt een streefdoel waarbij de broeikasgasuitstoot vermindert met 68% in 2030 ten opzichte van 1990 (28,8 Mton CO2-eq. restemissies).

De investeringsbeslissingen voor grote verduurzamingsprojecten van bedrijven blijven op dit moment uit, worden uitgesteld of er wordt voorrang gegeven aan investeringen elders boven die in Nederland. Dit komt onder meer doordat er voor bedrijven nog veel onzekerheden zijn, over de randvoorwaarden voor verduurzaming en hoge elektriciteitskosten. Het kabinet heeft met het pakket voor groene groei in 2025 ingezet op het realiseren van de randvoorwaarden en het versterken van concurrentiekracht voor Nederlandse bedrijven. Er worden concrete stappen gezet voor de realisatie van CCS-project Aramis. Om het gelijk speelveld te verbeteren is de IKC verlengd tot en met 2028, de CO2-heffing effectief buiten werking gesteld en zijn de plasticheffing en -norm niet doorgegaan. Hiermee is een eerste stap gezet richting het verbeteren van de concurrentiekracht van de Nederlandse industrie.

De Minister van Klimaat en Groene Groei is op basis van de Klimaatwet verantwoordelijk voor het nationale klimaatbeleid en de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid.

De Minister van Klimaat en Groene Groei is verder op grond van de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet, de Warmtewet en de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor het energiebeleid.

De Minister van Klimaat en Groene groei is verantwoordelijk voor het faciliteren van de transitie naar een duurzame en concurrerende industrie.

Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort.

Klimaatbeleid

Regisseren

  • Regisseren van het nationale klimaatbeleid op basis van de nationale doelen en de werkwijze zoals deze is vastgelegd in de Klimaatwet, met het oog op het door Nederland nakomen van de (onder andere) in United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van CO2- en overige broeikasgasemissies. Hieronder valt ook het emissiehandelssysteem, waarin CO2-emissierechten worden toegewezen en geveild.

  • De regie op Nederlandse inbreng bij onderhandelingen over het internationale klimaatbeleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daaronder vallen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en bijeenkomsten, zoals de jaarlijkse VN-klimaattop.

(Doen) uitvoeren

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies, op de productie en de inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (Emissions Trading System; ETS).

  • De opdracht aan de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor aan KGG gerelateerde marktinstrumenten die bijdragen aan een klimaatneutrale samenleving. Dit zijn het Europese handelssysteem in broeikasgasemissierechten, de CO2-heffing industrie, de CO2-minimumprijs en CORSIA. Onderdeel van de KGG-opdracht voor de NEa is daarnaast de uitvoering van de inframarginale heffing en het toezicht op de certificering van biomassa.

Stimuleren

  • Om de klimaatdoelen te behalen worden maatschappelijke partners proactief betrokken. De Minister van Klimaat en Groene Groei stimuleert het in stand houden, aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden, burgers en kennisorganisaties rondom de doelen uit de Overeenkomst van Parijs en- het Klimaatakkoord.

  • Op basis van de tijdelijke wet Klimaatfonds heeft de Minister van Klimaat en Groene Groei de rol van fondsbeheerder van het Klimaatfonds. De minister biedt de Tweede Kamer bij Voorjaarsnota een ontwerp-Meerjarenprogramma aan en bij Miljoenennota het definitieve Meerjarenprogramma en de begroting van het Klimaatfonds.

Energiebeleid

Regisseren

  • Regisseren van het nationale energiebesparingsbeleid op basis van het indicatieve nationale doel en sectorale streefwaarden, met het oog op het door Nederland nakomen van de in EU-verband gemaakte afspraken over energiebesparing (Europese Energie-Efficiëntie Richtlijn).

  • Het regisseren en prioriteren van de benodigde nieuwe energieinfrastructuur- met het MIEK.

  • Het tot stand brengen van de ruimtelijke inpassing grote energie-infrastructuurprojecten, inclusief CCS-projecten, die onder de Rijksprojectprocedure vallen.

  • De versnelling van de productie van aardgas op de Noordzee ten behoeve van transitieperiode richting klimaatneutraal 2050.

  • Het uitrollen van windenergie op zee richting 2030 en verder.

  • Het actief participeren in Europese en internationale netwerken ten behoeve van energy governance, kennis brengen naar en leren van andere landen en instellingen, inclusief de bijdrage aan het internationale oliecrisisbeleid.

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energie­sector in relatie tot de energietransitie ten volle wordt benut.

  • Regisseren van evenwichtig risicobeleid voor de energietransitie, zodat er verantwoord wordt omgegaan met risico’s voor de veiligheid en gezondheid van mensen en de transitie tegelijkertijd uitvoerbaar blijft.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige, veilige en verantwoorde energietransitie, inclusief winning van onze bodemschatten met een daarbij behorend uitvoerings- en kennisprogramma.

  • Het stellen van regels en creëren van randvoorwaarden voor duurzaam, veilig en verantwoord gebruik van de diepe ondergrond in Nederland, waarbij er meer ruimtelijke sturing plaatsvindt, meer rekening wordt gehouden met de omgeving en de energietransitie verder wordt gefaciliteerd (verantwoord afbouwpad van fossiele winning en verdere opbouw gebruik van de diepe ondergrond in het kader van duurzaamheid – waaronder geothermie en ondergrondse opslag duurzame energie).

  • Het bieden van handelingsperspectief en wegnemen van belemmeringen voor lokale duurzame energie-initiatieven.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor de ontwikkeling van innovatie- ecosystemen.

  • Het verlenen van de vergunningen voor mijnbouwactiviteiten.

  • Het regisseren van de uitbreiding van het aandeel kernenergie binnen het energiesysteem.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een goede nucleaire (kennis)infrastructuur en veilige uraniumverrijking, met inbegrip van de taken die hierover zijn opgenomen in internationale verdragen, met het oog op de bewaking en beveiliging van de hierbij betrokken kennis en technologie.

  • Het regisseren van de lange termijn ontwikkeling van het energiesysteem met het Nationaal Plan Energiesysteem en de bijbehorende energiecyclus met onder andere de Energienota.

  • Via het Programma Energiehoofdstructuur zorgdragen voor voldoende ruimte voor het toekomstige energiesysteem en het vormgeven van de benodigde ruimtelijke sturing op nationaal niveau.

    Het sturen op samenhang tussen nationale en lokale energietransitie strategieën, door het maken van samenhangende keuzes gekoppeld aan de interbestuurlijke afspraken.

Financieren

Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing, energie-infrastructuur, het gebruik van de diepe ondergrond (mijnbouw) en klimaat- en energie-innovatie, gericht op het realiseren van CO2-reductie en een goed werkend energiesysteem.

Stimuleren

  • Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie conform afspraken Energieakkoord respectievelijk Klimaatakkoord en de Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED).

  • Het stimuleren van energiebesparing (conform afspraken Energie­ akkoord respectievelijk Klimaatakkoord en de Richtlijn energie- efficiëntie (EED)).

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van klimaat- en energie- innovaties.

  • Het stimuleren van de ontwikkeling van lokale energiehubs.

  • Het stimuleren van een maatschappelijke dialoog over energievraagstukken.

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van en energiebesparing bij energiebedrijven en industrie.

  • Het stimuleren van lokaal eigendom en omgevingsfondsen bij duurzame opwek.

  • Het stimuleren van goed werkende nationale en Europese energiemarkten met een adequate infrastructuur en bijbehorende wetgeving.

  • Het stimuleren van de transitie naar een schone, betrouwbare, veilige en betaalbare energievoorziening.

Sluiting Groningengasveld

Gaswinning uit het Groningenveld is definitief beëndigd in 2024. De Minister van KGG is verantwoordelijk voor mijnbouwbeleid volgend uit de Mijnbouwwet en onderliggende regelgeving en daarmee voor een zorgvuldige afwikkeling van deze gaswinning en goede nazorg.

De Minister van KGG stelt de kaders vast waarmee de vergunninghouder Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) de nazorg moet vormgeven. Denk aan monitoring van het veld, ontmanteling van gaswinningslocaties en kennisontwikkeling.

De Minister van KGG is daarnaast verantwoordelijk voor blijvende afbouw van het gebruik van laagcalorisch gas. Als toezichthouder adviseert Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) over de veiligheid rondom de inmiddels beëindigde gaswinning

Financiering

  • Het financieren van onderzoek dat betrekking heeft op de veiligheid van het Groningen gasveld.

Regisseren

  • Het creëren van de randvoorwaarden voor de goede afwikkeling van de gaswinning uit het Groningenveld.

  • Het creëren van mogelijkheden voor gebruik van geïmporteerd hoogcalorisch gas in Nederland.

Verduurzaming Industrie

Regisseren

  • Sturen op realisatie van de randvoorwaarden voor in de industrieclusters via het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI).

Stimuleren

  • Het stimuleren van bedrijfsleven om te verduurzamen middels advies en subsidies.

  • Het inzetten op circulair ondernemen in samenwerking met IenW.

De voortgang van het Klimaatbeleid wordt gemonitord via het online Dashboard Klimaatbeleid. Hieronder is een selectie van relevante indicatoren opgenomen die specifiek relevant zijn in relatie tot de KGG-begroting uit o.a. het Dashboard Klimaatbeleid.

Tabel 4 Prestatie-indicatoren klimaat- en energiebeleid

Strategisch hoofddoel

KPI

2019

2020

2021

2022

2023

2024

20251

Ambitie (2030)

Bron

A. Naar een klimaatneutrale samenleving

Reductie van broeikasgasemissies tov 1990 (in %)

19

27

26

31

36

37

n.n.b.

55

Emissieregistratie.nl

Emissies niet-ETS sectoren (Mton CO₂-eq)

97

90

93

85

88

85

n.n.b.

 

Emissieregistratie.nl

Emissies ETS-sectoren (Mton CO₂-eq)

84

74

74

69

59

60

n.n.b.

 

Emissieregistratie.nl

B. Transitie naar een duurzaam en robuust energiesysteem

Gerealiseerd vermogen windenergie op zee (MW)

  

2.460

2.570

4.110

4.748

n.n.b.

21GW (2030)

CBS 82610NED

Gerealiseerd vermogen windenergie op land (MW)

  

5.214

6.185

6.812

6.955

n.n.b.

 

CBS 82610NED

Gerealiseerd vermogen zon-PV (MW)

  

14.823

17.356

21.957

24.772

n.n.b.

 

CBS 82610NED

Opgesteld vermogen windenergie op zee (MW)

   

110

1.540

638

n.n.b.

 

CBS 82610NED

Opgesteld vermogen windenergie op land (MW)

   

971

627

143

n.n.b.

 

CBS 82610NED

Opgesteld vermogen zon-PV (MW)

   

2.533

4.601

2.815

n.n.b.

 

CBS 82610NED

Aandeel hernieuwbare energie in het energiesysteem (PJ)

185

223

263

281

314

361

n.n.b.

 

CBS 84917NED

Totaal nationaal energieverbruik (PJ)

2.663

2.469

2.573

2.384

2.278

2.282

n.n.b.

 

KEV 2025

1

2025 cijfers zijn pas vanaf 3e kwartaal 2026 definitef beschikbaar.

Tabel 5 Uitstoot broeikasgassen (mld CO2-equivalenten)
 

Realisatie 1990

Realisatie 2005

Realisatie 2020

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 20251

Raming 20302

Brandbreedte 20302

Elektriciteit

39,6

52,1

32,5

32,4

30,5

23,6

23,0

28,0

12,9

9,6-19,9

Industrie

86,8

66,7

53,3

53,6

49,2

46,6

47,1

45,0

38,5

33,3-42,5

Gebouwde omgeving

29,7

29,3

21,6

24,3

19,6

17,3

16,4

16,4

15,6

12,6-18,2

Mobiliteit

33,4

40,6

29,8

29,7

29,5

30.7

29,2

28,0

23,2

20,6-25,4

Landbouw

33,0

26,1

27,0

27,0

24,5

25,0

25,0

25,0

22

20,0-24,7

Landgebruik

5,4

5,6

4,4

4,4

5,1

3,3

3,7

3,2

4,8

4,7-5,3

Totaal3

228,1

220,4

168,8

171,5

158,4

146,8

144,4

145,6

117,0

110-1274

1

cijfers 2025 zijn voorloppig

2

Klimaat- en Energieverkenning (PBL, 2025)

3

Door afrondingen is er een verschil tussen het totaal en de som van de individuele sectoren.

4

De sectorale bandbreedtes laten zich niet bij elkaar optellen tot de nationale totale bandbreedte, vanwege de toegepaste methodiek die rekening houdt met de interacties tussen onzekerheden in sectoren.

Beleidsconclusies Klimaatbeleid

Nationale klimaatdoelen en het Klimaatfonds

De vorige raming van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de Klimaat en Energieverkenning (KEV) 2024 liet zien dat de broeikasgasuitstoot in Nederland naar verwachting daalt met 45-52% in 2030 ten opzichte van 1990. Het doel van de beleidsmatige inzet in 2025 was om het streefdoel van 55% CO2-reductie in 2030 binnen bereik te brengen.

In het voorjaar van 2025 is een beleidspakket opgesteld gericht op het streefdoel van 55% CO2-reductie in 2030 en klimaatneutraliteit in 2050 (Kamerstuk 33 043, nr. 119). Ten aanzien van het Klimaatfonds is besloten € 5,0 mld toe te kennen, voor onder andere de aanpak van netcongestie; het stimuleren van de uitrol van CCS, warmte en waterstof en de voorbereiding van de bouw van kerncentrales. Van de resterende € 21,4 mld in het Klimaatfonds is € 7,6 mld. toegekend onder voorwaarden of gereserveerd voor specifieke maatregelen. In totaal is € 13,6 mld, waarvan het merendeel bedoeld is voor kernenergie, nog niet toegewezen voor een specifieke maatregel. 

Mede als gevolg van de uitvoering van het beleidspakket in 2025 verwacht het PBL in de KEV 2025 een CO2-reductie van 46,8-54,5% in 2030. Dat is een verbetering, maar we zijn er nog niet. Er is blijvend aandacht nodig voor de transitie, ook in de komende periode. Het kabinet blijft inzetten op de uitvoering van maatregelen, het op orde brengen van de randvoorwaarden en het zetten van logische (vervolg)stappen in de sectoren om te zorgen dat onze uitstoot blijft dalen en het 2030-doel de komende jaren binnen bereik komt.

Tweede Klimaatplan en afronding evaluaties klimaatbeleid

Het tweede Klimaatplan (2025-2035) is opgesteld en op 14 maart 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd. Na de val van het kabinet Schoof is het Klimaatplan controversieel verklaard en daarom niet in beide Kamers behandeld. Deze controversieelverklaring is eind 2025 teruggedraaid. De Tweede Kamer behandelt het Klimaatplan via een schriftelijk overleg. Na behandeling zal dit tweede Klimaatplan definitief worden vastgesteld.

De evaluaties van het klimaatbeleid – de Lerende evaluatie Klimaatbeleid (PBL, 2024) en Syntheseonderzoek Klimaatbeleid (CE Delft, 2024) – zijn afgerond en gebruikt bij het opstellen van het Klimaatplan. Meer informatie over opvolging van specifieke aanbevelingen is te vinden in de Kamerbrief over afgeronde periodieke rapportages KGG in 2024.

Beleidsconclusies Energiebeleid

Kernenergie

Kernenergie is één van de prioriteiten van dit kabinet. In 2025 is daarom verder gewerkt aan het openhouden van de Kerncentrale Borssele na 2033, de voorbereidingen van de eerste twee nieuwe kerncentrales, de verkenningen voor twee extra kerncentrales, en de mogelijkheden voor meerdere kleine centrales (SMR’s).

Door Borssele langer open te houden behouden we na 2033 485 MegaWatt vermogen aan CO2-vrije elektriciteit. Dat is genoeg stroom voor ruim 1 miljoen huishoudens. Om dit te realiseren is een wijziging van de Kernenergiewet nodig. Het wetsvoorstel is op 4 november 2025 ingediend bij de Kamer (Kamerstuk 36 847, nr. 1). Daarnaast is er op 4 juli 2025 een niet-bindend bod uitgebracht op de aandelen in ZEH Energy BV, waarin 70% van de aandelen in EPZ gehouden worden. EPZ is de exploitant van de kerncentrale Borssele. Dit niet-bindend bod is de uitkomst van verkennende gesprekken die sinds 2024 werden gevoerd met ZEH NV (de eigenaar van ZEH Energy BV). Naar aanleiding van dit bod wordt nu verder gesproken met ZEH NV over een mogelijke overname van de aandelen. 

De voorbereidingen op de bouw van twee kerncentrales gaan door. De technische haalbaarheidsstudies en de marktconsultatie met de drie technologieleveranciers en de daaropvolgende Third Party Review zijn afgerond en op 16 mei 2025 naar de Tweede Kamer verstuurd (Kamerstuk 32 645 nr. 156). De voorbereiding van het inkoopproces is aansluitend opgestart en de daadwerkelijke start is voorzien voor begin 2026. Daarnaast heeft het Kabinet op 17 oktober 2025 een voorstel voor een nader uit te werken Government Support Package (GSP) aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 32 645 nr. 161).  Tevens vordert het proces om tot een locatiebesluit te komen. Hiervoor is in 2025 de concept Notitie Rijkweidte en Detailniveau (cNRD) gepubliceerd. Hier zijn 500 reacties op binnengekomen. Daarnaast worden op dit moment alle relevante onderzoeken voor het plan-MER en voor de Integrale Effectenanalyse uitgevoerd. Voor de regio is het van belang om breed met het Rijk afspraken te maken over de voorwaarden waaronder kerncentrales gebouwd kunnen worden en over de borging daarvan in de jaren tot en met bouw. In dat kader heeft de heer Knops als gebiedsverbinder Kernenergie Zeeland zijn tweede advies uitgebracht op 28 juli 2025. Zijn aanbevelingen worden meegenomen in de verdere ontwikkeling van een Rijk-Regiopakket. Een eerste inhoudelijke reactie op de Zeeuwse voorwaarden is begin september verzonden.

In 2025 is uitvoering gegeven aan het SMR-programma, wat uiteindelijk heeft geleid tot een SMR strategie die op 17 oktober 2025 is gepubliceerd (Kamerstuk 32 645 nr. 162). Een van de onderdelen uit het programma waren simulaties waarin kennis is opgebouwd met stakeholders om tot een voorbereide positie te komen, maar ook het uitvoeren van verdiepend onderzoek, zoals een industrieclusterstudie. Met de SMR-strategie heeft het kabinet een aantal duidelijke keuzes gemaakt op randvoorwaarden nodig voor SMR-ontwikkeling, zoals duidelijkheid rondom bevoegd gezag, ruimtelijk beleid en financieringsopties voor private initiatieven.

Een toekomstbestendig ecosysteem is onmisbaar voor de ontwikkeling van de nucleaire sector in Nederland. In 2025 zijn er verschillende stappen gezet om het ecosysteem te versterken op de verschillende samenhangende terreinen: onder het Kennis- en Innovatieprogramma van het Meerjarig Missiegedreven Innovatieprogramma (MMIP) wordt ingezet op de verdere ontwikkeling van het nucleaire kennis- en innovatie-ecosysteem. Gebruikmakend van het MOOI-instrumentarium is in totaal € 10 mln voor een openstelling op nucleaire onderwerpen ingezet (Kamerstuk 32 645, nr. 159). NWO heeft in december 2025 ook een call van ruim € 6 mln op de onderwerpen Nucleaire reactor- en splijtstofcyclustechnologie en Radioactief afval en geologische eindberging gepresenteerd. De Nederlandse nucleaire waardeketen is inzichtelijk gemaakt. Dit heeft geresulteerd in de publicatie van een kansenkaart voor Nederlandse bedrijven met mogelijkheden in de toeleveringsketen van nucleaire projecten in Nederland. Ook is op 24 november jl. het ‘Made for Nuclear’ congres georganiseerd waar deze bedrijven elkaar en potentiële afnemers hebben getroffen. Als laatste is op de Human Capital Agenda samen met mbo's, hbo's en Universiteiten significante voortgang geboekt, toewerkend naar practoraten in het mbo, kennishubs in het hbo en leerstoelen in het wo in 2026.

Nationaal Programma Energiebesparing

Nationaal Programma Energiebesparing Energiebesparing levert een belangrijke bijdrage aan het oplossen van netcongestie, onze strategische onafhankelijkheid, de CO2-reductie en energiedoelen. Dit vraagt dan ook om een integrale aanpak, waardoor het nationale programma is opgegaan in een bredere klimaat- en energie aanpak. Om die reden is dit voorjaar voor het eerst energiebesparing meegewogen in de voorjaarsbesluitvorming over klimaat- en energiemaatregelen en bij bestedingen uit het Klimaatfonds. In de besluitvorming is het geschatte effect dat de mogelijke maatregelen hebben op het energiegebruik afgewogen tegen andere beleidsdoelen, zoals CO2-reductie en de internationale concurrentiepositie (Kamerstuk 30 196, nr. 850). Daarnaast is een onderzoek gestart naar energiebesparende maatregelen binnen de sectoren: mobiliteit, industrie, gebouwde omgeving en landbouw.

Energiewet

In 2025 is het langlopende wetgevingstraject rondom de Energiewet afgerond. Na de instemming van het parlement met de Energiewet in 2024, is in 2025 de bijbehorende gedelegeerde regelgeving opgesteld, vastgesteld en gepubliceerd. Het ging daarbij om het Energiebesluit, de Energieregeling en de Invoeringsregeling Energiewet. Per 1 januari 2026 is vervolgens dit hele wetgevingspakket in werking getreden, waarmee de voormalige Elektriciteitswet 1998 en Gaswet ook zijn vervallen. De inwerkingtreding vormt de invulling van de beleidsdoelstelling in de Wetgevingsagenda energietransitie, namelijk verschillende wetten gereed te maken voor de transitie naar een CO2-arme energievoorziening waarin ook de betrouwbaarheid, betaalbaarheid en veiligheid is geborgd (Kamerstuk 30 196, nr. 566). Het regime van de  Energiewet biedt nu een toegankelijk, geactualiseerd en toekomstgericht ordeningskader voor het transport en de levering van zowel elektriciteit als gas. De wet reguleert onder meer het beheer van de elektriciteits- en gassystemen, bevat voorschriften voor actoren op de elektriciteits- en gasmarkt ter bescherming van aangeslotenen en eindafnemers en regelt de voor het energiesysteem noodzakelijke gegevensuitwisseling. De Energiewet is hiermee een belangrijk instrument binnen het Nederlandse energie- en klimaatbeleid, namelijk door via wetgeving (1) goed werkende nationale en Europese energiemarkten te stimuleren en (2) de transitie naar een schone, betrouwbare, veilige en betaalbare energievoorziening te ondersteunen.

Windenergie op zee

De doelstellingen van het beleid voor windenergie op zee (WoZ) zijn in 2025 niet volledig behaald. Als gevolg van marktomstandigheden is bijstelling van het beleid nodig geweest. Dit heeft geleid tot vertraging in de uitrol van WoZ en vertragingskosten bij de realisatie van het net op zee. Zo is 1GW in plaats van 4 GW getenderd met een procedure zonder subsidie. In het actieplan WoZ zijn oplossingsrichtingen uitgewerkt om de uitrol van WoZ toch voort te zetten. Ondanks de aanpassing van het tendervolume van 4 GW naar 1 GW kwamen er geen biedingen, een belangrijk marktsignaal. Een van de oplossingen die het Actieplan aankondigt is dat het kabinet windparken op zee met subsidie gaat vergunnen (Kamerbrief 33 561, nr. 91). Omdat de huidige EU-regels vanaf midden 2027 geen subsidies meer toestaan, is in 2025 al begonnen met wetgeving voor nieuwe Contracts for Differences (CfD’s) vanaf dat moment (Kamerbrief 31 239, nr. 428). Ook is een start gemaakt met een herijking van de routekaart windenergie op zee, om de vertraging in de uitrol zoveel mogelijk te beperken. De herijking wordt naar verwachting eind 2026 afgerond.

In 2025 is het Programma Aansluiting Wind op Zee – Eemshaven vastgesteld (Kamerstuk 33 561, nr.88). Met dit programma wordt het mogelijk om 4GW vanuit windpark Doordewind aan te sluiten in Noord-Nederland, goed voor duurzame elektriciteit voor ruim 4 miljoen huishoudens. Het Rijk stelt € 124 mln beschikbaar aan de regio om te investeren in de leefbaarheid en zo de spin-off van deze aanlanding optimaal te benutten.

Projectprocedures energie-infrastructuur van nationaal belang

Er zijn momenteel 41 lopende projectprocedures rondom energie-infrastructuur van nationaal belang, waarvan er dertien in 2025 van start zijn gegaan. Deze stijgende lijn blijft voorzien voor de komende jaren. Voor dertien nationale projecten, een recordaantal, waaronder uitbreidingen van het hoogspanningsnet en onderdelen van het landelijk waterstofnetwerk, zijn locatieonderzoeken van start gegaan in 2025. Eind 2025 is de Kamerbrief stand van zaken realisatie energie-infrastructuur (Kamerstuk 29 023, nr. 601) een update gegeven over de projectprocedures energie-infrastructuur van nationaal belang, hierin is in detail te lezen wat de voortgang en stand van zaken is. Verder is er een versnellingsaanpak met TenneT uitgewerkt voor de benodigde aanleg en uitbreiding van de 110/150kv-stations (Kamerstuk 29 023, nr. 566). 

Hernieuwbare waterstof

In 2025 heeft het kabinet een aantal belangrijke resultaten behaald met de uitvoering en uitwerking van het waterstofbeleid (Kamerstuk 32 813, nr. 1529). De opschaling van elektrolyse kreeg een belangrijke impuls met de tweede ronde van de OWE (opschalingsregeling voor waterstofproductie met elektrolyse) en de voorbereiding voor de geplande importtender in 2026 is zo goed als afgerond. Met de Prinsjesdagbesluiten over de inzet van subsidies en verplichtingen (Kamerstuk 33 043, nr. 119) en de publicatie van de nationale agenda voor ondergrondse waterstofopslag (Kamerstuk 29 023, nr. 590) heeft het kabinet de beoogde ontwikkeling van de markt tot 2030 verder verduidelijkt. De beoogde ontwikkeling van de waterstofmarkt na 2030 zal het kabinet bij de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem in 2026 verder toelichten.

Waterstofopslag

Het kabinet heeft voor de zomer de Nationale Agenda Ondergrondse Waterstofopslag (Kamerstuk 29 023, nr. 590) gepubliceerd. De agenda is gericht op activiteiten die bijdragen aan het veilig en verantwoord realiseren van waterstofopslag in de diepe ondergrond. Startende met het project Hystock: de realisatie van vier zoutcavernes geschikt voor opslag in Zuidwending.

De opslag van waterstof vormt een essentiële schakel in het waterstofsysteem, als buffer voor wanneer vraag en aanbod niet met elkaar samenvallen. Zuidwending (project Hystock) is de enige plek in Nederland waar waterstofopslag tijdig gerealiseerd kan worden. In 2025 zijn verdere voorbereidingen getroffen samen met de initiatiefnemers voor de realisatie van het project o.a. door uitwerking van mogelijk benodigde financiele ondersteuning van het project middels een voorgenomen maatwerksubsidie. Dit was eerder voorzien voor eind 2025 maar schuift vanwege de complexiteit door naar 2026, mits de budgettaire besluitvorming in 2026 daartoe voldoende ruimte biedt. Financiële risicodeling tussen Hystock en de overheid is nodig omdat er nog onvoldoende markt is voor de handel in waterstof en de investerende partijen daardoor voor de markt uit hun investeringen moeten doen.

Energie-innovatie en opschaling

In 2025 hebben de innovatieregelingen (DEI+, EKOO en MOOI Systeemintegratie) succesvol opengestaan. De DEI+ is opnieuw sterk overtekend met in totaal 164 aanvragen, goed voor een subsidievraag van ongeveer € 620 mln, terwijl er € 370 mln beschikbaar was. Daarnaast zijn zeven integrale projecten van in totaal € 21,5 mln gehonoreerd binnen de MOOI Systeemintegratie, met name gericht op innovaties in datagedreven sturing, sectorale koppeling en nieuwe (governance)-structuren. Ook is in 2025 is de organisatiestructuur van het missiegedreven innovatiebeleid herijkt, waarbij de Topteams zijn afgeschaft en er een nieuw, kleiner Themateam is opgericht aan het hoofd van de missie ‘een klimaatneutraal Nederland in 2050.

SDE++

Van 7 oktober tot en met 6 november 2025 is de SDE++ wederom succesvol opengesteld. Voor de openstellingsronde van 2025 was een budget van € 8 mld beschikbaar. Gedurende de openstelling zijn 468 subsidieaanvragen ingediend, met een budgetclaim van in totaal bijna € 22 mld. Daarnaast zijn in 2025 verdere stappen gezet voor de doorontwikkeling van de SDE++. Er is meer inzicht geboden in de ontwerpkeuzes voor contracts for difference (CfD’s) voor de stimulering van zon en wind op land vanaf 2027. In Q1 van 2026 zal het kabinet de gemaakte keuzes verder toelichten. Ook zijn de uitkomsten van het traject Toekomst van de SDE++ gedeeld.

Wet collectieve warmte (Wcw)

Op 3 juli 2025 nam de Tweede Kamer de Wet collectieve warmte (Wcw) aan. Na goedkeuring door de Tweede Kamer is het wetsvoorstel naar de Eerste Kamer gegaan, die hem op 9 december 2025 ook heeft aangenomen. De wet draagt bij aan de opschaling van warmtenetten in de gebouwde omgeving. Het doel van de wet is om duurzame, betaalbare en betrouwbare warmtelevering te borgen, waarbij de regierol van gemeenten wordt versterkt. Tevens bevat de wet de eis dat aangewezen warmtebedrijven in meerderheid in publieke handen zijn. De uitwerking van de lagere regelgeving zal het grootste deel van 2026 in beslag nemen, waarna de wet in werking kan treden. Een aantal artikelen zal eerder in werking treden. Het gaat hier onder meer om artikelen die van belang zijn voor de ontwikkeling van de publieke realisatiekracht, zoals de bevoegdheid van de Minister een nationale deelneming aan te wijzen en de additionele mogelijkheden voor infrastructuurbedrijven om actief te worden op de warmtemarkt.

Netcongestie

In 2025 heeft de toenemende urgentie rondom netcongestie geleid tot een intensivering van beleid. Zo heeft het kabinet in april de versnellingsaanpak ten behoeve van het versneld uitbreiden van het elektriciteitsnet gepubliceerd (Kamerstuk 29 023, nr. 566); een aanpak voor kortere procedures en beleid om deze nieuwe manier van werken te ondersteunen.

De eerste openstelling van de Flex-e subsidie, gericht op het stimuleren van flexibel elektriciteitsverbruik bij bedrijven en instellingen, liep vanaf begin april tot en met oktober.

Eind september bleek uit actualisatie van de voortgang (Kamerstuk 29 023, nr. 597) dat de wachtrij voor afnemers was gestegen naar meer dan 14.000 partijen. Daarom is op verzoek van het kabinet gewerkt aan het aansluitoffensief (Kamerstuk 29 023, nr. 626), dit zijn acht doorbraken gericht op het beter benutten van het elektriciteitsnet en het terugdringen van de wachtrij. Deze doorbraken worden verder geoperationaliseerd in 2026.

Beleidsconclusies Verduurzaming Industrie

Verduurzaming Industrie

Om het toekomstig verdienvermogen van Nederland veilig te stellen is een florerende, vernieuwende en internationaal concurrerende industrie van groot belang. De verduurzaming van de industrie draagt bij aan een sterkere positie van Nederland in de wereld en zorgt voor de noodzakelijke reductie van CO2 en andere schadelijke emissies. Het biedt daarnaast ook genoeg kansen voor nieuwe groeimarkten, het versterken van onze weerbaarheid en zorgt voor werkgelegenheid, met name in regio’s als Zeeland, Groningen en Limburg. Met het Pakket voor Groene Groei (Kamerstuk 33 043 nr. 114, Kamerstuk, 33 043 nr. 119) zijn concrete stappen gezet om de randvoorwaarden voor verduurzaming verder op orde te krijgen. Het kabinet heeft zich, samen met de decentrale overheden, netbeheerders en vertegenwoordigers uit de industrie via het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI) ingezet op het versneld voor elkaar krijgen van randvoorwaarden voor de verduurzaming.

Voor de bedrijven in cluster 6 heeft het kabinet in 2025 een herijkt Actieplan Cluster 6 2.0 aangekondigd. Hiermee kunnen de knelpunten voor verduurzaming van deze bedrijven (nog) effectiever vorm worden gegeven en worden ondersteund. Het kabinet heeft bij het Pakket voor Groene Groei € 17,6 mln toegekend om het actieplan verder uit te voeren (Kamerstuk 29 826, nr. 264). Het herijkte actieplan is gericht op het voortzetten van de casusaanpak met de nodige aanpassingen en opschaling hiervan in een regioaanpak. De regioaanpak zal zich richten op energie-intensieve bedrijven, waarbij ETS-bedrijven het uitgangspunt zijn en de synergie opzoeken met hun omgeving. Voor de vijf geografische industrieclusters (Noord-Nederland, het Noordzeekanaalgebied, Rotterdam-Moerdijk, Zeeland West-Brabant en Chemelot) heeft het kabinet de conclusies en aanbevelingen van een onderzoek naar de (fysieke) ruimtevraag voor de industrieclusters, uitgevoerd door een consortium onder leiding van de STEC-groep, meegenomen in de concept Nota Ruimte (Kamerstuk 29 826, nr. 258). Het kabinet heeft de clusteraanpak afgelopen jaar succesvol voortgezet, om regionale knelpunten te kunnen signaleren en op te lossen.

Aanvullende beleidsinzet verduurzaming industrie

Er zijn in 2025 maatregelen getroffen om het elektriciteitsnet sneller uit te breiden en netcongestie aan te pakken. In reactie op het IBO-rapport Bekostiging van de Elektriciteits-infrastructuur heeft het kabinet aangegeven de vele opties die zijn uitgewerkt in algemene zin te steunen en daarop voort te bouwen in haar beleidsagenda. (Kamerstuk 29 023, nr. 567). Het kabinet heeft in 2025 ook stappen gezet op het verbeteren van een gelijk speelveld voor de industrie. Tegens zijn er middelen vrijgemaakt voor de IKC voor de komende jaren om het gelijke speelveld binnen de Europese Unie (EU) te waarborgen.

De realisatie van het Carbon Capture and Storage (CCS)-project Aramis is onmisbaar voor de tijdige verduurzaming van de industrie in Nederland. Een publiek-private taskforce heeft vastgesteld dat het vollooprisico van Aramis de tijdige realisatie van het project kan belemmeren. Het kabinet heeft ervoor gekozen om Aramis te ondersteunen door geld beschikbaar te stellen om dit vollooprisico deels af te dekken met € 662 mln, zodat Aramis eerder een definitief investeringsbesluit (FID) kan nemen. Daarnaast is € 639 mln door het kabinet gereserveerd voor een kapitaalstorting bij EBN, zodat EBN kan deelnemen in zowel de Aramis transportinfrastructuur als in verschillende opslagvelden. Daarmee neemt het kabinet grote risico’s weg uit het project. Beide bedragen zijn formeel gereserveerd in het Klimaatfonds (Meerjarenprogramma 2026).

Het kabinet heeft, ook op verzoek van de Kamer, de raffinageroute voor het gebruik van groene waterstof anders vormgegeven. Hierdoor wordt het aantrekkelijker om groene waterstof te gebruiken bij de productie van brandstoffen door onze raffinaderijen. Hierdoor ontstaat investeringsbereidheid in nieuwe elektrolysers voor het produceren van groene waterstof. Daarnaast is er een stevig pakket samengesteld voor de waterstofmarkt met een combinatie van productietenders (€ 2,1 mld), vraagsubsidies (€ 662 mln) en een jaarverplichting van 4% voor toepassing van waterstof in de industrie (Kamerstuk 33 043 nr. 114, Kamerstuk 33 043 nr. 119). Met Demonstratie Energie en Klimaatinnovatie (DEI+)- en Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie (VEKI)-regelingen zijn ook in het afgelopen jaar succesvol bedrijven en projecten ondersteund die bijdragen aan CO2-reducerende maatregelen.

Ook met de maatwerkaanpak heeft het kabinet in 2025 een aantal mooie mijlpalen bereikt. Hiermee kunnen de grootste industriële uitstoters worden ondersteund bij hun verduurzaming. Met de Maatwerkbedrijven AnQore, Coöperatie Koninklijke Cosun en Tata Steel Nederland is een intentieverklaring (Joint Letter of Intent, JLoI) overeengekomen. Met Coöperatie Koninklijke Cosun is ook een maatwerkovereenkomst getekend afgelopen jaar, waarmee de overheid verduurzaming zal gaan ondersteunen. Daarnaast is de ondertekening van de JLoI met Tata Steel Nederland is een belangrijke stap richting een bindende maatwerkafspraak, waarmee een uitstootreductie tot 7,2 megaton CO2 (ongeveer 5% van de Nederlandse uitstoot) en reductie van de uitstoot van schadelijke stoffen, fijnstof, stikstof en geluidshinder kan worden gerealiseerd.

Beleidsconclusies overige onderwerpen

Afwikkeling van de gaswinning uit het Groningenveld

In 2025 is de regelgeving voor de sluiting van het Groningenveld afgerond. NAM is bezig met het sluiten en opruimen van de productielocaties. De monitoring van de seismisiteit gaat door. De arbitrage met betrekking tot het akkoord op hoofdlijnen loopt door in 2026 en waarschijnlijk 2027.

Gasleveringszekerheid

Gas speelt (ook de komende jaren nog) een belangrijke rol in onze energievoorziening. Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor verdere verbetering van gasleveringszekerheid, voortbouwend op de maatregelen die de voorgaande jaren zijn ingezet om vraag te verminderen, de import te diversifiëren, gasopslagen te vullen en nationale productie te optimaliseren. In 2025 is het voorstel voor de wet bestrijden energieleveringscrisis (WBE) geconsulteerd. Daarnaast is op 3 december 2025 in Europa een akkoord bereikt over de REPowerEU Verordening waardoor de import van Russisch gas uiterlijk eind 2027 wordt verboden.

Het borgen van gasleveringszekerheid is primair aan de markt zelf. In 2025 heeft KGG een aantal aanvullende maatregelen genomen. Zo heeft EBN een vultaak gekregen voor het vullen van de opslagen Norg, Grijpskerk en Bergermeer voor zover de markt dat niet doet. Daarnaast heeft EBN de opdracht gekregen om te starten met de aanleg van een, in omvang beperkte, noodvoorraad in de PGI Alkmaar. Per 1 november 2025 is een vulgraad behaald van 73% voor alle opslagen inclusief cavernes (105 TWh), Dat is één procentpunt minder dan de EU-vulverplichting van 74%.

Beëindigen salderingsregeling en eigen verbruik opgewekte zonnestroom

Het wetgevingstraject rond het einde van de salderingsregeling is in 2024 afgerond. In 2025 is de voorbereiding voor de zorgvuldige implementatie van deze wet opgepakt in overleg met de betrokken partijen zoals de sector en de netbeheerders. In 2025 is daarnaast meer aandacht besteed aan de kennis en de mogelijkheden die huishoudens hebben om de door henzelf opgewekte elektriciteit zo efficiënt mogelijk in huis te benutten. Dit is in het belang van zowel een kortere terugverdientijd van zonnepanelen als het verminderen van de belasting van het elektriciteitsnet. Hiermee wordt bijgedragen aan meer energiebewustzijn, om mensen aan te zetten om slimmer de zelf opgewekte elektriciteit te laten gebruiken. Dit is opgenomen als onderdeel van de campagne "Zet ook de knop om", de publiekscampagne die vanuit de Rijksoverheid wordt gevoerd. Daarnaast is de voorlichting die Milieu Centraal al aan mensen met zonnepanelen op hun dak gaf uitgebreid met meer informatie en voorbeelden over hoe zij de zelfopgewekte stroom zelf kunnen gebruiken.

Afhandeling mijnbouwschade voormalige steenkoolwinning Limburg

In 2025 is hard gewerkt aan het daadwerkelijk starten van de schadeafhandeling in relatie tot de voormalige steenkoolwinning in Limburg. Op 16 oktober 2025 is het gewijzigde Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade (CM) gepubliceerd (Staatscourant 2025, 35004). Met dit besluit krijgt de CM de taak om te adviseren over mijnbouwschade ten gevolge van de voormalige steenkoolwinning in Limburg. Op dezelfde dag is ook het Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg gepubliceerd (Staatscourant 2025, 35002). En op 22 december is het digitale loket van I3ML, de organisatie die tijdelijk de schadeafhandeling oppakt, gestart. De eerste groep bewoners (350), bestaande uit onder andere huiseigenaren die zich in de afgelopen jaren bij de gemeenten hebben gemeld en de deelnemers van het pilotproject, heeft de oproep gekregen zich te melden.

Sectorakkoord

Het kabinet heeft met EBN en Element NL in april 2025 een akkoord ‘gaswinning in de energietransitie’ getekend. Hierin zijn voor gaswinning onder de Noordzee onder meer afspraken gemaakt over onderlinge samenwerking, een regiobenadering op de Noordzee en het doorlopen van de vergunningprocedures. Hoofdstuk 10 van het akkoord ziet op gaswinning op land. Dat deel van het akkoord is in het tweede deel van 2025 nader uitgewerkt en begin 2026 getekend en aan de Tweede Kamer verzonden (Kamerstuk 33 529, nr. 1368). Door deze afspraken kan gaswinning op land en onder de Noordzee een bijdrage leveren aan de gasleveringszekerheid en de onafhankelijkheid van andere landen. 

Ternaard

Het project Ternaard, gaswinning onder de Waddenzee, was niet in de begroting van 2025 opgenomen. Desondanks is op verzoek van de Tweede Kamer nadrukkelijk het gesprek gevoerd met de vergunning aanvrager om te bezien of een route waarbij de initiatiefnemer de aanvraag in zou trekken. In december 2025 is het, via een snelle behandeling van de ISB door beide kamers, gelukt de overeenkomst met NAM rond te krijgen (Kamerstuk 36861, nr. 16). 

Tabel 6 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

    

33.720.099

20.668.400

13.051.699

        

Uitgaven

    

6.071.319

4.499.390

1.571.929

        

Subsidies (regelingen)

    

3.772.486

3.144.249

628.237

Missiegedreven Onderzoek en Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

    

60.899

73.408

‒ 12.509

Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

    

18.719

23.795

‒ 5.076

Energie-efficiency

    

0

2.206

‒ 2.206

Green Deals

    

0

444

‒ 444

Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+)

    

52.575

190.703

‒ 138.128

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS)

    

2.319

1.696

623

Projecten Klimaat en Energieakkoord

    

2.235

13.042

‒ 10.807

SDE

    

614.390

46.773

567.617

SDE+

    

1.748.222

593.573

1.154.649

SDE++

    

91.782

89.576

2.206

Aardwarmte

    

12.500

12.828

‒ 328

ISDE-regeling

    

522.586

578.275

‒ 55.689

Carbon Capture Storage (CCS)

    

1.885

3.369

‒ 1.484

Hoge Flux Reactor

    

6.925

6.925

0

Caribisch Nederland

    

12.115

5.494

6.621

Overige subsidies

    

12.195

18.501

‒ 6.306

Opschalingsinstrument waterstof

    

14.662

166.471

‒ 151.809

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

    

7.485

2.330

5.155

IPCEI-waterstof

    

34.683

134.759

‒ 100.076

Vulmaatregelen gasopslag

    

74.056

256.737

‒ 182.681

MIEK

    

1.626

5.325

‒ 3.699

Schadeafhandeling mijnbouw Limburg

    

212

5.717

‒ 5.505

Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS)

    

1.998

26.041

‒ 24.043

NGF-project NieuweWarmteNu!

    

2.535

54.652

‒ 52.117

Tijdelijk prijsplafond energie kleinverbruikers 2023

    

4.614

75.000

‒ 70.386

Compensatie aanbestedende diensten SEFE-contracten

    

15.272

14.000

1.272

Tegemoetkoming blokaansluiting

    

509

1.275

‒ 766

Investeringen waterstofbackbone

    

53.300

52.461

839

NGF - project Circulaire Zonnepanelen

    

14.876

21.891

‒ 7.015

Geothermie (Klimaatfonds)

    

249

9.959

‒ 9.710

Subsidieregeling flexibiliteit

    

10.085

22.483

‒ 12.398

Kwaliteitsbudget energieprojecten

    

0

10300

‒ 10.300

Energiecoöperaties en burgerbetrokkenheid energietransitie

    

265

4.840

‒ 4.575

Subsidieproject Djewels

    

295

26000

‒ 25.705

Batterijverplichting voor zonneparken

    

0

0

0

Correctieregeling duurzame warmte

    

426

0

426

Efficiëntere benutting elektriciteitsnetten

    

3.171

27.112

‒ 23.941

Realisatie Zon op Zee

    

60

6.540

‒ 6.480

Verduurzaming industrie

    

43.077

112.208

‒ 69.131

Infrastructuur duurzame industrie (PIDI)

    

41

5.148

‒ 5.107

NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie

    

55.393

123.917

‒ 68.524

Indirecte kostencompensatie ETS

    

159.805

0

159.805

Investeringen Verduurzaming Industrie - Klimaatfonds

    

61.110

221.915

‒ 160.805

NGF - project Circulaire Plastics

    

12.787

41.910

‒ 29.123

NGF - project Biobased Circular

    

10.725

32.900

‒ 22.175

Stikstofaanpak piekbelasters industrie

    

11.822

21.750

‒ 9.928

Stimuleringsprogramma koolstofverwijdering klimaatfonds

    

0

0

0

Subsidies WarmtelinQ

    

3.000

0

3.000

Subsidie Invest NL

    

15.000

0

15.000

        

Leningen

    

17.363

17.604

‒ 241

Lening EBN

    

17.000

17.000

0

Lening InvestNL

    

0

604

‒ 604

Leningen NGF - project Circulaire zonnepanelen

    

363

0

363

Verduurzaming industrie

    

0

0

0

        

Garanties

    

0

0

0

Verliesdeclaraties aardwarmte

    

0

0

0

        

Opdrachten

    

223.477

119.252

104.225

Onderzoek mijnbouwbodembeweging

    

1.492

5.910

‒ 4.418

SodM onderzoek

    

1.422

2.357

‒ 935

Uitvoeringsagenda klimaat

    

140

473

‒ 333

Klimaat mondiaal

    

1.931

444

1.487

Onderzoek en opdrachten

    

14.691

15.544

‒ 853

Programma Opwek Energie op Rijksvastgoed (OER)

    

17.830

24.261

‒ 6.431

Energiehulp Oekraïne

    

416

0

416

Projecten Kernenergie

    

16.018

60.721

‒ 44.703

Stikstofaanpak piekbelasters industrie

    

0

1500

‒ 1.500

Verduurzaming industrie

    

2.041

1330

711

Werkbudgetten

    

166.170

2.611

163.559

CSIRT - DSP

    

0

4.101

‒ 4.101

Energie-efficiency

    

1.326

0

1.326

        

Bijdrage aan agentschappen

    

218.482

150.653

67.829

Bijdrage RVO.nl

    

181.535

109.191

72.344

Bijdrage RDI

    

8.136

12.142

‒ 4.006

Bijdrage NEa

    

21.774

21.211

563

Bijdrage KNMI

    

2.567

4.492

‒ 1.925

Bijdrage NVWA

    

2.122

1018

1.104

Bijdrage RIVM

    

0

137

‒ 137

Bijdrage RWS

    

2.348

2.462

‒ 114

        

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

    

120.280

160.630

‒ 40.350

Doorsluis COVA-heffing

    

104.462

111.000

‒ 6.538

TNO kerndepartement

    

12.453

46.055

‒ 33.602

TNO SodM

    

2.060

2.175

‒ 115

TNO publieke SDRA

    

1.305

1.400

‒ 95

        

Bijdrage aan medeoverheden

    

880.139

896.304

‒ 16.165

Uitkoopregeling

    

592

0

592

Regeling toezicht energiebesparingsplicht

    

8.849

10.298

‒ 1.449

Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden

    

870.698

886.006

‒ 15.308

        

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

    

16.678

10.698

5.980

Nuclear Research Group

    

15.137

8.513

6.624

Internationale contributies

    

1.541

2.046

‒ 505

PBL Rekenmeesterfunctie

    

0

139

‒ 139

Verrekening Mijnbouwwet

    

0

0

0

        

Storting/onttrekking begrotingsreserve

    

822.413

0

822.413

Storting in begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie

    

822.413

0

822.413

Storting in begrotingsreserve aardwarmte

    

0

0

0

        

Ontvangsten

    

4.161.305

2.418.140

1.743.165

Ontvangsten COVA

    

104.462

111.000

‒ 6.538

Ontvangsten zoutwinning

    

3.027

2.511

516

Onttrekking reserve duurzame energie en klimaattransitie

    

2.746.003

229.164

2.516.839

ETS-ontvangsten

    

922.974

850.000

72.974

Diverse ontvangsten

    

190.209

12.380

177.829

Heffing gasleveringszekerheid

    

0

0

0

Lening EBN Vulmaatregel

    

34.650

0

34.650

Opbrengsten tenders Wind op Zee

    

21.085

21.085

0

Maatschappelijke Investeringssubsidies Warmtenetten (MIW)

    

454

0

454

NGF-project Groen vermogen van de Nederlandse Economie

    

749

0

749

Ontvangsten verduurzaming industrie

    

0

17.000

‒ 17.000

Dividenduitkering EBN

    

0

1.020.000

‒ 1.020.000

Dividenduitkering GasTerra

    

3.067

3.600

‒ 533

Ontvangsten Mijnbouwwet

    

126.211

150.000

‒ 23.789

Ontvangsten NAM publieke SDRA

    

510

1.400

‒ 890

Ontvangsten Klimaat en Energie

    

7902

0

7.902

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Tabel 7 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

    

33.720.099

20.668.400

13.051.699

waarvan garantieverplichtingen

    

165.000

0

165.000

waarvan overige verplichtingen

    

33.555.099

20.668.400

12.886.699

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Verplichtingen

Garantieverplichtingen

Garantieregeling aardwarmte

Voor de garantieregeling aardwarmte zijn in 2025 geen garantieverplichtingen afgegeven, zodat het gehele garantieplafond van € 44,2 mln niet is benut.

Garantstelling lening COVA

COVA heeft een leenplafond van € 1.465 mln. Per eind 2025 was het totaal aan openstaande leningen van COVA € 1.091 mln. In de daadwerkelijke realisatie op de verplichtingen valt te zien dat er €165 mln meer is verplicht dan dat er was gebudgetteerd op dit budget. De achterliggende technische reden is dat er mutaties onder het garantieplafond voor de leningen aan COVA hebben plaatsgevonden. Per saldo heeft dit geen impact op de uitstaande garantie op de leningen.

Overige verplichtingen

Het lagere bedrag aan overige verplichtingen (€ 12.064,9 mln) heeft een aantal oorzaken. De belangrijkste hiervan zijn bedragen boven de € 10,0 mln):

Verhogingen

  • De realisatie op het budget voor Missiegedreven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) is hoger dan geraamd (+ € 31,2 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie voor het Opschalingsinstrument waterstof is hoger dan geraamd (+ € 170,5 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie IPCEI waterstof is hoger dan geraamd (+ € 147,4 mln). Dit heeft te maken met een bezwaar dat gehonoreerd is waardoor een subsidie alsnog is verleend, hiermee is een verplichting aangegaan. Zie verdere toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie voor Vulmaatregelen gasopslag is hoger dan geraamd (+ € 1.165,1 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie Verduurzaming industrie is hoger dan geraamd (+ € 12,0 mln). Zie toelichting onder uitgaven

  • De realisatie op de regeling voor de Indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) is hoger dan geraamd (+ € 159,8 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie NGF-project Biobased Circular is hoger dan geraamd (+ € 35,9 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie voor Lening EBN is hoger dan geraamd (+ € 23.100 mln). Met de suppletoire begroting september zijn middelen beschikbaar gesteld aan EBN zodat Nederland de vuldoelstellingen kan halen in het vulseizoen 2025-2026. Dit betreft een liquiditeitsfaciliteit (+ € 1.500 mln) verplichtingenbudget in 2025 voor het afdekken van eventuele margin calls in het gasjaar 2025-2026. Dit gaat uit van een extreem prijsscenario waarbij de verwachting is dat er geen daadwerkelijke betalingen zullen plaatsvinden. Daarnaast is er budget vrijgemaakt voor een lening aan EBN ten behoeve van het vullen van de gasopslagen in gasseizoen 2026-2027 (+ € 21.600 mln).

  • De realisatie Subsidie Invest NL is hoger dan geraamd (+ € 15,0 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie Onderzoek & opdrachten is hoger dan geraamd (+ € 15,7 mln). Dit komt met name doordat er € 10 mln is toegevoegd in 2025 aan verplichtingenruimte voor het onderzoeksprogramma Digital Twin van het energieysteem. De overige € 5,7 mln wordt veroorzaakt door het saldo van in totaal 79 relatief kleinere mutaties voor overhevelingen naar andere departementen, onderzoeken & opdrachten aan bijv. TNO, onderuitputting en additionele middelen vanuit onder andere het Klimaatfonds.

  • De realisatie op de Werkbudgetten is hoger dan geraamd (+ € 164,8 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie op de Bijdrage aan RVO voor de uitvoeringskosten is hoger dan geraamd (+ € 72,3 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden is hoger dan geraamd (+ € 52,0 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

Verlagingen

  • De realisatie voor de Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) is lager dan geraamd (- € 144,8 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie voor Projecten Klimaat en Energieakkoord is lager dan geraamd (- € 11,2 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie voor Verduurzaming industrie is lager dan geraamd (- € 12,2 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • Er was onverhoopt verplichtingenbudget beschikbaar op de SDE. Gezien alle nieuwe beschikkingen onder de SDE++ vallen is deze verplichtingenruimte niet tot realisatie gekomen (- € 46,8 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • Op de SDE+ is het verplichtingenbudget niet volledig tot uitputting gekomen wat gebudgetteerd was met de ontwerpbegroting (- € 22,4 mln). Dit zit met name op de flankerend beleid budgetten binnen de SDE+. Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie Aardwarmte is lager dan geraamd (- € 12,6 mln). Dit komt doordat de verplichting reeds in een eerder jaar is aangegaan. Het verplichtingbudget is daardoor in 2026 niet tot besteding gekomen.  

  • De realisatie ISDE-regeling is lager dan geraamd (- € 38,3 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie Subsidieregeling Coöperative Energieopwekking (SCE) is lager dan geraamd (- € 75,5 mln). Met de suppletoire begroting september is er budget gebruikt, naar aanleiding van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur voor een kenniscoalitie energietransitie om het inzicht in de investeringen, kosten en kostenverdeling in de energietransitie te vergroten en daarmee meer grip te kunnen krijgen op de kosten van de transitie (- € 1 mln). Met de tweede suppletoire begroting is het budget gecorrigeerd om te kunnen voldoen aan de kasuitgaven en daarmee het verplichtingenbudget opgehoogd (+ € 1,2 mln). Er is echter minder verplicht dan eerder was geraamd (- € 75,7 mln). Dit komt door een lagere vraag naar de regeling vanuit mogelijke gebruikers. 

  • De realisatie op de Warmtenetten investeringssubsidie (WIS) is lager dan geraamd (- € 311,2 mln). Met de eerste suppletoire begroting is het budget verhoogd (+ € 20,5 mln), omdat de eindejaarsmarge van 2024 is opgevraagd en toegevoegd aan dit budget. Met de suppletoire begroting september is er budget teruggeboekt naar het Klimaatfonds vanwege vertraging in projecten en vanwege minder animo dan verwacht voor eerdere openstellingen (- € 15 mln). Met de tweede suppletoire begroting is er budget afgeboekt naar de generale middelen (- € 8 mln). Er is daarnaast minder verplicht dan eerder geraamd (- € 308,7 mln). Dit komt door het achterblijven van aanvragen voor de WIS in verband met de onzekerheid rondom de nieuwe wet collectieve warmte. Deze is nu door de Eerste Kamer aangenomen, waardoor de verwachting is dat de uitrol van collectieve warmte een nieuwe impuls krijgt nu de nieuwe kaders zijn vastgesteld.

  • De realisatie op het Tijdelijk prijsplafond energie kleinverbruikers 2023 is lager dan geraamd (- € 34,4 mln). Met de suppletoire begroting september is er op basis van de prognoses van RVO verplichtingenbudget van 2025 verschoven naar 2026 (- € 10 mln). Er is minder verplicht dan eerder was geraamd omdat voor een substantieel deel van het subsidiebedrag nog geen vaststellingsverzoek is ingediend in 2025 en dus ook geen eventuele nabetalingen hierop hebben plaatsgevonden. De verwachting is dat alle vaststellingsverzoeken in het voorjaar van 2026 zullen zijn ingediend (- € 24,4 mln). 

  • De realisatie op het NGF-project Circulaire zonnepanelen is lager dan geraamd (- € 39 mln). Met de eerste suppletoire begroting is eindejaarsmarge toegevoegd aan het budget (+ € 28,5 mln). Het kabinet heeft op basis van het advies van de Adviescommissie Nationaal Groeifonds geconcludeerd dat de voorwaarden voor het omzetten van de voorwaardelijk toegekende middelen voor de tweede fase van SolarNL niet zijn vervuld. Ook dient het consortium een nieuw plan op te stellen voor de inzet van de resterende middelen. Dit heeft gezorgd voor vertraging hierdoor is er minder verplicht dan eerder was geraamd (- € 67 mln).  Het restant van de realisatie is veroorzaakt door overige mutaties in dit budget (- € 0,6 mln).

  • De realisatie op de Batterijverplichting voor zonneparken is lager dan geraamd (- € 85 mln). Met de eerste suppletoire begroting is budget teruggeboekt naar het Klimaatfonds (- € 62,5 mln). Er is tot slot minder verplicht dan eerder was geraamd (- € 22,5 mln). Dit komt doordat het kasbudget is ingezet voor de subsidietaakstelling. Het verplichtingbudget kon daardoor niet meer worden besteed.

  • De realisatie op het budget voor Efficiëntere benutting elektriciteitsnetten is lager dan geraamd (- € 23 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie Realisatie Zon op Zee is lager dan geraamd (- 15,3 mln). Met de suppletoire begroting september is een overschot aan budget afgeboekt vanwege de eerder plaatsgevonden subsidietaakstelling. Er was eerder slechts kasbudget afgeboekt (- € 4,3 mln). Er is echter minder verplicht dan eerder was geraamd (- € 10,4 mln). Dit komt doordat het niet meer gelukt is om in 2025 een beoogde maatwerkbeschikking te verstrekken voor functieverbetering van een offshore testlocatie. Deze beoogde maatwerkbeschikking is vertraagd en zal mogelijk in opvolgende jaren nog worden aangegaan. Het restant van de realisatie is veroorzaakt door overige mutaties in dit budget (- € 0,6 mln).

  • De realisatie op het budget voor het NGF-project Groenvermogen van de Nederlandse economie is lager dan geraamd (- € 34,1 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie op het budget Investeringen Verduurzaming Industrie – Klimaatfonds is lager dan geraamd (- € 320,8 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie op het NGF-project Circulaire Plastics is lager dan geraamd (- € 12,2 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie op de Subsidies WarmtelinQ is lager dan geraamd (- € 427 mln). Met de tweede suppletoire begroting is het verplichtingenbudget opgehoogd voor de CAPEX-subsidie voor WarmtelinQ, omdat de verwachting was dat de verplichting in 2025 zou worden getekend (+ € 120,3 mln). Er is echter minder verplicht dan eerder was geraamd voor de subsidie (- € 553,2 mln). Dit komt vooral doordat subsidies die in 2025 toegekend zouden worden niet zijn toegekend.

  • De realisatie op het budget voor Projecten Kernenergie is lager dan geraamd (- € 58,1 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie op het budget voor de bijdrage aan TNO kerndepartement is lager dan geraamd (- € 32,3 mln). Zie toelichting onder uitgaven.

  • De realisatie Regeling toezicht energiebesparingsplicht is lager dan geraamd (- 10,3 mln). Er is echter minder verplicht dan dat er budget beschikbaar was, dit komt omdat de verplichting al eerder was aangegaan voor meerdere jaren, het verplichtingenbudget was naderhand echter niet afgeboekt (- € 9,4 mln). Het restant van de realisatie is veroorzaakt door overige mutaties in dit budget (- € 0,9 mln).

Uitgaven

Subsidies

Missiegedreven Onderzoek en Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

Er is op dit instrument € 12,5 mln minder gerealiseerd dan was begroot in de ontwerpbegroting 2025. Dit komt voornamelijk door dat projecten zijn vertraagd en uitgevallen (- € 10 mln). Daarnaast is het budget door het jaar heen in suppletoire begrotingen per saldo met € 2,5 mln naar beneden bijgesteld. Dit is het gevolg van diverse mutaties voor uitvoeringskosten, onderzoekskosten, en overige mutaties.

Demonstratieregeling Klimaat- en Energie-innovatie (DEI+)

Op dit instrument is € 138,1 mln minder gerealiseerd dan was begroot in de ontwerpbegroting 2025. Dit komt voornamelijk door dat het budget van de generieke DEI+ regeling door het jaar heen met € 59,9 mln naar beneden is bijgesteld. Een deel van dit budget is naar latere jaren verschoven en een deel van dit budget is gebruikt voor knelpunten elders op de begroting. Deze neerwaartse bijstelling is vooral het gevolg van vertraging en wijzigingen in lopende projecten waardoor de kasbehoefte opschuift naar latere jaren. Deze vertraging valt onder andere te verklaren door de lastige marktomstandigheden.

Het budget dat beschikbaar was voor de vergassingsmodule binnen de DEI+ is door dit jaar heen ook naar beneden bijgesteld met € 45,9 mln. Een groot deel hiervan is naar achteren geschoven omdat de middelen niet in het juiste ritme stonden. Een deel is echter ook naar achteren geschoven omdat er minder vraag was voor de openstelling in 2025 dan eerder was voorzien.

Tenslotte is na bijstelling in de tweede suppletoire begroting, € 17,6 mln, niet gerealiseerd op dit budget. De oorzaak hiervan is ook projecten zijn uitgevallen en vertraagd. Daarnaast is er specifiek voor de modules, vergassing en circulaire economie, in de DEI+, minder uitbetaald dan eerder was voorzien in 2026 omdat een groot deel van de subsidies laat in het jaar zijn verleend en een deel van de betalingen die gepland waren daardoor pas plaatsvinden in 2026.

Het resterend verschil wordt verklaard door een saldo van diverse mutaties van ‒ € 14,7 mln. Dit is het gevolg van mutaties voor uitvoeringskosten, overhevelingen met andere departementen, en technische correcties op de begroting.

Projecten Klimaatakkoord

Op deze begrotingspost is € 12,4 mln minder gerealiseerd dan was begroot in de ontwerpbegroting 2025. Dit is voornamelijk het gevolg van het overhevelen van de kosten voor het Nationaal Burgerberaad Klimaat naar IenW (- € 3,7 mln) en het overhevelen van middelen voor o.a. de ZODKO campagne (- € 4,6 mln). De rest van het verschil (- € 4,1) wordt grotendeels veroorzaakt door diverse kleine mutaties voor uitvoeringskosten en afboekingen naar het Klimaatfonds.

SDE

Op de SDE is € 567,6 mln meer gerealiseerd dan geraamd met de ontwerpbegroting 2025. Dit komt met name door een opwaartse bijstelling in de raming vanwege nieuwe KEV-cijfers. Verder is uiteindelijk de daadwerkelijke realisatie ten opzichte van de stand met de tweede suppletoire begroting € 10,7 mln hoger uitgevallen.

SDE+

Op de budgetten binnen de SDE+ is € 1.154,6 mln meer gerealiseerd dan oorspronkelijk geraamd ten tijde van de ontwerpbegroting. Bij de eerste suppletoire begroting is in 2025 € 1.463,9 mln toegevoegd als gevolg van een opwaartse bijstelling in de raming van de SDE.

Met de eerste suppletoire begroting zijn op het flankerend beleid SDE en WoZ ook mutaties geweest (- € 9,1 mln). Dit zijn enkele bijdragen aan andere departementen, maar ook interne overhevelingen voor bijvoorbeeld de bijdrage aan de RVO-opdracht.

Bij de suppletoire begroting september is er € 27 mln kasgeschoven uit latere jaren naar 2025 voor een bijdrage aan de ACS-eilanden Verder hebben andere mutaties plaatsgevonden van in totaal + € 7,9 mln. Hier zitten overboekingen naar andere departementen en kasschuiven tussen, maar ook de toekenning van loon- en prijsbijstelling.

Met de tweede suppletoire begroting is met name op het flankerende beleid WoZ veel gemuteerd (- € 30,0 mln). Dit zijn bijvoorbeeld bijdragen aan andere departementen (- € 12,1 mln), waaronder bijv. IenW (- € 9,0 mln) voor onder andere MIVSP (sensordiensten voor Wind op Zee). Ook aan EZ (- € 1,6 mln) wordt budget overgeheveld voor onder andere inhuurbudget. Ook is er een mutatie geweest naar het budget voor de specifieke uitkering ‘Gebiedsinvesteringen netten op zee’ van ‒ € 12 mln. De overige boekingen bij de tweede suppletoire zien toe op het afboeken van onderuitputting.

Uiteindelijk is er binnen deze post € 305,1 mln minder gerealiseerd dan geraamd ten tijde van de tweede suppletoire begroting. Hiervan is € 39,9 mln vanwege lagere uitgaven voor het flankerende beleid WoZ en SDE vanwege een aantal vertraagde onderzoeken en de statistische overdracht aan Denemarken. En € 265,2 mln vanwege onderuitputting bij de SDE+ vanwege vertraging en/of inttrekkingen van projecten.

ISDE-regeling

Op de ISDE is er € 55,7 mln minder gerealiseerd ten opzichte van het budget in de ontwerpbegroting van 2025.  Bij de eerste suppletoire begroting is € 3,2 mln ingezet van dit budget voor een knelpunt ontstaan binnen de jaarlijkse subsidie van KGG aan Caribisch Nederland en is er € 1,7 mln ingezet voor uitvoeringskosten van RVO voor de ISDE. Ook is € 16,5 mln overgeheveld naar VRO voor een bijdrage aan Maatregel 29 uit Nij Begun.

Met de suppletoire begroting september zijn wat kleinere mutaties doorgevoerd (+ € 3,5 mln) voor bijvoorbeeld prijsbijstelling en een additionele bijdrage aan Maatregel 29.

Opschalingsinstrument waterstof

Op het opschalingsinstrument waterstof is € 151,8 mln minder gerealiseerd dan dat er budget beschikbaar was ten tijde van de ontwerpbegroting. Er is met de suppletoire begroting september € 20 mln teruggeboekt naar het Klimaatfonds en in totaal is er € 65,9 mln doorgeschoven naar latere jaren vanwege geüpdatete kasprognoses. Het restant (- € 65,9 mln) betreft met name onderuitputting door minder aanvragen bij de OWE2 en vertraging in de uitrol van afgegeven beschikkingen waarvan € 28,2 mln is afgeboekt met de tweede suppletoire begroting en € 38,7 mln met Slotwet.

IPCEI Waterstof

Voor IPCEI-waterstof is er € 100,1 mln minder uitgegeven dan gebudgetteerd in de begroting van 2025. Dit komt met name door onderuitputting op de regelingen ontstaan door vertraging in de uitrol vanwege verslechterde marktomstandigheden. Hiervan is € 80,3 mln teruggeboekt naar het Klimaatfonds en € 20,7 mln afgeboekt bij de tweede suppletoire begroting.

Vulmaatregelen gasopslag

Op het budget voor de vulmaatregelen van de gasopslag is € 182,7 mln minder uitgegeven dan oorspronkelijk geraamd. Ook is er een neerwaartse bijstelling gedaan van € 14,2 mln bij de suppletoire begroting september.

Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS)

Deze regeling heeft € 24 mln minder gerealiseerd dan was begroot in de ontwerpbegroting 2025. Dit komt voornamelijk omdat er € 23 mln is teruggeboekt naar het Klimaatfonds vanwege vertraging in projecten en een gebrek aan animo voor eerdere openstellingen vanwege de onzekerheid rondom de introductie van de nieuwe wet collectieve warmte. Het verschil van € 1 mln wordt verklaard door diverse mutaties voor uitvoeringskosten, prijsbijstelling, en onderuitputting.

NGF-project NieuweWarmteNu!

Dit programma heeft € 52,1 mln minder gerealiseerd dan was begroot in de ontwerpbegroting 2025. Dit is voornamelijk het gevolg van het feit dat er in 2025 € 58,7 mln naar achteren in de tijd is geschoven als gevolg van het feit dat het budget in het juiste ritme moest worden gezet, maar ook als gevolg van vertraging in de lopende projecten. Daarnaast is er € 11,5 mln onderuitputting ten opzichte van het budget dat is vastgesteld bij de tweede suppletoire begroting. Dit komt door vertraging in de uitrol van collectieve warmte vanwege onzekerheid rondom het aannemen van de nieuwe wet collectieve warmte. Deze is eind 2025 door de Eerste Kamer aangenomen, waardoor de nieuwe kaders duidelijk worden. Het verschil van + € 18,1 mln wordt verklaard door dat met de eerste suppletoire begroting 100% van de eindejaarsmarge op dit budget is toegekend.

Tijdelijk prijsplafond energie kleinverbruikers 2023

Er is op het tijdelijk prijsplafond energie kleinverbruikers € 70,4 mln minder besteed dan geraamd. Hiervan is € 10 mln doorgeschoven naar 2026. Het restant van het verschil wordt verklaard door doordat de realisatie is lager uitgevallen omdat voor een substantieel deel van het subsidiebedrag nog geen vaststellingsverzoek is ingediend in 2025 en dus ook geen eventuele nabetalingen hierop hebben plaatsgevonden. Het gaat om ongeveer een kwart van het totaal betaalde voorschotbedrag. De verwachting is dat alle vaststellingsverzoeken dit voorjaar zullen zijn ingediend.

Subsidieregeling flexibiliteit

De realisatie voor subsidieregeling flexibiliteit is € 12,4 mln lager dan geraamd. Bij de eerste suppletoire begroting is budget verhoogd, afkomstig van het klimaatfonds (+ € 9 mln). Daarnaast is er budget ingezet voor de uitvoeringskosten van de RVO (- € 1,4 mln). Met de tweede suppletoire begroting wordt het budget vanwege lagere verwachte uitgaven afgeboekt naar het generale beeld (- € 11,3 mln). Daarnaast was het budget met (- € 6,5 mln) gebruikt om het tekort op het Radioactive Waste Management Programme (RWMP) van NRG PALLAS op te lossen. KGG blijft verantwoordelijk voor eventuele bijdragen in de kosten van het historisch, radioactief afval. Het restant van de realisatie is veroorzaakt door overige mutaties in dit budget (- € 2,2 mln), waaronder een kasschuif om de middelen in het juiste ritme te plaatsen.

Kwaliteitsbudget energieprojecten

Er is op deze begrotingspost € 10,3 mln minder uitgegeven dan begroot. Dit wordt verklaard door het feit dat er € 10,3 mln is overgeheveld naar het Gemeentefonds (- € 7,3 mln), Provinciefonds (- € 2,0 mln) en het Btw-compensatiefonds (- € 0,5 mln) bij de eerste suppletoire begroting voor het versterken van ecologie en biodiversiteit rondom projecten voor hernieuwbare energie op land.

Subsidie project Djewels

Op het Djewels-budget is er minder besteed dan verwacht. Waardoor het verschil tussen de ontwerpbegroting en de realisatie € 25,7 mln is. Dit heeft met name te maken met vertraging in het project waardoor niet tijdig kan worden voldaan aan de mijlpalen die gekoppeld zijn aan uitbetaling van de subsidie. Bij de september suppletoire begroting is € 9,5 mln naar latere jaren geschoven. Echter bleek dat er onvoldoende budget was doorgeschoven want met de tweede suppletoire begroting is € 16 mln afgeboekt richting het generale beeld. Ook is onderuitputting (- € 0,5 mln) ingezet voor tekorten op het onderzoeksbudget van KGG.

Efficiëntere benutting elektriciteitsnetten

De realisatie voor efficiëntere benutting elektriciteitsnetten is lager dan geraamd (- € 23,9 mln). Met de eerste suppletoire begroting is budget overgeboekt voor de tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (- € 18,1 mln). Met de suppletoire begroting september is budget (- € 2,6 mln) teruggeboekt naar het Klimaatfonds, omdat in het verslagjaar geen concrete plannen tot stand zijn gekomen waarvoor dit budget kon worden ingezet. Het restant van de realisatie is veroorzaakt door overige mutaties in dit budget (- € 3,2 mln), waaronder bijdragen aan RVO voor uitvoeringskosten, bijdragen voor het Btw-compensatiefonds, prijsbijstelling en onderuitputting (- € 1,6 mln).

Verduurzaming industrie

De realisatie van het budget verduurzaming industrie is € 54,4 mln lager dan geraamd. Met de eerste suppletoire begroting is budget afgeboekt voor de bijdrage aan RVO uitvoeringskosten voor onder andere de DEI+, monitoring bedrijven, de maatwerkaanpak, cluster 6 en IKC-ETS (- € 14,3 mln). Daarnaast is er budget beschikbaar gesteld voor de TSE haalbaarheidsstudies (+ € 5,4 mln). Ook is er beleidsbudget overgeheveld als jaarlijkse bijdrage aan de subsidieregelingen DEI+ (- € 3,0 mln) en de TSE/MOOI (- € 6,2 mln). Met de suppletoire begroting september is budget verschoven van 2025 naar latere jaren (- € 11,8 mln). Deze schuiven waren noodzakelijk om de beschikbare budgetten in lijn te brengen met de verwachte uitfinanciering van de subsidies. Met de tweede suppletoire begroting zijn budgetten afgeboekt omdat het niet meer tot besteding zou komen (- € 3,4 mln). Uiteindelijk is er minder gerealiseerd dan geraamd (- € 21,3 mln). Dit komt door minder aanvragen en beschikkingen op de regeling TSE studies Industrie in 2025. Deze regeling loopt over de jaargrens en sluit in 2026. Meer aanvragen worden verwacht in aanloop naar sluitingsdatum. Verder kon een voorschot van circa € 10 mln voor een van de reeds gemaakte maatwerkafspraken niet worden uitbetaald door het niet halen van een afgesproken mijlpaal in de planning. Dit voorschot zal naar verwachting in 2026 alsnog worden verleend. Daarnaast was circa € 5 mln gereserveerd voor ondersteuning van specifieke bedrijven in de ’Nieuwe Industrie’. Verschillende ontvangen incidentele subsidieaanvragen zijn negatief beoordeeld en konden uiteindelijk dus niet worden beschikt.

NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie

De realisatie is lager dan geraamd (- € 68,5 mln). Met de eerste suppletoire begroting is het budget opgehoogd door een toekenning vanuit het Nationaal Groeifonds (+ € 105 mln). Daarnaast is de raming geactualiseerd en een kasschuif doorgevoerd naar latere jaren (- € 165 mln). Ook is er eindejaarsmarge toegevoegd aan dit budget (+ € 88,5 mln). Uiteindelijk is er minder gerealiseerd dan geraamd (- € 101,4 mln). dit is onder andere te verklaren uit het feit dat er uiteindelijk geen DEI-regeling met budget van GVNL is opengegaan zoals eerder voorzien voor € 40 mln, en hier dus ook geen nieuwe uitgaven op zijn gedaan, dat er voor de IMKE regeling slechts ca. € 20 mln aan aanvragen is beschikt en dus ook navenant lagere kasuitgaven zijn gerealiseerd, en dat er minder is uitgegeven aan specifieke FEED studies. Het restant van de realisatie is veroorzaakt door overige mutaties in dit budget (+ € 4,4 mln).

Indirecte kostencompensatie ETS

Ten tijde van de ontwerpbegroting was er geen budget geraamd voor de IKC-ETS. Gedurende het jaar is echter besloten om € 167,4 mln aan budget beschikbaar te maken vanuit het Klimaatfonds. Vervolgens is bij de tweede suppletoire begroting na het verwerken van de prognoses € 4,1 mln afgeboekt naar het generale beeld. Uiteindelijk is er minder gerealiseerd dan geraamd (- € 3,5 mln).

Investeringen Verduurzaming Industrie – Klimaatfonds

De realisatie van het budget Investeringen Verduurzaming Industrie – Klimaatfonds is lager dan geraamd (- € 160,8 mln). Met de eerste suppletoire begroting is het budget verhoogd (+ € 9,7 mln) doordat de geinde boetes uit het energiebesparingsconvenant weer beschikbaar zijn gesteld voor de sector via een bestaande toepasbare subsidieregeling. Met de suppletoire begroting september heeft er een kasschuif plaatsgevonden naar latere jaren (- € 65,1 mln). Deze schuif dient ertoe om de resterende middelen voor de VEKI zo te alloceren dat er nog twee publicaties kunnen plaatsvinden in 2025 en 2026 en uitfinanciering kan plaatsvinden in het ritme van de regeling zoals voorzien. Ook is budget doorgeschoven naar 2026 omdat de publicatie en openstelling van de NIKI te laat in het jaar plaatsvond (- € 83,8 mln). Daarnaast is er een bijstelling gedaan op basis van de geactualiseerde ramingen voor de TSE (- € 5,8 mln). Ook is er eindejaarsmarge toegevoegd aan dit budget (+ € 4,2 mln). Met de tweede suppletoire begroting werd het budget m.n. vanwege lagere verwachte uitgaven op de VEKI regeling in 2025 afgeboekt naar het generale beeld (- € 15,4 mln). Uiteindelijk is er minder gerealiseerd dan geraamd (- € 2,5 mln). Het restant van de realisatie is veroorzaakte door overige mutaties, zoals uitvoeringskosten RVO (- € 2,1 mln).

NGF - project Circulaire Plastics

De realisatie voor NGF – project Circulaire Plastics is lager dan geraamd (- € 29,1 mln). Met de eerste suppletoire begroting is de raming geactualiseerd en een kasschuif doorgevoerd naar latere jaren (- € 87,4 mln). Ook is er eindejaarsmarge toegevoegd aan dit budget (+ € 64,1 mln). Uiteindelijk is er minder gerealiseerd dan geraamd (- € 5,2 mln). Het restant van de realisatie is veroorzaakt door overige mutaties, zoals uitvoeringskosten RVO (- € 0,6 mln).

NGF - project Biobased Circular

De realisatie voor NGF - project Biobased Circular is lager dan geraamd (- € 22,2 mln). Met de eerste suppletoire begroting is de raming geactualiseerd en een kasschuif doorgevoerd naar latere jaren (- € 27,5 mln). Ook is er eindejaarsmarge toegevoegd aan dit budget (+ € 18,5 mln). Uiteindelijk is er minder gerealiseerd dan geraamd (- € 12,5 mln). Dit komt grotendeels doordat een voorziene regeling voor stimulering van de omzetting van biogrondstoffen (á € 10 mln) uiteindelijk voor een kleiner bedrag is ondergebracht in een andere regeling; de EKOO. Daarnaast hebben verschillende projecten (HCA, Interventies en een project voor stimulering van infrastructuur) vertraging opgelopen in de uitwerking en uitvoering waardoor deze beschikkingen, verplichtingen en uitgaven doorschuiven naar 2026. Het restant van de realisatie is veroorzaakte door overige mutaties, zoals uitvoeringskosten RVO (- € 0,7 mln).

Subsidie Invest NL

De realisatie voor Subsidie Invest NL is hoger dan geraamd (+ € 15 mln). Met de suppletoire begroting september is een bijdrage uit Klimaatfonds (€ 15 mln) verleend voor een subsidie aan PPS BV van Invest NL als steun en onderdeel van blended finance oplossing voor een individuele bedrijfssteuncasus.

Leningen

Verduurzaming Industrie

De realisatie op dit budget is lager dan geraamd (- € 14,7 mln). Met de suppletoire begroting september is er budget naar 2026 geschoven om de betalingen in lijn te brengen met de verleende beschikkingen (- € 12,1 mln). Er is uiteindelijk minder gerealiseerd op dit budget dan geraamd (- € 2,6 mln).

Opdrachten

Project Kernenergie

De realisatie op dit budget is lager dan geraamd (- € 44,7 mln) met de ontwerpbegroting. Er is € 4,8 mln toegekend uit het Klimaatfonds met de NvW op de eerste suppletoire begroting. Daarnaast is met de September Suppletoire begroting € 26,6 mln geschoven naar latere jaren en is € 7,3 mln teruggeboekt naar het Klimaatfonds. Bij Slotwet bleek dat er in totaal € 7,9 mln niet is uitgegeven vanwege met name vertraagde uitgaven. De twee grootste mutaties hierin zijn een bijdrage aan OCW ten behoeve van de NWO (- € 2 mln) en een overheveling naar EZ voor het inhuur en personeelsbudget van NEO NL (€ - 4,9 mln). Het restant (- € 0,8 mln) wordt verklaard door toekenning van prijsbijstelling en overhevelingen naar andere departementen.

Werkbudgetten

De realisatie voor de werkbudgetten is hoger dan geraamd (+ € 163,6 mln). Met de eerste suppletoire begroting is er budget overgeboekt van BZK naar KGG ten behoeve van de arbitragezaken die zijn gestart door Shell en EMPN (+ € 1,6 mln). Met een incidentele begroting is budget vrijgemaakt voor het akkoord met NAM en EMPN waarin is vastgelegd dat zij een bedrag krijgen voor het afzien van gaswinning bij Ternaard van in totaal € 163 mln bruto inclusief btw (+ € 163 mln).  Er is minder uitgegeven dan eerder was geraamd voor de proceskosten en arbitrages met NAM en EMPN (- € 1,4 mln). Het restant van de realisatie is veroorzaakt door overige mutaties in dit budget (+ € 0,4 mln).

Bijdragen aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Er is in 2025 € 72,3 mln meer aan RVO betaald dan oorspronkelijk gebudgetteerd in de begroting van 2025. Het verschil tussen ontwerpbegroting en realisatie wordt grotendeels verklaard door verschillende toevoegingen aan het budget voor de dekking van de uitvoeringskosten van de diverse regelingen die RVO uitvoert omdat bijvoorbeeld vanuit subsidiebudgetten bijdragen aan de kosten die RVO worden overgeheveld.

Bijdragen aan ZBO / RWT

TNO Kerndepartement

De realisatie voor TNO kerndepartement is lager dan geraamd (- € 33,6 mln). In totaal is er € 44 mln overgeheveld naar EZ ten behoeve van opdrachten aan TNO, omdat EZ de opdrachtverstrekking doet (ook namens KGG). Ook is € 1,2 mln overgeheveld naar een onderzoeksbudget voor een bijdrage aan Hogeschool Inholland. Met de suppletoire begroting september is het budget opgehoogd ten behoeve van de nieuwbouw van Kernhuis Geologische Dienst Nederland. Deze nieuwbouw is nodig voor de wettelijke taak van TNO om fysiek materiaal vanuit de diepe ondergrond, dat eigendom is van de Staat, te beheren en op te slaan (+ € 5 mln). Daarnaast is er met dezelfde begroting het budget van verhoogd, omdat er bij TNO een tekort was om de wettelijke taken uit te voeren (+ € 1,7 mln). Het restant van de realisatie is veroorzaakt door overige mutaties in dit budget (+ € 4,8 mln).

Bijdragen aan medeoverheden

Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden

Op deze post is € 15,3 mln minder gerealiseerd dan was begroot in de ontwerpbegroting 2025. Dit is voornamelijk het gevolg van afdrachten naar het BTW-compensatiefonds voor verschillende uitkeringen (- € 28,3) en van het feit dat het budget voor medeoverheden naar beneden is bijgesteld (€ -17,4 mln) voor het oplossen van knelpunten elders in de begroting van KGG. Hier tegenover staat dat het budget voor de investeringsgebieden Net op Zee zijn opgehoogd met € 25,8 mln om onder andere een vertraagde betaling uit 2024 in 2025 plaats te laten vinden. Tenslotte heeft er ook nog een kasschuif plaatsgevonden op het CDOKE-budget waardoor er € 38 mln naar achteren is geschoven. Deze middelen worden in latere jaren ingezet voor een uitkering aan de NAL-regio’s. Hier tegenover staat dat er op dit CDOKE budget ook € 38,8 mln aan loon- en prijsbijstelling is toegevoegd. Het verschil dat resteert (€ 3,8 mln) is een gevolg van diverse mutaties voor o.a. uitvoeringskosten en overhevelingen naar andere departementen en fondsen

Stortingen begrotingsreserves

Storting in begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie

Er is in 2025 € 822,4 mln meer gestort in de reserve duurzame energie dan oorspronkelijk geraamd. Dit komt met name doordat gedurende het jaar de middelen voor de Kolenmaatregelen zijn toegevoegd maar niet zijn uitbetaald in 2025 (€ 497,1 mln). Ook was er een onderuitputting op de SDE-regelingen van € 245,3 mln. Het restant van de storting (€ 80 mln) komt door additionele terugontvangsten binnen het SDE-domein (€ 13,3 mln), en onderuitputting op de HER+ (€ 5,1 mln), ISDE (€ 26,5 mln), de statistische overdracht aan Denemarken (€ 5,9 mln) en het flankerend beleid rondom WoZ en de SDE (€ 29,2 mln).

Onttrekking reserve duurzame energie en klimaattransitie

Er is in totaal € 2.764,0 mln onttrokken aan de reserve duurzame energie en klimaattransitie. Dit € 2.516,8 mln meer dan oorspronkelijk geraamd. Dit komt omdat door een bijgestelde raming waarin gedaalde energieprijzen waren verwerkt ervoor zorgde dat er meer moest worden uitgekeerd voor de SDE-regelingen dan oorspronkelijk verwacht. Ook is € 497,1 mln onttrokken ten behoeve van de kolenmaatregelen.

Ontvangsten

ETS-Ontvangsten

Er is in 2025 € 72,9 meer gerealiseerd op de KGG-begroting dan was begroot in de ontwerpbegroting 2025. Gedurende het jaar is de raming naar beneden bijgesteld met € 10 mln. Echter bleek dat in het laatse deel van 2025 de ETS-prijs hoger was dan geraamd. Hierdoor is € 82,9 mln meer ontvangen dan was voorzien bij de tweede suppletoire begroting.

Diverse ontvangsten

Er is € 177,7 mln meer ontvangen dan vooraf geraamd op deze post. Bij de eerste suppletoire begroting is de verwachting voor ontvangsten opwaarts bijgesteld met € 27,6 mln vanwege terugontvangsten voor de TTB, een bijgestelde verwachting van de bijdragen van initiatiefnemers van projectprocedures en boetes conform het energiebesparingsconvenant.

Bij de suppletoire begroting september zijn onttrekkingen aan de reserve duurzame energie en klimaattransitie en terugontvangsten van de uitvoeringskosten van RVO over de opdracht van 2024 verwerkt (€ 23,7 mln).

Bij de tweede suppletoire begroting is er vervolgens nog € 63,1 mln toegevoegd aan deze post met name doordat er meer terugontvangsten waren verwacht vanwege terugontvangen subsidievoorschotten van het prijsplafond.

Vervolgens is met de Slotwet nog extra ontvangen (€ 63,4 mln) met name doordat er nog meer ontvangsten waren in het kader van het prijsplafond, er meer terugontvangsten waren op de bevoorschotte SDE-subsidies en omdat een lening aan NRG is terugbetaald die niet was geraamd.

Lening EBN Vulmaatregel

Er is voor dit ontvangstenbudget € 34,7 mln meer gerealiseerd dan geraamd. Dit betreft een vergoeding die is afgesproken met EBN voor het beschikbaar stellen van de liquiditeitsfaciliteit voor de inkoop van gas en de bijbehorende beursverplichtingen.

Ontvangsten verduurzaming industrie

Er is voor dit ontvangsten budget € 17 mln minder gerealiseerd dan geraamd. Tegelijkertijd was de verwachting bijgesteld dat er in totaal € 48 mln ontvangen zou worden, deze raming heeft zich echter niet gematerialiseerd in ontvangsten. Dit heeft te maken met het feit dat KGG binnen de CO2-heffing de inkomsten met een jaar vertraging ontvangt. De opbrengst van de heffing over 2025 ontvangt KGG dus pas in 2026. De ontvangstenraming voor 2025 op de begroting van KGG was hiermee feitelijk onjuist en zal bijgesteld worden.

Dividenduitkering EBN

De raming van de dividendontvangsten EBN wordt tweejaarlijks bijgesteld met de Voorjaarsnota en Miljoenennota. Voor de dividenduitkering EBN is minder ontvangen dan geraamd (- € 1.020 mln). Dit komt omdat de ontvangsten neerwaarts zijn bijgesteld. Deze bijstellingen is het effect van de lichte afname van de verwachte gaswinning en een verslechtering van de toekomstige financiële resultaten van EBN uit olie- en gasactiviteiten.

Ontvangsten Mijnbouwwet

Voor de ontvangsten Mijnbouwwet is minder ontvangen dan geraamd (- € 23,8 mln). De raming van de ontvangsten Mijnbouwwet wordt tweejaarlijks bijgesteld met de Voorjaarsnota en Miljoenennota. Met de raming in het voorjaar is de ontvangst positief bijgesteld (+ € 30 mln). Dit komt met name door de veranderende gasprijzen en de verwachte gewonnen volumes. Met Miljoenennota is de raming opnieuw bijgesteld (+ € 161 mln). Op aangeven van de Belastingdienst is uitgaan dat een deel van de ontvangsten nog in 2025 zou worden ontvangen. Er is gebleken dat het overgrote deel van de heffingen eind 2024 reeds door KGG is ontvangen. Waardoor er uiteindelijk in het jaar 2025 minder is ontvangen dan geraamd werd met de Miljoenennota (- € 214,8 mln).

Tabel 8 Kengetallen aardgasbaten

Kengetallen

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden (in Nm3)1

22 mld Nm3

20 mld Nm3

18 mld Nm3

16 mld Nm3

15 mld Nm3

13 mld Nm3

13 mld Nm3

11 mld Nm3

8,7 mld Nm3

8,5 mld Nm3

8,1 mld Nm3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore1

16

4

6

5

4

3

2

4

5

0

6

3. Aantal boringen productie onshore en offshore1

17

16

8

7

7

9

7

3

2

7

3

4. Gewonnen volume aardgas Groningenveld (in Nm3)2

28 mld Nm3

28 mld Nm3

24 mld Nm3

19 mld Nm3

15 mld Nm3

8 mld Nm3

6 mld Nm3

5 mld Nm3

1,5 mld Nm3

0 mld Nm3

0 mld Nm3

5. Gewonnen volume aardgas totaal (in Nm3)1

50 mld Nm3

48 mld Nm3

42 mld Nm3

35 mld Nm3

30 mld Nm3

21 mld Nm3

19 mld Nm3

16 mld Nm3

10,2 Nm3

8,5 mld Nm3

8,1 mld Nm3

6. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)3

19,8

13,6

16,6

21,5

14,9

9,1

37,8

127,6

46,9

33,2

36,9

1

Bron: Voorlopige cijfers van TNO (NLOG).

2

Bron: Voorlopige cijfers van TNO (NLOG).

3

Bron: EBN

Toelichting op de begrotingsreserves

Tabel 9 Stand begrotingsreserves per 31 december 2025 (bedragen x € 1.000)

Begrotingsreserve Aardwarmte

17.693

Begrotingsreserve Duurzame Energie en Klimaattransitie

3.484.014

Begrotingsreserve ECN/NRG verstrekte leningen

6.600

De begrotingsreserve voor de garantieregeling Aardwarmte is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Aardwarmte betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO) die wordt gestort in de begrotingsreserve. In 2024 zijn er geen nieuwe verliesdeclaraties op basis van de garantieregeling bij RVO ingediend en zijn ook geen nieuwe garanties afgegeven, zodat er ook geen provisie-inkomsten zijn geweest. Gelet op de uitstaande garanties is de gehele reserve benodigd om mogelijke verliesdeclaraties op te kunnen vangen en is daarmee voor 100% juridisch verplicht.

De begrotingsreserve Duurzame Energie en Klimaattransitie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling voor duurzame energieproductie of CO2-reductie. Het gaat hier om middelen ten behoeve van de MEP, SDE, SDE+, SDE++, ISDE en de HER+. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2025 is € 822,4 mln in de reserve gestort en € 2.746,0 mln aan de reserve onttrokken, zodat het saldo van de reserve met € 1.560,4 is afgenomen.

De middelen in de begrotingsreserve risicopremie NRG zullen worden aangesproken als NRG – al dan niet tijdelijk – (gedeeltelijk) niet kan voldoen aan de terugbetalingsverplichtingen volgens de in 2014 afgesloten leningsovereenkomst. Deze reserve betreft uitsluitend een zekerstelling binnen de rijksbegroting. Derden kunnen geen beroep op deze middelen doen en daarmee zijn de middelen op deze reserve niet juridisch verplicht.

5. Niet-beleidsartikelen

Artikel 70 Apparaat

De apparaatsuitgaven van de SodM en de beleids- en stafdirecties van KGG worden verantwoord in het jaarverslag van EZ in verband met het niet administratief verwerken van de splitsing van EZK in EZ en KGG.

Tabel 10 Apparaatsuitgaven Kerndepartement Budgettaire gevolgen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

        

Personele uitgaven

       

eigen personeel

0

0

0

0

0

0

0

inhuur externen

0

0

0

0

0

0

0

overige personele uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

        

Materiële uitgaven

       

ICT2

0

0

0

0

0

0

0

bijdrage aan SSO's

0

0

0

0

0

0

0

DICTU

0

0

0

0

0

0

0

overige materiële uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Overig

0

0

0

0

0

0

0

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

2

Het totaal van de ICT-uitgaven van het kerndepartement en de buitendiensten bestaat uit de ICT-uitgaven geraamd onder de post materiële uitgaven en de bijdrage aan SSO DICTU.

Tabel 11 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en Zelfstandige Bestuursorganen/Rechtspersonen met een wettelijke taak (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie

0

0

0

0

0

0

0

Kerndepartement (beleid en staf)

0

0

0

0

0

0

0

Apparaatsuitgaven diensten:

       

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)

0

0

0

0

0

0

0

        

Totaal apparaatskosten agentschappen

9.461

10.901

12.917

18.220

23.856

28.984

‒ 5.128

Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)

9.461

10.901

12.917

18.220

23.856

28.984

‒ 5.128

        

Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's

1.503

1.631

1.926

2.145

2.070

2.127

‒ 57

Stichting COVA

1.503

1.631

1.926

2.145

2.070

2.127

‒ 57

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Artikel 71 Nog onverdeeld

Dit niet-beleidsartikel bevat de posten prijsbijstelling, loonbijstelling, onverdeeld en onvoorzien.

Tabel 12 Nominaal en onvoorzien: opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van de vastgestelde begroting 2024, realisatie en het verschil (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

        

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Onverdeeld

0

0

0

0

0

  

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

6. Bedrijfsvoeringsparagraaf

Inleiding

In de bedrijfsvoeringsparagraaf (BVP) wordt verslag gedaan van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering. De informatie opgenomen in de BVP is tot stand gekomen vanuit het departementale management control systeem en informatie uit audits van de Auditdienst Rijk (ADR). Deze paragraaf omvat drie elementen:

Paragraaf 1 - Rapportage voor de volgende verplichte onderdelen:

a. Rechtmatigheid

b. Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

c. Begrotingsbeheer, financieel beheer en materiële bedrijfsvoering

d. Misbruik en oneigenlijk gebruik

e. Overige aspecten van de bedrijfsvoering

f. Fraude- en corruptierisico's

Paragraaf 2 - Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Paragraaf 3 - Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

1. Rapportage voor de volgende verplichte onderdelen

a. Rechtmatigheid

Er hebben zich geen overschrijdingen voorgedaan.

b. Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden te vermelden.

c. Begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfsvoering

Er zijn geen bijzonderheden te vermelden.

d. Misbruik en oneigenlijk gebruik

Ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies, beschikt KGG over een toereikend M&O-beleid. Dit beleid voorziet onder meer in het opstellen/onderhouden van een risicoanalyse per regeling, heldere en eenduidige definities van begrippen, voorlichting, het kunnen opvragen van accountantsproducten bij financiële verantwoordingen en het melden van gegronde vermoedens van fraude door subsidieaanvragers bij het OM. Toepassing van het departementale M&O-beleid is verankerd in het ‘Stappenplan voor het opstellen of wijzigen van een beleidsinstrument’ van de Werkgroep KGG-subsidies, reflectie vanuit de Monitorcommissie KGG en het toezicht door FEZ. RVO ondersteunt beleidsdirecties bij de uitvoering van de risicoanalyse, het opstellen van de regeling, het geven van voorlichting en de vraag welk accountantsproduct bij een (ontwerp) regeling het meest passend is.

e. Overige aspecten van de bedrijfsvoering

Er zijn geen bijzonderheden te vermelden.

f. Fraude- en corruptierisico's

In 2025 zijn geen materiële interne fraudes en/of corrupties aan het licht getreden die in de bedrijfsvoeringsparagraaf moeten worden vermeld. KGG beschikt over een vastgesteld integriteitsbeleid, een Beveiligingsautoriteit (BVA), zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit BVA-stelsel Rijksdienst 2021 en een BVA-team. Het BVA-team geeft advies, houdt toezicht op de integrale beveiliging en laat analyses en audits uitvoeren. Dienstonderdelen geven in het jaarplan en tussentijdse voortgangsrapportages aan welke grote risico’s het dienstonderdeel in de realisatie van de doelen voorziet en hoe deze risico’s worden beheerst. Daarnaast worden in de Bestuursraad de actuele strategische risico's besproken. Risicomanagement is hiermee verankerd in de departementale P&C-cyclus. Het acteren op risico’s in dit verband, die gepaard gaan met interne- en externe ontwikkelingen is een continu proces bij KGG.

Het frauderisicomanagement is opgenomen in de handreiking financieel en materieel beheer EZ, KGG en LVVN en is voor het laatst in november 2025 geactualiseerd. Medewerkers van KGG kunnen ook, al dan niet bewust, betrokken raken bij diverse vormen van fraude. Om die reden is het van belang dat medewerkers bij belangrijke beslissingen in teamverband werken, bij inkopen gebruik maken van het inkoopplein, bij het verstrekken van subsidies gebruik maken van geautomatiseerde systemen en bij het registreren van verlof en werkkosten gebruik maken van P-Direkt. De medewerkers zijn via voorlichting bekend met het departementale integriteitsbeleid inclusief een procedure voor het melden van integriteitsschendingen en regels om belangenverstrengeling te voorkomen.

2. Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Herstel- en Veerkrachtplan

Het Ministerie van Financiën zal conform het Nederlands Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) vanaf 2024 tot en met 2026 vijf onderbouwde betalingsverzoeken bij de Europese Commissie (EC) indienen. KGG beschikt over een door de Bestuursraad vastgesteld Verantwoordingskader HVP-EZK met afspraken om risico’s in de tussentijdse verantwoording over realisatie van in het HVP opgenomen mijlpalen en doelen te verdelen over het departement. Het financieel belang van het HVP is circa € 5,4 mld in totaal. KGG is samen met EZ veruit de grootste uitvoerder van HVP-projecten (€ 2,5 mld van € 5,4 mld). Bij tekortkomingen in de verantwoording kan de EC een korting op ingediende betaalverzoeken opleggen. De verantwoordingseisen van het HVP leveren bij departementen uitdagingen op.

Nederland heeft inmiddels drie betaalverzoeken ingediend, in mei 2024 van € 1,3 mld, in december 2024 van € 1,2 mld en in december 2025 van € 551 mln. De Europese Commissie heeft de eerste twee betaalverzoeken positief beoordeeld en de middelen uitgekeerd aan Nederland, het derde betaalverzoek is nog in behandeling.

In het najaar van 2025 heeft Nederland een wijzigingsverzoek ingediend bij de Europese Commissie, omdat Rijksbreed een aantal maatregelen om uiteenlopende redenen niet (tijdig) kon worden gerealiseerd, waaronder maatregelen die onder KGG vallen. De belangrijkste wijzigingen voor KGG zijn dat de maatregel voor de aanschaf van de noodsleepboten (Wind op zee) geen onderdeel meer uitmaakt van het HVP en dat de bestaande maatregel Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) is uitgebreid. Het wijzigingsverzoek is in januari 2026 goedgekeurd door de Europese Commissie in de Ecofinraad.

Nederland is voornemens om het vierde en vijfde betaalverzoek (€ 2,4 mld) in respectievelijk Q2 en Q3 van 2026 in te dienen bij de Europese Commissie. Conform planning vinden er tot en met het eerste kwartaal van 2027 controle- en rapportagewerkzaamheden plaats.

Audit Committee

In 2025 heeft het Audit Committee (AC) viermaal vergaderd, in maart, juni, oktober en in december. Hierbij is onder meer gesproken over het auditrapport van de ADR, het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer (AR), Artificial Intelligence en de taakstelling/reorganisatie bij EZ en KGG.

Het functioneren van de Audit Committees van het Rijk wordt momenteel geëvalueerd door het Ministerie van Financiën (conform artikel 12.1 van de Regeling Audit Committees van het Rijk). Tijdens deze evaluatie wordt gekeken hoe de huidige regeling functioneert en of deze aansluit bij een effectieve en efficiënte inrichting van Audit Committees binnen het Rijk. Het concept evaluatierapport is in 2025 gereed; aanpassing van de regeling zal in 2026 gereed zijn. In overleg met het AC wordt bezien welke aanpassingen door het departement worden doorgevoerd naar aanleiding van de gewijzigde regeling.

3. Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Verduurzaming EZ , KGG en LVVN in de bedrijfsvoering

EZ/KGG en LVVN publiceren jaarlijks het gezamenlijke verslag over de duurzaamheid van de eigen organisaties.

In mei 2025 is het Duurzaamheidsverslag 2024 van EZ, KGG en LVVN gepubliceerd op rijksoverheid.nl. Bij het opstellen van dit duurzaamheidsverslag zijn de rapportagestandaarden van het Global Reporting Initiative (GRI) in beschouwing genomen. Het duurzaamheidsverslag geeft inzicht in de verduurzaming van de eigen bedrijfsvoering en ketenverduurzaming bij EZ, KGG en LVVN, hun diensten en agentschappen, waaronder de RVO, SodM, NVWA, ect.

De aansturing van verduurzaming vindt plaats via het Bedrijfsvoeringsoverleg van EZ, KGG en LVVN. In dit overleg vindt de strategische besluitvorming plaats over bedrijfsvoeringsonderwerpen die alle organisatieonderdelen raken. De Plaatsvervangend secretarissen-generaal zijn voorzitter van dit overleg en opdrachtgever voor het Manifest Verduurzaming Bedrijfsvoering. De bestuursraden van EZ/KGG en LVVN zijn eindverantwoordelijk voor de totale verduurzaming van de organisaties.

Hoewel de ministeries een mooie vooruitgang hebben geboekt, blijven er aandachtsgebieden die extra inspanning vragen. Vooral zakelijke vliegreizen en het gebruik van privéauto’s voor werkdoeleinden zorgen nog steeds voor relatief hoge CO₂-uitstoot. De komende jaren zetten de ministeries hier sterker op in, om ook hierop verdere verduurzaming te realiseren.

Sinds 2025 maken EZ, KGG en LVVN een meer gedetailleerde doorkijk naar 2030. Door de beschikbaarheid van steeds betere data kunnen zij hun aanpak gerichter bijsturen. Tegelijkertijd is het vernieuwde Klimaatplan 2025–2035 in werking getreden. Dit plan vormt een belangrijk kader voor het verduurzamen van de bedrijfsvoering binnen de Rijksoverheid. In aansluiting daarop wordt ook het Manifest Verduurzaming Bedrijfsvoering van EZ, KGG en LVVN herzien. Dit manifest vertaalt de doelen uit het Klimaatplan naar concrete en uitvoerbare maatregelen binnen de organisaties

C. JAARREKENING

7. Departementale verantwoordingsstaat

Tabel 13 Departementale verantwoordingsstaat 2025 van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Vastgestelde begroting (1)1

Realisatie (2)

Verschil realisatie en vastgestelde begroting (3) = (2) - (1)

  

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

 

Totaal

20.665.342

4.496.332

2.418.140

33.720.099

6.071.319

4.161.305

13.054.757

1.574.987

1.743.165

           
 

Beleidsartikelen

20.668.400

4.499.390

2.418.140

33.720.099

6.071.319

4.161.305

13.051.699

1.571.929

1.743.165

31

Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

20.668.400

4.499.390

2.418.140

33.720.099

6.071.319

4.161.305

13.051.699

1.571.929

1.743.165

           
 

Niet-beleidsartikelen

‒ 3.058

‒ 3.058

0

0

0

0

3.058

3.058

0

71

Nog onverdeeld

‒ 3.058

‒ 3.058

0

0

0

0

3.058

3.058

0

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

8. Samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen

Tabel 14 Samenvattende verantwoordingsstaat 2025 inzake de baten-lastenagentschappen van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil realisatie en vastgestelde begroting (3)=(2)-(1)

Realisatie 2024 (4)

Nederlandse Emissieautoriteit

    

Totale baten

31.595

27.921

‒ 3.674

21.342

Totale lasten

31.595

27.921

‒ 3.674

20.180

Saldo van baten en lasten

0

0

0

1.162

     

Totale kapitaaluitgaven

4.045

3.695

‒ 350

3.191

Totale kapitaalontvangsten

2.836

0

‒ 2.836

2.530

9. Jaarverantwoording baten-lastenagentschappen per 31 december 2025

Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)

De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is de onafhankelijke nationale autoriteit voor de uitvoering van en het toezicht op marktinstrumenten die bijdragen aan een klimaatneutrale samenleving. De NEa ondersteunt de uitvoering van het Europese Emissiehandelssysteem (EU ETS) en de systematiek Energie voor Vervoer (EV) in Nederland en houdt daar toezicht op. Dat doet de NEa door bedrijven te informeren, te adviseren en door toezicht te houden.

Daarnaast is de NEa onder andere de uitvoerder van de nationale CO2-heffing en de Inframarginale Elektriciteitsheffing (IME) en ziet NEa toe op het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen. De uitvoering van de wettelijke taken van het agentschap NEa valt onder de eindverantwoordelijkheid van het bestuur van de NEa dat een ZBO is.

Tabel 15 Verantwoording van het baten-lastenagentschap NEa voor het jaar 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

Realisatie 2024 (4)

Baten

    

- Omzet

31.595

27.323

‒ 4.272

20.970

waarvan omzet moederdepartement

22.035

17.377

‒ 4.658

14.104

waarvan omzet overige departementen

9.560

9.946

386

6.866

waarvan omzet derden

0

0

0

0

Rentebaten

0

331

331

301

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

267

267

71

Totaal baten

31.595

27.921

‒ 3.674

21.342

     

Lasten

    

Apparaatskosten

28.984

23.856

‒ 5.128

18.220

- Personele kosten

24.237

17.483

‒ 6.754

14.471

waarvan eigen personeel

18.889

14.064

‒ 4.825

11.768

waarvan inhuur externen

4.401

2.582

‒ 1.819

1.443

waarvan overige personele kosten

947

837

‒ 110

1.260

- Materiële kosten

4.747

6.373

1.626

3.749

waarvan apparaat ICT

2.120

1.800

‒ 320

1.555

waarvan bijdrage aan SSO's

1.869

3.239

1.370

1.770

waarvan overige materiële kosten

758

1.334

576

424

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

844

2.692

1.848

740

Rentelasten

128

80

‒ 48

65

Afschrijvingskosten

1.639

1.266

‒ 373

1.093

- Materieel

0

0

0

0

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

0

0

0

0

- Immaterieel

1.639

1.266

‒ 373

1.093

Overige lasten

0

27

27

62

waarvan dotaties voorzieningen

0

0

0

0

waarvan bijzondere lasten

0

27

27

62

Totaal lasten

31.595

27.921

‒ 3.674

20.180

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

0

0

0

1.162

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

  

0

Saldo van baten en lasten

0

0

0

1.162

Toelichting op de baten

De NEa heeft drie opdrachtgevers. De omzet bestaat uit de vergoeding van deze opdrachtgevers voor de door de NEa gemaakte kosten. Tot en met 2024 belastte de NEa de personele kosten door op basis van geschreven directe uren en een vooraf afgesproken uurtarief. Hierdoor kon de NEa winst of verlies maken. Vanaf 2025 vindt afrekening plaats op basis van werkelijke kosten. De materiele kosten werden al doorbelast op basis van werkelijke kosten, daar verandert niets. NEa kan hierdoor geen winst meer maken.

De totale baten zijn lager dan de baten in de ontwerpbegroting uit mei 2024. Dit verschil betreft vooral de omzet moederdepartement.

Tabel 16 Omzet moederdepartement (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Structurele bijdragen moederdepartement

    

ETS1

12.680

13.085

405

10.743

ETS2

2.394

1.866

‒ 528

1.364

Red3 Industrie

404

79

‒ 325

22

Jaarverplichting groen gas

605

27

‒ 578

7

Tweedelijns toezicht certificering duurzaamheidscriteria

1.210

235

‒ 975

25

Inframarginale Elektriciteitsheffing

3.513

716

‒ 2.797

995

Overig Nieuwe taken

0

248

248

0

Afschrijvingskosten

1.229

1.121

‒ 108

948

Totaal

22.035

17.377

‒ 4.658

14.104

De omzet moederdepartement (€ 17,4 mln) is de vergoeding voor de door de NEa gemaakte kosten voor taken in opdracht van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

Deze omzet is € 4,7 mln lager dan begroot. Het verschil wordt vooral veroorzaakt door onderuitputting op IME en op certificering duurzaamheid.

IME is een nieuwe en eenmalige regeling, voortvloeiend uit een Europese verordening. Doel van deze verordening is het afromen van excessieve winsten die sommige producenten van elektriciteit hebben gemaakt ten tijde van de gestegen energieprijzen einde 2022. Het gaat om een complexe regeling die op korte termijn ingericht moest worden. Bij aanvaarding van deze taak constateerde de NEa veel onzekerheden ten aanzien van opzet, wettelijke verankering en mogelijke bezwaarprocedures. Daarom is bewust met opdrachtgever een ruim budget afgesproken zodat de NEa voldoende middelen zou hebben om deze regeling uit te voeren en bijvoorbeeld voldoende inspecteurs, accountants en handhavingsjuristen zouden kunnen inhuren. Uiteindelijk is de NEa in staat geweest de regeling zo in te richten dat uitvoering voor bedrijven relatief eenvoudig is en dat er weinig ruimte is voor alternatieve interpretaties. Onder meer hierdoor heeft de NEa weinig bezwaren gekregen van de bedrijven die onder deze heffing kwamen te vallen. Daardoor is de inhuur voor IME € 2,7 mln lager dan begroot. De overige kosten van IME zijn € 0,1 mln lager dan begroot.

De kosten voor tweedelijns toezicht certificering duurzaamheidscriteria zijn lager dan in de ontwerpbegroting. Er zijn minder fte nodig voor de uitvoering, dan waarmee in de begroting is gerekend.

Tot slot zijn vacatures voor diverse taken (met name ETS1 Zeevaart en groen gas) niet of later ingevuld, omdat werkzaamheden van die taken zijn uitgesteld en/of nog niet duidelijk is wat de werkzaamheden gaan worden die de NEa hiervoor moet uitvoeren.

Tabel 17 Omzet overige departementen (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Ministerie van IenW

5.815

6.729

914

5.179

Ministerie van FIN

3.745

3.061

‒ 684

1.687

Ministerie van EZ

0

156

156

0

Totaal

9.560

9.946

386

6.866

De omzet overige departementen bestaat uit omzet van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), het Ministerie van Financiën en het Ministerie van EZ.

De omzet van IenW (€ 6,7 mln) betreft een vergoeding voor de wettelijke of daarmee sterk verbonden taken op het gebied van Energie voor Vervoer (EV).

De omzet Energie voor Vervoer stijgt in 2025 als gevolg van de extra taken. De omzet is € 0,9 mln hoger dan de ontwerpbegroting voor 2025. Dit verschil is deels het gevolg van een hogere afname van monsteranalyses dan ingeschat bij de ontwerpbegroting en deels het gevolg van de gestegen kosten van SSO’s.

De omzet van het Ministerie van Financiën (€ 3,1 mln) betreft de uitvoering van CBAM, het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de Europese buitengrens.

De stijging van de omzet CBAM t.o.v. de omzet 2024 (€1,4 mln) betreft de uitbesteding voor uitvoering van het proces rondom de toelating voor CBAM-aangevers (€ 1,5 mln) (minus € 0,1 mln omdat overige kosten iets lager zijn. Deze kosten waren bij het opstellen van de ontwerpbegroting in mei 2024 nog niet voorzien. Toch zijn de totale kosten in 2025 lager dan in de ontwerpbegroting, omdat de doelgroep waarmee rekening werd gehouden in de ontwerpbegroting toen hoger was. De wet- en regelgeving met betrekking tot CBAM is in de loop van 2025 aangepast, waardoor de overige kosten uiteindelijk veel lager uitvielen dan waar in de ontwerpbegroting rekening mee werd gehouden. De kosten zijn lager geworden o.a. doordat minder bedrijven uiteindelijk onder de CBAM-regeling vallen dan oorspronkelijk was bedacht.

De omzet vanuit het Ministerie van EZ (€ 0,2 mln) betreft gelden vanuit het programma TiI (transparantie in Informatie). Deze gelden zijn bestemd voor het verbeteren van de informatiehuishouding in het kader van de Parlementaire Onderzoekscommissie Kinderopvang (POK) en het invoeren van de Woo (Wet Open Overheid).

Rentebaten

De rentebaten over 2025 zijn een gevolg van het positieve saldo op de Rekening Courant bij het Ministerie van Financiën. Deze zijn hoger dan begroot, omdat NEa gedurende 2025 een hoog saldo had omdat bevoorschotting niet werd uitgeput. De niet uitgeputte voorschotten worden in 2026 terugbetaald.

Bijzondere baten

De bijzondere baten betreffen voornamelijk positieve verschillen tussen de opgenomen kosten 2024 en daadwerkelijke facturen van kosten 2024. In het jaarverslag van 2024 zijn kosten opgenomen voor in 2025 nog te ontvangen facturen over 2024. Dit is een inschatting, facturen kunnen om diverse redenen afwijken van de eerder inschatting. Er is ook een reservering vrijgevallen voor een vaststellingsovereenkomst, omdat EZ deze heeft betaald en niet heeft doorbelast.

Toelichting op de lasten

De totale lasten zijn € 5,5 mln lager dan in de ontwerpbegroting over 2025. Dit zit vooral in de kosten van eigen personeel en inhuur derden.

Personele kosten

De totale personele kosten zijn € 6,8 mln lager dan de kosten in de ontwerpbegroting 2025. Dit zit vooral in de kosten van eigen personeel en inhuur derden.

De kosten van vast personeel zijn € 4,8 mln lager omdat vacatures voor diverse taken (ETS Zeevaart, groen gas, CBAM) niet zijn ingevuld.

De reden hiervoor is dat werkzaamheden minder bleken dan verwacht, deels omdat de doelgroep kleiner was en deels doordat werkzaamheden naar achteren zijn verschoven, omdat de wet- en regelgeving nog niet gereed was.

De inhuur externen is € 1,8 mln lager dan verwacht. Dit wordt veroorzaakt door IME (€ 2,7 mln) Dit is reeds toegelicht bij de verschillen in omzet eerder in de tekst. De overige inhuur is € 0,9 mln hoger dan begroot. Er is meer ingehuurd dan verwacht voor vervanging van langdurig zieken en ouderschapsverlof en voor moeilijk invulbare functies.

Materiële kosten

De materiele kosten zijn € 1,6 mln hoger dan begroot. Dit zit met name in de hogere kosten van SSO’s.

De kosten van ICT zijn € 0,3 mln lager dan begroot. De kosten van de leverancier die de applicaties en registers bouwt en onderhoudt zijn € 0,2 mln lager dan begroot en de kosten voor certificaten en e-herkenning zijn € 0,1 mln lager dan begroot.

De kosten van de SSO’s (Shared Service Organisaties) zijn € 1,4 mln hoger dan begroot. Door de groei van de NEa is een extra etage in het kantoor aan de Koningskade 4 in gebruik genomen. Hierdoor stijgen de kosten van het Rijksvastgoedbedrijf met € 0,5 mln. De kosten van UDAC (voor onder andere ICT en kantoorautomatisering) zijn € 1 mln hoger dan begroot, met name door prijsstijgingen en doorbelastingen van werkzaamheden die eerder niet doorbelast werden.

Tot slot wordt minder afgenomen dan begroot van EZ, (€ 0,1 mln), doordat NEa meer werkzaamheden zelf uitvoert.

De overige materiële kosten zijn € 0,6 mln hoger dan begroot. Dit betreft met name de overgang naar een nieuw content managementsysteem (€ 0,5 mln) en de overgang naar het CJIB voor het innen van de boetes (€0,1 mln).

Kosten uitbesteed werk

De kosten uitbesteed werk zijn € 1,8 mln hoger dan begroot. Het verschil betreft vooral de uitbesteding voor uitvoering van het proces rondom de toelating voor CBAM-aangevers. Deze kosten (€ 1,6 mln) waren nog niet bekend ten tijde van het opstellen van de Ontwerpbegroting 2025 in mei 2024.

Verder zijn de kosten voor monsteranalyses bij hernieuwbare energie en aanvullende onderzoeken € 0,2 mln hoger dan in de ontwerpbegroting was voorzien.

Afschrijvingskosten

Na ingebruikname van immateriële vaste activa start de afschrijving. De afschrijvingskosten zijn € 0,4 mln lager dan begroot.

De afschrijvingskosten zijn hoger dan in 2024 omdat in 2025 twee registers voor ETS in gebruik zijn genomen: EHP Zeevaart (activering van € 0,2 mln) en EHP2 (activering van € 0,7 mln).

De activering van het register voor de registratie van ERE’s (Emissiereductie-eenheden) is uitgesteld naar half 2026. Hierdoor zijn de afschrijvingskosten € 0,3 mln lager dan begroot. De rest van het verschil wordt verklaard doordat er in 2025 geen (eerder wel geplande) ontwikkeling voor Cher (het CO2 register) heeft plaatsgevonden en doordat de geactiveerde ontwikkelkosten van EHP Zeevaart lager zijn dan begroot.

Rentelasten

De rentelasten betreffen rente voor de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën.

Overige lasten

De overige lasten bestaan uit bijzondere lasten. De bijzondere lasten betreffen grotendeels nagekomen facturen over 2025 waarvoor geen transitorische post was opgenomen.

Resultaat

Het resultaat van de NEa over het jaar 2025 is 0. NEa wordt vanaf 2025 bekostigd op basis van werkelijke kosten en maakt geen winst of verlies.

Tabel 18 Balans per 31 december 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Balans 2025

Balans 2024

Activa

  

Vaste activa

5.185

5.111

Immateriële vaste activa

5.185

5.111

Materiële vaste activa

0

0

waarvan grond en gebouwen

0

0

waarvan machines en installaties

0

0

waarvan andere vaste bedrijfsmiddelen

0

0

waarvan vaste bedrijfsmiddelen in uitvoering en vooruitbetaald op materiële vaste activa

0

0

waarvan niet aan de bedrijfsuitvoering dienstbaar

0

0

Vlottende activa

17.501

10.383

Voorraden

0

0

waarvan grond- en hulpstoffen

0

0

waarvan onderhanden werk

0

0

waarvan gereed product en handelsgoederen

0

0

waarvan vooruitbetaald op voorraaden

0

0

Vorderingen

630

437

waarvan debiteuren

30

3

waarvan overige vorderingen

177

121

waarvan overlopende activa

423

313

Liquide middelen

16.871

9.946

Totaal activa

22.685

15.494

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

783

1.790

Bestemmingsfonds(en)

0

0

Pok/ Wao reserve

0

0

Exploitatiereserve

783

628

Onverdeeld resultaat

0

1.162

Voorzieningen

0

0

Langlopende schulden

1.730

3.078

Leningen bij het Ministerie van Financiën

1.730

3.078

Kortlopende schulden

20.172

10.626

Crediteuren

310

71

Belastingen en premies sociale lasten

17

18

Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën

1.348

1.348

Overige schulden

0

438

Overlopende passiva

18.497

8.751

Totaal passiva

22.685

15.494

Toelichting op de Balans

Vaste activa

Immateriële vaste activa

De immateriële vaste activa betreffen zelf ontwikkelde registers. In 2025 is € 1,3 mln afgeschreven en is voor € 1,4 mln geïnvesteerd.

Vlottende activa

De debiteuren betreffen facturen voor de vrijwillige rekeninghouders van het ETS-register (derden). Vrijwillige rekeninghouders betreffen bedrijven die niet verplicht deelnemen aan het EU ETS, maar wel in emissierechten willen handelen. Deze bedrijven moeten betalen voor hun deelname aan het ETS register, de verplichte deelnemers niet.

De overige vorderingen betreffen nog te ontvangen creditrente over 2025 voor de Rekening Courant bij het Ministerie van Financiën (overige ministeries).

De overlopende activa betreffen vooruitbetaalde bedragen (€ 177.000) aan derden, nog te ontvangen bedragen van overige ministeries (€ 75.000 voor POK/WOO-gelden van EZ) en nog te ontvangen bedragen van derden (€ 17.000).

Liquide middelen

De liquide middelen betreffen met name de Rekening Courant bij het Ministerie van Financiën (€ 16,9 mln). In het kasstroomoverzicht is het verloop hiervan toegelicht.

Passiva

Eigen vermogen

Het eigen vermogen einde boekjaar betreft de exploitatiereserve.

De exploitatiereserve is afgenomen door de afroming.

Het eigen vermogen bedraagt eind 2025 € 0,8 mln. Het vermogensplafond is € 1.050 mln (5% van de gemiddelde jaaromzet over de laatste drie jaar). Er hoeft dus niets te worden afgedragen aan het moederdepartement KGG.

Het verloop van het Eigen Vermogen is hieronder toegelicht:

Tabel 19 Vermogensontwikkeling (bedragen x € 1.000)
 

2022

2023

2024

2025

1.Eigen Vermogen per 1/1

1.331

1.181

1.695

1.790

2. Saldo Baten en Lasten

827

1.145

1.162

0

3. Directe mutaties in het Eigen Vermogen

‒ 977

‒ 631

‒ 1.067

‒ 1.007

‒ 3a Uitkering aan moederdepartement

‒ 985

‒ 631

‒ 1.067

‒ 1.007

‒ 3b Additionele bijdrage van moederdepartement

8

0

0

0

‒ 3c Overige Mutaties

0

0

0

0

‒ 3d Toevoeging aan de bestemmingsreserve

0

0

0

0

‒ 3e Onttrekking aan de bestemmingsreserve

0

0

0

0

4. Eigen vermogen per 31/12

1.181

1.695

1.790

783

Vermogensontwikkeling

De uitkering aan het moederdepartement betreft de afroming van het eigen vermogen over het boekjaar 2024.

Langlopende schulden

De lening bij het Ministerie van Financiën betreft drie leningen voor de zelfontwikkelde immateriële vaste activa. Het kortlopende deel daarvan is opgenomen onder de kortlopende schulden.

Kortlopende schulden

De crediteuren betreffen alleen derden (en geen rijksoverheidsorganisaties).

De belastingen en sociale premies betreffen te betalen btw aan het ministerie van Financiën (overige ministeries).

Het kortlopende deel van de leningen betreft de bedragen die in 2026 moeten worden afgelost van de drie huidige leningen bij het Ministerie van Financiën (overige ministeries).

De overlopende passiva (€ 18,5 mln) bestaan uit een schuld aan het moederdepartement (KGG) (€ 9,3 mln), schulden aan overige ministeries (€ 6,4 mln) en schulden aan derden (€ 2,8 mln).

De schuld aan het moederdepartement (KGG) betreft de terug te betalen bijdragen 2024 en de terug te betalen bijdrage 2025, vanwege de lagere realisatie van de kosten (€ 9,0 mln) en over te dragen ontvangen boetes (€ 0,1 mln) en vergoedingen voor vrijwillige rekeninghouders van het ETS (€ 0,2 mln).

De schulden aan overige ministeries betreffen de terug te betalen bijdrage 2025, vanwege de lagere realisatie van de kosten (€ 4,9 mln), over te dragen boetes (€ 0,6 mln), en nog te ontvangen facturen (€ 0,9 mln).

De schulden aan derden betreffen de openstaande vakantie uren (€ 1,9 mln) en nog te ontvangen facturen over 2025 (€ 0,9 mln).

De reden dat er bijdragen aan de opdrachtgevers moeten worden terugbetaald, is dat bij het opstellen van de offertes rekening werd gehouden met hogere kosten. Omdat werkzaamheden ofwel vertraagd zijn ofwel minder zijn dan verwacht, vallen de kosten lager uit dan in de offertes.

Tabel 20 Kasstroomoverzicht over het jaar 2025 (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil realisatie en vastgestelde begroting (3)=(2)-(1)

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2025 + stand depositorekeningen

4.116

9.943

5.827

 

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

31.595

37.080

5.485

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 29.956

‒ 26.459

3.497

2.

Totaal operationele kasstroom

1.639

10.621

8.982

 

Totaal investeringen (-/-)

‒ 2.836

‒ 1.340

1.496

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 2.836

‒ 1.340

1.496

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

‒ 1.007

‒ 1.007

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 1.209

‒ 1.348

‒ 139

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

2.836

0

‒ 2.836

4.

Totaal financieringskasstroom

1.627

‒ 2.355

‒ 3.982

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2025 + stand depositorekeningen  (=1+2+3+4)

4.546

16.869

12.323

Toelichting Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen in de verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en op welke wijze gebruik is gemaakt van deze middelen.

Operationele kasstroom

Bij het bepalen van de operationele kasstroom is uitgegaan van het saldo van baten en lasten, dat is gecorrigeerd voor de afschrijvingen, aflossingen en de mutaties in de balansposten kortlopende activa en passiva.

Investeringskasstroom

In 2025 heeft de NEa € 1,3 mln geïnvesteerd in immateriële vaste activa. Dit betreft de registers die bij de NEa zelf ontwikkeld worden.

Financieringskasstroom

In 2025 heeft de NEa € 1 mln aan eigen vermogen afgedragen aan het moederdepartement KGG.

In 2025 is er geen beroep gedaan op de leenfaciliteit. Er is € 1,3 mln afgelost op de leenfaciliteit.

Tabel 21 Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2025
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

 

2022

2023

2024

2025

2025

Algemeen

     

Gemiddeld uurtarief

  

107

n.v.t.

120

Directe uren/totaal gewerkte uren

76%

76%

78%

n.v.t.

≥ 70%

FTE-totaal (exclusief externe inhuur)

84,3

97,9

129,4

140,5

172,0

Omzet per productgroep (x € 1000)

     

Naleving ETS (KGG)

6.322

8.628

13.013

16.072

16.284

Naleving overig KGG

0

0

1.050

1.305

6.981

Naleving EV (IenW)

4.463

4.878

5.179

6.729

5.815

Naleving CBAM (Fin)

0

0

1.687

3.061

3.745

Bijdrage POK/WOO (EZ)

0

0

41

156

0

Saldo van baten en lasten na resultaatbestemming (%)

6,88%

7,42%

5,44%

0,00%

0,00%

Emissiehandel

     

Geaggregeerd % vergunningsaanvragen en -mutaties afgehandeld binnen wettelijke termijn

100%

67%

43%

71%

≥80%

Voortgang toezichtsprogramma Emissiehandel

58%

70%

51%

86%

100%

Energie voor Vervoer

     

Opleveringsdatum Rapportage Energie voor vervoer In Nederland jaar t-1

1-7-2022

17-7-2023

14-6-2024

11-7-2025

<15 juli

Voortgang toezichtsprogramma Energie voor Vervoer

115%

130%

100%

100%

100%

Toelichting doelmatigheidsindicatoren

Algemeen

Vanaf 2025 is de kostprijssystematiek van de NEa aangepast van een kostprijsmodel naar inputbekostiging met afrekening op basis van werkelijke personele en materiële kosten Daarom rapporteert de NEa niet meer over het uurtarief.  Ook hoeven NEa medewerkers geen uren meer te schrijven. Daarom rapporteert de NEa niet meer over het percentage directe uren.

De fte’s zijn gestegen als gevolg van nieuwe taken voor de NEa. Maar niet zoveel als eerder verwacht, omdat vacatures zijn uitgesteld als gevolg uitstel van taken en onduidelijkheid over de aard en omvang van taken.

Omzet per productgroep

De omzet ETS stijgt in 2025, omdat er nieuwe doelgroepen zijn bijgekomen (ETS Zeevaart, ETS2).

De omzet ETS is lager dan begroot, met name omdat bij ETS Zeevaart nog geen duidelijkheid is over de aard en omvang van de werkzaamheden, door uitblijvende wet- en regelgeving.

ETS 2 is lager dan begroot, omdat het tempo van de werving lager is, dan eerder ingeschat.

De omzet naleving overig stijgt in 2025, omdat er nieuwe taken zijn bijgekomen (onder meer toezicht op duurzaamheidscertificering en Red3 Industrie). In de ontwerpbegroting was echter een hoger bedrag gepland. In praktijk blijkt besluitvorming over wet- en regelgeving langzamer te lopen dan verwacht, waardoor werkzaamheden naar achteren worden geschoven.

Zie voor toelichting op de omzet van overige ministeries de toelichting op de omzet.

Emissiehandel

De norm voor het tijdig verlenen van vergunningen is niet gehaald. Er zijn twee vergunningsaanvragen uit de Awb-termijn gelopen (van de zeven verleende vergunningen in totaal). Bij één kwam dit door de complexiteit van de aanvraag ende tweede vergunning was vertraagd vanwege tijdelijke capaciteitsproblemen.

Het percentage voortgang toezichtsprogramma Emissiehandel is weliswaar onder de norm gebleven maar is ten opzichte van 2024 flink gestegen ondanks personele onderbezetting (minder langdurige ziekte). Met de combinatie van inspecties en bureauanalyses van ingediende rapportages is wel ruim 90% van alle gerapporteerde emissies afgelopen 2,5 jaar geïnspecteerd. Overal ziet de NEa daarom geen of een beperkt risico in de licht achter gebleven voortgang toezichtsprogramma. Uiteraard wordt wel op verdere verbetering ingezet.

Energie voor Vervoer

Het toezichtprogramma is volledig uitgevoerd.

10. Saldibalans

Tabel 22 Saldibalans per 31 december 2025 van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) (bedragen x € 1.000)

Activa

31-12-2025

 

01-01-2025

 

Passiva

31-12-2025

 

01-01-2025

          

Intra-comptabele posten

       

1

Uitgaven ten laste van de begroting

6.071.319

 

0

2

Ontvangsten ten gunste van de begroting

4.161.305

 

0

3

Liquide middelen

0

 

0

     

4

Rekening-courant RHB1

0

 

0

4a

Rekening-courant RHB

1.909.413

 

0

5

Rekening-courant RHB Begrotingsreserve

3.508.308

 

5.431.977

5a

Begrotingsreserves

3.508.307

 

5.431.977

6

Vorderingen buiten begrotingsverband

0

 

176

7

Schulden buiten begrotingsverband

602

 

176

8

Kas-transverschillen

        

Subtotaal intra-comptabel

9.579.627

 

5.432.153

Subtotaal intra-comptabel

9.579.627

 

5.432.153

          

Extra-comptabele posten

       

9

Openstaande rechten

0

 

0

9a

Tegenrekening openstaande rechten

0

 

0

10

Vorderingen

467.669

 

414.912

10a

Tegenrekening vorderingen

467.669

 

414.912

11a

Tegenrekening schulden

0

 

0

11

Schulden

0

 

0

12

Voorschotten

16.037.561

 

15.701.141

12a

Tegenrekening voorschotten

16.037.561

 

15.701.141

13a

Tegenrekening garantieverplichtingen

1.098.961

 

1.103.961

13

Garantieverplichtingen

1.098.961

 

1.103.961

14a

Tegenrekening andere verplichtingen

89.985.166

 

74.862.954

14

Andere verplichtingen

89.985.166

 

74.862.954

15

Deelnemingen

1.280.389

 

1.280.382

15a

Tegenrekening deelnemingen

1.280.389

 

1.280.382

Subtotaal extra-comptabel

108.869.746

 

93.363.350

Subtotaal extra-comptabel

108.869.746

 

93.363.350

          

Totaal

118.449.373

 

98.795.503

Totaal

118.449.373

 

98.795.503

1

Rijkshoofdboekhouding

Toelichting op de saldibalans

Algemeen

De balansposten zijn bepaald en gewaardeerd overeenkomstig de geldende voorschriften van de Comptabiliteitswet. Indien van de geldende voorschriften is afgeweken is dit nader toegelicht.

Alle bedragen zijn opgenomen in duizenden euro's tenzij anders vermeld. In de tabel van de saldibalans zijn de bedragen overeenkomstig de voorschriften naar boven afgerond. In de tabellen van de toelichting zijn de bedragen op de standaard wijze afgerond en opgeteld. Door de verschillende wijze van afronden kan de som van de overige tabellen afwijken van de bedragen van de tabel van de saldibalans.

De vergelijkende cijfers in de saldibalans zijn anders gepresenteerd dan de rijksbegrotingsvoorschriften voorschrijven. In plaats van de standen per 31 december voorgaand jaar toont de saldibalans de standen per 1 januari van het verslagjaar. Dit komt voort uit de besluiten genomen in juli 2024 met betrekking tot het instellen van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en de naamswijziging van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat in het Ministerie van Economische Zaken. Het verslagjaar 2025 is het eerste jaar dat beide departementen een eigen begrotingsadministratie voeren met de daarbij behorende saldibalans- posten. Met betrekking tot de vergelijkende cijfers is er voor gekozen om de beginbalansen van beide departementen te presenteren zodat de informatiewaarde van de saldibalans per departement beter is. De beginbalansen van beide departementen sluiten aan op de eindbalans 2024 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Bij het samenstellen van de beginbalansen van beide departementen ontstaat er een financiële verhouding. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei verkrijgt immers balansposten uit de balans van het Ministerie van Economische Zaken. De hierdoor ontstane schuld van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei aan het Ministerie van Economische Zaken is in de loop van 2025 verrekend en bedroeg € 22 duizend. In de saldibalans is dit bedrag bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei opgenomen onder de schulden buiten begrotingsverband en bij het Ministerie van Economische Zaken onder de vorderingen buiten begrotingsverband. De balanspost Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding is nihil in de openingsbalans omdat per 01-01-2025 het Ministerie van Klimaat en Groene Groei nog geen mutaties op de schatkistrekening had.

Saldibalanspost 8, kas-transverschillen, is niet van toepassing voor het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

Balanspost 1

Uitgaven ten laste van de begroting 2025

6.071.319

De uitgaven over 2025 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van KGG (hoofdstuk XXIII), onderdeel uitgaven, artikel 31.

Balanspost 2

Ontvangsten ten gunste van de begroting 2025

4.161.305

De ontvangsten over 2025 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van KGG (hoofdstuk XXIII), onderdeel ontvangsten, artikel 31.

Balanspost 3

Liquide Middelen

0

De post liquide middelen is opgebouwd uit de saldi van banken.

 

KGG beschikt niet over liquide middelen.

Balanspost 4

Rekening-Courant Rijkshoofdboekhouding

1.909.413

Op de rekening-courant Rijkshoofdboekhouding is de financiële verhouding tussen KGG en de Rijksschatkist van het Ministerie van Financiën geadministreerd.

Het bedrag op de saldibalans is overeenkomstig de saldo opgave per 31 december 2025 van het Ministerie van Financiën.

Balanspost 5

Begrotingsreserves

3.508.308

Een begrotingsreserve is een meerjarige budgettaire voorziening binnen de begroting die KGG aanhoudt op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën. De reserve blijft meerjarig beschikbaar voor het doen van uitgaven in latere jaren.

 

KGG maakt gebruik van de mogelijkheid om begrotingsreserves aan te houden. In het jaarverslag is er bij het betreffende begrotingsartikel informatie opgenomen over toevoegingen aan en onttrekkingen uit de begrotingsreserves aangevuld met relevante feiten en of ontwikkelingen.

Tabel 23 Begrotingsreserves

Specificatie begrotingsreserves:

Saldo 01-01-2025

Toevoegingen

Onttrekkingen

Saldo 31-12-2025

Artikel

ECN verstrekte leningen

6.600

  

6.600

31

Garantieregeling Geothermie

17.773

 

80

17.693

31

Duurzame Energie

5.407.604

822.413

2.746.003

3.484.014

31

      

Totaal

5.431.977

822.413

2.746.083

3.508.307

 
Balanspost 6

Vorderingen buiten begrotingsverband

0

Onder de vorderingen buiten begrotingsverband zijn bedragen opgenomen die nog van derden moeten worden ontvangen.

 
Balanspost 7

Schulden buiten begrotingsverband

602

Onder de schulden buiten begrotingsverband zijn de bedragen opgenomen die nog ten gunste van derden moeten worden gebracht.

 
Tabel 24 Schulden Buiten Begrotingsverband

De schulden buiten begrotingsverband zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Opdrachten derden

425

Waarborgfonds Mijnbouwschade

154

Overige schulden

23

  

Totaal

601

Opdrachten derden

RVO voert opdrachten uit voor derden. De opdrachten worden verstrekt door publieke en Europese organisaties. RVO zal de betreffende gelden overeenkomstig opdracht of overeenkomst aan begunstigden verstrekken.

Waarborgfonds Mijnbouwschade

Het Waarborgfonds mijnbouwschade is een regeling voor particuliere woningeigenaren in Zuid-Limburg. Het biedt een vergoeding voor fysieke schade aan woningen die aannemelijk het gevolg is van bodembeweging door de voormalige steenkoolwinning (mijnbouw), voor zover deze schade niet via andere wegen is vergoed.

Balanspost 9

Rechten

0

Rechten onstaan doordat op grond van wettelijke regelingen, in de toekomst aanspraak bestaat op gelden van derden.

 
Balanspost 10

Vorderingen

467.669

De vorderingen hebben betrekking op te ontvangen bedragen voor de begroting van KGG.

 
Tabel 25 Vorderingen

De vorderingen zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Direct opeisbare vorderingen

61.063

Op termijn opeisbare vorderingen

399.160

Geconditioneerde vorderingen

7.445

  

Totaal

467.669

Tabel 26 Direct opeisbare vorderingen

De direct opeisbare vorderingen zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Vorderingen inzake uitvoering beleid

58.110

Vorderingen tijdelijke tegemoetkoming blokaansluiting (TTB)

2.902

Overige vorderingen

51

  

Totaal

61.063

Vorderingen inzake uitvoering beleid

KGG heeft vorderingen voortkomend uit subsidie vaststellingen van diverse regelingen, uit het verstrekken van vergunningen en uit het opleggen van heffingen voor diverse economische activiteiten.

Vorderingen tijdelijke tegemoetkoming blokaansluiting

Vorderingen onstaan uit de tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluiting (TTB). Dit betrof een tegemoetkoming voor de hoge energieprijzen van 2023. De tegemoetkoming was alleen voor bewoners van gebouwen met een blokaansluiting. Deze groep viel niet onder het prijsplafond, de tijdelijke korting op de energierekening die bewoners zonder blokverwarming wel kregen.

Tabel 27 Op termijn opeisbare vorderingen

De op termijn opeisbare vorderingen zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Leningen

361.113

Dividend EBN

37.524

Overige vorderingen

523

  

Totaal

399.160

Leningen

KGG maakt bij de overdracht van beleidsgelden onder meer gebruik van het instrument leningen. Dergelijke leningen kennen in de regel specifieke afspraken en voorwaarden. De verstrekte leningen zijn in onderstaand overzicht verwerkt en geven de stand per balansdatum aan.

Tabel 28 Leningen

De leningen zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

EBN BV

133.400

Nuclear Research and consultancy Group (ECN)

102.113

Pallas

44.925

ECN

40.000

Fibrant

27.375

Stichting Groenfonds

7.066

Solarge Holding B.V.

5.284

NV LIOF

950

  

Totaal

361.113

Dividend EBN

Het door KGG te ontvangen bedrag aan dividend van EBN.

Tabel 29 Geconditioneerde vorderingen

De geconditioneerde vorderingen zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Garantieregelingen RVO

7.225

Overige vorderingen

220

  

Totaal

7.445

Garantieregelingen RVO

Met de garantieregeling Aardwarmte worden ondernemers in staat gesteld om bankleningen te verkrijgen zodat ondernemen mogelijk blijft. KGG staat garant voor de leningen waardoor het risico voor de bank op de bedrijfsfinanciering kleiner wordt. Bij aanspraak van de bank op de garantie betaalt RVO de bank. Hierdoor ontstaat er voor RVO een vordering op de onderneming die wordt opgenomen in de debiteurenadministratie. Wanneer een ondernemer een voorstel tot afkoop bij de bank indient legt de bank dit ter beoordeling voor aan RVO. Na instemming van RVO zorgt de bank voor afwikkeling van de overeengekomen regeling en maakt het aan RVO toekomende bedrag over.

Balanspost 11

Schulden

0

De schulden hebben betrekking op bedragen die ten gunste van de begroting van KGG zijn ontvangen.

 
Balanspost 12

Voorschotten

16.037.561

Voorschotten zijn bedragen die aan derden zijn betaald vooruitlopend op later definitief vast te stellen of af te rekenen bedragen.

 
Tabel 30 Voorschotten ouderdomsoverzicht

Beleidsartikelen

2021 en eerder

2022

2023

2024

2025

Totaal

31. Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

7.481.209

1.267.833

1.711.921

1.630.226

3.945.543

16.036.732

       

Buiten begrotingsverband

0

0

75

201

552

829

       

Totaal

7.481.209

1.267.833

1.711.997

1.630.427

3.946.095

16.037.561

Tabel 31 Verloopstaat voorschotten

Verloop van voorschotten gedurende het dienstjaar 2025

Bedrag

Beginstand 1 januari 2025

15.701.141

Verstrekte voorschotten

3.934.787

Eindafgerekende voorschotten

‒ 3.598.367

Eindstand 31 december 2025

16.037.561

De mutaties buiten begrotingsverband hebben betrekking op voorschotten die namens KGG zijn verstrekt maar waarvan financiering door derden plaatsvindt. De voorschotten die KGG heeft verstrekt namens de volgende opdrachtgevers zijn niet in de openstaande voorschotten buiten begrotingsverband meegenomen:

  • Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;

  • Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • Ministerie van Buitenlandse Zaken;

  • Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • Ministerie van Justitie en Veiligheid;

  • De provincies.

Balanspost 13

Garantieverplichtingen

1.098.961

De garantieverplichtingen zijn voorwaardelijke financiële verplichtingen. Deze verplichtingen komen op een later moment tot uitbetaling als bij de werderpartij die de garantie heeft ontvangen zich bepaalde omstandigheden voordoen, bijvoorbeeld een bepaald risico of een onzekere gebeurtenis.

 
Tabel 32 Verloop van de garantieverplichtingen

Beleidsartikelen

Stand per 01-01-2025

In 2025 aangegaan +

Bijstellingen -/-

Uitgaven -/-

Stand per 31-12-2025

31. Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

1.103.961

165.000

170.000

0

1.098.961

      

Totaal

1.103.961

165.000

170.000

0

1.098.961

Het saldo op «bijstellingen -/- « heeft betrekking op negatieve correcties van aangegane verplichtingen uit voorgaande jaren. Bijstellingen op verplichtingen aangegaan in dit verslaggevingsjaar zijn in mindering gebracht op het saldo «in 2025 aangegaan».

Onder de post garantieverplichtingen zijn ook opgenomen de garantieverplichtingen die vallen onder het domein van het schatkistbankieren van het Ministerie van Financiën (COVA).

Balanspost 14

Andere verplichtingen

89.985.166

Het gaat hier om financiële verplichtingen ten opzichte van een wederpartij die op een later moment tot betaling zal leiden. Indien de wederpartij alle gestelde voorwaarden nakomt zal de verplichting volledig tot betaling komen.

 
Tabel 33 Verloop van de andere verplichtingen

Beleidsartikelen

Stand per 01-01-2025

In 2025 aangegaan +

Bijstellingen -/-

Uitgaven -/-

Stand per 31-12-2025

31. Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

74.861.356

33.555.099

12.361.656

6.071.319

89.983.480

70. Apparaat KGG

0

0

0

0

0

Buiten begrotingsverband

1.597

659

0

571

1.685

      

Totaal

74.862.953

33.555.758

12.361.656

6.071.890

89.985.165

Het saldo op «bijstellingen -/- « heeft betrekking op negatieve correcties van aangegane verplichtingen uit voorgaande jaren. Bijstellingen op verplichtingen aangegaan in dit verslaggevingsjaar zijn in mindering gebracht op het saldo «in 2025 aangegaan».

Voor de andere verplichtingen is voor wat betreft het onderdeel buiten begrotingsverband dezelfde verantwoordingswijze toegepast als bij de openstaande voorschotten.

Niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingen

Energie Beheer Nederland (EBN)

In 2018 hebben de Staat, Shell en Exxon afspraken gemaakt in het Akkoord op Hoofdlijnen. Hierin is onder andere afgesproken dat de Staat ervoor zal zorgdragen dat EBN kan voldoen aan het EBN-deel van de verplichtingen ten aanzien van betalingen voor schadeafhandeling en de versterkingsopgave. Mogelijk leidt dat tot een kapitaalinjectie van de Staat aan EBN in de toekomst. Vanwege de onzekerheid over de precieze omvang en de timing van de eventuele kapitaalinjectie worden de verplichtingen in de financiële administratie vastgelegd in hetzelfde jaar als de kasbetalingen.

Niet uit de saldibalans blijkende financiële risico’s voortkomend uit lopende juridische procedures

Op dit moment zijn er geen rechtszaken aanhangig bij het ministerie van Klimaat en Goene Groei met een substantieel geclaimd bedrag van € 25 mln of hoger.

Balanspost 15

Deelnemingen

1.280.389

Onder de post deelnemingen worden alle deelnemingen in besloten-, naamloze-, commanditaire vennootschappen en internationale instellingen opgenomen.

 
Tabel 34 Deelnemingen

Naam deelneming

Nominaal

Betaald

 
 

Primo 2025

Ultimo 2025

Primo 2025

Ultimo 2025

Deelnemings percentage

GasTerra B.V.

18.000

18.000

18.000

18.000

10,0

EBN N.V.

128.138

128.138

1.242.281

1.242.281

100,0

Bonaire Brandstof Terminals

1

1

20.100

20.100

100,0

Saba Bank Resources N.V.

0

7

0

7

2,8

      

Totaal

146.139

146.146

1.280.381

1.280.388

 

Vanaf 2025 is de deelneming Saba Bank Resources N.V. in het jaarverslag opgenomen. De nominale waarde is in 2025 bepaald omdat toereikende historische gegevens ontbreken.

11. WNT-verantwoording 2025 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

De WNT bepaalt dat de bezoldiging en eventuele ontslaguitkeringen van topfunctionarissen in de publieke (en semi-publieke) sector op naamsniveau vermeld moeten worden in het financiële jaarverslag. De publicatieplicht geldt eveneens voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking (externe inhuur). Daarnaast moet van niet-topfunctionarissen de bezoldiging (zonder naamsvermelding) gepubliceerd worden indien deze het individueel toepasselijk drempelbedrag te boven gaat. Niet-topfunctionarissen zonder dienstbetrekking vallen buiten de reikwijdte van de wet. Ten aanzien van hen geldt de publicatieplicht dus niet.

Voor dit departement heeft de publicatieplicht betrekking op onderstaande functionarissen. De gegevens van de leden van de Top Management Groep worden opgenomen in het jaarverslag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het algemeen bezoldigingsmaximum bedraagt in 2025 € 246.000.

Tabel 35 Bezoldiging van topfunctionarissen

Naam instelling

Naam topfunctionaris

Functie(s) (+ tussen haakjes gegevens van 2024)

Datum aanvang functievervulling in 2025 (+ tussen haakjes) gegevens van 2024)

Datum einde functievervulling in 2025 (+ tussen haakjes gegevens van 2024)

Dienstverband in fte (+ tussen haakjes omvang in 2024)

Op externe inhuur-basis (nee; <= 12 kalender-mnd; > 12 kalender-mnd)

Beloning plus onkostenvergoedingen (belast) (+ tussen haakjes bedrag in 2024)

Voorzieningen t.b.v. beloningen betaalbaar op termijn (+ tussen haakjes bedrag in 2024)

Totale bezoldiging in 2025 (+ tussen haakjes bedrag in 2024)

Individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum (+ tussen haakjes bedrag 2024)

Motivering en bedrag (indien overschrijding)

Nederlandse Emissieautoriteit

J.C.M. Sap

Bestuurslid (Bestuurslid)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,111 (0,11)

nee

22.925 (22.134)

2.571 (2.585)

25.496 (24.718)

27.306 (25.889)

 

Nederlandse Emissieautoriteit

M.P.C. Bressers

Directeur-bestuurder (Directeur-bestuurder)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

1,000 (1,00)

nee

176.811 (170.802)

23.142 (23.263)

199.952 (194.066)

246.000 (233.000)

 

Nederlandse Emissieautoriteit

J.F. de Leeuw

Bestuurslid (Bestuurslid en per 1/9/2024 adviesrol EZ)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

0,100 (0,17)

nee

21.058 (30.525)

 

21.058 (30.525)

24.600 (39.846)

 
Tabel 36 Cumulatie van dienstbetrekkingen als leidinggevend topfunctionaris

Naam topfunctionaris

Naam andere WNT-instelling(en) in 2025 (+ tussen haakjes naam andere WNT instelling(en) in 2024)

Datum aanvang functievervulling (+ tussen haakjes gegevens 2024)

Gecumuleerde totale bezoldiging bij alle WNT-instellingen (+ tussen haakjes de gegevens van 2024)

Het algemene bezoldigingsmaximum dan wel een voor de dienstbetrekking van toepassing zijnde hoger bezoldigingsmaximum (+ tussen haakjes de gegevens van 2024)

Onverschuldigd betaald en nog niet terugontvangen bedrag

Motivering en bedrag bij overschrijding

J.F. de Leeuw1

Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) (Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA))

1-1-2025 (1-1-2024)

44.897 (53.451)

246.000 (233.000)

  
1

Op basis van voortschrijdend inzicht is overeenkomstig artikel 1.6a WNT de bezoldiging bij Stichting COVA vermeld, hetgeen in 2024 achterwege is gebleven.

D. BIJLAGEN

Bijlage 1: Toezichtrelaties Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT's) en Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's)

Tabel 37 Overzichtstabel inzake RWT’s en ZBO’s van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (bedragen x € 1.000)

Naam ZBO/RWT

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Nederlandse Emissieautoriteit

1

    

Stichting COVA

111.000

104.462

   
1

Nea bekostigt het bestuur uit de omzet EZK en de omzet IenW.

Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek 2022 (RPE 2022) is het overzicht met een planning van beleidsdoorlichtingen omgevormd tot een Strategische Evaluatie Agenda (SEA). In de afgelopen jaren is dat proces bij KGG (voorheen EZK) tot stand gebracht.

In deze ‘Bijlage afgerond evaluatie- en overig onderzoek’ wordt ingegaan op afgeronde onderdelen van de SEA in 2024 en 2025. Voor afgeronde evaluaties/onderzoeken in het verslagjaar 2025 zijn tevens korte samenvattingen met conclusies/aanbevelingen opgenomen die onder de desbetreffende tabellen worden weergegeven.

Tabel 38 SEA-thema: Klimaatbeleid

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotings-artikel(en)

Vindplaats

Lerende evaluatie Klimaatbeleid

Ex durante

2024

Afgerond1

4

Eindrapport Lerende evaluatie Klimaatbeleid: «Klimaatbeleid richten op maatschappelijke transformatie»

Synthese-onderzoek Klimaat(mitigatie)beleid

Synthese

2024

Afgerond2

4

Kamerstuk 32 813, nr. 1401

Instrumentevaluaties sector Elektriciteit en Industrie:

     

Dashboard Klimaatbeleid

ex-durante

2020 e.v.

Lopend3

2 en 4

Dashboard Klimaatbeleid

Monitor RES 1.0 (Regionale Energie Strategie)

ex-durante /ex-post

2021 / 2023 / 2024

Afgerond4

4

Kamerstuk 31 239, nr. 404

Evaluatie Nationaal Programma Regionale Energie Strategie (NPRES)

ex-post

2024

Afgerond

4

Kamerstuk 31 239, nr. 404

IBO Bekostiging elektriciteitsinfrastructuur

Ex ante

2025

Afgerond

31

Kamerstuk 29 023, nr. 553

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

ex-post

2026

Lopend5

31

 

Evaluatie SDE++

ex-post

2024

Afgerond6

4

Kamerstuk 31 239, nr. 387

Evaluatie Versterkte Uitvoering Energiebesparingsplicht

ex-post

2024

Afgerond

4

Kamerstuk 30196, nr. 832

Tussenevaluatie specifieke uitkering toezicht en handhaving energiebesparingsplicht

overig

2024

Afgerond

4

Kamerstuk 30196, nr. 832

Evaluatie subsidieregeling verduurzaming MKB

ex-post

2024

Afgerond

4

Kamerstuk 30196, nr. 832

Evaluatie nadeelcompensatie productiebeperking kolencentrales

ex-post

2024

Afgerond

4

Kamerstuk 35 668, nr. 54

Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE)

ex-post

2025

Afgerond

31

Kamerstuk 31 239, nr. 425

Speelveldtoets impact klimaatbeleid industrie

ex- ante

2024

Afgerond

2 en 4

Kamerstuk 29 826, nr. 211

Speelveldtoets impact klimaatbeleid industrie

ex-ante

2025

Afgerond

 

Kamerstuk 33 043, nr. 114

Evaluatie Subsidie Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie (VEKI)

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 31 239, nr. 422

Evaluatie minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking

ex-post

2026

Afgerond7

31

Kamerstuk 32 813, nr. 1553

Evaluatie nationale CO2-heffing industrie

ex-post

2026

Afgerond8

2 en 4

Kamerstuk 32 813, nr. 1553

IPCEI waterstof

ex-post

2025/2026

Lopend9

31

 

Evaluatie Subsidieregeling Opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse (OWE)

ex-durante

2025

Afgerond10

31

Kamerstuk 32 813, nr. 1529

Garantieregeling Geothermie: 'Risico's dekken voor aardwarmte (RNES Aardwarmte)

ex-post

2026

Afgerond

31

Kamerstuk 32 849, nr. 296

Evaluatie Commissie Mijnbouwschade

ex-post

2025

Afgerond11

31

Kamerstuk 32 849, nr. 267

Evaluatie Commissie Mijnbouwschade

ex-post

2026

Afgerond12

31

Kamerstuk 32 849, nr. 294

1

De Klimaatwet bepaalt dat iedere vijf jaar een herijking van de opgave plaatsvindt op basis van een evaluatie. Er is voor gekozen om dit te doen via een 'lerende evaluatie' en een 'synthese-onderzoek' (zie opzet: Kamerstuk 32 813, nr. 901 en Kamerstuk 32 813, nr. 1229). De lerende evaluatie verbreedde de blik ten opzichte van het synthese-onderzoek met de vraag hoe de governance en het instrumentarium van het beleid kon worden ingericht op de transformatie richting klimaatneutraliteit in 2050. De lerende evaluatie was daarmee complementair aan het synthese-onderzoek. De uitkomsten van beide evaluaties zijn in het nieuwe Klimaatplan 2025-2035 meegenomen.

2

Eind 2023 en begin 2024 is een synthese-onderzoek naar het klimaatbeleid uitgevoerd. (zie opzet: Kamerstuk 32 813, nr. 1229). Het synthese-onderzoek heeft de beleidstheorie van het Nederlandse klimaatbeleid gereconstrueerd en een analyse gemaakt van wat we weten over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het klimaatbeleid tussen 2019 (Klimaatplan) en de Voorjaarsbesluitvorming 2023. Het synthese-onderzoek is daarbij uitgegaan van de beschikbare instrumentenevaluaties, onderzoeksrapporten en analyses. Het eindrapport is voor de zomer 2024 opgeleverd. De uitkomsten zijn in het nieuwe klimaatplan 2025-2035 meegenomen.

3

Eind 2021 werd het "Dashboard Klimaatbeleid" gelanceerd. Het dashboard biedt jaarlijks een objectief inzicht in de voortgang van het beleid in het Klimaatplan (dat voor een belangrijk deel is bepaald door het Klimaatakkoord).

4

PBL monitort de voortgang van de RES’en. In de Monitor wordt gereflecteerd op de stand van zaken rond de RES. PBL analyseert of met de voorstellen van de 30 energieregio’s het doel van 35 terawattuur (TWh) nog steeds binnen bereik is, en kijkt daarbij naar de ontwikkelingen rond de thema’s ruimtelijke inpassing, maatschappelijk draagvlak en capaciteit van het elektriciteitsnetwerk.

5

De evaluatie wordt naar verwachting in Q1 2026 afgerond.

6

De evaluatie richt zich op de eerste drie jaren waarin de SDE++ is verbreed naar het kosteneffectief verminderen van CO-uitstoot (2020-2022). In de evaluatie wordt gekeken naar de doeltreffendheid, doelmatigheid en consistentie van de regeling.

7

In samenwerking met FIN; KGG heeft het voortouw. Binnen 3 jaar na inwerkingtreding is er een evaluatie van de wet (maart 2022 inwerking getreden); dit is wettelijk vastgelegd. Voor het belastingplan 2024 is er een tussenevaluatie die alleen naar het prijspad van de wet kijkt (zie ).

8

In samenwerking met FIN; KGG heeft het voortouw.

9

De evaluatie start uiterlijk 2025 (Kamerstuk 32 813. nr. 972).

10

Als voorwaarde voor toekenning van de Klimaatfondsmiddelen uit het MJP 2025 moet KGG de leereffecten uit de eerste twee OWE-tenders meenemen. Evaluatie loopt van najaar '24 tot voorjaar '25.

11

Betreft evaluatie over de periodes juli 2021-juni 2022 en juli 2022-juni 2023.

12

Betreft evaluatie over de periodes juli 2023-juni 2024 en juli 2024-juni 2025.

Samenvatting afgeronde evaluaties 2025 SEA-thema: Klimaatbeleid

IBO Bekostiging elektriciteitsinfrastructuurHet Interdepartementaal onderzoek (IBO) naar de bekostiging van de elektriciteitsinfrastructuur is in voorjaar 2025 gereed gekomen en concludeerde dat de kosten tussen 2025-2040 kunnen oplopen met € 195 mld. Deze kosten hangen samen met de noodzaak tot netverzwaringen maar bovenal uitbreiding van het elektriciteitsnet. Nederland gaat in hoog tempo elektrificeren, zowel ten aanzien van vervoer, woningbouw en industriële bedrijvigheid. Daardoor wordt Nederland minder afhankelijk van importen van fossiele brandstoffen. Vanuit de geopolitieke situatie en de strategische autonomie is deze ontwikkeling zeer wenselijk.

Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE)

De ISDE is doeltreffend en ISDE-maatregelen dragen bij aan de doelstelling om CO2-uitstoot te reduceren. De ISDE heeft in de periode 2019-2023 760.000 maatregelen gerealiseerd, gelijk aan een een CO2-reductie van 663 kton. In de evaluatie door CE Delft is ook gekeken naar de mate waarin de subsidie bijdraagt aan het (eerder) nemen van een verduurzamingsmaatregel (additionaliteit). Uit de evaluatie blijkt dat er bij 63% van de maatregelen sprake is van een vorm van additionaliteit. Dit verschilt per maatregel, oplopend tot 73% voor een all-electric warmtepomp. Verder concludeert CE Delft dat het doenvermogen van aanvragers past bij de te nemen stappen voor een aanvraag, al blijkt ook dat moeilijk bereikbare groepen, zoals mensen met beperkte taal- of digitale vaardigheden, minder gebruik maken van de regeling. De evaluatie beveelt onder meer aan om de ISDE zoveel mogelijk te continueren, te investeren in de bekendheid van de regeling en integraal af te wegen technieken met een lagere doelmatigheid minder te subsidiëren.

Speelveldtoets impact klimaatbeleid industrie 2025De Speelveldtoets 2025 vergelijkt subsidies, infrastructuur, normeringen, CO2- en energiebelastingen tussen landen (binnen en buiten de EU). Hieruit blijkt dat CO2 -beprijzing in andere landen gelijk aan of minder hoog is dan de prijs binnen het EU ETS. Tevens zijn ook de energiebelastingkosten in Nederland voor de meeste sectoren hoger dan in de andere landen. Ook is Nederland sneller en strikter in de ontwikkeling van concrete industriedoelen voor de EU RFNBO-gebruiksdoelen. Daartegenover staat dat Nederland in 2024 het hoogste aandeel subsidies voor industriële decarbonisatie kent ten opzichte van de industriële bijdragen aan het BBP. Verder concludeert de speelveldtoets dat elektriciteitsnetwerken alleen steun ontvangen in de VS (via de IRA), terwijl waterstofnetwerken steun ontvangen in alle landen behalve Frankrijk. Er zijn ook verschillen in elektriciteitsnetwerkregulering; de meeste landen geven kortingen aan de industrie, Nederland niet. De doorlooptijd van stroomnetuitbreiding is in alle landen een probleem. In FR, BE & VS zijn aansluitingen echter sneller beschikbaar.

Evaluatie Subsidie Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie (VEKI)Hoewel de budgetten van de VEKI in de periode 2019-2023 niet uitgeput werden, wordt de VEKI goed benut door de doelgroep. Circa 40% van het budget gaat naar de vijf specifieke industrieclusters en het restant naar bedrijven in cluster 6. De voedingsmiddelenindustrie en de chemische industrie zijn in absolute en relatieve zin grootverbruikers van de VEKI. De VEKI zorgt voor een versnelling van de CO2-reducties van de Nederlandse industrie en is hiermee een doeltreffende regeling. De VEKI leidt tot emissiereductie tegen lagere kosten dan bij de EIA en de SDE++. De netto doelmatigheid bedraagt naar schatting €17 tot €32 subsidie per ton CO2.

Evaluatie minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking en Evaluatie nationale CO2-heffing industrie

De heffing heeft in de periode ’21-’24 bijgedragen aan beslissingen om te verduurzamen, maar uiteindelijk zijn de subsidies bepalend voor de aantrekkelijkheid van duurzame investeringen. De combinatie van heffing en toereikende subsidies is van belang voor een doeltreffende en doelmatige werking van de CO2-heffing. Verduurzamingsknelpunten zijn de grootste belemmering. Mede door deze knelpunten wordt een substantiële kostenstijging verwacht richting 2030 met een negatieve impact op de concurrentiepositie van de industrie. Deze negatieve impact kan beperkt blijven als knelpunten worden opgelost en tijdig voldoende subsidies beschikbaar zijn of de ETS-prijs sterk stijgt. Door de CO2-heffing industrie heeft de minimum CO2-prijs industrie geen toegevoegde waarde en is daarom niet doeltreffend. De minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking is tot dusver zeer beperkt doeltreffend en doelmatig geweest. Minimumprijs is (en wordt waarschijnlijk) nooit geactiveerd. Eén van de aanbevelingen van de evaluatie betreft het overwegen om de minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking af te schaffen, of anders de minimum tarieven te verhogen (met aandacht voor de bijbehorende risico’s ten aanzien van onder andere leveringszekerheid).

Evaluatie Subsidieregeling Opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse (OWE)

Berenschot heeft begin 2025 een evaluatie opgeleverd van het ontwerp van de OWE-regeling en de eerste openstelling, met een kwantitatieve analyse van de kosteneffeciëntie en kwalitatieve analyse van de haalbaarheid van projecten en aanvraag- en beoordelingsprocedures. Daarbij heeft Berenschot zowel vertegenwoordigers uit de sector geïnterviewd als de betrokken medewerkers van het ministerie en RVO. Berenschot concludeert dat de OWE met het huidige ontwerp kostenefficiënte projecten en projecten met de meeste slaagkans subsidieert. Op aanbeveling van Berenschot onderzoekt het kabinet hoe het de administratieve lasten in volgende rondes kan verminderen en de voorbereiding van aanvragers op de openstelling kan verbeteren.

Garantieregeling Geothermie: Risico's dekken voor aardwarmte (RNES Aardwarmte)

De evaluatie is uitgevoerd door Deltares in opdracht van het Ministerie van KGG. Daarbij zijn verschillende bij aardwarmte betrokken partijen geïnterviewd, waaronder operators, TNO, EBN en InvestNL. Het advies beveelt een andere wijze van risicoafdekking en financiering aan. Dit wordt aanbevolen omdat projecten kapitaalintensiever zijn geworden als gevolg van stijgende boorkosten als ook de behoefte vanuit de sector om te komen tot een andere risicoverdeling. De evaluatie concludeert dat het juist nu verstandig is te onderzoeken of aardwarmteprojecten effectiever kunnen worden ondersteund. Dit vraagt om een meer integrale beleidsaanpak. Het gelijktijdig openstellen van de RNES en werken aan fundamentele wijzigingen wordt als suboptimaal gezien. Daarom wordt de RNES in de huidige vorm niet opengesteld in 2026. Wel dient budget beschikbaar te blijven voor aangegane verplichtingen, ook wordt gewerkt aan een beter ontwerp voor een toekomstige regeling. Eind 2026 volgt een herbeoordeling voor mogelijke openstelling in 2027.

Evaluatie Commissie Mijnbouwschade (CM); Kamerstuk 32 849, nr. 267

Het is goed dat er een onafhankelijke CM bestaat, echter hebben er nog geen bevingen plaatsgevonden die tot uitkering van een schadevergoeding hebben geleid. De CM heeft weliswaar ook meerwaarde als schades terecht worden afgewezen, maar het niet uitkeren van schade werkt ook door in het vertrouwen en de beeldvorming van schademelders in mijnbouw. Mijnbouwondernemingen en derden hebben behoefte aan proactieve communicatie (over o.a. schademeldingen) vanuit de CM. Melders van schade hebben een groot wantrouwen richting de overheid. Door de communicatie-uitingen vanuit de CM met onder andere het logo van de Rijksoverheid, zijn zij, ondanks het vertrouwen in de expertise, ook richting de CM wantrouwend. Dit beeld wordt bevestigd door het niet uitkeren van een financiële vergoeding voor hun schade en de door schademelders ervaren onbegrijpelijkheid van de teksten in de rapporten die zijn ontvangen. Het helderder communiceren van toetsingscriteria zou helpen om het vertrouwen te vergroten.

Evaluatie Commissie Mijnbouwschade (CM); Kamerstuk 32 849, nr. 294Binnen zijn bevoegdheid op grond van het Instellingsbesluit vervult de CM een nuttige rol voor schademelders. De systematiek van de CM die het civiele aansprakelijkheidsrecht volgt, kent zijn beperkingen. De gevolgde werkwijze in Ekehaar zorgt voor relatief hoge uitvoeringskosten. De uitkomsten van de afhandeling door de CM sluiten niet aan op de maatschappelijke verwachtingen. Een alternatieve systematiek vraagt om een politieke afweging. Aanbevelingen: Communiceer en onderbouw de criteria voor het vaststellen van schade aan de voorkant richting burgers, stel als CM een plan op over de mogelijkheden om in de toekomst artikel 7 toe te passen, onderzoek of het huidige civielrechtelijke regime nog passend is of dat een ruimere systematiek mogelijk is.

Tabel 39 SEA-thema: Herziening in regelgevend kader (o.a. Energiewet en Warmtewet)

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotings-artikel(en)

Vindplaats

Evaluaties van herziening in regelgevend kader (o.a. Energiewet en Warmtewet)

Periodieke Rapportage

2031

Te starten1

31

 

Instrumentevaluaties / monitor:

     

Evaluatie experimenten die voortkomen uit het Besluit experimenten decentrale duurzame elektriciteitsopwekking

overig

2025

Afgerond

31

Tussentijdse evaluatie Besluit Experimenten decentrale duurzame elektriciteitsopwekking

Vulmaatregelen gasopslag

ex-post

2024

Afgerond2

4

Kamerstuk 29 023, nr. 494

Beleidsverkenning energiearmoede en de energietransitie

ex-ante

2025

Afgerond

31 (NB: raakt ook andere begrotingen en artikelen)

Kamerstuk 29 023, nr. 603

1

Betreft de synthese van evaluaties van de gewijzigde Elektriciteit- en gaswet en Warmtewet. Dit thema richt zich op de in voorbereiding zijnde nieuwe Energiewet (wetsvoorstel tot vervanging van de Elektriciteit en Gaswet). Deze wet zal naar alle waarschijnlijkheid vijf jaar na inwerkingtreding (begin 2026) geëvalueerd worden (2031). Ook de nieuwe Warmtewet (Wet Collectieve Warmtevoorziening) is nog in voorbereiding en zal naar verwachting half 2026/begin 2027 in werking treden. Deze wet zal net als de Energiewet naar alle waarschijnlijkheid vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd worden (2031/2032).

2

Zoals verplicht op grond van de Verordening gasleveringszekerheid wordt het BHG in 2023 op basis van een evaluatie geactualiseerd (Kamerstuk 29 023, nr. 418). De visie gasopslag is op 23 juni 2023 naar de Kamer gegaan (Kamerstuk 29 023, nr. 442). Het BHG is inmiddels geëvalueerd en geüpdate en op 27 maart 2024 naar de Kamer gezonden.

Samenvatting afgeronde evaluaties 2025 SEA-thema: Herziening in regelgevend kader (o.a. Energiewet en Warmtewet)

Evaluatie experimenten die voortkomen uit het Besluit experimenten decentrale duurzame elektriciteitsopwekkingDe experimenten laten zien dat lokale opwek en betrokkenheid van gebruikers toenemen, maar de effecten zijn beperkt en moeilijk kwantitatief aantoonbaar. De regeling heeft waardevolle praktijkinzichten opgeleverd over knelpunten in wet- en regelgeving, met name rond levering, netbeheer en energiebelasting. Energiecoöperaties en VvE’s blijken belangrijke dragers van experimenten, maar lopen tegen zware technische, juridische en administratieve lasten aan. De evaluatie benadrukt dat structurele inbedding van energiedelen en energiegemeenschappen betere wettelijke duidelijkheid en ondersteuning vereist, onder meer in de nieuwe Energiewet. Op basis van de uitgevoerde experimenten kan nog geen harde conclusie worden getrokken over de noodzaak van een permanente experimenteerregeling, omdat veel projecten zich nog in een vroege fase bevinden.

Beleidsverkenning energiearmoede en de energietransitieIn dit onderzoek is met een scenarioanalyse verkend hoe energiearmoede zich onder verschillende toekomstscenario’s ontwikkelde. De analyse betrof een ‘wat-als’-benadering en bood geen voorspelling, maar een verkenning van mogelijke ontwikkelingen. Het onderzoek laat zien dat energiearmoede bij ongewijzigd beleid in de komende decennia grotendeels gelijk blijft en pas na 2040 afneemt. Daarbij werden een laag inkomen, de energierekening en de energetische kwaliteit van woningen geanalyseerd. Uit de resultaten blijkt dat het aantal woningen met een lage energetische kwaliteit sterk daalt, terwijl de energierekening stijgt, vooral door hogere nettarieven, waardoor het aandeel huishoudens in energiearmoede ongeveer gelijk blijft.

Tabel 40 Overige evaluaties/doorlichtingen

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotings-artikel(en)

Vindplaats

Evaluatie Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)

ex-post

2025/2026

Te starten

4

 

Deze bijlage van het jaarverslag heeft betrekking op ingeplande evaluaties in de SEA van EZK van de ontwerpbegroting 2025 (zie: tabel SEA OB2025 KGG en bijlage 6: Uitwerking SEA OB2025 KGG).Voor het meest recente overzicht van de programmering van periodieke rapportages/beleidsdoorlichtingen, zie: www.rijksfinanciën.nl.

Bijlage 3: Inhuur externen

Tabel 41 Ministerie van Klimaat en Groene Groei verslagjaar 2025 (bedragen x € 1.000)

Programma- en apparaatskosten

 

1. Interim-management

0

2. Organisatie- en Formatieadvies

0

3. Beleidsadvies

0

4. Communicatieadvisering

476

Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4)

476

5. Juridisch Advies

282

6. Advisering opdrachtgevers automatisering

648

7. Accountancy, financiën en administratieve organisatie

28

(Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7)

958

8. Uitzendkrachten (formatie & piek)

1.157

Ondersteuning bedrijfsvoering

1.157

Totaal uitgaven inhuur externen

2.591

Tabel 42 Percentage externe inhuur
 

2023

2024

2025

Kerndepartement

0,0%

0,0%

0,0%

Staatstoezicht op de Mijnen1

0,0%

0,0%

0,0%

Nederlandse Emissie Autoriteit2

6,8%

10,0%

14,8%

Totaal

6,8%

10,0%

14,8%

1

De apparaatsuitgaven van de SodM wordt verantwoord in het jaarverslag van EZ in verband met het niet administratief verwerken van de splitsing van EZK in EZ en KGG.

2

Vanaf 2025 wordt de Nederlandse Emissieautoriteit als agentschap in de KGG-begroting opgenomen.

Toelichting op het inhuurpercentage 2025

Het kabinet hanteert, naar aanleiding van de motie Roemer, een norm voor externe inhuur van 10% van de totale personeelskosten. Met een inhuurpercentage van 14,8%, overschrijdt de NEa de Roemernorm. De redenen voor het overschrijden van de Roemernorm zijn als volgt:

  • Door langdurige afwezigheid van medewerkers is de NEa genoodzaakt gebruik te maken van inhuur.

  • Een aantal vacatures zijn moeilijk in te vullen.

  • De NEa is in transitie en maakt voor dit specifieke traject gebruik van externe inhuur.

  • Er is sprake van piekbelasting op een aantal afdelingen.

Rapportage overschrijding maximumuurtarief externe inhuur buiten mantelcontracten

In onderstaande tabel wordt weergegeven in hoeveel gevallen in 2025 door het ministerie buiten de mantelcontracten om externe krachten zijn ingehuurd boven het voor de organisaties van het rijk afgesproken maximumtarief van € 225 (exclusief btw).

Tabel 43 Inhuur externen buiten raamovereenkomsten

Inhuur externen buiten raamovereenkomsten

2025

Aantal overschrijdingen maximumuurtarief

0

Toelichting

 

Bijlage 4: Budgettair overzicht Oekraïne

Tabel 44 Budgettair overzicht Oekraïne (bedragen x € 1.000)

Art.

Artikelnaam

Maatregel

Verplichtingen 2025

Uitgaven 2025

Ontvangsten 2025

Relevante Kamerstukken

31

Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Vulmaatregelen gasopslag

 

74.056

 

Kamerstuk 36 089, nr. 1, Kamerstuk 36089, nr. 2 zie ook 1e ISB 2024

31

Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Energiehulp Oekraïne

416

416

357

Kamerstuk 36 410, nr. 89.

Toelichting

Vulmaatregelen gasopslag

EBN ontvangt een subsidie om gasopslagen te vullen. EBN vult de opslagen om te borgen dat er voldoende gas in de opslagen zit en Nederland voldoet aan de EC-verordening ten aanzien van vulgraden. De netto-kosten van het vullen van de opslagen zullen in latere jaren door middel van een heffing op gastransport worden verhaald.

Energiehulp Oekraïne

Russische aanvallen hebben grote schade toegebracht aan de Oekraïense energie-infrastructuur. Daarom heeft het Ministerie van EZ bijgedragen aan in-kind leveringen van energietoebehoren en -onderdelen om de elektriciteitsinfrastructuur in Oekraïne te repareren. De realisatie in 2025 op dit onderdeel zijn nagekomen betalingen voor de leveringen. Daarnaast heeft KGG in 2025 de nog resterende retributies ontvangen van de Europese Commissie voor de in-kind hulp die is gegeven.

Bijlage 5: Rijksbreed overzicht klimaatuitgaven

De onderstaande tabel geeft inzicht in de realisatie van de klimaatuitgaven van de departementen die betrokken zijn bij het Klimaatakkoord (EZK, LVVN, VRO, IenW en FIN).

Sinds de ontwerpbegroting 2024 wordt een vernieuwde methode gehanteerd voor de presentatie van klimaatuitgaven. Hierbij wordt gewerkt met duidelijke criteria om te bepalen welke uitgaven primair gericht zijn op het nationale klimaatbeleid. Dit betreft uitgaven die bijdragen aan de reductie van broeikasgasemissies en de verduurzaming van de energievoorziening.

Tabel 45 Totaaloverzicht van uitgaven in het kader van klimaatbeleid (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil

TOTALE UITGAVEN IN HET KADER VAN KLIMAATBELEID

3.485.011

5.140.875

4.578.836

5.378.185

7.458.021

6.109.273

1.348.748

        

ELEKTRICITEIT

2.855.669

3.922.288

2.379.526

2.376.940

4.016.493

1.792.125

2.224.368

[KGG, art 31, subsidie] SDE

604.440

204.728

701

217.850

614.390

46.773

567.617

[KGG, art 31, subsidie] SDE+ (incl. flankerend beleid en Net op Zee)

1.932.881

666.705

397.600

612.579

1.748.222

593.573

1.154.649

[KGG, art 31, subsidie] SDE++ (incl. kolenmaatregelen en statistische overdracht)

120

1.488

102.375

35.414

91.782

89.576

2.206

[KGG, art 31, subsidie] Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

19

496

0

1.871

7.485

2.330

5.155

[KGG, art.31 ,storting] Storting in begrotingsreserve duurzame energie

66.333

2.626.555

1.198.024

852.697

822.413

0

822.413

[KGG, art 31, subsidie] ISDE-regeling

112.141

249.518

510.696

460.485

522.586

578.275

‒ 55.689

[KGG, art 31, subsidie] Missiegedreven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

54.508

59.862

66.176

54.385

60.899

73.408

‒ 12.509

[KGG, art 31, subsidie] Demonstratieregeling Klimaat en Energie-innovatie (DEI+)

53.144

71.256

49.777

41.352

52.575

190.703

‒ 138.128

[KGG, art 31, subsidie] Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

25.539

29.610

31.114

30.617

18.719

23.795

‒ 5.076

[KGG, art 31, subsidie] NGF-project Circulaire zonnepanelen

0

0

0

15.614

14.876

21.891

‒ 7.015

[KGG, art 31, subsidie] Efficëntere benutting elektriciteitsnetten

0

0

0

2.688

3.171

27.112

‒ 23.941

[KGG, art 31, subsidie] Realisatie Zon op Zee

0

0

0

0

60

6.540

‒ 6.480

[KGG, art 31, subsidie] Subsidieregeling Flexibiliteit

0

0

0

0

10.085

22.483

‒ 12.398

[KGG, art 31, subsidie] Kwaliteitsbudget energieprojecten

0

0

0

0

0

10.300

‒ 10.300

[KGG, art 31, subsidie] Energiecoöperaties en burgerbetrokkenheid energietransitie (SE)

0

0

0

0

265

4.840

‒ 4.575

[KGG, art 31, subsidie] Correctieregeling duurzame warmte

0

0

0

0

426

0

426

[KGG, art 31, opdracht] Programma Opwerk Energie op Rijksvastgoed (OER)

0

0

7

7.071

17.830

24.261

‒ 6.431

[KGG, art 31, opdracht] Onderzoek en opdrachten

6.544

12.070

23.056

13.362

14.691

15.544

‒ 853

[KGG, art 31, opdracht] Projecten Kernenergie

0

0

0

30.955

16.018

60.721

‒ 44.703

        

INDUSTRIE

53.355

83.958

294.660

295.633

308.394

909.013

‒ 600.619

[KGG, art 31, subsidie] Verduurzaming industrie

9.149

45.380

57.217

65.401

43.077

112.208

‒ 69.131

[KGG, art 31, subsidie] Urgendamaatregelen Industrie

27.494

90

3.792

3.818

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Infrastructuur duurzame industrie (PIDI)

4.832

285

1.192

29

41

5.148

‒ 5.107

[KGG, art 31, subsidie] NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie

0

10.706

30.607

54.469

55.393

123.917

‒ 68.524

[KGG, art 31, subsidie] NGF - project Circulaire Plastics

0

0

7.279

28.083

12.787

41.910

‒ 29.123

[KGG, art 31, subsidie] Investeringen Verduurzaming Industrie - Klimaatfonds

0

0

3.947

29.306

61.110

221.915

‒ 160.805

[KGG, art 31, opdracht] Verduurzaming industrie

0

0

0

640

2.041

1.330

711

[KGG, art 31, subsidie] Carbon Capture Storage CCS

3.927

2.677

2.786

2.242

1.885

3.369

‒ 1.484

[KGG, art 31, subsidie] MIEK

0

1.039

5.821

838

1.626

5.325

‒ 3.699

[KGG, art 31, subsidie] Subsideregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS)

4.890

3.307

2.939

1.228

2.319

1.696

623

[KGG, art 31, subsidie] Opschalingsinstrument waterstof

0

0

2.150

46.321

14.662

166.471

‒ 151.809

[KGG, art 31, subsidie] Investeringen waterstofbackbone

0

0

36.700

34.503

53.300

52.461

839

[KGG, art 31, subsidie] IPCEI Waterstof

0

45

124.282

0

34.683

134.759

‒ 100.076

[KGG, art 31, subsidie] Subsidieondersteuning verduurzaming MKB

104

8.424

655

1

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Subsidieproject Djewels

   

15.146

295

26.000

‒ 25.705

[KGG, art 31, subsidie] Subsidie Invest.NL

0

0

0

0

15.000

0

15.000

[KGG, art 31, subsidie] Energie-efficiency

2.959

1.273

2.435

759

0

2.206

‒ 2.206

[KGG, art 31, opdrachten] Energie-efficiency

0

0

0

0

1.326

0

1.326

[KGG, art 31, bijdrage mede-overheden] Regeling toezicht energiebesparingsplicht

0

10.732

12.858

12.849

8.849

10.298

‒ 1.449

        

GEBOUWDE OMGEVING

259.754

660.566

1.051.512

1.478.531

1.609.164

1.536.859

72.305

[VRO, art 2, subsidie] Subsidie verduurzaming en onderhoud huurwoningen

0

109

2.257

5.450

11.308

17.203

‒ 5.895

[VRO, art 2, subsidie] Nationaal isolatie Programma

0

0

0

0

0

26.227

‒ 26.227

[VRO, art 2, subsidie] Energiebeparing Koopsector

90.134

6.951

11.815

19.392

34.387

22.100

12.287

[VRO, art 2, subsidie] Energiebesparing Huursector

18.225

10.636

1.006

0

0

0

0

[VRO, art 2, subsidie] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

0

37.167

131.801

317.710

228.924

374.274

‒ 145.350

[VRO, art 2, subsidie] Energietransitie en duurzaamheid

13.377

24.801

30.041

23.259

26.666

21.189

5.477

[VRO, art 2, subsidie] Renovatieversneller

0

1.000

2.839

19.266

31.837

33.290

‒ 1.453

[VRO, art 2, subsidie] SAH

13.986

3.773

9.323

14.297

59.896

30.000

29.896

[VRO, art 2, subsidie] Warmtefonds

27.400

85.600

155.390

93.000

216.031

112.300

103.731

[VRO, art 2, subsidie] Nationaal Groeifonds

0

0

4.351

26.198

19.367

26.977

‒ 7.610

[VRO, art 2, subsidie] Biobased Bouwen

0

0

0

8.706

12.818

13.212

‒ 394

[VRO, art 2, subsidie] Ontzorgen Vereniging van Eigenaren

0

0

0

1.373

6.257

6.258

‒ 1

[VRO, art 2, subsidie] Maatschappelijk Vastgoed Fonds

0

0

0

0

49.900

49.910

‒ 10

[VRO, art 2, subsidie] verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

0

0

0

0

77.074

0

77.074

[VRO, art 2, opdracht] verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

0

0

0

0

620

0

620

[VRO, art 2, bijrage ZBO/RWT) Energietransitie en Duurzaamheid

0

0

0

0

785

0

785

[VRO, art 2, bijrage ZBO/RWT) verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

0

0

0

0

273

0

273

[VRO, art 2, bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

0

0

0

0

0

25.339

‒ 25.339

[VRO, art 2, bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken] Uitfaseren slechte labels

0

0

0

0

0

1.000

‒ 1.000

[VRO, art 2, bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken] EGO (innovatie)

0

0

0

0

0

5.519

‒ 5.519

[VRO, art 2, opdracht] Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

0

0

589

1.804

2.058

1.468

590

[VRO, art 2, opdracht] Energietransitie en duurzaamheid

4.880

5.681

2.361

3.461

2.571

2.600

‒ 29

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Aardgasvrije wijken

54.677

62.627

0

153

4.866

0

4.866

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Ventilatie in scholen

0

0

0

0

127

0

127

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Isolatie Programma (Lokale aanpak woningisolatie)

0

0

361.286

709.882

466.638

472.733

‒ 6.095

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Ondersteuning aanpak energiearmoede

0

358.689

181.109

0

0

0

0

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

0

16.488

0

68.785

0

1.015

‒ 1.015

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

0

0

12.071

10.981

16.149

9.000

7.149

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Isolatie Programma (Soortenmanagement)

0

0

47.061

50.730

77

9.434

‒ 9.357

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal groeifonds

0

0

6.287

0

0

0

0

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

0

0

0

4.368

254.267

131.154

123.113

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] ILT handhaving energielabel

11

23

8

0

0

0

0

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] RVO (Uitvoering Energieakkoord)

25

0

106

209

421

9.341

‒ 8.920

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] Dienst Publiek en Communicatie

903

1.052

112

2.025

1.802

1.803

‒ 1

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] RVO (Energiestransitie en Duurzaamheid)

21.136

22.894

19.063

27.289

27.276

13.815

13.461

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] RVB

0

970

3.929

9.156

14.638

2.418

12.220

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

0

4.605

1.644

2.951

21.849

13.800

8.049

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] Nationaal groeifonds

0

0

41

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Warmtenetten investeringssubsidie (WIS)

0

0

78

3.116

1.998

26.041

‒ 24.043

[KGG, art 31, subsidie] Uitbreiding ontwikkelfonds energiecoöperaties warmteprojecten

0

0

26.791

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] NGF-project NieuweWarmteNu!

0

0

10.153

17.470

2.535

54.652

‒ 52.117

[KGG, art 31, subsidie] Aardwarmte

15.000

17.500

30.000

37.500

12.500

12.828

‒ 328

[KGG, art 31, subsidie] WarmtelinQ1

0

0

0

0

3.000

0

3.000

[KGG, art 31, subsidie] Geothermie (Klimaatfonds)

0

0

0

0

249

9.959

‒ 9.710

        

MOBILITEIT

73.212

146.574

208.088

328.724

313.082

526.648

‒ 213.566

[IenW, art 14, opdracht] KF: Laadinfra wegvervoer

0

0

0

233

258

807

‒ 549

[IenW, art 14, opdracht] KF: Laadinfra bouw

0

0

0

0

0

66.483

‒ 66.483

[IenW, art 14, opdracht] Reservering Klimaatakkoord

0

0

0

0

0

5.720

‒ 5.720

[IenW, art 14, opdracht] Programma Vergroening Reisgedrag

6.247

1.371

1.187

1.099

1.457

9.334

‒ 7.877

[IenW, art 14, opdracht] overige opdrachten

270

15.555

4.393

25.293

13.217

3.913

9.304

[IenW, art 14, opdracht] Verduurzaming logistiek

    

9.509

9.019

490

[IenW, art 14, opdracht] KF: Zero-emissie zones

    

134

0

134

[IenW, art 14, subsidie] Elektrisch vervoer

26.620

79.464

138.396

134.941

66.073

74.444

‒ 8.371

[IenW, art 14, subsidie] Duurzame mobiliteit

23.693

22.555

12.146

23.226

7.961

35.641

‒ 27.680

[IenW, art 14, subsidie] KF: Laadinfra wegvervoer

0

0

0

0

41.649

23.355

18.294

[IenW, art 14, subsidie] KF: Laadinfra bouw

0

0

0

1.360

7.190

11.330

‒ 4.140

[IenW, art 14, subsidie] KF: SWIM

0

0

0

0

14.662

28.000

‒ 13.338

[IenW, art 14, subsidie] Laad en AanZET

0

0

0

50.136

52.521

90.967

‒ 38.446

[IenW, art 14, subsidie] Vergroenen Reisgedrag

0

0

0

0

1.584

0

1.584

[IenW, art 14, bijdrage aan medeoverheden] Duurzame mobiliteit

6.030

5.547

8.440

37.928

27.767

35.500

‒ 7.733

[IenW, art 14, bijdrage aan medeoverheden] KF: Slimme Laadinfra

0

0

4.638

13.183

15.493

10.000

5.493

[IenW, art 14, bijdrage aan agentschappen] Overige bijdragen aan agentschappen

10.352

12.582

14.767

16.699

19.341

0

19.341

[IenW, art 17, opdracht] KF: Luchtvaartverkeer energie

0

0

0

105

704

165

539

[IenW, art 17, opdracht] KF: Alcohol-to-jet en Duurzame Luchtvaartbrandstoffen

0

0

0

0

0

100

‒ 100

[IenW, art 17, subsidie] Klimaatbeleid

0

0

2.875

0

0

0

0

[IenW, art 18, opdracht] KF: Verduurzaming Zeevaart

0

0

0

0

101

300

‒ 199

[IenW, art 18, opdracht] KF: Waterstof Binnenvaart

0

0

0

0

68

800

‒ 732

[IenW, art 18, opdracht] NGF: Maritiem Masterplan

0

0

0

2

2

1.406

‒ 1.404

[IenW, art 18, subsidie] NGF: Maritiem Masterplan

0

0

0

1.074

21.572

67.664

‒ 46.092

[IenW, art 18, subsidie] NGF: Zero-emissie binnenvaart batterij-elektrisch

0

9.500

9.900

19.705

595

0

595

[IenW, art 18, subsidie] Walstroom (deels KF)

0

0

11.346

3.456

10.471

10.500

‒ 29

[IenW, art 18, subsidie] KF: Waterstof Binnenvaart

0

0

0

0

174

41.000

‒ 40.826

[IenW, art 18, opdracht] KF: Verplicht Emissielabel Binnenvaart

0

0

0

24

0

0

0

[IenW, art 18, bijdrage aan agentschappen] NGF: Maritiem Masterplan

0

0

0

260

579

200

379

        

LANDBOUW EN LANDGEBRUIK

107.575

80.148

66.618

104.015

71.886

185.126

‒ 113.240

[LVVN, art 21, subsidie] Glastuinbouw en weerbare planten en teeltsystemen

90.334

68.437

51.197

84.415

56.510

127.225

‒ 70.715

[LVVN, art 21, opdracht] Glastuinbouw en weerbare planten en teeltsystemen

0

18

0

0

0

0

0

[LVVN, art 22, subsidie] Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren

0

0

1.400

7.354

2.100

2.100

0

[LVVN, art 22, opdracht] Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren

11.927

6.585

7.465

5.621

6.606

25.479

‒ 18.873

[LVVN, art 22, opdracht] Duurzame visserij

449

570

1.374

1.871

3.319

24.820

‒ 21.501

[LVVN, art 22, opdracht] Klimaatimpuls Natuur en Biodiversiteit

4.865

4.538

5.182

4.754

3.351

3.506

‒ 155

[LVVN, art 22, subsidie] Noordzeeakkoord (RVO)

0

0

0

0

0

1.996

‒ 1.996

        

SECTOROVERSTIJGENDE EN OVERIGE MAATREGELEN

135.446

247.341

578.432

794.342

1.139.002

1.159.502

‒ 20.500

[IenW, art 21, subsidie] Subsidies duurzame productieketens

21.312

19.639

15.564

14.894

16.802

20.849

‒ 4.047

[IenW, art 21, subsidie] KF: Plastics norm

0

0

0

3.128

4.118

23.020

‒ 18.902

[IenW, art 21, subsidie] KF: DEI+CE

0

0

0

0

1.270

7.033

‒ 5.763

[IenW, art 21, subsidie] KF: Circulair doen en gedrag

0

0

0

1.009

224

1.380

‒ 1.156

[IenW, art 21, opdracht] KF: Circulair doen en gedrag

0

0

0

72

392

1.883

‒ 1.491

[IenW, art 21, opdracht] Uitvoering duurzame productieketens

7.704

8.220

7.923

8.003

9.607

12.484

‒ 2.877

[IenW, art 21, opdracht] KF: Plastics norm

0

0

0

211

139

12.694

‒ 12.555

[IenW, art 21, opdracht] KF: Biobased bouwen

0

0

0

24

296

4.064

‒ 3.768

[IenW, art 21, subsidie] KF: Biobased bouwen

0

0

0

0

54

0

54

[IenW, art 22, opdracht] KF: NVS

0

0

0

629

663

700

‒ 37

[KGG, art 31, subsidie] Projecten Klimaat en Energieakkoord

671

2.227

706

1.940

2.235

13.042

‒ 10.807

[KGG, art 31, subsidie] Green Deals

25

45

2.284

6

0

444

‒ 444

[KGG, art 31, subsidie] Overige subsidies2

16.421

57.565

49.134

12.492

12.195

18.501

‒ 6.306

[KGG, art 31, lening] Lening EBN

5.000

61.400

19.000

24.000

17.000

17.000

0

[KGG, art 31, bijdrage aan agentschappen] Bijdrage RVO

77.196

90.998

119.398

146.573

181.535

109.191

72.344

[KGG, art 31, bijdrage aan agentschappen] Bijdrage Nea

7.117

7.197

12.843

16.104

21.774

21.211

563

[KGG, art 31, bijdrage aan mede-overheden] Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden

0

50

351.580

565.257

870.698

896.006

‒ 25.308

1

WarmtelinQ werd voor 2025 verantwoord onder de post Overige subsidies.

2

Hieronder vallen de subsidies voor WarmtelinQ (t/m 2024), Randvoorwaarden technische arbeidsmarkt en Correctieregeling duurzame warmte.

Tabel 46 Totaaloverzicht van fiscale groene subsidies (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil

TOTALE FISCALE GROENE SUBSIDIES

1.257.279

1.571.241

1.782.086

1.749.396

1.554.176

1.773.136

‒ 218.960

        

[FIN, fiscaal] Energie-investeringsaftrek (EIA)

181.000

283.000

309.000

225.000

255.000

431.000

‒ 176.000

[FIN, fiscaal] BPM vrijstelling nulemissievoertuigen

29.000

35.000

60.000

71.000

0

0

0

[FIN/ fiscaal] IB/LB korting op de bijtelling voor nulemissieauto’s

481.000

455.000

353.000

261.000

226.0001

229.000

‒ 3.000

[FIN/ fiscaal] MRB halftarief plug-in hybride auto’s.

42.000

48.000

56.000

64.000

34.0001

34.000

0

[FIN/ fiscaal] MRB korting voor nulemissievoertuigen

133.000

202.000

278.000

415.000

405.0001

395.000

10.000

[FIN, fiscaal] EB-salderingsregeling

385.233

548.241

690.974

663.949

634.1761

684.136

‒ 49.960

[FIN, fiscaal] EB-verlaagd tarief laadpalen EV

6.046

0

35.112

43.980

0

0

0

1

Van deze belastingen zijn geen bijgewerkte cijfers, deze zijn daarom gelijk aan de cijfers in de Miljoenennota 2026.

Bijlage 6: Rapportage burgercorrespondentie

1. Inleiding

Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) rapporteert hierbij over de correspondentie van het kerndepartement en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met burgers voor het kalenderjaar 2025. In deze rapportage wordt een beeld geschetst van de omvang van de correspondentie tussen burgers en KGG en binnen welke termijn deze correspondentie wordt behandeld.

Onder de term «burgerbrief» wordt volgens de definitie van de Nationale ombudsman verstaan: elk schriftelijk stuk dat een overheidsinstantie van een burger ontvangt. Het medium (brief, fax of e-mail) maakt daarbij niet uit. Ook het begrip burger is breed. Hieronder worden niet alleen individuele burgers begrepen, maar ook groepen en organisaties.

Specifiek betreft het bezwaarschriften, klaagschriften en overige brieven en e-mails.

Ook via Rijksoverheid.nl (verzorgd door het Ministerie van Algemene Zaken) zijn er vele contacten met burgers over de KGG-beleidsterreinen.

Wet open overheid (Woo)-aantallen kerndepartement EZ/KGG: Aantallen over ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken worden in lijn met interdepartementale afspraken gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk en zijn daarom niet ook in deze bijlage opgenomen.

2. Aantallen

Tabel 47 Aantal burgerbrieven

Categorie

20241

2025

a. Bezwaarschriften (als bedoeld in de AwB)

3.178

2.188

b. Klaagschriften

115

63

c. Overige brieven en e-mails

1.841

1.297

d. Woo-verzoeken (RVO)

61

32

1

Met ingang van 2 juli 2024 is het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) gesplitst in het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG). In 2024 werden de aantallen nog gezamenlijk vermeld. Vanaf 2025 is splitsing per ministerie voor bijna alle categorieën mogelijk.

a. Bezwaarschriften

Het kerndepartement en RVO ontvingen in 2025 de volgende aantallen bezwaarschriften:

Tabel 48 Aantal bezwaarschriften
 

Aantal bezwaarschriften

Afgehandeld binnen verdaagde (wettelijke) termijn

 

2024

2025

2024

2025

Kerndepartement EZ/KGG

265

63

81%

29%

RVO

2.653

2.125

94%

99%

Toelichting

Kerndepartement: Een aantal keer is tegen één besluit door meerdere personen/instanties bezwaar gemaakt. Het genomen besluit is in de telling voor meerdere, niet tijdig genomen besluit geteld. Worden die besluiten voor één besluit opgeteld, dan wordt het aantal op tijd genomen besluit hoger, namelijk 42%. Nog steeds een lager percentage dan in 2024. In dat jaar waren er namelijk 182 tegen één besluit ingediende bezwaren binnen de gestelde termijn konden afhandelen.In 2025 is ook een aantal bezwaren niet op tijd afgerond vanwege nader onderzoek/een nieuwe zoekslag in de Woo.

RVO: 2025 laat zich qua opdrachtgever niet vergelijken met 2024 omdat toen niet op KGG-niveau gerapporteerd werd. Als naar de individuele opdrachten gekeken wordt, dan zien we een toename in het aantal ontvangen bezwaren. Met name bij de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE KA) en bij de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) waar totaal zo’n 500 bezwaren meer ontvangen werden. Nagenoeg alle bezwaren konden tijdig afgehandeld worden.

b. Klaagschriften

Het kerndepartement en RVO ontvingen in 2025 de volgende aantallen klaagschriften:

Tabel 49 Aantal klaagschriften
 

Aantal klaagschriften

Afgehandeld binnen de (verdaagde) wettelijke termijn

 

2024

2025

2024

2025

Kerndepartement EZ/KGG

5

0

70%

RVO

101

63

97%

100%

Toelichting

Kerndepartement: Het percentage van de behandelingstermijn is niet ingevuld omdat er geen klachten waren.

RVO: Zoals hierboven reeds toegelicht bij de bezwaarschriften, zijn de aantallen van 2024 niet goed te vergelijken met die van 2025. Het merendeel van de klachten dit jaar kwam voor uit de ISDE, hetgeen niet vreemd is omdat het een bulkregeling is. Hierin zitten geen opvallende verschillen met voorgaande jaren.

c. Overige brieven en e-mails

Het kerndepartement ontving in 2025 de volgende aantallen overige brieven en e-mails:

Tabel 50 Aantal overige brieven en e-mails
 

Aantal overige brieven en e-mails

Tijdig afgehandeld

 

2024

2025

2024

2025

Kerndepartement EZ/KGG

1.841

1.119

77%

88%

RVO

n.v.t.

178

n.v.t.

84%

Toelichting

Kerndepartement: Het aantal betreft een totaal voor de Ministeries EZ en KGG gezamenlijk (net zoals in 2024).

Het aantal ontvangen overige brieven en e-mails is gedaald met 39% ten opzichte van 2024. Het percentage tijdig afgehandeld is gestegen met 11%.

RVO: Per 2025 is in tegenstelling tot voorgaande jaren bij RVO inzichtelijk gemaakt hoeveel ‘overige brieven en e-mails’ met betrekking tot KGG zijn.

d. Woo-verzoeken

De RVO ontvingen in 2025 de volgende aantallen Woo-verzoeken:

Tabel 51 Aantal Woo-verzoeken
 

Aantal Woo-verzoeken

Afgehandeld binnen de (verdaagde) wettelijke termijn

Ingebrekestellingen

 

2024

2025

2024

2025

2024

2025

RVO

45

32

41%

55%

9

3

Toelichting

Kerndepartement: Aantallen over ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken worden in lijn met interdepartementale afspraken gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk en zijn daarom niet in deze bijlage opgenomen.

RVO: Er zijn in 2025 29 Woo-verzoeken afgehandeld waarvan 16 binnen de termijn.

Lijst van afkortingen

Tabel 52 Lijst van afkortingen

AC

Audit Committee

ACM

Autoriteit Consument en Markt

ADR

Auditdienst Rijk

AI

Kunstmatige Intelligentie

AR

Algemene Rekenkamer

BTW

Belasting over de toegevoegde waarde

BVA

Beveiligingsautoriteit

BVP

Bedrijfsvoeringsparagraaf

BZK

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

CBAM

Carbon Border Adjustment Mechanism

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CCS

Carbon Capture and Storage

CfD's

Contracts for Difference

CM

Evaluatie Commissie Mijnbouwschade

CNRD

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau

COVA

Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten

CSIRT

Computer Security Incident Response Team

DEI+

Demonstratieregeling Energie-innovatie

DRC

Delta Rhine Corridor

DUTO

Duurzame Toegankelijkheid van Overheidsinformatie

EBN

Energie beheer Nederland

ECN

Europese Commissie

ECN

Energieonderzoek Centrum Nederland

EED

Richtlijn energieefficiëntie

EGO

Revolverend fonds energiebesparing

EHP

Emissiehandel Portaal

EIA

Energie- investeringsaftrek

EKOO

Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling

EPZ

Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland

ETS

Emission Trading Scheme/System

EU

Europese Unie

EU ETS

Het Europese Emissions Trading System

EV

Energie voor Vervoer

EZ

Ministerie van Economische Zaken

EZK

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

FEED

Front End Engineering Design

FEZ

Directie Financiële Economische Zaken

FIN

Ministerie van Financiën

FTE

Fulltime-equivalent

GSP

Government Support Package

GVNL

Groenvermogen van de Nederlandse economie

GW

Gigawatt

HBO

Hoger Beroeps Onderwijs

HCA

Human Capial Agenda

HER+

Hernieuwbare Energietransitie

HFR

Hoge Flux Reactor

HVP

Herstel- en veerkrachtplan

IBO

Interdepartementaal Beleidsonderzoek

I3ML

het Instituut voor Mens, Milieu en Mijnbouw

ICT

Informatie- en communicatietechnologie

IenW

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

IHH

Informatiehuishouding

IKC

Indirecte kostencompensatie-regeling

IKC-ETS

Indirecte kostencompensatie-regeling-Emission Trading Scheme/System

IME

Inframarginale Elektriciteitsheffing

IMKE

Investeringssubsidie Maakindustrie Klimaatneutrale Economie

IPCEI

Important Project of Common European Interest

ISA

Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda

ISDE

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie

Jlol

Joint letter of Intent

KEV

Klimaat- en Energieverkenning

KF

Klimaatfonds

KGG

Ministerie van Klimaat en Groene Groei

KNMI

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

LVVN

Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

MBO

Middelbaar beroepsonderwijs

MEP

Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie

MER

Milieu-effectrapportage

MIEK

Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat

MIVSP

Sensordiensten voor Wind op Zee

MJP

Meerjarenprogramma

MOOI

Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie

MKB

Midden- en Kleinbedrijf

MMIP

Meerjarige Missiegedreven Innovatie Programma

MW

Megawatt

NAM

Nederlandse Aardolie Maatschappij

NEa

Nederlandse Emissieautoriteit

NGF

Nationaal Groeifonds

NIKI

Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie

NPE

Nationaal Plan Energiesysteem

NPRES

Nationaal Programma Regionale Energiestrategie

NPVI

Nationaal Programma Verduurzaming Industrie

NRG

Nuclear Research and consultancy Group

NVWA

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

NWO

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

OCW

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OWE

Opschalingsregeling voor Waterstofproductie met Elektrolyse

OER

Programma Opwek Energie op Rijksvastgoed

PBL

Planbureau voor de Leefomgeving

PEH

Programma Energiehoofdstructuur

PIDI

Infrastructuur duurzame industrie

PJ

Petajoule

POK

Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag

RBV

Rijksbegrotingsvoorschriften

RDI

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur

RED

Richtlijn Hernieuwbare Energie

RES

Regionale Energiestrategie

RFNBO

Renewable Fuels of Non-Biological Origin

RHB

Rijks Hoofdboekhouding

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RVB

Rijksvastgoedbedrijf

RVO.nl

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

RWMP

Radioactive Waste Management Programme

RWS

Rijkswaterstaat

RWT

Rechtspersonen met een Wettelijke taak

SCE

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking

SDE

Stimulering Duurzame Energieproductie

SDE+

Stimulering Duurzame Energieproductie+

SDE++

Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie

SDRA

Seismische Dreigings- en Risicoanalyse

SEA

Strategische Evaluatie Agenda

SDS

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw

SMRs

Small Modular Reactors

SodM

Staatstoezicht op de Mijnen

SSO

Shared Service Organisatie

TiI

Transparantie in Informatie

TNO

Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek

TSE

Tenderregeling Energie-innovatie

TTB

Tegemoetkoming Blokaansluitingen

TTF

Title Transfer Facility

Twh

Terawattuur

UNFCCC

United Nations Framework Convention on Climate Change

VEKI

Versnelde klimaatinvesteringen industrie

VN

Verenigde Naties

VRO

Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

WBE

Wet Bestrijden Energieleveringscrisis

Wcw

Wet collectieve warmte

WIS

Warmtenetten Investeringssubsidie

Woo

Wet open overheid

WoZ

Wind op Zee

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZODKO

Zet Ook Die Knop Om

Licence