Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

BIJLAGE 7 EVALUATIES

1. Inleiding

Sinds 1991 rapporteert EZ jaarlijks over de programmering en uitvoering van de evaluatiecyclus. Deze rapportage omvat het programma voor het begrotingsjaar 2000 en de resultaten van afgeronde evaluaties. Uitgangspunt is dat elk beleidsinstrument tenminste eenmaal per vijf jaar wordt geëvalueerd.

Voor de jaren 1991–2000 is het volgende overzicht te geven van de evaluatie-inspanningen en de stand van de uitvoering van geprogrammeerde evaluaties:

Leeswijzer

De rest van deze evaluatiebijlage heeft de volgende indeling:

1. Inleiding

2. Overzicht geplande evaluaties 2000

3. Rapportage recentelijk afgeronde evaluaties

4. Stand van zaken vorige evaluatieplannen

2. Overzicht geplande evaluaties 2000

Het evaluatieplan 2000 omvat 15 evaluaties. Per voorgenomen evaluatie zijn, indien van toepassing, de volgende gegevens vermeld:

• de officiële naam van het instrument;

• het (onderdeel van het) begrotingsartikel waarop het instrument wordt geraamd;

• een indicatie van het financiële belang van het instrument;

• het karakter van de evaluatie; het betreft hier onder meer het onderscheid tussen een intern (EZ) of extern (onderzoeksbureau) uit te voeren evaluatie en een typering naar «ex ante/ex post», en «tussentijdse/eindevaluatie»;

• M&O-aspecten worden in zijn algemeenheid meegenomen bij de beoordeling van de doelmatigheidsaspecten in het evaluatieonderzoek. Daar waar het onderzoek zich expliciet richt op M&O-aspecten wordt dit aangegeven;

• eventuele bijzonderheden.

In de presentatie is onderscheid gemaakt tussen:

A1. Financiële instrumenten (subsidies, kredieten, garanties, e.d.);

A2. Niet-financiële instrumenten (wet- en regelgeving)

B. Vergunning stelsels.

A. Financiële instrumenten:

1. Instrument: WBSO (Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk)

(artikel: geen (fiscaal), budget 1999: f 645 mln.)

Karakter: ex post, extern

Bijzonderheid: deze regeling wordt om de twee jaar geëvalueerd.

2. Instrument: Codema

(artikel: 02.04 020, budget 1999: f 13,5 mln.)

Karakter: ex post, extern

3. Instrument: TOK (Technisch Ontwikkelings Krediet)

(artikel: 02.09–110, budget 1999: f 80 mln.)

Karakter: externe ex post evaluatie

4. Instrument: Evaluatie technologie en samenleving:

(artikel 02.12–020, budget 1999 f 6,5 mln.)

Karakter: externe ex ante evaluatie

5. Instrument: Innovatiegerichte

Onderzoeksprogramma's: IOP-milieutechnologie

(artikel 02.12–020, budget 1999 f 4,9 mln.)

Karakter: externe eindevaluatie

6. Instrument: Innovatiegerichte

Onderzoeksprogramma's: IOP-Industriële eiwitten

(artikel 02.12–020, budget 1999 f 0,3 mln.)

Karakter: externe eindevaluatie

7. Instrument: Innovatiegerichte

Onderzoeksprogramma's: IOP Opto-Electronica (1989)

(artikel 02.12–040, budget 1999: f 0,2 mln.)

Karakter: externe eindevaluatie

8. Instrument: Garantiefaciliteit opkomende markten (GOM)

(artikel 07.03–060, budget 1999 f 25 mln.)

Karakter: tussentijdse externe evaluatie naar doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling.

9. Instrument: Programma uitzending managers (PUM)

(artikel 07.05–140/07.07–020, budget 1999 f 5,5 mln.)

Karakter: externe ex post evaluatie.

10. Instrument: Novemprogramma Lange termijn onderzoek gebouwde omgeving (LTGO)

(artikel: 09.01–030, budget 1999: f 17,8 miljoen)

Karakter: externe ex post evaluatie

11. Instrument: Europese programma's

(artikel: 04.08–070/04.09–610, budget 1999: f 18,1 mln.)

Karakter: ex ante evaluatie

12. Instrument: Nederlands Meetinstituut

(artikel: 05.22, budget 1999: f 27,8 mln.)

Karakter: gecombineerde ex post/ex ante evaluatie (nulmeting)

13. Instrument: Stichting AXIS

(artikel 02.12–010, budget 1999: f 6,5 mln.)

Karakter: tussentijdse evaluatie

A2: Niet-financiële instrumenten

14. Instrument: Accountantswetgeving (2 wetten)

Karakter: externe ex post evaluatie.

15. Instrument: Notariswet

Externe tussentijdse monitoring van de effecten die zijn opgetreden gedurende de drie jaren van het vrijlaten van de vaste tarieven. Justitie is penvoerder van deze evaluatie.

B. Vergunningenstelsels:

Ten behoeve van de eindrapportage inzake «Vergunningen» (Kamerstukken II 1997/98, 24 656, nr. 7) heeft EZ recent alle vergunningenstelsels op haar beleidsterrein bezien. Per 1 januari 1999 waren op EZ-terrein 56 stelsels in werking, verdeeld over de volgende groepen:

 
GroepIn werking op 1/1/1999
Europese verordeningen10
Mijnwetgeving34
Elektriciteitswetgeving4
Individuele stelsels8
Totaal56

• 10 Stelsels komen niet voor heroverweging in aanmerking omdat zij verplicht zijn op grond van Europese verordeningen.

• In het kader van de herziening van de Mijn- en Elektriciteitswetgeving worden de betreffende (38) stelsels geëvalueerd.

• De individuele stelsels (8) zijn nader bezien.

* vier stelsels maken het mogelijk om nadere regels te kunnen stellen, mocht dit in bijzondere situaties gewenst zijn; deze stelsels blijven gehandhaafd;

* één stelsel trad per 1 janauri 1998 in werking;

* één stelsel is indirect gekoppeld aan dwingende Europese regelgeving en blijft gehandhaafd.

* één stelsel wordt op korte termijn heroverwogen (Wet op het consumentenkrediet)

* de Vestigingswet Bedrijven is in 1999 geëvalueerd; de resultaten staan onder paragraaf 3 bij de niet-financiële instrumenten toegelicht.

3. Rapportage over recentelijk afgeronde evaluaties

In deze paragraaf wordt op beknopte wijze verslag gedaan van de uitkomsten van uitgevoerde evaluaties. De volgende elementen worden genoemd:

• de verzending van een evaluatierapport naar de Tweede Kamer; indien dit het geval is, is het betreffende Kamerstuknummer vermeld.

• de resultaten van het evaluatieonderzoek.

• de aanbevelingen die uit de resultaten voortvloeien.

• het gebruik van de aanbevelingen; het kan voorkomen dat de interne besluitvorming over de wijze waarop gebruik van de resultaten kan worden gemaakt, nog niet is afgerond.

Overigens wordt ook in de artikelsgewijze toelichting bij de begroting ingegaan op de uitkomsten en consequenties van recent uitgevoerde evaluaties, waardoor een zekere informatieoverlap ontstaat. Gemeend is echter dat de toegevoegde waarde van zowel de integratie van de evaluatieresultaten in de artikelsgewijze toelichting, als de afzonderlijke, centrale, weergave van evaluatieresultaten in de evaluatiebijlage zwaarder weegt dan het nadeel van deze overlap.

De uitkomsten per evaluatie staan hieronder weergegeven. Daar waar over kosten wordt gesproken worden de externe onderzoekskosten bedoeld.

94–12 Instrument: ES-onderzoeksbudgetten

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen

Resultaat: Bij ES wordt relevant en hoogwaardig onderzoek uitgevoerd. Het gebruik van onderzoeksresultaten in het beleid is over het algemeen goed. In een kennisorganisatie als ES moeten hoge eisen worden gesteld aan het management van onderzoek. Hier zijn verbeteringen mogelijk:

• Het (her)gebruik van onderzoek kan en moet meer plaatsvinden;

• Het institutioneel leervermogen ten aanzien van onderzoeksresultaten kan verbeterd worden.

Aanbevelingen:

• Versterking van de positie van onderzoekscoördinatoren;

• Verbetering van de onderzoeksprogrammering en -afstemming binnen ES;

• Vergroting van de kennis over onderzoeksbureaus;

• Verbetering van het deskundig opdrachtgeverschap, bijvoorbeeld via een versterking van de begeleidingscommissies;

• Betere verspreiding van de onderzoeksresultaten binnen en buiten ES.

Gebruik: De genoemde aanbevelingen zullen worden gebruikt om het proces rond het uitbesteden van onderzoek bij ES te verbeteren.

Kosten: f 93 000

96–04 Instrument: Transmit bedrijfstakverkenningen

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: In het algemeen kan geconstateerd worden dat de regeling een positieve bijdrage heeft geleverd aan het onderkennen van scholingsbehoeften in branches en aan de communicatie tussen het bedrijfsleven en opleidingsinstellingen. Ook heeft toepassing van de methodiek aangezet tot verruiming van het blikveld van het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen ten aanzien van de scholingsbehoeften (niet alleen vaktechnische maar ook gericht op sociale vaardigheden). Transmit als analyse-instrument voor een meer permanente afstemming van door bedrijven in de toekomst verwachte ontwikkelingen in kennis en vaardigheden van categorieën werknemers met onderwijsinhoud is minder sterk uit de verf gekomen.

Aanbevelingen: Bij regelingen die zich richten op branches moet voldoende aandacht worden besteed aan het bereiken van de gehele doelgroep. Ook moet meer nadrukkelijk aandacht zijn voor de implementatie van de vervolgactiviteiten die dergelijke regelingen op gang brengen.

Gebruik: De regeling zelf is in 1994 afgelopen. Voor zover van toepassing zullen de ervaringen worden toegepast bij nieuw te ontwikkelen beleid i.c. nieuwe regelingen.

Kosten: f 117 500

97–12 Instrument: Subsidieregeling Actieve zon-thermische systemen (1998) (SAZS (1998); «zonneboilerregeling»)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: Volgens de evaluatie is door de zonneboilerregeling de afzet van zon-thermische systemen sterk toegenomen. De regeling heeft positieve effecten gehad op de Nederlandse industrie. De opbrengstmethode in de regeling heeft geleid tot meer efficiënte zonneboilersystemen en inzicht bij de consument omtrent de prijs-prestatiever- houding van zonneboilers.

De hoogte van de subsidie is correct. De afbouw van het subsidiebedrag in de afgelopen jaren ging harder dan de prijsdaling van de zonneboiler. Daarom zou de komende jaren het subsidiebedrag per zonneboiler niet verder moeten dalen. Van de geënquêteerde particulieren die een boiler kochten zou 44% de zonneboiler ook zonder subsidie aangeschaft hebben. Van de subsidieaanvragers die toch geen zonneboiler aanschaften, blijkt 70% de kosten te hoog gevonden te hebben. Professionele marktpartijen vinden de subsidie voor zonneboilers op nieuwbouwlocaties van groot belang.

Aanbevelingen:

• De regeling verlengen, onder meer omdat in de nieuwbouw de huidige EPN nog niet voldoende stimulerend werkt.

• De verlenging effectueren voor meerdere jaren om met name de grootschalige nieuwbouw zekerheid vooraf te bieden.

• De mogelijkheid handhaven van subsidieaanvraag ná aanschaf en het gebruik daarvan bevorderen vanwege de lagere uitvoeringskosten.

Gebruik: De regeling is op grond van de evaluatie verlengd: zon-thermische systemen die geplaatst worden in 1999 en 2000 komen voor subsidie in aanmerking. De subsidiebedragen zijn niet verder verlaagd.

Kosten: f 94 150

97–16 Instrument: Kredieten elektronische dienstenontwikkeling (KREDO)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: KREDO is eind 1998 tussentijds geëvalueerd. Het doel daarvan was tweeledig. Op de eerste plaats is een nulmeting gedaan. Daardoor kan de bijdrage van KREDO aan de (verdere) ontwikkeling van elektronische diensten in het vervolg beter gemeten worden. Verder is de wijze van uitvoering van KREDO tegen het licht gehouden. Uit de evaluatie kwam naar voren dat voor de meeste bedrijven de KREDO geen aanleiding, maar een stimulans is om een nieuwe elektronische diensten te ontwikkelen vanwege het afdekken van het financiële risico. Dit houdt tevens is dat een groot deel van de projecten ook zonder KREDO-regeling doorgang zou hebben gevonden, zij het in een aangepaste vorm. De bekendheid en de toegankelijkheid van de regeling kunnen beter. Vooral startende en kleinere bedrijven bleken vaak moeilijk de aanvullende financiering rond te krijgen. Over de directe effecten van de regeling is nog weinig te zeggen, omdat de eerste KREDO-projecten pas nu naar de markt gaan. Indirecte effecten zijn: verbetering van het innovatieve imago, betere uitstraling naar andere bedrijven, het aanspreken van nieuwe markten en de start van nieuwe ontwikkelingsprojecten.

Aanbeveling: Uit de evaluatie komt de aanbeveling de voorlichting te verbeteren. Dit kan door gebruik te maken van concrete voorbeelden. Verlagen van de ondergrens, onderzoeken van de mogelijkheid van gefaseerde indiening en meer aandacht besteden aan nazorg, zijn drie overige aanbevelingen. Ook raadt de evaluatie aan om commerciële Internetexperts in de Adviescommissie op te nemen.

Gebruik: De voorlichting wordt verbeterd en de ondergrens is inmiddels verlaagd van f 500 000 naar f 200 000. De overige aanbevelingen worden nog op hun merites beoordeeld. Daarbij wordt onder meer gelet op de verhouding tussen de uitvoeringskosten en de omvang van de regeling.

Kosten: f 141 235

98–01 Instrument: Innovatiegerichte Onderzoek Programma's: IOP-metalen (1 988)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: Het IOP Metalen heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan versterking van onderzoekskernen, van belang voor het bedrijfsleven en heeft meer lijn gebracht in het versnipperde metalenveld. De kennisinstellingen hebben het kennisniveau kunnen verhogen. Mede vanwege de structuur van de Nederlandse metaalsector zijn maar weinig bedrijven betrokken. Desalniettemin heeft het IOP bijgedragen aan de netwerkvorming. Verankering van kennisontwikkeling en netwerken heeft o.m. plaatsgehad in de vorming van het TTI Netherlands Institute for Metals Research. Kennistransfer is intensief en innovatief geweest.

Aanbevelingen: Concentreer IOP's op technologiedragende bedrijven en op overzichtelijke, goed af te bakenen gebieden.

Gebruik: De eindevaluatie is door de Stuurgroep IOP en de Programmacommissie gebruikt voor de aansturing van kennisoverdracht in de afrondende fase. Tevens levert het leerpunten op voor andere IOP's.

Kosten: f 93 000

98–03 Instrument: Economische Instituut voor het MKB (EIM)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: De evaluatiecommissie concludeert dat het EIM in de programmaperiode 1995–1998 op een kwalitatief goede wijze systematisch en wetenschappelijk verantwoord onderzoek heeft uitgevoerd.

Aanbevelingen: De evaluatiecommissie stelt voor om op drie hoofdpunten de aansturing van het programma-onderzoek te verbeteren:

• inhoud: betere afbakening van het programma-onderzoek tot onderzoek met een publiek karakter;

• aansturing: de aansturing van het basisprogramma kan beter door instelling van een programmaraad;

• concurrentieverstoring: een betere toegankelijkheid van de resultaten van het programma-onderzoek zal de huidige concurrentieverstoring tot aanvaardbare proporties terugbrengen en de maatschappelijke reikwijdte van het programmaonderzoek verbeteren.

Gebruik: De aanbevelingen van de evaluatiecommissie zullen worden uitgewerkt in een nieuwe sturingsrelatie tussen EZ en het EIM.

Kosten: f 227 000

98–04 Instrument: IBTA Oost Europa

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: De Tweede Kamer wordt via de voortgangsrapportage Midden en Oost Europa geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie.

Resultaat:

• faciliteit draagt bij aan duurzame en transitiebevorderende Nederlandse investeringen in Oost-Europa (OE);

• de multiplier is hoog: Voor iedere IBTA-OE gulden wordt voor 7,4 gulden geïnvesteerd in OE;

• faciliteit is doelmatig van opzet en neemt een duidelijke plaats in in het totale instrumentarium;

• een meer evenwichtige verdeling van MKB en grootbedrijf zou de additionaliteit van de regeling vergroten;

• doeltreffendheid uitvoering is niet optimaal, verbetering mogelijk op gebied van o.a. communicatie en informatiestromen.

Aanbevelingen:

• actieve promotie bij het MKB

• invoering van beperkte monitoring en evaluatie van projecten; dit verbetert inzicht in doelmatig en doeltreffendheid van faciliteit.

Gebruik: Beleidsconclusies en eventuele acties op basis van de evaluatie moeten nog definitief geformuleerd worden.

Kosten: f 198 079

98–09 Instrument: Programma Starters Buitenland (PSB)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat:

• van deelnemers die niet eerder exporteerden doet ruim de helft dat na PSB wel;

• van deelnemers met geringe exportervaring neemt exportquote na PSB met 44% toe.

Aanbevelingen: Het bereik van doelgroep blijkt teleurstellend. Geadviseerd is om PSB alleen voort te zetten als er tenminste 400 subsidies per jaar worden verstrekt.

Gebruik: Gelet op de aanbevelingen zijn de volgende acties ondernomen:

• PSB verbreden en vereenvoudigen;

• bereik vergroten door actievere en gerichtere benadering doelgroep door EVD, exportconsulenten, KvK's en branches, AA consulenten, accountmanagers van banken, Syntens.

• targets vastleggen in contracten met de exportconsulenten

Kosten: f 138 772

98–13 Instrument: Regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: De Tweede Kamer is per brief van 21 januari 1999 over de uitkomsten van de evaluatie geïnformeerd.

Resultaat: Het onderzoek levert een benchmark op van Regionale ontwikkelingsmaatschappijen uit verschillende landen in Noord-West-Europa

Aanbevelingen:

• ROM's in breder perspectief plaatsen dan regionaal economisch beleid sec;

• Versterking van de ontwikkelingsfunctie;

• Bezien of ROM's bij uitvoering nationaal en regionaal industriebeleid kunnen worden ingeschakeld;

• Inspelen op clustervorming van bedrijven.

Gebruik: De uitkomsten worden gebruikt bij de bepaling van de nieuwe beleidslijn met betrekking tot ROM's.

Kosten: f 141 000

98–15 Instrument: Subsidieregeling Innovatiegerichte Onderzoek Programma's; algemeen.

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: Met de in 20 jaar uitgevoerde 20 IOP's is de hoofddoelstelling, via een programmatische aanpak het strategische onderzoek aan de Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstituten te versterken in de richting van de innovatiebehoefte van het Nederlandse bedrijfsleven, op de desbetreffende onderzoeksgebieden in ruime mate bereikt. Het IOP is een effectief en doelmatig functionerend instrument voor het leggen van de koppeling tussen strategische kennisvraag en het wetenschappelijke kennisaanbod. Het is een relatief klein, maar wel uniek instrument; het is complementair aan de andere instrumenten in de beleidsketen.

Aanbevelingen:

• Het IOP zou meer systematisch kunnen worden ingeschakeld in de beleidsketen (bijv. afstemming met NWO en STW, maar ook met BTS);

• Missend element in de uitvoering is het actief identificeren van commercieel kansrijke onderzoekresultaten (octrooien, spin off bedrijven);

• IOP-projecten en projectresultaten in brede zin zouden gedetailleerder en consequenter kunnen worden bijgehouden, t.b.v. beleidsontwikkeling en verantwoording.

Gebruik: Het onderzoek wordt gebruikt bij de analyse en beoordeling van het R&D-instrumentarium EZ ten behoeve van de «Industriebrief». Daarnaast zullen beleidsaanpassingen in IOP-instrumenten worden geïmplementeerd.

Kosten: f 176 000

98–16 Instrument: Tenderregeling Nieuwe Energie-efficiënte combinaties Warmte/kracht-Systemen (NEWS)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: In 1997 (97–11) is het eerste jaar van de regeling NEWS intern geëvalueerd. Hier is in de loop van 1998 een externe evaluatie op gevolgd. Deze evaluatie heeft de volgende uitkomsten opgeleverd:

• de regeling is redelijk effectief;

• de regeling richt zich te veel op de industrie. Omdat het effect van NEWS het sterkste bij niet-industriële bedrijven is, zou in de toekomst het accent meer op de gebouwde omgeving en landbouw moeten komen te liggen;

• de effectiviteit van de uitvoering is goed; de efficiency van de uitvoering is aanvaardbaar;

• de overdracht van kennis was bescheiden gezien het belang van kennisoverdracht voor het stimuleren van herhalingen.

De evaluator spreekt de verwachting uit dat er weinig (potentiële) vernieuwingen warmte/kracht te verwachten zijn. Slechts in één geval is een daadwerkelijke overlap gesignaleerd met een andere regeling (CO2-reductieplan).

Aanbeveling: Over het algemeen is de evaluatie redelijk positief over de regeling en uitvoering door Senter. Het onderzoek levert wel een aantal verbeter- en aandachtspunten op. Uit de inventarisatie van (potentiële) vernieuwingen warmte/kracht blijkt echter dat de vijver in de afgelopen drie jaar is leeggevist. Het onderzoek stelt ook vast dat de aanleidingen voor NEWS gedeeltelijk nog actueel zijn. Met name voor het breed toepassen van nieuwe warmte/kracht-opties. Het onderzoek doet geen concrete uitspraak over het al dan niet doorgaan van NEWS.

Gebruik: Inmiddels is besloten om NEWS in de huidige opzet te beëindigen en een gedeeltelijk vervangend instrument op te zetten. In de offerteaanvraag zijn de verbeter- en aandachtspunten van het onderzoek verwerkt.

Kosten: f 94 235

98–17 Instrument: Haalbaarheidsprojecten MKB

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: Dankzij de regeling kennen veel MKB'ers de haalbaarheidsstudie als innovatie-instrument. Het instrument «dwingt» MKB'ers tot gestructureerd nadenken bij innovaties. Bijna 40% van de deelnemers behoort tot de directe doelgroep van «voorzichtige of twijfelende innovatoren». Deze MKB'ers zijn over het algemeen technologievolgend. Slechts 19% van de deelnemers is «free-rider».

Uit de evaluatie blijkt dat er maar weinig raakvlakken zijn met kennisoverdrachtregelingen als de TOK-voorstudie en het TNO-MKB initiatief. Verder komt naar voren dat de effectiviteit toeneemt als ondernemers uit de primaire landbouw en dochters van grote bedrijven worden uitgesloten. De effectiviteit kan verder worden vergroot door aanpassing van een aantal onderdelen van de regeling.

Ondernemers zijn zeer tevreden over de duidelijke en snelle aanvraagprocedure en de kwaliteit van de Sentermedewerkers.

Aanbevelingen: De regeling aanpassen door het uitsluiten van ondernemers uit de primaire landbouw en dochters van grote bedrijven (het pseudo-MKB).

Gebruik: Mede naar aanleiding van de evaluatie is de Subsidieregeling Haalbaarheidsprojecten MKB 1998 op 8 april 1999 gewijzigd. De wijziging moet onder meer het evenwicht tussen het aantal aanvragen en het beschikbare budget herstellen. Daartoe zijn ondernemers in de primaire landbouw en visserij uitgesloten. Verder krijgen alleen ondernemers met maximaal 250 werknemers nog subsidie. In het laatste geval tellen alle werknemers mee. Dus ook van de groep waartoe de onderneming eventueel behoort. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de aanbeveling om dochters van grote bedrijven uit te sluiten. Tenslotte is het subsidieplafond voor 1999 opgetrokken naar f 9 miljoen.

Kosten: f 175 809

99–01 Instrument: Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten (IPR)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: De Tweede Kamer is per brief van 21 januari 1999 over de uitkomsten van de evaluatie geïnformeerd.

Resultaat:

• de subsidie is van grote invloed op ondernemers bij de locatiekeuze van nieuwe vestigingen. Ongeveer 75% van de respondenten geeft aan dat de IPR doorslaggevend of in zeer belangrijke mate de vestiging naar het Noorden heeft gelokt. Bij uitbreidingsinvesteringen is de IPR veel minder van belang bij voor de investeringsbeslissing; voor deze categorie ligt het percentage op minder dan 50%;

• subsidie vergemakkelijkt de financiering van projecten en vergroot vaak de investeringsomvang;

• Ruim 60% van de IPR-projecten is betrokken bij de creatie van nieuwe werkgelegenheid in het Noorden. In de periode 1993–1997 betreft het ruim 6 400 nieuwe arbeidsplaatsen (van de in totaal ruim 10 000 verworven arbeidsplaatsen in het Noorden).

Aanbevelingen:

• de IPR alleen richten op vestigingsprojecten, die van buiten de IPR-regio komen en op investeringen die «nieuw» voor de regio zijn;

• uitbreidingsinvesteringen selectief stimuleren, bijvoorbeeld vanaf een bepaald (=groot) investeringsbedrag en/of bedrijven die de regio dreigen te verlaten; voor kleinere uitbreidingsprojecten die de boot missen wordt een vangnetregeling aanbevolen;

• subsidieomvang moet voldoende hoog zijn om als lokmiddel te dienen (tenminste 18% bruto bij vestiging en 14% bij uitbreiding);

• indien vergelijking van internationale beleidsconcurrentie hogere steunpercentages indiceert ,ligt een opwaartse bijstelling in de rede;

• concentreer de IPR op de economische kernzones van Langman, m.u.v. de toeristische sector, die plaatsgebonden is.

Gebruik: Inmiddels is besloten dat:

• IPR (centraal) zich richt op de 5 kernzones in Noord Nederland;

IPR (centraal) wordt beperkt tot vestigingsprojecten;

• centrale IPR van toepassing is op omvangrijke vernieuwingsprojecten (> f 100 mln.) van bedrijven (> 400 werknemers) die een pijler zijn voor de regionale economie en met alternatieve vestigingslocatie(s);

• subsidiegrondslag wordt verbreed door aan te sluiten op de criteria van de Europese Commissie;

Kosten: f 255 000

99–02 Instrument: Bedrijfslocatiemonitor (BLM)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: De gestelde doelstelling (analyse en ramingen van vraag en aanbod van bedrijventerreinen en kantoorlocaties in verschillende segmenten op basis van lange termijn scenario's) is gehaald. De BLM is hiermee een uniek product: de markt wordt doorzichtig gemaakt. De monitorfunctie is nog kleiner dan de voorspellende functie maar dit is te wijten aan het nog in opbouw zijn van het instrument.

Aanbevelingen:

1. Verdere vervolmaking van BLM vergt derde fase voor opbouw;

2. Voorbereiden derde fase vraagt aanzienlijke inspanning op korte termijn;

3. In derde fase nadrukkelijker en constante aandacht voor functie BLM voor regionale/locale overheden;

4. Actieve en professionele procesbegeleiding is voor derde fase noodzakelijk.

Gebruik: Aanbevelingen zijn gedeeltelijk uitgevoerd (m.n. 2.) of overgenomen in beleidsnotitie voor 3e fase (1, 3 en 4)

Kosten: f 42 000

99–03a Instrument: Cofinanciering (Interreg) – tussentijdse evaluatie van de programma's '96-'99

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen

Resultaat: De evaluatie van de Europese programma's is in feite een continu proces waar het ministerie door vertegenwoordiging in de stuurgroep betrokken is. Het programma loopt op schema, heeft een goede voortgang. Veel projecten zouden zonder Interreg II-subsidie niet of op een veel beperktere schaal van de grond zijn gekomen. Dankzij deze projecten is de grensoverschrijdende samenwerking (een van de belangrijkste doelstellingen) geïnitieerd of bevorderd. Alle betrokkenen zetten zich in voor een goede invulling van de programma's.

Aanbevelingen:

– Het is belangrijk dat voor enkele programmas de indicatoren (voor de monitoring en de effectmeting) aangescherpt worden.

– Er worden enkele kleinere aanpassingen voorgesteld in de gehanteerde procedures.

Gebruik: De evaluatie is aan de Europese Commissie aangeboden. De aanbevelingen zijn gebruikt om waar nog mogelijk verbeteringen in de programma-organisatie door te voeren.

Kosten: niet voor rekening EZ

99–3b Instrument: Cofinanciering (Konver) – tussentijdse evaluatie van het programma's '96-'99

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: De evaluatie van de Europese programma's is in feite een continu proces waar het ministerie door vertegenwoordiging in de stuurgroep betrokken is. Het programma loopt op schema, heeft een goede voortgang en organisatiestructuur functioneert goed. Het tweede spoor van het programma (versterken andere regionale economische functies) verloopt succesvoller dan het eerste spoor (alternatieve economische functies geven voor militaire gebouwen en complexen). Oorzaak hiervan is de beperkte tijdsduur van het programma: herstructurering neemt meestal langere termijnen (RO-procedures etc) in beslag.

Aanbevelingen:

– Er zal meer aandacht aan ESF-gedeelte ( her/bijscholing van personeel van defensiebedrijven) besteed moeten worden.

– Er worden enkele kleinere aanpassingen voorgesteld in de gehanteerde procedures.

Gebruik: De evaluatie is aan de Europese Commissie aangeboden. De aanbevelingen zijn gebruikt om waar nog mogelijk verbeteringen in de programma-organisatie door te voeren.

Kosten: niet voor rekening EZ

99–05 Instrument: Stimuleringsregeling Ruimte voor Economische Activiteit (StiREA)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: De Tweede Kamer is per brief van 21 januari 1999 over de uitkomsten van de evaluatie geïnformeerd.

Resultaat: Het instrument heeft aantoonbare bijdrage geleverd aan oplossen van problematiek van economische ruimtereservering. De regeling is adequaat uitgevoerd.

Aanbevelingen: Het instrument StiREA is in kader van problematiek rond ontwikkeling en revitalisering van bedrijventerreinen als effectief te beschouwen. Bijstelling van het instrument op aantal punten is gewenst. Positieve ervaringen van betrokkenen (gemeenten, provincies, bedrijfsleven) dienen daarbij als leidraad te gelden. Voorts wordt aanbevolen:

– ook in de toekomst de StiREA naadloos te laten aansluiten bij de hogere doelstellingen van het ruimtelijk economisch beleid;

– het werkingsgebied landelijk te houden;

– een diepere reflectie aangaande typen van regionale samenwerking; de mogelijkheid te scheppen dat StiREA-aanvragen ook ingediend kunnen worden door regionale samenwerkingsverbanden met een

– zelfstandige juridische status (BV's, NV's);

– actieve regiefunctie van de provincie;

– een betere terugkoppeling naar de indieners.

Gebruik: Evaluatie dient als uitgangspunt bij het opzetten van een nieuwe regeling.

Kosten: f 176 000

99–08 Instrument: Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma's: IOP-katalyse (1 989)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: Het IOP Katalyse heeft een positieve bijdrage geleverd aan de specifieke kennis op het gebied van katalyse en aan de generieke kennis op het gebied van de procesindustrie. Een dertigtal bedrijven en vrijwel alle relevante kennisinstellingen zijn betrokken. Netwerkvorming, industrieel inzetbare onderzoekers en een verbeterde samenwerking tussen de disciplines homogene en heterogene katalyse en biokatalyse zijn naast de goede kennisontwikkeling de belangrijkste resultaten.

Aanbevelingen: Verankering van kennisontwikkeling en gevormde netwerken zou moeten kunnen plaatsvinden in de structuur van de nieuwe Toponderzoekschool Katalyse.

Gebruik: IOP-eindevaluaties dienen voor bijsturing van kennisoverdracht en effectuering van verankering in de laatste fase van een IOP. Dit is ook op dit IOP van toepassing. Tevens levert het leerpunten op voor andere IOP's.

Kosten: f 141 000

99–09 Instrument: Innovatiegerichte Onderzoek Programma's: IOP beeldverwerking (1996)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: IOP is goed op weg naar versterking van het strategisch onderzoek in de Nederlandse kennisinfrastructuur op het terrein van beeldverwerking. Het betreft een onderzoeksgebied waarin de ontwikkelingen zeer snel gaan. Daarom is gekozen voor een verkort/versneld IOP. Het IOP is aan de toepassingsgerichte kant. Er wordt bewust gestuurd op zwaartepuntvorming bij drie erkend sterke onderzoekgroepen.

Aanbevelingen: Een tweede fase van het IOP wordt aanbevolen en dient zonder tijdverlies op de eerste te volgen. Daarbij dient het in de eerste fase ingezette werk aan verankering krachtig te worden voortgezet.

Gebruik: Evaluatie en aanbevelingen zijn door de Stuurgroep IOP gebruikt bij positieve beslissing over voortzetting van dit IOP (juni 1998)

Kosten: f 119 000

99–14 Instrument: Innovatieve overheidsaanbesteding

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: De rijksoverheid koopt jaarlijks voor circa f 18 miljard in. De overheid is dus een grote marktpartij, zeker als gecoördineerd wordt ingekocht. De beleidsmatige kant van deze coördinatie moet de komende jaren worden versterkt. Dit moet twee gevolgen hebben: een betere verhouding tussen prijs en kwaliteit van de ingekochte goederen en diensten, en een stimulans voor toeleverende bedrijven om dit via onderlinge samenwerking en innovaties te realiseren. Zowel de opdrachtgever (de rijksoverheid) als de opdrachtnemer hebben daar voordeel bij.

Aanbevelingen: De evaluatie komt tot de volgende aanbevelingen:

1. meer aandacht voor inkopen en aanbesteden dan tot nu toe bestaat;

2. meer aandacht voor de keuze tussen zelf doen of uitbesteden;

3. meer aandacht voor het innovatieve karakter van in te kopen producten en diensten;

4. meer aandacht voor de formulering van functionele eisen;

5. bedrijven moeten zelf verder werken aan innovatie en onderlinge samenwerking.

Gebruik: De regeling «Innovatieve overheidsaanbesteding» is onderdeel van het clusterbeleid dat bedrijven stimuleert gezamenlijk aan innovatie te werken. Met uitdagend inkopen kan de overheid daar een impuls aan geven.

Kosten: geen, interne evaluatie

99–16 Instrument: Nederland Distributieland

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: De Tweede Kamer is per brief van 1 april 1999 (DGG/AIZ/99 001 252) over de evaluatie geïnformeerd.

Resultaat: «Nederland Distributieland» is een samenwerkingsverband van aanbieders van logistieke diensten. De organisatie heeft een succesvolle bijdrage geleverd aan de werkgelegenheid, de verdiensten en het aantrekken van ladingstromen. Mede door de inspanningen heeft Nederland een goede concurrentiepositie op logistiek gebied. Wel is er een achterstand op de Verenigde Staten als het gaat om innovaties en ontwikkeling van de bedrijfsstructuur. Verder kwam naar voren dat het milieu meer aandacht behoeft.

Aanbevelingen: In «Nederland Distributieland» moet meer aandacht zijn voor kennis en innovatie. Ook moet er rekening worden gehouden met de maatschappelijke acceptatie.

Gebruik: De betrokken departementen (EZ, V&W en LNV) praten over voortzetting van de subsidieverlening. Gezien de positieve evaluatie zijn de vooruitzichten positief.

Kosten: f 131 756 (50 % EZ en 50% V&W)

99–28 Instrument: Novem-programma Nieuwe Energie-conversie Technologieën (NECT)

Rapport aan Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: De ondersteunde projecten van dit Novem-programma zijn nog niet veel in de praktijk toegepast. Wel is in enkele gevallen meer duidelijk geworden over de (on)haalbaarheid van de onderzochte technologie. Hoge verwachtingen zijn voor de korte termijn niet rechtvaardig. Het naar de markt brengen van een technologie is een zaak van lange adem. Daarbij komt dat de industriële inbedding onzeker is. Al met al wordt de bijdrage van een technologie aan energiebesparing pas op de lange termijn zichtbaar.

De doelgroep waardeert met name de snelheid en slagvaardigheid van de uitvoering door Novem. Wel is een actievere benadering van de doelgroep gewenst, zowel bij acquisitie van projecten als bij disseminatie van resultaten. De besluitvorming over de keuze van projecten moet worden geformaliseerd. Verder kan de toegankelijkheid van jaarplannen en rapportages verbeteren.

Aanbevelingen: Door NECT te beperken tot de «kraamkamer» kan het rendement van de regeling groter worden. In deze «kraamkamer» worden de nieuwe ideeën uitgewerkt totdat de industrie ze oppakt. Het programma moet selectiecriteria krijgen die er voor zorgen dat de industrie succesvolle projecten overneemt.

Gebruik: NECT wordt in gewijzigde vorm voortgezet. De gesuggereerde kraamkamerfunctie staat daarin centraal. De gesignaleerde verbeterpunten in het programmamanagement zijn meegenomen.

Kosten: f 180 000 in combinatie met 99–29, opdrachtgever NOVEM

99–29 Instrument: Novemprogramma Brandstofcellen

Rapport aan Tweede Kamer gezonden: Neen.

Resultaat: Het meerjarenprogramma brandstofcellen is op de helft van de rit. Reeds nu wordt verwacht dat het programma binnen de resterende looptijd het doel (toepassing van brandstofcellen) niet bereikt. Dit staat los van het programma of de uitvoering. Het komt doordat de brandstoftechnologie (wereldwijd) nog niet aan toepassing toe is, omdat de onzekerheid over technologische en economische haalbaarheid bij alle typen brandstrofcellen groot is. In Nederland zijn er thans geen partijen die willen investeren in concrete toepassingen.

Aanbevelingen: De evaluatie beveelt aan prioriteiten aan te geven in te ondersteunen brandstofceltechnologieën en te stoppen met de ondersteuning van de ontwikkeling van de gesmolten-carbonaat-brandstofcel (MCFC). In plaats van op kennisontwikkeling met het programma zich meer op de toepassing van brandstoftechnologie oriënteren, in het bijzonder op die van systemen.

Gebruik: Vooral vanwege de constatering dat in Nederland geen partijen in concrete toepassingen willen investeren, is besloten het programma af te bouwen.

Kosten: f 180 000 in combinatie met 99–28, opdrachtgever NOVEM

99–33 Instrument: Integraal Structuurplan Noorden des lands (ISP)

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: De Tweede Kamer is per brief van 21 januari 1999 over de uitkomsten van de evaluatie geïnformeerd.

Resultaat: Een groot aantal projecten is van start gegaan die in het algemeen goed aansluiten bij de doelstellingen.

Aanbevelingen:

• In het nieuwe beleid voor 2000–2006 drie subprogramma's uitwerken: economische kernzones, stedelijke ontwikkeling en plattelandsontwikkeling; mits deze elkaar inhoudelijk niet overlappen;

• Het beleid voor de marktsector, de publieke sector en de Europese programma's moet veel meer met elkaar in samenhang worden gebracht om de effectiviteit te vergroten;

• Bij de indiening en besluitvorming mogen de grenzen tussen de drie noordelijke provincies geen rol meer spelen;

• Het genereren en indienen van zowel marktsector als publieke projecten moet worden losgekoppeld van de besluitvorming;

• Bij de goedkeuringsprocedures moet de objectiviteit beter worden gewaarborgd;

• Voor het nieuwe programma 2000–2006 moeten tastbare doelstellingen worden geformuleerd en toetsbare criteria op projectniveau;

• Er moet een goede voortgangscontrole komen met heldere indicatoren en meetpunten zodat de resultaten van het beleid beter kunnen worden vastgelegd;

• Er moet een slagvaardige uitvoeringsorganisatie komen op noordelijke schaal onder de verantwoordelijkheid van het SNN, waarin de samenhang tussen de verschillende programma-onderdelen is gewaarborgd;

• Voor het beleid gericht op de marktsector moet er een grote betrokkenheid van deze sector blijven;

Gebruik: Het onderzoek zal worden gebruikt bij de nieuwe opzet van het REONN.

Kosten: f 158 000

Niet-financiële instrumenten (wetgeving)

Instrument: Vestigingswet Bedrijven 1954

Rapport aan de Tweede Kamer gezonden: Het evaluatierapport is op 10 september 1999 aan de Tweede Kamer gezonden.

Resultaat: Wijziging van de wet in 1996 heeft in sectoren met vereenvoudigde regelgeving geleid tot een aanzienlijke stijging van de startersquote en in sectoren met verzwaarde regelgeving tot een aanzienlijke daling. Startende ondernemers blijken zich in de praktijk ook al grondig voor te bereiden, ongeacht of er wettelijke (scholings)eisen gelden. Er is geen bewijs gevonden voor de stelling dat de Vestigingswet de kwaliteit van het ondernemerschap bevordert.

Aanbevelingen: Door het bureau zijn geen expliciete aanbevelingen gedaan.

Gebruik: Het rapport is aan de Tweede Kamer aangeboden tezamen met het beleidsvoornemen om de eisen op grond van de Vestigingswet per 1 januari 2001 in te trekken, met uitzondering van die eisen die beogen aspecten van gezondheid, veiligheid en milieu. Deze uitzondering geldt voor een periode van uiterlijk 5 jaar.

4. Stand van zaken vorige evaluatieplannen

Onderstaand is in tabelvorm een overzicht gegeven van instrumenten die in voorgaande evaluatieplannen zijn opgenomen. Omdat de planjaren 1991, 1992, 1993, 1994 en 1995 geheel zijn gerealiseerd, zijn deze niet meer in onderstaand overzicht opgenomen.

De tabel vermeldt de volgende gegevens.

• Eerste en tweede kolom: het planjaar en volgnummer van de evaluatie;

• Derde en vierde kolom: het begrotingsartikel en de omschrijving van het instrument;

• Laatste kolom bevat één van de volgende meldingen:

* het jaartal van de ontwerpbegroting waarin gerapporteerd is over de resultaten van de evaluatie;

* «volgt», indien de evaluatie nog niet is afgerond;

* «verschoven», indien de evaluatie is komen te vervallen in het oorspronkelijke jaarplan en (onder een nieuw nummer) is doorgeschoven naar een nieuw jaarplan;

* «TK», indien niet gerapporteerd is in de ontwerpbegroting, maar in een aparte brief aan het parlement.

 
JAARPLANNR.ART.INSTRUMENTRAPPORT IN JAARPLAN
   planjaar 1996 
199610203bedrijfsgerichte technologiestim. Intern. Progr. (BTIP/EUREKA)zie 1998–14
1996 20202IOP-industriele eiwitten1997
1996 30202Clusterbeleid1998
199640212Transmit-bedrijfstakverkenningen2000
199650501Subsidieregeling Branchecentra voor Technologie (BCT)1999
1996 60501Subsidie afdeling OCAP van IMKN1998
1996 7Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)1997
1996 80705Passage1998
199690202Regeling informatietechnologie (IT)1998
1996100202PBTS-biotechnologie1998
1996110202PBTS-milieutechnologie1998
     
   planjaar 1997 
1997 10202Innovatiegerichte onderzoekprogramma's verf (IOP)1998
1997 20202Referentieprojecten milieutechnologie1999
1997 30205IC netwerk1999
1997 40206Instituut voor nederlandse kwaliteit (INK)1998
1997 50212Kennisdragers in het mkb (KIM)1998
1997 60303Toeleveren en uitbesteden (T&U)1999
1997 70203Technologische samenwerking met indonesiezie 1998–14
1997 8Groepsactierechtvolgt
1997 8Vestigingswetgeving (DRANK EN HORECAWET/VEST.WET BEDRIJVEN)1999
1997 90901Tenders industriele energiebesparing (TIEB)1999
1997100901Subsidieregeling energiebesparings- & milieu-adviezen (E&M)1999
1997110901Tenderregeling nieuwe energie-efficiente comb. Wks (NEWS)1998
1997120902Zonneboiler-regeling2000
19971309Uitvoering programma's en regelingen door novem1999
1997140202Economie, ecologie en technologie (EET)volgt
1997150202Haalbaarheidsprojecten mkb (HMKB)1998
1997160209Regeling ontwikkelingskredieten electronische diensten (KREDO)2000
1997170209Kredietregeling milieugerichte produktontwikkeling (MPO)1999
1997180155Agentschap senterTK
1997190213Industriefaciliteit1998
1997200408Decentrale investeringspremieregeling (IPR)1998
1997210409Co-financiering programma's europese commissie1998
1997220901Meerjarenprogramma intersectorale nieuwe technologieen (MINT)1999
1997230902Energiewinning uit afval en biomassa (EWAB)1999
199724Meerjarenafspraak met industrie over energiebesparing1999
1997250705Investeringsfaciliteit midden en oost-europa (IFMOE)1999
1997260208Bevordering vliegtuigindustrie en ruimtevaart1999
1997270202TNO/MKB-initiatief1998
199728WVA/S&O-vermindering (voorheen WBSO)1999
1997290409Integraal structuurplan noorden des lands (ISP)1998
     
   planjaar 1998 
199810212IOP-metalen2000
1998 20212IOP-oppervlakte1999
1998 30502Economisch instituut voor het mkb (EIM)2000
1998 40705Faciliteit investeringsbevordering+technische assistentie (IBTA)2000
1998 50901Novemprogramma warmtevoorzieningvolgt
1998 60705SENO-faciliteit (voorheen: lease-faciliteit)volgt
1998 7Wet op het consumentenkredietvolgt
1998 80703Besluit export steun (BSE)volgt
1998 90705Programma starters buitenlandse markten (PSB)2000
1998100705Programma samenwerking oost-europa (PSO)volgt
1998110702Programma economische samenwerking projecten (PESP)volgt
1998120503Borgstellingsregelingen (BBMKB)volgt
1998130401Regionale ontwikkelingsmaatschappijen2000
1998140203Internationale samenwerking (BTIP, Indonesië)volgt
1998150212IOP (regeling als geheel)2000
1998160901Nieuwe e-efficiente combinaties w/k-systemen (NEWS)2000
1998170202Haalbaarheidsprojecten mkbTK
     
   planjaar 1999 
199910408Centrale ipr2000
1999 20410Bedrijfslocatiemonitor (BLM)2000
1999 30409Europese programma's – interreg2000
1999 40512Toeristische institutenvolgt
1999 50410Stirea2000
1999 60212Stimuleringsprogramma impulsvolgt
1999 70212Vrijmarktprogrammavolgt
1999 80212IOP-katalyse2000
199990212IOP-beeldverwerking2000
1999100212Bijdrage aan St. Publiek, Wetenschap en Techniek (PWT)volgt
1999110705Multilaterale projecten en trustfundsvolgt
1999120202Bedrijfsgerichte technologisch samenwerkingvolgt
1999130202Besluit subsidies maritiem onderzoekvolgt
1999140202Innovatieve aanbestedingTK
1999150206Bijdrage aan tnovolgt
1999160206Nederland distributieland2000
1999170206Nederlands normalisatie instituutvolgt
1999180305Subsidies zeescheepsnieuwbouwvolgt
1999190905Energieonderzoek Centrum Nederlandvolgt
1999200901Novemprogramma rationeel energieverbruik in V&V (REV)volgt
1999210902Novemprogramma toepassing windenergie (TWIN)volgt
1999220902Novemprogramma zon-photovoltaischvolgt
1999230901Novemprogramma's industrievolgt
1999240901Novemprograama's agrarische sectorvolgt
1999250932Novemprogramma's aardwarmtevolgt
1999260901Novemprogramma's zon thermischvolgt
1999270901Novemprogramma's woningbouw en dienstenvolgt
1999280901Novem: nieuwe energie conversie technieken (NECT)2000
1999290901Novem: brandstofcellen2000
1999300901Novem: loreenvolgt
1999310903Hoge flux reactor (HFR)volgt
1999320903Onderzoeken radioactief afvalvolgt
1999330409Integraal structuurplan noorden des lands (ISP)2000
1999340203Micro-elektronica en adttvolgt
1999350212Vrouw en techniekvolgt
1999360212Technologie en samenlevingvolgt
1999370703Haalbaarheid rentepositiestelselvolgt
1999380312Industriefaciliteitvolgt
1999390206Instituut Nederlandse kwaliteitvolgt
1999400212Kennisdragers in het midden- en kleinbedrijfvolgt

Het oorspronkelijk vastgestelde evaluatieprogramma 1998 is met 10 posten uitgebreid. Het gaat om de nummers 1998–8 t/m 1998–17. De evaluatie onder nummer 1998–14 (BTIP/techn. Samenwerking Indonesië) betreft de afgevoerde evaluaties 1996–1 en 1997–7 die opnieuw – maar nu onder gezamenlijk nummer – opgevoerd zijn in het planjaar 1998. Tevens wordt dit onderzoek gecombineerd met nummer 1999–12. Het planjaar 1999 is uitgebreid met de nummers 1999–33 t/m 1999–40.

Licence