Base description which applies to whole site

XVII Jeugd en Gezin

nr. 4RAPPORT BIJ HET JAARVERSLAG 2008 VAN JEUGD EN GEZIN (XVII)

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

’s-Gravenhage, 20 mei 2009

Hierbij bieden wij u het op 7 mei 2009 door ons vastgestelde «Rapport bij het Jaarverslag 2008 van Jeugd en Gezin (XVII)» aan.

Algemene Rekenkamer

drs. Saskia J. Stuiveling,

president

dr. Ellen M.A. van Schoten RA,

secretaris

Inhoud

Samenvatting5
Kwaliteit van de publieke verantwoording5
Oordelen over jaarverslag7
Kwaliteitskaart bedrijfsvoering7
   
1Inleiding9
1.1Over dit onderzoek9
1.1.1Wettelijke taak9
1.1.2Goede publieke verantwoording10
1.1.3Leeswijzer12
1.1.4Onderzoeksopzet12
1.2Over Jeugd en Gezin12
   
2Jaarverslag16
2.1Oordeel over de financiële informatie16
2.2Oordeel over de saldibalans en toelichting17
2.3Oordeel over de informatie over bedrijfsvoering17
2.4Oordeel over de informatie over het gevoerde beleid18
   
3Bedrijfsvoering19
3.1Inrichting Jeugd en Gezin19
3.2Beheersing realisatie beleidsdoel artikel 220
3.3Beheer programma-uitgaven Jeugd en Gezin22
3.3.1Doeluitkering Jeugdzorg (zorgaanbod)22
3.3.2Volledigheid ouderbijdragen23
3.3.3Subsidiebeheer Ministerie van VWS24
3.3.4Kindgebonden budget24
   
4Informatie over beleid nader beschouwd25
4.1Beschikbaarheid van de beleidsinformatie26
4.1.1Begroting26
4.1.2Jaarverslag28
4.2Bruikbaarheid van de beleidsinformatie30
4.2.1Centrum voor Jeugd en Gezin31
4.2.2Zorg- en adviesteam32
4.3Ontwikkelingen in de beleidsinformatie33
4.3.1Informatie over verantwoordelijkheden33
4.3.2Overdracht begrotingsmiddelen Ministerie van Justitie34
4.3.3Gesloten jeugdzorg35
   
5Reactie minister en nawoord Algemene Rekenkamer36
5.1Reactie minister36
5.2Nawoord Algemene Rekenkamer36
   
Bijlage 1Overzicht fouten en onzekerheden in de financiële informatie in het Jaarverslag 2008 van Jeugd en Gezin38
   
Bijlage 2Gebruikte afkortingen42
   
 Literatuur43

SAMENVATTING

Voor u ligt ons Rapport bij het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin (XVII). In dit rapport presenteren wij de resultaten van ons rechtmatigheidsonderzoek naar het jaarverslag van Jeugd en Gezin.

In deze samenvatting gaan we in op onze belangrijkste bevindingen over de financiële informatie en de beleidsinformatie van Jeugd en Gezin. We zetten deze bevindingen af tegen de beginselen van goede publieke verantwoording, om zo te komen tot aanbevelingen voor het verbeteren van het functioneren van Jeugd en Gezin. Ook geven wij aan het eind van deze samenvatting onze wettelijke oordelen over het Jaarverslag 2008 van Jeugd en Gezin. Deze staan in beknopte vorm in een schema, waarin we verwijzen naar de plaats in dit rapport waar we dieper ingaan op deze oordelen en de achterliggende bevindingen presenteren.

De minister voor Jeugd en Gezin is verantwoordelijk voor een kind- en gezinsvriendelijk beleid, dat wordt gedragen door ouders, families, onderwijzers, professionele hulpverleners, gemeenten, provincies en het Rijk. Hiermee kiest het kabinet naar eigen zeggen voor een nieuwe aanpak. Deze aanpak maakt regie, samenwerken en het overstijgen van deelbelangen in het belang van jeugd en gezinnen mogelijk.

De uitgaven van Jeugd en Gezin bedroegen in 2008 € 6,1 miljard. De verplichtingen bedroegen € 7,2 miljard en de ontvangsten € 34,6 miljoen.

De minister voor Jeugd en Gezin heeft een directe verantwoordelijkheid voor onder andere jeugdzorg, jeugdbescherming, jeugdgezondheidszorg, zorg op school en het gezinsbeleid. De minister is mede betrokken bij een aantal beleidsterreinen waarvoor andere bewindspersonen primair verantwoordelijk zijn.

De minister voor Jeugd en Gezin heeft geen eigen ministerie. In een mandaatregeling zijn de noodzakelijke beleids- en beheershandelingen aan de (hoofden van de) betrokken ambtelijke diensten toegewezen (Staatscourant, 2007). De ministers van Justitie, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zijn verantwoordelijk voor hun eigen bedrijfsvoering en voor de bedrijfsvoering die samenhangt met de begrotingsuitvoering van de minister voor Jeugd en Gezin. De begroting Jeugd en Gezin bestaat alleen uit programma-uitgaven.

Het Jaarverslag 2008 van Jeugd en Gezin is het eerste jaarverslag van de minister voor Jeugd en Gezin. De geldstromen van Jeugd en Gezin in 2008 lopen via de departementale administraties en begrotingsboekhoudingen van de Ministeries van SZW, VWS, Financiën en Justitie.

Kwaliteit van de publieke verantwoording

Wij constateren dat de minister voor Jeugd en Gezin transparant verantwoording aflegt over de rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering, de bedrijfsvoering en de realisatie van zijn beleid.

Financiële informatie: geen belangrijke fouten en onzekerheden

Het Jaarverslag 2008 bevat geen belangrijke fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid en deugdelijke weergave van de financiële informatie.

Bedrijfsvoering Jeugd en Gezin op orde

De minister heeft in 2008 voortgebouwd op de basis van de inrichting van het programma voor Jeugd en Gezin, die in 2007 is gelegd. Hij heeft een begrotingsprocedure vastgesteld en er is een risicoanalyse van de Begroting Jeugd en Gezin 2009 gemaakt.

Het blijkt overigens niet altijd mogelijk de financiële beheershandelingen van andere ministers en de beleidsverantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin strikt van elkaar te scheiden.

Uit ons onderzoek komt naar voren dat de verantwoording van de doeluitkering Jeugdzorg en de volledigheid van ouderbijdragen aandacht behoeven. Wij constateren dat de reikwijdte van deze problemen verder gaat dan uitsluitend financiële beheershandelingen. De beleidsverantwoordelijkheid van de minister speelt hierbij ook een rol. Wij vragen de minister voor Jeugd en Gezin dan ook samen met de minister van VWS verder te werken aan het oplossen van deze problemen.

Beleidsinformatie: eerste jaarverslag Jeugd en Gezin

Tijdens het Verantwoordingsdebat op 22 mei 2007 heeft de Tweede Kamer haar zorgen geuit over de kwaliteit van het verantwoordingsproces. Naar aanleiding daarvan heeft de minister van Financiën in overleg met de Algemene Rekenkamer en de Tweede Kamer besloten tot een experiment met de jaarverslagen van een aantal departementen. Het doel van het experiment is om de jaarverslagen meer focus en politieke zeggingskracht te geven en de verantwoordingslasten te verminderen. De betrokken ministers verantwoorden zich in het beleidsverslag van hun jaarverslag uitgebreid over de kabinetsdoelstellingen uit het coalitieakkoord en over enkele departementspecifieke beleidsprioriteiten. Over beleidsartikelen die niet onder deze kabinetsdoelstellingen vallen, nemen zij alleen een financiële verantwoording op in het jaarverslag. Jeugd en Gezin doet vanaf het Jaarverslag 2008 mee aan het experiment.1

In de begroting Jeugd en Gezin zijn vier doelstellingen opgenomen uit het Beleidsprogramma 2007–2011 van het kabinet (kabinetsdoelstellingen), te weten:

1) Doelstelling 30: In 2011 worden jeugdigen en hun ouders snel en goed ondersteund.

2) Doelstelling 31: De wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg blijven beperkt tot maximaal negen weken na indicatiestelling en kinderbeschermingsmaatregelen kunnen sneller worden ingezet.

3) Doelstelling 32: Bestrijding kindermishandeling door versterking van preventie, signalering en ingrijpen.

4) Doelstelling 50: Een reductie van de criminaliteit van 25% in 2010 ten opzichte van 2002.

De vier kabinetsdoelstellingen van Jeugd en Gezin worden in het Jaarverslag 2008 toegelicht met indicatoren. De minister geeft zo veel mogelijk aan wat er in 2008 was beoogd, wat er in 2008 is gerealiseerd en wat er in 2009 wordt beoogd. Bij drie kabinetsdoelstellingen trekt de minister in de toelichting een beleidsconclusie. De toelichting bij de vierde kabinetsdoelstelling (een reductie van de criminaliteit van 25% in 2010 ten opzichte van 2002) heeft meer een beschrijvend karakter.

In het Jaarverslag 2008 voor Jeugd en Gezin staan vergelijkende cijfers uit 2006 en 2007. Dit zijn de realisatiecijfers van de uitgaven en ontvangsten op de begrotingen van de Ministeries van VWS, Justitie en van SZW die relevant zijn voor Jeugd en Gezin.

Vernieuwing Rijksdienst

In het project Rijksdienst voor de Toekomst van het programma Vernieuwing Rijksdienst worden interdepartementale samenwerking en flexibilisering onderzocht. De Algemene Rekenkamer stelt met instemming vast dat hierbij ook gekeken wordt naar de werking van Jeugd en Gezin, respectievelijk Wonen, Wijken en Integratie (WWI). Het is het voornemen voor de zomer 2009 een eerste notitie over de Rijksdienst voor de Toekomst op te stellen. (Ministerie van BZK, 2009).

Oordelen over jaarverslag

In onderstaand schema staan onze oordelen over het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin, die wij krachtens de Comptabiliteitswet 2001 geven.

  OordeelMeer informatie in
JaarverslagFinanciële informatieVoldoet§ 2.1
 SaldibalansVoldoet§ 2.2
 Informatie over bedrijfsvoeringVoldoet§ 2.3
 Informatie over beleidVoldoet§ 2.4

Kwaliteitskaart bedrijfsvoering

De kwaliteitskaart bedrijfsvoering is een nieuw instrument van de Algemene Rekenkamer. Wij gebruiken de kaart dit jaar voor het eerst. Op basis van de ervaringen van dit jaar willen we de kwaliteitskaart de komende jaren verder ontwikkelen. De kwaliteitskaart plaatst de geconstateerde onvolkomenheden in het licht van de totale bedrijfsvoering van een ministerie en maakt zichtbaar welke artikelen worden geraakt door de onvolkomenheden die wij hebben geconstateerd.

De kwaliteitskaart bestaat uit twee delen. Deel I van de kaart is gebaseerd op de organisatie van een ministerie met de relevante processen. Zoals eerder aangegeven heeft de minister voor Jeugd en Gezin geen eigen ministerie. Dit deel van de kwaliteitskaart is voor Jeugd en Gezin dan ook niet relevant.

Deel II van de kwaliteitskaart is wél relevant voor Jeugd en Gezin. Hierin worden de onvolkomenheden die wij geconstateerd hebben zichtbaar gemaakt. Het gaat om onvolkomenheden welke bij andere ministeries voorkomen, waarvan Jeugd en Gezin «last» heeft. Deze onvolkomenheden noemen we «geïmporteerde onvolkomenheden». Het gaat om onvolkomenheden geïmporteerd vanuit:

• Ministerie van Financiën. Dit betreft de onvolkomenheid: Financieel beheer bij het kantoor Toeslagen. Zie paragraaf 3.4.4;

• Ministerie van Justitie. Dit betreft de onvolkomenheid: Inkoopbeheer Raad voor de Kinderbescherming. Zie paragraaf 2.1;

• Ministerie van VWS. Dit betreft de onvolkomenheid: Subsidiebeheer kerndepartement. Zie paragraaf 3.4.3.

kst-31924-XVII-4-1.gif

1 INLEIDING

1.1 Over dit onderzoek

De minister voor Jeugd en Gezin verantwoordt zich in zijn jaarverslag over de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van Jeugd en Gezin (financiële informatie), over de manier waarop Jeugd en Gezin heeft gefunctioneerd (informatie over de bedrijfsvoering) en over de vraag of de doelen en prestaties die in de begroting van Jeugd en Gezin waren afgesproken, ook zijn gerealiseerd (informatie over het beleid).

De Algemene Rekenkamer doet jaarlijks rechtmatigheidsonderzoek bij het Rijk. Het doel van dit onderzoek is tweeledig. Ten eerste komen we ten behoeve van onze wettelijke taak tot oordelen over het al dan niet voldoen aan de eisen van de Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001). Daarnaast zetten we onze bevindingen af tegen de beginselen van goede publieke verantwoording om te komen tot aanbevelingen ter verbetering van het functioneren van het Rijk.

1.1.1 Wettelijke taak

Met ons onderzoek gaan we na of de jaarverslagen en de bedrijfsvoering van de ministeries voldoen aan de eisen die de CW 2001 stelt. Dit is onze wettelijke taak. We beoordelen of de informatie in de jaarverslagen over verplichtingen, uitgaven en ontvangsten, over bedrijfsvoering en over beleid tot stand gekomen is volgens de daarvoor geldende regels en of deze goed is weergegeven. Bij de bedrijfsvoering zelf van een ministerie beoordelen we of het financieel beheer en materieelbeheer voldoen aan de eisen van de CW 2001. Met onze wettelijke oordelen ondersteunen we de Tweede Kamer bij het verlenen van decharge aan de ministers.

Figuur 1 laat zien wat wij uit hoofde van onze wettelijke taken onderzoeken, wanneer en voor wie.

kst-31924-XVII-4-2.gif

In onze rapporten bij de jaarverslagen melden we zowel de fouten en onzekerheden in de financiële informatie die de kwantitatieve tolerantiegrenzen overschrijden als de fouten en onzekerheden in de financiële informatie die de kwalitatieve tolerantiegrenzen overschrijden. Onder «fouten» verstaan we financiële informatie die niet rechtmatig tot stand is gekomen (het begrotingsgeld is niet volgens de regels uitgegeven) of niet deugdelijk is weergegeven (er is geen goede verantwoording afgelegd in het jaarverslag). We spreken van «onzekerheden» wanneer we, bijvoorbeeld door onvolkomenheden in het financieel beheer, niet kunnen vaststellen of er al dan niet sprake is van fouten.

1.1.2 Goede publieke verantwoording

Goed openbaar bestuur staat centraal in het werk van de Algemene Rekenkamer. Wij baseren ons daarbij op de kenmerken van goed openbaar bestuur zoals de Verenigde Naties deze hebben geformuleerd. Deze kenmerken hebben betrekking op de rechtsstaat, de democratie, het functioneren en het presteren van het openbaar bestuur. Uitgaande van onze wettelijke taak en missie richten wij ons vooral op de laatste twee aspecten. En in ons jaarlijkse rechtmatigheidsonderzoek concentreren wij ons vooral op het onderdeel «publieke verantwoording». Wij zijn van mening dat iedere overheid te allen tijde goede publieke verantwoording over haar functioneren en presteren moet kunnen afleggen. Met onze rapporten proberen we ministers te stimuleren om daarin zo nodig verbeteringen aan te brengen.

Figuur 2 geeft een overzicht van publieke verantwoording als onderdeel van goed openbaar bestuur. Voor een compleet overzicht van goed openbaar bestuur zie www.rekenkamer.nl.

kst-31924-XVII-4-3.gif

1.1.3 Leeswijzer

De rechtmatigheid van de inning, het beheer en de besteding van publieke middelen, een van de beginselen van goede publieke verantwoording (zie figuur 2), onderzoeken wij krachtens onze wettelijke controletaak. Onze bevindingen staan beschreven in hoofdstuk 2.

Voor de andere beginselen van goede publieke verantwoording kijken we verder dan de eisen van de CW 2001. In hoofdstuk 3 geven we een beeld van hoe de minister voor Jeugd en Gezin omgaat met die aspecten van de bedrijfsvoering die wij van belang achten voor een goede publieke verantwoording. We onderzoeken in hoeverre de minister belangrijke bedrijfsprocessen in de greep houdt (is hij «in control»?), en we besteden aandacht aan de verschuivingen van taken en verantwoordelijkheden van de rijksoverheid.

Publieke verantwoording over de effectiviteit en efficiency van beleid en de behartiging van publieke taken geschiedt onder meer in de vorm van in het jaarverslag opgenomen beleidsinformatie over behaalde prestaties. In hoofdstuk 4 staan de bevindingen en conclusies uit ons onderzoek naar de beschikbaarheid en de bruikbaarheid van deze beleidsinformatie beschreven.

1.1.4 Onderzoeksopzet

Op basis van een risicoanalyse hebben we een programma opgesteld voor het rechtmatigheidsonderzoek 2008 bij Jeugd en Gezin. Op grond van dit programma hebben we dit jaar onder meer aandacht besteed aan de volgende onderwerpen:

• single information single audit (sisa) specifieke uitkeringen;

• gesloten jeugdzorg;

• overdracht budget Ministerie van Justitie naar Jeugd en Gezin;

• doeluitkering Jeugdzorg, volledigheid ouderbijdragen Jeugdzorg;

• Elektronisch Kinddossier (EKD), Verwijsindex risicojongeren (VIR);

• kindgebonden budget (KGB);

• Algemene Kinderbijslagwet (AKW);

• Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG);

• Zorg- en adviesteam (ZAT).

Niet alle onderzoeken hebben tot bevindingen in dit rapport geleid.

Wij steunen bij het rechtmatigheidsonderzoek in belangrijke mate op de werkzaamheden van de Rijksauditdienst (klantcluster Jeugd, Gezondheid en Sport).

Op www.rekenkamer.nl kunt u meer lezen over hoe onze rapporten bij de jaarverslagen tot stand komen. Daar vindt u ook een verklarende woordenlijst met begrippen die veel voorkomen in onze rapporten bij de jaarverslagen. Afkortingen en begrippen die specifiek zijn voor dit rapport zijn opgenomen in bijlage 2.

1.2 Over Jeugd en Gezin

Wij rapporteren over de resultaten van ons onderzoek per jaarverslag. In totaal zijn er 27 jaarverslagen. Dit rapport gaat over jaarverslag van Jeugd en Gezin (XVII).

De minister voor Jeugd en Gezin is verantwoordelijk voor een kind- en gezinsvriendelijk beleid, dat wordt gedragen door ouders, families, onderwijzers, professionele hulpverleners, gemeenten, provincies en het Rijk. Hiermee kiest het kabinet naar eigen zeggen voor een nieuwe aanpak. Deze aanpak maakt regie, samenwerken en het overstijgen van deelbelangen in het belang van jeugd en gezinnen mogelijk. Het is een aanpak die:

• het gezin in positie brengt;

• inzet op preventie;

• de vrijblijvendheid voorbij is.

De minister voor Jeugd en Gezin is verantwoordelijk voor aangelegenheden betreffende jeugd en gezin. Hij heeft een directe verantwoordelijkheid voor onder andere jeugdzorg, jeugdbescherming, jeugdgezondheidszorg, zorg op school en het gezinsbeleid. De minister is mede betrokken bij een aantal beleidsterreinen waarvoor andere bewindspersonen primair verantwoordelijk zijn.

De taken en verantwoordelijkheden van Jeugd en Gezin zijn aan de Tweede Kamer toegelicht (Jeugd en Gezin, 2007a). Het beleid van Jeugd en Gezin is onder andere uiteengezet in de volgende nota’s:

Alle kansen voor alle kinderen (Jeugd en Gezin, 2007b).

De kracht van het Gezin (Jeugd en Gezin, 2008a).

In het overzicht op de volgende pagina beschrijven wij Jeugd en Gezin aan de hand van een aantal kengetallen.

Overzicht 1 Jeugd en Gezin in kengetallen
Totaal verplichtingen€  7,2 miljard
Totaal uitgaven€  6,1 miljard
Totaal ontvangsten€ 34,6 miljoen
Overdrachtsuitgaven1€ 6,1 miljard
– waarvan uitkeringen2€ 4,2 miljard
– waarvan doeluitkeringen3€ 1,6 miljard
– waarvan subsidies4€ 0,3 miljard
Aantal begrotingsartikelen4
– waarvan beleidsartikel (met 5 operationele doelstellingen)3
– waarvan niet-beleidsartikel (zonder operationele doelstellingen)1
Rechtspersonen met wettelijke taak5– Accommodaties op grond van de Wet op de Jeugdzorg – NIDOS – Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)
Recent onderzoek (afgelopen twee jaar) van de Algemene Rekenkamer op het terrein van Jeugd en Gezin• Detentie, behandeling en nazorg criminele Jongeren (Algemene Rekenkamer, 2007a). • Kopzorgen (Algemene Rekenkamer, 2007b). • Inrichting Programmaministerie voor Jeugd en Gezin(Algemene Rekenkamer, 2008a). • Opvang zwerfjongeren 2007 (Algemene Rekenkamer, 2008b). • Opvang zwerfjongeren 2008 (Algemene Rekenkamer, 2008c). • Ketenbesef op de werkvloer; casus aanpak kindermishandeling (Algemene Rekenkamer, 2008d). • Aanpak harde kern jeugdwerklozen (Algemene Rekenkamer, 2008e).

1 Onderverdeling ontleend aan het Jaarverslag Jeugd en Gezin 2008 en opgave DBV.

2 Algemene Kinderbijslagwet en kindgebonden budget.

3 Doeluitkering Jeugdzorg (zorgaanbod en bureaus Jeugdzorg) en doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin.

4 Subsidies = (uitgaven-uitkeringen-doeluitkeringen).

5 Ontleend aan het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin.

De begroting Jeugd en Gezin bestaat alleen uit programmamiddelen. De geldstromen Jeugd en Gezin lopen in 2008 via de begrotingsboekhoudingen van de volgende Ministeries: SZW, VWS, Financiën en Justitie.

Periodiek worden de realisatiecijfers via verrekeningen overgeboekt naar de begrotingsboekhouding van Jeugd en Gezin. In de volgende tabel staat hoe de uitgaven Jeugd en Gezin in 2008 (€ 6,1 miljard1 ) zijn verdeeld over de vier ministeries.

Tabel 1 Realisatiecijfers Jeugd en Gezin 2008 (uitgaven – bedragen x € 1 000)1
ArtikelMinisterieBedragOmschrijving
1SZW€ 3 386 700Algemene Kinderbijslagwet
1Financiën€ 831 657Kindgebonden budget
2.1VWS€ 274 211Onder andere doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin
2.2VWS€ 13 626Subsidies
3.1VWS€ 1 224 685o.a. Jeugdzorg en gesloten Jeugdzorg
3.2Justitie€ 322 469o.a. Jeugdzorg, voogdij, opvang AMA’s
3.3SZW€ 3 025Campussen
Totaal € 6 056 373 

1 Ontleend aan Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin.

De minister voor Jeugd en Gezin is niet verantwoordelijk voor de financiële beheershandelingen die de vier ministers bij de begrotingsuitvoering verrichten. Deze ministers verantwoorden zich over de begrotingsuitvoering voor Jeugd en Gezin in hun bedrijfsvoeringsparagraaf. Ook zijn zij verantwoordelijk voor uitvoeringsorganisaties en de personele en materiële uitgaven van beleidsdirecties die werkzaamheden verrichten voor Jeugd en Gezin. In onderstaand overzicht is te zien welk ministerie verantwoordelijk is voor de verschillende uitvoeringsorganisaties.

Overzicht 2 Verantwoordelijke ministeries en uitvoeringsorganisaties
MinisterieUitvoeringsorganisatie
SZWSociale Verzekeringsbank: uitbetaling Algemene Kinderbijslagwet
Financiënkantoor Toeslagen: kindgebonden budget
JustitieRaad voor Kinderbescherming: voogdij Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen: ouderbijdragen

De minister voor Jeugd en Gezin is dus niet verantwoordelijk voor het financieel beheer en de daartoe bijgehouden administraties. Daarom geven wij in hoofdstuk 2 van dit rapport alleen oordelen over het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin en niet over de bedrijfsvoering.

Wij zijn nagegaan of de financiële beheershandelingen van andere ministers invloed hebben op de financiële informatie van Jeugd en Gezin. Onze conclusie is dat de financiële beheershandelingen van andere ministers niet hebben geleid tot belangrijke fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid of tot ondeugdelijke weergave van de financiële informatie van Jeugd en Gezin.

2 JAARVERSLAG

De Algemene Rekenkamer heeft het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin beoordeeld. Wij hebben onderzocht of de minister voor Jeugd en Gezin het begrotingsgeld volgens de regels heeft uitgegeven en ontvangen en of hij daarover in het jaarverslag goede verantwoording heeft afgelegd. Ook hebben we onderzocht of de informatie in het jaarverslag over de bedrijfsvoering en over het gevoerde beleid deugdelijk tot stand is gekomen en voldoet aan de daaraan te stellen kwaliteitsnormen.

2.1 Oordeel over de financiële informatie

De financiële informatie in het jaarverslag bestaat uit het volgende: de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten in de verantwoordingsstaat en de toelichting daarbij.

De financiële informatie dient op grond van de CW 2001:

• rechtmatig tot stand te zijn gekomen;

• deugdelijk te zijn weergegeven;

• te voldoen aan de verslaggevingsvoorschriften.

Oordeel
De financiële informatie in het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin voldoet aan de eisen die de CW 2001 stelt. Dit betekent dat wij geen belangrijke fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid en de deugdelijke weergave hebben geconstateerd die de tolerantiegrenzen overschrijden.
     
Het totaalbedrag van alle geconstateerde fouten en onzekerheden valt binnen de tolerantiegrenzen voor de financiële informatie in het jaarverslag als geheel.

Het bedrag aan verplichtingen en uitgaven omvat in totaal € 183,0 miljoen, respectievelijk € 9,8 miljoen aan overschrijdingen op de begrotingsartikelen 1 en 3 (verplichtingen) en 1 (uitgaven). Gaan de Staten-Generaal niet akkoord met de hiermee samenhangende slotwetmutaties, dan moeten wij ons oordeel over de financiële informatie mogelijk herzien.

In bijlage 1 van dit rapport staat een overzicht van alle fouten en onzekerheden.

Naleving Europese aanbestedingsregels

De afgelopen jaren hebben we geïnformeerd in hoeverre de ministeries de Europese aanbestedingsregels naleven. In de financiële informatie van Jeugd en Gezin zit een fout van € 2,9 miljoen als gevolg van het niet naleven van Europese aanbestedingsregels. Deze fout vloeit voort uit het financieel beheer van de Raad van de Kinderbescherming. Deze Raad valt onder de beheersverantwoordelijkheid van de minister van Justitie. De toerekening van het niet naleven van Europese aanbestedingsregels door de Raad voor de Kinderbescherming aan Jeugd en Gezin bedraagt € 2,9 miljoen.

Voor de andere bevindingen over de Raad voor de Kinderbescherming verwijzen we naar het Rapport bij het Jaarverslag 2009 van het Ministerie van Justitie (VI).

2.2 Oordeel over de saldibalans en toelichting

De saldibalans is een overzicht van de posten die aan het eind van het jaar nog openstaan en die naar het volgende jaar moeten worden meegenomen. Bij de saldibalans hoort een toelichting waarin nadere informatie wordt verstrekt over de afzonderlijke posten op deze balans.

De informatie in de saldibalans dient op grond van de CW 2001:

• rechtmatig tot stand te zijn gekomen;

• deugdelijk te zijn weergegeven;

• te voldoen aan de verslaggevingsvoorschriften.

Oordeel
De informatie in de saldibalans in het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin voldoet aan de eisen die de CW 2001 stelt. Dit betekent dat wij geen belangrijke fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid en de deugdelijke weergave hebben geconstateerd die de tolerantiegrenzen overschrijden.
     
De saldibalans Jeugd en Gezin bestaat uitsluitend uit uitgaven, ontvangsten, liquide middelen, een rekening-courant met het Ministerie van Financiën en uitgaven en ontvangsten buiten begrotingsverband. Jeugd en Gezin licht de posten op de saldibalans afdoende toe.

Er zijn geen fouten en onzekerheden geconstateerd in de saldibalans Jeugd en Gezin.

In bijlage 1 van het rapport staat een overzicht van alle fouten en onzekerheden.

2.3 Oordeel over de informatie over bedrijfsvoering

In de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag van een ministerie verantwoordt de minister zich over de rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering (of het begrotingsgeld volgens de regels is uitgegeven), over de totstandkoming van de beleidsinformatie, over het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer en over de overige aspecten van de bedrijfsvoering.

De informatie over de bedrijfsvoering dient op grond van de CW 2001:

• op deugdelijke wijze tot stand te zijn gekomen;

• te voldoen aan de verslaggevingsvoorschriften.

Deze twee aspecten betrekken wij in ons oordeel over de informatie over de bedrijfsvoering. We zeggen daarmee niets over de kwaliteit van de informatie zelf.

Om tot een oordeel te komen over de totstandkoming van de informatie hebben wij de volgende aspecten ervan onderzocht:

• Beschikt de minister over een procedure voor de totstandkoming van de bedrijfsvoeringsparagraaf waarin de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van alle actoren zijn vastgelegd?

• Heeft de minister vooraf criteria geformuleerd voor wat moet worden aangemerkt als opmerkelijke zaken en tekortkomingen in de bedrijfsvoering?

• Is het verloop van het totstandkomingsproces controleerbaar en is het afwegingsproces daarbij transparant vastgelegd?

Oordeel
De informatie over de bedrijfsvoering in het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin is op deugdelijke wijze tot stand gekomen en voldoet aan de verslaggevingsvoorschriften.

Het Ministerie van VWS coördineert de totstandkoming van de bedrijfsvoeringsparagraaf van Jeugd en Gezin. Hiervoor zijn wel afspraken gemaakt, maar deze liggen niet vast in een procedure.

Het ministerie heeft inmiddels maatregelen getroffen om de bewaking van bedrijfsvoeringsrisico’s beter te borgen in de planning & controlcyclus. Deze planning & controlcyclus geldt ook voor de ambtelijke top van Jeugd en Gezin (secretaris-generaal Jeugd en Gezin (SG) en directeur-generaal Jeugd en Gezin (DG)) en de programmadirectie Jeugd en Gezin (zie hiervoor ook paragraaf 3.1).

De resultaten van ons onderzoek naar de bedrijfsvoering zelf staan beschreven in hoofdstuk 3.

2.4 Oordeel over de informatie over het gevoerde beleid

In het jaarverslag verstrekt de minister ook beleidsinformatie: informatie over de gerealiseerde effecten van het beleid, de daartoe geleverde prestaties en de daarvoor bestede middelen.

De Algemene Rekenkamer beoordeelt ieder jaar de totstandkoming van de beleidsinformatie en of deze informatie voldoet aan de verslaggevingseisen.

Oordeel
De informatie over het gevoerde beleid in het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin is op deugdelijke wijze tot stand gekomen en voldoet aan de verslaggevingseisen.

Wij merken op dat de het proces van totstandkoming van het beleidsverslag nog niet adequaat is, hetgeen er uiteindelijk toe heeft geleid dat de totstandkoming van het jaarverslag als geheel is vertraagd.

De resultaten van ons onderzoek naar de beschikbaarheid en de bruikbaarheid van de beleidsinformatie beschrijven we in hoofdstuk 4.

3 BEDRIJFSVOERING

De Algemene Rekenkamer heeft de bedrijfsvoering van Jeugd en Gezin onderzocht. Onder de bedrijfsvoering vallen alle bedrijfsprocessen die ervoor zorgen dat Jeugd en Gezin functioneert: het financieel beheer en het materieelbeheer en de processen op het gebied van personeel, informatievoorziening, administratie, communicatie en huisvesting.

In het eerste gedeelte van dit hoofdstuk geven we een beeld van de aspecten van de bedrijfsvoering die wij hebben onderzocht, omdat we ze van belang achten voor een goede publieke verantwoording. We hebben in het bijzonder gekeken of de minister «in control» is. We geven daarmee een vervolg aan het onderzoek Inrichting Programmaministerie Jeugd en Gezin (§ 3.1) en we hebben onderzoek gedaan naar de beheersing van de realisatie van een beleidsdoel (§ 3.2).

We staan in dit hoofdstuk ook stil bij hoe taken en verantwoordelijkheden zijn verschoven. De overheid verschuift de uitvoering van subsidies of de uitvoering van beleid bijvoorbeeld steeds meer van het Rijk naar uitvoeringsorganisaties en andere derden. Deze decentralisatie gaat vaak gepaard met de bundeling van verschillende geldstromen. Dit leidt tot de vraag of en hoe de minister zijn verantwoordelijkheid voor het beleid en het begrotingsgeld waar kan (blijven) maken. In dit kader hebben we onderzoek gedaan naar het beheer van de programma-uitgaven Jeugd en Gezin (§ 3.4).

De minister is in 2008 verder gegaan met de inrichting van Jeugd en Gezin. Hij heeft een begrotingsprocedure Jeugd en Gezin vastgesteld, en de Directie Financieel Economische Zaken (FEZ) van het Ministerie van VWS heeft een risicoanalyse van de Begroting Jeugd en Gezin 2009 gemaakt.

De bedrijfsvoering bij andere ministeries voor Jeugd en Gezin heeft niet geleid tot belangrijke fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid of ondeugdelijke weergave van de financiële informatie van Jeugd en Gezin.

In het project Rijksdienst voor de Toekomst van het programma Vernieuwing Rijksdienst worden interdepartementale samenwerking en flexibilisering onderzocht. Hierbij wordt ook gekeken naar de werking van Jeugd en Gezin en WWI. Het is het voornemen voor de zomer 2009 een eerste notitie over de Rijksdienst voor de Toekomst op te stellen (Ministerie van BZK, 2009).

3.1 Inrichting Jeugd en Gezin

De bedrijfsvoering van Jeugd en Gezin vindt plaats bij verschillende departementen. Met een mandaatregeling (Staatscourant, 2007) is de verhouding tussen de minister voor Jeugd en Gezin en deze departementen vastgelegd. Bij de uitvoering van het programma wordt zo veel mogelijk aangesloten op de bestaande planning & controlcyclus van de betrokken departementen.

De secretaris-generaal (SG) van VWS en de directeur-generaal (DG) Jeugd en Maatschappelijke Zorg (van VWS) zijn ook de SG en de DG van Jeugd en Gezin. De programmadirectie Jeugd en Gezin is het eerste aanspreekpunt voor de uitvoering van het beleid, met de DG Jeugd en Maatschappelijke Zorg als eindverantwoordelijke.

De Directie FEZ van het Ministerie van VWS coördineert de begrotingscyclus van Jeugd en Gezin en de totstandkoming van het jaarverslag. De Directie Bedrijfsvoering (DBV) van het Ministerie van VWS voert de begrotingsadministratie uit en stelt de saldibalans en verantwoordingsstaat Jeugd en Gezin op.

In het onderzoek Inrichting Programmaministerie voor Jeugd en Gezin (Algemene Rekenkamer, 2008a) zijn wij nagegaan of de risico’s voor de bedrijfsvoering in kaart zijn gebracht en of er zo nodig beheersmaatregelen zijn getroffen. De minister stelde in zijn antwoord dat de bedrijfsvoering zich werkende weg heeft uitgekristalliseerd. Dit houdt in dat niet alle risico’s en mogelijke beheersmaatregelen vooraf in kaart zijn gebracht, maar dat dit gaandeweg gebeurt.

De minister heeft in 2008 voortgebouwd op de basis die in 2007 met de inrichting van Jeugd en Gezin was gelegd. Hij heeft een begrotingsprocedure voor Jeugd en Gezin vastgesteld, en de directie FEZ van het Ministerie van VWS heeft een risicoanalyse van de Begroting Jeugd en Gezin 2009 gemaakt.

3.2 Beheersing realisatie beleidsdoel artikel 2

Om inzicht te krijgen in de mate waarin het programma voor Jeugd en Gezin in control is bij het op rechtmatige wijze realiseren van een beleidsdoel hebben we onderzocht of voor operationele doelstelling 2.1 Kinderen en ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen de sturing, het beheer en de verantwoording en controle in overeenstemming zijn met het afgesproken beleid, en of deze op logische wijze samenhangen:

• Is de informatie over de niet-financiële doelstellingen op orde?

• Is er een op dit beleid logisch aansluitende planning & controlcyclus?

• Zijn de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten rechtmatig?

• Zijn in de saldibalans de juiste standen van de aan dit beleid gekoppelde verplichtingen, vorderingen en voorschotten opgenomen?

Om de operationele doelstelling (OD) 2.1 te realiseren heeft de minister diverse instrumenten en financiële middelen ingezet (zie kader). Deze financieringsstromen hebben ieder hun eigen verantwoordingssystematiek, zowel inhoudelijk als financieel. De verantwoording over subsidies en specifieke uitkeringen gebeurt regulier aan het ministerie. Voor de verantwoording over de gelden via accres1 van het Gemeentefonds geldt dit niet.2

Begroting van Jeugd en Gezin 2008 OD 2.1 «Kinderen en ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen»

De instrumenten waarmee de minister van Jeugd en Gezin operationele doelstelling (OD) 2.1 wilde bereiken, waren:

• Centra voor Jeugd en Gezin: specifieke uitkeringen gebundeld in de brede doeluitkering CJG;

• Elektronisch Kinddossier (EKD) en Verwijsindex risicojongeren (VIR):

Gemeentefonds via accres;

• Effectieve interventies: programma via ZonMw;

• Zorg- en adviesteams (ZAT): middelen van Ministerie van OCW;

• Helpdesk Privacy Jeugd en Gezin: subsidies;

• Censis, internaten voor schippers- en kermisjeugd: subsidies.

Hiervoor had hij de volgende financiële middelen tot zijn beschikking (afgeronde bedragen):

• begroot: € 269 miljoen;

• gedurende het jaar:

– € 5 miljoen extra voor tegemoetkoming in de kosten voor aanschaf van EKD, dat direct toegevoegd is aan het accres van het Gemeentefonds;

– € 10 miljoen toegevoegd inzake loonbijstelling;

– aantal kleinere niet gespecificeerde bedragen.

• besteed: € 274 miljoen.

Wij constateren dat op het niveau van de operationele doelstelling 2.1 transparante en consistente sturing, beheer, verantwoording en controle plaatsvindt. Dit wordt uitgevoerd door de beleidsdirecties Jeugdzorg, Publieke Gezondheid en Voeding, Gezondheidsbescherming en Preventie, de programmadirectie Jeugd en Gezin alsmede door de Directie Bedrijfsvoering van het Ministerie van VWS conform de mandaatregeling (Staatscourant, 2007). Tussentijds worden de beleidsmatige en de financiële kant afzonderlijk bewaakt. De aansluitingen tussen beleid en financiële middelen worden met name gemaakt in de periodes waarin het jaarverslag en de begroting worden opgesteld.

Met ingang van 2009 gaat de minister van VWS de ontwikkelingen in het beleid integraal volgen met behulp van de jaarplannen en managementcontracten. De minister van VWS bewaakt de financiële kant van het programma door de (voortgang van de) bestedingsplannen te controleren.

In 2008 is 2% meer besteed dan begroot. Dit is toegelicht in de suppletoire wetten en in de slotwet en als zodanig opgenomen in de financiële toelichting op het beleidsartikel. Alle middelen zijn rechtmatig besteed.

In het totaal aan bestedingen neemt de brede doeluitkering CJG een belangrijke plaats in (€ 243 miljoen1 van de€ 269 miljoen). Het betreft een specifieke uitkering, waarvan na de looptijd (2008–2011) een integrale verantwoording en vaststelling plaatsvindt. Conform de Tijdelijke regeling CJG (Staatscourant 2008) vindt jaarlijks een rapportage plaats. De gemeenten moeten de besteding van de doeluitkering jaarlijks in een bijlage van de jaarrekening opnemen. Daarnaast maakt elke gemeente jaarlijks binnen zes maanden een kort inhoudelijk verslag van de ontwikkeling van CJG. Jeugd en Gezin heeft voor de verantwoording over 2008 een voorgestructureerde vragenlijst naar de gemeenten opgestuurd. Deze vragenlijst is ter informatie aan de Tweede Kamer gestuurd (Jeugd en Gezin, 2009). De minister verwacht dat hij in het najaar van 2009 verslag kan doen van de voortgang van de CJG (Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2009).

Naast de brede doeluitkering CJG verstrekt Jeugd en Gezin subsidies. Het subsidiebeheer van deze OD is een aandachtspunt, zoals overigens voor het gehele subsidiebeheer van het Ministerie van VWS.

De beleidsinformatie over de CJG is in de afgelopen twee jaar verbeterd (zie § 4.2.1). Eerst was er alleen een algemene prestatie-indicator voor de CJG, maar in het Beleidsverslag 2008 is deze meer SMT (specifiek, meetbaar en tijdgebonden) geformuleerd. Zo staan er aantallen gemeenten in plaats van percentages en een CJG moet minimaal conform het basismodel ingericht zijn. Daarnaast hebben wij geconstateerd dat de beleidsdirectie Jeugdzorg de voortgang van CJG actief monitort.

Wij concluderen dat OD 2.1 wordt beheerst volgens de vastgestelde kaders en procedures. Er is sprake van een transparante verantwoording, ook als middelen deels buiten het gezichtsveld van de minister voor Jeugd en Gezin vallen.

3.3 Beheer programma-uitgaven Jeugd en Gezin

Het financieel beheer van de programma-uitgaven voor Jeugd en Gezin wordt uitgevoerd door vier Ministeries: SZW, VWS, Justitie en Financiën. In deze paragraaf bespreken we de financiële beheershandelingen die deze ministeries voor Jeugd en Gezin hebben verricht. We behandelen achtereenvolgens de volgende onderwerpen:

• doeluitkering Jeugdzorg (Ministerie van VWS);

• volledigheid ouderbijdragen (Ministerie van VWS);

• subsidiebeheer VWS (Ministerie van VWS);

• kindgebonden budget (Ministerie van Financiën).

Over de uitgaven die via de administratie van het Ministerie van SZW lopen (€ 3,4 miljard Algemene Kinderbijslagwet en € 3 miljoen Campussen) zijn geen bijzonderheden te melden. De fouten in Europese aanbestedingen (Raad voor de Kinderbescherming, Ministerie van Justitie) zijn toegelicht in paragraaf 2.1.

De financiële beheershandelingen die wij hieronder beschrijven, hebben niet geleid tot belangrijke fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid of en deugdelijke weergave van de financiële informatie van Jeugd en Gezin.

3.3.1 Doeluitkering Jeugdzorg (zorgaanbod)

Toen de Wet op de jeugdzorg (WJZ) op 1 januari 2005 werd ingevoerd, waren de provincies, grootstedelijke regio’s en zorgaanbieders nog niet voldoende voorbereid op de veranderde wetgeving. In de nieuwe situatie versturen de provincies bij de aanvraag voor de doeluitkering Jeugdzorg (zorgaanbod) van het komende jaar (t+1) een ontwerp uitvoeringsprogramma. De verantwoording van de besteding van de doeluitkering door zorgaanbieders1 over het voorafgaande jaar (t-1) is onderdeel van het ontwerp uitvoeringsprogramma. De zorgaanbieders dienen hun verantwoording over het voorgaande jaar met een accountantsverklaring in bij de provincies. Uit deze accountantsverklaring moet blijken of de verantwoording voldoet aan de wettelijke eisen. Hiervoor is een controleprotocol opgesteld.

Een gevolg van de invoering van de WJZ per 1 januari 2005 was dat veel accountants geen rechtmatigheidsverklaring konden geven bij de verantwoording over de bestedingen in 2005. De staatssecretaris van VWS heeft de problematiek rond de verantwoording van de doeluitkering Jeugdzorg in 2006 in een brief aan de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer gemeld (VWS, 2006).

Volgens de staatssecretaris van VWS moesten de provincies zich inzetten om de provinciale verantwoording van de besteding doeluitkering Jeugdzorg in ieder geval met ingang van boekjaar 2007 op orde te hebben. Ook zou het controleprotocol tussen provincie en instellingen worden aangepast.

In de bedrijfsvoeringsparagraaf van het Jaarverslag 2007 zegde het Ministerie van VWS toe dat de minister voor Jeugd en Gezin in de loop van 2008 de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer zou informeren. Hij zou ons dan laten weten hoe het gaat met het beheer op provinciaal niveau van de doeluitkering Jeugdzorg en aangeven welke maatregelen hij eventueel gaat treffen (VWS, 2007). De minister voor Jeugd en Gezin is deze toezegging niet nagekomen. Dit komt doordat het de beoordeling van de verantwoordingsstukken 2007 niet in 2008 kon afronden.

De volgende punten verdienen aandacht in 2009 en zijn in een plan van aanpak uitgewerkt;

• afronden van de beoordeling van de verantwoording 2007 en het eventueel treffen van maatregelen richting de provincies;

• het informeren van de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer over de stand van zaken rond het beheer van de doeluitkeringen;

• totstandkoming van het controleprotocol tussen provincies en instellingen;

• vastleggen van de administratieve organisatie en verbeteren van de controlehandelingen bij de Directie Bedrijfsvoering (Ministerie van VWS).

Wij zullen de voortgang van dit plan van aanpak volgen. De problemen rondom de verantwoording van de doeluitkering Jeugdzorg spelen al enige jaren. Deze gaan volgens ons verder dan louter financiële beheershandelingen van het Ministerie van VWS. De beleidsverantwoordelijkheid voor de jeugdzorg van de minister voor Jeugd en Gezin speelt hierbij ook een rol. Wij vragen de minister voor Jeugd en Gezin dan ook samen met de minister van VWS verder te werken aan het oplossen van deze problemen.

3.3.2 Volledigheid ouderbijdragen

De ouderbijdragen op grond van de WJZ worden vastgesteld en geïnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO). De volledigheid van de ontvangen ouderbijdragen kan al een aantal jaren niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld.

Een belangrijke component van de ouderbijdrage is de duur van het verblijf van een jongere bij een zorgaanbieder. Of de ouderbijdragen volledig zijn wordt mede bepaald door de juiste registratie van aan- en afmeldingen van jongeren bij de bureaus Jeugdzorg en de zorgaanbieders. In de verbeterplannen van de provincies is daarom opgenomen dat de zorgaanbieders de aan- en afmeldingen beter moeten gaan registreren.

Omdat de directie Jeugdzorg (van het Ministerie van VWS) in 2008 niet beschikte over gegevens van het LBIO, kon zij de verantwoordingen van provincies over 2007 niet op een correcte wijze controleren. Hierdoor hebben wij niet kunnen vaststellen wat het effect is van de maatregelen die de provincies nemen om de juistheid van de geregistreerde aan- en afmeldingen te waarborgen.

Wij vragen daarom aan de minister voor Jeugd en Gezin of hij alsnog de gegevens wil opvragen die nodig zijn om de provinciale verantwoordingen 2007 correct te beoordelen. Ook adviseren we dat hij in overleg met de minister van VWS duidelijke afspraken maakt over hoe ze de provinciale verantwoordingen in 2009 gaan beoordelen. Ook moeten de ministers vaststellen of er inmiddels voldoende zekerheid bestaat over de volledigheid van de ouderbijdragen.

3.3.3 Subsidiebeheer Ministerie van VWS

De uitgaven voor subsidies Opvoedondersteuning en Gezonde leefstijl bedragen € 41 miljoen. Het Ministerie van VWS heeft voor € 3,8 miljoen aan onrechtmatige betalingen gedaan, omdat er betaald is voordat de definitieve beschikking was opgesteld. Daarnaast zijn er nog een paar andere onvolkomenheden in het subsidiebeheer dat het Ministerie van VWS ten behoeve van Jeugd en Gezin verricht. De belangrijkste onvolkomenheden zijn dat essentiële stukken in het dossier ontbreken en dat uitgevoerde beheershandelingen onvoldoende zijn vastgelegd. In het bijzonder bij de controle van de «verleningen gesloten Jeugdzorg» heeft het extra tijd en inspanning gekost om de benodigde documenten te verzamelen.

Voor de andere bevindingen uit het onderzoek naar het subsidiebeheer van het Ministerie van VWS verwijzen we naar het Rapport bij het Jaarverslag 2008 van het Ministerie van VWS (XVI).

3.3.4 Kindgebonden budget

De minister voor Jeugd en Gezin is verantwoordelijk voor het beleid en de uitgaven met betrekking tot de kindertoeslag c.q. kindgebonden budget. Hij is echter niet verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. Deze verantwoordelijkheid ligt bij het kantoor Toeslagen (Ministerie van Financiën).

In 2008 zijn er alleen voorschotten verstrekt. Er is een onzekerheid van 0,7% (€ 5,5 miljoen) in de uitgaven. Deze wordt vooral veroorzaakt door de onzekerheid over het begrip toeslagpartner bij de kindertoeslag/kindgebonden budget. Wij adviseren de minister voor Jeugd en Gezin na te gaan hoe de onzekerheid over dit begrip kan worden weggenomen.

4 INFORMATIE OVER BELEID NADER BESCHOUWD

Jaarlijks doet de Algemene Rekenkamer aanvullend onderzoek naar de beleidsinformatie. Hierbij staan de volgende vragen centraal: is er in de begroting en in het jaarverslag concrete informatie beschikbaar over beleid (§ 4.1) en kan de Tweede Kamer die informatie gebruiken (§ 4.2)? Ten slotte staan we stil bij de ontwikkelingen in de beleidsinformatie (§ 4.3).

Het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin is onderdeel van een experiment waartoe de minister van Financiën in 2007 heeft besloten, in overleg met de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer. Het doel van het experiment is om het jaarverslag meer focus en politieke zeggingskracht te geven en de verantwoordingslasten te verminderen. Het experiment houdt in dat de minister zich in het beleidsverslag in het jaarverslag uitgebreid verantwoordt over de kabinetsdoelstellingen uit het coalitieakkoord en over enkele departementspecifieke beleidsprioriteiten. Op basis van de verantwoording over deze prioriteiten trekt de minister beleidsconclusies. Ook wordt de koppeling tussen de middelen (in de beleidsartikelen) en het beleid (in het beleidsverslag) inzichtelijk gemaakt. Over beleidsartikelen die niet onder de kabinetsdoelstellingen vallen, neemt de minister in het jaarverslag alleen een financiële verantwoording op en geen informatie over prestaties en doelen.

De Jaarverslagen 2008 van de Ministeries van LNV, VWS, VROM, BuiZa en het Jaarverslag 2008 Wonen, Wijken en Integratie maken ook deel uit van het experiment.1

Bij de start van het experiment is afgesproken dat de ministers samen met het jaarverslag minimaal één beleidsdoorlichting meesturen naar de Tweede Kamer. Deze beleidsdoorlichting maakt geen deel uit van het jaarverslag en valt daarom buiten de reikwijdte van het jaarlijkse rechtmatigheidsonderzoek van de Algemene Rekenkamer.

Zoals de minister in zijn jaarverslag aangeeft is er geen beleidsdoorlichting bij het jaarverslag gevoegd, omdat Jeugd en Gezin veel nieuw beleid kent. In 2009 is wel een evaluatieonderzoek naar de WJZ gestart. Dit onderzoek is naar verwachting van de minister eind 2009 gereed.2

Het Jaarverslag 2008 is het eerste jaarverslag van Jeugd en Gezin.

In het jaarverslag zijn vergelijkende cijfers uit 2006 en 2007 opgenomen.

Bij drie kabinetsprioriteiten in het jaarverslag trekt de minister in de toelichting een beleidsconclusie. Dat zijn de kabinetsdoelstellingen;

• Doelstelling 30: In 2011 worden jeugdigen en hun ouders snel en goed ondersteund.

• Doelstelling 31: De wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg blijven beperkt tot maximaal negen weken na indicatiestelling en kinderbeschermingsmaatregelen kunnen sneller worden ingezet.

• Doelstelling 32: Bestrijding kindermishandeling door versterking van preventie, signalering en ingrijpen.

De toelichting bij de vierde kabinetsprioriteit heeft meer een beschrijvend karakter. Dit betreft doelstelling 50: Een reductie van de criminaliteit van 25% in 2010 ten opzichte van 2002.

4.1 Beschikbaarheid van de beleidsinformatie

4.1.1 Begroting

Wij onderzoeken ieder jaar hoe de minister zich in het jaarverslag verantwoordt over het realiseren van doelen, prestaties en de inzet van middelen die met de begroting zijn afgesproken. In overeenstemming met het experiment heeft de minister voor Jeugd en Gezin in het jaarverslag geen informatie opgenomen over de realisatie van doelen en prestaties op het niveau van beleidsartikelen. Daarom hebben we ons gebruikelijke onderzoek naar de beschikbaarheid van beleidsinformatie bij Jeugd en Gezin alleen uitgevoerd voor de Begroting 2009. We zijn nagegaan of de minister per operationele doelstelling informatie heeft opgenomen over doelen, prestaties en middelen en zo niet, of het ontbreken van die informatie uitgelegd wordt (het zogenoemde «comply or explain»-principe). Hierdoor wordt voor de Tweede Kamer inzichtelijk hoeveel beleidsinformatie beschikbaar was in de begroting en welke prestatiegegevens er ten minste verzameld behoren te worden door de minister.

De resultaten van ons onderzoek zijn weergegeven in figuur 3. Om de ontwikkeling in de tijd te laten zien, hebben we de beschikbaarheid van informatie in de Begroting 2009 vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar de Begroting 2008.

kst-31924-XVII-4-4.gif

De begroting Jeugd en Gezin bestaat uit slechts drie artikelen. Er zijn in totaal drie algemene doelstellingen en zes operationele doelstellingen. Dit betekent dat één wijziging in de beantwoording van de vragen kan leiden tot een aanzienlijke wijziging in de totaalscore.

De eerste vraag «Wat willen we bereiken?» scoort hoog. De drie algemene doelstellingen zijn in combinatie met de zes operationele doelstellingen voldoende specifiek, meetbaar en tijdgebonden geformuleerd.

De minister voor Jeugd en Gezin heeft in de Begroting 2008 toegezegd dat hij de prestatie-indicatoren verder gaat ontwikkelen. Dit is bijvoorbeeld gebeurd bij de operationele doelstellingen van artikel 3. Daar is namelijk een verdere invulling gegeven aan de streefwaarden van de prestatie-indicatoren. We stellen vast dat de vraag «Wat gaan we daarvoor doen?» in vergelijking met 2008 beter is beantwoord.

De vraag «Welke middelen gaan we daarvoor inzetten?» scoort in de Begroting 2009 net zoals in de Begroting 2008 100%.

4.1.2 Jaarverslag

Algemeen

Als gevolg van het experiment wordt informatie over de realisatie van prestaties en doelen niet meer op het niveau van beleidsartikelen gegeven in het jaarverslag. Een deel van de beleidsinformatie (doelen en prestaties) over niet-prioritaire doelstellingen wordt hierdoor niet meer in het jaarverslag gepresenteerd. Deze informatie wordt volgens afspraak nog wel verzameld door het ministerie, in ieder geval ten behoeve van de volgende begroting. Wij hebben onderzocht of Jeugd en Gezin zich aan deze afspraak heeft gehouden.

Bij Jeugd en Gezin wordt de beleidsinformatie decentraal beheerd. De verantwoordelijke beleidsdirectie houdt een dossier bij en verzamelt daarin de relevante beleidsinformatie.

Wij hebben ook onderzocht hoe de minister voor Jeugd en Gezin zich in het jaarverslag verantwoordt over het realiseren van de kabinetsdoelstellingen en de departementale beleidsprioriteiten, de daarvoor geleverde prestaties en de daarmee gemoeide uitgaven.

Zowel de nota Alle kansen voor kinderen (Jeugd en Gezin 2007b) als de Beleidsagenda 2008 (Jeugd en Gezin, 2008c) zijn opgebouwd rond drie thema’s: opgroeien doe je in een gezin, omslag naar preventie en vrijblijvendheid voorbij. Ook in het Beleidsverslag 2008 hanteert de minister deze onderverdeling. In tabel 2 op de volgende pagina is een relatie gelegd tussen deze drie thema’s, de kabinetsdoelstellingen en de operationele doelstellingen.

Tabel 2: Thema’s, operationele doelstellingen en kabinetsdoelstellingen in het beleidsverslag Jeugd en Gezin 2008
Thema en behandelde onderwerpenOperationele doelstelling en kabinetsdoelstelling
1. Het Gezin – kindgebonden budget1 – overige financiële ondersteuning – Gezin en werk – Kind en scheidingOperationele doelstelling: Geen   Kabinetsdoelstelling: Geen
2 Omslag naar Preventie – Centra voor Jeugd en Gezin – Zorg en Adviesteams – Elektronisch Kinddossier – Verwijsindex risicojongeren – Diversiteit in jeugdbeleid – Jeugdparticipatie – Gezond opgroeien – Landelijke jeugdmonitor – KindermishandelingOperationele doelstelling: 2.1, 2.2, 3.1 en 3.2.   Kabinetsdoelstelling: 30 en 32
3. Vrijblijvendheid voorbij – Aanpak wacht en doorlooptijden – Kinderbescherming – Gesloten Jeugdzorg – CampussenOperationele doelstelling: 2.1, 3.1, 3.3 Kabinetsdoelstelling: 31 en 50

1 Hierbij wordt tevens de AKW behandeld.

In het beleidsverslag Jeugd en Gezin behandelt de minister de gehele begroting van 2008. Artikel 1 Gezin en Inkomen van de begroting heeft geen operationele doelstelling en is evenmin een kabinetsprioriteit, maar wordt in het beleidsverslag behandeld onder het thema Het Gezin. Artikel 2 en 3 van de begroting en de bijbehorende kabinetsdoelstellingen komen aan bod bij de Omslag naar preventie en De vrijblijvendheid voorbij.

Kabinetsprioriteiten

Wij zijn nagegaan hoe Jeugd en Gezin de kabinetsdoelstellingen in het beleidsverslag toelicht.

Vier kabinetsdoelstellingen hebben betrekking op het beleidsterrein Jeugd en Gezin. De indicatoren bij deze vier kabinetsdoelstellingen presenteert de minister zo veel mogelijk op de volgende wijze:1

• beoogde waarde in 2008;

• gerealiseerde waarde in 2008;

• beoogde waarde in 2009.

Vervolgens licht de minister de indicatoren toe.

Bij drie kabinetsprioriteiten in het jaarverslag trekt de minister in de toelichting een beleidsconclusie. Dat zijn de kabinetsdoelstellingen;

• Doelstelling 30: In 2011 worden jeugdigen en hun ouders snel en goed ondersteund.

• Doelstelling 31: De wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg blijven beperkt tot maximaal negen weken na indicatiestelling en kinderbeschermingsmaatregelen kunnen sneller worden ingezet.

• Doelstelling 32: Bestrijding kindermishandeling door versterking van preventie, signalering en ingrijpen.

De toelichting bij de vierde kabinetsprioriteit heeft meer een beschrijvend karakter. Dit betreft doelstelling 50: Een reductie van de criminaliteit van 25% in 2010 ten opzichte van 2002.

Voorbeeld beleidsconclusie uit het beleidsverslag

Kabinetsdoelstelling 32: Bestrijding kindermishandeling door het versterken van preventie, signaleren en ingrijpen.

Eind 2008 hadden alle centrumgemeenten, stadsregio’s en provincies zich formeel gecommitteerd aan de aanpak kindermishandeling en was een flink aantal regiocoördinatoren aangemeld. Daarmee lig ik op koers bij het realiseren van mijn beleid voor doelstelling 32. De ontwikkeling van Centra voor Jeugd en Gezin en Zorg- en Adviesteams dragen in belangrijke mate bij aan de realisatie van een sluitende keten in de aanpak van kindermishandeling.

Uitgaven en prestaties

Het Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin wijkt af van artikel 54, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001, want hierin zijn geen oudere jaren opgenomen. De Begroting 2008 is immers de allereerste begroting van Jeugd en Gezin. Wel zijn er vergelijkende cijfers uit 2006 en 2007 opgenomen in de tabel Financieel beeld Jeugd en Gezin in 2006 en 2007. Dit zijn de realisatiecijfers uit de voor Jeugd en Gezin relevante uitgaven en ontvangsten op de begrotingen van de Ministeries van VWS, Justitie en SZW.

Wij zijn nagegaan of er in het beleidsverslag een koppeling is gemaakt tussen de operationele doelstellingen, de vier kabinetsprioriteiten en de uitgaven die hiermee worden verantwoord. Hiervoor heeft de minister zoals afgesproken met het Ministerie van Financiën de Financiële tabel beleidsverslag 2008 opgenomen. In de kolom «financieel belang» van deze tabel staan zo veel mogelijk de realisatiecijfers, maar er zijn ook begrotingsmutaties opgenomen.

Een vergelijkbare tabel met geraamde uitgaven per kabinetsdoelstelling in de periode 2009–2011 is ook opgenomen in de Begroting 2009 (Jeugd en Gezin, 2008b, blz. 15).

In de Rijksbegrotingsvoorschriften 2009 (model 3.30) wordt gesteld dat bij de toelichting van de budgettaire gevolgen van het beleid opmerkelijke verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie in het verslagjaar moeten worden toegelicht.

De minister voor Jeugd en Gezin licht alle veranderingen ten opzichte van de vastgestelde begroting die groter zijn dan € 3 miljoen of groter zijn dan 3% van het budget bij de beleidsartikelen toe.1

4.2 Bruikbaarheid van de beleidsinformatie

De Algemene Rekenkamer heeft niet alleen gekeken naar de beschikbaarheid van informatie over beleid in het Jaarverslag 2008 en de Begroting 2009. Wij hebben ook onderzocht of de informatie in het beleidsverslag bruikbaar is voor de Tweede Kamer. De Tweede Kamer moet zich met deze informatie een oordeel kunnen vormen over de mate waarin een minister de kabinetsprioriteiten en departementspecifieke beleidsprioriteiten heeft gerealiseerd met behulp van de daarvoor geleverde prestaties en ingezette middelen. Dit jaar hebben we onderzoek gedaan naar twee indicatoren uit artikel 2 Gezond opgroeien.

Twee indicatoren in Begroting en Jaarverslag 2008 Jeugd en Gezin

De indicatoren die wij hebben onderzocht, zijn:

1. het percentage gemeenten dat bereikt wordt met een Centrum voor Jeugd en Gezin;

2. het percentage zorg- en adviesteams voor alle schoolgaande leeftijdsgroepen.

Deze indicatoren horen bij:

– Operationele doelstelling 2.1: Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen.

– Doelstelling 30: In 2011 worden jeugdigen en hun ouders snel en goed ondersteund.

Een gezamenlijk kenmerk van deze twee indicatoren is dat gemeenten hiermee in samenwerking met andere partijen het jeugdbeleid vormgeven. Voor beide indicatoren geldt een streefwaarde van 100% in 2011. Wij hebben onderzocht of de informatie van de indicatoren deugdelijk tot stand gekomen is. Daarnaast hebben we gekeken of de indicatoren valide zijn: in hoeverre geven zij een indicatie van de mate waarin de minister zijn doel bereikt?

4.2.1 Centrum voor Jeugd en Gezin

In het bestuursakkoord Samen aan de slag (BZK, Financiën en de VNG 2007) is afgesproken dat elke gemeente vóór 2012 een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) inricht. Het Rijk en de gemeenten willen hiermee opvoed- en opgroeiondersteuning voor ouders en kinderen vanzelfsprekend maken en zorgen dat deze ondersteuning makkelijk te bereiken en voldoende voorhanden is. Het Centrum voor Jeugd en Gezin biedt:

• een fysieke plek waar ouders en kinderen terecht kunnen (inloopfunctie) voor onder meer advies, informatie, instructie en cursussen (eventueel gekoppeld aan school, consultatiebureau, eerstelijns gezondheidscentrum, buurthuis of apart; het is aan de gemeenten om dit vorm te geven);

• lichte hulp (stut en steun, hulp bij gedragsproblematiek, opvoedhulp);

• zicht op logistiek en distributie. Op het CJG kunnen verschillende partijen onder andere werkprocessen afstemmen, daadwerkelijke hulp leveren en/of organiseren na signalering en screening, inzet van hulp coördineren bij meervoudige problemen;

• de Jeugdgezondheidszorgfunctie en de Wet Maatschappelijke Ondersteuningfunctie (WMO-prestatieveld 2);

• een schakel tussen bureaus Jeugdzorg en de zorg- en adviesteams.

De minister voor Jeugd en Gezin hanteert de volgende streefwaarden voor het aantal gemeenten met een Centrum voor Jeugd en Gezin.

Tabel 3: Streefcijfers gemeenten met CJG.
JaarBegroting 2008Jaarverslag 2008Handelingen 20091
200810%50 gemeenten50 gemeenten
2009 125 gemeenten125 gemeenten
2010  300 gemeenten
2011100%Alle gemeentenAlle gemeenten

1 Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2009.

Op dit moment is 85% van de gemeenten een CJG aan het ontwikkelen. Volgens het Jaarverslag 2008 zijn er in 2008 46 gemeenten met een CJG. Daarnaast zijn er minimaal 25 gemeenten die nog geen CJG geopend hebben, maar wel beschikken over ten minste een inlooppunt en een samenwerkingsverband in lijn met het basismodel CJG.

De minister voor Jeugd en Gezin rapporteert in het jaarverslag in aantal gemeenten met een CJG in plaats van het percentage gemeenten met een CJG, zoals in de Begroting 2008. Deze andere wijze van presenteren verandert de informatiewaarde van deze indicator niet.

De CJG’s worden gefinancierd met de Tijdelijke regeling CJG1 (Staatscourant, 2007). In deze regeling zijn bepalingen opgenomen waarmee de minister van Jeugd en Gezin kan monitoren hoe de implementatie van de CJG’s vordert. De bepalingen zijn:

• Elke gemeente zendt jaarlijks een verslag over het CJG naar de minister voor Jeugd en Gezin;

• In de periode 2008–2011 wordt in de gemeentelijke jaarrekeningen verantwoording afgelegd over de besteding van de brede doeluitkering CJG.

De directie Jeugdzorg onderzoekt zelf de voortgang van de oprichting van CJG’s.

Wij constateren dat de prestatie-indicator «Aantal gemeenten met een CJG» deugdelijk tot stand is gekomen. Met behulp van de indicator kan de minister monitoren hoeveel CJG’s zijn ingericht. De indicator geeft geen informatie over de effectiviteit van de CJG’s. De effectiviteit van de CJG’s zal afzonderlijk moeten worden vastgesteld, als we de realisatie van OD 2.1 en kabinetsdoelstelling 30 (in 2011 worden jeugdigen en hun ouders snel en goed ondersteund) willen beoordelen.

4.2.2 Zorg- en adviesteam

Een Zorg- en Advies team (ZAT) is een multidisciplinair samenwerkingsverband rondom scholen dat jongeren met problemen diagnosticeert, begeleidt of doorverwijst. Een ZAT wordt pas ingeschakeld, als de problemen van de jongeren niet binnen de scholen zijn op te lossen. De beleidsfilosofie is dat elk kind met problemen snelle en passende hulp kan krijgen.

De partijen die bij de ZAT’s betrokken zijn (waaronder gemeente, scholen en jeugdzorg), krijgen geen geld om een ZAT in te stellen en te onderhouden. Uitgangspunt is dat alle partijen een belang hebben bij de samenwerking in ZAT’s, dus zij moeten deze samenwerking bekostigen uit de reguliere middelen.

De minster voor Jeugd en Gezin en de staatssecretarissen van OCW hebben de Tweede Kamer over het ZAT-beleid geïnformeerd (Jeugd en Gezin 2008c en Jeugd en Gezin, 2008d). In deze brieven bevestigen zij de ambitie van het kabinet om in 2012 in alle onderwijssectoren (primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs) goed functionerende ZAT’s te hebben. Volgens de minister en staatssecretarissen moet de rijksoverheid drie taken vervullen om deze ambitie te realiseren:

• ZAT’s ondersteunen;

• wetgeving over ZAT’s vastleggen;

• ZAT’s monitoren.

Voor de ondersteuning van de ZAT’s is met ingang van 2009 een landelijk steunpunt opgericht. Wetgeving over de ZAT’s is in voorbereiding. Via de begroting van het Ministerie van OCW is tot en met 2011 jaarlijks € 1,75 miljoen beschikbaar om gemeenten, scholen, provincies en hulpverlening te ondersteunen bij het opzetten van de ZAT’s.

De minister voor Jeugd en Gezin rapporteert in zijn jaarverslag over de dekking van ZAT’s in de onderwijssectoren 2007 en geeft streefcijfers voor 20081, 2009 en 2010.

Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) inventariseert bij scholen en gemeenten hoe het staat met de ZAT’s. Daarnaast stelt het instituut al enkele jaren de landelijke monitor ZAT’s op.

Het beoordelen van de effectiviteit van de ZAT’s vraagt om intensief en longitudinaal onderzoek. De effectiviteit van de ZAT’s wordt daarom op een beperkt aantal locaties afzonderlijk gemeten.

Wij concluderen dat de prestatie-indicator percentage ZAT’s per onderwijssector deugdelijk tot is stand gekomen. Daarbij willen wij twee kanttekeningen maken:

• Er is sprake van een hoge non-respons op de vragenlijsten die het NJi uitzet bij scholen en gemeenten (40%). Wij hebben niet kunnen vaststellen welke invloed deze non-respons heeft op het opstellen van de prestatie-indicator.

• Wij hebben nagevraagd of er afspraken met het NJi zijn gemaakt over de gewenste betrouwbaarheid van de prestatie-indicator. Voor zover ons bekend zijn dergelijke afspraken niet gemaakt.

Met behulp van de indicator kan de minister monitoren in hoeverre de ZAT’s zijn ingericht. De indicator geeft geen informatie over de effectiviteit van de ZAT’s. De effectiviteit van de ZAT’s zal afzonderlijk moeten worden vastgesteld, als we de realisatie van OD 2.1 en kabinetsdoelstelling 30 (in 2011 worden jeugdigen en hun ouders snel en goed ondersteund) willen beoordelen.

4.3 Ontwikkelingen in de beleidsinformatie

4.3.1 Informatie over verantwoordelijkheden

De minister van Jeugd en Gezin heeft binnen zijn beleidsterrein «directe verantwoordelijkheden» en «medebetrokkenheid». Bij medebetrokkenheid is een andere bewindspersoon eerstverantwoordelijke voor een dossier. In ons onderzoek Inrichting Programmaministerie Jeugd en Gezin (Algemene Rekenkamer, 2008a) constateren wij dat het begrip medebetrokkenheid in de Begroting 2008 niet wordt geëxpliciteerd, ingevuld en uitgewerkt. In de Begroting 2008 voor Jeugd en Gezin wordt bovendien de medebetrokkenheid bij de beleidsterreinen niet genoemd. De primair verantwoordelijke minister wijst doorgaans ook niet op de medebetrokkenheid van de minister voor Jeugd en Gezin.

Wij hebben vastgesteld dat de informatie over de verantwoordelijkheden van de minister voor Jeugd en Gezin in de Begroting 2009 is verbeterd in vergelijking met de Begroting 2008.

4.3.2 Overdracht begrotingsmiddelen Ministerie van Justitie

In de Begroting 2008 Jeugd en Gezin zijn begrotingsmiddelen opgenomen die voorheen deel uitmaakten van de begrotingen van de Ministeries van SZW, VWS en Justitie. Wij zijn aan de hand van begrotingen nagegaan hoe in 2007 de overdracht van begrotingsmiddelen van Justitie naar Jeugd en Gezin is verlopen. In tabel 4 hebben we gegevens uit de begroting van Justitie vergeleken met gegevens uit de begroting Jeugd en Gezin.

Tabel 5: Overdracht begroting Justitie naar Jeugd en Gezin (bedragen x € 1 000)
Kolom 1 Omschrijving Kolom 2 Artikel Justitie Kolom 3 Artikel Jeugd en GezinKolom 4 Overdracht uit Begroting JustitieKolom 5 Begroting Jeugd en Gezin 2008Kolom 6 Bedrijfsvoering 2008
Raad voor de Kinderbescherming14.1.13.2€ 63 356€ 69 000Justitie
Bureaus Jeugdzorg voogdij en OTS14.1.33.2€ 186 193€ 211 000Justitie
Opvang AMV14.3.23.2€ 10 899€ 11 000Justitie
Voogdij AMV14.3.23.2€ 7 316€ 7 000Justitie
LBIO14.1.23.2€ 4 390€ 4 000Justitie
Overige14.1.43.2€ 7 893€ 2 000Justitie
JJI/Gesloten Jeugdzorg14.23.1€ 53 000€ 85 000VWS
Totaal  € 333 047€ 389 000 

Als uitgangspunt voor de analyse van de overdracht van begrotingsmiddelen hebben we het bedrag genomen dat volgens het Ministerie van Justitie naar Jeugd en Gezin wordt overgeheveld (Ministerie van Justitie, 2007, blz. 20). In de begroting wordt dit bedrag (€ 333 miljoen) niet verder uitgesplitst. De Directie FEZ van het Ministerie van Justitie heeft het bedrag onderverdeeld in posten en bij elke post een omschrijving en een artikelnummer van herkomst gegeven. Deze uitsplitsing is opgenomen in de eerste, tweede en vierde kolom van de tabel.

Vervolgens hebben we de Begroting Jeugd en Gezin 2008 bekeken. In de Begroting 2008 voor Jeugd en Gezin zijn conversietabellen opgenomen (Jeugd en Gezin, 2007c). Daarin wordt de relatie gelegd tussen het begrotingsartikel 2007 van het oorspronkelijke departement en het begrotingsartikel 2008 voor Jeugd en Gezin. In de conversietabellen zijn geen geldbedragen opgenomen.

Aan de hand van de conversietabellen en de toelichting in artikel 3 hebben we de bedragen herleid die Jeugd en Gezin na de overdracht van de begrotingsmiddelen van het Ministerie van Justitie in de begroting heeft opgenomen. Deze staan in de vijfde kolom van de tabel, het bijbehorende artikelnummer staat in de derde kolom.

De grootste verschillen tussen de vierde kolom «Overdracht uit Begroting Justitie» en de vijfde kolom «Begroting Jeugd en Gezin 2008» zijn als volgt te verklaren:1

1) Raad voor de Kinderbescherming (toename): extra middelen (zie verdiepingsbijlage Begroting Jeugd en Gezin, artikel 3).

2) Bureaus Jeugdzorg voogdij en OTS (toename): extra middelen (zie verdiepingsbijlage Begroting Jeugd en Gezin, artikel 3).

3) Gesloten Jeugdzorg: de post gesloten Jeugdzorg (€ 85 miljoen) in de begroting voor Jeugd en Gezin bestaat naast de € 53 miljoen van het Ministerie van Justitie ook uit middelen van het Ministerie van VWS.

4) Overige (afname): dit betreft opvoeding en ondersteuning. Een groot gedeelte van deze middelen zijn bij een ander artikel van Jeugd en Gezin en bij de begroting van het Ministerie van VWS terechtgekomen.

Jeugd en Gezin heeft geen eigen apparaat. Justitie heeft wel begrotingsmiddelen aan Jeugd en Gezin overgedragen, maar is in de meeste gevallen nog steeds verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering. Dat geldt niet voor de gesloten jeugdzorg. Daar is de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering in handen van het Ministerie van VWS. Wij hebben dit in de zesde kolom van de tabel aangegeven.

Wij constateren dat de exacte omvang van de middelen die bij deze overdracht van de budgetten zijn betrokken, niet eenvoudig uit de twee begrotingen kunnen worden herleid, maar dat het met enige toelichting wel mogelijk is.

4.3.3 Gesloten jeugdzorg

Er wordt gewerkt aan het opbouwen van de capaciteit voor gesloten jeugdzorg. Gesloten jeugdzorg is bedoeld voor jongeren met ernstige gedragsproblemen, die voorheen op civielrechtelijke titel in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI, Ministerie van Justitie) werden geplaatst. Vanaf 2008 is de gesloten jeugdzorg een verstrekking op basis van de WJZ. Het aanbod voor de gesloten jeugdzorg wordt op twee manieren gerealiseerd. Enerzijds door de ontwikkeling van nieuwe capaciteit en anderzijds door het omvormen van JJI’s tot instellingen voor gesloten Jeugdzorg.

In 2008 zijn vijf particuliere JJI’s aangewezen voor gesloten Jeugdzorg. De minister voor Jeugd en Gezin verstrekt aan instellingen voor gesloten Jeugdzorg een subsidie. Hiervoor is € 53 miljoen overgeheveld van de begroting van het Ministerie van Justitie naar de begroting Jeugd en Gezin. De totale uitgaven gesloten Jeugdzorg in de begroting Jeugd en Gezin 2008 zijn € 85 miljoen.

Per 1 februari 2009 zijn twee JJI’s van het Rijk aangewezen om onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin te fungeren als rijksinstelling voor gesloten jeugdzorg. Deze rijksinstellingen krijgen de status van tijdelijke baten-lastendiensten. In de eerste suppletoire begroting zullen de indicatieve openingsbalansen worden opgenomen. De uitgaven op jaarbasis voor de twee rijksinstellingen worden geraamd op € 31,2 miljoen.

Wij voeren momenteel een onderzoek naar de gesloten jeugdzorg uit waarin wij onder meer onderzoeken of het aantal benodigde plaatsen gesloten jeugdzorg gerealiseerd wordt, welke knelpunten daarbij eventueel zijn ontstaan en hoe het aantal benodigde plaatsen gesloten jeugdzorg is onderbouwd.

5. REACTIE MINISTER EN NAWOORD ALGEMENE REKENKAMER

5.1 Reactie minister

De minister voor Jeugd en Gezin heeft op 27 april 2009 gereageerd op ons Rapport bij het Jaarverslag 2008 van Jeugd en Gezin. Hieronder volgt de integrale tekst van zijn reactie (§ 5.1). De reactie staat ook op onze website: www.rekenkamer.nl. De reactie gaf ons aanleiding tot een nawoord (§ 5.2).

«Naar aanleiding van uw conceptrapport «Rapport bij het Jaarverslag 2008» doe ik u hierbij mijn reactie toekomen. Met belangstelling heb ik kennisgenomen van uw rapport. Het doet mij genoegen dat u in uw rapport constateert dat ik transparant verantwoording afleg over de realisatie van mijn beleid, de rechtmatigheid van mijn begrotingsuitvoering en de bedrijfsvoering. In mijn reactie ga ik in op de kwaliteitskaart, de ontwikkelingen bij de doeluitkering Jeugdzorg en volledigheid ouderbijdragen.

Kwaliteitskaart

Met ingang van dit rapport heeft u met de kwaliteitskaart een nieuw instrument geïntroduceerd. Hiermee beoogt u de uitkomsten van uw onderzoek op een aansprekende manier te presenteren en zichtbaar te maken welke beleidsartikelen geraakt worden door de geconstateerde onvolkomenheden. Ik denk dat een dergelijk instrument zeer waardevol kan zijn en waardeer uw inzet bij de ontwikkeling van dit instrument. Ik signaleer echter een aantal beperkingen bij de huidige kaart, waardoor deze op een aantal onderdelen weinig gebruiks- en informatiewaarde heeft en een vertekend beeld geeft.

Deel I van de kaart is niet relevant voor Jeugd en Gezin, omdat voor de uitvoering van mijn beleid gebruik wordt gemaakt van de bedrijfsvoeringsprocessen bij de ministeries VWS, SZW, Justitie, OCW en Financiën. In deel II van de kwaliteitskaart worden de onvolkomenheden die bij deze ministeries geconstateerd zijn en (gedeeltelijk) betrekking hebben op mijn beleidsartikelen weergegeven als «geïmporteerde onvolkomenheden». Hier signaleer ik een belangrijke beperking van de kwaliteitskaart. Er wordt in deel II van de kaart geen rekening gehouden met het feit of deze gevolgen daadwerkelijk geconstateerd zijn en met de relevantie van de (mogelijke) onvolkomenheid voor dit artikel. Hierdoor wordt het beeld van de bedrijfsvoering negatief vertekend. Dat kan ook niet uw bedoeling zijn.

Doeluitkering Jeugdzorg

In uw rapport besteedt u aandacht aan de al langer bestaande knelpunten ten aanzien van de doeluitkering Jeugdzorg. Om de problemen rondom de verantwoording van de doeluitkering Jeugdzorg op te lossen is een plan van aanpak opgesteld. Omdat er zowel beleidsmatige aspecten als beheersaspecten een rol spelen bij het oplossen van de problemen, zal bij de uitwerking nauw worden samen gewerkt met het ministerie van VWS.

Volledigheid ouderbijdragen

In uw rapport constateert u dat de volledigheid van de ontvangen ouderbijdragen al een aantal jaren niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. Het systeem van ouderbijdragen is door mij nader onderzocht en ik verwacht binnenkort met maatregelen te kunnen komen, waarmee onder andere dit probleem wordt opgelost.«

5.2 Nawoord Algemene Rekenkamer

In dit nawoord gaan we in op de opmerkingen van de minister over de doeluitkering Jeugdzorg, de volledigheid van de ouderbijdragen en over de kwaliteitskaart bedrijfsvoering.

Kwaliteitskaart bedrijfsvoering

Wij danken de minister voor zijn waardering voor de inzet van de Algemene Rekenkamer bij de ontwikkeling van het instrument kwaliteitskaart.

Omdat de bedrijfsvoeringsprocessen van Jeugd en Gezin bij andere ministeries plaatsvinden, hebben wij deel I van de kaart (bedrijfsvoering) niet opgesteld voor Jeugd en Gezin. Met deel II van de kaart willen we zichtbaar maken waar de risico’s van de onvolkomenheden in de bedrijfsvoering gevolgen kunnen hebben, ofwel welke artikelen ze «raken». Dit «raken» moet breed geïnterpreteerd worden. Het gaat dus niet alleen om geconstateerde gevolgen, maar ook om mogelijke gevolgen. Bovendien gaat het niet alleen om gevolgen voor de rechtmatigheid, maar ook om andere gevolgen (bijvoorbeeld risico’s voor de betrouwbaarheid van de informatie, de realisatie van beleidsdoelstellingen of de integriteit van bestanden). Het feit dat Jeugd en Gezin geen eigen bedrijfsvoering heeft, maar afhankelijk is van de bedrijfsvoering van andere ministeries wordt juist goed zichtbaar in deel II van de kaart en niet voor niets voorzien van het predikaat «geïmporteerd». Onvolkomenheden in de bedrijfsvoering kunnen immers over de grenzen van een ministerie heen gevolgen hebben.

In Rijk verantwoord gaan we in op de rijksbrede reactie op de introductie van de kwaliteitskaart bedrijfsvoering.

Doeluitkering Jeugdzorg en volledigheid ouderbijdragen

De minister geeft aan dat voor het oplossen van de problemen rondom de verantwoording van de doeluitkering Jeugdzorg een plan van aanpak is opgesteld. Een van de punten uit dit plan van aanpak is het informeren van de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer over de stand van zaken van het beheer van de doeluitkering Jeugdzorg. Bij het uitwerken van dit plan van aanpak werkt Jeugd en Gezin nauw samen met het Ministerie van VWS.

De minister heeft het systeem van ouderbijdragen onderzocht en hij verwacht binnenkort met maatregelen te komen waardoor hij de volledigheid van ouderbijdragen met voldoende zekerheid vast kan stellen.

Wij blijven de ontwikkelingen in de verantwoording doeluitkering Jeugdzorg en de volledigheid van ouderbijdragen volgen.

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgaveblz.
  
A. Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingsvoorstel2
Leeswijzer3
  
B. De Begrotingstoelichting6
Artikel 1 Gezin en inkomen13
Artikel 2 Gezond opgroeien16
Artikel 3 Zorg en bescherming22
Niet-beleidsartikel 99: Nominaal en onvoorzien31
Bedrijfsvoeringsparagraaf32
Verdiepingshoofdstuk33
Conversietabellen39
Moties41
Toezeggingen43
Afkortingenlijst45
Trefwoordenregister46

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van de begroting van Jeugd en Gezin voor het jaar 2008 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2008. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2008.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2008 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 3 (inwerkingtreding)

De inwerkingtreding van de onderhavige wet zal bij Koninklijk Besluit worden geregeld, omdat de inwerkingtreding afhankelijk is van de inwerkingtreding van de Wet tot Vierde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001. Voorzien is dat het wetsvoorstel tot wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 gelijktijdig met het onderhavige wetsvoorstel bij de Tweede Kamer wordt ingediend. In het Koninklijk Besluit zal worden voorzien in een terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.

De Minister voor Jeugd en Gezin,

A. Rouvoet

LEESWIJZER

Voor u ligt de begroting van Jeugd en Gezin 2008. Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

• de beleidsagenda;

• de beleidsartikelen;

• een niet-beleidsartikel;

• de bedrijfsvoeringsparagraaf;

• het verdiepingshoofdstuk.

De beleidsagenda geeft de beleidsprioriteiten voor 2008 weer. Deze prioriteiten zijn verder uitgewerkt in de zogenoemde beleidsartikelen. De beleidsartikelen bestaan uit:

• een algemene beleidsdoelstelling;

• een omschrijving van de samenhang in het beleid;

• een beschrijving van de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin;

• externe factoren (indien relevant);

• een tabel budgettaire gevolgen van beleid;

• de operationele doelstellingen (indien relevant);

• een overzicht met het geplande onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid.

Behalve drie beleidsartikelen bevat deze begroting ook een niet-beleidsartikel (artikel 99). De opbouw van dit niet-beleidsartikel wijkt af van de hierboven genoemde beleidsartikelen: artikel 99 is een technisch-administratief artikel.

Een artikel «Algemeen» is niet opgenomen in deze programmabegroting aangezien de relevante apparaatsuitgaven op de begrotingen van VWS, Justitie, SZW en OCW blijven verantwoord.

Zo blijven de apparaatsuitgaven van de SVB verantwoord op de begroting van SZW, maar staan de uitgaven voor de kinderbijslag (de AKW) op de begroting van Jeugd en Gezin.

Budgetflexibiliteit

In de artikelsgewijze toelichting wordt in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» inzicht gegeven in de budgetflexibiliteit. Daarbij worden de verplichtingen gekarakteriseerd aan de hand van de categorieën «Juridisch verplicht», «Bestuurlijk gebonden» en «Niet-juridisch verplicht of niet-bestuurlijk gebonden».

De categorie «Juridisch verplicht» bestaat uit verplichtingen waar een privaatrechtelijke overeenkomst, een publiekrechtelijke beschikking of een wettelijke regeling aan ten grondslag ligt.

De categorie «Bestuurlijk gebonden» bestaat uit verplichtingen waaraan afspraken ten grondslag liggen tussen verschillende ministeries, tussen de minister voor Jeugd en Gezin en andere bestuurslagen of in het kader van de jaarplancyclus met (uitvoerings)organisaties die bij het jeugd- en gezinsbeleid een rol spelen.

De categorie «Niet-juridisch verplicht en niet-bestuurlijk gebonden» bestaat uit geraamde uitgaven waarvoor de minister voor Jeugd en Gezin in het kader van zijn beleidsprogramma uitgaven heeft geoormerkt. Echter, een privaatrechtelijke overeenkomst, een publiekrechtelijk beschikking, interdepartementale afspraken, afspraken met andere bestuurslagen of met betrokken organisaties zijn nog niet gemaakt.

Na de beschrijving van de beleidsinstrumenten per operationele doelstelling is een tabel opgenomen met een overzicht van de belangrijkste begrotingsuitgaven. Na deze tabel volgt een tabel met meetbare gegevens bij de operationele doelstelling.

In het Verdiepingshoofdstuk zijn ten behoeve van de transparantie een «was-wordt»-tabel en een «wordt-was»-tabel opgenomen waarin op hoofdlijnen is aangegeven hoe de programmabudgetten van de begrotingen van VWS, Justitie, SZW en OCW naar de begroting van Jeugd en Gezin zijn overgeheveld.

Prestatie-indicatoren

In de eerste begroting van Jeugd en Gezin zijn drie beleidsartikelen met drie algemene doelstellingen geformuleerd. De algemene doelstellingen zijn bij alle drie de beleidsartikelen geformuleerd in termen van de maatschappelijk gewenste situatie. De operationele doelstellingen presenteren vervolgens de ambitie van de minister voor Jeugd en Gezin.

Bij het opstellen van deze begroting zijn nieuwe indicatoren opgenomen. Deze zijn afkomstig uit het beleidsprogramma «Alle kansen voor alle kinderen». Hierbij is een aantal indicatoren vanwege het nog niet voorhanden zijn van de benodigde informatievoorziening nog «in ontwikkeling». Waar mogelijk zijn indicatoren reeds voorzien van een waarde.

De indicatoren hebben op resultaat of op proces betrekking en geven inzicht in de ontwikkeling van een trend. De indicator «% gemeenten dat bereikt wordt met een CJG» is een voorbeeld van een resultaatindicator. De doorlooptijd van de besluitvorming over een jeugdbeschermingsmaatregel is een voorbeeld van een procesindicator.

Comply or explain per artikel

Artikel 1: Gezin en inkomen

Voor het jaar 2008 is geen prestatie-indicator geformuleerd. Voorheen werd voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) het nalevingsniveau van de opgave van inkomsten van kinderen als indicator gepresenteerd. Met nalevingsniveau wordt de invloed van het beleid op de mate waarin de wet wordt nageleefd in beeld gebracht. Dit is strategisch-technisch lastig gebleken, met name met betrekking tot de vraag of wijzigingen in de indicatoren in de tijd toegeschreven kunnen worden aan het gevoerde beleid. Nagegaan wordt nu of, en op welke wijze, indicatoren ten aanzien van het handhavingsbeleid kunnen worden ontwikkeld waarbij er een goede balans is tussen de beleidsmatige relevantie en de eisen die aan de indicatoren gesteld worden. Bij de begroting 2009 wordt het resultaat van deze exercitie gepresenteerd.

Artikel 2: Gezond opgroeien

De prestatie-indicatoren in artikel 2 zijn afkomstig uit het beleidsprogramma «Alle kansen voor alle kinderen». Deze indicatoren en de vermelde streefwaarden zijn nieuw en worden, mede met eventuele nieuwe indicatoren uit de in het najaar van 2007 op te leveren Jeugdmonitor, in de begroting 2009 operationeel.

Artikel 3: Zorg en bescherming

De prestatie-indicatoren in artikel 3 zijn afkomstig uit het beleidsprogramma «Alle kansen voor alle kinderen». Deze indicatoren en de vermelde streefwaarden zijn overwegend nieuw en worden, mede met eventuele nieuwe indicatoren uit de in het najaar van 2007 op te leveren Jeugdmonitor, in de begroting 2009 operationeel.

Begrotingsuitgaven en premiegefinancierde zorguitgaven

In de begroting zijn alle begrotingsgefinancierde uitgaven verantwoord. De betrokkenheid van de minister voor Jeugd en Gezin gaat echter verder. Beleidsmatig vallen namelijk ook de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen en de jeugd-geestelijke gezondheidszorg onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin. Budgettair gezien blijven deze uitgaven evenwel onder het Budgettair Kader Zorg vallen. In de begroting van VWS voor het jaar 2008 wordt nader ingegaan op de premiegefinancierde uitgaven en maken de jeugdgerelateerde uitgaven aan lichtverstandelijk gehandicapten en de geestelijke gezondheidszorg integraal onderdeel uit van de aldaar gepresenteerde uitgaven. In artikel 3 van deze begroting is een indicatie van de jeugdgerelateerde premie-uitgaven opgenomen.

B. DE BEGROTINGSTOELICHTING

Beleidsagenda 2008

Inleiding

Het kabinet hecht veel waarde aan de positie van kinderen, jeugd en gezinnen. Bij de vorming van het huidige kabinet is besloten om een programmaminister te benoemen die de verantwoordelijkheid draagt voor de samenhang in het beleid voor jeugd en gezin. Het resultaat hiervan moet zijn dat de inspanningen van het kabinet leiden tot een goede positie van kinderen en het gezin waarin zij leven. Als minister voor Jeugd en Gezin heb ik de ambities voor deze kabinetsperiode verwoord in het beleidsprogramma «Alle kansen voor alle kinderen», dat in juni 2007 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Het kabinet wil in de komende jaren zorgen dat het gezin duidelijk op de kaart staat, dat kinderen gezond kunnen opgroeien en deel kunnen nemen aan de maatschappij.

Het kabinet gaat daarbij uit van vijf zogeheten ontwikkelingsvoorwaarden. Die gelden voor elk kind, ongeacht zijn of haar culturele achtergrond of fysieke gesteldheid. Kinderen moeten gezond en veilig opgroeien, hun steentje kunnen bijdragen aan de maatschappij, hun talenten kunnen ontwikkelen en plezier hebben en tenslotte ook goed voorbereid zijn op de toekomst. Daar waar kinderen in problemen komen, moeten zij de zorg en bescherming krijgen die zij nodig hebben. Voor dit alles zet het kabinet zich de komende jaren in, zodat er een samenleving ontstaat waarin alle kinderen alle kansen krijgen.

Wat gaan we doen?

Opgroeien doe je in een gezin

Het gezin op de kaart

In het gezin worden essentiële normen en waarden voorgeleefd en overgedragen aan volgende generaties. Het gezin is van essentieel belang voor de ontwikkeling van kinderen en heeft daardoor een belangrijke maatschappelijke rol. Onder gezin verstaan we: «elk leefverband van één of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van één of meer kinderen». Er zijn vele vormen van gezinnen: gezinnen met veel kinderen of met één kind, gezinnen met één of twee ouders, nieuw samengestelde gezinnen, gezinnen waarin de grootouders of pleegouders opvoeden. Ik zal in 2008 het gezinsbeleid nader uitwerken in een Gezinsnota.

Ouders zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor het opgroeien en de ontwikkeling van hun kinderen. Er zijn elementen die onmisbaar zijn voor de ontwikkeling van kinderen. Kinderen horen gezond op te groeien in een veilige, gezonde en stimulerende omgeving. Kinderen moeten zoveel mogelijk hun talenten kunnen ontwikkelen en plezier hebben in hun leven. Een stimulerende omgeving is daarbij zeer belangrijk. Een omgeving die hen voorbereidt op een toekomst waarin zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien, actief betrokken zijn bij hun naaste omgeving en een steentje bijdragen aan de maatschappij.

Om ouders of verzorgers financieel te ondersteunen, krijgen zij een inkomensonafhankelijke tegemoetkoming in de onderhoudskosten van kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet. Daarnaast wordt in 2008 voor gezinnen in de lagere inkomenscategorieën een inkomensafhankelijke tegemoetkoming geïntroduceerd, het kindgebonden budget. Voor 2008 betreft dit een tegemoetkoming per huishouden, ongeacht het aantal kinderen en in 2009 wordt de tegemoetkoming omgevormd tot een tegemoetkoming per kind. In 2010 wordt tenslotte een deel van de Wet op de tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten (WTOS) met het kindgebonden budget geïntegreerd.

Het niveau van de tegemoetkoming wordt vanaf 2008 structureel verhoogd in verband met de koopkrachtpositie van huishoudens met kinderen in de lagere inkomenscategorieën. Hiervoor heeft het kabinet vanaf 2008 structureel € 41 miljoen extra uitgetrokken. In 2009 wordt de tegemoetkoming omgevormd tot een tegemoetkoming per kind. Tegelijkertijd zullen de middelen voor het kindgebonden budget worden verhoogd met meer dan € 150 miljoen. Vanaf 2010 wordt een beperkt deel van de beschikbare middelen voor de Algemene Kinderbijslagwet overgeheveld naar de beschikbare middelen voor het kindgebonden budget. In 2010 wordt voorts een deel van de Wet op de tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten (WTOS) met het kindgebonden budget geïntegreerd. Per saldo nemen de middelen voor de financiële ondersteuning van gezinnen in 2010 toe. De overheveling en de integratie krijgen zo vorm dat er sprake is van een evenwichtige gezinsondersteuning: enerzijds dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten (overheveling), terwijl anderzijds de middeninkomens met kinderen van 12 jaar en ouder een inkomensvoordeel ondervinden (integratie). In 2011 zullen de bedragen voor het kindgebonden budget per kind andermaal substantieel stijgen, hetgeen ertoe leidt dat de uitgaven voor het kindgebonden budget in dat jaar met circa € 150 miljoen zullen toenemen.

Het structureel beschikbare budget voor het kindgebonden budget neemt in de periode 2007–2011 toe met € 0,6 miljard tot € 1,3 miljard. Ter financiering hiervan is uit de lastenenveloppe Kinderen, jeugd en gezin een bedrag oplopend tot € 416 miljoen in 2011 en later beschikbaar gesteld. Met deze intensivering is het mogelijk om gezinnen met lagere en middeninkomens extra financieel te ondersteunen en de afzonderlijke regelingen meer te stroomlijnen.

Naast de middelen die ik op mijn begroting beschikbaar stel, ondersteunt dit kabinet gezinnen met kinderen ook langs andere wegen. Ik noem in dit verband de verstrekking van gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs en de invoering van de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting ter ondersteuning van werkende ouders met kinderen tot 12 jaar.

Er zal extra aandacht worden besteed aan gezinnen waarin kinderen het risico lopen niet gezond en veilig op te groeien. Het jeugdbeleid moet alle kinderen en ouders, ongeacht hun culturele achtergrond, even goed bereiken. Allochtone kinderen moeten door het jeugdbeleid even goed worden bereikt als autochtone kinderen en dit beleid moet voor hen even effectief zijn. Samen met de minister voor WWI wordt een vierjarig actieprogramma voor diversiteit in het jeugdbeleid opgesteld.

Omslag naar preventie

Opgroei- en opvoedondersteuning in de buurt

Zoals in het coalitieakkoord, het beleidsprogramma van het kabinet en het beleidsprogramma van de minister voor Jeugd en Gezin is beschreven, wordt in het project «Kansen voor kinderen» de totstandkoming van Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) met kracht ter hand genomen. Het kabinet en de gemeenten hebben de ambitie om te komen tot een landelijk dekkend netwerk van CJG’s in 2011.

Het CJG versterkt en verbetert de opvoed- en gezinsondersteuning, zodat problemen worden voorkomen of in een vroeg stadium worden opgelost. De CJG’s zijn voor (aanstaande) ouders, kinderen én jongeren een herkenbaar en laagdrempelig centraal punt voor opgroei- en opvoedvragen, adequate en passende hulp en coördinatie van die hulp. De CJG’s zijn er voor álle ouders, kinderen en jongeren, dus niet alleen voor probleemgezinnen. In een CJG werken professionals die vroegtijdig risico’s of problemen bij kinderen of gezinnen kunnen signaleren. Het is niet de bedoeling dat er een extra (bureaucratische) laag in het zorgaanbod aan gebracht wordt, maar dat de Centra diverse instanties en functies samenbrengen die nu nog te veel langs elkaar heen werken. Dit leidt tot een vermindering van de afstemmingslast.

Op het moment dat er bij een kind of in een gezin meerdere problemen ontstaan, zal het uitgangspunt «Eén gezin, één plan» worden gehanteerd. Dit betekent dat professionals die met kinderen en gezinnen werken goed moeten samenwerken. Kinderen en gezinnen moeten niet het gevoel hebben van het kastje naar de muur te worden gestuurd, maar juist snel en goed geholpen worden door samenwerkende hulpverleners. Daarom wordt per kind of per gezin één hulpverlener aangewezen die alle hulp coördineert.

De Zorg- en Adviesteams (ZAT’s) zijn een mooi voorbeeld van hoe samenwerking in de praktijk gestalte krijgt. In een ZAT werken professionals uit verschillende domeinen structureel samen, zoals leerlingbegeleiding, (school)maatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg, jeugdzorg, leerplicht en politie. Zij maken onderling concrete afspraken over het kind van wie zij vermoeden dat er sprake is van emotionele, gedrags-, ontwikkelings- en/of schoolproblemen. De meerwaarde van een ZAT is dat de zorg meteen en op de juiste plaats wordt ingezet. In 2008 wordt de verdere vorming van ZAT’s gestimuleerd en daar waar nodig ook de verbetering van de kwaliteit van de bestaande ZAT’s. Bij de gemeenten zal ik er op aandringen dat zij samen met het onderwijs er voor zorgen dat er in 2011 overal in Nederland voor kinderen van alle schoolgaande leeftijden een ZAT is. Het spreekt wat mij betreft vanzelf dat ZAT’s en CJG’s met elkaar samenwerken.

Het op tijd signaleren van risico’s en problemen is van groot belang voor het welzijn van en de zorg voor kinderen. Daarom wil ik mij de komende jaren sterk maken voor het ontwikkelen en invoeren van het Elektronisch Kinddossier (EKD) en de Verwijsindex voor Risicojongeren (VIR). Het EKD is een landelijk systeem voor de automatisering van de huidige papieren dossiers in de jeugdgezondheidszorg. De Verwijsindex brengt instellingen uit de sectoren (jeugd)zorg, onderwijs, werk en inkomen en justitie, die risico’s bij jongeren signaleren, bij elkaar.

Beide systemen helpen om een goede ondersteuning van kinderen en gezinnen mogelijk te maken. De ICT-voorzieningen voor de Verwijsindex worden in 2008 op landelijk niveau gefaciliteerd, waardoor de Verwijsindex in 2009 daadwerkelijk voor alle hulpverleners beschikbaar is.

Het EKD is in 2008 beschikbaar1 en vanaf 2009 zal de gehele jeugdgezondheidszorg, inclusief de dan bestaande CJG’s, het EKD gebruiken.

Jeugdcultuur

Samen met de minister van VWS presenteer ik in het najaar van 2007 een preventievisie. In 2008 gaan we samen met ouders en deskundigen na hoe risicogedrag van kinderen en jongeren kan worden verminderd en gezond gedrag kan worden gestimuleerd. In dat kader is ook aan de orde welke concrete maatregelen op het gebied van voeding, bewegen, alcohol, seksualiteit, drugs en tabak een bijdrage kunnen leveren aan een gezonde leefstijl van jongeren.

Kinderen moeten tijdens hun jeugd leren dat zij in Nederland mogen en kunnen meedenken, meebeslissen en vooral meedoen. Gemeenten worden daarom gestimuleerd om jongeren te laten deelnemen aan de samenleving. Vanuit het programma voor Jeugd en Gezin wordt daarom vanaf 2008 jaarlijks een jongerenprijs uitgereikt aan de gemeente die het beste initiatief heeft op het gebied van jeugdparticipatie.

Om inzicht te krijgen in hoe het gaat met kinderen, is in 2007 een Jeugdmonitor geïntroduceerd. Die zal ik de komende jaren verder ontwikkelen, zodat er een goed beeld ontstaat van «de staat van de jeugd».

Kindvriendelijke leefomgeving

Kinderen hebben een kindvriendelijke leefomgeving nodig om gezond en veilig te kunnen opgroeien. Het kabinet wil, in het kader van de wijkenaanpak, bevorderen dat gemeenten minimaal drie procent van de ruimte die bestemd is voor wonen, bestemmen voor speelruimte. Verder worden, zoals afgesproken in het bestuursakkoord met de gemeenten, nadere afspraken gemaakt over de concrete bijdrage van gemeenten op het terrein van onder meer de kindvriendelijke leefomgeving. Een vorm van jongereninspraak maakt in elk geval onderdeel uit van deze nadere afspraken.

Vrijblijvendheid voorbij

Snelle en effectieve hulp voor jeugd en gezin

Het aantal kinderen en gezinnen met problemen lijkt toe te nemen. Die toename is zorgwekkend. Dat vraagt niet alleen om gerichte acties van de kant van de rijksoverheid, maar ook van provincies, gemeenten en zorgverleners. Het kan niet zo zijn dat kinderen van het kastje naar de muur gestuurd worden: het kind moet centraal staan.

Provincies, gemeenten en de verschillende zorgvoorzieningen moeten de komende jaren sluitende afspraken maken en goed samenwerken zodat bijvoorbeeld de indicatiestelling en zorg aan kinderen en gezinnen beter wordt gestroomlijnd. En waar sprake is van belemmerende wet- en regelgeving, wordt die zoveel mogelijk opgeheven.

Als hulpverlening door de jeugdzorg niet mogelijk is omdat de ouders en/of het kind de hulp die nodig is niet accepteren en de ontwikkeling van het kind in gevaar komt, moet de overheid ingrijpen. In een dergelijk geval kan een kinderbeschermingsmaatregel worden opgelegd. Als de overheid met zo’n maatregel ingrijpt, moet dat snel en goed gebeuren: snelle besluitvorming, snelle start van de hulp en effectieve, professionele ondersteuning. De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat de werklast bij gezinsvoogden te hoog was. Daarom zal in 2008 de werklast per gezinsvoogd, conform het Convenant Verlaging case load gezinsvoogdij, worden verlaagd naar 15 cases gemiddeld per FTE per, zoals gemeten ultimo van een kalenderjaar. Dat wil zeggen: minder probleemgevallen per gezinsvoogd. Tevens wordt voor gezinsvoogden de bureaucratie verminderd.

In het kader van de Wet gesloten jeugdzorg komen vanaf 1 januari 2008 (delen van) vijf justitiële jeugdinrichtingen onder de verantwoordelijkheid van de gesloten jeugdzorg. In 2009 volgen er nog eens twee. Vanaf 2010 worden geen kinderen meer in een justitiële jeugdinrichting geplaatst, als zij geen strafbaar feit hebben gepleegd. Naast de reeds bestaande plaatsen wordt nieuw gesloten jeugdzorgaanbod ontwikkeld.

Binnen de reikwijdte van het programma voor Jeugd en Gezin valt ook het beleid ten aanzien van de jeugdgerelateerde geestelijke gezondheidszorg en de zorg aan licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen. De middelen voor de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen (jeugd-ggz) en de zorg aan licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen (jeugd-lvg) blijven tot de premie-uitgaven behoren die worden verantwoord op de begroting van VWS. Van de totale premie-uitgaven voor geestelijke gezondheidszorg is circa 10 procent toewijsbaar aan de zorg voor kinderen en jeugdigen, wat neerkomt op ongeveer € 0,4 miljard. Circa 5 procent van de uitgaven voor de gehandicaptenzorg is toewijsbaar aan de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen, wat neerkomt op ongeveer € 0,2 miljard. Met ingang van 2008 valt de kortdurende jeugd-ggz onder de Zorgverzekeringswet.

Aanpak kindermishandeling

Kinderen moeten beschermd worden tegen alle vormen van kindermishandeling. Daarom wil het kabinet in 2008, maar ook in de daaropvolgende jaren, een stevige bijdrage leveren aan de bestrijding van kindermishandeling. Dit vraagt om een gezamenlijke aanpak door vele betrokken organisaties. Dit heeft geresulteerd in het Actieplan Aanpak Kindermishandeling d.d. 5 juli 2007 (TK 2006–2007, 31 015, nr. 16), waarin uitgegaan wordt van vier kerndoelen: het voorkomen dat kindermishandeling plaatsvindt, zorgen dat het eerder en beter wordt gesignaleerd én dat het zo snel mogelijk stopt als er sprake is van kindermishandeling. Bij kinderen die mishandeld zijn, moeten de schadelijke gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt. In het kader van het Actieplan wordt onder andere vanaf 2008 de RAAK-aanpak (ontwikkeld door de Reflectie- en Actiegroep Aanpak kindermishandeling) landelijk ingevoerd. Daarnaast wordt, in overleg met de MOgroep en de provincies, de doorlooptijd voor een onderzoek bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling teruggebracht.

Van school naar werk

Jongeren moeten goed voorbereid zijn op hun toekomst. Voorkomen moet worden dat jongeren een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben. Er zijn nog steeds teveel jongeren die aan de kant staan. Het gaat dan vooral om jongeren die niet in een leertraject zitten, niet werken en dreigen af te glijden.

Het is van belang maatregelen te treffen om te voorkomen dat deze jongeren hun eigen toekomst vergooien door gebrek aan diploma‘s of werkervaring. De afstand tot de arbeidsmarkt mag niet te groot worden. Het kabinet wil jongeren zonder zicht op opleiding of baan die met de gebruikelijke instrumenten niet bereikt worden, daarom perspectief bieden door een start te maken met de landelijke invoering van campussen die gericht zijn op scholing en/of arbeidstoeleiding.

Voorkomen jeugdcriminaliteit

Net als bij kindermishandeling is het bij jeugdcriminaliteit belangrijk om te voorkómen dat het plaatsvindt. De beste manier om te voorkomen dat jongeren op het verkeerde pad raken, is om hen van jongs af aan zo weinig mogelijk bloot te stellen aan risicofactoren en zoveel mogelijk aan beschermende factoren. Daarnaast is het van belang dat het ontsporen van jongeren vanwege niet-externe factoren, zoals persoonlijkheidsstoornissen, wordt voorkomen. De maatregelen die in deze beleidsagenda zijn genoemd, leveren een bijdrage aan de preventie van jeugdcriminaliteit. Als alles slaagt voorkomt dat, in samenhang met het reeds bestaande beleid, (recidive van) jeugdcriminaliteit. Verder wordt met hernieuwde kracht een programma ingericht ter bestrijding van de jeugdcriminaliteit, als onderdeel van «Veiligheid begint bij Voorkomen».

Naast de ouders spelen gemeenten bij de preventie een belangrijke rol. Zij zullen in kaart brengen welke van de jongeren te maken hebben met een (grote) hoeveelheid risicofactoren voor de ontwikkeling van crimineel gedrag. In de aanpak van jongeren die risico- en grensoverschrijdend gedrag vertonen is een oploop zichtbaar van vrijwillig, naar drang, naar dwang. Zo zal in iedere situatie eerst gekeken worden of de ouders en/of de jeugdige te motiveren zijn voor opvoedingsondersteuning of vormen van (jeugd)zorg. Als zij hier niet vrijwillig aan willen deelnemen en de situatie er wel om vraagt, wordt drang toegepast.

Bij jongeren die (vaak in groepsverband) overlast veroorzaken en bij jongeren die strafbare feiten hebben gepleegd, zijn politie en justitie aan zet. Het wetsvoorstel «Maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast» van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie is erop gericht gemeenten in staat te stellen sneller te reageren op overlast veroorzakende jongeren door bijvoorbeeld een gebieds- of contactverbod op te leggen. Naar verwachting wordt het wetsvoorstel in het najaar van 2007 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Professionalisering

Het is belangrijk dat er in de jeugdzorg deskundige en betrokken professionals werken; mensen met hart voor en verstand van hun werk. We moeten zuinig zijn op deze professionals: we moeten ze binden aan de jeugdsector en voorkomen dat ze na korte tijd teleurgesteld de sector de rug toekeren. Daarom wil ik ervoor zorgen dat ze minder tijd besteden aan papier en meer tijd aan de kinderen en gezinnen die dat nodig hebben.

Duidelijkheid over wat er nodig is om in de jeugdzorg te kunnen werken, betere opleidingen, standaarden waarnaar professionals moeten handelen en tucht- en toetsrecht voor de jeugdzorg zijn allemaal zaken die helpen om de sector te professionaliseren. Een stuurgroep waarin alle betrokken partijen deelnemen zal deze zaken daarom de komende jaren ter hand nemen. Dit is een initiatief van de beroepsgroepen zelf. Er zal ook een inventarisatie plaatsvinden van bewezen effectieve interventies.

Daarbij wordt ook gekeken naar geschikte methodieken voor de verschillende allochtone doelgroepen.

Doelstellingen beleidsprogramma 2007–2011

In onderstaande tabel is een verwijzing opgenomen van de in de begroting van Jeugd en Gezin opgenomen doelstellingen uit het Beleidsprogramma 2007–2011 van het kabinet: «Samen leven, samen werken».

Pijler 4: Sociale samenhangBeleidsartikel
Doelstelling 30: In 2011 worden jeugdigen en hun ouders snel en goed ondersteund.2
Doelstelling 31: De wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg blijven beperkt tot maximaal negen weken na indicatiestelling en kinderbeschermingsmaatregelen kunnen sneller worden ingezet.3
  
Doelstelling 32: Bestrijding kindermishandeling door versterking van preventie, signalering en ingrijpen.3
  
Pijler 5: Veiligheid, stabiliteit en respectBeleidsartikel
Doelstelling 50: Een reductie van de criminaliteit van 25% in 2010 ten opzichte van 2002.3

Budgettair totaalbeeld Jeugd en Gezin

Het kabinet heeft in deze kabinetsperiode extra middelen voor het Jeugd en Gezinbeleid uitgetrokken. Een deel van deze middelen is in de begroting 2008 voor Jeugd en Gezin aangewend. Daarnaast komt een deel van de gereserveerde middelen in de jaren 2009 en later beschikbaar. In de het verdiepingshoofdstuk is in de «Was-wordt»-tabel aangegeven welke programmabudgetten van de begrotingen van VWS, SZW, Justitie en OCW zijn overgeheveld naar de begroting van Jeugd en Gezin.

In onderstaande tabel is het totaalbeeld gepresenteerd van de in de begroting voor het jaar 2008 aangewende intensiveringen.

Intensiveringen Jeugd- en Gezinsbeleid (x € miljoen)
 20082009201020112012
Uitgavenenveloppe Jeugd en Gezin100200300400400
Aanwending Begroting 2008– 70– 95– 120– 145– 145
Gemeentefonds– 30– 60– 90– 120– 120
Intertemporele compensatie 402– 42 
Indicatief beschikbaar vanaf 2009 e.v. 0859293135
      
Veiligheidsenveloppe311202020
Aanwending Begroting 2008– 3– 3– 3– 3– 3
Indicatief beschikbaar vanaf 2009 e.v. 08171717
      
Lastenenveloppe Kinderen, jeugd en gezin061167416416
Aanwending Begroting 20080– 61– 167– 416– 416

Artikel 1 Gezin en inkomen

Algemene doelstelling

Gezinnen ontvangen een financiële tegemoetkoming in de kosten van het opvoeden en het onderhouden van kinderen.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

De financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen bestaat uit kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en een kindgebonden budget op grond van de Wet op het Kindgebonden budget.

De AKW voorziet in een inkomensonafhankelijke tegemoetkoming en de Wet op het Kindgebonden budget in een inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud van kinderen. De AKW en de Wet op het Kindgebonden Budget moeten in samenhang worden bezien, omdat zij gezamenlijk bijdragen tot een betere financiële uitgangspositie van gezinnen.

Verantwoordelijkheid

Het kabinet zet verschillende instrumenten in die invloed hebben op de inkomenspositie van gezinnen. Onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin valt het verstrekken van een financiële tegemoetkoming aan gezinnen voor de kosten van het opvoeden en onderhouden van kinderen. Hieronder vallen:

• de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving ten aanzien van de financiële tegemoetkomingen voor gezinnen;

• het vaststellen van het niveau van de inkomensonafhankelijke tegemoetkomingen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW);

• het vaststellen van het niveau van de inkomensafhankelijke tegemoetkomingen op grond van de Wet op het Kindgebonden budget.

Binnen het kabinet is de minister van SZW verantwoordelijk voor de sturing en het toezicht op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de Sociale Verzekeringsbank. De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de sturing en het toezicht op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Wet op het Kindgebonden budget en voor fiscale maatregelen die invloed kunnen hebben op het inkomen van gezinnen.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid (x € 1000)
 200720082009201020112012
Verplichtingen3 410 4064 114 1474 233 1734 244 5984 360 1454 330 526
Uitgaven      
Programma-uitgaven:3 410 4064 114 1474 233 1734 244 5984 360 1454 330 526
1. Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen3 410 4064 114 1474 233 1734 244 5984 360 1454 330 526
Wv. Algemene Kinderbijslagwet3 343 3293 366 0253 329 8543 052 0793 019 4372 989 626
Wv. Kindgebonden budget67 077748 122903 3191 192 5191 340 7081 340 900
Juridisch verplicht 4 114 1474 233 1734 244 5984 360 1454 330 526
Bestuurlijk gebonden 00000
Niet-juridisch verplicht of niet-bestuurlijk gebonden 00000
Ontvangsten272272272272272272

Instrumenten

• Het verstrekken van een inkomensonafhankelijke tegemoetkoming op grond van de AKW. De AKW voorziet in een tegemoetkoming die onafhankelijk is van het inkomen in een gezin. Hiermee wordt beoogd de inkomensverschillen tussen gezinnen met kinderen en gezinnen zonder kinderen te verkleinen. In de AKW wordt op geen enkele wijze een relatie gelegd met het inkomen van de ouders. Het biedt een tegemoetkoming in de kosten van het opvoeden en het onderhouden kinderen. Beoogd wordt de Tweede Kamer in 2008 een wetsvoorstel tot wijziging van de AKW te doen toekomen, waarin onder andere een aantal wijzigingen worden voorgesteld waarover tijdens een algemeen overleg d.d. 22 februari 2006 met de vaste commissie voor SZW van de Kamer is gesproken (Kamerstukken II, 2005/2006, 29 287, nr. 10). In het wetsvoorstel zal uit harmonisatieoogpunt onder andere worden voorgesteld om de huidige tijdbestedingsvoorwaarden die aan jongeren van 16 en 17 jaar worden gesteld, te vervangen door voorwaarden die nauw aansluiten bij de wijzigingen die onlangs in de Leerplichtwet zijn doorgevoerd.

• Het verstrekken van een inkomensafhankelijke tegemoetkoming op grond van de Wet op het Kindgebonden Budget. Er komt met ingang van 2008 een inkomensafhankelijk kindgebonden budget, waarin de huidige kinderkorting opgaat en waaraan per 1 januari 2009 gefaseerd additioneel budget wordt toegevoegd. In 2008 is dit een bedrag per huishouden, ongeacht het aantal kinderen in een huishouden. Vanaf 2009 komt er een tegemoetkoming per kind. Het kindgebonden budget biedt inkomensondersteuning specifiek gericht op huishoudens in de lagere inkomenssegmenten.

Het kabinet trekt in 2008 en de daaropvolgende jaren extra middelen uit voor het kindgebonden budget (onder andere € 416 miljoen uit de lastenenveloppe Kinderen, jeugd en gezin in 2011). Het budget zal groeien tot € 1,3 miljard in 2011. De introductie van het kindgebonden budget in 2008 betekent dat de zogenoemde «verzilveringsproblematiek» die was verbonden aan de fiscale kinderkorting, eindelijk wordt opgelost. Voor alleenstaande ouders op minimumloonniveau betekent dit een inkomensvoordeel van circa 5%. In verband met de koopkrachtpositie van huishoudens met kinderen in de laagste inkomenscategorieën wordt voorts vanaf 2008 een bedrag van € 41 miljoen aan het kindgebonden budget toegevoegd. In latere jaren vindt een verdere groei van het budget plaats. Een beperkte overheveling van een deel van de AKW-middelen naar het kindgebonden budget en de integratie van een deel van de WTOS met het kindgebonden budget dragen met ingang van 2010 bij aan de stroomlijning van de regelingen en de gerichte inzet van de beschikbare middelen naar draagkracht. Het kindgebonden budget vormt daarmee de komende jaren een belangrijke pijler van het beleid gericht op de financiële ondersteuning van gezinnen met kinderen, in het bijzonder de gezinnen met lagere en middeninkomens.

Overzicht begrotingsuitgaven (x € miljoen)
Instrument2008
AKW3 366
Kindgebonden budget748
Meetbare gegevens bij de instrumenten
Kengetallen Waarde 2006Waarde 2007Waarde 2008Waarde 2011
AKW    
Aantal telkinderen (x 1000)3 5193 4983 4993 433
Aantal gezinnen (x 1000)1 9301 9251 9341 925
Bron: SVB    
     
Kindgebonden budget    
Aantal huishoudens1 022i.o.
Bron: CPB    

Het verschil tussen het begrip telkinderen en het begrip werkelijke kinderen wordt veroorzaakt doordat voor een (uitwonend) kind tweevoudige kinderbijslag kan worden verstrekt.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoeksonderwerpADA. StartB. AfgerondVindplaats
Overig evaluatieonderzoekEffect invoering fictieve onderhouds-bijdrage in de AKW1A: 1 januari 2007. B: 1 januari 2009.Besluit 1 december 2006 Stb. 649.

Artikel 2 Gezond opgroeien

Algemene doelstelling

Kinderen groeien lichamelijk en geestelijk gezond op.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Kinderen moeten gezond kunnen opgroeien in een veilige en kindvriendelijke omgeving.

Het Coalitieakkoord geeft daarom onder meer aan dat laagdrempelige opgroei- en opvoedondersteuning in de buurt beschikbaar komt in de vorm van Centra voor Jeugd en Gezin (CJG). Deze centra zijn verder uitgewerkt in het beleidsprogramma «Alle kansen voor alle kinderen». CJG’s zijn bestemd voor ouders, kinderen én jongeren als laagdrempelig centraal punt voor opgroei- en opvoedvragen, adequate en passende hulp en voor de coördinatie van hulp. De centra zijn nadrukkelijk niet alleen bestemd voor probleemgezinnen. Zij vormen voor professionals ook een centraal punt om vroegtijdig te kunnen signaleren. Daarbij is een onderdeel van het basismodel voor CJG’s dat elk centrum een schakel maakt met de reeds bestaande Zorg- en Adviesteams bij scholen en de Bureaus Jeugdzorg.

Door de introductie van het Elektronisch Kinddossier jeugdgezondheidszorg (EKD JGZ) krijgen zorgverleners een beter inzicht in de lichamelijke en psychosociale ontwikkeling van kinderen en jongeren. Hierdoor kunnen hulpverleners in de jeugdgezondheidszorg gemakkelijker kinderen met problemen opsporen en volgen. Verder kunnen JGZ-hulpverleners met het integrale EKD in de nabije toekomst snel, effectief en betrouwbaar gegevens aan elkaar overdragen en uitwisselen met andere medische hulpverleners. Vanuit het Elektronisch Kinddossier worden op termijn signalen over (risico)jongeren aan de Verwijsindex afgegeven.

Gezond eten, niet roken, geen drugs gebruiken en geen alcohol drinken zijn belangrijk voor de gezondheid van kinderen. Gezond opgroeien is ook van belang om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving. Via preventieprogramma’s worden kinderen, jongeren en hun ouders geïnformeerd over de risico’s van genotmiddelengebruik. Verder zal in 2008 aan de Kamer een nota over jeugd en preventie worden toegezonden.

Verantwoordelijkheid

Onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin valt het zorg dragen voor een kader waarbinnen kinderen in Nederland gezond kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige en maatschappelijk betrokken burgers. Onder deze verantwoordelijkheid vallen:

• het faciliteren van gemeenten, zodat zij de komende jaren laagdrempelige voorzieningen voor ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen van alle kinderen en jongeren (de Centra voor Jeugd en Gezin) kunnen realiseren. Hiermee worden de gemeenten ook gefaciliteerd in hun verantwoordelijkheden op het gebied van de jeugdgezondheidszorg in het kader van de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) en het aandeel van het jeugdbeleid in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo);

• het bevorderen van een gezonde leefstijl van kinderen en jongeren;

• het bevorderen van de participatie van jongeren aan de maatschappij.

Als coördinerend bewindspersoon heb ik een bijzondere betrokkenheid bij maatschappelijke stages, die onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris voor Voortgezet en Beroepsonderwijs (OCW) vallen. Deze betrokkenheid krijgt onder andere vorm via de relatie tussen de Tijdelijke subsidieregeling Vrijwilligerswerk voor en door jeugd en het plan van aanpak Maatschappelijke stages. Het voorzien in stageplekken en begeleiding vormt daarbij een speciaal aandachtspunt.

Externe factoren

Het uitvoeren van bovengenoemde punten is in belangrijke mate een verantwoordelijkheid van gemeenten, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv). Zij ontvangen extra middelen en dragen ook zelf bij aan de doelstellingen via onder andere het accres van het Gemeentefonds. De rol van de gemeenten wordt in de komende jaren versterkt en vergroot. Het kabinet en de gemeenten hebben met het oog op de rol van de gemeenten een bestuursakkoord gesloten waarin onder andere is vastgelegd dat de vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeenten valt.

Jongeren hebben zelf een verantwoordelijkheid om een actieve maatschappelijke rol te pakken. Het bewerkstelligen van jongerenparticipatie is een verantwoordelijkheid van provincies en gemeenten. Jongeren moeten gemeenten weten te vinden maar andersom geldt hetzelfde: gemeenten moeten lokale jongeren(organisaties) weten te vinden en hen ook daadwerkelijk aanspreken en bij beleidsvorming en -voorbereiding betrekken.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling
Indicatoren Waarde 2006Basiswaarde 2007Streefwaarde 2008Streefwaarde 2011
% Jongeren met een gezonde leefstijli.o.i.o.i.o.

Bron: Jeugdmonitor

Tabel budgettaire gevolgen van beleid
2006200720082009201020112012
Verplichtingen 70 019278 811314 728336 510359 611359 611
Uitgaven       
Programma-uitgaven: 271 492279 422315 083336 880359 611359 611
1. Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen. 262 168269 154307 122329 467354 467354 467
Juridisch verplicht  28 92321 44521 44521 44521 445
Bestuurlijk gebonden  238 731284 177307 522332 522332 522
Niet-juridisch verplicht of niet-bestuurlijk gebonden  1 5001 500500500500
2. Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving. 9 32410 2687 9617 4135 1445 144
Juridisch verplicht  3 6481 286738369369
Bestuurlijk gebonden  6 6206 6756 6754 7754 775
Niet-juridisch verplicht of niet-bestuurlijk gebonden  00000
Ontvangsten 1 5451 5451 5451 5451 5451 545

Het bedrag van € 1,5 miljoen in 2008 bij operationele doelstelling 2.1 dat «niet-juridisch verplicht of niet-bestuurlijk gebonden» is, betreft implementatiekosten van het beleidsprogramma «Alle kansen voor alle kinderen».

Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 2.1

Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen.

Motivering

Ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Als een gezin ondersteuning nodig heeft bij de opvoeding, kunnen ouders in eerste instantie een beroep doen op de sociale omgeving. De overheid komt in beeld op het moment dat een gezin en de sociale omgeving onvoldoende in staat blijken de opvoedingsvragen te kunnen beantwoorden, de problemen het hoofd te bieden en/of wanneer de gezondheid of veiligheid van het kind in het geding is.

Instrumenten

Het wettelijke kader voor het jeugd- en gezinsbeleid in dit beleidsartikel wordt gevormd door de Wet op de maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv). De gemeenten hebben op grond van deze wetten al de verantwoordelijkheid voor het preventief jeugdbeleid (Wmo) en het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg (Wcpv). Het kabinet zet onder andere, ter specifieke invulling van dit kader, de onderstaande instrumenten in:

• Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) zijn laagdrempelige en herkenbare centra waar ouders, kinderen en jongeren terecht kunnen met vragen over gezondheid, opgroeien en opvoeden. De CJG’s bieden, na signalering van (zwaardere) problematiek, tevens eerste lichte hulp en krijgen de coördinatie om te komen tot een integraal plan van aanpak («Eén gezin, één plan»). Diverse instanties worden daarvoor in het CJG samengebracht. De jeugdzorg vormt de kern van de CJG’s. In 2008 is voor de CJG’s € 25 miljoen extra beschikbaar, waarvan € 4 miljoen invoeringskosten. In het kader van het oprichten van de CJG’s ontvangen de gemeenten € 200 miljoen in 2008 (de TRSU jeugdgezondheidszorg, de uitkering preventief jeugdbeleid/motie Verhagen). Daarnaast ontvangen de gemeenten € 15 miljoen voor de Impuls Opvoedondersteuning en vanaf 2009 voor Opvoeden in de buurt. Met de gemeenten is afgesproken dat zij naast deze middelen in 2008 zelf € 25 miljoen bijdragen aan het realiseren van de CJG’s;

• een landelijk systeem voor de digitalisering van de huidige papieren dossiers in de jeugdgezondheidszorg (het Elektronisch Kinddossier Jeugdgezondheidszorg). Voor invoering van het EKD en de Verwijsindex is, via het Gemeentefonds, een bedrag gereserveerd van € 5 miljoen in 2008, oplopend tot € 20 miljoen in 2011 en later;

• binnen de jeugdgezondheidszorg en de Centra voor Jeugd en Gezin moet zoveel mogelijk uniform en op basis van bewezen effectieve interventies worden gewerkt. Het programma «Jeugd» en het programma «Standaard Jeugdgezondheidszorg» die via ZonMw plaatsvinden, dragen ertoe bij dat richtlijnen, instrumenten en interventies ontwikkeld worden voor gebruik binnen de JGZ en CJG’s. Hiervoor is in 2008 € 1 miljoen en vanaf 2009 € 2 miljoen beschikbaar;

• de Zorg- en Adviesteams (ZAT’s) zijn multidisciplinaire netwerken die bijdragen aan tijdige signalering, een goede informatie-uitwisseling tussen voorzieningen waarborgen en bewerkstelligen dat geen vrijblijvende afspraken worden gemaakt over de juiste zorg voor een kind;

• de Helpdesk Privacy Jeugd en Gezin ondersteunt in 2008 uitvoeringsinstanties bij de beantwoording van privacyvragen die zich voordoen in het kader van gegevensuitwisseling.

Naast bovenstaande instrumenten is vermelding van de subsidie aan Censis (Centrale Stichting van Internaten voor Schippers- en Kermisjeugd) van belang voor de opvang en verzorging voor minderjarige kinderen van binnenschippers en kermisexploitanten voor zover deze vorm van opvang in verband met de aard van het beroep van de ouders nodig is. Per feitelijk geplaatst kind wordt per peildatum een normbedrag verstrekt. Hiervoor is in 2008 € 22 miljoen beschikbaar.

Overzicht begrotingsuitgaven (x miljoen)
Instrument2008
Centra voor Jeugd en Gezin: 
Wv. TRSU Jeugdgezondheidszorg190
Wv. Brede Doeluitkering21
Wv. Invoering4
Wv. Opvoedimpuls15
Wv. Preventief Jeugdbeleid/Motie Verhagen10
Schippersinternaten22
Diversen7

Meetbare gegevens

Indicatoren  Waarde 2007 BasiswaardeStreefwaarde 2008Streefwaarde 2011
% gemeenten dat bereikt wordt met een CJG5%10%100%
% gemeenten dat gebruik maakt van het landelijk EKD100%100%
% Zorg- en Adviesteams voor alle schoolgaande leeftijdsgroepeni.o.i.o.100%

Bij de invoering van het EKD is uitgegaan van het implementatietraject zoals dat ten grondslag ligt aan het beleidsprogramma «Alle kansen voor alle kinderen». Eventuele aanpassingen van het daarin beoogde implementatietraject leiden tot aanpassing van de streefwaarden.

Operationele doelstelling 2.2

Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving.

Motivering

De Nederlandse jeugd drinkt te veel en op te jonge leeftijd. Het aantal alcoholvergiftigingen onder kinderen neemt verontrustend toe. Jongeren eten te veel en ongezond. Ook het drugsgebruik onder jongeren brengt grote risico’s met zich mee. In het Coalitieakkoord staat dat er een krachtig preventiebeleid zal worden gevoerd. De basis voor het voeren van een krachtig ontmoedigingsbeleid ligt in het informeren van jongeren en hun ouders over de risico’s van genotmiddelen onder meer door middel van specifiek op jongeren gerichte campagnes. De bestaande preventie moet worden vernieuwd. Daarbij worden de onderwerpen alcohol, drugs (en tabak), goede voeding en overgewicht beter in samenhang behandeld.

Er komen pilotprojecten met intensieve controle van leeftijdsgrenzen door gemeenten en politie. Gemeenten worden daarbij in staat gesteld op basis van eigen afwegingen de leeftijdsgrens rond de verkoop van alcohol te verhogen van 16 naar 18 jaar.

Jongeren in Nederland moeten in staat zijn om mee te denken, mee te beslissen en vooral mee te doen. Volwassenen kunnen zich niet altijd in de leefwereld van jongeren verplaatsen. Daarom dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van de kracht van jongeren om andere jongeren te stimuleren en te motiveren dat een gezonde levensstijl en, waar nodig, hen aan te spreken.

Instrumenten

Het kabinet zet voor de bevordering van de gezonde leefstijl en de participatie van jongeren onder andere de onderstaande instrumenten in:

• Voor de campagne Alcohol en Opvoeding is € 1,5 miljoen beschikbaar. Deze campagne richt zich op de ouders en opvoeders van jongeren. Belangrijke factoren in de alcoholconsumptie onder jongeren blijken namelijk de ouders en hun houding en gedrag ten opzichte van alcohol te zijn. De campagne heeft als doel dat ouders en opvoeders het alcoholgebruik van hun kinderen in ieder geval tot hun zestiende jaar uitstellen. De opvoedondersteuning die wordt aangeboden zal ook via de Centra voor Jeugd en Gezin worden verstrekt.

• De interventiewww.hallowereld.nlis het eerste grote landelijke publiek-private preventieproject dat via het internet jonge gezinnen ondersteunt bij de opvoeding van hun kind(eren) gericht op een gezonde leefstijl. Het gaat hier om een samenwerking tussen VWS, de stichting Hallo Wereld en zes gezondheidsbevorderende instellingen. In 2006 heeft de minister van VWS het startschot gegeven voor de landelijke introductie van Hallo Wereld. Het betrof hier de eerste fase: de periode tot en met de bevalling. Vanaf 1 september 2007 begint een volgende fase. Deelnemers ontvangen informatie afgestemd op het eerste en tweede levensjaar van het kind. Voor 2008 is de bijdrage aan deze interventie € 0,4 miljoen.

• In 2008 wordt een nota over jeugd en preventie aan de Kamer aangeboden waarin vanuit een samenhangende visie maatregelen, gericht op bevordering van een gezonde leefstijl bij kinderen en jongeren, worden beschreven.

• Het stimuleren van jongeren tot vrijwilligerswerk, door de Tijdelijke subsidieregeling Vrijwilligerswerk voor en door jeugd. Hiervoor is in 2008 € 2,4 miljoen beschikbaar. Hierbij wordt een relatie gelegd met de uitvoering van het plan van aanpak Maatschappelijke stages.

• Het stimuleren dat jongeren politiek en maatschappelijk meer gaan participeren. De minister voor Jeugd en Gezin zal jaarlijks een prijs uitreiken aan de gemeente die het beste initiatief heeft om jeugdparticipatie te bevorderen.

Overzicht begrotingsuitgaven (x € miljoen)
Instrument2008
Gezonde leefstijl8
Vrijwilligersregeling voor en door jeugd2

Meetbare gegevens

Indicatoren Waarde 2007 BasiswaardeStreefwaarde 2008Streefwaarde 2011
% gemeenten met een vorm van jongereninspraaki.o.i.o.100%
Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoeksonderwerpAD of ODA. Start B. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingEvaluatie JGZ 20062.1A: mei 2006B: november 2006 
Effectenonderzoek ex postUitvoering van motie Soutendijk2.1A: oktober 2005B: november 2006http://www.minvws.nl/ kamerstukken/djb/2006/evaluatie-wet- op-de-jeugdzorg-en-ibo-jeugdbeleid.asp
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie pilot Zorg- en Adviesteams2.1A: medio 2008.B: eind 2008. 

Artikel 3 Zorg en bescherming

Algemene doelstelling

Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en worden, indien nodig, in bescherming genomen, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Wanneer ondanks de preventieve jeugdzorg en de jeugdgezondheidszorg ernstige opgroei- en opvoedproblemen bij jeugdigen optreden, is jeugdzorg aan de orde. De jeugdzorg omvat provinciaal gefinancierde zorg, de jeugdgerelateerde geestelijke gezondheidszorg, zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen en, tot het moment van het volledig realiseren van de capaciteit voor de gesloten jeugdzorg, civiele plaatsingen in justitiële jeugdinrichtingen.

Het Bureau Jeugdzorg is er zowel voor ouders en jeugdigen die zelf om hulp vragen, als voor de bescherming van jeugdigen die niet om hulp (kunnen) vragen. Dergelijke maatregelen van jeugdbescherming, te weten voogdij en gezinsvoogdij, zijn niet vrijblijvend maar beperken het gezag van de ouders op grond van een rechterlijke uitspraak. De Raad voor de Kinderbescherming geeft advies aan de kinderrechter over een te nemen kinderbeschermingsmaatregel. Het Bureau Jeugdzorg voert de maatregel uit. Hierbij is Nidos aangewezen als voogdij-instelling voor de alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

In dit spectrum past ook de aanpak van jongeren zonder zicht op opleiding of baan die met de gebruikelijke instrumenten niet worden bereikt. Het kabinet wil voor deze groep jongeren perspectief bieden door de landelijke invoering van campussen die gericht zijn op scholing en/of arbeidstoeleiding.

Het Rijk is verantwoordelijk voor het toezicht, dat wordt uitgevoerd door de Inspectie Jeugdzorg (IJZ). De IJZ is verantwoordelijk voor het uitvoeren van het onafhankelijk toezicht op de jeugdzorg.

Ongeveer twee procent van de kinderen in Nederland maakt gebruik van de geestelijke gezondheidszorg. Het geld dat hiermee gemoeid is, valt onder de premie-uitgaven voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, die worden geraamd en verantwoord op de VWS-begroting 2008. Van de totale premie-uitgaven voor geestelijke gezondheidszorg is circa 10 procent toewijsbaar aan de zorg voor kinderen en jeugdigen wat neerkomt op ca. € 0,4 miljard waarin de kosten voor onder andere kapitaallasten en uitgaven aan zorg door vrijgevestigde ggz-aanbieders niet zijn meegenomen. Met ingang van 2008 valt de kortdurende jeugd-ggz onder de Zorgverzekeringswet.

De middelen voor zorg aan licht verstandelijk gehandicapten jeugdigen (jeugd-lvg) behoren tot de premie-uitgaven voor gehandicaptenzorg die worden verantwoord op de begroting van VWS. Circa 5 procent van de uitgaven voor de gehandicaptenzorg is toewijsbaar aan de zorg voor jeugdige licht verstandelijk gehandicapten wat neerkomt op ca. € 0,2 miljard.

Verantwoordelijkheid

Onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin valt het zorg dragen voor een stelsel dat ertoe bijdraagt dat kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, zorg krijgen en indien nodig in bescherming worden genomen. Dit moet ertoe leiden dat deze kinderen veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers. Onder deze verantwoordelijkheid vallen:

• het stimuleren van een integrale jeugd- en gezinsketen mét adequate doorzettingsmacht en zónder vrijblijvendheid. Hierdoor zijn provincies, lokale en landelijke organisaties, Bureau Jeugdzorg, zorgverzekeraars en zorgaanbieders in staat hun verantwoordelijkheden waar te kunnen maken;

• perspectief bieden aan jongeren zonder zicht op opleiding of baan, die met de gebruikelijke instrumenten niet bereikt worden. Hiertoe worden campussen ingevoerd, die gericht zijn op scholing en/of arbeidstoeleiding;

• het zorg dragen voor een toegankelijk, passend en samenhangend zorgaanbod voor kinderen met ernstige opgroei- en opvoedproblemen, met psychiatrische problemen en lichtverstandelijk gehandicapte kinderen en hun ouders of verzorgers;

• het voorzien in een effectieve aanpak van kindermishandeling en een systeem van jeugdbeschermingsmaatregelen;

• het mogelijk maken van de voogdij van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s);

• het toezicht houden op de kwaliteit van de jeugdzorg (door de Inspectie Jeugdzorg).

Binnen het kabinet is de minister van Justitie primair verantwoordelijk voor het beleid inzake de aanpak van jeugdcriminaliteit, de interlandelijke adoptie, internationale kinderontvoering en huiselijk geweld.

Externe factoren

Het uitvoeren van bovengenoemde punten is in belangrijke mate een verantwoordelijkheid van provincies. Zij zijn op grond van de Wet op de jeugdgzorg verantwoordelijk voor de kwaliteit, de planning en financiering van de jeugdzorg in hun regio. Zij moeten zorgen voor voldoende zorgaanbod om invulling te geven aan het recht op jeugdzorg en zorgen voor een goed functionerend Bureau Jeugdzorg.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling
IndicatorenWaarde 2006Basiswaarde 2007Streefwaarde 2008Streefwaarde 2011
% jongeren in een risicogroepi.o.i.o.i.o.
Bron: Jeugdmonitor    
Tabel budgettaire gevolgen van beleid in € 1000
2006200720082009201020112012
Verplichtingen 1 432 5901 429 1251 368 1431 362 8641 363 0171 362 758
Uitgaven       
Programma-uitgaven: 1 390 0811 443 2781 368 1431 362 8641 363 0171 362 758
1. Tijdig effectieve hulp bij een zorgaanbieder 1 095 0141 134 5181 089 1131 090 1261 089 0781 088 913
Juridisch verplicht  967 547943 763943 763943 763943 763
Bestuurlijk gebonden  163 971142 350143 363142 315142 150
Niet-juridisch verplicht of niet-bestuurlijk gebonden  3 0003 0003 0003 0003 000
2. Snelle inzet van de meest adequate dwangmiddelen 295 067304 410275 280269 438270 939270 845
Juridisch verplicht  272 154260 207253 322253 302253 302
Bestuurlijk gebonden  32 25615 07316 11617 63717 543
Niet-juridisch verplicht of niet-bestuurlijk gebonden  00000
3. Campussen 04 3503 7503 3003 0003 000
Juridisch verplicht  1 35075030000
Bestuurlijk gebonden  00000
Niet-juridisch verplicht of niet-bestuurlijk gebonden  3 0003 0003 0003 0003 000
Ontvangsten 14 84019 69819 69819 69819 69819 698

De bedragen onder «niet-juridisch verplicht of niet-bestuurlijk gebonden» zijn bij operationele doelstelling 3.1: «Tijdig effectieve hulp bij een zorgaanbieder» bestemd voor voortzetting van het Integraal Toezicht Jeugdzorg (waarin 5 inspecties op lokaal niveau de ketensamenwerking onderzoeken van instanties die zich met jeugd bezighouden) en om het hoofd te bieden aan extra werk bij de Inspectie Jeugdzorg als gevolg van de meldingsplicht op grond van de Wet op de jeugdzorg, de capaciteitsuitbreiding van civielrechtelijke plaatsingen e.d. en voor de problematiek van ongewenst zwangere tieners.

De bedragen onder «niet-juridisch verplicht of niet-bestuurlijk gebonden» zijn bij operationele doelstelling 3.3: «Campussen» bestemd voor de invoering van campussen met het oog op jongeren die aan de kant staan door gebrek aan opleiding en werkervaring.

Naast de in deze begroting gepresenteerde intensiveringen, heeft het kabinet voor de jaren 2009 en verder een bedrag gereserveerd van € 93 miljoen in 2009, oplopend tot € 110 miljoen in 2011. Met deze indicatief gereserveerde middelen wordt beoogd dat de beleidsintensiveringen op het terrein van zorg en bescherming na 2008 (waaronder de wachtlijstproblematiek in de jeugdzorg, verlenging en verruiming van de ondertoezichtstelling, de Deltaplanmethode en de campussen) structureel beschikbaar blijven. De in de tabel «Meetbare gegevens» opgenomen streefwaarden geven de ambitie van het kabinet weer met inbegrip van de indicatief gereserveerde middelen.

Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 3.1

Kinderen met ernstige opgroei- en opvoedproblemen en hun ouders/verzorgers krijgen op tijd effectieve hulp bij een zorgaanbieder.

Motivering

Soms zijn de problemen bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen zo ernstig dat de sociale netwerken of de lokale voorzieningen geen toereikende zorg kunnen bieden. Dan kunnen kinderen en jongeren die ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling en hun ouders/verzorgers een beroep doen op de jeugdzorg. Zij moeten hierbij een goede toegang hebben tot de aangewezen zorgvoorzieningen en zij moeten kunnen rekenen op zorg die is toegesneden op de specifieke hulpvraag en die tijdig, professioneel en adequaat wordt geleverd.

Instrumenten

Het wettelijke kader voor het jeugd- en gezinsbeleid in dit beleidsartikel wordt gevormd door de Wet op de jeugdzorg en de, thans in de Eerste Kamer voorliggende, Wet gesloten jeugdzorg. Het kabinet zet hiertoe onder andere, ter specifieke invulling van dit kader, de onderstaande instrumenten in:

Snelle en effectieve hulp voor jeugd en gezin

• Aanpakken van wacht- en doorlooptijden. De provincies en grootstedelijke regio’s ontvangen hiertoe een doeluitkering voor de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg. Hiermee zijn zij in staat het Bureau Jeugdzorg in stand te houden en zorgaanbod in te kopen voor kinderen met een jeugdzorgindicatie. Het kabinet heeft de sector gevraagd de maximale wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg, die nu maximaal negen weken is, tegen het licht te houden en nieuwe normen te stellen. De totale doeluitkering in 2008 bedraagt ca. € 1,25 miljard (inclusief de uitvoering van de gezinsvoogdij);

• Onderzoeken of uitbreiding van het harmoniseren van de indicatiestellingen mogelijk en wettelijke waarborging noodzakelijk is. Hierbij wordt gedacht aan de afspraken die indicatieorganen maken over signalering van gecombineerde zorgvragen, trajectbegeleiding, informatie-uitwisseling, consultatie, kennismanagement en kwaliteitsborging;

• Het terugdringen van de netto-uitvraag van verantwoordingsinformatie door het Rijk aan gemeenten en provincies heeft tot doel dat er in 2011 25 procent minder netto-uitvraag is.

• Vóór de begrotingsbehandeling van Jeugd en Gezin ontvangt de Kamer een plan van aanpak inzake het terugdringen van de bureaucratie in de Jeugdzorg.

Kindermishandeling aanpakken

• Kindermishandeling voorkomen, signaleren, stoppen en de schade voor het mishandelde kind beperken. Hiervoor wordt onder andere een nieuwe manier van werken ingevoerd (de RAAK-aanpak), die in 2011 volledig geïmplementeerd zal zijn. Het is een regionale aanpak, waarbij (gezamenlijke) training en scholing, gekoppeld aan de implementatie van één meldcode kindermishandeling met training en scholing in de toepassing van deze meldcode voor beroepskrachten die met kinderen werken. Er wordt een landelijke structuur opgezet om te voorzien in de ondersteuning van de regio’s bij het invoeren van de RAAK-aanpak. Er wordt aansluiting gezocht bij de ontwikkeling van de Centra voor Jeugd en Gezin. Bij de ontwikkeling van de CJG’s wordt de opvoedondersteuning ter hand genomen.

• Het starten in 2008 van een periodieke publiekscampagne. Ook worden alle beroepskrachten die met kinderen werken voorgelicht over de handreiking voor de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld en de uitwisseling van informatie. Om ervoor te zorgen dat gesignaleerde en gemelde (vermoedens van) kindermishandeling snel worden opgepakt worden de doorlooptijden van de onderzoeken bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK) verder teruggebracht en is er aandacht voor de samenwerking tussen de AMK’s en de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van het programma Beter Beschermd.

Kwaliteitsverbetering en innovatie in de jeugdzorg

• Mogelijk maken dat zorgwekkende signalen over risicojongeren door middel van de Verwijsindex Risicojongeren (VIR) bij elkaar gebracht worden. Met ingang van 2009 brengt de VIR instellingen uit de sectoren (jeugd)zorg, jeugdgezondheidszorg, onderwijs, werk en inkomen en justitie, die risico’s bij een jeugdige signaleren bij elkaar. De VIR bevat geen inhoudelijke informatie, maar geeft een tweede melder de contactgegevens van de vorige melder, waarna contact tussen beiden behoort plaats te vinden. Hierdoor kunnen de verschillende melders met elkaar in contact treden. De VIR sluit aan bij de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het preventief jeugdbeleid in het kader van de Wmo en wordt in 2008 voorbereid en in 2009 ingevoerd. Met invoering van de VIR en het EKD is een bedrag gemoeid van € 5 miljoen in 2008, oplopend tot € 20 miljoen in 2011 en later;

• Realiseren van nieuw (intersectoraal) zorgaanbod op grond van de Wet gesloten jeugdzorg. Dit zorgaanbod is bedoeld voor jongeren met ernstige gedragsproblemen die voorheen op civielrechtelijke titel in een justitiële jeugdinrichting werden geplaatst. Het komt op twee manieren tot stand, te weten: door de ontwikkeling van nieuw zorgaanbod en door de overheveling van (delen van) vijf justitiële jeugdinrichtingen van het ministerie van Justitie naar Jeugd en Gezin. In totaal is hiermee ca. € 85 miljoen gemoeid;

• Ondersteunen van de beroepsverenigingen (NIP, NVO, NVMW, Phorza), de MOgroep, de HBO-raad en het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg bij het uitvoeren van het gezamenlijk actieplan «Professionalisering». Het actieplan kent vier pijlers: verhelderen beroepenstructuur, verbeteren opleidingen, versterken beroepsverenigingen en tuchtrecht. In de periode 2007–2010 wordt dit ondersteund met € 1 miljoen;

• Ondersteunen door Nederlands Jeugdinstituut (NJI) van professionals die zorg bieden aan kinderen en gezinnen met kennis over de effectiviteit van instrumenten en interventies. Het NJI heeft tot doel de kennis rond jeugd- en opvoedingsvraagstukken te verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden. Hiervoor is in 2008 € 4 miljoen beschikbaar.

• Integraal toezicht Jeugdzaken (ITJ) is een van de Operatie Jong-projecten en is gericht op het toezicht op de keten van voorzieningen voor jeugdigen van 0 tot 23 jaar. ITJ is een belangrijk instrument voor de minister voor Jeugd en Gezin om toezicht te houden op de uitvoering van het beleidsprogramma «Alle kansen voor alle kinderen» (o.a. het in de praktijk brengen van «één gezin, één plan»). ITJ is een samenwerkingsverband van de inspectie jeugdzorg, onderwijs, gezondheidszorg, openbare orde en veiligheid en werk en inkomen.

Overzicht begrotingsuitgaven (x € miljoen)
Instrument2008
Doeluitkering jeugdzorgaanbod865
Doeluitkering bureaus jeugdzorg168
Realisering gesloten zorgaanbod85
Aanpak kindermishandeling5
Nationaal Jeugdinstituut (NJI)4
Actieplan «Professionalisering»1
Diversen7

Meetbare gegevens

Indicatoren Waarde 2007BasiswaardeStreefwaarde 2008Streefwaarde 2011
% vermindering netto-uitvraag verantwoordingsinformatie0%5%25%
Invoering Verwijsindex0%0%100%
Aantal regio’s (combinatie van gemeenten) dat met de RAAK-aanpak werkt44i.o.
Doorlooptijd AMK-onderzoek (weken)< 13< 13i.o.
Wachttijd geïndiceerde Jeugdzorg (weken)9< 9< 9

T.a.v. de doorlooptijd van een AMK-onderzoek: de tweede helft van 2007 wordt benut om tot nieuwe afspraken te komen over de wettelijke norm voor de doorlooptijd van een AMK-onderzoek. Vervolgens wordt het uitvoeringsbesluit gewijzigd. De huidige norm is gebaseerd op artikel 54 lid 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

Operationele doelstelling 3.2

Snelle inzet van de meest adequate dwangmiddelen om hulp op gang te brengen indien dit niet op vrijwillige basis kan en kinderen in hun opvoeding en ontwikkeling ernstig worden bedreigd.

Motivering

Ouders en jongeren die hulp nodig hebben, kunnen daar zelf om vragen bij de instanties voor vrijwillige hulpverlening. Niet alle kinderen en ouders zijn echter in staat of bereid om vrijwillig hulp te zoeken of te accepteren. Als de situatie waarin kinderen zich bevinden bedreigend is (of kan worden) voor de opvoeding en ontwikkeling, moet de overheid overwegen of de noodzakelijke hulp met inzet van een dwangmiddel, in het belang van het kind, alsnog op gang moet worden gebracht. Dwangmiddelen bieden die mogelijkheid. Vanzelfsprekend moet het meest geëigende dwangmiddel in iedere situatie worden gebruikt: een ondertoezichtstelling (al dan niet met een uithuisplaatsing) of een ontneming van het gezag (gevolgd door voogdij). Om ervoor te zorgen dat, in het belang van de jongere, de juiste maatregel zo snel mogelijk beschikbaar is en vervolgens adequaat wordt uitgevoerd, worden diverse acties in gang gezet.

Instrumenten

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de jeugdzorg vormen het wettelijke kader voor het jeugdbeschermingsbeleid. Het kabinet zet hiertoe onder andere, ter specifieke invulling van dit kader, onderstaande instrumenten in:

• in 2008 starten van onderzoek van de wenselijkheid en mogelijkheden voor hulpaanbod in het gedwongen kader voor jongeren van 18 jaar en ouder, omdat het vaak omwenselijk wordt gevonden dat als gevolg van de meerderjarigheidsgrens de gedwongen hulpverlening thans met 18 jaar moet worden gestopt;

• het starten van de landelijke invoering van een nieuwe werkwijze voor het afhandelen van potentieel beschermwaardige zaken. De doorlooptijden voor besluitvorming over inzet van jeugdbescherming bedraagt thans gemiddeld 320 dagen (BJZ/AMK, Raad voor de Kinderbescherming en kinderrechter) en wordt teruggebracht tot een nader te bepalen normtijd die voortvloeit uit proefprojecten;

• ter ondersteuning van de samenwerking in de jeugdbeschermingsketen is in 2007 een plan ontwikkeld om de informatie-uitwisseling tussen de partners te vergemakkelijken dat per eind 2009 is uitgevoerd;

• het verbeteren van de kwaliteit van de uitvoering van de gezinsvoogdij door middel van de Deltaplanmethode en een lagere case load per gezinsvoogdijwerker. Eind 2008 werkt iedere gezinsvoogdijwerker volgens deze nieuwe werkwijze en met een lagere case load;

• ontwikkelen en uitproberen van een nieuwe methode ter verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van de voogdij voor respectievelijk de Bureaus Jeugdzorg en Nidos;

• indienen van een wetsvoorstel voor wijziging van de kinderbeschermingswetgeving (boek 1 Burgerlijk Wetboek) bij de Tweede Kamer. Met het voorstel stelt het kabinet het belang van het kind centraal en beoogt het meer maatwerk voor de praktijksituaties waarin een kinderbeschermingsmaatregel aangewezen is.

Overzicht begrotingsuitgaven (x € miljoen)
Instrument2008
Doeluitkering Bureaus Jeugdzorg211
Voogdij AMV7
Opvang AMV11
LBIO4
Raad voor de Kinderbescherming69
Diversen2

Meetbare gegevens

Indicatoren Realisatie 2006BasiswaardeStreefwaarde 2008Streefwaarde 2011
Case load per FTE gezinsvoogd17,51515
Percentage maatregelen met een doorlooptijd vanaf de uitspraak van de rechter tot de mededeling aan de jeugdige binnen de norm (5 werkdagen)87%100%100%
Percentage maatregelen met een doorlooptijd vanaf het moment dat de gezinsvoogdijwerker aan het gezin is toegevoegd totdat het plan van aanpak is opgesteld binnen de norm (30 werkdagen)33%70%95%
Doorlooptijd besluitvorming jeugdbeschermingsmaatregeli.o.i.o.i.o.

De case load per FTE gezinsvoogd betreft een gemiddelde waarde zoals gemeten ultimo van een kalenderjaar (conform het Convenant Verlaging case load gezinsvoogdij).

T.a.v. de doorlooptijd besluitvorming jeugdbeschermingsmaatregel: eind 2007 of begin 2008 wordt de nieuwe werkwijze voor het afhandelen van beschermwaardige zaken (bestuurlijk) vastgesteld. Onderdeel van deze vaststelling is (a) de bepaling van normtijden en (b) het regelen van de registratie van de normtijden. Deze indicator wordt in de begroting 2009 operationeel.

Kengetallen Waarde 2005Waarde 2006Waarde 2007Waarde 2008
Aantal instroom voogdij828935920750
Aantal instroom voorlopige voogdij607377350350
Aantal instroom ondertoezichtstelling7 5128 3038 9008 100

De geraamde daling van de instroom OTS berust op de verwachting dat na een jarenlange stijging van het aantal zaken het niveau geleidelijk weer zal dalen tot het niveau van 2005. De verwachting is mede gebaseerd op de inzet van het kabinet om problematische situaties in een zo vroeg mogelijk stadium aan te pakken.

Operationele doelstelling 3.3

Jongeren die (om andere redenen dan ziekte of verzorging) niet naar school gaan, geen baan hebben en ook niet op zoek zijn naar werk of scholing, krijgen een intensief scholingstraject, dat hen weer terug kan leiden naar werk of opleiding.

Motivering

Er zijn teveel jongeren die aan de kant staan. Het gaat dan vooral om jongeren die niet in een leertraject zitten, niet werken en dreigen af te glijden. Het is van belang maatregelen te treffen om te voorkomen dat deze jongeren hun toekomst vergooien door gebrek aan diploma‘s of werkervaring. De afstand tot de arbeidsmarkt mag niet te groot worden.

Het primaire doel is dat elke jongere die kan leren of werken (al dan niet in combinatie), dit ook daadwerkelijk doet. Daarnaast is ook een doelstelling van de campussen om een bijdrage te leveren aan het kabinetsbeleid ten aanzien van veiligheid om de jeugdcriminaliteit met 10 procent te verminderen. Met de campussen kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat jongeren die lichte vergrijpen hebben gepleegd, (verder) afglijden naar de criminaliteit.

Instrumenten

Aan jongeren zonder zicht op opleiding of baan die met de gebruikelijke instrumenten niet bereikt worden, wil het kabinet perspectief bieden door de landelijke invoering van campussen die gericht zijn op scholing en/of arbeidstoeleiding.

Vanuit de veiligheidsenveloppe is voor de periode 2009 tot en met 2011 een indicatieve reeks gereserveerd bovenop het bedrag van € 3 miljoen uit 2008. Het betreft een bedrag van € 8 miljoen in 2009 oplopend tot € 17 miljoen in 2011. In de tabel «Meetbare gegevens» zijn streefwaarden opgenomen die de ambitie van het kabinet weergeven, inclusief de indicatief gereserveerde middelen.

Overzicht begrotingsuitgaven (x € miljoen)
Instrument2008
Campussen4
KengetallenWaarde 2005Waarde 2006Waarde 2007Waarde 2008
Aantal pilots campussen89
Aantal ingestroomde jongeren in pilots campussen150200
Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoeksonderwerpAD/ODA. Start B. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingWet op de jeugdzorg3.1 3.2A: 2009 B: 2010 
Effectenonderzoek ex postUitvoering van motie-Soutendijk3.1A: oktober 2005 B: november 2006http://www.minvws.nl/ kamerstukken/ djb/2006/ evaluatie-wet- op-de-jeugdzorg-en-ibo-jeugdbeleid.asp
 Onderzoek naar regionale verschillen in doelmatigheid in de jeugdzorg3.1A: mei 2006 B: februari 2007http://www.jeugden gezin.nl/kamerstukken/2007/antwoorden -op-kamervragen-over-evaluatieonderzoek -wet-op-de-jeugdzorg-en -ibo-jeugdbeleid-30–899-nr1.asp
 Evaluatie pilots campussen3.3A: 2007 B: 2010 

Niet-beleidsartikel 99: Nominaal en onvoorzien

Algemeen

Dit artikel heeft een technisch-administratief karakter. Op het begrotingsdeel van dit niet-beleidsartikel worden middelen voor loon- en prijsbijstelling geraamd, voordat die middelen worden verdeeld over de beleidsartikelen. Ook worden er taakstellingen of extra middelen op dit artikel geplaatst die nog niet aan de beleidsartikelen zijn toegedeeld.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen000– 1 694– 3 387– 6 774– 6 775
        
Uitgaven000– 1 694– 3 387– 6 774– 6 775
        
Programma-uitgaven000– 1 694– 3 387– 6 774– 6 775
Loonbijstelling0000000
Prijsbijstelling0000000
Onvoorzien0000000
Taakstelling000– 1 694– 3 387– 6 774– 6 775

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt ingegaan op de onderwerpen in de bedrijfsvoering die specifiek in 2008 aan de orde zullen zijn. De paragraaf heeft uitdrukkelijk het karakter van een uitzonderingsrapportage.

Programma begroting

Deze begroting voor Jeugd en Gezin is opgebouwd uit de oorspronkelijke beleidsterreinen van VWS, Justitie, SZW en OCW waarvoor de minister voor Jeugd en Gezin beleidsmatig verantwoordelijk is. Deze begroting bestaat alleen uit programmamiddelen. Een gevolg hiervan is dat de verantwoordelijkheid voor uitvoeringsorganisaties (bijvoorbeeld de SVB in het kader van de AKW, de Belastingdienst in het kader van het kindgebonden budget) en de personele en materiële uitgaven van de beleidsdepartementen die werkzaamheden verrichten voor de minister voor Jeugd en Gezin onder de verantwoordelijkheid blijven vallen van de respectieve ministers van VWS, Justitie, Financiën, SZW en OCW.

Aansturing van het programma

De aansturing van het programma voor Jeugd en Gezin wordt op de volgende wijze vormgegeven:

1. De minister voor Jeugd en Gezin is op grond van het Koninklijk Besluit van 22 februari 2007 «Besluit houdende het niet verlenen van ontslag aan twee ministers alsmede benoeming van dertien nieuwe ministers en twee vice-minister-presidenten») benoemd als programmaminister belast met de aangelegenheden betreffende Jeugd en Gezin.

2. De minister voor Jeugd en Gezin beheert een programmabegroting, te weten begrotingshoofdstuk XVII.

3. Bij het jeugd- en gezinsbeleid betrokken dienstonderdelen van VWS, Justitie, SZW en OCW verrichten werkzaamheden voor de minister voor Jeugd en Gezin. De budgettaire verantwoording van de betrokken apparaatsuitgaven blijft plaatsvinden op de begrotingen van VWS, Justitie, SZW en OCW.

4. Het ministerie van VWS faciliteert de minister voor Jeugd en Gezin ten aanzien van de ondersteuning door de staf- en bedrijfsvoeringsdiensten. In dat kader spreken de ministers van Jeugd en Gezin en van VWS af dat de minister van VWS de Auditdienst van VWS opdraagt de controle van begrotingshoofdstuk XVII uit hoofde van artikel 66 van de Comptabiliteitswet uit te voeren.

5. Om de rechtmatigheid van de programmauitgaven- en ontvangsten en het aangaan van verplichtingen te garanderen worden voorzieningen getroffen om de relatie tussen de minister voor Jeugd en Gezin en de diensthoofden met budgetverantwoordelijkheid te regelen.

6. De Auditdienst van VWS maakt nadere afspraken met de betrokken Auditdiensten over de efficiënte inrichting van de controle van begrotingshoofdstuk XVII uit hoofde van artikel 66 van de Comptabiliteitswet.

7. Over de samenstelling en werkwijze van het Audit Committee wordt later besloten.

VERDIEPINGSHOOFDSTUK

Leeswijzer

Het verdiepingshoofdstuk bestaat allereerst uit een cijfermatig overzicht per artikel. Bij ieder artikel wordt de opbouw (van de stand vanaf de ontwerpbegroting 2007) tot aan de stand ontwerpbegroting 2008 opgenomen. De belangrijkste mutaties sinds de 1e suppletore wet 2007 worden toegelicht voor zover de kasbedragen in enig jaar meer dan € 2 miljoen bedragen. Vervolgens worden de relevante ZBO’s en RWT’s gepresenteerd, waarna twee conversietabellen volgen: een «wordt-was-tabel» en een «was-wordt-tabel». Na deze tabellen volgende de moties en toezeggingen Het Verdiepingshoofdstuk wordt afgesloten met een afkortingenlijst en een trefwoordenregister.

Beleidsartikel 1: Gezin en inkomen
Uitgaven (x € 1000)200720082009201020112012
Budgetoverheveling AKW en kindgebonden budget3 375 1733 960 7333 889 1693 829 2733 772 6163 738 167
Mutatie 1e suppletore wet100300300300300300
Mutaties15 10582 800274 039345 948518 626523 868
Nominale wijzigingen20 02870 31469 66569 07768 60368 191
       
Stand ontwerpbegroting 20083 410 4064 114 1474 233 1734 244 5984 360 1454 330 526
Ontvangsten (x € 1000)200720082009201020112012
Stand ontwerpbegroting 2007272272272272272272
       
Stand ontwerpbegroting 2008272272272272272272

De budgetoverheveling AKW en kindgebonden budget van SZW naar Jeugd en Gezin wijkt af van de stand Ontwerpbegroting 2007 van SZW vanwege een technische actualisatie van de uit de fiscaliteit overgehevelde kinderkorting in verband met een ramingsbijstelling van de reële inkomensontwikkeling.

Toelichting belangrijkste mutaties (bedragen x € 1000)
Omschrijving200720082009201020112012
Algemene Kinderbijslagwet      
Op basis van onder meer de uitvoeringsinformatie van de SVB zijn de (volume)ramingen voor de AKW meerjarig aangepast.15 10528 80032 03926 94825 62630 868
In 2010 wordt de kinderbijslag verlaagd onder gelijktijdige verhoging van het kindgebonden budget. Dit leidt per saldo tot € 100 miljoen lagere uitgaven. De inkomenseffecten van deze budgetoverheveling moeten worden bezien in het licht van de effecten van de invoering van gratis schoolboeken en de integratie van de WTOS met het kindgebonden budget.   – 235 000– 235 000– 235 000
Kindgebonden budget      
Zie toelichting bij corresponderende mutatie AKW.   135 000135 000135 000
Overboeking van OCW naar J&G in verband met de integratie van het zogeheten niet-boekendeel van WTOS in het kindgebonden budget.   88 00088 00088 000
Verhoging budget in verband met de integratie van het zogeheten niet-boekendeel van WTOS in het kindgebonden budget en in verband met vermindering niet-gebruik. 10 00015 00045 00045 00045 000
Verhoging budget in verband met de invoering van bedragen voor het tweede en volgende kind. 3 000186 000245 000419 000419 000
Verhoging kindgebonden budget met € 40 per huishouden als bijdrage aan een evenwichtig inkomensbeeld. 41 00041 00041 00041 00041 000
Beleidsartikel 2: Gezond opgroeien en meedoen
Uitgaven (x € 1000)2006200720082009201020112012
Stand ontwerpbegroting 2007 244 696244 416244 406244 406244 406244 406
Mutatie 1e suppletore wet 21 0742 46914 62014 22014 08814 088
Nieuwe mutaties 44427 23550 75572 95295 81595 815
Nieuwe nominale wijzigingen 5 2785 3025 3025 3025 3025 302
        
Stand ontwerpbegroting 2008 271 492279 422315 083336 880359 611359 611
Ontvangsten (x € 1000)2006200720082009201020112012
Stand ontwerpbegroting 2007 1 5451 5451 5451 5451 5451 545
        
Stand ontwerpbegroting 2008 1 5451 5451 5451 5451 5451 545
Toelichting belangrijkste mutaties (bedragen x € 1000)
Omschrijving200720082009201020112012
Voor het bekostigen van het huidige aantal opleidingsplaatsen voor de deelopleidingen collectieve preventie door het opleidingsfonds is door middel van een Bestuursakkoord met de VNG afgesproken om de bijdragen van de gemeenten te verrekenen met de TRSU Jeugdgezondheidszorg. – 3 151– 3 151– 3 151– 3 151– 3 151
Er komen extra middelen beschikbaar voor de totstandkoming van Centra voor Jeugd en Gezin, zodat meer ouders en kinderen ondersteund kunnen worden bij de opvoeding en het opgroeien. 25 00050 00075 000100 000100 000
Er komen middelen beschikbaar die verband houden met onderzoek, communicatie en organisatie ten behoeve van het programma voor jeugd en gezin. 3 0003 0002 0002 0002 000
Beleidsartikel 3: Zorg en bescherming
Uitgaven (x € 1000)2006200720082009201020112012
        
Stand ontwerpbegroting 2007 1 319 6211 272 9181 259 3061 258 8581 258 1501 258 150
Mutatie 1e suppletore wet 4 467– 8 377– 7 128– 5 874– 5 0035 003
Nieuwe mutaties 40 331155 02190 53584 47384 47784 218
Nieuwe nominale wijzigingen 25 66225 71625 43025 40725 39325 393
Stand ontwerpbegroting 2008 1 390 0811 443 2781 368 1431 362 8641 363 0171 362 758
Ontvangsten (x € 1000)2006200720082009201020112012
Stand ontwerpbegroting 2007 16 19020 74820 74820 74820 74820 748
Nieuwe mutaties – 1 350– 1 050– 1 050– 1 050– 1 050– 1 050
Stand ontwerpbegroting 2008 14 84019 69819 69819 69819 69819 698
Toelichting belangrijkste mutaties (bedragen x € 1000)
Omschrijving200720082009201020112012
De doeluitkering jeugdzorg is aangepast op grond van de indexering van de kosten van de pleegzorg.6952 3142 4422 7432 8002 800
De contracten met aanbieders van Kleinschalige Wooneenheden en Kinderwoongroepen zijn overgedragen aan het COA (Ministerie van Justitie) (TK 27 062, nr. 48).– 8 4717 046– 5 925– 4 972– 4 270– 4 270
De verwachte instroom van alleenstaande minderjarige vluchtelingen (amv’s) is neerwaarts bijgesteld. Hierdoor vallen de begeleidingskosten van pupillen structureel lager uit.– 9502 100– 3 400– 3 400– 3 400– 3 400
De mutatie heeft betrekking op de subsidietaakstelling uit het coalitieakkoord. De uitkeringen aan de provincies ten behoeve van de Bureaus Jeugdzorg maken daar deel van uit. – 2 609– 5 259– 10 518– 10 518– 10 518
In het actieplan voor de aanpak van kindermishandeling is voorzien dat de RAAK-werkwijze landelijk wordt ingevoerd. Daarnaast zijn de middelen beschikbaar voor de publiekscampagne, bedoeld om voortdurend de aandacht te vestigen op het voorkomen en bestrijden van kindermishandeling en voor prevalentie- en evaluatie-onderzoek 4 6004 6004 8001 1001 100
Vanaf 2008 worden middelen van de begroting van Justitie overgeheveld naar Jeugd en Gezin ten behoeve van realisering van gesloten zorgaanbod. 52 04649 30148 71448 71448 714
Er komt 2 miljoen beschikbaar voor de uitvoering van het Integraal Toezicht Jeugdzorg. 2 0002 0002 0002 000200
De Raad voor de kinderbescherming ontvangt extra middelen om toenemende instroom op te kunnen vangen.5 0006 3893 6683 8294 2094 186
Er komt extra geld beschikbaar vanwege de te verwachten toename van het aantal ondertoezichtstellingen. 25 66711 00511 48712 62812 557
Deze middelen zijn bedoeld om de te verwachten toename van het aantal meldingen van kindermishandeling op te vangen.5 0009 0003 6683 8294 2094 186
Deze middelen zijn bedoeld voor extra zorgaanbod op grond van de Wet op de jeugdzorg.30 00056 00222 00922 97525 25625 114
Voor de invoering van campussen gericht op scholing en/of arbeidstoeleiding heeft het kabinet extra middelen uitgetrokken. De doelgroep bestaat vooral uit jongeren die niet in een leertraject zitten, niet werken en dreigen af te glijden. 3 0003 0003 0003 0003 000

Niet-beleidsartikel 99: Nominaal en onvoorzien

Uitgaven (x € 1000)2006200720082009201020112012
Stand ontwerpbegroting 2007 000000
Mutatie 1e suppletore wet 000000
Nieuwe mutaties 00– 1 694– 3 387– 6 774– 6 775
Nieuwe nominale wijzigingen 000000
        
Stand ontwerpbegroting 2008 00– 1 694– 3 387– 6 774– 6 775
Toelichting belangrijkste mutaties (bedragen x € 1000)u
Omschrijving200720082009201020112012
Additionele subsidietaakstelling uit het Coalitieakkoord00– 1 694– 3 387– 6 774– 6 775

ZBO’s en RWT’s

Bedragen x € 1 miljoen
 NaamZBO/RWT2008
 Uit begrotingsmiddelen  
1NIDOSZBO; RWT18,0
2LBIOZBO; RWT 4,9

Conversietabellen

Was-wordt-tabel
Artikel 2007Artikel 2008
33 – SZW1 – Gezin en Inkomen
AKWAKW
KindertoeslagKindgebonden budget
  
41 – VWS2 – Gezond opgroeien
Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl (jeugddeel).Kinderen hebben een gezonde leefstijl en groeien lichamelijk en geestelijk gezond op.
  
45 – VWS2 – Gezond opgroeien
Kinderen en hun ouders krijgen op tijd de ondersteuning die ze nodig hebben bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen.Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen.
  
45 – VWS3 – Zorg en Bescherming
Kinderen die ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling en hun ouders/verzorgers krijgen op tijd de juiste indicatiestelling. Kinderendie ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en wor- den, indien nodig in bescherminggeno- men, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.
  
Geïndiceerde kinderen en hun ouders/verzorgers kunnen gebruikmaken van kwalitatief goede jeugdzorg.Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en wor- den, indien nodig in bescherming geno- men, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.
  
Geïndiceerde kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen op tijd de juiste hulp bij een zorgaanbieder van hun keuze. Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en wor- den, indien nodig in bescherming geno- men, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.
  
 Kindermishandelingaanpakken.
  
14 – JUS3 – Zorg en Bescherming
Effectieve bescherming van jeugdigen tegen voor hun opvoeding ontwikkeling bedreigende situaties met inzet van juridische dwangmiddelen. Voorzien in voogdij van alleenstaande minderjarige vreemdelingen.Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en wor- den, indien nodig in bescherming geno- men, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.
  
22 – SZW3 – Zorg en Bescherming
Aanpak onwillige jongeren.Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en wor- den, indien nodig in bescherming geno- men, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.
  
99 – Nominaal en onvoorzien99 – Nominaal en onvoorzien
LoonbijstellingLoonbijstelling
PrijsbijstellingPrijsbijstelling
OnvoorzienOnvoorzien
TaakstellingTaakstelling
Wordt-was-tabel
Artikel 2008Artikel 2007
1 – Gezin en Inkomen33 – SZW
AKWAKW
Kindgebonden budgetKindertoeslag
  
2 – Gezond opgroeien41 – VWS
Kinderen hebben een gezonde leefstijl en groeien lichamelijk en geestelijk gezond op.Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl (jeugddeel).
  
2 – Gezond opgroeien45 – VWS
Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen.Kinderen en hun ouders krijgen op tijd de ondersteuning die ze nodig hebben bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen.
  
3 – Zorg en Bescherming45 – VWS
Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en worden, indien nodig in bescherming genomen, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.Kinderen die ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling en hun ouders/verzor- gers krijgen op tijd de juiste indicatiestelling.
  
Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en worden, indien nodig in bescherming genomen, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.Geïndiceerde kinderen en hun ouders/verzorgers kunnen gebruikmaken van kwalitatief goede jeugdzorg.
  
Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en worden, indien nodig in bescherming genomen, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.Geïndiceerde kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen op tijd de juiste hulp bij een zorgaanbieder van hun keuze.
  
Kindermishandeling aanpakken.  
  
3 – Zorg en Bescherming14 – JUS
Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en worden, indien nodig in bescherming genomen, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.Effectieve bescherming van jeugdigen tegen voor hun opvoeding ontwikkeling bedreigende situaties met inzet van juridische dwangmiddelen. Voorzien in voogdij van alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
  
3 – Zorg en Bescherming22 – SZW
Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en worden, indien nodig in bescherming genomen, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.Aanpak onwillige jongeren.
  
99 – Nominaal en onvoorzien99 – Nominaal en onvoorzien
LoonbijstellingLoonbijstelling
OnvoorzienOnvoorzien
PrijsbijstellingPrijsbijstelling
TaakstellingTaakstelling

MOTIES

AANGENOMEN MOTIESKAMERSTUKSTAND VAN ZAKEN
Motie Verburg over structurele verhoging kinderbijslag30 800 XV, nr. 40Standpunt in voorbereiding.
   
Motie Soutendijk-Van Appeldoorn inzake rapportage met betrekking tot verschillende aspecten van de werking van de Wet op de jeugdzorg28 168, nr. FAFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 29 november 2006 (30 899, nr. 1).
   
Motie-Cörüz/Örgü over een onderzoek naar de precieze omvang en oorzaak van de wachtlijsten jeugdzorg per provincie.29 815, nr. 52AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 9 juli 2007 (30 899, nr. 1).
   
Motie-Voordewind c.s. over het zo spoedig mogelijk brengen van civielrechtelijke jongeren onder een civielrechtelijke regime.30 800 XVI, nr. 98AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 3 juli 2007 (30 644, nr. 24).
   
Motie-Van der Vlies c.s. over de claim voor kwaliteitshandhaving van schippersinternaten.30 800-XVI, nr. 112De Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
Motie-Voordewind c.s. over één gratis nummer voor de Kindertelefoon.31 015, nr. 15AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 5 juli 2007 (31 015, nr. 16).
   
Motie-Cörüz c.s. over een ambtshalve bevoegdheid voor de kinderrechter voor OTS.31 015, nr. 14Planning: december 2007.
   
Motie-Dibi c.s. over de uitwerking van kwaliteitscriteria in de gesloten opvang.30 644, nr. 17Over de uitvoering van deze motie wordt overleg gevoerd in het kader van jeugdzorgbrede kwaliteitstrajecten.
   
Motie-Çörüz c.s. over harmonisatie van de rechtspositie van een drietal groepen jongeren.30 644, nr. 19Wordt meegenomen in traject wijziging Wet Bopz.
   
Motie-Çörüz over de borging van de rechtspositie van de jeugdige bij het toezicht op de uitvoering van de Wet op de gesloten jeugdzorg.30 644, nr. 20Zal worden meegenomen in jaarwerkprogramma 2008 Inspectie Jeugdzorg.
   
Motie-Van der Staaij c.s. over voortzetting van het programma «De Uitdaging».31 056, nr .3AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 5 september 2007.
   
Motie-Verdonk over concrete voorstellen voor de financiële en organisatorische regierol van gemeenten bij Centra voor Jeugd en Gezin.31 001, nr. 10Wordt meegenomen in de brief over Centra voor Jeugd en Gezin, die naar verwachting eind november aan de Kamer wordt aangeboden. Planning: november 2007.
   
Motie-Depla over het opnemen van een begeleidingsplicht in de Wet Ernstige overlast.30 136, 28 684, nr. 16Binnenlandse Zaken en Justitie nemen hierin het initiatief en bekijken de mogelijkheden om de begeleidingsplicht in het wetgevingstraject op te nemen. De Kamer zal hierover worden geïnformeerd. Planning: najaar 2007.
   
Motie-Bouchibti/Sterk over het organiseren van de zorgcoördinatie binnen de totale jeugdketen.31 001, nr. 8Wordt meegenomen in de brief over Centra voor Jeugd en Gezin, die naar huidige inschatting voor de begrotingsbehandeling aan de Kamer wordt aangeboden. Planning: november 2007.
Motie-Depla/Sterk over onderzoek naar verplichte opvoedondersteuning vanuit de Centra voor Jeugd en Gezin.30 136, 28 684, nr. 17Wordt meegenomen in de brief over Centra voor Jeugd en Gezin, die naar huidige inschatting voor de begrotingsbehandeling aan de Kamer wordt aangeboden. Planning: november 2007.
   
Motie-Bouchibti/Sterk over signalen in de Verwijsindex.31 001, nr. 7Wordt meegenomen in de brief over Centra voor Jeugd en Gezin, die naar huidige inschatting voor de begrotingsbehandeling aan de Kamer wordt aangeboden. Planning: november 2007.
   
Motie-Kalsbeek over verzoek om uitwerking uitbreiding mogelijkheden hulpverlening voor gezinsvoogd.29 200 VI, nr. 45De Tweede Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
Motie-Arib over onderzoek naar seksueel misbruik van kinderen van Marokkaanse afkomst.30 300 VI, nr. 159De Tweede Kamer zal medio 2008, na afronding van het onderzoek, worden geïnformeerd.

Toezeggingen

WAT IS TOEGEZEGD?VINDPLAATSSTAND VAN ZAKEN
De Tweede Kamer wordt nader geïnformeerd over varianten en vaststelling van de hoogte van het kindgebonden budget 2009 alsmede over het onderzoek naar de kosten van gezinnen uitgesplitst naar het aantal kinderen.Behandeling Wet op het kindgebonden budget (30 912)De Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
Brief over ontmoetingsplaatsen in omgangshuizen voor ouder en kind.Behandeling VWS-begroting 2007 d.d. 17 januari 2007 Wordt meegenomen in de brief over Centra voor Jeugd en Gezin. Planning: november 2007.
   
De groei van de behoefte aan gesloten jeugdzorg wordt meegenomen in het algemene onderzoek naar de oorzaken van de groei van de behoefte aan jeugdzorg.Behandeling Wijz. Wet op de jeugdzorg; gesloten jeugdzorg(30 644)Wordt meegenomen in het onderzoek naar de groei van de jeugdzorg.
   
De Kamer ontvangt eenmaal per jaar de realisatiecijfers inzake het aantal plaatsen gesloten jeugdzorg. plenair wetgevingsdebat 28 juni 2007De Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd.
   
De vragen van mevrouw Langkamp over o.m. het personeelsverloop bij BJZ. AO Jeugdzorg d.d. 27 juni 2007Voor zover deze vragen van mevrouw Langkamp niet zijn beantwoord, zullen zij in het najaar van 2007 schriftelijk worden beantwoord.
   
De Kamer wordt komend najaar geïnformeerd over de kwaliteitssystemen bij Bureau’s Jeugdzorg.AO Jeugdzorg d.d. 27 juni 2007De Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
De Kamer wordt nader geïnformeerd over het verschil tussen vervangende zorg en geïndiceerde zorg en de mogelijke gevolgen (doorbereking) voor de wachtlijsten jeugdzorg. AO Jeugdzorg d.d. 27 juni 2007De Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
De minister overlegt met de provincies over de frequentie van de wachtlijstrapportages en de informatie over vervangende zorg daarin, over kwaliteitsbevordering en over doelmatig werken. De Kamer wordt daar z.s.m. over geïnformeerd, alsmede over de mogelijkheden tot verbetering en de frequentie van de informatiestromen. AO Jeugdzorg d.d. 27 juni 2007De Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
Aanvullend onderzoek onder gebruikers van Raadsrapportages inzake scheiding- en omgang.Behandeling Wetsvoorstel bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (30 145) d.d. 21 maart 2007De Tweede Kamer zal in december 2007 worden geïnformeerd.
   
De minister van Justitie zegt de Kamer toe na de zomer een brief aan de Kamer te sturen over het curriculum voor de jeugdrechter en de mogelijkheden voor een elektronisch dossier voor jeugdzaken.Begrotingsbehandeling d.d. 17 en 18 januari 2007De Tweede Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
De minister van Justitie zegt de Kamer toe dat na afloop van het experiment gezinscoaching in Limburg een voortgangsrapportage over motie 29 200 VI nr. 45 wordt toegezonden, waarin tevens wordt ingegaan op de vraag of een combinatie gezinsvoogd-gezinscoach mogelijk is.Nota overlegLandelijk Beleidskader Jeugdzorg/Voortgangsrapportage d.d. 31 januari 2005De Tweede Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
De minister van Justitie zegt de Kamer toe het voostel van de heer Cörüz over het opvoedingsbesluit te betrekken bij Beter Beschermd.AO Jeugdzorg d.d. 14 juni 2006De Tweede Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
De minister van Justitie zegt toe de Kamer in te lichten indien verder onderzoek naar de problemen en aanpakken van tienerseks, beleidsconsequenties heeft.Mondelinge vragenuurtje over «Breezerseks» d.d. 10 april 2007De Tweede Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
De minister van Justitie zegt de Kamer toe in het voorjaar van 2007 de Kamer een brief te sturen over de uitkomsten van het onderzoek naar loverboys.AO Jeugdzorg d.d. 14 juni 2006De Tweede Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
De minister van Justitie zegt de Kamer toe de Kamer schriftelijk te informeren over plan van aanpak t.b.v. loverboy-problematiek.AO Jeugdzorg d.d. 14 juni 2006De Tweede Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
De minister van Justitie zegt de Kamer toe een onderzoek te doen naar de vormen van seksueel misbruik/risicovol gedrag. Tevens een brief aan de TK doen toekomen met beleidsvoorstellen.Voortzetting AO Kinderporno d.d. 17 mei 2006De Tweede Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.
   
De minister van Justitie zegt de Kamer toe haar medio 2006 te informeren over de uitkomsten van een pilot met een «ik doe normaal contract».Zie brief aan de Tweede Kamer Voorstel ChristenUnie «Doe Normaal» d.d. 2 november 2004 De Tweede Kamer zal in het najaar van 2007 worden geïnformeerd.

Afkortingenlijst

ADAlgemene Doelstelling
AKWAlgemene Kinderbijslagwet
AMKAdvies- en Meldpunt Kindermishandeling
AMVAlleenstaande minderjarige vluchteling
AOAlgemeen Overleg
BJZBureau Jeugdzorg
BOPZWet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
BOSRegeling buurt, onderwijs en sport
CensisCentrale Stichting van Internaten voor Schippers- en Kermisjeugd
CJGCentrum voor Jeugd en Gezin
COACentraal Orgaan opvang asielzoekers
CPBCentraal Planbureau
CWComptabiliteitswet
EKDElektronisch Kinddossier
ftefulltime equivalent
ggzgeestelijke gezondheidszorg
HBO-raadVereniging van hogescholen
IBOInterdepartementaal beleidsonderzoek
ICTInformatie- en communicatietechnologie
IJZInspectie Jeugdzorg
ITJIntegraal toezicht jeugdzaken
JgzJeugdgezondheidszorg
JONGJeugdbeleid Overheid Nu Gezamenlijk, operatie -
LBIOLandelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
lvglicht verstandelijk gehandicapten
MOgroepMaatschappelijk Ondernemers Groep
MvJMinister van Justitie
NIPNederlands instituut voor psychologen
NJINederlands Jeugdinstituut
NVMWNederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers
NVONederlandse vereniging voor pedagogen en onderwijskundigen
OCWOnderwijs, Cultuur en Wetenschap, ministerie van -
ODOperationele Doelstelling
OTSOndertoezichtstelling
RAAKReflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling
RWTrechtspersoon met een wettelijke taak Stb. Staatsblad
SVBSociale Verzekeringsbank
SZWSociale Zaken en Werkgelegenheid, ministerie van -
TKTweede Kamer
TRSUTijdelijke Regeling Specifieke Uitkering
VIRVerwijsindex voor Risicojongeren
VNGVereniging van Nederlandse Gemeenten
VWSVolksgezondheid, Welzijn en Sport, ministerie van -
WcpvWet collectieve preventie volksgezondheid
WjzWet op de jeugdzorg
WmoWet maatschappelijke ondersteuning
WTOSWet op de tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten
ZATZorg- en Adviesteam
Zbozelfstandig bestuursorgaan
ZonMwZorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen

Trefwoordenregister

Alcohol 9, 16, 20

Bedrijfsvoering 1, 3, 32

Bescherming 1, 5, 6, 9, 11, 22, 25, 26, 28, 35, 39, 40

Budgetflexibiliteit 3

Campus 10, 22, 23, 24, 25, 29, 30, 36

Centra voor Jeugd en Gezin 7, 16, 18, 19, 20, 35, 41, 42

Doelstellingen 3, 4, 11, 17, 18, 25

Drugs 9, 16, 20

Gezin 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 32, 33, 35, 36, 39, 40, 42, 43, 45

Gezond eten 16

Hulpverlening 9, 27, 28, 42

Instrumenten 4, 10, 13, 14, 15, 18, 19, 20, 22, 23, 25, 26, 28, 29

Jeugdbescherming 4, 22, 23, 28, 29

Jeugdcriminaliteit 10, 23, 29

Jeugdgezondheidszorg 8, 16, 18, 19, 22, 26, 45

Jeugd 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 29, 30, 32, 35, 36, 39, 40, 41, 42, 43, 45

Jeugdzorg 8, 9, 11, 16, 18, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 30, 36, 39, 40, 41, 43, 44, 45

Kinderbijslagwet 4, 6, 13, 34, 45

Kinderen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 25, 26, 27, 35, 39, 40, 42, 43

Kindermishandeling 10, 11, 23, 25, 26, 27, 36, 39, 40, 45

Kindvriendelijk 9

Ontwikkelingsvoorwaarden 6

Opgroeien 1, 4, 6, 9, 16, 17, 18, 22, 25, 34, 35, 39, 40

Opvoeding 6, 11, 18, 20, 26, 27, 35, 39, 40, 43

Participatie 9, 16, 17, 20, 21

Preventie 7, 8, 10, 11, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 26, 35, 45

Professionalisering 11, 26, 27

Risicogedrag 8

Roken 9, 14, 16, 18, 35

School 7, 8, 10, 19, 29

Tegemoetkoming 6, 7, 13, 14

Verantwoordelijkheid 3, 5, 6, 9, 13, 16, 17, 18, 22, 23, 26, 32

Verstandelijk gehandicapte jeugdigen 5

Verstandelijk gehandicapten 5, 22, 45

Verwijsindex 8, 16, 19, 26, 27, 42

Voogdij 9, 22, 23, 25, 27, 28, 29, 39, 40

Welzijn 8, 45

Wet gesloten jeugdzorg 9, 25, 26

Wet op de jeugdzorg 24, 25, 27, 28, 43

Wet op de maatschappelijke ondersteuning 18

Zorg 1, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 16, 17, 18, 19, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 29, 35, 36, 39, 40, 41, 43, 45

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Bij een wetsvoorstel tot een begrotingswijziging wordt geen algemene toelichting opgenomen. De beleidsinhoudelijke toelichting bij de begroting(sstaat) wordt opgenomen in onderdeel B van de memorie van toelichting (de begrotingstoelichting).

Wetsartikel 1 tot en met 3

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2008 wijzigingen aan te brengen in de departementale begrotingsstaat van de begroting voor Jeugd en Gezin.

De in die begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

De minister voor Jeugd en Gezin,

A. Rouvoet

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

In deze suppletore begroting zijn de wijzigingen van de begroting 2008 voor Jeugd en Gezin opgenomen. De gepresenteerde cijfers sluiten aan bij de Najaarsnota 2008, die de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer aanbiedt.

Om de leesbaarheid van de toelichting op de beleidsartikelen te bevorderen zijn de volgende criteria voor het toelichten van wijzigingen van de begroting toegepast:

1. Naast de beleidsmatig relevante mutaties worden de mutaties toegelicht als het hiermee gepaard gaande bedrag voor de programma-uitgaven op doelstellingsniveau hoger is dan 3% van de vastgestelde begroting of groter dan € 3 miljoen.

2. Mutaties die afzonderlijk lager zijn dan deze criteria en/of die betrekking hebben op interne verrekeningen binnen de administratie van J&G, staan gesaldeerd toegelicht met de algemene tekst Overige mutaties. Hierdoor kan dat saldo uiteindelijk hoger zijn dan de bovengenoemde normen.

3. Voor wat betreft de verplichtingenmutaties wordt per artikel enkel het saldo weergegeven.

4. Mutaties binnen en tussen beleidsartikelen worden toegelicht bij het «ontvangende» artikel.

In paragraaf 2 wordt het beleid met betrekking tot de begrotingsuitgaven- en ontvangsten besproken. Ten slotte volgt in paragraaf 3 een artikelsgewijze toelichting.

Doel van bovenstaande criteria is om alle relatief grote mutaties toe te lichten. Zoals vermeld onder het eerste criterium kunnen echter ook kleinere mutaties toegelicht zijn. Dat geschiedt dan om beleidsmatige redenen.

2. HET BELEID MET BETREKKING TOT DE BEGROTINGSUITGAVEN EN -ONTVANGSTEN

2.1 Overzicht belangrijkste suppletore uitgavenmutaties (bedragen x € 1 000)

Onderstaand overzicht geeft inzicht in de belangrijkste beleidsmatige mutaties. Hierbij is een ondergrens van € 5 miljoen gehanteerd.

Tabel 2: Belangrijkste begrotingsuitgavenmutaties (bedragen x € 1 000)

Stand 1e suppletore begroting5 995 667
ArtikelMutaties 2e suppletore begroting: 
11. Indexatie Algemene Kinderbijslagwet (AKW)15 522
22. Vraagontwikkeling Jeugdzorg49 000
23. Elektronisch Kinddossier5 000
24. Overheveling naar het Gemeentefonds– 5 000
 5. Overige mutaties– 5 595
Stand 2e suppletore begroting6 054 594

Hieronder worden mutaties toegelicht:

1. Dit betreft de indexatie van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

2. Voor het aanpakken van de wachtlijsten en het opvangen van deverwachte groei in de provincies en grootstedelijke regio’s is een extra bedrag beschikbaar. Voor 2008 is dit een extra bedrag van € 49 miljoen.

3. Gemeenten ontvangen een aanvullende bijdrage van € 5 miljoen als tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van het EKD.

4. Overheveling naar het Gemeentefonds van de middelen m.b.t. het Elektronisch Kinddossier.

3. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Beleidsartikel 1 Gezin en Inkomen

1.1 Algemene doelstelling

Gezinnen ontvangen een financiële tegemoetkoming in de kosten van het opvoeden en het onderhouden van kinderen.

1.2 Budgettaire gevolgen van beleid begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

 Stand oorspronkelijk vastgestelde begroting Stand 1e suppletore begrotingMutaties 2e suppletore begroting Stand 2e suppletore begroting
 1 2 3 4 = 2 + 3
Verplichtingen4 114 1474 190 74717 7754 208 522
     
Uitgaven4 114 1474 190 74717 7754 208 522
     
Programma-uitgaven    
1. Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen 4 114 147 4 190 747 17 7754 208 522
     
Ontvangsten2722725 2785 550

1.3 Operationele doelstellingen

Er is 1 operationele doelstelling op dit beleidsartikel:

1. Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen.

1.3.1 Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen

Stand 1e suppletore begroting (bedragen x € 1 000)4 190 747
Mutaties 2e suppletore begroting: 
1. Indexatie Algemene Kinderbijslagwet (AKW) 2008 15 522
2. Bijstelling AKW uitgaven 8 553
3. Bijstelling Kindgebonden budget (KBG)– 6 000
4. Overige mutaties – 300
Stand 2e suppletore begroting 4 208 522

Toelichting mutaties 2e suppletore begroting:

1. Dit betreft de indexatie van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

2. Deze bijstelling is benodigd op grond van voorschotsaanvragen door de SVB voor het 4e kwartaal van 2008.

3. Op grond van betaalde voorschotten door de Belastingdienst kan de raming Kindgebonden budget (KGB) neerwaarts bijgesteld worden.

1.4 Toelichting ontvangsten

Stand 1e suppletore begroting (bedragen x € 1 000)272
Mutaties 2e suppletore begroting: 
1. Indexatie Algemene Kinderbijslagwet (AKW) 2008 5 278
Stand 2e suppletore begroting 5 550

Toelichting mutaties 2e suppletore begroting:

1. Dit betreft de indexatie van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Beleidsartikel 2 Gezondheidszorg

2.1 Algemene doelstelling

Kinderen groeien lichamelijk en geestelijk gezond op.

2.2 Budgettaire gevolgen van beleid begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

 Stand oorspronkelijk vastgestelde begroting Stand 1e suppletore begrotingMutaties 2e suppletore begroting Stand 2e suppletore begroting
 1 2 3 4 = 2 + 3
Verplichtingen278 8111 199 63745 2191 244 856
     
Uitgaven279 422281 1938 808290 001
     
Programma-uitgaven279 422281 1938 808290 001
1. Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen 269 154 267 787 7 915275 702
2. Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving 10 26813 406 893 14 299
     
Ontvangsten1 5451 5451 0402 585

2.3 Operationele doelstellingen

Er zijn 2 operationele doelstellingen op dit beleidsartikel:

1 Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen;

2 Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving.

2.3.1 Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen

Stand 1e suppletore begroting (bedragen x € 1 000)267 787
Mutaties 2e suppletore begroting: 
1. Loonbijstelling 2008 9 783
2. Elektronisch Kinddossier 5 000
3. Overboeking naar het Gemeentefonds – 5 000
4. Overige mutaties– 1 868
Stand 2e suppletore begroting 275 702

Toelichting mutaties 2e suppletore begroting:

1. Overheveling van artikel 99. Dit betreft een overboeking van de loonbijstelling tranche 2008.

2. Gemeenten ontvangen een aanvullende bijdrage van Jeugd en Gezin als tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van het EKD.

3. Overheveling naar het Gemeentefonds van de middelen m.b.t. het Elektronisch Kinddossier.

2.3.2 Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving

Stand 1e suppletore begroting (bedragen x € 1 000)13 406
Mutaties 2e suppletore begroting: 
1. Instellingsubsidies Nederlands Jeugdinstituut 959
2. Overige mutaties – 66
Stand 2e suppletore begroting 14 299

Toelichting mutaties 2e suppletore begroting:

1. Er wordt € 0,9 miljoen toegevoegd aan de instellingsubsidies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) inzake diverse onderwerpen, waaronder landelijk invoering aanpak kindermishandeling, actieplan aanpak kindermishandeling en raamwerk aanpak kindermishandeling.

2.4 Toelichting ontvangsten

De mutaties op de ontvangsten vallen buiten de norm en worden niet toegelicht (zie de leeswijzer).

Beleidsartikel 3 Zorg en bescherming

3.1 Algemene doelstelling

Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en worden, indien nodig, in bescherming genomen, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.

3.2 Budgettaire gevolgen van beleid begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

 Stand oorspronkelijk vastgestelde begroting Stand 1e suppletore begrotingMutaties 2e suppletore begroting Stand 2e suppletore begroting
 1 2 3 4 = 2 + 3
Verplichtingen1 469 1251 459 28982 6291 541 918
     
Uitgaven1 483 2781 473 44282 6291 556 071
     
Programma-uitgaven1 483 2781 473 44282 6291 556 071
1. Tijdig effectieve hulp bij een zorgaanbieder 1 174 518 1 152 73271 468 1 224 200
2. Snelle inzet van de meest adequate dwangmiddelen 304 410 316 360 11 285 327 645
3. Campussen 4 350 4 350 – 124 4 226
     
Ontvangsten19 69811 6982 41314 111

3.3 Operationele doelstellingen

Er zijn 3 operationele doelstellingen op dit beleidsartikel:

1 Tijdig effectieve hulp bij een zorgaanbieder;

2 Snelle inzet van de meest adequate dwangmiddelen;

3 Campussen.

3.3.1 Tijdig effectieve hulp bij een zorgaanbieder

Stand 1e suppletore begroting (bedragen x € 1 000)1 152 732
Mutaties 2e suppletore begroting: 
1. Vraagontwikkeling jeugdzorg49 000
2. Loonbijstelling 2008 35 206
3. Diverse onderwerpen – 8 380
4. Overige mutaties– 4 358
Stand 2e suppletore begroting1 224 200

Toelichting mutaties 2e suppletore begroting:

1. Voor het aanpakken van de wachtlijsten en het opvangen van de verwachte groei in de provincies en grootstedelijke regio’s stel ik een extra bedrag beschikbaar. Voor 2008 is dit een extra bedrag van € 49 miljoen.

2. Overheveling van artikel 99. Dit betreft de loonbijstelling tranche 2008.

3. Er vallen middelen vrij vanwege het niet uitkeren van overheidsbijdrage in de arbeidsvoorwaardenontwikkeling (OVA) over enkele incidentele bedragen in 2008 en een vertraging van enkele uitgaven op dit beleidsartikel. Deze middelen worden ingezet ter dekking van de algehele begrotingsproblematiek.

3.3.2 Snelle inzet van de meest adequate dwangmiddelen

Stand 1e suppletore begroting (bedragen x € 1 000)316 360
Mutaties 2e suppletore begroting: 
1. Loonbijstelling 2008 9 510
2. Overige mutaties 1 775
Stand 2e suppletore begroting 327 645

Toelichting mutaties 2e suppletore begroting:

1. Overheveling van artikel 99. Dit betreft de loonbijstelling tranche 2008.

3.3.3 Campussen

Stand 1e suppletore begroting (bedragen x € 1 000)4 350
Mutaties 2e suppletore begroting: 
1. Overheveling van het ministerie van SZW668
2. Campussen – 792
Stand 2e suppletore begroting 4 226

Toelichting mutaties 2e suppletore begroting:

1. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hevelt € 0,7 miljoen over uit de eindejaarsmarge 2007 voor de campussen.

2. In 2008 zal er onderuitputting optreden omdat een aantal activiteiten doorgeschoven wordt naar 2009.

3.4 Toelichting ontvangsten

Stand 1e suppletore begroting (bedragen x € 1 000)11 698
Mutaties 2e suppletore begroting: 
1. Ramingsbijstelling NIDOS 1 000
2. Overige mutaties 1 413
Stand 2e suppletore begroting 14 111

Toelichting mutaties 2e suppletore begroting:

1. De afrekening NIDOS over 2007 is vanwege een lagere bezetting vastgesteld op een bedrag dat ca. € 1 miljoen lager ligt dan het voorschot. Dit bedrag zal in 2008 worden terugontvangen.

4 NOMINAAL EN ONVOORZIEN

Niet-beleidsartikel 99 Nominaal en Onvoorzien

99.1 Algemeen

Dit is een technisch, administratief artikel, waarop middelen voor de loon en prijsbijstelling worden geparkeerd voordat ze worden overgeheveld naar de desbetreffende beleidsartikelen. Daarnaast worden op dit artikel de taakstellingen geboekt, voordat deze verder worden verdeeld over de beleidsartikelen. Ook worden hierop de onvoorziene uitgaven geplaatst die aan de beleidsartikelen worden toegedeeld.

99.2 Budgettaire gevolgen van beleid begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)

 Stand oorspronkelijk vastgestelde begroting Stand 1e suppletore begrotingMutaties 2e suppletore begroting Stand 2e suppletore begroting
 1 2 3 4 = 2 + 3
Verplichtingen050 285– 50 2850
     
Uitgaven050 285– 50 2850
     
Programma-uitgaven050 285– 50 2850
1. Loonbijstelling 0 54 501– 54 501 0
2. Prijsbijstelling 0 0 0 0
3. Onvoorzien 0 – 2 916 2 916 0
4. Taakstelling 0 – 1 300 1 300 0
Stand 1e suppletore begroting (bedragen x € 1 000) 50 285
Mutaties 2e suppletore begroting: 
1. Loonbijstelling 2008 – 54 504
2. Invullen taakstellende onderuitputting 2008 1 300
3. Overige mutaties – 3 201
Stand 2e suppletore begroting 0

Toelichting mutaties 2e suppletore begroting:

1. Overheveling naar alle beleidsartikelen. Dit betreft loonbijstelling tranche 2008.

2. Met deze mutatie wordt de taakstellende onderuitputting voor 2008 ingevuld.

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Bij een wetsvoorstel tot een begrotingswijziging wordt geen algemene toelichting opgenomen. De beleidsinhoudelijke toelichting bij de begroting(sstaat) wordt opgenomen in onderdeel B van de memorie van toelichting (de begrotingstoelichting).

Wetsartikel 1 tot en met 3

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Compatibiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van de begroting voor Jeugd en Gezin voor het jaar 2008 te wijzigen.

De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

De minister voor Jeugd en Gezin,

A. Rouvoet

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

In deze suppletore begroting zijn de wijzigingen van de begroting 2008 voor Jeugd en Gezin opgenomen. De gepresenteerde cijfers sluiten aan bij de Voorjaarsnota 2008, die de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer aanbiedt.

Om de leesbaarheid van de toelichting op de beleidsartikelen te bevorderen zijn de volgende criteria voor het toelichten van wijzigingen van de begroting toegepast:

1. Naast de beleidsmatig relevante mutaties worden de mutaties toegelicht als het hiermee gepaard gaande bedrag voor de programma-uitgaven op doelstellingsniveau hoger is dan 3% van de vastgestelde begroting of groter dan € 3 miljoen.

2. Mutaties die afzonderlijk lager zijn dan deze criteria en/of die betrekking hebben op interne verrekeningen binnen de administratie van J&G, staan gesaldeerd toegelicht met de algemene tekst Overige mutaties. Hierdoor kan dat saldo uiteindelijk hoger zijn dan de bovengenoemde normen.

3. Voor wat betreft de verplichtingenmutaties wordt per artikel enkel het saldo weergegeven;

In paragraaf 2 wordt het beleid met betrekking tot de begrotingsuitgaven- en ontvangsten besproken. Ten slotte volgt in paragraaf 3 de artikelsgewijze toelichting.

2. HET BELEID MET BETREKKING TOT DE BEGROTINGSUITGAVEN EN -ONTVANGSTEN

In paragraaf 2.1 wordt een overzicht gegeven van de tijdens de begrotingsbehandeling aangenomen amendementen en de moties met een directe relatie tot de begroting.

In paragraaf 2.2 worden de belangrijkste uitgaven- en ontvangstenmutaties op de begroting toegelicht.

2.1. Amendementen en moties

Er zijn bij de begrotingsbehandeling van de begroting voor Jeugd en Gezin geen amendementen aangenomen.

Wel is een motie aangenomen met een directe relatie tot de begroting, namelijk de motie Van Geel (kamerstukken 31 200 XVII, nr. 16). Naar aanleiding van deze motie hebben wij een Nota van Wijziging ingediend (kamerstukken 31 200 XVII, nr. 7). Met deze Nota van Wijziging is het budget van artikel 3 Zorg en Bescherming voor het jaar 2008 verhoogd met € 40 miljoen t.o.v. de stand Ontwerpbegroting (kamerstukken 31 200 XVII, nr. 1). Deze € 40 miljoen wordt in deze suppletore begroting als volgt verdeeld:

• € 13 miljoen voor de jeugdige licht verstandelijk gehandicapten (jeugd lvg); dit betreft premie-uitgaven die behoren tot het Budgettair Kader Zorg (BKZ) dat verantwoord wordt op de begroting van VWS;

• € 13 miljoen voor de jeugd geestelijke gezondheidszorg (jeugd ggz); dit betreft eveneens premie-uitgaven die behoren tot het BKZ;

• € 9,5 miljoen wordt toegevoegd aan de tweede operationele doelstelling van artikel 3 ten behoeve van jeugdbescherming;

• € 2 miljoen wordt toegevoegd aan de tweede operationele doelstelling van artikel 3 ten behoeve van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK); en

• € 2,5 miljoen voor verbetering van de informatievoorziening blijft op de eerste operationele doelstelling van artikel 3 staan.

In deze suppletore begroting wordt op grond van dezelfde motie Van Geel met ingang van 2010 artikel 1 Gezin en Inkomen structureel verhoogd met € 100 miljoen ten behoeve van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en wordt de overheveling van de middelen voor de Algemene Kinderbijslag naar de middelen voor het Kindgebonden Budget (KGB) teruggedraaid (€ 135 miljoen). Per saldo betekent dit dat de uitgaven ten behoeve van de AKW met ingang van 2010 met € 235 miljoen verhoogd worden, en dat de uitgaven ten behoeve van het KGB met € 135 miljoen verlaagd.

De budgettaire consequenties van de amendementen en moties zijn in onderstaande tabel opgenomen.

Tabel 1: Budgettaire consequenties amendementen en moties (bedragen x € 1 000)

Artikel Bijstelling (Kas = Verplichting)ToelichtingNota van wijziging
3+ € 9 500Jeugdbescherming31 200 XVII, 7 (n.a.v. motie Van Geel)
3+ € 2 000Raad voor de Kinderbescherming31 200 XVII, 7 (n.a.v. motie Van Geel)
3+ € 2 500Verbetering informatievoorziening31 200 XVII, 7 (n.a.v. motie Van Geel)
premie+ € 13 000Jeugd lvg (premie-uitgaven)31 200 XVII, 7 (n.a.v. motie Van Geel)
premie+ € 13 000Jeugd ggz (premie-uitgaven)31 200 XVII, 7 (n.a.v. motie Van Geel)

2.2. Overzicht belangrijkste uitgaven- en ontvangstenmutaties

Onderstaand overzicht geeft inzicht in de belangrijkste beleidsmatige mutaties. Hierbij is een ondergrens van € 10 miljoen gehanteerd.

Tabel 2: Belangrijkste begrotingsuitgavenmutaties (bedragen x € 1 000)

Stand ontwerpbegroting 2008ArtikelUitgaven
1Tegenvaller Kindgebondenbudget (KGB)180 000
2Vervallen indexatie 2008 KGB1– 11 220
3Overheveling naar het Budgettair Kader Zorg (premie-uitgaven zorg) jeugd-lvg3– 13 000
4Overheveling naar Budgettair Kader Zorg (premie-uitgaven zorg) jeugd-ggz3– 13 000
5Kwaliteitsverbetering gesloten jeugdzorg310 700

Onderstaand worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

1. De door de Belastingdienst uitgekeerde voorschotten KGB zijn hoger dan eerder geraamd. Verwacht wordt dat de maandelijkse voorschotten de rest van het jaar op hetzelfde niveau blijven. Hierdoor ontstaat naar verwachting een kastekort van € 80 miljoen. De raming is daarom verhoogd met dit bedrag.

2. Omdat de raming Kindgebonden budget voor 2008 al in de begrotingswet was opgenomen hoeft er in 2008 echter niet geïndexeerd te worden. Dit is een structurele meevaller die wordt ingezet voor de algehele begrotingsproblematiek.

3. Naar aanleiding van motie Van Geel (€ 40 miljoen) wordt € 13 miljoen overgeheveld naar het Budgettair Kader Zorg (premie-uitgaven zorg) ten behoeve van jeugd-lvg.

4. Naar aanleiding van motie Van Geel (€ 40 miljoen) wordt € 13 miljoen overgeheveld naar het Budgettair Kader Zorg (premie-uitgaven zorg) ten behoeve van jeugd-ggz.

5. Dit betreft een structurele intensivering van € 10,7 miljoen om de kwaliteit van de gesloten jeugdzorg te verbeteren.

3. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Beleidsartikel 1 Gezin en Inkomen

1.1 Algemene doelstelling

Gezinnen ontvangen een financiële tegemoetkoming in de kosten van het opvoeden en het onderhouden van kinderen.

1.2 Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)

 Stand ontwerp begrotingMutaties via NvW en amen-dementenMutaties 1e supple-tore wetStand 1e suppletore begrotingMutaties 2009Mutaties 2010Mutaties 2011Mutaties 2012
 123(4)=(1+2+3)    
Verplichtingen4 114 147076 6004 190 7470100 000100 000100 000
         
Uitgaven4 114 147076 6004 190 7470100 000100 000100 000
         
Programma-uitgaven        
1. Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen4 114 147076 6004 190 7470100 000100 000100 000
         
Ontvangsten272002720000

1.3 Operationele doestellingen

Er is 1 operationele doelstelling op dit beleidsartikel:

1. Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen

1.3.1 Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen

Stand vastgestelde begroting 2008 (bedragen x € 1 000)4 114 147
Mutaties 1e suppletore begroting: 
1. Meevaller kinderbijslag– 3 400
2. Tegenvaller Kindgebonden budget (KGB)80 000
3. Vervallen indexatie 2008 KGB11 220
4. Vervallen indexatie 2008 KGB– 11 220
Stand 1e suppletore begroting4 190 747

Toelichting mutaties 1e suppletore begroting:

1. Het wetstraject waarin aanvullende voorwaarden worden gesteld aan de kinderbijslag voor 16- en 17-jarigen is vertraagd. Hierdoor ontstaat er een meevaller in 2008 van € 3,4 miljoen die is ingezet voor de algehele begrotingsproblematiek.

2. De door de belastingdienst uitgekeerde voorschotten KGB zijn hoger dan eerder geraamd. Verwacht wordt dat de maandelijkse voorschotten de rest van het jaar op hetzelfde niveau blijven. Hierdoor ontstaat naar verwachting een kastekort van € 80 miljoen. De raming is daarom verhoogd met dit bedrag.

3. Voor het KGB was door het ministerie van SZW een bedrag van € 11,2 miljoen aan indexatie gereserveerd op het begrotingshoofdstuk voor nominale middelen. Deze indexatie is nu aan de begroting voor Jeugd en Gezin toegevoegd.

4. Omdat de raming KGB voor 2008 al in de begrotingswet was opgenomen hoeft de raming 2008 niet geïndexeerd te worden. Dit is een structurele meevaller die wordt ingezet voor de algehele begrotingsproblematiek.

Beleidsartikel 2 Gezond opgroeien

2.1 Algemene doelstelling

Kinderen groeien lichamelijk en geestelijk gezond op

2.2 Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)

 Stand ontwerp begrotingMutaties via NvW en amen-dementenMutaties 1e supple-tore wetStand 1e suppletore begrotingMutaties 2009Mutaties 2010Mutaties 2011Mutaties 2012
 123(4)=(1+2+3)    
Verplichtingen278 8110920 8261 199 637– 277 050– 301 430331 2852 330
         
Uitgaven279 42201 771281 1933 0553 6552 5802 330
         
Programma-uitgaven        
1. Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen.269 1540– 1 367267 787– 7471 353– 122– 122
2. Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving. 10 26803 13813 4063 8022 3022 7022 452 
         
Ontvangsten1 545001 5450000

2.3 Operationele doelstellingen

Er zijn 2 operationele doelstellingen op dit beleidsartikel:

1. Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen;

2. Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving;

2.3.1 Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen

Op deze operationele doelstelling hebben zich geen omvangrijke mutaties voorgedaan. Zie hiervoor ook de Leeswijzer van deze suppletore begroting.

2.3.2 Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving

Stand vastgestelde begroting 2008 (bedragen x € 1 000)10 268
Mutaties 1e suppletore begroting: 
1. Intensivering kennis en communicatie1 000
2. Intensivering «Hallo Wereld»1 000
3. Overige mutaties1 138
Stand 1e suppletore begroting13 406

Toelichting mutaties 1e suppletore begroting:

1. Dit betreffen diverse activiteiten op het gebied van communicatie (bijvoorbeeld de voorbereiding van de Gezinsnota) en het uitzetten van onderzoeken (bijvoorbeeld naar ervaren regeldruk) en het bevorderen van jeugdparticipatie. Hiervoor wordt structureel € 1 miljoen beschikbaar gesteld.

2. Dit betreft het voornemen om de rechten van het programma «Hallo Wereld» over te laten nemen door het programma-ministerie voor J&G en«Hallo Wereld» verder uit te werken.

Beleidsartikel 3 Zorg en bescherming

3.1 Algemene doelstelling

Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, krijgen zorg en worden, indien nodig, in bescherming genomen, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.

3.2 Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)

 Stand ontwerp begrotingMutaties via NvW en amen-dementenMutaties 1e supple-tore wetStand 1e suppletore begrotingMutaties 2009Mutaties 2010Mutaties 2011Mutaties 2012
 123(4)=(1+2+3)    
Verplichtingen1 429 12540 000– 9 8361 459 28914 63012 23010 73010 730
         
Uitgaven1 443 27840 000– 9 8361 473 44214 63012 23010 73010 730
         
Programma-uitgaven        
1. Tijdig effectieve hulp bij een zorgaanbieder1 134 51840 000– 21 7861 152 73214 18011 78010 28010 280
2. Snelle inzet van de meest adequate dwangmiddelen304 410011 950316 360450450450450
3. Campussen4 350004 3500000
         
Ontvangsten19 6980– 8 00011 698– 8 000– 8 000– 8 000– 8 000

3.3 Operationele doelstellingen

Er zijn 3 operationele doelstellingen op dit beleidsartikel:

1. Tijdig effectieve hulp bij een zorgaanbieder;

2. Snelle inzet van de meest adequate dwangmiddelen;

3. Campussen.

3.3.1 Tijdig effectieve hulp bij een zorgaanbieder

Stand vastgestelde begroting 2008 (bedragen x € 1 000)1 174 518
Mutaties 1e suppletore begroting: 
1. Overheveling naar het Budgettair Kader Zorg (premie-uitgaven zorg) jeugd-lvg i.v.m. de motie Van Geel. – 13 000
2. Overheveling naar het Budgettair Kader Zorg (premie-uitgaven zorg) jeugd geestelijke gezondheidszorg (jeugd-ggz) i.v.m. de motie Van Geel. – 13 000
3. Overheveling naar de tweede OD van dit artikel t.b.v. de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) i.v.m. de motie Van Geel.– 2 000
4. Overheveling naar de tweede OD van dit artikel t.b.v. Jeugdbescherming i.v.m. de motie Van Geel. – 9 500
5. Kwaliteitsverbetering gesloten jeugdzorg10 700
6. Opvangen van korting prijsbijstelling pleegvergoeding 20082 100
7. Actieplan Kindermishandeling1 500
8. Overige mutaties– 3 586
Stand 1e suppletore begroting1 152 732

Toelichting mutaties 1e suppletore begroting:

1. Overheveling van € 13 miljoen naar het Budgettair Kader Zorg (premie-uitgaven zorg) ten behoeve van jeugd-lvg.

2. Overheveling van € 13 miljoen naar het Budgettair Kader Zorg (premie-uitgaven zorg) ten behoeve van de Jeugd Geestelijke gezondheidszorg (jeugd-ggz).

3. Overheveling naar operationele doelstelling 2 van dit artikel.

4. Overheveling naar operationele doelstelling 2 van dit artikel.

5. Het betreft hier een structurele intensivering van € 10,7 miljoen om de kwaliteit van de gesloten jeugdzorg te verbeteren.

6. Jaarlijks vindt op basis van CBS-gegevens indexering van de pleegvergoeding plaats. Doordat bij Augustusbrief is besloten om geen prijsbijstelling 2008 uit te keren ontstaat bij de voorlopige indexering tranche 2008 een knelpunt. Voor dit knelpunt is een beroep gedaan op incidentele middelen die bij Augustusbrief beschikbaar zijn gesteld voor departementen die geconfronteerd worden met onoverkomelijke problemen vanwege de korting op de prijsbijstelling.

7. Om alle onderdelen van het Actieplan Aanpak Kindermishandeling uit te kunnen voeren en het gestelde doel te kunnen behalen (een sluitende aanpak kindermishandeling in alle regio’s) zijn extra middelen vereist. Daarom wordt er voor de jaren 2008, 2009 en 2010 € 1,5 miljoen beschikbaar gesteld.

3.3.2 Snelle inzet van de meest adequate dwangmiddelen

Stand vastgestelde begroting 2008 (bedragen x € 1 000)304 410
Mutaties 1e suppletore begroting: 
1. Overheveling van operationele doelstelling 12 000
2. Overheveling van operationele doelstelling 19 500
3. Tegenvaller Stichting Nidos2 000
4. Intensivering Jeugdbescherming2 000
5. Uitvoering ouderbijdrage– 3 000
6. Overige mutaties7 450
Stand 1e suppletore begroting316 360

Toelichting mutaties 1e suppletore begroting:

1. Overheveling van operationele doelstelling 1 van artikel 3. Dit betreft € 2 miljoen ten behoeve van de Raad voor de Kinderbescherming (motie Van Geel).

2. Overheveling van operationele doelstelling 1 van artikel 3. Dit betreft € 9,5 miljoen ten behoeve van de Jeugdbescherming (motie Van Geel).

3. Er is een kleine tegenvaller ontstaan bij Stichting Nidos doordat de geraamde asielaanvragen hoger zijn uitgevallen. Hiervoor is € 2 miljoen extra beschikbaar gesteld.

4. Om de toenemende vraagontwikkeling in de Jeugdbescherming op te kunnen vangen, wordt € 2 miljoen beschikbaar gesteld.

5. De kostprijzen van het LBIO worden eenmalig, met terugwerkende kracht vanaf 1-1-2007, neerwaarts bijgesteld. Dit resulteert in een meevaller van € 3 miljoen.

3.3.3 Campussen

Op deze operationele doelstelling hebben zich geen mutaties voorgedaan.

3.4 Toelichting ontvangsten

Stand vastgestelde begroting 2008 (bedragen x € 1 000)19 698
Mutaties 1e suppletore begroting: 
1. Tegenvaller vervallen ouderbijdrage– 8 000
Stand 1e suppletore begroting11 698

Toelichting mutaties 1e suppletore begroting:

1. Het wetsvoorstel dat de regeling ouderbijdragen uitbreidt naar alle vormen van strafrechtelijke sancties en de ondertoezichtstellingen (OTS) heeft geen doorgang gekregen, hetgeen resulteert in een tegenvaller van de ontvangsten van ca. € 8 miljoen.

Niet-beleidsartikel 99 Nominaal en Onvoorzien

Dit is een technisch, administratief artikel, waarop middelen voor de loon en prijsbijstelling worden geparkeerd voordat ze worden overgeheveld naar de desbetreffende beleidsartikelen. Ook worden hierop de onvoorziene uitgaven geraamd. Daarnaast worden op dit artikel de taakstellingen geboekt, voordat deze verder worden verdeeld over de beleidsartikelen.

99.2 Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)

 Stand ontwerp begrotingMutaties via NvW en amen-dementenMutaties 1e supple-tore wetStand 1e suppletore begrotingMutaties 2009Mutaties 2010Mutaties 2011Mutaties 2012
 123(4)=(1+2+3)    
Verplichtingen0050 28550 28549 02649 56753 14453 135
         
Uitgaven0050 28550 28549 02649 56753 14453 135
         
Programma-uitgaven0050 28550 28549 02649 56753 14453 135

Toelichting mutaties 1e suppletore begroting:

Stand vastgestelde begroting 2008 (bedragen x € 1 000)0
Mutaties 1e suppletore begroting: 
1. Overheveling van het ministerie van VWS– 1 300
2. Loonbijstelling tranche 200854 501
3. Overige mutaties– 2 916
Stand 1e suppletore begroting50 285

Toelichting mutaties 1e suppletore begroting:

1. Het deel van de taakstellende onderuitputting van de begroting van VWS dat betrekking had op Jeugdbeleid is overgeheveld naar de begroting voor Jeugd en Gezin.

2. Dit betreft de loonbijstelling tranche 2008.

BIJLAGE 1

OVERZICHT FOUTEN EN ONZEKERHEDEN IN DE FINANCIËLE INFORMATIE IN HET JAARVERSLAG 2008 VAN JEUGD EN GEZIN (XVII)

A. Verplichtingen (€ x 1000)

Art. nr.OmschrijvingVerantwoord bedragFoutOnzekerheidTotaal F + OTolerantie overschreden?Onzekerheid over volledig-heid
   RechtmatigheidDeugdelijke weergaveRechtmatigheidDeugdelijke weergave   
Beleidsartikelen        
1Gezin en inkomen4 218 357 
2Gezond opgroeien1 241 1943007831 083nee
3Zorg en bescherming1 715 052 
Niet-beleidsartikelen        
98Algemeen 
99Nominaal en onvoorzien 
Totaal 7 174 603300783  

Individuele fouten in de deugdelijke weergave die de tolerantie overschrijden

Art. nr.PostFout 
 Totaal individuele fouten0 
    
    
 Totaal verplichtingen7 174 603 
 Procentuele fout0,00% 
 Procentuele onzekerheid0,01% 

B/C. Uitgaven + ontvangsten (€ x 1000)

Art. nr.OmschrijvingVerantwoord bedragFoutOnzekerheidTotaal F + OTolerantie overschreden?Onzekerheid over volledig-heid
   RechtmatigheidDeugdelijke weergaveRechtmatigheidDeugdelijke weergave   
1Gezin en inkomen4 232 9025 5005 500nee
2Gezond opgroeien292 7763 524723 596nee
3Zorg en bescherming1 565 2533 6221 1624 784nee
98Algemeen 
99Nominaal en onvoorzien  
Totaal 6 090 9317 1466 734  
(1)Totaal Uitgaven en Ontvangsten6 090 931Omvangsbasis uitgaven + ontvangsten 
 Procentuele fout0,12%Tolerantiegrens niet overschreden  
 Procentuele onzekerheid0,11%Tolerantiegrens niet overschreden 
          
(2)Totaal6 090 931Omvangsbasis uitgaven + ontvangsten + bijdrage(n) van derden baten-lastendiensten 
 Procentuele fout0,12%Tolerantiegrens niet overschreden  
 Procentuele onzekerheid0,11%Tolerantiegrens niet overschreden 

B. Uitgaven (€ x 1000)

Art. nr.OmschrijvingVerantwoord bedragFoutOnzekerheidTotaal F + OTolerantie overschreden?Onzekerheid over volledig-heid
   RechtmatigheidDeugdelijke weergaveRechtmatigheidDeugdelijke weergave   
1Gezin en inkomen4 218 3575 5005 500nee
2Gezond opgroeien287 8373 524723 596nee
3Zorg en bescherming1 550 1793 6221 1624 784nee
98Algemeen 
99Nominaal en onvoorzien  
Totaal 6 056 3737 1466 734  

Individuele fouten in de deugdelijke weergave die de tolerantie overschrijden

Art. nr.PostFout 
 Totaal individuele fouten0 
    
    
 Totaal uitgaven6 056 373 
 Procentuele fout0,12% 
 Procentuele onzekerheid0,11% 

C. Ontvangsten (€ x 1000)

Art. nr.OmschrijvingVerantwoord bedragFoutOnzekerheidTotaal F + OTolerantie overschreden?Onzekerheid over volledig-heid
   RechtmatigheidDeugdelijke weergaveRechtmatigheidDeugdelijke weergave   
1Gezin en inkomen14 545 
2Gezond opgroeien4 939 
3Zorg en bescherming15 074 
98Algemeen 
99Nominaal en onvoorzien  
Totaal 34 558 

Individuele fouten in de deugdelijke weergave die de tolerantie overschrijden

Art. nr.PostFout 
 Totaal individuele fouten0 
    
    
 Totaal ontvangsten34 558 
 Procentuele fout0,00% 
 Procentuele onzekerheid0,00% 

BIJLAGE 2

GEBRUIKTE AFKORTINGEN

Op www.rekenkamer.nl staat een verklarende woordenlijst met begrippen die veel voorkomen in onze rapporten bij de jaarverslagen.

ADAlgemene Doelstelling
AKWAlgemene Kinderbijslagwet
AMAAlleenstaande minderjarige asielzoeker
AMVAlleenstaande minderjarige vreemdeling
BuiZa(Ministerie van) Buitenlandse Zaken
BZK(Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
CJGCentrum voor Jeugd en Gezin
DBVDirectie Bedrijfsvoering
DGDirecteur-generaal
EKDElektronisch Kinddossier
FEZFinancieel Economische Zaken
Financiën(Ministerie van) Financiën
JJIJustitiële Jeugdinrichting
JenGJeugd en Gezin
KGBkindgebonden budget
LBIOLandelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
LNV(Ministerie van) Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
NJiNederlands Jeugdinstituut
OCW(Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
ODOperationele Doelstelling
OTSOndertoezichtstelling
P-SGplaatsvervangend secretaris-generaal
RADRijksauditdienst
RWTRechtspersoon met een wettelijke taak
SGSecretaris-Generaal
SVBSociale Verzekeringsbank
SZW(Ministerie van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid
VIRVerwijsindex risicojongeren
VNGVereniging van Nederlandse Gemeenten
VROM(Ministerie van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VWS(Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WWIWonen, Wijken en Integratie
ZATZorg- en Adviesteam

LITERATUUR

Publicaties

1) Algemene Rekenkamer

Algemene Rekenkamer (2007a). Detentie, behandeling en nazorg criminele jeugdigen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 225, nrs. 1–2. Den Haag: Sdu.

Algemene Rekenkamer (2007b). Kopzorgen. Zorg voor Jeugdigen met een lichte verstandelijke handicap en/of psychi(atri)sche problemen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 245, nrs. 1–2. Den Haag: Sdu.

Algemene Rekenkamer (2008a). Inrichting Programmaministerie voor Jeugd en Gezin. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 445, nr. 2. Den Haag: Sdu.

Algemene Rekenkamer (2008b). Opvang zwerfjongeren 2007. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 323, nr. 1. Den Haag: Sdu.

Algemene Rekenkamer (2008c). Opvang zwerfjongeren 2008. Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 827, nr. 1. Den Haag: Sdu.

Algemene Rekenkamer (2008d). Ketenbesef op de werkvloer. (Casus aanpak kindermishandeling). Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 394, nrs. 1–2. Den Haag: Sdu.

Algemene Rekenkamer (2008e). Aanpak harde kern jeugdwerklozen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 749, nrs. 1–2. Den Haag: Sdu.

2) Jeugd en Gezin

Jeugd en Gezin (2007a). Programma voor Jeugd en Gezin. Brief van de minister voor Jeugd en Gezin. Overzicht beleidsterreinen Jeugd en Gezin. Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 001, nr. 3. Den Haag: Sdu.

Jeugd en Gezin (2007b). Programma voor Jeugd en Gezin. Brief van de minister voor Jeugd en Gezin. Aanbieden van de nota Kansen voor Kinderen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 001, nr. 5. Den Haag: Sdu.

Jeugd en Gezin (2007c). Vaststelling van de begrotingsstaat van de begroting voor Jeugd en Gezin (XVII) voor het jaar 2008. Memorie van toelichting. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 hoofdstuk XVII, nr. 2. Den Haag: Sdu.

Jeugd en Gezin (2008a). Gezinsbeleid. Brief van de minister voor Jeugd en Gezin. Aanbieden van de nota De Kracht van het gezin. Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 30 512, nr. 4. Den Haag: Sdu.

Jeugd en Gezin (2008b). Vaststelling van de begrotingsstaat van de begroting voor Jeugd en Gezin (XVII) voor het jaar 2009. Memorie van toelichting. Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 XVII, nr. 2. Den Haag: Sdu.

Jeugd en Gezin (2008c). Programma voor Jeugd en Gezin.Brief van de minister voor Jeugd en Gezin en de staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Brief over Zorg- en Adviesteams. Aanbieden van de LOCOJ-monitor 2007. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 001, nr. 51. Den Haag: Sdu.

Jeugd en Gezin (2008d). Programma voor Jeugd en Gezin.Brief van de minister voor Jeugd en Gezin en de staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Brief over Zorg- en Adviesteams. Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 001, nr. 59. Den Haag: Sdu.

Jeugd en Gezin (2009). Programma voor Jeugd en Gezin.Brief van de minister voor Jeugd en Gezin. Brief over CJG’s aan gemeenten, vragenlijsten CJG’s aan gemeenten, onderzoek perceptie burgers CJG’s (drie bijlagen). Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 001, nr. 64. Den Haag: Sdu.

3) Ministerie van BZK

BZK, Financiën en de VNG (2007). Samen aan de slag.Bestuursakkoord Rijk en Gemeenten. 4 juni 2007.

Minister van BZK (2009). Vernieuwing van de rijksdienst. Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 490 nr. 18. Den Haag: Sdu.

4) Ministerie van Justitie

Ministerie van Justitie (2007). Vaststellen van begroting van Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2008. Memorie van Toelichting. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VI, nr. 2. Den Haag Sdu.

5) Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Ministerie van VWS (2006). Brief van de staatssecretaris van 21 december 2006 over de financiële verantwoording van de uitkering jeugdzorg 2005. Jeugdzorg 2005–2008. Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 29 815, nr. 97. Den Haag: Sdu.

Ministerie van VWS (2007). Slotwet en Jaarverslag van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2007. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 444 XVI, nrs. 1–3. Den Haag: Sdu.

6) Tweede Kamer

Tweede Kamer der Staten-Generaal (2009). Verslag van een Algemeen Overleg. Programma voor Jeugd en Gezin. Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 001, nr. 65. Den Haag: Sdu.

Wet- en regelgeving

Regeling mandaat, volmacht en machtiging Jeugd en Gezin.(Staatscourant 2007). Staatscourant, 27 februari 2007, nr. 41, pagina 9.

Tijdelijke regeling CJG. (Staatscourant, 2008). Regeling van de minister voor Jeugd en Gezin. Staatscourant 15 januari 2008, nr. 10/pag 14.

Licence