Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

4 Financiering van de zorguitgaven

4.1 Totaalbeeld

Deze paragraaf gaat in op de financiering van de zorguitgaven die toegerekend worden aan het Budgettair Kader Zorg (BKZ). Het grootste deel van de zorguitgaven betreft uitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Een substantieel deel van de zorguitgaven verloopt via de rijksbegroting en wordt gefinancierd via belastinginkomsten. Een uitsplitsing voor het jaar 2016 staat in tabel 12. In het vervolg van deze paragraaf wordt dieper ingegaan op de financiering van de Zvw en de Wlz afzonderlijk.

Tabel 12 Financiering bruto BKZ- uitgaven (bedragen x € 1 miljard)
 

2016

Zvw

45,9

w.v. eigen betalingen

(3,2)

Wlz

19,9

w.v. eigen betalingen

(1,8)

Overheid (opleidingen/Wtcg/Caribisch Nederland)

0,4

Overheid (Gemeentefonds/Wmo en Jeugdwet)

6,7

Bruto BKZ-uitgaven stand VWS ontwerpbegroting 2016

72,9

Bron: VWS

4.2 De financieringssystematiek

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) loopt via zorgverzekeraars. Zij betalen zorgaanbieders voor de zorg die is geleverd aan hun verzekerden. Een beperkt deel van de zorguitgaven wordt rechtstreeks aan zorgaanbieders betaald vanuit het Zorgverzekeringsfonds (ZVF). Dit betreft vooral de beschikbaarheidbijdragen. Het gaat daarbij om zorgprestaties waarvoor het niet mogelijk en/of wenselijk is de kosten aan individuele verzekerden toe te rekenen. De grootste beschikbaarheidbijdragen zijn die voor opleidingen en de zogenaamde academische component. Daarnaast gaat het om enkele kleinere bijdragen zoals brandwondenzorg, traumazorg, spoedeisende zorg en een deel van de kapitaallasten. Naast de beschikbaarheidbijdragen wordt vanuit het Zorgverzekeringsfonds ook een deel van de grensoverschrijdende zorg betaald.

Figuur 4: Financieringsstromen Zvw

Figuur 4: Financieringsstromen Zvw

Ter financiering van de uitgaven ontvangen zorgverzekeraars van hun verzekerden een nominale premie en het eigen risico. Daarnaast ontvangt elke zorgverzekeraar een vereveningsbijdrage uit het ZVF. Dit bedrag houdt rekening met het risicoprofiel van de verzekerdenpopulatie van iedere zorgverzekeraar en met het eigen risico dat hij ontvangt en zorgt zodoende voor een gelijk speelveld. Dat is nodig omdat verzekeraars zich moeten houden aan de wettelijke acceptatieplicht van verzekerden. Ook ontvangen zorgverzekeraars uit het ZVF een vergoeding voor de beheerskosten van verzekerde kinderen in hun bestand.

De nominale premie bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een door VWS vastgestelde rekenpremie die voor alle verzekeraars hetzelfde is. Samen met de opbrengsten uit eigen betalingen en de bijdrage die zorgverzekeraars uit het fonds krijgen, kunnen zij hier in de optiek van VWS hun zorguitgaven mee betalen. Daarnaast bevat de nominale premie een opslagpremie, die verzekeraars zelf vaststellen en dus per verzekeraar verschilt. Zorgverzekeraars moeten uit hun inkomsten ook hun beheerskosten dekken. Verder moeten zij reserves opbouwen om zeker te stellen dat zij altijd aan hun verplichtingen kunnen voldoen. De Nederlandsche Bank (DNB) stelt minimumeisen aan deze reserves. Zorgverzekeraars kunnen de beheerskosten en de reserveopbouw financieren door middel van die opslagpremie. In de opslagpremie kunnen zorgverzekeraars ook winsten en verliezen uit het verleden, afwijkende inschattingen ten aanzien van de zorguitgaven of risico-opslagen verwerken. Door verschillen in de opslagpremie concurreren verzekeraars met elkaar om verzekerden, die jaarlijks kunnen overstappen naar een andere verzekeraar.

Het ZVF ontvangt ter financiering van zijn uitgaven de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) en een rijksbijdrage kinderen. In verband met de overhevelingen van AWBZ naar Zvw is besloten tot een tijdelijke rijksbijdrage HLZ, die voorkwam dat zowel de nominale premie als de IAB in 2015 fors moesten stijgen. Deze tijdelijke rijksbijdrage loopt geleidelijk af naar nul in vier jaar. Het ZVF ontvangt verder de premievervangende bijdrage van verdragsgerechtigden en rente. Vanuit het fonds worden zorgverzekeraars gedeeltelijk gecompenseerd voor derving van inkomsten als gevolg van wanbetaling bij de nominale premie. Ook worden uit het fonds kosten betaald in het kader van de regeling onverzekerden. In de Zvw is geregeld dat het ZVF niet structureel mag werken met tekorten of overschotten. Daarom dient een gebleken negatief vermogen snel te worden weggewerkt via meer dan lastendekkende premies en een positief vermogen via minder dan lastendekkende premies.

De overheid verstrekt een rijksbijdrage kinderen aan het ZVF. Deze bijdrage maakt het mogelijk dat bij kinderen tot 18 jaar geen nominale premie in rekening hoeft te worden gebracht. De overheid betaalt daarnaast zorgtoeslag aan huishoudens met lage en middeninkomens ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie. De rijksbijdrage kinderen en de zorgtoeslag worden betaald uit belastinginkomsten.

De zorgtoeslag waarborgt dat geen enkel huishouden een groter deel van zijn inkomen aan ziektekostenpremie hoeft te betalen dan wat op grond van de wet als aanvaardbaar wordt beschouwd. De lasten die daar boven uit stijgen komen in aanmerking voor compensatie via de zorgtoeslag. Daarbij is de zogenaamde standaardpremie maatgevend en niet de feitelijke, door de individuele burger betaalde premies. De standaardpremie is bepaald als het gemiddelde van de premies die worden betaald in de markt, vermeerderd met het gemiddelde bedrag dat een verzekerde aan eigen risico betaalt. De zorgtoeslag maakt geen onderdeel uit van het uitgavenkader, maar telt net als de zorgpremies mee in het inkomstenkader. Dat betekent dat het kabinet een hogere zorgtoeslag beschouwt als een vorm van lastenverlichting.

Uiteindelijk worden alle zorguitgaven betaald door burgers en bedrijven via de nominale premie, de inkomensafhankelijke bijdrage, eigen betalingen en belastingen. In de Zvw is vastgelegd dat evenveel inkomsten worden gegenereerd via de inkomensafhankelijke bijdrage als via de nominale premie, de eigen betalingen en de rijksbijdrage kinderen samen (de 50/50-verdeling). De 50/50-verdeling impliceert dat uitgavenstijgingen bij verzekeraars voor 50% moeten worden gedekt uit de IAB. Dat wordt bereikt door de bijdrage uit het fonds aan verzekeraars te verhogen. Omgekeerd dient een stijging van de rechtstreekse uitgaven van het fonds voor de helft te worden opgevangen via nominale premies. Dat wordt bereikt door de bijdrage voor de zorgverzekeraars te verlagen.2

De Wet langdurige zorg (Wlz)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Wlz loopt in opdracht van zorgkantoren via het CAK naar zorgaanbieders. De uitzondering hierop vormen persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Daarbij wordt geld door de SVB overgemaakt naar zorgverleners in opdracht van burgers die zelf zorg inkopen (trekkingsrechten). De benodigde middelen komen uit het Fonds Langdurige Zorg (FLZ).

Het FLZ ontvangt ter financiering van zijn uitgaven (via de belastingdienst) de Wlz-premie. De Wlz-premie wordt geheven als percentage over het inkomen in de eerste en tweede belastingschijf, na aftrek van een deel van de heffingskortingen. Deze heffingskortingen (die bestaan sinds de belastingherziening 2001) beperken voor burgers de te betalen loon- en inkomstenheffing. Ze beperken dus zowel de te betalen inkomsten- en loonbelasting als de te betalen premies volksverzekeringen (Wlz, AOW en ANW). Voor 2001 waren er aftrekposten die zwaarder drukten op de belastingen en minder op de premies volksverzekeringen. Het FLZ ontvangt van de overheid een bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK). Via deze bijdrage wordt het FLZ gecompenseerd voor het drukkend effect op de AWBZ-premies dat uitgaat van de belastingherziening 2001. Het FLZ ontvangt daarnaast van burgers (via het CAK) de eigen bijdrage Wlz en betaalt rente aan de overheid.

In de Wlz wordt gestreefd naar een binnen een kabinetsperiode constante lastendekkende premie. In augustus 2014 is besloten tot een Wlz-premie van 9,65% voor deze kabinetsperiode, omdat bij die premie op basis van de toenmalige ramingen een vermogen van circa nul in 2017 resulteerde. Op basis van de actuele ramingen lijkt dit uit te komen.

Figuur 5: Financieringsstromen Wlz

Figuur 5: Financieringsstromen Wlz

De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

Tot en met 2014 werd de langdurige zorg gefinancierd via de AWBZ. De uitgaven en inkomsten verliepen via het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Het AFBZ zal nog de nodige jaren bestaan omdat het lang duurt voordat alle inkomsten en uitgaven uit oude jaren die ten gunste en ten laste van het AFBZ komen ook feitelijk ontvangen en betaald zijn.

Het AFBZ kent al een aantal jaren een fors negatief vermogen. Dit vermogen kan de komende jaren nog veranderen door mee- of tegenvallende inkomsten en uitgaven, maar zal naar alle waarschijnlijkheid fors negatief blijven. In de Wlz is opgenomen dat het negatieve vermogen van het AFBZ bij de liquidatie van dit fonds via een rijksbijdrage zal worden aangezuiverd. Deze rijksbijdrage zal te zijner tijd geen invloed hebben op de EMU-schuld, omdat het negatieve vermogen van het AFBZ al in de EMU-schuld verdisconteerd is.

4.3 De financiering in 2016
4.3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

Tabel 13 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten uit hoofde van de Zorgverzekeringswet (Zvw)3.

De ontwikkelingen bij de financiering van de Zvw in 2016 worden gedomineerd door drie zaken:

  • De (in historisch perspectief lage) groei van de zorguitgaven. Deze leidt tot een beperkte premiestijging.

  • De afbouw van de rijksbijdrage die in 2015 is geïntroduceerd om de premiegevolgen van de overheveling geleidelijk te laten verlopen. Hierdoor stijgen de premies.

  • De lage vaststelling van de nominale premie 2015 door verzekeraars. Hierdoor is de beoogde 50/50-verhouding tussen nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) niet gerealiseerd. In 2016 moet deze 50/50-verhouding worden hersteld, waardoor de nominale premie meer moet stijgen dan de IAB.

De Zvw-uitgaven vallend onder het BKZ bedragen in 2016 € 45,9 miljard; een groei van € 1,8 miljard ten opzichte van de voor de DBC-hobbel geschoonde uitgaven 2015. De ontwikkeling van de Zvw- uitgaven wordt elders in dit Financieel Beeld Zorg toegelicht. De groei van de Zvw-uitgaven betreft vooral groei bij de zorguitgaven van zorgverzekeraars. Deze stijgen met € 1,4 miljard van 2015 naar 2016. De rechtstreekse betalingen vanuit het Zorgverzekeringsfonds (beschikbaarheidsbijdragen en uitgaven in het kader van internationale verdragen) groeien naar verwachting met € 0,4 miljard.

Bij de beheerskosten en reserveopbouw van zorgverzekeraars wordt een daling van € 0,7 miljard verwacht ten opzichte van de raming voor 2015. Deze daling wordt vooral veroorzaakt doordat zorgverzekeraars in 2016 naar verwachting meer zullen interen op hun reserves dan in 20154 . De zorgverzekeraars hebben hun zorgpremies in 2015 ook gedrukt door in te teren op hun reserves. Ondanks deze intering beschikken de zorgverzekeraars naar verwachting nog over reserves die duidelijk hoger zijn dan minimaal vereist op basis van de eisen in Solvency II. In verband met de continuïteit van de sector is het van belang dat zorgverzekeraars voldoende reserves hebben. Daarnaast is er de afgelopen tijd veel aandacht geweest voor de omvang van de reserves. Daarom is met de zorgverzekeraars afgesproken dat zij evenwichtig zullen omgaan met hun reserveringenbeleid. De concurrentie op de zorgverzekeringsmarkt dwingt hen hier ook toe. Verondersteld wordt dat zorgverzekeraars in 2016 een significant deel van de overreserves gaan teruggeven (€ 1,5 miljard). Bij de raming van de premie is er van uitgegaan dat de zorgverzekeraars hun solvabiliteitsratio, de verhouding tussen aanwezige solvabiliteit en minimaal vereiste solvabiliteit, weliswaar laten dalen, maar wel boven de minimale eis zullen blijven.

De overige baten van het ZVF (rentebaten, bijdragen van verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en onverzekerden) zijn vrijwel constant5.

Naar huidige inschatting zal het zorgverzekeringsfonds per ultimo 2015 een vermogensaldo van ongeveer nul hebben. Er hoeft in 2016 dus geen overschot of tekort te worden weggewerkt.

De hierboven beschreven ontwikkeling van lasten, saldo en overige baten leidt ertoe dat er in 2016 € 45,4 miljard aan premies, rijksbijdragen en eigen betalingen nodig zijn; dit is € 1,1 meer dan in 2015. Van de € 45,4 miljard wordt € 1,4 miljard opgevangen door de rijksbijdrage HLZ. De resterende € 44,0 miljard wordt door de inkomensafhankelijke bijdragen, de nominale premie, de rijksbijdrage kinderen en de eigen betalingen gefinancierd zoals weergegeven in tabel 13. De ontwikkelingen daarbij worden later in deze paragraaf toegelicht.

Tabel 13 Financiering Zvw (bedragen x € 1 miljard)
 

2014

2015

2016

Uitgaven ten laste van de macropremielast

     

Zorguitgaven zorgverzekeraars

38,2

41,4

42,8

Rechtstreekse uitgaven Zorgverzekeringsfonds

2,2

2,7

3,1

BKZ-relevante uitgaven

40,4

44,0

45,9

Beheerskosten/reserveopbouw zorgverzekeraars

1,7

0,2

– 0,5

Overige baten zorgverzekeringsfonds

0,2

0,0

0,0

Saldo Zorgverzekeringsfonds

0,4

0,0

0,0

Totaal te financieren

42,7

44,2

45,4

Rijksbijdrage HLZ

– 1,8

– 1,4

Te financieren uit premies /eigen betalingen

42,7

42,4

44,0

       

Financiering

     

Inkomensafhankelijke bijdrage

22,4

21,2

21,5

Nominale premie

14,7

15,5

16,8

Rijksbijdrage kinderen

2,5

2,5

2,5

Eigen betalingen

3,1

3,2

3,2

Totaal

42,7

42,4

44,0

Bron: VWS. De meeste cijfers in de kolom 2014 zijn afkomstig van of afgeleid van informatie van het Zorginstituut Nederland (ZiNL). De rechtstreekse uitgaven van het ZVF en het cijfer voor de zorguitgaven van zorgverzekeraars (voor alle sectoren behalve ziekenhuizen) zijn gebaseerd op ZiNL-informatie van juni. Voor de ziekenhuizen is het cijfer deels gebaseerd op ZiNL- en deels op NZa-informatie. De nominale premie en de inkomensafhankelijke bijdrage zijn overgenomen van het CPB. De rijksbijdrage is gebaseerd op het VWS-jaarverslag en komt overeen met ZiNL-informatie van maart. Dit laatste geldt ook deels voor de post overige baten (rentebaten, wanbetalers, onverzekerden, verdragsgerechtigden). Deels is hierbij aangesloten bij het jaarverslag uitvoeringstaken van het het ZiNL. Bij de bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds aan de zorgverzekeraars is rekening gehouden met informatie van het ZiNL met betrekking tot de jeugd-ggz en revalidatie (daarover lopen verzekeraars in 2014 geen risico). De post beheerskosten/reserveopbouw zorgverzekeraars is het saldo van de nominale premies, eigen betalingen en de bijdrage aan verzekeraars uit het fonds enerzijds en de geraamde zorguitgaven van zorgverzekeraars anderzijds (toevoegingen en onttrekkingen aan reserves worden in deze post meegenomen).

Het Zorgverzekeringsfonds (ZVF)

In tabel 14 staan de uitgaven en inkomsten van het ZVF en de individuele zorgverzekeraars. Hierin staan de posten uit tabel 13, maar daarnaast betalingen van het fonds aan de zorgverzekeraars.

Tabel 14 Exploitatie en premiestelling Zvw (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

ZVF

     

Uitgaven

24.270,4

25.520,7

25.420,4

– Uitkering aan zorgverzekeraars voor zorg

21.881,2

22.714,7

22.218,7

– Uitkering voor beheerskosten kinderen

171,7

153,3

145,8

– Rechtstreekse uitgaven ZVF

2.217,4

2.652,8

3.056,0

       

Inkomsten

24.699,4

25.510,7

25.401,0

– Inkomensafhankelijke bijdrage

22.444,0

21.205,8

21.543,2

– Rijksbijdrage kinderen

2.498,5

2.470,8

2.508,7

– Rijksbijdrage HLZ

0,0

1.804,0

1.353,0

– Overige baten

– 243,1

30,1

– 3,9

       

Exploitatiesaldo

429,0

– 10,1

– 19,4

Idem, niet gecorrigeerd voor DBC-hobbels

775,0

674,4

– 19,4

       

Vermogen ZVF

– 1.365,8

– 691,4

– 710,8

Vermogensnorm

– 1.373,5

– 689,0

– 689,0

Vermogenssaldo ZVF

7,8

– 2,3

– 21,7

INDIVIDUELE VERZEKERAARS

     

Uitgaven

39.848,4

41.633,0

42.351,9

– Zorg

38.154,3

41.391,4

42.804,1

– Beheerskosten/exploitatiesaldi

1.694,1

241,6

– 452,2

       

Inkomsten

39.848,4

41.633,0

42.351,9

– Uitkering van ZVF voor zorg

21.881,2

22.714,7

22.218,7

– Uitkering voor beheerskosten kinderen

171,7

153,3

145,8

– Nominale rekenpremie

14.977,7

16.057,5

17.390,6

– Nominale opslagpremie

– 307,3

– 510,2

– 598,0

– Eigen risico

3.098,1

3.190,7

3.194,8

– Overige baten

27,0

27,0

De grootste uitgavenpost van het Zorgverzekeringsfonds is de vereveningsbijdrage; de bijdrage aan de verzekeraars ter gedeeltelijke dekking van de zorgkosten. Deze bijdrage resulteert uit toepassing van de 50/50-regel. Die regel bepaalt – gegeven de totale lasten en gegeven de ontwikkeling van het eigen risico en de rijksbijdrage – hoe de inkomensafhankelijke bijdrage en de nominale premie zich moeten ontwikkelen. Daaruit volgt voor 2016 een stijging van de nominale premie met € 1,2 miljard6. Gegeven de geraamde ontwikkeling van de zorguitgaven van verzekeraars, eigen betalingen, beheerskosten en reserveafbouw van verzekeraars, wordt dit mogelijk via de daling van de bijdrage uit het ZVF aan de zorgverzekeraars met € 0,5 miljard.

De inkomsten van het ZVF bestaan vooral uit de inkomensafhankelijke bijdrage en de rijksbijdrage ter dekking van de fictieve premielast van kinderen tot 18 jaar. Sinds 2015 is er daarnaast een tijdelijke rijksbijdrage HLZ. Via deze rijksbijdrage worden de per saldo resulterende gevolgen van de overheveling van AWBZ naar Zvw en de overheveling van de jeugd-ggz van de Zvw naar de gemeenten op de premies gecompenseerd. In 2016 is de compensatie 60%, in 2017 wordt deze 40% en in 2018 20%.

De inkomensafhankelijke bijdrage stijgt van 2015 naar 2016 met € 0,3 miljard. Dit is het saldo van twee ontwikkelingen. De IAB stijgt met € 0,8 miljard vanwege de stijging van de in tabel 13 gepresenteerde totale uit premies te financieren kosten van 2015 op 2016 van € 1,6 miljard. Daar tegenover staat een daling van € 0,45 miljard als gevolg van een verschuiving binnen de lasten op grond van de 50/50-regel7. De rijksbijdrage voor kinderen stijgt marginaal. Deze volgt de ontwikkeling van het aantal kinderen en de ontwikkeling van de nominale premie plus eigen betalingen. Zorgverzekeraars ontvangen uit het ZVF een vergoeding voor de beheerskosten van verzekerde kinderen die afhankelijk is van het aantal verzekerde kinderen. Via het ZVF lopen ook de overige baten (rentebaten, premievervangende bijdragen verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en kosten en opbrengsten onverzekerden). Deze worden bij de inkomsten geboekt omdat ze niet relevant zijn voor het BKZ.

Het feitelijk vermogen van het Zorgverzekeringsfonds groeit van 2014 op 2015 met 0,7 miljard. Deze verbetering hangt vrijwel geheel samen met het neerwaarts effect op de vereveningsbijdrage van de DBC-duurverkorting. Dit betreft een niet-relevante schadelastdaling (zie voetnoot 2), waarvoor het normvermogen opwaarts wordt bijgesteld8. Daarom muteert het vermogenssaldo van het Zorgverzekeringsfonds van 2014 op 2015 vrijwel niet. Omdat het Zorgverzekeringsfonds per ultimo 2015 vrijwel geen vermogensaldo heeft, hoeft er in 2016 geen tekort of overschot te worden weggewerkt.

De individuele verzekeraars

De uitgaven van de zorgverzekeraars bestaan uit de uitgaven aan zorg en de beheerskosten/reserveopbouw. De ontwikkeling hiervan is hiervoor toegelicht. Dat geldt ook voor de bijdrage die zorgverzekeraars ontvangen uit het ZVF ter gedeeltelijke dekking van de zorgkosten die zij moeten betalen. Zorgverzekeraars ontvangen ook het eigen risico van hun verzekerden. De opbrengst van het eigen risico is vrijwel constant van 2015 op 2016 als saldo van twee ontwikkelingen. De opbrengst stijgt als gevolg van de indexering van het eigen risico en daalt vanwege het kleinere aandeel geneesmiddelen in de zorguitgaven9.

De totale geraamde nominale premie stijgt van 2015 op 2016 met € 1,2 miljard10. Deze stijging betreft een stijging van € 1,3 miljard bij de rekenpremie en een daling van € 0,1 miljard bij de opslagpremie11.

De nominale premies en inkomensafhankelijke bijdragen

Hiervoor is toegelicht hoe de uitgaven en inkomsten zich op macroniveau naar huidig inzicht ontwikkelen tussen 2015 en 2016. Daarbij wordt rekening gehouden met de huidige inzichten voor 2015. Die waren nog niet bekend toen de premies 2015 werden vastgesteld. Bij het verklaren van de premiestijging van 2015 naar 2016 op microniveau moet het huidige beeld 2016 worden vergeleken met het beeld 2015 ten tijde van de premievaststelling. Dat is bij de rekenpremie en de inkomensafhankelijke bijdrage de begroting 2015 en bij de opslagpremie de premiestelling door verzekeraars in het najaar van 2014. De opslagpremie is door de verzekeraars € 53 lager vastgesteld dan geraamd in de begroting. Verzekeraars waren daartoe in staat omdat ze uitgingen van lagere zorguitgaven en van een grotere reserveafbouw. In de onderstaande analyse is er van uitgegaan dat beide bronnen vrijwel evenveel hebben bijgedragen.

De inkomensafhankelijke bijdrage daalt van 6,95% in 2015 naar 6,75% in 2016. Bij de nominale premie wordt een stijging geraamd van € 85; van gemiddeld € 1.158 in 2015 naar gemiddeld € 1.243 in 2016. Voor deze bijstelling is een aantal oorzaken te benoemen.

Tabel 15 Oorzaken premieontwikkeling 2016 (in euro’s (nominale premie) en procentpunten (IAB))
 

IAB

Reken-premie

Opslag- premie

Nominale premie

Premies in 2015

6,95%

1.196

– 38

1.158

a. Groei zorguitgaven

– 0,01%

31

31

b. Saldo Zorgverzekeringsfonds

0,09%

20

20

c. Reserveontwikkeling verzekeraars

– 0,05%

13

– 25

– 12

d. Afbouw rijksbijdrage HLZ

0,07%

17

17

e. Rechttrekken 50/50-verhouding

– 0,13%

3

27

30

f. Verhoging verlaagde IAB-percentage

– 0,14%

g. Overig en afronding

– 0,03%

8

– 9

– 1

Totaal

– 0,20%

92

– 7

85

Premies in 2016

6,75%

1.288

– 45

1.243

  • a. Groei zorguitgaven

    De zorguitgaven van zorgverzekeraars komen naar huidige inschatting € 1,1 miljard hoger uit in 2016 dan volgens de raming 2015 van verzekeraars toen zij de premie 2015 bepaalden. Deze uitgavenstijging leidt – als ook rekening wordt gehouden met de stijging van het aantal verzekerden en de ontwikkeling van de eigen betalingen- tot een stijging van de nominale premie met € 31. De uitgavenstijging leidt ook tot een stijging van de noodzakelijke IAB-opbrengsten, maar vanwege de toename van de IAB-grondslag leidt dit tot een daling van de inkomensafhankelijke bijdrage met 0,01 procentpunt.

  • b. Saldo Zorgverzekeringsfonds

    Bij de premiestelling 2015 is rekening gehouden met een tekort in het Zorgverzekeringsfonds van ruim € 0,5 miljard. Voor 2016 wordt nu gerekend met een saldo van nul. Dit impliceert een stijging van het beoogde exploitatiesaldo in het ZVF met ruim € 0,5 miljard. Dit leidt tot een stijging van de nominale premie met € 20 en tot een stijging van de inkomensafhankelijke bijdrage met 0,09 procentpunt.

  • c. Reserveontwikkeling verzekeraars

    Voor 2016 wordt gerekend met een afbouw van reserves van € 1,5 miljard. Dit is € 0,3 meer dan de reserveafbouw waarvan verzekeraars uitgingen bij hun premiestelling. De grotere reserveafbouw dan in 2015 werkt volledig door in lagere opslagpremies, die daardoor kunnen dalen met € 25. Omdat de reserveopbouw deel uit maakt van de totale uit premies te financieren last, dient de lagere reserveopbouw voor de helft neer te slaan in een lagere IAB en voor de helft in een lagere nominale premie. Dat gebeurt door de rekenpremie te verhogen (met € 13), waardoor de bijdrage aan verzekeraars daalt en een daling van de IAB met 0,05 procentpunt mogelijk wordt. De totale nominale premie daalt daarom met € 12 als gevolg van de reserveontwikkeling (€ 25 – € 13).

  • d. Afbouw rijksbijdrage HLZ

    De overhevelingen van AWBZ naar Zvw wordt deels gedekt via een tijdelijke rijksbijdrage HLZ. Deze rijksbijdrage bedraagt € 1,8 miljard in 2015 en daalt in vier gelijke stappen naar nul. De rijksbijdrage bedraagt daarom € 1,4 miljard in 2016. De daling van deze rijksbijdrage met € 0,4 miljard leidt tot een stijging van de nominale premie met € 17 en tot een stijging van de IAB met 0,07%-punt.

  • e. Rechttrekken 50/50-verhouding

    De verzekeraars hebben de premie 2015 ruim € 50 lager vastgesteld dan geraamd in de VWS begroting 2015. Dit was mogelijk omdat zij bij hun premiestelling uitgingen van lagere uitgaven dan waarmee VWS had gerekend en omdat ze meer reserves hebben afgebouwd dan verondersteld in de begroting. Indien in de VWS begroting al gerekend was met de lagere uitgaven en de grotere reserveafbouw, dan zou deze meevaller van € 0,7 mld 50/50 verdeeld zijn over lagere nominale premie en lagere IAB. De verzekeraars hebben de meevaller geheel ingezet in lagere nominale premies. Die nominale premie is daardoor in 2015 lager uitgekomen dan resulteert uit de 50/50 verhouding. In de raming wordt er van uitgegaan dat in 2016 weer wordt voldaan aan de 50/50 verhouding. Daarnaast dient de «fout» uit het verleden in vier jaar gecompenseerd te worden. Dat leidt tot een stijging van de nominale premie met circa € 30 en tot een daling van de IAB met 0,13 procentpunt12.

  • f. Verhogen verlaagde IAB-percentage

    Vorig jaar is besloten dat het verschil tussen het normale en het verlaagde IAB-percentage zou worden teruggebracht van 2,1% naar 1,25%. Dit leidt ertoe dat personen die het verlaagde percentage moeten betalen (zelfstandigen en gepensioneerden) meer IAB gaan afdragen. Daardoor kan het normale percentage licht dalen (de totale opbrengst van de IAB hoeft immers niet te stijgen). Dit leidt tot een daling van 0,14 procentpunt.

  • h. Overige posten en afronding

    De ontwikkelingen bij de overige baten van het fonds, de rechtstreekse uitgaven van het Zorgverzekeringsfonds, de beheerskosten van verzekeraars en de rijksbijdrage voor kinderen leiden tot kleine bijstellingen. Deze effecten plus afrondingsverschillen leiden tot een daling van de nominale premie met € 1 en van de inkomensafhankelijke bijdrage met circa 0,03 procentpunt.

Tabel 16 Premieoverzicht Zvw1
 

2014

2015

2016

Inkomensafhankelijke bijdrage normaal (in %)

7,50

6,95

6,75

Inkomensafhankelijke bijdrage verlaagd (in %)2

5,40

4,85

5,50

Nominale rekenpremie

1.121

1.196

1.288

Nominale opslagpremie (gemiddeld)3

– 23

– 38

– 45

Nominale premie totaal (gemiddeld)3

1.098

1.158

1.243

Nominale premie totaal 18-

0

0

0

Verplicht eigen risico

360

375

385

Standaardpremie3

1.329

1.408

1.483

Maximale zorgtoeslag eenpersoonshuishouden3

865

942

1.013

Maximale zorgtoeslag meerpersoonshuishouden3

1.655

1.791

1.935

Bron: VWS

1

Afgezien van de inkomensafhankelijke bijdrage betreft dit jaarbedragen in euro.

2

De zelfstandigen en gepensioneerden betalen de verlaagde inkomensafhankelijke bijdrage.

3

Het cijfer 2016 betreft een raming.

De zorgtoeslag

De Wet op de zorgtoeslag bepaalt dat een huishouden maximaal een bepaald percentage van het inkomen dient bij te dragen aan de nominale premie en voor de betalingen in verband met het verplicht eigen risico. De hoogte van de zorgtoeslag wordt bepaald door de standaardpremie (de geraamde gemiddelde nominale premie voor een zorgverzekering plus het geraamde gemiddelde te betalen bedrag vanwege het verplicht eigen risico) en het huishoudinkomen van de ontvanger13.

De percentages die bepalen hoeveel een huishouden zelf moet betalen wijzigen in 2016. Dit komt enerzijds door een maatregel uit 2010 waarin is besloten deze percentages in dertig stappen te verhogen (van 2011 tot en met 2040). Daarnaast is – net als in 2015 – besloten tot een eenmalige verlaging van de percentages in 2016. Per saldo dalen de normpercentages marginaal, terwijl de afbouwpercentages marginaal toenemen.

De raming voor deze standaardpremie 2016 bedraagt € 1.483. Dit komt overeen met de eerder genoemde raming van de nominale premie van € 1.243 plus het geraamde gemiddelde eigen risico. Gegeven de hiervoor beschreven bijstellingen van de percentages zal de premiestijging voor rechthebbenden op zorgtoeslag niet geheel worden gecompenseerd via een stijging van de zorgtoeslag.

De Belastingdienst/toeslagen ontvangt – voordat de zorgtoeslag feitelijk wordt uitgekeerd – een geactualiseerde inschatting van de hoogte van de nominale premie nadat de zorgverzekeraars hun premie bekend hebben gemaakt.

4.3.2. Wet Langdurige Zorg (Wlz)
Tabel 17 Exploitatie en premiestelling Wlz (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

FONDS LANGDURIGE ZORG

     

Uitgaven

19.850,7

19.899,0

– Zorguitgaven

19.713,0

19.760,5

– Beheerskosten

137,7

138,5

       

Inkomsten

20.169,8

19.313,8

– Procentuele premie

15.028,5

14.100,1

– Eigen bijdragen

1.891,3

1.848,0

– BIKK

3.250,0

3.265,7

– Overige baten

0,0

0,0

       

Exploitatiesaldo

319,0

– 585,2

       

Vermogen Algemeen Fonds

319,0

– 266,2

       

Procentuele premie (in %)

9,65

9,65

De uitgaven in het kader van de Wlz worden gefinancierd uit het Fonds Langdurige Zorg (Flz). Tabel 17 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten van dit fonds.

De uitgaven in deze tabel komen overeen met de Wlz-uitgaven uit tabel 8.

De inkomsten van het fonds worden gevormd door de premie-inkomsten, de eigen bijdragen en de Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK). De Wlz-premie is in de begroting 2015 vastgesteld op 9,65% omdat met dit percentage en de toenmalige ramingen per ultimo 2017 een vermogen van circa nul in het FLZ zou ontstaan. Op basis van de huidige ramingen lijkt dat beeld te kloppen.

4.3.3. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
Tabel 18 Exploitatie en premiestelling AWBZ (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

ALGEMEEN FONDS

     

Uitgaven

27.840,2

– Zorgaanspraken en subsidies

27.649,0

– Beheerskosten

191,2

       

Inkomsten

24.928,6

112,2

2.612,6

– Procentuele premie

18.807,0

134,5

2.634,9

– Eigen bijdragen

1.994,6

– Rijksbijdrage

13,0

– BIKK

4.136,3

– Overige baten

– 22,3

– 22,3

– 22,3

       

Exploitatiesaldo

– 2.911,6

112,2

2.612,6

       

Vermogen Algemeen Fonds

– 18.874,5

– 19.058,2

– 16.870,7

       

Procentuele premie (in %)

12,65

Met ingang van 2015 verlopen de uitgaven in het kader van de langdurige zorg via de Wlz. Daarom komen er met ingang van 2015 geen nieuwe uitgaven en inkomsten ten gunste of ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). De uitzondering betreft de rente die het fonds moet betalen aan de schatkist (in de tabel zichtbaar als de negatieve overige baten). Het vermogen van het AFBZ wordt daarnaast nog beïnvloed door bijstellingen die blijken na afloop van het jaar. Op dit moment wordt geraamd dat er in 2015 en 2016 nog nabetalingen zullen komen bij de AWBZ-premies. Het CBS neemt dergelijke ontvangsten in het EMU-saldo mee in het jaar dat ze kasmatig ontvangen worden. Het Zorginstituut Nederland neemt dergelijke nabetalingen mee in het eerste jaarverslag waarin dat mogelijk is. In bovenstaand overzicht staat het exploitatiesaldo in de definitie van het CBS en het vermogen in de definitie van het Zorginstituut. Vanwege het verschil in werkwijze rond nabetalingen komt de jaar op jaar-mutatie in het vermogen niet exact overeen met het exploitatiesaldo. In de Wlz is opgenomen dat het AFBZ in 2020 wordt geliquideerd, nadat het op dat moment bestaande negatieve vermogen is aangezuiverd via een rijksbijdrage.

4.4 Wat betaalt de gemiddelde burger aan zorg

Figuur 6 laat zien dat de gemiddelde volwassene in Nederland in 2016 € 5.358 betaalt aan collectief verzekerde zorg. Dat betreft niet alleen de nominale premie en de eigen betalingen. Een Nederlander betaalt gemiddeld ook een fors bedrag aan Wlz-premie. De inkomensafhankelijke bijdrage wordt voor een beperkt deel rechtstreeks door burgers betaald (gepensioneerden en zelfstandigen) en voor het grootste deel door werkgevers. Dat laatste deel beïnvloedt de loonruimte en is daarom wel meegenomen. Via de zorgtoeslag ontvangt de gemiddelde burger een bedrag ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie en het eigen risico. Als laatste is meegenomen het bedrag dat via belastingen wordt opgebracht ter dekking van de begrotingsgefinancierde zorguitgaven, de rijksbijdragen en de zorgtoeslag.

Het bedrag dat de gemiddelde burger bijdraagt aan de zorg stijgt van 2015 op 2016 met circa 1%14. Dit is het saldo van een aantal, deels samenhangende ontwikkelingen. Zo stijgt de nominale premie van 2015 op 2016 omdat de rijksbijdrage HLZ daalt van 2015 op 2016. Die dalende rijksbijdrage leidt ertoe dat er via belasting minder hoeft te worden opgebracht. Daarnaast hangt de stijging van de zorgtoeslag rechtstreeks samen met de stijging van de nominale premie.

De bedragen in de figuur zijn een gemiddelde per volwassene. Sommige mensen betalen meer en anderen betalen minder. Hoeveel iemand precies betaalt is afhankelijk van zijn inkomen (en bij recht op zorgtoeslag ook van het inkomen van zijn partner). Huishoudens met een laag inkomen betalen minder dan € 5.358 per persoon en huishoudens met een hoger inkomen meer, omdat de meeste posten inkomensafhankelijk zijn. Dat is het geval bij de inkomensafhankelijke AWBZ/Wlz-premies, de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, de inkomensafhankelijke eigen bijdrage AWBZ en de belastingen. Omdat huishoudens met een laag of middeninkomen een inkomensafhankelijke zorgtoeslag ontvangen ter compensatie van de nominale premie en het eigen risico, geldt ook bij de nominale premies en het eigen risico dat de netto-last hiervan in samenhang met de zorgtoeslag toeneemt met het inkomen.

Figuur 6: Lasten per volwassene aan zorg in 2015 en 2016 (in euro’s per jaar)

Figuur 6: Lasten per volwassene aan zorg in 2015 en 2016 (in euro’s per jaar)
2

In de wet is ook vastgelegd dat indien de gerealiseerde verhouding niet 1 op 1 is, er een correctie plaatsvindt in volgende jaren. Dit betekent dat als de verhouding van de gerealiseerde inkomsten in enig jaar anders uitvalt dan beoogd (bijvoorbeeld omdat de inkomensafhankelijke bijdrage € 200 miljoen tegenvalt), er in een volgend jaar allereerst weer wordt uitgegaan van een 50/50-verdeling (waardoor de inkomensafhankelijke bijdrage € 200 miljoen meer stijgt dan de nominale premie), maar daarnaast in vier jaar de «fout» van € 200 miljoen wordt weggewerkt door de inkomensafhankelijke bijdrage € 50 miljoen hoger vast te stellen dan het nominale deel.

3

Veel cijfers in deze paragraaf worden vertekend door zogenaamde DBC-hobbels. Verzekeraars dienen de schade in jaar t+1 die hoort bij DBC’s geopend in jaar t in jaar t te verantwoorden, terwijl bij verrichtingenfinanciering de schade uit jaar t+1 gewoon op jaar t+1 drukt. De overgang van verrichtingenfinanciering naar DBC’s leidt dus tot hogere schade; het verkorten van de DBC-duur leidt tot lagere schade. Het betreft echter geen echte extra schade, maar een schadelastverschuiving, die ook geen invloed heeft op de feitelijke inkomsten van zorgaanbieders. Deze schadelastverschuiving hangt ook niet samen met meer of minder geleverde zorg. Daarom zijn DBC-hobbels niet relevant voor het BKZ en het EMU-saldo. Om te voorkomen dat de niet-relevante schadelastverschuiving leidt tot effecten op de nominale premie, wordt de schadelastverschuiving volledig opgevangen via de vereveningsbijdrage. Om te voorkomen dat de vermogenseffecten van de niet-relevante DBC-hobbels bij het naar nul brengen van het vermogen van het Zorgverzekeringsfonds tot premie-effecten leiden, wordt dit effect via bijstellingen van het normvermogen gecompenseerd. Om een zuiver zicht te krijgen op de echte ontwikkelingen is in de tabellen 15 en 16 gecorrigeerd voor DBC-hobbels. Er doen zich DBC-hobbels voor in 2008 (stijging schadelast door introductie DBC’s bij de curatieve ggz), in 2013 (stijging schadelast door introductie van DBC’s in de geriatrische revalidatiezorg), in 2014 (daling schadelast door de overheveling van de jeugd-ggz en daarmee de beëindiging van DBC’s) en in 2015 (daling schadelast door verkorting van de DBC-duur).

4

Voor 2015 en 2014 is de reserveopbouw bij verzekeraars technisch bepaald als het saldo van de in deze begroting geraamde inkomsten van verzekeraars uit nominale premie, eigen betalingen en de vereveningsbijdrage enerzijds en de in deze begroting geraamde uitgaven van verzekeraars anderzijds.

5

In 2014 is in deze post een correctie verwerkt in verband met de verwerking in 2014 door het CBS van uitgaven 2013 om uit te komen om het saldo van het Zorgverzekeringsfonds te laten aansluiten op de officiële cijfers cf de Brusselse definitie.

6

Over de jaren 2006 tot en met 2015 heeft de IAB naar huidige inschatting € 3,7 miljard meer opgeleverd dan de nominale inkomsten. Deze € 3,7 miljard dient in vier jaar te worden gecorrigeerd. Daarom wordt de IAB in 2016 € 0,9 miljard lager vastgesteld dan de raming van de nominale inkomsten. Dit vergt een verlaging van de IAB met € 0,45 miljard en een stijging van de nominale inkomsten met eveneens € 0,45 miljard. Daarenboven dienen de nominale premie en de IAB beide € 0,8 miljard te stijgen als bijdrage in de totale uit premies te financieren kosten.

7

Zie voetnoot 4.

8

De hoogte van het normvermogen resulteert uit het cumulatieve effect van de DBC-hobbels. Dit betreft het gevolg van de introductie van DBC’s in de GGZ in 2008 (– € 1.637 miljoen), de introductie van DBC’s in de geriatrische revalidatie in 2013 (– € 83 miljoen), het afschaffen van DBC’s in de jeugd-ggz bij overheveling naar de gemeenten in 2014 (+ € 346 miljoen). Cumulatief is dit – € 1.373 miljoen; het normvermogen in 2014. In 2015 stijgt het normvermogen met € 685 miljoen vanwege de DBC-duurverkorting.

9

Geneesmiddelen worden meer dan andere zorgvormen gebruikt door personen die hun eigen risico nog niet vol gemaakt hebben. Een daling van de geneesmiddelenuitgaven leidt daarom tot een relatief forse daling van de opbrengst van het eigen risico.

10

Zie voetnoot 4.

11

De daling van de opslagpremie is het saldo van lagere beheerskosten/exploitatiesaldi bij verzekeraars (– € 0,7 miljard) en het wegvallen in 2016 van het deel van de meevaller bij de zorguitgaven dat in 2015 toevalt aan de verzekeraars (€ 0,6 miljard). De stijging van de rekenpremie is het saldo van de stijging van de nominale premie (€ 1,2 miljard; zie voetnoot 5) en de daling van de opslagpremie (-€ 0,1 miljard).

12

De uitgavenmeevaller en de grotere inzet van reserves hebben een afwijkend effect op reken- en opslagpremie. Als de grotere inzet van reserves in 2015 was verwerkt in de begroting 2015, dan zou deze net als nu is gebeurd voor 100% zijn neergeslagen in de opslagpremie. Er zou dan echter ook een hogere rekenpremie zijn vastgesteld (die de bijdrage aan verzekeraars zou drukken en daarmee een IAB-verlaging mogelijk zou maken). De hogere rekenpremie moet nu nog worden verwerkt. Als de uitgavenmeevaller al in de begroting bekend zou zijn geweest, dan zou deze hebben geleid tot een daling van de rekenpremie en de IAB, maar niet tot een effect op de opslagpremie. De meevaller is nu juist volledig verwerkt in een lagere opslagpremie. Via een hogere opslagpremie en een lagere rekenpremie wordt dit effect nu gecorrigeerd. Per saldo leidt de 50/50 correctie dus vooral tot een hogere opslagpremie.

13

Er geldt niet één percentage over het gehele inkomen. Elk huishouden dient een percentage van het minimumloon bij te dragen en huishoudens met een inkomen boven het minimumloon, dienen daarenboven nog een (ander) percentage van hun inkomen boven het minimumloon bij te dragen, Als de standaardpremie hoger is dan het bedrag dat het huishouden dient bij te dragen, wordt het verschil gecompenseerd via de zorgtoeslag.

14

Het bedrag bij belastingen in figuur 6 is anders berekend dan in eerdere begrotingen. In eerdere begrotingen werd in belastingen alleen de dekking van de zorgtoeslag en de rijksbijdragen meegenomen. In de begroting 2015 is ook de overheveling naar gemeenten meegenomen. In deze begroting is er voor gekozen om in de post belastingen de dekking mee te nemen van alle begrotingsgefinancierde posten (rijksbijdragen, BIKK, zorgtoeslag, BKZ-relevante uitgaven op de VWS begroting en de Wmo/Jeugd-uitgaven binnen het BKZ). In figuur 6 zijn de Wlz-premies opgenomen die over 2015 respectievelijk 2016 moeten worden betaald, maar deels in latere jaren kasmatig betaald worden. Hiervoor is gekozen, omdat als zou worden aangesloten bij de premies in tabel 17 en 18 nog een aantal jaren AWBZ-premies zouden moeten worden getoond.

Licence