Base description which applies to whole site

XV Sociale Zaken en Werkgelegenheid

A. ALGEMEEN

1. Geraamde uitgaven en ontvangsten

Figuur 1 Geraamde begrotingsgefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 68.335.212.000,-

Figuur 2 Geraamde begrotingsgefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 2.675.555.000,-

Figuur 3 Geraamde premiegefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 99.532.049.000,-

Figuur 4 Geraamde premiegefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 306.007.000,-

2. Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.A.Vijlbrief

De Minister van Werk en Participatie,A.A.Aartsen

3. Leeswijzer

Opbouw begroting

De begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is vormgegeven conform de Rijksbegrotingsvoorschriften, die zijn gestoeld op de Comptabiliteitswet 2016. Na deze leeswijzer volgen hoofdstukken met de beleidsagenda, de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen. Hoofdstuk 7 bevat paragrafen met departementspecifieke informatie, hoofdstuk 8 de bijlagen.

Beleidsagenda

In de paragraaf beleidsprioriteiten van de beleidsagenda worden de hoofdlijnen van het beleid van SZW voor het komende jaar beschreven. In de beleidsagenda is verder een cijfermatig overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsmatige mutaties. Ook worden de ontwikkelingen binnen de uitgaven aan Sociale Zekerheid geschetst. Tot slot zijn in de beleidsagenda de Openbaarheidsparagraaf en de Strategische Evaluatie Agenda opgenomen.

Beleidsartikelen

De beleidsdoelstellingen van SZW zijn in afzonderlijke beleidsartikelen opgenomen. De begroting van SZW bestaat uit 13 beleidsartikelen. Alle beleidsartikelen hebben dezelfde opbouw. Allereerst wordt de algemene doelstelling en de rol en verantwoordelijkheid van de Minister toegelicht. Daarna komen de beleidswijzigingen 2027 aan de orde. Vervolgens worden de budgettaire gevolgen van beleid in tabelvorm vermeld. In zeven van de dertien artikelen is naast begrotingsuitgaven sprake van premiegefinancierde uitgaven, die eveneens in tabelvorm worden weergegeven. Ten slotte wordt in elk artikel een toelichting gegeven op de financiële instrumenten. Hierbij wordt gefocust op:

  • het doel van het financiële instrument;

  • wie er voor in aanmerking komen;

  • de financiële regeling;

  • de budgettaire ontwikkeling;

  • de beleidsrelevante kerncijfers.

De begrotingsgefinancierde uitgaven luiden in constante prijzen. In de Miljoenennota 2027 is een voorziening gecreëerd voor de loon- en prijsbijstellingen op alle begrotingshoofdstukken. De hiervoor gereserveerde middelen worden via de eerste suppletoire wetten 2027 naar de departementale begrotingen overgeboekt. Bij de premiegefinancierde uitgaven wordt het effect van deze loon- en prijsstijging op een afzonderlijke regel «nominaal» in de tabellen van deze begroting opgenomen. In het onderdeel nominaal wordt de geraamde ontwikkeling van de prijzen per jaar gereserveerd.

Niet-beleidsartikelen

De begroting van SZW kent twee niet-beleidsartikelen. Deze artikelen bevatten de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement en de nog niet verdeelde reserveringen.

Departementspecifieke informatie

De departementspecifieke informatie bestaat uit de paragrafen «Sociale fondsen SZW» en «Koopkracht en specifieke inkomensaspecten».

Bijlagen

De begroting van SZW bevat vijf bijlagen. Dit betreft de bijlage Zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak, de bijlage Specifieke uitkeringen, het Subsidieoverzicht, de Uitwerking Strategische Evaluatieagenda, en ten slotte de lijst van afkortingen.

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen en uitgaven Sociale Zekerheid

De Minister van SZW is beleidsverantwoordelijk voor de begrotingsgefinancierde regelingen zoals opgenomen in deze begroting. De Minister van SZW is daarnaast beleidsverantwoordelijk voor een aantal regelingen die niet begrotings- maar (grotendeels) premiegefinancierd zijn. In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt daarom gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke budgettaire tabel. In de beleidsagenda (in de paragraaf Budgettaire ontwikkeling uitgaven Sociale Zekerheid) wordt gedetailleerd ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven.

Bronvermelding tabellen met kerncijfers

In tabellen waarin realisatiegegevens van kerncijfers zijn opgenomen wordt in noten onder de tabel verwezen naar de bron van deze gegevens. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van gegevens die in vorige publicaties werden gepresenteerd. Ramingen van de kerncijfers komen – tenzij anders vermeld – voor rekening van het Ministerie van SZW.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In lijn met voorgaande jaren roept de Europese Commissie Nederland op om maatregelen vast te stellen en uit te voeren om het gebruik van flexibele of tijdelijke arbeidscontracten minder aantrekkelijk te maken. Ook beveelt de Commissie aan om maatregelen uit te voeren om tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden aan te pakken, onder meer door onderbenut arbeidspotentieel aan te boren, door de bij- en omscholingsmogelijkheden doelgerichter te maken, en door mobiliteit naar sectoren met een hoge productiviteit en sectoren met betrekking tot maatschappelijke uitdagingen te bevorderen en tegelijkertijd de arbeids- en levensomstandigheden van arbeiders van binnen en buiten de EU te verbeteren.

Groeiparagraaf

Met ingang van de ontwerpbegroting 2027 zijn in de beleidsagenda, in het onderdeel beleidsprioriteiten, de hoofddoelen van het Ministerie van SZW voor het jaar 2027 opgenomen en waar mogelijk wordt ook ingegaan op risico's. Op deze manier geeft het kabinet aan welke resultaten het beoogt te bereiken en welke beleidsdoelen worden geprioriteerd. De belangrijkste budgettaire mutaties die samenhangen met de keuzes van het kabinet zijn opgenomen in paragraaf 4.2 van deze begroting. Hiermee wordt invulling gegeven aan de moties van der Lee c.s. (Kamerstukken II 2024/25, 36 740, nr. 7), Hoogeveen (Kamerstukken II 2025/26, 36 945, nr. 17) en van der Lee c.s (Kamerstukken II 2024/25, 36 740, nr. 8) over doelen, resultaten, prioriteiten en risico's in begrotingsstukken.

De titel van artikel 13 is aangepast naar Inburgering en Integratie. Daarnaast zijn de teksten onder ‘A. Algemene doelstelling’ en ‘B. Rol en verantwoordelijkheid’ aangepast.

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

4. Beleidsagenda

4.1 Beleidsprioriteiten

In het kort

Sinds februari is het kabinet met volle energie aan de slag met de ambities uit het Coalitieakkoord, waarmee we werk maken van de grote uitdagingen van deze tijd. De krapte aan arbeid is een van de grootste knelpunten voor onze economie. In sectoren zoals de zorg, het onderwijs, de kinderopvang, de energie- en technieksector, politie en defensie staat men te springen om mensen. Arbeidsaanbod blijft ook de komende tijd schaars, onder meer door vergrijzing. Om onze welvaart op peil te houden, moeten we naar verwachting in de toekomst meer werk doen met naar verhouding minder mensen.

Technologische vooruitgang betekent dat de arbeidsmarkt permanent in beweging is. Dat vraagt om nieuwe manieren van werken en om blijvend leren en ontwikkelen. Bovendien leggen wereldwijde ontwikkelingen en de vergrijzing ook druk op de vanzelfsprekendheid van onze toekomstige welvaart en onze sociale zekerheid. In Nederland kan iedereen rekenen op een sociaal vangnet en een pensioen. Dat was zo en als we willen dat toekomstige generaties daar ook op kunnen rekenen, dan is daar actie voor nodig.

Daarom willen we ons met volle energie inzetten voor een arbeidsmarkt waarin iedereen kan meedoen. Voor een sterke arbeidsmarkt en economie, met ruimte voor zzp’ers en grip op arbeidsmigratie. En voor het toekomstbestendig maken van onze sociale zekerheid, met perspectief en zekerheid voor wie het (even) niet redt. Dit willen we doen door het gesprek aan te gaan met mensen, en de handen ineen te slaan met werkgevers, werknemers, zelfstandigen en de politiek. Daarmee investeren we samen in de welvaart voor mensen nu, én voor generaties die volgen. En zorgen we er zo voor dat ons land klaar is voor de toekomst, waarin mensen hun dromen kunnen najagen. Daarvoor is een drietal beleidsprioriteiten geformuleerd:

1) Een sterk land laat niemand langs de kant staan. Iedereen heeft immers talenten om mee te doen en een bijdrage te leveren. Terwijl de wereld in een razend tempo verandert, denk aan de opkomst van AI of de noodzaak van (Europese) autonomie, zien we dat er te veel mensen langs de kant staan. Daarom willen we zorgen dat iedereen meedoet, het liefst in een betaalde baan. En zetten we er vol op in dat ook nieuwkomers vaker deelnemen op de arbeidsmarkt. Om te zorgen dat mensen wendbaar zijn en een stevige plek op de arbeidsmarkt hebben en houden, investeren we gezamenlijk in een leven lang ontwikkelen en helpen we mensen van werk naar werk.

2) We maken de arbeidsmarkt wendbaar en aantrekkelijk, en versterken daarmee onze economie. Hierin creëren we ruimte voor verschillende vormen van (zelfstandig) ondernemerschap en meer zekerheid voor werkgevers in tijden van een onverwachte crisis of economische ontwikkelingen. Daarbij is het belangrijk om werknemers voldoende werkzekerheid te bieden, zodat zij ook rust ervaren op de arbeidsmarkt. We zetten daarnaast bewuste stappen om onze economie te versterken. We gaan aan de slag om de arbeidsproductiviteit te verhogen en stimuleren innovatie en slimmere manieren van werken. Ook eerlijke arbeidsmigratie maakt hier deel van uit. We richten ons via de Talentstrategie op arbeidsmigratie die we écht nodig hebben, met het aantrekken van gericht talent voor in een aantal cruciale sectoren.

3) We laten onze sociale zekerheid beter werken voor mensen en bedrijven, nu en voor toekomstige generaties. Ons systeem van sociale zekerheid is versnipperd en stimuleert onvoldoende dat mensen weer mee gaan doen. Dat is ongewenst, zeker in een arbeidsmarkt waarin we juist ieders talenten hard nodig hebben. Daarbij zorgt het doolhof aan regelingen ervoor dat mensen én de uitvoering vastlopen. Daarom gaan we door met de noodzakelijke vereenvoudigingsslag in onze sociale zekerheid, belastingen, toeslagen en verlofregelingen. Daaronder valt dat we werk maken van een ziekte– en arbeidsongeschiktheidsstelsel dat beter in elkaar zit. En dat we de betaalbaarheid en toegankelijkheid borgen van inkomensondersteuning voor iedereen die een vangnet nodig heeft, en bij armoede en schulden. Het kabinet heeft hierbij ook oog voor de mensen in Caribisch Nederland.

Het gaat hier over grote vraagstukken waarvoor breed draagvlak van belang is. Het kabinet gaat hier dan ook graag over in gesprek met uw Kamer en sociale partners. Het heeft goed geluisterd naar de signalen en zoekt toenadering om dit gesprek mogelijk te maken. De bezuinigingen op de AOW en het maximumdagloon zijn van tafel. Bij de WIA, WW en de compensatieregeling transitievergoeding (CRTV) zet het kabinet voorlopig geen onomkeerbare stappen. Daartoe is in de begroting verwerkt dat de inkorting van de WW-duur en de afschaffing van de CRTV zijn uitgesteld. Hiermee wil het kabinet ruimte maken voor een open gesprek over de uitdagingen waar Nederland voor staat en de oplossingen die mogelijk zijn.

Hieronder zullen we nader ingaan op de verschillende thema’s.

Koopkracht

Het kabinet heeft middelen beschikbaar gesteld voor de koopkracht. Het kabinet is nu uitgegaan van een technische invulling. Dit betreft een verhoging van de arbeidskorting met 173 euro en een verlaging van de belastingtarieven in de eerste en tweede schijf met 0,06%. De technische invulling kent een gedeeltelijke dekking uit een bevriezing van het aanvangspunt van het toptarief en een verlaging van de ouderenkorting met 100 euro. Daarnaast ontstaat er ruimte in het inkomstenkader door het afschaffen van een aantal negatief geëvalueerde fiscale regelingen, een verhoging van de belasting op leidingwater met 10 cent per m3 en de stijging van de kostendekkende premie van de Werkhervattingskas (Whk).

De technische invulling beoogt het koopkrachtbeeld evenwichtig te verbeteren. De koopkracht van huishoudens ontwikkelt zich in 2027 met ‒ 0,1%. De armoede blijft in 2027 gelijk (2,6%) en de kinderarmoede daalt naar 2,3%. Het kabinet gaat graag het gesprek aan met de Kamer over de invulling van de koopkrachtmiddelen.

Iedereen doet mee

We zorgen dat mensen die nog langs de kant staan, mee kunnen doen. Te veel mensen staan nog ongewild langs de kant. Dat is zonde — zowel voor henzelf als voor onze samenleving. Soms kunnen deze mensen niet (meer) werken, maar er zijn ook mensen met een uitkering die vastzitten in het systeem terwijl ze graag aan de slag willen. We leggen de focus binnen de sociale zekerheid op meedoen en bijdragen. Iedereen moet mee kunnen doen, het liefst in een betaalde baan. Dit kabinet kijkt dan ook naar wat mensen wél kunnen. Want iedereen heeft talenten, passies en dromen en kan op zijn of haar eigen manier bijdragen. Het is belangrijk dat mensen die ondersteuning nodig hebben om de stap naar werk te zetten, die ook krijgen.

Met het actieprogramma «Nederland Werkt» wil het kabinet samen met verschillende organisaties een brede beweging vormen, waarin we samenwerken vanuit één overtuiging: iedereen die wil en kan bijdragen, moet daar de kans voor krijgen. Dit najaar sturen we hierover een Kamerbrief. We zorgen ervoor dat iedere arbeidsmarktregio een Werkcentrum heeft waar werkzoekenden, werkenden en werkgevers terecht kunnen voor ondersteuning bij scholing en werk.

We streven daarnaast naar een nieuwe banenafspraak voor mensen met een arbeidsbeperking, waarin de ondersteuningsbehoefte leidend is. Het kabinet heeft de ambitie om het voor mensen makkelijker te maken om te wisselen tussen dagbesteding, beschut werk, banenafspraak en regulier werk en zo mee te kunnen doen op de voor hen best passende plek.

Het kabinet zet vol in op het verbeteren van de arbeidsdeelname van nieuwkomers. We willen dat mensen hun talenten kunnen aanspreken en benutten. Op deze manier kunnen mensen bijdragen aan de maatschappij. Zoals beschreven in de startnotitie Werk en Meedoen Nieuwkomers1, zetten we werk centraal binnen het inburgeringsstelsel. We betrekken hierbij de rechten en plichten uit de Participatiewet om dit te faciliteren. Ook nemen we de belemmeringen weg bij werkgevers, zoals taaldrempels en terughoudendheid. Zo kunnen werkgevers aan de slag met het bieden van arbeidsplaatsen aan statushouders en kansrijke asielzoekers. Het kabinet verkent welke acties nodig zijn om de tijd van nieuwkomers in de asielopvang te benutten voor het leren van de taal en het zoeken naar werk. Daarnaast zet het kabinet in op de zelfredzaamheid en participatie van Oekraïense ontheemden. Het verder bevorderen van zelfredzaamheid en participatie is ondersteunend aan het beleid voor verblijfsrecht op de lange termijn, na afloop van de Richtlijn tijdelijke bescherming (RTB).

We willen meer uren werken aantrekkelijker maken. Steeds meer mensen combineren een baan met mantelzorgtaken of kinderen thuis. Dit vraagt veel van mensen. Bovendien zijn de huidige voorzieningen complex. Het kabinet wil belemmeringen wegnemen die mensen ervan weerhouden om te kiezen voor meer uren werken.

Het kabinet gaat daarom door met de stelselherziening van de kinderopvang en werkt aan een nieuwe kindregeling om meer eenvoud, zekerheid en betaalbaarheid voor ouders te bieden. In brede zin werkt het kabinet aan een Hervormingsagenda Inkomensondersteuning voor het belasting- en toeslagenstelsel, waarbij één van de uitgangspunten is dat werken moet lonen. Ook verkennen we een aantal specifieke maatregelen om meer uren werken meer te laten lonen, zoals een voltijdbonus, een meerurenvoordeel en een arbeidskorting per uur. We bekijken in de praktijk wat werkgevers en werknemers samen kunnen doen om extra uren werken mogelijk te maken. Dit doen we door de uitvoering van het project ‘Meer uren werkt’ van het Nationaal Groeifonds.

We gaan hard aan de slag met van werk-naar-werk en een leven lang ontwikkelen. Blijven leren en ontwikkelen moet de norm zijn. Zo blijven mensen duurzaam inzetbaar en wendbaar op de arbeidsmarkt, voorkomen we dat mensen überhaupt thuis komen te zitten en komen meer mensen beschikbaar met vaardigheden voor sectoren die cruciaal zijn voor onze welvaart. Voldoende en de juiste vaardigheden zijn een belangrijke motor voor de Nederlandse en Europese concurrentiekracht, zoals onderstreept in de rapporten van onder andere Draghi en Wennink.

Het kabinet werkt een nieuwe regeling voor Leven lang ontwikkelen (LLO) uit. De regeling geeft toegang tot scholing die helpt om aan het werk te komen, door te groeien of over te stappen. We zorgen dat de mensen die het meest baat hebben bij scholing daar het meest gebruik van kunnen maken. Daarom besteden we aandacht aan kwetsbare groepen, in het bijzonder werkzoekenden en werkenden die minder onderwijs hebben genoten. We richten de regeling op de kennis en vaardigheden in sectoren die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart. Breder werken we aan een overzichtelijk, toegankelijk en bestendig LLO-stelsel voor alle werkenden en werkzoekenden, en voor werkgevers. Daarbij verkennen we de mogelijkheden voor een stelsel van individuele leerrechten.

Er is echter meer nodig. Dit kabinet wil beleidszekerheid en voorspelbaarheid bieden voor de lange termijn, zodat partijen ook langjarige investeringen kunnen maken. Daarbij kan LLO niet afzonderlijk worden bekeken, maar alleen in samenhang met onder andere de hervorming van de transitievergoeding. De afschaffing van de compensatieregeling voor de transitievergoeding stellen we met een jaar uit.

Een beter functionerende arbeidsmarkt is nodig, zodat iedereen kan meedoen. Ons werkloosheidsstelsel moet hierbij aansluiten. De WW-uitkering biedt inkomensbescherming aan mensen die buiten hun schuld om hun baan verliezen. Dit geeft financiële rust en helpt hen de periode naar een nieuwe baan te overbruggen. In de vormgeving van de WW is het altijd zoeken naar een balans tussen enerzijds het bieden van voldoende inkomensbescherming en anderzijds het zorgen dat de uitkering voldoende stimuleert om het werk te hervatten. Deze balans hangt ook af van maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Het kabinet wil binnen de WW meer nadruk leggen op activering en een snelle terugkeer naar werk. Dit is hard nodig om de grote maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat, succesvol te volbrengen en om onze sociale zekerheid en voorzieningen ook in de toekomst toegankelijk en betaalbaar te houden.

Als mensen toch onverhoopt werkloos worden, willen we zorgen dat de periode van werkloosheid zo kort mogelijk is en dat werklozen in die periode voldoende zekerheid en rust hebben om een passende baan te vinden. Het kabinet gaat graag in gesprek met de sociale partners over de vormgeving van een effectief en eerlijk werkloosheidsstelsel inclusief de inzet op van werk naar werk. Om ruimte te creëren voor dat gesprek stelt het kabinet de voorgenomen inkorting van de maximale WW-duur uit met één jaar.

Een wendbare en sterke arbeidsmarkt

In een sterke arbeidsmarkt hebben zelfstandig ondernemers de ruimte om te ondernemen. De Zelfstandigenwet moet een veilige haven worden voor zelfstandigen en opdrachtgevers door hen aan de voorkant duidelijkheid te bieden over wanneer je als of met zelfstandige(n) kunt werken. Zo creëren we rust en duidelijkheid, en geven we zelfstandigen de erkenning die ze verdienen. Ondertussen geven we voorlichting over hoe zzp wél kan, ook nu al. Tegelijkertijd gaan we schijnzelfstandigheid tegen, met het rechtsvermoeden van werknemerschap en de implementatie van de nieuwe Europese platformwerkrichtlijn.

We werken door aan een toekomstbestendige arbeidsmarkt met een gezonde balans tussen werkzekerheid voor werkenden en wendbaarheid voor ondernemers. Het kabinet gaat verder met de uitvoering van het arbeidsmarktpakket. We hebben oog voor of het voldoende aantrekkelijk blijft om nieuwe banen te creëren en of werkgevers mee kunnen bewegen met economische ontwikkelingen. Met de wet «Meer zekerheid flexwerkers» krijgen uitzendkrachten gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden als werknemers in vaste dienst in een vergelijkbare functie en vervangen we nulurencontracten door een bandbreedtecontract met meer rooster- en inkomenszekerheid. We verkorten met de wet de meest onzekere fases van uitzendwerk en gaan draaideurconstructies tegen. Daarnaast werken we aan een wet om de tijdelijkheid van het inlenen van uitzendkrachten te waarborgen.

We zien dat het gebruik van het concurrentiebeding is toegenomen. Vaak wordt het nu ingezet in situaties waarvoor het niet is bedoeld. Het wetsvoorstel modernisering concurrentiebeding beoogt onder andere een afname van het gebruik van het aantal niet-noodzakelijke concurrentiebedingen, zodat de arbeidsmobiliteit onder werknemers toeneemt. Dat kan eraan bijdragen dat mensen sneller op de juiste plek in de arbeidsmarkt terechtkomen. Tegelijkertijd beoogt het wetsvoorstel de mogelijkheid tot het beschermen van gerechtvaardigde bedrijfsbelangen door ondernemingen in stand te houden.

Tot slot werkt het kabinet aan het versterken van het cao-stelsel. Zo verankeren we onder meer de onafhankelijkheid van vakbonden in de wet.

Met het wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis (Wpc) ondersteunen we levensvatbare bedrijven bij het behouden van zoveel mogelijk werknemers tijdens een crisis. Onvoorzienbare omstandigheden buiten het reguliere ondernemersrisico beschouwen we als crisis. Werkgevers die door een crisis worden geraakt kunnen een Wpc-aanvraag indienen bij UWV. Zij kunnen voor de duur van maximaal zes maanden werknemers herplaatsen of tijdelijk minder laten werken.

Het kabinet maakt gerichte keuzes om te zorgen dat Nederland beschikt over voldoende talent voor een aantal cruciale opgaven. Met de Talentstrategie wil het kabinet – in nauwe samenwerking met medeoverheden, werkgevers, werknemers, onderwijsinstellingen en onze talenten zelf - maatregelen nemen om gericht talent op te leiden en te begeleiden naar een aantal cruciale opgaven. Het kabinet investeert hiermee in het beter benutten van talent, het slimmer organiseren van werk, het versterken van ontwikkeling en scholing en het gericht inzetten van arbeids-, kennis- en studiemigratie.

Dit kabinet kiest ervoor om te investeren in vier domeinen waar specifiek voor Nederland kansen liggen om te groeien: (1) digitalisering en AI, (2) veiligheid en weerbaarheid, (3) energie- en klimaattechnologie en (4) life sciences en biotechnologie. Hieronder vallen ook de uitbreiding van een innovatieve en schaalbare krijgsmacht en de aanpak van netcongestie. Tegelijkertijd kunnen we deze cruciale opgaven niet realiseren zonder dat de basis op orde is. Goede zorg, goed onderwijs, een huis om in te wonen en goede kinderopvang zijn randvoorwaardelijk voor de innovatieve, productieve economie en samenleving van de toekomst. Delen van deze opgaven gaan we niet realiseren als we er niet op inzetten (fors) meer talent die kant op te laten bewegen.

We sturen sterker op arbeidsmigratie die we echt nodig hebben, pakken misstanden aan en zetten in op vermindering van de afhankelijkheid van laagbetaalde arbeidsmigratie. Arbeidsmigratie levert een belangrijke bijdrage aan onze economie en kan tijdelijk verlichting brengen waar de arbeidsmarktkrapte het meest knelt. Tegelijkertijd is meer grip op de omvang van arbeidsmigratie nodig om aan te sluiten bij het scenario van gematigde bevolkingsgroei van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050. De beweging naar een hoogproductieve economie betekent dat we onze afhankelijkheid van laagbetaalde arbeid moeten inperken. Bovendien zien we nog veel schrijnende misstanden met arbeidsmigranten.

Vanaf 1 maart 2028 is het in de vleesindustrie verboden om met uitzendkrachten te werken. Hiermee pakt het kabinet jarenlange misstanden in de vleesindustrie bij de bron aan. Breder pakken we misstanden aan door onverminderd door te gaan met de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten. We geven uitvoering aan het SER-advies "Arbeidsmigratie naar waarde".

Vanaf 2027 treedt ook de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) in werking. Deze wordt namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgevoerd door de nieuwe Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). Het kabinet verhoogt boetes bij overtreding van arbeidswetten, treft maatregelen om oneigenlijke detachering van derdelanders tegen te gaan en zet zich Europees in voor versterking van de Europese Arbeidsautoriteit.

De economie van de toekomst vergt dat we arbeidsmigratie scherper sturen richting onze belangrijkste maatschappelijke opgaven. Daarom verkennen we een vakkrachtenpilot. Met deze pilot willen we gericht en onder strenge voorwaarden goed geschoolde krachten naar Nederland halen voor specifieke maatschappelijk cruciale beroepen. De uitwerking sluit aan bij de richting die uiteen is gezet in de Talentstrategie. Ook zorgt het kabinet dat de kennismigrantenregeling robuuster en toekomstbestendiger wordt. We zorgen dat deze behouden blijft als toegankelijke en generieke regeling voor het talent dat Nederland nodig heeft.

Het kabinet werkt aan het bevorderen van gelijk loon voor vrouwen en mannen met het wetsvoorstel loontransparantie. Hiermee implementeren we de Europese Richtlijn loontransparantie. Het wetsvoorstel introduceert diverse transparantieverplichtingen voor werkgevers, waarmee meer inzicht komt in gelijke beloning tussen mannen en vrouwen. Werkgevers dienen te beschikken over een objectief systeem van functiewaardering en -indeling om verschillen bij inschaling tussen mannen en vrouwen tegen te gaan.

Toekomstbestendige sociale zekerheid

Een toekomstbestendig stelsel van sociale zekerheid is activerend, eenvoudig en betaalbaar. Het huidige stelsel is dringend aan hervorming toe: het grote aantal regelingen, ingewikkelde berekeningen en het toekennen van bedragen achteraf leiden tot onzekerheid en maken de uitvoering ingewikkeld. Mensen lopen hierin vast. Met de Hervormingsagenda inkomensondersteuning zet het kabinet jaarlijks hervormings- en vereenvoudigingsvoorstellen in gang.

Arbeidsongeschiktheid

Het kabinet wil in gesprek met de vakbeweging en werkgevers om te werken aan een ziekte- en arbeidsongeschiktheidsstelsel dat beter werkt, nu en in de toekomst. Samen met hen willen we tot een begrijpelijke en uitvoerbare arbeidsongeschiktheidsregeling komen. Het moet daarbij ook gaan over de IVA (voor volledig en permanent arbeidsongeschikte mensen) en het duurzaamheidscriterium in de WIA. Uit verschillende onderzoeken komt naar voren dat dit criterium een goede uitvoering van het stelsel belemmert, als gevolg van de complexiteit van de duurzaamheidsbeoordeling. Om de uitvoering van de WIA toekomstbestendig te maken is het noodzakelijk dit criterium af te schaffen. Voor de lange termijn werkt het kabinet aan een toekomstvisie voor het stelsel van arbeidsongeschiktheid.

Verbetering van de dienstverlening aan burgers en bedrijven moet ook onderdeel van dit gesprek zijn, evenals het aanpakken van hardheden en het verminderen van de complexiteit voor de uitvoering. Op dit moment zitten mensen soms gevangen in systemen, waar uitvoeringsorganisaties zich vaak evenmin raad mee weten. Dat willen we aanpakken. Het aantal mensen dat zich meldt voor een WIA-uitkering neemt toe. Deze mensen moeten te lang wachten voordat ze een WIA-beoordeling krijgen. Dit moet anders. Daarom wil het kabinet ervoor zorgen dat UWV de WIA makkelijker kan uitvoeren. Op korte termijn willen we maatregelen nemen die aansluiten bij recent beleidsonderzoek naar de WIA2: taakherschikking, betere samenwerking tussen de verzekeringsarts en bedrijfsarts en meer voorwaarden stellen aan WIA-herbeoordelingen.

Inzet op het voorkomen van uitval van werkenden is essentieel voor een toekomstbestendig stelsel. Allereerst voor het welzijn van mensen, én als we kijken naar de zorgelijke hoge instroom van (jonge) mensen in de WIA. Dit is vaak het gevolg van psychische klachten. Het kabinet brengt de achterliggende oorzaken van en oplossingsrichtingen voor de stijging van uitval door mentale klachten in kaart. Het streven van het kabinet is de Kamer voor de begrotingsbehandeling te informeren over de stand van zaken van deze inventarisatie.

Daarvoor zijn ook een gezonde en veilige werkomgeving in brede zin essentieel. Zo blijven mensen duurzaam inzetbaar en voorkomen we uitval door werk. Goed werkgeverschap is hierin een vereiste. Samen met werkgevers en werknemers zet het kabinet in op meer aandacht voor preventie om gezonde en veilige arbeidsomstandigheden te stimuleren. Het kabinet zet hiermee de ambitie uit de Arbovisie van 2040 voort. Het kabinet verkent onder andere de introductie van financiële prikkels zodat bedrijven meer investeren in preventie. Ook de sociale partners hebben een belangrijke rol bij preventie. Het kabinet gaat hierover graag het gesprek aan met hen. Het kabinet werkt samen met sociale partners in de duurzame inzetbaarheidsagenda aan het voorkomen en verlichten van zwaar werk. Het doel hiervan is dat mensen vaardig, veilig en gezond kunnen doorwerken tot hun pensioen.

Het kabinet werkt aan beleidsopties om loondoorbetaling bij ziekte meer werkbaar te maken voor werkgevers, met name voor het mkb. Met het wetsvoorstel uit het arbeidsmarktpakket voor kleine en middelgrote werkgevers maken we het mogelijk om de re-integratie in het tweede ziektejaar te richten op werkhervatting bij een andere werkgever. Daarnaast is een wetsvoorstel ingediend waarbij het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend wordt bij de toets op de re-integratie-inspanningen door UWV. Met een knelpuntenanalyse van de Wet verbetering poortwachter kijken we hoe we de administratieve lasten kunnen beperken voor werkgevers, ook met het doel om effectieve re-integratie te bevorderen.

Mensen zonder arbeidsvermogen binnen de Participatiewet wil het kabinet beter ondersteunen. Een aanzienlijke groep arbeidsongeschikten is afhankelijk van de Participatiewet. Die wet kent sterke verplichtingen en prikkels om weer aan het werk te gaan. Terwijl mensen zonder arbeidsvermogen geen perspectief hebben op een betere situatie. We willen van mensen niet constant vragen om (meer) te werken, als iemand dat echt niet kan. Voor de langere termijn verkennen we daarom een individuele uitkering buiten de Participatiewet. Deze moet passen in de hervorming van het bredere arbeidsongeschiktheidsstelsel.

Het kabinet werkt aan verbeteringen in de sturing van, het toezicht op, en de samenwerking met de zelfstandig bestuursorganen (zbo’s). De afgelopen jaren zijn er te veel fouten gemaakt bij het vaststellen van het recht en de hoogte van WIA-, Wajong- en ZW-uitkeringen. Deze fouten zijn te laat opgemerkt. Dit leidt tot onzekerheid bij mensen en is onacceptabel. Daarom zet het kabinet in op vereenvoudiging. Dit is belangrijk om regelgeving begrijpelijker te maken voor mensen en uitvoerbaarder voor publieke dienstverleners. Eenvoudigere regels verminderen het risico op het maken van fouten. Dat verbetert de dienstverlening aan burgers.

Tegelijk wordt gewerkt aan betere sturing, toezicht en samenwerking richting zbo’s op basis van de aanbevelingen van onder meer de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk. Het stelsel van toezicht functioneert op dit moment onvoldoende. We werken onder meer aan scherpere stuur- en verantwoordingsafspraken over de kwaliteit van dienstverlening en financiële rechtmatigheid, een intensievere samenwerking met de auditdiensten van UWV en de SVB en we spreken meer systematisch met UWV en de SVB over risico’s in de dienstverlening voor cliënten. UWV start in 2027 met een pilot om de nieuwe afspraken over rechtmatigheid op de WIA toe te passen. Bij een succesvolle pilot kijken we naar uitbreiding naar de andere wetten. Daarnaast werken we opties uit om het toezicht nog verder te versterken. Tot slot bereiden we de aanstelling van een regeringscommissaris voor. Deze zet als aanjager en verbinder in op het boeken van voortgang op complexe dossiers rond publiek private samenwerking binnen het arbeidsongeschiktheidsstelsel.

Pensioen en AOW

Over de toekomst van de oudedagsvoorziening in ons land gaat het kabinet graag het gesprek aan met de vakbeweging en werkgevers. Het kabinet zet het voorstel om de AOW-leeftijd één-op-één te koppelen aan de levensverwachting definitief niet door. Tegelijkertijd blijft het kabinet de waarde inzien van een gesprek met de sociale partners over het bredere vraagstuk van de oudedagvoorziening. Zo neemt het aantal AOW-gerechtigden ten opzichte van het aantal mensen in de werkzame leeftijd door vergrijzing toe. Ook worden we steeds ouder, waardoor de uitgaven aan de AOW stijgen. Ondertussen staat Nederland voor grote maatschappelijke uitdagingen en is economische groei en toekomstige welvaart niet meer vanzelfsprekend.

Bij toekomstig gesprek hierover wil het kabinet het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Inkomensvoorziening Ouderen benutten, dat in het najaar van 2026 wordt opgeleverd. Deze beleidsanalyse brengt in kaart hoe we de inkomensvoorzieningen van ouderen kunnen verbeteren. Daarbij kijkt het IBO naar de betaalbaarheid en uitvoerbaarheid van mogelijke aanpassingen. En naar de effecten die deze aanpassingen kunnen hebben op de arbeidsmarkt en woningmarkt.

We benadrukken ook dat we de afgelopen jaren positieve stappen hebben gezet waar we mee doorgaan. De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel ligt op koers. Inmiddels is voor meer dan de helft van de pensioendeelnemers het nieuwe stelsel realiteit. Tegelijkertijd is het van belang om koers te houden en door te pakken. Op uiterlijk 1 januari 2028 is de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel gerealiseerd. We blijven de overgang daarom nauwlettend monitoren en rapporteren hier twee keer per jaar over.

Armoede en Schulden

Met het Noodfonds Energie helpen we mensen om deze winter hun energierekening te betalen. Het kabinet streeft ernaar om huishoudens weerbaar te maken tegen stijgende energieprijzen en zet in op structurele oplossingen. Tegelijkertijd zien we dat mensen nú moeite hebben met het betalen van hun energierekening door onverwachte gebeurtenissen zoals het conflict in het Midden-Oosten. Daarom zorgen we deze winter voor een Noodfonds Energie, om te voorkomen dat kwetsbare huishoudens door hoge energiekosten door het ijs zakken. Hiervoor is € 193 miljoen gereserveerd.

Het kabinet wil armoede en schulden voorkomen en werkt samen met gemeenten aan het vereenvoudigen en verbeteren van het armoedebeleid. We willen het aanbod van gemeentelijke regelingen overzichtelijker maken. En duidelijker maken hoe mensen deze regelingen kunnen aanvragen. Ook is het belangrijk dat mensen de inkomenssteun krijgen waar ze recht op hebben. Daarom blijft het kabinet inzetten op proactieve dienstverlening, waarbij publieke dienstverleners mensen actief kunnen wijzen op hun rechten en mogelijkheden. Hierdoor gaat het niet-gebruik van regelingen omlaag en dragen we bij aan het vergroten van de bestaanszekerheid. Daarnaast werken we samen met andere departementen aan samenhangend beleid in het sociaal domein. Dat doen we met bijzondere aandacht voor gezinnen in een kwetsbare positie. Zo helpen we mensen om meer rust en overzicht te krijgen in hun financiële situatie. Het kabinet zet in dat kader ook in op financiële educatie bij kinderen en jongeren.

We zetten stappen om mensen meer inzicht in hun schulden te bieden en zorgen voor betere schuldhulpverlening. Dit doen we met het wetsvoorstel Schuldregelen en door de verschillen in geboden kwaliteit van schuldhulpverlening tussen gemeenten te verkleinen. Het kabinet streeft naar meer coördinatie in het invorderingsproces zodat schulden duurzaam worden opgelost en mensen voldoende inkomen overhouden om van te kunnen leven. Onder meer via de evaluatie van de beslagvrije voet en het wetsvoorstel «Bescherming inkomen bij beslagleggingen» (voorheen: Stroomlijning keten voor derdenbeslag). Ook zijn we gestart met de voorbereidingen voor een wet op de overheidsincasso om als één overheid op te kunnen treden. We zetten in op verbetering van de vroegsignalering. Hierover maken we afspraken met gemeenten en vastelastenpartners zoals drinkwaterbedrijven.

Ook langs andere lijnen werken we aan meer balans in de sociale zekerheid, waarbij de overheid menselijker en betrouwbaarder handelt. In 2027 treedt het wetsvoorstel «Handhaving sociale zekerheid» in werking. Dit is een grote stelselwijziging. Uitvoeringsorganisaties krijgen meer ruimte om rekening te houden met de persoonlijke situatie van mensen. De menselijke maat geldt hierbij als uitgangspunt. We moderniseren het vorderingenbeleid. We kijken onder andere naar een nabetalingsgrondslag en het voorkomen van negatieve effecten van nabetalingen op inkomensafhankelijke uitkeringen (keteneffecten). In 2027 gaan we door met het wetsvoorstel "Vereenvoudiging en versterking gegevensbescherming sociale zekerheid". Met deze wet verbeteren we privacy en gegevensuitwisseling in de Wet SUWI en de Participatiewet.

Het kabinet wil mensen in Caribisch Nederland een betere toekomst bieden door armoede en schulden aan te pakken. Want dat is hard nodig. We verhogen in 2027 de energietoeslag voor minimahuishoudens. Hiervoor wordt in totaal € 5,25 miljoen ter beschikking gesteld. En we stellen in 2027 € 1 miljoen extra beschikbaar ter ondersteuning van de lokale aanpak van de openbare lichamen voor gezinnen met kinderen in armoede op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. In 2027 treedt de werkloosheidsvoorziening BES in werking. Hiermee krijgen werknemers in Caribisch Nederland gedurende drie maanden recht op een werkloosheidsuitkering als zij hun baan verliezen.

Het kabinet stelt structureel € 30 miljoen beschikbaar voor de verdere implementatie van de aanbevelingen van de Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland. We investeren in 2027 in de nutsvoorzieningen en basisbehoeften op Saba, Sint-Eustatius en Bonaire en houden deze zo betaalbaar. Ook wordt de kinderbijslagvoorziening BES per 1 januari met circa 4 USD per kind per maand verhoogd. Het kabinet werkt daarnaast aan een gelijkwaardig sociaal vangnet. Dit vangnet is afgestemd op de lokale context en brengt de inkomensondersteuning op een beter niveau. Deze veranderingen bereiken we via de prioritaire wetgevingsagenda Caribisch Nederland.

Ouders

We ondersteunen gezinnen met kinderen de komende jaren door meer zekerheid en eenvoud te bieden. De kinderbijslag en het kindgebonden budget voegen we samen in één nieuwe kindregeling met één wettelijk kader binnen het stelsel van sociale zekerheid. De komende jaren werken we deze regeling verder uit en intensiveren we de bestaande kindregelingen.

Het kabinet zet de herziening van het financieringsstelsel voor kinderopvang door. Daarmee wordt de kinderopvang voor alle werkende ouders zo goed als gratis. De huidige toeslag aan ouders vervangen we per 1 januari 2029 door een subsidie aan kinderopvangorganisaties en gastouderbureaus. Daarmee schaffen we na jaren van discussie over toeslagen daadwerkelijk een toeslag af. Het nieuwe stelsel is eenvoudiger voor ouders en zorgt dat ouders geen risico meer lopen op terugvorderingen. Het nieuwe stelsel kan bijdragen aan een normverandering waarbij het normaal wordt dat kinderen naar de opvang gaan, wat goed is voor hun ontwikkeling.

Het verlofstelsel maken we eenvoudiger. Door de jaren heen is het verlofstelsel meerdere keren uitgebreid. Daardoor hebben ouders meer mogelijkheden om hun werk te combineren met de zorg voor hun kinderen. Maar het stelsel is ingewikkeld geworden. Daarom zorgen we voor een eenvoudiger, begrijpelijker en toegankelijker verlofstelsel. Het streven is om het wetsvoorstel vereenvoudiging verlofstelsel op 1 januari 2028 in werking te laten treden.

Slagvaardige Overheid

Het kabinet streeft naar een slagvaardige overheid die duidelijk kiest, samenwerkt en levert. Het kabinet zet onder andere in op een rijksbrede apparaatstaakstelling. Voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaat dit om een bedrag dat structureel oploopt tot in totaal € 476 miljoen euro. Dit draagt bij aan een fundamenteel efficiëntere en effectievere overheid, met veel minder (complexe) wet- en regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat.

Tabel 1 Apparaatstaakstellingen Coalitieakkoord

in miljoenen euro's

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Efficiencytaakstelling

0

0

19

38

60

82

121

Vernieuwing Rijksdienst/slagvaardige overheid

0

0

0

38

117

198

198

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid benut de taakstellingen als hefboom voor vernieuwing. De bedragen die behoren bij de taakstellingen uit het coalitieakkoord zijn verdeeld over het kerndepartement, de publieke dienstverleners en de Nederlandse Arbeidsinspectie. De aanvullende taakstelling naar aanleiding van de augustusbesluitvorming zal eveneens verdeeld worden over de verschillende organisatieonderdelen. In de komende periode vullen we de taakstellingen binnen het kerndepartement verder in, waarbij we ook kijken naar mogelijkheden tot vereenvoudiging. Interdepartementaal voeren we het gesprek over de mogelijkheden om de gezamenlijke bedrijfsvoering verder te stroomlijnen en zoeken we samenwerking via de taskforce Slagvaardige Overheid. We kijken naar mogelijkheden voor herprioritering en/of het afstoten van taken, om zo toe te kunnen met een kleinere organisatie. Dit komt boven op de maatregelen die al zijn genomen in het kader van de apparaatstaakstellingen van het kabinet Schoof.

Met ingang van de ontwerpbegroting 2027 zijn in de beleidsagenda, in het onderdeel beleidsprioriteiten, de hoofddoelen van het Ministerie van SZW voor het jaar 2027 opgenomen en waar mogelijk wordt ook ingegaan op risico's. Op deze manier geeft het kabinet aan welke resultaten het beoogt te bereiken en welke beleidsdoelen worden geprioriteerd. De belangrijkste budgettaire mutaties die samenhangen met de keuzes van het kabinet zijn opgenomen in paragraaf 4.2 van deze begroting. Hiermee wordt invulling gegeven aan de moties van der Lee c.s.3, Hoogeveen4 en van der Lee c.s5 over doelen, resultaten, prioriteiten en risico's in begrotingsstukken.

Kerncijfers

Handhaving UWV, SVB en gemeenten

Bij het ontvangen van een uitkering gelden diverse verplichtingen, zoals het tijdig verstrekken van gegevens over het inkomen en het melden van samenwonen. De naleving van deze verplichtingen is een belangrijke voorwaarde voor een goed werkend stelsel van sociale zekerheid. UWV, de SVB en de gemeenten zetten diverse instrumenten in om de naleving en handhaving van wet- en regelgeving te bevorderen. Het gaat zowel om voorkomen (bijvoorbeeld door gedragsbeïnvloeding en voorlichting) als om controleren en sanctioneren (bijvoorbeeld opleggen van boetes). De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid. Voor het jaarverslag waren cijfers van gemeenten over het laatste kwartaal van 2025 nog niet beschikbaar. Deze cijfers zijn nu toegevoegd.

Tabel 2 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

 

2023

2024

2025

2023

2024

2025

UWV1

2,6

1,6

1,7

13

9

13

SVB2

3,1

2,3

3,0

7,1

6,7

7,6

Gemeenten3

144

124

124

34

30

30

Totaal

20

16

17

54

46

51

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Bron: SVB, administratie.

3

Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

4

Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het aantal overtredingen ligt dus lager.

Tabel 3 Kerncijfers sanctionering UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal boetes (x 1.000)

Totaal opgelegd boetebedrag (x € 1 mln)

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

 

2023

2024

2025

2023

2024

2025

2023

2024

2025

UWV1

1,1

0,6

0,6

1,2

0,7

0,8

4,4

2,5

2,7

SVB2

0,9

0,8

0,8

1,1

1,1

1,1

4,0

3,3

3,7

Gemeenten3

4,3

3,5

3,6

2,9

2,4

2,6

5,2

5,6

5,8

Totaal

6

5

5

5

4

5

14

11

12

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Bron: SVB, administratie.

3

Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Tabel 4 Kerncijfers incassoratio UWV, SVB en gemeenten

Incassoratio benadelingsbedrag + boetevordering ultimo 2025 (%)

2021

2022

2023

2024

2025

UWV1

56

47

29

19

13

SVB2

58

41

29

13

14

Gemeenten3

41

38

32

25

14

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Bron: SVB, administratie.

3

Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Re-integratie

Tabel 5 geeft weer hoeveel mensen met een beperking door UWV aan het werk zijn geholpen.

Met ingang van het jaarverslag 2025 wordt er voor de WIA en Wajong gerekend met een aangepaste prestatie-indicator, waardoor de aantallen niet te vergelijken zijn met 2024 of eerder. Voor de WIA werden voorheen de mensen geteld van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit werk hebben aanvaard. Sinds 2025 worden mensen geteld die een arbeidsovereenkomst hebben gesloten voor de duur van minstens drie maanden, met een arbeidsomvang (beloonde arbeid) van (gemiddeld) minstens twaalf uur per week. Voor de Wajong werden voorheen alleen de mensen geteld met een overeenkomst van minimaal zes maanden en minimaal 12 uur per week. Vanaf 2025 worden ook mensen meegenomen die de restverdiencapaciteit gedeeltelijk benutten plus mensen met een contractverlenging. De definitie voor de WAO/WAZ is onveranderd en blijft dat alleen de mensen worden geteld van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit werk hebben aanvaard. Voor de Ziektewet worden uitsluitend de mensen geteld die na een re-integratietraject aan het werk zijn gekomen.

Tabel 5 Aantal door UWV aan het werk geholpen mensen met een beperking1
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Streefwaarde 2027

Mensen met recht op WAO-/WAZ-uitkering

100

100

50

2

Mensen met recht op Ziektewetuitkering

350

400

400

2

Mensen met recht op WIA-uitkering

4.500

4.500

7.000

12.000

Mensen met recht op Wajong

7.100

6.100

13.700

15.000

Totaal

12.050

11.100

21.150

Bron: UWV, jaarverslag.

1

De aantallen zijn afgerond op vijftigtallen.

2

Door de aard van deze regelingen kan geen streefwaarde worden opgesteld.

1

Kamerstukken II 2025/26, 32 824, nr. 511.

2

Kamerstukken II 2025/26, 32 716, nr. 55.

3

Kamerstukken II 2024/25, 36 740, nr. 7

4

Kamerstukken II 2025/26, 36 945, nr. 17

5

Kamerstukken II 2024/25, 36 740, nr. 8

4.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

In deze paragraaf worden de belangrijkste mutaties vermeld ten opzichte van de begroting 2026, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen uitgaven en ontvangsten, zowel voor begrotingshoofdstuk 15 als voor begrotingshoofdstuk 40.

Bij beleidsmatige intensiveringen met een budgettaire mutatie van € 20 miljoen of meer in enig jaar wordt verwezen of vooruitgewezen naar een stuk met daarin de door de Kamer te ontvangen informatie conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).

Tabel 6 Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties ten opzichte van vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Stand begroting 2026 (inclusief NvW)

 

65.707.199

67.739.081

69.575.055

72.818.393

75.210.529

Belangrijkste mutaties

       

Mutaties coalitieakkoord

 

‒ 21.372

‒ 44.266

‒ 66.705

‒ 119.713

‒ 50.713

Eerste suppletoire begroting

 

‒ 111.908

404.379

‒ 336.962

‒ 168.440

‒ 425.948

77.510.726

Besparingsverlies banenafspraak

2

68.919

     

Compensatie Sociaal Ontwikkelbedrijven

2

‒ 24.465

‒ 23.759

‒ 23.063

   

Uitstel Participatiewet in balans

2

‒ 14.603

     

Versoberen proactieve dienstverlening

4

‒ 3.320

‒ 10.074

‒ 17.166

‒ 24.527

‒ 28.430

‒ 28.431

Uitstel afschaffen AO tegemoetkoming

4

 

80.518

    

Afschaffen AKW en WKB bij studiefinanciering

10, 11

  

‒ 500

‒ 46.700

‒ 52.900

‒ 52.900

Afromen tijdelijke middelen IBO schulden

99

‒ 5.107

‒ 37.542

‒ 99.342

   

Afromen extra middelen taaleis

99

 

‒ 3.710

‒ 10.565

‒ 17.420

‒ 21.990

‒ 21.990

Ramingsbijstellingen uitkeringslasten

div

‒ 379.965

‒ 281.728

‒ 176.813

‒ 153.170

‒ 210.097

‒ 213.619

Bijstelling rijksbijdrage

12

51.233

461.498

‒ 51.028

‒ 18.599

‒ 195.120

2.349.951

Desalderingen

2, 96

596

30.149

30.513

30.513

30.267

30.267

Kasschuiven

div

‒ 11.936

‒ 127.725

‒ 10.092

44.851

35.549

69.353

Overboekingen van aanvullende post

div

503

5.174

    

Overboekingen met andere departementen

div

‒ 111.050

‒ 33.230

‒ 36.192

‒ 31.807

‒ 36.135

‒ 40.855

Overboekingen met begrotingshoofdstuk 40

div

264.584

271.265

‒ 6.444

‒ 2.787

‒ 6.785

‒ 5.919

LPO

99

74.785

68.218

57.535

52.260

51.151

50.045

Overige mutaties en extrapolatie

div

‒ 22.082

5.325

6.195

‒ 1.054

8.542

75.374.824

Mutaties begroting 2027

 

836.464

213.124

1.866.773

1.743.411

1.945.961

2.061.167

Uitbreiding proactieve dienstverlening bijstand

2, 99

 

8.195

15.135

22.717

30.145

30.146

Besparingsverlies bijstand asiel

2

 

110.986

    

Dekking WKB proactieve dienstverlening

10

‒ 2.605

‒ 31.176

‒ 30.215

‒ 29.952

‒ 29.947

‒ 29.779

Verzachting 2de knikpunt kindgebonden budget

10

13.400

150.000

    

Gedeeltelijk uitstel KOT tranche 2027

7

 

‒ 350.000

    

Uitstel AO-tegemoetkoming

7

  

82.765

   

Uitstel WW-duurverkorting met één jaar

2

   

‒ 99.000

‒ 71.000

 

Envelop armoede schulden

2

 

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

Envelop versterking van gezinnen

10

 

150.000

150.000

150.000

150.000

150.000

Noodfonds: energiemaatregelen

2

 

105.000

    

Apparaatstaakstelling

96

  

‒ 37.563

‒ 38.156

 

‒ 39.106

Bijstelling Macrobudget

2

‒ 46.083

‒ 160.731

‒ 124.498

15.209

18.881

20.886

Loonbijstelling

99

1.388

1.265

1.236

1.213

1.216

1.205

Desalderingen

96

21

2.225

225

225

225

‒ 125

Kasschuiven

div

‒ 168.474

32.690

47.849

36.145

27.540

24.250

Bijstelling rijksbijdragen

12

‒ 19.600

‒ 993.500

518.872

312.900

340.900

414.900

Overige overboekingen van aanvullende post

div

 

350

    

Overboekingen met andere departementen

div

‒ 45.383

‒ 29.846

‒ 27.684

‒ 26.892

‒ 26.639

‒ 26.626

Overboekingen met begrotingshoofdstuk 40

div

5.264

7.544

16.673

90.322

191.144

191.245

Overboeken nominale ontwikkeling (van H83)

div

1.142.364

1.178.147

1.218.213

1.272.915

1.277.731

1.288.406

Overige mutaties

div

‒ 43.828

11.975

15.765

15.765

15.765

15.765

Stand ontwerpbegroting 2027

 

66.431.755

68.335.212

71.060.600

74.326.659

76.610.829

79.521.180

Toelichting

Mutaties eerste suppletoire begroting

De mutaties van de eerste suppletoire begroting zijn toegelicht in onderdeel 2.1 van de Memorie van Toelichting van de Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (Kamerstukken II 2025/26, 36 915 XV, nr. 2).

Mutaties begroting 2027

Uitbreiding proactieve dienstverlening bijstand

Gegevensdeling tussen publieke dienstverleners (proactieve dienstverlening) wordt mogelijk gemaakt voor de algemene bijstand. Het CW 3.1 kader voor het wetsvoorstel is reeds gedeeld (Kamerstukken II 2025/26, 36 799, nr. 8).

Besparingsverlies bijstand asiel

Het kabinet-Schoof ging uit van een structurele besparing op de bijstand als gevolg van asielbeperkende maatregelen. De besparing vindt naar verwachting niet plaats in 2027.

Dekking WKB proactieve dienstverlening

In het kader van de bredere budgettaire opgave in de voorjaarbesluitvorming 2025 is besloten om het kindgebonden budget beter te richten op de lagere- en middeninkomens door middel van een steiler afbouwpercentage voor huishoudens met een verzamelinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024). Bij Nota van Wijziging is het verzamelinkomen waar de versnelde afbouw van het kindgebonden budget start, verlaagd van € 60.000 naar € 57.950. De opbrengst van deze aanvullende maatregel is voorzien voor dekking van proactieve dienstverlening voor de algemene bijstand.

Verzachting 2de knikpunt kindgebonden budget

De stap in 2027 voor invoering van het hogere afbouwpercentage vanaf het tweede knikpunt (€ 57.950, prijspeil 2024) in het kindgebonden budget is verzacht. Het hogere afbouwpercentage wordt geleidelijker ingevoerd. Voor 2027 wordt het hogere afbouwpercentage 9,95% en per 2028 wordt het afbouwpercentage 12,8%. De verzachting leidt tot incidentele meerkosten. Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).

Gedeeltelijk uitstel kinderopvangtoeslag tranche 2027

Per 2027 wordt een volgende stap gezet in de verhoging van het vergoedingspercentage voor kinderopvangtoeslag, om stapsgewijs toe te groeien naar één vast vergoedingspercentage. In 2027 wordt een kleinere stap gezet dan eerder voorgenomen.

Uitstel tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De afschaffing van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten is uitgesteld met één jaar naar 1 januari 2029.

Uitstel WW duurverkorting met één jaar

De maatregel om de maximale duur van een WW-uitkering in te korten van 24 naar 12 maanden, wordt met één jaar uitgesteld naar 1 januari 2029. Dit leidt tot lagere uitgaven aan de Participatiewet en Toeslagenwet in 2029 en 2030 (de hogere uitgaven voor de WW staan in tabel 8, premiegefinancierde uitgaven).

Envelop armoede en schulden

Uit de envelop voor de aanpak van armoede en het tegengaan van problematische schulden is structureel € 20 miljoen per jaar overgeheveld naar de SZW-begroting voor vroegsignalering van schulden (zie ook hieronder bij overboekingen met andere departementen). Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).  

Envelop Versterking van gezinnen

De eerste tranche van de envelop versterking van gezinnen is overgeheveld naar de SZW-begroting. Voor deze intensivering ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).

Noodfonds Energie

Onderdeel van het maatregelenpakket vanwege de gestegen energieprijzen is het Noodfonds Energie. Hiervoor wordt, naast al bestaande middelen, aanvullend € 103 miljoen ingezet vanuit de envelop voor de aanpak van armoede en het tegengaan van problematische schulden. Daarnaast wordt € 2 miljoen bestemd voor Caribisch Nederland. Voor deze mutatie ontvangt uw Kamer dit jaar de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).

Apparaatstaakstelling

In de augustusbesluitvorming 2026 is besloten tot een aanvullende rijksbrede apparaatstaakstelling. De taakstelling is vooralsnog ingeboekt op artikel 96 en zal op een later moment worden verdeeld over de verschillende organisatieonderdelen.

Bijstelling Macrobudget

Ramingsbijstellingen op basis van de nieuwe economische prognose (MEV 2027) van het Centraal Planbureau (CPB).

Loonbijstelling

Bijstelling van de begroting voor compensatie van de loonontwikkeling.

Desalderingen

Er zijn diverse kleine desalderingen (waarin zowel uitgaven als ontvangsten worden aangepast) waarvan de grootste is voor de doorbelasting van de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) (€ 2,0 miljoen). De nieuwe cao Rijk leidt tot hogere uitgaven voor de RSO. De RSO zal het bedrag voor 2026 doorbelasten aan opdrachtgevers in 2027.

Kasschuiven

Er zijn diverse kasschuiven waarvan de grootste zijn:

  • MDIEU (- € 112,0 miljoen van 2026 verspreid naar 2027 t/m 2031): deze kasschuif zorgt in 2027 voor voldoende middelen voor de laatste nabetalingen van de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU). Daarnaast zijn de middelen in 2028 en verder in het juiste ritme gezet voor overheveling naar de subsidieregeling duurzame inzetbaarheid.

  • Noodfonds Energie (- € 34,1 miljoen van 2026 naar 2027 en 2028): betreft een kasschuif om de middelen voor het Noodfonds Energie in het juiste kasritme te plaatsen.

Bijstelling rijksbijdragen

Deze post bestaat uit verschillende mutaties van rijksbijdragen aan sociale fondsen op basis van nieuwe cijfers van het CPB. Meerjarig valt de Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK) voor de AOW beperkt lager uit. De rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds valt in 2027 lager uit. Dat komt vooral doordat voor 2027 nu hogere premie-inkomsten worden geraamd. Voor de jaren vanaf 2028 gaat de rijksbijdrage licht omhoog omdat de uitgaven aan AOW-uitkeringen iets hoger worden geraamd.

Overboekingen van aanvullende post

Er zijn diverse overboekingen van de aanvullende post van het ministerie van Financiën. De grootste zijn voor de enveloppen Versterking van gezinnen en de aanpak van armoede en het tegengaan van problematische schulden, en het Noodfonds Energie (hierboven toegelicht). Daarnaast wordt € 0,35 miljoen overgeboekt uit de envelop Commissie sociaal minimum BES.

Overboekingen met andere departementen

Er zijn in totaal 75 overboekingen met andere departementen. De drie grootste zijn:

  • Naar het Gemeentefonds voor Vroegsignalering schulden (€ 19,7 miljoen in 2027 tot en met 2029): het kabinet voert naar aanleiding van het IBO Problematische schulden een pakket aan maatregelen in om problematische schulden fundamenteel aan te pakken. Met deze middelen kunnen vastelastenpartners zoals bijvoorbeeld drinkwaterbedrijven schulden eerder signaleren en kunnen de gemeenten deze signalen opvolgen.

  • Naar BZK voor de overheveling van het programma WaU (€ 7,6 miljoen voor 2027 aflopend tot € 7,2 miljoen in 2031): er is besloten om de programmadirectie Werk aan Uitvoering (WaU) over te hevelen van SZW naar BZK.

  • Van JenV voor de meerjarige bijdrage Meedoenbalies (€ 1,2 miljoen in 2026, en daarna jaarlijks tot en met 2035 € 5 miljoen per jaar): JenV draagt meerjarig bij aan de Meedoenbalies voor de periode 2026 tot en met 2035.

Overboekingen met begrotingshoofdstuk 40 (H40)

Er zijn diverse herschikkingen en doorverdelingen met het premiegefinancierde begrotingshoofdstuk H40. Een van de grootste betreft een overboeking in verband met de doorverdeling van het deel van de appa­raatstaakstelling uit het laatste coalitieakkoord dat betrekking heeft op UWV en de SVB. Daarnaast vindt er een overboeking van artikel 99 plaats voor de gevolgen van het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid op de uitkeringslasten van de premiegefinancierde sociale zekerheid.

Overboeken nominale ontwikkeling (van begrotingshoofdstuk 83)

Dit betreft de nominale ontwikkeling van de budgetten in 2026 als gevolg van de mutaties van de uitgaven (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexatiepercentages.

Overige mutaties

Deze post bevat diverse kleinere beleidsmatige mutaties die volgen uit de augustusbesluitvorming.

  • Dit betreft onder andere een reservering van cumulatief € 9 miljoen voor een herstelactie van DUO om naar aanleiding van een gerechtelijke uitspraak onterecht geïnde bedragen terug te betalen en openstaande bedragen kwijt te schelden.

  • Een reservering van circa € 2 miljoen om te voldoen aan een gerechtelijke uitspraak dat het Gebaar van Erkenning voor Nederlandse ouderen van Surinaamse herkomst ook aan destijds gehuwde 18-minners moet worden toegekend.

  • Verschillende dekkingsmaatregelen voor bovenstaande reserveringen en het besparingsverlies als gevolg van het uitstel van de beperking van de compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers naar 1 januari 2027. Dit gaat onder meer om de inzet van toegekende middelen voor compensatie van loon- en prijsontwikkeling (€ 16,6 miljoen) en voor de Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen (SLIM, € 10,5 miljoen).

Tabel 7 Belangrijkste beleidsmatige ontvangstenmutaties ten opzichte van vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Stand begroting 2026 (inclusief NvW)

 

2.630.327

2.647.827

2.643.839

2.610.926

2.514.520

Belangrijkste mutaties

       

Eerste suppletoire begroting

 

‒ 137

‒ 36.573

‒ 56.586

‒ 55.274

‒ 42.373

2.384.538

Ramingsbijstellingen uitkeringslasten

div

‒ 443

‒ 74.026

‒ 87.405

‒ 86.195

‒ 73.048

‒ 61.790

Desalderingen

2, 96

596

30.149

30.513

30.513

30.267

30.267

Overige mutaties en extrapolatie

div

‒ 290

7.304

306

408

408

2.416.061

Mutaties begroting 2027

 

58.490

64.301

85.260

95.055

95.462

99.632

Desalderingen

2, 96

21

2.225

225

225

225

‒ 125

Overboeken nominale ontwikkeling (van H83)

10

8.423

7.985

7.695

7.446

7.311

7.210

Bijstelling (c)MEV

7

50.046

54.091

77.340

87.384

87.926

92.547

Stand ontwerpbegroting 2027

 

2.688.680

2.675.555

2.672.513

2.650.707

2.567.609

2.484.170

Toelichting

Mutaties eerste suppletoire begroting

De mutaties van de eerste suppletoire begroting zijn toegelicht in onderdeel 2.1 van de Memorie van Toelichting van de Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van SZW (XV) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (Kamerstukken II 2025/26, 36 915 XV, nr. 2).

Mutaties begroting 2027

Desalderingen

Er zijn diverse kleine desalderingen waarvan de grootste is voor de doorbelasting van de RSO (€ 2,0 miljoen). De nieuwe cao Rijk leidt tot hogere uitgaven voor de RSO. De RSO zal het bedrag voor 2026 doorbelasten aan opdrachtgevers in 2027.

Overboeken nominale ontwikkeling (van begrotingshoofdstuk 83)

Dit betreft de nominale ontwikkeling van de budgetten in 2026 als gevolg van de mutaties van de uitgaven (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexatiepercentages. Deze worden overgeboekt van begrotingshoofdstuk 83.

Bijstelling (c)MEV

Dit betreft de bijstelling van de nominale ontwikkeling als gevolg van de mutaties van de uitgaven (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexatiepercentages van lonen en prijzen op basis van de macro-economische raming van het CPB.

Tabel 8 Belangrijkste beleidsmatige premiegefinancierde uitgavenmutaties ten opzichte van vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Stand begroting t-1 (inclusief NvW)

 

93.330.920

98.497.703

103.485.445

109.075.623

114.253.110

Belangrijkste mutaties

       

Mutaties coalitieakkoord

 

6.000

14.000

‒ 213.000

‒ 1.547.000

‒ 2.190.000

‒ 2.753.700

Eerste suppletoire begroting

 

541.775

827.803

749.850

86.574

‒ 610.890

118.931.366

WW-uitkering beëindigen op eigen initiatief

5

  

‒ 23.319

‒ 41.318

‒ 36.253

‒ 33.346

Gebruikerskosten Basisregistratie Personen

11

7.747

7.747

7.747

7.747

7.747

7.747

Uitvoeringskosten UWV

11

‒ 89.000

     

Herijking WIA-herstelactie

3

103.870

82.846

75.002

83.742

85.355

87.708

Uitstel afschaffen AO tegemoetkoming

3

 

211.639

    

Ramingsbijstellingen uitkeringslasten

div

737.398

1.049.710

1.169.668

1.009.787

834.602

851.050

Bijstelling nominale ontwikkeling

div

‒ 33.455

‒ 427.978

‒ 783.124

‒ 1.242.202

‒ 1.673.083

‒ 1.977.808

Premies betaald over uitkeringen

div

84.095

294.962

282.781

254.063

84.803

27.359

Kasschuiven

11

‒ 4.455

‒ 130.385

7.000

2.055

70.785

55.000

Overboekingen naar andere departementen

1

‒ 124

     

Herschikkingen met H15

div

‒ 264.584

‒ 271.265

6.444

2.787

6.785

5.919

Overige mutaties en extrapolatie

div

283

10.527

7.651

9.913

8.369

119.907.737

Mutaties begroting 2027

 

‒ 371.361

192.543

321.148

1.788.955

1.585.767

845.175

Besparingsverlies Compensatieregeling transitievergoeding

1

91.122

93.889

‒ 50.762

   

Uitstel afschaffing Compensatieregeling transitievergoeding met één jaar

1

 

479.470

251.115

   

Uitstel WW duurverkorting met één jaar

3, 11

 

‒ 5.000

5.000

783.000

586.000

 

Uitstel tegemoetkoming arbeidsongeschikten met één jaar

3, 11

 

‒ 600

227.372

1.600

  

Terugdraaien verlaging maximumdagloon

div

  

‒ 10.000

672.514

687.138

705.934

Uitvoeringskosten UWV

11

‒ 99.382

‒ 39.766

‒ 6.845

‒ 1.501

‒ 18

 

Werkloosheidswet

5

‒ 169.716

‒ 415.279

‒ 269.476

‒ 59.082

‒ 699

 

Premies betaald over uitkeringen

div

‒ 179.167

‒ 175.196

‒ 98.737

‒ 14.534

‒ 33.666

‒ 181.728

Bijstelling nominale ontwikkeling

div

‒ 102

307.238

287.904

496.031

538.908

471.966

Kasschuiven

div

‒ 1.200

‒ 44.800

3.000

2.000

 

41.000

Overboekingen met andere departementen

11

‒ 7.652

131

‒ 750

‒ 750

‒ 750

‒ 750

Overboekingen met Begrotingshoofdstuk 15

div

‒ 5.264

‒ 7.544

‒ 16.673

‒ 90.322

‒ 191.144

‒ 191.245

Overige mutaties

1

   

‒ 1

‒ 2

‒ 2

Stand ontwerpbegroting 2027

 

93.507.334

99.532.049

104.343.443

109.404.152

113.037.987

117.022.841

Toelichting

Mutaties eerste suppletoire begroting

De mutaties van de eerste suppletoire begroting zijn toegelicht in onderdeel 2.1 van de Memorie van Toelichting van de Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van SZW (XV) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (Kamerstukken II 2025/26, 36 915 XV, nr. 2).

Mutaties begroting 2027

Besparingsverlies Compensatieregeling transitievergoeding

De maatregel om de compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid (Compensatieregeling LAO) te beperken tot kleine werkgevers per 1 juli 2026 is eerder middels een Nota van Wijziging aangepast en uitgesteld naar 1 januari 2027. De wijziging van het wetsvoorstel resulteert in een gehele afschaffing van de Compensatieregeling LAO en de Compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging als gevolg van pensionering of overlijden van de werkgever (Compensatieregeling BE). De in het coalitieakkoord aangekondigde afschaffing van de Compensatieregelingen wordt hiermee vervroegd van 1 januari 2028 naar 1 januari 2027. Hierover is de Tweede Kamer eerder geïnformeerd (Kamerstukken II 2025/26, 36 869, nr. 7). Deze mutatie betreft het per saldo besparingsverlies dat het gevolg is van deze keuzes. De afschaffing per 1 januari 2027 is echter met een jaar uitgesteld, zie ook hieronder.

Uitstel afschaffing Compensatieregeling transitievergoeding met één jaar

De maatregel om de compensatieregeling transitievergoeding (CRTV) af te schaffen is met één jaar uitgesteld naar 1 januari 2028.

Uitstel WW duurverkorting met één jaar

De maatregel om de maximale duur van een WW-uitkering in te korten van 24 naar 12 maanden, is met één jaar uitgesteld naar 1 januari 2029. Dit leidt tot hogere uitgaven aan de WW- en loongerelateerde WGA-uitkering in 2029 en 2030.

Uitstel tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De afschaffing van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten is met één jaar uitgesteld naar 1 januari 2029.

Terugdraaien verlaging maximumdagloon

Het kabinet heeft besloten om de verlaging van het maximumdagloon met 20% terug te draaien. Hierdoor nemen de uitgaven op de SZW-begroting (voor de WIA, WAO, ZW, WW en verlofregelingen).

Uitvoeringskosten UWV

Op basis van de nieuwe prognose van het CPB (cMEV) neemt het aantal WW-uitkeringen af. Hierdoor nemen de uitvoeringskosten van UWV ook af.

Werkloosheidswet

De nieuwe prognose van het CPB (cMEV) verwacht een lagere werkloze beroepsbevolking in 2026 en 2027. Hierdoor neemt het aantal WW-uitkeringen af, wat leidt tot een neerwaartse bijstelling.

Premies betaald over uitkeringen

Dit betreft de bijstelling van de werkgeverspremies betaald over uitkeringen naar aanleiding van mutaties in de uitkeringslasten van de betreffende regelingen (grondslag) en wijzigingen in de premietarieven.

Bijstelling nominale ontwikkeling

Dit betreft de bijstelling van de reserveringen om uitkeringen in de toekomst te indexeren. Deze reserveringen zijn bijgesteld naar aanleiding van mutaties in de uitkeringslasten van de betreffende regelingen (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexatiepercentages van lonen en prijzen op basis van de laatste macro economische ramingen van het CPB. Per saldo wordt de nominale ontwikkeling opwaarts bijgesteld, voornamelijk als gevolg van een hoger geraamde contractloonontwikkeling. Dit werkt door in de indexatie van het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen.

Kasschuiven

Vanwege de verschuiving van de voor UWV relevante onderdelen van het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers van 1 januari 2027 naar 1 januari 2028 verschuiven de kosten van implementatie van 2026 naar 2027.

Overboekingen met andere departementen

Er zijn diverse kleine overboekingen met andere departementen.

Overboekingen met begrotingshoofdstuk 15

Er zijn diverse herschikkingen en doorverdelingen naar en van het begrotingsgefinancierde begrotingshoofdstuk (H15). Een van de grootste betreft een overboeking in verband met de doorverdeling van het deel van de apparaatstaakstelling uit het laatste coalitieakkoord dat betrekking heeft op UWV en de SVB. Daarnaast vindt er een overboeking plaats voor de gevolgen van het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid op de uitkeringslasten van de premiegefinancierde sociale zekerheid.

Overige mutaties

Dit betreft een technische mutatie omdat per abuis eerder een klein verschil is opgetreden. Dit wordt hiermee gecorrigeerd.

Tabel 9 Belangrijkste beleidsmatige premiegefinancierde ontvangstenmutaties ten opzichte van vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Stand begroting t-1 (inclusief NvW)

 

290.609

302.556

345.858

364.261

363.231

Belangrijkste mutaties

       

Eerste suppletoire begroting

 

5.677

2.547

14.947

39.016

425

377.213

Ramingsbijstellingen uitkeringslasten

5

5.972

3.173

14.067

34.933

2.099

1.490

Bijstelling nominale ontwikkeling

5

‒ 295

‒ 626

880

4.083

‒ 1.674

‒ 2.296

Overige mutaties en extrapolatie

5

     

378.019

Mutaties begroting 2027

  

904

1.071

1.197

1.081

1.120

Bijstelling CMEV WW

5

 

904

1.071

1.197

1.081

1.120

Stand ontwerpbegroting 2027

 

296.286

306.007

361.876

404.474

364.737

378.333

Toelichting

Mutaties eerste suppletoire begroting

De mutaties van de eerste suppletoire begroting zijn toegelicht in onderdeel 2.1 van de Memorie van Toelichting van de Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van SZW (XV) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (Kamerstukken II 2025/26, 36 915 XV, nr. 2).

Mutaties begroting 2027

Er is een bijstelling van de verwachte WW-ontvangsten als gevolg van de aanpassing van de indexatiepercentages van lonen en prijzen op basis van de macro-economische raming van het CPB.

4.3 Budgettaire ontwikkeling uitgaven Sociale Zekerheid

Deze paragraaf schetst de ontwikkelingen binnen de uitgaven aan Sociale Zekerheid. De uitgaven aan Sociale Zekerheid bevatten alle uitgaven op de begroting van SZW, die uiteenvallen in uitgaven aan begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden gefinancierd uit belastingopbrengsten. De premiegefinancierde uitgaven worden betaald uit premies die werknemers en werkgevers afdragen aan de sociale fondsen. Het UWV en de SVB doen deze uitgaven uit sociale fondsen zelf. Tabel 10 bevat de totale begrotings- en premiegefinancierde uitgaven aan de Sociale Zekerheid.

4.3.1 Opbouw uitgaven Sociale Zekerheid

Tabel 10 Opbouw SZ-uitgaven (bedragen x € 1 miljard)
 

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Begrotingsgefinancierde SZ-uitgaven

33,0

35,1

36,8

39,1

40,3

41,8

wv. loon- en prijsbijstelling begrotingsgefinancierd

0,0

1,2

2,3

3,5

4,5

5,6

Premiegefinancierde SZ-uitgaven

93,2

99,2

104,0

109,0

112,7

116,6

wv. loon- en prijsbijstelling premiegefinancierd

0,0

3,3

6,5

9,7

12,9

16,2

Totale SZ-uitgaven (lopende prijzen) (A+B)

126,2

134,3

140,8

148,1

153,0

158,4

De uitgaven aan Sociale Zekerheid in tabel 10 zijn uitgedrukt in lopende prijzen. Dit betekent dat we rekening houden met toekomstige loon- en prijsontwikkelingen. Voor de begrotingsgefinancierde regelingen staat hiervoor in 2027 € 1,2 miljard op een afzonderlijke begrotingspost die de Minister van Financiën beheert. Voor de premiegefinancierde regelingen staat een reservering op de SZW-begroting. Beide zijn meegenomen in bovenstaande bedragen. Daarnaast houden bovenstaande bedragen rekening met niet-belastingontvangsten. Ook zijn de begrotingsgefinancierde uitgaven gecorrigeerd voor de rijksbijdragen aan de sociale fondsen, deze lopen mee in premiegefinancierde uitgaven. De premiegefinancierde SZ-uitgaven zijn inclusief de premies betaald over uitkeringen, waarvan de inkomsten bij Financiën op de begroting staan.

In 2027 bedragen de totale uitgaven aan Sociale Zekerheid € 134,3 miljard. In de jaren van 2027 tot 2031 stijgen de verwachte uitgaven naar € 158,4 miljard. De stijging is voor een groot deel toe te wijden aan de aanpassing aan de loon- en prijsontwikkeling. Deze post bedraagt € 4,6 miljard in 2027 en stijgt naar € 21,8 miljard in 2031. Gecorrigeerd voor de loon- en prijsbijstelling lopen de uitgaven aan Sociale Zekerheid licht op. Een overzicht van het verloop van de uitgaven over de jaren 2026 t/m 2031 is te vinden in de horizontale toelichting in de bijlagen bij de Miljoenennota.

4.3.2 Uitgaven Sociale Zekerheid 2026-2031

Tabel 11 SZ-uitgaven per cluster van regelingen 2026-2031 (bedragen x € 1 miljard)
 

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Arbeidsmarkt

      

LIV/jeugd-LIV/LKV

0,1

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Transitievergoeding/Compensatieregeling TV MKB

0,7

0,7

0,3

0,0

0,0

0,0

       

Werkloosheid/Bijstand

      

WW-uitgaven (werkloosheid)

4,2

4,3

4,7

5,0

4,1

3,2

Macrobudget participatiewetuitkeringen (bijstand)

8,2

8,3

8,5

8,7

9,0

9,2

       

Ziekte/arbeidsongeschiktheid/verlofregelingen

      

ZW-uitgaven

2,9

2,9

2,9

3,0

3,0

3,1

WIA/WAO/WAZ/Wajong

21,3

21,9

22,4

22,4

22,4

22,4

WAZO/geboorteverlof/ouderschapsverlof

3,1

3,2

3,3

3,3

3,4

3,5

       

Ouderdom/Nabestaanden

      

AOW

58,4

59,7

60,2

61,5

62,9

64,3

Anw

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

       

Kinderopvang en kindregelingen

      

KOT

5,9

6,3

7,5

8,5

8,5

8,7

AKW/WKB

9,8

9,8

9,5

9,4

9,4

9,3

       

Re-integratie/Participatie

      

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

0,2

0,2

0,1

0,1

0,1

0,1

       

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

      

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

3,3

3,3

3,5

3,4

3,3

3,4

Overige uitgaven

3,2

3,4

3,0

3,0

2,9

2,9

       

Loon- en prijsbijstelling

0,0

4,6

8,8

13,2

17,4

21,8

Sociale lasten

4,5

5,1

5,5

5,9

5,9

5,9

       

Totaal SZ-uitgaven

126,2

134,3

140,8

148,1

153,0

158,4

Tabel 11 laat zien hoe de uitgaven aan Sociale Zekerheid zijn opgebouwd per cluster van regelingen. In 2027 vormen de AOW-uitgaven met € 59,7 miljard de grootste uitgavenpost. Daarnaast zijn de arbeidsongeschiktheidsregelingen (€ 21,9 miljard), de WW en bijstand (tezamen € 12,6 miljard) en de kinderopvangtoeslag en kindregelingen (tezamen € 16,1 miljard) grote uitgavenposten. De uitgaven aan de AOW stijgen doordat het aantal AOW-gerechtigden groeit als gevolg van de vergrijzing. De uitgaven aan de Kinderopvangtoeslag (KOT) nemen de komende jaren toe door (de aanloop naar) het nieuwe kinderopvangstelsel.

4.4 Openbaarheidsparagraaf

SZW heeft het verbeteren van de informatiehuishouding en het vergroten van transparantie de afgelopen jaren opgepakt door middel van het meerjarige programma ENIGMA Informatiehuishouding Open op Orde dat eind 2026 naar verwachting decharge zal ontvangen. Het programma had tot doel om het informatiebeheer van SZW te verbeteren en transparanter te maken. Daarnaast had het programma het doel om het bewustzijn van de omgang met openbaarheid van informatie in het DNA van de ambtenaren en in het werkklimaat/-proces van het departement te verankeren. Per 1 januari 2027 zal de opgave om de informatiehuishouding structureel te verbeteren en de actieve openbaarmaking te borgen, landen in de lijnorganisatie.

Informatiehuishouding

Met de afronding van het programma ENIGMA Informatiehuishouding Open op Orde eind 2026 is de programmafase afgesloten. In 2027 ligt de nadruk op het verder afronden van de borging van de bereikte resultaten binnen de lijnorganisatie, zodat de verbetering van de informatiehuishouding een structurele verantwoordelijkheid van de organisatie is en blijft.

Het Kwaliteitssysteem Informatiehuishouding (KS-IHH) borgt de structurele sturing op de kwaliteit van de informatiehuishouding. Het systeem omvat de departementale kaders, monitoring, rapportages en prioritering van verbeterinitiatieven en ondersteunt daarmee een continue verbetercyclus. Het systeem vormt een belangrijke schakel in de doorontwikkeling en het beheer van de departementale kaders, ondersteunt de organisatie met kennis en advies, monitort de naleving van wet- en regelgeving en departementale afspraken, rapporteert over de voortgang en stuurt op de prioritering in tijd van verbeterinitiatieven. Hiermee wordt een structurele verbetercyclus ingericht, waarbij jaarlijks een verbeteragenda wordt vastgesteld en uitgevoerd om de kwaliteit van de informatiehuishouding blijvend te monitoren, te verbeteren en verder te professionaliseren.

Het departementale KS-IHH sluit daarnaast aan op het in ontwikkeling zijnde rijksbrede kwaliteitsraamwerk voor informatiehuishouding (in opdracht van CIO-Rijk), waarmee een uniforme wijze van sturen op kwaliteitsindicatoren en volwassenheidsontwikkeling binnen het Rijk wordt ondersteund.

In 2027 wordt uitvoering gegeven aan de verbeteragenda van het KS-IHH. Een belangrijk onderdeel hiervan is de implementatie van de Archiefwet 2026, die op 1 januari 2027 in werking treedt. Daarnaast wordt in 2027 verder gewerkt aan het afronden van het opschonen van de netwerkschijven en het op orde brengen van de focusdossiers. SZW blijft daarnaast actief aansluiten bij de ontwikkeling van rijksbrede generieke voorzieningen, zoals e-mailarchivering, archivering van berichtenapps, integraal Zoeken en Vinden van informatie en de generieke Woo-voorziening. Deze voorzieningen vormen belangrijke randvoorwaarden voor de verdere professionalisering van de informatiehuishouding. De planning van deze interdepartementale voorzieningen is afhankelijk van de rijksbrede ontwikkeling en kan daardoor gedurende 2027 of later worden geïmplementeerd.

Actieve openbaarmaking

In de Wet open overheid (Woo) is geregeld dat de overheid (nog) transparanter moet worden en daarom moet ook SZW een deel van zijn informatie (documenten) tijdig actief openbaar maken naar de burger toe. Nu moet de burger dat nog vaak via een Woo-verzoek opvragen.

De in de Woo genoemde 11 verplichte informatiecategorieën op directieniveau worden grotendeels al actief openbaar gemaakt, onder andere via eigen SZW-websites, de Staatscourant en open.overheid.nl. Op basis hiervan komt er jaarlijks een geactualiseerde SZW-brede infographic beschikbaar. De infographic geeft inzicht met welke verplichte informatiecategorieën op werkveld- en directieniveau wordt gewerkt. Dit levert management-/sturingsinformatie op en genereert meer bewustwording en betrokkenheid binnen SZW. Tevens wordt bekeken om de infographic in de vorm van een live-dashboard te verwerken.

Naast de reeds bestaande openbaarmaking zullen medio 2027 de resterende informatiecategorieën verplicht openbaar moeten worden gemaakt, met uitzondering van de informatiecategorie Beschikkingen. Beschikkingen moeten op een nader te bepalen later moment verplicht actief openbaar gemaakt worden. De Eindredactie Actieve Openbaarmaking ondersteunt bij het actief openbaar maken van de 11 informatiecategorieën.

Daarnaast kent de Woo ook een inspanningsverplichting. Dit houdt in dat SZW als organisatie bovenop de verplicht gestelde informatiecategorieën op eigen initiatief ook aanvullende documenten openbaar maakt. De Eindredactie Actieve Openbaarmaking werkt momenteel het kader hiervoor uit.

Ten slotte zijn er toolboxen (instructies) actieve openbaarmaking voor medewerkers ontwikkeld, zodat de medewerkers goed zijn uitgerust voor de actieve openbaarmaking.

Passieve openbaarmaking (Woo-verzoeken)

Het is van groot belang om burgers, wetenschappers en journalisten tijdig van informatie te kunnen voorzien ingeval zij een Woo- of informatieverzoek indienen. De maximale termijn voor de beantwoording van Woo-verzoeken bedraagt 42 dagen. Deze termijn wordt door SZW vaak nog niet gehaald.

SZW blijft zich inzetten om bij Woo-verzoeken in aansluiting op de informatiebehoefte van de verzoeker eerst de meest belangrijkste documenten te verstrekken om zo met de verzoekers te lange behandeltermijnen te voorkomen. Daarnaast zet SZW zich in om, waar mogelijk, buiten de Woo om te voorzien in de informatiebehoefte van burgers, wetenschappers en journalisten. Ook in 2027 blijft SZW gericht op het onderzoeken waar de behandeling en het afhandelingsproces van Woo-verzoeken efficiënter kan worden ingericht.

4.5 Strategische Evaluatie Agenda

De Strategische Evaluatie Agenda (SEA) is een overzicht van alle geplande evaluaties over SZW-beleid. De evaluatieonderzoeken staan geordend naar thema’s die aansluiten bij de strategie van SZW. Ze zijn opgebouwd vanuit onze maatschappelijke opgaven (top-down) en vanuit onze kennis van hoe ons beleid werkt (bottom-up). Bij de inhoud van de thema’s is gekeken naar de samenhang met de kennisagenda van SZW. Ook is gekeken naar samenhang tussen thema’s en beleidsthema’s van andere departementen. Dit is terug te zien in de toelichtende teksten en doordat sommige onderzoeken onder meerdere thema’s vallen.

De evaluaties op deze SEA dienen niet alleen ter verantwoording van de effectiviteit en doelmatigheid van uitgaven. Ze zijn ook gericht op verbetering van bestaand beleid en het voorbereiden van nieuw beleid. Zo wordt op langere termijn duidelijker hoe beleid werkt en waar verbetering mogelijk is. Daarbij staat de impact van beleid op de maatschappij voorop.

Per SEA-thema is (voor een periode van de komende 4-7 jaar) inzichtelijk gemaakt:

  • welke doelen het beleid op dat thema heeft en wat de link is met de brede SZW-doelen;

  • wat de inhoud en scope is van het thema;

  • welke vastgestelde kennis er op dit thema al is;

  • wat relevante besluitvormingsmomenten en maatschappelijke ontwikkelingen zijn;

  • welke kennis er nog niet is en wat de inzichtbehoeften zijn;

  • hoe de evaluatieplanning daaruit volgt.

Voor elk SEA-thema geldt dat alle onderwerpen geëvalueerd worden tenzij anders is aangegeven in de tekst. De verschillende onderwerpen kunnen zich in andere evaluatiefases bevinden. Voor zover redelijkerwijs mogelijk wordt ook het beleid in Caribisch Nederland geëvalueerd.

Bijlage 4 bij deze begroting biedt een overzicht van alle geplande evaluatieonderzoeken. In de SEA maakt SZW onderscheid tussen evaluaties en overig onderzoek. De evaluaties zijn als volgt getypeerd: ex-ante evaluaties (zoals pilots, nulmetingen en experimenten), ex-durante evaluaties (zoals monitoring en tussenevaluaties), ex-post evaluaties (zoals wets- en effect­evaluaties en periodieke rapportages).

Tabel 12 Planning Strategische Evaluatie Agenda

Thema/Periodieke rapportage

Eerstvolgende Periodieke rapportage

Begrotingsartikelen

  

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

121

13

Thema 1/Periodieke rapportage gezonde en veilige arbeidsomstandigheden

2028

x

            

Thema 2/Periodieke rapportage leven lang ontwikkelen

2027

x

            

Thema 3/Periodieke rapportage arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden

2027

x

            

Thema 4/Periodieke rapportage kinderopvangbeleid

2026

      

x

      

Thema 4/Periodieke rapportage arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind

2031

     

x

x

  

x

   

Thema 5/Periodieke rapportage pensioen en oudedag

2029

       

x

     

Thema 6/Periodieke rapportage armoede en schulden

2026

 

x

           

Thema 7/Periodieke rapportage bijstand en participatie

2027

 

x

           

Thema 8/Periodieke rapportage jonggehandicapten

2026

   

x

         

Thema 9/Periodieke rapportage werkloosheid werknemers

2030

    

x

        

Thema 10/Periodieke rapportage ziekte en arbeidsongeschiktheid voor werknemers

2027

  

x

  

x

       

Thema 11/Periodieke rapportage nabestaanden en wezen

2028

        

x

    

Thema 12/Periodieke rapportage inburgering en integratie

2029

            

x

Thema 13/Periodieke rapportage uitvoering SUWI-stelsel

2026

          

x

  
1

Artikel 12 van de SZW-begroting bevat de rijksbijdragen. De rijksbijdragen zijn overboekingen van het Rijk (SZW) naar de sociale fondsen beheerd door UWV en de SVB. De rijksbijdragen aan de SVB zijn ingesteld omdat bij de AOW de premie-inkomsten alleen niet hoog genoeg zijn om alle uitgaven te dekken. Bij UWV gaat het om rijksbijdragen voor uitgavenregelingen waarvoor het niet mogelijk is of niet wenselijk is om premies te heffen, zoals voor de zwangerschapsuitkering aan zelfstandigen en de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten. Bij alle rijksbijdragen is het zo dat de uitgavenregelingen waar de rijksbijdragen naar toe gaan (AOW, Wet arbeid en zorg en de arbeidsongeschiktheidsregelingen) verantwoord worden op de andere beleidsartikelen van de SZW begroting (bij de premiegefinancierde uitgaven). Die uitgavenregelingen worden dus via het betreffende beleidsartikel geëvalueerd. Een losse evaluatie van artikel 12 is daarom niet nodig.

Thema 1: Gezonde en veilige arbeidsomstandigheden

Het beleid rond Gezond en Veilig Werken (G&VW) heeft tot doel dat mensen in Nederland gezond en veilig werken. Zo kunnen zij gezond hun pensioenleeftijd halen. Het beleid draagt bij aan de kerndoelen van SZW, namelijk eerlijk, gezond en veilig werk. De Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit, de Arbeidsomstandighedenregeling en de Arbeidstijdenwet vormen het fundament van de beleidsinzet. Een belangrijk deel van het beleid bestaat uit het stimuleren en ondersteunen van de praktijk, zodat werkgevers en werknemers hun verantwoordelijkheid voor gezond en veilig werken goed kunnen nemen. Daarnaast zijn communicatie via het Arboportaal en de dialoog met sociale partners en andere betrokken partijen belangrijke onderdelen van het beleid.

SZW heeft in september 2020 een uitgebreide beleidsdoorlichting over artikel 1 van de SZW-begroting uitgevoerd, inclusief het beleidsterrein G&VW. Mede op basis van deze beleidsdoorlichting en de toekomstverkenning arbeid & gezondheid is de Arbovisie 2040 opgesteld. Centrale elementen in de uitwerking van de visie zijn een stevige inzet op preventie (voorkomen van arbeidsongevallen en uitval door werk) en betere uitvoering van de Arboregels, met als sluitstuk goed toezicht en handhaving. Een lopend onderzoek brengt in kaart welke financiële prikkels in het stelsel preventie door werkgevers kunnen bevorderen.

Naast de genoemde trajecten volgt SZW met een meerjarig monitoringsprogramma de ontwikkelingen op het gebied van de veiligheid en gezondheid van werkenden. Dit alles biedt, samen met de evaluaties van de beleidsinstrumenten onder dit thema, input voor de periodieke rapportage die in 2028 gepland staat.

Thema 2: Leven lang ontwikkelen

Beleidsmaatregelen binnen het thema Leven Lang Ontwikkelen (LLO) hebben als doel mensen te helpen zich te ontwikkelen en inzetbaar te blijven op de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt is sterk in beweging. Het is belangrijk dat vraag en aanbod goed op elkaar aan blijven sluiten. LLO beoogt werkzekerheid te vergroten en werkloosheid te voorkomen. Ook draagt LLO bij aan doorgroei in loopbanen, en meer werkplezier en inkomen. Verder kan LLO een bijdrage leveren aan productiviteitsgroei en innovatie van bedrijven. Cruciaal is een sterke leer- en ontwikkelcultuur waarin het vanzelfsprekend is voor mensen om zich te blijven ontwikkelen. SZW werkt binnen het thema LLO samen met onder andere OCW, EZ en de SER en stemt onderzoek en beleid op elkaar af.

Op dit moment zijn er verschillende LLO-beleidsinstrumenten, zoals de SLIM-regeling (met twee hoofdstukken, SLIM MKB en SLIM Scholing) en de Expeditie-regeling. We onderzoeken de effectiviteit van deze beleidsinstrumenten. Ook werken we toe naar een periodieke rapportage waarbinnen alle onderwerpen van het thema worden meegenomen. Hierin onderzoeken we de onderlinge samenhang tussen de beleidsinstrumenten. Het is hierbij de wens om inzicht te krijgen in de toegankelijkheid en het gebruik van de regelingen voor verschillende groepen werkenden, zoals werkenden in het mkb, praktisch opgeleiden, flexwerkers en ouderen. De periodieke rapportage zal eind 2027 worden opgeleverd.

Thema 3: Arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden

De beleidsinstrumenten onder het thema Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden beschermen en versterken de positie van werkenden. Zo bevorderen ze het functioneren van de arbeidsmarkt (evenwicht tussen werkgevenden en werkenden). De beleidsinstrumenten onder dit thema zijn divers: van de wetgeving die ervoor zorgt dat iedere werknemer een minimumloon ontvangt en de cao-wetgeving, tot beleid rond gelijke behandeling op de werkvloer.

In 2020 is de beleidsdoorlichting naar artikel 1 Arbeidsmarkt van de SZW-begroting afgerond. De scope van artikel 1 was breder dan beleid naar Arbeidsverhoudingen en- voorwaarden. De belangrijkste conclusie was dat doelbereik niet of nauwelijks te beoordelen was omdat de instrumenten moeilijk te koppelen waren aan de doelen. Artikel 1 is nu opgesplitst in een aantal thema’s, waaronder arbeidsverhoudingen en -voorwaarden.

Onder dit thema vallen alle evaluaties van het beleid rond arbeidsverhoudingen en -voorwaarden. Zoals de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta). Deze wet heeft als doel de positie van kwetsbare arbeidskrachten, waaronder arbeidsmigranten, te verbeteren en een gelijk speelveld te creëren voor uit- en inleners. Het eerste jaar na inwerkingtreding worden focusgroepen gehouden om ervaring in de praktijk op te halen. Daarnaast wordt de Wtta jaarlijks gemonitord en wordt het drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd. Daarna wordt telkens na vijf jaar een verslag gedeeld over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk.

Daarnaast is in de Kamerbrief van april 2023 het arbeidsmarktpakket aangekondigd. Daarin worden maatregelen aangekondigd zoals het Wetsvoorstel invoering rechtsvermoeden en het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers. Deze maatregelen vallen onder dit thema. Om de impact van het arbeidsmarktpakket te monitoren en de effecten van de verschillende wetsvoorstellen zo goed mogelijk te kunnen evalueren, wordt in opdracht van het ministerie een jaarlijkse monitor uitgevoerd. Het beleid Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden heeft ook effecten buiten de bescherming van de positie van werkenden. Bijvoorbeeld op de wendbaarheid van bedrijven en de arbeidsproductiviteit van Nederland. De verschillende evaluaties, waaronder in de monitor van het arbeidsmarktpakket, zullen ook hierop ingaan. De periodieke rapportage over dit thema verschijnt in 2027.

Thema 4: Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind

Het beleid van SZW op dit gebied bestaat uit de onderwerpen kinderopvang, kinderbijslag en kindgebonden budget én arbeid en zorg. Onder dit laatste vallen bijvoorbeeld zwangerschaps- en bevallingsverlof, ouderschapsverlof en flexibel werken.

Hierbinnen gaat het over het beleid dat de arbeidsdeelname van ouders wil bevorderen en hun inkomensondersteuning wil bieden. Zo krijgen mensen controle op hun werk en leven én tegelijk de mogelijkheid zich te kunnen ontwikkelen. Daarnaast wil het beleid een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het kind en het bestrijden van armoede onder kinderen.

De komende jaren zullen we dit beleid evalueren. We kijken dan naar alle onderwerpen die raken aan arbeid en zorg, en de ontwikkeling van het kind. Wat zijn de doelen van dit SZW-beleid? Welk inzicht hebben we op dit vlak nodig? En vooral ook: waar zit overlap en waar ontbreekt kennis of een eventuele hogere doelomschrijving en link met ander (SZW- of rijks)beleid?

De subthema’s kinderopvang, tegemoetkoming ouders en arbeid en zorg hebben nu alle drie een eigen evaluatieplanning. Momenteel vindt er één periodieke rapportage plaats, op het subthema Kinderopvang. De andere subthema’s hebben tijdens de afgelopen twee jaar een periodieke rapportage gehad. We sorteren voor op één gezamenlijke periodieke rapportage in de volgende evaluatie-cyclus. Deze zal de periodieke rapportages per subthema vervangen. Dit is wel afhankelijk van de uitkomsten van de lopende rapportage.

Kinderopvang

Kinderopvang heeft als doel om zowel de arbeidsdeelname van ouders te bevorderen als de ontwikkeling van het kind te stimuleren. Het beleid richt zich op kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare kinderopvang. In 2026 loopt er een periodieke rapportage over het doel 'bevorderen van arbeidsparticipatie'. Daarnaast is in 2023 de periodieke rapportage over het doel «stimuleren van de ontwikkeling van het kind» uitgevoerd. Samen vormen deze de evaluatie over het totale kinderopvangbeleid.

Per 1 januari 2026 is de Wet kinderopvang BES (Wko BES) van kracht. Anders dan in Europees Nederland was er nog geen wettelijke regeling voor de kinderopvang in Caribisch Nederland. Doel van deze wet is de kwaliteit, veiligheid en de toegankelijkheid van de kinderopvang te verbeteren. Met een invoeringstoets zullen de eerste effecten in de praktijk worden getoetst, en in 2031 verwachten we de eerste evaluatie van de Wko BES uit te voeren.

Het kabinet introduceert een nieuw financieringsstelsel voor de kinderopvang. Deze nieuwe financiering is eenvoudiger, biedt ouders meer zekerheid en maakt kinderopvang voor veel ouders beter betaalbaar. De inkomensafhankelijke, ingewikkelde en onzekere kinderopvangtoeslag verdwijnt. Er komt een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding voor alle werkende ouders voor terug. De overheid betaalt deze vergoeding rechtstreeks aan kinderopvangorganisaties. Ouders weten vooraf waar ze recht op hebben, dus de overheid vordert niet meer terug bij ouders. Voor deze nieuwe financiering is een wetswijziging nodig. Voor deze wijziging zal SZW een uitgebreid monitoring- en evaluatieplan opstellen. Daarmee volgen en onderzoeken we de gevolgen van de wijzigingen.

Tegemoetkoming ouders

De overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen. Dit doet zij via de Algemene kinderbijslagwet (inclusief de dubbele kinderbijslag en extra kinderbijslag - AKW+), het kindgebonden budget (WKB) en de kinderbijslagvoorziening BES.

In 2025 is de periodieke rapportage tegemoetkoming ouders opgeleverd. Uit deze evaluatie blijkt dat de kindregelingen grotendeels bereiken wat zij beogen te doen. De uitvoering van de AKW en WKB verloopt grotendeels zonder knelpunten. De uitvoering van de dubbele kinderbijslagen en gezinsbijslagen met een internationale component kent wel een aantal problemen. Hierdoor zijn de uitvoeringskosten relatief hoog ten opzichte van het aantal ontvangers. Verder is geconstateerd dat er een verschil zit tussen de kostendekkendheid voor alleenstaanden onder minima en paren onder minima. Voor de Kinderbijslagvoorziening BES constateert de evaluatie dat er behoefte is aan een aanvullende inkomensafhankelijke toeslag. Dit is vanwege het ontbreken van een objectieve inkomensregistratie momenteel niet mogelijk.

Het kabinet ondersteunt gezinnen met kinderen de komende jaren door meer zekerheid en eenvoud te bieden. De kinderbijslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd in één nieuwe regeling met één wettelijk kader binnen het socialezekerheidsstelsel. De komende jaren werkt het kabinet deze nieuwe regeling verder uit en worden de bestaande kindregelingen geïntensiveerd. De aanbevelingen uit de verschillende onderzoeken nemen we mee in het verdere ontwerp van de nieuwe regeling. Als tijdens het ontwerp van deze nieuwe regeling blijkt dat er ‘witte vlekken’ zijn, kan dat aanleiding zijn voor aanvullend onderzoek. Voor de nieuwe kindregeling is daarnaast een wetswijziging nodig. Voor deze wijziging zal SZW een monitoring- en evaluatieplan opstellen.

Arbeid en zorg

Het beleidsterrein Arbeid en Zorg maakt het mogelijk om arbeid en zorg te combineren. In de Wet arbeid en zorg zijn de verlofregelingen opgenomen. Dit verlof kan worden gebruikt voor de zorg voor kinderen, de zorg voor naasten en bij calamiteiten. Er wordt gewerkt aan het vereenvoudigen van het verlofstelsel. Over de mogelijkheden voor vereenvoudiging is de Tweede Kamer eerder geïnformeerd (Kamerstukken II 2022/23, 32 855, nr. 38 en Kamerstukken II 2023/24, 32 855, nr. 39). In het najaar van 2026 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over het nieuwe, vereenvoudigde verlofstelsel.

UWV heeft in 2024 onderzoek gedaan naar de eerste ervaringen van ouders, werkgevers en UWV met het betaald ouderschapsverlof.6 Deze invoerings­toets is eind 2024 gedeeld met de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2024/25, 26 447, nr. 60). In 2026 volgt de eerste evaluatie van het betaald ouderschapsverlof. Hierin wordt gekeken naar het gebruik en de effecten van dit verlof.

In 2024 is onderzoek gedaan naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het Arbeid en Zorg-beleid. Deze periodieke rapportage is eind 2024 gedeeld met de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2024/25, 26 447, nr. 60). Hierin is ook de beleidstheorie Arbeid en Zorg opgenomen. Uit de periodieke rapportage blijkt dat de doelstellingen van het beleidsterrein redelijk tot behoorlijk goed worden bereikt met de bestaande regelingen. Er konden geen uitspraken worden gedaan over de doelmatigheid. In mei is de Tweede Kamer geïnformeerd over wat de vervolgstappen zijn (Kamerstukken II 2024/25, 31 865, nr. 281).

Thema 5: Pensioen en oudedag

Om ons pensioenstelsel toekomstbestendiger te maken, hebben kabinet en sociale partners in 2019 het pensioenakkoord gesloten. De maatregelen die daaruit voortvloeien moeten deze oudedagsvoorziening verbeteren en mensen uitzicht bieden op een koopkrachtig pensioen. Zo’n koopkrachtig pensioen sluit aan bij het SZW-doel ‘mensen hebben een vangnet bij ouderdom’.

Daarnaast bevat het pensioenakkoord tijdelijke maatregelen rond duurzame inzetbaarheid en eerder stoppen met werken. Deze zijn uitgewerkt in onder andere de tijdelijke subsidieregeling Maatwerk duurzame inzetbaarheid en Eerder uittreden (MDIEU) (2021-2025), de tijdelijke drempelvrijstelling voor Regelingen voor vervroegde uittreding (RVU) en de uitbreiding van verlofsparen. Deze maatregelen sluiten aan bij het SZW-doel ‘mensen hebben (duurzaam) gezond en veilig werk’. De maatregelen rond de oudedagsvoorziening en een koopkrachtig pensioen zijn uitgewerkt in de Wet toekomst pensioenen (Wtp).

De evaluaties van deze wetten zijn geagendeerd in de SEA. Daarnaast monitort SZW de voortgang van de transitieperiode van de Wtp (2023-2028). In 2028 is de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel afgerond. De ervaringen van deelnemers, en de effecten van de transitie worden in de jaren daarna geëvalueerd. Verder vindt in 2026 het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Inkomensvoorziening Ouderen plaats. Dit IBO heeft als doel mogelijke aanpassingen in kaart te brengen en concrete beleidsopties te formuleren om de inkomensvoorziening voor ouderen te verbeteren, met aandacht voor betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en de effecten op de arbeids- en woningmarkt. Het eindrapport wordt in de tweede helft van 2026 opgeleverd.

Ook is in het pensioenakkoord overeengekomen dat de AOW-leeftijd vanaf 2020 minder snel stijgt en vanaf 2025 voor twee derde wordt gekoppeld aan de levensverwachting. SZW monitort de gevolgen van de leeftijdsverhoging op de arbeidsparticipatie, gebruik van uitkeringen, gezondheid en duurzame inzetbaarheid. De AOW-monitor wordt sinds 2019 jaarlijks gepubliceerd en dit blijft de komende periode relevant.

Het akkoord ‘Gezond naar pensioen’ (2024) vormt een vervolg op de afspraken uit het pensioenakkoord over duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden. Hieruit volgt onder meer een structurele voortzetting van de RVU-drempelvrijstelling. Ook is in vervolg op het akkoord invulling gegeven aan een agenda voor duurzame inzetbaarheid. Vanuit deze agenda komt er een nieuwe tijdelijke subsidie voor sectoren en bedrijven voor maatregelen die duurzame inzetbaarheid bevorderen. Ook wordt kennisontwikkeling en innovatie rondom het verminderen en verlichten van zwaar werk gestimuleerd. Ieder jaar voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de monitoring van de afspraken uit het akkoord. Iedere drie jaar is er een ijkmoment. Het eerste ijkmoment is voor de zomer van 2028.

Aangezien het subthema «Gezond naar Pensioen» bijna uitsluitend bestaat uit de afgeronde en intensief geëvalueerde MDIEU-regeling, is het subthema te klein om te behandelen in een periodieke rapportage. Daarom worden de twee subthema’s gezamenlijk behandeld in de periodieke rapportage Pensioen en Oudedag die in 2029 naar de Tweede Kamer gaat.

Thema 6: Armoede en schulden

Een van de strategische doelen van SZW is dat mensen een vangnet hebben als ze dat nodig hebben. Maar in de praktijk kampen nog te veel mensen met ernstige geldzorgen, problematische schulden of leven onder of rond de armoedegrens. Dit geldt voor Europees én Caribisch Nederland. De persoonlijke impact hiervan op mensen is groot. Ook betalen we hiervoor als samenleving een hoge prijs. SZW zet daarom in op het Nationaal Programma Armoede en Schulden.

Met het Nationaal Programma Armoede en Schulden willen we een toename van (kinder)armoede voorkomen, en zo mogelijk verder terugdringen. Daarnaast willen we de langetermijneffecten van armoede tegengaan en mensen in armoede helpen vooruit te komen. Ook moeten problematische schulden worden voorkomen. En als er schulden ontstaan, moeten drie dingen beter: een kleine vordering moet klein blijven, mensen met schulden moeten overzicht houden, en er moet snelle en goede schuldhulpverlening beschikbaar zijn. Met dit programma wil SZW nadrukkelijk ook voorzieningen beter toegankelijk maken. Zo krijgen mensen meer bestaanszekerheid en de ruimte om mee te doen in de samenleving.

SZW stelt jaarlijks een monitor op bij de rapportage aan de Tweede Kamer over de voortgang van het programma. Hiermee bieden we inzicht in de aard van de problematiek en ontwikkelingen in het armoede- en schuldenbeleid. En bekijken we aan de hand van verschillende kwantitatieve gegevens en indicatoren of we op de goede weg zijn. Samen met de monitors en evaluaties van de beleidsinstrumenten onder dit thema vormt dit de input voor de periodieke rapportage. De periodieke rapportage beslaat het armoede- en schuldenbeleid in de periode 2019 tot en met 2025. Deze rapportage levert ook een actueel beeld op van de kennisbasis en resterende inzichtbehoeften op dit thema. Eind 2026 wordt de periodieke rapportage aan de Tweede Kamer gestuurd.

Thema 7: Bijstand en participatie

In Nederland bestaat een vangnet voor wie niet zelf in het bestaan kan voorzien. Sinds 2015 regelt de Participatiewet een deel van deze voorzieningen. Deze wet biedt via de bijstand inkomenssteun aan mensen die het tegenzit. Ook helpt de wet hen om weer aan het werk te komen. Samenhangend met de Participatiewet stimuleert de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.

De afgelopen jaren is gebleken dat de Participatiewet niet altijd uitpakt zoals bedoeld. Daarom is het traject Participatiewet in balans gestart. In het Breed Offensief stond de situatie van mensen met een arbeidsbeperking binnen de Participatiewet centraal. Sinds 2026 zijn er met Participatiewet in balans meerdere wijzigingen doorgevoerd om knelpunten binnen de Participatiewet te adresseren. Op de langere termijn wordt gekeken naar een fundamentele herziening van de Participatiewet.

SZW monitort de Participatiewet al sinds de introductie in 2015 uitgebreid. Elk jaar verschijnt een monitoringsbrief Participatiewet. Twee keer per jaar is er een factsheet met de belangrijkste cijfermatige ontwikkelingen rond de Participatiewet. Daarnaast monitort de Nederlandse Arbeidsinspectie het stelsel van werk en inkomen. In deze monitor bestaat ruim aandacht voor ervaringen van bijstandsgerechtigden en gemeentelijke professionals. Ook wordt in de monitoring van de Participatiewet aansluiting gezocht bij ontwikkelingen in het sociale domein. Zo is er aandacht voor de brede baten, bijvoorbeeld op het gebied van zorggebruik. Een ander belangrijk aspect van de monitoring is de duurzaamheid van werk.

Een periodieke rapportage van het huidige beleid verschijnt in 2027. Vanwege de decentrale uitvoering van het beleid, ziet de periodieke rapportage vooral het stelselperspectief. Er wordt niet ingegaan op individuele gemeenten. De effecten van recente beleidswijzigingen zullen, voor zover mogelijk, mee worden genomen in deze periodieke rapportage.

Thema 8: Jonggehandicapten

Het thema «Jonggehandicapten» omvat de doelstelling om jonggehandicapten de kans te bieden zich te ontwikkelen zodat ze kunnen bijdragen aan hun toekomst in de vorm van betaald werk en hen een financieel vangnet te bieden als zij niet zelfstandig kunnen voorzien in een inkomen.

Op basis van de bevindingen uit de beleidsdoorlichting Wajong in 2018 heeft het toenmalige kabinet de Wajong aangepast. Met de Wet vereenvoudiging Wajong zijn diverse maatregelen in de Wajong verwerkt. Die zorgen er onder andere voor dat meer (gaan) werken loont. Ook kunnen Wajonggerechtigden tot de AOW-leeftijd herleving van hun Wajonguitkering aanvragen als dat nodig is. Daarnaast behouden zij hun uitkering als zij onderwijs (gaan) volgen.

UWV is in 2017 gestart met een nieuw dienstverleningsmodel om Wajonggerechtigden die kunnen werken te helpen bij het vinden van werk. De onderzoeksplanning heeft de afgelopen tijd in het teken gestaan van het afronden van de wetsevaluatie Wet vereenvoudiging Wajong en een periodieke rapportage jonggehandicapten in 2025. Verwacht wordt dat deze onderzoeken in het najaar 2026 met een kabinetsreactie naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Op basis van de resultaten van deze onderzoeken werkt SZW aan een nieuwe onderzoeksplanning.

Thema 9: Werkloosheid werknemers

Bij het thema ‘Werkloosheid bij werknemers’ gaat het erom werknemers inkomensbescherming te bieden bij werkloosheid en hen te stimuleren een nieuwe baan te vinden. Een zo snel mogelijke terugkeer naar werk is zowel in het belang van het individu als in het belang van de maatschappij. Het overgrote deel van de uitgaven binnen dit thema heeft betrekking op de Werkloosheidswet (WW).

Er is inmiddels de nodige kennis beschikbaar over de werking van de WW, onder andere op basis van de periodieke rapportage uit 2023. Zo is er een goed inzicht in de mate van inkomensbescherming die wordt geboden door de WW, en hoe dit zou veranderen bij aanpassingen aan de WW. SZW zet erop in om met name de kennis over de activerende werking van de WW te vergroten. Het meer activerend maken van de WW is immers een belangrijke doelstelling van het kabinet.

In dit kader wordt onder meer onderzoek gedaan naar de huidige sollicitatieplicht ter invulling van de inspanningsplicht in de WW. UWV is begin 2025 gestart met een vier jaar durend onderzoek naar de huidige sollicitatieplicht in de WW en de effecten daarvan. Dit experimentele onderzoek vergelijkt de effectiviteit van drie varianten van de invulling van de sollicitatieplicht in de WW. Over het verloop en de voorlopige resultaten van het experiment in de praktijk zal medio 2028 worden gerapporteerd. De eindevaluatie is naar verwachting medio 2029 beschikbaar.

De onderwerpen binnen het thema worden met uitzondering van de Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW) allemaal geëvalueerd en zullen ook mee worden genomen in de eerstvolgende periodieke rapportage (2030). De verschillende onderwerpen kunnen zich wel in andere evaluatiefases bevinden. De IOW is in 2020 reeds geëvalueerd en daarna inhoudelijk niet gewijzigd. De mogelijkheid tot instroom in de IOW stopt per 1 januari 2028.

Thema 10: Ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers

In Nederland beschermen we werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Ook ondersteunen we deze mensen naar werk (re-integratie). Dit thema gaat over deze onderwerpen.

Het ministerie heeft de afgelopen jaren getest op welke manieren we zieke en arbeidsongeschikte mensen kunnen ondersteunen bij het vinden van passend werk. De effecten van deze experimenten worden geëvalueerd. Zo meet het ministerie de komende jaren het succes van het aanbieden van re-integratiedienstverlening aan duurzaam arbeidsongeschikten.

Daarnaast volgt het ministerie de effecten van bestaande en nieuwe beleidsmaatregelen voor zieke en arbeidsongeschikte mensen. Als de komende jaren de wetsvoorstellen uit het arbeidsmarktpakket (bijvoorbeeld de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen en de wet tot wijziging van de re-integratieverplichtingen in het tweede ziektejaar bij werknemers van kleine en middelgrote werkgevers) zijn aangenomen, monitort het ministerie de effecten hiervan. Verder voert het ministerie brede studies uit op losse thema’s. Bijvoorbeeld een onderzoek naar alles wat we nog niet weten als het gaat om re-integratie.

Thema 11: Inkomensondersteuning nabestaanden en wezen

Het beleid voor nabestaanden en wezen beschermt deze groepen tegen de financiële gevolgen van het verlies van een partner of ouder(s). De Algemene nabestaandenwet (Anw) biedt deze bescherming. De nabestaandenuitkering garandeert de bestaanszekerheid van achterblijvende partners. Het vangnet voor wezen is de wezenuitkering. Dit beleid draagt bij aan het bredere SZW-doel voor bestaanszekerheid.

In de afgelopen jaren zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de Anw. In navolging op de beleidsdoorlichting van 2019 is in 2022 een verkennend kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar de wezenuitkering. Uit dit onderzoek bleek dat de doeltreffendheid en doelmatigheid van de wezenuitkering te vergroten zijn. In 2023 heeft het Nibud de kosten van levensonderhoud voor wezen onderzocht. Op basis van deze twee onderzoeken worden mogelijke verbeteringen voor de wezenuitkering en de effecten daarvan verder verkend.

Verder heeft de SVB in 2023 een intern onderzoek uitgevoerd naar het ‘niet-gebruik’ van de wezenuitkering. Daaruit bleek dat veel rechthebbenden geen gebruik maken van deze regeling. Daarnaast zijn er voor de nabestaandendoelgroep binnen de Anw twee zogeheten klantreizen uitgezet in 2022. Naar aanleiding van deze klantreizen verbetert de SVB de dienstverlening aan Anw-gerechtigden op verschillende punten.

In 2026 publiceerde het CBS de resultaten van het onderzoek naar de inkomens- en arbeidsmarktpositie van nabestaanden. Dit onderzoek kijkt naar de situatie voor, tijdens en na afloop van hun Anw-uitkering, evenals het niet-gebruik van de nabestaanden- en wezenuitkering. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd naar mogelijke wijzigingen in de Anw in het licht van internationaal en Europees recht. Dit gebeurt mede in het kader van veranderende maatschappelijke verhoudingen en de wens tot vereenvoudiging van het stelsel.

In 2028 wordt de periodieke rapportage over dit thema naar de Tweede Kamer gestuurd.

Thema 12: Inburgering en Integratie

SZW wil bijdragen aan een inclusieve en sociaal stabiele samenleving waarin mensen in verscheidenheid met elkaar samenleven en kunnen participeren in de maatschappij. Het beleid van inburgering en integratie richt zich op het mogelijk maken dat iedereen meedoet in de samenleving. Met name voor nieuwkomers is taalverwerving en toegang tot werk daarvoor een belangrijk instrument. We willen gelijkwaardige kansen op de arbeidsmarkt bevorderen en belemmeringen wegnemen.

De periodieke rapportage Integratie en Maatschappelijke samenhang uit 2023 liet zien dat groepen met een migratieachtergrond in het algemeen nog steeds een minder gunstige sociaaleconomische positie innemen. Dit zien we in bijvoorbeeld het onderwijs, op de arbeidsmarkt en ten aanzien van het inkomen. Tussen maatschappelijke domeinen bestaan echter verschillen in positie en positieontwikkeling. In het onderwijs is bijvoorbeeld een duidelijke inhaalslag te zien. Tegelijkertijd is de problematiek op de arbeidsmarkt weerbarstiger en kent het sterkere conjunctuurinvloeden.

Uit de periodieke rapportage blijkt dat het beleidsprogramma Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA) doeltreffend is. Inmiddels is daarom een tweede Werkagenda VIA opgesteld. Hiermee wordt het doeltreffende beleid verder geïntensiveerd. VIA is uitgebreid met het Plan van Aanpak Statushouders aan Werk inclusief een intensivering daarvan. Het gaat hier om verschillende maatregelen om de toeleiding van statushouders naar werk te verbeteren, waaronder de startbanen in 2027. We willen het beleid verder ontwikkelen. Daarbij maken we gebruik van de evaluatie van de Werkagenda VIA. Hiermee gaan we de komende jaren de VIA-beleidstheorie aanvullen.

De Wet inburgering 2021 (Wi2021) is op 1 januari 2022 van kracht geworden. We hebben de kennisbehoefte rondom deze wet uitgewerkt in een Monitoring- en Evaluatieplan Wi2021 (M&E-plan) en vertaald in een onderzoeksagenda voor de periode 2022-2027. De kennisbehoefte omvat de werking, het doelbereik en de doeltreffendheid en doelmatigheid van de Wi2021. Begin 2026 is de tussenevaluatie van de Wi2021 aan de Tweede Kamer verstuurd. Dit was een synthese van alle onderzoeken die in het kader van het M&E-plan Wi2021 tot dan toe zijn uitgevoerd. In de eerste helft van 2028 leveren we de wetsevaluatie op.

De onderwerpen waarmee SZW zich bezighoudt zijn maatschappelijk brede thema’s. Dit betekent dat er ook interdepartementaal wordt samengewerkt. Een voorbeeld hiervan is de eerdergenoemde Werkagenda VIA waarin samengewerkt wordt met OCW en negentien andere partners. Een ander voorbeeld zijn de meerjarige onderzoeken onder het cohort statushouders (LOCS) en Oekraïense vluchtelingen (LOCOV). Hierbij werken we samen met JenV en een consortium van kennisinstellingen. Rondom het thema demografie zijn wij verantwoordelijk voor het onderzoeksprogramma Achtergrondstudies Bevolking 2050. In dit traject werken we met negen departementen samen. Bij al deze projecten is SZW trekker.

Thema 13: Uitvoering SUWI-stelsel

De Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (de Wet SUWI) regelt de structuur voor de uitvoering van taken rond arbeidsvoorziening en sociale verzekeringswetten. Deze structuur moet bijdragen aan bestaanszekerheid en meer arbeidsdeelname.

In de tweede helft van 2026 wordt de periodieke rapportage Uitvoering SUWI-stelsel voor de periode 2020-2025 opgeleverd. In het onderzoek wordt gekeken naar de mate waarin de uitvoering van de socialezekerheidswetgeving binnen het huidige SUWI-stelsel als rechtmatig, doelmatig, doeltreffend en klantgericht kan worden beschouwd. Voor het onderzoek wordt grotendeels gebruikgemaakt van bestaande bronnen (synthesestudie), aangevuld met interviews met relevante betrokkenen binnen het SUWI-domein.

Daarnaast richt het onderzoek zich op de werkbaarheid en effectiviteit van het toezicht binnen het stelsel, evenals op de manier waarop inrichting, aansturing, toezicht en uitvoering gezamenlijk kunnen bijdragen aan een doelmatig en doeltreffend SUWI-stelsel waarin het burgerperspectief centraal staat. In dat kader staat het onderzoek stil bij de verbeteracties die het kabinet sinds 2020 heeft ingezet naar aanleiding van onder andere Werk aan Uitvoering, het rapport van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvang­toeslag en het rapport van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties. Deze acties hadden als doel om de uitvoering te versterken, met meer nadruk op de menselijke maat en het belang dat mensen gehoord en gezien worden.

Het onderzoek is er mede op gericht duidelijk te maken of deze investeringen tussen 2020 en 2025 daadwerkelijk hebben geleid tot verbeteringen in de werking van het SUWI-stelsel. Het kabinet zal het rapport en zijn reactie daarop in de tweede helft van 2026 aanbieden aan de Tweede Kamer.

Voor een verdere onderbouwing van de Strategische Evaluatie Agenda, zie Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda. Klik op deze link voor een interactieve versie van de SEA. Voor een overzicht van afgerond evaluatie- en overig onderzoek, klik op deze link.

6

Met de Wet betaald ouderschapsverlof kregen werknemers recht op negen weken gedeeltelijk betaald ouderschapsverlof.

5. Beleidsartikelen

5.1 Artikel 1 Arbeidsmarkt

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert een inclusieve arbeidsmarkt en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • gelijke behandeling, waaronder de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Wgb m/v) en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbl);

  • arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);

  • de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU);

  • maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Ketenaansprakelijkheid voor loon;

  • de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl);

  • de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab);

  • de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

De Minister stimuleert met financiële instrumenten het in dienst nemen van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • de vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;

  • het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • de handhaving van de wet- en regelgeving door de Nederlandse Arbeidsinspectie.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Wijziging Wet tegemoetkomingen loondomein

Op 1 januari 2026 is het Loonkostenvoordeel (LKV) oudere werknemer afgeschaft. De laatste uitbetalingen vinden in 2027 plaats, omdat er vanwege het overgangsrecht een groep is die ook in 2026 recht heeft op het LKV oudere werknemer.

Vanaf 1 januari 2027 treden bijna alle wijzigingen van de Wet nieuw werkgeverschap binnen de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) in werking. Met als enige uitzondering enkele kleine technische wijzigingen die in 2028 in werking zullen treden. Deze wet betreft een wijziging van de Wtl, waar de LKV’s onder vallen. In de huidige situatie vervalt bij overgang van onderneming in veel situaties het recht op LKV voor werkgevers. Met deze wetswijziging wordt geregeld dat een werkgever in aanmerking komt voor de resterende duur van het LKV ongeacht de reden van de wisseling van baan van de werknemer (dienstverband bij een andere werkgever, bijvoorbeeld na einde tijdelijk dienstverband of parallel aan een lopende arbeidsovereenkomst, of overgang van onderneming). Hiermee wordt recht gedaan aan een uitspraak van de Hoge Raad uit 2024, die bepaalt dat het LKV doorloopt na een overgang van onderneming.

Afschaffing Compensatieregeling transitievergoeding bij langdurig arbeidsongeschiktheid

Het kabinet streeft ernaar om per 1 januari 2028 de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (Compensatieregeling LAO) geheel af te schaffen.

Zelfstandigenwet

Om te zorgen voor een toekomstbestendige manier van werken met en als zelfstandige(n), werken we aan drie lijnen: een gelijker speelveld tussen contractvormen (lijn 1), meer duidelijkheid wanneer gewerkt wordt als werknemer of zelfstandige (lijn 2) en verbetering van de handhaving op schijnzelfstandigheid (lijn 3). Hiermee wil dit kabinet zorgen voor een doorbraak in de discussies rondom het werken met en als zelfstandige(n) en komen tot een houdbare, breed gedragen aanpak voor de lange termijn (Kamerstukken II 2025/26, 31 311, nr. 305). Enerzijds wil het kabinet zelfstandigen de erkenning geven die ze verdienen, met de ruimte en verduidelijking die daarbij horen, door middel van de invoering van de Zelfstandigenwet. De inzet is hierop snel vaart te maken en de wet voor de zomer van 2027 aan de Tweede Kamer te sturen. Anderzijds vindt het kabinet het belangrijk om de schaduwkanten aan te pakken, zodat zelfstandigen bijvoorbeeld adequaat verzekerd zijn en schijnzelfstandigheid wordt voorkomen.

Modernisering concurrentiebeding

Het kabinet wil het concurrentiebeding moderniseren. Ongeveer een op de drie werknemers heeft een concurrentiebeding in het contract, wat de arbeidsmobiliteit vaak onnodig beperkt. Door modernisering kunnen werknemers makkelijker van baan wisselen en werkgevers makkelijker aan personeel komen. Zo bouwen we aan een hoogwaardige arbeidsmarkt voor de toekomst. Eind 2026 / begin 2027 wordt het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer gestuurd.

Uitzendverbod in de vleessector

Vanaf 1 maart 2028 is het in de vleesindustrie verboden om met uitzendkrachten te werken. Hiermee pakt het kabinet jarenlange misstanden in de vleesindustrie bij de bron aan. Een algemene maatregel van bestuur die een verbod regelt voor de vleessector wordt naar verwachting medio 2027 vastgesteld. (Kamerstukken II 2025/26, 29 544, nr. 1323).

Bevorderen van betere registratie en eerlijk werk

Het kabinet streeft ernaar om per 1 januari 2027 de zorgplicht in het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Baadi) in werking te laten treden. Daarmee worden de verplichtingen voor uitleners ten aanzien van de BRP-registratie van arbeidskrachten nader vormgegeven (Kamerstukken II 2024/25, 29 861, nr. 166). Daarnaast worden per 1 juli 2027 de regels rondom de detachering van derdelanderwerknemers verduidelijkt (Kamerstukken II 2025/26, 29 861, nr. 187).

Verhoging van het minimumjeugdloon

Het minimumjeugdloon wordt per 1 januari 2027 verhoogd (Kamerstukken II 2024/25, 36 545, nr. 19). Voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar gaat het minimumloon per leeftijd geleidelijk meer omhoog. Daarmee verbetert het kabinet de toereikendheid van het loon van jongeren en ondersteunt het voltijds werkende jongeren om zelfstandig rond te komen.

EU-asbestrichtlijn

In 2027 worden de uitvoeringstechnische aspecten die volgen uit de herziene EU-asbestrichtlijn verder ingericht. Dit betreft onder andere de inrichting van de vergunningverlening door Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering (Kamerstukken II 2025/26, 36 843, nr. 16) en ICT-systemen die regelgeving ondersteunen. De ambitie is om de gewijzigde regelgeving en uitvoerende aspecten begin 2027 in werking te laten treden.

Kidfluencers

Het kabinet zet in op regelgeving om het ‘bedrijfsmatig’ maken van online content door en met kinderen te verbieden. Daarnaast zoekt het kabinet aansluiting bij het interdepartementale initiatief «Strategie kinderrechten online» en zet het onder andere in op voorlichting voor ouders en afspraken met adverteerders (Kamerstukken II 2025/26, 25 883, nr. 549).

Arbeidsomstandighedenwet Caribisch Nederland

De regelgeving in Caribisch Nederland op het gebied van veilig en gezond werken wordt gemoderniseerd en vervangen door een Arbeidsomstandighedenwet BES. Het hoofddoel van de Arbowet BES is het fasegewijs tot stand brengen van een gelijkwaardig beschermingsniveau voor werknemers en gelijkgestelden in Caribisch Nederland aan die van werknemers in Europees Nederland. De beoogde inwerkingtredingsdatum is op 1 januari 2030. Voor de implementatie van de wet stelt het kabinet structureel € 0,2 miljoen beschikbaar, waarvan € 0,175 miljoen in 2027 ten behoeve van voorlichting en kennisverbreding.

Tabel 13 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

569.315

306.591

409.846

380.836

394.958

371.633

353.413

         
 

Uitgaven

626.620

457.773

473.262

406.073

408.935

389.654

402.869

         

1.0

Arbeidsmarkt

626.620

457.773

473.262

406.073

408.935

389.654

402.869

 

Inkomensoverdrachten

259.843

92.329

217.273

213.740

214.997

216.976

218.140

 

Lage-inkomensvoordeel

134.665

0

0

0

0

0

0

 

Minimumjeugdloonvoordeel

143

0

0

0

0

0

0

 

Loonkostenvoordelen

125.035

92.329

217.273

213.740

214.997

216.976

218.140

 

Subsidies (regelingen)

333.531

313.940

192.220

125.461

127.475

104.261

114.820

 

Overige subsidies algemeen

10.689

10.267

9.247

7.223

7.672

3.431

3.390

 

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

0

9.790

21.588

16.157

16.137

15.158

17.158

 

Stimuleringsregeling LLO in MKB

52.804

52.215

79.180

60.191

44.291

41.672

41.672

 

Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid

133.747

29.499

0

0

0

0

0

 

Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden

133.220

205.296

64.444

0

0

0

0

 

Subsidie meer uren werkt

3.071

6.373

4.761

4.890

7.475

0

0

 

Subsidieregeling duurzame inzetbaarheid

0

500

13.000

37.000

51.900

44.000

52.600

 

Opdrachten

27.981

45.471

53.322

49.240

48.314

50.449

51.941

 

Opdrachten

27.981

45.471

53.322

49.240

48.314

50.449

51.941

 

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

185

4.277

4.277

4.927

4.927

4.927

 

Ministerie van VWS

0

56

56

56

706

706

706

 

Ministerie van EZ en LVVN

0

129

4.221

4.221

4.221

4.221

4.221

 

Bijdrage aan agentschappen

5.265

5.057

5.028

5.000

4.867

4.686

4.686

 

Agentschap RIVM

5.174

4.957

4.929

4.901

4.771

4.593

4.593

 

Agentschap CJIB

91

100

99

99

96

93

93

 

Bijdrage aan medeoverheden

0

791

1.142

8.355

8.355

8.355

8.355

 

DU Work in NL

0

791

1.142

8.355

8.355

8.355

8.355

         
 

Ontvangsten

20.863

14.580

14.580

14.580

14.580

14.580

14.580

         
Tabel 14 Uitsplitsing ontvangsten artikel 1 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Ontvangsten

20.863

14.580

14.580

14.580

14.580

14.580

14.580

         

1.0

Arbeidsmarkt

20.863

14.580

14.580

14.580

14.580

14.580

14.580

 

Ontvangsten

20.863

14.580

14.580

14.580

14.580

14.580

14.580

 

Algemeen

7.458

1.180

1.180

1.180

1.180

1.180

1.180

 

Boeten

13.405

13.400

13.400

13.400

13.400

13.400

13.400

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 15 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 1
 

2027

juridisch verplicht

77%

bestuurlijk gebonden

6%

beleidsmatig gereserveerd

17%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0%

De uitgaven op artikel 1 Arbeidsmarkt zijn voor 77% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitgaven aan de regeling Loonkostenvoordelen (LKV’s).

Subsidies

Van het overige subsidiebudget algemeen is in 2027 naar schatting 78% juridisch verplicht en 22% is beleidsmatig gereserveerd.

Van het programmabudget van het Meerjarig Investeringsprogramma Duurzame Inzetbaarheid en Leven Lang Ontwikkelen (MIP DI&LLO) is in 2027 41% juridisch verplicht, 24% beleidsmatig gereserveerd en 35% bestuurlijk gebonden.

Van het programmabudget van Stimuleringsregeling LLO in MKB is in 2027 49% juridisch verplicht en 51% beleidsmatig gereserveerd.

Van het programmabudget van MDIEU is in 2027 98% juridisch verplicht. Het resterende bedrag is beleidsmatig gereserveerd.

Van het programmabudget van Meer Uren Werkt is in 2027 56% juridisch verplicht. Het overige budget is bestuurlijk gebonden.

De Subsidieregeling duurzame inzetbaarheid is onderdeel van de agenda voor duurzame inzetbaarheid die volgt uit het akkoord Gezond naar het pensioen (oktober 2024) tussen sociale partners en het kabinet. Het programmabudget van deze subsidieregeling is in 2027 100% bestuurlijk gebonden. 

Opdrachten

Van het opdrachtenbudget op artikel 1 is in 2027 naar schatting 34% juridisch verplicht en de rest is beleidsmatig gereserveerd. Deze inschatting is gemaakt op basis van de openstaande verplichtingen en bestedingsplannen in 2027. Dit budget wordt divers ingezet voor het stimuleren van gezond en veilig werken, evenwichtige arbeidsverhoudingen en handhaving. Daarnaast worden middelen ingezet voor het beheer van het wagenpark van de Nederlandse Arbeidsinspectie.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

De bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan de Gezondheidsraad en aan ‘Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals and Classification, Labelling and Packaging’ (REACH CLP) van VWS. Verder betreft dit een bijdrage aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) van LVVN en aan EZ ten behoeve van TNO/MAPA.

Bijdrage aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de bijdrage aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdrages aan medeoverheden betreffen reserveringen voor de verlenging van decentrale uitkeringen ten behoeve van het programma Work in NL. Dit budget is 100% bestuurlijk gebonden.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 16 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

631.273

687.473

748.283

270.343

0

0

0

         
 

Uitgaven

631.273

687.473

748.283

270.343

0

0

0

         

1.0

Arbeidsmarkt

631.273

687.473

748.283

270.343

0

0

0

 

Inkomensoverdrachten

631.273

687.473

748.283

270.343

0

0

0

 

Compensatieregeling transitievergoeding na langdurige AO

620.835

676.580

708.947

247.485

0

0

0

 

Compensatieregeling transitievergoeding bij pensionering of overlijden

10.438

10.893

10.893

3.631

0

0

0

 

Transitievergoeding na 2 jaar ziekte nominaal

0

0

28.013

18.949

0

0

0

 

Compensatieregeling Transitievergoeding MKB nominaal

0

0

430

278

0

0

0

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten in dit artikel vallen onder de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). De Wtl bestaat uit het LKV (loonkostenvoordeel). Voorheen vielen hier ook het Minimumjeugdloonvoordeel en Lage-inkomensvoordeel onder. Deze zijn respectievelijk per 1 januari 2024 en 1 januari 2025 afgeschaft.

Loonkostenvoordelen

De Loonkostenvoordelen (LKV’s) bestaan sinds 2018. De loonkostenvoordelen zijn tegemoetkomingen in de loonkosten voor werkgevers met als doel werkgevers te stimuleren om specifieke groepen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen. De tegemoetkomingen worden na afloop van het kalenderjaar uitbetaald, het zogeheten t+1 principe. Werkgevers krijgen in 2027 de tegemoetkoming uitbetaald voor werknemers die in 2026 in dienst waren. De Wtl-tegemoetkomingen gelden niet voor werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd.

In 2027 zijn er drie typen LKV: LKV arbeidsgehandicapte werknemer, LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer en LKV doelgroep banenafspraak. Het LKV oudere werknemer is per 1 januari 2026 afgeschaft. De laatste uitbetalingen vinden in 2027 plaats, omdat er vanwege het overgangsrecht een groep is die ook in 2026 recht heeft op het LKV oudere werknemer.

LKV oudere werknemer, LKV arbeidsgehandicapte werknemer en LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer

  • Als een werkgever een uitkeringsgerechtigde aanneemt van 56 jaar of ouder, gaf dat tot en met 2025 recht op het LKV oudere werknemer indien de werknemer in de 6 maanden voor hij in dienst kwam niet in dienst was bij deze werkgever en de werkgever verzekerd is voor een of meer van de werknemersverzekeringen.

  • Als een werkgever een werknemer aanneemt met een WIA-uitkering, geeft dat recht op het LKV arbeidsgehandicapte werknemer. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij na afloop van de WIA-wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, of als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben. Dit indien de werknemer in de 6 maanden voor hij in dienst kwam niet in dienst was bij deze werkgever en de werkgever verzekerd is voor een of meer van de werknemersverzekeringen.

  • Als een werknemer met een WIA-uitkering de werkzaamheden bij zijn huidige werkgever hervat, geeft dat recht op het LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze doelgroep als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben en de werkzaamheden bij de oude werkgever hervatten. Dit indien de werknemer in de 6 maanden voor hij in dienst kwam niet in dienst was bij deze werkgever.

De tegemoetkoming voor het LKV oudere werknemer (dienstverbanden die zijn gestart voor 2024), het LKV arbeidsgehandicapte werknemer en het LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer waren in 2026 € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van het LKV oudere werknemer en het LKV arbeidsgehandicapte werknemer is 3 jaar. De maximale duur van het LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer is een jaar. Voor dienstverbanden die zijn begonnen op of na 1 januari 2024 geldt dat de bedragen van het LKV oudere werknemer per 1 januari 2025 zijn verlaagd van € 3,05 per uur naar € 1,35. Het maximumbedrag per jaar is sinds 2025 verlaagd van € 6.000 naar € 2.600. Het LKV oudere werknemer is per 1 januari 2026 afgeschaft.

LKV doelgroep banenafspraak

Als een werkgever een werknemer uit de doelgroep banenafspraak in dienst neemt, is er recht op het LKV banenafspraak. De tegemoetkoming is € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per jaar. Per 1 januari 2026 is dit LKV aangepast en geldt dit LKV alleen nog voor personen die in het doelgroep­register banenafspraak zijn opgenomen. Vanaf dat moment heet dit LKV ook het ‘Loonkostenvoordeel banenaf­spraak’, en vervalt de toevoeging ‘en scholingsbelemmerden’. Tevens wordt de duur van het LKV banenafspraak gewijzigd van maximaal drie jaar naar structureel, zolang het dienstverband duurt. Zolang de werknemer in het doelgroepregister staat, kan ook een volgende werkgever aanspraak maken op het LKV banenafspraak, als hij dit aangeeft in de polisadministratie.

Budgettaire ontwikkelingen

Het LKV oudere werknemer is afgeschaft per 1 januari 2026. Dit leidt tot een besparing van € 44 miljoen per jaar vanaf 2027.

Er is een wet aangenomen waarbij een nieuwe systematiek wordt geïntroduceerd waarbij werknemers bij wisseling van werkgever en een overgang van onderneming van de werkgever een nieuwe doelgroepverklaring kunnen aanvragen, waardoor het resterende recht op loonkostenvoordeel kan doorlopen naar de nieuwe werkgever. De inwerkingtredingsdatum voor dit wetsvoorstel is 1 januari 2027. Hierdoor zullen de uitgaven aan het LKV vanaf 2028 nog toenemen met een additionele € 1,1 miljoen structureel.

Per 1 januari 2026 zijn er een aantal wijzigingen in het LKV doelgroep banenafspraak die invloed hebben op de budgettaire ontwikkelingen. Deze wijzigingen komen voort uit de wet Vereenvoudiging van de banenafspraak en de quotumregeling voor mensen met een arbeidsbeperking. De uitgaven aan het LKV doelgroep Banenafspraak stijgen doordat de maximale duur van drie jaar per 1 januari 2026 is verlengd naar structureel. Daarnaast is de doelgroep van het LKV Banenafspraak verbreed met mensen in de Wajong die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en werken bij een reguliere werkgever en mensen in de WIA die als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn aangemerkt en werken met loondispensatie. De uitgaven nemen structureel toe met € 125 miljoen per jaar.

Compensatieregeling transitievergoeding na langdurige arbeidsongeschiktheid

Sinds 1 april 2020 worden alle werkgevers gecompenseerd voor de transitievergoeding die zij moeten betalen bij ontslag van een twee jaar zieke werknemer. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de bij ontslag betaalde transitievergoeding. Het kabinet streeft ernaar om per 1 januari 2028 de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (CRTV LAO) af te schaffen.

Budgettaire ontwikkelingen

Door een verwachte toename van het aantal langdurig arbeidsongeschikte werknemers neemt het aantal toekenningen van de CRTV LAO toe. Als gevolg van de afschaffing van de CRTV LAO per 1 januari 2028 worden er geen uitgaven meer verwacht na 2028. Door overgangsrecht worden er nog wel toekenningen in 2028 verwacht.

Compensatieregeling transitievergoeding bij pensionering of overlijden

Op 1 januari 2021 is de compensatieregeling transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming vanwege pensionering of overlijden van de werkgever (CRTV BE) in werking getreden. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de bij ontslag aan de werknemer betaalde transitievergoeding. Het kabinet streeft ernaar om per 1 januari 2028 de CRTV BE af te schaffen.

Budgettaire ontwikkelingen

Het aantal werkgevers dat elk jaar stopt vanwege pensionering of overlijden is redelijk constant. Het is niet de verwachting dat dit in de nabije toekomst verandert. De verwachting is daarom dat de uitgaven tot 2028 circa € 11 miljoen bedragen. Als gevolg van de afschaffing van de CRTV BE per 1 januari 2028 worden er geen uitgaven meer verwacht na 2028. Door overgangsrecht worden er nog wel toekenningen in 2028 verwacht.

Subsidies

Overige subsidies algemeen

Het budget voor «overige subsidies algemeen» betreft verschillende subsidies op de beleidsterreinen van arbeidsverhoudingen en gezond en veilig werken. Onder andere wordt subsidie verleend aan de SER ten behoeve van het programma Diversiteit in bedrijf, aan Fairwork voor ondersteuning aan (potentiële) slachtoffers arbeidsuitbuiting, voor het werkprogramma Lexces 2023-2028 en aan Netspar ten behoeve van het werkprogramma 2023-2027.

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen (DI&LLO)

In 2020 is het meerjarige investeringsprogramma duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen (MIP) opgezet. Voor dit programma is structureel € 11,6 miljoen beschikbaar. In 2027 lopen de activiteiten van het MIP door met als doel bewustwording te creëren en kennis (door) te ontwikkelen. Dit gebeurt onder andere via communicatieactiviteiten en bijeenkomsten, maar voornamelijk via de Expeditie-regeling. Deze regeling is opgezet om een maatschappelijke beweging te stimuleren waarin interventies, werkwijzen en methodieken op het gebied van DI en LLO vaker, beter en sneller worden toegepast. Het kas- en verplichtingenritme van het MIP loopt aanzienlijk uiteen, enerzijds omdat er niet jaarlijks maar tweejaarlijks een aanvraagtijdvak van de Expeditie-regeling wordt geopend, anderzijds omdat het bij deze regeling gaat om meerjarige projecten waarvoor de betalingen veel later plaatsvinden dan de subsidietoekenning. In 2027 wordt er vanuit de duurzame inzetbaarheidsagenda € 8 miljoen toegevoegd aan het budget voor de Expeditie-regeling voor projecten op het terrein van zwaar werk.

Stimuleringsregeling LLO in mkb (SLIM)

Met de Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen (SLIM) wil het kabinet leren en ontwikkelen in het mkb vanzelfsprekend maken. De subsidieregeling is bedoeld voor twee groepen aanvragers: individuele mkb-ondernemingen en samenwerkingsverbanden in het mkb. Ondernemingen kunnen subsidie aanvragen voor het onderzoeken van scholings- en opleidingsbehoeften in een onderneming. Of het inkopen (of verkrijgen) van loopbaanadviezen voor werkenden in de onderneming. Tot slot biedt de regeling ook ruimte voor initiatieven gericht op het ontwikkelen of invoeren van een L&O-methode die werknemers in de onderneming stimuleert kennis, vaardigheden en beroepshouding verder te ontwikkelen. Bijvoorbeeld door het oprichten van een bedrijfsschool of het ontwikkelen en realiseren van een systeem van periodieke ontwikkelgesprekken met werknemers in de onderneming. Initiatieven van samenwerkingsverbanden moeten minimaal het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een L&O-methode bevatten. Voor de regeling is in 2027 € 79,2 miljoen beschikbaar. Structureel is circa € 39 miljoen beschikbaar.

Daarnaast is er sinds maart 2025 een tijdelijke scholingssubsidie beschikbaar voor opleidingen voor maatschappelijk cruciale sectoren. Deze tijdelijke subsidie maakt deel uit van de Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen (SLIM). Werkgevers kunnen nieuwe of huidige medewerkers met subsidie scholing laten volgen die bijdraagt aan instroom in, doorstroom binnen en overstappen naar maatschappelijk cruciale sectoren. De subsidie is voor praktijkgerichte opleidingen waarbij mensen tegelijkertijd werken en leren. Het subsidiepercentage hangt af van het niveau van de betreffende opleiding. Met deze subsidie wil het kabinet geld gerichter inzetten om de tekorten in deze sectoren aan te pakken en bijdragen aan duurzame inzetbaarheid van personeel. In 2027 is er alleen nog mogelijkheid voor individuele werkgevers om subsidie aan te vragen. Voor de SLIM-scholingssubsidie is volgend jaar € 31 miljoen beschikbaar.

Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU)

Een van de maatregelen uit het pensioenakkoord betreft een tijdelijke subsidieregeling die ziet op het faciliteren van maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Sociale partners in sectoren en bedrijven kunnen in gezamenlijk overleg subsidieaanvragen indienen met als doel het duurzaam inzetbaar houden van werkenden, het faciliteren van langer doorwerken en het wegnemen van knelpunten bij het realiseren van regelingen die tijdelijk zijn vrijgesteld van de heffing voor regelingen voor vervroegd uittreden (RVU­-heffing).

Binnen de MDIEU is in de periode 2021-2025 subsidie beschikbaar gesteld aan sectoren en bedrijven in het kader van duurzame inzetbaarheid en regelingen voor vervroegd uittreden. De activiteiten in deze projecten zijn op 31 december 2025 beëindigd en de laatste uitbetalingen van deze subsidie vinden plaats in de jaren 2026 en 2027.

Subsidie Meer Uren Werkt!

Het subsidiebudget voor het Groeifondsproject Meer Uren Werkt! is enerzijds bestemd voor de projectsubsidie aan Groeifondspartner Universiteit van Utrecht, en anderzijds voor de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek interventies ter uitbreiding arbeidstijd.

Subsidieregeling duurzame inzetbaarheid

Het kabinet streeft ernaar in 2027 de subsidieregeling ‘Duurzaam aanpakken belastende werkzaamheden’ open te stellen voor aanvragen van samenwerkingsverbanden vanuit sectoren en branches. Deze kunnen aanvragen indienen voor maatregelen die als doel het verlichten of voorkomen van belastende werkzaamheden hebben. In een later tijdvak volgt subsidie voor werkgevers, voor maatregelen die zij voor dat doel kunnen nemen. Voor deze regeling, die een looptijd tot en met 2030 heeft, is € 199 miljoen inclusief uitvoeringskosten beschikbaar. De regeling wordt gefinancierd vanuit het restant van de middelen voor de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU).

Opdrachten

Dit budget wordt divers ingezet voor het stimuleren van gezond en veilig werken en evenwichtige arbeidsverhoudingen. Daarnaast worden middelen ingezet voor het beheer van het wagenpark van de Nederlandse Arbeidsinspectie.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan de Gezondheidsraad en aan ‘Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals and Classification, Labelling and Packaging’ (REACH CLP) van VWS. Verder betreft dit een bijdrage aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) van LVVN en aan EZ ten behoeve van TNO/MAPA (maatschappelijk programma arbeidsomstandigheden).

Bijdrage aan agentschappen

Ten behoeve van de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is € 4,9 miljoen gereserveerd. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) ontvangt € 0,1 miljoen per jaar.

Bijdrage aan medeoverheden

Dit betreft reserveringen voor de verlenging van decentrale uitkeringen ten behoeve van het programma Work in NL.

Ontvangsten

De algemene ontvangsten betreffen ontvangsten van medewerkers van de Nederlandse Arbeidsinspectie voor het verwachte privégebruik van hun dienstauto.

De boeteontvangsten betreffen ontvangsten uit boetes opgelegd door de Arbeidsinspectie. De raming van deze ontvangsten is met onzekerheid omgeven. Boeteontvangsten hangen onder andere af van het aantal bedrijven dat wordt bezocht, op welke punten wordt geïnspecteerd en wat bij deze inspecties wordt geconstateerd. Boeteontvangsten zijn niet taakstellend. De Arbeidsinspectie stuurt niet op het behalen van de geraamde boeteontvangsten; zij stuurt uiteraard wel op het innen van de opgelegde boetes.

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota.

Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Kwalitatieve achtergrond informatie per fiscale regeling’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.

Tabel 17 Fiscale regelingen 2025-2027, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)12
 

2025

2026

2027

Arbeidskorting

36.602

38.230

38.889

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

2.124

2.200

2.218

Btw Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

1.225

1.281

1.339

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

2

Het betreft het budgettaire belang van de fiscale regelingen inclusief beleidsmaatregelen conform stand per 1 september.

Arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt is in 2025 stabiel gebleven. De beroepsbevolking is licht toegenomen, terwijl de niet-beroepsbevolking opnieuw is afgenomen. De beroepsbevolking bestaat uit personen van 15 tot 75 jaar die betaald werk hebben (werkzame beroepsbevolking) of recent naar betaald werk hebben gezocht en direct beschikbaar zijn (niet-werkzame beroepsbevolking). Ook het aantal werkenden nam verder toe. Tegelijkertijd liep het aantal werklozen licht op waardoor het werkloosheidspercentage uitkwam op 3,9% in 2025. In 2023 was dit percentage 3,6%. Ondanks deze lichte stijging blijft de werkloosheid historisch gezien laag.

De groei van de beroepsbevolking draagt bij aan een lichte afname van de arbeidsmarktkrapte. Desondanks hebben werkgevers in sectoren als de zorg, het onderwijs, techniek en ICT nog steeds moeite met het vinden van personeel.

Het werkloosheidspercentage verschilt per leeftijdscategorie. Onder jongeren is het werkloosheidspercentage het hoogst en nam licht toe van 8,7% in 2024 naar 8,8% in 2025. Dit komt onder andere doordat jongeren vaker bijbanen hebben en ook vaker over flexibele contracten beschikken. Daardoor is het werkloosheidscijfer en de participatiegraad van deze groep gevoeliger voor conjuncturele schommelingen. De werkloosheid onder 45- tot 75-jarigen bleef met 2,4% relatief laag. Ouderen hebben vaker een vast contract, waardoor schommelingen in de werkloosheid doorgaans beperkter zijn.

Tabel 18 Kerncijfers arbeidsmarkt
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Beroepsbevolking (x 1.000)

10.096

10.170

10.229

Niet-beroepsbevolking (x 1.000)

3.230

3.217

3.197

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

9.737

9.798

9.833

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

359

372

396

Werkloosheidspercentage

3,6

3,7

3,9

 

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

8,2

8,7

8,8

 

25 tot 45 jaar

2,9

3

3,2

 

45 tot 75 jaar

2,2

2,1

2,4

Bron: CBS, Statline. De kerncijfers in de tabel betreffen de leeftijdsgroep 15 tot 75 jaar.

Werkzame beroepsbevolking

Het totaal aantal werkenden is licht toegenomen in 2025 tot ruim 9,8 miljoen. Het aantal werkenden met een hoog opleidingsniveau steeg naar 4,2 miljoen. Het aantal werkenden met een laag of middelbaar opleidingsniveau nam daarentegen iets af. Daarnaast nam het aantal werkenden met een vaste arbeidsrelatie de afgelopen jaren in absolute zin verder toe. Het aantal werkenden met een flexibele arbeidsrelatie bleef vrijwel gelijk. Ook valt op dat onder laagopgeleiden een flexibele arbeidsrelatie vaker voor komt. Binnen deze groep bevinden zich veel jongeren die een bijbaan hebben en nog studeren. Hierdoor komt flexibel werk vaker voor bij laagopgeleiden dan bij middelbaar en hoogopgeleiden.

Het aantal zelfstandigen daalde naar ruim 1,5 miljoen. In alle opleidingscategorieën was deze afname zichtbaar. Mogelijk hangt deze daling samen met een striktere handhaving op schijnzelfstandigheid en zijn werkgevers hierdoor terughoudender geworden in het inzetten van zzp'ers.

Tabel 19 Kerncijfers werkzame beroepsbevolking, aandeel contractvorm naar opleidingsniveau
 

vaste arbeidsrelatie

flexibele arbeidsrelatie

zelfstandigen

totaal

Laag (x 1.000)

2023

897

807

267

1.971

2024

908

804

259

1.972

2025

868

808

250

1.926

Midden (x 1.000)

2023

2.051

1.087

582

3.720

2024

2.066

1.042

580

3.688

2025

2.079

1.010

539

3.628

Hoog (x 1.000)

2023

2.447

830

730

4.007

2024

2.506

824

768

4.097

2025

2.633

855

747

4.235

Totaal (x 1.000)1

2023

5.395

2.724

1.579

9.698

2024

5.480

2.670

1.607

9.757

2025

5.580

2.673

1.536

9.789

Bron: CBS, Statline.

1

Totaal is berekend als de som van laag, midden en hoog opleidingsniveau. De categorie onbekend is niet meegenomen in het totaal waardoor het totaal niet overeenkomt met de tabel op statline.

Gezond en veilig werken

In 2025 is het ziekteverzuimpercentage 5,4% (van de 100 werkdagen wordt er gemiddeld 5,4 dagen verzuimd). In 2025 is het verzuim iets toegenomen ten opzichte van een jaar eerder, tussen 2022 en 2024 nam het verzuim nog af (van 5,6% naar 5,2%).

Het percentage werknemers met een beroepsziekte is in 2025 toegenomen naar 3,8%. Het aandeel werknemers met een beroepsziekte is in de periode 2023-2025 hoger dan in 2022 (3,3%). Verder is in de periode 2023-2025 het aandeel werknemers met een arbeidsongeval vrijwel stabiel, en het aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen is afgenomen naar 1 incident in 2025.

Tabel 20 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,3

1,2

1,2

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

1,2

Ziekteverzuim (%)3

5,3

5,2

5,4

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

2

2

1

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)5

3,9

3,6

3,8

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)2

2,1

1

Bron: CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden.

2

Bron: CBS/TNO, Zelfstandigen Enquête Arbeid. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

3

Bron: CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

4

Bron: Nederlandse Arbeidsinspectie, administratie.

5

Bron: CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

Aantal werknemers onder cao

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt hangt samen met het aantal bij SZW aangemelde cao’s in het betreffende onderzoeksjaar. Dit is afhankelijk van de looptijd van cao’s en kan per jaar verschillen, evenals het aantal werknemers dat onder de aangemelde, lopende cao’s valt.

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen

Het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen (twv’s) is in 2025 toegenomen ten opzichte van 2024. De toename komt met name door de verleende tewerkstellingsvergunningen aan asielzoekers. In 2025 zijn 23.390 twv’s verleend aan asielzoekers. In 2024 waren dat er 9.210. De Raad van State verklaarde op 29 november 2023 dat de beperking dat asielzoekers maximaal 24 weken in een periode van 52 weken mogen werken onverbindend is. Mede hierdoor is er een forse stijging in de arbeidsparticipatie van asielzoekers. Het totaal aantal verleende gecombineerde vergunningen voor verblijf en arbeid (gvva’s) is in 2025 is vrijwel gelijk gebleven aan 2024. Wel is een verschuiving zichtbaar van arbeidsmigranten met een werkgever in Nederland naar arbeidsmigranten met een werkgever in het buitenland. Dit komt door een toename van het aantal verleende vergunningen voor grensoverschrijdende dienstverlening, van 1.440 in 2024 naar 2.620 in 2025. Het aantal verleende verblijfsvergunningen voor Arbeid werkgever in Nederland is met 39% afgenomen ten opzichte van 2024. Ten aanzien van migranten van buiten de EU die een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse (kennis)economie voert Nederland een uitnodigend beleid. Voor deze groepen bestaan speciale regelingen die een eenvoudigere en snellere toegang faciliteren. In totaal zijn er 16.400 verblijfsvergunningen verleend in 2025, dit is een daling van 16% ten opzichte van 2024.

Tabel 21 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Aantal werknemers onder cao (x 1.000, ultimo)1

6.184

6.142

6.183

 

bij direct aan bedrijfstak- en ondernemingscao's gebonden werkgevers

5.184

5.227

5.340

 

bij door algemeen verbindendverklaring gebonden werkgevers

1.001

915

844

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (x 1.000, ultimo)2

20,2

29,4

42,6

1

Bron: SZW, administratie.

2

Bron: UWV, kwantitatieve informatie. Het gaat hierbij om verleende tewerkstellingsvergunningen en positieve adviezen ten aanzien van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.

Handhaving

De Nederlandse Arbeidsinspectie is toezichthouder en opsporingsinstantie van het Ministerie van SZW op de terreinen gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Ook voert de Arbeidsinspectie op het gebied van persoonsgebonden budget- en declaratiefraude opsporingstaken uit voor het Ministerie van VWS. Net als de strafrechtelijke opsporing op het terrein van SZW vinden deze onderzoeken plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.

De Arbeidsinspectie werkt (pro-)actief in programma’s op basis van geprioriteerde arbeidsrisico’s. Zo pakt ze complexe vraagstukken gericht en effectief op en kan ze zich snel aanpassen als de maatschappelijke omgeving verandert. Daarnaast acteert de Arbeidsinspectie waar nodig reactief via de afhandeling van meldingen van burgers, organisaties en partners en acteert de Arbeidsinspectie waar nodig reactief op niet-geprioriteerde arbeidsrisico’s. De opvolging van meldingen vormt ook de komende jaren een substantieel aandachtsgebied van de Arbeidsinspectie. Ongeveer de helft van al haar inspanningen betreft reactieve activiteiten.

De Arbeidsinspectie komt in de praktijk regelmatig onwenselijke of schadelijke situaties tegen waarbij zij niet bevoegd is om op te treden. De Arbeidsinspectie wil ook de komende jaren over dergelijke situaties een duidelijk signaal afgeven, zodat andere partijen vanuit hun bevoegdheden daarop wel actie kunnen ondernemen. Hierin past ook dat zij vroegtijdig waarschuwt voor situaties of constructies die weliswaar legaal zijn, maar toch een schadelijke uitwerking hebben op gezond, veilig en eerlijk werk.

Hardnekkige maatschappelijke problemen op het inspectiedomein zijn vervlochten met andere beleidsterreinen en raken het werk op internationaal, nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Voor een effectieve aanpak in het programmatisch georganiseerd toezicht werkt de Arbeidsinspectie samen met internationale, nationale en regionale toezichthouders.

Voor een gedetailleerder beschrijving van de resultaten die de Arbeidsinspectie in 2027 dan wel in 2031 wil behalen en de activiteiten die zij daartoe wil ondernemen, wordt verwezen naar haar Meerjarenplan 2027-2031 en haar Jaarplan 2027; deze worden eind 2026 aan de Kamers aangeboden.

Kerncijfers

Op moment van publicatie van deze begroting is de Arbeidsinspectie bezig met een traject om te komen tot een nieuw Meerjarenplan 2027-2031. Dit kan ertoe leiden dat de Arbeidsinspectie andere strategische of tactische keuzes met betrekking tot resultaten en effect wil maken dan voor haar Meerjarenplan 2023-2026. Dit kan van invloed zijn op de voor deze meerjarenplanperiode te hanteren kerncijfers. Het resultaat van dit traject wordt vastgelegd in het Meerjarenplan 2027-2031 en het Jaarplan 2027 van de Arbeidsinspectie.

Tabel 22 toont de kerncijfers die staan voor de door de Arbeidsinspectie beoogde resultaten via welke zij bijdraagt aan gezond, veilig en eerlijk werk voor iedereen.

De Arbeidsinspectie zet in 2027 blijvend in op een evenwichtige balans tussen reactieve inspecties en actieve op preventie gerichte inspecties op het terrein van Gezond en Veilig en een verhoging van het aandeel gezamenlijke inspecties bij Seveso-bedrijven (voorheen Brzo) naar ten minste 90%. Daarnaast wil de Arbeidsinspectie dusdanig in mensen, processen en techniek investeren dat er een beheerst niveau van informatiegestuurd werken wordt gerealiseerd. Bovendien streeft de Arbeidsinspectie naar een interventiedekking eerlijk werk van 5%.

Handhavingspercentages geven een indicatie van de bijdrage van de Arbeidsinspectie aan het beoogde maatschappelijk effect. Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt inzicht in de mate waarin zij erin slaagt om risicogericht te inspecteren, dus om werkgevers te bezoeken die de regels overtreden. Dit is voldoende het geval als daarvan bij meer dan de helft van de bezochte bedrijven sprake is. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de Arbeidsinspectie erin slaagt om een gedragsverandering te realiseren bij werkgevers die de regels niet naleefden. Als de Arbeidsinspectie daarin voldoende slaagt, ligt het handhavingspercentage bij herinspectie onder de 50%.

Tabel 22 Kerncijfers Nederlandse Arbeidsinspectie
 

Realisatie 2025

Raming 2026

Raming 2027

Resultaat

   

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Seveso; %)

52:48

50: 50

50: 50

Deelname Nederlandse Arbeidsinspectie aan gezamenlijke Seveso-inspecties (%)1

95

>90

>90

Niveau informatiegestuurd werken2

beheerst

Interventiedekking Eerlijk werk (%)3

4,9

5

Effect

   

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Seveso)

52

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Seveso)

21

<50

<50

Handhavingspercentage Seveso4

35

<40

<40

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk

51

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk

37

<50

<50

1

Betreft de deelname van de Arbeidsinspectie aan periodieke (geplande en aangekondigde) inspecties bij Seveso-bedrijven.

2

Voor deze kerncijfers kent de Arbeidsinspectie alleen doelen voor 2023 en 2026. Voor de tussenliggende jaren zijn geen doelen geformuleerd.

3

De interventiedekking betreft de interventieclusters 1 (rechtstreekse beïnvloeding), 2 (beïnvloeding via anderen) en 3 (communicatie).

4

Bij het inspecteren van Seveso-bedrijven wordt geen onderscheid gemaakt tussen eerste inspecties en herinspecties. De Arbeidsinspectie blijft inspecteren totdat een onvolkomenheid of overtreding is opgeheven.

5.2 Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid ernaar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert de Minister de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;

  • het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor zelfstandigen;

  • het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt, en zo niet, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;

  • de budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van de integratie-uitkering Participatie en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en UWV (TW);

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Binnen deze wettelijke kaders hebben gemeenten beleidsvrijheid om maatwerk te bieden waarmee participatie zo optimaal mogelijk wordt ondersteund. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget aan de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Het macrobudget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld, vanaf 2022 wordt het deelbudget voor loonkostensubsidies op basis van historische uitgaven over gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering, die een louter gemeentelijke aangelegenheid zijn.

Participatiewet in balans

De Participatiewet moest meer in balans worden gebracht. Het kabinet wil de ervaren hardheden in de Participatiewet wegnemen door vertrouwen en menselijke maat te verankeren in de wet en door de uitvoering van de wet eenvoudiger te maken. In 2027 treden de laatste maatregelen van de wet Participatiewet in balans in werking en worden gemeenten ondersteund bij de implementatie daarvan. Daarnaast onderzoekt het kabinet hoe de Participatiewet nog verder verbeterd kan worden, onder andere door mensen die niet kunnen werken door een chronische ziekte of beperking beter te ondersteunen. Met de wet Handhaving sociale zekerheid wordt de handhaving in brede zin herzien, zodat mensen de zekerheid krijgen dat kleine foutjes niet tot grote gevolgen leiden (Kamerstukken II 2024/25, 36 785, nr. 3). Met het versterken van de preventieve aanpak wordt bovendien de kans op fouten verkleind. Er wordt gewerkt aan de ambitie om verschillende inkomensondersteunende regelingen binnen de Participatiewet waar mogelijk te harmoniseren en verschillen te verkleinen (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 849). Ook wordt onderzocht hoe we op het terrein van het gemeentelijk re-integratiebeleid meer kunnen komen tot harmonisering, gegeven de verschillen tussen gemeenten onderling, en tussen gemeenten en UWV.

Afsluiten IOAZ voor nieuwe instroom

Naar verwachting wordt in 2027 de wetsbehandeling afgerond voor het dichtzetten van de IOAZ per 1 januari 2028 voor nieuwe instroom.

Armoede

Het kabinet zet via het Nationaal Programma Armoede en Schulden samen met gemeenten in op een effectief en eerlijk armoedebeleid in Nederland (Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 799). Het aantal mensen en het aantal kinderen in armoede neemt naar verwachting af in 2026. Tegelijk laten rapporten van onder meer de Commissie sociaal minimum, Nibud, FNV en IPE zien dat het gemeentelijke armoedebeleid versnipperd is, zowel bij de landelijke als lokale regelingen, en daarnaast zijn er soms grote verschillen tussen gemeenten. Het kabinet wil daarom samen met gemeenten het armoedebeleid vereenvoudigen en verbeteren. Daarnaast wordt ingezet op interdepartementale samenwerking om te komen tot samenhangend beleid in het sociaal domein, onder andere via de interdepartementale aanpak kwetsbare gezinnen met jeugdigen van 0-27 jaar vanuit de ministeries VWS, OCW, SZW, JenV en BZK. Door geldzorgen vroegtijdig te signaleren en inwoners te leren omgaan met geld en snel naar passende ondersteuning te leiden, krijgen inwoners meer grip op hun financiële situatie. Het kabinet ondersteunt dit in 2027 onder andere met financiële educatie.

Het energiefonds

Het kabinet zet in op een betaalbare energierekening en een rechtvaardige energietransitie voor huishoudens met een kleine portemonnee. Terwijl er wordt gewerkt aan woningverduurzaming en energiebesparing hebben energiearme huishoudens ondersteuning nodig. Het kabinet bereidt daarom een noodfonds energie voor dat komende winter open kan. Dit fonds wordt een overheidsregeling met voldoende middelen om alle huishoudens in de doelgroep te helpen (Kamerstukken II 2025/26, 36 933, nr. 44). Er wordt gewerkt aan een koppeling met woningverduurzaming door gemeenten.

Schulden

In het Nationaal Programma Armoede en Schulden zijn de doelstellingen voor het schuldenbeleid geformuleerd (Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 799). Minder huishoudens krijgen problematische schulden, minder huishoudens gaan van beginnende naar problematische schulden en meer huishoudens stromen succesvol en duurzaam uit de problematische schulden. Het kabinet zet in op verbetering van de schuldhulpverlening. Met VNG en Divosa zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de basisdienstverlening. Daarmee wil het kabinet het hulpaanbod toegankelijker maken en in elke gemeente minimaal dezelfde elementen laten bevatten. Daarnaast versterkt het kabinet ook op andere vlakken de schuldhulpverlening, onder meer met het wetsvoorstel Schuldregelen. Verder wordt gewerkt aan betere borging van het bestaansminimum in geval van beslag, onder meer via de evaluatie van de beslagvrije voet en het wetsvoorstel Bescherming inkomen bij beslagleggingen (voorheen Stroomlijning keten voor derdenbeslag (Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 768)). Het doel is om schulden zoveel mogelijk in een vroeg stadium te signaleren en op te lossen. Met de betrokken departementen en partijen wordt een voorstel uitgewerkt hoe de beschikbare middelen voor verschillende schuldenmaatregelen, zoals vroegsignalering en een beter zicht op schulden, zo goed mogelijk kunnen worden ingezet.

Beschut werk

Per 2027 verandert de verdeelsystematiek van de begeleidingsmiddelen voor beschut werk. De nieuwe verdeling sluit beter aan bij de behoefte aan en realisatie van beschut werk bij gemeenten. De invoering van de nieuwe verdeelsystematiek volgt een ingroeipad tot 2029, waarna de nieuwe verdeling volledig geldt. Daarnaast werkt het kabinet aan de wetswijziging voor de invoering van een forfaitaire loonkostensubsidie voor beschut werk. ​Deze wijziging zorgt ervoor dat de financiering van de loonkostensubsidie voor beschut werk beter aansluit bij de praktijk (Kamerstukken II 2025/26, 34 352, nr. 373). Het wetsvoorstel ligt momenteel bij de Raad van State voor advies. De verwachte inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2028. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zijn de begeleidingsmiddelen voor beschut werk in de voorjaarsnota van 2025 opgehoogd. Hiermee worden gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven alvast tegemoetgekomen voor het financiële knelpunt bij beschut werk. De loonwaardesystematiek verandert pas na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Vanaf de inwerkingtreding van het wetsvoorstel lopen de middelen mee in het budget voor bijstand en loonkostensubsidie.

Vereenvoudiging Toeslagenwet

In de voorjaarsbesluitvorming 2025 waren middelen vrij gemaakt om de Toeslagenwet op korte termijn te vereenvoudigen. Het pakket aan maatregelen dat binnen deze middelen genomen kan worden, leidt maar beperkt tot een vereenvoudiging voor mensen en uitvoering. Mede daarom is in de voorjaarsbesluitvorming 2026 besloten om deze middelen in te zetten voor de tegenvaller op de SZW-begroting.

Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

De banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Met sociale partners is afgesproken 125.000 extra banen voor deze doelgroep te realiseren. Tot en met 2025 zijn er tot nu toe ruim 90.000 extra banen gerealiseerd. Een mooi aantal, maar de doelstelling van 125.000 banen is daarmee nog niet bereikt en dat is teleurstellend. Er zijn diverse redenen waarom de doelstelling voor de banenafspraak nog niet bereikt is. Een belangrijke reden is dat er op dit moment veel mensen met een beperking zijn die niet onder de doelgroep banenafspraak vallen omdat de afbakening nu te veel uitgaat van de uitkeringssituatie van mensen. Andere reden is dat een deel van de werkgevers niet bekend is met de banenafspraak en de regelingen die er zijn voor werkgevers. Ook zien we dat werkgevers en werknemers het systeem van de banenafspraak en quotumregeling en de bijbehorende financiële instrumenten als complex zien. Het kabinet is aan de slag om de banenafspraak te verbeteren, en bovenstaande knelpunten zoveel mogelijk op te lossen. Zo wordt er gewerkt aan een nieuwe banenafspraak waarin de ondersteuningsbehoefte van mensen centraal gesteld wordt. In het najaar van 2026 wordt de Tweede Kamer hier verder over geïnformeerd. Op kortere termijn werkt het kabinet nog aan een verdere verbreding van de doelgroep banenafspraak, waarbij onder andere loonkostensubsidie beschikbaar wordt gesteld in de WIA, de WW en in de Wajong. Hierover is de Tweede Kamer per brief geïnformeerd op 2 juli 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 34 253, nr. 372).

Tabel 23 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 20251

Streefwaarde 20252

Streefwaarde 20262

Streefwaarde 20272

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

77.844

100.000

100.000

100.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidssector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

13.929

25.000

25.000

25.000

1

Berekening SZW op basis van metingen UWV.

2

Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Kamerstukken II 2013/14, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel «Aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing».

Hervorming arbeidsmarktinfrastructuur

Ook in 2027 wordt gewerkt aan de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur. Alle regio’s hebben een regionaal Werkcentrum en een regionaal beraad waarin publieke en private partijen samenwerken aan arbeidsmarktdienstverlening. Werkzoekenden, werkenden en werkgevers kunnen bij een Werkcentrum terecht met vragen over werk, loopbaanontwikkeling, scholing en personeelsvraagstukken. Het voornemen is per medio 2027 de onderliggende gewijzigde wet- en regelgeving ter versterking van de arbeidsmarktinfrastructuur van kracht te laten worden. Met de start van de Werkcentra, de regionale beraden en de wet- en regelgeving is de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur nog niet gereed. Via de thematafels ‘Samenwerking in en rond het Werkcentrum’ en ‘Digitale Arbeidsmarktinfrastructuur’ bouwen de partijen verder aan de samenwerking, zodat de regionale arbeidsmarktinfrastructuur kan bijdragen aan de regionale opgaven en de landelijke ambities, zoals bij Nederland Werkt, Nieuwkomers aan het werk en de Talentstrategie.

Energietoelage voor minimahuishoudens

Vanaf 2022 zijn er voor Caribisch Nederland middelen incidenteel beschikbaar gesteld voor een energietoelage voor minimahuishoudens van $ 1.300 per huishouden per jaar. In 2027 wordt in totaal € 5,25 miljoen beschikbaar gesteld, waarvan € 1,25 miljoen uit het maatregelenpakket ‘Acties Weerbaarheid energieschok’. Met deze € 1,25 miljoen extra kunnen de openbare lichamen, net zoals in 2026, de toelage in 2027 verhogen en/of de doelgroep uitbreiden, om de gevolgen van de stijgende energieprijzen voor minimahuishoudens te mitigeren. De middelen worden via een bijzondere uitkering aan de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba verstrekt.

Tabel 24 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

9.033.919

9.646.612

9.637.239

9.799.171

10.057.152

10.322.326

10.607.239

         
 

Uitgaven

9.037.332

9.468.353

9.837.835

9.809.698

10.067.152

10.332.326

10.617.239

         

2.0

Bijstand, Participatiewet en toeslagenwet

9.037.332

9.468.353

9.837.835

9.809.698

10.067.152

10.332.326

10.617.239

 

Inkomensoverdrachten

8.843.899

9.314.150

9.453.587

9.663.928

9.947.357

10.223.217

10.511.293

 

Macrobudget participatiewetuitkering en intertemporele tegemoetkoming

7.779.794

8.195.747

8.297.777

8.479.033

8.731.900

8.983.011

9.241.304

 

Tozo en Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)

7.324

6.835

6.656

6.656

6.656

6.656

6.656

 

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

525.948

558.702

581.585

598.028

621.186

645.666

671.184

 

Toeslagenwet (TW)

518.200

539.642

554.043

566.430

573.640

573.769

577.875

 

Bijstand overig

955

786

741

713

685

652

614

 

Onderstand (Caribisch Nederland)

11.678

12.438

12.785

13.068

13.290

13.463

13.660

 

Subsidies (regelingen)

143.912

83.407

75.471

68.424

54.069

51.949

44.797

 

Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM)

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

 

NIBUD

1.000

809

693

693

693

693

693

 

Overige subsidies algemeen

38.361

36.059

22.235

18.931

11.700

13.507

13.007

 

Alle kinderen doen mee

17.190

15.725

15.756

15.756

15.756

16.782

16.782

 

Waarborgfonds sanering

2.000

0

0

0

0

0

0

 

Energiefonds

56.300

0

0

0

0

0

0

 

Geldzorgen Armoede en Schulden (Gas)

9.503

9.260

12.324

11.481

4.335

1.524

0

 

Subsidies Arbeidsmarktinfrastructuur

16.758

18.754

21.663

18.763

18.785

16.643

11.515

 

Opdrachten

25.652

45.869

239.250

47.063

39.156

38.987

42.976

 

Opdrachten algemeen

25.322

45.194

232.311

41.265

37.197

38.365

42.309

 

Opdrachten Arbeidsmarktinfrastructuur

330

675

6.939

5.798

1.959

622

667

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

10.508

5.723

2.505

0

0

 

Uitvoering IPS

0

0

10.508

5.723

2.505

0

0

 

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

1.385

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

 

Financiën

1.385

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

 

Bijdrage aan sociale fondsen

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

 

Pensioenfonds Wsw

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

 

Bijdrage aan agentschappen

95

300

0

0

0

0

0

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

61

0

0

0

0

0

0

 

DUO

34

300

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan medeoverheden

12.380

12.418

46.810

12.351

11.856

5.964

5.964

 

Tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek

0

0

34.055

5.846

5.892

0

0

 

Bijzondere uitkeringen

10.874

10.859

11.196

4.946

4.405

4.405

4.405

 

SPUK Grensinformatiepunten

1.506

1.559

1.559

1.559

1.559

1.559

1.559

 

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

9

9

9

9

9

9

9

 

Contributie Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden (CASS)

9

9

9

9

9

9

9

         
 

Ontvangsten

102.227

63.407

47.693

13.898

9.245

9.225

9.209

         
Tabel 25 Uitsplitsing ontvangsten artikel 2 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Ontvangsten

102.227

63.407

47.693

13.898

9.245

9.225

9.209

         

2.0

Bijstand, Participatiewet en toeslagenwet

102.227

63.407

47.693

13.898

9.245

9.225

9.209

 

Ontvangsten

102.227

63.407

47.693

13.898

9.245

9.225

9.209

 

Algemeen

42.841

23.001

13.993

12.048

9.245

9.225

9.209

 

Tozo retour kapitaal verstrekkingen

59.386

40.406

33.700

1.850

0

0

0

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 26 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 2
 

2027

juridisch verplicht

97,3%

bestuurlijk gebonden

2,2%

beleidsmatig gereserveerd

0,5%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0,0%

De uitgaven op artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet zijn voor 97,3% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn voor 100% juridisch verplicht. In algemene zin geldt dat inkomensoverdrachten die gebaseerd zijn op wet- en regelgeving voor 100% juridisch verplicht zijn. De inkomensoverdrachten worden gefinancierd door rijksbijdragen aan uitvoerende instellingen, zoals gemeenten (Macrobudget participatiewetuitkeringen, dat vóór oktober 2026 wordt toegekend/verplicht en betrekking heeft op 2027), UWV (Toeslagenwet € 554,0 miljoen) en de SVB (AIO € 581,6 miljoen).

Subsidies

De subsidies zijn voor 42,3% juridisch verplicht en voor 55,7% bestuurlijk gebonden. Verder is er 2,0% aan kasmiddelen beleidsmatig gereserveerd waar nog in 2027 verplichtingen voor zullen worden aangegaan.

Opdrachten

De opdrachten zijn voor 10,0% juridisch verplicht en voor 69,4% bestuurlijk gebonden. De resterende 20,6% is beleidsmatig gereserveerd waarbij de verplichtingen nog gedurende 2027 zullen worden aangegaan.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De bijdrage aan ZBO's/RWT's is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitvoering van de individuele plaatsing en steun (IPS) voor de gemeentelijke doelgroep.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan het Ministerie van Financiën vormt een compensatie voor de auditwerkzaamheden in het kader van de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Just Transition Fund (JTF). Hiervan is 60% juridisch verplicht en 40% beleidsmatig gereserveerd.

Bijdrage aan sociale fondsen

De bijdrage aan sociale fondsen is 100% juridisch verplicht en vormt compensatie van gestegen werkgeverslasten, onder de voorwaarde dat de werkgevers (de gemeenten) en werknemers die verantwoordelijk zijn voor de pensioenen van de Wsw een akkoord bereiken over een structurele oplossing voor het pensioenfonds PWRI. De financiële compensatie wordt jaarlijks gegeven tot uiterlijk 2057.

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdragen voor de tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek en de specifieke uitkering grensinformatiepunten zijn voor 100% juridisch verplicht. Verder zijn de bijzondere uitkeringen aan de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor 100% bestuurlijk gebonden.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

De bijdrage aan het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden (CASS) is 100% juridisch verplicht.

Inkomensoverdrachten
Macrobudget participatiewetuitkeringen

Het Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen, loonkostensubsidies, IOAW, IOAZ en bijstand voor levensonderhoud van ondernemers. Voor alle gemeenten tezamen wordt het macrobudget voor 2027 geraamd op € 8,3 miljard. In 2027 wordt hiervan een bedrag van € 16,6 miljoen gereserveerd voor de vangnetregeling 2025. Bij de verdeling van het voorlopig macrobudget wordt hiermee rekening gehouden. De vangnetuitkering is bedoeld voor gemeenten waarvan het tekort op het budget op grond van artikel 69 Participatiewet de geldende eigenrisicodrempel overstijgt. Alle gemeenten met een tekort dat over 2025 meer bedraagt dan 7,5% en over 2023, 2024 en 2025 samen ook meer bedraagt dan 7,5% van het budget 2025, kunnen een beroep doen op de vangnetregeling 2025, gefinancierd uit het macrobudget 2027. Sinds 2026 is er ook een uitgebreider vangnet ingericht voor gemeenten met meerjarige tekorten van 5% of hoger. In tabel 27 wordt de opbouw van het Macrobudget participatiewetuitkeringen gespecificeerd.

Tabel 27 Extracomptabel overzicht Macrobudget participatiewetuitkeringen (bedragen x € 1.000)

Extracomptabel overzicht macrobudget participatiewetuitkeringen (x € 1.000)

       
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

7.779.794

8.195.747

8.297.777

8.479.033

8.731.900

8.983.011

9.241.304

        

Macrobudget participatiewetuitkeringen

       

Algemene bijstand

6.922.125

7.316.571

7.390.004

7.526.526

7.771.338

8.011.980

8.228.890

Loonkostensubsidie

600.801

647.558

707.593

800.088

848.650

897.592

947.364

IOAW

189.567

159.267

130.968

92.874

59.182

27.525

27.251

IOAZ

31.937

32.924

34.306

24.474

17.658

10.842

2.727

Bbz levensonderhoud

35.364

34.878

34.906

35.072

35.072

35.072

35.072

        

Correctie verdeelmodel

       

Overig

 

4.549

     

Algemene bijstand

De algemene bijstand op grond van de Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft en woont en die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, kan in aanmerking komen voor bijstand. Dat houdt in dat iedereen met een inkomen onder het sociaal minimum en onvoldoende eigen vermogen recht heeft op bijstand.

Hoe hoog is de bijstand?

De hoogte van de bijstandsuitkering is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie. In tabel 28 zijn de bijstandsnormen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden/alleenstaande ouders van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd die niet samenwonen met meerderjarige medebewoners. Voor gehuwden en alleenstaanden van 21 jaar of ouder die samenwonen met een of meer personen van 27 jaar of ouder waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag. Bijstandsgerechtigden van 18 tot 21 jaar ontvangen een lagere uitkering.

Tabel 28 Netto bijstandsnormen van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd, inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2026

Gehuwd / samenwonend

2.027,79

Alleenstaande (ouder)

1.419,46

Budgettaire ontwikkelingen

De bijstandsuitgaven worden voor 2027 geraamd op € 7,4 miljard. Op basis van de CPB-raming van de werkloosheid wordt de bijstandsraming naar beneden bijgesteld in 2027. Daarnaast leiden een aantal (eerdere) wetswijzigingen tot een oploop in de raming van de bijstandsuitgaven. Dit betreft onder andere de invoering van de wet Handhaving sociale zekerheid, de invoering van de wet Participatiewet in balans, de afloop van de IOAW en de ingroei van de nieuwe doelgroep als gevolg van de invoering van de Participatiewet in 2015. Ook vindt de besparing op de bijstand als gevolg van asielbeperkende maatregelen naar verwachting niet plaats in 2027.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 29 toont de gerealiseerde en geraamde omvang van het aantal bijstandsuitkeringen. De Factsheet Participatiewet bevat meer informatie over de ontwikkeling en samenstelling van het bijstandsvolume.

Tabel 29 Kerncijfers volume Participatiewet
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume Participatiewetuitkering (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

346

353

354

1

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Tabel 30 Kerncijfers re-integratie door gemeenten
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Aantal voorzieningen Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

225

244

263

Aantal personen met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

168

177

186

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000, ultimo)2

32

32

343

    

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

58

63

70

    

Werknemersbestand Wsw (x 1.000, ultimo)4

60

55

53

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen4

36

35

34

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen4

7,5

7,8

7,9

1

Bron: CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

2

Bron: CBS, Uitstroom na re-integratie.

3

Door technische problemen zijn de cijfers van gemeente Rotterdam uit december 2025 niet beschikbaar. Daarom zijn de cijfers tot en met november gebruikt voor de gemeente Rotterdam.

4

Bron: Panteia, WSW-rapportage.

Tabel 31 Kerncijfers werk voor mensen met een arbeidsbeperking
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Totaal werkend met een arbeidsbeperking (x 1.000, ultimo)

182

185

188

 

waarvan werkend binnen de Banenafspraak (x 1.000, ultimo)1

139

142

1462

 

waarvan werkend op een interne plaatsing Wsw (x 1.000, ultimo)3

34

32

30

 

waarvan werkend met positief advies beschut werk (x 1.000, ultimo)4

9,4

11,0

11,62

1

Bron: UWV, Factsheet banenafspraak.

2

Betreft kwartaal 3 van 2025. Door de overstap naar een nieuw systeem voor het doelgroepregister bij het UWV zijn de cijfers van kwartaal 4 van 2025 niet gepubliceerd.

3

Bron: Panteia, Jaarrapportage Wsw-statistiek. Onder 'interne' plaatsing valt ook 'werken op locatie', waarbij begeleiding plaatsvindt vanuit het Sw-bedrijf.

4

Bron: UWV, Rapportage beschut werk.

Loonkostensubsidie (LKS)

Het instrument LKS voorziet werkgevers van een compensatie voor de lagere loonwaarde van een werknemer op basis van de Participatiewet.

Wie komt er voor in aanmerking?

Gemeenten kunnen LKS inzetten voor mensen die niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Het gaat om mensen voor wie de gemeente verantwoordelijk is om hen te ondersteunen bij het vinden van werk. Dat kan dus gaan om mensen die bijstand ontvangen, mensen die een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangen, mensen die met behulp van een andere voorziening van de gemeente al aan het werk zijn, maar ook om mensen zonder uitkering.

Hoe hoog is de loonkostensubsidie?

De hoogte van de LKS is gelijk aan het verschil tussen het bruto wettelijk minimumloon en de vastgestelde loonwaarde. De LKS bedraagt maximaal 70% van het wettelijk minimumloon (inclusief vakantietoeslag), vermeerderd met een vergoeding voor de werkgeverslasten. De vergoeding bedraagt 25% van de loonkosten waarover loonkostensubsidie wordt verstrekt. Gedurende het eerste halfjaar van een dienstbetrekking kan ook forfaitaire LKS worden ingezet. Deze bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon, wederom vermeerderd met een vergoeding voor werkgeverslasten. Tijdens dat halfjaar wordt de loonwaarde van de werknemer bepaald.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven voor LKS worden voor 2027 geraamd op € 707,6 miljoen. De uitgaven aan loonkostensubsidie nemen jaarlijks toe doordat de doelgroep van LKS sinds de invoering van de Participatiewet ingroeit.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 32 Kerncijfers volume loonkostensubsidie
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume loonkostensubsidie (x 1.000 voorzieningen, jaargemiddelde)

44

48

51

1

Bron: CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Wie komt er voor in aanmerking?

De belangrijkste doelgroepen van de IOAW-regeling zijn:

  • Werkloze werknemers die op het moment dat zij werkloos worden ten minste 50 jaar zijn en geboren zijn voor 1 januari 1965, die recht hebben op een uitkering op grond van de WW van meer dan drie maanden en die de volledige uitkeringsduur daarvan hebben doorlopen;

  • Werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1965, na hun 50e verjaardag recht hebben gekregen op een loongerelateerde WGA-uitkering en van wie de WGA-uitkering is beëindigd, omdat zij niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn.

De IOAZ is bedoeld voor oudere zelfstandigen tussen de 55 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die hun bedrijf of zelfstandig beroep na hun 55e verjaardag hebben beëindigd. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moet de gewezen zelfstandige onder andere voldoen aan voorwaarden betreffende het gemiddeld jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, het verwachte inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting van het bedrijf en het aantal uren en de duur van de werkzaamheden als zelfstandige. Naar verwachting wordt in 2027 de wetsbehandeling afgerond om de IOAZ per 1 januari 2028 af te sluiten voor nieuwe instroom.

Hoe hoog is de IOAW/IOAZ?

De hoogte van de IOAW/IOAZ uitkering is afhankelijk van de leefsituatie. Een overzicht van de bruto bedragen staat in tabel 33. In de IOAW en IOAZ geldt sinds 2015 de kostendelersnorm voor alleenstaande kostendelers. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is de norm 50% van de gehuwdennorm, indien zij samenwonen met een of meer medebewoners van 27 jaar of ouder.

Tabel 33 Bruto bedragen IOAW/IOAZ per maand, inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2026

Gehuwd / samenwonend

2.346,08

Alleenstaande (ouder) zonder medebewoners van 27 jaar of ouder

1.802,78

Alleenstaande (ouder) met één of meer medebewoners van 27 jaar of ouder

1.173,04

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan IOAW en IOAZ worden in 2027 geraamd op respectievelijk € 131,0 miljoen en € 34,3 miljoen. De IOAW-uitgaven dalen door de beperkende voorwaarde dat het IOAW-recht alleen geldt voor personen geboren voor 1965. In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de doorstroom vanuit de WW naar de IOAW. Een lager gebruik van de WW door oudere werknemers, zorgt ook voor een lager IOAW gebruik. Daarnaast zorgt de invoering van maatregelen uit de wet Participatiewet in balans voor hogere uitgaven aan de IOAW en IOAZ.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 34 Kerncijfers IOAW en IOAZ
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

9

8

6

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,4

1,5

1,5

1

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Bijstand zelfstandigen levensonderhoud (Bbz 2004)

De toelichting op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 staat later in het artikel. Alleen het deel dat onderdeel is van het Macrobudget participatiewetuitkeringen wordt hier toegelicht. Dit is het onderdeel bijstand dat kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor zelfstandigen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is en het inkomen onvoldoende is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering?

De uitkering voor levensonderhoud is gelijk aan die van de algemene bijstand (zie tabel 28) als aanvulling voor levensonderhoud.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven voor Bbz levensonderhoud worden in 2027 geraamd op € 34,9 miljoen. De invoering van maatregelen uit de wet Participatiewet in balans zorgt naar verwachting voor hogere uitgaven aan het Bbz in 2027.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 35 Kerncijfers Bbz
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,7

1,7

1,7

1

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

Het is primair de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het lokale bestuur om een goede invulling te geven aan de handhaving. Waar nodig en mogelijk faciliteert het Ministerie van SZW daarbij, veelal in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Divosa. Dit doet zich onder andere voor bij de aanpak van complexe misbruikrisico's of wijzigingen in wet- en regelgeving.

De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen, in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.

Tabel 36 Kerncijfers Participatiewet (handhaving inlichtingenplicht algemene bijstand)
  

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

73

67

71

Kennis van de verplichtingen (%)

90

90

89

Opsporing2

Aantal vorderingen in verband met geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

14

12

12

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

34

30

30

Sanctionering2

Aantal boetes (x 1.000)

4,3

3,5

3,6

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

2,9

2,4

2,6

  

Ontstaansjaar vordering

  

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

32

25

14

1

Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».

2

Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

3

Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het aantal overtredingen ligt dus lager.

Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)

Startende, gevestigde en beëindigende zelfstandigen kunnen voor financiële ondersteuning onder voorwaarden een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steun in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt in de vorm van een uitkering om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en in de vorm van bedrijfskredieten.

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is en het inkomen onvoldoende is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering en het bedrijfskapitaal?

De maximale hoogte van de bijstand voor bedrijfskapitaal wordt in onderstaande tabel vermeld. De bedragen worden jaarlijks aangepast voor gestegen prijzen.

Tabel 37 Bbz-normen kredietverlening (maxima) (in €)
 

1 juli 2026

Startende zelfstandige

48.060

Gevestigde zelfstandige

261.048

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven voor Bbz bedrijfskrediet worden in 2027 geraamd op € 6,7 miljoen en bestaan uit vergoedingen aan gemeenten voor kapitaalverstrekkingen die zij in 2025 hebben uitgegeven. Het bijstandsonderdeel van het Bbz om te voorzien in de kosten van levensonderhoud is onderdeel van het macrobudget en wordt toegelicht onder Macrobudget participatiewetuitkeringen.

Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)

Ouderen met geen of een onvolledig opgebouwd AOW-pensioen, of ouderen met een volledig opgebouwd AOW-pensioen en een partner jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben, rechtmatig in Nederland wonen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.

Hoe hoog is de AIO?

De AIO is een uitkering op huishoudenniveau en vult aan tot bijstandsniveau. De hoogte van de AIO-uitkering hangt af van het inkomen en de leefsituatie. In onderstaande tabel zijn de normen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden zonder meerderjarige medebewoners. Voor AIO-gerechtigden die samenwonen met een of meer meerderjarige personen met wie kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag.

Tabel 38 AIO netto maandbedragen (maximaal), inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2026

Gehuwd / samenwonend

2.176,10

Alleenstaande (ouder)

1.587,34

Budgettaire ontwikkelingen

De begrote AIO-uitkeringslasten bedragen in 2027 € 581,6 miljoen. Naar verwachting zullen de uitkeringslasten tussen 2027 en 2031 toenemen met € 89,6 miljoen. De voornaamste verklaring voor de toename is de verwachte stijging van het aantal AIO-gerechtigden veroorzaakt door de vergrijzing.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 39 Kerncijfers AIO
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

55

57

59

1

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.

Tabel 40 Kerncijfers AIO (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

64

64

62

Kennis van de verplichtingen (%)

93

92

94

Opsporing2

Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

0,7

0,9

0,5

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

0,7

0,6

0,6

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

1,8

1,7

1,8

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,5

0,6

0,3

Aantal boetes (x 1.000)

0,2

0,2

0,2

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,2

0,2

0,2

  

Ontstaansjaar vordering

  

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

37

34

10

1

Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».

2

Bron: SVB, administratie.

3

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Wie komt er voor in aanmerking?

Uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een toeslag als zij een uitkering ontvangen op grond van een van de zogenoemde moederwetten. Dit zijn de WIA, WAO, WAZ, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), Wajong, IOW, WW, ZW en WAZO. Ook als een werkgever in het tweede ziektejaar minder loon doorbetaalt dan het voor de werknemer geldende sociaal minimum, komt de betrokkene in aanmerking voor een toeslag. De volgende personen kunnen recht hebben op een toeslag:

  • Een gehuwde/samenwonende met een gezamenlijk inkomen dat lager is dan het bruto minimumloon;

  • Een alleenstaande met een inkomen dat lager is dan 70% van het netto minimumloon;

  • Een alleenstaande van 21 jaar of ouder, die samenwoont met een of meer meerderjarige personen die ouder zijn dan 27 jaar waarmee kosten kunnen worden gedeeld, met een inkomen dat lager is dan 50% van het netto minimumloon.

Hoe hoog is de toeslag?

De toeslag vult de uitkering in beginsel aan tot het TW-normbedrag dat op de uitkeringsgerechtigde van toepassing is. Indien het dagloon lager is dan het TW-normbedrag, dan vult de toeslag aan tot dit lagere dagloon.

Tabel 41 Normbedragen TW bruto per dag, inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2026

Gehuwd / samenwonend

2.337,00

Alleenstaande van 21 jaar en ouder

1.669,31

Alleenstaande van 21 jaar en ouder met een of meer medebewoners van 27 jaar of ouder

1.086,20

Budgettaire ontwikkelingen

De TW-uitgaven worden in 2027 begroot op € 554,0 miljoen. Op basis van uitvoeringsinformatie van UWV worden de TW-uitgaven meerjarig naar boven bijgesteld. De opwaartse bijstelling is het per saldo effect van een hoger aantal TW-aanvullingen en een lagere gemiddelde hoogte van de TW-aanvullingen dan eerder verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 42 Kerncijfers TW
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

103

106

110

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)2

4.260

4.453

4.432

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

De gemiddelde toeslag per jaar is exclusief sociale lasten.

Handhaving

De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.

Tabel 43 Kerncijfers TW (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Opsporing1

Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

1,1

0,5

0,5

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)2

0,6

0,3

0,3

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

3,5

1,5

4,7

Sanctionering1

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,2

0,1

0,1

Aantal boetes (x 1.000)

0,3

0,2

0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,2

0,1

<0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2023

2024

2025

Terugvordering1

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

28

28

12

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Bijstand overig

Onder bijstand overig vallen de bijstand buitenland- en de repatriëringsregeling. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer toegelaten.

Budgettaire ontwikkelingen

De verwachte uitkeringslasten voor de bijstand buitenland nemen de komende jaren af, omdat het aantal gerechtigden verder afneemt. Uitgaven aan de repatriëringsregeling vallen onder de AIO uitgaven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 44 Kerncijfers bijstand buitenland
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume bijstand buitenland (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,1

0,1

0,1

1

Bron: SVB, administratie.

Onderstand (Caribisch Nederland)

De Rijksoverheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand. Het betreft zowel algemene als bijzondere onderstand. Laatstgenoemde component heeft betrekking op uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die de belanghebbende zelf niet kan voldoen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Onderstand worden in 2027 geraamd op € 12,8 miljoen. De verwachte jaarlijkse stijging van de uitkeringslasten is voornamelijk het gevolg van de verwachte groei van de totale bevolking tussen 18 en 65 jaar, waardoor ook het aantal Onderstand gerechtigden zal toenemen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 45 Kerncijfers Onderstand (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

1,1

1,1

1,1

1

Bron: RCN-unit SZW.

Subsidies

In totaal is er in 2027 € 75,5 miljoen beschikbaar voor subsidies. Hiervan is € 22,3 miljoen beschikbaar voor overige (incidentele) subsidies, zoals subsidies voor armoede en schulden, ondersteuning arbeidsmarktregio’s en ondersteuning vakmanschap. Daarnaast is er € 15,8 miljoen beschikbaar voor het armoedebeleid specifiek voor kinderen en € 12,3 miljoen in het kader van Geldzorgen, Armoede en Schulden. Ook is er € 2,8 miljoen beschikbaar voor subsidie aan de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM) en € 0,7 miljoen voor NIBUD. Tot slot is er € 21,6 miljoen beschikbaar voor subsidies arbeidsmarktinfrastructuur.

Opdrachten

Opdrachten algemeen

Het algemene opdrachtenbudget van € 232,3 miljoen in 2027 bestaat met name uit een reservering van € 186,6 miljoen voor een noodfonds energie dat steun biedt aan huishoudens die hun energierekening niet kunnen betalen.

Verder is het budget bestemd voor activiteiten op de terreinen van bevordering arbeidsparticipatie (€ 8,1 miljoen), armoede en schulden (€ 23,3 miljoen), onderzoek en beleidsinformatie (€ 9,1 miljoen), multiproblematiek (€ 1,4 miljoen), en opdrachten gerelateerd aan de Europese fondsen (€ 2,5 miljoen).

Opdrachten Arbeidsmarktinfrastructuur

Het opdrachtenbudget voor arbeidsmarktinfrastructuur van € 6,9 miljoen in 2027 wordt ingezet voor diverse opdrachten om de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur en de ontwikkeling van Werkcentra in Nederland te organiseren.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Met de regeling Individuele Plaatsing en Steun (IPS) ontvangen GGZ-instellingen subsidie voor de uitvoering van IPS-trajecten. Het doel van deze regeling is om de inzet van IPS-trajecten voor de gemeentelijke doelgroep te bevorderen. Voor GGZ-cliënten met een common mental disorder (CMD) kan een tweejarig IPS-traject worden aangevraagd. Voor mensen met een ernstige psychische aandoening (EPA) kan een driejarig IPS-traject worden aangevraagd.

Vanuit de envelop Groepen in de knel van kabinet-Schoof zijn er voor de gemeentelijke doelgroep (mensen in de Participatiewet) extra middelen beschikbaar gekomen. De regeling wordt ook in 2027 nog een jaar verlengd, hiervoor is een bedrag van € 10,6 miljoen beschikbaar gesteld. Deze middelen worden verdeeld over de jaren 2027, 2028 en 2029. De middelen voor 2027 en 2028 bestaan naast de financiering voor het nieuwe cohort (2027) ook uit de financiering voor eerdere cohorten (2025 en 2026).

De middelen voor IPS staan vanaf 2027 op artikel 2. Hiervoor stonden de middelen op artikel 3.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Dit budget van € 2,2 miljoen is beschikbaar ten behoeve van controlewerkzaamheden voor het ESF-programma 2014-2020 en 2021-2027 die uitgevoerd worden door het Ministerie van Financiën.

Bijdrage aan sociale fondsen

Met ingang van 2018 wordt een financiële tegemoetkoming van € 10,0 miljoen beschikbaar gesteld aan het Wsw-programma Pensioenfonds Werk en (re)Integratie (PWRI) onder voorwaarde dat de werkgevers (de gemeenten) en werknemers die verantwoordelijk zijn voor de pensioenen van de Wsw zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds. De financiële compensatie wordt jaarlijks gegeven tot uiterlijk 2057.

Bijdrage aan medeoverheden

Tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek

Van 2025 tot en met 2027 zijn gemeenten bereid om een vaste tegemoetkoming te verstrekken aan huishoudens in de alleenverdienersproblematiek. Hiertoe is per 1 januari 2025 de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek in werking getreden. Gemeenten ontvangen financiering voor deze regeling via een decentralisatieuitkering binnen het Gemeentefonds. Hiervoor is in 2027 € 34,1 miljoen beschikbaar. De decentralisatie-uitkering zal in meerdere tranches worden uitgekeerd, zodat de middelen aansluiten op actuele gegevens over het aantal alleenverdienerhuishoudens per gemeente. Elke tranche zal apart worden overgeheveld van de SZW-begroting naar het Gemeentefonds.

Bijzondere uitkeringen (Caribisch Nederland)

Op grond van artikel 92, lid 2, onder c Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt in 2027 maximaal € 11,2 miljoen aan de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba verstrekt via een bijzondere uitkering. Hiervan wordt € 5,3 miljoen uitgekeerd voor de energietoelage en € 4,0 miljoen voor werken met een beperking. De overige middelen zijn bestemd voor de financiering van initiatieven van de openbare lichamen met betrekking tot arbeidsbemiddeling, (lokale) armoedebestrijding en schuldhulpverlening.

SPUK Grensinformatiepunten

In 2027 wordt er via een specifieke uitkering € 1,6 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten en provincies voor grensinformatiepunten (GIPs).

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Vanaf 2020 is de financiering van de contributie van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden (CASS) overgegaan van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat naar het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hiervoor is € 9.000 gereserveerd in 2027.

Ontvangsten

In het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom is een intertemporele tegemoetkoming afgesproken voor bijstandsuitgaven aan statushouders. De terugbetaling van de intertemporele tegemoetkoming van 2016 en 2017 vindt in 8 jaar plaats vanaf respectievelijk 2018 en 2019, waarvoor in 2027 € 3,8 miljoen aan ontvangsten is geraamd.

Tijdens de coronacrisis hebben gemeenten uitvoering gegeven aan de Tozo, een crisisregeling om uitkeringen voor levensonderhoud en kapitaalverstrekking aan zelfstandigen te verstrekken. Gemeenten dragen met een vertraging van twee jaar terugontvangsten uit de kapitaalverstrekkingen af aan het Rijk. In 2027 wordt € 33,7 miljoen aan ontvangsten verwacht.

Verder worden er vanuit het Bbz terugbetalingen van kapitaalverstrekkingen verwacht van € 10,2 miljoen.

5.3 Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsongeschiktheidsbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Vergoedingsregeling WIA-(herstel)acties

Deze regeling is bedoeld voor mensen die in het verleden een te lage WIA-uitkering hebben gekregen door een fout in de vaststelling van het dagloon voor die uitkering. Het gaat om dagloonfouten die gemaakt zijn in de periode van 2020 tot en met 2024 en om indexatiefouten in de periode van 2006 tot en met 2022. De regeling is ook bedoeld voor mensen die in de periode van 29 november 2023 tot en met heden of 30 juli 2024 tot en met heden een te lage WIA-uitkering hebben gekregen, omdat er loonloze tijdvakken zijn meegeteld bij de berekening van hun dagloon. In de genoemde situaties ontvangen mensen een nieuwe vaststelling van hun WIA-uitkering. Voor de periode in het verleden krijgen deze mensen recht op een eenmalige vergoeding in plaats van een nabetaling van de uitkering. Op die manier kan de vergoeding buiten beschouwing blijven voor het verzamelinkomen. Het is de bedoeling om hiermee te voorkomen dat de betaling negatieve financiële effecten heeft voor toeslagen en andere (overheids)regelingen. De ontvangers mogen de hele vergoeding houden.

Tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten

Het afschaffen van de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten wordt uitgesteld van 2028 naar 2029. Dit resulteert in hogere uitkeringslasten in 2028 voor de IVA, WGA, WAO, WAZ en Wajong. In totaal gaat het om € 311 miljoen incidenteel.

CA 54 IVA afschaffen

Het kabinet wil de werking van de WIA verbeteren en de regeling weer uitvoerbaar maken. Daarom gaat het kabinet graag in gesprek met vakbeweging en werkgevers om te komen tot een goed werkende en uitvoerbare arbeidsongeschiktheidsregeling. In het coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de IVA, en het daarmee samenhangende duurzaamheidscriterium in de WIA, af te schaffen. Uit verschillende onderzoeken, zoals het onderzoek van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) en het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Werk aan de WIA, komt namelijk dat dit criterium een goede uitvoering belemmert.

Terugdraaien verlaging maximumdagloon

Het kabinet heeft besloten om de verlaging van het maximumdagloon met 20% terug te draaien. Hierdoor nemen de uitgaven op de SZW-begroting (voor de WIA, WAO, ZW, WW en verlofregelingen) met respectievelijk € 673 miljoen, € 687 miljoen en € 706 miljoen in 2029, 2030 en 2031 toe.

CA 54 Taakherschikking en voorwaarden herbeoordelingen

Het kabinet maakt werk van taakherschikking bij sociaal-medische beoordelingen van UWV, te beginnen bij de Ziektewet, en er worden scherpere voorwaarden gesteld bij het aanvragen van herbeoordelingen. Een eerste stap hierop is reeds gezet. UWV werkt sinds 1 april 2026 met een verplicht standaard aanvraagformulier voor WIA-herbeoordelingen afkomstig van werkgevers, private uitvoerders en verzekeraars.

CA 58 Ombuiging re-integratiemiddelen

In het coalitieakkoord is een ombuiging afgesproken vanaf 2028 op de re-integratiemiddelen. Deze ombuiging is voorlopig geboekt op de re-integratiemiddelen in dit artikel. Het kabinet werkt de komende maanden aan de invulling van deze bezuiniging. Tegenover deze ombuiging staat een verhoging van het budget voor Leven Lang Ontwikkelen (LLO). Deze verhoging staat gereserveerd op de Aanvullende Post.

Aangepast arbeidsongeschiktheidscriterium bij LKS

Bij de invoering van de Participatiewet is afgesproken dat er een alternatief arbeidsongeschiktheidscriterium zou komen voor mensen die met loonkostensubsidie (LKS) werken, zodat zij niet per definitie volledig arbeidsongeschikt worden voor de WIA als zij door ziekte hun werk niet meer kunnen doen. Het is niet mogelijk gebleken om een passend en uitvoerbaar alternatief criterium te ontwikkelen. Daarom wordt van invoering afgezien.

Maatregelen ontlasten UWV

In de voorjaarsbesluitvorming 2026 is geld vrijgemaakt voor het ontlasten van UWV. Bij de beoordeling van het WAO fictief tweede recht hoeft niet langer meer een sociaal-medische beoordeling te worden uitgevoerd door een verzekeringsarts. In plaats daarvan wordt aangenomen dat er altijd sprake is van een fictief tweede recht. Dit bespaart artsencapaciteit maar leidt tot hogere WAO-uitkeringen. Het fictief tweede recht in de WAO wordt toegekend indien iemand door een nieuwe ziekteoorzaak na 104 weken ziekte opnieuw arbeidsongeschikt wordt beoordeeld. Omdat twee WAO-uitkeringen niet naast elkaar kunnen bestaan, wordt dit fictieve recht uitsluitend gebruikt om te berekenen of de werknemer recht heeft op een hoger dagloon of gewijzigd maatmanloon voor de lopende uitkering.

Daarnaast wordt de WGA referte-eis gelijkgetrokken met de uitvoering van de WW referte-eis. Een werknemer moet aan de referte-eis voldoen om recht te hebben op een WW-uitkering of loongerelateerde uitkering in de WGA. De referte-eis bestaat uit de wekeneis (minimaal 26 weken werken in de laatste 36 weken) voor het basisrecht van 3 maanden, en de jareneis (in minimaal 4 van de 5 voorafgaande kalenderjaren over minstens 208 uur loon hebben ontvangen) voor een verlengde uitkeringsduur, die vervolgens afhangt van het totale arbeidsverleden. De maatregel houdt in dat deze referte-eis (indien mogelijk) geautomatiseerd wordt beoordeeld. Hierdoor wordt het proces om vast te stellen of voldaan is aan de referte-eis versneld en minder foutgevoelig.

Beide maatregelen dragen bij aan vereenvoudiging en het ontlasten van UWV.

Tabel 46 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

9.368

266.840

256.377

1.542

1.245

1.261

1.277

         
 

Uitgaven

9.368

266.840

256.377

1.542

1.245

1.261

1.277

         

3.0

Arbeidsongeschiktheid

9.368

266.840

256.377

1.542

1.245

1.261

1.277

 

Inkomensoverdrachten

1.722

1.799

1.848

1.542

1.245

1.261

1.277

 

Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

1.722

1.799

1.848

1.542

1.245

1.261

1.277

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

7.646

265.041

254.529

0

0

0

0

 

Uitvoering individuele plaatsing & steun

7.646

10.511

0

0

0

0

0

 

Vergoedingsregeling WIA (herstel)acties

0

254.530

254.529

0

0

0

0

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 47 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 3
 

2027

juridisch verplicht

100,0%

bestuurlijk gebonden

0,0%

beleidsmatig gereserveerd

0,0%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0,0%

De uitgaven op artikel 3 Arbeidsongeschiktheid zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten van de Ongevallenverzekering Caribisch Nederland.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De bijdrage aan ZBO's/RWT's is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de vergoedingen die verstrekt worden op basis van de vergoedingsregeling WIA (herstel)acties. Dit betreft de herstelacties WIA-dagloon en WIA-indexatie en de actie loonloze tijdvakken, waarvoor het UWV in 2026 en 2027 middelen ontvangt.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 48 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

17.969.794

19.202.819

20.735.912

22.098.091

22.951.775

23.684.989

24.335.356

         
 

Uitgaven

17.969.794

19.202.819

20.735.912

22.098.091

22.951.775

23.684.989

24.335.356

         

3.0

Arbeidsongeschiktheid

17.969.794

19.202.819

20.735.912

22.098.091

22.951.775

23.684.989

24.335.356

 

Inkomensoverdrachten

17.822.759

19.047.538

20.578.933

22.045.671

22.913.835

23.644.249

24.291.730

 

WAO

3.059.604

2.850.178

2.540.297

2.289.320

2.023.276

1.783.916

1.566.444

 

IVA

5.887.076

6.408.439

6.646.792

6.959.050

7.211.385

7.375.291

7.457.756

 

WGA

5.628.564

6.343.828

6.897.667

7.371.021

7.447.077

7.494.900

7.520.352

 

WAZ

67.958

61.171

51.936

45.869

38.405

30.947

26.434

 

WGA eigenrisicodragers

643.161

699.278

719.803

739.292

737.185

735.080

732.974

 

WAO nominaal

0

0

100.374

175.281

224.631

258.144

280.655

 

IVA nominaal

0

0

269.141

544.361

818.785

1.091.281

1.363.430

 

WGA nominaal

0

0

283.389

583.999

874.462

1.172.936

1.485.271

 

WAZ nominaal

0

0

2.052

3.512

4.264

4.478

4.736

 

WGA eigenrisicodragers nominaal

0

0

29.573

58.573

84.830

110.226

135.637

 

Sociale lasten

2.536.396

2.684.644

3.037.909

3.275.393

3.449.535

3.587.050

3.718.041

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

147.035

155.281

156.979

52.420

37.940

40.740

43.626

 

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

147.035

155.281

151.921

49.230

34.702

36.222

37.739

 

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW nominaal

0

0

5.058

3.190

3.238

4.518

5.887

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Inkomensoverdrachten
Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

Werknemers in de private sector van Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Ongevallenverzekering worden in 2027 geraamd op circa € 1,8 miljoen. Demografische ontwikkelingen vormen de voornaamste verklaring voor de verwachte jaarlijkse toename van de uitkeringslasten. Naar verwachting zal de omvang van de bevolkingsgroep die in aanmerking kan komen voor de regeling toenemen, waardoor het aantal personen dat recht heeft op de regeling zal stijgen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 49 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000 uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsdagen)

9,2

9,3

9,5

1

Bron: RCN-unit SZW.

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennia lang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De werknemer die op 1 januari 2004 al een WAO-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • Hij is 15% of meer arbeidsongeschikt;

  • Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

De WAO blijft ook gelden voor werknemers die hun eerste ziektedag hadden vóór 1 januari 2004 of van wie het recht op WAO-uitkering is geëindigd, indien zij binnen vijf jaar (opnieuw) arbeidsongeschikt worden door dezelfde oorzaak. Hierdoor worden alleen nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend bij herleving van een oud recht.

Hoe hoog is de WAO-uitkering?

De WAO-uitkering bestaat uit twee fasen:

  • In de eerste fase ontvangt een WAO-gerechtigde een loondervingsuitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het dagloon. De uitkering bedraagt maximaal 75% van het maximumdagloon. Dat is per 1 juli 2026 maximaal € 5.055,41 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). De duur van de loondervingsuitkering is afhankelijk van de leeftijd op de ingangsdatum van de WAO-uitkering.

  • In de tweede fase ontvangt de WAO-gerechtigde een vervolguitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het vervolgdagloon. De hoogte van het vervolgdagloon is onder andere afhankelijk van de leeftijd die iemand heeft op de ingangsdatum van de WAO-uitkering. De vervolguitkering kan in principe doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

WAO-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAO-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn, ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2026) netto € 226,28.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAO dalen in 2027 met ongeveer € 310 miljoen ten opzichte van 2026 (exclusief nominale ontwikkeling). Het WAO-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand.

Beleidsrelevante kerncijfers

Er is alleen nog instroom in de WAO door herleving van uitkeringen. Er worden dan ook nauwelijks nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend. Tegelijkertijd worden er in 2027 naar verwachting circa 13.000 uitkeringen beëindigd.

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of bij wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. De WIA wordt uitgevoerd door UWV. Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun (ex-)werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Werknemers die op of na 29 december 2005, na een wachttijd van twee jaar, 35% of meer arbeidsongeschikt zijn als gevolg van ziekte.

Hoe hoog is de IVA-uitkering en wat is de duur?

Iemand die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en niet meer kan herstellen of een geringe kans op herstel heeft, komt op basis van de IVA in aanmerking voor een uitkering van 75% van het laatstverdiende loon, met een maximum van 75% van het maximumdagloon. Het maximumdagloon bedraagt per 1 juli 2026 € 309,91, dat is afgerond € 6.740,54 per maand (inclusief vakantiegeld). De IVA-uitkering bedraagt maximaal € 5.055,41 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Daarnaast ontvangen IVA-gerechtigden jaarlijks een tegemoetkoming (in 2026 netto € 226,28) mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een IVA-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Hoe hoog is de WGA-uitkering en wat is de duur?

  • Iemand die ten minste 35% arbeidsongeschikt is komt in aanmerking voor een uitkering op basis van de WGA. De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventueel inkomen). Het totale inkomen neemt toe naarmate de betrokkene meer werkt.

  • Indien het loonverlies meer dan 35% maar minder dan 80% bedraagt, is er sprake van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Afhankelijk van het arbeidsverleden heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte minimaal 3 tot maximaal 24 maanden recht op een loongerelateerde uitkering.

  • De gedeeltelijk arbeidsgeschikte wordt geacht te gaan of te blijven werken. Om dit te stimuleren wordt de uitkering na de loongerelateerde fase afhankelijk van het verdiende inkomen. Is dat inkomen ten minste 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt het loon aangevuld met 70% van het loonverlies. Als de betrokkene na afloop van de loongerelateerde uitkering geen werk heeft of minder verdient dan 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt een uitkering verstrekt die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het wettelijk minimumloon.

  • Indien het loonverlies ten minste 80% bedraagt en herstel op termijn nog mogelijk is, is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. De volledig arbeidsongeschikte houdt ook na de loongerelateerde fase recht op een uitkering van 70% van het loonverlies.

  • WGA-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WGA-uitkering ontvangen evenals IVA-gerechtigden een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2026) netto € 226,28.

  • Evenals bij de IVA-uitkering geldt ook bij de WGA-uitkering het maximumdagloon.

  • Het recht op uitkering kan doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire onwikkelingen

In 2027 stijgen de uitkeringslasten WIA (IVA en WGA) inclusief de lasten voor eigenrisicodragers met circa € 813 miljoen (exclusief nominale ontwikkeling) ten opzichte van 2026. Dit is voornamelijk het gevolg van een hogere verwachte instroom in 2027 ten opzichte van 2026. Onderliggende factoren zijn het gegeven dat de WIA een ingroeiende regeling is die nog niet het structurele niveau heeft bereikt, de verwachte ontwikkeling en samenstelling van de beroepsbevolking, het verwachte aantal voorschotten en de toename van het langdurig ziekteverzuim en daarmee het aantal WIA-aanvragen.

Beleidsrelevante kerncijfers

De verwachte instroom in de IVA en WGA zijn respectievelijk lager en hoger in 2027 dan in 2026. Tegelijkertijd stijgt de verwachte doorstroom van de WGA naar de IVA van 2026 op 2027. Dit komt door de toename van het aantal verstrekte voorschotten. Deze leidt tot minder directe instroom in de IVA, meer instroom in de WGA en meer doorstroom. Op totaalniveau stijgt de WIA-instroom. De instroom stijgt daarbij harder dan de uitstroom waardoor het verwachte aantal WIA-uitkeringen toeneemt.

Tabel 50 Kerncijfers IVA, WGA en WAO
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

IVA, WGA en WAO

   

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

620

637

654

 

waarvan IVA

189

197

203

 

waarvan WGA

294

317

340

 

waarvan WAO

137

123

111

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

7,7

7,8

7,9

    

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

71,7

83,2

91,3

 

waarvan IVA

12,4

11,7

7,3

 

waarvan WGA

58,9

71,2

83,7

 

waarvan WAO

0,4

0,3

0,3

Instroomkans (%)

0,9

1,0

1,1

    

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

58,9

65,5

74,6

 

waarvan IVA

18,2

18,7

19,9

 

waarvan WGA

25,0

32,7

41,8

 

waarvan WAO

15,7

14,1

12,9

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

13,8

14,0

18,9

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

8,7

9,3

10,2

    

WGA

   

Aandeel werkend WGA (%, ultimo)

19

2

2

Aandeel werkende WGA'ers met resterende verdiencapaciteit (%, ultimo)

50

2

2

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Dit aandeel wordt niet geraamd.

Handhaving

De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.

Tabel 51 Kerncijfers IVA, WGA, WAO en WAZ (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie12

Gepercipieerde detectiekans (%)

61

55

58

Kennis van de verplichtingen (%)

92

93

92

Opsporing3

Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

1,6

1

1,1

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

0,2

0,2

0,2

Totaal benadelingsbedrag

3,3

3,4

3,6

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,7

0,3

0,3

Aantal boetes (x 1.000)

0,2

0,1

0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,3

0,1

0,2

  

Ontstaansjaar vordering

  

2023

2024

2025

Terugvordering3

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

41

27

11

1

Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».

2

Kerncijfers preventie hebben alleen betrekking op WGA en WAO. De IVA is bij het onderzoek «Kennis der verplichtingen en detectiekans» buiten beschouwing gebleven.

3

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De zelfstandige die op 1 augustus 2004 al een WAZ-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • Hij is 25% of meer arbeidsongeschikt;

  • Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

Hoe hoog is de WAZ-uitkering?

De hoogte van de WAZ-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en het feitelijk gederfde inkomen per dag, mits dat niet hoger is dan het wettelijk minimumloon (de maximale grondslag). De uitkering voor volledig arbeidsongeschikten is 75% van de grondslag en bedraagt per 1 juli 2026 maximaal € 1.752,75 bruto per maand (exclusief vakantiegeld). Heeft de betrokkene voortdurend oppas en verzorging nodig, dan kan de uitkering worden verhoogd tot maximaal 100% van de grondslag. WAZ-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAZ-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2026) netto € 226,28.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2027 bedraagt de verwachte afname van de uitkeringslasten ten opzichte van 2026 circa € 9 miljoen (exclusief nominale ontwikkeling).

Beleidsrelevante kerncijfers

De toegang voor zelfstandigen tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. In de WAZ is nog slechts in beperkte mate sprake van nieuwe instroom, die bestaat uit herleving van uitkeringen. Het WAZ-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand.

Tabel 52 Kerncijfers WAZ
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Bestand in aantal uitkeringen (x 1.000, ultimo)

4,4

3,7

3,2

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

Sociale lasten

De sociale lasten op het artikel hebben betrekking op de werkgeverspremies die over uitkeringen worden betaald. De ontwikkeling van de sociale lasten volgt de ontwikkeling van de IVA-, WGA-, WAO- en WAZ-uitgaven en de premietarieven.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Uitvoering individuele plaatsing & steun

Met deze regeling ontvangen GGZ-instellingen subsidie voor de uitvoering van een Individuele Plaatsing en Steun-traject (IPS). Het doel van deze regeling is om de inzet van IPS-trajecten voor de gemeentelijke doelgroep te bevorderen. Voor GGZ-cliënten met een common mental disorder (CMD) kan een tweejarig IPS-traject worden aangevraagd. Voor mensen met een ernstige psychische aandoening (EPA) kan een driejarig IPS-traject worden aangevraagd.

De middelen voor IPS vanaf 2027 staan op artikel 2 en worden daar verder toegelicht.

Vergoedingsregeling WIA (herstel)acties

De vergoedingsregeling betreft de herstelacties WIA-dagloon en WIA-indexatie en de actie loonloze tijdvakken. Het UWV ontvangt de gereserveerde middelen in 2026 en 2027.

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

UWV begeleidt uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW zo nodig naar werk of ondersteunt ze zodra zij werk hebben. UWV is verplicht de re-integratie van deze groepen uit te besteden. UWV zet deze middelen daarom in voor inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt UWV voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoersvoorzieningen) in voor het ondersteunen van werkenden met een structurele functionele beperking.

UWV beschikt over één taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt door UWV verantwoord via de reguliere rapportages. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget wordt verantwoord in beleidsartikel 4. Voor het premiegefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget is in 2027 € 155,0 miljoen beschikbaar.

In het coalitieakkoord is een ombuiging van € 100 miljoen opgenomen. Deze ombuiging staat voorlopig gereserveerd op dit begrotingsartikel. Het kabinet werkt de komende maanden aan de invulling van deze bezuiniging. Tegenover deze ombuiging staat een verhoging van het budget voor Leven Lang Ontwikkelen (LLO). Deze verhoging staat gereserveerd op de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën.

Extracomptabel overzicht re-integratiebudget

In tabel 53 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong. Aandachtspunt is dat een deel van het begrotingsgefinancierde budget gericht is op de subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling). Het overige begrotingsgefinancierde deel is samen met het premiegefinancierde deel beschikbaar voor inkoop van trajecten, diensten en voorzieningen.

Tabel 53 Extracomptabel overzicht totaal re-integratiebudgetten UWV (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

WIA/WAO/WAZ/ZW/WW 35- (premiegefinancierd, artikel 3)

147.035

155.280

151.921

49.230

34.702

36.222

37.740

Wajong (begrotingsgefinancierd, artikel 4)

80.200

85.958

87.583

84.192

80.613

77.024

73.414

 

waarvan re-integratiebudget Wajong

66.424

70.652

71.831

68.440

64.861

61.272

57.662

 

waarvan ESB-regeling

13.776

15.306

15.752

15.752

15.752

15.752

15.752

WW (premiegefinancierd, artikel 5)1

1.373

3.088

3.088

3.088

3.088

3.088

3.088

Totaal re-integratiebudgetten UWV (excl. ESB-regeling)

214.832

229.020

226.840

120.758

102.651

100.582

98.490

1

Re-integratiebudget voor WW’ers met een kwetsbare arbeidsmarktpositie.

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de ‘Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid’ betrekking op dit beleidsartikel.

Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Kwalitatieve achtergrond informatie per fiscale regeling’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.

Tabel 54 Fiscale regelingen 2025-2027, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)12
 

2025

2026

2027

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

598

626

652

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

‒ 485

‒ 509

‒ 526

ASB Vrijstelling ongevallen-, invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

770

795

820

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

2

ASB = Assurantiebelasting

5.4 Artikel 4 Jonggehandicapten

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) bestaat met ingang van 2021 uit twee groepen jonggehandicapten: personen met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie en personen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

De groep met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bestaat uit jonggehandicapten die zijn ingestroomd vanuit de «oude Wajong» (tot 2010) en de «Wajong2010» (2010 tot 2015). Voor deze groep staat arbeidsparticipatie centraal. De overheid zet in op het vergroten van de arbeidsparticipatie van deze groep via arbeidsondersteuning. Daarnaast zet de overheid in op inkomensondersteuning, waarbij (meer) gaan werken moet lonen. Sinds 2015 is er geen nieuwe instroom meer van jonggehandicapten met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in de Wajong. Deze groep komt nu doorgaans in aanmerking voor de Participatiewet.

De groep die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, bestaat uit mensen die vanuit de «oude Wajong», «Wajong2010» en de «Wajong2015» (sinds 2015) zijn ingestroomd. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening. Zij hebben geen recht op arbeidsondersteuning.

Als het totale inkomen van een persoon met een Wajong-uitkering en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratie-inspanningen aan UWV en een subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV.

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het jonggehandicaptenbeleid te realiseren, zoals bijvoorbeeld de jonggehandicaptenkorting, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Zoals de Tweede Kamer toegezegd in de brief van 2 juli 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 34 253, nr. 372) is het kabinet voornemens om het instrument loondispensatie in de Wajong te vervangen door het instrument loonkostensubsidie. Dit voornemen maakt deel uit van het voornemen om de doelgroep banenafspraak beperkt te verbreden met mensen met vergelijkbare kenmerken uit de WW en WIA. Voor deze mensen wordt het instrument loonkostensubsidie beschikbaar gemaakt. Met het vervangen van het instrument loondispensatie door loonkostensubsidie worden de beschikbare instrumenten om werkgevers te compenseren voor verminderde loonwaarde geharmoniseerd. SZW is in 2026 gestart met de voorbereiding van een wetsvoorstel ‘Verdere verbreding doelgroep banenafspraak’. Naar verwachting zal dit wetsvoorstel in 2027 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. De noodzakelijke middelen voor invoeren van loonkostensubsidie in de Wajong zijn met deze begroting toegevoegd aan het budget voor inkomensoverdrachten Wajong.

Tabel 55 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

4.725.900

5.063.916

5.127.324

5.088.674

5.057.437

5.100.376

5.140.399

         
 

Uitgaven

4.725.900

5.063.916

5.127.324

5.088.674

5.057.437

5.100.376

5.140.399

         

4.0

Jonggehandicapten

4.725.900

5.063.916

5.127.324

5.088.674

5.057.437

5.100.376

5.140.399

 

Inkomensoverdrachten

4.645.700

4.977.959

5.039.741

5.004.483

4.976.824

5.023.352

5.066.986

 

Wajong

4.645.700

4.977.959

5.039.741

5.004.483

4.976.824

5.023.352

5.066.986

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

80.200

85.957

87.583

84.191

80.613

77.024

73.413

 

Re-integratie Wajong

80.200

85.957

87.583

84.191

80.613

77.024

73.413

         
 

Ontvangsten

23.390

0

0

0

0

0

0

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 56 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 4
 

2027

juridisch verplicht

100%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld / vrij besteedbaar

0%

De uitgaven op artikel 4 Jonggehandicapten zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en zijn derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Wajong.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een re-integratiebudget voor Wajong-gerechtigden.

Inkomensoverdrachten

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. Sinds 2015 is de Wajong alleen nog voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. De Wajong wordt uitgevoerd door UWV.

Hoe hoog is de Wajong-uitkering? 

Voor personen met een Wajong-uitkering die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2026 is dit € 1.752,75 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 21 jaar en ouder. Voor jongeren tot 21 jaar is de uitkering 75% van het wettelijk minimumjeugdloon. Op het moment dat deze personen toch gaan werken en een inkomen ontvangen, wordt 75% van dit inkomen verrekend met de uitkering. Voor Wajong-gerechtigden die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, is de uitkering 70% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2026 is dit € 1.635,90 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 21 jaar en ouder. Op het moment dat een persoon met arbeidsvermogen gaat werken en een inkomen ontvangt, wordt maximaal 70% van dit inkomen verrekend met de uitkering. Voor personen die werken met loondispensatie wordt afhankelijk van de loonwaarde een kleiner deel van het inkomen verrekend. Daarnaast wordt het inkomen van deze personen ten minste aangevuld tot het inkomen dat zij zouden hebben verdiend wanneer zij zonder loondispensatie aan het werk zouden zijn. Naast de uitkering ontvangen alle Wajong-gerechtigden in 2026 een tegemoetkoming van netto € 228,26 mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een Wajong-uitkering. Dit is bedoeld als tegemoetkoming voor kosten die arbeidsongeschikten maken door hun handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor 2027 is in totaal € 5,0 miljard voor de uitkeringslasten beschikbaar. Hiervan is € 82,8 miljoen beschikbaar ten behoeve van de Tegemoetkoming Arbeidsongeschikten. Het afschaffen van de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten (AO-tegemoetkoming) is uitgesteld van 2028 naar 2029.

De uitkeringslasten stijgen jaarlijks door een toenemende Wajong2015 populatie. Dit zijn personen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en een hogere gemiddelde uitkering kennen. Sinds 2025 stromen de eerste personen in naar aanleiding van de 10-jaarregel. Dit komt bovenop de reguliere jaarlijkse stijging van het aantal personen in de Wajong2015. De 10-jaarregel houdt in dat voor Wajongers waarbij tijdelijk geen arbeidsvermogen is vastgesteld en die in tien jaar tijd geen ontwikkelingen hebben laten zien, het ontbreken van arbeidsvermogen als duurzaam wordt aangenomen.

Daarnaast zijn de noodzakelijke middelen die op de Aanvullende Post gereserveerd stonden voor invoeren van loonkostensubsidie in de Wajong met de begroting 2027 toegevoegd aan het budget voor inkomensoverdrachten Wajong. Dit betreft een aflopende reeks van € 18,8 miljoen in 2029 aflopend tot 2060.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 57 Kerncijfers Wajong
 

Realisatie 2025

Raming 2026

Raming 2027

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)

2481

249

242

 

waarvan oude Wajongregelingen

2082

204

191

  

waarvan met arbeidsvermogen (%)

492

49

49

 

waarvan Wajong2015

402

45

51

    

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

7,01

7,2

7,6

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

5,71

5,9

15,1

    

Aandeel Wajongers met arbeidsvermogen dat werkt (%)

561

56

56

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Bron: SZW berekening op basis van UWV, kwantitatieve informatie.

Handhaving

De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen, in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.

Tabel 58 Kerncijfers Wajong (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

58

62

61

Kennis van de verplichtingen (%)

89

88

88

Opsporing2

Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

0,4

0,3

0,3

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

0,1

0,1

0,1

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

1,3

0,8

0,8

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,1

0,1

0,1

Aantal boetes (x 1.000)

0,1

<0,1

<0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,1

<0,1

<0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

12

23

3

1

Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».

2

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie. UWV beschikt over één taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ, ZW en WW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW en wordt verantwoord in artikel 3 en 5. In tabel 53 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor 2027 is voor het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re- integratiebudget en voor ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling) in totaal € 87,6 miljoen beschikbaar. In de loop der jaren neemt het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget geleidelijk af. Dit hangt samen met de Participatiewet, waarin geregeld is dat de instroom in de Wajong2015 wordt beperkt tot mensen die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben. De afname in het re-integratiebudget Wajong voor deze groep is gecompenseerd door een toename in het re-integratiebudget Participatiewet.

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota.

Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Kwalitatieve achtergrond informatie per fiscale regeling’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.

Tabel 59 Fiscale regelingen 2025-2027, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2025

2026

2027

Jonggehandicaptenkorting

222

226

230

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

5.5 Artikel 5 Werkloosheid

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomstenverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Werklozen die bij instroom in de WW ouder zijn dan 60 jaar en 4 maanden, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW).

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het werkloosheidsbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Uitstel inkorting maximale WW-duur met één jaar (1/1/2029)

In het coalitieakkoord is opgenomen om de maximale WW-duur in te korten van 24 naar 12 maanden per 2028, een aanscherping van de referte-eis, verhoogde uitkering in eerste twee maanden en een vertraagde opbouw van WW-rechten per 2030. De maatregel om de maximale duur van de WW-uitkering in te korten wordt met één jaar uitgesteld.

Terugdraaien verlaging maximumdagloon

Het kabinet heeft besloten om de verlaging van het maximumdagloon met 20% terug te draaien. Hierdoor nemen de uitgaven op de SZW-begroting (voor de WIA, WAO, ZW, WW en verlofregelingen) met respectievelijk € 673 miljoen, € 687 miljoen en € 706 miljoen in 2029, 2030 en 2031 toe.

Beëindiging op eigen inititiatief en calamiteitenverlof buitenland

Naar aanleiding van het in 2023 uitgebrachte knelpuntenonderzoek ‘Waar knelt de WW?’, werkt SZW in samenwerking met UWV aan het oplossen van knelpunten in de WW. Met als doel om te komen tot een eenvoudiger functionerende WW voor zowel UWV als uitvoerder als voor de uitkeringsgerechtigde. SZW bereidt nu twee wetswijzigingen op de WW voor waarin twee knelpunten worden opgelost. Het eerste knelpunt betreft de beëindiging van de WW-uitkering op eigen initiatief, waarbij aan een wetswijziging wordt gewerkt waarin beëindiging op eigen verzoek van de uitkeringsgerechtigde in alle gevallen en op een eenvoudige wijze mogelijk wordt gemaakt. Eerder is deze mogelijkheid al in het kader van de hersteloperatie WIA-dagloon als tijdelijke maatregel ingezet.

Daarnaast wordt er gewerkt aan een wijziging van de WW waarbij het mogelijk wordt voor uitkeringsgerechtigden om enige tijd met behoud van WW-uitkering in het buitenland kunnen verblijven in het geval van een calamiteit in de persoonlijke sfeer. Hierbij kan gedacht worden aan het bijwonen van een uitvaart van een familielid in het buitenland of het verlenen van mantelzorg aan een familielid in het buitenland.

Tijdelijke regeling Werkloosheidsvoorziening BES

Op 8 juli 2026 is de Tijdelijke regeling Werkloosheidsvoorziening BES gepubliceerd (Stcrt. 2026, 24251). Met deze regeling wordt een werkloosheidsuitkering geïntroduceerd voor werknemers in Caribisch Nederland die onvrijwillig hun baan verliezen. De regeling zal per 1 januari 2027 in werking treden. Het kabinet werkt aan een werkloosheidswet voor Caribisch Nederland, die de Tijdelijke regeling uiteindelijk zal opvolgen.

Tabel 60 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

120.186

99.118

99.781

101.798

108.766

94.868

56.690

         
 

Uitgaven

119.649

99.118

99.781

101.798

108.766

94.868

56.690

         

5.0

Werkloosheid

119.649

99.118

99.781

101.798

108.766

94.868

56.690

 

Inkomensoverdrachten

101.357

95.710

96.440

98.459

105.440

91.458

53.280

 

Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

100.971

95.705

95.257

97.269

104.242

90.255

52.070

 

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

386

5

5

5

5

5

5

 

Werkloosheidsvoorziening CN

0

0

1.178

1.185

1.193

1.198

1.205

 

Subsidies (regelingen)

6.201

2.800

2.400

2.800

2.800

2.900

2.900

 

Overige subsidies algemeen

75

0

0

0

0

0

0

 

Coördinatie arbeidsmarktdienstverlening

2.176

0

0

0

0

0

0

 

Werkgeverssubsidie praktijkleren

3.950

2.800

2.400

2.800

2.800

2.900

2.900

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

11.692

0

0

0

0

0

0

 

Arbeidsmarktdienstverlening

11.692

0

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan agentschappen

399

608

941

539

526

510

510

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

399

608

941

539

526

510

510

         
 

Ontvangsten

3.476

971

0

0

0

0

0

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 61 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 5
 

2027

juridisch verplicht

100%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0%

De uitgaven op artikel 5 Werkloosheid zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten voor de IOW, de Cessantiawet (Caribisch Nederland) en de Tijdelijke regeling Werkloosheidsvoorziening BES.

Subsidies

Het budget voor de subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg is 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Deze bijdrage is 100% juridisch verplicht. Dit zijn de uitvoeringskosten voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor de bovengenoemde subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 62 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

4.926.820

5.244.701

5.641.693

6.421.887

7.107.610

5.944.570

4.963.988

         
 

Uitgaven

4.926.820

5.244.701

5.641.693

6.421.887

7.107.610

5.944.570

4.963.988

         

5.0

Werkloosheid

4.926.820

5.244.701

5.641.693

6.421.887

7.107.610

5.944.570

4.963.988

 

Inkomensoverdrachten

4.912.585

5.226.544

5.623.021

6.402.719

7.087.996

5.924.451

4.943.391

 

WW

4.187.683

4.466.050

4.589.199

5.035.739

5.392.610

4.371.761

3.543.575

 

WW nominaal

0

0

186.821

400.045

620.468

659.288

665.613

 

Sociale lasten

724.902

760.494

847.001

966.935

1.074.918

893.402

734.203

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

14.235

18.157

18.672

19.168

19.614

20.119

20.597

 

Re-integratie WW

1.373

3.088

3.088

3.088

3.088

3.088

3.088

 

Scholing WW

12.862

15.069

15.069

15.069

15.069

15.069

15.069

 

Re-integratie WW nominaal

0

0

103

199

287

384

481

 

Scholing WW nominaal

0

0

412

812

1.170

1.578

1.959

         
 

Ontvangsten

264.000

296.286

306.007

361.876

404.474

364.737

378.333

         
Tabel 63 Uitsplitsing premiegefinancierde ontvangsten artikel 5 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Ontvangsten

264.000

296.286

306.007

361.876

404.474

364.737

378.333

         

5.0

Werkloosheid

264.000

296.286

306.007

361.876

404.474

364.737

378.333

 

Ontvangsten

264.000

296.286

306.007

361.876

404.474

364.737

378.333

 

Ufo

264.000

296.286

293.961

335.074

362.482

316.632

318.047

 

Ufo nominaal

0

0

12.046

26.802

41.992

48.105

60.286

Inkomensoverdrachten
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsgeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW.

De IOW is een tijdelijke regeling. Oudere WW’ers en WGA’ers kunnen in aanmerking komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2028 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. De IOW wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn en die recht hebben op meer dan drie maanden WW-uitkering, komen bij beëindiging van hun WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale duur in aanmerking voor een IOW-uitkering.

  • Gedeeltelijk arbeidsgeschikte ouderen hebben na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als de loongerelateerde WGA is toegekend op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar en vier maanden.

Hoe hoog is de IOW-uitkering?

Deze uitkering is maximaal 70% van het netto referentieminimumloon. Het benodigde bruto bedrag om op 70% van het netto referentieminimumloon uit te komen is op 1 juli 2026 € 1.669,31 per maand (exclusief vakantietoeslag). De uitkering kan lager zijn dan 70% van het netto referentieminimumloon als:

  • De WW- of loongerelateerde WGA-uitkering lager was dan 70% van het minimumloon;

  • De betrokkene tijdens de IOW-uitkering andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld loon of een andere uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2027 bedragen de IOW-uitgaven naar verwachting ongeveer € 95,3 miljoen. De IOW-uitgaven nemen tot en met 2029 toe. Daarna nemen de IOW-uitgaven af omdat iemand voor 1 januari 2028 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt moet worden om in aanmerking te kunnen komen voor de uitkering.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 64 Kerncijfers IOW
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

5,7

5,3

5,3

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die werkzaam zijn in de private sector ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt SZW deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan uitkeringen op grond van de Cessantiawet zijn vanwege de aard van de uitkering onvoorspelbaar. Daarom is voor € 5.000 aan uitkeringslasten meerjarig doorgetrokken.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 65 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

1

Bron: RCN-unit SZW.

Werkloosheidsvoorziening BES

Op 8 juli 2026 is de Tijdelijke regeling Werkloosheidsvoorziening BES gepubliceerd. Werknemers die onvrijwillig hun baan verliezen, krijgen op basis van de Werkloosheidsvoorziening een uitkering. De uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende loon van de werknemer. De regeling zal per 1 januari 2027 in werking treden.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor de Werkloosheidsvoorziening BES bedragen in 2027 naar verwachting € 1,2 miljoen.

Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. Het recht op een WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur is afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. Voor gewerkte jaren vóór 2016 geldt een overgangsrecht. De WW wordt uitgevoerd door UWV. Hoofdstuk 7.1, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de WW.

Wie komt er voor in aanmerking?

Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet een werknemer in ieder geval:

  • De AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt;

  • Verzekerd zijn voor de WW;

  • Minimaal vijf arbeidsuren per week kwijtraken (of voor wie minder dan tien uur per week werkte, minimaal de helft van de arbeidsuren);

  • Geen recht meer hebben op loon over die verloren arbeidsuren;

  • Beschikbaar zijn om te gaan werken;

  • Voldoen aan de wekeneis: in de 36 weken voor de eerste werkloosheidsdag in minimaal 26 weken in loondienst hebben gewerkt;

  • Geen ZW-uitkering, WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid of IVA-uitkering ontvangen;

  • Geen WGA-uitkering ontvangen (tenzij men naast de WGA-uitkering werkte, en die baan is kwijtgeraakt);

  • Zich tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;

  • Niet verwijtbaar werkloos zijn. Verwijtbaar werkloos is iemand die zelf ontslag heeft genomen of om een dringende reden is ontslagen. In dat geval krijgt de werknemer geen uitkering of een korting op de uitkering.

Hoe hoog is de WW-uitkering?

De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het WW-maandloon (dat maandloon wordt gebaseerd op het loon van de periode van 12 maanden voordat iemand werkloos werd). Inkomsten uit arbeid worden gedeeltelijk verrekend, zodat het totale inkomen toeneemt naarmate de WW-gerechtigde meer werkt. De hoogte van het maandloon is gemaximeerd, waardoor de 75%-uitkering per 1 juli 2026 maximaal € 5.055,41 bruto per maand bedraagt en de 70%-uitkering maximaal € 4.718,38 (beide bedragen inclusief vakantietoeslag).

Budgettaire ontwikkelingen

De WW-uitgaven bewegen mee met de ontwikkeling van de werkloosheid. De komende jaren neemt de werkloze beroepsbevolking naar verwachting toe. Hierdoor stijgen de WW-uitgaven. In 2027 bedragen de WW-uitgaven naar verwachting ongeveer € 4,6 miljard.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 66 Kerncijfers WW
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

154

169

184

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

191

213

235

Aantal WW-instromers (x 1.000)

290

319

344

 

waarvan nieuwe uitkeringen (x 1.000)

269

2

2

 

waarvan herleefde uitkeringen (x 1.000)3

21

2

2

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

274

298

322

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Dit getal wordt niet geraamd.

3

Wie na afloop van een WW-uitkering binnen 26 weken weer werkloos wordt, kan de oude WW-uitkering weer terugkrijgen. Dit wordt «herleving» genoemd.

Tabel 67 Kerncijfers uitstroom uit de WW gerelateerd aan werk
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Aandeel uitstroom gerelateerd aan werk binnen 12 maanden na instroom1

45

43

42

 

waarvan leeftijd bij instroom jonger dan 55 jaar

48

45

42

 

waarvan leeftijd bij instroom 55 jaar en ouder

33

35

39

Aandeel uitstroom gerelateerd aan werk binnen 3 maanden na instroom

24

23

21

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

1

Het aandeel uitstroom wordt berekend door alle werkgerelateerde uitstroom te delen door de totale uitstroom. Dit gaat dus over alle WW-gerechtigden die in het betreffende verslagjaar zijn uitgestroomd, deze mensen kunnen in een eerder jaar zijn ingestroomd. Deze cijfers onderschatten de daadwerkelijke werkhervatting vanwege een vertragingseffect in de registratie en vanwege het ontbreken van gedeeltelijke werkhervatting.

Handhaving

De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.

Tabel 68 Kerncijfers WW (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

71

73

70

Kennis van de verplichtingen (%)

93

93

92

Opsporing2

Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

3,0

1,7

2,0

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

0,5

0,3

0,3

Totaal benadelingsbedrag (x 1 mln)

3,6

2,0

2,2

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

1,6

1,1

1,4

Aantal boetes (x 1.000)

0,4

0,2

0,3

Totaal boetebedrag ( x 1 mln)

0,7

0,4

0,5

  

Ontstaansjaar vordering

  

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

37

33

12

1

Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».

2

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Sociale lasten

De sociale lasten op het artikel hebben betrekking op werkgeverspremies die over uitkeringen worden betaald. De ontwikkeling van de sociale lasten volgt de ontwikkeling van de WW-uitgaven en de premietarieven.

Subsidies

Subsidieregeling praktijkleren

Werkzoekenden en werkenden kunnen via praktijkleren in het mbo bij- of omgeschoold worden ter verbetering van hun directe en duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Bij praktijkleren in het mbo wordt werken gecombineerd met het doen van (een deel van) een mbo-opleiding resulterend in een praktijkverklaring, mbo-certificaat of mbo-diploma. Op grond van de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg kunnen werkgevers een vergoeding krijgen voor het realiseren van de benodigde leerbaan. Voor 2027 is € 2,4 miljoen beschikbaar om deze kosten voor werkgevers achteraf te vergoeden.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Re-integratie WW

Er is jaarlijks € 3,1 miljoen beschikbaar voor de inkoop van re-integratiedienstverlening voor WW-gerechtigden. Hiermee kunnen WW-gerechtigden met een kwetsbare arbeidsmarktpositie aan het werk geholpen worden.

Scholing WW

Er is jaarlijks € 15,1 miljoen beschikbaar voor het financieren van scholing voor WW-gerechtigden. Hiermee worden WW-gerechtigden met een (zeer) zwakke arbeidsmarktpositie door middel van (om)scholing geholpen om weer terug te keren op de arbeidsmarkt.

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voert de subsidieregeling Praktijkleren in de derde leerweg uit. Hiervoor ontvangt deze partij € 0,9 miljoen in 2027.

Ontvangsten

Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo)

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. UWV verstrekt WW-uitkeringen aan voormalige overheidswerknemers en verhaalt deze uitkeringen vervolgens op de betrokken overheidswerkgever. Dit wordt als ontvangsten Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) in dit beleidsartikel van de begroting opgenomen. Voor 2027 verwachten we dat de Ufo-ontvangsten toenemen naar ongeveer € 294 miljoen.

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. Het betreft de ‘ASB vrijstelling voor werkloosheidsverzekeringen’. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Kwalitatieve achtergrond informatie per fiscale regeling’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.

5.6 Artikel 6 Ziekte en verlofregelingen

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. Tevens beschermt de overheid werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap en bevalling en komt tegemoet bij verlofopname wegens geboorte, adoptie of bij opname van een pleegkind en ook voor de verzorging en opvoeding van een kind. Ook biedt de overheid een eenmalig financiële tegemoetkoming aan (voormalig) werkenden die ziek zijn geworden door gevaarlijke stoffen op het werk.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze (gewezen) werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering. Ook andere verlofvormen geven recht op een uitkering, namelijk: adoptie- en pleegzorgverlof, aanvullend geboorteverlof en ouderschapsverlof voor maximaal 9 weken indien deze weken in het eerste jaar na de geboorte of in het eerste jaar na de opname in het gezin in verband met adoptie of pleegzorg van het kind worden opgenomen.

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

Slachtoffers van stoffengerelateerde beroepsziekten kunnen gebruikmaken van de regeling Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten (TSB). Deze regeling houdt in dat mensen die ernstig ziek zijn geworden doordat zij op het werk blootgesteld zijn (geweest) aan gevaarlijke stoffen, van de overheid eenmalig recht hebben op een financiële tegemoetkoming. Het doel van deze regeling is om slachtoffers een kortere en snellere route te bieden naar erkenning van hun beroepsziekte. Voorheen was een aansprakelijkstelling de enige mogelijkheid. Een rechtsgang duurt gemiddeld zeven jaar en is in veel gevallen niet kansrijk. De regeling loopt sinds 1 januari 2023, waarbij is gestart met een tegemoetkoming rondom drie ziekten, namelijk longkanker door asbest, allergisch beroepsastma en CSE. Per 1 juli 2025 zijn er drie ziekten toegevoegd. Het gaat om longkanker door silica, silicose en neus(bijholte)kanker door houtstof. De regeling wordt de komende jaren verder uitgebreid, op basis van advies van de Adviescommissie Lijst beroepsziekten.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

De Minister financiert de inkomensondersteuning en financiële tegemoetkoming met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV en de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Terugdraaien verlaging maximumdagloon

Het kabinet heeft besloten om de verlaging van het maximumdagloon met 20% terug te draaien. Hierdoor nemen de uitgaven op de SZW-begroting (voor de WIA, WAO, ZW, WW en verlofregelingen) met respectievelijk € 673 miljoen, € 687 miljoen en € 706 miljoen in 2029, 2030 en 2031 toe.

Pilots re-integratiedienstverlening ZW

UWV onderzoekt via drie pilots welke begeleiding het meest effectief is voor terugkeer naar werk en het verbeteren van de re-integratiedienstverlening. De eerste pilot ziet op het ontwikkelen van een werkwijze ten behoeve van de landelijke en structurele uitrol om de instroom in de Ziektewet vanuit de Werkloosheidswet en de verzuimduur te beperken. De tweede pilot ziet op de ontwikkeling van het programma ‘Succesvol naar werk’ voor ZW-gerechtigden. De derde pilot richt zich op de inzet van jobhunting voor ZW-gerechtigden. Deze pilots lopen door in 2027. De activiteiten en resultaten worden gemonitord en geëvalueerd.

Herstelacties Ziektewet

Naar aanleiding van de problemen rondom de WIA heeft UWV zijn kwaliteitsmanagementsysteem verstevigd. Dit leidt tot nieuwe signalen van mogelijke fouten in de uitvoering, waarvoor in sommige gevallen herstelacties zijn opgezet. De herstelactie ‘Vaststellen uitkeringen ZW’ loopt door in 2027 en wordt naar verwachting in dat jaar afgerond. Deze herstelactie gaat om dossiers waarin UWV mogelijk een voorschot onterecht heeft teruggevorderd en/of waarbij UWV na de beoordeling geen beschikking heeft verzonden. De dossiers in deze herstelactie worden gecontroleerd en waar nodig hersteld.

Tabel 69 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

24.090

23.127

24.024

26.644

29.199

31.132

31.304

         
 

Uitgaven

24.090

23.127

24.024

26.644

29.199

31.132

31.304

         

6.0

Ziekte en verlofregelingen

24.090

23.127

24.024

26.644

29.199

31.132

31.304

 

Inkomensoverdrachten

24.090

23.127

24.024

26.644

29.199

31.132

31.304

 

Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

6.266

7.136

7.136

7.136

7.136

7.136

7.136

 

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

12.198

12.423

12.725

12.967

13.143

13.292

13.464

 

Organo Psycho Syndroom (OPS)- fonds

26

0

0

0

0

0

0

 

Tegemoetkomingsregeling stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB)

5.600

3.568

4.163

6.541

8.920

10.704

10.704

         
 

Ontvangsten

3.330

2.763

0

0

0

0

0

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 70 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 6
 

2027

juridisch verplicht

100%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0%

De uitgaven op artikel 6 Ziekte en verlofregelingen zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (TAS), Ziekteverzekering Caribisch Nederland en Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB).

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 71 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

6.654.478

7.071.320

7.514.934

7.945.610

8.390.012

8.831.199

9.265.985

         
 

Uitgaven

6.654.478

7.071.320

7.514.934

7.945.610

8.390.012

8.831.199

9.265.985

         

6.0

Ziekte en verlofregelingen

6.654.478

7.071.320

7.514.934

7.945.610

8.390.012

8.831.199

9.265.985

 

Inkomensoverdrachten

6.654.478

7.071.320

7.514.934

7.945.610

8.390.012

8.831.199

9.265.985

 

ZW

2.699.570

2.869.629

2.891.843

2.937.135

2.988.436

3.034.601

3.064.147

 

WAZO

1.846.563

1.815.618

1.841.362

1.883.733

1.926.555

1.971.904

2.013.772

 

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

296.324

321.406

330.847

339.306

347.058

355.271

362.850

 

Wet Betaald ouderschapsverlof (WBO)

790.862

877.530

907.791

933.310

959.408

982.103

1.003.057

 

WAZO zelfstandigen

0

111.911

113.497

100.106

102.745

105.540

108.120

 

ZW nominaal

0

0

118.566

235.081

346.409

461.351

581.273

 

WAZO nominaal

0

0

75.496

150.769

223.320

299.789

382.016

 

WAZO aanvullend geboorteverlof partners nominaal

0

0

13.565

27.157

40.230

54.012

68.833

 

Wet Betaald ouderschapsverlof (WBO) nominaal

0

0

37.219

74.700

111.211

149.309

190.282

 

WAZO zelfstandigen nominaal

0

0

4.485

7.665

11.407

15.272

19.372

 

Sociale lasten

1.021.159

1.075.226

1.180.263

1.256.648

1.333.233

1.402.047

1.472.263

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Inkomensoverdrachten
Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Werknemers die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van blootstelling aan asbest tijdens het werk kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden. Dat gebeurt in de vorm van een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding van de werkgever. Het voorschot wordt hiermee verrekend als de (voormalige) werkgever het slachtoffer alsnog een schadevergoeding betaalt. Het voorschot wordt omgezet in een tegemoetkoming als de werknemer geen schadevergoeding ontvangt. De TAS wordt uitgevoerd door het IAS en de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die ziek zijn geworden door het werken met asbest, krijgen een voorschot als:

  • Bij hen maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld;

  • Zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, in loondienst bij een werkgever in Nederland werkten;

  • Zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, op het werk zijn blootgesteld aan asbest;

  • Zij nog geen schadevergoeding hebben gekregen of een schadevergoeding hebben ontvangen die lager is dan € 27.030 (prijspeil 2026, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd).

Hoe hoog is de TAS?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is in 2026 € 27.030. Al van de werkgever ontvangen bedragen worden hierop in mindering gebracht. Het gaat om een eenmalige uitkering. De hoogte van de TAS volgt de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten aan de TAS bedragen vanaf 2027 naar verwachting ongeveer € 7,1 miljoen per jaar.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal TAS-aanvragen blijft de komende jaren naar verwachting stabiel ondanks dat het werken met asbest al in 1993 is verboden. Dit komt doordat mensen tot tientallen jaren na blootstelling aan asbest ziek kunnen worden.

Tabel 72 Kerncijfers TAS
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,3

0,4

0,4

 

waarvan toekenning in verband met maligne mesothelioom

0,3

0,3

0,3

 

waarvan toekenning in verband met asbestose

<0,1

<0,1

<0,1

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,1

0,1

0,1

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

84

2

2

1

Bron: SVB, administratie.

2

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

Werknemers in de private sector van Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het laatstverdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Ziekteverzekering worden in 2027 geraamd op circa € 12,7 miljoen. Demografische ontwikkelingen vormen de voornaamste verklaring voor de verwachte jaarlijkse toename van de uitkeringslasten. Naar verwachting zal de omvang van de bevolkingsgroep die in aanmerking kan komen voor de regeling toenemen, waardoor het aantal personen dat recht heeft op de regeling zal stijgen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 73 Kerncijfers Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume Ziekteverzekering CN (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)

136

138

140

1

Bron: RCN-unit SZW.

Tegemoetkomingsregeling stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB)

De TSB maakt het mogelijk om (ex-)werkenden met een ernstige stoffengerelateerde beroepsziekte een financiële tegemoetkoming toe te kennen. De tegemoetkoming is geen schadevergoeding maar vormt een erkenning van het feit dat men door participatie aan het arbeidsproces ziek is geworden. De tegemoetkoming moet worden verrekend met een schadevergoeding van de werkgever als de (ex-)werkende die ook nog ontvangt. De TSB wordt uitgevoerd door de SVB, Bureau Lexces (RIVM) en het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke Stoffen (ISBG).

Wie komt er voor in aanmerking?

De doelgroep betreft (ex-)werkenden met ernstige beroepsziekten door blootstelling aan gevaarlijke stoffen op het werk.

Hoe hoog is de tegemoetkoming?

Het betreft een eenmalige tegemoetkoming van € 27.030 (prijspeil 2026, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd). De tegemoetkoming moet worden verrekend met een schadevergoeding van de werkgever als de (ex-)werkende die ook nog ontvangt.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten aan de TSB bedragen vanaf 2027 naar verwachting ongeveer € 4,2 miljoen per jaar. De komende jaren stijgen de verwachte uitgaven door de toevoeging van ziekten aan de regeling.

Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben. Deze personen ontvangen ook ondersteuning bij re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever. Dit zijn werknemers die ziek zijn als gevolg van zwangerschap of onder de no-riskpolis vallen. Dit betreft ook werknemers die tijdelijk arbeidsongeschikt zijn vanwege orgaandonatie. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat moet worden doorbetaald. De ZW wordt uitgevoerd door UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager voor de ZW te zijn.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een ZW-uitkering komen:

  • Uitzendkrachten (zonder vast contract met het uitzendbureau);

  • Oproepkrachten (afhankelijk van het soort oproepcontract);

  • Personen met een arbeidscontract dat afloopt tijdens de ziekte;

  • Personen die een WW-uitkering ontvangen en langer dan dertien weken ziek zijn;

  • Personen die ziek worden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wanneer zij in loondienst werken hebben zij tijdens hun zwangerschapsverlof recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Als deze personen door de zwangerschap vóór of na de bevalling ziek worden, ontvangen zij een ZW-uitkering;

  • Orgaandonoren die door hun donatie tijdelijk niet kunnen werken;

  • Personen met een no-riskpolis die in dienst zijn van een werkgever en ziek worden;

  • Ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders kunnen alleen een beroep doen op de ZW als zij hiervoor een vrijwillige verzekering hebben.

Hoe hoog is de ZW-uitkering?

De ZW-uitkering bedraagt meestal 70% van het loon dat de betrokkene gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij ziek werd. De hoogte van het dagloon is per 1 juli 2026 gemaximeerd op € 309,91 bruto per dag. Hierdoor bedraagt de uitkering maximaal € 4.718,38 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De uitkering duurt maximaal twee jaar. Er zijn enkele uitzonderingen. Orgaandonoren en zieke werknemers als gevolg van de zwangerschap of bevalling hebben recht op een ZW-uitkering van 100% van het dagloon, wat neerkomt op een uitkering van maximaal € 6.740,54 bruto per maand inclusief vakantiegeld. Op verzoek van de werkgever kan UWV de ZW-uitkering van personen die onder de no-riskpolis vallen het eerste jaar op 100% van het dagloon vaststellen.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2027 nemen de ZW-uitkeringslasten met circa € 21 miljoen toe. Het ZW-volume neemt naar verwachting toe. Dit komt door een verwachte stijging in het aantal werklozen, dat werkt door in het verwachte aantal zieke werklozen. Daarnaast neemt het aantal geboortes de komende jaren toe. Dit heeft in combinatie met een toenemende werkende beroepsbevolking naar verwachting een stijging van ziekte bij zwangerschap tot gevolg.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 74 Kerncijfers ZW
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume ZW (x 1.000 uitkeringen, gemiddelde)

111

114

115

Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

344

2

2

Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

354

2

2

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

In- en uitstroom worden niet geraamd.

Handhaving

De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.

Tabel 75 Kerncijfers ZW (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

68

60

67

Kennis van de verplichtingen (%)

94

94

94

Opsporing2

Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

2,6

1,3

1,1

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

1,2

0,8

0,8

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

1,4

1,2

1,8

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

1,9

0,9

0,8

Aantal boetes (x 1.000)

0,1

<0,1

<0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,1

<0,1

<0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

44

12

14

1

Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».

2

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, (aanvullend) geboorteverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Vaak bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering: zwangerschaps- en bevallingsuitkering, adoptie- en pleegzorguitkering, geboorteverlofuitkering en ouderschapsverlofuitkering. Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering komen:

  • Vrouwelijke werknemers;

  • Andere vrouwelijke verzekerden voor de ZW (onder andere thuiswerksters en vrouwen die een ZW-, WW- of loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen);

  • Vrouwelijke vrijwillig verzekerden voor de ZW;

  • Vrouwen van wie de vermoedelijke bevallingsdatum binnen 10 weken na het einde van de verplichte ZW-verzekering ligt, evenals vrouwen die later uitgerekend zijn, maar die toch binnen 10 weken na het einde van de verplichte verzekering bevallen.

In aanmerking voor adoptie- en pleegzorgverlof komt de werknemer die een kind heeft geadopteerd dan wel als pleegkind in zijn gezin heeft opgenomen.

Hoe hoog is de WAZO-uitkering?

De zwangerschaps- en bevallingsuitkering en de adoptie- en pleegzorguitkering bedraagt 100% van het laatstverdiende loon, tot een maximum van 100% van het maximumdagloon. Dit is per 1 juli 2026 gelijk aan € 6.740,54 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De hoogte van de uitkering voor zelfstandigen is maximaal het wettelijk minimumloon (per 1 juli 2026 € 2.337,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld).

Budgettaire ontwikkelingen

In 2027 nemen de uitgaven aan de WAZO naar verwachting met circa € 24,7 miljoen toe ten opzichte van 2026. De raming voor de uitkeringslasten WAZO volgt de prognose van het aantal geboorten in de bevolkingsprognose van het CBS. Door een voorspelde toename van het aantal geboorten nemen ook de verwachte uitgaven aan WAZO-uitkeringen in de komende jaren toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 76 Kerncijfers WAZO
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Aantal toekenningen zwangerschaps- en bevallingsverlof werknemers (x 1.000 uitkeringen)

135

133

134

Aantal toekenningen zwangerschaps- en bevallingsverlof zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

12

12

12

Aantal toekenningen aanvullend geboorteverlof (x 1.000 uitkeringen)

88

92

94

Gemiddeld aantal opgenomen dagen aanvullend geboorteverlof

23

23

23

Aantal toekenningen betaald ouderschapsverlof (x 1.000 uitkeringen)

164

173

179

Gemiddeld aantal opgenomen dagen betaald ouderschapsverlof

37,5

37,5

37,5

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

Het aanvullend geboorteverlof duurt maximaal 5 weken. Het verlof dient binnen 6 maanden na de geboorte te worden opgenomen. Ook deze regeling wordt door UWV uitgevoerd.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een aanvullend geboorteverlof uitkering komt de werknemer die echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner van de moeder van het kind is, met de moeder ongehuwd samenwoont of haar kind erkent. Voorwaarde is dat de werknemer eerst een week geboorteverlof opneemt, waarbij de werkgever het loon doorbetaalt.

Hoe hoog is de uitkering?

De hoogte van de uitkering voor aanvullend geboorteverlof bedraagt 70% van het dagloon, tot een maximum van 70% van het maximumdagloon. Dit is per 1 juli 2026 gelijk aan € 4.718,38 bruto per maand inclusief vakantiegeld.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2027 nemen de uitgaven aan het aanvullend geboorteverlof naar verwachting met circa € 9 miljoen toe ten opzichte van 2026. De raming voor de uitkeringslasten van het aanvullend geboorteverlof volgt de prognose van het aantal geboorten in de bevolkingsprognose van het CBS. Door een voorspelde toename van het aantal geboorten, en een hoger verwacht gebruik, nemen ook de verwachte uitgaven aan het aanvullend geboorteverlof in de komende jaren toe.

Wet betaald ouderschapsverlof (WBO)

Het betaald ouderschapsverlof duurt maximaal 9 weken. De uitkering wordt alleen verstrekt indien het verlof in het eerste levensjaar van het kind wordt opgenomen. Bij adoptie of pleegzorg kan het verlof worden opgenomen gedurende het eerste jaar na opname van het kind in het gezin.

Wie komt er voor in aanmerking?

Rechthebbend is de werknemer die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot het kind, dan wel blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen.

Hoe hoog is de uitkering?

De uitkering bedraagt 70% van het dagloon, met als maximum 70% van het maximumdagloon. Dit is per 1 juli 2026 gelijk aan € 4.718,38 bruto per maand inclusief vakantiegeld.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2027 nemen de uitgaven aan het betaald ouderschapsverlof naar verwachting met circa € 29 miljoen toe ten opzichte van 2026. De raming voor de uitkeringslasten van het betaald ouderschapsverlof volgt de prognose van het aantal geboorten in de bevolkingsprognose van het CBS. Door een voorspelde toename van het aantal geboorten, en een hoger verwacht gebruik, nemen ook de verwachte uitgaven aan het betaald ouderschapsverlof in de komende jaren toe.

WAZO zelfstandigen

Wie komt ervoor in aanmerking?

Er is een afzonderlijke uitkeringsregeling voor zwangere zelfstandigen, de regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ). Vrouwelijke zelfstandigen, directeuren-grootaandeelhouders, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst (hulpen in de huishouding voor minder dan vier dagen per week) hebben gedurende ten minste 16 weken recht op een uitkering. Zie ook beleidsartikel 12.

Hoe hoog is de uitkering?

De hoogte van de uitkering voor zelfstandigen is maximaal het wettelijk minimumloon (per 1 juli 2026 € 2.337,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld).

Budgettaire ontwikkelingen

In 2027 nemen de uitgaven aan de regeling ZEZ naar verwachting met circa € 1,5 miljoen toe ten opzichte van 2026. De raming voor de uitkeringslasten van de regeling ZEZ volgt de prognose van het aantal geboorten in de bevolkingsprognose van het CBS.

Sociale lasten

De sociale lasten op het artikel hebben betrekking op de werkgeverspremies die over uitkeringen worden betaald. De ontwikkeling van de sociale lasten volgt de ontwikkeling van de ZW- en WAZO-uitgaven en de premietarieven.

5.7 Artikel 7 Kinderopvang

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede, veilige en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling. De kinderopvangtoeslag houdt formele kinderopvang betaalbaar voor ouders. Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier toezicht op, in opdracht van gemeenten. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten die de (informatie)positie van ouders versterken om ervoor te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen brengen die veilig en van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de (informatie)positie van ouders. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang;

  • het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • het verstrekken van middelen ten behoeve van de kinderopvang in Caribisch Nederland;

  • het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang.

De Dienst Toeslagen voert het stelsel van kinderopvangtoeslag uit in opdracht van het Ministerie van SZW. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT.

Kwaliteit en veiligheid

In Nederland is de kinderopvang van goede kwaliteit en het is van belang dat deze kwaliteit behouden blijft. Daarom werkt het kabinet continu aan het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit en de veiligheid van de kinderopvang. In dat kader zijn er komend jaar enkele maatregelen. Zo treedt het besluit in werking waarmee een onderzoek wordt gestart naar peuter-kleutergroepen (Kamerstukken II 2025/26, 31 332, nr. 572). Daarnaast worden eisen gesteld aan het minimale taalniveau van pedagogisch professionals op een opvanglocatie waar mede een andere voertaal dan Nederlands wordt gesproken met de kinderen. Deze maatregel is in lijn met de taaleisen die reeds gelden voor meertalige kinderopvang en wordt ingevoerd met een overgangstermijn. Tot slot wordt de tijdelijke verruiming om beroepskrachten in opleiding te mogen inzetten tot 50% van de formatie per kindercentrum (in plaats van 33%) met twee jaar verlengd tot 1 juli 2028 (Stcrt. 2026, 19916).

Caribisch Nederland

Voor kinderopvangorganisaties in Caribisch Nederland is er een toeslag op de kinderopvangvergoeding: de ‘babytoeslag’. Dit is om de extra kosten van baby’s tot één jaar te dekken. Het gaat dan met name om kosten door meer personele inzet, maar ook kosten voor flesvoeding en luiers. Deze toeslag blijkt onvoldoende om de extra kosten te dekken. Daarom is het kabinet voornemens de babytoeslag te verhogen. Het gaat om een verhoging van ruim 15 procent. De verhoging vergt een wijziging van het Besluit kinderopvang BES met beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027. De wijziging geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026.

Ouders die de ouderbijdrage voor de kinderopvang niet kunnen betalen, kunnen onder bepaalde voorwaarden een compensatie (kindplaatssubsidie) aanvragen voor de te betalen ouderbijdrage. Hiervoor kregen de Openbare Lichamen een vergoeding vanuit het Rijk. Met de invoering van de Wet kinderopvang BES is de verantwoordelijkheid bij de Openbare Lichamen komen te liggen. De middelen voor de Openbare Lichamen voor kinderopvang zijn recent sterk afgenomen, waardoor de kindplaatssubsidie in de knel komt en het risico bestaat dat de subsidies stoppen of afnemen. Daarom wordt ook voor 2027 de kindplaatssubsidie vergoed vanuit het Rijk.

Verhoging vergoedingspercentages 2027

Het kabinet werkt aan een nieuw financieringsstelsel voor de kinderopvang dat ouders eenvoud en zekerheid biedt. Daarbij kiest het kabinet ervoor om geleidelijk toe te groeien naar het nieuwe financieringsstelsel met een ingroeipad. Dit ingroeipad houdt in dat de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag elk jaar stapsgewijs worden verhoogd, totdat alle werkende ouders met ingang van de nieuwe financiering recht hebben op een inkomensonafhankelijk vergoedingspercentage. Dit zorgt ervoor dat de vraag naar opvang geleidelijk toeneemt, waardoor de markt meer tijd heeft om te reageren op deze grotere vraag en marktschokken worden voorkomen.

Voor 2027 was er € 715 miljoen gereserveerd voor de volgende stap van het ingroeipad. Er is besloten om dit bedrag met € 350 miljoen te verlagen naar € 365 miljoen. Werkende ouders met een gezamenlijk toetsingsinkomen tot € 71.903 krijgen hierdoor recht op het maximale vergoedingspercentage van 96%. Ouders met een inkomen tussen de € 71.904 en € 175.430 hebben voor de opvang van het eerste kind recht op een vergoedingspercentage dat 5,1 procentpunt hoger ligt dan in 2026. De hoogste inkomens ontvangen een vergoedingspercentage dat 2,6 procentpunt hoger ligt dan in 2026. Hiermee komt het kabinet tegemoet aan de aangenomen motie Haage (Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 566) om middeninkomens prioriteit te geven bij de volgende wijzigingen van het Besluit kinderopvangtoeslag. Kinderopvang wordt zo beter betaalbaar voor de meeste werkende ouders, waardoor (meer) werken meer gaat lonen.

Wetsvoorstel verbeteringen kinderopvangtoeslag

Ook in het huidige financieringsstelsel blijft het kabinet verbeteringen doorvoeren in de kinderopvangtoeslag. Een belangrijke les uit de kinderopvangtoeslagaffaire is immers dat het belangrijk is om ook tijdens de ontwikkeling van een nieuw financieringsstelsel in te blijven zetten op het oplossen van knelpunten in het huidige stelsel. Bovendien gaat het om structurele verbeteringen voor ouders, die allemaal worden meegenomen bij de overgang naar het nieuwe financieringsstelsel.

Het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2025/26, 36 911, nr. 2 en Kamerstukken II 2025/26, 36 911, nr. 3) bevat vier onderdelen:

  • 1. Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding krijgen recht op kinderopvangtoeslag. Nu bestaat er soms wel en soms geen recht.

  • 2. Verduidelijking dat alle verplichte onderdelen van leerroutes binnen de Wet inburgering 2021 recht geven op kinderopvangtoeslag.

  • 3. Verduidelijking dat er alleen recht is op kinderopvangtoeslag als de opvang beschikbaar is. Als een kinderopvang gesloten is, is er geen recht, behalve bij erkende feestdagen als de feestdag op een dag valt dat de ouder normaal gesproken opvang zou afnemen.

  • 4. Aanpassing formulering van de vaste voet in de kinderopvangtoeslag, zodat duidelijk wordt dat ouders met recht op kinderopvangtoeslag een vergoedingspercentage van hoger dan 33,3% kunnen ontvangen.

Het wetsvoorstel wordt momenteel behandeld door het parlement. De voorziene inwerkingtreding is 1 januari 2027.

Vereenvoudiging toeslagpartnerbegrip

Per 2027 wordt het ‘criterium samengestelde gezinnen’ afgeschaft. Dit behelst het afschaffen van de regel dat mensen toeslagpartner worden als zij samenwonen met één andere volwassene en er daarnaast een minderjarig kind van een van beiden op het adres is ingeschreven. Hierdoor ontstaan momenteel veel onterechte partnerschappen. Denk hierbij aan mantelzorgers, mensen die tijdelijk een familielid of vriend in huis nemen, of mensen die gaan samenwonen omdat zij geen eigen woning kunnen betalen. Zij lopen door het toeslagpartnerschap al snel duizenden euro’s aan ondersteuning onterecht mis. Door de maatregel worden mensen alleen nog partner als zij hier zelf voor kiezen.

Tabel 77 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

5.682.418

6.235.115

6.672.114

7.861.798

8.885.413

8.803.598

8.864.340

         
 

Uitgaven

5.680.764

6.235.115

6.672.114

7.861.798

8.885.413

8.803.598

8.864.340

         

7.0

Kinderopvang

5.680.764

6.235.115

6.672.114

7.861.798

8.885.413

8.803.598

8.864.340

 

Inkomensoverdrachten

5.634.869

6.177.574

6.606.782

7.797.693

8.825.556

8.743.162

8.810.259

 

Kinderopvangtoeslag

5.634.869

6.177.574

6.606.782

7.797.693

8.825.556

8.743.162

8.810.259

 

Subsidies (regelingen)

22.927

10.507

4.410

4.425

9.632

9.150

1.850

 

Kinderopvang

1.975

4.410

4.410

4.425

9.632

9.150

1.850

 

Subsidies Caribisch Nederland

20.952

6.097

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

1.803

4.166

7.523

11.013

6.949

6.859

7.361

 

Overige Opdrachten

1.228

2.659

2.527

6.792

5.257

5.167

5.669

 

Opdrachten Caribisch Nederland

206

1.244

2.521

2.221

1.692

1.692

1.692

 

Opdrachten Stelselherziening KO

369

263

2.475

2.000

0

0

0

 

Bekostiging

1.738

19.647

28.420

29.473

31.119

32.602

33.045

 

Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland (Projectbureau PGV)

1.738

1.833

2.163

1.833

1.833

1.833

1.833

 

Kinderopvang BES

0

17.814

26.257

27.640

29.286

30.769

31.212

 

Bijdrage aan agentschappen

8.991

9.892

11.320

12.083

9.683

9.351

9.351

 

Agentschap DUO

8.991

9.892

11.320

12.083

9.683

9.351

9.351

 

Bijdrage aan medeoverheden

10.436

13.329

13.659

7.111

2.474

2.474

2.474

 

Versterking Kinderopvang Samenwerking BES(t) 4 kids CN

4.297

6.320

7.026

3.794

2.474

2.474

2.474

 

SPUK kwijtschelden schulden Kinderopvang

6.139

7.009

6.633

3.317

0

0

0

         
 

Ontvangsten

2.023.400

2.144.610

2.187.378

2.230.171

2.221.870

2.143.836

2.064.319

         
Tabel 78 Uitsplitsing ontvangsten artikel 7 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Ontvangsten

2.023.400

2.144.610

2.187.378

2.230.171

2.221.870

2.143.836

2.064.319

         

7.0

Kinderopvang

2.023.400

2.144.610

2.187.378

2.230.171

2.221.870

2.143.836

2.064.319

 

Ontvangsten

2.023.400

2.144.610

2.187.378

2.230.171

2.221.870

2.143.836

2.064.319

 

Algemeen

888

480

480

480

480

480

480

 

Terugontvangsten kinderopvangtoeslag

210.211

277.759

311.150

325.616

303.129

213.014

128.876

 

Werkgeversbijdrage Kinderopvang

1.812.301

1.866.371

1.875.748

1.904.075

1.918.261

1.930.342

1.934.963

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 79 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 7
 

2027

juridisch verplicht

99,63%

bestuurlijk gebonden

0,34%

beleidsmatig gereserveerd

0,03%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0,00%

De uitgaven op artikel 7 Kinderopvang zijn voor 99,63% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en daarom voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten kinderopvangtoeslag.

Subsidies

Het budget voor Subsidies Kinderopvang is voor 61% juridisch verplicht. Het juridisch verplichte gedeelte bestaat uit projectsubsidies kinderopvang in Nederland en het Klimaatfonds. De twee grootste subsidies zijn een subsidieregeling voor groepshulpen, ter bedrage van circa € 2,0 miljoen, uitgezet via de RVO, en het zojuist genoemde Klimaatfonds van € 360.000.

Opdrachten

Het budget voor Overige Opdrachten is voor 40% juridisch verplicht. Het juridisch verplichte gedeelte betreft grotendeels uitgaven voor de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang (LKK) en voor een beperkt deel opdrachten en onderzoek voor de kinderopvang in Nederland. Daarnaast is 12% van het budget voor Overige Opdrachten bestuurlijk gebonden en de resterende 48% is beleidsmatig gereserveerd.

Vanuit het budget opdrachten Caribisch Nederland is nog niets juridisch verplicht, wel is dit budget voor 95% bestuurlijk gebonden. Dit betreft onder meer de Inspectie van het Onderwijs (kosten voor het toezicht op de kinderopvang) en de uitvoering van de Wet Kinderopvang BES.

De opdrachten voor de ontwikkeling van het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang (Opdrachten Stelselherziening KO) zijn voor 96% bestuurlijk gebonden.

Bekostiging

Het budget voor bekostiging is voor 100% juridisch verplicht en bedoeld voor de uitgaven aan Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland (PGV) en voor de kinderopvang in Caribisch Nederland ten behoeve van de Wet Kinderopvang BES.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor bijdrage aan agentschappen is niet juridisch verplicht maar wel voor 100% bestuurlijk gebonden. Het budget is grotendeels bestemd voor de uitvoering door DUO van het Landelijk Register Kinderopvang en het Personenregister Kinderopvang. Het resterende gedeelte is bestemd voor de vernieuwing van de ICT bij DUO ten behoeve van de registers kinderopvang.

Bijdrage aan medeoverheden

De regeling kwijtschelden van publieke schulden in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag, die door de gemeenten wordt uitgevoerd (SPUK), is 100% juridisch verplicht. De middelen voor de versterking van de kinderopvang in Caribisch Nederland, het realiseren van meer huisvesting voor nieuwe kinderopvangorganisaties en voor Plusopvang zijn niet juridisch verplicht maar wel voor 100% bestuurlijk gebonden.

Inkomensoverdrachten

Kinderopvangtoeslag (KOT)

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en daarom geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De KOT wordt uitgevoerd door Dienst Toeslagen van het Ministerie van Financiën. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren en beiden werken (werknemers en zelfstandigen);

  • Alleenstaande ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren (werknemers en zelfstandigen);

  • Doelgroepouders, bijvoorbeeld ouders die studeren of deelnemen aan een traject om weer aan het werk te komen.

Hoe hoog is de kinderopvangtoeslag?

De hoogte van de kinderopvangtoeslag is van een aantal aspecten afhankelijk:

  • Hoogte van het toetsingsinkomen van de ouder(s);

  • Hoogte van de betaalde uurprijs, tot aan de maximum uurprijs;

  • De opvangsoort: dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang kennen een verschillende maximum uurprijs waarvoor ouders een toeslag kunnen ontvangen;

  • Het kind waar de opvang betrekking op heeft: voor het eerste kind geldt een andere toeslag dan voor tweede en volgende kinderen;

  • Het aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvangvoorziening.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven voor de kinderopvangtoeslag nemen in de periode 2026-2029 geleidelijk toe. De toename houdt grotendeels verband met de stapsgewijze verhoging van de vergoedingspercentages in aanloop naar het nieuwe financieringsstelsel in de kinderopvang en de beoogde invoering daarvan in 2029. Vanaf dat jaar krijgen alle werkende ouders een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. In de jaren 2030 en 2031 blijven de uitgaven aan kinderopvangtoeslag relatief stabiel.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal huishoudens met kinderopvangtoeslag en het aantal kinderen dat gebruik maakt van kinderopvang neemt in 2026 naar verwachting licht toe, gevolgd door een verdere oploop in 2027. De stijging houdt met name verband met de stapsgewijze verhoging van de vergoedingspercentages. Onderliggend gaan er vooral meer kinderen naar de buitenschoolse opvang. Specifiek neemt het aantal kinderen dat naar de dagopvang gaat in 2026 enigszins af vanwege de neerwaartse invloed van demografie en conjunctuur. Het gemiddelde aantal uren per kind neemt in 2026 naar verwachting licht toe, gevolgd door een iets sterkere stijging in 2027.

De gemiddelde tarieven in de dagopvang en de buitenschoolse opvang stijgen in 2026 naar verwachting iets minder sterk dan de maximum uurprijzen. Daardoor neemt het verschil tussen het gemiddelde tarief en de maximum uurprijs in 2026 licht af. In de gastouderopvang stijgen de tarieven naar verwachting juist iets sneller dan de maximum uurprijs. Voor 2027 is aangenomen dat de ontwikkeling van de gemiddelde tarieven de indexering van de maximum uurprijzen volgt.

Tabel 80 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000)

621

624

629

    

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000)

   

0-12 jaar

922

926

933

0-4 jaar (dagopvang)

421

417

419

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

501

509

514

    

Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)

   

0-12 jaar

44

44

44

0-4 jaar (dagopvang)

62

62

62

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

35

35

36

    

Aantal uren per kind per maand

   

0-12 jaar

65,9

66,2

66,7

0-4 jaar (dagopvang)

92,3

93,2

94,1

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

43,8

44,0

44,3

    

Gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen (aantal kinderen met kinderopvangtoeslag x 1.000)

   

Tot 130% Wml

76

78

77

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

121

122

123

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

507

510

515

3 x modaal en hoger

218

215

217

    

Aantal uren per kind met kinderopvangtoeslag

   

Tot 130% Wml

85

86

86

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

69

70

71

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

61

62

62

3 x modaal en hoger

68

68

69

Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van CBS (bevolkingsprognose voor berekening deelname) en Dienst Toeslagen.

1

De realisatiecijfers van 2025 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

Tabel 81 Kerncijfers kinderopvang bijdragen sectoren en ouders
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Bijdragen sectoren (in %)

   

Collectief

71

75

78

 

waarvan Overheid

47

51

55

 

waarvan Werkgevers

24

24

23

Ouders

29

25

22

    

Wettelijke maximum uurprijs (in €)2

   

Dagopvang

10,71

11,23

11,60

Buitenschoolse opvang

9,52

9,98

10,31

Gastouderopvang

8,10

8,49

8,77

    

Gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen (in €)3

   

Dagopvang

11,17

11,62

12,01

Buitenschoolse opvang

10,13

10,58

10,93

Gastouderopvang

8,28

8,72

9,01

    

Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen4

   

130% Wml

0,89

0,84

0,87

1 1/2 x modaal

1,82

1,46

0,92

3 x modaal

6,32

6,17

5,79

    

Ouderbijdrage volgend kind in € per uur voor gezinsinkomen4

   

130% Wml

0,89

0,84

0,87

1 1/2 x modaal

1,16

1,00

0,87

3 x modaal

2,18

2,07

1,98

Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van Dienst Toeslagen.

1

De realisatiecijfers van 2025 zijn gebaseerd op de uurtarieven die kinderopvanginstellingen aanleveren bij Dienst Toeslagen en kunnen nog enigszins wijzigen als gevolg van nagekomen informatie.

2

De maximum uurprijzen betreffen de vastgestelde maximum uurprijzen (en niet een raming).

3

De raming is opgesteld in prijzen 2026. Echter, het geraamde gemiddelde tarief 2027 is, evenals de wettelijke maximum uurprijs 2027, weergegeven op prijsniveau 2027. De cijfers over de gemiddelde uurprijs zijn gebaseerd op de uurprijzen die de kinderopvanginstellingen aanleveren bij Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen verstrekt op verzoek van SZW geanonimiseerde en geaggregeerde overzichten van deze data, zodat SZW de tariefmonitoring in de kwartaalrapportages kan verbeteren. De tarieven zijn daarmee actueler en geven naar verwachting een accurater beeld van de daadwerkelijke tarieven in de sector.

4

Kosten van kinderopvang per uur voor ouders, gebaseerd op het gemiddelde instellingstarief in de dagopvang en de kinderopvangtoeslag die ouders ontvangen.

Subsidies

Voor subsidies is in 2027 in totaal € 4,4 miljoen beschikbaar voor kinderopvang in Europees Nederland. Het budget is bestemd voor instellingssubsidies, projectsubsidies en het Klimaatfonds. In 2027 zijn er geen subsidies meer voor Caribisch Nederland. Sinds de inwerkingtreding van de Wet kinderopvang BES medio 2026 loopt de financiering van de kinderopvang in Caribisch Nederland via het instrument Bekostiging.

Opdrachten

Voor 2027 is in totaal € 7,5 miljoen beschikbaar voor opdrachten. Daarvan is € 2,5 miljoen bestemd voor onderzoek en opdrachten voor kinderopvang in Nederland (zie ‘Overige Opdrachten’ in tabel 77). Voor de uitvoering van het programma BES(t) 4 kids is een opdrachtenbudget van € 2,5 miljoen beschikbaar. Een bedrag van € 2,5 miljoen is bestemd voor de ontwikkeling van het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang.

Bekostiging

Voor 2027 is € 28,4 miljoen beschikbaar voor bekostiging. Het grootste deel (€ 26,3 miljoen) is bestemd voor de financiering van de kinderopvang in Caribisch Nederland op grond van de Wet kinderopvang BES. Daarnaast is er € 2,2 miljoen beschikbaar voor de Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland (PGV) voor de coördinatie op het toezicht op de kinderopvang. PGV is wettelijk aangewezen voor deze taak.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor bijdrage aan agentschappen (€ 11,3 miljoen in 2027) is grotendeels bedoeld voor de uitvoering door DUO van het beheer, onderhoud en de ontwikkeling van het Landelijk Register Kinderopvang (LRK), het Personenregister Kinderopvang (PRK) en het Register Buitenlandse Kinderopvang (RBK). Het resterende gedeelte is bestemd voor de vernieuwing van de ICT bij DUO ten behoeve van de registers kinderopvang.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor bijdrage medeoverheden betreft voor € 6,6 miljoen de compensatie aan gemeenten voor het kwijtschelden van publieke schulden in het kader van de hersteloperatie Kinderopvangtoeslag. Gemeenten worden met een vertraging van twee jaar gecompenseerd voor kwijtscheldingen middels een specifieke uitkering. In 2027 wordt de compensatie over het jaar 2025 aan gemeenten uitgekeerd.

Voor de financiering van het programma BES(t) 4 kids (versterking kinderopvang in Caribisch Nederland) is in 2026 € 2,5 miljoen beschikbaar. Daarnaast is er € 2,6 miljoen beschikbaar voor specifieke huisvestingsprojecten voor kinderopvang in Caribisch Nederland. Het overige budget voor bijdrage aan medeoverheden (€ 1,9 miljoen) is bestemd voor Plusopvang (kinderopvang voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte).

Ontvangsten

De ontvangsten zijn opgebouwd uit drie componenten: de ontvangsten algemeen, de terugontvangsten kinderopvangtoeslag en de werkgeversbijdrage kinderopvang.

De ontvangsten algemeen betreft de eigen bijdrage die deelnemers betalen voor inschrijving in het Personenregister Kinderopvang. De totale eigen bijdrage is geraamd op € 0,5 miljoen per jaar.

De terugontvangsten kinderopvangtoeslag betreft de ontvangsten uit terugvorderingen van kinderopvangtoeslag over eerdere jaren. De ontvangsten nemen tot en met 2028 naar verwachting toe. Vanaf toeslagjaar 2029 zijn er minder terugvorderingen als gevolg van de nieuwe financiering voor de kinderopvang. Daardoor nemen ook de terugontvangsten kinderopvangtoeslag vanaf 2029 geleidelijk af.

De werkgeversbijdrage voor de kinderopvang bestaat uit een vast percentage (0,5%) van de geraamde totale loonsom (het gedeelte waarover werkgevers verplicht zijn premie te betalen). De totale loonsom en de werkgeversbijdrage kinderopvang nemen naar verwachting licht toe.

Het aantal gewerkte uren per week is in 2025 onder vrouwen stabiel en onder mannen licht gedaald. Bij ouders met jonge kinderen is sprake van een wisselend beeld. Moeders met jonge kinderen zijn in 2025 gemiddeld 0,4 uur per week meer gaan werken ten opzichte van 2024. Onder vaders met jonge kinderen is het gemiddelde arbeidsduur in 2025 juist met 0,5 uur per week afgenomen.

Tabel 82 Ontwikkeling in gewerkte uren (gemiddelde binnen de groep mensen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Vrouwen 15 tot 75 jaar

27,9

27,9

27,9

Mannen 15 tot 75 jaar

36,0

35,9

35,7

Moeders met jonge kinderen (0-11 jaar)

28,2

28,1

28,5

Vaders met jonge kinderen (0-11 jaar)

40,0

39,8

39,3

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking.

De netto arbeidsparticipatie kwam in 2025 uit op 73,2% en lag daarmee op hetzelfde niveau als in 2024. Onder de verschillende groepen laat de netto arbeidsparticiatie een wisselend beeld zien. Bij vaders binnen een ouderpaar, alleenstaande moeders en moeders met jonge kinderen nam de arbeidsdeelname in 2025 enigszins toe. De arbeidsdeelname bij alleenstaande vaders bleef vrijwel stabiel. Onder moeders binnen een ouderpaar en vaders met jonge kinderen is de arbeidsdeelname in 2025 juist iets afgenomen.

Tabel 83 Netto arbeidsparticipatie (%)
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar

73,1

73,2

73,2

    

Moeders (lid van ouderpaar)

82,8

83,3

82,6

Vaders (lid van ouderpaar)

93,3

92,2

92,5

    

Alleenstaande moeders

73,6

71,8

72,1

Alleenstaande vaders

83,5

84,5

84,4

    

Moeders met jonge kinderen (0-11)

81,8

81,9

82,3

Vaders met jonge kinderen (0-11)

95,0

95,0

94,8

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking.

5.8 Artikel 8 Oudedagsvoorziening

De overheid biedt een basispensioen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Het kabinet vindt dat iedere gepensioneerde een basispensioen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Op basis van de meest recente CBS-cijfers bouwt circa 91% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door (verplichte) deelname aan pen­sioenregelingen die vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers meestal beheren. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pen­sioenstelsel. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen facultatief op eigen initiatief individuele pensioenproducten afsluiten.

De overheid biedt een overbruggingsuitkering aan mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd (OBR). De OBR is per 1 januari 2025 gesloten voor nieuwe instroom.

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV).

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen en de aanvullende arbeidspensioenen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • de vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspen­sioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het pensioenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Implementatietraject Wet toekomst pensioenen

Sinds 1 juli 2023 is de Wet toekomst pensioenen (Wtp) in werking getreden. Op 1 juli 2026 hadden 42 pensioenfondsen de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel gemaakt. Hierdoor hebben circa 10 miljoen deelnemers de transitie doorgemaakt. Dat betekent dat de grootste groep pensioenfondsen de overstap nog moet maken. Ook aan de kant van verzekeraars en premiepensioeninstellingen moet er nog veel gebeuren. Daar moeten nog zo’n 44.000 contracten worden omgezet. Zij hebben daarvoor tot 1 januari 2028 de tijd, vanaf dat moment dienen alle pensioenregelingen te passen binnen de kaders van de Wtp. Dat betekent dat de transitie naar het nieuwe pen­sioenstelsel zich in een beslissende fase bevindt en de komende maanden cruciaal zijn voor de pensioentransitie.

Deze grote stelselherziening wordt ook in 2026 en 2027 gemonitord. Aan de hand van deze monitoringsinformatie alsmede de adviezen van de regeringscommissaris wordt op de geëigende weegmomenten, te weten de winter- en zomerrapportage 2027, bezien hoe de transitie ervoor staat en/of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de transitie tijdig te realiseren.

Om de sector te ondersteunen bij het maken van deze transitie, loopt er een meerjarig implementatietraject met diverse elementen.

Voor het publiek is er het informatieplatform Pensioenduidelijkheid.nl. Dit is de plek waar Nederlanders terechtkunnen voor algemene feitelijke informatie over het tweede-pijlerpensioen en de transitie naar het nieuwe stelsel. In 2026 wordt in de publiekscommunicatie aandacht besteed aan de nieuwe regels voor pensioen, met specifieke aandacht voor compensatie en pensioen. Daarnaast ligt de deelnemerscommunicatie in deze fase van de transitie voornamelijk bij de pensioenuitvoerders, die verantwoordelijk zijn voor de individuele en fondsspecifieke communicatie.

Voor de pensioenprofessional blijft in 2027 het informatieplatform Werken­aanonspensioen.nl beschikbaar, waar praktische informatie voor alle betrokken partijen te vinden is ter ondersteuning van de pensioentransitie. Daarnaast blijven we de sector informeren over relevante ontwikkelingen in het pensioenstelsel. In 2027 zal, net zoals in 2026, speciale aandacht uitgaan naar kleine werkgevers met een verzekerde regeling, om ervoor te zorgen dat zij hun regeling vóór 2028 wtp-proof kunnen maken en fiscale consequenties worden voorkomen.

Waar nodig zullen knelpunten worden opgehaald via werkbezoeken, (in)formeel contact met de sector en een uitgebreid monitoringsprogramma. Het monitoringsprogramma bestaat uit de monitoring van de transitie zelf, naar de ervaringen van deelnemers en naar de doelstellingen van de wet. Hiervoor worden ook de adviezen en signalen gebruikt van de Regeringscommissaris transitie pensioenen, die tweemaal per jaar advies uitbrengt over het verloop van de transitie.

Wetsvoorstel toezeggingen pensioenonderwerpen

Tijdens de behandeling van de Wet toekomst pensioenen in de Eerste Kamer is er een aantal toezeggingen gedaan. Deze zijn onderdeel van het wetsvoorstel toezeggingen pensioenonderwerpen. Dit wetsvoorstel ziet op het mogelijk maken van het vrijwillig voortzetten van het wezenpensioen, alsmede het uniformeren van het kindbegrip. Daarnaast richt het zich ook op het verbeteren van de uitvoering door het overgangsrecht voor de voortzetting van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid, voor zowel gesloten pensioenfondsen als verzekeraars, te verruimen. Het wetsvoorstel bevat verder enkele technische aanpassingen en verduidelijkingen.

Dit wetsvoorstel is op 2 juni 2026 ingediend bij de Tweede Kamer voor behandeling (Kamerstukken II 2025/26, 36 957, nr. 1). De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2027. De daadwerkelijke inwerkingtreding hangt af van de parlementaire behandeling van de wet.

Wetsvoorstel waardeoverdracht en gegevensuitwisseling

Het wetsvoorstel waardeoverdracht & gegevensuitwisseling heft het onderscheid tussen kleine pensioenen ontstaan vóór en na 2018 op. Dit maakt automatische waardeoverdracht van kleine pensioenen ontstaan vóór 2018 mogelijk. Daarnaast geeft de implementatie van de Wet toekomst pensioenen in combinatie met een aantal signalen uit de pensioensector aanleiding tot een aantal wijzigingen met betrekking tot waardeoverdracht. Dit betreffen een aantal wijzigingen die met name de pensioenuitvoering bevorderen. Tot slot voorziet dit wetsvoorstel in een aantal wijzigingen met betrekking tot (internationale) gegevensuitwisseling. De internetconsultatie staat gepland voor de tweede helft van 2026.

Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding

Met het wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding wordt de opzet van de wettelijke regels voor pensioenverdeling bij scheiding verbeterd. De standaard voor verdeling van pensioenaanspraken wordt ‘conversie’, wat inhoudt dat het deel van het pensioen dat toekomt aan de ex-partner wordt omgezet in een eigen ouderdomspensioen. Hierdoor wordt de afhankelijkheid tussen ex-partners op pensioengebied verbroken en ontstaat er voor beide partners meer inzicht in en handelingsperspectief bij het pensioen. De derde nota van wijziging zal naar verwachting begin 2027 ter internetconsultatie worden aangeboden. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2028.

Herziening richtlijn IORP II

Momenteel wordt op Europees niveau een herziening van de Richtlijn IORP II voorbereid. De richtlijn IORP II staat voor de richtlijn betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspen­sioenvoorziening. Afhankelijk van de voortgang van de onderhandelingen is het mogelijk dat de implementatiewet in 2027 naar de Kamer kan worden gestuurd.

Tabel 84 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

62.157

68.248

69.583

73.996

78.205

82.660

86.528

         
 

Uitgaven

62.377

68.410

69.745

74.158

78.367

82.822

86.690

         

8.0

Oudedagsvoorziening

62.377

68.410

69.745

74.158

78.367

82.822

86.690

 

Inkomensoverdrachten

61.214

67.518

69.193

73.606

77.815

82.270

86.138

 

AOV inclusief tegemoetkoming (Caribisch Nederland)

59.635

65.390

69.193

73.606

77.815

82.270

86.138

 

Overbruggingsregeling AOW

779

268

0

0

0

0

0

 

Gebaar erkenning Surinaamse ouderen

800

1.860

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

1.163

892

552

552

552

552

552

 

Opdrachten

1.163

892

552

552

552

552

552

         
 

Ontvangsten

1.439

32

0

0

0

0

0

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 85 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 8
 

2027

juridisch verplicht

99,4%

bestuurlijk gebonden

0,0%

beleidsmatig gereserveerd

0,6%

nog niet ingevuld/ vrij te besteden

0,0%

De begrotingsgefinancierde uitgaven op artikel 8 Oudedagsvoorziening zijn voor 99,4% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AOV.

Opdrachten

De middelen onder opdrachten zijn voor 28% juridisch verplicht. De juridisch verplichte uitgaven betreffen gereserveerde middelen voor onder andere de monitor verhoging AOW-leeftijd, KWI-webbeheer en kennisinstituten op het gebied van onderzoeksopdrachten en kennisdeling. De middelen onder opdrachten zijn voor 72% beleidsmatig gereserveerd.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 86 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

55.208.240

58.412.926

61.857.267

64.235.156

67.562.463

71.128.240

74.885.673

         
 

Uitgaven

55.208.240

58.412.926

61.857.267

64.235.156

67.562.463

71.128.240

74.885.673

         

8.0

Oudedagsvoorziening

55.208.240

58.412.926

61.857.267

64.235.156

67.562.463

71.128.240

74.885.673

 

Inkomensoverdrachten

55.208.240

58.412.926

61.857.267

64.235.156

67.562.463

71.128.240

74.885.673

 

AOW

55.208.076

58.412.926

59.747.963

60.230.360

61.513.430

62.910.502

64.339.473

 

Inkomensondersteuning AOW

164

0

0

0

0

0

0

 

AOW nominaal

0

0

2.109.304

4.004.796

6.049.033

8.217.738

10.546.200

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Inkomensoverdrachten
Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) (Caribisch Nederland)

Personen die in Caribisch Nederland verzekerde jaren hebben opgebouwd voor de AOV en die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een aan de verzekerde jaren gerelateerd ouderdomspensioen op grond van de AOV. Naast het ouderdomspensioen wordt op Sint Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die gebaseerd is op de prijsverschillen tussen de eilanden. Tevens kent de AOV een partnertoeslag.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de AOV worden in 2027 geraamd op circa € 69,2 miljoen. De sterke vergrijzing in combinatie met de bevolkingsgroei op de eilanden is de voornaamste verklaring voor de jaarlijkse toename van de uitkeringslasten. Naar verwachting zal het aantal 65-plussers de komende jaren elk jaar toenemen met circa 6%.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 87 Kerncijfers AOV (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume AOV (x 1.000 personen, ultimo)

5,8

5,8

5,8

1

Bron: RCN-unit SZW.

Algemene Ouderdomswet (AOW)

De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De AOW wordt uitgevoerd door de SVB. Hoofdstuk 7.1, Sociale fondsen SZW gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de AOW.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland woont tussen de aanvangsleeftijd (in 2026 17 jaar) en de AOW-gerechtigde leeftijd (in 2026 67 jaar) is verplicht verzekerd voor de AOW. Ook als iemand niet in Nederland woont maar hier wel werkt en op grond daarvan onder de loonbelasting valt, is hij of zij verzekerd.

De AOW-gerechtigde leeftijd neemt de komende jaren stapsgewijs toe. De AOW-leeftijd voor 2026 en 2027 is vastgesteld op 67 jaar en 0 maanden. Dit is onveranderd ten opzichte van 2024. In 2028 stijgt de AOW-leeftijd met 3 maanden naar 67 jaar en 3 maanden. De AOW-gerechtigde leeftijd wordt vijf jaar van tevoren vastgesteld op basis van de wettelijk vastgestelde formule met de 2/3e-koppeling aan de levensverwachting.

AOW’ers die vóór 1 april 2015 de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen in aanmerking komen voor de partnertoeslag als de jongere partner nog niet AOW-gerechtigd is. Die toeslag wordt alleen uitgekeerd als de jongste partner geen of weinig eigen inkomen heeft. De toeslag stopt zodra de partner een eigen AOW-pensioen ontvangt of wanneer de oudere partner overlijdt. Per 1 april 2015 is de partnertoeslag gesloten voor nieuwe instroom.

Hoe hoog is de AOW?

De hoogte van het AOW-basispensioen is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Alleenstaanden ontvangen 70% van het AOW-normbedrag dat is afgeleid van het wettelijk minimumloon en gehuwden of samenwonenden elk 50%. De exacte bedragen voor 1 januari 2027 worden eind 2026 bekend gemaakt.

Tabel 88 AOW bruto maandbedragen, exclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2026

Gehuwd / samenwonend

1.139,39

Alleenstaand

1.662,16

De bedragen in bovenstaande tabel zijn volledige AOW-pensioenen. Wie pas later in Nederland is komen wonen of een aantal jaren in het buitenland heeft gewoond en daarom niet de volledige opbouw heeft gehad, krijgt een lagere uitkering: voor ieder gemist jaar 2% minder AOW.

Budgettaire ontwikkelingen

De begrote uitgaven aan AOW-uitkeringslasten, inclusief de verwachte nominale ontwikkeling, bedragen in 2027 circa € 61,9 miljard. Naar verwachting zullen de uitkeringslasten tussen 2027 en 2031 toenemen met € 13,0 miljard. De voornaamste oorzaak van de stijging van de AOW-uitkeringslasten is de toename van het aantal AOW-gerechtigden als gevolg van de vergrijzing. De instroom in 2028 wordt iets gedempt door de stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarnaast neemt ook de gemiddelde hoogte van de AOW toe als gevolg van de indexatie van de normbedragen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 89 Kerncijfers AOW
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.663

3.743

3.823

Personen met een onvolledige AOW-uitkering (% van totaal, ultimo)

19

19

19

1

Bron: SVB, administratie.

Handhaving

De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen, in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.

Tabel 90 Kerncijfers AOW (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

39

41

42

Kennis van de verplichtingen (%)

93

93

91

Opsporing2

Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

4,6

4,4

4,2

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

0,5

0,4

0,4

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

3,3

2,7

2,6

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,3

0,3

0,3

Aantal boetes (x 1.000)

0,3

0,3

0,3

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,7

0,6

0,7

  

Ontstaansjaar vordering

  

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

37,6

25,6

9,2

1

Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».

2

Bron: SVB, administratie.

3

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Opdrachten

De gebudgetteerde middelen voor opdrachten bedragen vanaf 2027 jaarlijks € 552.000. De middelen onder opdrachten worden hoofdzakelijk ingezet voor onderzoeken.

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota.

Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Kwalitatieve achtergrond informatie per fiscale regeling’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.

Tabel 91 Fiscale regelingen 2025-2027, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2025

2026

2027

Pensioen niet-belaste premie

27.494

29.130

30.150

Pensioen belaste uitkering

‒ 16.653

‒ 18.224

‒ 19.945

Pensioen niet belast in box 3

11.714

11.148

11.394

Lijfrente premieaftrek

1.302

1.378

1.424

Lijfrente belaste uitkering

‒ 724

‒ 796

‒ 874

Lijfrente niet belast box 3

509

487

499

Nettopensioen en nettolijfrente

26

28

31

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de reikwijdte van pensioenregelingen. De overheid stelt regels om te bevorderen dat toezeggingen ook daadwerkelijk worden nagekomen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Als kerncijfers zijn twee tabellen weergegeven vanwege de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. In tabel 92 zijn de kerncijfers van pensioen­fondsen- en collectiviteitskringen (hierna: pensioenfondsen) die zijn ingevaren weergegeven. In tabel 93 zijn de kerncijfers van pensioenfondsen weergegeven die (nog) niet zijn ingevaren en waarvoor een dekkingsgraad wordt gerapporteerd.

In de tabellen wordt ook het totaal aantal pensioenfondsen weergegeven. Per tabel zijn deze aantallen verschillend. Het aantal pensioenfondsen in tabel 93 is lager omdat deze tabel uitsluitend betrekking heeft op pensioenfondsen die een technische voorziening risico fonds hebben en waarvoor een dekkingsgraad wordt berekend. Dit betreft niet alle pensioenfondsen. Tabel 92 ziet op de gehele populatie pensioenfondsen.

In tabel 92 is te zien dat het aantal pensioenfondsen in de eerste helft van 2026 licht is afgenomen ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit past bij de dalende trend van de afgelopen jaren. Het gaat hierbij vooral om een afname van de pensioenfondsen met een geringe omvang. Met name vanwege een buy-out door een verzekeraar of schaalvergroting vanwege fusering met andere pensioenfondsen, kan beter worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een verantwoord beheer.

Tabel 92 geeft het aantal pensioenfondsen weer dat is ingevaren naar het nieuwe pensioenstelsel. De tabel maakt zichtbaar dat in 2026 een groot aantal pensioenfondsen de overstap heeft gemaakt. In 2025 en 2026 zijn in totaal 42 pensioenfondsen ingevaren met een totaal van circa 10 miljoen deelnemers. Naar verwachting zullen tot en met 1 januari 2027 nog eens evenzoveel pensioenfondsen invaren. De deelnemers in tabel 92 betreffen voorlopige cijfers.

Tabel 92 Kerncijfers invaren nieuw pensioenstelsel
 

Stand ultimo 2025

Stand medio 2026

Totaal aantal pensioenfondsen en collectiviteitskringen

177

173

Aantal pensioenfondsen/kringen ingevaren

6

34

Aantal bij deze ingevaren pensioenfondsen/kringen betrokken deelnemers (x 1.000)

114

3.838

Aantal bij deze ingevaren pensioenfondsen/kringen betrokken gewezen deelnemers (x 1.000)

74

4.858

Aantal bij deze ingevaren pensioenfondsen/kringen betrokken pensioengerechtigden (x 1.000)

88

1.788

Bron: DNB, Statistiek toezicht pensioenfondsen.

Tabel 93 geeft het aantal pensioenfondsen weer met een dekkingsgraad onder de 130% en de daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden tot en met het jaar 2025. De maatstaf van 130% is gekozen omdat een dergelijke dekkingsgraad met de wettelijk vastgestelde mate van zekerheid toereikend is om de pensioenverplichtingen met een grote mate van zekerheid na te komen. Het aandeel pensioenfondsen met een dekkingsgraad lager dan 130% is fors afgenomen. Dit is te verklaren doordat pensioenfondsen er financieel beter voor staan en daardoor een hogere dekkingsgraad dan 130% hebben. In aanloop naar het nieuwe pensioenstelsel beschermen pensioenfondsen de dekkingsgraad door de rente af te dekken. De dekkingsgraad is daardoor minder gevoelig voor renteschommelingen.

Tabel 93 Kerncijfers aanvullende pensioenen
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Totaal aantal pensioenfondsen1

180

173

160

 

Aantal pensioenfondsen met dekkingsgraad ≤130%2

128

121

83

 

Aantal bij deze fondsen betrokken deelnemers (x 1.000)

5.957

5.758

5.5073

 

Aantal bij deze fondsen betrokken gepensioneerden (x 1.000)

3.619

3.622

3.1413

Bron: DNB, Statistiek toezicht pensioenfondsen.

1

Pensioenfondsen die hun regeling nog onder het FTK uitvoeren en een technische voorziening risico fonds hebben

2

Beleidsdekkingsgraad.

3

Betreft voorlopige cijfers. Definitieve cijfers komen in Q3 2026 beschikbaar.

5.9 Artikel 9 Nabestaanden

De overheid beschermt nabestaande partners en wezen voor zover nodig tegen de financiële gevolgen van het verlies van partner of ouders.

De overheid vindt dat mensen die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s) en die vanwege de zorg voor een kind of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) in een eigen inkomen kunnen voorzien, verzekerd moeten zijn van financiële ondersteuning. Daarom regelt zij in deze gevallen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) een nabestaandenuitkering voor de overblijvende partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren.

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) recht op een uitkering.

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Er zijn geen voorgenomen beleidswijzigingen in 2027.

Tabel 94 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

3.138

3.329

3.422

3.497

3.556

3.604

3.656

         
 

Uitgaven

3.138

3.329

3.422

3.497

3.556

3.604

3.656

         

9.0

Nabestaanden

3.138

3.329

3.422

3.497

3.556

3.604

3.656

 

Inkomensoverdrachten

3.138

3.329

3.422

3.497

3.556

3.604

3.656

 

AWW (Caribisch Nederland)

3.138

3.329

3.422

3.497

3.556

3.604

3.656

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 95 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 9
 

2027

juridisch verplicht

100%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0%

De uitgaven op artikel 9 Nabestaanden zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AWW Caribisch Nederland.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 96 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 9 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

365.453

364.503

365.019

374.516

373.481

373.726

374.678

         
 

Uitgaven

365.453

364.503

365.019

374.516

373.481

373.726

374.678

         

9.0

Nabestaanden

365.453

364.503

365.019

374.516

373.481

373.726

374.678

 

Inkomensoverdrachten

365.453

364.503

365.019

374.516

373.481

373.726

374.678

 

ANW

340.034

340.526

327.785

327.024

318.359

311.423

305.449

 

Tegemoetkoming ANW

5.719

5.618

5.420

5.406

5.271

5.164

5.070

 

ANW nominaal

0

0

12.798

22.465

30.164

37.331

44.189

 

Tegemoetkoming ANW nominaal

0

0

142

253

373

481

594

 

Sociale lasten

19.700

18.359

18.874

19.368

19.314

19.327

19.376

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Inkomensoverdrachten
Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de AWW recht op een uitkering. De hoogte van de uitkering is leeftijdgerelateerd.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de AWW worden in 2027 geraamd op circa € 3,4 miljoen. Demografische ontwikkelingen vormen de voornaamste verklaring voor de kleine verwachte jaarlijkse toename van de uitkeringslasten. Naar verwachting zal de omvang van de bevolkingsgroep die in aanmerking kan komen voor de regeling toenemen, waardoor het aantal personen dat recht heeft op de regeling zal stijgen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 97 Kerncijfers AWW (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume AWW (x 1.000 personen, ultimo)

0,3

0,3

0,3

1

Bron: RCN-unit SZW.

Algemene nabestaandenwet (Anw)

De Anw is een volksverzekering en regelt, onder voorwaarden, bij overlijden een uitkering voor de partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren. Daarnaast ontvangt iedere Anw-gerechtigde maandelijks de Anw-tegemoetkoming. De Anw wordt door de SVB uitgevoerd.

Wie komt er voor in aanmerking?

Nabestaande partners komen in aanmerking voor een nabestaandenuitkering als zij jonger zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd, de partner op de datum van overlijden verzekerd was voor de Anw en de nabestaande:

  • Een of meer kinderen onder de 18 jaar verzorgt, of;

  • Voor minstens 45% arbeidsongeschikt is.

Een kind heeft recht op een wezenuitkering indien beide ouders zijn overleden. Wezen tot 16 jaar hebben altijd recht op een uitkering. De uitkering kan worden verlengd tot 18 jaar wanneer het kind bezig is een startkwalificatie te behalen of daarvan is vrijgesteld of volledig dagonderwijs volgt na het behalen van een startkwalificatie. De wezenuitkering kan eventueel tot 21 jaar worden verstrekt wanneer de wees volledig dagonderwijs volgt of wanneer een ongehuwde wees de tijd grotendeels besteedt aan een gezamenlijke huishouding met een andere wees of voor een hulpbehoevende zorgt.

De Anw maakt geen onderscheid tussen gehuwden en mensen die ongehuwd zijn en samen een huishouden vormen. Daarom wordt gesproken van «partner». Nabestaanden die vóór 1 juli 1996 recht hadden op de voorganger van de Anw, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, vallen onder een overgangsregeling.

Hoe hoog is de Anw?

De nabestaandenuitkering bedraagt 70% van het referentieminimumloon. Voor kostendelers geldt een lager normbedrag ter hoogte van 50% van het referentieminimumloon. Op de nabestaandenuitkering vindt inkomstenverrekening plaats. Daarbij kent de nabestaandenuitkering een vrijlating voor inkomen uit arbeid. Deze bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon, plus een derde deel van het meerdere inkomen. Inkomen in verband met arbeidsgerelateerde uitkeringen (bijvoorbeeld WIA- of WW-uitkering) wordt geheel verrekend. Eigen vermogen, de inkomsten uit dit vermogen en particuliere aanvullende nabestaandenpensioenen worden niet in mindering gebracht op de nabestaandenuitkering.

De wezenuitkering bedraagt een percentage van het referentieminimumloon, afhankelijk van de leeftijd van de wees. De hoogte van de wezenuitkering is niet afhankelijk van het inkomen. Nabestaanden of wezen ontvangen naast hun Anw-uitkering ook een tegemoetkoming Anw.

Tabel 98 Anw bruto maandbedragen (maxima), exclusief vakantietoeslag en exclusief tegemoetkoming Anw (in €)
 

1 juli 2026

Nabestaandenuitkering

1.676,53

Nabestaandenuitkering met een of meer meerderjarige medebewoners (kostendelersnorm: 50% referentieminimumloon)

1.082,00

Wezenuitkering (wezen tot 10 jaar)

536,49

Wezenuitkering (wezen van 10 tot 16 jaar

804,73

Wezenuitkering (wezen van 16 tot 21 jaar)

1.072,98

Tegemoetkoming Anw

21,77

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de Anw nemen de komende jaren af, omdat het aantal nabestaanden dat recht heeft op een Anw-uitkering naar verwachting afneemt. De Anw is een inkomensaanvulling en in die hoedanigheid inkomensafhankelijk. Door toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen sinds de invoering van de Anw komt een steeds kleinere doelgroep in aanmerking voor de uitkering. Daarnaast bereiken de komende jaren steeds meer mensen die onder de rechtsvoorganger van de Anw (de AWW) een publieke nabestaandenuitkering krijgen de pensioengerechtigde leeftijd waardoor zij uitstromen naar de AOW.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 99 Kerncijfers Anw
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Volume Anw nabestaande partners (x 1.000 personen, ultimo)

21

20

19

    

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht voor 1 juli 1996

2,1

1,6

1,2

    

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht na 1 juli 1996

18

18

18

 

waarvan met kind

7,3

7,2

7,1

 

waarvan op grond van arbeidsongeschiktheid

11

11

10

    

Volume wezenuitkering (x 1.000 personen, ultimo)

1,0

0,9

0,9

1

Bron: SVB, administratie

Handhaving

De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen, in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.

Tabel 100 Kerncijfers Anw (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

56

64

67

Kennis van de verplichtingen (%)

93

94

94

Opsporing2

Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

0,2

0,2

0,2

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

<0,1

<0,1

<0,1

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

0,3

0,9

0,6

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

<0,1

<0,1

<0,1

Aantal boetes (x 1.000)

<0,1

<0,1

<0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,1

0,1

<0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

10

5

22

1

Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».

2

Bron: SVB, administratie.

3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Sociale lasten

De sociale lasten op het artikel hebben betrekking op de werkgeverspremies die over uitkeringen worden betaald. De ontwikkeling van de sociale lasten volgt de ontwikkeling van de Anw-uitgaven en de premietarieven.

5.10 Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

De overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen.

De overheid biedt ouders of verzorgers een financiële tegemoetkoming voor de kosten voor verzorging en opvoeding van kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de kinderbijslagvoorziening BES (Caribisch Nederland). Gezinnen in Europees Nederland met een laag of middeninkomen komen daarnaast in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget (WKB).

De Minister financiert de tegemoetkoming met uitkeringsregelingen. De Minister is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de tegemoetkoming op grond van de AKW, de WKB en de kinderbijslagvoorziening BES;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Dienst Toeslagen voert de WKB uit in opdracht van het Ministerie van SZW. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de WKB.

Intensivering kindregelingen (1e tranche 2027)

In het coalitieakkoord is aangekondigd dat het kabinet gezinnen met kinderen wil ondersteunen door meer zekerheid en eenvoud te bieden. De inzet is om de veelheid aan regelingen, alsook de complexiteit hiervan te verminderen en het risico op terugvorderingen te beperken. Een van de maatregelen is om op termijn de kinderbijslag en het kindgebonden budget te vervangen door één kindregeling met een hoger inkomensonafhankelijk en een lager inkomensafhankelijk bedrag. Het kabinet heeft daarom vanaf 2028 structureel € 450 miljoen gereserveerd om gezinnen extra te ondersteunen, inclusief een eerste reservering van € 150 miljoen voor 2027.

De Tweede Kamer heeft op dit moment een wetsvoorstel in behandeling waarin een wijziging van de Wet op het kindgebonden budget wordt voorgesteld naar aanleiding van de voorjaarsnota 2025. De hierboven genoemde intensivering van € 150 miljoen wordt met een nota van wijziging toegevoegd aan dit wetsvoorstel. Daarmee worden de verschillende wijzigingen in de kindregelingen die het kabinet per 2027 wil doorvoeren in één wetsvoorstel gecombineerd7.

Omdat de nieuwe kindregeling naar verwachting per 2030 in werking treedt, ziet het voorliggende wetsvoorstel op een per saldo intensivering van de huidige kindregelingen, te weten de kinderbijslag (AKW) en het kindgebonden budget (WKB). Zo verhoogt het kabinet het inkomensonafhankelijke kindbedrag van de AKW per 2027 voor meer zekerheid. Ook verlaagt het kabinet per 2027 het inkomensafhankelijke kindbedrag van de WKB om de regeling gerichter te maken.

Verder is volgens het principe van ‘comply or explain’ structureel € 0,28 miljoen gereserveerd voor Caribisch Nederland. Hiermee wordt de kinderbijslagvoorziening BES per 1 januari 2027 met circa 4 USD per kind per maand8 verhoogd.

Verhoging afbouwpercentage kindgebonden budget voor inkomens vanaf € 57.950

In het kader van de bredere budgettaire opgave is in 2025 besloten om het kindgebonden budget beter te richten op de lagere- en middeninkomens door middel van een steiler afbouwpercentage voor huishoudens met een verzamelinkomen vanaf € 57.950 (prijspeil 2024)9. Het afbouwpercentage voor inkomens vanaf € 57.950 zou daarbij met 4,3%-punt worden verhoogd en daardoor structureel toenemen van 8,5% tot 12,8%. Hierdoor komen huishoudens met een hoger inkomen minder (of geheel niet meer) in aanmerking voor kindgebonden budget. Het wetsvoorstel voor deze maatregel is beoogd om per 1 januari 2027 in werking te treden. Bij het opstellen van de SZW begroting voor 2027 is ervoor gekozen om de eerder beoogde bezuiniging op de WKB te verzachten door het hogere afbouwpercentage vanaf het tweede knikpunt in twee stappen in te voeren. Voor 2027 wordt het hogere afbouwpercentage 9,95% en vanaf 2028 wordt het afbouwpercentage 12,8%. Deze wijziging wordt met een nota van wijziging doorgevoerd in het eerdergenoemde wetsvoorstel.

Vereenvoudiging toeslagpartnerbegrip

Per 2027 wordt het ‘criterium samengestelde gezinnen’ afgeschaft. Dit behelst het afschaffen van de regel dat mensen toeslagpartner worden als zij samenwonen met één andere volwassene en er daarnaast een minderjarig kind van een van beiden op het adres is ingeschreven. Hierdoor ontstaan momenteel veel onterechte partnerschappen. Denk hierbij aan mantelzorgers, mensen die tijdelijk een familielid of vriend in huis nemen, of mensen die gaan samenwonen omdat zij geen eigen woning kunnen betalen. Zij lopen door het toeslagpartnerschap al snel duizenden euro’s aan ondersteuning onterecht mis. Door de maatregel worden mensen alleen nog partner als zij hier zelf voor kiezen.

Het afschaffen van het criterium samengestelde gezinnen wordt gedekt door het verlagen van de vermogensgrenzen in het kindgebonden budget en de zorgtoeslag. Gepland is om deze maatregelen per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Het wetsvoorstel voor deze maatregelen is eerder dit jaar ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2025/26, 36 932, nr. 2).

Tabel 101 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

10.043.938

10.148.721

10.132.763

9.838.450

9.705.706

9.641.311

9.607.796

         
 

Uitgaven

10.043.938

10.148.721

10.132.763

9.838.450

9.705.706

9.641.311

9.607.796

         

10.0

Tegemoetkoming ouders

10.043.938

10.148.721

10.132.763

9.838.450

9.705.706

9.641.311

9.607.796

 

Inkomensoverdrachten

10.043.938

10.148.721

10.129.463

9.838.150

9.705.706

9.641.311

9.607.796

 

Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

4.772.971

4.896.821

5.127.685

5.106.513

5.066.844

5.049.130

5.049.333

 

Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)

5.255.560

5.235.759

4.985.120

4.714.811

4.621.938

4.575.031

4.541.147

 

Kinderbijslagvoorziening BES

15.407

16.141

16.658

16.826

16.924

17.150

17.316

 

Opdrachten

0

0

3.300

300

0

0

0

 

Kindregeling

0

0

3.300

300

0

0

0

         
 

Ontvangsten

262.791

298.880

283.332

273.048

264.196

259.398

255.842

         
Tabel 102 Uitsplitsing ontvangsten artikel 10 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Ontvangsten

262.791

298.880

283.332

273.048

264.196

259.398

255.842

         

10.0

Tegemoetkoming ouders

262.791

298.880

283.332

273.048

264.196

259.398

255.842

 

Ontvangsten

262.791

298.880

283.332

273.048

264.196

259.398

255.842

 

Terugontvangsten

262.791

298.880

283.332

273.048

264.196

259.398

255.842

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 103 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 10
 

2027

juridisch verplicht

100%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0%

De uitgaven op artikel 10 Tegemoetkoming ouders zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op huidige wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AKW, WKB en kinderbijslagvoorziening BES.

Opdrachten

Het budget voor Opdrachten is 100% beleidsmatig gereserveerd.

Inkomensoverdrachten
Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

De AKW biedt ouders of verzorgers een tegemoetkoming in de kosten die het opvoeden en verzorgen van kinderen onder de 18 jaar met zich meebrengt. De AKW wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders van kinderen tot 18 jaar hebben recht op kinderbijslag. Het recht op kinderbijslag vervalt indien ouders valt te verwijten dat hun kind niet voldoet aan de Leerplichtwet.

Hoe hoog is de kinderbijslag?

De hoogte van de kinderbijslag hangt af van de leeftijd van het kind. De kinderbijslagbedragen worden doorgaans per 1 januari en 1 juli geïndexeerd. Bij ziekte of handicap, of omdat het kind niet thuis woont om onderwijsredenen, kan onder nadere voorwaarden sprake zijn van dubbele kinderbijslag. Alleenstaande en alleenverdienende ouders van thuiswonende kinderen met ziekte of handicap kunnen onder voorwaarden in aanmerking komen voor een extra tegemoetkoming.

Tabel 104 AKW, netto bedragen per kwartaal (in €)
 

1 juli 2026

Voor kinderen van:

 

0 t/m 5 jaar

298,40

6 t/m 11 jaar

362,35

12 t/m 17 jaar

426,29

Extra tegemoetkoming AKW (jaarbedrag 2025)

2.702,13

Budgettaire ontwikkelingen

Vanwege de beleidsmatige verhoging per 1 januari 2027 stijgen de kinderbijslaguitgaven in 2027. In de jaren daaropvolgend blijven de AKW-uitgaven zeer stabiel en volgen deze grotendeels de demografische ontwikkeling van het aantal kinderen uit de CBS bevolkingsprognose.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 105 Kerncijfers AKW
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Aantal gezinnen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

1.880

1.898

1.890

Aantal kinderen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

3.287

3.319

3.305

    
 

Realisatie 20231

Realisatie 20241

Realisatie 20251

Aantal dubbele AKW uitkeringen ( x 1.000, ultimo jaar):

   

Kind uitwonend vanwege onderwijsredenen

0,8

0,8

0,9

Kind thuiswonend met intensieve zorg

40,6

46,2

51,2

Kind uitwonend vanwege ziekte of handicap

1,2

1,2

1,9

    

Extra tegemoetkoming AKW (x 1.000)

11,1

13,9

18,0

1

Bron: SVB, administratie.

Handhaving

De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen, in lijn met het jaarverslag van SZW van 2025. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.

Tabel 106 Kerncijfers AKW (handhaving inlichtingenplicht)1
  

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Opsporing2

Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

0,2

0,5

0,3

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

1,8

1,3

2,0

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

1,7

1,4

2,7

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

3,1

2,4

3,1

Aantal boetes (x 1.000)

0,3

0,2

0,3

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,1

0,1

0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

43

42

30

1

Als gevolg van een andere insteek van het onderzoek die in 2019 is doorgevoerd worden er geen preventiecijfers voor de AKW meer meegenomen, omdat de wet na afschaffing van de bijverdiengrens te weinig verplichtingen kent.

2

Bron: SVB, administratie.

3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen voor gezinnen tot een bepaald inkomen en vermogen. De WKB wordt uitgevoerd door de Dienst Toeslagen van het Ministerie van Financiën. Indien sprake is van een aanvulling op buitenlandse gezinstoeslagen, is de SVB verantwoordelijk voor de uitbetaling van de WKB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders of verzorgers van kinderen tot 18 jaar, die in aanmerking komen voor kinderbijslag, kunnen het kindgebonden budget krijgen, afhankelijk van de hoogte van het inkomen en vermogen.

Hoe hoog is het kindgebonden budget?

De hoogte van het kindgebonden budget hangt af van het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, het (gezamenlijke) inkomen en vermogen van de ouders en de leefvorm van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Per 1 januari 2027 geldt dat als het (gezamenlijke) inkomen hoger is dan € 30.910 (alleenstaande) of € 40.560 (aanvrager met toeslagpartner) het kindgebonden budget geleidelijk minder wordt. Voor iedere € 100 boven dit inkomen, wordt het kindgebonden budget € 8,05 lager. Daarbij komt dat per 1 januari 2027 het tweede knikpunt in de WKB wordt geïntroduceerd en daardoor aanvullend geldt dat als het (gezamenlijke) inkomen hoger is dan € 61.917 voor zowel alleenstaanden als paren geldt dat het kindgebonden budget versneld wordt afgebouwd. Voor iedere € 100 boven dit inkomen, wordt het kindgebonden budget € 9,95 lager.

Indien het (gezamenlijk) vermogen op de peildatum 1 januari 2027 hoger is dan € 119.122 (alleenstaande) of € 158.748 (aanvrager met toeslagpartner), vervalt het recht op kindgebonden budget voor 2027. De bedragen van het kindgebonden budget worden jaarlijks per 1 januari aangepast aan de prijsontwikkelingen.

Tabel 107 WKB, netto maximum bedragen per jaar (in €)
 

1 januari 2027

Een gezin met:

 

1 kind

2.653

Verhoging ieder volgend kind (extra bedrag per jaar)

2.653

  

Extra verhoging 12-15-jarigen1

729

Extra verhoging 16-17-jarigen1

976

Extra verhoging alleenstaande ouder

3.505

1

Ten opzichte van bovengenoemde bedragen

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven WKB nemen per 2027 af, voornamelijk als gevolg van de verschillende beleidswijzigingen die met ingang van 2027 in werking treden. Zowel de beleidsmatige verlaging van de WKB-kindbedragen, de introductie van een tweede knikpunt in de WKB als de verlaging van de vermogensgrenzen zorgen voor een substantiële afname van de WKB-uitgaven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 108 Kerncijfers WKB
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Aantal huishoudens WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

1.059

1.012

915

Aantal kinderen WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

2.016

1.926

1.742

Aantal alleenstaande ouders WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

352

351

347

1

Bron: Ministerie van Financiën, Toeslagen. Het betreft gegevens voor (verwachte) toegekende toeslagen per berekeningsjaar. De realisatiecijfers van 2025 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen bij het definitief vaststellen van het recht op toeslag.

Wet kinderbijslagvoorziening BES

De kinderbijslagvoorziening BES biedt ouders of verzorgers die op Bonaire, Sint Eustatius en Saba wonen een tegemoetkoming voor de kosten van opvoeding en verzorging van kinderen die nog geen 18 jaar zijn.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders of verzorgers van kinderen tot 18 jaar die ingezetene zijn van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Hoe hoog is de kinderbijslagvoorziening BES?

De hoogte van de bedragen in 2026 is $ 239 per kind per maand op Bonaire, $ 227 op Sint Eustatius en $ 238 op Saba. De hoogte van de kinderbijslagvoorziening voor 1 januari 2027 moet nog worden bepaald en hangt samen met zowel de beleidsmatige verhoging van de KBV BES per 1 januari 2027 als de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de kinderbijslagvoorziening BES worden in 2027 geraamd op circa € 17 miljoen. De oploop per 2027 hangt samen met de beleidsmatige intensivering van structureel € 0,28 miljoen vanaf datzelfde jaar. Verder vormen voornamelijk demografische ontwikkelingen de voornaamste verklaring voor de kleine verwachte jaarlijkse toename van de uitkeringslasten. Naar verwachting zal het aantal kinderen op de eilanden de komende jaren beperkt toenemen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 109 Kerncijfers Wet kinderbijslagvoorziening BES
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Aantal kinderen kinderbijslagvoorziening BES (x 1.000, ultimo)

6,2

6,2

6,3

1

Bron: RCN-unit SZW.

Opdrachten

Dit betreft diverse reservingen in het kader van de ontwikkeling van een nieuwe kindregeling.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen grotendeels de ontvangsten ten gevolge van terugvorderingen van het kindgebonden budget. Nadat de toeslagen definitief zijn toegekend worden terugvorderingen ingesteld bij de huishoudens die meer hebben ontvangen dan waar ze recht op hadden op basis van hun vastgestelde inkomen. Omdat de definitieve afrekening achteraf plaatsvindt, zijn de ontvangsten in een bepaald jaar veelal gebaseerd op definitieve afrekeningen van eerdere jaren. De ontvangsten van de WKB nemen structureel enigszins af en ontwikkelen zich daarmee in gelijke tred met de uitgaven.

7

Voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 57.950, Kamerstukken II 2025/26, 36923.

8

Dit betreft een afgerond bedrag van 4 USD per kind per maand. Voor Bonaire betreft het een verhoging van $ 4,19, voor St. Eustatius $ 3.98 en tot slot gaat het voor Saba om een verhoging van $ 4,18 (allemaal 1,75% verhoging)

9

Bij Nota van Wijziging van 20 mei 2026 is het eerder voorgestelde grensbedrag van € 60.000 verlaagd naar € 57.950 om de kosten van proactieve dienstverlening in de algemene bijstand te dekken. Kamerstukken II 2025/26, 36923, nr. 5.

5.11 Artikel 11 Uitvoering

De overheid voorziet de uitvoeringsorganisaties van financiële middelen voor een rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering van socialezekerheidsregelingen, binnen de kaders die de overheid stelt.

De uitvoering van de socialezekerheidswetten vindt mede plaats door ZBO’s en RWT’s. De Minister van SZW bepaalt de kaders waarbinnen de uitvoering tot stand komt en stelt uitvoeringsbudget ter beschikking aan Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) inclusief het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN). De Minister maakt daarbij prestatieafspraken en stuurt op rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering. Hiertoe is een planning- en controlcyclus ingericht tussen de uitvoeringsorganen en het ministerie.

De Minister is verantwoordelijk voor het doen uitvoeren van de sociale‐ zekerheidswetgeving door de uitvoeringsorganen en draagt zorg voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving (wet SUWI) waarbinnen de uitvoeringsorganen opereren;

  • de vormgeving van het stelsel van socialezekerheidswetten die UWV en de SVB uitvoeren;

  • de vaststelling van de budgetten die aan UWV, de SVB en het BIDN beschikbaar worden gesteld met daarbij passende prestatieafspraken;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering door UWV, de SVB en het BIDN en de verantwoording daarover;

  • de vaststelling van de omvang van de middelen die aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR) beschikbaar worden gesteld;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Prestatie-indicatoren UWV en SVB

In onderstaande tabellen zijn indicatoren voor UWV en de SVB weergegeven die de doelmatigheid, rechtmatigheid en klantgerichtheid van de uitvoering weergeven.

Menselijke maat monitor UWV

UWV maakt sinds 2023 gebruik van de 'menselijke maat monitor'. Dit is een onderzoek dat UWV ieder half jaar inzicht geeft in waar cliënten en werkgevers de menselijke maat ervaren, en waar dit nog niet helemaal het geval is. De menselijke maat monitor heeft de metingen die voorheen werden verricht om tot klanttevredenheidscijfers te komen vervangen en meet op meer indicatoren dan voorheen. De uitkomsten van de meest recente «menselijke maat monitor» zijn opgenomen in het UWV jaarverslag 2025.

Tabel 110 Indicatoren uitvoering UWV
 

Realisatie 20251

Streefwaarde 20262

Streefwaarde 20273

Doelmatigheid: Percentage realisatie uitvoeringskosten binnen budget

98

100

100

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

99,0

99

99

1

Bron: UWV, jaarverslag 2025.

2

Bron: UWV, jaarplan 2026.

3

Deze streefcijfers worden opgenomen in het jaarplan 2027 van UWV.

Tabel 111 Indicatoren uitvoering SVB
 

Realisatie 20251

Streefwaarde 20262

Streefwaarde 20273

Doelmatigheid: Kosten per klant4

72

5

5

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

100

99

99

Klantgerichtheid: Cijfer klanten

6

8

6

1

Bron: SVB, jaarverslag 2025.

2

Bron: SVB, jaarplan 2026.

3

Deze streefcijfers worden opgenomen in het jaarplan 2027 van de SVB.

4

Betreft een gewogen gemiddelde.

5

Er is geen norm afgesproken voor de indicator doelmatigheid.

6

Het klanttevredenheidsonderzoek vindt tweejaarlijks plaats.

Taakherschikking

In de voorjaarsbesluitvorming 2026 is geld vrijgemaakt om werk te maken van taakherschikking bij sociaal-medische dienstverlening en arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen van UWV.

De inzet is om direct na de zomer 2026 een extern onderzoekstraject op te starten om de beweging naar taakherschikking goed te begeleiden. Het traject start met een inventariserend basisonderzoek. De resultaten van dit basisonderzoek moeten in het vierde kwartaal van 2026 worden opgeleverd. Het doel van het onderzoekstraject is om, in samenwerking met professionals zoals verzekeringsartsen, sociaal-medisch verpleegkundigen, arbeidsdeskundigen en eventueel proces- of re-integratiebegeleiders, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden binnen de sociaal-medische dienstverlening.

Voor de dienstverlening in de Ziektewet geldt dat er, binnen de huidige wet- en regelgeving, nu al mogelijkheden zijn voor taakdelegatie. Het werken met taakdelegatie is nu voor de verzekeringsarts nog steeds op vrijwillige basis en wordt op verschillende manieren uitgevoerd. UWV zet in de dienstverlening van de Ziektewet daarom reeds stappen richting het zelfstandiger inzetten van de sociaal-medisch verpleegkundige. Hierbij wordt binnen de huidige wet- en regelgeving gewerkt aan een meer uniforme uitvoering. Belangrijke randvoorwaarden hierbij zijn een duidelijke taakafbakening, borging van de voor de taken benodigde competenties, passende opleiding en scholing, heldere professionele kaders, goede werkafspraken, juridische borging en een structurele verankering in processen, protocollen en de HRM-inrichting.

Dienstverlening

Het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening SZW (Kamerstukken II 2024/25, 36 799, nr. 3) creëert de bevoegdheid tot proactieve dienstverlening voor UWV, de SVB en gemeenten bij de uitvoering van taken in het kader van de sociale zekerheid. Met dit wetsvoorstel wordt een wettelijke grondslag gecreëerd voor het gericht benaderen van mensen die mogelijk recht hebben op een uitkering of voorziening, en hen te helpen bij het doen van een aanvraag, om zo niet-gebruik te voorkomen. Het wetsvoorstel zal naar verwachting begin 2027 in werking treden.

Voor het wetsvoorstel vereenvoudiging en versterking gegevensbescherming in de sociale zekerheid zullen UWV en SVB naar verwachting in 2027 gevraagd worden een uitvoeringstoets uit te voeren. Het wetsvoorstel zal de bepalingen over de verwerking van persoonsgegevens in de Wet SUWI en de Participatiewet specifieker maken en een inzichtelijke en eenduidige opbouw geven.

ICT

Om de dienstverlening aan medewerkers en cliënten te borgen en te verbeteren, is een stabiele, gemoderniseerde en gestandaardiseerde ICT-omgeving essentieel. Net als voorgaande jaren zetten UWV en SVB zich aan de hand van meerjarige programma’s in om verouderde systemen te vervangen en de ICT te verbeteren. Dit om zo de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening te blijven waarborgen en te verbeteren.

Daarnaast vragen maatschappelijke weerbaarheid, digitale autonomie en soevereiniteit en leveranciersonafhankelijkheid steeds meer aandacht. Zo onderzoeken UWV, SZW, SVB (en VNG) samen welke terugvalopties kunnen worden uitgewerkt om de bestaanszekerheid van uitkeringsontvangers te beschermen indien de sociale zekerheidswetten (tijdelijk) niet op de gebruikelijke manier kunnen worden uitgevoerd. Tevens trad de Europese AI-verordening (AI-Act) op 1 augustus 2024 in werking en wordt gefaseerd in de EU-lidstaten van kracht. SVB en UWV zullen ook in 2027 werkzaamheden uitvoeren gericht op de implementatie van de AI-verordening.

Informatiebeveiliging en privacy

Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens bij overheidsorganisaties goed beschermd worden. UWV en SVB achten het met het oog op de digitale weerbaarheid van groot belang om data en informatie in processen en informatiesystemen adequaat te beveiligen in lijn met geldende wet- en regelgeving. UWV en de SVB besteden onder meer aandacht aan de implementatie van de Cyberbeveiligingswet.

 

Tabel 112 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

721.780

777.402

747.015

707.273

693.698

670.746

672.552

         
 

Uitgaven

721.797

777.402

747.015

707.273

693.698

670.746

672.552

         

11.0

Uitvoering

721.797

777.402

747.015

707.273

693.698

670.746

672.552

 

Opdrachten

710

3.043

1.608

2.238

2.300

2.300

2.300

 

Handhaving en gegevensuitwisseling

710

3.043

1.608

2.238

2.300

2.300

2.300

 

Bekostiging

9.240

10.736

10.400

11.271

13.177

13.222

13.222

 

Uitvoeringskosten CN

9.240

10.736

10.400

11.271

13.177

13.222

13.222

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

709.782

762.297

733.681

692.438

676.895

653.898

655.704

 

Uitvoeringskosten UWV

510.284

538.874

520.270

486.674

474.856

456.081

456.391

 

Uitvoeringskosten SVB

180.029

198.919

190.997

187.434

182.519

177.200

178.696

 

Uitvoeringskosten Bureau Informatie Diensten Nederland (BIDN)

19.469

24.504

22.414

18.330

19.520

20.617

20.617

 

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

2.065

1.326

1.326

1.326

1.326

1.326

1.326

 

Landelijk Clientenraad

2.065

1.326

1.326

1.326

1.326

1.326

1.326

         
 

Ontvangsten

44.083

0

0

0

0

0

0

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 113 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 11 (%)
 

2027

juridisch verplicht

95%

bestuurlijk gebonden

4%

beleidsmatig gereserveerd

1%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0%

De uitgaven op artikel 11 Uitvoering zijn voor 95% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten is voor 37% juridisch verplicht en voor 63% beleidsmatig gereserveerd. Het betreft het budget handhaving en gegevensuitwisseling SZW.

Bekostiging

Het budget voor bekostiging is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft het uitvoeringsbudget voor de RCN-unit SZW en middelen voor ICT-ontwikkeling.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De bijdragen aan ZBO's zijn voor 95% juridisch verplicht, 4% bestuurlijk gebonden en 1% beleidsmatig gereserveerd. De budgetten worden door de Minister van SZW op basis van de jaarplannen van de organisaties vastgesteld.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

De bijdrage aan nationale organisaties is 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR). De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor de LCR, waarbinnen de LCR een jaarplan dient op te stellen.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 114 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 11 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

2.446.997

2.523.592

2.668.941

2.997.840

3.018.811

3.075.263

3.197.161

         
 

Uitgaven

2.446.997

2.523.592

2.668.941

2.997.840

3.018.811

3.075.263

3.197.161

         

11.0

Uitvoeringskosten

2.446.997

2.523.592

2.668.941

2.997.840

3.018.811

3.075.263

3.197.161

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

2.446.997

2.523.592

2.668.941

2.997.840

3.018.811

3.075.263

3.197.161

 

Uitvoeringskosten UWV

2.208.738

2.294.161

2.332.419

2.557.325

2.502.955

2.475.198

2.493.617

 

Uitvoeringskosten SVB

238.259

229.431

229.071

227.052

219.421

213.547

216.473

 

Uitvoeringskosten UWV nominaal

0

0

98.156

196.548

273.197

356.620

449.202

 

Uitvoeringskosten SVB nominaal

0

0

9.295

16.915

23.238

29.898

37.869

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Opdrachten

Het budget handhaving en gegevensuitwisseling betreft beleidsondersteunend budget dat wordt ingezet voor de ontwikkeling van beleid met betrekking tot handhaving en gegevensuitwisseling in de sociale zekerheid. Hieronder valt onder andere het laten uitvoeren van beleidsinhoudelijk onderzoek. Handhaving van de plichten in de materiewetten wordt bekostigd via de uitvoeringskosten aan de uitvoeringsorganisaties en wordt per materiewet verantwoord. Het budget is daarmee geen indicatie van de totale inzet die wordt gepleegd op handhaving in de sociale zekerheid.

Bekostiging

De RCN-unit SZW is een bij de Rijksdienst Caribisch Nederland gepositioneerd onderdeel van het departement dat namens de minister is belast met uitkeringsverstrekking, vergunningverlening en arbeidsinspectie in Caribisch Nederland.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitvoeringskosten voor de RCN-unit SZW zijn in 2027 € 10,4 miljoen. De hogere kosten vanaf 2028 zijn bestemd voor de modernisering van het ICT-landschap. Exclusief deze gereserveerde middelen blijft het uitvoeringsbudget over de jaren nagenoeg ongewijzigd.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor UWV, de SVB en het BIDN, waarbinnen deze organisaties hun jaarplannen dienen op te stellen. Deze financiële kaders hebben alleen betrekking op de uitvoering van SZW-taken door genoemde ZBO’s. In de jaarplannen nemen UWV en de SVB een verdeling van de uitvoeringskosten naar wet en/of fonds op. De Minister stuurt in eerste aanleg op het totaalbudget per organisatie. Uitgangspunt daarbij is dat de organisaties zelfstandig de uitvoering organiseren en over de realisatie via het jaarverslag verantwoording afleggen aan de Minister van SZW.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitvoeringskosten van UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten en regelingen.

Per saldo stijgen de uitvoeringskosten van UWV in 2027 met circa € 19,7 miljoen. Dit is voornamelijk het gevolg van de loon- en prijsbijstelling. Per saldo dalen de uitvoeringskosten van de SVB in 2027 met circa € 9,3 miljoen. Dit komt met name doordat tot nu toe minder incidentele opdrachten zijn toegekend voor 2027 ten opzichte van 2026.

In de tabellen 115 en 116 zijn de uitvoeringskosten van UWV en de SVB toegedeeld aan de wetten en regelingen. Dit is een ex-ante raming op basis waarvan de bekostiging van ZBO’s plaatsvindt. De toedeling is extracomptabel. Hier is de loon- en prijsbijstelling nog niet aan toebedeeld.

Tabel 115 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten UWV (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

        

UWV (incl. BKWI)

2.718.769

2.833.035

2.852.689

3.043.999

2.977.811

2.931.279

2.950.008

        

Begrotingsgefinancierd

510.031

538.874

520.270

486.674

474.856

456.081

456.391

IOW

1.744

1.731

1.736

1.819

1.967

1.391

869

Wajong

222.804

228.464

222.405

219.992

210.657

201.926

202.848

Re-integratie Wajong1

125.409

136.362

135.650

134.738

130.239

124.657

124.804

Basisdienstverlening

94.100

90.377

87.953

87.223

87.223

86.791

86.791

Beoordeling gemeentelijke doelgroep

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

Wsw indicatiestelling

1.378

1.171

1.087

1.062

1.039

1.017

996

NOW 1

662

70

0

0

0

0

0

NOW 2

769

210

0

0

0

0

0

NOW 3

8.531

3.720

0

0

0

0

0

NOW 4

3.517

1.160

0

0

0

0

0

NOW 5

3.092

550

0

0

0

0

0

NOW 6

3.600

1.390

0

0

0

0

0

Uitvoering kassierstaak

570

0

0

0

0

0

0

Skills en mogelijkheden

4.213

2.355

0

0

0

0

0

Vergoedingsregeling WIA (herstel)acties

0

30.500

30.500

0

0

0

0

STAP

533

0

0

0

0

0

0

IPS voor gemeenten

188

235

45

21

0

0

0

BKWI

18.921

20.579

20.895

21.820

23.732

20.299

20.084

        

Premiegefinancierd

2.208.738

2.294.161

2.332.419

2.557.325

2.502.955

2.475.198

2.493.617

WW

733.320

817.660

799.550

909.173

884.309

853.773

840.689

ZW

433.470

494.519

494.690

478.155

464.172

460.267

459.058

WAZO

11.943

8.139

8.139

8.139

8.139

8.139

8.139

WAO

69.861

48.296

45.062

46.130

44.169

44.070

42.266

Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW1

180.091

141.953

144.781

147.428

149.847

151.375

153.127

WGA

619.770

645.866

711.420

837.006

819.563

823.007

854.281

IVA

106.317

135.669

126.881

129.358

130.901

132.739

134.296

WAZ

2.609

2.061

1.895

1.935

1.855

1.828

1.761

Toevoeging aan bestemmingsfonds/egalisatiereserve

51.358

      
1

Dit zijn uitvoeringskosten. Re-integratie in de vorm van voorzieningen en/of trajecten staan weergegeven op beleidsartikel 3. De uitvoeringskosten re-integratie hebben betrekking op de werkzaamheden die UWV verricht ten behoeve van de inkoop van externe re-integratiediensten en de re-integratiedienstverlening voor werkzoekenden in de WIA, WAO en Wajong die UWV zelf aanbiedt.

Tabel 116 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten SVB (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

        

SVB

418.288

429.350

420.068

414.486

401.940

390.747

395.169

        

Begrotingsgefinancierd

180.029

199.919

190.997

187.434

182.519

177.200

178.696

AKW

113.238

123.033

113.650

110.112

104.382

98.092

98.454

TAS

1.631

2.155

2.106

2.106

2.106

2.106

2.106

TSB1

3.732

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

KOT/WKB

11.575

11.522

12.119

12.119

12.119

12.119

12.119

AIO

47.947

51.976

52.085

52.121

52.993

54.038

55.280

Bijstand buitenland

53

33

10

8

9

7

‒ 7

OBR

250

250

     

Remigratiewet

1.603

1.950

2.026

1.968

1.911

1.838

1.743

        

Premiegefinancierd

238.259

229.431

229.071

227.052

219.421

213.547

216.473

AOW

223.609

213.360

212.604

210.570

203.040

197.131

200.159

Anw

14.650

16.071

16.467

16.482

16.381

16.416

16.314

1

Inclusief middelen Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

De Landelijke Cliëntenraad (LCR) is een overlegorgaan ingesteld bij Wet SUWI, waarin landelijke cliëntenorganisaties, vertegenwoordigers van gemeentelijke cliëntenraden en vertegenwoordigers van de centrale cliëntenraden van de SVB en UWV zitting hebben. De LCR heeft tot taak periodiek te overleggen met UWV, de SVB, de gemeenten en de Minister van SZW over onderwerpen op het terrein van werk en inkomen. De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor de LCR, waarbinnen de LCR een jaarplan dient op te stellen.

5.12 Artikel 12 Rijksbijdragen

De overheid borgt voldoende dekking in sociale fondsen.

De uitgaven die worden gedaan vanuit de sociale fondsen worden hoofdzakelijk gefinancierd via premies. In een aantal gevallen vindt de overheid het heffen van premies niet wenselijk, bijvoorbeeld om te voorkomen dat premiepercentages blijvend toenemen en daarmee een evenwichtige koopkrachtontwikkeling in de weg staan. In andere gevallen vindt de overheid financiering van een regeling vanuit de algemene middelen passend, maar wordt de regeling wel betaald uit een van de sociale fondsen. In beide gevallen worden de inkomsten van de sociale fondsen aangevuld via een of meerdere rijksbijdragen.

De Minister financiert de sociale fondsen uit de rijksbegroting, al dan niet in aanvulling op premieheffing. De Minister is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vaststelling van de hoogte van de rijksbijdragen aan de desbetreffende sociale fondsen;

  • het betalen van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen.

Voor 2027 zijn er geen beleidswijzigingen.

Tabel 117 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

29.182.158

32.664.689

33.678.187

35.854.489

37.990.646

40.191.825

42.810.896

         
 

Uitgaven

29.182.158

32.664.689

33.678.187

35.854.489

37.990.646

40.191.825

42.810.896

         

12.0

Rijksbijdragen

29.182.158

32.664.689

33.678.187

35.854.489

37.990.646

40.191.825

42.810.896

 

Bijdrage aan sociale fondsen

29.182.158

32.664.689

33.678.187

35.854.489

37.990.646

40.191.825

42.810.896

 

Kosten heffingskortingen AOW

3.916.800

4.064.700

3.798.200

3.920.900

3.964.100

4.040.400

4.124.800

 

Vermogenstekort Ouderdomsfonds

24.940.300

28.279.500

29.555.700

31.605.800

33.925.600

36.047.800

38.580.000

 

Tegemoetkoming arbeidsongeschikten

206.596

210.760

213.039

229.372

0

0

0

 

Zwangere zelfstandigen

118.462

109.729

111.248

98.417

100.946

103.625

106.096

         
 

Ontvangsten

929

0

0

0

0

0

0

         

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 118 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 12
 

2027

juridisch verplicht

100%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0%

De uitgaven op artikel 12 Rijksbijdragen zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

Bijdrage aan sociale fondsen

De bijdragen aan sociale fondsen zijn 100% juridisch verplicht. De rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOW en het vermogenstekort Ouderdomsfonds zijn juridisch verplicht volgens de Wet financiering sociale verzekeringen. De rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten is juridisch verplicht volgens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rijksbijdrage zwangere zelfstandigen is juridisch verplicht volgens de Wet arbeid en zorg. Hoofdstuk 7.1 Sociale fondsen SZW gaat nader in op de financiering van de sociale fondsen.

Bijdrage aan sociale fondsen

Rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOW

Deze rijksbijdrage compenseert de gewijzigde premieopbrengst die het gevolg is van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. De hoogte van deze rijksbijdrage wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde omvang van de heffingskortingen en aan de verdeling van de heffingskortingen over de verschillende premies volksverzekeringen en de inkomstenbelasting.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen Aow (BIKK) daalt licht in 2027. De BIKK wordt jaarlijks aangepast aan de omvang van de heffingskortingen. Hierdoor stijgen de BIKK Aow en de BIKK Wlz met 3,1 procent in 2027. Daar staat tegenover dat in 2027 het belastingtarief van de eerste schijf in de inkomstenbelasting stijgt. Hierdoor daalt het aandeel van de premies volksverzekeringen in de derving als gevolg van de heffingskortingen. De rijksbijdragen voor de Aow en de langdurige zorg (Wlz) gaan daardoor ook omlaag. Het gecombineerde effect is dat de BIKK Aow licht daalt in 2027.

Rijksbijdrage vermogenstekort Ouderdomsfonds

De uitgaven uit het Ouderdomsfonds worden deels gedekt door de premie-inkomsten. De hoogte van de AOW-premie is wettelijk gemaximeerd om te voorkomen dat de groeiende AOW-uitgaven leiden tot een stijgende lasten op arbeid en een onevenwichtige koopkrachtontwikkeling. De gemaximeerde premie leidt tot een jaarlijks exploitatietekort in het Ouderdomsfonds. De rijksbijdrage Ouderdomsfonds is bedoeld om het exploitatietekort in het Ouderdomsfonds aan te vullen zodat dat fonds gemiddeld genomen een neutrale vermogenspositie heeft.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage voor het vermogenstekort stijgt in 2027 met ongeveer € 1,3 miljard. De inkomsten van het Ouderdomsfonds stijgen in 2027 met ongeveer € 3,1 miljard (zonder deze rijksbijdrage). De uitgaven stijgen met ongeveer € 3,5 miljard. De rijksbijdrage moet dus stijgen met € 0,4 miljard. Daarnaast was de rijksbijdrage in 2026 eenmalig ongeveer € 0,6 miljard lager om het positieve vermogen van het fonds eind 2025 weer in te lopen. De rijksbijdrage stijgt daardoor dus meer van 2026 naar 2027. De rijksbijdrage van 2027 is eenmalig ongeveer € 0,3 miljard hoger om het verwachte tekort van het fonds aan het einde van dit jaar weer goed te maken.

Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten is onderdeel van de WIA, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), de WAZ en WAO. De tegemoetkomingen voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden gefinancierd uit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort. Daarnaast financiert deze rijksbijdrage de uitvoeringskosten van UWV aan de tegemoetkoming. De tegemoetkomingen voor arbeidsongeschikten worden verantwoord op de beleidsartikelen 3 en 4.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage stijgt in 2027 mee met de geraamde uitgaven aan de tegemoetkomingen. Vanaf 2029 worden er geen uitgaven meer geraamd en vervalt dus ook de rijksbijdrage.

Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen

De regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ) voorziet in een uitkering aan zelfstandigen voorafgaand aan en volgend op de bevalling (zie ook beleidsartikel 6). Deze regeling wordt gefinancierd via een rijksbijdrage aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Ook de uitkeringen voor zwangere alfahulpen worden via deze rijksbijdrage gefinancierd. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van UWV opgenomen.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijkbijdrage stijgt licht in 2027 en volgt daarmee de geraamde uitgaven aan de regeling Zelfstandig en Zwanger.

5.13 Artikel 13 Inburgering en Integratie

De overheid bevordert integratie door ervoor te zorgen dat iedereen met een migratieachtergrond volwaardig kan meedoen in de Nederlandse samenleving. Integratie betekent dat mensen werken, de taal spreken en actief deelnemen aan het maatschappelijk leven. Door in te zetten op onder andere arbeidsparticipatie en praktische zelfredzaamheid ondersteunt de overheid nieuwkomers om hun talenten te benutten en zelfstandig hun weg te vinden. Zo versterken we de maatschappelijke samenhang en bouwen we aan een samenleving waarin iedereen kan bijdragen.

Bij integratie- en inburgeringsbeleid ligt de nadruk op het scheppen van randvoorwaarden voor nieuwkomers om volwaardig mee te kunnen doen in de samenleving. Integratie betekent werken, de taal spreken en meedoen. Een samenleving waarin de integratie slaagt, houdt in dat:

  • nieuwkomers zonder belemmeringen volwaardig kunnen meedraaien in onze samenleving;

  • nieuwkomers door werk, taal en participatie hun plek vinden in onze samenleving en in verscheidenheid kunnen samenleven;

  • iedereen zich thuis kan voelen en volwaardig kan meedoen ongeacht achtergrond, religie of herkomst.

Dit wordt gerealiseerd door:

  • werk stimuleren als basis van integratie;

  • het faciliteren dat nieuwkomers snel de Nederlandse taal machtig zijn en kennis hebben van de Nederlandse samenleving;

  • het voeren van preventief beleid op weerbaarheid tegen ongewenste buitenlandse beïnvloeding;

  • het bevorderen van het recht op zelfbeschikking voor eenieder die in Nederland verblijft.

De Minister stimuleert onder andere via financiële instrumenten, dat nieuwkomers volwaardig kunnen meedoen in de Nederlandse samenleving. Dit betekent dat wordt ingezet op het verhogen van arbeidsparticipatie, taalverwerving en praktische zelfredzaamheid, zodat mensen met een migratieachtergrond zelfstandig kunnen functioneren en actief kunnen bijdragen aan de samenleving. De samenlevingsvraagstukken verschillen per gemeente of regio. De rol van de Minister bij het oplossen hiervan is een faciliterende. De Minister financiert gemeenten voor het invullen van de regierol bij inburgering voor asielstatushouders, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) voor het programma Voorbereiding op de Inburgering, een leenstelsel voor inburgeringsplichtige gezins- en overige migranten en een uitkeringsregeling aan remigranten op grond van de Remigratiewet alsmede de hiermee samenhangende uitvoeringskosten. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het inburgeringsstelsel;

  • de visie en samenhang van het integratiebeleid en de daarvoor benodigde kennis;

  • het aanspreken van de vakdepartementen op hun verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat reguliere voorzieningen toegankelijk en effectief zijn voor alle burgers;

  • de uitvoering van de Remigratiewet, de Wet inburgering en de Wet inburgering buitenland.

Dit kabinet zet in op werk en meedoen. Iedereen in Nederland hoort actief deel te nemen en bij te dragen aan onze samenleving, ook nieuwkomers. Om hun arbeidsparticipatie te vergroten, wordt er gewerkt aan een plan van aanpak om meer nieuwkomers sneller aan het werk te laten gaan. De inzet is om 75.000 nieuwkomers meer aan het werk te hebben in 2030.

Het kabinet wil werk centraal stellen in de inburgering en afspraken maken met werkgeversorganisaties- en brancheorganisaties. Hierbij is aandacht voor instroom in tekortsectoren.

Verder wil het kabinet al in de asielopvang de focus leggen op het leren van de taal en het vinden van werk.  

In de eerste helft van 2027 worden diverse deelonderzoeken opgeleverd over de werking en doeltreffendheid van de Wet inburgering 2021. Deze vormen input voor de wetsevaluatie die in het derde kwartaal van 2027 wordt gestart en in de eerste helft van 2028 wordt gepubliceerd. De uitkomsten van de wetsevaluatie worden gebruikt voor verdere versterking van het stelsel en de uitvoering daarvan.

Tabel 119 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (bedragen x € 1.000)1
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

53.730

475.355

480.746

513.845

504.552

457.655

456.253

         
 

Uitgaven

50.825

465.712

481.871

513.971

504.680

457.786

456.386

         

13.0

Inburgering en Integratie

50.825

465.712

481.871

513.971

504.680

457.786

456.386

 

Inkomensoverdrachten

38.064

35.942

33.819

31.684

29.608

27.495

25.425

 

Remigratiewet

38.064

35.942

33.819

31.684

29.608

27.495

25.425

 

Subsidies (regelingen)

7.354

25.640

23.060

21.512

19.899

16.399

16.399

 

Opbouw kennisfunctie integratie

2.695

2.981

2.676

2.276

2.235

2.235

2.235

 

Vluchtelingenwerk Nederland

1.176

1.229

1.229

1.044

1.026

1.026

1.026

 

Overige subsidies algemeen

3.483

9.700

5.300

4.800

4.800

1.300

1.300

 

Vroege Integratie en Participatie

0

11.730

13.855

13.392

11.838

11.838

11.838

 

Opdrachten

5.407

21.442

19.656

18.472

17.403

11.024

11.026

 

Opdracht Integratie

5.407

20.942

19.656

18.472

17.403

11.024

11.026

 

Remigratie

0

500

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

40.085

42.590

44.503

46.347

46.391

46.390

 

COA

0

40.085

42.590

44.503

46.347

46.391

46.390

 

Bijdrage aan agentschappen

0

33.101

31.324

25.826

25.189

24.315

23.297

 

Agentschap DUO

0

33.101

31.324

25.826

25.189

24.315

23.297

 

Bijdrage aan medeoverheden

0

289.645

303.679

353.846

348.953

315.093

316.780

 

Gemeenten inburgeringsvoorzieningen

0

289.645

303.679

353.846

348.953

315.093

316.780

 

Leningen

0

19.857

27.743

18.128

17.281

17.069

17.069

 

DUO

0

19.857

27.743

18.128

17.281

17.069

17.069

         
 

Ontvangsten

147

57.122

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

         
1

De uitgaven aan inburgering in 2025 zijn terug te vinden op de begroting van Justitie en Veiligheid.

Tabel 120 Uitsplitsing ontvangsten artikel 13 (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Ontvangsten

147

57.122

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

         

13.0

Inburgering en Integratie

147

57.122

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

 

Ontvangsten

147

57.122

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

 

Algemeen

147

4.393

0

0

0

0

0

 

Leningen

0

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

 

Ontvangsten SPUK Inburgering

0

48.229

0

0

0

0

0

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 121 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 13
 

2027

juridisch verplicht

91%

bestuurlijk gebonden

7%

beleidsmatig gereserveerd

2%

nog niet ingevuld / vrij te besteden

0%

De uitgaven op artikel 13 Inburgering en Integratie zijn voor 91% juridisch verplicht voor het jaar 2027. Hieronder volgt een toelichting per financieel instrument.

Inkomensoverdrachten

De Inkomensoverdrachten volgen uit wet- en regelgeving op het terrein van de Remigratiewet en zijn daarmee voor 100% juridisch verplicht.

Subsidies

De subsidies voor het Kennisplatform Integratie en Samenleving, Vluchtelingenwerk Nederland, COA Vroege participatie en integratie en de werkgeversregeling «Statushouders aan het werk» zijn 100% bestuurlijk gebonden vanwege meerjarige afspraken met de ontvangende organisaties. Iedere vijf jaar bezien we opnieuw of de subsidies worden voortgezet. De post «overige subsidies» is voor 71% verplicht en is bestemd voor de afrekening van lopende verplichtingen. Al het overige is beleidsmatig gereserveerd.

Opdrachten

De opdrachtenbudgetten zijn voor 61% verplicht. De rest is beleidsmatig gereserveerd voor lopende verplichtingen op bestaande beleidsdossiers en ter ondersteuning van de uitvoering van de Wet inburgering 2021.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De bijdrage aan ZBO's is bedoeld voor de uitvoering van de voorinburgering door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en is daarmee 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

De bijdrage aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ten behoeve van het beheer van het examenstelsel en de uitvoering van het leenstelsel is gebaseerd op gemaakte afspraken en daarmee 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

De taken en verantwoordelijkheden door gemeenten zijn vastgelegd in de inburgeringswet. De specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van inburgeringsvoorzieningen in het nieuwe stelsel is onderdeel van de Wet inburgering 2021. Daarmee zijn deze uitgaven 100% juridisch verplicht.

Leningen

Dit budget vloeit voort uit de Wet inburgering 2013 en de Wet inburgering 2021 en is daarmee 100% juridisch verplicht.

Het integratiebeleid bevordert de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit en heeft onder andere als doel dat groepen met een migratieachtergrond dezelfde maatschappelijke positie innemen als groepen zonder migratieachtergrond. Dit doel komt dichterbij als de verschillen tussen de groepen afnemen. Drie belangrijke indicatoren hiervoor zijn de arbeidsparticipatie, de werkloosheid en het aandeel leerlingen dat in het voortgezet onderwijs havo en vwo volgt.

De figuren 5, 6 en 7 presenteren de ontwikkeling in deze indicatoren: de aandelen van de bevolking met betaald werk, het werkloosheidspercentage en het aandeel leerlingen in de derde klas van het voortgezet onderwijs dat havo of vwo volgt naar achtergrond, generatie en (school)jaar. De figuren laten verschillen zien zowel tussen de uiteenlopende herkomstgroepen als tussen de generaties binnen dezelfde herkomstgroep.

Figuur 5 Kerncijfers integratie: netto arbeidsparticipatie10 (%)

Figuur 5 presenteert door middel van een horizontale staafdiagram de aandelen van de bevolking met betaald werk (netto arbeidsparticipatie) naar achtergrond, generatie en jaar. Totale bevolking realisatie 2023 73%, realisatie 2024 73%, realisatie 2025 73%. Met migratieachtergrond. Turks 1e generatie realisatie 2023 59%, realisatie 2024 63%, realisatie 2025 58%. Turks 2e generatie realisatie 2023 79%, realisatie 2024 77%, realisatie 2025 76%. Marokkaans 1e generatie realisatie 2023 58%, realisatie 2024 56%, realisatie 2025 52%. Marokkaans 2e generatie realisatie 2023 74%, realisatie 2024 74%, realisatie 2025 77%. Surinaams 1e generatie realisatie 2023 59%, realisatie 2024 61%, realisatie 2025 62%. Surinaams 2e generatie realisatie 2023 76%, realisatie 2024 81%, realisatie 2025 79%. (voormalige) Antillen 1e generatie realisatie 2023 63%, realisatie 2024 62%, realisatie 2025 67%. (voormalige) Antillen 2e generatie realisatie 2023 77%, realisatie 2024 81%, realisatie 2025 80%. Indonesisch 1e generatie realisatie 2023 41%, realisatie 2024 38%, realisatie 2025 38%. Indonesisch 2e generatie realisatie 2023 74%, realisatie 2024 73%, realisatie 2025 70%. Overig buiten-Europees 1e generatie realisatie 2023 64%, realisatie 2024 66%, realisatie 2025 67%. Overig buiten-Europees 2e generatie realisatie 2023 80%, realisatie 2024 79%, realisatie 2025 80%. Europees (exclusief Nederland) 1e generatie realisatie 2023 75%, realisatie 2024 75%, realisatie 2025 74%. Europees (exclusief Nederland) 2e generatie realisatie 2023 71%, realisatie 2024 69%, realisatie 2025 71%. Bron: CBS, Kernindicatoren integratie.

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Figuur 6 Kerncijfers integratie: werkloze beroepsbevolking11 (%)

Figuur 6 presenteert door middel van een horizontale staafdiagram het werkloosheidspercentage (werkloze beroepsbevolking) naar achtergrond, generatie en jaar. Totale bevolking realisatie 2023 4%, realisatie 2024 4%, realisatie 2025 4%. Met migratieachtergrond. Turks 1e generatie realisatie 2023 7%, realisatie 2024 5%, realisatie 2025 7%. Turks 2e generatie realisatie 2023 5%, realisatie 2024 5%, realisatie 2025 7%. Marokkaans 1e generatie realisatie 2023 4%, realisatie 2024 5%, realisatie 2025 6%. Marokkaans 2e generatie realisatie 2023 9%, realisatie 2024 7%, realisatie 2025 7%. Surinaams 1e generatie realisatie 2023 5%, realisatie 2024 4%, realisatie 2025 5%. Surinaams 2e generatie realisatie 2023 6%, realisatie 2024 6%, realisatie 2025 8%. (voormalige) Antillen 1e generatie realisatie 2023 7%, realisatie 2024 6%, realisatie 2025 6%. (voormalige) Antillen 2e generatie realisatie 2023 7%, realisatie 2024 6%, realisatie 2025 6%. Indonesisch 1e generatie realisatie 2023 3%, realisatie 2024 3%, realisatie 2025 2%. Indonesisch 2e generatie realisatie 2023 4%, realisatie 2024 3%, realisatie 2025 4%. Overig buiten-Europees 1e generatie realisatie 2023 7%, realisatie 2024 7%, realisatie 2025 7%. Overig buiten-Europees 2e generatie realisatie 2023 6%, realisatie 2024 7%, realisatie 2025 7%. Europees (exclusief Nederland) 1e generatie realisatie 2023 5%, realisatie 2024 5%, realisatie 2025 6%. Europees (exclusief Nederland) 2e generatie realisatie 2023 4%, realisatie 2024 4%, realisatie 2025 5%. Bron: CBS, Kernindicatoren integratie.

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Figuur 7 Kerncijfers integratie: aandeel havo/vwo-leerlingen in het 3e leerjaar van het voortgezet onderwijs (%)

Figuur 7 presenteert door middel van een horizontale staafdiagram het aandeel leerlingen in de derde klas van het voortgezet onderwijs dat havo of vwo volgt naar achtergrond, generatie en schooljaar. Totale bevolking realisatie 2023/2024 49%, realisatie 2024/2025 48%, realisatie 2025/2026 48%. Met migratieachtergrond. Turks 1e generatie realisatie 2023/2024 50%, realisatie 2024/2025 54%, realisatie 2025/2026 58%. Turks 2e generatie realisatie 2023/2024 33%, realisatie 2024/2025 32%, realisatie 2025/2026 33%. Marokkaans 1e generatie realisatie 2023/2024 27%, realisatie 2024/2025 24%, realisatie 2025/2026 23%. Marokkaans 2e generatie realisatie 2023/2024 38%, realisatie 2024/2025 37%, realisatie 2025/2026 37%. Surinaams 1e generatie realisatie 2023/2024 21%, realisatie 2024/2025 24%, realisatie 2025/2026 23%. Surinaams 2e generatie realisatie 2023/2024 39%, realisatie 2024/2025 39%, realisatie 2025/2026 38%. (voormalige) Antillen 1e generatie realisatie 2023/2024 28%, realisatie 2024/2025 25%, realisatie 2025/2026 23%. (voormalige) Antillen 2e generatie realisatie 2023/2024 28%, realisatie 2024/2025 29%, realisatie 2025/2026 28%. Indonesisch 1e generatie realisatie 2023/2024 51%, realisatie 2024/2025 56%, realisatie 2025/2026 54%. Indonesisch 2e generatie realisatie 2023/2024 56%, realisatie 2024/2025 58%, realisatie 2025/2026 57%. Overig buiten-Europees 1e generatie realisatie 2023/2024 46%, realisatie 2024/2025 44%, realisatie 2025/2026 44%. Overig buiten-Europees 2e generatie realisatie 2023/2024 52%, realisatie 2024/2025 51%, realisatie 2025/2026 51%. Europees (exclusief Nederland) 1e generatie realisatie 2023/2024 51%, realisatie 2024/2025 51%, realisatie 2025/2026 47%. Europees (exclusief Nederland) 2e generatie realisatie 2023/2024 57%, realisatie 2024/2025 56%, realisatie 2025/2026 55%. Bron: CBS, Kernindicatoren integratie.

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Inkomensoverdrachten

Een remigratievoorziening is een maandelijkse uitkering op grond van de Remigratiewet met eventueel een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering. Deze uitkering geldt voor personen die naar Nederland kwamen voor arbeid en vestiging, maar nu een dringende wens tot terugkeer hebben omdat zij in een uitzichtloze en afhankelijke situatie (uitkering) verkeren en zelf hun remigratie niet kunnen bekostigen. Om voor een dergelijke uitkering in aanmerking te komen gelden criteria zoals leeftijd, verblijfsduur in Nederland, doelgroep en herkomstland. Met de wijziging van de Remigratiewet per 1 juli 2014 zijn de criteria om in aanmerking te komen voor een remigratievoorziening aangescherpt. Vanaf 1 januari 2025 is het niet meer mogelijk een nieuwe aanvraag te doen voor een remigratievoorziening.

Budgettaire ontwikkelingen

De budgettaire ontwikkeling is gebaseerd op ramingen van de SVB. De SVB verwacht in 2027 een iets lager budget nodig te hebben dan eerder verwacht. Dit als gevolg van het feit dat er geen nieuwe instroom meer mogelijk is vanwege de uitfasering van de wet.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 122 Kerncijfers Remigratie
 

Realisatie 20251

Raming 2026

Raming 2027

Aantal remigranten met een periodieke uitkering ( x 1.000 personen, ultimo)2

12

12

11

1

Bron: SVB, administratie.

2

Inclusief nihil-uitkeringen: de remigrant heeft recht op een remigratie-uitkering, maar na verrekening van andere, exporteerbare uitkeringsgelden wordt het bedrag op nihil vastgesteld.

Subsidies

De post subsidies bestaat uit de jaarlijkse subsidies voor het Kennisplatform Integratie en Samenleving, de steunfunctie helpdesk Vluchtelingenwerk en de werkgeversregeling «Statushouders aan het werk». Tevens zijn er een aantal incidentele subsidies zoals die in het kader van de Actieagenda Integratie en de uitwerking van de informatievoorziening inburgering naar plateau 2 via VNG.

Vroege Integratie en Participatie

Dit is een subsidie aan het COA voor de jaarlijkse activiteiten in het kader van de vroege integratie en participatie van asielzoekers en statushouders met een kansrijke aanvraag (VRIP). De activiteiten van de VRIP betreffen de Kansrijke koppeling van Screening & matching, de Participatie vanaf dag één, de Meedoenbalies en de Nt2-lessen voor jongeren met een kansrijke aanvraag.

Opdrachten

De middelen voor opdrachten zijn bedoeld voor onderzoeken, methodiekontwikkeling, kennisoverdracht, trainingen en communicatieve activiteiten, uitrol van pilots et cetera, in het kader van het integratiebeleid en de uitvoering van de Wet Inburgering.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het Ministerie van SZW verstrekt het COA jaarlijks een bijdrage voor de voorinburgering van asielstatushouders in de AZC's. Het budget voor 2027 is gebaseerd op afspraken met het COA.

Bijdrage aan agentschappen

Als onderdeel van de inburgeringsketen voert de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) op grond van de Wet inburgering 2013 en de Wet inburgering 2021 een aantal taken uit. Voorbeelden hiervan zijn het handhaven van de inburgeringsplicht, het verstrekken van leningen en het organiseren van examens. DUO ontvangt hiervoor een bijdrage van het Ministerie van SZW. De taken van DUO zijn in een mandaatregeling vastgelegd.

Tabel 123 Kerncijfers inburgering (x 1.000 personen, ultimo)
 

Realisatie 2025

Raming 2026

Raming 2027

Inburgeringsplichtige nieuwkomers die een kennisgeving van DUO ontvangen1

342

32,5

36,9

    

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de voorbereiding op inburgering in de opvang van COA

7,83

8,5

6,7

    

Inburgeraars die een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat behalen4

135

17,8

18,5

Afgesloten Plannen Inburgering en Participatie (PIP)6

31

30

30

1

Er wordt vanaf de begroting 2027 niet meer het onderscheid gemaakt tussen Wi2013 en Wi2021. De instroom in de Wi2013 is nagenoeg nul.

2

Bron: DUO, informatiesysteem Inburgering.

3

Bron: COA, voortgangsrapportages.

4

Dit kan zowel op A2 niveau zijn als op niveau Staatsexamen B1 of B2. De cijfers zijn exclusief vrijwillige inburgeraars. Onder de Wi2021 kan aan de inburgeringsplicht voldaan worden door het behalen van het inburgeringsexamen, maar ook door het behalen van een inburgeringscertificaat na afronding van de Z-route.

5

Bron: DUO, informatiesysteem Inburgering. Het gaat hier alleen om diploma's.

6

Bron: DUO, informatiesysteem Inburgering. Dit gaat alleen over de Wi2021.

Bijdrage aan medeoverheden

De SPUK voor inburgeringsvoorzieningen wordt aan gemeenten verstrekt ter financiering van kosten voor voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht. De raming van dit budget is gebaseerd op de Meerjaren Productie Prognose (MPP) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en een inschatting van het aantal gezins- en overige migranten op basis van realisaties. De raming is bij de voorjaarsnota 2026 naar boven bijgesteld als gevolg van een bijstelling op basis van de MPP.

Om gemeenten tegemoet te komen in de tekorten op de uitvoeringskosten inburgering, stelt SZW € 93 miljoen beschikbaar voor de jaren 2026 tot en met 2028. De middelen zijn erop gericht om te zorgen dat gemeenten hun wettelijke taken kunnen blijven uitvoeren.

Leningen

Het Ministerie van SZW verstrekt op grond van de Wet inburgering 2021 via DUO leningen aan inburgeringsplichtige gezins- en overige migranten indien zij of hun partner niet over voldoende financiële middelen beschikken.

Daarnaast is de leenfaciliteit beschikbaar voor de resterende inburgeringsplichtigen die vallen onder de Wet inburgering 2013. Asielstatushouders die met succes en tijdig hun inburgering afronden hoeven de lening niet terug te betalen maar krijgen die kwijtgescholden. Terugbetaling vindt plaats naar draagkracht.

Naar aanleiding van de uitspraken van het Europese Hof en de Raad van State uit 2025, waardoor geen boetes meer worden opgelegd aan asielstatushouders en leningen niet meer hoeven te worden terugbetaald door asielstatushouders, zal een herstelactie plaatsvinden om deze doelgroep te compenseren. De verwachting is dat hiermee € 9 miljoen gemoeid zal zijn.

Vanwege het uitfaseren van de Wet inburgering 2013 is de budgettaire reeks voor leningen aflopend en resteren structureel enkel de leningen aan gezins- en overige migranten onder de huidige wet.

Ontvangsten

Het betreft hier de geraamde ontvangsten van de leningen aan gezins- en overige migranten met inburgeringsplicht.

10

Het aandeel van de bevolking van 15 tot 75 jaar met betaald werk voor ten minste een uur per week.

11

Het aandeel van de bevolking van 15 tot 75 jaar zonder betaald werk, die recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn. Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.

6. Niet-beleidsartikelen

6.1 Artikel 96 Apparaat Kerndepartement

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 124 Budgettaire gevolgen artikel 96 Apparaat Kerndepartement (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

650.001

667.237

669.530

617.061

595.845

616.173

574.093

         
 

Uitgaven

639.143

670.983

674.196

618.320

595.604

615.932

573.852

         

96.0

Apparaat Kerndepartement

639.143

670.983

674.196

618.320

595.604

615.932

573.852

 

Personele uitgaven

522.536

537.455

540.589

490.118

470.870

492.750

449.785

 

eigen personeel

490.994

510.835

522.245

475.841

457.540

479.661

436.696

 

externe inhuur

23.710

19.348

11.745

8.161

7.541

7.300

7.300

 

overige personele uitgaven

7.832

7.272

6.599

6.116

5.789

5.789

5.789

 

Materiële uitgaven

116.607

133.528

133.607

128.202

124.734

123.182

124.067

 

overige materiële uitgaven

19.672

22.337

22.020

22.158

22.214

22.219

22.219

 

ICT

24.830

33.400

41.444

36.914

33.560

32.128

33.667

 

bijdrage aan SSO's

72.105

77.791

70.143

69.130

68.960

68.835

68.181

         
 

Ontvangsten

103.265

106.315

138.072

136.316

136.316

136.070

135.720

         

B. Toelichting op de financiële instrumenten

Personele en materiële uitgaven

In het verloop van de uitgaven voor eigen personeel is een aantal ontwikkelingen zichtbaar:

  • 1. De taakstellingen op apparaat van het kabinet Schoof vanaf 2025.

  • 2. De taakstellingen op apparaat van het kabinet Jetten vanaf 2027 (Nederlandse Arbeidsinspectie) en 2029 (kerndepartement).

  • 3. De aanvullende taakstellingen op apparaat uit de augustusbesluitvorming 2026.

  • 4. De personeelskosten van de nieuw op te richten Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) vanaf 2027.

De taakstelling Schoof is in 2025 hoofdzakelijk ingevuld met reserves op het terrein van apparaat. Vanaf 2026 worden er inhoudelijke afwegingen gemaakt waarbij er een steeds groter deel zal worden ingevuld met een besparing op fte.

De taakstellingen van het kabinet Jetten (efficiency en vernieuwing rijksdienst) zijn verdeeld over een aantal begrotingsonderdelen: kerndepartement (artikel 96), Nederlandse Arbeidsinspectie (artikel 96), ZBO's (artikel 11) en kleine uitvoerders zoals agentschappen en COA (artikel 1, 5, 7 en 13). Zie voor een toelichting de betreffende artikelen.

SZW start voor het kerndepartement een eigen proces om tot invulling van beide taakstellingen te komen. Daarbij wordt samenwerking gezocht met andere departementen via de taskforce slagvaardige overheid.

De aanvullende taakstellingen op apparaat uit de augustusbesluitvorming 2026 zijn in afwachting van een nadere verdeling over de begroting vooralsnog volledig ingeboekt op artikel 96 Apparaat onder eigen personeel.

Het verloop van het ICT-budget wordt verklaard door de verwachte uitgaven voor de ICT bij de unit Rijksdienst Caribisch Nederland.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben voor het grootste deel betrekking op de facturering door de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) van schoonmaakkosten aan de afnemers. Nieuw zijn de ontvangsten in de vorm van leges ten behoeve van de NAU vanaf 2027. Ten slotte zijn er ontvangsten ten behoeve van werkzaamheden van de directie Uitvoering van Beleid voor de uitvoering van subsidieregelingen.

Tabel 125 geeft een overzicht van de apparaatsuitgaven uitgesplitst naar kerndepartement, Nederlandse Arbeidsinspectie, NAU en Rijksschoonmaakorganisatie.

Tabel 125 Uitsplitsing apparaatsuitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Kerndepartement

       

Uitgaven

309.840

323.939

316.842

266.482

248.956

278.616

234.997

Ontvangsten

4.948

6.258

6.112

5.992

5.992

5.746

5.396

        

Arbeidsinspectie (inclusief artikel 1)

       

Uitgaven

239.119

247.300

236.903

234.091

228.898

219.402

220.941

Ontvangsten

15.301

14.580

14.580

14.580

14.580

14.580

14.580

        

NAU

       

Uitgaven

2.727

10.135

33.174

30.267

30.267

30.267

30.267

Ontvangsten

0

0

29.903

30.267

30.267

30.267

30.267

        

Rijksschoonmaakorganisatie

       

Uitgaven

97.545

102.762

100.162

100.162

100.162

100.162

100.162

Ontvangsten

97.605

100.057

102.057

100.057

100.057

100.057

100.057

Nederlandse Arbeidsinspectie

De tabel geeft alle ontvangsten en uitgaven van de Arbeidsinspectie weer op de SZW-begroting. Aan de uitgavenkant betreft het de materiële en personele apparaatsuitgaven op artikel 96 van de begroting én het opdrachtenbudget ten behoeve van onder andere dienstauto’s, onderzoek en voorlichting op artikel 1. Aan de ontvangstenkant betreft het voornamelijk de boeteontvangsten op artikel 1.

Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt

Met ingang van 1 januari 2027 treedt de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) in werking en start het toelatingsstelsel voor uitleners van arbeidskrachten zoals bijvoorbeeld uitzendbureaus. De Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) heeft zich in 2026 verder ontwikkeld om het toelatingsstelsel in 2027 verantwoord en uitvoerbaar van start te laten gaan. Zowel voor de aanmelding als voor de inschrijving moet leges worden betaald. Bij de besluitvorming over de invoering van de Wtta is afgesproken dat de NAU kostendekkend functioneert. Zodra er meer zicht is op het aantal uitleners, kan de NAU ook beter inschatten welke capaciteit nodig is om het toelatingsstelsel verantwoord en uitvoerbaar van start te laten gaan en om de hoogte van de verschillende soorten leges te bepalen. In de komende jaren zal de raming van de leges steeds nauwkeuriger worden, omdat er beter zicht komt op het aantal uitleners, de kosten van de NAU en daarmee de leges die nodig zijn om deze kosten te dekken.

Rijksschoonmaakorganisatie

De RSO is in 2016 gestart met het uitvoeren van de schoonmaakactiviteiten. Vanaf 2021 zijn alle beoogde departementen aangesloten. De schoonmakers zijn in dienst van het Rijk en zijn per 2022 ondergebracht in de cao Rijk.

De ontvangsten van de RSO zijn gebaseerd op de meerjarige dienstverleningsafspraken met opdrachtgevers. Met ingang van 2022 wordt de vergoeding voor locatie- en contractmanagement alsook glasbewassing via facturering verrekend.

Naar aanleiding van een toezegging in het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2018 is een indicator opgenomen met betrekking tot de medewerkerstevredenheid van de schoonmakers in dienst van de RSO. Het volgende onderzoek staat gepland voor 2027.

Tabel 126 Medewerkerstevredenheid RSO
 

Realisatie 2019

Realisatie 2021

Realisatie 2024

Tevredenheid medewerkers RSO

8,6

9,0

8,9

C. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten

Tabel 127 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief zbo's/rwt's (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

616.915

670.983

674.196

618.320

595.604

615.932

573.852

        

Totaal apparaatskosten ZBO’s/RWT’s1

2.954.676

3.285.889

3.402.622

3.690.278

3.695.706

3.729.161

3.852.865

UWV (inclusief BKWI)

2.553.948

2.833.035

2.950.845

3.240.547

3.251.008

3.287.899

3.399.210

SVB

381.971

428.350

429.363

431.401

425.178

420.645

433.038

BIDN

18.757

24.504

22.414

18.330

19.520

20.617

20.617

1

Dit betreft apparaatskosten samenhangend met zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde artikelen binnen de SZW-begroting. De ontvangsten zijn in mindering gebracht op de uitgaven.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement vanaf het begrotingsjaar onderverdeeld naar de verschillende organisatieonderdelen. De uitgaven voor de SSO's (onder andere huisvesting en ICT van het gehele departement) vallen onder de plaatsvervangend SG (pSG). In deze tabel is de aanvullende taakstelling uit de augustusbesluitvorming buiten beschouwing gelaten.

Tabel 128 Apparaatsuitgaven kerndepartement 2027-2031 naar organisatieonderdeel (bedragen x € 1.000)
 

2027

2028

2029

2030

2031

SG

47.478

50.170

45.629

38.691

39.224

pSG

159.701

154.915

152.706

151.773

150.781

SZI

63.535

60.004

51.130

50.658

46.604

Werk

46.128

38.956

37.647

37.494

37.494

Totaal

316.842

304.045

287.112

278.616

274.103

6.2 Artikel 99 Nog onverdeeld

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 129 Budgettaire gevolgen artikel 99 Nog onverdeeld (bedragen x € 1.000)
  

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Art.

Verplichtingen

0

18.267

57.296

154.215

198.730

193.588

195.234

         
 

Uitgaven

0

18.267

57.296

154.215

196.255

193.588

195.234

         

99.0

Nog onverdeeld

0

18.267

57.296

154.215

196.255

193.588

195.234

 

Nog te verdelen

0

18.267

57.296

154.215

196.255

193.588

195.234

 

waarvan apparaat

0

13.142

531

8.703

8.576

8.640

7.603

 

waarvan programma

0

5.125

56.765

145.512

187.679

184.948

187.631

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         

B. Toelichting op de financiële instrumenten

Op dit artikel staan diverse reserveringen voor beleid, die op een later moment verdeeld worden over de begrotingsartikelen als de precieze invulling en voorwaarden bekend zijn. De grondslag van dit artikel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen. Dit gaat bijvoorbeeld om middelen voor bestuurlijke afspraken met gemeenten voor inburgering (cumulatief € 62 miljoen), de uitvoering van verschillende arbeidsmarktmaatregelen (€ 9,3 miljoen in 2027) en € 5,7 miljoen in 2027 voor de uitvoering van proactieve dienstverlening.

7. Departementspecifieke informatie

7.1 Sociale fondsen SZW

Deze paragraaf beschrijft de financiering van de premie-uitgaven onder de uitgaven Sociale Zekerheid. Onderdeel daarvan zijn de door de Minister van SZW vast te stellen premiepercentages voor de volks- en werknemersverzekeringen. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen van UWV en SVB.

7.1.1 Premiepercentages 2027 en meerjarig

Premievaststelling

De voorgenomen premiepercentages voor 2027 zijn opgenomen in tabel 130. De besluitvorming over de inkomsten wordt toegelicht in de Miljoenennota. De premiepercentages voor komend jaar worden eind 2026 vastgelegd in de benodigde wet- en regelgeving.

In de tabel worden ook de nu geraamde premiepercentages voor latere jaren weergegeven. In deze premiepercentages zijn de maatregelen uit het coalitieakkoord en de augustusbesluitvorming verwerkt. Relevant voor de premies van de werknemersverzekeringen is dat in de augustusbesluitvorming is afgesproken dat de verlaging van het maximumdagloon per 2029 niet doorgaat. In het coalitieakkoord stond dat met het maximumdagloon ook het maximumpremieloon zou worden verlaagd, en dat de premietarieven per 2029 omhoog zouden gaan om de premie-inkomsten op hetzelfde niveau te houden. Als gevolg van de augustusbesluitvorming gaat het maximumpremieloon in 2029 niet omlaag, en de premietarieven dus ook niet omhoog.

Algemene Ouderdomswet (AOW-premie)

Het premiepercentage voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt net als dit jaar vastgesteld op 17,9 procent. Bij het Ouderdomsfonds zijn de premieopbrengsten niet voldoende om de uitgaven te dekken. De inkomsten van het Ouderdomsfonds worden daarom aangevuld door middel van rijksbijdragen (zie ook artikel 12). De AOW-premie wordt gecombineerd geheven met de loon- en inkomstenbelasting. Uit het Ouderdomsfonds worden de uitgaven op grond van de AOW betaald.

Algemene Nabestaandenwet (Anw-premie)

Het premiepercentage voor de Algemene Nabestaandenwet (Anw) wordt in 2027 net als dit jaar vastgesteld op 0,1 procent.

Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf-premie)

Het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) financiert de WW-uitkeringen van marktwerkgevers. Als gevolg van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) zijn er sinds 2020 twee premietarieven binnen het AWf: een laag tarief voor vaste dienstverbanden en een hoog tarief voor flexibele dienstverbanden. Het lage tarief wordt in 2027 gelijk gehouden op 2,74 procent en het hoge tarief op 7,74 procent. Vanaf 2028 stijgt het AWf-premietarief vanwege de (voorgenomen) invoering van de Wet personeelsbehoud bij crisis (Wpc).

Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie)

Uit het uitvoeringsfonds voor de overheid worden de uitvoeringskosten van de WW voor (voormalige) overheidswerkgevers betaald. De WW-uitkeringen zelf worden bij de (voormalige) werkgever in rekening gebracht. Wel betaalt het Ufo een eventuele ziektewetuitkering als de WW-gerechtigde ziek wordt. De Ufo-premie wordt in 2027 gelijk gehouden op 0,68 procent.

Uniforme opslag kinderopvang

De premieopslag kinderopvang voor 2027 blijft met 0,5 procent ongewijzigd. De premieopslag kinderopvang wordt door werkgevers betaald door middel van een opslag op de Aof-premie.

Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof-premie)

Vanaf 2022 kent de Aof-premie twee verschillende tarieven: een tarief voor kleine werkgevers (tot 25 maal de gemiddelde premieplichtige loonsom) en een tarief voor grotere werkgevers. In 2027 betalen kleine werkgevers een premie van 6,67 procent en grote werkgevers een premie van 8,03 procent. De Aof-tarieven stijgen in 2027. Dat komt vooral door de maatregelen in het coalitieakkoord. Vanaf 2027 wordt de in het coalitieakkoord afgesproken vrijheidsbijdrage voor bedrijven ingevuld door de Aof-premietarieven te verhogen. Daarnaast stijgen door het coalitieakkoord de zorgpremies minder hard doordat het eigen-risico wordt verhoogd. Voor bedrijven wordt in het coalitieakkoord deze lastenverlichting voor bedrijven gecompenseerd door de Aof-premietarieven te verhogen. In de augustusbesluitvorming is afgesproken om het eigen-risico per 2027 niet te verhogen. De daaraan gerelateerde verhoging van de Aof-premie is in de augustusbesluitvorming niet teruggedraaid.

Werkhervattingskas (Whk-premie)

De gemiddelde premie voor de Werkhervattingskas (Whk), waaruit de uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) worden betaald, is door UWV voor 2027 vastgesteld op 1,67 procent. Dat is een stijging van 0,15 procentpunt ten opzichte van 2026. Deze stijging komt voornamelijk door een toename in de geraamde uitkeringslasten van de WGA en de ZW.

Tabel 130 Premiepercentages sociale verzekeringen (%)

Premie

Fonds

Uitgaven

Betaald door

2026

2027

2028

2029

2030

Aow

Ouderdomsfonds

Aow

Werknemer

17,90

17,90

17,90

17,90

17,90

Anw

Nabestaandenfonds

Anw

Werknemer

0,10

0,10

0,10

0,10

0,10

         

Awf-laag

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW

Werkgever

2,74

2,74

2,78

2,78

2,78

Awf-hoog

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW

Werkgever

7,74

7,74

7,78

7,78

7,78

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de overheid

WW, ZW, WGA overheid

Werkgever

0,68

0,68

0,68

0,68

0,68

         

Aof-laag

Arbeidsongeschiktheidsfonds

WGA, IVA, WAO, WAZ, WAZO, ZW

Werkgever

6,27

6,67

6,74

6,85

6,83

Aof-hoog

Arbeidsongeschiktheidsfonds

WGA, IVA, WAO, WAZ, WAZO, ZW

Werkgever

7,63

8,03

8,10

8,21

8,19

Aof

Uniforme opslag kinderopvang

Kinderopvang

Werkgever

0,50

0,50

0,50

0,50

0,50

Whk

Werkhervattingskas (rekenpremie)

WGA, ZW

Werkgever

1,52

1,67

1,67

1,67

1,67

7.1.2 Sociale fondsen

Exploitatiesaldi

De premiegefinancierde uitgaven worden uit de sociale fondsen betaald. Op basis van de eerdergenoemde premiepercentages voor 2026 en 2027, de verwachte ontwikkeling van de premiegrondslagen en de uitkeringslasten zijn de uitgaven en ontvangsten van de sociale fondsen geraamd in tabel 131 en 132. Hierbij is rekening gehouden met de bijdragen aan de fondsen vanuit het Rijk. Bij het Ouderdomsfonds bestaan de sociale lasten uit een betaling van de SVB aan het Zorgverzekeringsfonds. Dit is een wettelijk geregelde bijdrage omdat Aow-gerechtigden het lage tarief van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw betalen. Vanuit het Ouderdomsfonds wordt het verschil tussen het hoge en lage tarief aan het Zorginstituut vergoed.

In de onderstaande tabellen worden de arbeidsongeschiktheidsfondsen (het Aof en de Whk) en de werkloosheidsfondsen (AWf en Ufo) samen weergegeven.

Het exploitatiesaldo van de fondsen is het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven. Dit saldo is zowel in 2026 als in 2027 positief, er zijn dus meer inkomsten dan uitgaven. In 2026 is het saldo voor alle fondsen samen naar verwachting ongeveer € 9,5 miljard positief en in 2027 meer dan € 12 miljard positief. Dit positieve saldo wordt met name veroorzaakt door de WW-fondsen en de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Voor zowel de werkloosheidsfondsen als de arbeidsongeschiktheidsfondsen geldt dat de premieinkomsten hoger zijn dan de uitgaven die uit het fonds worden gedaan. Het exploitatiesaldo van de fondsen maakt onderdeel uit van het totale EMU-saldo van de overheid. Tegenover het positieve EMU-saldo van de sociale fondsen staan grotere negatieve EMU-saldi bij het Rijk en de decentrale overheden, waardoor er voor de collectieve sector als geheel sprake is van een begrotingstekort.

Het geraamde exploitatiesaldo van het Ouderdomsfonds is in 2026 negatief en in 2027 licht positief. Hiermee wordt naar verwachting het positieve vermogen dat het fonds eind 2025 had in twee jaar weer teruggebracht naar nul.

Tabel 131 Overzicht sociale verzekeringen 2026 (bedragen x € 1 mln)
 

AOW

Anw

AO

WW

Totaal

Premies

26.064

169

30.637

12.259

69.129

Bijdragen van het Rijk

32.344

0

110

124

32.578

Saldo Interest

29

42

778

271

1.121

Totaal Ontvangsten

58.437

211

31.525

12.654

102.827

      

Uitkeringen/ Verstrekkingen

58.413

346

21.581

5.195

85.535

Sociale lasten

725

18

3.760

760

5.264

Uitvoeringskosten

213

17

1.338

956

2.525

Totaal Uitgaven

59.351

382

26.680

6.911

93.323

      

Exploitatiesaldo

‒ 914

‒ 171

4.845

5.743

9.504

Bron: SZW en CPB (MEV 2027).

Tabel 132 Overzicht sociale verzekeringen 2027 (bedragen x € 1 mln)
 

AOW

Anw

AO

WW

Totaal

Premies

29.783

204

33.951

12.727

76.665

Bijdragen van het Rijk

33.354

111

126

33.591

Saldo Interest

31

44

992

409

1.476

Totaal Ontvangsten

63.168

248

35.054

13.263

111.733

      

Uitkeringen/ Verstrekkingen

61.857

346

23.086

5.528

90.817

Sociale lasten

768

19

4.218

847

5.852

Uitvoeringskosten

221

18

1.410

1.021

2.669

Totaal Uitgaven

62.847

383

28.714

7.395

99.338

      

Exploitatiesaldo

321

‒ 135

6.341

5.867

12.395

Bron: SZW en CPB (MEV 2027).

Vermogensposities

In tabel 133 wordt voor de jaren 2026 en 2027 de vermogenspositie van de verschillende fondsen weergegeven. De sociale fondsen zijn onderdeel van de collectieve sector. Voor het EMU-saldo zijn alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten relevant. Tegenover de overschotten bij de arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsfondsen staan tekorten bij andere onderdelen van de overheid, zoals het Rijk. Bij het Ouderdomsfonds is dat andersom, omdat inmiddels meer dan de helft van de uitgaven gefinancierd wordt door het Rijk. Sinds 2003 heeft het Rijk meer dan € 250 miljard aan het Ouderdomsfonds overgemaakt. Daardoor heeft het Ouderdomsfonds geen groot tekort, maar daar hebben dus wel uitgaven bij het Rijk tegenover gestaan.

Voor de sociale fondsen samen stijgt het vermogensoverschot in 2027 naar ongeveer € 80 miljard. Deze vermogensoverschotten zijn de optelsom van alle positieve en negatieve exploitatiesaldo's uit het verleden. Bij de arbeidsongeschiktheidsfondsen is sinds 2015 sprake van positieve exploitatiesaldo's. Bij de werkloosheidsfondsen is dat vanaf 2017 het geval. Deze positieve exploitatiesaldo's komen deels doordat de premietarieven van de arbeidsongeschiktheidspremies zijn gestegen. Die stijging van de premietarieven komt voor een groot deel doordat binnen de afspraken in de begrotingsregels over het inkomstenkader de Aof-premie is verhoogd om meevallers bij de zorgpremies te compenseren. Vanaf 2027 zorgen de in het coalitieakkoord afgesproken premieverhogingen voor een verdere vergroting van het exploitatiesaldo. Los van de tariefverhogingen worden de positieve exploitatiesaldi ook veroorzaakt doordat de arbeidsdeelname is toegenomen en de lonen zijn gestegen. Hierdoor wordt over een groter bedrag aan loon premies afgedragen. De stijging van de uitkeringslasten is daar de afgelopen jaren bij achtergebleven, onder andere doordat de werkloosheid nog altijd laag is.

Tabel 133 Vermogenspositie sociale fondsen (bedragen x € 1 mln)
 

ultimo 2025

2026

ultimo 2026

2027

ultimo 2027

 

Vermogen

Exploitatiesaldo

Vermogen

Exploitatiesaldo

Vermogen

Ouderdomsfonds

593

‒ 914

‒ 321

321

0

Nabestaandenfonds

2.382

‒ 171

2.211

‒ 135

2.076

Arbeidsongeschiktheidsfondsen

39.648

4.845

44.493

6.341

50.834

WW-fondsen

15.518

5.743

21.261

5.867

27.128

Totaal sociale fondsen

58.140

9.504

67.644

12.395

80.039

Bron: voor 2025 jaarverslagen UWV en SVB, daarna raming SZW.

7.2 Koopkracht en specifieke inkomensaspecten

7.2.1 Inleiding en leeswijzer

Dit hoofdstuk beschrijft hoe de koopkracht zich naar verwachting ontwikkelt in 2027 en welke beleidsmatige veranderingen de koopkracht beïnvloeden.

Het mediane koopkrachtbeeld voor 2027 is licht negatief. Een deel van de huishoudens gaat erop vooruit, maar een iets groter deel van de huishoudens gaat erop achteruit. Dat komt doordat de groei van de reële lonen voor deze groep naar verwachting niet opweegt tegen het effect van beleid. 

Tijdens de augustusbesluitvorming heeft het kabinet middelen vrijgemaakt om het mediane koopkrachtcijfer te verbeteren. Deze maatregelen zijn technisch ingevuld met een verhoging van de arbeidskorting en een verlaging van de tarieven in de eerste en tweede schijf. Het kabinet gaat graag het gesprek aan met de Kamer over de invulling van de maatregelen. Het koopkrachtbeeld in deze paragraaf is gebaseerd op de technische invulling.

Leeswijzer

Paragraaf 7.2.2 geeft een korte toelichting op het concept koopkracht en de koopkrachtramingen van SZW. Paragrafen 7.2.3 en 7.2.4 gaan in op de belangrijkste beleidsmatige en niet-beleidsmatige ontwikkelingen die relevant zijn voor de koopkrachtontwikkeling in 2027. Paragrafen 7.2.5 en 7.2.6 beschrijven het verwachte koopkrachtbeeld voor 2027 en de verwachte ontwikkeling van de armoedecijfers. Paragraaf 7.2.7 gaat in op de financiële prikkels als mensen vanuit de bijstand gaan werken, of als mensen meer uren gaan werken. Paragraaf 7.2.8 gaat in op een aantal moties waarmee het kabinet rekening heeft gehouden bij de besluitvorming en die hiermee zijn afgedaan. Paragraaf 7.2.9 geeft een overzicht van de afzonderlijke beleidsmaatregelen met inkomenseffecten in 2027. Paragraaf 7.2.10 gaat tot slot in op de belangrijkste maatregelen voor Caribisch Nederland.

7.2.2 Koopkracht en de koopkrachtramingen van SZW

Koopkracht gaat over het inkomen dat huishoudens overhouden na het betalen van belastingen en premies en na het ontvangen van toeslagen. Dit wordt ook wel het besteedbaar inkomen genoemd. Koopkrachtcijfers tonen doorgaans de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen in een bepaald jaar ten opzichte van het voorgaande jaar. Daarbij wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van lonen, uitkeringen en pensioenen, de effecten van beleid en de ontwikkeling van prijzen (inflatie). Als de koopkrachtontwikkeling gelijk is aan 0, zijn huishoudens in staat om het bestedingspatroon van het voorgaande jaar te handhaven. Bij een positieve koopkrachtontwikkeling kunnen huishoudens juist meer uitgeven.

Het Ministerie van SZW maakt – net als het Centraal Planbureau – ramingen van de koopkracht. Deze koopkrachtramingen zijn niet bedoeld om de veranderingen in de portemonnee van individuele huishoudens te voorspellen, maar bedoeld om inzicht te geven in de effecten van (voorgenomen) beleid. De ramingen zijn gebaseerd op de aanname dat er niets verandert in de persoonlijke omstandigheden van huishoudens. Dit wordt ook wel statische koopkracht genoemd. In de praktijk kunnen levensgebeurtenissen sterk bepalend zijn voor de koopkrachtontwikkeling van individuele huishoudens, vaak bepalender dan overheidsbeleid. Denk hierbij aan verhuizen, samen gaan wonen of uit elkaar gaan, het krijgen van kinderen, of het vinden of verliezen van een baan. Het is echter onmogelijk om deze ontwikkelingen vooraf goed in te schatten, en bovendien verschillen ze sterk tussen huishoudens. Daarom worden ze niet meegenomen in koopkrachtramingen. Als gevolg daarvan bieden de ramingen vooral inzicht in de verdelingseffecten van overheidsbeleid.

De koopkrachtramingen van SZW worden gemaakt met behulp van een microsimulatiemodel. Dit model werkt met een representatieve steekproef van ongeveer 100.000 huishoudens. Samen geven zij een betrouwbaar beeld van alle huishoudens in Nederland. In de berekeningen worden alle verschillende componenten van het inkomen meegenomen, namelijk inkomen uit arbeid, inkomen uit onderneming, uitkeringen, toeslagen, pensioen, inkomen uit vermogen en eigen woning, aanmerkelijk belang en eventueel ontvangen alimentatie.

7.2.3 Belangrijkste niet-beleidsmatige ontwikkelingen voor de koopkracht in 2027

Deze paragraaf geeft een overzicht van de belangrijkste niet-beleidsmatige ontwikkelingen die invloed hebben op de geraamde koopkrachtontwikkeling voor 2027. Het gaat hier om verwachte ontwikkelingen, omdat voor de meeste factoren pas achteraf definitief kan worden vastgesteld hoe ze zich hebben ontwikkeld.

De belangrijkste verwachte ontwikkelingen zijn:

  • De gemiddelde cao-loonstijging in de marktsector van 3,8%.

  • De stijging van het minimumloon met 4,0%. Door de koppeling werkt dit ook door naar de uitkeringen.

  • De stijging van de consumentenprijzen (inflatie, cpi) met 2,7%.

  • De indexatie van de parameters van de toeslagen met 2,6%.

  • De gemiddelde indexatie van de aanvullende pensioenen met 7,6%. De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel zorgt voor incidentele verhoging van pensioenen.

7.2.4 Belangrijkste beleidsmatige ontwikkelingen voor de koopkracht in 2027

Deze paragraaf geeft een overzicht van de belangrijkste beleidsmatige ontwikkelingen die invloed hebben op de geraamde koopkrachtontwikkeling. De opsomming in deze paragraaf beperkt zich tot de belangrijkste maatregelen met een effect op de koopkracht in 2027, en maakt hierbij onderscheid tussen maatregelen van dit kabinet en maatregelen van eerdere kabinetten. Paragraaf 7.2.9 gaat uitgebreider in op alle afzonderlijke koopkrachtrelevante maatregelen.

Belangrijkste maatregelen van dit kabinet met gevolgen voor de koopkracht in 2027:

  • De vrijheidsbijdrage voor burgers, ingevuld met een beperkte indexatie van de parameters in het belastingstelsel (zoals schijfgrenzen en de hoogte van heffingskortingen) met 1,25%. Normaliter worden de parameters in het belastingstelsel en de toeslagen beide aan de hand van de tabelcorrectiefactor (tcf) geïndexeerd. Voor 2027 wordt de tabelcorrectiefactor in het belastingstelsel echter niet volledig toegepast, maar gedeeltelijk (48%). In de toeslagen wordt de tabelcorrectiefactor wel volledig toegepast.

  • Verhoging van de arbeidskorting met maximaal € 173 (op alle knikpunten), in de technische invulling van de koopkrachtmiddelen uit de augustusbesluitvorming door het kabinet.

  • Verhoging van de tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting. Het tarief in de 1e schijf stijgt per saldo met 0,48%-punt. Het tarief in de 2e schijf stijgt per saldo met 0,6%-punt. Onderdeel hiervan is de technische invulling van de koopkrachtmiddelen uit de augustusbesluitvorming, met daarin een verlaging van het tarief van de eerste en tweede belastingschijf met 0,06%-punt.

  • Verlaging van de ouderenkorting met € 100. Dit is onderdeel van de technische invulling door het kabinet.

  • Bevriezen van het aangrijpingspunt van het toptarief op het niveau van 2026 (€ 78.426). Dit impliceert een beleidsmatige verlaging van € 2.152, bovenop op het effect van de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor.

  • Gedeeltelijk uitstel van de verhoging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslag in aanloop naar het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang. De vergoedingspercentages stijgen in 2027, maar minder dan aanvankelijk voorzien.

  • Gedeeltelijk uitstel van de steilere afbouw in het kindgebonden budget, waardoor het afbouwpercentage voor inkomens boven circa € 61.900 in 2027 stijgt van 7,60% in 2026 naar 9,95%, in plaats van naar 12,35%.

  • Verhoging van de kindbedragen in de kinderbijslag (AKW) (ca € 90) en verlaging van de kindbedragen (€ 63) en de verhoging voor oudere kinderen (€14) in het kindgebonden budget, als eerste stap richting een nieuwe kindregeling (versterking van gezinnen).

  • Uitstel van de verhoging van het eigen risico. De verhoging van het eigen risico met € 60 in 2027 gaat niet door. Het eigen risico wordt in 2027 wel geïndexeerd, waardoor dit stijgt van € 385 in 2026 naar € 400 in 2027. Mede als gevolg hiervan stijgt de gemiddelde nominale zorgpremie van € 1.879 in 2026 naar € 2.029 in 2027.

  • Invoering van het Noodfonds Energie. Het Noodfonds Energie vergoedt voor huishoudens met een inkomen tot 130% (dan wel 200%) van het sociaal minimum 50% van de energierekening op jaarbasis van het bedrag boven de energiequote van 8% (dan wel 10%).

Het kabinet heeft ook tot een aantal maatregelen besloten die gevolgen hebben voor de koopkracht in latere jaren, waaronder het schrappen van de verlaging van het maximumdagloon en uitstel van de afschaffing van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten. Deze maatregelen hebben geen gevolgen voor de koopkracht in 2027 en blijven daarom in deze paragraaf buiten beschouwing.

Belangrijkste maatregelen van voorgaande kabinetten met gevolgen voor de koopkracht in 2027:

  • Verlaging van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) met € 153.

  • Aanpassing van de bedragen in het kindgebonden budget in combinatie met steilere afbouw van het kindgebonden budget.

  • Bevriezing van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting (AHK) in de bijstand in de jaren 2025-2027. Als gevolg hiervan daalt de bijstand niet in 2027.

  • Verlaging van de zelfstandigenaftrek met € 300.

7.2.5 Algemeen koopkrachtbeeld

Deze paragraaf geeft een toelichting op het verwachte koopkrachtbeeld voor 2027. Dit gebeurt aan de hand van de boxplot (figuur 8) en een tabel met de koopkrachtontwikkeling voor een aantal voorbeeldhuishoudens (tabel 134).

De boxplot toont de koopkrachtontwikkeling voor alle huishoudens, en voor verschillende huishoudgroepen afzonderlijk. In de boxplot zijn vier uitsplitsingen gemaakt op basis van verschillende kenmerken: inkomen (in vijf groepen van 20%), inkomensbron (werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden), huishoudsamenstelling (tweeverdieners, alleenstaanden en alleenverdieners) en de aanwezigheid van kinderen (huishoudens met en zonder kinderen).

De boxplot laat steeds voor elke groep de mediane koopkrachtontwikkeling zien, ofwel de koopkrachtontwikkeling van het middelste huishouden. Dat betekent dat de helft van de huishoudens een hogere koopkrachtontwikkeling heeft dan de mediaan, en de helft van de huishoudens een lagere koopkrachtontwikkeling. In 2027 komt de mediane koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens uit op ‒ 0,1%. Dat betekent dat de koopkracht bij de helft van de huishoudens hoger uitvalt dan ‒ 0,1%, en bij de andere helft lager. Ondanks het feit dat de gemiddelde loonstijging (+3,8%) naar verwachting hoger is dan de inflatie (+2,7%), daalt de koopkracht. Dit komt doordat beleid per saldo een negatief effect heeft op de koopkracht. Huishoudens hebben baat bij een aantal maatregelen, zoals de verhoging van de arbeidskorting (technische invulling). Dit weegt echter niet op tegen het effect van maatregelen met een negatief effect op koopkracht, zoals de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor (vrijheidsbijdrage voor burgers) en de verhoging van het tarieven eerste en tweede schijf.

De hoogste twee inkomensgroepen hebben een mediane koopkrachtontwikkeling van ‒ 0,2%. De laagste inkomensgroep gaat er in doorsnee 0,2% op vooruit. Dit komt omdat een aantal maatregelen die negatief uitpakken voor de koopkracht meer betrekking hebben op huishoudens met hogere inkomens. Dit geldt bijvoorbeeld voor het bevriezen van het aangrijpingspunt van het toptarief en de steilere afbouw van het kindgebonden budget voor ouders met een hoog inkomen. Bovendien verzilveren huishoudens met een laag inkomen vaak niet alle heffingskortingen waar zij recht op hebben, waardoor zij relatief minder geraakt worden door de tariefsverhogingen in de eerste en tweede schijf en de vrijheidsbijdrage voor burgers.

De koopkracht van gepensioneerden komt uit op +0,3%. Dat komt vooral door de overgang naar een nieuw pensioenstelsel en de gunstige dekkingsgraden, waardoor veel fondsen incidenteel meer kunnen indexeren dan in voorgaande jaren. De verschillen tussen andere groepen (zoals alleenverdieners versus tweeverdieners, of huishoudens met en zonder kinderen) zijn beperkt.

De boxplot geeft ook de spreiding van de koopkrachtontwikkeling binnen de verschillende groepen. Hiervoor toont de figuur het 25e en 75e percentiel. Dat zijn de waarden die horen bij de uiteinden van de blauwe balkjes. Het 25e percentiel betekent dat een kwart van de huishoudens een lagere koopkrachtontwikkeling heeft dan de bijbehorende waarde, en driekwart van de huishoudens een hogere koopkrachtontwikkeling. In 2027 komen het 25e en 75e percentiel uit op ‒ 0,4% en +0,3%. Dat betekent dat de koopkrachtontwikkeling bij de helft van alle huishoudens tussen ‒ 0,4% en +0,3% ligt. Tot slot toont de boxplot het 5e en 95e percentiel. Dat zijn de uiteinden van de horizontale lijntjes. De waarden die horen bij deze uiteinden geven aan tussen welke waarden de koopkracht van 90 procent van de huishoudens zich ontwikkelt. Deze waarden staan symbool voor de hoogste en laagste koopkrachtontwikkeling in dat jaar. De boxplot laat zien dat de koopkracht van 90 procent van de huishoudens in 2027 naar verwachting tussen ‒ 1,3% en +1,2% ligt.

Figuur 8 Boxplot verwachte koopkrachtontwikkeling 2027

Figuur 8 toont een boxplot met de verwachte koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen huishoudens in 2027. De mediane koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens komt in 2027 naar verwachting uit op -0,1%.

De boxplot geeft goed inzicht in de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen in de samenleving en de spreiding binnen die groepen, maar is moeilijk te relateren aan concrete huishoudtypen. Daarom toont tabel 134 de koopkrachtontwikkeling van een aantal voorbeeldhuishoudens. Dit zijn versimpelde voorbeelden van herkenbare huishoudtypen, zoals minimumloonverdieners, huishoudens met bijstand, alleenstaande ouders of AOW’ers zonder aanvullend pensioen. Hoewel er in de praktijk weinig huishoudens zijn die exact overeenkomen met de gehanteerde aannames achter de getoonde voorbeeldhuishoudens, zijn de voorbeelden wel representatief voor een groep soortgelijke huishoudens.

In het kader van representativiteit zijn de berekeningen voor de koopkracht­ontwikkeling van voorbeeldhuishoudens in principe gebaseerd op generieke (inkomens)regelingen, waarop alle vergelijkbare huishoudens aanspraak kunnen maken. Denk daarbij aan de belastingtarieven en heffingskortingen in de inkomstenbelasting, en regelingen zoals de zorgtoeslag, kinderbijslag of het kindgebonden budget. Voor huishoudens met kinderen zijn de berekeningen gebaseerd op de aanwezigheid van twee kinderen tussen 6 en 11 jaar oud. Regelingen waarvan niet duidelijk is of vergelijkbare huishoudens er aanspraak op kunnen maken (of in welke mate), zijn niet meegenomen. Denk daarbij aan de kinderopvangtoeslag (niet alle huishoudens met kinderen maken gebruik van kinderopvang, en voor zover ze dat wel doen niet in dezelfde mate), de hypotheekrenteaftrek (niet alle huishoudens hebben een koopwoning, en voor zover ze dat wel hebben verschilt de rente die kan worden opgevoerd als aftrekpost), de huurtoeslag (niet alle huishoudens hebben een huurwoning, en voor zover ze die wel hebben verschilt de huurhoogte) of gemeentelijke regelingen (het aanbod van regelingen verschilt per gemeente).

De voorbeeldhuishoudens illustreren hoe de effecten van beleid verschillend kunnen neerslaan bij verschillende huishoudens. Dat geldt bijvoorbeeld voor de aanpassingen in de kindregelingen. Huishoudens met een lager inkomen hebben baat bij de verhoging van de bedragen per kind in de kinderbijslag. Dit geldt bijvoorbeeld voor een alleenstaande ouder op minimumloonniveau, een alleenverdiener met een modaal inkomen, of huishoudens met kinderen op het sociaal minimum. Huishoudens met kinderen met een hoger (midden)inkomen ondervinden juist nadeel van de steilere afbouw van het kindgebonden budget. Dit geldt bijvoorbeeld voor een alleenverdiener die 2x modaal verdient of een huishoudens met tweeverdieners die samen 1,5x modaal verdienen. De alleenverdiener die 2x modaal verdient krijgt daarnaast te maken met het bevriezen van het aangrijpingspunt van het toptarief en profiteert slechts eenmaal van de vehoogde arbeidskorting, waardoor de koopkrachtontwikkeling lager uitvalt.

In de tabel met voorbeeldhuishoudens is ook terug te zien hoe de vrijheidsbijdrage en tariefsverhogingen in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting huishoudens verschillend kunnen raken. In principe slaan de effecten gelijkmatig neer, behalve als huishoudens hun belastingkortingen niet volledig verzilveren. Dan heeft de lastenverzwaring niet of nauwelijks effect, omdat de extra te betalen belasting wordt gecompenseerd door de heffingskorting. Dit geldt bijvoorbeeld voor personen met een inkomen van 0,5x modaal of huishoudens met alleen AOW. Dit verklaart waarom AOW’ers zonder aanvullend pensioen en huishoudens met tweeverdieners die samen 2,5x modaal verdienen een positieve koopkrachtontwikkeling hebben.

Tabel 134 Verwachte koopkrachtontwikkeling voorbeeldhuishoudens 2027

Werkenden

 

Alleenverdiener met kinderen

 

modaal

0,4%

2 x modaal

‒ 1,7%

  

Tweeverdieners

 

modaal + ½ x modaal met kinderen

‒ 0,1%

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

0,1%

2½ x modaal + modaal met kinderen

‒ 0,2%

modaal + modaal zonder kinderen

‒ 0,1%

2 x modaal + modaal zonder kinderen

‒ 0,3%

  

Alleenstaande

 

minimumloon

0,4%

modaal

‒ 0,1%

2 x modaal

‒ 0,4%

  

Alleenstaande ouder

 

minimumloon

1,2%

modaal

‒ 0,3%

  

Niet-werkenden

 

Sociale minima

 

paar met kinderen

0,4%

alleenstaande

‒ 0,1%

alleenstaande ouder

0,5%

  

AOW (alleenstaand)

 

(alleen) AOW

0,5%

AOW +10000

0,3%

  

AOW (paar)

 

(alleen) AOW

0,5%

AOW +10000

0,4%

AOW +30000

0,0%

7.2.6 Armoede

Deze paragraaf geeft een toelichting op de verwachte ontwikkeling van de (kinder)armoedecijfers in 2027. Het kabinet streeft ernaar om de (kinder)armoede niet op te laten lopen. Tabel 135 toont de verwachte ontwikkeling van de (kinder)armoedecijfers in de periode 2024-2027 volgens de armoededefinitie van CBS, Nibud en SCP. De tabel laat zien dat het aandeel personen in armoede gelijk blijft in 2027, en dat het aandeel kinderen in armoede daalt van 2,4% naar 2,3% in 2027.

Tabel 135 Verwachte ontwikkeling (kinder)armoedecijfers
 

2024

2025

2026

2027

Aandeel personen in armoede

3,1%

3,0%

2,6%

2,6%

Aandeel kinderen in armoede

2,8%

2,6%

2,4%

2,3%

7.2.7 Financiële prikkels bij werkaanvaarding of meer uren werken

Naast een evenwichtig inkomensbeeld en het voorkomen van oplopende armoede streeft het kabinet een activerend arbeidsmarktbeleid na. Dat houdt onder andere in dat mensen erop vooruitgaan als zij gaan werken, of als zij meer uren gaan werken. Deze paragraaf belicht vanuit verschillende invalshoeken in welke mate het loont om (meer uren) te gaan werken. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt tussen 2026 en 2027.

Tabellen 136 en 137 geven voor verschillende huishoudsituaties inzicht in de prikkels om (meer uren) te gaan werken vanuit vier verschillende invalshoeken.

De werkloosheidsval (tabel 136) laat de inkomensvooruitgang zien bij het aanvaarden van werk vanuit een bijstandsuitkering. Het uitgangspunt is daarbij steeds dat mensen een baan vinden op minimumloonniveau. Een hoger percentage in de tabel betekent dat de stap van uitkering naar werk financieel aantrekkelijker is. Tabel 136 laat zien dat de stap van uitkering naar werk voor alleenstaanden zonder kinderen relatief aantrekkelijk is, en dat alleenverdieners met kinderen en alleenstaande ouders minder overhouden als zij gaan werken. De belangrijkste verklaring voor deze beperkte inkomensvooruitgang bij alleenverdieners is dat het brutoloon maar beperkt hoger is dan de bruto bijstand voor een paar. Bij een alleenstaande ouder spelen daarnaast de netto-kosten van kinderopvang een rol. De laatste kolom van de tabel laat zien dat de verschillen tussen 2026 en 2027 zeer beperkt zijn.

Tabel 136 Werkloosheidsval

Werkloosheidsval

   

Inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk op minimumloonniveau vanuit een bijstandsuitkering

2026

2027

Verschil

Alleenverdiener met kinderen

6%

6%

Geen verschil

Alleenstaande

40%

41%

+1%-punt

Alleenstaande ouder (gaat werken in deeltijd (0,8 fte))

11%

12%

+1%-punt

De doorgroeival brengt de marginale druk in beeld wanneer er een loonsverhoging of promotie plaatsvindt. Het uitgangspunt in deze paragraaf is daarbij steeds dat mensen van 100% wml naar 150% wml doorgroeien. Tabel 137 (eerste set voorbeelden) laat de cijfers van de marginale druk zien. Een hoger percentage betekent dat mensen minder overhouden van extra verdiend inkomen. De tabel laat zien dat de marginale druk bij een hogere beloning van werk voor alleenstaande ouders relatief laag is (34%), maar aanzienlijk hoger is voor de andere huishoudtypen. De belangrijkste verklaringen hiervoor zijn de inkomstenbelasting en het afbouwen van toeslagen bij een hoger inkomen. De laatste kolom in tabel 137 laat zien dat de marginale druk bij een hogere beloning van werk voor een alleenverdiener gelijk is gebleven. Voor een alleenstaande en alleenstaande ouder is de marginale druk iets toegenomen. Dit komt door de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor, de verhoging van de tarieven in de 1e en 2e schijf van de inkomstenbelasting en de en de afbouw van de IACK (zie ook paragraaf 7.2.9).

De herintredersval toont de marginale druk wanneer een niet-werkende partner met een werkende partner een baan vindt. Het uitgangspunt is daarbij steeds dat de niet-werkende partner een baan vindt met een deeltijdfactor van 0,6 fte. De deeltijdval toont de marginale druk wanneer een deeltijdwerkende partner meer uren gaat werken. Het uitgangspunt is daarbij steeds dat de deeltijdwerkende partner doorgroeit van 0,6 naar 0,8 fte. Tabel 137 (tweede en derde set voorbeelden) laat de cijfers van de marginale druk zien. Een hoger percentage betekent dat mensen minder overhouden als ze (meer uren) gaan werken. De tabel laat zien dat het voor de getoonde huishoudtypen financieel loont om de stap naar werk te zetten of om meer uren te gaan werken.

De tabel laat daarnaast zien dat gaan werken (herintredersval) of meer uren gaan werken (deeltijdval) in 2027 voor sommige huishoudens lonender is geworden, terwijl het voor andere huishoudens minder lonend is geworden. Dat komt vooral doordat er zowel maatregelen zijn die werken lonender maken als maatregelen die werken minder lonend maken. Niet alle huishoudens krijgen echter met alle maatregelen te maken, waardoor de arbeidsmarktprikkels voor sommige huishoudens verbeteren en voor andere huishoudens verslechteren. Huishoudens met een hoger inkomen hebben bijvoorbeeld baat bij de hogere vergoedingspercentages voor kinderopvang, waardoor werken lonender wordt. De steilere afbouw van het kindgebonden budget verhoogt in principe de marginale druk voor huishoudens op het afbouwpad, maar zorgt er ook voor dat een deel van de huishoudens met een hoger inkomen niet langer in aanmerking komt voor kindgebonden budget – en dus ook niet meer te maken heeft met de afbouw ervan. De beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor zorgt ervoor dat de heffingskortingen minder worden verhoogd. Sommige werkenden met lage inkomens kunnen op dit moment niet alle belastingkortingen verzilveren, waardoor zij geen nadeel ondervinden van lagere belastingkortingen.

Tabel 137 Doorgroeival, herintredersval en deeltijdval

Doorgroeival

   

Marginale druk bij hogere beloning werk (150% wml i.p.v. 100% wml)

2026

2027

Verschil

Alleenverdiener met kinderen

76%

78%

+2%-punt

Alleenstaande

70%

71%

+1%-punt

Alleenstaande ouder (werkt in deeltijd (0,8 fte))

30%

34%

+4%-punt

Herintredersval

   

Marginale druk bij aanvaarden werk niet-werkende partner

2026

2027

Verschil

Partner 1 verdient minimumloon

46%

48%

+2%-punt

Partner 2 in deeltijd (0,6 fte) op minimumloonniveau

   

Partner 1 verdient modaal

30%

30%

Geen verschil

Partner 2 in deeltijd (0,6 fte) en verdient 50% modaal

   

Partner 1 verdient 200% modaal

28%

22%

‒ 6%-punt

Partner 2 in deeltijd (0,6 fte) en verdient 50% modaal

   

Deeltijdval minstverdienende partner

   

Marginale druk bij meer uren werken

2026

2027

Verschil

Partner 1 verdient minimumloon

51%

54%

+3%-punt

Partner 2 gaat van 0,6 naar 0,8 fte op minimumloonniveau

   

Partner 1 verdient modaal

25%

28%

+3%-punt

Partner 2 gaat van 0,6 naar 0,8 fte en gaat van 50% naar 67% modaal

   

Partner 1 verdient 200% modaal

31%

29%

‒ 2%-punt

Partner 2 gaat van 0,6 naar 0,8 fte en gaat van 50% naar 67% modaal

   

Methodologische toelichting op tabellen 136 en 137

In tabellen 136 en 137 is – overal waar dat van toepassing zou kunnen zijn – rekening gehouden met de afbouw van de huurtoeslag, de kosten van kinderopvang, en het verlies van kwijtschelding van lokale lasten. Daarmee illustreren de tabellen zo goed mogelijk waar mensen mee te maken kunnen krijgen. In de praktijk zullen echter niet alle mensen hiermee te maken hebben. Als gevolg daarvan kan de inkomensvooruitgang bij het aanvaarden van werk in de praktijk hoger uitvallen dan in tabel 136, en kan de marginale druk bij een hoger inkomen of meer uren werk in de praktijk lager uitvallen dan in tabel 137.

In tabellen 136 en 137 is geen rekening gehouden met het eventuele verlies van ondersteuning via de bijzondere bijstand of gemeentelijke regelingen.12 Voor sommige huishoudens rondom het sociaal minimum kunnen deze regelingen een betekenisvol inkomensbestanddeel vormen. Dit geldt vooral voor huishoudens met kinderen. Als de alleenstaande ouder in tabel 136 bijvoorbeeld een bedrag van € 500 op jaarbasis aan bijzondere bijstand en/of gemeentelijke minimaregelingen zou ontvangen, en het recht hierop vervalt bij het aanvaarden van werk, dan valt de inkomensvooruitgang 2%-punt lager uit.

In aanvulling op de financiële prikkels bij (meer uren) werken voor specifieke huishoudtypen (tabellen 136 en 137) toont tabel 138 voor een aantal inkomensklassen de gemiddelde marginale druk van werkenden. Voor de berekening hiervan is gebruik gemaakt van de eerdergenoemde steekproef. De tabel toont voor vijf inkomensklassen de gemiddelde marginale druk van werknemers weergegeven bij een bruto-loonstijging van 3%. De marginale druk geeft ook hier aan hoeveel procent van de bruto-loonstijging niet resulteert in een hoger besteedbaar inkomen. Ten opzichte van 2026 stijgt de marginale druk in 2027 voor de meeste huishoudens. Dit komt vooral door de verhoging van de tarieven in de 1e en 2e schijf, de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor en de steilere afbouw van het kindgebonden budget. Samenstellingseffecten kunnen overigens ook een rol spelen bij mutaties in de gemiddelde marginale druk.

Tabel 138 Gemiddelde marginale druk bij verschillende inkomenscategorieën

Bruto-inkomen

2026

2027

Omvang inkomensgroep (2026, in %)

<wml

18,5%

19,2%

21%

1-1,5x wml

49,3%

50,7%

24%

1,5-2x wml

54,3%

54,8%

22%

2-3x wml

57,0%

58,1%

23%

>3x wml

57,9%

57,6%

11%

Figuur 9 toont verhouding tussen de marginale druk en het bruto-inkomen. De dikgedrukte lijn in de figuur toont de gemiddelde marginale druk. De stippellijnen tonen het zogenoemde 5e en 95e percentiel van de marginale druk. Het 95e percentiel betekent dat 95 procent van de werkenden met dat inkomen een lagere marginale druk heeft, en dat 5 procent van de werkenden met dat inkomen een hogere marginale druk heeft. Het 5e en 95e percentiel vormen bij benadering de onder- en bovengrens (extremen) van de marginale druk. De belangrijkste verklaring voor het verloop van de marginale druk is de inkomstenbelasting. Daarnaast spelen ook de toeslagen met een inkomensafhankelijke afbouw een rol. Een hoger inkomen betekent immers afbouw van toeslagen.

Figuur 9 laat zien dat de gemiddelde marginale druk relatief laag is bij inkomens tot circa € 25.000, en dan oploopt tot circa 50 à 60%. De figuur laat echter ook zien dat een deel van de werknemers met een inkomen tussen minimumloon en modaal een zeer hoge marginale druk heeft (meer dan 80%). Deze hoge marginale druk ontstaat vaak door gelijktijdige afbouw van meerdere toeslagen.

Figuur 9 Gemiddelde en extreme marginale druk naar inkomensniveau 2027

Figuur 9 toont de verhouding tussen de gemiddelde marginale druk en het inkomen in 2027. De figuur laat ook de extremen in marginale druk zien, die staan voor een onder- en bovengrens van de marginale druk.

In de paragraaf is tot nu toe met name aandacht besteed aan de marginale druk. De marginale druk geeft aan welk deel van extra verdiend inkomen opgaat aan belastingheffing, pensioenopbouw en de afbouw van toeslagen. Het vervolg van deze paragraaf gaat in op de gemiddelde druk. De gemiddelde druk laat zien welk deel van het totale bruto inkomen gemiddeld genomen opgaat aan belastingheffing en pensioenopbouw, rekening houdend met toeslagen. Over het algemeen geldt dat een hoge marginale druk samengaat met een lage gemiddelde druk en andersom.

Figuur 10 toont de gemiddelde belastingdruk op huishoudniveau voor alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners in 2027. In de berekening wordt voor alle toeslagen en de kinderbijslag zowel de toeslag zelf als de bijbehorende kosten meegenomen.

Figuur 10 Gemiddelde belastingdruk naar huishoudtype 2027

Figuur 10 toont de verhouding tussen de gemiddelde belastingdruk en het inkomen voor drie verschillende huishoudtypen: alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners.

7.2.8 Moties en toezeggingen

Het kabinet heeft bij de besluitvorming over het koopkracht- en armoedebeeld een aantal moties gewogen. In de eerste plaats de motie-Bikker c.s. (Kamerstukken II, 2025–2026, 36 848, nr. 84), die de regering verzoekt om er zorg voor te dragen dat de armoede in deze kabinetsperiode afneemt in plaats van toeneemt. Zoals toegelicht in paragraaf 7.2.6 komt het armoedecijfer in 2027 uit op 2,6%, hetzelfde niveau als 2026. Daarmee daalt de armoede komend jaar niet, maar voorkomt het kabinet wel dat de armoede stijgt ten opzichte van 2026. Gegeven de grote uitdagingen waar dit kabinet voor staat, de aanhoudende oorlog in het Midden-Oosten en de gevolgen daarvan voor de inflatie en de koopkracht, acht het kabinet een stabilisering van het armoedecijfer voor komend jaar het hoogst haalbare. Ondertussen blijft het kabinet zich inzetten voor de bestrijding van armoede, bijvoorbeeld door niet-gebruik terug te dringen, de inkomenszekerheid te verbeteren, en mensen te stimuleren om te gaan werken of meer uren te gaan werken. Hiermee beschouwt het kabinet de motie als afgedaan. De motie-Van Ark/Neijenhuis (Kamerstukken II, 2025-2026, 36 800 XV, nr. 71) verzoekt de regering om aan de slag te gaan met de harmonisering van het aantal leefvormvarianten in de AOW en hier voor Prinsjesdag een voorstel voor te doen. Een beleidsvoorstel dat hierin voorziet door voortaan een partnerbegrip te hanteren met objectieve criteria is vergaand uitgewerkt, maar vergt ook een intensivering op de AOW-uitgaven. De motie voorzag niet in een dekkingsvoorstel. In de bredere weging van alle SZW-opgaven is besloten op dit moment geen voorstel voor dekking te doen, waardoor het objectief partnerbegrip nu geen doorgang vindt. Het kabinet beschouwt de motie als afgedaan. De vereenvoudigingsopgave van de sociale zekerheid blijft voor het kabinet belangrijk.

7.2.9 Overzicht van beleidsmaatregelen met inkomenseffecten in 2027

Tabel 139 Overzicht beleidsmaatregelen met (positief + / negatief -) inkomenseffecten 2027

Thema

Beleidsmaatregel

Inkomenseffect

Verwerkt in boxplot

1. Fiscaal generiek

Verhoging tarieven eerste en tweede schijf in de inkomstenbelasting

Ja

 

Beperkte indexering bovengrens eerste belastingschijf (Houdbaarheidsbijdrage)

Ja

 

Beperkte toepassing tabelcorrectiefactor (vrijheidsbijdrage)

Ja

 

Verhoging arbeidskorting

+

Ja

 

Bevriezen aanvangspunt toptarief

Ja

 

Verlaging inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)

Ja

 

Verlaging ouderenkorting

Ja

 

Verlaging zelfstandigenaftrek

Ja

 

Verlaging startersaftrek

Ja

 

Fiscale maatregelen met een effect op de inflatie

+/-

Ja (via inflatie)

2. Sociale zekerheid

Aanpassingen binnen het kindgebonden budget

+/-

Ja

 

Verhoging kinderbijslag

+

Ja

 

Bevriezen aftoppingsgrens pensioenopbouw t/m 2032

+

Ja

 

Verhoging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslag

+

Ja

 

Tijdelijk Noodfonds Energie

+

Ja

 

Verlagen vermogensgrens in de zorgtoeslag en het kindgebonden budget

Ja

 

Bevriezen afbouw dubbele algemene heffingskorting in de hoogte van de bijstand

+

Ja

3. Zorg

Verhoging van het normpercentages binnen de zorgtoeslag en steilere afbouw

Ja

4. Wonen

Verhogen eigen bijdrage in de huurtoeslag met 58 cent per maand (verlaging huurtoeslag)

Ja

 

Geleidelijke afschaffing belastingaftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Wet Hillen)

Ja

  • 1. Fiscaal generiek

Aanpassing schijftarieven inkomstenbelasting (lastenverzwaring)

Het tarief van de eerste schijf (inkomen tot circa € 39.200) gaat met 0,48%-punt omhoog, van 35,75% naar 36,23%. Het tarief in de tweede schijf (inkomen tussen circa € 39.200 en € 78.400) gaat met 0,60%-punt omhoog, van 37,56% naar 38,16%. De tariefaanpassingen zijn een saldo van een verhoging als gevolg van de afgesproken compenserende lastenverhoging voor de dalende zorgpremies uit het Coalitieakkoord, een verhoging door een herijking van de tarieven en een daling als deel van de technische invulling van het koopkrachtpakket uit de augustusbesluitvorming. Deze maatregelen hebben een gezamenlijk mediaan inkomenseffect van ‒ 0,5%.

Beperkte indexering bovengrens eerste belastingschijf (Houdbaarheidsbijdrage)

Sinds 2011 wordt de bovengrens van de (huidige) eerste schijf (circa € 30.900 in 2027) maar voor 75% geïndexeerd, zodat vergeleken met volledige indexatie de eerste schijf verkort wordt en de tweede schijf verlengd. Personen geboren in 1945 of eerder zijn van deze maatregel uitgezonderd. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van 0,0% voor de huishoudens met een effect.

Beperkte toepassing tabelcorrectiefactor (vrijheidsbijdrage)

Voor 2027 komt de tabelcorrectiefactor (tcf) uit op 2,6%. In het Coalitieakkoord is besloten om de tcf beperkt toe te passen in de inkomstenbelasting. Daardoor wordt de tcf maar voor 48% toegepast; de parameters in de inkomstenbelasting worden daarom met 1,25% geïndexeerd. In de toeslagen wordt wel de volledige tcf toegepast. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,2%.

Verhoging arbeidskorting

In de koopkrachtbesluitvorming is besloten om als deel van de technische invulling van het koopkrachtpakket de arbeidskorting beleidsmatig met € 173 te verhogen op alle knikpunten. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van +0,4% voor de huishoudens met een effect.

Bevriezen aanvangspunt toptarief

In de koopkrachtbesluitvorming is besloten het aanvangspunt van het toptarief op het niveau van 2026 (€ 78.426) te bevriezen. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,1%. Deze maatregel heeft ook een negatief inkomenseffect op huishoudens met een inkomen onder het aanvangspunt van het toptarief omdat de algemene heffingskorting naar € 0 is afgebouwd bij het aanvangspunt van het toptarief. Bij een bevriezing van het aanvangspunt van het toptarief verloopt de afbouw van de algemene heffingskorting steiler.

Verlaging inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)

De IACK wordt per 2027 afgebouwd in negen stappen. In 2027 wordt de IACK met € 153 verlaagd. Op 1 januari 2035 is de IACK volledig afgebouwd. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,2% voor de huishoudens met een effect.

Verlaging ouderenkorting

In de koopkrachtbesluitvorming is besloten de ouderenkorting eenmalig te verlagen met € 100. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,3% voor de huishoudens met een effect.

Verlaging zelfstandigenaftrek

Sinds 2020 wordt de zelfstandigenaftrek in stappen verlaagd. In 2027 wordt de zelfstandigenaftrek verlaagd met € 300 van € 1.200 naar € 900. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,1% voor huishoudens met een effect.

Verlaging startersaftrek

De startersaftrek wordt met € 2.113 verlaagd van € 2.123 naar € 10. Per 2028 wordt de startersaftrek afgeschaft. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,8% voor de huishoudens met een effect.

Fiscale maatregelen met een effect op de inflatie

Een aantal maatregelen van dit kabinet heeft effect op de prijzen die consumenten betalen. Tijdens de augustusbesluitvorming is besloten om de verlaging van de brandstofaccijnzen te verlengen met één jaar, tot 1 januari 2027. Daarnaast verhoogt het kabinet de belasting op leidingwater, worden de alcoholaccijns vanaf 2027 geïndexeerd, verlaagt het kabinet het tarief van de vliegbelasting op langeafstandsvluchten en wordt het lage btw-tarief in de sierteelt afgeschaft.

2. Sociale zekerheid

Aanpassingen binnen het kindgebonden budget

In 2027 vinden meerdere wijzigingen in het kindgebonden budget plaats. Per saldo nemen de kindbedragen toe met € 73 per jaar ten opzichte van 2026. Dit is het gevolg van een beleidsmatige verlaging van de kindbedragen door het kabinet, een beleidsmatige verhoging door het vorige kabinet en indexatie met de tabelcorrectiefactor. Verder wordt een tweede knikpunt geïntroduceerd in de afbouw van het kindgebonden budget, waarna de toeslag sneller afbouwt. Tijdens de augustusbesluitvorming is besloten het afbouwpercentage na het tweede knikpunt in 2027 te verlagen naar 9,95% in plaats van de eerder voorgenomen 12,35%. Deze maatregelen hebben een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,2% voor de huishoudens met een effect.

Verhoging kinderbijslag

In het Coalitieakkoord is budget vrijgemaakt ter versterking van de inkomenspositie van gezinnen. Als onderdeel hiervan wordt de kinderbijslag in 2027 met ca € 90 per jaar verhoogd. Deze maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van +0,2% voor de huishoudens met een effect.

Bevriezen aftoppingsgrens pensioenopbouw t/m 2032

Het maximum pensioengevend loon wordt per 2027 voor een periode van zes jaar niet geïndexeerd. Hierdoor blijft het maximum tot en met 2032 bevroren op € 137.800 (niveau 2026). Dit leidt tot een hogere koopkracht op de kortere termijn door lagere pensioenpremies. Echter leidt het ook tot een lagere pensioenopbouw.

Verhoging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslag

Als onderdeel van een ingroeipad naar een vergoeding van 96% van de kosten van kinderopvang (tot aan de maximumuurprijs) voor alle werkende ouders, worden in 2027 de vergoedingspercentages binnen de kinderopvangtoeslag verhoogd voor huishoudens met een verzamelinkomen hoger dan circa € 60.200. De maatregel heeft positieve inkomenseffecten voor huishoudens met een verzamelinkomen boven genoemde grens die gebruik maken van kinderopvang. De omvang van het positieve effect hangt af van het aantal uren kinderopvang dat ouders afnemen en de hoogte van het inkomen van ouders. Huishoudens met een inkomen lager dan circa € 60.200 ontvangen nu al een vergoeding van 96% van de kosten van kinderopvang (tot aan de maximumuurprijs).

Tijdelijk Noodfonds Energie

Het Noodfonds Energie ondersteunt huishoudens met een relatief laag inkomen en hoge energierekening bij het betalen van hun energierekening. Het Noodfonds Energie vergoedt voor huishoudens met een inkomen tot 130% (dan wel 200%) van het sociaal minimum 50% van de energierekening op jaarbasis van het bedrag boven de energiequote van 8% (dan wel 10%). Naar schatting kunnen ongeveer een half miljoen huishoudens aanspraak maken op een tegemoetkoming van het Noodfonds Energie. Deze maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van 0,8% voor de huishoudens met een effect.

Verlagen vermogensgrens in de zorgtoeslag en het kindgebonden budget

De vermogensgrenzen in de zorgtoeslag en het kindgebonden budget worden per 2027 verlaagd naar € 119.122 (alleenstaande) en € 158.748 (paren). Deze maatregelen hebben een gezamenlijk mediaan inkomenseffect van ‒ 4,8% voor de huishoudens met een effect.

Bevriezen afbouw dubbele algemene heffingskorting in de bijstand

In de jaren 2025, 2026 en 2027 wordt de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de hoogte van de bijstand bevroren. Per 1 januari 2028 wordt de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting hervat. Dit heeft een inkomenseffect van +0,1%, ten opzichte van het afbouwen van de dubbele algemene heffingskorting.

3. Zorg

Verhoging van het normpercentages binnen de zorgtoeslag en steilere afbouw

Elk jaar worden de normpercentages binnen de zorgtoeslag (licht) verhoogd en wordt het afbouwpercentage (licht) verhoogd. Hierdoor ontvangen mensen iets minder zorgtoeslag. Deze maatregelen hebben een mediaan inkomenseffect van 0,0% voor de huishoudens met een effect.

4. Wonen

Verhogen eigen bijdrage in de huurtoeslag (verlaging huurtoeslag)

De eigen bijdrage in de huurtoeslag neemt toe met € 0,58 per maand in 2027. Deze maatregelen hebben een mediaan inkomenseffect van 0,0% voor huishoudens met een effect.

Geleidelijke afschaffing belastingaftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Wet Hillen)

Vanaf 1 januari 2019 wordt de aftrek voor de kleine woningschuld stapsgewijs afgebouwd. Vanaf 2026 is het afbouwpercentage verhoogd van 3,33% naar 4,8% per jaar. Vanaf 1 januari 2041 vervalt de aftrek helemaal. In 2027 is er sprake van een maximale aftrek van 67% van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de aftrekbare (rente)kosten voor de eigen woning. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van 0,0% voor de huishoudens met een effect.

7.2.10 Maatregelen Caribisch Nederland

In reactie op het rapport van de Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland heeft het kabinet Rutte IV in 2024 het minimumloon, de belastingvrije som en minimumuitkeringen flink verhoogd. Het kabinet wil nu, in lijn met het rapport, de coalitiemiddelen hoofdzakelijk inzetten om de kosten van levensonderhoud structureel te verlagen. Op korte termijn kiest het kabinet voor een aantal incidentele tariefverlagende investeringen, het continueren van bestaande subsidieregelingen, en ondersteuning voor betaalbare kinderopvang voor minimahuishoudens. In de Voorjaarsnota van volgend jaar zal het kabinet de € 30 miljoen voor de langere termijn mede op basis van de inbreng van de eilanden verder uitwerken.

Maatregelen gericht op het inkomen

  • In het voorjaar zijn aanvullende middelen beschikbaar gesteld om de energietoelage te verruimen. In 2026 en 2027 is in totaal € 5,25 miljoen per jaar gereserveerd.

  • De Kinderbijslagvoorziening BES wordt per 1 januari 2027 verhoogd met 4 USD per kind per maand, bovenop de inflatiecorrectie.

  • De belastingvrije kilometervergoeding wordt verhoogd van 20 dollarcent naar 22 dollarcent per kilometer.

  • Op 1 januari 2027 treedt de werkloosheidsvoorziening BES in werking. Werknemers die in Caribisch Nederland werkloos raken, krijgen hiermee recht op een uitkering van 75% van het laatstverdiende maandloon voor de periode van maximaal 3 maanden.

Maatregelen gericht op de kosten van levensonderhoud

  • Tijdelijke verlaging van de benzineaccijns

  • Er wordt € 0,4 miljoen vrijgemaakt voor de kindplaatssubsidie voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hierdoor kunnen kinderen van ouders in een financieel kwetsbare positie naar de kinderopvang.  

  • Er wordt voor 2027 € 5,8 miljoen vrijgemaakt om het budgettaire tekort in de structurele subsidies van de nutsvoorzieningen te dichten. De hoogte van de huidige subsidies om de (vaste) kosten van nutsvoorzieningen betaalbaar te houden, houdt geen rekening met de sterke bevolkingsgroei op Bonaire. Om te voorkomen dat er koopkrachtdaling plaatsvindt, heeft het kabinet hier op korte termijn middelen voor vrijgemaakt.

  • Er worden incidentele investeringen gedaan gericht op verduurzaming van de energievoorziening op Saba en Sint Eustatius, verbetering van de drinkwatervoorziening op Bonaire en Sint Eustatius en modernisering van het netwerk voor vast internet op Sint Eustatius. Deze maatregelen leiden tot lagere tarieven.

12

Vorig jaar werd in tabellen 136 en 137 nog wel rekening gehouden met bijzondere bijstand en gemeentelijke regelingen, door te rekenen met een vast bedrag aan ondersteuning voor alle huishoudens onder een bepaalde inkomensgrens. Een bedrag is echter lastig te onderbouwen, omdat goede data hierover ontbreken. Daarom is ervoor gekozen om in de tekst met een voorbeeld het effect van bijzondere bijstand en gemeentelijke regelingen te illustreren. Als gevolg van deze methodologische wijziging valt de inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding in 2026 (tabel 136) hoger uit dan het percentage dat vorig jaar in de begroting werd gerapporteerd voor 2026.

8. Bijlagen

Bijlage 1: Zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak

Deze bijlage bevat in tabel 140 een overzicht van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT) die onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van SZW vallen. In tabel 141 zijn de bijdragen aan de ZBO's en RWT's opgenomen die onder de verantwoordelijkheid van een ander ministerie vallen. De opgenomen bedragen zijn de in de beleidsartikelen verantwoorde uitgaven van de begrotings- en de premiegefinancierde regelingen in de budgettaire tabellen onder de instrumenten «Inkomensoverdrachten» en «Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s».

Tabel 140 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid)

Naam organisatie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen (x € 1 mln)

Uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Volgende evaluatie ZBO

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

ZBO en RWT

1,2,3,4,5,6,11

43.327,3

evaluatie

2026

inclusief

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)

Sociale Verzekeringsbank (SVB)

ZBO en RWT

2,6,8,9,10,11,13

68.406,8

evaluatie

2026

Bureau InformatieDiensten Nederland (BIDN)

RWT

11

22,4

evaluatie

2026

Tabel 141 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder andere ministeries)

Naam organisatie

Ministerie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen (x € 1 mln)

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

JenV

ZBO en RWT

13

42,6

Bijlage 2: Specifieke uitkeringen

Als het Rijk bijdragen onder voorwaarden ten behoeve van een bepaald openbaar belang aan provincies en gemeenten verstrekt, is op basis van artikel 15a lid 1 Financiële-verhoudingswet sprake van een specifieke uitkering. In deze bijlage is voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) aangegeven welke specifieke uitkeringen voor 2026 tot en met 2031 uitgekeerd worden en welke voornemens er zijn voor specifieke uitkeringen. De voornemens worden aangeduid met een «V» onder het kopje SiSa nummer (Single information Single audit). Indien nodig wordt er onder de tabel een toelichting gegeven.

Tabel 142 Overzicht specifieke uitkeringen (SPUK's) (bedragen x € 1 mln.)

SiSa nr.

Onderdeel

Toelichting

2026

2027

2028

2029

2030

2031

G2

Naam

SPUK Participatiewet

8.195,7

8.297,8

8.479,0

8.731,9

8.983,0

9.241,3

 

Korte duiding

Ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor zelfstandigen.

      
 

Juridische grondslag

Artikel 69 Participatiewet en artikel 48 Bbz

      
 

Maatschappelijke effecten

Zie toelichting onder artikel 2

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

      
         

SiSa nr.

Onderdeel

Toelichting

2026

2027

2028

2029

2030

2031

G3

Naam

SPUK Bbz

‒ 3,6

‒ 3,1

‒ 1,2

1,6

1,7

1,7

 

Korte duiding

Ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten voor de kapitaalverstrekkingen aan zelfstandigen op grond van het Besluit bijstand zelfstandigen.

      
 

Juridische grondslag

Artikel 49 en 50 Bbz

      
 

Maatschappelijke effecten

Zie toelichting onder artikel 2

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

      
         

SiSa nr.

Onderdeel

Toelichting

2026

2027

2028

2029

2030

2031

G4

Naam

SPUK Tozo

‒ 40,1

‒ 33,7

‒ 1,9

0,0

0,0

0,0

 

Korte duiding

Ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten voor de algemene bijstand en kapitaalverstrekkingen aan zelfstandigen op grond van de Tozo.

      
 

Juridische grondslag

Artikel 19 Tozo

      
 

Maatschappelijke effecten

Zie toelichting onder artikel 2

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

      
         

SiSa nr.

Onderdeel

Toelichting

2026

2027

2028

2029

2030

2031

G10

Naam

SPUK Wet inburgering 2021

289,6

303,7

353,8

349,0

315,1

316,8

 

Korte duiding

Ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten voor de financiering van inburgeringsvoorzieningen.

      
 

Juridische grondslag

Artikel 40 Wet inburgering

      
 

Maatschappelijke effecten

Zie toelichting onder artikel 13

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

13 Inburgering en Integratie

      
         

SiSa nr.

Onderdeel

Toelichting

2026

2027

2028

2029

2030

2031

G12

Naam

SPUK Kwijtschelden schulden

7,0

6,6

3,3

0,0

0,0

0,0

 

Korte duiding

Compensatie van gemeenten voor het kwijtschelden van publieke schulden in het kader van de hersteloperatie Kinderopvangtoeslag.

      
 

Juridische grondslag

Artikel 7.3 Wet hersteloperatie toeslagen

      
 

Maatschappelijke effecten

Het kabinet zet zich in om gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire en hun kinderen te helpen en te voorkomen dat zoiets ooit nog kan gebeuren. Om gedupeerden en ex-partners met een schone lei te laten starten, is onder andere besloten tot het kwijtschelden van openstaande gemeentelijke schulden.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten

      
 

Artikel

7 Kinderopvang

      
         

SiSa nr.

Onderdeel

Toelichting

2026

2027

2028

2029

2030

2031

G16

Naam

SPUK Grensinformatiepunten

1,6

1,6

1,6

1,6

1,6

1,6

 

Korte duiding

Dit bedrag wordt verdeeld over 6 rijksontvangers (provincies/gemeenten). Dit doet SZW op basis van een convenant uit 2019 met de provincies/gemeenten. De voorwaarden hierin hebben onder andere betrekking op cofinanciering door de provincies/gemeenten van 50%. Met een SPUK komt SZW tot een rechtmatige betaling.

      
 

Juridische grondslag

Ministeriële regeling

      
 

Maatschappelijke effecten

Een vitale grensoverschrijdende arbeidsmarkt heeft op regionaal en op nationaal niveau voordelen. Een goed functionerende grensinformatiestructuur is daarbij van groot belang. Het netwerk van tien bestaande Grensinfopunten (GIP’s) vormt hier een belangrijk onderdeel van.

      
 

Ontvangende partijen

Gemeenten/Provincies

      
 

Artikel

2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

      
         

Totaal

  

8.450

8.573

8.835

9.084

9.301

9.561

Bijlage 3: Subsidieoverzicht

Tabel 143 Subsidies uit hoofde van subsidieregelingen (bedragen x € 1.000)

Artikel

Naam subsidie (regeling)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie

Volgende evaluatie

Einddatum subsidie

1

Actieprogramma DILLO

0

9.790

21.588

16.157

16.137

15.158

17.158

2025

20271

2028

1

Stimuleringsregeling LLO in het MKB

52.804

52.215

79.180

60.191

44.291

41.672

41.672

2025

20292

2029

1

NOW

133.747

29.499

0

0

0

0

0

2024

 

2024

1

MDI&EU

133.220

205.296

64.444

0

0

0

0

2026

 

2025

1

Onderzoek interventies arbeidstijd

1.478

4.772

3.160

3.289

4.407

0

0

 

2027

2029

1

Duurzame inzetbaarheid

 

500

13.000

37.000

51.900

44.000

52.600

  

2030

2

Geldzorgen Armoede en Schulden

9.503

9.260

12.324

11.481

4.335

1.524

0

2024

2028

2025

4

ESB-regeling3

14.720

15.306

15.306

15.306

15.306

15.306

15.306

2022

2027

2028

5

Praktijkleren

3.950

2.800

2.400

2.800

2.800

2.900

2.900

 

2026

2031

 

TOTAAL

349.422

329.438

211.402

146.224

139.176

120.560

129.636

   
1

De evaluatie betreft de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek en experimenten duurzame inzetbaarheidsinterventies, niet het gehele actieprogramma.

2

De SLIM-regeling bestaat uit twee afzonderlijke onderdelen met elk een eigen evaluatie: mkb (2025) en scholen (2029).

3

Tabel 144 Incidentele subsidies (bedragen x € 1.000)

Artikel

Naam subsidie

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie

Volgende evaluatie

Einddatum subsidie

SEA Thema 3: Arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden

   

1

Arbeidsmarkt

12.282

11.868

10.848

8.824

10.740

3.431

3.390

2020

2027

 
 

Algemeen

10.689

10.267

9.247

7.223

7.672

3.431

3.390

   
 

Meer uren werkt

1.593

1.601

1.601

1.601

3.068

0

0

   

SEA Thema 4: Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind

7

Kinderopvang

22.927

10.507

4.410

4.425

9.632

9.150

1.850

2023

2026

 
 

Algemeen

706

4.050

4.050

1.850

1.850

1.850

1.850

   
 

Klimaatfonds

360

360

360

180

0

0

0

   
 

Instellingssubsidie

909

0

0

2.395

7.782

7.300

0

   
 

Caribisch Nederland

20.952

6.097

0

0

0

0

0

   

SEA Thema 6: Armoede en schulden

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

114.851

52.593

38.684

35.380

28.149

30.982

30.482

2020

2026

 
 

Subsidies algemeen: alle kinderen doen mee

17.190

15.725

15.756

15.756

15.756

16.782

16.782

   
 

Overige subsidies algemeen

38.043

33.611

19.777

16.473

11.282

13.089

12.589

   
 

Instellingssubsidie

318

2.448

2.458

2.458

418

418

418

   
 

NIBUD

1.000

809

693

693

693

693

693

   
 

Energiefonds

56.300

0

0

0

0

0

0

   
 

Waarborgfonds

2.000

0

0

0

0

0

0

   

SEA Thema 7: Bijstand en participatie

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2020

2027

 
 

SBCM

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

   

SEA Thema 9: Werkloosheid werknemers

5

Werkloosheid

2.251

0

0

0

0

0

0

2023

2030

 
 

Algemeen

75

0

0

0

0

0

0

   
 

Coördinatie arbeidsmarktdienstverlening

2.176

0

0

0

0

0

0

   

SEA Thema 12: Inburgering en integratie

13

Inburgering en integratie

7.354

25.640

23.060

21.512

19.899

16.399

16.399

2023

2029

 
 

Opbouw kennisfunctie integratie

2.695

2.981

2.676

2.276

2.235

2.235

2.235

   
 

Vluchtelingenwerk

1.176

1.229

1.229

1.044

1.026

1.026

1.026

   
 

Overige subsidies algemeen

1.373

3.524

1.800

1.300

1.300

1.300

1.300

   
 

Subsidie statushouders

2.110

3.742

3.500

3.500

3.500

0

0

   
 

Overige subsidies inburgering

0

2.434

0

0

0

0

0

   
 

Vroege integratie en participatie

0

11.730

13.855

13.392

11.838

11.838

11.838

   

SEA Thema 13: Uitvoering SUWI-stelsel

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

16.758

18.754

21.663

18.763

18.785

16.643

11.515

 

2026

 
 

Arbeidsinfrastructuur1

16.758

18.754

21.663

18.763

18.785

16.643

11.515

   
 

TOTAAL

179.223

122.162

101.465

91.704

90.005

79.405

66.436

   

1

Er bestaan ideeën om in de toekomst een subsidieregeling op te zetten vanuit dit budget.

Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda

Tabel 145 Thema 1: Gezonde en veilige arbeidsomstandigheden

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage gezonde en veilige arbeidsomstandigheden

Ex-post evaluatie

2028

Te starten

1

De periodieke rapportage over Gezond en veilig werken is een synthese-onderzoek waarmee de werking van het beleid op dit thema wordt geëvalueerd. De periodieke rapportage geeft inzicht in (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid.

     

Evaluatie maatwerkregeling in Arbowetgeving

Ex-post evaluatie

2025-2026

Lopend

1

De Arbowet verplicht de werkgever om zich door deskundigen te laten ondersteunen bij het preventie- en verzuimbeleid. De werkgever kan hiervoor een basiscontract afsluiten met een gecertificeerde arbodienst voor een dienstenpakket (vangnetregeling). Bij de maatwerkregeling bepaalt de werkgever zelf hoe en door wie hij zich deskundig laat bijstaan op het gebied van preventie- en verzuimbegeleiding. In dat geval is de werkgever zelf verantwoordelijk voor afstemming tussen de ingehuurde arbodeskundigen. De contracten met de ingeschakelde deskundigen moeten voldoen aan wettelijke en professionele normen. Dit onderzoek wordt in het najaar van 2026 opgeleverd.

     

Arbobalans 2026

Ex-durante monitoring

2026-2027

Lopend

1

De Arbobalans geeft een breed overzicht van de kwaliteit van arbeid in Nederland en van de ontwikkelingen hierin. Aan de hand van recente monitors en onderzoeken schetst de Arbobalans een beeld van de omvang en de gevolgen van blootstelling aan arbeidsrisico’s, van de betrokken risicoberoepen en -sectoren, en van maatregelen die in bedrijven op dit gebied worden genomen. In de Arbobalans worden ziekteverzuim, arbeidsongevallen en beroepsziekten belicht. De Arbobalans presenteert de meest recente landelijke cijfers op het terrein van gezond en veilig werken, en is grotendeels gebaseerd op drie landelijke enquêtes onder werknemers (NEA), werkgevers (WEA) en zelfstandigen (ZEA).

     

Evaluatie wijzigingen Arbowet 2017

Ex-post monitoring

2026-2027

Te starten

1

Evaluatie van nieuwe artikelen die in 2017 in de Arbowet zijn opgenomen die preventieve acties zouden moeten stimuleren.

     

Evaluatie Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB)

Ex-post evaluatie

2028

Te starten

1

Evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk. Het aantal aanvragen is gestegen in de tweede helft van 2025. Dit kwam door de verhoogde inzet op communicatie, de uitwerking van het verbeterplan uit 2024-2025 (Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 518) en de toevoeging van drie ziekten per 1 juli 2025. Ook het percentage toekenningen is gestegen. Deze ontwikkelingen zijn aan de Kamer gemeld in de brief van 25 november 2025 (Kamerstukken II 2025/26, 25 883, nr. 542). In 2028, vijf jaar na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, is de evaluatie voorzien van de doeltreffendheid en de effecten van de regeling in de praktijk.

     

Nulmeting arbeidsomstandigheden in Caribisch Nederland

Ex-durante monitoring

2029-2030

Te starten

1

Voorafgaand aan de nieuwe Arbowet voor Caribisch Nederland zal een nulmeting worden uitgevoerd naar de arbeidsomstandigheden zodat na invoering van de nieuwe wetgeving de effecten in kaart kunnen worden gebracht.

     

Evaluatie meld- en vergewisplicht arbeidsongevallen door uitleners

Ex-post evaluatie

2032

Te starten

1

Op 1 juli 2027 is de inwerkingtreding van het wetsvoorstel meldplicht arbeidsongevallen en vergewisplichten uitleners voorzien. Vijf jaar daarna staat een evaluatie gepland van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de wet. De evaluatie zal in het bijzonder gericht zijn op de ontwikkeling van het aantal arbeidsongevallen van ter beschikking gestelde werknemers in relatie tot de melding van uitleners van ernstige en/of dodelijke arbeidsongevallen van ter beschikking gestelde werknemers. Daarbij wordt bezien wat het effect is van de vergewisplichten van de uitlener na een arbeidsongeval met een ter beschikking gestelde werknemer.

Tabel 146 Thema 2: Leven lang ontwikkelen

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage leven lang ontwikkelen

Ex-post evaluatie

2027

Te starten

1

De rapportage onderzoekt de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid op het thema leven lang ontwikkelen (LLO). Daarbij is in het bijzonder aandacht voor het bereik van de regelingen onder verschillende groepen werkenden (waaronder flexwerkers en praktisch opgeleiden) en voor de mate waarin de regelingen stimuleren tot intersectorale mobiliteit. Indien de komende jaren blijkt dat het waardevol is om de LLO-instrumenten in samenhang met verwante instrumenten van andere thema's te bekijken worden deze instrumenten waar mogelijk ook betrokken in de periodieke rapportage.

     

Evaluatie expeditie-regeling

Ex-post evaluatie

2023-2027

Lopend

1

De Expeditie-regeling is onderdeel van het meerjarig investeringsprogramma Duurzame inzetbaarheid & Leven lang ontwikkelen (DI&LLO). De regeling is begin mei 2022 gepubliceerd. De eerste trajecten zijn eind 2022 gestart. Het gaat om trajecten van één tot vier jaar. In 2024 is er een tweede aanvraagtijdvak geopend. De evaluatie van de regeling is voorzien voor 2023-2027. De evaluatie moet zicht geven op het proces en de doeltreffendheid van de regeling. De evaluatie als geheel wordt gebruikt bij de keuze om de regeling voort te zetten.

     

Evaluatie en monitoring SLIM Scholen

Ex-durante en ex-post evaluatie

2026-2027

Lopend

1

Evaluatie van de SLIM scholingssubsidie die als doel heeft om met scholing in- en doorstroom in maatschappelijk cruciale sectoren te stimuleren.

     

Evaluatie SLIM MKB 2025-2029

Ex-post evaluatie

2029

Te starten

1

Evaluatie van de SLIM-subsidieregeling die mkb-ondernemingen en samenwerkingsverbanden helpt om leren en ontwikkelen op de werkvloer te stimuleren. De evaluatie wordt gebruikt bij de keuze om de regeling al dan niet te verlengen.

Tabel 147 Thema 3: Arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden

Ex-post evaluatie

2027

Te starten

1

De rapportage onderzoekt de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid op het thema arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden.

     

Tevredenheidsonderzoek onder arbeidsmigranten

Overig onderzoek

2024-2028

Lopend

1

Het doel van dit onderzoek is om meerjarig een onafhankelijk en zo representatief mogelijk beeld te krijgen van de eigen ervaringen van arbeidsmigranten met betrekking tot hun positie in Nederland. Door dit onderzoek meerjarig uit te voeren worden trends en ontwikkelingen zichtbaar. Daarnaast wordt onderzocht of de inzet voortkomend uit de uitvoering van de aanbevelingen van Roemer ook tot uiting komen in een betere positie voor arbeidsmigranten. Naast dit tevredenheidsonderzoek lopen er ook onderzoeken naar de afzonderlijke maatregelen.

     

Monitor(rapportage) Wtta

Ex-durante monitoring

2027-2029

Te starten

1

De monitor Wtta (Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten) heeft als doel inzicht te krijgen in de werking en voortgang van de Wtta, knelpunten en succesfactoren te identificeren, en relevante input te leveren voor de evaluatie van de wet vijf jaar na implementatie. De monitoring vindt plaats gedurende de eerste drie jaar na inwerkingtreding van de Wtta.

     

Tussenevaluatie Wtta

Ex-post/ex-durante evaluatie

2030

Te starten

1

De tussenevaluatie richt zich op de eerste ervaringen van inleners en uitleners en de toezichthoudende instantie, waarbij wordt gekeken naar de effectiviteit en de uitvoerings- en handhavingsaspecten.

     

Monitor arbeidsmarktpakket

Ex-durante evaluatie

2025-2031

Lopend

meerdere

SZW is van plan om verschillende wetsvoorstellen uit het arbeidsmarktpakket te monitoren. Het gaat hierbij om de impact over tijd van de wendbaarheid van werkgevers en de werkzekerheid van werknemers. Om de effecten van de verschillende wetsvoorstellen zo goed mogelijk te evalueren, zullen we ook een nulmeting doen. We verzamelen vanaf 2025 data voor deze nulmeting. Het vooronderzoek is in 2024 afgerond en het ministerie streeft ernaar om het eerste rapport van de monitor in 2027 te publiceren.

Tabel 148 Thema 4: Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind

Ex-post evaluatie

2031

Te starten

6,7,10

De periodieke rapportage staat gepland voor 2031. De rapportage onderzoekt de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid op het SEA-thema Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind.

     

Subthema - Kinderopvang

Periodieke rapportage kinderopvangbeleid (bevorderen arbeidsparticipatie)

Ex-post evaluatie

2026

Lopend

7

Dit syntheseonderzoek zal de doeltreffendheid en doelmatigheid van het kinderopvangbeleid onderzoeken en is gericht op het doel 'stimuleren arbeidsparticipatie'. Samen met de periodieke rapportage op het doel «ontwikkeling kind» vindt zo een integrale evaluatie op artikel 7 plaats.

     

Landelijke kwaliteitsmonitor kinderopvang

Ex-durante evaluatie

Jaarlijks

Lopend

7

Eens per twee jaar worden middels de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang (LKK) metingen verricht bij kinderopvangorganisaties en gastouders om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de kinderopvang in Nederland. De opvangvormen kinderdagopvang, voorschoolse educatie, buitenschoolse opvang en gastouderopvang worden in de monitor meegenomen. Een vernieuwde versie van de monitor is recent toegezegd en loopt vanaf 2026 tot en met 2029, met een mogelijke verlenging tot en met 2031. Daarna zal een vervolg worden bezien.

     

Monitor implementatie kwaliteitseisen kinderopvang

Ex-durante monitor

Jaarlijks

Lopend

7

De monitor richt zich op de implementatie van recent gewijzigde kwaliteitseisen in de gastouderopvang. Er vinden metingen plaats in 2026, 2028 en 2029. Het eerste rapport wordt eind 2026 verwacht.

     

Evaluatie Wet kinderopvang KOT voor Oekraïense ontheemden en ouders met partner buiten de EU

Ex-post evaluatie

2026

Te starten

7

Onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de wijziging van de Wet kinderopvang die het mogelijk maakt om aanspraak op kinderopvangtoeslag te maken voor Oekraïense ontheemden en ouders met een partner buiten de EU, de EER of Zwitserland.

     

Invoeringstoets Wet kinderopvang BES

Ex-durante evaluatie

2026-2027

Te starten

7

De invoeringstoets biedt inzicht in de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de gestelde eisen, zodat indien nodig bijsturing kan plaatsvinden. De invoeringstoets start in het najaar van 2026 en loopt door tot 2027.

     

Evaluatie Wet kinderopvang BES

Ex-post evaluatie

2031

Te starten

7

Vijf jaar na de voorziene inwerkingtreding (1 januari 2026) vindt evaluatie plaats van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de Wet kinderopvang BES.

     

Subthema - Tegemoetkoming ouders

     

Subthema - Arbeid en Zorg

Evaluatie Wet Flexibel Werken

Ex-post evaluatie

20271

Te starten

6

Op basis van de Wet flexibel werken hebben werknemers het recht om bij hun werkgever een verzoek te doen voor het aanpassen van hun arbeidsduur, werktijden en arbeidsplaats. De Wet flexibel werken moet elke vijf jaar worden geëvalueerd. In de evaluatie moet aandacht zijn voor de doeltreffendheid van de wet en de effecten van deze wet in de praktijk. De wet is in werking getreden op 1 januari 2016. Op 10 februari 2021 is de eerste evaluatie afgerond. In 2026 moet een tweede evaluatie worden gedaan.

1

Vanwege beperkte capaciteit zal de evaluatie voor de Wet flexibel werken op een later moment worden opgestart.

Tabel 149 Thema 5: Pensioen en oudedag

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage Pensioen en Oudedag

Ex-post evaluatie

2029

Te starten

8

De rapportage onderzoekt de doeltreffendheid en doelmatigheid van alle aspecten van het beleid op het thema pensioen en oudedag. De scope en afbakening van deze rapportage zullen vooraf met de Kamer worden gedeeld.

     

Oudedagsvoorziening

Interdepartementaal Beleidsonderzoek - Inkomensvoorziening Ouderen

IBO

2026

Lopend

8

Dit interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) heeft als doel mogelijke aanpassingen in kaart te brengen en concrete beleidsopties te formuleren om de inkomensvoorzieningen voor ouderen te verbeteren, met aandacht voor betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en de effecten op de arbeids- en woningmarkt.

     

Werknemers zonder pensioen

Ex-durante evaluatie

2022 ‒ 2028

Lopend

8

Tussen 2022 en 2028 wordt tweejaarlijks onderzoek gedaan naar werknemers zonder aanvullend pensioen (tweede pijler). Dit geeft inzicht in welk deel van de werknemers in Nederland geen pensioenregeling via de werkgever heeft. Uit het onderzoek blijkt ook welke sectoren of andere kenmerken relevant zijn bij de aanpak van werknemers zonder aanvullend pensioen.

     

Monitoring Wet toekomst pensioenen

Ex-durante monitoring

2023-2028

Lopend

8

Het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen leidt tot een ingrijpende vernieuwing van het arbeidsvoorwaardelijke pensioen. Het kabinet vindt het belangrijk dat de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel zorgvuldig verloopt. Gedurende de transitiefase wordt de voortgang van de transitie gemonitord en worden beide Kamers periodiek (ten minste jaarlijks) over de voortgang geïnformeerd.

     

Evaluatie Wet bedrag ineens

Ex-durante en ex-post evaluatie

2031-2034

Te starten

8

De voorgenomen inwerkingtredingsdatum van de wet is niet eerder dan 1 januari 2029, afhankelijk van de parlementaire behandeling. Op grond van de wet wordt de wet twee keer geëvalueerd: de eerste keer twee jaar na inwerkingtreding, de tweede keer drie jaar later. Als de wet in 2029 in werking treedt vinden de evaluaties derhalve plaats in 2031 en 2034.

     

Evaluatie van de Wet toekomst pensioenen

Ex-post evaluatie

2028-2038

Te starten

8

Het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen kent een drieledige doelstelling: 1. eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen; 2. een transparanter en meer persoonlijk pensioenstelsel, en 3. betere aansluiting op ontwikkelingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. De wet is op 1 juli 2023 in werking getreden en wordt geëvalueerd in drie etappes waarbij gerapporteerd wordt over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk. Binnen vijf jaar na inwerkingtreding (2023) volgt het eerste verslag, binnen vier jaar na het einde van de transitieperiode (2028) volgt het tweede verslag en in 2038 volgt het derde verslag.

     

Gezond naar pensioen

Monitor AOW-leeftijdsverhoging

Ex-durante evaluatie

Jaarlijks

Lopend

8

Jaarlijkse monitor naar het effect van het verhogen van de AOW-leeftijd op de arbeidsparticipatie, gebruik van uitkeringen, gezondheid en duurzame inzetbaarheid.

     

Monitoring akkoord «gezond naar pensioen»

Ex-durante evaluatie

2026-2028

Lopend

1

Monitoring van de afspraken uit het akkoord 'gezond naar pensioen'. De monitor kijkt naar verschillende bronnen: cao-onderzoek naar RVU-afspraken (Regeling vervroegd uittreden), rapportages van TNO over de validering van RVU-afbakeningen en het kennisprogramma duurzame inzetbaarheid, RVU-gebruik (aantallen en profielen) en inzicht in de voortgang van de beleidsagenda voor duurzame inzetbaarheid.

Tabel 150 Thema 6: Armoede en schulden

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage armoede en schulden

Ex-post evaluatie

2026

Lopend

2

De periodieke rapportage armoede en schulden is een syntheseonderzoek. Hiermee wordt de werking van het beleid op dit thema integraal geëvalueerd over de jaren 2019 t/m 2025.

     

Monitor Nationaal Programma Armoede en Schulden

Ex-durante evaluatie

Jaarlijks

Lopend

2

Bij de voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden wordt jaarlijks een monitor meegestuurd, die aan de hand van verschillende indicatoren inzicht biedt in doelbereik en de voortgang van maatregelen.

     

Monitor Energiearmoede

Ex-durante evaluatie

Jaarlijks

Lopend

2

Jaarlijkse monitor die inzicht biedt in de ontwikkeling (hoogte) van de energiearmoede.

     

Evaluatie instellingssubsidies Kinderarmoede

Ex-post evaluatie

2026

Te starten

2

Dit onderzoek evalueert de werking, doeltreffendheid en doelmatigheid van de subsidie aan de kinderarmoede instellingen (Sam& partijen).

     

Looptijd en hoogte aflossing beslagvrije voet

Ex-post evaluatie

2026

Lopend

2

Dit onderzoek kijkt naar de gevolgen van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Specifiek wordt de praktische uitwerking van de 5%-regeling nader in kaart gebracht.

     

SMKBA Opgroeien in een gezin in een kwetsbare positie

Ex-ante evaluatie

2026

Lopend

2

Dit onderzoek is gericht op het verschaffen van inzicht in de brede sociaal-maatschappelijke kosten die gepaard gaan met het opgroeien in een gezin in een kwetsbare positie. Daarnaast worden - voor zover mogelijk - de directe en indirecte brede baten in kaart gebracht van preventief en integraal werken rond kwetsbare gezinnen.

     

Evaluatie subsidieregeling financiële educatie op scholen ter preventie van geldzorgen

Ex-post evaluatie

2028

Lopend

2

Deze subsidieregeling biedt scholen de mogelijkheid financiële educatie structureel aan te pakken. Een meerjarige monitor en evaluatie brengt de voortgang en werking van de subsidieregeling in kaart.

     

Evaluatie schulden Caribisch Nederland

Ex-post evaluatie

2029

Te starten

2

Evaluatie van gevoerd beleid op het vlak van schulden in Caribisch Nederland.

     

Evaluatie (kinder)armoede Caribisch Nederland

Ex-post evaluatie

2030

Te starten

2

Onderzoek gericht op het verschaffen van inzicht in de resultaten van inzet op de bestrijding van (kinder)armoede in Caribisch Nederland, inclusief lessen voor de toekomst.

Tabel 151 Thema 7: Bijstand en participatie

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage bijstand en participatie

Ex-post evaluatie

2027

Te starten

2

De periodieke rapportage naar bijstand en participatie is een synthese-onderzoek waarmee de werking van het beleid op dit thema wordt geëvalueerd. In aanloop naar de periodieke rapportage zal worden nagegaan welke evaluaties ter voorbereiding uitgevoerd dienen te worden, ook op basis van de inzichtbehoeften.

     

Monitor uitvoering uniforme loonwaardebepaling

Ex-durante monitoring

jaarlijks

Lopend

2

Sinds 1 juli 2021 geldt een landelijk uniforme methode voor loonwaardebepaling. De uitvoering ervan wordt gemonitord door stichting Blik op Werk. Minstens een keer per jaar wordt daarvan verslag gedaan aan SZW.

     

Verdeelsleutel inleenverbanden banenafspraak

Overig onderzoek

jaarlijks

Lopend

2

Vaststellen van de verdeelsleutel om banen die gerealiseerd zijn voor de doelgroep banenafspraak via inleenverbanden toe te wijzen aan de sector markt of overheid.

     

Duurzaamheid van werk binnen de banenafspraak

Overig onderzoek

jaarlijks

Lopend

2

Analyse van de duurzaamheid van het werk van mensen uit de doelgroep banenafspraak.

     

Verschillen in re-integratievoorzieningen

Overig onderzoek

2026

Lopend

2

Het doel van dit onderzoek is om meer zicht te krijgen op deze verschillen in de inzet van re-integratie. Welke keuzes maken gemeenten en waarom ontstaan verschillen tussen doelgroepen?

     

Onderzoek naar ervaringen van werkgevers bij het aannemen van mensen met een beperking

Overig onderzoek

2026

Lopend

2

Onderzoek onder werkgevers naar hun ervaringen met het bieden van werk aan mensen met een beperking (ervaringen van werkgevers met de Participatiewet en de Banenafspraak).

     

Verkenning naar mensen uit de Participatiewet in het doelgroepregister

Overig onderzoek

2026

Lopend

2

Dit onderzoek richt zich op de vraag hoe de doelgroep met een arbeidsbeperking die onder de Participatiewet valt zich inmiddels verhoudt tot de doelgroep die voorheen onder de Wajong viel.

     

Eerste Evaluatie Onderstand Caribisch Nederland

Ex-post evaluatie

2026/2027

Te starten

2

In deze evaluatie wordt onderzocht in hoeverre de juridische vormgeving en de beleidsmatige inrichting van de onderstandsregeling nog actueel, doeltreffend en doelmatig is, in het licht van de sociaaleconomische opgaven in Caribisch Nederland. Dit voorstel betreft de eerste formele evaluatie van deze regeling sinds 10-10-2010.

     

Monitor programma Simpel Switchen

Ex-durante monitoring

2024-2027

Lopend

2

Een monitor wordt ontworpen om het bereik, de effecten, de efficiëntie en de knelpunten van het programma Simpel Switchen in kaart te brengen. De eerste uitkomsten van deze monitor worden begin oktober 2026 verwacht.

     

Evaluatie banenafspraak

Ex-post evaluatie

2027/2028

Te starten

2

Evaluatie van tien jaar banenafspraak na het einde van het ingroeipad.

     

Brede synthesestudie re-integratie

Ex-post evaluatie

2027-2028

Te starten

meerdere

In deze synthesestudie worden de kennislacunes op het gebied van re-integratie in kaart gebracht en waar mogelijk ingevuld met bestaand onderzoek. Hiervoor zal onder andere gebruik worden gemaakt van de volgende periodieke rapportages: jonggehandicapten, ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers, armoede en schulden, uitvoering SUWI-stelsel, bijstand en participatie en werkloosheid werknemers.

     

Onderzoek naar investering in re-integratiedienstverlening in de 20 focusgebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)

Ex-durante monitoring

2023-2028

Lopend

meerdere

Van 2023 t/m 2028 wordt geïnvesteerd in de re-integratiedienstverlening van de 20 focusgebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Met dit onderzoek evalueren we de effecten van deze investering.

Tabel 152 Thema 8: Jonggehandicapten

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage jonggehandicapten

Ex-post evaluatie

2026

Lopend

4

In deze periodieke rapportage wordt onderzocht in hoeverre de inkomensondersteuning en de dienstverlening ten behoeve van de arbeidsparticipatie en arbeidsondersteuning van de Wajongers doelmatig en doeltreffend is. De periodieke rapportage was gepland voor 2025, en zal in de tweede helft van 2026 naar de Tweede Kamer worden gestuurd. In de periodieke rapportage zal worden nagegaan in hoeverre de aanbevelingen uit de vorige beleidsdoorlichting (2018) zijn opgevolgd. Aan de hand van de opvolging van die eerdere aanbevelingen zal de aanpak van de periodieke rapportage ingevuld worden. Met de periodieke rapportage jonggehandicapten geven we gelijktijdig invulling aan de wetsevaluatie.

     

Evaluatie Wet vereenvoudiging Wajong

Ex-post evaluatie

2026

Lopend

4

Met de evaluatie Wet vereenvoudiging Wajong onderzoeken we in hoeverre de doelen van deze wet zijn gerealiseerd. Met de periodieke rapportage jonggehandicapten geven we gelijktijdig invulling aan de wetsevaluatie.

     

Brede synthesestudie re-integratie

Ex-post evaluatie

2027-2028

Te starten

meerdere

In deze synthesestudie worden de kennislacunes op het gebied van re-integratie in kaart gebracht en waar mogelijk ingevuld met bestaand onderzoek. Hiervoor zal onder andere gebruik worden gemaakt van de volgende periodieke rapportages: jonggehandicapten, ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers, armoede en schulden, uitvoering SUWI-stelsel, bijstand en participatie en werkloosheid werknemers.

     

Evaluatie van de pilot brede inzet van re-integratie instrumenten voor IVA/DGA

Ex-post evaluatie

2023-2029

Lopend

3 en 4

De pilot maakt re-integratiedienstverlening aan mensen met een WIA-IVA-uitkering of een Wajong-DGA-uitkering mogelijk. De evaluatie onderzoekt hoe deelnemers met de ondersteuning werk kunnen vinden, uitvoeren en behouden. Ook kijkt de evaluatie of de dienstverlening passend is. Verder kijkt de evaluatie naar andere (indirecte) maatschappelijke en individuele winst. Tijdens de pilot worden deelnemers gemonitord. De bewindspersonen hebben in april 2026 de tussenevaluatie met de Eerste en Tweede Kamer gedeeld. De eindevaluatie van de pilot sturen zij uiterlijk 1 april 2029 naar de Eerste en Tweede Kamer.

Tabel 153 Thema 9: Werkloosheid werknemers

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage Werkloosheid Werknemers

Ex-post evaluatie

2030

Te starten

5

In deze periodieke rapportage wordt onderzocht in hoeverre de inkomensondersteuning en de dienstverlening ten behoeve van de werknemers die werkloos worden doelmatig en doeltreffend is. De onderzoeken in deze SEA bieden input voor deze periodieke rapportage.

     

Brede synthesestudie re-integratie

Ex-post evaluatie

2027-2028

Te starten

meerdere

In deze synthesestudie worden de kennislacunes op het gebied van re-integratie in kaart gebracht en waar mogelijk ingevuld met bestaand onderzoek. Hiervoor zal onder andere gebruik worden gemaakt van de volgende periodieke rapportages: jonggehandicapten, ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers, armoede en schulden, uitvoering SUWI-stelsel, bijstand en participatie en werkloosheid werknemers.

     

Effectiviteitsonderzoek sollicitatieplicht

Ex-post evaluatie

2024-2029

Lopend

5

We voeren een omvangrijk, meerjarig effectiviteitsonderzoek uit naar de sollicitatieverplichting van de WW. Middels een experimentele onderzoeksopzet onderzoeken we de effectiviteit van de huidige invulling van de inspanningsplicht in de vorm van de sollicitatieplicht en de effectiviteit van een andere invulling van de plicht. Daarbij is meer aandacht voor maatwerk en sturing op de kwaliteit van het werkzoekgedrag.

Tabel 154 Thema 10: Ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage ziekte en arbeidsongeschiktheid voor werknemers

Ex-post evaluatie

2027

Te starten

3 en 6

In deze periodieke rapportage wordt onderzocht in hoeverre de inkomensondersteuning en de dienstverlening ten behoeve van de arbeidsparticipatie en arbeidsondersteuning van mensen in de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) doelmatig en doeltreffend is. De onderzoeken in deze SEA bieden input voor deze periodieke rapportage.

     

Brede synthesestudie re-integratie

Ex-post evaluatie

2027-2028

Te starten

meerdere

In deze synthesestudie worden de kennislacunes op het gebied van re-integratie in kaart gebracht en waar mogelijk ingevuld met bestaand onderzoek. Hiervoor zal onder andere gebruik worden gemaakt van de volgende periodieke rapportages: jonggehandicapten, ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers, armoede en schulden, uitvoering SUWI-stelsel, bijstand en participatie en werkloosheid werknemers.

     

Evaluatie van de pilot brede inzet van re-integratieinstrumenten voor IVA/DGA

Ex-post evaluatie

2023-2029

Lopend

3 en 4

De pilot maakt re-integratiedienstverlening aan mensen met een WIA-IVA-uitkering of een Wajong-DGA-uitkering mogelijk. De evaluatie onderzoekt hoe deelnemers met de ondersteuning werk kunnen vinden, uitvoeren en behouden. Ook kijkt de evaluatie of de dienstverlening passend is. Verder kijkt de evaluatie naar andere (indirecte) maatschappelijke en individuele winst. Tijdens de pilot worden deelnemers gemonitord. De bewindspersonen hebben in april 2026 de tussenevaluatie met de Eerste en Tweede Kamer gedeeld. De eindevaluatie van de pilot sturen zij uiterlijk 1 april 2029 naar de Eerste en Tweede Kamer.

     

Monitor arbeidsmarktpakket

Ex-durante evaluatie

2025-2031

Lopend

meerdere

SZW is van plan om verschillende wetsvoorstellen uit het arbeidsmarktpakket te monitoren. Het gaat hierbij om de impact over tijd van de wendbaarheid van werkgevers en de werkzekerheid van werknemers. Om de effecten van de verschillende wetsvoorstellen zo goed mogelijk te evalueren, zullen we ook een nulmeting doen. We verzamelen vanaf 2025 data voor deze nulmeting. Het vooronderzoek is in 2024 afgerond en het ministerie streeft ernaar om het eerste rapport van de monitor in 2027 te publiceren.

Tabel 155 Thema 11: Inkomensondersteuning nabestaanden en wezen

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage nabestaanden en wezen

Ex-post evaluatie

2028

Te starten

9

De periodieke rapportage over nabestaanden en wezen is een synthese-onderzoek waarmee de werking van het beleid op dit thema wordt geëvalueerd. In aanloop naar de periodieke rapportage zal worden nagegaan welke evaluaties ter voorbereiding uitgevoerd dienen te worden, ook op basis van de inzichtbehoeften. De periodieke rapportage geeft inzicht in doelmatigheid en doeltreffendheid en de verandering hierin ten opzichte van de vorige evaluatie. Daarnaast wordt gekeken naar niet-gebruik van nabestaandenuitkering en wezenuitkering, kenmerken van de doelgroepen, inzichten vanuit burgerperspectief en mogelijkheden om de Anw te moderniseren. In 2028 wordt de periodieke rapportage naar de Kamer gestuurd.

Tabel 156 Thema 12: Inburgering en Integratie

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage inburgering en integratie

Ex-post evaluatie

2029

Te starten

13

Via deze studie wordt op basis van reeds beschikbare inzichten een beeld geschetst van het gevoerde inburgerings- en integratiebeleid en de mate van doelbereik, doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid, of van delen daarvan.

     

Integratie

Rapportage integratie en samenleven (RIS)

Ex-durante monitoring

jaarlijks

Lopend

13

Looptijd: 2026-2029. De tweejaarlijkse algemene rapporten bevatten een beschrijving van de positie en ontwikkelingen van bevolkingsgroepen met verschillende achtergronden, alsook een aantal verdiepende en verklarende hoofdstukken die per keer kunnen verschillen. In de tussenliggende jaren worden verdiepende rapportages op een specifiek thema uitgevoerd. In dat kader verschijnt 1x per 4 jaar een themapublicatie over de arbeidsmarkt. Daarnaast zijn vanaf 2026 de tweejaarlijkse algemene rapporten van RIS uitgebreid met aanvullende arbeidsmarktindicatoren waarmee RIS de functie voor monitoring van VIA overneemt.

     

Evaluatie Decentrale uitkeringen Veerkrachtige en Weerbare Samenleving

Ex-durante en ex-post evaluatie

2026

Te starten

13

In 2025 zijn er 13 gemeenten financieel ondersteund middels een decentrale uitkering «veerkrachtige samenleving» op de thema's preventie radicalisering en extremisme; polarisatie en OBI (ongewenste buitenlandse beïnvloeding). Er zal in het jaar 2026 een evaluatie uitgevoerd worden door een nader te bepalen onderzoeksbureau om te evalueren of het beoogd effect van de decentrale uitkeringen is behaald.

     

Longitudinaal Onderzoek Cohort Statushouders (LOCS)

Ex-durante monitoring en ex-post evaluatie

2021-2026

Lopend

13

Brede beschrijvende en verklarende studie naar de maatschappelijke positie en ontwikkeling van statushouders die in Nederland sinds 1-1-2014 een verblijfstitel asiel hebben gekregen op basis van survey's en (gekoppelde) registerdata.

     

Longitudinaal Onderzoek Cohort Oekraïense Vluchtelingen (LOCOV)

Ex-durante monitoring en ex-post evaluatie

2023-2026

Lopend

13

Er worden vragen beantwoord van een beleidsevaluatieve aard zoals welke factoren en interventies de (verschillen in) ontwikkeling verklaren, ook ten opzichte van de reguliere aanpak bij andere vluchtelingengroepen.

     

Evaluatie onderdeel «Regionale verbinders» van het plan van aanpak «statushouders aan het werk»

Ex-post evaluatie

2026

Lopend

13

De maatregelen uit het intensiveringspakket van het plan van aanpak «Statushouders aan het werk» worden geëvalueerd. De evaluatie van de beleidsintensivering lerend netwerk Regionale verbinders Statushouders (doelgroepspecifieke aanpak) is gestart in april 2026 en wordt in november 2026 afgerond.

     

Evaluatie VIA

Ex-durante evaluatie

2026-2027

Te starten

13

Het beleid wordt ex-durante geëvalueerd. Daarbij wordt gekeken naar zowel het uitgevoerde als lopende beleid. Dat doen we op basis van verschillende onderzoeks-, monitorings- en evaluatierapporten. Daarbij hebben we specifieke aandacht voor statushouders.

     

Survey Samenleven in Meervoud (SIM)

Overig onderzoek

2025-2027

Lopend

13

In 2025-2026 wordt door het SCP een grootschalig enquête-onderzoek uitgevoerd onder de Nederlandse bevolking (mèt en zonder migratieachtergrond) waarmee aspecten van de sociaal-culturele positie van de bevolking in kaart worden gebracht (zoals waardeoriëntaties, contacten, identificatie, et cetera). Deze dataverzameling vormt de basis voor onderzoeksanalyses naar samenleven en integratie in Nederland in de komende jaren.

     

Evaluatie aanpak asielmigranten in opvang naar werk begeleiden

Ex-durante evaluatie

2026-2027

Te starten

13

Er wordt een lerende evaluatie/aanpak opgezet om op basis van de pilots die in het kader van programma VIA worden vormgegeven, het onderzoek naar de pilots van andere organisaties, een analyse van bestaande data en verschillende sessies te komen tot een gedeeld beeld van de benodigde aanpak om de ondersteuning naar werk van asielmigranten in de opvang effectief vorm te geven.

     

Evaluatie SPUK Kansrijke Wijk 2026-2028

Ex-post evaluatie

2026-2028

Te starten

13

Gedurende de looptijd van de SPUK Kansrijke Wijk 2026-2028 worden de interventies die vanuit deze regeling worden bekostigd, gemonitord en geëvalueerd. Dit bouwt voort op de evaluatie die is gedaan over de eerste tranche (2023-2025). Een deel van de interventies heeft betrekking op het thema 'Maatschappelijke Samenhang'. De monitoring en evaluatie ziet zowel op de effectiviteit van interventies binnen dit thema als de voortgang van nog vast te stellen indicatoren die zich hier tot verhouden.

     

Evaluatie Meerjarenplan Zelfbeschikking 2026-2029

Ex-post evaluatie

2027-2028

Te starten

13

Evaluatie van de doelrealisatie van de drie actielijnen en inzicht verkrijgen in de werkzame elementen, succesfactoren en belemmeringen. De evaluatie bouwt voort op de inzichten uit de evaluatie van het meerjarenplan 2022-2025.

     

Evaluatie onderdeel «Startbanen» van het plan van aanpak «statushouders aan het werk»

Ex-durante en ex-post evaluatie

2026-2028

Te starten

13

De eerste evaluatie over de werkende elementen van de proeven voor startbanen is in 2024 gestart en in 2026 afgerond. In vervolg daarop komt er een lerende evaluatie voor de 13 nieuwe proeven, die eind 2025 een Decentralisatie-uitkering (DU) hebben ontvangen en in 2026 van start gaan. Start van deze lerende evaluatie is voorzien voor de tweede helft van 2026 met doorlooptijd van 2 jaar.

     

Evaluatie onderdeel «Subsidieregeling voor werkgevers» van het plan van aanpak «statushouders aan het werk»

Ex-durante en ex-post evaluatie

2023-2028

Lopend

13

De evaluatie van de beleidsintensivering Subsidieregeling voor werkgevers is in 2025 van start gegaan en loopt door tot 2028 wanneer het eindrapport wordt opgeleverd.

     

Longitudinaal onderzoek vluchtelingen (LOV)

Ex-durante monitoring en ex-post evaluatie

2026- 2031

Lopend/ Nog te starten

13

Beschrijvende studie naar de maatschappelijke positie en ontwikkeling van statushouders en Oekraïense ontheemden op basis van registerdata. Dit is een vervolg op het LOCS-LOCOV-onderzoek.

     

Actualisatie verkenning bevolking 2025

Ex-durante monitoring en ex-post evaluatie

2023-2033

Lopend

13

De beleidsinformatiestructuur brengt de ontwikkeling van de maatschappelijke problematiek in de tijd in kaart en levert aanknopingspunten voor het beleid op. Dat gebeurt enerzijds aan de hand van een periodieke beschrijvende analyse van de demografische ontwikkeling. Anderzijds gebeurt dat door het uitvoeren van verdiepende analyses van de maatschappelijke gevolgen van die demografische ontwikkeling op uiteenlopende maatschappelijke terreinen, die aanknopingspunten opleveren voor beleidsinstrumentering.

     

Inburgering

Statistiek Wet inburgering

Ex-durante evaluatie

jaarlijks

Lopend

13

Kwantitatief onderzoek op basis van de Statistiek Wet inburgering. Het CBS publiceert in de periode 2023-2027 jaarlijks over deze statistiek in de vorm van een interactief dashboard. Hiermee wordt inzicht gekregen in de doeltreffendheid van de Wi2021 in termen van het voldoen aan de inburgeringsplicht, de behaalde taalniveaus, de arbeidsparticipatie en de doorstroom naar vervolgonderwijs.

     

Onderzoek onderwijsroute

Ex-durante evaluatie

20271

Te starten

13

Nog nader uit te werken onderzoek naar de werking en doeltreffendheid van de onderwijsroute, één van de drie leerroutes die in de Wi2021 onderscheiden worden.

     

Marktmonitor

Ex-durante evaluatie

2023-2027

Lopend

13

Onderzoek naar ontwikkelingen en werking van de markt van inburgeringsaanbod, met vijf rapportages, waarvan de laatste in 2027 wordt opgeleverd.

     

Onderzoek perspectief inburgeraars

Ex-durante evaluatie

2023-2027

Lopend

13

Onderzoek naar de ervaringen van inburgeraars met de Wet inburgering 2021, met rapportages in 2023, 2024, 2025 en 2027. De hoofdvraag van dit onderzoek is: In hoeverre werkt de Wet inburgering 2021 vanuit het perspectief van de inburgeraar zoals de wetgever heeft beoogd?

     

Wetsevaluatie Wi2021

Ex-durante en ex-post evaluatie

2027-2028

Te starten

13

Onderzoek naar de werking, doelbereik, doeltreffendheid en doelmatigheid van de Wet inburgering 2021 (Wi2021). Verplichting op basis van artikel 53 Wi2021. Doeltreffendheid op basis van vergelijking Wi2013 – Wi2021 en wederom een synthese van uitgevoerde onderzoeken.

1

Het onderzoek wordt eind december 2026 opgeleverd door het onderzoeksbureau en de Kamer wordt daarover begin 2027 geïnformeerd. Bij de voorbereiding van de aanbesteding van dit onderzoek is gekozen voor een uitgebreidere invulling van dit onderzoek. Daarom zal het onderzoek niet eind 2026, maar in het eerste kwartaal 2027 aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

Tabel 157 Thema 13: Uitvoering SUWI-stelsel

Thema

Type onderzoek

Looptijd

Status

Begrotingsartikel

Periodieke rapportage uitvoering SUWI-stelsel

Ex-post evaluatie

2025-2026

Lopend

11

De periodieke rapportage over de uitvoering van het SUWI-stelsel is een synthese-onderzoek dat wordt gecombineerd met de evaluatie van de Wet SUWI en de beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de ZBO's UWV en SVB conform artikel 39 van de Kaderwet zbo’s. In de periodieke rapportage en de evaluatie van de Wet SUWI zal worden ingegaan op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de incidentele middelen die SZW heeft ontvangen in het kader van het programma Werk aan Uitvoering. In de periodieke rapportage zal eveneens aandacht worden besteed aan de verbeteracties die het kabinet heeft ingezet in het kader van de rapporten Werk aan Uitvoering, het rapport van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en het rapport van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties. Met deze acties heeft het kabinet geïnvesteerd in verbetering van de uitvoering en een flinke impuls aan de uitvoering gegeven. Uit de periodieke rapportage Uitvoering SUWI-stelsel moet blijken of dit inderdaad een positief effect heeft gehad op de werking van het SUWI-stelsel.

 

Doelmatigheid uitvoering SUWI-stelsel

Ex-post evaluatie

2024-2026

Lopend

11

In dit onderzoek wordt gekeken naar de productiviteitsontwikkeling bij de ZBO's UWV en SVB in de periode tot 2024.

     

Brede synthesestudie re-integratie

Ex-post evaluatie

2027-2028

Te starten

meerdere

In deze synthesestudie worden de kennislacunes op het gebied van re-integratie in kaart gebracht en waar mogelijk ingevuld met bestaand onderzoek. Hiervoor zal onder andere gebruik worden gemaakt van de volgende periodieke rapportages: jonggehandicapten, ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers, armoede en schulden, uitvoering SUWI-stelsel, bijstand en participatie en werkloosheid werknemers.

     

Effectiviteitsonderzoek sollicitatieplicht

Ex-post evaluatie

2024-2029

Lopend

5

We voeren een omvangrijk, meerjarig effectiviteitsonderzoek uit naar de sollicitatieverplichting van de WW. Middels een experimentele onderzoeksopzet onderzoeken we de effectiviteit van de huidige invulling van de inspanningsplicht in de vorm van de sollicitatieplicht en de effectiviteit van een andere invulling van de plicht. Daarbij is meer aandacht voor maatwerk en sturing op de kwaliteit van het werkzoekgedrag.

     

Evaluatie van de pilot brede inzet van re-integratieinstrumenten voor IVA/DGA

Ex-post evaluatie

2023-2029

Lopend

3 en 4

De pilot maakt re-integratiedienstverlening aan mensen met een WIA-IVA-uitkering of een Wajong-DGA-uitkering mogelijk. De evaluatie onderzoekt hoe deelnemers met de ondersteuning werk kunnen vinden, uitvoeren en behouden. Ook kijkt de evaluatie of de dienstverlening passend is. Verder kijkt de evaluatie naar andere (indirecte) maatschappelijke en individuele winst. Tijdens de pilot worden deelnemers gemonitord. De bewindspersonen hebben in april 2026 de tussenevaluatie met de Eerste en Tweede Kamer gedeeld. De eindevaluatie van de pilot sturen zij uiterlijk 1 april 2029 naar de Eerste en Tweede Kamer.

     

Evaluatie Hervorming Arbeidsmarktinfrastructuur

Ex-durante en ex-post evaluatie

2024-2031

Lopend

2

Het onderzoek geeft zicht op de werkende mechanismen van de hervorming arbeidsmarktinfrastructuur en voorziet in de wettelijke verplichting voor evaluatie van nieuw beleid. Met de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur wil SZW de arbeidsmarktdienstverlening in arbeidsmarktregio’s verbeteren. De hervorming verbetert de samenwerking in de arbeidsmarktdienstverlening aan bedrijven, werkzoekenden en werkenden, in het bijzonder aan mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Om de hervorming tot stand te brengen werkt SZW aan verschillende maatregelen met ieder een eigen beleidsambitie. Het gewenste resultaat bestaat uit ten minste twee ‘hoofdproducten’. Hoofdproduct 1 is de evaluatie van de werking van het impulsbudget, een van de onderdelen van de brede hervormingsagenda. Hoofdproduct 2 is een evaluatie van een pakket aan maatregelen van de hervorming arbeidsmarktinfrastructuur.

Bijlage 5: Lijst van afkortingen

Lijst van afkortingen

Afkorting

Betekenis

AFM

Autoriteit Financiële Markten

AIO

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen

AKW

Algemene Kinderbijslagwet

Anw

Algemene Nabestaandenwet

AO

Arbeidsongeschiktheid

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

AOV

Algemene Ouderdomsverzekering Caribisch Nederland

AOW

Algemene Ouderdomswet / Ouderdomsfonds

Arbo

Arbeidsomstandigheden

ASB

Assurantiebelasting

ATW

Arbeidstijdenwet

avv

Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten

AWf

Algemeen Werkloosheidsfonds

AWW

Algemene Weduwen- en Wezenverzekering Caribisch Nederland, of Algemene Weduwen en Wezenwet

AZC

Asielzoekerscentrum

Baadi

Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs

Bbz

Besluit bijstandsverlening zelfstandigen

BES

Bonaire, Sint Eustatius en Saba (samen Caribisch Nederland)

BIDN

Bureau InformatieDiensten Nederland

BIKK

Bijdrage in kosten kortingen

BKWI

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen

BRP

Basisregistratie Personen

Brzo

Besluit risico’s zware ongevallen

BZK

(Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

cao

Collectieve arbeidsovereenkomst

CASS

Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CJIB

Centraal Justitieel Incassobureau

CMD

Common Mental Disorder

CN

Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius, Saba)

COA

Centraal Orgaan opvang Asielzoekers

CPB

Centraal Planbureau

CRTV BE

Compensatieregeling transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming vanwege pensionering of overlijden van de werkgever

CRTV LAO

Compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid

CSE

Chronic solvent-induced encephalopathy, een aandoening van het centrale zenuwstelsel als gevolg van de langdurige blootstelling aan oplosmiddelen

Ctgb

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

CW

Comptabiliteitswet

DGA

Duurzaam geen arbeidsvermogen

DI

Duurzame inzetbaarheid

DNB

De Nederlandsche Bank

DU

Decentralisatie-uitkering

DUO

Dienst Uitvoering Onderwijs

EER

Europese Economische Ruimte

EMU

Economische en Monetaire Unie

EPA

Ernstige psychische aandoening

ESB-regeling

Subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen

ESF

Europees Sociaal Fonds

EU

Europese Unie

EZ

(Ministerie van) Economische Zaken

FTK

Financieel Toetsingskader

G&VW

Gezond en Veilig Werken

Gas

Geldzorgen Armoede en Schulden

GGD

Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst

GGZ

Geestelijke gezondheidszorg

GIPs

Grensinformatiepunten

Gvva

Gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid

havo

Hoger algemeen voortgezet onderwijs

HRM

Human Resource Management

IAS

Instituut Asbestslachtoffers

IBO

Interdepartementaal Beleidsonderzoek

IOAW

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers

IOAZ

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen

IOW

Inkomensvoorziening Oudere Werklozen

IPS

Individuele Plaatsing en Steun

ISBG

Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke Stoffen

IVA

Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten

JenV

(Ministerie van) Justitie en Veiligheid

JTF

Just Transition Fund

KO

Kinderopvang

KOT

Kinderopvangtoeslag

KS-IHH

Kwaliteitssysteem informatiehuishouding

LCR

Landelijke Cliëntenraad

LKK

Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang

LKS

Loonkostensubsidie

LKV

Loonkostenvoordeel

LLO

Leven Lang Ontwikkelen

LOCOV

Longitudinaal Onderzoek Cohort Oekraïense Vluchtelingen

LOCS

Longitudinaal Onderzoek Cohort Statushouders

LOV

Longitudinaal Onderzoek Vluchtelingen

LRK

Landelijk Register Kinderopvang

LVVN

(Ministerie van) Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

M&E-plan

Monitoring- en evaluatieplan

mbo

Middelbaar beroepsonderwijs

MDIEU

Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden

MEV

Macro-economische Verkenning

MIP

Meerjarig investeringsprogramma

Mkb

Midden- en kleinbedrijf

Mln

Miljoen

MPP

Meerjaren Productie Prognose

NAU

Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt

NEA

Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden

Nibud

Nationaal instituut voor budgetvoorlichting

NL

Nederland

NOW

Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid

NPLV

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid

Nt2

Nederlands als tweede taal

NvW

Nota van wijziging

OBI

Ongewenste buitenlandse beïnvloeding

OBR

Overbruggingsregeling AOW

OCTAS

Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel

OCW

(Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OPS

Organo Psycho Syndroom

OV

Ongevallenverzekering Caribisch Nederland

PGV

Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland

PIP

Plan Inburgering en Participatie

PRK

Personenregister Kinderopvang

pSG

Plaatsvervangend secretaris-generaal

PWRI

Pensioenfonds Werk en (Re-)Integratie

RBK

Register Buitenlandse Kinderopvang

RCN

Rijksdienst Caribisch Nederland (unit Sociale Zaken en Werkgelegenheid)

REACH CLP

Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals and Classification, Labelling and Packaging

RIS

Rapportage integratie en samenleven

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RSO

Rijksschoonmaakorganisatie

RTB

Richtlijn tijdelijke bescherming

RVO

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

RVU

Regeling voor vervroegde uittreding

RWT

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak

SBCM

Stichting Beheer Collectieve Middelen

SCP

Sociaal en Cultureel Planbureau

SEA

Strategische Evaluatie Agenda

SER

Sociaal-economische Raad

SG

Secretaris-generaal

SIM

Survey Samenleven in Meervoud

SiSa

Single information Single audit

SLIM

Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen

SMKBA

Sociaal-Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse

SPUK

Specifieke Uitkering

SSO

Shared Service Organisatie

STAP

Stimulering Arbeidsmarktpositie

Stcrt.

Staatscourant

SUWI

Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen

SVB

Sociale Verzekeringsbank

Sw

Sociale werkvoorziening

SZ

Sociale Zekerheid

SZI

(Directoraat Generaal) Sociale Zekerheid en Integratie

SZW

(Ministerie van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TAS

Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers

TNO

Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek

Tozo

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers

TSB

Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten

TW

Toeslagenwet

Twv

Tewerkstellingsvergunning

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de overheid

UWV

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

VIA

Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt

VNG

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VRIP

Vroege Integratie en Participatie

Vut

Vervroegde uittreding

vwo

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

VWS

(Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Waadi

Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs

Wab

Wet arbeidsmarkt in balans

WagwEU

Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie

Wajong

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

Wamil

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen

WAO

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering

Wav

Wet arbeid vreemdelingen

WaU

Werk aan Uitvoering

WAZ

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen

WAZO

Wet Arbeid en Zorg

WBO

Wet betaald ouderschapsverlof

WEA

Werkgevers Enquête Arbeid

WGA

Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten

Wgb m/v

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

Wgbl

Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid

Whk

Werkhervattingskas

Wi2021

Wet inburgering 2021

WIA

Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen

WKB

Wet op het Kindgebonden Budget

Wko

Wet kinderopvang

Wlz

Wet langdurige zorg

Wml

Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag / Wettelijk minimumloon

Woo

Wet open overheid

WOR

Wet op de Ondernemingsraden

Wpc

Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis

Wsw

Wet sociale werkvoorziening

Wtl

Wet tegemoetkomingen loondomein

Wtp

Wet toekomst pensioenen

Wtta

Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten

WW

Werkloosheidswet

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZEA

Zelfstandigen Enquête Arbeid

ZEZ

Regeling Zelfstandig En Zwanger

ZV

Ziekteverzekering Caribisch Nederland

Zvw

Zorgverzekeringswet

ZW

Ziektewet

zzp

Zelfstandige zonder personeel

Licence