Base description which applies to whole site

XV Sociale Zaken en Werkgelegenheid

A. ALGEMEEN

1. Gerealiseerde uitgaven en ontvangsten

Figuur 1 Gerealiseerde begrotingsgefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 miljoen). Totaal € 60.927.099.000,-

Figuur 2 Gerealiseerde begrotingsgefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 miljoen). Totaal € 2.589.340.000,-

Figuur 3 Gerealiseerde premiegefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 miljoen). Totaal € 88.203.055.000,-

Figuur 4 Gerealiseerde premiegefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 miljoen). Totaal € 264.000.000,-

2. Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bieden wij het departementale jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) over het jaar 2025 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoeken wij de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Werk en Participatie decharge te verlenen over het in het jaar 2025 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • a. het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;

  • b. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;

  • c. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • d. de totstandkoming van de niet-financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • e. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2025;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2025 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2025, alsmede over de saldibalans over 2025 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.A.Vijlbrief

De Minister van Werk en Participatie,A.A.Aartsen

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

3. Leeswijzer

3.1 Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) bestaat uit vijf onderdelen: algemeen, beleidsverslag, jaarrekening, departementspecifieke informatie en bijlagen.

Algemeen

Het onderdeel algemeen omvat:

  • 1. de figuren met de gerealiseerde uitgaven en ontvangsten;

  • 2. het verzoek tot dechargeverlening;

  • 3. deze leeswijzer.

Beleidsverslag

Het beleidsverslag is opgebouwd uit vier onderdelen:

  • 4. De paragraaf beleidsprioriteiten bevat een uiteenzetting op hoofdlijnen van de bereikte resultaten. Daarnaast wordt hier ingegaan op de budgettaire ontwikkelingen van de uitgaven aan Sociale Zekerheid. Ook zijn hier opgenomen de realisatie periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen, de openbaarheidsparagraaf en een overzicht van de onderuitputting.

  • 5. De beleidsartikelen verantwoorden meer in detail in hoeverre de doelstellingen van SZW zijn behaald. Tevens is hier de toelichting te vinden op opmerkelijke verschillen tussen de financiële realisatie en de vastgestelde begroting.

  • 6. De niet-beleidsartikelen verantwoorden de financiële afwikkeling van de apparaatsuitgaven kerndepartement en de onvoorziene uitgaven en loon- en prijsbijstellingen.

  • 7. De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft informatie over de bedrijfsvoering.

Jaarrekening

De jaarrekening is opgebouwd uit drie onderdelen:

  • 8. De verantwoordingsstaat van het Ministerie van SZW;

  • 9. De saldibalans, met de bij dit onderdeel behorende financiële toelichting;

  • 10. De paragraaf WNT-verantwoording.

Departementspecifieke informatie

De departementspecifieke informatie gaat over de sociale fondsen SZW en over de gerealiseerde koopkrachtontwikkeling.

Bijlagen

De bijlagen betreffen de ingevolge de Rijksbegrotingsvoorschriften verplichte bijlagen:

  • Toezichtrelaties rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen;

  • Afgerond evaluatie- en overig onderzoek;

  • Inhuur externen;

  • Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer;

  • Budgettair overzicht Oekraïne.

Tot slot is een lijst van afkortingen opgenomen.

3.2 Specifieke aandachtspunten

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen

In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke tabel ‘Budgettaire gevolgen van beleid’. In de paragraaf beleidsprioriteiten wordt ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven. De begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten komen een-op-een voort uit de administratie van SZW. De premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten zijn afgeleid uit de jaarverslagen van UWV en de SVB.

Nieuw bij de premiegefinancierde uitgaven is de registratie van de over uitkeringen betaalde sociale premies. Om aan te sluiten op een revisie van de systematiek van de nationale rekeningen worden vanaf 2025 de over de uitkeringen betaalde werkgeverspremies opgenomen als uitgave in de budgettaire tabellen. De betaalde sociale premies staan onder de regel «sociale lasten». Dit doet zich voor bij de beleidsartikelen 3, 5, 6 en 9.

Focusonderwerp

Voor de verantwoording over 2025 heeft de Tweede Kamer "Risico's voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld" als focusonderwerp aangewezen. De informatie hierover is opgenomen in de beleidsprioriteiten (paragraaf 4.1 Het beeld van 2025).

Grondslagen voor de vastlegging en waardering

De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2026 en de Regeling agentschappen 2024. Voor de departementale begrotingsadministratie wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast en voor de baten-lasten agentschappen het baten-lastenstelsel. Sinds 1 januari 2018 vallen onder het Ministerie van SZW geen agentschappen meer.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsprioriteiten (paragraaf 4.1 Het beeld van 2025) wordt teruggekomen op de landenspecifieke aanbevelingen zoals verwoord in de begroting.

Gegevens oude jaren

In dit jaarverslag worden ook kerncijfers gepresenteerd over jaren vóór 2025. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van voorlopige gegevens die in vorige jaarverslagen werden gepresenteerd.

Afwijkingen van de Rijksbegrotingsvoorschriften

Bij de budgettaire tabellen in het beleidsverslag wordt het verschil tussen de budgettaire raming uit de begroting 2025 en de realisatie voor het jaar 2025 toegelicht indien de afwijking tussen raming en realisatie groter is dan 5% van het begrotingsbedrag of groter is dan € 25 miljoen. Hiermee wordt afgeweken van model 3.22e uit de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2026.

Groeiparagraaf

Een aantal overzichtsbijlagen wordt niet meer opgenomen in de departementale begrotings- en verantwoordingsstukken, maar alleen in het stuk van het beleidsverantwoordelijke departement. Dit is aangekondigd in de Voorjaarsnota 2025. Als gevolg hiervan zijn de bijlage Rijksuitgaven Caribisch Nederland en de NGF-bijlage niet meer opgenomen in het jaarverslag van het Ministerie van SZW. Ook de bijlage moties en toezeggingen wordt niet langer opgenomen in de begrotings- en verantwoordingsstukken.

B. BELEIDSVERSLAG

4. Beleidsprioriteiten

4.1 Het beeld van 2025

1. Inleiding

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zet zich in voor werk en bestaanszekerheid voor iedereen. We werken aan eerlijk, gezond, en veilig werk in Nederland. Iedereen moet de kans krijgen om mee te doen en zich te ontwikkelen, zodat iedereen zelf kan bijdragen aan zijn eigen toekomst. Als het tegenzit is er een vangnet en dient pensioen zich aan dan is er inkomen. Dat kan alleen in een land waar mensen er voor elkaar zijn.

Ook in 2025 heeft SZW samengewerkt met publieke dienstverleners en andere betrokkenen om de ambities te verwezenlijken. Het kabinet Schoof was sinds 2 juni 2025 demissionair. Tegelijk bleef het zich inzetten voor werk, bestaanszekerheid en perspectief voor iedereen. Er zijn in 2025 verschillende belangrijke beleidsresultaten gerealiseerd. Zo zijn de Participatiewet in balans en de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten door beide Kamers aangenomen. 2025 is ook het jaar geweest waarin de eerste pensioenfondsen en hun deelnemers overstapten naar het nieuwe pensioenstelsel. Ook zijn onder andere de eerste twee wetsvoorstellen uit het arbeidsmarktpakket aangeboden aan de Tweede Kamer.

In dit jaarverslag blikken we terug op de beleidsprioriteiten uit de begroting 2025. We gaan in op de stappen die het afgelopen jaar gezet zijn op de volgende terreinen: naar een begrijpelijk en zeker inkomen, armoede en schulden, werkzekerheid, meedoen op de arbeidsmarkt, selectieve en gerichte arbeidsmigratie, integratie en sociale samenhang, kinderopvang. Daarnaast gaan we apart in op het vervolg op de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en brede welvaart. In aansluiting op het door de Tweede Kamer vastgestelde focusonderwerp voor de verantwoording 2025, is tot slot een risicoparagraaf opgenomen.

2. Naar een begrijpelijk en zeker inkomen

Het kabinet zet in op een begrijpelijk en zeker inkomen. Het kabinet wil het stelsel van inkomensondersteuning (zoals uitkeringen en toeslagen) eenvoudiger maken. Het huidige stelsel is vaak onbegrijpelijk voor mensen. Regelingen binnen het huidige stelsel van inkomensondersteuning zijn te vaak onvoorspelbaar en ontoegankelijk of hebben onwenselijke uitkomsten. Dat komt doordat de wetgeving door de jaren heen steeds complexer is geworden. Deze complexiteit zorgt voor onzekerheid in bestaanszekerheid van mensen en voor problemen bij publieke dienstverleners UWV, SVB en gemeenten. Het kabinet heeft daarom een Hervormingsagenda Inkomensondersteuning gepresenteerd aan de Kamer om het stelsel op korte en lange termijn te vereenvoudigen (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 849).

Het programma Werk aan Uitvoering werkt aan het duurzaam verbeteren van de publieke dienstverlening. Mensen willen dat hun contact met de vele gezichten van de overheid menselijk, concreet en begrijpelijk is. Het programma Werk aan Uitvoering faciliteert en jaagt deze beweging aan en ziet toe op een aantal overkoepelende thema’s: 1) goede samenwerking tussen beleid, publieke dienstverleners en politiek en 2) vereenvoudiging in de dienstverlening voor mensen en bedrijven, met daarbij specifieke aandacht voor het belang van gegevensdeling en schaarste in de uitvoering. De voortgangsrapportage die in juni 2025 naar de Tweede Kamer is gestuurd, beschrijft de voortgang van de brede beweging, waarbij gekeken is naar wat goed gaat en wat beter kan. Ook is het een uitnodiging tot kritisch meedenken, tot reflectie, en tot het versterken van het lerend en oplossend vermogen van de overheid, zodat we samen betere publieke dienstverlening realiseren voor mensen en bedrijven (Kamerstukken II 2024/25, 29 362, nr. 381).

Het Wetsvoorstel proactieve dienstverlening wil het niet-gebruik van toeslagen en uitkeringen tegengaan. Zodat mensen krijgen waar ze recht op hebben en niet-gebruik wordt teruggedrongen. Dit wetsvoorstel is in 2025 naar de Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2024/25, 36 799, nr. 2). UWV, SVB en gemeenten mogen mensen straks actief gaan wijzen op bepaalde regelingen waar zij recht op hebben en helpen bij het aanvragen. 

Het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid zorgt voor een menselijkere overheid. Het voorstel regelt dat mensen niet meer meteen worden gestraft bij het maken van een foutje als het gaat om sociale regelingen. Ook krijgen uitvoerders de ruimte om af te zien van een sanctie of boete, als iemand daarmee juist in de problemen komt. Het wetsvoorstel is in 2025 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2024/25, 36 785, nr. 2).

De achterstanden bij de sociaal-medische beoordelingen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA) lopen de komende jaren flink op. Het afgelopen jaar heeft het kabinet daarom maatregelen voor de korte termijn genomen om de toename van de achterstanden te beperken. Het is duidelijk dat de uitvoerbaarheid van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid al geruime tijd onder druk staat en dat de wet- en regelgeving te complex is. Door de herinvoering van de 60-plusmaatregel, de investering in de vorming van sociaal-medische centra en het kwijtschelden van WIA-voorschotten wil het kabinet op korte termijn de mismatch en de impact voor mensen verkleinen. Daarnaast blijft UWV prioriteit geven aan de Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen (ABA) voor de Wajong. Omdat uitkeringsgerechtigden met een Wajong-uitkering geen voorschot ontvangen, kan een te late beoordeling financiële problemen veroorzaken voor cliënten. Voor de middellange termijn helpen praktisch beoordelen en het leidend maken van het medisch advies van de bedrijfsarts bij de Re-integratieverslag (RIV)-toets om de achterstanden aan te pakken. De genomen maatregelen zijn onvoldoende om het probleem op lange termijn op te lossen. Zonder extra maatregelen lopen de achterstanden op sociaal-medische beoordelingen verder op. Dit heeft grote gevolgen voor mensen. Er zijn forse ingrepen in het stelsel nodig om het tij te keren en het stelsel weer uitvoerbaar te maken. Het rapport van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de WIA is in december 2025 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 55). Het is aan het kabinet om stappen te zetten voor herziening van het stelsel voor de langere termijn.

Het kabinet heeft gewerkt aan de compensatieregeling voor mensen die door fouten in het dagloon een te lage WIA-uitkering hebben ontvangen. Deze mensen krijgen een vergoeding die zo min mogelijk negatieve effecten heeft op toeslagen, belastingen en andere inkomensafhankelijke regelingen. De Tweede Kamer is in december 2025 geïnformeerd over de laatste stand van zaken met betrekking tot de (herstel)acties en de compensatieregeling (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 862). De verwachting is dat de eerste vergoedingen in de loop van 2026 kunnen worden uitgekeerd.

De Algemene Rekenkamer heeft op verzoek van de Minister van SZW onafhankelijk onderzoek gedaan naar de WIA. De uitkomsten hiervan zijn op 3 december 2025 gepubliceerd. Focus van dit onderzoek waren geconstateerde fouten bij sociaal-medische beoordelingen van aanvragers en de sturing- en de toezichtrelatie tussen SZW en UWV. De Algemene Rekenkamer heeft verschillende aanbevelingen gedaan voor SZW hoe de uitvoering van de WIA kan worden verbeterd. SZW is op basis hiervan al stappen aan het zetten om te komen tot verbeteringen en gaat hiermee de komende jaren aan de slag (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 863). Daarnaast constateert de Algemene Rekenkamer dat het huidige WIA-rechtmatigheidspercentage geen goed beeld geeft van het totaal aan fouten in WIA-uitkeringen. SZW werkt samen met UWV en de SVB aan een meer betekenisvolle invulling van het rechtmatigheidscijfer.

In het afgelopen jaar zijn verschillende herstelacties opgestart, zodat uitkeringsgerechtigden ontvangen waar ze recht op hebben. UWV heeft het afgelopen jaar gewerkt aan de verbetering van en inzicht in de kwaliteit van de dienstverlening. Dit verbeterde inzicht leidt ook vaker tot herstelacties. In het afgelopen jaar zijn er binnen de Ziektewet en ook de Wet arbeid en zorg verschillende herstelacties opgestart, waaronder de herstelactie inkomstenkorting, herstelactie daglonen en herstelactie leeftijdsherziening Ziektewet. SZW heeft de Tweede Kamer hierover geïnformeerd via Kamerbrieven en de Stand van de uitvoering (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 850).

Het kabinet wil de Participatiewet meer laten aansluiten op wat mensen nodig hebben. Het Wetsvoorstel Participatiewet in balans is in 2025 door beide Kamers aangenomen (Stb. 2025, 312). Met dit wetsvoorstel wordt een belangrijke stap gezet om de huidige Participatiewet met ruim twintig maatregelen op korte termijn te vereenvoudigen en te verbeteren (spoor 1). De maatregelen zijn onder andere gericht op het aantrekkelijker maken van werk naast een uitkering. Door het uniformeren van de bijverdiengrenzen en het invoeren van een ‘bufferbudget’ krijgen mensen meer financiële zekerheid als ze naast hun uitkering aan het werk gaan. Ook worden de regels rondom giften – zoals een tas boodschappen – versoepeld en kunnen gemeenten straks ook bijstand met terugwerkende kracht verlenen. Daarnaast blijft de taaleis bestaan in de Participatiewet. Het kabinet vindt het belangrijk dat mensen met een bijstandsuitkering de Nederlandse taal beheersen om zo de kansen op werk te vergroten (zie ook onder paragraaf 7. Integratie & sociale samenhang). De maatregelen uit het wetsvoorstel treden gefaseerd in werking, waarbij de eerste maatregelen per 1 januari 2026 zijn ingegaan. Daarnaast werkt het kabinet verder aan een fundamentele herziening van de Participatiewet (spoor 2). Op 4 juli 2025 is de bundel met beleidsopties voor de thema’s arbeidsvermogen, werk en participatie en inkomen naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2025/26, 34 352, nr. 344). Hierbij is er ook aandacht voor de groep mensen zonder duurzaam arbeidsvermogen binnen de Participatiewet. In spoor 3 werkt het kabinet samen met gemeenten en andere stakeholders aan het versterken van kennis en vaardigheden van professionals binnen de huidige en nieuwe wet- en regelgeving.

Gemeenten ondersteunen alleenverdieners-huishoudens. Gemeenten voeren sinds begin 2025 de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek uit. Ze betalen een tegemoetkoming aan een groep huishoudens waarvan een van beide partners een UWV-uitkering heeft en de andere partner geen of weinig inkomen. Doordat verschillende overheidsregelingen tegen elkaar inwerken, ontvangen deze huishoudens minder toeslagen dan een vergelijkbaar (echt)paar met een bijstandsuitkering. Tot en met 2027 voorkomt deze wet dat deze huishoudens hierdoor onder het bestaansminimum leven. Vanaf 2028 wordt het probleem structureel opgelost via de fiscaliteit.    

De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is in volle gang. Het nieuwe pensioenstelsel kent drie doelen: een stelsel dat eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen, een persoonlijkere en duidelijkere pen­sioenopbouw, en een pensioenstelsel dat beter aansluit bij de ontwikkeling dat mensen niet meer veertig jaar bij één werkgever werken. De bij de pensioentransitie betrokken partijen zijn hard aan het werk om de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel te realiseren. In 2025 zijn de eerste pensioenfondsen en hun circa 272.000 deelnemers overgestapt naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarnaast is in 2025 veel werk verricht om ervoor te zorgen dat per 1 januari 2026 nog meer fondsen de overstap hebben gemaakt, waardoor in totaal ongeveer 10 miljoen deelnemers zijn overgestapt op het nieuwe pensioenstelsel.

Het kabinet vindt het belangrijk dat zo veel mogelijk mensen gezond kunnen genieten van hun pensioen. Het afgelopen jaar heeft het kabinet in samenwerking met sociale partners gewerkt aan de uitwerking van de afspraken uit het akkoord ‘Gezond naar het pensioen’ (Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685). Kabinet en sociale partners hebben afgesproken om de drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding (RVU) na 2025 voort te zetten, met afspraken over betere gerichtheid en een systematiek van gezamenlijke monitoring en ijkmomenten. Gelijktijdig werken we met sociale partners aan een agenda voor duurzame inzetbaarheid, met de mensen met zwaar werk als eerste prioriteit.

3. Armoede en schulden

Het kabinet zet in op eenvoudiger en effectiever (kinder)armoedebeleid met meer focus op werkenden. Er zijn grote verschillen tussen gemeenten in de regelingen voor mensen die kampen met armoede en schulden. Het Nationaal Programma Armoede en Schulden heeft als doel de (inkomens)ondersteuning vanuit het Rijk voor iedereen eenvoudiger, integraler en toegankelijker te maken (Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 799). Het programma richt zich naast werkenden specifiek op kinderen en jongeren die te maken krijgen met geldzorgen of financiële verleidingen. De nadruk ligt hierbij op het voorkomen van armoede en schulden en op het structureel aanpakken van de oorzaken om intergenerationele armoede te doorbreken en een schuldenvrije toekomst te garanderen.

Het Nationaal Programma Armoede en Schulden bevat onder meer een uitgebreid pakket aan maatregelen om problematische schulden terug te dringen. Eén van de maatregelen is de basisdienstverlening schuldhulpverlening. Die zorgt ervoor dat mensen in elke gemeente toegang hebben tot dezelfde snelle en goede hulp bij schulden. Daarnaast werkt het kabinet aan de verbetering van vroegsignalering door middel van bestuurlijke afspraken tussen alle branches van vastelastenpartners, Divosa, NVVK en VNG en SZW.

Er is extra geld vrijgemaakt voor het publieke energiefonds. Voor het publieke energiefonds is ruim € 90 miljoen aan nationale middelen vrijgemaakt. Deze middelen dienen als cofinanciering voor een aanvraag bij het Europees sociaal klimaatfonds, waarmee er in totaal ongeveer € 340 miljoen beschikbaar is voor het nog in te richten publieke energiefonds (Kamerstukken II 2025/26, 29 023, nr. 599). Het streven is om het publieke energiefonds begin 2027 te openen. Daarnaast ontvangen gemeenten € 30 miljoen extra via een decentrale uitkering om huishoudens met een laag inkomen en een hoge energierekening in de winterperiode 2025/2026 aanvullend te kunnen helpen. Met dit geld kunnen gemeenten meer doen om huishoudens met geldzorgen te bereiken en hulp bieden bij het verduurzamen van woningen.

Het kabinet heeft geïnvesteerd in het verbeteren van de bestaanszekerheid en het bestrijden van armoede in Caribisch Nederland. De afgelopen jaren zijn belangrijke stappen gezet om bestaanszekerheid op Bonaire, Sint Eustatius en Saba te verbeteren. Om deze inzet voort te zetten, heeft het kabinet in 2025 structureel € 2 miljoen gereserveerd ter ondersteuning van het lokale armoede- en schuldenbeleid en € 9 miljoen per jaar om de koopkracht van inwoners op Bonaire, Sint Eustatius en Saba extra te ondersteunen. Daarnaast heeft het kabinet structureel € 4 miljoen geïnvesteerd om werk voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt op de eilanden te verbeteren en € 1 miljoen structureel voor kinderopvang voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. Met deze middelen is in de Voorjaarsnota 2025 een pakket met maatregelen uitgewerkt (Kamerstukken I 2024/25, 36 600 IV, nr. H). 

4. Werkzekerheid

Samen met sociale partners maken we onze arbeidsmarkt toekomstbestendig. Werkenden, werkgevers, onze samenleving, onze economie: iedereen heeft baat bij een goed functionerende arbeidsmarkt. Daarom is het kabinet doorgegaan met het arbeidsmarktpakket. Met de maatregelen en wetsvoorstellen uit het arbeidsmarktpakket geeft het kabinet vervolg aan het advies van de commissie Borstlap en het SER Middellange termijn advies. We richten ons daarbij op meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor ondernemers. Er is voortgang geboekt op de verschillende wetsvoorstellen en de eerste twee wetten van dit pakket zijn in 2025 aangeboden aan de Tweede Kamer.

Met het Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers verkorten we de meest onzekere fases van uitzendwerk en voorkomen we draaideurconstructies van tijdelijke contracten. Ook vervangt het wetsvoorstel nulurencontracten door een bandbreedtecontract met meer rooster- en inkomenszekerheid. Het Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers is als eerste grote wetsvoorstel van het arbeidsmarktpakket in mei 2025 aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2024/25, 36 746, nr. 2).

Het Wetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) zorgt voor meer duidelijkheid, een gelijker speelveld en betere handhaving bij het werken met en als zelfstandigen. Zo verduidelijkt het wetsvoorstel de criteria over wanneer iemand werknemer is en wanneer iemand als zelfstandige werkt. Ook introduceert het wetsvoorstel een ‘rechtsvermoeden van werknemerschap’, waarmee de rechtspositie van laagbetaalde zzp’ers versterkt wordt en schijnzelfstandigheid wordt teruggedrongen. Het Wetsvoorstel Vbar is in juli 2025 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2024/25, 36 783, nr. 2).

Het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis en het Wetsvoorstel basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen zijn in september 2025 naar de Raad van State gestuurd. Met het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis (Wpc) worden levensvatbare bedrijven ondersteund om in tijden van crisis zoveel mogelijk werknemers te behouden. Hiermee wil het kabinet voorkomen dat werkgevers kennis en expertise van hun werknemers verliezen. Ook wil het kabinet hiermee de kans vergroten dat werknemers hun baan kunnen behouden als een crisis zoals een oorlog of pandemie toeslaat. Het Wetsvoorstel basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (Baz) introduceert een verplichte basisverzekering die zelfstandigen beschermt tegen de risico’s van arbeidsongeschiktheid. Ook zorgt de Baz voor een gelijker speelveld tussen zelfstandigen onderling, en tussen werknemers en zelfstandigen. De Raad van State heeft kritisch geadviseerd over het huidige voorstel, het advies wordt nu bestudeerd.

Het minimumjeugdloon voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar gaat per 1 januari 2027 omhoog. Dit is bij de Voorjaarsnota 2025 besloten. De verhoging leidt tot een forse verbetering van het loon van jongeren en het vormt een stap naar meer bestaanszekerheid voor jongeren (Kamerstukken II 2024/25, 36 545, nr. 19).

Goede arbeidsomstandigheden zijn van groot belang voor een gezonde samenleving. De ambitie van de Arbovisie 2040 is nul doden en fors minder ongevallen en zieken door werk. Hiervoor is het kabinet het afgelopen jaar met verschillende thema’s aan de slag gegaan (Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 528). Er vindt onder andere onderzoek plaats naar welke financiële prikkels werkgevers kunnen stimuleren om meer werk te maken van preventie. We zetten in op het beter werkbaar maken van de Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) verplichting voor het mkb en er loopt een subsidieprogramma in het kader van Innovatieve Arbozorg. Het wetsvoorstel ter implementatie van de Europese asbestrichtlijn is op 29 oktober 2025 bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 2025/26, 36 843, nr. 2). Deze richtlijn introduceert onder meer een vergunningplicht voor bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden gaan verrichten. Daarnaast zijn vanuit het Nationaal actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) verschillende stappen gezet, zoals de sectoraanpak met de regeringscommissaris en de sociale partners en de internetconsultatie van het wetsvoorstel Gedragscode ongewenst gedrag. Tot slot werkt het kabinet aan wet- en regelgeving om kinderen te beschermen tegen de risico’s van commerciële online-activiteiten.

Voor een goed werkende arbeidsmarkt zijn sterke sociale partners en een toekomstbestendig cao-stelsel van belang. Het Nederlandse cao-stelsel staat echter op bepaalde punten onder druk, onder andere doordat minder werkenden onder cao’s vallen en het aantal vakbondsleden en de werkgeversorganisatie afneemt. De Tweede Kamer is in oktober 2025 geïnformeerd over de maatregelen die we gaan uitwerken om de organisatie­graad van werknemers en werkgevers te verbeteren, de onafhankelijkheid van vakbonden wettelijk vast te leggen, het algemeen verbindend verklaren (avv)- en dispensatiekader te verduidelijken, en de cao-dekkingsgraad te verhogen (Kamerstukken II 2025/26, 29 544, nr. 1304). Eind 2025 is dit als actieplan ingediend bij de Europese Commissie naar aanleiding van de richtlijn toereikende minimumlonen.

5. Meedoen op de arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt werd geleidelijk iets minder krap. Met 93 vacatures per 100 werklozen is de spanning op de arbeidsmarkt nog steeds hoog. Het aantal vacatures daalt sinds een piek in 2022. De werkloosheid is licht gestegen naar 410.000 wat neerkomt op een werkloosheidspercentage van 4,0 procent.

De werkzame beroepsbevolking is ongeveer gelijk gebleven en bestaat uit iets meer dan 9,8 miljoen personen. Binnen de werkzame beroepsbevolking zijn het aantal werknemers met een vaste arbeidsrelatie en met een flexibele arbeidsrelatie licht gegroeid. Het aantal zelfstandigen is daarentegen gedaald.

In 2025 lagen de cao-lonen gemiddeld 5,0 procent hoger dan in 2024. De loonstijging is lager dan in de twee jaren ervoor. Gecorrigeerd voor inflatie zijn de lonen met 1,6 procent toegenomen. Kijkend over een langere periode zijn de lonen (25,1 procent) en consumentenprijzen (25 procent) tussen 2020 en 2025 vrijwel even hard gestegen.

Duurzame inzetbaarheid blijft op de agenda. De Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU)-subsidie voor bedrijven en sectoren om aan de duurzame inzetbaarheid van hun medewerkers te werken loopt eind 2025 af. In het akkoord ‘Gezond naar het pensioen’ is afgesproken dat kabinet en sociale partners samen een agenda voor duurzame inzetbaarheid uitwerken. Met de brief van 28 mei 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685) is de Tweede Kamer over de contouren daarvan geïnformeerd. Bij de uitwerking krijgen de mensen met zwaar werk de eerste prioriteit.

In maart 2025 is aan de Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen (SLIM-regeling) een scholingssubsidie toegevoegd. De tijdelijke subsidie is beschikbaar voor de kosten van scholing die helpt bij in- of doorstroom in functies in maatschappelijk cruciale sectoren. Met deze subsidie wil het kabinet bijdragen aan de aanpak van tekorten in maatschappelijk cruciale sectoren zoals de zorg, de kinderopvang en de techniek. Ook draagt de subsidie bij aan de duurzame inzetbaarheid van (nieuwe en zittende) medewerkers. De subsidie kan worden gebruikt voor praktijkgerichte scholing gekoppeld aan functies op verschillende niveaus uit sectorale Ontwikkelpaden. Ontwikkelpaden worden gemaakt door sectoren zelf in samenwerking met SZW. In 2025 zijn 34 Ontwikkelpaden gepubliceerd gerelateerd aan maatschappelijk cruciale sectoren.

Om mensen snel aan een baan te helpen, is het belangrijk dat werkzoekenden en werkgevers elkaar eenvoudig kunnen vinden. Om die reden heeft het kabinet in 2025 verder gewerkt aan de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur. In elke arbeidsmarktregio is in 2026 één gezamenlijk regionaal loket actief: het Werkcentrum. Werkzoekenden, werkenden en werkgevers kunnen daar terecht met vragen over werk, loopbaanontwikkeling, scholing en personeelsvraagstukken.

Goede verlofregelingen helpen mensen een goede balans tussen werk en privé te organiseren. Zo kunnen meer mensen volwaardig meedoen op de arbeidsmarkt. In 2025 is verder gewerkt aan de vereenvoudiging van het verlofstelsel. Doel is om te komen tot een eenvoudiger, begrijpelijker en toegankelijker verlofstelsel voor rechthebbenden en werkgevers. De Kamerbrief van 15 september 2025 schetst de contouren van het nieuwe, vereenvoudigde verlofstelsel (Kamerstukken II 2024/25, 32 855, nr. 41).

Het Nationaal Groeifondsprogramma ‘Meer uren werkt!’ richt zich op het wegnemen van drempels voor wie meer uren kan én wil werken. Zo kan een bijdrage worden geleverd aan het oplossen van de arbeidsmarktkrapte, maar ook aan een betere werk-privébalans en de verbetering van de economische zelfstandigheid van werknemers die in deeltijd werken. Onderdeel van het programma is de subsidieregeling ‘Meer uren werkt’. In 2025 zijn op basis van deze subsidieregeling 11 pilotprojecten gestart om kansrijke aanpakken in de praktijk uit te proberen, waaraan bij elke interventie een onderzoek is gekoppeld. Het programma onderzoekt met interventies op de werkvloer wat écht werkt om urenuitbreiding te realiseren.

Om jongeren een goede start op de arbeidsmarkt te geven is vanaf 1 januari 2026 de nieuwe wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk in werking getreden. Scholen, doorstroompunten en gemeenten krijgen meer mogelijkheden om jongeren tot 27 jaar te begeleiden bij de overgang van school naar werk en het behouden van werk. De focus ligt op jongeren die ongeacht de stand van de economie moeite hebben om aan het werk te komen en aan het werk te blijven.

Er staan nog te veel mensen aan de kant die wel willen én kunnen werken. Daarom hebben we gewerkt aan verdere verbetering van de banenafspraak. Het verbeteren van de banenafspraak gebeurt in drie stappen. De eerste stap is het Wetsvoorstel vereenvoudigde banenafspraak, dat in 2025 door beide Kamers is aangenomen (Stb. 2025, 121). De tweede stap is het verder verbreden van de doelgroep banenafspraak met mensen in de WW en de WIA. Het wetsvoorstel hiervoor wordt op dit moment gemaakt. Tegelijkertijd wordt er gewerkt aan stap 3: de langetermijnvisie voor de banenafspraak. Dit betreft een fundamentele herziening van de banenafspraak waarbij het belangrijkste is dat de ondersteuningsbehoefte van mensen veel meer centraal komt te staan. De Kamerbrief van 19 juni 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 340) schetst hiervoor de uitgangspunten.

Sinds 1 november kunnen mkb-werkgevers gebruik maken van de tijdelijke subsidieregeling inclusieve technologie. Hiermee kunnen zij subsidie aanvragen om investeringen in inclusiviteitstechnologie mogelijk te maken, om zo werkgevers te stimuleren om meer mensen met een beperking in dienst te nemen.

Er zijn aanvullende maatregelen genomen om beschut werk verder te bevorderen. Beschut werk is er voor mensen die veel begeleiding of aanpassing van de werkplek nodig hebben. De realisatie van beschut werk ontwikkelt zich positief en de doelstellingen voor beschut werk komen steeds meer binnen bereik. Tot en met juni 2025 waren 11.213 mensen met een positief advies voor beschut werk aan het werk. Het streven was om 11.500 banen te realiseren. In de Voorjaarsnota 2025 heeft het kabinet besloten om structureel € 90 miljoen extra per jaar beschikbaar te stellen voor beschut werk. Dit doen we om de werking van de loonkostensubsidie te verbeteren en eenvoudiger te maken. Daarnaast is op basis van signalen en oplossingsrichtingen van ervaringsdeskundigen uit de praktijk een verbeteragenda beschut werk ten uitvoer gebracht. Met de maatregelen uit deze verbeteragenda wordt beschut werk de komende jaren verder gestimuleerd (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 341).

Ook een toekomstbestendige infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven is belangrijk voor een arbeidsmarkt waarin iedereen mee kan doen. Daarom heeft het kabinet hier fors in geïnvesteerd. Zo is vanaf 2025 een impulsbudget beschikbaar gesteld om gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven financieel te ondersteunen bij het versterken van de sociale infrastructuur. Bovendien is er vanaf 2025 een rijksbijdrage aan de bedrijfskosten van sociaal ontwikkelbedrijven beschikbaar gekomen. Ook is er een ondersteuningsprogramma ingericht, waarmee gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven worden geholpen om deze investeringen om te zetten in structurele verbeteringen (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 341).

Medewerkers van sociaal ontwikkelbedrijven is compensatie geboden voor de nadelige gevolgen van fiscale maatregelen uit het Belastingplan 2025. Met het amendement van Kent (Kamerstukken II 2024/25, 36 725 XV, nr. 7) is voor het jaar 2025 € 40 miljoen beschikbaar gemaakt hiervoor. Inmiddels is het Belastingplan 2026 aangenomen door de Tweede Kamer en wordt de inkomensachteruitgang vanaf 2026 structureel gecorrigeerd. Hiermee is een compensatie voor de komende jaren niet meer nodig. 

6. Selectieve en gerichte arbeidsmigratie

Het kabinet wil selectiever en gerichter arbeidsmigratiebeleid voeren en misstanden actief tegengaan. In 2025 is het rapport van het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) naar arbeidsmigratie verschenen (Kamerstukken II 2024/25, 29 861, nr. 164). Ook bracht de Sociaal Economische Raad in 2025 zijn advies uit over arbeidsmigratie (Arbeidsmigratie: minder waar het kan, beter waar het moet | SER). Deze rapporten bieden onder andere inzicht in de keuzes die we kunnen maken op de arbeidsmarkt en de economie, om te zorgen voor selectievere en gerichtere arbeidsmigratie.

Met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) wordt een toelatingsstelsel ingevoerd voor uitzendbureaus en andere uitleners van personeel. Dit stelsel moet een belangrijke bijdrage leveren aan het tegengaan van misstanden in de uitleensector, waaronder bij arbeidsmigranten. De Wtta is op 15 april 2025 aangenomen in de Tweede Kamer en op 11 november 2025 in de Eerste Kamer (Stb. 2025, 385). Daarmee is een belangrijke mijlpaal behaald. Er is in 2025 hard gewerkt aan de voorbereidingen voor de invoering van het stelsel, met in het bijzonder het oprichten van een nieuwe uitvoeringsorganisatie: de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt.

Ook meerdere in 2025 opgeleverde verkenningen dragen bij aan de uitwerking van maatregelen om misstanden op het gebied van arbeidsmigratie tegen te gaan. Zo is er een technische verkenning opgeleverd waarin mogelijkheden voor een sectoraal uitzendverbod en een verplicht percentage indiensttreding zijn onderzocht (Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 530). Uit deze verkenning komen vier sectoren naar voren met een relatief hoog risico op het overtreden van arbeidswetten. Deze sectoren werken nu aan maatregelen om misstanden met uitzendkrachten tegen te gaan. Als stok achter de deur wordt een in- en uitleenverbod voorbereid in de vleessector. Ook zijn verkenningen opgeleverd naar de stappen die gezet kunnen worden om onrechtmatige detachering van werknemers uit derde landen tegen te gaan (Kamerstukken II 2024/25, 29 861, nr. 162) en naar de aanscherping van de kennismigrantenregeling (Kamerstukken II 2024/25, 29 861, nr. 163). Tot slot is de Tweede Kamer in juli 2025 geïnformeerd over de uitkomsten van het verdiepend onderzoek naar de effectiviteit van boeteverhogingen om naleving van arbeidswetten voor eerlijk werk te bevorderen (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XV, nr. 114).

7. Integratie en sociale samenhang

Het kabinet heeft de dialoog om maatschappelijke samenhang te bevorderen voortgezet. Dit heeft als doel de scheidslijnen in de samenleving te overbruggen en verbinding te stimuleren. Vanuit het meerjarenplan zelfbeschikking 2022-2025 is ingezet op het versterken van zelfbeschikking en de vrijheid om eigen keuzes te maken. Dit krijgt vervolg in de Actieagenda Integratie.

De Actieagenda Integratie moet bijdragen aan Nederland als open en vrij land. In 2025 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de invulling van deze actieagenda in de periode 2025-2029 (Kamerstukken II 2024/25, 32 824, nr. 456). De Actieagenda Integratie bestaat uit twee pijlers. Pijler 1 zet in op het versterken van waarden en normen van de open en vrije samenleving. Pijler 2 zet in op een evenredige positie tussen mensen met een migratieachtergrond op de arbeidsmarkt en mensen zonder migratieachtergrond. Het is essentieel dat iedereen meedoet in de samenleving. Dat betekent de Nederlandse taal spreken, maar ook de Nederlandse normen en waarden onderschrijven zoals vastgelegd in onze democratische rechtsorde.

Daarnaast zet het kabinet in op het aanpakken van discriminatie, racisme, antisemitisme en moslimhaat. In het najaar van 2025 is de kabinetsreactie op het nationaal onderzoek moslimdiscriminatie, het rapport Toekomstverwachtingen van moslimjongeren in Nederland en de uitkomsten van de Catshuissessie (eind augustus) naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2025/26, 30 950, nr. 505).

2025 was het laatste jaar van de Agenda Veerkrachtige en Weerbare samenleving. Binnen deze Agenda werden veerkracht- en weerbaarheidsinterventies getest en geëvalueerd in enkele tientallen gemeenten. De Agenda wordt niet voortgezet. De resultaten hiervan worden geëvalueerd en vastgelegd.

Taal en werk zorgen voor een goede start voor nieuwkomers. Zij kunnen daardoor goed integreren en volwaardig meedoen. Ook kunnen ze daardoor een bijdrage leveren aan Nederland. In de Actieagenda Integratie is aangekondigd dat het kabinet vanaf 2027 extra middelen vrijmaakt voor de taaleis in de bijstand voor degenen die het vereiste taalniveau nog niet halen. Met gemeenten, werkgevers, taalaanbieders en andere partijen wordt gewerkt aan een effectieve uitvoering en handhaving van de taaleis (Kamerstukken II 2025/26, 34 352, nr. 345).

Het kabinet helpt Oekraïense ontheemden mee te doen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Momenteel vangt Nederland ruim 130.000 Oekraïense vluchtelingen op. Sinds hun komst in 2022 zet het kabinet in op participatie, onder andere door toegang tot de arbeidsmarkt en recht op kinderopvangtoeslag. Tussen november 2024 en mei 2025 is de arbeidsparticipatie van deze groep verder toegenomen van 59% naar 61%. Ook het deel ontheemden met een dienstverband voor onbepaalde tijd is verder gestegen (van 9% naar 13%). In het kader van de inzet op passend en duurzaam werk zijn er diverse ontwikkelpaden en handreikingen voor gemeenten, werkgevers en ontheemden gepubliceerd.

8. Kinderopvang

In 2025 is intensief gewerkt aan het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang voor werkende ouders. Het nieuwe financieringsstelsel is eenvoudig voor ouders en biedt hun vooraf zekerheid over waar zij recht op hebben. Terugvorderingen zijn verleden tijd. Ook wordt kinderopvang voor de meeste werkende ouders beter betaalbaar. Zowel voor de uitvoering als voor kinderopvangorganisaties betekent het nieuwe stelsel een ingrijpende wijziging. Om een goede overgang te borgen, heeft het kabinet in 2025 bij de voorjaarsbesluitvorming besloten meer tijd te nemen voor de implementatie van en de overgang naar de nieuwe financiering (Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 560). Het wetgevingstraject voor de nieuwe financiering is in 2025 doorgegaan. In oktober en november 2025 heeft het wetsvoorstel open gestaan voor internetconsultatie.

De vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag zijn in 2025 verhoogd, waardoor kinderopvang ook in 2025 al beter betaalbaar werd. In de aanloop naar het nieuwe financieringsstelsel wordt de kinderopvangtoeslag stap voor stap verhoogd. Dit ‘ingroeipad’ naar het nieuwe financieringsstelsel moet ervoor zorgen dat het aanbod van kinderopvang geleidelijk mee kan groeien met de naar verwachting toenemende vraag.

Samen met de sector zijn diverse maatregelen in gang gezet om het personeelstekort in de kinderopvang te verminderen. Zo is in november 2025 het vernieuwde Ontwikkelpad Kinderopvang verschenen. Dit vernieuwde Ontwikkelpad geeft een uitgebreider overzicht van de loopbaanmogelijkheden binnen de kinderopvangsector. De SLIM-subsidie biedt werkgevers en gastouderbureaus financiële ondersteuning voor scholing van medewerkers binnen het Ontwikkelpad.

Ook heeft het kabinet samen met de sector maatregelen genomen om de gastouderopvang te versterken. Zo zijn waar mogelijk regels geschrapt of versoepeld om de regeldruk te verminderen. Via de SLIM-scholingsregeling is er subsidie beschikbaar gesteld voor de scholing van nieuwe gastouders. Het Wetsvoorstel verbetermaatregelen gastouderopvang is in juni 2025 aangenomen door de Eerste Kamer (Stb. 2025, 164). De lagere regelgeving is in december 2025 gepubliceerd (Stb. 2025, 427 en Stcrt. 2025, 40056). De nieuwe regelgeving treedt per 1 juli 2026 in werking.

Er is afgelopen jaar gewerkt aan maatregelen om de kinderopvang op Caribisch Nederland verder te verbeteren. Op 1 januari 2026 is de Wet kinderopvang BES (Stb. 2024, 140) in werking getreden. Hiermee verbeteren we de kwaliteit en de betaalbaarheid van de kinderopvang in Caribisch Nederland. De onderliggende regels zijn in 2025 nader uitgewerkt in het Besluit kinderopvang BES (Stb. 2025, 261) en een ministeriële regeling (Stcrt. 2025, 39220).

9. Vervolg parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag

Het kabinet heeft zich het afgelopen jaar onverminderd ingezet om vervolg te geven aan het rapport ‘Ongekend onrecht’. Het kabinet heeft aangekondigd te rapporteren over het vervolg op dit rapport via de departementale jaarverslagen (Kamerstukken II 2022/23, 35 510, nr. 135). Hier volgen ontwikkelingen op een aantal toezeggingen uit de kabinetsreactie op dat rapport (Kamerstukken II 2021/22, 35 510, nr. 4).

De afgelopen jaren heeft het kabinet flinke stappen gezet bij de herziening van de kinderopvangtoeslag. De kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft. In plaats daarvan komt een hoge, inkomensonafhankelijke subsidieregeling voor kinderopvang voor werkende ouders. De overheid betaalt deze subsidie rechtstreeks uit aan kinderopvangorganisaties. In dit nieuwe financieringsstelsel vinden geen terugvorderingen meer plaats bij ouders. En ouders hebben vooraf altijd duidelijkheid en zekerheid over waar zij recht op hebben. Zo maakt de regering de financiering van kinderopvang eenvoudig en zeker en wordt kinderopvang voor veel ouders beter betaalbaar. Afgelopen jaar is het conceptwetsvoorstel financiering kinderopvang opgesteld. In oktober is dit wetsvoorstel in internetconsultatie gegaan.

In 2025 is het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid aangeboden aan de Tweede Kamer. UWV, SVB en gemeenten krijgen hierdoor meer ruimte om rekening te houden met de persoonlijke situatie van mensen bij het handhaven van de socialezekerheidswetten. Het uitgangspunt is dat niet elke fout automatisch bestraft wordt. Als iemand een fout maakt zonder opzet – bijvoorbeeld omdat regels onduidelijk zijn – dan moet de overheid eerst kijken wat er precies aan de hand is. Pas daarna wordt bepaald of een straf echt nodig is. Uitvoeringsorganisaties mogen onder bepaalde omstandigheden afzien van een boete of terugvordering.

Ook is het Wetsvoorstel proactieve dienstverlening aangeboden. Dit wetsvoorstel geeft UWV, SVB en gemeenten de mogelijkheid om mensen actief te wijzen op hun rechten en mogelijkheden door persoonsgegevens te gebruiken en informatie uit te wisselen. Zo wordt sneller duidelijk wie recht heeft op ondersteuning en kunnen mensen eerder hulp krijgen en wordt niet-gebruik verminderd en bestaanszekerheid vergroot. Daarnaast moeten UWV en SVB zich voortaan verantwoorden op basis van een set publieke waarden, zodat beter zichtbaar wordt hoe hun dienstverlening bijdraagt aan werk, ondersteuning en bestaanszekerheid voor iedereen.

In 2025 is een onderzoek van de Auditdienst Rijk afgerond naar gebruik van nationaliteitsgegevens op SZW-terrein. De Auditdienst Rijk (ADR) concludeerde dat het gebruik van nationaliteitsgegevens enerzijds noodzakelijk is voor de uitvoering van bepaalde wetten. Anderzijds bestaat bij dit gebruik een risico op discriminatie en zijn er privacyvraagstukken. De ADR constateert dat de onderzochte organisaties zich bewust zijn van de complexiteit en gevoeligheid rond het gebruik van nationaliteitsgegevens. De dienst komt wel met aanbevelingen over het beter borgen van kennis en aandacht voor onderwerpen als discriminatie, risicomodellen en algoritmen. Zowel in de sturing, binnen de organisatie als in de communicatie naar buiten. De Nederlandse Arbeidsinspectie, UWV en SVB nemen de aanbevelingen ter harte en maken er reeds werk van.

In 2025 zijn de statuten van het Inlichtingenbureau gewijzigd voor vergroting van onder andere democratische controle. Naar aanleiding van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag is hiertoe een motie aangenomen (Kamerstukken II 2020/21, 26 448, nr. 660). Het Inlichtingenbureau heet sinds de wijziging van de statuten het Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN). Het huidige bestuursmodel is vervangen door een Raad van Toezicht. De Raad van Toezicht-leden worden door SZW en VNG benoemd en zien toe op het functioneren namens deze opdrachtgevers. Daarnaast wordt de minister voortaan geconsulteerd over de strategie, keurt deze het jaarplan vooraf goed en moet voortaan instemmen met bepaalde financiële rechtshandelingen. Naast de statutenwijziging worden de jaarstukken voortaan met de Tweede Kamer gedeeld en wordt deze proactief geïnformeerd, wanneer er nieuwe wettelijke taken komen. De gekozen vorm van de organisatie komt tegemoet aan de behoefte aan een interbestuurlijke positie met een grotere democratische controle.

10. Brede welvaart

Welzijn gaat over meer dan alleen inkomen. Naast inkomen spelen ook factoren als kwaliteit van werk, gelijke kansen, gezondheid, onderwijs en sociale samenhang een belangrijke rol in het welzijn van mensen. Het kabinet hecht er daarom waarde aan om inzichtelijk te maken hoe SZW bijdraagt aan brede welvaart. De aanleiding is de motie Hammelburg c.s. (Kamerstukken II 2021/22, 35 925, nr. 122 en 34 298, nr. 37), waarin de Tweede Kamer het kabinet verzocht om de bijdrage van ministeries aan brede welvaart systematisch in beeld te brengen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) stelt als reactie daarop jaarlijks een factsheet op met de ontwikkeling van de voor SZW relevante brede-welvaartsindicatoren. Deze indicatoren geven inzicht in zowel de huidige kwaliteit van leven als de voorwaarden voor welzijn op de langere termijn.

Het algemene beeld is overwegend positief. Op veel terreinen van SZW laten de indicatoren gunstige ontwikkelingen zien ten opzichte van eerdere jaren. Nederland behoort op een aanzienlijk deel van deze indicatoren tot de kopgroep binnen de Europese Unie. Zo blijven de individuele consumptie en het mediaan besteedbaar inkomen stijgen en is het aandeel geregistreerde problematische schulden in 2025 gedaald. De langdurige werkloosheid is laag, werkenden zijn over het algemeen tevreden met hun arbeidsomstandigheden en ervaren steeds vaker een goede werk-privébalans. De ervaren gezondheid blijft hoog, het aandeel personen met ernstige langdurige beperkingen neemt af en Nederlanders zijn tevreden met hun leven en werk en ervaren een relatief hoge mate van regie over hun eigen leven.

Tegelijkertijd zijn er aandachtspunten. Na een periode van afnemende armoede is door het wegvallen van de energietoeslag de armoede in 2025 weer toegenomen. Het aandeel vrouwen in managementfuncties blijft onder het Europees gemiddelde en beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen zijn nog steeds aanwezig. Ziekteverzuim onder werknemers stijgt trendmatig en werkgerelateerde mentale vermoeidheid neemt toe. Verdere verbetering van de brede welvaart op SZW-terrein is dus mogelijk.

11. Focusonderwerp: Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld

De Tweede Kamer heeft verzocht aan departementen om in het jaarverslag 2025 in te gaan op risico’s bij (ten minste) drie concrete, budgettair omvangrijke en/of strategisch belangrijke (beleids)programma’s of overheidsactiviteiten. Het gaat daarbij om thema’s die, nu of in de toekomst, grote negatieve maatschappelijke impact kunnen hebben als ze niet tijdig worden onderkend en aangepakt.

Om tot een objectieve selectie van programma’s of overheidsactiviteiten te komen, zijn meerdere externe en interne bronnen geraadpleegd. Als startpunt zijn de beleidsprioriteiten uit de begroting van SZW 2025 genomen. Achtereenvolgens zijn de financiële risico’s uit de begrotingsbrief 2025 van de Algemene Rekenkamer, de bevindingen en aandachtspunten uit het interim-auditrapport van de ADR en de SZW-risicoanalyse geïnventariseerd. De onderwerpen die hierin het meest vaak naar voren komen zijn de uitvoerbaarheid van de WIA, de hervorming van de inkomensondersteuning en weerbaarheid.

Uitvoerbaarheid WIA

De uitvoerbaarheid van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid staat onder druk. Door een te late beoordeling over de mate van arbeidsongeschiktheid verkeren mensen in onzekerheid. Dit heeft grote gevolgen voor mensen. De late beoordelingen zorgen voor onzekerheid over recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en daarmee dus ook voor onzekerheid over de financiële toekomst en de daarbij horende bestaanszekerheid. Hiermee wordt ook de doelstelling van SZW geraakt; bestaanszekerheid voor iedereen. Daarnaast staat UWV voor grote organisatorische uitdagingen waarbij de basis voor verandering fragiel is. Voor de (herstel)acties dagloonfouten, loonloze tijdvakken en indexatie is in 2025 gewerkt aan een vergoedingsregeling. In de loop van 2026 zullen de eerste vergoedingen worden uitgekeerd. Het kabinet heeft in 2025 de 60+ maatregel heringevoerd, middelen vrijgemaakt voor de verdere vormgeving van Sociaal Medische Centra (SMC’s), het medisch advies van de bedrijfsarts leidend gemaakt bij de Re-integratieverslag (RIV)-toets en de maatregel praktisch beoordelen voortgezet om ervoor te zorgen dat de achterstanden de komende jaren minder snel oplopen. Om het stelsel echter weer uitvoerbaar te maken zijn forse ingrepen nodig. In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) WIA zijn daarom aanbevelingen voor aanpassingen aan het arbeidsongeschiktheidsstelsel gedaan, zoals het doorvoeren van taakherschikking, voorwaarden stellen aan verzoeken tot herbeoordelingen en het afschaffen van de IVA-uitkering (Kamerstukken II 2025/26, 32 716, nr. 55). Ook heeft de Algemene Rekenkamer in december 2025 een rapport gepubliceerd dat tekortkomingen bij WIA-uitkeringen aan het licht bracht, waarbij burgers een onjuiste uitkering ontvingen (Fouten bij WIA-uitkeringen: blind voor de signalen, burgers geraakt | Algemene Rekenkamer). Daarin worden ook aanbevelingen gedaan om de WIA meer uitvoerbaar te maken. In het coalitieakkoord ‘Aan de Slag’ is besloten om hiertoe al een aantal eerste stappen te zetten, overeenkomend met de hiervoor genoemde aanbevelingen uit het IBO WIA. Het is aan het kabinet om stappen te zetten voor herziening van het stelsel voor de langere termijn.

Hervorming inkomensondersteuning

Het huidige stelsel van inkomensondersteuning is voor groepen mensen onbegrijpelijk en kan tot onzekerheid en onrechtvaardige uitkomsten leiden. Onder andere de samenloop van regelingen maakt het stelsel voor zowel burgers als de uitvoering complex. Het is noodzakelijk het stelsel te verbeteren en te vereenvoudigen. Dit komt ook de uitvoerbaarheid ten goede, waarmee fouten en nieuwe herstelacties kunnen worden voorkomen. Vereenvoudiging kan ervoor zorgen dat regelingen minder gericht worden. Afhankelijk van de uitwerking, kan dit gepaard gaan met inkomenseffecten en budgettaire effecten. Vereenvoudiging levert echter ook wat op, namelijk een stelsel dat meer zekerheid biedt en minder complex wordt.

Op 11 juli 2025 is de Hervormingsagenda inkomensondersteuning met een routekaart en 7 sporen voor de sociale zekerheid aan de Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 849). Op deze lange termijnagenda komt de concrete uitwerking van de vereenvoudiging van regelingen stapsgewijs aan bod. De haalbaarheid en uitvoerbaarheid zullen per stap worden getoetst. De beleidsvoorstellen zullen vervolgens worden gewogen in het kabinet en de Kamer, inclusief de budgettaire randvoorwaarden. De Kamer zal jaarlijks voor de zomer geïnformeerd worden over de voortgang van de agenda.

Weerbaarheid

Door de huidige geopolitieke situatie is de kans groter geworden dat Nederland in bondgenootschappelijk verband betrokken raakt bij een conflict. Om Nederland hierop voor te bereiden werkt de overheid samen met medeoverheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers aan het versterken van de maatschappelijke weerbaarheid en militaire paraatheid. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en het Ministerie van Defensie coördineren deze opgave. Alle departementen dragen hier vanuit hun eigen opgaven aan bij.

Ten aanzien van het vergroten van de maatschappelijke weerbaarheid heeft SZW drie hoofdopgaven, namelijk arbeidsmarkt, continuïteit van de sociale zekerheid en sociale stabiliteit. Daarnaast werkt SZW aan de digitale weerbaarheid van het departement.

1. Arbeidsmarkt

In een crisissituatie is voldoende personeel een randvoorwaarde om de economie en in het bijzonder de vitale sectoren draaiende te houden. SZW werkt aan een modernisering van de Noodwet Arbeidsvoorziening, die voorziet in bevoegdheden en maatregelen gericht op de continuïteit van arbeid in noodsituaties. Daarnaast verkent SZW in samenwerking met andere departementen en sociale partners wat er nodig is om de allocatie van arbeid bij militaire en hybride dreigingen soepel te laten verlopen.

2. Sociale zekerheid

In samenwerking met UWV, de SVB en het gemeentelijk domein heeft SZW een plan opgesteld om de continuïteit en leveringszekerheid van socialezekerheidsuitkeringen te borgen in geval van crisis. Afgesproken is dat iedere uitvoeringsorganisatie/uitvoeringsdomein een plan opstelt om de eigen technische en organisatorische weerbaarheid te vergroten. Een aantal zaken zal stelselbreed worden opgepakt. Dit heeft betrekking op het overnemen van elkaars taken, het versterken van de loonaangifteketen en het ontwerpen van een terugvaloptie voor als de uitkeringswetten (tijdelijk) niet op de gebruikelijke manier kunnen worden uitgevoerd. Met de Rijksdienst Caribisch Nederland is afgesproken om de belangrijkste risico’s in kaart te brengen voor de continuïteit van de sociale zekerheid in Caribisch Nederland en wat we kunnen doen om deze risico’s te mitigeren en de dienstverlening te continueren.

3. Sociale stabiliteit

In het integratiebeleid ligt de nadruk op het creëren van sociale stabiliteit in de samenleving, die in cultureel opzicht steeds diverser wordt. Bij hybride en militaire dreigingen kan de sociale stabiliteit in Nederland onder druk komen te staan. Bijvoorbeeld doordat vitale infrastructuur wordt ontwricht of de economie wordt aangetast. Hierdoor kunnen bezorgdheid en spanningen in de samenleving toenemen en het vertrouwen in de overheid afnemen. Dit kan vervolgens impact hebben op de slagkracht van de overheid tijdens een crisis. Het is daarom een belangrijke opgave om de maatschappelijke weerbaarheid van Nederland te versterken, waarbij burgers en bedrijven veiligheid en vertrouwen ervaren. Dat gebeurt in de eerste plaats op lokaal niveau. SZW verkent mogelijkheden om hieraan bij te dragen.

4. Digitale weerbaarheid

SZW wil de digitale weerbaarheid verhogen, zodat robuuste en veilige dienstverlening aan de samenleving en aan de medewerkers van SZW wordt geleverd. Dit betekent niet alleen het voldoen aan nieuwe wet- en regelgeving (zoals de nieuwe Cyberbeveiligingswet), maar ook echt weerbaarder te worden. Dit betekent het borgen dat (basis)informatie onder alle omstandigheden beschikbaar is: tijdig, correct en volledig en alleen toegankelijk voor de juiste personen. Als er iets misgaat, wordt dat snel opgemerkt en hersteld. Om kritieke processen te beschermen tegen de toenemende digitale dreigingen is vanaf najaar 2025 een programma uitgevoerd om geprioriteerde verbeteringen op het gebied van informatiebeveiliging door te voeren.

Kerncijfers

Handhaving UWV, SVB en gemeenten

Bij het ontvangen van een uitkering gelden diverse verplichtingen, zoals het tijdig verstrekken van gegevens over het inkomen en het melden van samenwonen. De naleving van deze verplichtingen is een belangrijke voorwaarde voor een goed werkend stelsel van sociale zekerheid. UWV, de SVB en gemeenten zetten diverse instrumenten in om de naleving en handhaving van wet- en regelgeving te bevorderen. Het gaat zowel om voorkomen (bijvoorbeeld voorlichting) als om controleren en sanctioneren (bijvoorbeeld het opleggen van boetes).

In de tabellen 1, 2 en 3 is een overzicht gegeven van de kerncijfers op het gebied van handhaving bij UWV, de SVB en gemeenten. De kerncijfers handhaving laten over de hele linie een stabiel beeld zien. Bij UWV is het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling gelijk gebleven. Wel is het benadelingsbedrag toegenomen van € 9 miljoen in 2024 naar € 13 miljoen. Deze toename is vrijwel geheel te verklaren door een toename van het benadelingsbedrag bij de toeslagenwet, dat gestegen is van € 1,5 miljoen in 2024 naar € 4,7 miljoen in 2025. Deze stijging is grotendeels te verklaren door de herstelactie arbeidsongeschiktheidspensioen die UWV in 2025 voor de toeslagenwet heeft uitgevoerd. Het aantal opgelegde boetes, het gemiddelde boetebedrag en het aantal waarschuwingen is niet significant gewijzigd. Bij de SVB is het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling na een kleine neergang in 2024 weer toegenomen tot het niveau van 2023. Dit is ook terug te zien in het totale geconstateerde benadelingsbedrag. Deze ontwikkeling is te verklaren door het inlopen van de werkvoorraad die in 2024 is ontstaan. Het aantal opgelegde boetes, het gemiddelde boetebedrag en het aantal waarschuwingen is niet significant gewijzigd. De incassoratio bij SVB is consistent met eerdere jaren, bij UWV is een licht dalende trend waarneembaar. Bij gemeenten ten slotte zijn alle kerncijfers nagenoeg gelijk aan de cijfers uit het derde kwartaal 2024.

Tabel 1 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

 

2023

2024

2025

2023

2024

2025

UWV1

2,6

1,6

1,7

13

9

13

SVB2

3,1

2,3

3,0

7,1

6,7

7,6

Gemeenten3

144

124

8,845

34

30

225

Totaal

20

16

6

54

46

6

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Bron: SVB, administratie.

3

Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

4

Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het aantal overtredingen ligt dus lager.

5

Betreft de stand ultimo 3e kwartaal 2025.

6

Dit totaal kan niet worden berekend.

Tabel 2 Kerncijfers sanctionering UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal boetes (x 1.000)

Totaal opgelegd boetebedrag (x € 1 mln)

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

 

2023

2024

2025

2023

2024

2025

2023

2024

2025

UWV1

1,1

0,6

0,6

1,2

0,7

0,8

4,4

2,5

2,7

SVB2

0,9

0,8

0,8

1,1

1,1

1,1

4,0

3,3

3,7

Gemeenten3

4,3

3,5

2,64

2,9

2,4

1,94

5,2

5,6

5

Totaal

6

5

6

5

4

6

14

11

6

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Bron: SVB, administratie.

3

Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

4

Betreft de stand ultimo 3e kwartaal 2025.

5

Dit kerncijfer komt in juni beschikbaar.

6

Dit totaal kan niet worden berekend.

Tabel 3 Kerncijfers incassoratio UWV, SVB en gemeenten

Incassoratio benadelingsbedrag + boetevordering ultimo 2025 (%)

2021

2022

2023

2024

2025

UWV1

63

58

38

30

13

SVB2

61

45

37

27

14

Gemeenten34

41

38

32

25

145

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Bron: SVB, administratie.

3

De incassoratio’s vallen hoger uit ten opzichte van eerdere jaarverslagen. Dit is het gevolg van een methodewijziging, waarbij administratieve wijzigingen van vorderingen als gevolg van bijvoorbeeld een verhuizing of wijziging van softwareleverancier niet langer als nieuwe vorderingen in de statistiek zijn opgenomen, maar als doorlopende vorderingen.

4

Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

5

Betreft voorlopige cijfers.

Re-integratie

Tabel 4 geeft weer hoeveel mensen met een arbeidsbeperking met hulp van UWV aan het werk zijn gegaan.

Met ingang van dit jaarverslag wordt er voor de WIA en Wajong gerekend met een aangepaste prestatie-indicator, waardoor de aantallen niet te vergelijken zijn met 2024 of eerder. Voor de WIA werden voorheen de mensen geteld van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit werk hebben aanvaard. Sinds 2025 worden mensen geteld die een arbeidsovereenkomst hebben gesloten voor de duur van minstens drie maanden, met een arbeidsomvang (beloonde arbeid) van (gemiddeld) minstens twaalf uur per week. Voor de Wajong werden voorheen alleen de mensen geteld met een overeenkomst van minimaal zes maanden en minimaal 12 uur per week. Vanaf 2025 worden ook mensen meegenomen die de restverdiencapaciteit gedeeltelijk benutten plus mensen met een contractverlenging. De definitie voor de WAO/WAZ is onveranderd en blijft dat alleen de mensen worden geteld van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit werk hebben aanvaard. Voor de Ziektewet worden uitsluitend de mensen geteld die na een re-integratietraject aan het werk zijn gekomen.

Tabel 4 Aantal door UWV aan het werk geholpen mensen met een beperking1
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Mensen met recht op WAO-/WAZ-uitkering

150

150

100

100

50

2

Mensen met recht op Ziektewetuitkering

450

500

350

400

400

2

Mensen met recht op WIA-uitkering

3.000

4.200

4.500

4.500

7.000

3

Mensen met recht op Wajong

7.100

7.700

7.100

6.100

13.700

 

Totaal

10.650

12.600

12.050

11.100

21.150

Bron: UWV, jaarverslag.

1

De aantallen zijn afgerond op vijftigtallen.

2

Door de aard van deze regelingen kan geen streefwaarde worden opgesteld.

3

Voor 2025 is geen streefwaarde opgegeven.

4.2 Budgettaire ontwikkeling uitgaven Sociale Zekerheid

Onderstaande tabel geeft een totaaloverzicht van de uitgaven aan Sociale Zekerheid voor het jaar 2025. Eerst de totale uitgaven aan Sociale Zekerheid, onderverdeeld naar begrotingsgefinancierde uitgaven (A) en premiegefinancierde uitgaven (B). De begrotingsgefinancierde uitgaven worden uit belastinginkomsten betaald. De premiegefinancierde uitgaven worden gedaan uit de sociale fondsen zoals het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) of het Werkloosheidsfonds, hiervoor betalen werkgevers premies. Het gaat om de netto uitgaven aan de sociale zekerheid, de ontvangsten zijn in mindering gebracht op de uitgaven. De totale uitgaven aan Sociale Zekerheid zijn € 0,3 miljard lager dan voorzien bij de begroting 2025.

Tabel 5 SZ-uitgaven 2025 (x € 1 mln)12
 

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2025

2025

2025

Totaal uitgaven begrotingsgefinancierd

60.927

59.963

964

-/- Correctie dubbeltelling rijksbijdragen

29.182

28.509

673

-/- Correctie ontvangsten begrotingsgefinancierd

733

764

‒ 31

+ Loon- en prijsbijstelling

0

1.382

‒ 1.382

A. SZ-uitgaven begroting

31.012

32.072

‒ 1.059

    

Totaal uitgaven premiegefinancierd

83.901

83.108

793

-/- Correctie ontvangsten premiegefinancierd

264

245

19

B. SZ-uitgaven premie

83.637

82.862

775

    

Totaal SZ-uitgaven (A + B)

114.649

114.934

‒ 285

1

De stand begroting in de tabel wijkt op enkele plaatsen af van de stand die in de begroting 2025 is gepresenteerd. In de begroting 2025 is voor deze posten per abuis niet met de destijds meest recente standen rekening gehouden.

2

Als gevolg van afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.

Op de totaaltelling van de uitgaven vindt een correctie plaats om dubbeltelling te voorkomen die ontstaat doordat sociale fondsen voor een deel gefinancierd worden uit begrotingsmiddelen. Deze zogeheten rijksbijdragen worden verantwoord bij artikel 12 van dit jaarverslag. Dit gaat hoofdzakelijk om de bijdrage aan het Ouderdomsfonds. De opbrengsten van de AOW-premie zijn namelijk onvoldoende om de ouderdomsuitgaven (AOW) te dekken.

Voor de ontvangsten die tot de niet-belastingontvangsten worden gerekend, wordt eveneens gecorrigeerd. De hier gepresenteerde gerealiseerde begrotingsontvangsten wijken af van de totale ontvangsten van SZW. De niet-kaderrelevante ontvangsten (voornamelijk werkgeversbijdragen kinderopvangtoeslag) worden niet meegenomen als ontvangsten van SZW. Rekening houdend met deze correcties zijn de begrotingsgefinancierde uitgaven aan Sociale Zekerheid in 2025 € 31,0 miljard, de premiegefinancierde uitgaven € 83,6 miljard. De totale uitgaven aan Sociale Zekerheid in 2025 komen daarmee op € 114,6 miljard.

Uitgavenontwikkeling

Tabel 6 toont een onderverdeling van de uitgaven aan Sociale Zekerheid naar de verschillende regelingen. Ontvangsten worden in mindering gebracht op de uitgaven. De kolom «verschil» presenteert het verschil tussen begroting 2025 en realisatie 2025.

Tabel 6 SZ-uitgaven per cluster van regelingen 2023-2025 (x € 1 mln)12
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2023

2024

2025

2025

2025

Arbeidsmarkt

     

NOW

‒ 626

1.156

134

0

134

LIV/LKV/Jeugd-LIV

687

611

260

453

‒ 193

Compensatieregeling transitievergoeding na 2 jaar ziekte

489

594

631

578

53

      

Werkloosheid en Bijstand

     

WW-uitgaven (werkloosheid)

2.865

3.379

3.924

3.742

181

Macrobudget participatiewetuitkeringen (bijstand)

6.659

7.341

7.780

7.480

300

      

Arbeidsongeschiktheid, Ziekte en Verlofregelingen

     

WIA/WAO/WAZ/Wajong

16.757

18.499

19.932

18.631

1.302

ZW-uitgaven

2.182

2.422

2.700

2.320

380

WAZO/geboorteverlof/ouderschapsverlof

2.397

2.671

2.934

2.634

300

      

Ouderdom/Nabestaanden

     

AOW

47.738

51.709

55.208

52.752

2.456

Inkomensondersteuning AOW

196

218

0

0

0

Anw

337

358

346

334

12

      

Kinderopvang en kindregelingen

     

KOT

4.166

4.716

5.425

5.224

200

AKW/WKB

7.963

9.472

9.766

9.702

64

      

Re-integratie/Participatie

     

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

187

217

227

224

3

      

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

     

Uitvoeringskosten (o.a. UWV/SVB)

2.936

3.045

3.183

3.127

57

Overige uitgaven

3.055

2.837

2.200

2.525

‒ 324

      

Nominale ontwikkeling

0

0

0

5.210

‒ 5.210

      

Totaal SZ-uitgaven

97.986

109.245

114.649

114.934

‒ 285

1

De realisatiecijfers voor 2023 zijn volgens de destijds gehanteerde definitie van Sociale Zekerheidsuitgaven weergeven. De gerealiseerde overige uitgaven in 2023 kunnen daarom niet zonder meer vergeleken worden met de overige uitgaven in 2024 en 2025. De hernieuwde definitie heeft geen invloed op de vergelijkbaarheid tussen 2023 enerzijds en 2024 en 2025 anderzijds van de andere posten in de tabel.

2

De stand begroting in de tabel wijkt op enkele plaatsen af van de stand die in de begroting 2025 is gepresenteerd. In de begroting 2025 is voor deze posten per abuis niet met de destijds meest recente standen rekening gehouden.

Voor vrijwel alle regelingen geldt dat de uitgaven hoger waren door indexatie van de uitkeringsbedragen. Hiervoor waren al middelen gereserveerd op de post voor de nominale ontwikkeling op de SZW-begroting. Onderstaand is een toelichting opgenomen op de per saldo verandering van de uitgaven per cluster van regelingen.

Arbeidsmarkt

De uitgaven aan arbeidsmarkt vallen in totaal € 6 miljoen lager uit dan begroot. Dat komt door lagere uitgaven aan het Lage-inkomensvoordeel (LIV). De uitgaven aan de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) en de compensatieregeling transitievergoeding vielen juist hoger uit. Oorzaak van de hogere uitgaven aan de NOW zijn dat de nabetalingen voor alle tranches hoger uitvielen dan verwacht en dat het verwachte aantal oninbare vorderingen iets is toegenomen. De uitgaven aan het Lage-inkomensvoordeel (LIV), Minimumjeugdloonvoordeel (jeugd-LIV) en Loonkostenvoordelen (LKV) zijn € 193 miljoen lager dan begroot. Door een versmalling van de definitie van een laag loon kwamen minder werknemers in aanmerking voor het LIV. De uitgaven aan de compensatieregeling transitievergoeding komen € 53 miljoen hoger uit dan begroot. Dit komt voornamelijk doordat de gemiddelde hoogte van de toekenningen voor de compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid hoger was dan verwacht.

Werkloosheid en bijstand

De gerealiseerde netto-uitgaven aan de WW komen € 181 miljoen hoger uit dan begroot. Dat verschil volgt vrijwel volledig uit de indexatie van de uitkeringsbedragen. De uitgaven aan het Macrobudget Participatiewetuitkeringen vallen per saldo € 300 miljoen hoger uit dan begroot. Vanwege een lager dan verwachte werkloosheid en een bijstelling aan de hand van de prijs- en volumerealisaties zijn de uitgaven aan de algemene bijstand gedurende het jaar naar beneden bijgesteld. Vanwege indexatie van de uitkeringsbedragen komen de gerealiseerde uitgaven per saldo desondanks hoger uit.

Arbeidsongeschiktheid, ziekte- en verlofregelingen

De uitgaven voor arbeidsongeschiktheid, ziekte- en verlofregelingen zijn in totaal € 1.981 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. De gerealiseerde uitgaven aan arbeidsongeschiktheid vallen onder andere hoger uit omdat er meer WGA-uitkeringen zijn verstrekt dan verwacht. De ZW-uitgaven vallen hoger uit omdat het aantal ZW-uitkeringen in 2025 is toegenomen. Ook de uitgaven aan verlofregelingen vielen hoger uit door een hoger aantal uitkeringen dan verwacht. Indexatie van de uitkeringen zorgde eveneens voor hogere uitgaven.

Ouderdom en nabestaanden

De AOW en Anw uitgaven zijn in totaal € 2.468 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Voor de AOW volgt het verschil vrijwel volledig uit de indexatie van de uitkeringsbedragen. De uitgaven aan de Anw waren lager dan verwacht doordat minder mensen een Anw-uitkering kregen en meer mensen de Anw verlieten. Per saldo komen de gerealiseerde Anw-uitgaven hoger uit door de indexatie van de uitkeringsbedragen.

Kinderopvang en kindregelingen

Het totaal van de uitgaven en de ontvangsten kinderopvangtoeslag is € 200 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Er is minder uitgegeven aan kinderopvangtoeslag door een lager dan verwacht gebruik van kinderopvang en een lager gemiddeld vergoedingspercentage. Vanwege indexatie van de kinderopvangtoeslag komen de gerealiseerde uitgaven per saldo toch hoger uit.

De uitgaven aan de kinderbijslag (AKW) en het kindgebonden budget (WKB) zijn € 64 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. De uitgaven aan de kinderbijslag vielen hoger uit omdat er meer mensen dan verwacht recht hadden op de AKW-plus en de dubbele kinderbijslag wegens een zorgintensief kind. De uitgaven aan het kindgebonden budget zijn lager uitgekomen omdat bij het vaststellen van de voorschotten met een hogere loonstijging is gerekend, waardoor de (voorlopige) voorschotbedragen lager uitvallen. Ook de terugontvangsten vielen lager uit.

Re-integratie en participatie

In 2025 is € 3 miljoen meer uitgegeven aan re-integratie van arbeidsongeschikten. Dit komt deels door loon- en prijsbijstellingen. De uitgaven aan re-integratie van arbeidsongeschikten vielen ook hoger uit door bijstellingen gedurende het jaar op basis van ramingen van UWV. De uitgaven aan re-integratie van jonggehandicapten vielen lager uit.

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

De uitvoeringskosten van onder andere UWV en de SVB komen € 57 miljoen hoger uit dan begroot. Dit komt grotendeels door indexatie. Het totaal van de overige uitgaven valt € 324 miljoen lager uit dan begroot. Dit wordt onder meer veroorzaakt door lagere uitgaven aan de Stimuleringsregeling LLO in MKB (SLIM) en hogere terugontvangsten op diverse begrotingsartikelen.

Nominale ontwikkeling

Op de post nominale ontwikkeling stond bij begroting € 5.210 miljoen gereserveerd voor de indexatie van de uitkeringsregelingen. Gedurende het jaar is dit overgeboekt naar de regelingen.

4.3 Realisatie periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen

Tabel 7 Realisatie periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen

BD/PR

Thema

Artikel(en)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Kamerstuk

BD

Arbeidsmarkt

1

 

X

     

Kamerstuk 30982, nr. 58

BD

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

2

 

X

     

Kamerstuk 30982, nr. 60

BD

Oudedagsvoorziening

8

X

      

Kamerstuk 30982, nr. 54

BD

Nabestaanden

9

X

      

Kamerstuk 30982, nr. 55

BD

Uitvoering

11

  

X

    

Kamerstuk 30982, nr. 62

PR

Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind

7

    

X

  

Kamerstuk 31322, nr. 513

PR

Werkloosheid werknemers

5

    

X

  

Kamerstuk 26448, nr. 718

PR

Integratie en maatschappelijke samenhang

13

    

X

  

Kamerstuk 31824, nr. 413

PR

Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind

6

     

X

 

Kamerstuk 26447, nr. 60

Voor het meest recente overzicht van de programmering van periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen, zie het overzicht Ingepland en uitgevoerd onderzoek op rijksfinanciën.nl. Voor de realisatie van deze en andere grote (evaluatie)onderzoeken, zie de bijlage «Afgerond evaluatie- en overig onderzoek».

SEA-thema's waar nog geen periodieke rapportage voor is afgerond:

  • SEA-thema 1: Gezonde en veilige arbeidsomstandigheden;

  • SEA-thema 2: Leven lang ontwikkelen;

  • SEA-thema 3: Arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden;

  • SEA-thema 5: Pensioen en oudedag;

  • SEA-thema 6: Armoede en schulden;

  • SEA-thema 7: Bijstand en participatie;

  • SEA-thema 8: Jonggehandicapten;

  • SEA-thema 10: Ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers;

  • SEA-thema 11: Inkomensondersteuning nabestaanden en wezen;

  • SEA-thema 13: Uitvoering SUWI-stelsel;

  • SEA-thema 14: Werk aan Uitvoering.

Voor 2025 stonden er vier periodieke rapportages op de planning conform de Strategische Evaluatie Agenda; dit ging om periodieke rapportages voor de SEA-thema’s ‘Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind – kinderopvangbeleid’, ‘Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind – tegemoetkoming ouders’, ‘Jonggehandicapten’ en ‘Ziekte en arbeidsongeschiktheid’.

De periodieke rapportage kinderopvangbeleid is uitgesteld in verband met de prioritering van andere werkzaamheden. Het onderzoek wordt in 2026 naar de Kamer gestuurd. De periodieke rapportage tegemoetkoming ouders zou in 2025 opgeleverd worden maar de publicatie was vertraagd waardoor deze in januari 2026 is opgeleverd. Voor de periodieke rapportage jonggehandicapten geldt dat het onderzoek reeds is uitgevoerd maar deze nog niet naar de Kamer is verzonden door vertraging in de afrondende fase. Het onderzoek zal naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 naar de Tweede Kamer worden verzonden. De periodieke rapportage ziekte en arbeidsongeschiktheid is uitgesteld naar 2027 in verband met het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) WIA.

4.4 Openbaarheidsparagraaf

Het versneld op orde brengen van onze informatiehuishouding en het vergroten van de transparantie naar de samenleving en parlement zijn belangrijke lessen uit het verslag ‘Ongekend onrecht’ van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK, december 2020). Daarnaast heeft de Wet open overheid (Woo) de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) per 1 mei 2022 vervangen. Dit betekent dat de overheid (nog) transparanter moet worden.

Ook SZW moet een deel van haar informatie (documenten) tijdig actief openbaar maken naar de burger toe, daar waar de burger dat nu nog vaak via een Woo-verzoek moet opvragen. SZW pakt het verbeteren van de informatiehuishouding (IHH) en het vergroten van transparantie op middels het meerjarige programma ENIGMA IHH Open op Orde. Het programma heeft tot doel om het informatiebeheer van SZW te verbeteren en transparanter te maken. Daarnaast heeft het programma tot doel om het bewustzijn van de omgang met openbaarheid van informatie in het DNA van de ambtenaren en in het werkklimaat/-proces van het departement te verankeren.

In 2025 is het verbeteren en het transparanter maken van de informatiehuishouding van SZW verder vormgegeven. In deze paragraaf worden de inspanningen daarvoor in 2025 inhoudelijk nader toegelicht. Ook wordt ingegaan op de actieve openbaarmaking en de financiën van het programma ENIGMA. Ten slotte wordt ingegaan op de passieve openbaarmaking.

Verbetering van de informatiehuishouding (highlights)

Actielijn 1. Informatieprofessionals

De afgelopen jaren is veel aandacht besteed aan de bewustwording en het vergroten van de kennis van de SZW-medewerkers op het gebied van informatiebeheer. In 2025 is hiermee verdergegaan. IHH is ook opgenomen in directiespecifieke on- en offboardingsprocessen.

Actielijn 2. Volume en aard van de informatie

Op 6 april 2023 is de kabinetsreactie gepubliceerd op het rapport van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (IO&E), op de adviezen van de Adviescommissie Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) en de Regeringscommissaris Informatiehuishouding (RIHH). In 2023 is een interdepartementaal traject gestart om te komen tot nieuw rijksbreed beleid op het gebied van berichtenapps en daaraan ondersteunende technische voorzieningen. Dit rijksbeleid was in 2025 nog niet vastgesteld. SZW heeft daarom haar eigen werkwijze ook in 2025 (evenals in 2024) gehanteerd: chatberichten van bewindspersonen en bestuursraadleden worden veiliggesteld, geschoond en gearchiveerd.

Ook in 2025 is weer ingezet op het meer en beter (actief) archiveren van archiefwaardige e-mails. Daarvoor zijn handreikingen, e-learnings en workshops ontwikkeld voor medewerkers en leidinggevenden. Bij de directies en afdelingen die daaraan hebben deelgenomen is meer bewustwording ontstaan voor het belang van het goed bewaren van onder andere e-mails. Geconstateerd is dat onder andere het aantal e-mails dat goed wordt opgeslagen in het Document Management Systeem (DMS) bij de deelnemers is toegenomen.

In 2025 is de Handreiking bewaren van e-mail Rijksoverheid omgezet in het Beleidskader archiveren e-mail Rijksoverheid. De Groepsondernemingsraad Rijk (GOR) heeft in 2025 nog niet ingestemd met dit beleidskader. De voorbereidingen voor de implementatie zijn daardoor vrijwel stilgevallen. De technische voorziening voor SZW en zes andere deelnemende departementen werd eind 2024 functioneel afgerond, maar met een openstaand blokkerend performance issue. Dat issue is ondanks alle inspanningen in 2025 niet opgelost. De verwachting van de leveranciers is dat dit in 2026 wel gaat lukken.

SZW was voornemens in 2025 de voorziene wijzigingen van de nieuwe Archiefwet te gaan implementeren. De nieuwe Archiefwet ligt echter nog bij het parlement. Implementatie bij SZW kan pas plaatsvinden wanneer de nieuwe Archiefwet is goedgekeurd door het parlement.

Actielijn 3. Informatiesystemen

Een goed werkend DMS is randvoorwaardelijk voor het op orde brengen van de informatiehuishouding (goed kunnen opslaan, archiveren en eenvoudig/snel/goed terugvinden van informatie). Het is daarbij ook van belang dat netwerkschijven bij SZW opgeschoond worden en dat geborgd is dat er niet opnieuw ongestructureerde en onbeheerde informatie ontstaat op de netwerkschijven. Daartoe zijn bijna alle netwerkschijven in 2025 op ‘read-only’ gezet en is begonnen met het opschonen van de netwerkschijven.

Actielijn 4. Bestuur en naleving

Er is een kwaliteitssysteem opgezet en ingericht om de kwaliteit van de informatiehuishouding te kunnen meten en continu te verbeteren. In 2025 is dit geoperationaliseerd.

Actieve openbaarmaking

In de Wet open overheid (Woo) is geregeld dat de overheid (nog) transparanter moet worden en daarom moet ook SZW een deel van haar informatie (documenten) tijdig actief openbaar maken naar de burger toe, daar waar de burger dat nu nog vaak via een Woo-verzoek moet opvragen.

In 2024 zijn de in de Woo genoemde 11 verplichte informatiecategorieën op directieniveau geïdentificeerd; deze worden grotendeels al actief openbaar gemaakt, onder andere via eigen SZW-websites en bestaande publicatie­routes zoals de Wetgevingskalender, Staatscourant en Rijksoverheid.nl. Op basis hiervan is een SZW-brede infographic gemaakt. De infographic geeft inzicht met welke verplichte informatiecategorieën op werkveld- en directieniveau wordt gewerkt. Dit levert management-/sturingsinformatie op en genereert meer bewustwording en betrokkenheid over het wel of niet openbaar maken van documenten. Met dit inzicht is in 2025 gestart met de actualisatie van de infographics, met als doel meer inzicht te krijgen in de wijze van opstellen en de publicatiestromen van documenten. Daarnaast is in 2025 gewerkt aan de inrichting van de processen om de informatiecategorieën conform de Woo openbaar te maken.

In 2025 heeft de inzet van SZW en andere departementen om te komen tot een gezamenlijk publicatieplatform voor de publicatie van de verplichte informatiecategorieën en de inspanningsverplichting, ertoe geleid dat BZK (KOOP, Kennis- en exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties) de koers voor de Woo-infrastructuur heeft verlegd. Van een oplossing die oorspronkelijk alleen gebaseerd was op de Woo-index, is overgestapt op een meer flexibele Generieke Woo-voorziening (GWV) met meerdere aanlevermogelijkheden. Daarmee was er geen noodzaak meer voor een gezamenlijk publicatieplatform voor de departementen. In 2025 is het voorlopig Handmatig Aanlever Loket (HAL) als onderdeel van de GWV opgeleverd en in gebruik genomen door SZW.  

Financiën programma ENIGMA

Het programma ENIGMA had in 2025 drie financieringsstromen: de POK-IHH-gelden van BZK, de middelen die zijn ontvangen in het kader van de Woo en de middelen die SZW zelf heeft ingezet voor het programma. Het budget voor het programma ENIGMA was in 2025 in totaal € 6,7 miljoen. Van dit budget is uiteindelijk slechts € 7.000 niet uitgegeven.

Passieve openbaarmaking (Woo-verzoeken)

Het is van groot belang om burgers, wetenschappers en journalisten tijdig van informatie te kunnen voorzien ingeval zij een Woo- of informatieverzoek indienen. De maximale wettelijke termijn voor de beantwoording van Woo-verzoeken bedraagt 42 dagen. Deze termijn wordt door SZW vaak nog niet gehaald.

Na een scherpe verbetering in 2024 zijn de gemiddelde afhandeltermijnen in 2025 weer toegenomen. In lijn met het beeld sinds 2022, zijn er ook in 2025 meer Woo-verzoeken bij SZW ingediend dan het voorgaande jaar. Door complexiteit en omvang van de verzoeken, in samenhang met de beschikbare capaciteit, is het in de meeste gevallen niet mogelijk om binnen de wettelijke termijn te beslissen.

Om verzoekers adequaat de gevraagde informatie te geven, is ook in 2025 door SZW ingezet op contact met de verzoeker. Er wordt tijdig met een verzoeker in gesprek gegaan om samen vast te stellen waar de informatiebehoefte zit en hoe deze goed en zo snel mogelijk vervuld kan worden. Ook wordt geprobeerd om in samenspraak te komen tot een reële afhandeltermijn. Hierbij wordt veelal gewerkt met het nemen van meerdere volgtijdelijke deelbesluiten om verzoekers zo snel mogelijk van een deel van de gewenste informatie te kunnen voorzien. Een verzoek kan pas worden afgesloten als alle deelbesluiten zijn genomen en wordt dan pas als afgehandeld zichtbaar in de cijfers.

In 2024 is een proeftuin uitgevoerd om gedurende een periode van zes maanden te onderzoeken welke bijdrage de inzet van twee Woo-procesondersteuners en twee zoekspecialisten kunnen bieden aan de beleidsonderdelen in de afhandeling van Woo-verzoeken. In het vierde kwartaal van 2024 is deze proeftuin afgerond. In 2025 is besloten om niet over te gaan tot het structureel toevoegen aan de formatie van deze rollen.

Voor de kwantitatieve gegevens over de passieve openbaarmaking wordt verwezen naar de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk. Ook rapporteert SZW, gelijk aan de andere departementen, met ingang van 2025 elk kwartaal over de cijfers met betrekking tot de afhandeling van Woo-verzoeken op het rijksbrede Woo-dashboard.

Aan de oplevering van een departementaal Woo-dashboard is gewerkt en deze zal in 2026 worden opgeleverd. Dit is een verdere visualisatie van de al aanwezige en intern gedeelde data en zal bijdragen aan het voor alle betrokken onderdelen binnen SZW kunnen sturen op de afhandeling van de Woo-verzoeken.

4.5 Onderuitputting

In deze bijlage wordt de totale onderuitputting gepresenteerd. Daarbij worden de grootste en belangrijkste meevallende realisaties toegelicht.

Tabel 8 Grootste posten met onderuitputting in 2025 (bedragen in miljoenen euro)

Post

Onderuitputting

als % van vastgestelde netto-begroting

Meevaller Stimuleringregeling LLO in MKB

23,4

0,0%

Meevaller Opdrachten artikel 1

13,1

0,0%

Meevaller Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden

6,0

0,0%

Meevaller Opdrachten artikel 2

8,1

0,0%

Meevaller Wajong

11,4

0,0%

Meevaller ingeboekt bij NJN op art 99

26,2

0,0%

Overige meevallers (en tegenvallers) uitgaven

17,1

0,0%

meerontvangsten artikel 1

7,3

0,0%

meerontvangsten artikel 4

3,7

0,0%

Overige meerontvangsten

4,3

0,0%

Totaal

120,7

0,2%

Toelichting

Meevaller Stimuleringregeling LLO in MKB

Het verschil wordt verklaard door onderuitputting op het kasbudget van de regeling. De geschatte hoeveelheid betalingen vanwege vaststellingen en voorschotten bleek te hoog geweest. Dit komt doordat op voorhand het type aanvragen, de looptijd van projecten en de timing van vaststellingsverzoeken moeilijk te voorspellen zijn. Deze onderuitputting heeft geen invloed gehad op het resultaat-/doelbereik.

Meevaller Opdrachten artikel 1

De onderuitputting op opdrachten heeft verschillende oorzaken. Zo is een communicatiecampagne uitgesteld doordat de behandeling en inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) naar achteren is geschoven, waren de uitvoeringskosten lager en was er minder budget nodig voor opdrachten aan RIVM omdat het aantal TSB-aanvragen lager was dan verwacht. Deze onderuitputting heeft geen invloed gehad op het resultaat-/doelbereik.

Meevaller Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden

De beoordeling van de aanvragen heeft enige vertraging opgelopen. Deze beoordelingen worden in 2026 voortgezet. Daarnaast waren de voorschotsverzoeken lager. Deze onderuitputting heeft geen invloed gehad op het resultaat-/doelbereik.

Meevaller Opdrachten artikel 2

Deze onderuitputting is hoofdzakelijk het gevolg van een aantal opdrachten die later zijn gestart dan oorspronkelijk was gepland, alsmede van opdrachten die gedurende het verslagjaar vertraging hebben opgelopen. Daarnaast zijn een aantal opdrachten lager uitgevallen dan was begroot. Hierdoor zijn de bijbehorende uitgaven niet volledig tot realisatie gekomen binnen de verslagperiode. Tevens zijn een aantal onderzoeken doorgeschoven van 2025 naar 2026. Deze onderuitputting heeft geen invloed gehad op het resultaat-/doelbereik.

Meevaller re-integratiebudget Wajong

De realisatie van het begrotingsgefinancierde re-integratiebudget van de Wajong is lager uitgevallen dan begroot. Er is minder uitgegeven aan de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. Deze onderuitputting heeft geen invloed gehad op het resultaat-/doelbereik.

Meevaller ingeboekt bij Najaarsnota op artikel 99

De grootste onderuitputting vond plaats doordat het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid is vertraagd (€ 14,0 miljoen). Daarnaast deden BZK (bij tweede suppletoire begroting) en I&W (bij suppletoire begroting september) een bijdrage voor het besparingsverlies voor het niet-halen van de banenafspraak (in totaal € 6,4 miljoen). Deze middelen konden niet meer tot besteding komen en zijn bij de tweede suppletoire begroting vrijgevallen. Van de reservering voor het Waarborgfonds saneringskredieten is € 4,0 miljoen vrijgevallen, omdat de Stichting Waarborgfonds Saneringskredieten niet het volledig gereserveerde bedrag nodig had. Tot slot is budget voor de EU-richtlijn loontransparantie vrijgevallen (€ 2,3 miljoen) vanwege de uitgestelde implementatie.

Overige meevallers (en tegenvallers)

Diverse uitgaven zijn per saldo lager uitgevallen dan eerder verwacht.

Meerontvangsten artikel 1

Er zijn meer terugontvangsten op artikel 1 door extra terugbetalingen van diverse subsidies, onder andere Stimulans Arbeidsmarktpositie (STAP), Stimuleringsregeling LLO in MKB (SLIM), Sociale Partners samen voor Duurzame Inzetbaarheid (SPDI) en Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU).

Meerontvangsten artikel 4

Vanwege de eindafrekening van het re-integratiebudget UWV 2024 zijn er terugontvangsten. UWV ontvangt middelen vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF) voor re-integratiedienstverlening. Deze middelen zijn meegenomen in de eindafrekening 2024 en zorgen voor een terugontvangst in 2025.

Overige meerontvangsten

Diverse kleine ontvangsten vallen hoger uit dan verwacht.

5. Beleidsartikelen

5.1 Artikel 1 Arbeidsmarkt

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert een inclusieve arbeidsmarkt en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);

  • de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU);

  • maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Ketenaansprakelijkheid voor loon;

  • de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl);

  • de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

De Minister stimuleert met financiële instrumenten het in dienst nemen van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • de vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;

  • het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • de handhaving van de wet- en regelgeving door de Nederlandse Arbeidsinspectie.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Afschaffen Loonkostenvoordeel (LKV) oudere werknemer

Het wetsvoorstel tot «wijziging van de Wet tegemoetkomingen loondomein teneinde het lage inkomensvoordeel te laten vervallen en in verband met enkele andere wijzigingen» is op 24 april 2024 gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 2024, 102). Met deze wet is per 1 januari 2026 het LKV oudere werknemer afgeschaft. Dit is stapsgewijs gedaan door eerst per 1 januari 2025 de bedragen van het LKV oudere werknemer te verlagen. De bedragen zijn per 1 januari 2025 verlaagd van € 3,05 per uur (maximaal € 6.000 per jaar) naar € 1,35 per uur (maximaal € 2.600 per jaar). De maximale looptijd voor het LKV oudere werknemer voor loonkostenvoordelen was in 2025 korter dan in de jaren ervoor. Dit kwam door de afschaffing per 1 januari 2026, deze datum mocht niet worden overschreden met nieuwe aanvragen.

SLIM-regeling

Via de SLIM-regeling zijn MKB-bedrijven ondersteund bij het bevorderen van een leercultuur in de eigen organisatie. Aanvullend kwam in 2025 een tijdelijke scholingssubsidie beschikbaar voor werkgevers en sectoren. Deze subsidie is voor de kosten van scholing van nieuwe en/of zittende medewerkers, voor zover zij scholing volgen die is opgenomen in een van de Ontwikkelpaden voor maatschappelijk cruciale sectoren.

Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU)

In vervolg op de afspraken in het akkoord ‘Gezond naar het Pensioen’ is met sociale partners invulling gegeven aan een agenda voor duurzame inzetbaarheid, gefocust op zwaar werk. Hiervoor worden de middelen ingezet die resteren na afronding van de subsidieregeling MDIEU. Hierin wordt naast maatregelen voor branches en MKB, ook ingezet op innovatie en kennisontwikkeling en -verspreiding rondom het voorkomen en verlichten van zwaar werk. Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de invulling van de duurzame inzetbaarheidsagenda en de daarvoor beschikbare middelen.

Gelijke kansen op de arbeidsmarkt

In 2025 is gestart met het Offensief Gelijke Kansen, als vervolg op de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd op 12 maart 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 29 544, nr. 1272). Het Offensief Gelijke Kansen richt zich onder meer op het ondersteunen van werkgevers in het creëren van gelijke kansen op de arbeidsmarkt via objectieve werving en selectie. In 2025 heeft SER-Diversiteit in Bedrijf als onderdeel van het Offensief een subsidie van € 1 miljoen ontvangen. Hierbij is onder meer ingezet op regionale inclusiedesks, het ontwikkelen van handreikingen en het bieden van een helpdesk voor werkgevers bij vragen over het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie.    

Arbeidsmarktpakket

Middels de wetsvoorstellen Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) en Meer zekerheid flexwerkers wordt schijnzelfstandigheid tegengegaan en wordt aan werknemers meer zekerheid geboden. Deze wetsvoorstellen zijn onderdeel van het arbeidsmarktpakket. In mei 2025 is het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers ingediend bij de Tweede Kamer, in juli volgde het wetsvoorstel Vbar. Het wetsvoorstel Vbar is in maart 2026 middels een Nota van Wijziging aangepast waarmee het onderdeel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties is komen te vervallen en het onderdeel Rechtsvermoeden in stand blijft. Naast dit rechtsvermoeden wil het kabinet de Zelfstandigenwet invoeren. Deze Zelfstandigenwet wordt de komende tijd verder uitgewerkt.

Beperken Compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers

In december 2025 is het wetsvoorstel ‘Beperken van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers’ aan de Tweede Kamer verzonden. Met dit wetsvoorstel wordt de Compensatieregeling bij langdurige arbeidsongeschiktheid beperkt tot kleine werkgevers. Dit draagt bij aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën.

Gezond en veilig werken

In 2025 is het kabinet verder gegaan met de uitwerking van de opgaven in de Arbovisie 2040 (Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 528). Zo heeft onderzoek plaatsgevonden hoe groot de kans is dat bestaande en nieuwe financiële prikkels leiden tot meer investeringen in preventie door werkgevers. Na overleg met een groot aantal stakeholders heeft SZW enkele prikkels geselecteerd voor verdere uitwerking, met aandacht voor de vormgeving en de uitvoerbaarheid van de prikkel. Ook in het subsidie­programma Innovatieve Arbozorg staat preventie centraal.

Een werkgroep van SZW is met sociale partners en de Arbeidsinspectie gestart om de RI&E-verplichting voor het kleinbedrijf werkbaarder te maken, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van werkenden en binnen de kaders van de Europese richtlijnen. Verder is in december 2025 het instrument ‘Route naar RIE’ beter aangesloten bij de praktijk. Met de aanpassing is het voor kleine werkgevers eenvoudiger om te starten met het opstellen van een RI&E.

Voor de aanpak van psychosociale arbeidsbelasting zijn in 2025 met de «Brede Maatschappelijke Samenwerking burn-outklachten» (BMS) verschillende activiteiten ingezet om werkgevers en werkenden te ondersteunen bij de aanpak van burn-outklachten. Zo zijn mkb’ers met diverse tools, aanpakken en een lerend netwerk van mkb’ers ondersteund met het project «Werkstress en burn-out in het MKB».

Het wetsvoorstel ter implementatie van de Europese asbestrichtlijn is op 29 oktober 2025 bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 2025/26, 36 843, nr. 2). Deze richtlijn introduceert onder meer een vergunningplicht voor bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden gaan verrichten.

Sinds januari 2023 is het Nationaal actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) in uitvoering. In 2025 is de sectoraanpak uitgegroeid tot een aanpak waar inmiddels met 10 sectoren het gesprek wordt gevoerd om seksueel grensoverschrijdend gedrag in die sectoren tegen te gaan. Tot slot is in 2025 het wetsvoorstel Verplichte gedragscode ongewenst gedrag in consultatie geweest.

Tabel 9 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 1 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

10.544.115

2.152.533

1.259.891

2.262.892

569.315

585.995

‒ 16.680

         
 

Uitgaven

10.377.403

2.022.690

1.248.083

2.061.879

626.620

819.378

‒ 192.758

         

1.0

Arbeidsmarkt

10.377.403

2.022.690

1.248.083

2.061.879

626.620

819.378

‒ 192.758

 

Inkomensoverdrachten

537.852

517.612

686.869

610.964

259.843

452.684

‒ 192.841

 

Lage-inkomensvoordeel

388.259

361.736

530.776

461.659

134.665

313.486

‒ 178.821

 

Minimumjeugdloonvoordeel

19.688

18.859

14.748

16.423

143

0

143

 

Loonkostenvoordelen

129.905

137.017

141.345

132.882

125.035

139.198

‒ 14.163

 

Subsidies (regelingen)

9.812.736

1.479.162

527.866

1.413.490

333.531

313.131

20.400

 

Overige subsidies algemeen

2.566

2.613

4.067

6.580

10.689

11.104

‒ 415

 

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

0

1.944

488

7.361

0

9.743

‒ 9.743

 

Stimuleringregeling LLO in MKB

2.514

19.547

46.403

56.962

52.804

116.014

‒ 63.210

 

Stimulans Arbeidsmarktpositie

0

183.700

108.767

250

0

0

0

 

Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid

9.669.471

1.208.261

316.315

1.155.793

133.747

0

133.747

 

Compensatie loonkosten en inkomstenverlies CN

15.580

25

0

0

0

0

0

 

Nederland leert door

95.335

30.296

23.525

0

0

0

0

 

Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA)

0

7

0

0

0

0

0

 

Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden

27.270

31.726

28.301

186.013

133.220

171.389

‒ 38.169

 

Stimulans Arbeidsmarktpositie ontwikkeladvies

0

1.043

0

0

0

0

0

 

Subsidie meer uren werkt

0

0

0

531

3.071

4.881

‒ 1.810

 

Opdrachten

21.405

20.530

27.241

31.217

27.981

47.878

‒ 19.897

 

Opdrachten

21.405

20.530

27.241

31.217

27.981

47.878

‒ 19.897

 

Bekostiging

550

550

100

100

0

100

‒ 100

 

Bekostiging

550

550

100

100

0

100

‒ 100

 

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

94

204

0

0

0

181

‒ 181

 

Ministerie van VWS

94

204

0

0

0

56

‒ 56

 

Ministerie van EZ en LVVN

0

0

0

0

0

125

‒ 125

 

Bijdrage aan agentschappen

4.766

4.632

5.041

5.108

5.265

5.404

‒ 139

 

Agentschap RIVM

4.713

4.570

4.969

5.027

5.174

5.212

‒ 38

 

Agentschap CJIB

53

62

72

81

91

192

‒ 101

 

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

966

1.000

0

0

0

 

SPUK Brabants Migratie Informatiepunt (BMIP)

0

0

966

1.000

0

0

0

         
 

Ontvangsten

995.736

3.978.434

974.391

24.304

20.863

18.580

2.283

         
Tabel 10 Uitsplitsing ontvangsten artikel 1 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

995.736

3.978.434

974.391

24.304

20.863

18.580

2.283

         

1.0

Arbeidsmarkt

995.736

3.978.434

974.391

24.304

20.863

18.580

2.283

 

Ontvangsten

995.736

3.978.434

974.391

24.304

20.863

18.580

2.283

 

Algemeen

3.546

10.340

14.359

8.806

7.458

1.180

6.278

 

Boeten

9.023

18.032

17.399

15.498

13.405

17.400

‒ 3.995

 

Terug ontvangsten NOW

983.167

3.950.062

942.633

0

0

0

0

Tabel 11 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 1 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

724.102

365.538

489.120

594.388

631.273

609.232

22.041

         
 

Uitgaven

724.102

365.538

489.120

594.388

631.273

609.232

22.041

         

1.0

Arbeidsmarkt

724.102

365.538

489.120

594.388

631.273

609.232

22.041

 

Inkomensoverdrachten

724.102

365.538

489.120

594.388

631.273

609.232

22.041

 

Compensatieregeling transitievergoeding na langdurige AO

717.885

358.301

481.026

584.770

620.835

569.000

51.835

 

Compensatieregeling transitievergoeding bij pensionering

6.217

7.237

8.094

9.618

10.438

8.841

1.597

 

Compensatieregeling transitievergoeding na langdurige AO nominaal

0

0

0

0

0

30.911

‒ 30.911

 

Compensatieregeling transitievergoeding bij pensionering nominaal

0

0

0

0

0

480

‒ 480

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Inkomensoverdrachten
Lage-inkomensvoordeel (LIV)

Er is in 2025 (over 2024) in totaal € 134,7 miljoen uitgekeerd. In de begroting van 2025 werden de uitgaven geraamd op € 313,5 miljoen. De uitgaven zijn dus € 178,8 miljoen lager uitgekomen. In 2025 zijn betalingen gedaan over de verloonde uren uit 2024 omdat de uitbetaling na afloop van het jaar plaatsvindt. Het LIV is per 1 januari 2025 afgeschaft.

Een verklaring voor de lagere uitgaven aan het LIV in 2025 ligt in het versmallen van de definitie van een laag loon. Een werknemer moet, om aanspraak te kunnen maken op LIV, onder andere voldoen aan de criteria voor een laag loon. In 2024 was de definitie van een laag loon een uurloon tussen de € 14,30 en € 14,90. In 2023 betrof dit een uurloon tussen de € 12,00 en € 15,10. Door deze smallere definitie voldeden minder werknemers aan de eisen voor het LIV.

Daarnaast kunnen ook de verhoging van het WML in 2024 en de stijging van de lonen twee factoren zijn die ervoor zorgen dat minder mensen in aanmerking komen voor het LIV.

Minimumjeugdloonvoordeel

Gezien de afschaffing van het minimumjeugdloonvoordeel per 1 januari 2024 zijn de uitgaven hiervoor voor 2025 op € 0 begroot. Er bleken echter uitgaven te zijn voor deze post ter hoogte van € 0,1 miljoen. Deze uitgaven hebben betrekking op de afwikkeling van bezwaren en beroepen over de jaren 2021, 2022 en 2023 naar aanleiding van uitspraken van de rechter over het LKV/LIV/Jeugd-LIV bij een overgang van onderneming. 

Loonkostenvoordelen

In de begroting 2025 werden de uitgaven (over 2024) geraamd op in totaal € 139,2 miljoen, maar er is € 125,0 miljoen uitgekeerd. Dit is € 14,2 miljoen minder dan verwacht bij het opstellen van de begroting.

Compensatieregeling transitievergoeding na langdurige arbeidsongeschiktheid

De uitgaven aan de compensatieregeling transitievergoeding langdurige arbeidsongeschiktheid (CRTV-LAO) vallen € 51,8 miljoen hoger uit dan begroot. Dit komt voor het grootste deel door een opwaartse bijstelling van de gemiddelde hoogte van de toekenningen.

Compensatieregeling transitievergoeding bij pensionering

De uitgaven aan de Compensatieregeling transitievergoeding bij bedrijfsbeëindiging in geval van overlijden of pensionering van de werkgever (CRTV BE) vallen € 1,6 miljoen hoger uit dan begroot. Dit komt voornamelijk door een hoger aantal toekenningen dan begroot.

Subsidies

Overige subsidies algemeen

De uitgaven onder algemene subsidies zijn € 0,4 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Dit werd veroorzaakt doordat er minder project- en instellingssubsidies verstrekt zijn dan is begroot, onder andere voor de subsidie voor de Algemene Werkgeversvereniging Nederland.

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

Bij het Actieprogramma DI&LLO zijn de in de begroting verwachte uitgaven van € 9,7 miljoen niet gerealiseerd. De voornaamste verklaring daarvoor is een kasschuif van € 5,3 miljoen waarbij de middelen zijn doorgeschoven naar latere jaren, zodat het kasritme aansluit op de verwachte momenten waarop aanvragers een voorschot zullen aanvragen. Daarnaast is er € 2,9 miljoen overgeheveld voor onder andere communicatie doeleinden.

Stimuleringsregeling LLO in MKB

De uitgaven voor de SLIM-regeling waren € 63,2 miljoen lager dan voorzien bij de begroting. Er zijn minder voorschotten verstrekt voor nieuwe aanvragen en de uitgaven aan vaststellingen zijn lager uitgekomen dan verwacht. Dit komt doordat op voorhand het type aanvragen, de looptijd van projecten en de timing van vaststellingsverzoeken moeilijk te voorspellen zijn.

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW)

In 2025 liep het vaststellingsproces voor de verschillende NOW-tranches door. Indien bedrijven achteraf meer of minder recht blijken te hebben op subsidies dan leidt dit tot nabetalingen of terugontvangsten. De nabetalingen (en daarmee uitgaven) vallen voor alle tranches hoger uit dan verwacht. Voor bijstellingen als gevolg van het vaststellingsproces wordt vooraf geen raming gemaakt en alleen definitief afgerekend met UWV. In 2025 bedroeg de afrekening € 133,7 miljoen.

Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden

De uitgaven voor de MDIEU-regeling waren € 38,2 miljoen lager dan voorzien bij de begroting. Enerzijds komt dit doordat op voorhand het type aanvragen, de looptijd van projecten en de timing van vaststellingsverzoeken moeilijk te voorspellen zijn. Anderzijds komt het door een kasschuif van € 40 miljoen naar 2028 met het doel om het resterende budget van MDIEU te behouden voor de duurzame inzetbaarheidsagenda.

Subsidie Meer Uren Werkt!

De uitgaven voor «Meer Uren Werkt!» waren € 1,8 miljoen lager dan voorzien bij de begroting. Dit wordt veroorzaakt doordat projecten gedurende het jaar zijn ingetrokken en doordat verleningsbeschikkingen zijn verlaagd.

Opdrachten

De uitgaven voor opdrachten zijn € 20 miljoen lager dan voorzien bij de begroting. Dit heeft verschillende oorzaken. Zo is een communicatiecampagne uitgesteld doordat de behandeling en inwerkingstredingsdatum van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) naar achteren is geschoven, was het opdrachtenbudget voor uitvoeringskosten lager en was er minder budget nodig voor opdrachten aan RIVM omdat het aantal TSB-aanvragen lager was dan verwacht.

Bekostiging

De begrote bijdrage aan de SER Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen is niet uitgegeven.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

SZW doet bijdrages aan andere begrotingshoofdstukken. Omdat het hier een interdepartementale overboeking betreft zijn er geen uitgaven op de SZW-begroting.

Ministerie van VWS

In totaal is circa € 0,1 miljoen bijgedragen aan VWS ten behoeve van de helpdesk REACH/CLP. Deze helpdesk levert informatie aan bedrijven over de Europese regelgeving rondom chemische stoffen.

Ministeries van EZ en LVVN

In totaal is circa € 0,1 miljoen bijgedragen aan EZ aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Bijdrage aan agentschappen

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). De bijdragen zijn in 2025 respectievelijk € 0,04 miljoen en € 0,1 miljoen lager uitgevallen. De lagere CJIB-bijdrage wordt veroorzaakt doordat het aantal boeterapportages waarvoor inningskosten gemaakt worden, lager is dan verwacht.

Ontvangsten

Algemene ontvangsten

De algemene ontvangsten zijn € 6,3 miljoen hoger dan begroot. Dit wordt veroorzaakt door terugbetalingen van diverse subsidies, onder andere Stimulans Arbeidsmarktpositie (STAP), Stimuleringsregeling LLO in MKB (SLIM), Sociale Partners samen voor Duurzame Inzetbaarheid (SPDI) en Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU).

Boeteontvangsten

De boeteontvangsten van de Nederlandse Arbeidsinspectie waren € 4 miljoen lager dan geraamd. Er zijn minder boetes opgelegd dan verwacht.

De raming van de boeteontvangsten van de Nederlandse Arbeidsinspectie is met onzekerheid omgeven. De realisatie hangt onder meer af van het type en aantal bedrijven die worden bezocht en wat er wordt waargenomen bij deze inspecties. Overigens zijn de boeteontvangsten niet taakstellend voor de Nederlandse Arbeidsinspectie, waardoor niet wordt gestuurd op het realiseren van de geraamde boeteontvangsten. De Arbeidsinspectie stuurt uiteraard wel op het innen van de opgelegde boetes.

Arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt was in 2025 stabiel. Over het gehele jaar was het werkloosheidspercentage 3,9% tegenover 3,7% in 2024 en gedurende het hele jaar bleef het werkloosheidspercentage tussen de 3,8% en 4,0%. De arbeidsmarkt is gedurende het jaar minder krap geworden. Desondanks is er nog steeds sprake van een krappe arbeidsmarkt. Voor het eerst sinds het vierde kwartaal van 2021 lag het aantal werklozen weer hoger dan het aantal vacatures. In het laatste kwartaal van 2025 waren er 93 vacatures per 100 werklozen.

Tabel 12 Kerncijfers arbeidsmarkt
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Beroepsbevolking (x 1.000)

9.663

9.898

10.096

10.170

10.229

Niet-beroepsbevolking (x 1.000)

3.483

3.330

3.230

3.217

3.197

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

9.255

9.548

9.737

9.798

9.833

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

408

350

359

372

396

Werkloosheidspercentage

4,2

3,5

3,6

3,7

3,9

 

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

9,3

7,6

8,2

8,7

8,8

 

25 tot 45 jaar

3,3

2,9

2,9

3,0

3,2

 

45 tot 75 jaar

3,0

2,5

2,2

2,1

2,4

Bron: CBS, Statline. De kerncijfers in de tabel betreffen de leeftijdsgroep 15 tot 75 jaar.

De kerncijfers op de arbeidsmarkt laten een lichte toename van de werkzame beroepsbevolking zien. Dit betreft een minder sterke groei dan afgelopen jaren. De werkzame beroepsbevolking is in 2025 met 35.000 mensen toegenomen. Het aantal werklozen is met 24.000 toegenomen. Historisch gezien ligt de werkloosheid momenteel nog steeds op een laag niveau.

Tabel 13 Kerncijfers werkzame beroepsbevolking: aandeel contractvorm naar opleidingsniveau
 

Vaste arbeidsrelatie

Flexibele arbeidsrelatie

Zelfstandigen

Totaal

Laag (x 1.000)

2023

897

807

267

1.971

2024

908

804

259

1.972

2025

868

808

250

1.926

Midden (x 1.000)

2023

2.051

1.087

582

3.720

2024

2.066

1.042

580

3.688

2025

2.079

1.010

539

3.628

Hoog (x 1.000)

2023

2.447

830

730

4.007

2024

2.506

824

768

4.097

2025

2.633

855

747

4.235

Totaal (x 1.000)1

2023

5.395

2.724

1.579

9.698

2024

5.480

2.670

1.607

9.757

2025

5.580

2.673

1.536

9.789

Bron: CBS, Statline.

1

Totaal is berekend als de som van laag, midden en hoog opleidingsniveau. De categorie onbekend is niet meegenomen in het totaal waardoor het totaal niet overeenkomt met de tabel op statline.

Het aantal werknemers met een vaste arbeidsrelatie is in 2025 licht gestegen. Hetzelfde geldt voor het aantal werknemers met een flexibele arbeidsrelatie. Het aantal zelfstandigen is licht gedaald. Dit zou mede verklaard kunnen worden doordat de Belastingdienst per 1 januari 2025 weer is begonnen met de handhaving op schijnzelfstandigheid. Werknemers met een lager opleidingsniveau hebben vaker een flexibele arbeidsrelatie.

Gezond en veilig werken

Het ziekteverzuimpercentage is na een piek in 2022 gedaald naar 5,2% in 2024, maar in 2025 weer gestegen naar 5,4%. Het verzuim is nog altijd hoog ten opzichte van 2021 en de jaren daarvoor. Het percentage werknemers met een beroepsziekte is in 2025 iets hoger dan in 2024. Het aandeel werknemers met een beroepsziekte is in 2023 tot en met 2025 hoger dan in 2022. In de periode 2021-2024 is het aandeel werknemers met een arbeidsongeval vrijwel stabiel en er waren jaarlijks tussen de één en drie incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

Tabel 14 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,3

1,3

1,3

1,2

1,2

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

0,9

1,2

Ziekteverzuim (%)3

4,9

5,6

5,3

5,2

5,4

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

2

3

2

2

1

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)5

3,3

3,9

3,6

3,8

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)2

1,9

2,1

1

Bron: CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden.

2

Bron: CBS/TNO, Zelfstandigen Enquête Arbeid. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

3

Bron: CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

4

Bron: Nederlandse Arbeidsinspectie, administratie.

5

Bron: CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt hangt samen met het aantal bij SZW aangemelde cao’s in het betreffende onderzoeksjaar. Dit is afhankelijk van de looptijd van cao’s en kan per jaar verschillen, evenals het aantal werknemers dat onder de aangemelde, lopende cao’s valt.

Het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen (TWV’s) blijft toenemen. Na de sterke stijging tussen 2023 en 2024 is ook in 2025 sprake van een verdere groei die over het geheel genomen in lijn ligt met het voorgaande jaar. Zo zet de trend voor de toename van TWV’s voor asielzoekers onverminderd door en zien we nu zelfs een exponentiële groei van circa 9.000 in 2024 naar circa 23.000 in 2025. Werkgevers kampen nog steeds met krapte en weten deze doelgroep steeds beter te vinden. Tegelijkertijd zien we bij de beleidscategorieën ‘reguliere arbeidsplaats’ (van circa 185 naar circa 146) en ‘kennismigrant kort verblijf’ (van circa 2.500 naar circa 2.100) een lichte afname. De afname van het aantal afgegeven TWV’s voor ‘kennismigrant kort verblijf’ lijkt samen te hangen met een toename van het aantal verleende TWV’s bij de beleidscategorie ‘Sleutelpositie Internationaal Concern’ (van circa 400 naar circa 600). Dit wijst mogelijk eerder op een verschuiving dan op een trend. Ook het aantal arbeidsmarktadviezen voor de ‘gecombineerde vergunning verblijf en arbeid’ is licht toegenomen (reguliere arbeidsplaats van circa 500 naar circa 800). De groei in afgegeven TWV’s en arbeidsmarktadviezen hangt vermoedelijk samen met de aanhoudende arbeidsmarkttekorten in verschillende sectoren. Werkgevers benutten daarbij in toenemende mate verschillende manieren om personeel te werven, zowel binnen Nederland als daarbuiten, waaronder ook buiten de EU.

Tabel 15 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Aantal werknemers onder cao (x 1.000, ultimo)1

5.679

5.917

6.184

6.142

6.183

 

bij direct aan bedrijfstak- en ondernemingscao's gebonden werkgevers

4.799

4.979

5.184

5.227

5.340

 

bij door algemeen verbindendverklaring gebonden werkgevers

880

938

1.001

915

844

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (x 1.000, ultimo)2

11,6

17,0

20,2

29,4

42,6

1

Bron: SZW, administratie.

2

Bron: UWV, kwantitatieve informatie. Het gaat hierbij om verleende tewerkstellingsvergunningen en positieve adviezen ten aanzien van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.

Handhaving

Voor een goed zicht op haar resultaten hanteert de Arbeidsinspectie kerncijfers. In het meerjarenplan (2023-2026) staan deze kerncijfers genoemd. De kerncijfers geven inzicht in de directe resultaten van het inspectiewerk en brengen de bijdrage van de Arbeidsinspectie aan maatschappelijk effect in beeld. Het gaat om de volgende indicatoren en invulling daarvan:

  • Balans tussen reactieve- en actieve inspecties voor gezond en veilig werk;

  • Deelname door de Arbeidsinspectie aan meer dan 90% van de inspecties die samen met andere handhavende instanties worden uitgevoerd bij Seveso-bedrijven;

  • Een beheerst niveau van informatie gestuurd werken, een volwassenheidsniveau waarbij de organisatie de prestaties voortdurend en structureel meet en daarop actief bijstuurt;

  • Het verhogen van de interventiedekking eerlijk werk van 3,8% naar 5%.

De Arbeidsinspectie zet inspecties risicogericht in, met prioriteit voor bedrijven waar de kans op overtredingen en veiligheids- of gezondheidsrisico’s het grootst is. Effectiviteit wordt gemeten door na te gaan in welke mate inspecties ertoe leiden dat bedrijven risico’s en overtredingen oplossen. Voor zowel selectiviteit als effectiviteit is het handhavingspercentage bij inspecties de belangrijkste indicator. Een hoog handhavingspercentage bij eerste inspecties betekent dat de Arbeidsinspectie daar vaak overtredingen aantreft en de juiste bedrijven selecteert. Als die geconstateerde overtredingen vervolgens bij een herinspectie zijn opgelost is het handhavingspercentage daar juist laag. Het is dan aannemelijk dat de Arbeidsinspectie daar effect heeft gehad.

Tabel 16 Kerncijfers Nederlandse Arbeidsinspectie
 

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Raming 2025

Verschil 2025

Inspectie Control Framework

     

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Seveso; %)

51:49

52:48

52:48

50:50

2-2

Deelname Nederlandse Arbeidsinspectie aan gezamenlijke Seveso-inspecties (%)1

93

98

95

>90

02

Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0-5)34

3

Interventiedekking Eerlijk werk (%)5

4,3

4,4

4,9

Effect

     

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Seveso)

50

47

52

>50

02

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Seveso)

23

17

21

<50

02

Handhavingspercentage Seveso

32

38

35

<40

02

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk

49

54

51

>50

02

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk

46

38

37

<50

02

1

Betreft de deelname van de Arbeidsinspectie aan routinematige (geplande en aangekondigde) inspecties bij Seveso bedrijven.

2

Het verschil is aangegeven met 0, aangezien de realisatie binnen de raming valt.

3

Voor deze kerncijfers kent de Arbeidsinspectie alleen doelen voor 2023 en 2026. Voor de tussenliggende jaren zijn geen doelen geformuleerd.

4

Voor 2026 geldt als beoogd niveau IGW ‘beheerst’.

5

De interventiedekking betreft de interventieclusters 1(rechtstreekse beïnvloeding) en 2 (beïnvloeding via anderen).

Toelichting indicatoren en kerncijfers

Verhouding actief/reactief Gezond en Veilig

De verhouding actief/reactief op het domein Gezond & Veilig komt in 2025 uit op 52:48. Deze realisatie ligt sinds medio 2023 in lijn met de norm 50:50. Dit betekent dat er balans is tussen de capaciteitsinzet bij risicogestuurde interventies en interventies op basis van meldingen en verzoeken.

Deelname van de Arbeidsinspectie aan de gezamenlijke Seveso-inspecties

Bedrijven worden als Seveso-inrichting aangewezen op grond van de aanwezigheid van relatief grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. In 2025 heeft de Arbeidsinspectie in 95% van de gevallen deelgenomen aan de gezamenlijke Seveso-inspecties. Hiermee is de norm van >90% voor 2025 behaald. Door de gezamenlijke inspecties versterken de Arbeidsinspectie en de andere toezichthouders elkaars werk.

Niveau informatie gestuurd werken

De Arbeidsinspectie heeft zich in haar meerjarenplan ten doel gesteld, binnen de wettelijke mogelijkheden, steeds beter en innovatiever gebruik te maken van de beschikbare data binnen de eigen organisatie en bij ketenpartners en bedrijven. Het doel is om in 2026 op een beheerst niveau van informatie gestuurd werken te komen. In 2025 is voortgang geboekt.

De informatiepositie is verder verstevigd door de acties vanuit de ‘Roadmap Datakoers’ van de Inspectie. In de belangrijkste werkprocessen van Opsporing en zowel het actieve als reactieve toezicht zijn stappen gezet om het data- en informatie gestuurd werken in de processen te verankeren. Binnen Opsporing is het product Hansken in gebruik genomen voor het analyseren van digitaal bewijsmateriaal. De benodigde werkprocessen zijn hiervoor ingericht en de opleidingen zijn gegeven. In het reactieve toezicht is een proces ingericht voor selectie van meldingen: het Weeginstrument. Aan de hand van dit weeginstrument wordt op transparante en navolgbare wijze bepaald welke meldingen in behandeling worden genomen. Hiermee vindt het beoordelen van meldingen objectief plaats en daarmee kan de uitkomst ook worden afgestemd op de beschikbare inspectiecapaciteit. Ten behoeve van het Risico gestuurd inspecteren (RGI) is een verbeterd proces in gebruik genomen waarmee op basis van tactische en operationele programmadoelen bedrijven worden geselecteerd die voor een inspectie in aanmerking komen.

In de implementatie van de werkprocessen borgt de Arbeidsinspectie ethische, juridische en privacy-afwegingen. Daarnaast ondersteunt het data- en informatie gestuurd werken de inspecteurs en rechercheurs doordat zij tijdens hun werk efficiënt gebruik kunnen maken van alle actuele en relevante informatie die nodig is voor effectief toezicht. Om dit verder te versterken worden voorbereidingen getroffen voor het realiseren van een veilige infrastructuur voor het gebruik van generatieve AI. Ook werkt de Arbeidsinspectie samen met verschillende toezichthouders en twee universiteiten samen in het Innovation Center for Artificial Intelligence (ICAI-lab) om te verkennen hoe AI effectief, veilig en zorgvuldig ingezet kan worden in het toezicht.

Handhavingspercentages

Het handhavingspercentage eerste inspectie voor het domein Gezond en Veilig komt in 2025 uit op 52% en komt hiermee hoger uit dan de norm en de gerealiseerde handhaving in 2024 (47%).

Ook in het domein Eerlijk lag het percentage bij eerste inspecties met 51% net boven de norm van 50%. De daling in de handhaving ten opzichte van 2024 (toen 54%) wordt veroorzaakt door gemaakte keuzes vanuit het actieve toezicht waarbij het niet in alle projecten mogelijk was om risicogestuurd specifieke bedrijven te controleren. In deze projecten is locatiegericht geïnspecteerd, waarbij vooraf niet bekend is wie of wat aangetroffen wordt. Dit was bijvoorbeeld bij renovatiepanden, kabelleggers en festivals.

Voor herinspecties zijn de streefwaardes ruim gehaald. De handhavingspercentages daarbij waren in 2025 21% bij Gezond en Veilig werk en 37% bij eerlijk werk. Bij Seveso-inrichtingen voert de Arbeidsinspectie geen herinspecties uit, maar blijft de Arbeidsinspectie periodiek inspecteren tot alle geconstateerde onvolkomenheden of overtredingen zijn opgeheven. Met een handhavingspercentage van 35% in 2025 is ook daar de streefwaarde (<40%) behaald.

5.2 Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid ernaar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert de Minister de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;

  • het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor zelfstandigen;

  • het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt, en zo niet, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;

  • de budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en UWV (TW);

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Binnen deze wettelijke kaders hebben gemeenten beleidsvrijheid om maatwerk te bieden waarmee participatie zo optimaal mogelijk wordt ondersteund. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget aan de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Het macrobudget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld, vanaf 2022 wordt het deelbudget voor loonkostensubsidies op basis van historische uitgaven over gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering, welke een louter gemeentelijke aangelegenheid zijn.

Participatiewet in Balans

In 2023 is het programma Participatiewet in balans gestart om de balans tussen vertrouwen, verplichtingen, ondersteuning en de menselijke maat te herstellen in (de uitvoering van) de Participatiewet. In 2025 is het wetsvoorstel Participatiewet in balans door beide Kamers aangenomen (Stb. 2025, 312). Met dit wetsvoorstel wordt een belangrijke stap gezet om de huidige Participatiewet met ruim 20 maatregelen op korte termijn te vereenvoudigen en te verbeteren (spoor 1). De maatregelen uit het wetsvoorstel zullen gefaseerd in werking treden, waarbij de eerste maatregelen per 1 januari 2026 in zijn gegaan.

Ten aanzien van spoor 2 is op 4 juli 2025 de bundel met beleidsopties voor de thema’s arbeidsvermogen, inkomen en participatie en inkomen naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2025/26, 34 352, nr. 344). Hierbij is er ook aandacht voor de groep mensen zonder duurzaam arbeidsvermogen binnen de Participatiewet. In spoor 3 is in 2025 met gemeenten en andere stakeholders gewerkt aan het versterken van de vakkundigheid van professionals binnen de huidige en nieuwe wetgeving.

Armoede

In 2025 heeft het kabinet uitvoering gegeven aan de ambitie om de (kinder)armoede niet te laten toenemen ten opzichte van het referentiejaar 2024, zoals aangekondigd in de begroting SZW 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XV, nr. 2). Met het Nationaal Programma Armoede en Schulden is ingezet op preventie, het terugdringen van structurele oorzaken van armoede en het verbeteren van de toegang tot ondersteuning (Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 799). Hoewel de voorlopige CBS-cijfers een stijging van het aantal mensen in armoede laten zien van 2023 (2,7%) naar 2024 (3,1%), valt de armoede in 2024 lager uit dan eerder was ingeschat (3,4%). Toch blijft een grote groep huishoudens financieel kwetsbaar. Daarom is in 2025 ingezet op het versterken van inkomensondersteuning, het verminderen van niet-gebruik van voorzieningen en het beter benutten van vindplaatsen voor vroegtijdige signalering van geldzorgen, in lijn met de beleidsreactie op het rapport Hoe eerder, hoe beter van de Nationale ombudsman (Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 762). Specifieke aandacht ging uit naar werkenden met een laag inkomen en gezinnen met kinderen, onder meer via het versterken van lokaal (kinder)armoedebeleid en het opschalen van effectieve interventies, mede in het kader van de Europese kindergarantie.

Energiefonds

Energiearmoede bleef in 2025 een belangrijk aandachtspunt binnen het bredere armoedebeleid. Begin 2025 is een subsidie van € 56,3 miljoen verstrekt aan het Tijdelijk Noodfonds Energie. Dit Noodfonds is gerealiseerd door publiek-private samenwerking met een aantal energieleveranciers, hierdoor zijn zo’n 120.000 huishoudens geholpen bij het betalen van de energierekening. Daarnaast is in 2025 aangekondigd dat gemeenten in totaal € 30 miljoen via het Gemeentefonds ontvangen om de lokale hulp voor huishoudens met een hoge energierekening en laag inkomen te intensiveren.

Ondertussen is gewerkt aan de inrichting van een publiek energiefonds, gericht op ondersteuning van huishoudens die hun energierekening niet kunnen betalen (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XV, nr. 2). Op de SZW-begroting is hiervoor € 90 miljoen gereserveerd als cofinanciering voor een aanvraag bij het Europees Sociaal Klimaatfonds. Daarmee komt naar verwachting in totaal circa € 340 miljoen beschikbaar voor een publiek energiefonds (Kamerstukken II 2025/26, 29 023, nr. 599).

Schulden

In 2025 is verdere voortgang geboekt met de aanpak van schulden, met als uitgangspunt dat schulden bij de bron worden aangepakt en dat kleine schulden klein blijven. Het kabinet heeft middelen beschikbaar gesteld voor de verbetering van de gemeentelijke schuldhulpverlening en de versterking van vroegsignalering (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XV, nr. 2). Daarbij vormt het verbeterplan vroegsignalering, opgesteld door SZW, VNG, NVVK en Divosa, de basis.

In 2025 is binnen het Nationaal Programma Armoede en Schulden verder gewerkt aan het verbeteren van de schuldenaanpak, met als uitgangspunt dat schulden zoveel mogelijk worden voorkomen en in een vroeg stadium worden aangepakt, zodat kleine schulden klein blijven en mensen met schulden overzicht en tijdig passende ondersteuning krijgen (Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 799). Over de volle breedte van het programma zijn stappen gezet in de uitwerking van de bouwstenen uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) 'Naar een beter werkende schuldenketen', waarmee uitvoering is gegeven aan de motie van het lid Ceder (Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 767). In lijn met de begroting SZW 2025 zijn middelen ingezet voor het versterken van de gemeentelijke schuldhulpverlening en is € 20 miljoen ingezet voor de verdere verbetering van vroegsignalering, gebaseerd op het verbeterplan vroegsignalering van SZW, VNG, NVVK en Divosa (Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 762 en Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XV, nr. 2). Daarnaast is in 2025 verder gewerkt aan de implementatie van de basisdienstverlening schuldhulpverlening, gericht op het verkleinen van verschillen tussen gemeenten en het verbeteren van bereik en kwaliteit (Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 730). Deze inzet draagt bij aan een meer samenhangende en mensgerichte schuldenketen.

In 2025 is de aanpak van armoede en schulden in Caribisch Nederland verder versterkt, gezien de grotere opgave ten opzichte van Europees Nederland (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XV, nr. 2). Er is ingezet op het professionaliseren van de schuldhulpverlening en het versterken van de minnelijke schuldhulp, met specifieke aandacht voor kinderen en jongeren, in lijn met de inzet Kansrijk opgroeien in Caribisch Nederland (Kamerstukken II 2025/26, 36 800 IV, nr. 25).

Alleenverdieners

Gemeenten voeren sinds begin 2025 de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek uit. Ze betalen een tegemoetkoming aan een groep huishoudens waarvan een van beide partners een UWV-uitkering heeft en de andere partner geen of weinig inkomen. Doordat verschillende overheidsregelingen tegen elkaar inwerken, ontvangen deze huishoudens minder toeslagen dan een vergelijkbaar (echt)paar met een bijstandsuitkering. Met de wet wordt tot en met 2027 voorkomen dat deze huishoudens hierdoor onder het bestaansminimum leven; vanaf 2028 is een oplossing in de inkomstenbelasting voorzien.

Ondersteuning van kwetsbare jongeren naar werk

De Wet van school naar duurzaam werk is op 1 januari 2026 in werking getreden (Stb. 2025, 210). Met deze wet worden scholen en gemeenten beter in staat gesteld om jongeren met een (risico op een) structurele achterstand op de arbeidsmarkt te begeleiden bij de transitie van school naar werk en het behouden van werk bij (dreigende) werkloosheid. Zo biedt de wet aan mbo, pro en vso scholen de mogelijkheid om aanvullende loopbaanbegeleiding te verlenen na het verlaten van het onderwijs. Ook worden regio’s verplicht om samenwerkingsafspraken te maken tussen scholen, gemeenten en Doorstroompunten en die samen met aanvullende maatregelen vast te leggen in regionale programma’s. De wet is aangenomen in de Tweede Kamer op 1 juli 2025 en in de Eerste Kamer op 9 juli 2025.

Infrastructuur sociaal ontwikkelbedrijven

Het kabinet wil dat sociaal ontwikkelbedrijven ook in de toekomst banen kunnen blijven bieden aan mensen voor wie werk niet vanzelfsprekend is. Daarom is er een groot pakket van maatregelen gepresenteerd waarmee beschutte banen verder worden gestimuleerd en gemeenten worden geholpen om de lokale infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven toekomstbestendig in te richten (Kamerstukken II 2023/24, 34 352, nr. 307). Voor deze toekomstbestendige inrichting ontvingen gemeenten in 2025 een impulsbudget van € 35,0 miljoen. Dit budget loopt door tot 2034 en loopt af naar € 19,8 miljoen. Ook is per 2025 een ondersteuningsteam beschikbaar gesteld dat gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven gericht kan adviseren en ondersteunen. Daarnaast is een infrastructurele opslag ingevoerd. Deze bedroeg in 2025 € 19,8 miljoen en loopt op naar structureel € 35,9 miljoen. Hierdoor krijgen sociaal ontwikkelbedrijven meer financiële stabiliteit, continuïteit en voorspelbaarheid, waardoor zij meer ruimte hebben om banen te realiseren voor mensen voor wie het hebben van werk niet vanzelfsprekend is.

In 2025 is besloten om de loonwaardemeting voor beschut werkers te vervangen door een vaste, forfaitaire loonkostensubsidie van 68%. Zo weten werkgevers (vooral sociaal ontwikkelbedrijven) waar ze aan toe zijn, verminderen we de administratieve lasten en voorkomen we onzekerheid bij werknemers over hun loonwaarde. Hiervoor wordt op dit moment een wetswijziging voorbereid. Tot die tijd voegen we de extra middelen toe aan de Rijksbijdrage beschut werk in het gemeentefonds. In 2025 was hiervoor € 34,3 miljoen beschikbaar. Dat bedrag loopt stapsgewijs op naar € 90,0 miljoen structureel vanaf 2048.

Aanvullend is met het amendement van Kent (Kamerstukken II 2024/25, 36 725 XV, nr. 7) voor het jaar 2025 € 40,0 miljoen beschikbaar gekomen om medewerkers van sociaal ontwikkelbedrijven compensatie te bieden voor de nadelige gevolgen van fiscale maatregelen uit het Belastingplan 2025. Inmiddels is het Belastingplan 2026 aangenomen door de Tweede Kamer en wordt de inkomensachteruitgang vanaf 2026 structureel gecorrigeerd. Hiermee is een compensatie voor de komende jaren niet meer nodig. 

Simpel Switchen in de Participatieketen

Het kabinet heeft de ambitie om het voor mensen makkelijker te maken vanuit de uitkering (deeltijd) te gaan werken en de overgangen heen- en weer tussen dagbesteding, beschut werk, banenafspraak en regulier werk voor hen te versoepelen. Hiervoor is het programma Simpel Switchen in de Participatieketen opgezet. In mei 2025 is de voortgangsbrief over het programma, dat loopt van 2024 tot en met 2027, met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 339). Samen met belangrijke landelijke partners als Divosa, Cedris, UWV, de VNG en Iederin werken we aan de doelen van het programma; het verbeteren van financieel inzicht voor inwoner en professional, het vergemakkelijken van de overgangen in de participatieketen, het realiseren van een veilige(re) weg terug, het ondersteunen van professionals en via een monitor het verkrijgen van inzicht in de resultaten van het programma.

Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

De banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een beperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Met sociale partners is afgesproken 125.000 extra banen voor deze doelgroep te realiseren. De opgave voor markt en overheid tot en met 2024 was om 115.000 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting. In 2024 is de landelijke doelstelling van 115.000 extra banen (sector en markt samen) met 89.616 banen niet gehaald.

De Staatssecretaris Participatie en Integratie heeft de Tweede Kamer op 3 juli 2025 geïnformeerd over de resultaten van de banenafspraak 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 342). In juli 2026 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de realisatiecijfers van 2025.

In juni 2025 heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over het verbeteren van de banenafspraak (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 340). In deze brief staan de uitgangspunten voor de langetermijnvisie banenafspraak. Het belangrijkste hierin is dat de ondersteuningsbehoefte veel meer centraal moet komen te staan evenals het beter aansluiten op het VN-verdrag handicap.

De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Vereenvoudigde banenafspraak in de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden in februari 2025. Het wetsvoorstel is vlak voor de zomer van 2025 gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 2025, 121). Een aantal onderdelen van de wet treedt in werking op 1 januari 2026. Het gaat daarbij om onder andere een aantal wijzigingen voor het LKV doelgroep banenafspraak. Het LKV wordt vanaf die datum structureel (niet meer maximaal 3 jaar) en het wordt veel gemakkelijker om deze aan te vragen. Ook wordt vanaf januari 2026 de doelgroep banenafspraak beperkt verbreed met mensen in de WIA en de Wajong die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en wel aan het werk zijn.

Tabel 17 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 20211

Realisatie 20221

Realisatie 20231

Realisatie 20241

Realisatie 20252

Streefwaarde 20253

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

60.966

71.113

74.031

77.143

100.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidssector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

11.842

10.004

11.634

12.474

25.000

1

Berekening SZW op basis van metingen UWV.

2

Realisatiecijfers komen in juni 2026 beschikbaar en worden opgenomen in de begroting van 2027.

3

Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, Kamerstukken II 2013/14, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel «Aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing».

Werken met een beperking Caribisch Nederland

Ter ondersteuning van het beleid van de openbare lichamen op het terrein van werken met een arbeidsbeperking is in 2025 voor Bonaire € 1,9 miljoen, Sint Eustatius € 0,9 miljoen en Saba € 0,8 miljoen overgemaakt via een bijzondere uitkering. Het kabinet maakt de ondersteuning van het beleid ten aanzien van werken met een arbeidsbeperking vanaf 2026 structureel en heeft daarvoor € 4,0 miljoen gereserveerd. Hiermee krijgt deze groep nu de zekerheid om ook in de toekomst ondersteuning te krijgen bij het vinden van passend werk.

Energietoeslag Caribisch Nederland

De energietoeslag van USD 1.300 per huishouden liep ook in 2025 nog door voor Caribisch Nederland. Deze toeslag is bedoeld voor huishoudens in Caribisch Nederland met een laag inkomen. In 2025 betrof dit een bijdrage (verstrekt via een bijzondere uitkering) van € 5,0 miljoen aan de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Tabel 18 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 2 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

8.469.221

7.183.029

7.718.054

8.820.771

9.033.919

8.695.485

338.434

         
 

Uitgaven

8.458.560

7.184.756

7.663.162

8.497.306

9.037.332

8.691.975

345.357

         

2.0

Bijstand, Participatiewet en toeslagenwet

8.458.560

7.184.756

7.663.162

8.497.306

9.037.332

8.691.975

345.357

 

Inkomensoverdrachten

8.390.683

7.107.092

7.531.299

8.296.380

8.843.899

8.453.993

389.906

 

Macrobudget participatiewetuitkering en intertemporele tegemoetkoming

6.436.262

6.021.600

6.659.300

7.340.912

7.779.794

7.479.711

300.083

 

Tozo en Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)

1.136.165

292.350

20.054

9.855

7.324

7.064

260

 

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

352.009

366.816

407.196

455.079

525.948

479.393

46.555

 

Toeslagenwet (TW)

461.000

413.000

436.400

479.900

518.200

475.124

43.076

 

Bijstand overig

900

902

979

819

955

825

130

 

Onderstand (Caribisch Nederland)

4.347

12.424

7.370

9.815

11.678

11.876

‒ 198

 

Subsidies (regelingen)

42.616

47.789

95.887

127.591

143.912

118.845

25.067

 

Europees fonds meestbehoeftigen

98

62

0

0

0

0

0

 

Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM)

2.800

2.800

3.360

2.800

2.800

2.800

0

 

NIBUD

275

318

366

484

1.000

770

230

 

Overige subsidies algemeen

22.622

27.390

36.059

38.196

38.361

26.376

11.985

 

Armoede en schulden

1.044

438

80

0

0

0

0

 

Alle kinderen doen mee

9.694

10.774

17.643

13.736

17.190

10.899

6.291

 

Regionale kansen kinderen

83

7

0

0

0

0

0

 

Waarborgfonds sanering

6.000

6.000

2.100

3.048

2.000

0

2.000

 

Energiefonds

0

0

29.545

55.470

56.300

60.000

‒ 3.700

 

Geldzorgen Armoede en Schulden (Gas)

0

0

6.734

13.857

9.503

18.000

‒ 8.497

 

Subsidies Arbeidsmarktinfrastructuur

0

0

0

0

16.758

0

16.758

 

Opdrachten

12.827

18.957

22.229

19.549

25.652

37.396

‒ 11.744

 

Opdrachten algemeen

12.827

18.957

22.229

19.549

25.322

37.396

‒ 12.074

 

Opdrachten Arbeidsmarktinfrastructuur

0

0

0

0

330

0

330

 

Bekostiging

1.155

0

82

0

0

0

0

 

Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie (ZonMw)

1.155

0

82

0

0

0

0

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

172

0

182

0

0

199

‒ 199

 

Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie (ZonMw)

172

0

182

0

0

199

‒ 199

 

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

809

447

1.078

1.385

2.200

‒ 815

 

Financiën

0

809

447

1.078

1.385

2.200

‒ 815

 

Bijdrage aan sociale fondsen

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

0

 

Pensioenfonds Wsw

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

0

 

Bijdrage aan agentschappen

0

101

2.074

39.164

95

496

‒ 401

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

0

101

74

78

61

496

‒ 435

 

DUO

0

0

2.000

39.086

34

0

34

 

Bijdrage aan medeoverheden

1.100

0

944

3.544

12.380

68.837

‒ 56.457

 

Tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek

1.100

0

944

0

0

28.408

‒ 28.408

 

Bijzondere uitkeringen

0

0

0

2.636

10.874

4.450

6.424

 

Sociaal ontwikkelbedrijven

0

0

0

0

0

35.000

‒ 35.000

 

SPUK Grensinformatiepunten

0

0

0

908

1.506

979

527

 

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

7

8

18

0

9

9

0

 

Contributie Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden (CASS)

7

8

18

0

9

9

0

         
 

Ontvangsten

958.115

266.633

109.361

85.215

102.227

57.040

45.187

         
Tabel 19 Uitsplitsing ontvangsten artikel 2 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

958.115

266.633

109.361

85.215

102.227

57.040

45.187

         

2.0

Bijstand, Participatiewet en toeslagenwet

958.115

266.633

109.361

85.215

102.227

57.040

45.187

 

Ontvangsten

958.115

266.633

109.361

85.215

102.227

57.040

45.187

 

Algemeen

28.422

49.799

45.261

27.061

42.841

14.690

28.151

 

Tozo retour kapitaal verstrekkingen

929.693

216.834

64.100

58.154

59.386

42.350

17.036

Inkomensoverdrachten
Macrobudget participatiewetuitkeringen
Tabel 20 Extracomptabel overzicht macrobudget participatiewetuitkeringen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming1

6.436.262

6.021.600

6.659.300

7.340.912

7.779.794

7.479.711

300.083

        

Macrobudget participatiewetuitkeringen2

6.436.262

6.021.600

6.659.300

7.340.912

7.779.794

7.479.711

300.083

Algemene bijstand3

5.930.527

5.348.767

5.921.390

6.551.132

6.922.125

6.646.334

275.791

Loonkostensubsidie

319.391

415.339

515.149

600.801

590.215

10.586

IOAW

295.515

261.529

240.685

211.657

189.567

178.448

11.119

IOAZ

29.148

27.798

29.716

31.178

31.937

32.520

‒ 584

Bbz (levensonderhoud)

130.157

64.116

50.937

31.047

35.364

31.197

4.168

Correctie verdeelmodel

50.915

1.232

996

‒ 996

Overig

   

749

   
1

Door afrondingsverschillen kan het totaal afwijken van de som der delen.

2

Toelichting definitief macrobudget 2024; berekening SZW.

3

Tot en met 2021 loopt loonkostensubsidie mee in het deelbudget voor algemene bijstand.

Algemene bijstand

De Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. Het macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies, waaronder de middelen voor bijstandsuitkeringen aan startende ondernemers. Dit budget wordt samen met de middelen voor IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud onder de gemeenten verdeeld.

Budgettaire ontwikkelingen

Het macrobudget participatiewetuitkeringen valt in 2025 € 300,1 miljoen hoger uit dan begroot. Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand. De toelichting voor de loonkostensubsidies, IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud volgt verderop in het artikel.

In 2025 is het definitieve budget aan gemeenten voor de algemene bijstand € 275,8 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. De stijging is met name het gevolg van een opwaartse loon- en prijsbijstelling (€ 428,7 miljoen). Ook is het budget voor de algemene bijstand opwaarts bijgesteld naar aanleiding van het besparingsverlies dat optreedt doordat de banenafspraak niet is gehaald (€ 57,6 miljoen). Het met een halfjaar uitstellen van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Participatiewet in balans naar 1 januari 2026 zorgt voor een neerwaartse bijstelling van € 22,3 miljoen. Ook is er in het kader van Participatiewet in balans een opwaartse bijstelling (€ 1,1 miljoen), omdat gemeenten in 2025 alvast vooruit mogen lopen op de maatregel waarbij bijverdiensten van jongeren tot 27 jaar tot 15% worden vrijgelaten. Daarnaast is de algemene bijstand naar beneden bijgesteld door een lagere verwachte werkloosheid (- € 39,0 miljoen) en als gevolg van de bijstelling aan de hand van de gerealiseerde prijs en volumerealisaties (- € 150,4 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Het volume bijstandsgerechtige huishoudens op grond van de Participatiewet is als gevolg van de verslechterde conjunctuur gestegen ten opzichte van het volume in 2024.

Tabel 21 Kerncijfers volume Participatiewet
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 20251

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume Participatiewetuitkering (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

359

341

338

342

345

357

‒ 12

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

1

Betreft voorlopige CBS-cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2025 zijn geraamd.

Tabel 22 bevat informatie over re-integratie en participatie-inspanningen van gemeenten op grond van de Participatiewet. De voorzieningen die gemeenten aanbieden variëren van sociale activering en vrijwilligerswerk tot training, opleiding en proefplaatsingen op weg naar werk en begeleiding en jobcoaching eenmaal aan het werk. Sinds de invoering van de Participatiewet 2015 hebben gemeenten beschikking gekregen over het instrument structurele loonkostensubsidie en zijn zij verantwoordelijk voor het naar behoefte creëren van beschut werk. Vanaf 2015 is geen nieuwe instroom meer mogelijk in de Wet Sociale Werkvoorziening (Wsw). De tabel bevat tevens informatie over het werknemersbestand van de Wsw.

Tabel 22 Kerncijfers re-integratie door gemeenten
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Aantal voorzieningen Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

225

217

225

244

2592

Aantal personen met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

173

162

168

177

1852

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000, ultimo)3

41

37

32

32

144

      

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

55

57

58

63

712

      

Werknemersbestand Wsw (x 1.000, ultimo)5

68

63

60

55

53

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen5

36

36

36

35

34

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen5

6,9

7,3

7,5

7,8

7,9

1

Bron: CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

2

Betreft de stand ultimo Q3 2025.

3

Bron: CBS, Uitstroom na re-integratie.

4

Betreft de stand medio 2025.

5

Bron: Panteia, WSW-rapportage.

Tabel 23 bevat informatie over mensen met een arbeidsbeperking die werken onder de Banenafspraak, op een interne plaatsing onder de Wsw of op een beschut werkplek onder de Participatiewet. Dit zijn veelal mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, maar niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn. Het totaal aantal werkenden met een arbeidsbeperking nam toe tussen 2021 en 2025. Zoals verwacht is het aantal mensen dat werkt via de Banenafspraak en op een beschut werkplek toegenomen en het aantal mensen dat werkt via de Wsw afgenomen.

Tabel 23 Kerncijfers werk voor mensen met een arbeidsbeperking
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 20251

Totaal werkend met een arbeidsbeperking (x 1.000, ultimo)

173

178

182

185

187

 

waarvan werkend binnen de Banenafspraak (x 1.000, ultimo)2

128

134

139

142

145

 

waarvan werkend op een interne plaatsing Wsw (x 1.000, ultimo)3

38

36

34

32

31

 

waarvan werkend met positief advies beschut werk (x 1.000, ultimo)4

6,8

8,0

9,4

11,0

11,0

1

Betreft de stand medio 2025. De realisatiecijfers van geheel 2025 worden opgenomen in de begroting 2027.

2

Bron: UWV, Factsheet banenafspraak.

3

Bron: Panteia, Jaarrapportage Wsw-statistiek. Onder 'interne plaatsing' valt ook 'werken op locatie', waarbij begeleiding plaatsvindt vanuit het Sw-bedrijf.

4

Bron: UWV, Rapportage beschut werk.

Loonkostensubsidie (LKS)

Het instrument LKS voorziet werkgevers van een compensatie voor de lagere loonwaarde van een werknemer op basis van de Participatiewet. Vanaf 2022 worden gemeenten voor het lopende jaar gefinancierd op basis van de gerealiseerde uitgaven aan loonkostensubsidies van het vorige jaar.

Budgettaire ontwikkelingen

De LKS-uitgaven kwamen in 2025 € 10,6 miljoen hoger uit dan begroot. De opwaartse bijstelling is de som van de verwerking van de bijstelling aan de hand van het gerealiseerde volume in 2024 (- € 32,2 miljoen), de bijstelling aan de hand van de gerealiseerde prijs in 2024 (€ 11,2 miljoen) en de loon- en prijsbijstelling (€ 31,6 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 24 Kerncijfers volume loonkostensubsidie
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 20251

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume loonkostensubsidie (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

26

31

36

40

42

51

‒ 9

Bron: CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

1

Betreft het halfjaargemiddelde voor Q1 en Q2 2025. Het jaargemiddelde voor heel 2025 wordt opgenomen in de begroting 2027.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de IOAW kwamen in 2025 € 11,1 miljoen hoger uit dan begroot. Dit komt door de verwerking van de volumerealisaties 2024 (€ 0,3 miljoen), de bijstelling aan de hand van de gerealiseerde prijs 2024 (€ 0,4 miljoen) en de loon- en prijsbijstelling (€ 15,0 miljoen). Verder zijn er neerwaartse bijstellingen vanwege de vertraagde doorstroom vanuit de WW (- € 3,8 miljoen) en het met een halfjaar uitstellen van het wetsvoorstel Participatiewet in balans (- € 0,8 miljoen).

Aan de IOAZ is in 2025 per saldo € 0,6 miljoen minder uitgegeven dan begroot. Dit komt door de verwerking van de volumerealisaties 2024 (- € 2,4 miljoen), de loon- en prijsbijstelling (€ 2,5 miljoen) en het met een halfjaar uitstellen van het wetsvoorstel Participatiewet in balans (- € 0,7 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 25 Kerncijfers IOAW en IOAZ
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 20251

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

19

16

14

12

9

10

‒ 1

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,6

1,5

1,5

1,5

1,4

1,7

‒ 0,3

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

1

Betreft voorlopige CBS-cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2025 zijn geraamd.

Bijstand zelfstandigen levensonderhoud (Bbz 2004)

De toelichting op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 staat later in het artikel. Alleen het deel dat onderdeel is van het macrobudget participatiewetuitkeringen wordt hier toegelicht. Dit is het onderdeel bijstand dat kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor zelfstandigen.

Budgettaire ontwikkelingen

Het Bbz levensonderhoud is in 2025 opwaarts bijgesteld met € 4,2 miljoen. De opwaartse bijstelling is de som van de verwerking van de volumerealisaties 2024 (- € 2,6 miljoen), de bijstelling aan de hand van de gerealiseerde prijs in 2024 (€ 4,7 miljoen), de loon- en prijsbijstelling (€ 2,2 miljoen) en het met een halfjaar uitstellen van het wetsvoorstel Participatiewet in balans (- € 0,1 miljoen). Na afloop van de Tozo was het gebruik van de Bbz tijdelijk gestegen, sindsdien is het Bbz-gebruik gedaald.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 26 Kerncijfers Bbz
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

3,8

6,2

1,9

1,8

1,7

1,9

‒ 0,2

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De kerncijfers handhaving Participatiewet laten zien dat de gepercipieerde kans op detectie na een kleine afname in 2024 weer wat toegenomen is in 2025. De kennis van verplichtingen blijft stabiel hoog. De opsporings- en sanctioneringscijfers over de eerste drie kwartalen van 2025 zijn vrijwel hetzelfde als in het derde kwartaal van 2024.

Tabel 27 Kerncijfers Participatiewet (handhaving inlichtingenplicht algemene bijstand)
  

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

57

69

73

67

71

Kennis van de verplichtingen (%)

87

89

90

90

89

Opsporing2

Aantal vorderingen in verband met geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

26

20

14

124

8,85

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

59

47

34

304

225

Sanctionering2

Aantal boetes (x 1.000)

7,2

5,8

4,3

3,54

2,65

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

4,3

3,7

2,9

2,44

1,95

  

Ontstaansjaar vordering

  

2021

2022

2023

2024

20256

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)7

41

38

32

25

14

1

Bron: I&O Reseach, Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans.

2

Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

3

Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het aantal overtredingen ligt dus lager.

4

Dit cijfer is aangepast ten opzichte van de begroting 2026 vanwege een foute verwijzing.

5

Betreft de stand ultimo 3e kwartaal 2025. De handhavingscijfers over het 4e kwartaal 2025 met betrekking tot opsporing en sanctionering zijn nog niet beschikbaar.

6

Betreft voorlopige cijfers.

7

De incassoratio’s vallen hoger uit ten opzichte van eerdere jaarverslagen. Dit is het gevolg van een methodewijziging, waarbij administratieve wijzigingen van vorderingen als gevolg van bijvoorbeeld een verhuizing of wijziging van softwareleverancier niet langer als nieuwe vorderingen in de statistiek zijn opgenomen, maar als doorlopende vorderingen.

Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)

Startende, gevestigde en beëindigende zelfstandigen kunnen voor financiële ondersteuning onder voorwaarden een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt in de vorm van een uitkering om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en in de vorm van bedrijfskredieten.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2025 is € 7,3 miljoen aan gemeenten vergoed voor de uitvoering van het Bbz bedrijfskrediet in 2023. Gemeenten hebben hiermee kapitaalverstrekkingen verstrekt. In 2025 is er € 0,3 miljoen meer uitgegeven dan begroot.

Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)

Ouderen met geen of een onvolledig opgebouwd AOW-pensioen, of ouderen met een volledig opgebouwd AOW-pensioen en een partner jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd kunnen recht hebben op algemene bijstand (in de vorm van AIO). Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de AIO kwamen in 2025 circa € 46,6 miljoen hoger uit dan verwacht bij de begroting. Dit wordt voornamelijk verklaard door een opwaartse loon- en prijsbijstelling en een opwaartse bijstelling van de instroom door een hoger aantal huishoudens die een gekorte AOW ontvangen en zijn geboren in het buitenland dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 28 Kerncijfers AIO
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 20251

Begroting 2025

Verschil 2025

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

51

52

52

53

55

55

0

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

1

Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2025 zijn geraamd.

Handhaving

In 2025 heeft de SVB ongeveer evenveel overtredingen geconstateerd als in 2024. Daarbij legt de SVB de nadruk op preventie en het voorkomen van fouten. Het hoge percentage kennis van de verplichtingen is daar een uiting van. De incassoratio loopt op naarmate het ontstaansjaar verder terug ligt, omdat dan over een langere periode geïncasseerd is: van 10% voor in 2025 ontstane vorderingen tot 83% bij vorderingen uit ontstaansjaar 2021.

Tabel 29 Kerncijfers AIO (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

56

65

64

64

62

Kennis van de verplichtingen (%)

95

94

93

92

94

Opsporing2

Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

0,5

0,6

0,7

0,9

0,5

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

0,4

0,5

0,7

0,6

0,6

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

1,1

1,3

1,8

1,7

1,8

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,3

0,4

0,5

0,6

0,3

Aantal boetes (x 1.000)

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

  

Ontstaansjaar vordering

  

2021

2022

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

83

45

37

34

10

1

Bron: I&O Reseach, Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans.

2

Bron: SVB, administratie.

3

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de TW komen ongeveer € 43,1 miljoen hoger uit dan begroot. Dat wordt voornamelijk veroorzaakt door de indexatie van de uitkeringsbedragen (€ 26,7 miljoen). Het resterende verschil wordt grotendeels verklaard door een hoger aantal TW-aanvullingen dan verwacht bij het opstellen van de begroting 2025.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 30 Kerncijfers TW
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

109

99

92

98

103

99

4

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

3.425

3.412

3.908

4.113

4.260

4.122

138

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

Handhaving

Sinds 2021 vindt er een automatisch koppeling plaats via de Polisadministratie van het sociale verzekeringsinkomen van de partner. Hierdoor ontstaan er minder meldingen van het niet voldoen aan deze inlichtingenplicht. Er is een sterke stijging zichtbaar in het totaal benadelingsbedrag vergeleken met vorig jaar, deze is grotendeels te verklaren door de herstelactie arbeidsongeschiktheidspensioen die UWV in 2025 voor de TW heeft uitgevoerd.

Tabel 31 Kerncijfers TW (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Opsporing1

Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

1,5

1,1

1,1

0,5

0,5

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)2

1

0,8

0,6

0,3

0,3

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

4,2

3,5

3,5

1,5

4,7

Sanctionering1

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,3

0,2

0,2

0,1

0,1

Aantal boetes (x 1.000)

0,6

0,5

0,3

0,2

0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,6

0,4

0,2

0,1

<0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2021

2022

2023

2024

2025

Terugvordering1

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

53

41

28

28

12

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

2

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Bijstand overig

Onder de post Bijstand overig worden uitgaven aan de bijstand buitenland verantwoord. De gerealiseerde uitgaven waren € 130.000 hoger dan begroot. Dit heeft grotendeels te maken met een nabetaling aan de SVB over 2024 van € 109.000. De nabetaling over 2024 was relatief groot omdat er in 2024 minder is bevoorschot aan de SVB dan de geraamde uitkeringslasten omdat er bij de beschikbare middelen op de begroting voor 2024 per abuis geen rekening was gehouden met een nabetaling aan SVB over 2023. Daarnaast kwamen de volumes hoger uit dan geraamd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Instroom in de bijstand buitenland is niet meer mogelijk. Naarmate de regeling langer bestaat zal de laatste rechthebbende uit de bijstand buitenland stromen.

Tabel 32 Kerncijfers bijstand buitenland
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume bijstand buitenland (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0

Bron: SVB, administratie.

Onderstand Caribisch Nederland

De Rijksoverheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand en waar nodig ook re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan Onderstand Caribisch Nederland waren in 2025 € 0,2 miljoen lager dan begroot. Het aantal uitkeringen is zowel bij de algemene als de bijzondere Onderstand iets lager dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 33 Kerncijfers Onderstand (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,8

0,8

0,9

1,2

1,1

1,0

0,1

Bron: RCN-unit SZW.

Subsidies

In 2025 is € 0,2 miljoen meer dan begroot aan subsidies voor het NIBUD verstrekt door een samenwerking met OCW aan te gaan en extra subsidieactiviteiten op het beleidsterrein van OCW te verstrekken.

De realisatie op het budget Overige subsidies algemeen is € 38,4 miljoen. Het budget Overige subsidies algemeen wordt voorzien door overboekingen uit de opdrachtbudgetten binnen het artikel of vanuit andere artikelen binnen de SZW-begroting als er in de loop van een uitvoerings­jaar nieuwe toekenningen plaatsvinden in de financiering van de opdrachtbudgetten. Dit verklaart dat er € 12,0 miljoen meer is uitgegeven dan begroot. Voorbeelden van nieuwe toekenningen uit 2025 zijn de subsidies aan de VNG voor de implementatie van Participatiewet in balans, aan de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) voor de uitvoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en aan sociaal ontwikkelbedrijven in het kader van armoedebestrijding en schuldhulpverlening. Ook is er circa € 1,4 miljoen doorgeschoven betalingen uit 2024 gerealiseerd in 2025.

De subsidie aan SAM& partijen is in 2025 met € 6,3 miljoen opgehoogd om de stabiliteit in de financiering te borgen. Een deel van de middelen (€ 4,0 miljoen) was gereserveerd voor latere jaren en een deel (€ 2,0 miljoen) kwam vanuit het opdrachtenbudget. Deze middelen zijn ingezet om aan de stijgende aanvragen en kosten vanuit SAM& partijen te kunnen voldoen. Daarmee wordt een extra impuls gegeven aan het bestrijden van de gevolgen van kinderarmoede.

Het budget voor het Waarborgfonds Saneringskredieten wordt jaarlijks doorverdeeld naar artikel 2 vanaf de reservering op artikel 99. Vanaf artikel 2 wordt de subsidie toegekend aan de stichting. Dit jaar is er op verzoek van de stichting € 2,0 miljoen aan subsidie bevoorschot aan de stichting.

In 2025 is er € 56,3 miljoen uitgegeven aan het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE). Dit is € 3,7 miljoen minder dan begroot. Van deze € 3,7 miljoen is er € 1,0 miljoen verstrekt aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor de energietoeslag Caribisch Nederland.

Het budget Geldzorgen Armoede en Schulden wordt in 2025 onder andere ingezet voor de subsidieregeling Financiële Educatie (€ 9,5 miljoen). De rest van de begrote middelen is via andere begrotingsposten ingezet voor uitvoerings- en evaluatiekosten voor de subsidieregeling Financiële Educatie en voor twee specifieke uitkeringen voor hetzelfde beleidsdoel: € 1,0 miljoen voor Caribisch Nederland en € 6,0 miljoen voor de specifieke uitkering Kansrijke Wijk. Tot slot is € 1,5 miljoen ter beschikking gesteld voor de decentrale uitkering Energiehulp.

Het budget Subsidies Arbeidsmarktinfrastructuur bestaat uit middelen voor de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur. Deze middelen zijn van artikel 5 overgeboekt naar artikel 2 om de budgetten voor arbeidsmarktinfrastructuur zoveel mogelijk samen op de begroting te kunnen verantwoorden.

Opdrachten

De realisatie op het opdrachtenbudget is € 11,7 miljoen lager ten opzichte van de beginstand van de begroting. Deze afwijking wordt vooral veroorzaakt door overhevelingen van middelen van het opdrachtenbudget naar de subsidiebudgetten. Zo er € 4,8 miljoen overgeheveld ter dekking van subsidies op het gebied van armoedebestrijding en schuldhulpverlening en is een instellingssubsidie op het gebied van kansengelijkheid voor kinderen incidenteel opgehoogd met € 1,6 miljoen.

Daarnaast zijn er per saldo € 1,0 miljoen aan overboekingen verwerkt naar andere departementen en is er € 4,3 miljoen bijgedragen aan de decentrale uitkering Energie.

Het budget Opdrachten Arbeidsmarktinfrastructuur bestaat uit middelen voor de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur. Deze middelen zijn van artikel 5 overgeboekt naar artikel 2 om de budgetten voor arbeidsmarktinfrastructuur zoveel mogelijk samen op de begroting te kunnen verantwoorden.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

In 2025 is er voor de uitvoering door ZonMw van het meerjarig kennisprogramma Vakkundig aan het Werk-I € 0,2 miljoen minder uitgegeven dan begroot. Dit komt omdat het kennisprogramma al in 2023 is afgerond en dit nog niet goed verwerkt was in de begroting.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan het Ministerie van Financiën voor audit- en controlewerkzaamheden ten behoeve van het ESF-programma 2014-2020 en 2021-2027 is in 2025 € 0,8 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Dit komt doordat er minder controlewerkzaamheden zijn uitgevoerd dan verwacht.

Bijdrage aan sociale fondsen

Sinds 2018 wordt een financiële tegemoetkoming van € 10,0 miljoen per jaar beschikbaar gesteld aan het Wsw-pensioenfonds PWRI. Voorwaarde hierbij is dat de werkgevers (de gemeenten) en de werknemers die verantwoordelijk zijn voor de pensioenen van de Wsw zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds. De financiële compensatie wordt jaarlijks gegeven tot uiterlijk 2057.

Bijdrage aan agentschappen

In 2025 bedroeg de bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de controle van de betaalaanvragen uit het Europees Sociaal Fonds, het Europees Globaliseringsfonds en de ESF-programma's € 0,4 miljoen minder dan begroot. Er zijn minder controles uitgevoerd dan verwacht, doordat werkzaamheden zo efficiënt als mogelijk zijn ingericht.

DUO heeft in 2024 de eenmalige tegemoetkoming voor de energiekosten 2023 (TEKS) uitgekeerd aan studenten die aan de voorwaarden voldeden. In 2025 is een nabetaling van € 0,1 miljoen uitgekeerd aan DUO.

Bijdrage aan medeoverheden

Tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek

Op de SZW-begroting is een reservering opgenomen voor de verwachte uitgaven voor de tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek, inclusief uitvoeringskosten. Gemeenten worden gefinancierd via een decentralisatie-uitkering binnen het gemeentefonds. Elk jaar worden daarom de benodigde middelen overgeheveld van de SZW-begroting naar het gemeentefonds. Voor 2025 ging het om een bedrag van € 25,4 miljoen. Daarnaast vond er een nabetaling van € 2,1 miljoen plaats voor 2023.

Bijzondere uitkeringen

In 2025 zijn op artikel 2 voor in totaal € 10,9 miljoen aan bijzondere uitkeringen verstrekt aan Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter ondersteuning van het beleid van de openbare lichamen op het terrein van werken met een arbeidsbeperking en arbeidsbemiddeling, de energietoeslag voor minimahuishoudens, kansrijk opgroeien, schuldhulpverlening en financiële educatie. In 2025 waren de uitgaven € 6,4 miljoen hoger dan verwacht bij de begroting vanwege de middelen voor de energietoeslag, financiële educatie en de loonprijstoekenning.

Sociaal ontwikkelbedrijven

In 2025 is er € 35,0 miljoen toegevoegd aan het gemeentefonds voor het transformatiebudget, dat gericht is op een toekomstbestendige inrichting van de infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven. Daarnaast is in 2025 via het amendement Van Kent € 40,0 miljoen beschikbaar gesteld voor de medewerkers van de sociaal ontwikkelbedrijven. Dit gaat om compensatie voor het inkomensverlies als gevolg van een combinatie van fiscale maatregelen en de indexatie van de inkomensbelasting. Ook deze middelen zijn via het gemeentefonds verstrekt.

Grensinformatiepunten

Via een SPUK levert SZW een structurele bijdrage aan provincies en gemeenten voor de grensinformatiepunten. In 2025 waren de uitgaven € 0,5 miljoen hoger dan verwacht bij de begroting omdat er aanvullende middelen zijn vrijgemaakt voor inflatie, toenemende aanloop en toenemende complexiteit.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

In 2025 is er € 9.000 uitgegeven aan de contributie van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden (CASS).

Ontvangsten

Algemeen

De ontvangsten bedragen in 2025 € 42,9 miljoen. Een deel van deze ontvangsten heeft betrekking op het Bbz. In 2025 hebben gemeenten € 10,9 miljoen aan SZW betaald voor terugbetalingen voor kapitaalverstrekkingen. Daarnaast waren er in 2025 ontvangsten vanwege terugvorderingen van te hoge voorschotten bij de Toeslagenwet (€ 24,4 miljoen).

Verder heeft € 3,8 miljoen van de ontvangsten betrekking op de terugbetaling van de intertemporele tegemoetkoming met de gemeentelijke budgetten Participatieuitkeringen, zoals afgesproken in het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom. Ook is er in 2025 € 3,3 miljoen terugontvangen van DUO, omdat er minder uitvoeringskosten waren voor de eenmalige tegemoetkoming energiekosten studenten (TEKS). Tot slot is er vanwege een herziening van de subsidievaststelling van het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) 2023 nog € 0,4 miljoen ontvangen.

Tozo

De ontvangsten van de Tozo bedragen € 59,4 miljoen in 2025. Op basis van de voorlopige verrekening van het Beeld van de Uitvoering 2024 is er € 55,1 miljoen terugontvangen. Verder bedragen de ontvangsten als gevolg van de definitieve vastelling over 2023 € 4,3 miljoen.

5.3 Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsongeschiktheidsbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Kwijtschelding voorschotten

Vanwege de verwachting dat de achterstanden de komende periode zullen blijven, zijn er middelen vrijgemaakt om het tijdelijke kwijtscheldbeleid van WIA-voorschotten meer structureel te maken. Dit geeft mensen de zekerheid dat zij het voorschot dat ze krijgen in afwachting van de WIA-claimbeoordeling niet hoeven terug te betalen. Wel kan het voorschot verrekend worden met een WGA- of WW-uitkering als na de WIA-claimbeoordeling blijkt dat er tijdens de voorschotperiode recht was op een dergelijke uitkering. Er wordt op dit moment in overleg met UWV gewerkt aan het creëren van een wettelijke grondslag voor dit tijdelijke beleid.

Hersteloperatie WIA

In de WIA-hersteloperatie worden naast de herstelactie WIA-dagloon, ook de herstelacties loonloze tijdvakken en WIA-indexatie meegenomen vanwege de inhoudelijke samenhang. Voor deze herstelacties is gewerkt aan een tijdelijke vergoedingsregeling om nadelige keteneffecten te voorkomen. In deze regeling wordt geregeld dat UWV een passende eenmalige financiële vergoeding kan uitkeren aan die gevallen waarbij uit onderzoek blijkt dat het WIA-dagloon te laag is vastgesteld. De regeling is eind 2025 uitgezet in internetconsultatie en voor uitvoeringstoetsen bij UWV, Dienst Toeslagen en de Belastingdienst. Naar verwachting kan UWV in de loop van 2026 starten met het corrigeren van uitkeringen en de eerste vergoedingen uitkeren.

Werkgeverspremie Ongevallenverzekering BES

Om werkgevers voor een deel tegemoet te komen in de gestegen loonkosten als gevolg van de bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon per 1 juli 2024, is vanaf het begrotingsjaar 2024 structureel budget vrijgemaakt om de werkgeverspremies te verlagen. Deze lastenverlichting is in 2025 doorgezet en geïntensiveerd. In totaal is het premiepercentage voor werkgevers additioneel met 1,6 procentpunt verlaagd, waarbij voor 2025 zowel de premies over de werknemersverzekeringen als de premie op grond van het Besluit zorgverzekering BES is betrokken. In totaal betreft het over de jaren 2024 en 2025 een verlaging van de werkgeverspremies met 3,1 procentpunt. Om uitvoeringstechnische redenen was het niet meer mogelijk om bij de verlaging van de premiepercentages per 1 januari 2024 een verlaging van de zorgverzekeringspremie te betrekken. Daarom is in 2024 de verlaging volledig verwerkt in de premies werknemersverzekeringen. Per 1 januari 2025 is dit gecorrigeerd door enerzijds de premie voor de zorgverzekering verhoudingsgewijs forser te verlagen en anderzijds de premies werknemersverzekeringen enigszins te verhogen.

Herintroductie 60-plusmaatregel

In 2025 is de 60-plusmaatregel geherintroduceerd voor een periode van 2 jaar (van 1 september 2025 tot en met 31 augustus 2027). Mensen die vanaf 1 september 2025 het einde van de wachttijd bereiken en op dat moment 60 jaar of ouder zijn, komen in aanmerking voor de vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling zonder of met minder inzet van de verzekeringsarts en met extra inzet van de arbeidsdeskundige. Door de maatregel kan UWV jaarlijks zo’n 10.000 extra beoordelingen uitvoeren.

Tegemoetkoming arbeidsongeschikten

Conform het hoofdlijnenakkoord is er gewerkt aan een wetsvoorstel afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten. Dit voorstel regelt dat alle mensen met een WAO-, WIA-, WAZ- of Wajong-uitkering (en in geval van de WAO en WAZ: die ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn) vanaf 2027 niet meer de tegemoetkoming arbeidsongeschikten krijgen.

Tabel 34 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 3 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

668

1.083

5.900

7.360

9.368

6.465

2.903

         
 

Uitgaven

668

1.083

5.900

7.360

9.368

10.797

‒ 1.429

         

3.0

Arbeidsongeschiktheid

668

1.083

5.900

7.360

9.368

10.797

‒ 1.429

 

Inkomensoverdrachten

668

1.083

1.099

1.360

1.722

757

965

 

Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

668

1.083

1.099

1.360

1.722

757

965

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

4.801

6.000

7.646

10.040

‒ 2.394

 

Uitvoering individuele plaatsing & steun

0

0

4.801

6.000

7.646

10.040

‒ 2.394

         
 

Ontvangsten

0

0

2

1.048

0

0

0

         
Tabel 35 Uitsplitsing ontvangsten artikel 3 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

0

0

2

1.048

0

0

0

         

3.0

Arbeidsongeschiktheid

0

0

2

1.048

0

0

0

 

Ontvangsten

0

0

2

1.048

0

0

0

 

Algemeen

0

0

2

1.048

0

0

0

Tabel 36 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 3 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

10.685.608

11.145.203

12.805.391

14.250.282

17.969.794

15.064.702

2.905.092

         
 

Uitgaven

10.685.608

11.145.203

12.805.391

14.250.282

17.969.794

15.064.702

2.905.092

         

3.0

Arbeidsongeschiktheid

10.685.608

11.145.203

12.805.391

14.250.282

17.969.794

15.064.702

2.905.092

 

Inkomensoverdrachten

10.585.517

11.044.054

12.693.038

14.120.568

17.822.759

14.924.312

2.898.447

 

WAO

3.374.283

3.179.789

3.280.812

3.212.165

3.059.604

2.924.543

135.061

 

IVA

3.463.953

3.841.318

4.669.604

5.361.040

5.887.076

5.655.043

232.033

 

WGA

3.301.225

3.559.883

4.213.689

4.943.780

5.628.564

4.990.144

638.420

 

WAZ

88.349

81.451

81.100

75.699

67.958

65.964

1.994

 

WGA eigenrisicodragers

357.707

381.613

447.833

527.884

643.161

522.406

120.755

 

WAO nominaal

0

0

0

0

0

156.219

‒ 156.219

 

IVA nominaal

0

0

0

0

0

306.953

‒ 306.953

 

WGA nominaal

0

0

0

0

0

270.610

‒ 270.610

 

WAZ nominaal

0

0

0

0

0

3.503

‒ 3.503

 

WGA eigenrisicodragers nominaal

0

0

0

0

0

28.927

‒ 28.927

 

sociale lasten

0

0

0

0

2.536.396

0

2.536.396

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

100.091

101.149

112.353

129.714

147.035

140.390

6.645

 

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

100.001

101.149

111.673

129.714

147.035

135.715

11.320

 

Scholingsexperiment WGA

90

0

680

0

0

0

0

 

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW nominaal

0

0

0

0

0

4.675

‒ 4.675

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Inkomensoverdrachten
Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

Werknemers in de private sector van Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering (OV) een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven voor de Ongevallenverzekering komen € 1 miljoen hoger uit dan verwacht bij de vastgestelde begroting. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de loon- en prijsbijstelling (indexatie) en een hogere gemiddelde uitkering als gevolg van de stijging van het minimumloon. De stijging van het minimumloon werkt ook door in hogere loonschalen. Daarnaast zijn de OV-uitkeringen van de laatste maanden van 2024 pas begin 2025 geboekt en is er sprake van een stijging van het aantal waargenomen dagen arbeidsongeschiktheid.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 37 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000 uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsdagen)

0,2

0,2

7,11

6,51

9,21

7,4

1,8

Bron: RCN-unit SZW.

1

Er wordt sinds het jaarverslag 2023 een nieuwe definitie gebruikt. Dit is op basis van het aantal uitkeringsdagen in plaats van het aantal uitkeringen. Hierdoor zijn de realisatiecijfers vanaf 2023 niet vergelijkbaar met de realisatiecijfers van voorgaande jaren.

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennia lang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAO zijn € 135 miljoen hoger dan begroot. Dit wordt veroorzaakt door indexatie van de uitkeringsbedragen (circa € 161 miljoen). Dit is een herschikking met de bijbehorende post onder nominaal. Het resterende verschil van - € 26 miljoen wordt veroorzaakt door een lager dan verwachte gemiddelde uitkeringshoogte en een lager aantal uitkeringen dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal WAO-uitkeringen komt ongeveer 500 lager uit dan verwacht.

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de daarvoor geldende voorwaarden voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of bij wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. De WIA wordt uitgevoerd door UWV. Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun (ex-)werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten IVA zijn € 232 miljoen hoger dan begroot. Dit wordt veroorzaakt door indexatie van de uitkeringsbedragen (circa € 316 miljoen). Dit is een herschikking met de bijbehorende post onder nominaal. Tegelijkertijd zijn het volume in uitkeringsjaren en de gemiddelde uitkeringshoogte lager uitgevallen dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal IVA-uitkeringen komt afgerond op duizenden hetzelfde uit als bij de begroting 2025 werd verwacht. Dit is het saldo van een hogere instroom en uitstroom, en een vrijwel gelijke doorstroom vanuit de WGA ten opzichte van de verwachtingen bij de begroting 2025.

Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) inclusief WGA-eigenrisicodragers

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WGA (inclusief WGA-eigenrisicodragers) zijn € 759 miljoen hoger dan begroot. Dit wordt voor een deel deel veroorzaakt door indexatie van de uitkeringsbedragen (circa € 321 miljoen). Dit is een herschikking met de bijbehorende post onder nominaal. Daarnaast komt het aantal uitkeringen in de WGA met 19.000 hoger uit, met name door hogere instroom als gevolg van long-covid en psychische aandoeningen. Tot slot is de gemiddelde uitkeringshoogte hoger uitgevallen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal WGA-uitkeringen komt circa 19.000 hoger uit dan bij de begroting 2025 werd verwacht. Dit komt voornamelijk door hogere instroom als gevolg van long-covid en psychische aandoeningen. De kerncijfers worden echter vertekend door de mismatch tussen vraag en aanbod van sociaal-medische beoordelingen. Hierdoor lukt het vaak niet een WIA-beoordeling binnen de gestelde termijn plaats te laten vinden. In dat geval kan een voorschot op de uitkering worden verstrekt. Omdat een voorschot administratief geregistreerd wordt als instroom in de WGA 80-100 valt de instroom in de WGA hoger uit dan zonder voorschotten. Een deel van de voorschotten wordt uiteindelijk na de WIA-beoordeling afgewezen (als er geen recht op WIA blijkt te bestaan) of omgezet naar een IVA-uitkering (indien aan de voorwaarden voor de IVA wordt voldaan). Dit leidt ertoe dat ook de uitstroom uit de WGA en de doorstroom vanuit de WGA naar de IVA hoger liggen dan zonder voorschotten.

Tabel 38 Kerncijfers IVA, WGA en WAO
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

IVA, WGA en WAO

       

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

568

577

590

607

620

602

18

 

waarvan IVA

146

157

170

182

189

189

0

 

waarvan WGA

227

240

253

273

294

275

19

 

waarvan WAO

194

180

167

152

137

138

‒ 1

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

7,4

7,7

7,6

7,6

7,7

7,7

0

        

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

56

55

60

69

71

60

11

 

waarvan IVA

12

11

12

13

12

12

0

 

waarvan WGA

44

44

48

56

59

48

11

 

waarvan WAO

0,7

0,6

0,5

0,4

0,4

0,4

0,0

Instroomkans (%)

0,7

0,7

0,8

0,9

0,9

0,7

0,2

        

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

53

46

49

53

59

57

2

 

waarvan IVA

14

13

13

15

18

18

0

 

waarvan WGA

18

18

22

23

25

24

1

 

waarvan WAO

21

15

14

15

16

15

1

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

12

14

14

15

14

14

0

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

8,6

7,4

7,6

8,0

8,7

7,7

1,0

        

WGA

       

Aandeel werkend WGA (%, ultimo)

20

21

20

20

19

1

Aandeel werkende WGA'ers met resterende verdiencapaciteit (%, ultimo)

49

51

50

50

50

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

1

Dit aandeel wordt niet geraamd.

Handhaving

Het aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen, waarschuwingen, boetes, het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling en het totale benadelingsbedrag zijn vrijwel gelijk gebleven vergeleken met vorig jaar.

Tabel 39 Kerncijfers IVA, WGA, WAO en WAZ (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie12

Gepercipieerde detectiekans (%)

56

60

61

55

58

Kennis van de verplichtingen (%)

93

93

92

93

92

Opsporing3

Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

3,4

1,8

1,6

1,0

1,1

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

0,5

0,3

0,2

0,2

0,2

Totaal benadelingsbedrag

5,1

3,9

3,3

3,4

3,6

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,9

0,6

0,7

0,3

0,3

Aantal boetes (x 1.000)

0,4

0,2

0,2

0,1

0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,5

0,3

0,3

0,1

0,2

  

Ontstaansjaar vordering

  

2021

2022

2023

2024

2025

Terugvordering3

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

68

58

41

27

11

1

Bron: I&O Research, Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans.

2

Kerncijfers preventie hebben alleen betrekking op WGA en WAO. De IVA is bij het onderzoek «Kennis der verplichtingen en detectiekans» buiten beschouwing gebleven.

3

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAZ zijn circa € 2 miljoen hoger dan begroot. Dit wordt veroorzaakt door indexatie van de uitkeringsbedragen (circa € 4 miljoen). Dit is een herschikking met de bijbehorende post onder nominaal. Het resterende verschil van - € 2 miljoen wordt veroorzaakt door een lager aantal uitkeringsjaren dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal WAZ-uitkeringen komt vrijwel hetzelfde uit als verwacht. Het aantal uitkeringsjaren valt echter lager uit. Dat betekent dat de gemiddelde duur van de uitkeringen in 2025 lager uit is gevallen.

Tabel 40 Kerncijfers WAZ
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Bestand in aantal uitkeringen (x 1.000, ultimo)

7,3

6,5

5,8

5,1

4,4

4,4

0

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

Sociale lasten

Vanaf 2025 zijn voor een aantal uitkeringsregelingen de over deze uitkeringen betaalde werkgeverspremies toegevoegd aan de SZW-begroting. Deze wijziging heeft een technisch karakter. Het CBS classificeert werkgeverspremies die betaald worden over uitkeringen voortaan als overheidsuitgaven.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Uitvoering individuele plaatsing & steun

Voor inzet van re-integratiemethode Individuele Plaatsing & Steun zijn niet alle middelen uitgeput. Dit komt voort uit de onbenutting van trajecten in eerdere jaren die meerjarig budgettair effect kennen.

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

Op artikel 3 staat het premiegefinancierde budget voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW. UWV zet deze middelen in om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. UWV koopt hiermee trajecten en diensten in gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt UWV uit dit budget voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoer) in voor het ondersteunen van werkenden met een structurele functionele beperking.

UWV beschikt over één taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt jaarlijks aan UWV beschikbaar gesteld en door UWV verantwoord via de reguliere rapportages. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget Wajong wordt verantwoord in beleidsartikel 4. Het premiegefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget voor WW'ers met een kwetsbare arbeidsmarktpositie wordt verantwoord in beleidsartikel 5.

Een deel van het begrotingsgefinancierde budget is bedoeld voor de subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling).

De realisatie van het premiegefinancierde re-integratiebudget is op basis van de realisatiegegevens van UWV circa € 11,3 miljoen hoger dan begroot. Dit komt enerzijds door loon-en prijsbijstellingen en anderzijds door een herschikking van artikel 4 (re-integratiebudget Wajong) naar artikel 3 (re-integratiebudget AG) naar aanleiding van ramingen van UWV met Najaarsnota 2025.

Tabel 41 Extracomptabel overzicht totaal re-integratiebudget (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

WIA/WAO/WAZ/ZW/WW 35- (premiegefinancierd, artikel 3)

100.001

101.149

111.673

129.714

147.035

135.715

11.320

Wajong (begrotingsgefinancierd, artikel 4)

67.100

77.463

74.939

86.800

80.200

88.095

‒ 7.895

 

waarvan re-integratiebudget Wajong

54.100

64.172

61.648

69.712

66.424

73.395

‒ 6.971

 

waarvan ESB

13.000

13.291

13.291

17.088

13.776

14.700

‒ 924

WW (premiegefinancierd, artikel 5)1

1.373

0

1.373

Totaal beschikbaar budget voor inkoop

154.101

165.321

173.3212

199.4263

214.832

209.110

5.722

1

Sinds 2025 beschikt UWV over re-integratiebudget voor WW’ers met een kwetsbare arbeidsmarktpositie.

2

In 2023 sluit het beschikbare budget niet een op een aan op de uitgaven aan re-integratie door UWV. Dit wordt verklaard doordat UWV in 2023 ESF-gelden heeft ontvangen voor oude projecten (€ 9,3 miljoen).

3

In 2024 sluit het beschikbare budget niet een op een aan op de uitgaven aan re-integratie door UWV. Dit wordt verklaard doordat UWV in 2024 ESF-gelden heeft ontvangen voor oude projecten (€ 1,9 miljoen).

5.4 Artikel 4 Jonggehandicapten

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) bestaat met ingang van 2021 uit twee groepen jonggehandicapten: personen met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie en personen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

De groep met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bestaat uit jonggehandicapten die zijn ingestroomd vanuit de «oude Wajong» (tot 2010) en de «Wajong2010» (2010 tot 2015). Voor deze groep staat arbeidsparticipatie centraal. De overheid zet in op het vergroten van de arbeidsparticipatie van deze groep via arbeidsondersteuning. Daarnaast zet de overheid in op inkomensondersteuning, waarbij (meer) gaan werken moet lonen. Sinds 2015 is er geen nieuwe instroom meer van jonggehandicapten met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in de Wajong. Deze groep komt nu doorgaans in aanmerking voor de Participatiewet.

De tweede groep heeft duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Deze groep bestaat uit mensen die vanuit de «oude Wajong», «Wajong2010» en de «Wajong2015» (sinds 2015) zijn ingestroomd. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening. Zij hebben geen recht op arbeidsondersteuning.

Als het totale inkomen van een persoon met een Wajong-uitkering en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV en een subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV.

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het jonggehandicaptenbeleid te realiseren, zoals bijvoorbeeld de jonggehandicaptenkorting, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

De periodieke rapportage jonggehandicapten heeft vertraging ondervonden en zal nu naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 naar de Tweede Kamer worden gezonden. In de periodieke rapportage wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid van de Wajong onderzocht en wordt gelijktijdig invulling gegeven aan de wetsevaluatie van de Wet vereenvoudiging Wajong.

Daarnaast heeft de Tweede Kamer in 2025 de synthesestudie naar de Wajong dienstverlening 2017-2022 ontvangen (Kamerstukken II 2025/26, 34 352, nr. 346). UWV heeft stappen gezet in de doorontwikkeling van de activerende dienstverlening aan mensen in de Wajong. Het bereik van de doelgroep is toegenomen en het instrumentarium verder uitgebreid. De dienstverlening wordt positief gewaardeerd door cliënten en professionals. De arbeidsparticipatie van mensen met arbeidsvermogen in de Wajong lijkt te stabiliseren. Circa 56% van hen is aan het werk in een dienstbetrekking of als zelfstandige. Mensen in de Wajong hebben nog vaak te maken met baanverlies en wisselingen tussen banen. Inzet op baanbehoud en snel inzetten op werkhervatting bij verlies van een baan door UWV blijft daarom nodig. Het wordt daarnaast steeds lastiger om de groep die niet nog aan het werk is te activeren. Specifiek voor de groep die reeds langer dan 3 jaar niet heeft gewerkt en waarbij de afstand tot de arbeidsmarkt groot is, werkt UWV in 2026 aan de (door)ontwikkeling van (nieuwe) instrumenten.

Tabel 42 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 4 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

3.567.679

3.717.894

4.139.039

4.465.500

4.725.900

4.560.508

165.392

         
 

Uitgaven

3.567.679

3.717.894

4.139.039

4.465.500

4.725.900

4.560.508

165.392

         

4.0

Jonggehandicapten

3.567.679

3.717.894

4.139.039

4.465.500

4.725.900

4.560.508

165.392

 

Inkomensoverdrachten

3.500.579

3.640.394

4.064.100

4.378.700

4.645.700

4.472.413

173.287

 

Wajong

3.500.579

3.640.394

4.064.100

4.378.700

4.645.700

4.472.413

173.287

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

67.100

77.500

74.939

86.800

80.200

88.095

‒ 7.895

 

Re-integratie Wajong

67.100

77.500

74.939

86.800

80.200

88.095

‒ 7.895

         
 

Ontvangsten

28.494

4.901

41.861

4.619

23.390

0

23.390

         
Tabel 43 Uitsplitsing ontvangsten artikel 4 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

28.494

4.901

41.861

4.619

23.390

0

23.390

         

4.0

Jonggehandicapten

28.494

4.901

41.861

4.619

23.390

0

23.390

 

Ontvangsten

28.494

4.901

41.861

4.619

23.390

0

23.390

 

Restituties

28.494

4.901

41.861

4.619

23.390

0

23.390

Inkomensoverdrachten

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. Sinds 2015 is de Wajong alleen nog voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. De Wajong wordt uitgevoerd door UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten Wajong zijn € 173,3 miljoen hoger dan begroot. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door indexatie van de uitkeringsbedragen (circa € 244,7 miljoen). Het resterende verschil (- € 67 miljoen) kan worden verklaard door een neerwaartse bijstelling van de gemiddelde jaaruitkering door relatief meer werkende mensen met een Wajong-uitkering met arbeidsvermogen.

Beleidsrelevante kerncijfers.

Het aantal Wajonguitkeringen en het aantal oude wajongregelingen vallen iets hoger uit dan bij de begroting 2025 is geraamd. Daarnaast is er minder instroom op de Wajong2015 dan verwacht, onder andere door een lager aantal personen die zich bij UWV hebben gemeld naar aanleiding van de 10-jaarregel in 2025.

Tabel 44 Kerncijfers Wajong
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)

2431

2441

2452

2472

2482

247

1

 

waarvan oude Wajongregelingen1

223

219

215

212

208

207

1

  

waarvan met arbeidsvermogen (%)1

49

49

49

49

49

48

1

 

waarvan Wajong20151

21

25

30

35

40

41

‒ 1

        

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)2

6,23

6,4

6,8

7,0

7,0

8,0

‒ 1,0

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)2

5,74

5,5

5,6

5,6

5,7

7,1

‒ 1,4

        

Aandeel Wajongers met arbeidsvermogen dat werkt (%)2

54

55

56

56

56

55

1

1

Bron: SZW berekening op basis van UWV, kwantitatieve informatie.

2

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

3

Interne verschuivingen tussen de drie Wajong regelingen tellen vanaf 2021 niet meer mee als nieuwe toekenning; alleen nieuwe instroom in de Wajong telt vanaf 2021 mee.

4

Interne verschuivingen tussen de drie Wajong regelingen tellen vanaf 2021 niet meer mee; alleen nieuwe uitstroom uit de Wajong telt vanaf 2021 mee.

Handhaving

Alle cijfers zijn vrijwel gelijk gebleven ten opzichte van vorig jaar.

Tabel 45 Kerncijfers Wajong (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

55

56

58

62

61

Kennis van de verplichtingen (%)

88

89

89

88

88

Opsporing2

Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

0,5

0,4

0,4

0,3

0,3

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

1,8

1,1

1,3

0,8

0,8

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

Aantal boetes (x 1.000)

0,1

0,1

0,1

<0,1

<0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,2

0,1

0,1

<0,1

<0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2021

2022

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

42

39

12

23

3

1

Bron: I&O Research, Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans.

2

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie.

UWV beschikt over één taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ, ZW en WW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW en wordt verantwoord in artikel 3. In tabel 41 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong.

Budgettaire ontwikkelingen

De realisatie van het begrotingsgefinancierde re-integratiebudget is € 7,9 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Deze middelen zijn incidenteel naar beneden bijgesteld op basis van realisaties van UWV ten tijde van de 2e suppletoire begroting. Daarnaast heeft er een budget neutrale boeking plaatsgevonden naar het re-integratiebudget op artikel 3.

Ontvangsten

Vanwege de eindafrekening van het re-integratiebudget UWV 2024 zijn er terugontvangsten. UWV ontvangt middelen vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF) voor re-integratiedienstverlening. Deze middelen zijn meegenomen in de eindafrekening 2024 en zorgen voor een terugontvangst in 2025.

5.5 Artikel 5 Werkloosheid

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomstenverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Werklozen die bij instroom in de WW ouder zijn dan 60 jaar en 4 maanden, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW).

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het werkloosheidsbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur

Met hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur wil het kabinet de arbeidsmarktdienstverlening structureel verbeteren. Met de hervorming wordt gebouwd aan eenduidige en toegankelijke dienstverlening die de bestaanszekerheid van mensen vergroot en tegelijk bijdraagt aan het verminderen van de krapte op de arbeidsmarkt. Zo wordt er met structurele financiering ingezet op het beter toegankelijk maken van de dienstverlening door de vorming van 35 Werkcentra in de arbeidsmarktregio’s. Met tijdelijke financiering wordt een impuls gegeven aan het gezamenlijk organiseren en versterken van arbeidsmarktdienstverlening. Er wordt toegewerkt naar het vastleggen van de maatregelen door aanpassing van SUWI wet- en regelgeving, met 1 januari 2027 als beoogde inwerkingtreding. In 2025 is in een groot aantal regio’s een Werkcentrum geopend, de overige Werkcentra zijn begin 2026 geopend.

Verkorting maximale duur WW-uitkering naar 18 maanden

Bij de Voorjaarsnota 2025 is besloten om de WW-maatregel uit het hoofdlijnenakkoord in te vullen met een verkorting van de maximale duur van de WW-uitkering van 24 naar 18 maanden. Omdat de WW-uitkering voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten in de loongerelateerde WGA-uitkering van de WIA is geïncorporeerd, wordt met dit voorstel tevens de maximale duur van de loongerelateerde WGA-uitkering verkort van 24 naar 18 maanden. In 2025 is gestart met het wetgevingstraject om dit beleidsvoornemen te realiseren. In het Coalitieakkoord «Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland» zijn aanvullende maatregelen op de WW-uitkering aangekondigd.

Dienstverlening aan huis voor pgb-houders

In 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat pgb-dienstverleners die doorgaans op minder dan vier dagen per week werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst verplicht verzekerd zijn voor de WW en overige werknemersverzekeringen (zie ook Kamerstukken II 2022/23, 26 448, nr. 717). De uitspraak heeft veel gevolgen voor zowel de wet- en regelgeving als voor de uitvoering. Met de ministeries van Financiën, VWS, en diverse stakeholders, waaronder de betrokken uitvoeringsinstanties SVB, Belastingdienst en UWV, is een wetsvoorstel voorbereid waarmee de wet- en regelgeving in lijn wordt gebracht met de uitspraak. Het wetsvoorstel is in februari 2026 aangenomen door de Tweede Kamer. Als het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer wordt aangenomen dan zal het grootste deel van het wetsvoorstel ingaan met terugwerkende kracht per 1 januari 2026. Enkele onderdelen, waaronder de onderdelen die betrekking hebben op het ontslagrecht en de Wet flexibel werken, kunnen later, op een bij Koninklijk Besluit te bepalen datum, in werking treden.

Voorbereiding werkloosheidsvoorziening BES

Caribisch Nederland kent geen voorziening die vergelijkbaar is met de WW. Het invoeren van een werkloosheidsregeling wordt wel beoogd. In 2025 is gewerkt aan de voorbereidingen voor een op de situatie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba toegespitste tijdelijke werkloosheidsvoorziening. De concept-regeling voor de tijdelijke werkloosheidsvoorziening is begin 2026 voor consultatie aan de betrokken partijen in Caribisch Nederland voorgelegd.

Tabel 46 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 5 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

174.212

155.470

177.990

164.386

120.186

177.697

‒ 57.511

         
 

Uitgaven

163.923

162.714

179.081

164.913

119.649

177.697

‒ 58.048

         

5.0

Werkloosheid

163.923

162.714

179.081

164.913

119.649

177.697

‒ 58.048

 

Inkomensoverdrachten

115.717

102.091

110.641

109.000

101.357

89.266

12.091

 

Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

115.352

102.000

110.600

109.000

100.971

89.261

11.710

 

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

294

46

1

0

386

5

381

 

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Westhaven

71

45

40

0

0

0

0

 

Subsidies (regelingen)

7.319

6.548

7.840

8.096

6.201

8.281

‒ 2.080

 

Overige subsidies algemeen

754

561

505

650

75

0

75

 

Coördinatie arbeidsmarktdienstverlening

6.565

5.542

5.823

6.274

2.176

4.281

‒ 2.105

 

Werkgeverssubsidie praktijkleren

0

445

1.512

1.172

3.950

4.000

‒ 50

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

40.582

53.851

59.765

47.371

11.692

79.650

‒ 67.958

 

Scholing WW

21.122

11.900

0

0

0

0

0

 

Arbeidsmarktdienstverlening

19.460

41.951

59.765

47.371

11.692

79.650

‒ 67.958

 

Bijdrage aan agentschappen

305

224

835

446

399

500

‒ 101

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

305

224

835

446

399

500

‒ 101

         
 

Ontvangsten

1

10.703

4.798

8.918

3.476

0

3.476

         
Tabel 47 Uitsplitsing begrotingsgefinancierde ontvangsten artikel 5 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

1

10.703

4.798

8.918

3.476

0

3.476

         

5.0

Werkloosheid

1

10.703

4.798

8.918

3.476

0

3.476

 

Ontvangsten

1

10.703

4.798

8.918

3.476

0

3.476

 

Restituties

1

10.703

4.798

8.918

3.476

0

3.476

Tabel 48 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 5 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

3.786.240

2.703.835

3.050.795

3.602.317

4.926.820

4.188.983

737.837

         
 

Uitgaven

3.786.240

2.703.835

3.050.795

3.602.317

4.926.820

4.188.983

737.837

         

5.0

Werkloosheid

3.786.240

2.703.835

3.050.795

3.602.317

4.926.820

4.188.983

737.837

 

Inkomensoverdrachten

3.786.240

2.703.835

3.038.568

3.587.640

4.912.585

4.174.325

738.260

 

WW

3.786.240

2.703.835

3.038.568

3.587.640

4.187.683

3.975.823

211.860

 

WW nominaal

0

0

0

0

0

198.502

‒ 198.502

 

sociale lasten

0

0

0

0

724.902

0

724.902

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

12.227

14.677

14.235

14.658

‒ 423

 

Re-integratie WW

0

0

0

0

1.373

0

1.373

 

Scholing WW

0

0

12.227

14.677

12.862

14.277

‒ 1.415

 

Scholing WW nominaal

0

0

0

0

0

381

‒ 381

         
 

Ontvangsten

189.830

164.000

174.000

209.000

264.000

245.359

18.641

         
Tabel 49 Uitsplitsing premiegefinancierde ontvangsten artikel 5 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

189.830

164.000

174.000

209.000

264.000

245.359

18.641

         

5.0

Werkloosheid

189.830

164.000

174.000

209.000

264.000

245.359

18.641

 

Ontvangsten

189.830

164.000

174.000

209.000

264.000

245.359

18.641

 

Ufo

189.830

164.000

174.000

209.000

264.000

233.552

30.448

 

Ufo nominaal

0

0

0

0

0

11.807

‒ 11.807

Inkomensoverdrachten
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsgeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW.

De IOW is een tijdelijke regeling. Oudere WW’ers en WGA’ers kunnen in aanmerking komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2028 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. De IOW wordt uitgevoerd door UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De IOW-uitgaven zijn in 2025 ongeveer € 11,7 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit wordt deels verklaard door de reguliere indexatie van de uitkeringsbedragen (€ 5,3 miljoen). Naast de reguliere indexatie van uitkeringsbedragen is de hoogte van de gemiddelde IOW-jaaruitkering hoger uitgevallen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal IOW-uitkeringsjaren is in de realisaties iets lager uitgevallen als bij de begroting werd verwacht. Dit komt doordat het aantal beëindigde uitkeringen (uitstroom) hoger was dan bij de begroting verwacht.

Tabel 50 Kerncijfers IOW
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

8,0

7,3

7,4

6,8

5,7

6,1

‒ 0,4

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die werkzaam zijn in de private sector ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt SZW deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan uitkeringen op grond van de Cessantiawet zijn in 2025 € 0,4 miljoen hoger dan begroot. Dit komt door het faillissement van een relatief groot bedrijf. Vanwege de aard van de uitkering zijn deze uitgaven moeilijk voorspelbaar.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 51 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

0

<0,1

<0,1

0,0

Bron: RCN-unit SZW.

Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. Het recht op een WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur is afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. Voor gewerkte jaren vóór 2016 geldt een overgangsrecht. De WW wordt uitgevoerd door UWV. Hoofdstuk 11, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de WW.

Budgettaire ontwikkelingen

De WW-uitgaven komen ongeveer € 212 miljoen hoger uit dan begroot. Dat verschil volgt vrijwel volledig uit de reguliere indexatie van de uitkeringsbedragen (€ 199 miljoen, de post nominaal in tabel 48).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 52 geeft weer dat het aantal WW-uitkeringen iets lager is uitgevallen dan bij de begroting werd verwacht. De gemiddelde hoogte van de uitkering nam daarentegen iets toe.

Uit tabel 53 valt op te maken dat het aandeel uitstroom gerelateerd aan werk in 2025 iets is gedaald ten opzichte van 2024. Dit kan naar verwachting worden verklaard door de licht afnemende krapte op de arbeidsmarkt.

Tabel 52 Kerncijfers WW
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

196

133

127

141

154

160

‒ 6

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

192

149

161

175

191

206

‒ 15

Aantal WW-instromers (x 1.000)

292

229

249

271

290

294

‒ 4

 

waarvan nieuwe uitkeringen (x 1.000)

262

205

226

249

269

1

 

waarvan herleefde uitkeringen (x 1.000)2

30

24

23

23

21

1

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

386

272

237

257

274

270

4

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

1

Dit getal wordt niet geraamd.

2

Wie na afloop van een WW-uitkering binnen 26 weken weer werkloos wordt, kan de oude WW-uitkering weer terugkrijgen. Dit wordt «herleving» genoemd.

Tabel 53 Kerncijfers uitstroom uit de WW gerelateerd aan werk
 

Realisatie 20211

Realisatie 20222

Realisatie 20232

Realisatie 20242

Realisatie 20252

Aandeel uitstroom gerelateerd aan werk binnen 12 maanden na instroom3

49

46

45

43

42

 

waarvan leeftijd bij instroom jonger dan 55 jaar

51

50

48

45

42

 

waarvan leeftijd bij instroom 55 jaar en ouder

36

33

33

35

39

Aandeel uitstroom gerelateerd aan werk binnen 3 maanden na instroom

23

24

24

23

21

1

Bron: UWV, administratie.

2

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

3

Het aandeel uitstroom wordt berekend door alle werkgerelateerde uitstroom te delen door de totale uitstroom. Dit gaat dus over alle WW-gerechtigden die in het betreffende verslagjaar zijn uitgestroomd, deze mensen kunnen in een eerder jaar zijn ingestroomd. Deze cijfers onderschatten de daadwerkelijke werkhervatting vanwege een vertragingseffect in de registratie en vanwege het ontbreken van gedeeltelijke werkhervatting.

Handhaving

Ook in 2025 is de kennis over de verplichtingen onder WW-uitkeringsgerechtigden nog steeds hoog. Daarnaast is er een lichte stijging in het aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen, het totaal benadelingsbedrag, het aantal waarschuwingen, boetes en het totaal boetebedrag.

Tabel 54 Kerncijfers WW (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

79

70

71

73

70

Kennis van de verplichtingen (%)

93

93

93

93

92

Opsporing2

Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

4,5

3,6

3,0

1,7

2,0

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

0,8

1,0

0,5

0,3

0,3

Totaal benadelingsbedrag (x 1 mln)

3,7

4,4

3,6

2,0

2,2

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

1,6

1,9

1,6

1,1

1,4

Aantal boetes (x 1.000)

0,7

0,8

0,4

0,2

0,3

Totaal boetebedrag ( x 1 mln)

1

1,2

0,7

0,4

0,5

  

Ontstaansjaar vordering

  

2021

2022

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

64

67

37

33

12

1

Bron: I&O Research, Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans.

2

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Sociale lasten

Vanaf 2025 zijn voor een aantal uitkeringsregelingen de over deze uitkeringen betaalde werkgeverspremies toegevoegd aan de SZW-begroting. Deze wijziging heeft een technisch karakter. Het CBS classificeert werkgeverspremies die betaald worden over uitkeringen voortaan als overheidsuitgaven.

Subsidies

Overige subsidies algemeen

De realisatie is € 75.000 hoger uitgevallen dan begroot. Dat komt door een noodzakelijke eindejaarsmargeschuif voor de Seniorenkansenvisie.

Coördinatie arbeidsmarktdienstverlening

De uitgaven aan de subsidie voor de coördinatie van arbeidsmarktdienstverlening zijn € 2,1 miljoen lager uitgevallen dan de € 4,3 miljoen die aanvankelijk was begroot. Deze subsidie is voor werkzaamheden die worden uitgevoerd door sociale partners. Doordat deze werkzaamheden later zijn gestart, is een deel van deze middelen niet benut.

Werkgeverssubsidie praktijkleren

De uitgaven voor de werkgeverssubsidie praktijkleren zijn in 2025 ongeveer € 4,0 miljoen. Er is voor een groter bedrag (€ 4,7 miljoen) aan aanvragen gedaan dan beschikbaar budget. Daarom is het bedrag per aanvraag naar beneden bijgesteld van € 2.700 naar € 2.241 per praktijkleerplaats.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Arbeidsmarktdienstverlening

De uitgaven op artikel 5 voor arbeidsmarktdienstverlening zijn € 68,0 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Dat komt doordat de middelen deels zijn overgeboekt naar het gemeentefonds en deels naar andere plekken op de begroting, zoals artikel 2. Een verantwoording over een deel van de middelen vindt daar plaats.

Re-integratie WW

In 2025 is het budget voor re-integratie WW beschikbaar gesteld. De uitgaven uit dit budget bedroegen € 1,4 miljoen.

Scholing WW

In 2025 was een budget van € 14,3 miljoen beschikbaar. De totale uitgaven voor dit budget waren € 12,9 miljoen.

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft € 0,4 miljoen ontvangen voor de uitvoering van de Subsidieregeling praktijkleren. De uitvoeringskosten zijn € 100.000 lager dan verwacht.

Ontvangsten

Restituties

Er waren oorspronkelijk geen ontvangsten begroot. De ontvangsten zijn € 3,5 miljoen hoger uitgevallen. Van de € 3,5 miljoen ontvangsten betreft € 1,3 miljoen een terugontvangst op de coördinatie van crisisdienstverlening en € 2,2 miljoen een terugontvangst op arbeidsmarktdienstverlening van UWV.

Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo)

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. UWV verhaalt de uitkeringslasten op overheidswerkgevers. Deze lasten staan als ontvangsten op dit artikel en zijn in 2025 € 30,4 miljoen hoger uitgevallen dan bij de begroting werd verwacht. De reguliere indexatie van de uitkeringsbedragen verklaart een deel van het verschil (€ 11,8 miljoen, de post nominaal in tabel 49). Het overige verschil komt doordat het aantal werknemers dat werkloos is geworden bij overheidswerkgevers en het bijbehorende verhaal daarop hoger is uitgevallen dan bij de begroting verwacht.

5.6 Artikel 6 Ziekte en verlofregelingen

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. Tevens beschermt de overheid werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap en bevalling en komt tegemoet bij verlofopname wegens geboorte, adoptie of bij opname van een pleegkind en ook voor de verzorging en opvoeding van een kind. Ook biedt de overheid een eenmalig financiële tegemoetkoming aan (voormalig) werkenden die ziek zijn geworden door gevaarlijke stoffen op het werk.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze (gewezen) werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering. Ook andere verlofvormen geven recht op een uitkering, namelijk: adoptie- en pleegzorgverlof, aanvullend geboorteverlof en ouderschapsverlof voor maximaal 9 weken indien deze weken in het eerste jaar na de geboorte of in het eerste jaar na de opname in het gezin in verband met adoptie of pleegzorg van het kind worden opgenomen.

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

Slachtoffers van stoffengerelateerde beroepsziekten kunnen gebruikmaken van de regeling Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten (TSB). Deze regeling houdt in dat mensen die ernstig ziek zijn geworden doordat zij op het werk blootgesteld zijn (geweest) aan gevaarlijke stoffen, van de overheid eenmalig recht hebben op een financiële tegemoetkoming. Het doel van deze regeling is om slachtoffers een kortere en snellere route te bieden naar erkenning van hun beroepsziekte. De regeling loopt sinds 1 januari 2023, waarbij is gestart met drie ziekten. Het gaat om longkanker door asbest, allergisch beroepsastma en schildersziekte (CSE). Het aantal ziekten binnen de regeling groeit.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV en de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Regeling Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten

Sinds 1 januari 2023 kunnen slachtoffers van ernstige beroepsziekten gebruikmaken van de regeling Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten (TSB). Het doel van deze regeling is om slachtoffers een snellere route te bieden naar erkenning van hun beroepsziekte. In het eerste jaar werd duidelijk dat het aantal aanvragen en het toekenningspercentage lager waren dan verwacht. Om hier verandering in aan te brengen, is een verbeterplan opgesteld dat in de loop van 2024 en 2025 is uitgevoerd. Er is een strategisch communicatieplan opgesteld om meer kansrijke aanvragers te bereiken. Daarnaast zijn de protocollen voor de beoordeling van de aanvragen bijgesteld om de kans op een toekenning te verhogen en is de uitvoering verbeterd.

De regeling is per 1 juli 2025 uitgebreid met drie ziekten: longkanker door silica, silicose en neuskanker door houtstof. Per diezelfde datum zijn de bestaande protocollen bijgesteld. De eerste effecten zijn positief. Het aantal aanvragen is sterk toegenomen in de tweede helft van 2025. Het gemiddelde lag in het laatste kwartaal op iets meer dan 50 aanvragen per maand. In 2024 was dat gemiddeld 13 per maand. De komende jaren wordt er doorlopend gewerkt aan verdere verbeteringen en wordt de regeling gestaag uitgebreid met nieuwe beroepsziekten (Kamerstukken II 2025/26, 25 883, nr. 542).

Intensivering Ziektewetdienstverlening

Voor de mensen die door UWV worden begeleid in de Ziektewet, heeft UWV in 2025 zijn inspanningen versterkt. UWV start de dienstverlening met een fysiek voorlichtingsgesprek waarbij er aandacht is voor het Ziektewetproces en de ontwikkeling van het inkomen tijdens ziekte. Het doel van deze intensivering is herstel en re-integratie te bevorderen om te voorkomen dat instroom in de Ziektewet, ook instroom in de WIA betekent. De eerste resultaten laten zien dat door de intensivering meer uitkeringsgerechtigden een plan van aanpak van UWV hebben gekregen en er meer herstelafspraken met re-integratiebegeleiders worden gemaakt.

Herstelacties

UWV werkt aan de verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening. In dat kader is UWV in 2025 gestart met onderzoeken van het domein Ziektewet (ZW) en Wet arbeid en zorg (Wazo). Op die manier is inzicht verkregen in zaken die wel en niet goed gaan. Dit heeft geleid tot de herstelactie systeemfout TW-ZW (Stand van de uitvoering sociale zekerheid juni 2025, Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 845), herstelactie inkomstenkorting ZW/Wazo (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 850), herstelactie leeftijdsherziening ZW en herstelactie dagloonfout bij aanvulling op ZW en Wazo. Deze herstelacties lopen naast de hersteloperatie WIA-daglonen, waarbij uitdrukkelijk naar samenloop wordt gekeken.

Wet arbeid en zorg (Wazo)

In maart 2025 is de Kamer met de brief Combinatie Arbeid en Zorg geïnformeerd over dit thema en is het onderzoek naar de situatie van gezinnen in Nederland aan de Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 524). Uit het gezinsonderzoek blijkt dat het over het algemeen goed gaat met gezinnen in Nederland, denk hierbij aan opvoeding, de combinatie van werk en zorgverantwoordelijkheden binnen het gezin en levenstevredenheid. Tegelijkertijd concludeert het onderzoeksrapport dat er nog steeds ruimte is voor verbetering, zo hebben sommige gezinnen het gevoel vast te zitten in bijvoorbeeld hun huidige woonsituatie en blijft ongelijkheid tussen gezinnen én binnen gezinnen, bijvoorbeeld in de verdeling van zorgtaken, een aandachtspunt. Met deze brief zijn verschillende moties en toezeggingen met betrekking tot gezinsbeleid en verlof afgedaan. Het betreft onder andere motie Palland/Ceder (Kamerstukken II 2021/22, 35 925 XV, nr. 59) en motie Stoffer c.s. (Kamerstukken II 2022/23, 36 200 XV, nr. 65) die verzochten om een integraal onderzoek naar de situatie van gezinnen in Nederland, en de toezegging aan het lid Flach om met Duitse collega’s te spreken over het concept ‘familiezorg’ (vergelijkbaar met zorgverlof) (Handelingen II 2024/25, nr. 32, item 3, p. 2).

In 2025 is verder gewerkt aan de vereenvoudiging van het verlofstelsel uit de Wazo. In september 2025 is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van het vereenvoudigingstraject (Kamerstukken II 2024/25, 32 855, nr. 41). In deze brief Voortgang vereenvoudiging verlofstelsel staat dat wordt gewerkt aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Het verlofstelsel krijgt daarmee een nieuwe indeling in drie pijlers: verlof voor ouders, verlof voor zorg en persoonlijk verlof. Dit is in lijn met het in december 2023 gepubliceerde SER-advies Balans in maatschappelijk verlof. Ook worden in de brief een aantal van de belangrijkste voorgenomen vereenvoudigingsmaatregelen, zoals het samenvoegen van het kort- en langdurend zorgverlof, uitgelicht.

Tabel 55 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 6 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

14.105

15.277

44.003

21.196

24.090

34.780

‒ 10.690

         
 

Uitgaven

14.105

15.277

44.003

21.196

24.090

34.780

‒ 10.690

         

6.0

Ziekte en verlofregelingen

14.105

15.277

44.003

21.196

24.090

34.780

‒ 10.690

 

Inkomensoverdrachten

14.105

15.277

44.003

21.196

24.090

34.780

‒ 10.690

 

Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

6.198

6.548

6.952

7.581

6.266

6.890

‒ 624

 

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

4.958

8.129

8.677

9.415

12.198

5.753

6.445

 

Organo Psycho Syndroom (OPS)- fonds

2.949

600

274

0

26

55

‒ 29

 

Tegemoetkomingsregeling stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB)

0

0

28.100

4.200

5.600

22.082

‒ 16.482

         
 

Ontvangsten

0

1.081

291

27.983

3.330

0

3.330

         
Tabel 56 Uitsplitsing ontvangsten artikel 6 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

0

1.081

291

27.983

3.330

0

3.330

         

6.0

Ziekte en verlofregelingen

0

1.081

291

27.983

3.330

0

3.330

 

Ontvangsten

0

1.081

291

27.983

3.330

0

3.330

 

Restituties

0

1.081

291

27.983

3.330

0

3.330

Tabel 57 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 6 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

3.643.640

3.697.026

4.578.992

5.093.665

6.654.478

5.204.356

1.450.122

         
 

Uitgaven

3.643.640

3.697.026

4.578.992

5.093.665

6.654.478

5.204.356

1.450.122

         

6.0

Ziekte en verlofregelingen

3.643.640

3.697.026

4.578.992

5.093.665

6.654.478

5.204.356

1.450.122

 

Inkomensoverdrachten

3.643.640

3.697.026

4.578.992

5.093.665

6.654.478

5.204.356

1.450.122

 

ZW

1.978.911

1.953.070

2.181.731

2.422.364

2.699.570

2.319.738

379.832

 

WAZO

1.452.050

1.442.603

1.587.007

1.699.987

1.846.563

1.691.692

154.871

 

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

212.679

214.335

232.344

266.743

296.324

249.374

46.950

 

Wet Betaald ouderschapsverlof (WBO)

0

87.018

577.910

704.571

790.862

692.967

97.895

 

ZW nominaal

0

0

0

0

0

117.144

‒ 117.144

 

WAZO nominaal

0

0

0

0

0

85.854

‒ 85.854

 

WAZO aanvullend geboorteverlof partners nominaal

0

0

0

0

0

12.593

‒ 12.593

 

Wet Betaald ouderschapsverlof (WBO) nominaal

0

0

0

0

0

34.994

‒ 34.994

 

sociale lasten

0

0

0

0

1.021.159

0

1.021.159

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Inkomensoverdrachten
Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Werknemers die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van blootstelling aan asbest tijdens het werk, kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden. Dat gebeurt in de vorm van een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding van de werkgever. Als de (voormalige) werkgever het slachtoffer alsnog een schadevergoeding betaalt, wordt het voorschot hiermee verrekend. Indien de werknemer geen schadevergoeding ontvangt, wordt het voorschot omgezet in een tegemoetkoming. De TAS wordt uitgevoerd door het Instituut Asbestslachtoffers en de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor de TAS zijn in 2025 ongeveer € 0,6 miljoen lager uitgevallen dan oorspronkelijk begroot. Door de reguliere indexatie van uitkeringsbedragen is de hoogte van de tegemoetkoming gestegen, maar het aantal toekenningen was lager dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 58 Kerncijfers TAS
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,4

0,4

0,4

0,4

0,3

0,4

‒ 0,1

 

waarvan toekenning in verband met maligne mesothelioom

0,3

0,4

0,3

0,3

0,3

0,3

0,0

 

waarvan toekenning in verband met asbestose

<0,1

0,1

0,1

0,1

<0,1

0,1

<0,1

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,0

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

82

80

79

83

84

1

Bron: SVB, administratie.

1

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

Werknemers in de private sector van Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor de ziekteverzekering BES vallen € 6,4 miljoen hoger uit dan begroot. Het aantal ziektedagen fluctueert jaarlijks, waarbij er afgelopen jaar sprake was van een stijging van het aantal waargenomen dagen arbeidsongeschiktheid. Verder is een mogelijke verklaring een hogere gemiddelde uitkering als gevolg van de stijging van het minimumloon die ook doorwerkt naar hogere loonschalen. Daarnaast zijn de ZV-uitkeringen van de laatste maanden van 2024 pas begin 2025 geboekt in de SZW-administratie.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 59 Kerncijfers Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume Ziekteverzekering CN (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)

114

219

124

122

136

130

6

Bron: RCN-unit SZW.

Organo Psycho Syndroom (OPS)-fonds

De OPS-problematiek is het gevolg van blootstellingen aan vluchtige oplosmiddelen in het werk die hoger waren dan volgens de destijds geldende wettelijke voorschriften waren toegestaan. In maart 2020 is de tijdelijke CSE-regeling in werking getreden om OPS-slachtoffers een financiële tegemoetkoming toe te kennen. Bij de opzet van de regeling is zoveel mogelijk aangesloten bij regelingen voor asbestslachtoffers. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

De CSE-regeling liep tot eind 2023. Alleen lopende aanvragen worden nog afgehandeld. OPS-slachtoffers kunnen vanaf 2024 een aanvraag indienen via de TSB-regeling.

Budgettaire ontwikkelingen

Vanwege het geringe bedrag voor uitkeringen is voor de CSE-regeling besloten dat de uitkeringslasten enkel per nabetaling aan SVB worden betaald. In 2025 heeft een nabetaling plaatsgevonden voor één uitbetaling door de SVB in 2024. De verwachting bij de begroting was dat een nabetaling voor twee toekenningen nodig zou zijn.

Tegemoetkomingsregeling stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB)

De TSB maakt het mogelijk om (ex-)werkenden met een ernstige stoffengerelateerde beroepsziekte een financiële tegemoetkoming toe te kennen. De tegemoetkoming is geen schadevergoeding maar vormt een erkenning van het feit dat men door participatie aan het arbeidsproces ziek is geworden. Indien de (ex-)werkende naast de tegemoetkoming ook een schadevergoeding van de ex-werkgever/opdrachtgever ontvangt, of eerder heeft ontvangen, moet bij een gehonoreerde schadeclaim de tegemoetkoming worden terugbetaald tot het bedrag van de gehonoreerde schadeclaim. De TSB wordt uitgevoerd door de SVB, Bureau Lexces (RIVM) en het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke Stoffen (ISBG).

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor de TSB zijn in 2025 ongeveer € 16,5 miljoen lager uitgevallen dan begroot. SZW heeft in 2025 een voorschot van € 5,6 miljoen verstrekt aan de SVB. De uitkeringslasten bedroegen in 2025 ongeveer € 3,3 miljoen. Het restant van het voorschot wordt in 2026 terugontvangen van de SVB. Het verschil tussen de begrote en gerealiseerde uitgaven komt doordat de verwachting van het aantal toekenningen aanzienlijk hoger lag dan wat de realisaties laten zien.

Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben. Deze personen ontvangen ook ondersteuning bij re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever. Dit zijn werknemers die tijdelijk arbeidsongeschikt zijn als gevolg van zwangerschap of orgaandonatie en zieke werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat moet worden doorbetaald. De ZW wordt uitgevoerd door UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager voor de ZW te zijn.

Budgettaire ontwikkelingen

De ZW-uitkeringslasten zijn circa € 380 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit komt voornamelijk door een toename in het ZW volume, waarbij met name mensen met een aflopend dienstverband en zwangere mensen vaker een ZW-uitkering ontvangen. De ZW-uitkeringslasten zijn ook toegenomen vanwege indexatie van de gemiddelde uitkeringshoogte naar prijspeil 2025. Dit is een herschikking met de bijbehorende post onder nominaal.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 60 Kerncijfers ZW
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume ZW (x 1.000 uitkeringen, gemiddelde)

107

102

100

105

111

105

6

Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

346

394

312

324

344

1

Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

414

442

322

329

354

1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

1

In- en uitstroom worden niet geraamd.

Handhaving

De gepercipieerde detectiekans is toegenomen vergeleken met vorig jaar. Er is een lichte daling in het aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen. Het benadelingsbedrag is gestegen vergeleken met vorig jaar.

Tabel 61 Kerncijfers ZW (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

78

67

68

60

67

Kennis van de verplichtingen (%)

93

95

94

94

94

Opsporing2

Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

4,8

5,2

2,6

1,3

1,1

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

2,4

2,4

1,2

0,8

0,8

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

2,9

2,5

1,4

1,2

1,8

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

3,6

4,3

1,9

0,9

0,8

Aantal boetes (x 1.000)

0,3

0,2

0,1

<0,1

<0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,3

0,1

0,1

<0,1

<0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2021

2022

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

67

65

44

12

14

1

Bron: I&O Research, Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans.

2

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, (aanvullend) geboorteverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Vaak bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering: zwangerschaps- en bevallingsuitkering, adoptie- en pleegzorguitkering, geboorteverlofuitkering en ouderschapsverlofuitkering. Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor het zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn in 2025 ongeveer € 155 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit komt door een hogere gemiddelde uitkering in 2025 als gevolg van de indexatie naar prijspeil 2025 (+ € 88 miljoen). Dit is een herschikking met de bijbehorende post onder nominaal. De gemiddelde uitkering valt hoger uit dan geraamd (+ € 30 miljoen). Het aantal toekenningen kwam hoger uit dan ten tijde van de begroting werd ingeschat (+ € 30 miljoen), vanwege een hoger aantal geboortes dan destijds geraamd op basis van de CBS-geboorteprognose. Tot slot was er in 2025 een nabetaling aan UWV voor de ZEZ (€ 7 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 62 Kerncijfers WAZO
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Totaal aantal toekenningen zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000 uitkeringen)

153

144

145

147

147

141

6

Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)

140

132

132

134

135

128

7

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

13

12

13

13

12

13

‒ 1

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

Het aanvullend geboorteverlof duurt maximaal 5 weken. Het verlof dient binnen 6 maanden na de geboorte te worden opgenomen. Ook deze regeling wordt door UWV uitgevoerd.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor het aanvullend geboorteverlof zijn in 2025 ongeveer € 47 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit komt door een hogere gemiddelde uitkering in 2025 als gevolg van de indexatie naar prijspeil 2025 (+ € 14 miljoen). Dit is een herschikking met de bijbehorende post onder nominaal. De hoger uitgevallen uitkeringslasten zijn daarnaast voornamelijk het gevolg van een groter aantal toekenningen (+ € 38 miljoen). De gemiddelde uitkeringshoogte (gecorrigeerd voor indexatie) is iets lager uitgevallen dan geraamd (- € 5 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 63 Kerncijfers aanvullend geboorteverlof
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Totaal aantal toekenningen aanvullend geboorteverlof (x 1.000 uitkeringen)

81

76

76

84

88

76

12

Gemiddeld aantal opgenomen dagen

22

23

23

23

23

23

0

Bron: UWV, kwantitatieve informatie.

Wet betaald ouderschapsverlof (WBO)

Het betaald ouderschapsverlof duurt maximaal 9 weken. De uitkering wordt alleen verstrekt indien het verlof in het eerste levensjaar van het kind wordt opgenomen. Bij adoptie of pleegzorg kan het verlof worden opgenomen gedurende het eerste jaar na opname van het kind in het gezin.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor het betaald ouderschapsverlof zijn in 2025 ongeveer € 98 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit komt door een hogere gemiddelde uitkering in 2025 als gevolg van de indexatie naar prijspeil 2025 (+ € 36 miljoen). Dit is een herschikking met de bijbehorende post onder nominaal. De hoger uitgevallen uitkeringslasten zijn daarnaast voornamelijk het gevolg van een groter aantal toekenningen (+ € 69 miljoen). De gemiddelde uitkeringshoogte (gecorrigeerd voor indexatie) is iets lager uitgevallen dan geraamd (- € 7 miljoen).

Sociale lasten

Vanaf 2025 zijn voor een aantal uitkeringsregelingen de over deze uitkeringen betaalde werkgeverspremies toegevoegd aan de SZW-begroting. Deze wijziging heeft een technisch karakter. Het CBS classificeert werkgeverspremies die betaald worden over uitkeringen voortaan als overheidsuitgaven.

Ontvangsten

De ontvangsten op artikel 6 zijn € 3,3 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Het voorschot aan de SVB voor de TSB-uitkeringslasten in 2024 was € 3,3 miljoen hoger dan de gerealiseerde uitgaven. Na de definitieve afreking van de uitkeringslasten is dat bedrag in 2025 terugontvangen van de SVB.

5.7 Artikel 7 Kinderopvang

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede, veilige en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling. De kinderopvangtoeslag houdt formele kinderopvang betaalbaar voor ouders. Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier, in opdracht van gemeenten, toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten die de (informatie)positie van ouders versterken. Dit om te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen brengen die veilig en van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de (informatie)positie van ouders. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang;

  • het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • het verstrekken van middelen ten behoeve van de kinderopvang in Caribisch Nederland;

  • het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang.

De Dienst Toeslagen voert het stelsel van kinderopvangtoeslag uit in opdracht van het Ministerie van SZW. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT.

Verhoging toeslagpercentages

In 2025 heeft het kabinet de eerste stap gezet naar een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding voor kinderopvang voor alle werkende ouders. Dat heeft het kabinet gedaan door de toeslagpercentages te verhogen voor huishoudens met een verzamelinkomen tussen circa € 29.400 en € 159.200 (loonpeil 2025). Zij ontvingen een vergoedingspercentage in de eerste kindtabel dat maximaal 8,7 procentpunt hoger lag dan in 2024, waardoor kinderopvang beter betaalbaar werd. Deze maatregel droeg ook bij aan het vergroten van de toekenningszekerheid, omdat ongeveer 37.000 extra ouders in 2025 het maximale vergoedingspercentage van 96% ontvingen. Een kleine verandering in het inkomen leidt voor deze ouders niet meer tot een lagere kinderopvangtoeslag. Het kabinet heeft met deze eerste stap € 455 miljoen in de vergoedingspercentages voor de kinderopvangtoeslag geïnvesteerd.

Indexering maximum uurprijzen

Er zijn in 2025 een aantal verbeteringen in de kinderopvang bekostigd door de maximum uurprijzen met 4 cent minder te indexeren dan de reguliere jaarlijkse indexatie (4,83% in 2025). Het ging om:

  • Meerkosten voor toezicht en handhaving door wijzigingen in de kwaliteitseisen;

  • Een verhoging van het budget voor de regeling Sociaal Medische Indicatie (SMI);

  • Kinderopvangtoeslag voor beurspromovendi, voorzien vanaf 2027;

  • Kosten die volgden uit de Wet Kinderopvang BES.

Daarnaast is de maximum uurprijs voor gastouderopvang in 2025 met netto € 0,21 extra geïndexeerd. Er gelden vanaf 2026 verscherpte kwaliteitseisen waardoor sommige gastouders meer kosten maken. Het kabinet vindt dat deze kosten niet volledig voor de rekening van ouders moeten komen en heeft de maximum uurprijs voor gastouderopvang daarom met € 0,21 extra geïndexeerd.

Arbeidsmarkt

In 2025 heeft SZW samen met de sector diverse maatregelen genomen om de personeelstekorten in de kinderopvang te verminderen. In november 2025 is het vernieuwde Ontwikkelpad Kinderopvang verschenen (zie 4.1 Het beeld van 2025 – paragraaf 8). Daarnaast is de Subsidieregeling groepshulpen voor de tweede keer opengesteld. Groepshulpen helpen om de werkdruk te verlichten en om meer tijd en aandacht voor de kinderen te realiseren. Daarnaast kan deze functie een opstap zijn voor doorontwikkeling, waar mogelijk tot pedagogisch professional. Tot slot is in 2025 een ex-post evaluatieonderzoek ingezet naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de arbeidsmarktmaatregelen die SZW vanaf 2020 heeft genomen om de personeelstekorten in de kinderopvang te beperken en beheersbaar te houden, gegeven de bredere structurele arbeidsmarktkrapte. Het evaluatieonderzoek is uitgevoerd door Ipsos I&O en SEO Economisch Onderzoek. Uit de evaluatie blijkt dat de instroom van personeel is toegenomen, de deeltijdfactor is gegroeid en dat de arbeidsmarktkrapte stabiliseert. Hoewel de beleidsdoelen gedeeltelijk zijn bereikt, kan dit niet overtuigend worden toegeschreven aan het gevoerde beleid. Gezien het beperkte budget (in totaal ongeveer € 3 miljoen in de jaren 2020-2024) zijn grote effecten op de personeelstekorten op voorhand onwaarschijnlijk volgens de onderzoekers. In de perceptie van kinderopvangorganisaties hebben de maatregelen wel tot de gewenste resultaten geleid. Vanaf 2026 wordt de evaluatie voortgezet in de vorm van een ex-durante onderzoek met als doel het gevoerde beleid verder te verbeteren en nieuwe beleidsopties te ontwikkelen.

Kwaliteit kinderopvang

In 2025 is voor pedagogisch medewerkers een taaleis Nederlands ingevoerd. Voor gastouderopvang zijn nieuwe kwaliteitseisen vastgesteld met de Wijziging Wet Kinderopvang in verband met verbetermaatregelen van de gastouderopvang (Kamerstukken II 2023/24, 36 513, nr. 2). Deze wetswijziging is op 10 juni 2025 aangenomen door de Eerste Kamer en treedt in werking op 1 juli 2026. Maatregelen zijn bijvoorbeeld dat gastouders een pedagogisch werkplan opstellen, permanente educatie volgen en pedagogische coaching krijgen van het gastouderbureau.

Sociaal-medische indicatie

Sociaal-medische indicatie (SMI) is een vangnetregeling voor gezinnen die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag en die vanwege sociaal-medische problematiek ook niet in staat zijn de zorg voor hun kinderen volledig te dragen. Via SMI kunnen gemeenten deze gezinnen een (gedeeltelijke) vergoeding bieden voor het gebruik van kinderopvang. Afgelopen jaren zijn de kosten die gemeenten maken voor SMI toegenomen. Dat komt omdat het aantal aanvragen gestegen is, de sociaal-medische problematiek langduriger van aard is geworden en de kosten van kinderopvang sterk zijn gestegen.

In 2025 is het budget voor SMI daarom met € 5,4 miljoen structureel verhoogd. Vanaf 2029 volgt nog eens € 5 miljoen. Hierdoor komt het budget weer meer in lijn te liggen met de benodigde middelen. Afgelopen jaar is er met gemeenten en de VNG een handreiking met een basislijn gemaakt. Het doel van de basislijn is om onwenselijke en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten te verkleinen en ouders duidelijkheid te geven over wat ze voor SMI minimaal van hun gemeente kunnen verwachten. De extra middelen en de handreiking dragen bij aan het verbeteren van de toegankelijkheid van SMI.

Verbetermaatregel toeslagpartnerschap eerstegraads bloedverwanten

Per 1 januari 2025 is op basis van de Fiscale verzamelwet 2025 de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) aangepast. Hierdoor wordt voorkomen dat eerstegraads bloedverwanten van 27 jaar of ouder als toeslagpartner worden aangemerkt als zij op hetzelfde adres staan ingeschreven als een minderjarig kind van één van beiden. Het kabinet wil daarmee situaties waarbij ouders en hun volwassen kinderen voor elkaar zorgen en hiervoor bij elkaar gaan wonen, niet ontmoedigen. Hiermee is een al langer bekend knelpunt in de toeslagwetgeving opgelost en is een belemmering voor bijvoorbeeld mantelzorg aan huis weggenomen.

Wet kinderopvang BES

In 2025 heeft SZW samen met alle betrokken partners binnen het programma BES(t) 4 kids toegewerkt naar de inwerkingtreding van de Wet kinderopvang BES. De wet is, samen met alle onderliggende regelgeving, op 1 januari 2026 in werking getreden (Stb. 2025, 429). Het Besluit kinderopvang BES (Stb. 2025, 261) en de Ministeriële regeling kinderopvang BES (Stcrt. 2025, 39220) zijn in het najaar van 2025 gepubliceerd. Met de inwerkingtreding van de Wet kinderopvang BES wordt de RCN-unit SZW verantwoordelijk voor de uitvoering van de financiering van de kinderopvang in Caribisch Nederland. In 2025 heeft SZW samengewerkt met de RCN-unit om hierop voor te bereiden. Daarnaast is ook geregeld dat de Inspectie van het Onderwijs en de RCN-unit SZW per 1 januari 2026 toezicht kunnen houden op de kwaliteit en de rechtmatigheid.

Verder is er ingezet op voorlichting aan de kinderopvangorganisaties op de drie eilanden; zowel in de vorm van voorlichtingsbijeenkomsten als in de vorm van een handboek. Ook is er gestart met het opzetten van een online trainingsdatabase voor de kinderopvangorganisaties.

Tabel 64 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 7 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

4.115.024

4.217.155

4.436.342

4.987.256

5.682.418

5.559.980

122.438

         
 

Uitgaven

4.108.446

4.206.526

4.440.566

4.990.686

5.680.764

5.561.980

118.784

         

7.0

Kinderopvang

4.108.446

4.206.526

4.440.566

4.990.686

5.680.764

5.561.980

118.784

 

Inkomensoverdrachten

4.088.912

4.180.058

4.378.908

4.939.015

5.634.869

5.484.894

149.975

 

Kinderopvangtoeslag

3.813.334

4.105.961

4.378.908

4.939.015

5.634.869

5.484.894

149.975

 

Tegemoetkomingsregeling Eigen Bijdrage

275.578

74.097

0

0

0

0

0

 

Subsidies (regelingen)

6.632

8.504

12.327

16.778

22.927

25.233

‒ 2.306

 

Kinderopvang

1.411

969

1.335

1.572

1.975

4.050

‒ 2.075

 

Subsidies Caribisch Nederland

5.221

7.535

10.992

15.206

20.952

21.183

‒ 231

 

Opdrachten

1.597

1.891

2.858

2.673

1.803

12.268

‒ 10.465

 

Overige Opdrachten

1.524

1.621

1.558

1.470

1.228

5.376

‒ 4.148

 

Opdrachten Caribisch Nederland

73

270

753

196

206

1.692

‒ 1.486

 

Opdrachten Stelselherziening KO

0

0

547

1.007

369

5.200

‒ 4.831

 

Bekostiging

1.394

1.478

433

1.617

1.738

1.101

637

 

Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland (Projectbureau PGV)

1.394

1.478

433

1.617

1.738

1.101

637

 

Bijdrage aan agentschappen

7.275

7.698

8.100

8.706

8.991

8.678

313

 

Agentschap DUO

7.275

7.698

8.100

8.706

8.991

8.678

313

 

Bijdrage aan medeoverheden

2.636

6.897

37.940

21.897

10.436

29.806

‒ 19.370

 

Versterking Kinderopvang Samenwerking BES(t) 4 kids CN

2.636

6.897

6.398

11.639

4.297

5.880

‒ 1.583

 

SPUK kwijtschelden schulden Kinderopvang

0

0

31.542

10.258

6.139

23.926

‒ 17.787

         
 

Ontvangsten

1.498.566

1.627.788

1.792.216

1.932.541

2.023.400

1.958.671

64.729

         
Tabel 65 Uitsplitsing ontvangsten artikel 7 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

1.498.566

1.627.788

1.792.216

1.932.541

2.023.400

1.958.671

64.729

         

7.0

Kinderopvang

1.498.566

1.627.788

1.792.216

1.932.541

2.023.400

1.958.671

64.729

 

Ontvangsten

1.498.566

1.627.788

1.792.216

1.932.541

2.023.400

1.958.671

64.729

 

Algemeen

433

11.726

17.737

1.405

888

480

408

 

Terugontvangsten kinderopvangtoeslag

176.917

189.809

198.528

222.613

210.211

260.671

‒ 50.460

 

Werkgeversbijdrage Kinderopvang

1.321.216

1.426.253

1.575.951

1.708.523

1.812.301

1.697.520

114.781

Inkomensoverdrachten

Kinderopvangtoeslag (KOT)

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en daarom geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De KOT wordt uitgevoerd door Dienst Toeslagen van het Ministerie van Financiën. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan kinderopvangtoeslag zijn in 2025 uitgekomen op € 5.634,9 miljoen. De kinderopvangtoeslag levert een belangrijke bijdrage aan de financiële toegankelijkheid van kinderopvang voor ouders. De uitgaven waren € 150,0 miljoen hoger dan in begroting 2025 was voorzien. Een belangrijke verklaring van de hogere uitgaven is de jaarlijkse indexatie van de kinderopvangtoeslag (€ 268,1 miljoen). Indien hiervoor wordt gecorrigeerd komen de uitgaven € 118,1 miljoen lager uit dan bij de begroting werd geraamd.

Hiervoor zijn de volgende verklaringen: ten eerste zijn de reguliere voorschotten kinderopvangtoeslag in totaal € 137,8 miljoen lager uitgekomen. Dit is vooral het gevolg van een lager gebruik van kinderopvang dan verwacht. Daarnaast zijn de huishoudinkomens in 2025 hoger dan waar rekening mee was gehouden, waardoor het gemiddelde vergoedingspercentage over 2025 lager is uitgekomen dan verwacht. Daar staat tegenover dat er in 2025 € 20,3 miljoen meer over eerdere toeslagjaren was nabetaald. Het resterende verschil van € -0,6 miljoen wordt verklaard door overige factoren.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag is in 2025 7.000 hoger uitgekomen dan eerder werd verwacht. Dit komt vooral doordat het gebruik van buitenschoolse opvang sterker is toegenomen dan waar rekening mee was gehouden. Het aantal kinderen op de dagopvang lag in 2025 juist iets lager dan verwacht. Gemiddeld over 2025 gingen kinderen 65,9 uur per maand naar de kinderopvang (met kinderopvangtoeslag) oftewel 1,2 uur minder dan verwacht. Met name is de gemiddelde urenafname van dagopvang lager uitgekomen.

Het gemiddelde tarief in de dagopvang en in de buitenschoolse opvang is € 0,30 hoger uitgekomen dan ten tijde van het opstellen van de begroting 2025 was ingeschat. In de gastouderopvang was het gemiddelde tarief in 2025 vrijwel conform verwachting.

Tabel 66 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)1
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000)

552

583

598

612

621

614

7

        

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000)

       

0-12 jaar

826

873

890

908

921

914

7

0-4 jaar (dagopvang)

397

416

421

425

421

427

‒ 6

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

429

456

469

483

500

486

14

        

Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)

       

0-12 jaar

39

41

42

43

43

43

0

0-4 jaar (dagopvang)

58

60

61

62

62

63

‒ 1

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

30

32

32

34

35

34

1

        

Aantal uren per kind per maand

       

0-12 jaar

63,8

65,2

66,2

66,7

65,9

67,1

‒ 1,2

0-4 jaar (dagopvang)

88,4

90,5

91,9

92,7

92,3

93,5

‒ 1,2

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

41,0

42,1

43,0

43,9

43,8

43,9

‒ 0,1

        

Gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen (aantal kinderen met kinderopvangtoeslag x 1.000)

       

Tot 130% Wml

73

69

75

78

76

69

7

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

164

158

147

150

119

121

‒ 2

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

433

468

482

491

508

514

‒ 6

3 x modaal en hoger

156

177

186

190

219

209

10

        

Aantal uren per kind met kinderopvangtoeslag

       

Tot 130% Wml

77

79

81

83

85

87

‒ 2

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

62

65

66

68

69

70

‒ 1

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

60

61

62

62

61

63

‒ 2

3 x modaal en hoger

70

70

71

71

68

70

‒ 2

Bron: SZW, berekening op basis van informatie van CBS en Toeslagen.

1

De cijfers van 2025 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers, die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik. Voor 2024 is het merendeel van de beschikkingen definitief vastgesteld. Voor 2023 en eerdere jaren zijn vrijwel alle beschikkingen en onderliggende gegevens definitief.

Tabel 67 Kerncijfers kinderopvang bijdragen sectoren en ouders1
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Bijdragen sectoren (in %)

       

Collectief

72

71

69

69

72

72

0

 

waarvan Overheid

46

45

43

44

48

49

‒ 1

 

waarvan Werkgevers

26

26

26

25

24

23

1

Ouders

28

29

31

31

28

28

0

        

Wettelijke maximum uurprijs (in €)

       

Dagopvang

8,46

8,50

9,12

10,25

10,71

10,71

0,00

Buitenschoolse opvang

7,27

7,31

7,85

9,12

9,52

9,52

0,00

Gastouderopvang

6,49

6,52

6,85

7,53

8,10

8,10

0,00

        

Gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen (in €)2

       

Dagopvang

8,74

8,95

9,64

10,50

11,00

10,70

0,30

Buitenschoolse opvang

7,88

8,07

8,65

9,43

9,78

9,48

0,30

Gastouderopvang

6,61

6,79

7,12

7,59

7,94

7,93

0,01

        

Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen3

       

130% Wml

0,55

0,56

0,74

0,83

0,43

0,43

0,00

1 1/2 x modaal

1,68

1,72

1,94

2,18

1,36

1,36

0,00

3 x modaal

4,80

5,06

5,60

6,49

5,86

5,86

0,00

        

Ouderbijdrage volgend kind in € per uur voor gezinsinkomen4

       

130% Wml

0,40

0,41

0,47

0,52

0,43

0,43

0,00

1 1/2 x modaal

0,49

0,50

0,59

0,67

0,70

0,70

0,00

3 x modaal

1,20

1,28

1,43

1,65

1,72

1,72

0,00

Bron: SZW, berekening op basis van informatie van Toeslagen.

1

De cijfers van 2025 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers, die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van uurtarieven. Voor 2024 is het merendeel van de beschikkingen definitief vastgesteld. Voor 2023 en eerdere jaren zijn vrijwel alle beschikkingen en onderliggende gegevens definitief.

2

De cijfers over de gemiddelde uurprijs zijn gebaseerd op de uurprijzen die ouders aan Toeslagen doorgeven. Deze kunnen afwijken van de door de ouders werkelijk betaalde uurprijzen. Het betreft de gemiddelde uurprijzen, waarbij gewogen is naar gebruik. Ter illustratie: de uurprijs van gebruikers die 60 opvanguren afnemen weegt drie keer zo zwaar mee bij bepaling van het gemiddelde als de uurprijs van gebruikers die 20 opvanguren afnemen.

3

Kosten van kinderopvang per uur voor ouders, gegeven de maximum uurprijs en de toeslag die ouders ontvangen.

4

Zie bovenstaande voetnoot 3.

Subsidies

In 2025 is € 2,0 miljoen uitgekeerd aan diverse instellings- en projectsubsidies op het terrein van kinderopvang. Daarmee lagen de uitgaven voor subsidies kinderopvang € 2,1 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot. De lagere uitgaven zijn voornamelijk toe te schrijven aan de subsidieregeling groepshulpen. Voor deze regeling zijn minder aanvragen ontvangen dan verwacht, waardoor de begrote uitgaven niet volledig zijn gerealiseerd.

In 2025 is € 21 miljoen subsidie uitgekeerd ten behoeve van de Tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland. De subsidieregeling is gericht op het verbeteren van de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang en buitenschoolse opvang in Caribisch Nederland.

Opdrachten

Het budget voor ‘Overige opdrachten’ bedroeg in begroting 2025 € 5,4 miljoen. Hiervan is € 1,2 miljoen besteed aan diverse onderzoeken en opdrachten ter ondersteuning van het kinderopvangbeleid. De lagere realisatie ten opzichte van de begroting wordt veroorzaakt door het vervallen van diverse kleine projecten in 2025 en het deels doorschuiven van enkele onderzoeken naar 2026. Daarnaast is gedurende het jaar budget overgeheveld en verschoven naar andere posten binnen de Rijksbegroting. Daarnaast was € 2,3 miljoen gereserveerd voor toezichthouders in de gastouderopvang. Vanwege uitstel van de wetswijziging met aanvullende kwaliteitseisen voor de gastouderopvang, waren deze middelen niet nodig in 2025.

Van het budget voor Opdrachten Caribisch Nederland van € 1,7 miljoen is € 0,2 miljoen aan uitgaven gerealiseerd voor diverse opdrachten. Tijdens het begrotingsjaar is een deel van het budget verplaatst naar andere begrotingsposten. Zo is een bedrag van € 0,6 miljoen overgeboekt naar OCW ten behoeve van het interbestuurlijke toezicht in de Kinderopvang Caribisch Nederland, € 0,2 miljoen naar de RCN-unit SZW ten behoeve van de implementatieopdracht voor de Wet kinderopvang BES vanaf 2026 en € 0,2 miljoen naar UVB ten behoeve van de tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland. De onderuitputting wordt onder andere veroorzaakt doordat er minder implementatiekosten zijn gemaakt door de RCN-unit SZW aangezien de overdracht van de uitvoering van UVB naar de RCN-unit SZW pas plaatsvindt in 2026.

Van het budget voor Opdrachten Stelselherziening KO van € 5,2 miljoen is circa € 0,4 miljoen aan uitgaven gerealiseerd. Het grootste deel van het budget, € 4,5 miljoen, is ingezet voor de verkenningsfase van het Programma Nieuwe Financiering Kinderopvang en overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van Financiën. De onderuitputting van circa € 0,3 miljoen wordt veroorzaakt doordat een aantal opdrachten vertraging heeft opgelopen en is doorgeschoven naar 2026. Daarnaast zijn de kosten voor DUO in het kader van de verkenningsfase lager uitgevallen dan geraamd.

Bekostiging

De bekostiging betreft de uitgaven aan Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland (PGV) voor de coördinatie op het toezicht op de kinderopvang. PGV is wettelijk aangewezen voor deze taak. Het budget is aangevuld met circa € 0,7 miljoen, waarvoor middelen uit het opdrachtenbudget kinderopvang zijn ingezet.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget van € 8,7 miljoen is volledig bestemd voor de uitvoering door DUO van het Landelijk Register Kinderopvang, het Register Buitenlandse Kinderopvang en het Personenregister Kinderopvang. In 2025 bedroeg de bekostiging van DUO € 9,0 miljoen oftewel € 0,3 miljoen hoger dan was begroot.

Bijdrage aan medeoverheden

In 2025 bedroeg het budget voor Versterking Kinderopvang Caribisch Nederland € 5,9 miljoen, bestemd voor de uitvoering van de activiteiten op de eilanden, de plusopvang (kinderopvang voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte) en de huisvesting. De gerealiseerde uitgaven kwamen € 1,6 miljoen lager uit. Deze lagere uitgaven zijn voornamelijk het gevolg van lagere uitkeringen aan de eilanden voor de plusopvang dan geraamd. Daarnaast zijn niet alle middelen benut die beschikbaar waren voor activiteiten in 2025, zoals communicatie. Ten slotte is een deel van de lagere uitgaven toe te schrijven aan een wisselkoerseffect tussen de euro en de dollar.

In 2025 is € 6,1 miljoen aan compensatie uitbetaald aan gemeenten voor het kwijtschelden van publieke schulden in het kader van de hersteloperatie Kinderopvangtoeslag. Gemeenten worden met een vertraging van twee jaar gecompenseerd voor kwijtscheldingen middels een specifieke uitkering. De compensatie over het jaar 2023 viel € 17,8 miljoen lager uit dan verwacht. Zowel het aantal gedupeerden van de toeslagenaffaire die kwijtschelding hebben aangevraagd als de gemiddelde hoogte van de kwijtschelding waren in 2023 lager dan werd verwacht.

Ontvangsten

De terugontvangsten kinderopvangtoeslag zijn € 50,5 miljoen lager uitgekomen dan werd verwacht. Dit houdt vooral verband met lagere ontvangsten over de jaren 2023 en 2024. Enerzijds kwam bij het bepalen van het definitieve recht van huishoudens het totale bedrag aan terugvorderingen lager uit dan eerder verwacht. Daarnaast is het percentage dat door burgers is terugbetaald in 2025 iets lager uitgekomen dan voorzien.

De ontvangsten algemeen zijn € 0,4 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Dit is grotendeels het gevolg van een terugontvangst van € 0,3 miljoen in verband met de eindafrekening van DUO over 2024. De kosten voor de uitvoering van (onder andere) het Landelijk Register Kinderopvang door DUO waren in 2024 lager uitgevallen.

De ontvangsten werkgeversbijdrage kinderopvang zijn € 114,8 miljoen hoger dan in de begroting 2025 werd geraamd. De werkgeversbijdrage voor de kinderopvang bestaat uit een vast percentage (0,5%) van de totale loonsom (het gedeelte waarover werkgevers verplicht zijn premie te betalen). De totale loonsom is in 2025 hoger uitgekomen dan verwacht, dit wordt met name verklaard doordat in de begroting nog was gerekend in prijspeil 2024. Als gevolg van de hogere loonsom zijn er ook meer ontvangsten uit de werkgeversbijdrage kinderopvang. 

Het aantal gewerkte uren per week is in 2025 onder vrouwen stabiel en onder mannen licht gedaald. Bij ouders met jonge kinderen is sprake van een wisselend beeld. Moeders met jonge kinderen zijn in 2025 gemiddeld 0,4 uur per week meer gaan werken ten opzichte van 2024. Onder vaders met jonge kinderen is het gemiddelde arbeidsduur in 2025 juist met 0,5 uur per week afgenomen.

Tabel 68 Ontwikkeling in gewerkte uren (gemiddelde binnen de groep mensen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Vrouwen 15 tot 75 jaar

27,4

27,9

27,9

27,9

27,9

Mannen 15 tot 75 jaar

36,3

36,1

36,0

35,9

35,7

Moeders met jonge kinderen (0-11 jaar)

27,5

28,1

28,2

28,1

28,5

Vaders met jonge kinderen (0-11 jaar)

40,4

40,1

40,0

39,8

39,3

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking.

De netto arbeidsparticipatie kwam in 2025 uit op 73,2% en lag daarmee op hetzelfde niveau als in 2024. Onder de verschillende groepen laat de netto arbeidsparticiatie een wisselend beeld zien. Bij vaders binnen een ouderpaar, alleenstaande moeders en moeders met jonge kinderen nam de arbeidsdeelname in 2025 enigszins toe. De arbeidsdeelname bij alleenstaande vaders bleef vrijwel stabiel. Onder moeders binnen een ouderpaar en vaders met jonge kinderen is de arbeidsdeelname in 2025 juist iets afgenomen.

Tabel 69 Netto arbeidsparticipatie (%)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar

70,4

72,2

73,1

73,2

73,2

      

Moeders (lid van ouderpaar)

81,4

82,6

82,8

83,3

82,6

Vaders (lid van ouderpaar)

91,8

92,6

93,3

92,2

92,5

      

Alleenstaande moeders

71,5

70,5

73,6

71,8

72,1

Alleenstaande vaders

83,5

84,4

83,5

84,5

84,4

      

Moeders met jonge kinderen (0-11)

79,7

81,5

81,8

81,9

82,3

Vaders met jonge kinderen (0-11)

94,4

94,3

95,0

95,0

94,8

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking.

5.8 Artikel 8 Oudedagsvoorziening

De overheid biedt een basispensioen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Het kabinet vindt dat iedere gepensioneerde een basispensioen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Momenteel bouwt ruim 89,4% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door verplichte deelname aan pen­sioenregelingen die vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers meestal beheren. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pen­sioenstelsel. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen facultatief op eigen initiatief individuele pensioenproducten afsluiten.

De overheid biedt inkomensondersteuning aan AOW-gerechtigden (IOAOW). Deze is per 1 januari 2025 afgeschaft. Daarnaast biedt de overheid een overbruggingsuitkering aan mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd (OBR). De OBR is per 1 januari 2025 gesloten voor nieuwe instroom.

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV).

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen en de aanvullende arbeidspensioenen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • de vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspen­sioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het pensioenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Implementatietraject Wet toekomst pensioenen (Wtp)

Sinds de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) per 1 juli 2023, zijn sociale partners en pensioenuitvoerders hard aan het werk om uiterlijk 1 januari 2028 over te gaan naar het nieuwe pensioenstelsel.

In 2025 zijn de eerste pensioenfondsen en hun circa 272.000 deelnemers overgestapt naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarnaast is in 2025 veel werk verricht om ervoor te zorgen dat per 1 januari 2026 nog meer fondsen de overstap hebben gemaakt, waardoor in totaal ongeveer 10 miljoen deelnemers zijn overgestapt op het nieuwe pensioenstelsel. Om deze grote stelselherziening te monitoren, versterken en waar nodig knelpunten op te lossen, loopt er een meerjarig implementatietraject.

Voor het publiek is er het informatieplatform Pensioenduidelijkheid.nl, waar verschillende groepen Nederlanders (jongeren, werkenden en (bijna)gepensioneerden) voor hen relevante informatie en hulpmiddelen kunnen vinden. Daarnaast is er een bijbehorende publiekscampagne, die in 2025 een vervolg heeft gekregen. Op basis van ervaringen in 2024, is in 2025 in de campagne gefocust op het bereiken van de pensioengeoriënteerden (55-67 jaar) en gepensioneerden.

Voor de pensioenprofessional is er het informatieplatform Werkenaanons­pensioen.nl, dat is verrijkt met lessen uit de praktijk en animaties. In 2025 is dit platform verder doorontwikkeld om ervaringen over de pensioentransitie te delen, met speciale aandacht voor doelgroepen als de ondernemingsraden en de financieel adviseurs. Verder wordt er ingespeeld op de voortgang van de transitie en worden eventuele knelpunten geadresseerd.

Wet op de Verlenging van de transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel

De wet op de Verlenging van de transitieperiode naar het nieuwe pen­sioenstelsel regelt dat de einddatum van de pensioentransitie is verlengd met één jaar naar 1 januari 2028. Dit zorgt ervoor dat werkzaamheden in de pensioentransitie kunnen worden gespreid, wat ten goede komt aan de uitvoering. Met de Wet toekomst pensioenen (Wtp) was geregeld dat pensioenfondsen tot 1 januari 2027 de tijd hebben om over te gaan naar het nieuwe stelsel. De wijziging van deze einddatum is al tijdens de behandeling van de wet toegezegd aan de Eerste Kamer. De Eerste Kamer had aangedrongen op voldoende tijd voor een zorgvuldige overgang. De wet is in december 2025 aangenomen, en per 1 januari 2026 in werking.

Wetsvoorstel toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen

In dit wetsvoorstel wordt invulling gegeven aan toezeggingen die ten tijde van de behandeling van de Wtp zijn gedaan aan de Eerste Kamer. Het bevat onder andere de uniformering van het kindbegrip, de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen en verruiming van het overgangsrecht van premievrije voortzetting van pensioen bij arbeidsongeschiktheid. Daarnaast bevat het voorstel ook de mogelijkheid om de gelijke aanpassingen in de uitkeringsfase uit te voeren in de flexibele premieregeling. Als laatste zijn enkele wetstechnische verbeteringen in het voorstel opgenomen. Op 21 november 2025 is het wetsvoorstel naar de Afdeling Advisering van de Raad van State gestuurd. De verwachting is dat het in het tweede kwartaal van 2026 met de Staten-Generaal wordt gedeeld.

Halvering aantal werknemers zonder pensioenopbouw

Een goed pensioen is voor alle generaties belangrijk. Werknemers bouwen daarvoor pensioen op via hun werkgever. Het is belangrijk dat de groep werknemers zonder pensioen zo klein mogelijk is. Bij de invoering van Wet toekomst pensioenen is opgenomen dat deze groep in 2028 ten opzichte van 2019 moet halveren, van 936.000 naar 468.000. Eind 2023 betrof dat 9,3% (680.000) van het totaal aantal werknemers. Hiermee heeft de daling van het relatieve aandeel werknemers zonder pensioenopbouw verder doorgezet, alsook de daling in absolute zin. Er is wederom een goede stap gezet richting het bereiken van de reductiedoelstelling. De periode van 2019 tot 2023 wordt gekenmerkt door de invoering van verschillende maatregelen enerzijds en de zichtbare afname van het aantal werknemers zonder pensioenopbouw anderzijds. Ook tussen het meetmoment over 2023 en nu is deze aanpak voortgezet. Wanneer de resultaten over 2024 bekend zijn (najaar 2026), zal de effectiviteit van de genomen maatregelen beoordeeld worden bij de tussentijdse evaluatie.

Inkomensondersteuning AOW (IOAOW)

De verlaging en afschaffing van de IOAOW is geregeld in het besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 3 oktober 2022 (Stb. 2022, 381). Per 1 januari 2025 is de afschaffing van de IOAOW in werking getreden. De resterende uitgaven in 2025 betreffen nabetalingen.

Tabel 70 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 8 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

23.302

29.515

41.304

182.977

62.157

62.751

‒ 594

         
 

Uitgaven

23.302

29.673

41.573

182.343

62.377

62.751

‒ 374

         

8.0

Oudedagsvoorziening

23.302

29.673

41.573

182.343

62.377

62.751

‒ 374

 

Inkomensoverdrachten

23.302

29.067

41.201

181.923

61.214

62.390

‒ 1.176

 

AOV inclusief tegemoetkoming (Caribisch Nederland)

22.009

28.148

39.908

54.940

59.635

60.408

‒ 773

 

Overbruggingsregeling AOW

1.293

919

1.293

1.364

779

807

‒ 28

 

Gebaar erkenning Surinaamse ouderen

0

0

0

125.619

800

1.175

‒ 375

 

Opdrachten

0

606

372

420

1.163

361

802

 

Opdrachten

0

606

372

420

1.163

361

802

         
 

Ontvangsten

50

166

0

0

1.439

0

1.439

         
Tabel 71 Uitsplitsing ontvangsten artikel 8 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

50

166

0

0

1.439

0

1.439

         

8.0

Oudedagsvoorziening

50

166

0

0

1.439

0

1.439

 

Ontvangsten

50

166

0

0

1.439

0

1.439

 

Restituties

50

166

0

0

1.439

0

1.439

Tabel 72 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 8 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

42.956.000

44.030.599

47.934.500

51.926.160

55.208.240

55.218.620

‒ 10.380

         
 

Uitgaven

42.956.000

44.030.599

47.934.500

51.926.160

55.208.240

55.218.620

‒ 10.380

         

8.0

Oudedagsvoorziening

42.956.000

44.030.599

47.934.500

51.926.160

55.208.240

55.218.620

‒ 10.380

 

Inkomensoverdrachten

42.956.000

44.030.599

47.934.500

51.926.160

55.208.240

55.218.620

‒ 10.380

 

AOW

41.944.000

43.000.051

47.738.285

51.708.571

55.208.076

52.752.365

2.455.711

 

Inkomensondersteuning AOW

1.012.000

1.030.548

196.215

217.589

164

0

164

 

AOW nominaal

0

0

0

0

0

2.466.255

‒ 2.466.255

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Inkomensoverdrachten
Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) (Caribisch Nederland)

Personen die in Caribisch Nederland verzekerde jaren hebben opgebouwd voor de AOV en die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een aan de verzekerde jaren gerelateerd ouderdomspensioen op grond van de AOV. Naast het ouderdomspensioen wordt op Sint Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die gebaseerd is op de prijsverschillen tussen de eilanden. Tevens kent de AOV een partnertoeslag.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven voor de AOV zijn in 2025 € 0,8 miljoen lager uitgevallen dan verwacht bij de vastgestelde begroting. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door de koersdaling van de dollar. Daarnaast kan het zo zijn dat de gemiddelde uitkeringshoogte per rechthebbende lager is dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 73 Kerncijfers AOV (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume AOV (x 1.000 personen, ultimo)

4,5

4,8

4,9

5,5

5,8

5,4

0,4

Bron: RCN-unit SZW.

Overbruggingsregeling AOW (OBR)

De OBR geldt voor mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling, private AOV, partnerpensioen of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De OBR is per 1 januari 2025 gesloten voor nieuwe instroom. Per 1 januari 2027 zijn alle OBR-gerechtigden uitgestroomd, omdat zij dan de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit betekent dat er tot 2027 uitgaven voor de OBR worden voorzien.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de OBR zijn in 2025 € 28.000 lager uitgevallen dan begroot. Het aantal gerealiseerde uitkeringen kan ondanks dat nieuwe instroom niet meer mogelijk is iets fluctueren ten opzichte van de begroting. Dat komt bijvoorbeeld doordat uitkeringen eerder beëindigd worden of minder nieuwe uitkeringen met terugwerkende kracht zijn toegekend dan verwacht.

Gebaar erkenning Surinaamse ouderen

Het kabinet maakt een gebaar van erkenning aan ouderen van Surinaamse herkomst, in de vorm van een eenmalig bedrag van € 5.000. Het gebaar van erkenning ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep bij hun komst naar Nederland. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

Aan de meeste mensen is het gebaar ambtshalve toegekend. Wie het eenmalige bedrag niet automatisch heeft ontvangen, kan een handmatige aanvraag doen. Het aantal ouderen dat zich heeft gemeld in 2025 en recht heeft op het gebaar bleek kleiner te zijn dan eerder werd verwacht.

Algemene Ouderdomswet (AOW)

De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De AOW wordt uitgevoerd door de SVB. Hoofdstuk 11, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de AOW.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de AOW komen in 2025 € 2,455 miljard hoger uit dan begroot. Dit verschil wordt hoofdzakelijk verklaard door de indexatie van de AOW-uitkeringsbedragen (€ 2,466 miljard). Dit is een herschikking met de bijbehorende post onder nominaal. Het overige verschil komt door een lager aantal gerechtigden, een lager gemiddeld toekenningspercentage voor de gekorte AOW-gerechtigden en een lager aandeel alleenstaanden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 74 Kerncijfers AOW
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.546

3.581

3.567

3.594

3.663

3.663

0

Personen met een onvolledige AOW-uitkering (% van totaal, ultimo)

19

19

19

19

19

19

0

Bron: SVB, administratie.

Handhaving

In het rapport Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans van Ipsos I&O wordt genoemd dat ondanks een kleine daling het percentage AOW-gerechtigden dat de plichten van de uitkering kent en het makkelijk vind om zich aan deze plichten te houden stabiel hoog blijft. Het verplicht doorgeven van inkomsten (van bijvoorbeeld een partner) wordt door AOW-gerechtigden minder vaak herkend dan andere door I&O Research onderzochte uitkeringsgerechtigden. De gepercipieerde detectiekans van de AOW is nauwelijks veranderd ten opzichte van 2024, waarmee de kans op detectie van een overtreding als het kleinst wordt geschat van alle uitkeringen.

Ondanks een lichte afname van het aantal onderzoekswaardige signalen bleef het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling en het totale benadelingsbedrag in 2025 vergelijkbaar met 2024. Ook het aantal waarschuwingen en boetes bleef gelijk, al steeg het boetebedrag in 2025 met € 100.000 ten opzichte van 2024.

Tabel 75 Kerncijfers AOW (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

38

36

39

41

42

Kennis van de verplichtingen (%)

92

89

93

93

91

Opsporing2

Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

5,8

5

4,6

4,4

4,2

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

0,4

0,5

0,5

0,4

0,4

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

2,0

2,6

3,3

2,7

2,6

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,4

0,5

0,3

0,3

0,3

Aantal boetes (x 1.000)

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,4

0,5

0,7

0,6

0,7

  

Ontstaansjaar vordering

  

2021

2022

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

52,3

40

37,6

25,6

9,2

1

Bron: I&O Research, Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans.

2

Bron: SVB, administratie.

3

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Opdrachten

In het boekjaar 2025 is het budget voor opdrachten aangezuiverd, aangezien het oorspronkelijke kasbudget niet toereikend was. Het opdrachtenbudget is grotendeels ingezet voor onderzoeksprojecten.

Ontvangsten

De ontvangsten komen € 1,4 miljoen hoger uit dan begroot. Dit betreft een terugontvangst over de bevoorschotting aan SVB voor de OBR en Gebaar erkenning Surinaamse ouderen van respectievelijk € 0,1 miljoen en € 1,3 miljoen.

Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de reikwijdte van pensioenregelingen. De overheid stelt regels om te bevorderen dat toezeggingen ook daadwerkelijk worden nagekomen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Als kerncijfers zijn het totaal aantal pensioenfondsen opgenomen en het aantal pensioenfondsen met een dekkingsgraad onder de 130% (ongeveer gelijk aan het vereist eigen vermogen), alsmede de daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden. Dit betreft de pensioenfondsen die nog niet zijn overgestapt naar het nieuwe pensioenstelsel. De maatstaf van 130% is gekozen omdat een dergelijke dekkingsgraad gemiddeld genomen toereikend is om de pensioenverplichtingen na te komen. Ten opzichte van 2024 is het aantal fondsen met een dekkingsgraad onder de 130% sterk afgenomen. Mogelijk door een stijging van de rente in 2025. Tegelijkertijd is ook het aantal pensioenfondsen ten opzichte van 2024 afgenomen. Dit is onder andere te verklaren doordat pensioenfondsen die de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel hebben gemaakt, niet zijn opgenomen in de tabel. Verder is het dalend aantal pensioenfondsen al een aantal jaren zichtbaar. Het gaat hierbij vooral om pensioenfondsen met een geringe omvang. Door schaalvergroting met andere pensioenfondsen kan beter worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een verantwoord beheer.

Tabel 76 Kerncijfers aanvullende pensioenen
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 20251

Totaal aantal pensioenfondsen2

188

181

180

173

160

 

Aantal pensioenfondsen met dekkingsgraad ≤130%3

171

125

128

121

83

 

Aantal bij deze fondsen betrokken deelnemers (x 1.000)

5.741

5.428

5.957

5.758

5.5074

 

Aantal bij deze fondsen betrokken gepensioneerden (x 1.000)

3.455

3.154

3.619

3.622

3.1414

Bron: DNB, Statistiek toezicht pensioenfondsen.

1

Vanaf 2025 worden de pensioenfondsen die zijn overgegaan naar het nieuwe pensioenstelsel (WTP) niet meegenomen in deze tabel aangezien de huidige kerncijfers betrekking hebben op pensioenfondsen die nog niet zijn ingevaren.

2

Pensioenfondsen zonder eigen verplichtingen, bijvoorbeeld de volledig herverzekerde fondsen, kennen geen dekkingsgraad en zijn daarom niet opgenomen in de tabel.

3

Beleidsdekkingsgraad.

4

Betreft voorlopige cijfers. Definitieve cijfers komen in Q3 2026 beschikbaar.

5.9 Artikel 9 Nabestaanden

De overheid beschermt nabestaande partners en wezen voor zover nodig tegen de financiële gevolgen van het verlies van partner of ouders.

De overheid vindt dat mensen die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s) en die vanwege de zorg voor een kind of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) in een eigen inkomen kunnen voorzien, verzekerd moeten zijn van financiële ondersteuning. Daarom regelt zij in deze gevallen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) een nabestaandenuitkering voor de overblijvende partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren.

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) recht op een uitkering.

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

In 2025 is geen nieuw beleid gemaakt. Dit is conform de verwachting zoals opgenomen in de begroting 2025.

Tabel 77 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 9 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

1.209

1.600

2.078

2.829

3.138

3.487

‒ 349

         
 

Uitgaven

1.209

1.600

2.078

2.829

3.138

3.487

‒ 349

         

9.0

Nabestaanden

1.209

1.600

2.078

2.829

3.138

3.487

‒ 349

 

Inkomensoverdrachten

1.209

1.600

2.078

2.829

3.138

3.487

‒ 349

 

AWW (Caribisch Nederland)

1.209

1.600

2.078

2.829

3.138

3.487

‒ 349

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Tabel 78 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 9 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

316.766

308.776

336.500

358.152

365.453

355.131

10.322

         
 

Uitgaven

316.766

308.776

336.500

358.152

365.453

355.131

10.322

         

9.0

Nabestaanden

316.766

308.776

336.500

358.152

365.453

355.131

10.322

 

Inkomensoverdrachten

316.766

308.776

336.500

358.152

365.453

355.131

10.322

 

ANW

311.233

303.394

330.900

352.229

340.034

328.002

12.032

 

Tegemoetkoming ANW

5.533

5.382

5.600

5.923

5.719

5.737

‒ 18

 

ANW nominaal

0

0

0

0

0

21.323

‒ 21.323

 

Tegemoetkoming ANW nominaal

0

0

0

0

0

69

‒ 69

 

sociale lasten

0

0

0

0

19.700

0

19.700

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Inkomensoverdrachten
Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de AWW recht op een uitkering. De hoogte van de uitkering is leeftijdgerelateerd.

Budgettaire ontwikkelingen

De gerealiseerde uitkeringslasten voor de AWW in 2025 waren € 0,3 miljoen lager dan verwacht bij de vaststelling van de begroting. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door een lagere gemiddelde uitkeringshoogte per rechthebbende. Dit hangt samen met het feit dat de uitgaven per rechthebbende verschillen afhankelijk van de leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 79 Kerncijfers AWW (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume AWW (x 1.000 personen, ultimo)

0,3

0,4

0,3

0,3

0,3

0,3

0,0

Bron: RCN-unit SZW.

Algemene nabestaandenwet (Anw)

De Anw is een volksverzekering en regelt, onder voorwaarden, bij overlijden een uitkering voor de partner of een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren. Daarnaast ontvangt iedere Anw-gerechtigde maandelijks de Anw-tegemoetkoming. De Anw wordt door de SVB uitgevoerd.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor de Anw en de Anw-tegemoetkoming zijn € 12,0 miljoen hoger dan geraamd. Een belangrijke post voor de stijging van de uitkeringslasten is de indexatie van de uitkeringsbedragen. Dit zorgt voor € 21,3 miljoen hogere uitkeringslasten. Dit is een herschikking met de bijbehorende post onder nominaal. Het aantal Anw-gerechtigden is neerwaarts bijgesteld als gevolg van een lagere instroom en hogere uitstroom dan eerder geraamd. Hierdoor vallen de uitkeringslasten circa € 9,3 miljoen lager uit.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal Anw-gerechtigden neemt van jaar op jaar af, met name omdat het aantal gerechtigden met een uitkering op grond van overgangsrecht sinds de invoering van de Anw in 1996 gestaag afneemt. Ten opzichte van de begroting 2025 komt de realisatie nagenoeg overeen. Het aantal Anw-gerechtigden dat op basis van de zorg voor een minderjarig kind een Anw-uitkering ontvangt is in 2025 licht hoger uitgevallen dan bij de begroting 2025 verwacht.

Tabel 80 Kerncijfers Anw
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Volume Anw nabestaande partners (x 1.000 personen, ultimo)

23

24

23

22

21

21

0

        

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht voor 1 juli 1996

4

3,7

3,1

2,6

2,1

2,1

0,0

        

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht na 1 juli 1996

18

19

19

19

18

18

0

 

waarvan met kind

7,4

7,7

7,6

7,4

7,3

7,1

0,2

 

waarvan op grond van arbeidsongeschiktheid

11

11

11

11

11

11

0

        

Volume wezenuitkering (x 1.000 personen, ultimo)

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

0,9

0,1

Bron: SVB, administratie.

Handhaving

De onderstaande tabel geeft de resultaten weer in 2025 met betrekking tot preventie, opsporing, sanctionering en afdoening. De kerncijfers laten zien dat de gepercipieerde detectiekans licht is toegenomen ten opzichte van 2024. De kennis van verplichtingen blijft, net als in voorgaande jaren, hoog voor de Anw.

De tabel laat zien dat het boetebeslag binnen de Anw laag blijft. Het totale benadelingsbedrag is iets gedaald. De incassoratio van vorderingen is toegenomen ten opzichte van het voorgaande jaar. Door het geringe aantal vorderingen binnen de Anw observeren we door de jaren heen een wisselend beeld. Uitschieters kunnen het gemiddelde sterk beïnvloeden.

Tabel 81 Kerncijfers Anw (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

58

73

56

64

67

Kennis van de verplichtingen (%)

87

93

93

94

94

Opsporing2

Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

0,3

0,2

0,2

0,2

0,2

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

0,3

0,5

0,3

0,9

0,6

Sanctionering2

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

Aantal boetes (x 1.000)

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

<0,1

<0,1

0,1

0,1

<0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2021

2022

2023

2024

2025

Terugvordering2

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

46

30

10

5

22

1

Bron: I&O Research, Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans.

2

Bron: SVB, administratie.

3

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Sociale lasten

Vanaf 2025 zijn voor een aantal uitkeringsregelingen de over deze uitkeringen betaalde werkgeverspremies toegevoegd aan de SZW-begroting. Deze wijziging heeft een technisch karakter. Het CBS classificeert werkgeverspremies die betaald worden over uitkeringen voortaan als overheidsuitgaven.

5.10 Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

De overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen.

De overheid biedt ouders of verzorgers een financiële tegemoetkoming voor de kosten voor verzorging en opvoeding van kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de kinderbijslagvoorziening BES (Caribisch Nederland). Gezinnen in Europees Nederland met een laag of middeninkomen komen daarnaast in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget (WKB).

De Minister financiert de tegemoetkoming met uitkeringsregelingen. De Minister is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de tegemoetkoming op grond van de AKW, de WKB en de kinderbijslagvoorziening BES;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Dienst Toeslagen voert de WKB uit in opdracht van het Ministerie van SZW. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de WKB.

Structurele intensivering kindgebonden budget (Belastingplan 2024)

Op grond van het Belastingplan 2024 zijn vanaf 1 januari 2025 de kindbedragen van het kindgebonden budget structureel verhoogd (Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 2). Daarnaast is het inkomensafbouwpercentage verhoogd waardoor de regeling meer op de lage en (lage) middeninkomens wordt gericht. Doel van deze intensivering is het verhogen van de draagkracht en het voorkomen van (kinder)armoede.

Verbetermaatregel toeslagpartnerschap eerstegraads bloedverwanten

Per 1 januari 2025 is het toeslagpartnerbegrip in de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (Awir) gewijzigd (Fiscale Verzamelwet 2025, Kamerstukken II 2024/25, 36 605, nr. 2). Hierdoor wordt voorkomen dat eerstegraads bloedverwanten van 27 jaar of ouder als toeslagpartner worden aangemerkt als zij op hetzelfde adres staan ingeschreven als een minderjarig kind van een van beiden. Het kabinet wil daarmee situaties waarbij ouders en hun volwassen kinderen voor elkaar zorgen en hiervoor bij elkaar gaan wonen niet ontmoedigen. Hiermee is een al langer bekend knelpunt in de toeslagwetgeving opgelost en is een belemmering voor bijvoorbeeld mantelzorg aan huis weggenomen.

Centrale Raad van Beroep over inkomenseis van de AKW+

In haar uitspraak van 18 april 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat de SVB de inkomenseis bij de AKW+ niet mag toepassen op huishoudens met twee partners en een zorgintensief kind als één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is (ECLI:CRVB:2025:746). De Centrale Raad van Beroep heeft hierbij getoetst aan het verbod op discriminatie in artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Met deze uitspraak wordt de doelgroep van de AKW+ uitgebreid.

Dubbele Kinderbijslag Intensieve Zorg op Caribisch Nederland

Naar analogie van de regeling in de Europees Nederlandse Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is voor Caribisch Nederland een regeling voor dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg tot stand gebracht. Vooruitlopend op de structurele regeling via de Wet kinderbijslagvoorziening (KBV) BES betreft dit nog een tijdelijke regeling. In 2025 is een nieuw aanvraagtijdvak aan de Tijdelijke regeling tegemoetkoming kinderen met intensieve zorg BES 2024 toegevoegd (Stcrt. 2025, 31465). Rechthebbenden ontvangen een eenmalig bedrag van USD 3.982,76.

Tabel 82 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 10 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

6.525.745

6.850.451

8.202.440

9.753.736

10.043.938

10.077.412

‒ 33.474

         
 

Uitgaven

6.525.745

6.850.451

8.202.440

9.753.736

10.043.938

10.077.412

‒ 33.474

         

10.0

Tegemoetkoming ouders

6.525.745

6.850.451

8.202.440

9.753.736

10.043.938

10.077.412

‒ 33.474

 

Inkomensoverdrachten

6.525.745

6.850.451

8.202.440

9.753.736

10.043.938

10.077.412

‒ 33.474

 

Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

3.678.956

3.935.401

4.369.420

4.625.128

4.772.971

4.616.505

156.466

 

Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)

2.842.356

2.909.453

3.824.670

5.113.938

5.255.560

5.447.323

‒ 191.763

 

Kinderbijslagvoorziening BES

4.433

5.597

8.350

14.670

15.407

13.584

1.823

         
 

Ontvangsten

163.076

186.904

231.470

267.081

262.791

362.159

‒ 99.368

         
Tabel 83 Uitsplitsing ontvangsten artikel 10 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

163.076

186.904

231.470

267.081

262.791

362.159

‒ 99.368

         

10.0

Tegemoetkoming ouders

163.076

186.904

231.470

267.081

262.791

362.159

‒ 99.368

 

Ontvangsten

163.076

186.904

231.470

267.081

262.791

362.159

‒ 99.368

 

Terugontvangsten

163.076

186.904

231.470

267.081

262.791

362.159

‒ 99.368

Inkomensoverdrachten
Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

De AKW biedt ouders of verzorgers een tegemoetkoming in de kosten die het opvoeden en verzorgen van kinderen onder de 18 jaar met zich mee brengt. De AKW wordt uitgevoerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven van de AKW vielen € 156 miljoen hoger uit dan begroot. Dit komt voornamelijk door de loon- en prijsbijstelling (indexatie) in 2025 van circa € 136 miljoen. Daarnaast was het aantal AKW-plus gerechtigden hoger dan aanvankelijk werd verwacht. Dit hangt gedeeltelijk samen met de gerechtelijke uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, waardoor meer kinderen recht hebben gekregen op de AKW-plus. Verder was het aantal ontvangers van dubbele kinderbijslag wegens een zorgintensief kind hoger uitgekomen dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 84 Kerncijfers AKW
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Aantal gezinnen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

1.874

1.870

1.874

1.878

1.880

1.861

19

Aantal kinderen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

3.285

3.278

3.286

3.335

3.287

3.263

24

        

Aantal dubbele AKW uitkeringen ( x 1.000, ultimo jaar):

       

Kind uitwonend vanwege onderwijsredenen

0,9

0,9

0,8

0,8

0,9

1

Kind thuiswonend met intensieve zorg

32,0

34,2

40,6

46,2

51,2

1

Kind uitwonend vanwege ziekte of handicap

1,1

1,2

1,2

1,2

1,9

1

        

Extra tegemoetkoming AKW (x 1.000)

10,5

10,4

11,1

13,9

18,0

1

Bron: SVB, administratie.

1

Deze cijfers worden niet geraamd.

Handhaving

De SVB heeft de in 2024 hoog toegenomen werkvoorraden in 2025 ingelopen. Dit heeft geleid tot een zichtbare stijging in het aantal overtredingen en vorderingen in 2025 ten opzichte van 2024. De daling in 2024 wordt verklaard door veranderingen in prioritering bij de uitvoering, waardoor bepaalde werkzaamheden op een later moment zijn opgepakt. In 2025 ligt het aantal overtredingen en waarschuwingen weer op het niveau van 2021-2023.

Tabel 85 Kerncijfers AKW (handhaving inlichtingenplicht)
  

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Opsporing1

Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)

0,2

0,3

0,2

0,5

0,3

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)2

1,9

1,9

1,8

1,3

2,0

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

1,7

1,7

1,7

1,4

2,7

Sanctionering1

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

2,5

3,0

3,1

2,4

3,1

Aantal boetes (x 1.000)

0,4

0,3

0,3

0,2

0,3

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2021

2022

2023

2024

2025

Terugvordering1

Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2025 (%)

67

60

43

42

30

1

Bron: SVB, administratie.

2

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet op het kindgebonden budget (WKB)

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen voor gezinnen tot een bepaald inkomen en vermogen. De WKB wordt uitgevoerd door Dienst Toeslagen van het Ministerie van Financiën. Indien sprake is van een aanvulling op buitenlandse gezinstoeslagen, is de SVB verantwoordelijk voor de uitbetaling van de WKB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WKB komen per saldo circa € 192 miljoen lager uit dan begroot. Dit betreft het saldo van enerzijds een loon- en prijsbijstelling (indexatie) in 2025 van circa € 63 miljoen. Anderzijds valt de bevoorschotting van de WKB per saldo juist € 255 miljoen lager uit dan begroot.

Aan het neerwaartse effect liggen meerdere oorzaken ten grondslag. Ten eerste zijn de uitgaven voor 2025 gedurende het jaar neerwaarts bijgesteld. Dit heeft grotendeels te maken met het feit dat de bevoorschotting van de WKB in 2025 achterbleef bij de eerder geraamde uitgaven voor dit jaar. Dit komt vermoedelijk doordat Dienst Toeslagen (bewust) bij het vaststellen van de voorschotten voor 2025 gemiddeld genomen uitgaat van een hogere loonstijging voor de WKB-gerechtigden. Dienst Toeslagen gaat sinds toeslagjaar 2025 bij het vaststellen van de voorschotten namelijk uit van een inkomensstijging die 3%‑punt boven de verwachte loonstijging ligt. Dit om de kans op terugvorderingen te verkleinen. Deze marge was ten tijde van de totstandkoming van de SZW-begroting 2025 nog niet bekend. Doordat voor de bevoorschotting wordt uitgegaan van een iets sterkere inkomensstijging, resulteert dat in een lagere bevoorschotting. WKB-gerechtigden waarbij het definitieve inkomen lager is dan waar bij de bevoorschotting vanuit is gegaan, ontvangen in 2026 een nabetaling.

Verder zijn de nabetalingen in 2025 over eerdere toeslagjaren enigszins lager uitgevallen dan eerder werd verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 86 Kerncijfers WKB1
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Aantal huishoudens WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

989

939

1.051

1.120

1.001

1.000

1

Aantal kinderen WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

1.836

1.761

1.972

2.120

1.911

1.904

7

Aantal alleenstaande ouders WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

341

337

341

347

351

338

13

Bron: Ministerie van Financiën, Toeslagen.

1

De cijfers in de tabel over de afgelopen jaren kunnen afwijken van de cijfers uit het jaarverslag 2024. Dit komt doordat het definitieve recht op kindgebonden budget pas na afloop van het jaar wordt vastgesteld (dit kan meerdere jaren duren). Daarnaast ziet circa 5% van de doelgroep in de eerste instantie af van een voorschot, waardoor de toekenning pas achteraf zichtbaar wordt.

Kinderbijslagvoorziening BES

De kinderbijslagvoorziening BES biedt ouders of verzorgers die op Bonaire, Sint Eustatius en Saba wonen een tegemoetkoming voor de kosten van opvoeding en verzorging van kinderen die nog geen 18 jaar zijn.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor de kinderbijslagvoorziening BES vielen circa € 1,8 miljoen hoger uit dan voorzien bij de vastgestelde begroting. Dit wordt veroorzaakt doordat er meer gerechtigden waren dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 87 Kerncijfers kinderbijslagvoorziening BES
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Aantal kinderen kinderbijslagvoorziening BES (x 1.000, ultimo)

1

5,8

5,7

6,1

6,2

5,9

0,3

Bron: RCN-unit SZW.

1

Om de KBV-kerncijfers te kunnen produceren moeten er verschillende handmatige acties uitgevoerd worden. Deze handmatige acties vormen een risico voor de betrouwbaarheid van de gegevens. Voor het jaar 2021 in het jaarverslag zijn er fouten gemaakt bij de totstandkoming van de cijfers, deze cijfers vallen waarschijnlijk lager uit dan de werkelijke cijfers. Daarom is het cijfer voor 2021 weggehaald. Voor 2022 en 2023 is dit opgelost en zijn de berekeningen opnieuw opgemaakt.

Ontvangsten

De ontvangsten komen per saldo circa € 99 miljoen lager uit dan begroot, hetgeen vooral schuilt in lagere ontvangsten dan begroot over de toeslagjaren 2022-2025. Ook de lagere ontvangsten houden grotendeels verband met het feit dat Dienst Toeslagen de afgelopen jaren bij het vaststellen van de voorschotten gemiddeld genomen (bewust) van een hogere loonstijging voor de WKB-gerechtigden is uitgegaan. En daarmee succesvol de budgettaire omvang van de terugvorderingen heeft verkleind. Immers, door de lagere bevoorschotting neemt de kans op terugvorderingen af. Daarnaast heeft een gedeelte van de ouders doordat Dienst Toeslagen de afgelopen jaren van een hogere loonontwikkeling is uitgegaan, een substantieel lagere terugvordering gekregen dan anders het geval was geweest.

5.11 Artikel 11 Uitvoering

De overheid voorziet de uitvoeringsorganisaties van financiële middelen voor een rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering van socialezekerheidsregelingen, binnen de kaders die de overheid stelt.

De uitvoering van de socialezekerheidswetten vindt mede plaats door ZBO’s en RWT’s. De Minister van SZW bepaalt de kaders waarbinnen de uitvoering tot stand komt en stelt uitvoeringsbudget ter beschikking aan Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) inclusief het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Bureau InformatieDiensten Nederland (BIDN). De Minister maakt daarbij prestatieafspraken en stuurt op rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering. Hiertoe is een planning- en controlcyclus ingericht tussen de uitvoeringsorganen en het ministerie.

De Minister is verantwoordelijk voor het doen uitvoeren van de sociale‐ zekerheidswetgeving door de uitvoeringsorganen en draagt zorg voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving (wet SUWI) waarbinnen de uitvoeringsorganen opereren;

  • de vormgeving van het stelsel van socialezekerheidswetten die UWV en de SVB uitvoeren;

  • de vaststelling van de budgetten die aan UWV, de SVB en het BIDN beschikbaar worden gesteld met daarbij passende prestatieafspraken;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering door UWV, de SVB en het BIDN en de verantwoording daarover;

  • de vaststelling van de omvang van de middelen die aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR) beschikbaar worden gesteld;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Prestatie-indicatoren UWV en SVB

In onderstaande tabellen zijn indicatoren voor UWV en de SVB weergegeven die de doelmatigheid, rechtmatigheid en klantgerichtheid van de uitvoering weergeven.

Tabel 88 Indicatoren uitvoering UWV
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 20251

Verschil 2025

Doelmatigheid: Percentage realisatie uitvoeringskosten binnen budget

95

99

98

102

98

100

‒ 2

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

99,22

99,42

99,22

99,22

99,0

99

0,0

Klantgerichtheid: Cijfer klanttevredenheid uitkeringsgerechtigden

7,5

7,5

7,6

3

3

7,5

Bron: UWV, jaarverslag.

1

Bron: UWV, jaarplan 2025.

2

In dit cijfer is niet de rechtmatigheid van de NOW- subsidieverstrekking meegenomen. In het jaarverslag van UWV wordt dit nader toegelicht.

3

UWV is gestopt met de klanttevredenheidmonitor waardoor dit cijfer niet meer kan worden geleverd. De menselijke maat monitor heeft de metingen die voorheen werden verricht om tot klanttevredenheidscijfers te komen vervangen en meet op meer indicatoren dan voorheen. De uitkomsten van de meest recente «menselijke maat monitor» zijn opgenomen in het UWV jaarverslag 2025.

Tabel 89 Indicatoren uitvoering SVB
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 20251

Verschil 2025

Doelmatigheid: Kosten per klant2

3

66

64

71

72

4

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

100

100

100

100

100

99

1,0

Klantgerichtheid: Cijfer klanten

5

8,2

5

8,3

5

Bron: SVB, jaarverslag.

1

Bron: SVB, jaarplan 2025.

2

Betreft een gewogen gemiddelde.

3

Deze indicator wordt vanaf 2022 berekend en is niet eerder beschikbaar.

4

Er is geen norm afgesproken voor de indicator doelmatigheid.

5

Het klanttevredenheidsonderzoek vindt tweejaarlijks plaats.

De verantwoording over rechtmatigheid heeft betrekking op de financiële rechtmatigheid en is gebaseerd op het handelen in het verslagjaar, zoals bedoeld in artikel 5.10b, eerste lid van de Regeling SUWI. Oude- en niet-financiële fouten (waaronder de sociaal-medische beoordelingen door UWV) zijn hier geen onderdeel van.

In de jaarverslagen van UWV en de SVB kan een nader onderscheid per wet/regeling met betrekking tot het percentage rechtmatigheid worden teruggevonden. Tevens bevat het jaarverslag van UWV een nadere toelichting over oude- en niet-financiële fouten.

Dienstverlening

Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW gaat een grondslag bieden voor gegevensuitwisseling, zodat uitvoerders belanghebbenden proactief en gericht kunnen informeren over het mogelijke recht op inkomensondersteuning en hen helpen bij het aanvragen. Het wetsvoorstel is in 2025 verzonden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2024/25, 36 799, nr. 2). Er zijn reserveringen getroffen voor de extra uitvoeringskosten voor uitvoerders om hiermee aan de slag te gaan als de wet en de bijbehorende lagere regelgeving gereed zijn voor inwerkingtreding. Dat is naar verwachting op zijn vroegst vanaf de tweede helft van 2026.

ICT

UWV heeft zich in 2025 ingezet om de stabiliteit, continuïteit en wendbaarheid van de organisatie te vergroten door vernieuwing van de ICT-systemen. Speerpunten hierin waren het verbeteren van dienstverlening, de versterking van het IT-fundament, het voldoen aan externe verplichtingen en wet- en regelgeving, en het verbeteren van de besturing en bedrijfsvoering van de IT‑organisatie. Voorbeelden zijn de trajecten WIA Fastlane, waarin knelpunten en fouten in de dienstverlening rondom de WIA opgepakt zijn en Uniform Klantbeeld, waarin UWV-medewerkers beter zicht hebben in het contact met werkgevers.

Het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) heeft drie projecten van UWV getoetst, te weten SZW IV-Optimalisatie, Nexus: WOL en Nexus: Pulse. UWV heeft de aanbevelingen van AcICT verwerkt in verdere uitwerking van de projecten. Om UWV sneller te kunnen veranderen, fouten te voorkomen en (IT-) systemen te vernieuwen heeft UWV binnen het traject Verandermotor de eerste stappen gezet om zich rond klantreizen anders te organiseren.

De SVB heeft gewerkt aan de Meerjarenkoers 2026–2030, met focus op digitalisering van de dienstverlening, maatschappelijke weerbaarheid en continuïteit. Met het meerjarige project Sourcing IT-infrastructuur wordt via uitbesteding gewerkt aan een toekomstbestendige infrastructuur en versterking van de informatievoorziening. De aanbesteding loopt. Het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) heeft het project in 2025 getoetst. SVB werkt aan de opvolging van de adviezen.

Verder is ingezet op vereenvoudiging en modernisering van het applicatie- en infrastructuurlandschap. Het programma Modernisering AA, gericht op vernieuwing van het kernsysteem voor onder meer AOW, AIO en AKW, boekt voortgang maar de aanpak wordt heroverwogen.

Informatiebeveiliging en privacy

UWV heeft verder gewerkt aan de verbetering van de informatiebeveiliging en privacy (IB&P), in lijn met geldende wet- en regelgeving en verplichte kaders. Voor wat betreft de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) zijn openstaande verbeteracties opgepakt, zijn de BIO-vereisten verder ingebed in de organisatie en is met software beter inzicht verkregen in de compliance. De Europese AI-verordening is vanaf 2025 gedeeltelijk in werking getreden. UWV heeft inzichtelijk gemaakt hoe het kan zorgen voor de juiste toepassing van de wetsartikelen, wat nodig is om te voldoen aan de geldende wetgeving, en heeft diverse acties ontplooid om te voldoen aan de wetgeving. Voor wat betreft de Cyberbeveiligingswet heeft UWV geëxpliceerd hoe UWV, op het moment dat de wet in werking treedt, hieraan kan voldoen. Verder is onder andere gewerkt aan het autorisatiebeheer, is geïnvesteerd om security-by-design te vergroten en het proactief scannen op potentiële bedreigingen uit te breiden, en is het bedrijfscontinuïteitsmanagement verder versterkt. Bovendien blijft UWV werken aan het mitigeren van datalekken.

In 2025 is door de SVB verder gewerkt aan versterking van informatiebeveiliging en privacy. Het programma Digitale Veiligheid wordt gecontinueerd. Identity & Access Management is verder ontwikkeld en het securitybeleid geactualiseerd in lijn met NIS2, de Cyberbeveiligingswet en de BIO2-norm. Ook zijn privacy- en continuïteitsmaatregelen versterkt.

Door toenemende digitale dreigingen staat de digitale weerbaarheid onder druk. De SVB treft daarom aanvullende beleidsmatige en technische maatregelen.

Preventie en handhaving

Bij de preventieve aanpak van regelovertreding is gekozen voor een thematische benadering waarbij wordt uitgegaan van regelovertredingen die vaak voorkomen. Per thema wordt gekeken of aanpassingen in regels of dienstverlening kunnen leiden tot minder fouten en vergissingen. Als eerste thema wordt (sinds juli 2025) gekeken naar het te laat melden van vakantie of verblijf in het buitenland. In het kader van preventie van ondermijning is gewerkt aan een aanpak van zorgfraude en fraude met ervaringscertificaten in de zorg. In het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid is bijgedragen aan een gezamenlijke aanpak van de leefbaarheidsproblematiek in diverse gemeenten, waarbij Rijk en lokaal bestuur als één overheid optreden en intensief samenwerken.

De Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen is per 1 januari 2025 gewijzigd. In 2026 zal een invoeringstoets gedaan worden. Gelijktijdig wordt het handhavingsinstrumentarium herzien. Daartoe is in juli 2025 het wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid naar de Kamer verzonden, na een positief advies van de Raad van State in het voorjaar (Kamerstukken II 2024/25, 36 785, nr. 2). Ook is onderzoek gedaan naar de effecten van terugvordering. Het opgeleverde onderzoek is in september 2025 naar de Kamer gezonden (Kamerstuk II 2025/26, 17 050, nr. 612), waarbij is aangekondigd dat het vorderingenbeleid nader onderzocht wordt. Hierbij worden tevens onderdelen van het voormalige programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen (VIM) (tegengaan van keteneffecten bij nabetalingen en bruto/netto-problematiek) meegenomen.

Apparaatstaakstelling

Ten behoeve van de apparaatstaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord zijn verschillende bezuinigingen doorgevoerd. Daarnaast is er bij de onderwijsbegrotingsbehandeling het amendement Bontenbal c.s. ingediend dat betrekking heeft op een extra taakstelling op de apparaatsuitgaven vanaf 2025, waarvan € 34,4 miljoen betrekking heeft op SZW, inclusief de uitvoering. Over de concrete invulling van de taakstelling is er afstemming met UWV en de SVB. De inzet is om de taakstelling zo maximaal mogelijk in te vullen met vereenvoudiging. Beide uitvoeringsorganisaties vullen de taakstelling daarnaast in met maatregelen in de bedrijfsvoering en taakaanpassingen. De extra taakstelling is door UWV en SVB inmiddels grotendeels ingevuld.

Tabel 90 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 11 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

654.624

700.110

741.755

733.917

721.780

682.020

39.760

         
 

Uitgaven

654.624

699.830

741.196

734.383

721.797

681.820

39.977

         

11.0

Uitvoering

654.624

699.830

741.196

734.383

721.797

681.820

39.977

 

Opdrachten

0

573

681

721

710

2.400

‒ 1.690

 

Handhaving en gegevensuitwisseling

0

573

681

721

710

2.400

‒ 1.690

 

Bekostiging

0

7.441

9.044

8.256

9.240

12.823

‒ 3.583

 

Uitvoeringskosten CN

0

7.441

9.044

8.256

9.240

12.823

‒ 3.583

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

653.789

691.006

729.842

723.619

709.782

665.088

44.694

 

Uitvoeringskosten UWV

487.173

507.942

525.400

520.729

510.284

473.360

36.924

 

Uitvoeringskosten SVB

149.116

167.765

188.450

184.133

180.029

175.972

4.057

 

Uitvoeringskosten Bureau Informatie Diensten Nederland (BIDN)

17.500

15.299

15.992

18.757

19.469

15.756

3.713

 

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

835

810

1.629

1.787

2.065

1.509

556

 

Landelijk Clientenraad

835

810

1.629

1.787

2.065

1.509

556

         
 

Ontvangsten

88.058

82.925

54.288

89.527

44.083

0

44.083

         
Tabel 91 Uitsplitsing ontvangsten artikel 11 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

88.058

82.925

54.288

89.527

44.083

0

44.083

         

11.0

Uitvoering

88.058

82.925

54.288

89.527

44.083

0

44.083

 

Ontvangsten

88.058

82.925

54.288

89.527

44.083

0

44.083

 

Algemeen

88.058

82.925

54.288

89.527

44.083

0

44.083

Tabel 92 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 11 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

1.845.340

1.972.833

2.207.746

2.319.792

2.446.997

2.466.636

‒ 19.639

         
 

Uitgaven

1.845.340

1.972.833

2.207.746

2.319.792

2.446.997

2.466.636

‒ 19.639

         

11.0

Uitvoeringskosten

1.845.340

1.972.833

2.207.746

2.319.792

2.446.997

2.466.636

‒ 19.639

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

1.845.340

1.972.833

2.207.746

2.319.792

2.446.997

2.466.636

‒ 19.639

 

Uitvoeringskosten UWV

1.670.751

1.818.002

2.008.578

2.089.734

2.208.738

2.153.300

55.438

 

Uitvoeringskosten SVB

174.589

154.831

199.168

230.058

238.259

212.715

25.544

 

Uitvoeringskosten UWV nominaal

0

0

0

0

0

91.650

‒ 91.650

 

Uitvoeringskosten SVB nominaal

0

0

0

0

0

8.971

‒ 8.971

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         
Opdrachten

Met het opdrachtenbudget voor handhaving en gegevensuitwisseling wordt beleidsontwikkeling op het gebied van handhaving en preventie ondersteund.

Vanaf het opdrachtenbudget is circa € 0,7 miljoen uitgegeven die onder deze post in het jaarverslag wordt verantwoord. De middelen zijn onder andere besteed aan het onderzoek Kennis der Verplichtingen, onderzoek naar de effecten van de gegevensuitwisseling in de SUWI-keten en het onderzoek naar de effecten van het terugvorderbeleid. Naast de uitgaven die direct onder deze post in het jaarverslag worden verantwoord, is er budget beschikbaar gesteld waarvan de uitgaven elders worden verantwoord. Zo is in 2025 € 0,5 miljoen beschikbaar gesteld aan de doorontwikkeling van verzoekservices voor de Individuele Inkomenstoeslag. Deze uitgaven worden in het jaarverslag verantwoord als bijdrage aan het BIDN. Daarnaast is een bijdrage geleverd aan verschillende gemeenten voor subsidies, waaronder voor het begeleiden van kwetsbare jongeren in het kader van preventie van ondermijnende criminaliteit. Hiervoor is een bijdrage gedaan aan het Gemeentefonds van € 0,9 miljoen.

Bekostiging

De RCN-unit SZW is een bij de Rijksdienst Caribisch Nederland gepositioneerd onderdeel van het departement dat namens de Minister is belast met uitkeringsverstrekking, vergunningverlening en arbeidsinspectie in Caribisch Nederland.

De uitvoeringskosten zijn € 3,6 miljoen lager uitgevallen dan voorzien bij de begroting 2025. Dit heeft grotendeels te maken met vertraging van het project inzake de noodzakelijke vernieuwing van het applicatielandschap. Deze middelen zijn doorgeschoven naar latere jaren.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor het uitvoeringsbudget van UWV (inclusief BKWI), de SVB en het BIDN, waarbinnen deze organisaties hun jaarplannen dienen op te stellen. Deze financiële kaders hebben alleen betrekking op de uitvoering van SZW-taken door genoemde ZBO’s. In de jaarplannen nemen UWV en de SVB een verdeling van de uitvoeringskosten naar wet en/of fonds op. De Minister stuurt in eerste aanleg op het totaalbudget per organisatie. Uitgangspunt daarbij is dat de organisaties zelfstandig de uitvoering organiseren en over de realisatie via het jaarverslag verantwoording afleggen aan de Minister van SZW.

De uitvoeringskosten van UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en van volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten. Voor een nadere toelichting op de volumeontwikkelingen wordt naar de desbetreffende artikelen verwezen.

Budgettaire ontwikkelingen

De totale uitvoeringskosten UWV vallen € 92,1 miljoen hoger uit dan begroot. Dit wordt grotendeels verklaard door de jaarlijkse loon-prijsbijstelling. De totale uitvoeringskosten SVB vallen € 29,6 miljoen hoger uit dan begroot. Dit wordt grotendeels verklaard door de jaarlijkse loon-prijsbijstelling en de technische verwerking van de voorziening levensfaseregeling.

In de tabellen 93 en 94 zijn de gerealiseerde uitvoeringskosten van UWV en de SVB toegedeeld aan de onderscheiden wetten en regelingen. Deze toedeling is extracomptabel.

Tabel 93 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten UWV (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

UWV (incl. BKWI)

2.157.924

2.325.944

2.533.978

2.610.463

2.718.769

      

Begrotingsgefinancierd

487.173

507.942

525.400

520.729

510.031

IOW

2.580

2.576

2.312

1.698

1.744

Wajong

189.080

202.567

200.894

224.592

222.804

Re-integratie Wajong1

95.777

108.423

118.851

114.837

125.409

Basisdienstverlening

91.932

84.137

93.738

87.750

94.100

Beoordeling gemeentelijke doelgroep

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

WSW-indicatiestelling

1.329

1.664

1.980

1.330

1.378

Scholingsbudget WW

5.500

900

0

0

0

NOW 1

20.600

7.700

0

894

662

NOW 2

10.000

3.900

0

4.294

769

NOW 3

16.000

20.347

1.400

16.038

8.531

NOW 4

4.000

1.400

1.400

2.106

3.517

NOW 5

0

10.565

8.600

3.000

3.092

NOW 6

0

2.000

38.061

14.480

3.600

TOFA

2.591

100

0

0

0

MCKW

337

291

209

132

0

Uitvoering kassierstaak

3.300

3.300

1.670

2.220

570

Centrale uitvoering landelijke ondersteuning

3.000

3.100

3.040

2.930

0

Skills en mogelijkheden

1.498

2.458

3.220

3.082

4.213

Inzet doelgroep banenafspraak

3.100

4.000

0

0

0

STAP

0

13.100

13.500

2.682

533

IPS voor gemeenten

0

0

130

90

188

BKWI

16.550

15.412

16.395

18.574

18.921

      

Premiegefinancierd

1.670.751

1.818.002

2.008.578

2.089.734

2.208.738

WW

622.234

587.109

656.262

676.607

733.320

ZW

391.344

427.172

425.935

386.061

433.470

WAZO

12.874

15.199

12.308

12.287

11.943

WAO

72.036

80.165

64.302

70.968

69.861

Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW1

131.981

164.699

182.380

218.973

180.091

WGA

382.235

442.583

544.699

613.378

619.770

IVA

75.563

88.281

111.736

157.182

106.317

WAZ

2.944

4.034

3.196

3.178

2.609

Toevoeging aan bestemmingsfonds/egalisatiereserve

‒ 20.460

8.760

7.760

‒ 48.900

51.358

1

Dit zijn uitvoeringskosten. Re-integratie in de vorm van voorzieningen en/of trajecten staan weergegeven op beleidsartikel 3. De uitvoeringskosten re-integratie hebben betrekking op de werkzaamheden die UWV verricht ten behoeve van de inkoop van externe re-integratiediensten en re-integratiedienstverlening voor werkzoekenden in de WIA, WAO, en Wajong die UWV zelf aanbiedt.

Tabel 94 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten SVB (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

SVB

323.705

322.596

387.618

414.191

418.288

      

Begrotingsgefinancierd

149.116

167.765

188.450

184.133

180.029

AKW

101.565

115.105

131.841

126.800

113.238

TAS

2.349

4.688

1.582

1.565

1.631

TSB1

  

7.680

4.448

3.732

KOT/WKB

9.0812

7.347

10.034

10.034

11.575

AIO

33.600

38.625

35.079

39.074

47.947

Bijstand buitenland

224

224

224

223

53

Overbruggingsregeling AOW

489

0

250

250

250

Remigratiewet

1.808

1.776

1.760

1.739

1.603

      

Premiegefinancierd

174.589

154.831

199.168

230.058

238.259

AOW

165.055

145.124

186.351

214.712

223.609

Anw

9.534

9.707

12.817

15.345

14.650

1

Inclusief middelen Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen.

2

Inclusief Tijdelijke tegemoetkoming kinderopvang.

Bijdrage aan nationale organisaties

De Landelijke Cliëntenraad (LCR) is een overlegorgaan ingesteld bij Wet SUWI waarin landelijke cliëntenorganisaties, vertegenwoordigers van gemeentelijke cliëntenraden en vertegenwoordigers van de centrale cliëntenraden van de SVB en UWV zitting hebben. De LCR heeft tot taak periodiek te overleggen met UWV, de SVB, de gemeenten en de Minister van SZW over onderwerpen op het terrein van werk en inkomen. Begin 2025 is een onderzoek opgeleverd over de bedrijfsvoering van de Landelijke Cliëntenraad. Het aanvullende budget was bestemd voor de opvolging van dit rapport, waaronder het op orde brengen van de bedrijfsvoering.

Ontvangsten

De ontvangsten bedragen in 2025 circa € 44 miljoen. Dit betreffen verrekeningen over rijksgefinancierde regelingen met betrekking tot de uitvoeringskosten van UWV en SVB over 2024.

5.12 Artikel 12 Rijksbijdragen

De overheid borgt voldoende dekking in sociale fondsen.

De uitgaven die worden gedaan vanuit de sociale fondsen worden hoofdzakelijk gefinancierd via premies. In een aantal gevallen vindt de overheid het heffen van premies niet wenselijk, bijvoorbeeld om te voorkomen dat premiepercentages blijvend toenemen en daarmee een evenwichtige koopkrachtontwikkeling in de weg staan. In andere gevallen vindt de overheid financiering van een regeling vanuit de algemene middelen passend, maar wordt de regeling wel betaald uit een van de sociale fondsen. In beide gevallen worden de inkomsten van de sociale fondsen aangevuld via een of meerdere rijksbijdragen.

De Minister financiert de sociale fondsen uit de rijksbegroting, al dan niet in aanvulling op premieheffing. De Minister is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vaststelling van de hoogte van de rijksbijdragen aan de desbetreffende sociale fondsen;

  • het betalen van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen.

De beoogde resultaten, het waar gewenst aanvullen van de sociale fondsen via een rijksbijdrage, zijn gerealiseerd.

Tabel 95 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 12 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

23.151.182

20.291.413

20.635.874

31.203.175

29.182.158

28.508.852

673.306

         
 

Uitgaven

23.173.152

20.291.413

20.635.874

31.203.175

29.182.158

28.508.852

673.306

         

12.0

Rijksbijdragen

23.173.152

20.291.413

20.635.874

31.203.175

29.182.158

28.508.852

673.306

 

Bijdrage aan sociale fondsen

23.173.152

20.291.413

20.635.874

31.203.175

29.182.158

28.508.852

673.306

 

Kosten heffingskortingen AOW

2.337.200

2.420.700

2.802.100

3.066.400

3.916.800

3.876.800

40.000

 

Vermogenstekort Ouderdomsfonds

20.561.200

17.612.000

17.543.400

27.828.000

24.940.300

24.334.800

605.500

 

Tegemoetkoming arbeidsongeschikten

160.349

167.394

180.798

202.575

206.596

185.081

21.515

 

Zwangere zelfstandigen

92.433

91.319

109.576

106.200

118.462

112.171

6.291

 

Transitievergoeding

21.970

0

0

0

0

0

0

         
 

Ontvangsten

2.085

823

21

6.680

929

0

929

         
Tabel 96 Uitsplitsing ontvangsten artikel 12 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

2.085

823

21

6.680

929

0

929

         

12.0

Rijksbijdragen

2.085

823

21

6.680

929

0

929

 

Ontvangsten

2.085

823

21

6.680

929

0

929

 

Algemeen

2.085

823

21

6.680

929

0

929

Bijdrage aan sociale fondsen

De bijdragen aan de sociale fondsen worden overgemaakt van de begroting van SZW aan verschillende fondsen bij SVB en UWV. Hoofdstuk 11, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de sociale fondsen.

Rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOW

Deze rijksbijdrage compenseert de gewijzigde premieopbrengst die het gevolg is van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. De hoogte van deze rijksbijdrage wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en eventuele wijzigingen van de belasting- en premietarieven in de eerste schijf.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen is gedurende het jaar met € 40 miljoen naar boven bijgesteld. Dat komt doordat de budgettaire derving vanwege de heffingskortingen naar boven is bijgesteld. Deze hogere heffingskortingen zorgen voor minder inkomstenbelasting en premie-inkomsten voor de volksverzekeringen. De rijksbijdrage is naar boven bijgesteld om dit (deels) te compenseren.

Rijksbijdrage vermogenstekort Ouderdomsfonds

De uitgaven uit het Ouderdomsfonds worden grotendeels gedekt door de premie-inkomsten. De hoogte van de AOW-premie is echter wettelijk gemaximeerd om te voorkomen dat de groeiende AOW-uitgaven leiden tot een alsmaar stijgende AOW-premie en een onevenwichtige koopkrachtontwikkeling. Dit leidt tot een jaarlijks exploitatietekort in het Ouderdomsfonds. De rijksbijdrage Ouderdomsfonds is bedoeld om het exploitatietekort in het Ouderdomsfonds aan te vullen zodat dat fonds gemiddeld genomen een neutrale vermogenspositie heeft.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds voor 2025 is in juli van dat jaar vastgesteld, met gebruik van de CEP raming van het CPB en de realisatiecijfers uit het SVB-jaarverslag van 2024. Ten opzichte van de begroting 2025 is de rijksbijdrage € 606 miljoen hoger vastgesteld. Deze bijstelling bestaat grofweg uit twee onderdelen, die tegen elkaar in werken. Het eerste onderdeel is het feit dat het Ouderdomsfonds het jaar 2024 heeft afgesloten met een hoger dan verwacht vermogensoverschot. Dit kwam vooral doordat in 2024 de premie-inkomsten hoger uitvielen dan geraamd. Een overschot in het fonds wordt verrekend in de rijksbijdrage van het volgende jaar, die daardoor dus lager kan zijn. De rijksbijdrage voor 2025 kon hierdoor met € 877 miljoen naar beneden worden bijgesteld. Het tweede onderdeel is dat de geraamde premie-inkomsten voor 2025 met € 1,4 miljard naar beneden zijn bijgesteld, en de uitgaven met € 65 miljoen zijn verhoogd. De rijksbijdrage voor 2025 moet dus hoger zijn om deze lagere inkomsten en hogere uitgaven te compenseren. In totaal is de rijksbijdrage hierdoor gestegen met € 606 miljoen.

Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De tegemoetkomingen arbeidsongeschikten voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden gefinancierd uit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van UWV opgenomen.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage is gedurende het jaar met € 22 miljoen naar boven bijgesteld in lijn met de geraamde uitgaven aan de tegemoetkoming arbeidsongeschikten.

Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen

De regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ) voorziet in een uitkering aan zelfstandigen voorafgaand aan en volgend op de bevalling (zie ook beleidsartikel 6). Deze regeling wordt gefinancierd via een rijksbijdrage aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Ook de uitkeringen voor zwangere alfahulpen worden via deze rijksbijdrage gefinancierd. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van UWV opgenomen.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage is gedurende het jaar met € 6,3 miljoen naar boven bijgesteld op basis van hogere geraamde uitgaven aan de regeling ZEZ.

Ontvangsten

Bij de rijksbijdragen is soms sprake van een klein bedrag aan ontvangsten. De rijksbijdragen voor de tegemoetkoming arbeidsongeschikten en voor de ZEZ worden door het ministerie overgemaakt naar UWV. De hoogte van de rijksbijdragen wordt tijdens het jaar aangepast aan de verwachte uitgaven van UWV. Aan het einde van het jaar, als de laatste maandelijkse betaling voor de rijksbijdrage is gedaan, kunnen de uitgaven van UWV echter nog wijzigen. Er ontstaat dan een klein verschil tussen het overgemaakte bedrag, en de daadwerkelijk door UWV uitgegeven bedragen. Als de rijksbijdrage eigenlijk hoger had moeten zijn, dan doet het ministerie een nabetaling in het volgende jaar. Als de rijksbijdrage iets te hoog is geweest, dan ontvangt het ministerie in het volgende jaar het teveel betaalde bedrag terug. Dit wordt dan verwerkt als ontvangst op dit beleidsartikel.

In 2025 is er € 0,9 miljoen terugontvangen van de rijksbijdrage voor de ZEZ voor 2024. Dat komt omdat de uitvoeringskosten in dat jaar lager uitvielen dan het bedrag dat SZW hiervoor aan UWV had overgemaakt.

5.13 Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

De overheid bevordert de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit door participatie van iedereen met een migratieachtergrond. Daarnaast bevordert de overheid de acceptatie van culturele diversiteit in de samenleving.

In het integratiebeleid ligt de nadruk op het creëren van sociale stabiliteit in een samenleving die in cultureel opzicht steeds meer divers wordt. Een sociaal stabiele samenleving houdt in dat:

  • mensen zelfredzaam zijn en zonder belemmeringen kunnen meedoen;

  • zij in al hun verscheidenheid met elkaar samenleven;

  • iedereen zich thuisvoelt ongeacht herkomst, religie of levensovertuiging.

Dit wordt gerealiseerd door:

  • het versterken van inclusief en gelijkwaardig samenleven;

  • het bevorderen van samenhang en het voorkomen van maatschappelijke spanningen;

  • het overbruggen van verschillende scheidslijnen door verbinding van verschillende groepen in de samenleving te stimuleren;

  • het verhogen van de veerkracht en weerbaarheid ten behoeve van de sociale stabiliteit;

  • werk stimuleren als basis van integratie;

  • het werken aan een evenredige positie en participatie in de Nederlandse samenleving en aan een evenredig bereik en effectiviteit van voorzieningen voor alle burgers in Nederland.

De Minister stimuleert met behulp van onder andere financiële instrumenten de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving van migranten, en het samenleven met elkaar in de diverse samenleving. De samenlevingsvraagstukken verschillen per gemeente of regio. De rol van de Minister bij het oplossen hiervan is een faciliterende. De Minister financiert een uitkeringsregeling aan remigranten op grond van de Remigratiewet alsmede de hiermee samenhangende uitvoeringskosten. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de visie en samenhang van het integratiebeleid en de daarvoor benodigde kennis;

  • het aanspreken van de vakdepartementen op hun verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat reguliere voorzieningen toegankelijk en effectief zijn voor alle burgers;

  • de uitvoering van de Remigratiewet.

In 2025 viel de verantwoordelijkheid voor Inburgering onder het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Per 19 juni 2025 is de politieke verantwoordelijkheid voor Inburgering overgegaan naar het Ministerie van SZW. De verantwoording van de middelen vindt voor geheel 2025 plaats in het jaarverslag van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

In 2025 is een Actieagenda Integratie uitgewerkt, waarin diverse maatregelen op het brede integratie domein worden ondergebracht. Begin 2025 is de brief naar de Tweede Kamer gegaan over de contouren van de Actieagenda en sindsdien is gewerkt aan de invulling van de actieagenda (Kamerstukken II 2024/25, 32 824, nr. 448). Er zijn extra middelen tot en met 2029 toegekend voor de uitvoering van deze actieagenda. Op 4 juli is de brief ‘Voortgang Actieagenda Integratie en de Open en Vrije samenleving’ (Kamerstukken II 2024/25, 32 824, nr. 456), met de eerste uitwerking van de agenda, verzonden naar de Tweede Kamer. Tevens is op een aantal maatregelen daaruit, zoals nationale dialoog, startbanen, vrouwelijke statushouders, zelfbeschikking en Holocausteducatie, extra inzet gepleegd in het najaar van 2025. In samenwerking met gemeenten en maatschappelijke organisaties is gewerkt aan het op lokaal niveau versterken van de preventieve aanpak van discriminatie op grond van huidskleur, afkomst en religie via het opzetten van een leernetwerk voor gemeenten.  

Tabel 97 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 13 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

203.252

342.975

428.776

627.737

53.730

52.368

1.362

         
 

Uitgaven

190.131

343.489

425.275

626.715

50.825

52.368

‒ 1.543

         

13.0

Integratie en maatschappelijke samenhang

190.131

343.489

425.275

626.715

50.825

52.368

‒ 1.543

 

Inkomensoverdrachten

40.492

39.241

37.759

37.454

38.064

35.718

2.346

 

Remigratiewet

40.492

39.241

37.759

37.454

38.064

35.718

2.346

 

Subsidies (regelingen)

17.967

16.356

15.896

19.975

7.354

8.599

‒ 1.245

 

Opbouw kennisfunctie integratie

2.882

2.817

3.213

2.628

2.695

2.664

31

 

Vluchtelingenwerk Nederland

1.070

1.076

1.018

1.394

1.176

1.176

0

 

Overige subsidies algemeen

10.531

5.988

4.037

6.801

3.483

4.759

‒ 1.276

 

Vroege Integratie en Participatie

3.484

6.475

7.628

9.152

0

0

0

 

Opdrachten

8.758

10.563

12.827

11.651

5.407

8.051

‒ 2.644

 

Opdracht Integratie

7.221

9.025

11.231

10.070

5.407

7.351

‒ 1.944

 

Remigratie

1.537

1.538

1.596

1.581

0

700

‒ 700

 

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

26.231

30.956

33.651

38.000

0

0

0

 

COA

26.231

30.956

33.651

38.000

0

0

0

 

Bijdrage aan agentschappen

26.321

24.011

26.089

27.168

0

0

0

 

Agentschap DUO

26.321

24.011

26.089

27.168

0

0

0

 

Bijdrage aan medeoverheden

0

127.612

208.349

434.179

0

0

0

 

Gemeenten inburgeringsvoorzieningen

0

111.982

186.141

413.981

0

0

0

 

Specifieke uitkering onderwijsroute

0

15.000

22.208

20.198

0

0

0

 

Specifieke uitkering overig

0

630

0

0

0

0

0

 

Leningen

70.362

94.750

90.704

58.288

0

0

0

 

DUO

70.362

94.750

90.704

58.288

0

0

0

         
 

Ontvangsten

4.956

5.205

43.030

24.672

147

0

147

         
Tabel 98 Uitsplitsing ontvangsten artikel 13 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

         

Art.

Ontvangsten

4.956

5.205

43.030

24.672

147

0

147

         

13.0

Integratie en maatschappelijke samenhang

4.956

5.205

43.030

24.672

147

0

147

 

Ontvangsten

4.956

5.205

43.030

24.672

147

0

147

 

Algemeen

740

383

10.501

12.492

147

0

147

 

Leningen

4.216

4.822

6.059

7.015

0

0

0

 

Ontvangsten SPUK Inburgering

0

0

26.470

5.165

0

0

0

Het integratiebeleid bevordert de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit en heeft als einddoel dat groepen met een migratieachtergrond dezelfde maatschappelijke positie innemen als groepen zonder migratieachtergrond. Dit doel komt dichterbij als de verschillen tussen de groepen afnemen. Drie belangrijke indicatoren hiervoor zijn de arbeidsparticipatie, de werkloosheid en het aandeel leerlingen dat in het voortgezet onderwijs havo en vwo volgt.

De figuren 5, 6 en 7 presenteren de ontwikkeling in deze indicatoren: de aandelen van de bevolking met betaald werk, het werkloosheidspercentage en het aandeel leerlingen in de derde klas van het voortgezet onderwijs dat havo of vwo volgt naar achtergrond, generatie en (school)jaar. De figuren laten verschillen zien tussen zowel de uiteenlopende herkomstgroepen als tussen de generaties binnen dezelfde herkomstgroep.

Figuur 5 Kerncijfers integratie: netto arbeidsparticipatie1 (%)

Figuur 5 presenteert door middel van een horizontale staafdiagram de aandelen van de bevolking met betaald werk (netto arbeidsparticipatie) naar achtergrond, generatie en jaar. Totale bevolking realisatie 2022 72%, realisatie 2023 73%, realisatie 2024 73%. Met migratieachtergrond. Turks 1e generatie realisatie 2022 58%, realisatie 2023 59%, realisatie 2024 63%. Turks 2e generatie realisatie 2022 77%, realisatie 2023 79%, realisatie 2024 77%. Marokkaans 1e generatie realisatie 2022 57%, realisatie 2023 58%, realisatie 2024 56%. Marokkaans 2e generatie realisatie 2022 78%, realisatie 2023 74%, realisatie 2024 74%. Surinaams 1e generatie realisatie 2022 59%, realisatie 2023 59%, realisatie 2024 61%. Surinaams 2e generatie realisatie 2022 75%, realisatie 2023 76%, realisatie 2024 81%. (voormalige) Antillen 1e generatie realisatie 2022 61%, realisatie 2023 63%, realisatie 2024 62%. (voormalige) Antillen 2e generatie realisatie 2022 78%, realisatie 2023 77%, realisatie 2024 81%. Indonesisch 1e generatie realisatie 2022 38%, realisatie 2023 41%, realisatie 2024 38%. Indonesisch 2e generatie realisatie 2022 73%, realisatie 2023 74%, realisatie 2024 73%. Overig buiten-Europees 1e generatie realisatie 2022 64%, realisatie 2023 64%, realisatie 2024 66%. Overig buiten-Europees 2e generatie realisatie 2022 78%, realisatie 2023 80%, realisatie 2024 79%. Europees (exclusief Nederland) 1e generatie realisatie 2022 74%, realisatie 2023 75%, realisatie 2024 75%. Europees (exclusief Nederland) 2e generatie realisatie 2022 69%, realisatie 2023 71%, realisatie 2024 69%. Bron: CBS, Kernindicatoren integratie.

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Figuur 6 Kerncijfers integratie: werkloze beroepsbevolking2 (%)

Figuur 6 presenteert door middel van een horizontale staafdiagram het werkloosheidspercentage (werkloze beroepsbevolking) naar achtergrond, generatie en jaar. Totale bevolking realisatie 2022 4%, realisatie 2023 4%, realisatie 2024 4%. Met migratieachtergrond. Turks 1e generatie realisatie 2022 7%, realisatie 2023 7%, realisatie 2024 5%. Turks 2e generatie realisatie 2022 5%, realisatie 2023 5%, realisatie 2024 5%. Marokkaans 1e generatie realisatie 2022 7%, realisatie 2023 4%, realisatie 2024 5%. Marokkaans 2e generatie realisatie 2022 6%, realisatie 2023 9%, realisatie 2024 7%. Surinaams 1e generatie realisatie 2022 6%, realisatie 2023 5%, realisatie 2024 4%. Surinaams 2e generatie realisatie 2022 7%, realisatie 2023 6%, realisatie 2024 6%. (voormalige) Antillen 1e generatie realisatie 2022 10%, realisatie 2023 7%, realisatie 2024 6%. (voormalige) Antillen 2e generatie realisatie 2022 6%, realisatie 2023 7%, realisatie 2024 6%. Indonesisch 1e generatie realisatie 2022 5%, realisatie 2023 3%, realisatie 2024 3%. Indonesisch 2e generatie realisatie 2022 3%, realisatie 2023 4%, realisatie 2024 3%. Overig buiten-Europees 1e generatie realisatie 2022 7%, realisatie 2023 7%, realisatie 2024 7%. Overig buiten-Europees 2e generatie realisatie 2022 7%, realisatie 2023 6%, realisatie 2024 7%. Europees (exclusief Nederland) 1e generatie realisatie 2022 4%, realisatie 2023 5%, realisatie 2024 5%. Europees (exclusief Nederland) 2e generatie realisatie 2022 4%, realisatie 2023 4%, realisatie 2024 4%. Bron: CBS, Kernindicatoren integratie.

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Figuur 7 Kerncijfers integratie: aandeel havo/vwo-leerlingen in het 3e leerjaar van het voortgezet onderwijs (%)

Figuur 7 presenteert door middel van een horizontale staafdiagram het aandeel leerlingen in de derde klas van het voortgezet onderwijs dat havo of vwo volgt naar achtergrond, generatie en schooljaar. Totale bevolking realisatie 2022/2023 48%, realisatie 2023/2024 49%, realisatie 2024/2025 48%. Met migratieachtergrond. Turks 1e generatie realisatie 2022/2023 54%, realisatie 2023/2024 50%, realisatie 2024/2025 54%. Turks 2e generatie realisatie 2022/2023 33%, realisatie 2023/2024 33%, realisatie 2024/2025 32%. Marokkaans 1e generatie realisatie 2022/2023 30%, realisatie 2023/2024 27%, realisatie 2024/2025 24%. Marokkaans 2e generatie realisatie 2022/2023 38%, realisatie 2023/2024 38%, realisatie 2024/2025 37%. Surinaams 1e generatie realisatie 2022/2023 22%, realisatie 2023/2024 21%, realisatie 2024/2025 25%. Surinaams 2e generatie realisatie 2022/2023 37%, realisatie 2023/2024 39%, realisatie 2024/2025 39%. (voormalige) Antillen 1e generatie realisatie 2022/2023 30%, realisatie 2023/2024 28%, realisatie 2024/2025 25%. (voormalige) Antillen 2e generatie realisatie 2022/2023 28%, realisatie 2023/2024 28%, realisatie 2024/2025 29%. Indonesisch 1e generatie realisatie 2022/2023 68%, realisatie 2023/2024 51%, realisatie 2024/2025 56%. Indonesisch 2e generatie realisatie 2022/2023 59%, realisatie 2023/2024 56%, realisatie 2024/2025 58%. Overig buiten-Europees 1e generatie realisatie 2022/2023 43%, realisatie 2023/2024 46%, realisatie 2024/2025 44%. Overig buiten-Europees 2e generatie realisatie 2022/2023 52%, realisatie 2023/2024 52%, realisatie 2024/2025 51%. Europees (exclusief Nederland) 1e generatie realisatie 2022/2023 50%, realisatie 2023/2024 51%, realisatie 2024/2025 51%. Europees (exclusief Nederland) 2e generatie realisatie 2022/2023 57%, realisatie 2023/2024 57%, realisatie 2024/2025 56%. Bron: CBS, Kernindicatoren integratie.

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Inkomensoverdrachten

Remigratiewet

De Remigratiewet biedt personen die naar Nederland kwamen voor arbeid en vestiging een kans om terug te keren bij een dringende wens tot terugkeer in geval dat zij in een uitzichtloze situatie van afhankelijkheid (uitkeringssituatie) verkeren en zelf hun remigratie niet kunnen bekostigen. Om personen die daarvoor in aanmerking komen in staat te stellen naar hun herkomstland terug te keren, kon tot 1 januari 2025 een remigratie-uitkering worden aangevraagd. De SVB voert de Remigratiewet uit.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven op de remigratie-uitkering vallen € 2,3 miljoen hoger uit vanwege bijstelling voor loon- en prijsontwikkeling.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 99 Kerncijfers Remigratie
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

Begroting 2025

Verschil 2025

Aantal remigranten met een periodieke uitkering ( x 1.000 personen, ultimo)1

13

13

13

12

12

12

0

Bron: SVB, administratie.

1

Inclusief nihil-uitkeringen: de remigrant heeft recht op een remigratie-uitkering, maar na verrekening van andere, exporteerbare uitkeringsgelden wordt het bedrag op nihil vastgesteld.

Subsidies

Op het budget voor subsidies is per saldo € 1,2 miljoen minder uitgegeven dan begroot. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat de beoordeling van de subsidieaanvragen voor de subsidiewerkgeversregeling voor het programma statushouders aan het werk meer tijd kostte, waardoor een deel in 2026 wordt behandeld en toegekend.

Opdrachten

Uit dit budget worden projecten bekostigd op het terrein van integratie. Voorbeelden zijn onderzoek en methodiekontwikkeling in het kader van de werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA), samenleven, aanpak discriminatie en racisme en zelfbeschikking. Daarnaast worden vanuit dit budget projecten bekostigd ten behoeve van training en voorlichting op het terrein van integratieonderwerpen (zoals weerbare samenleving en sociale stabiliteit en tegengaan van sociale spanningen). Er is op het opdrachtenbudget € 2,6 miljoen minder uitgegeven dan begroot. Dit komt omdat het langer duurde om met de aanbesteding en opdrachten van de Actieagenda Integratie aan de slag te gaan.

1

Het aandeel van de bevolking van 15 tot 75 jaar met betaald werk voor ten minste een uur per week.

2

Het aandeel van de bevolking van 15 tot 75 jaar zonder betaald werk, die recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn. Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.

6. Niet-beleidsartikelen

6.1 Artikel 96 Apparaat Kerndepartement

Dit artikel bevat alle personele en materiële uitgaven en bijbehorende ontvangsten van het Ministerie van SZW. In beleidsartikel 11 zijn de bijdragen aan zbo's verder toegelicht.

Budgettaire gevolgen

Tabel 100 Apparaatsuitgaven Kerndepartement Budgettaire gevolgen (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

452.010

502.241

557.445

641.773

650.001

594.757

55.244

         
 

Uitgaven

423.274

485.945

555.161

616.915

639.143

599.619

39.524

         

96.0

Apparaat Kerndepartement

423.274

485.945

555.161

616.915

639.143

599.619

39.524

 

Personele uitgaven

341.963

392.502

453.441

511.117

522.536

488.476

34.060

 

eigen personeel

318.847

359.236

411.214

468.081

490.994

474.790

16.204

 

externe inhuur

21.768

31.669

40.090

39.678

23.710

11.201

12.509

 

overige personele uitgaven

1.348

1.597

2.137

3.358

7.832

2.485

5.347

 

Materiële uitgaven

81.311

93.443

101.720

105.798

116.607

111.143

5.464

 

overige materiële uitgaven

13.381

15.938

18.817

20.758

19.672

21.895

‒ 2.223

 

ICT

16.430

17.997

14.469

17.000

24.830

24.067

763

 

bijdrage aan SSO's

51.500

59.508

68.434

68.040

72.105

65.181

6.924

         
 

Ontvangsten

64.920

78.914

92.868

106.689

103.265

105.083

‒ 1.818

         

Toelichting

Personele uitgaven

Eigen personeel

Voor eigen personeel is € 16,2 miljoen meer uitgegeven dan begroot. Het verschil wordt merendeels veroorzaakt door de loonprijscompensatie die in 2025 is ontvangen (€ 14 miljoen). Daarnaast is er een uitbreiding geweest voor uitvoeringskosten van de subsidie-regeling SLIM (€ 2,2 miljoen). Dit leidt tot hogere personeelskosten bij SZW.

Externe inhuur

Ten opzichte van de begroting zijn er in totaal € 12,5 miljoen extra uitgaven voor externe inhuur. Dit gaat onder andere om ICT-werkzaamheden en uitvoering van subsidieregelingen.

Overige personele uitgaven

De overige personele uitgaven zijn € 5,3 miljoen meer dan begroot. Sinds 2025 worden de uitgaven voor tolken (€ 1,5 miljoen) en de landsadvocaat (€ 1,2 miljoen) verantwoord onder overige personele uitgaven. Daarnaast is er sprake van een toename van de uitkeringen voor de regeling vervroegd uittreden (RVU) en het eigenrisicodragerschap (WIA, WW, loonkosten bij ziek uit dienst) (€ 3 miljoen).

Materiële uitgaven

Overige materiële uitgaven

De overige materiële uitgaven komen € 2,2 miljoen lager uit dan begroot. Er is minder uitgegeven aan externe locaties en catering.

Bijdrage aan SSO's

De bijdrage aan SSO's komt € 6,9 miljoen hoger uit dan begroot. Er is sprake van bijstelling van de uitgaven voor de loonprijsontwikkeling in 2025.

Rijksschoonmaakorganisatie

In 2016 is begonnen met het uitvoeren van schoonmaakactiviteiten. De deelnemende departementen betalen voor het schoonmaken een vergoeding aan het Ministerie van SZW. De uitgaven van de RSO komen ten laste van de begroting van het Ministerie van SZW.

Tabel 101 laat de apparaatsuitgaven van RSO afzonderlijk zien. Vanaf 2019 namen de jaarlijkse uitgaven toe doordat opdrachtgevers conform planning worden aangesloten op de dienstverlening van de RSO. Deze geplande aansluitingen zijn afgerond voor de departementen waarvan de externe schoonmaakdienstverlening contractueel is geëindigd. Voor dit moment worden daarom geen nieuwe aansluitingen van opdrachtgevers verwacht.

Per 2021 werkt de RSO volgens een gestandaardiseerde dienstverlening met uniforme tarieven voor opdrachtgevers gebaseerd op de begrote uitgaven. Bij toe- danwel afname van dienstverlening bewegen de inkomsten evenals de bijbehorende uitgaven mee. De taakstellingen bij de opdrachtgevers zullen naar verwachting zorgen voor een afname van de RSO dienstverlening en daarmee dalen de inkomsten en uitgaven van de RSO.

Tabel 101 Apparaatsuitgaven kerndepartement en apparaatsuitgaven RSO (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Kerndepartement exclusief RSO

       

Uitgaven

364.375

413.416

468.766

520.027

541.598

501.747

39.851

Ontvangsten

4.513

9.621

8.380

7.750

5.660

7.316

‒ 1.656

        

Rijksschoonmaakorganisatie

       

Uitgaven

58.899

72.529

86.395

96.888

97.545

97.872

‒ 327

Ontvangsten

60.407

69.293

84.488

98.939

97.605

97.767

‒ 162

Naar aanleiding van een toezegging in het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2018 is een indicator opgenomen met betrekking tot de medewerkerstevredenheid van de schoonmakers in dienst van de RSO. Dit onderzoek wordt tweejaarlijks gehouden.

Tabel 102 Medewerkerstevredenheid RSO
 

Realisatie 2019

Realisatie 2021

Realisatie 2024

Tevredenheid medewerkers RSO

8,6

9,0

8,9

Bron: RSO.

Totaaloverzicht

Tabel 103 geeft een samenvatting van de apparaatsuitgaven van het kerndepartement en van de zbo’s en rwt’s van het ministerie. De toelichting op de ontwikkeling bij het kerndepartement is te vinden bij tabel 100. Zie beleidsartikel 11 en bijlage 1 voor een toelichting op de zbo’s/rwt’s.

Tabel 103 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en zbo's/rwt's (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie

423.274

485.945

555.161

616.915

639.143

599.619

39.524

        

Totaal apparaatskosten zbo’s en rwt’s1

2.411.149

2.580.960

2.883.300

2.954.676

3.112.696

3.131.724

‒ 19.028

UWV (inclusief BKWI)

2.110.758

2.280.953

2.482.572

2.553.948

2.699.429

2.718.310

‒ 18.881

SVB

283.868

285.338

384.736

381.971

395.341

397.658

‒ 2.317

BIDN

16.523

14.669

15.992

18.757

17.926

15.756

2.170

1

Dit betreft zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde kosten. De ontvangsten artikel 11 zijn in mindering gebracht op de uitgaven.

Bezetting

De toename bij kern zit in de voorbereiding van de oprichting van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt. De grootste toename doet zich voor bij de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) in verband met werkzaamheden voor de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden en de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten. De afname bij RSO wordt verklaard door een afname in de dienstverlening, als gevolg van de opgelegde taakstellingen bij de opdrachtgevers.

Tabel 104 Bezettingsoverzicht (fte)
 

Realisatie 2021

Realisatie 2022

Realisatie 2023

Realisatie 2024

Realisatie 2025

kern

1.421

1.617

1.751

1.793

1.805

NLA

1.513

1.592

1.763

1.829

1.878

RSO

1.192

1.281

1.358

1.371

1.359

totaal

4.126

4.490

4.872

4.993

5.042

Bron: personeelsadministratie SZW.

6.2 Artikel 99 Nog onverdeeld

Op dit artikel worden de uitgaven verantwoord voor loon- en prijsbijstelling en voor onvoorziene uitgaven.

Tabel 105 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 99 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Art.

Verplichtingen

0

0

0

0

0

119.235

‒ 119.235

         
 

Uitgaven

0

0

0

0

0

119.235

‒ 119.235

         

99.0

Nog onverdeeld

0

0

0

0

0

119.235

‒ 119.235

 

Nog te verdelen

0

0

0

0

0

119.235

‒ 119.235

 

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

1.452

‒ 1.452

 

waarvan programma

0

0

0

0

0

117.783

‒ 117.783

         
 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

         

De grondslag voor dit onderdeel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel op te nemen ten behoeve van de voorlopige verwerking van de loon- en prijsindexering, een taakstelling of een ander nog te verdelen begrotingsbedrag.

Nog onverdeeld

Gedurende de begrotingsuitvoering in 2025 zijn diverse bedragen overgeheveld naar beleidsartikelen op de SZW-begroting. Zo is er € 7,5 miljoen toegekend aan artikel 11 voor de afwikkeling van de NOW-regelingen door UWV en zijn er middelen voor de uitvoering van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten verdeeld naar artikel 1 (€ 3,6 miljoen) en artikel 96 (€ 2 miljoen). Voor de uitvoering van het opheffen van het handhavingsmoratorium door de Belastingdienst is € 3,6 miljoen overgeheveld naar artikel 1.

Daarnaast zijn overboekingen met andere departementen en begrotingen verwerkt. Dit gaat voornamelijk om overboekingen naar het Gemeentefonds. Zo is er € 19,8 miljoen overgeboekt voor de rijksbijdrage sociale infrastructuur, € 18,7 miljoen voor vroegsignalering als onderdeel van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Problematische schulden, € 14,9 miljoen voor de uitvoering van de wet van school naar duurzaam werk en € 8,9 miljoen voor een aanvullende compensatie voor sociaal ontwikkelbedrijven voor werknemers in de sociale werkvoorziening (Wsw) voor het vervallen van het lage-inkomensvoordeel (LIV). Daarnaast is er € 5,9 miljoen overgemaakt naar gemeenten voor het programma Work in NL en is er € 3,3 miljoen overgemaakt naar het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor verschillende maatregelen die onderdeel zijn van het IBO Problematische schulden.

Ook zijn diverse kasschuiven doorgevoerd om beter aan te sluiten bij het verwachte kasritme van de reserveringen. Dit gaat onder meer om middelen voor het wetsvoorstel Stroomlijning keten voor derdenbeslag (SKD) (€ 12,4 miljoen in 2025 wordt doorgeschoven naar 2028 en 2029) en gereserveerde uitvoeringskosten voor maatregelen rondom schijnzelfstandigheid (€ 3,6 miljoen in 2025 naar 2027 t/m 2030).

De in eerdere jaren opgelegde taakstelling op de SZW-begroting van € 30 miljoen is ingevuld door onderuitputting op verschillende begrotingsartikelen waaronder artikel 99.

Ten slotte zijn gedurende het jaar reserveringen niet nodig gebleken, deze middelen zijn vrijgevallen. Dit geldt onder meer voor de reservering voor een mogelijke tegemoetkoming voor arbeidsongeschikte zzp'ers van € 24,5 miljoen, € 14 miljoen door vertraging van het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid en € 8,8 miljoen van de middelen voor de uitvoering van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten.

7. Bedrijfsvoeringsparagraaf

Deze paragraaf bevat een rapportage over de bedrijfsvoering van het Ministerie van SZW in 2025. Paragraaf 7.1 handelt over specifieke onderwerpen op het gebied van de bedrijfsvoering en is met voorbehoud van een alinea over de belangrijkste materiële risico's op fraude en corruptie, een uitzonderingsrapportage. Paragraaf 7.2 geeft, indien van toepassing, aandacht aan rijksbrede bedrijfsvoeringonderwerpen. In paragraaf 7.3 zijn de belangrijkste ontwikkelingen en (voorgenomen) verbeteringen in de bedrijfsvoering opgenomen.

7.1 Uitzonderingsrapportage

Deze paragraaf rapporteert over een aantal verplichte onderwerpen. Alleen als iets specifieks op een van de onderwerpen is voorgevallen, is dat opgenomen.

Rechtmatigheid

Onzekerheid Wajong

SZW steunt op de aangeleverde informatie vanuit UWV over de rechtmatigheid en kwaliteit van de Wajong-beoordelingen. SZW kan op basis hiervan niet vaststellen of de afgerekende voorschotten van de Wajong over 2024 rechtmatig zijn. Dit resulteert in een overschrijding van de rapporteringstolerantie op de afgerekende voorschotten, zie onderstaande tabel voor de exacte bedragen. In de alinea’s over «begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfsvoering» wordt dit verder toegelicht en wordt onder andere ingegaan op de oorzaken, gevolgen en de verbeter­acties bij SZW en UWV.

Onzekerheid Rijksdienst Caribisch Nederland Unit SZW

Net als in voorgaande jaren zijn er fouten en/of onzekerheden geconstateerd in de rechtmatigheid bij de Wet ongevallenverzekering BES (artikel 3), de Wet algemene ouderdomsverzekering BES (artikel 8) en de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES (artikel 9). Dit leidt tot een overschrijding van de rapporteringstoleranties van de desbetreffende artikelen. In de alinea «Financieel beheer Rijksdienst Caribisch Nederland unit SZW» wordt nader ingegaan op de voortgang op deze dossiers in het afgelopen jaar.

Tabel 106 Overzicht overschrijdingen rapporteringstoleranties fouten en onzekerheden (bedragen x € 1.000)

(1)Rapporteringstolerantie

(2)Verantwoord bedrag in€(omvangsbasis)

(3)Rapporteringstolerantie voor fouten en onzekerheden in€

(4)Bedrag aan fouten in€

(5)Bedrag aan onzekerheden in €

(6)Bedrag aan fouten en onzekerheden in€

(7)Percentage aan fouten en onzekerheden t.o.v. verantwoord bedrag= (6)/(2)*100%

       

Uitgaven/ontvangsten

      

Artikel 3Arbeidsongeschiktheid

9.368

937

248

131

378

Noot 11

Artikel 8Oudedagsvoorziening

63.816

6.382

0

23.113

23.113

36,2%

Artikel 9Nabestaanden

3.138

314

97

476

572

18,2%

       

Afgerekende voorschotten

20.550.775

1.027.539

23.815

4.396.650

4.420.465

21,5%

1

Noot 1: De som van de meest waarschijnlijke fouten en onzekerheden ad € 378.000 (kolom 6) is lager dan de rapporteringstolerantie ad € 937.000 (kolom 3). De maximale fout ad € 988.000 is echter hoger dan de rapporteringstolerantie. Dit wordt veroorzaakt door het nauwkeurigheidsverval ad € 218.000 en de basisonnauwkeurigheid ad € 392.000. Door het gebruik van een statische steekproef zijn in kolom 7 geen percentages ingevuld.

Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden te melden.

Begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfsvoering

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

Naar aanleiding van signalen van fouten bij UWV heeft de Algemene Rekenkamer onderzoek gedaan naar de WIA (Fouten bij WIA-uitkeringen: blind voor de signalen, burgers geraakt | Algemene Rekenkamer). Op 3 december 2025 is dit onderzoek aangeboden aan de Tweede Kamer en op 19 december heeft de Minister van SZW een reactie (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 863) op het onderzoek gestuurd aan de Tweede Kamer. Een combinatie van oorzaken heeft geleid tot foutgevoeligheid bij de uitvoering van de WIA, namelijk de complexiteit van wet- en regelgeving, verouderde ICT-systemen, thuiswerken als gevolg van het coronavirus, de sterke interne en externe sturing op het verminderen van lange wachtlijsten, en tekortkomingen in de kwaliteitsbewaking bij de sociaal-medische dienstverlening van UWV, waaronder afschaling van kwaliteitscontroles in de coronaperiode. Dit alles tezamen heeft ertoe geleid dat in de periode 2020 tot 2024 UWV aanzienlijk meer fouten heeft gemaakt bij sociaal-medische beoordeling dan in de jaren ervoor. De gemaakte fouten hebben gevolgen voor tienduizenden aanvragers van WIA-uitkeringen. SZW en UWV betreuren deze ontstane situatie zeer.

SZW en UWV zetten stappen om te komen tot verbeteringen van de uitvoering van de WIA, wat moet leiden tot minder foutgevoeligheid en gaan hiermee de komende jaren verder aan de slag (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 863). SZW en UWV onderzoeken samen de vereenvoudiging van de dagloonsystematiek. Voor de korte termijn zet UWV ook in op vereenvoudiging en harmonisering van de eigen werkprocessen en digitale ondersteuning van medewerkers. Daarnaast werken SZW en UWV aan een gemeenschappelijke agenda met maatregelen, zodat we gericht en meer planmatig vereenvoudigingen kunnen realiseren. UWV heeft het afgelopen jaar gewerkt aan de verbetering van en inzicht in de kwaliteit van de dienstverlening en zal dit de komende tijd voortzetten. Met het programma Kwaliteit op orde gaat UWV aan de slag met structurele verbetering bij verscheidene organisatieonderdelen én op centraal niveau. Daarnaast heeft UWV het afgelopen jaar gewerkt aan de ontwikkeling en uitvoering van periodieke kwaliteitscontroles bij de sociaal-medische dienstverlening.

De inzet van de verbeteringen is primair gericht op het terugdringen van fouten. Daarbij is het van belang te benadrukken dat financiële fouten die worden aangetroffen tijdens kwaliteits- en rechtmatigheidscontroles, worden gemeld aan de uitvoering en waar mogelijk hersteld. In het afgelopen jaar zijn er binnen de Ziektewet en ook de Wet arbeid en zorg verschillende herstelacties opgestart, waaronder de herstelactie inkomstenkorting, herstelactie daglonen en herstelactie leeftijdsherziening Ziektewet. SZW heeft de Tweede Kamer hierover geïnformeerd via Kamerbrieven en de Stand van de uitvoering (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 850).

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

Naast de fouten die in de WIA-beoordelingen zijn geconstateerd, zijn er ook fouten geconstateerd in de kwaliteit van de Wajong-beoordelingen. Hierover is de Kamer periodiek geïnformeerd, voor het laatst in december 2025 (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 862). UWV heeft van 2020 tot 2024 geen periodieke kwaliteitscontroles op de Wajong-beoordelingen uitgevoerd. UWV is eind 2024 weer gestart met kwaliteitsonderzoeken. Hieruit komt weliswaar een lager foutpercentage voor nieuwe aanvragen in de Wajong dan in de WIA, echter SZW heeft nu nog onvoldoende zicht op de kwaliteit van alle lopende Wajong-uitkeringen. Op basis van de kwaliteitsrapportages kan SZW niet vaststellen of de afgerekende voorschotten van de Wajong over 2024 rechtmatig zijn. Dit geeft samen met de fouten in de WIA aanleiding om het sturings- en toezichtsbeleid van SZW op de zbo’s te herzien. In de onderstaande paragraaf over sturing en toezicht wordt dit verder toegelicht.

De verbeteracties die UWV en SZW hebben ingezet om de WIA-problematiek te verbeteren, hebben ook een positief effect op de dienstverlening bij de Wajong. Dit komt doordat deze acties zich erop richten om fouten bij de sociaal-medische beoordeling terug te dringen en de kwaliteit van beoordelingen te verbeteren. Daarnaast worden financiële fouten die worden aangetroffen waar mogelijk hersteld. Uit de eerste kwaliteitsonderzoeken blijkt dat de kwaliteit van de Wajong-beoordeling vanaf eind 2024 en in 2025 al licht is verbeterd. Daarnaast heeft UWV in 2025 stappen gezet om de betrouwbaarheid van de kwaliteitsmetingen te verbeteren. Om de variatie in metingen te verminderen, zijn vaste ‘toets-teams’ samengesteld, handboeken en checklijsten geactualiseerd en wordt er gestuurd op eenduidigheid. UWV blijft in 2026 verder werken aan de verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening met het programma Kwaliteit op orde, onder andere door het kwaliteitsmanagementsysteem te verbeteren en te uniformeren.

Sturing en toezicht

UWV en SZW hebben de toename in fouten bij de WIA en Wajong lange tijd niet goed in beeld gekregen. Daarom zijn de fouten aanleiding tot het herzien van het sturings- en toezichtsbeleid van SZW op de zbo’s. De verbeteringen die we hierbij voor ogen hebben zijn uiteengezet in de bovengenoemde reactie op de aanbevelingen in het rapport van de Algemene Rekenkamer. Er wordt langs verschillende sporen gewerkt aan: beter inhoudelijk toezicht op de kwaliteit van de bedrijfsvoering van de zbo’s, een betere risicodialoog, inzicht in financiële risico’s bij onjuiste uitkeringen, meer inzicht in de kwaliteit van de dienstverlening door het verbeteren van de informatievoorziening en verantwoording, en verbetering van de samenwerking.

Als onderdeel van bovengenoemde verbetermaatregelen hebben SZW en UWV inmiddels afspraken gemaakt over verrijking van de verantwoordingsinformatie in het jaarverslag UWV 2025 en er zijn verschillende opties in beeld voor het aanpassen van de rechtmatigheidsdefinitie zodat deze meer betekenisvol wordt. Tevens worden de periodieke gesprekken tussen SZW en de Auditdiensten van UWV en SVB geïntensiveerd. De intensievere samenwerking met de Auditdiensten heeft als doel om beter gebruik te maken van de informatie die binnen SVB en UWV voor interne controles reeds wordt verzameld. Dit in aanvulling op de goed lopende contacten in de tweede lijnscontrole (directies Financieel-Economische Zaken). Daarnaast is SZW gesprekken gestart met de Algemene Rekenkamer, ADR en de Auditdiensten van UWV en de SVB over de versterking van het toezicht en wordt hiervoor een plan van aanpak uitgewerkt. Verder lopen er binnen SZW verschillende acties om te komen tot effectieve samenwerking, een heldere rol- en taakverdeling en verbetering van de informatievoorziening tussen afdelingen. De bovengenoemde afspraken en acties worden de komende tijd verder uitgewerkt zodat er in 2026 meer concrete resultaten kunnen worden gemeld die samen tot een versterking van de sturing en toezichtfuncties leiden. Het is daarbij noodzakelijk, om in samenwerking met de zbo’s, de uitvoering van het toezicht te herijken en eventueel SUWI wet- en regelgeving op onderdelen te herzien. Onder meer in de Kamerbrief van 19 december 2025 (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 862) zijn de verbeteracties aangekondigd.

Relatie met zbo’s

In juni 2025 is de Stand van de uitvoering sociale zekerheid aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 845). Deze publicatie geeft inzicht in ontwikkelingen en dilemma’s in de uitvoering van de zelfstandige bestuursorganen. Tevens hebben UWV en de SVB, net als voorgaande jaren, een knelpuntenbrief wet- en regelgeving aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 845).

In juni 2025 is ook de evaluatie samenwerking, sturing en toezicht aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 845). De resultaten van dit onderzoek worden betrokken bij de kabinetsreactie op de SUWI-evaluatie, die in de loop van 2026 zal worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

In 2025 verantwoordden UWV en de SVB zich, net als in 2024, ook op basis van publieke waarden. De SVB heeft op basis van deze publieke waarden een sturingskader ontwikkeld waarin vier centrale opgaven zijn geformuleerd, waarover wordt gerapporteerd. UWV heeft in 2025 twee keer een menselijke maat monitor opgesteld, waarmee wordt getoetst hoe cliënten en werkgevers de kwaliteit van de dienstverlening ervaren. 

UWV en de SVB hebben van de interne accountant een goedkeurende verklaring gekregen in het accountantsverslag bij het jaarverslag 2024. Bij het afgeven van de controleverklaringen is rekening gehouden met de huidige invulling van de rechtmatigheidsdefinitie in de regeling SUWI. Dit betekent dat de financiële rechtmatigheid gebaseerd is op de financiële transacties in het verslagjaar. Oude- en niet-financiële fouten, die bijvoorbeeld samenhangen met de sociaal-medische beoordelingen en daardoor financiële gevolgen kunnen hebben, worden hierbij niet meegeteld. Er is daarnaast door de IT-auditor bij UWV en de SVB een oordeel met beperking afgegeven inzake beheersing gegevensverwerking SUWI 2024.

Specifiek bij de SVB ziet de accountant verbeteringen in de financiële functie, verantwoording en voorspelbaarheid in de tweede lijn. Tegelijkertijd zijn nog niet alle verbeteracties voldoende opgevolgd en geeft de accountant daarnaast aan dat er nog steeds een aantal belangrijke ondersteunende financiële processen in de eerste lijn aandacht behoeven. De SVB is gevraagd om opvolging te geven aan deze bevindingen, evenals de verbeterpunten inzake beheersing gegevensverwerking SUWI (5.22).

Bij UWV hebben de bevindingen van de interne auditdienst van UWV geleid tot ontwikkelingen om de (financiële) rechtmatigheid van hun bedrijfsvoering, met name bij extern inhuur en inkoop, te bevorderen en risico’s te mitigeren. UWV is verzocht om gepaste aandacht te blijven geven aan aanbesteding en rechtmatigheid.

Financieel beheer Rijksdienst Caribisch Nederland unit SZW

In 2025 heeft de RCN-unit SZW de implementatie voortgezet van het meerjarige verbeterplan voor het financieel beheer en ICT. Het doel van de verbetermaatregelen voor de RCN-unit SZW is tweeledig. Enerzijds om nieuwe onrechtmatigheden te voorkomen door de oorzaken die aan de onrechtmatigheden ten grondslag liggen weg te nemen, en anderzijds om blijvend in control te komen. De verbetermaatregelen betreffen zowel het financieel beheer als de applicaties voor het toekennen en vaststellen van de uitkeringen. Uit eigen observaties, als ook uit recent onderzoek van de ADR over 2025, blijkt dat de RCN-unit SZW zichtbare vooruitgang boekt met de implementatie van het verbeterplan op het gebied van financieel beheer en er hard gewerkt wordt aan een toekomstbestendig ICT-landschap. Binnen de op dit moment bestaande mogelijkheden, rekening houdend met de beperkingen die de huidige applicaties en de onderliggende contracten hebben, treft de RCN-unit SZW zo veel mogelijk organisatorische beheersmaatregelen om te komen tot het tijdig en rechtmatig toekennen en betalen van uitkeringen. Het tijdig en juist verstrekken van uitkeringen aan burgers en bedrijven krijgt hierbij de hoogste prioriteit. Belangrijk voor de toekomst is het in gebruik nemen van nieuwe applicaties, samen met het opzetten van tweedelijnscontroles bij de Unit SZW, zodat de doelmatig- en rechtmatigheid versterkt wordt. Bij dit project dient rekening gehouden te worden met de beperkingen waar men in Caribisch Nederland tegenaan loopt, zoals het ontbreken van een polisadministratie en het (nog) niet lokaal gebruik kunnen maken van DigiD. Ook het gegeven dat de RCN-unit SZW op kleine schaal bijna geheel de sociale zekerheid uitvoert, blijft een uitdaging.

IT-beheer Financieel Dienstencentrum (FDC)

Bij het FDC resteerde in het auditrapport van 2024 een aantal punten ter verbetering met betrekking tot het IT-beheer. Deze hadden betrekking op het monitoren van het reguliere software-wijzigingsproces. Anderzijds zag de ADR dat voor gebruikersbeheer het dashboard weinig werd toegepast. Dit dashboard is ingericht om mogelijke functiescheidingsconflicten te identificeren. Het FDC heeft deze verbeterpunten in 2025 opgepakt en gezorgd dat deze op orde zijn. De ADR heeft daarom in het auditrapport 2025 geconcludeerd dat deze bevinding bij FDC is opgelost.

Misbruik en oneigenlijk gebruik

SZW hecht veel waarde aan het onderkennen en beheersen van risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O) bij regelingen die we (laten) uitvoeren. Hiervoor is een standaardproces ingericht. Als er sprake is van nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving maakt SZW, in overleg met de relevante uitvoerder(s), een inschatting van de M&O-risico’s. Het monitoren en mitigeren van M&O-risico’s is een continu proces. Elke regeling kent in meer of mindere mate restrisico’s. Dit zijn de risico’s die overblijven ondanks de getroffen beheersmaatregelen ten aanzien van voorlichting, controle, sancties en evaluatie. Voorlichting over rechten, plichten en sancties door SZW en/of de uitvoerder(s) aan de aanvragers van een voorziening is een manier om de M&O-risico’s te beheersen. Verder zijn de uitvoerders gemachtigd om de rechtmatigheid van de aanvragen vast te stellen. Tot slot komt de stand van zaken over M&O-risico’s expliciet aan bod bij de periodieke besprekingen van de departementale risicoanalyse in de Bestuursraad.

In 2025 heeft SZW een evaluatie uitgevoerd van het departementale M&O-beleid. De hieruit voortkomende verbeterpunten worden in 2026 opgepakt. Vooruitlopend op de verbeterpunten uit de evaluatie is in 2025 de M&O-kalender al aangepast. Deze kalender is het overkoepelend beheersinstrument. Zo is de opzet van de M&O-kalender onder meer vereenvoudigd, waarbij de verwachting is dat de vereenvoudiging leidt tot volledige en actuele informatie. De informatie in de M&O-kalender is namelijk niet altijd volledig en/of actueel gebleken. Dit verhindert de effectiviteit van het toezicht op, en de monitoring van, de uitvoering van het M&O-beleid door directies. Daarnaast zien we nog verbetermogelijkheden in tijdige actualisering van M&O-risicoanalyses van lopende regelingen, en in het verlagen van de doorlooptijd tussen de doorlichting en het nemen van aanvullende beheersmaatregelen of het accepteren van (rest)risico’s.

Informatiebeveiliging en privacy

De voortgang op het gebied van digitale weerbaarheid van SZW is in 2025 beperkt. De stappen die in 2025 zijn gezet, hebben namelijk nog niet geleid tot een aantoonbare verbetering van de digitale weerbaarheid. Het afgelopen jaar stond vooral in het teken van het op orde brengen van de randvoorwaarden. In het vierde kwartaal is het programma Digitale Weerbaarheid gestart. Dit programma richt zich op het versterken van de sturing en verantwoordelijkheden rond informatiebeveiliging, de beveiliging van de toeleveringsketen, het incidentenbeheer en de weerbaarheid van personeel en bestuur. Daarnaast is verder gewerkt aan de verdieping en prioritering van de eerder in kaart gebrachte digitale kroonjuwelen. Deze voorbereidingen vormen de basis voor concrete uitvoeringsstappen in 2026.

Ook op het gebied van privacy is de (zichtbare) voortgang in 2025 beperkt geweest. Wel is de privacyorganisatie versterkt, onder meer door het structureel invullen van de functie van plaatsvervangend Chief Privacy Officer (CPO) vanaf het vierde kwartaal. Daarnaast is de basisopleiding informatiebeveiliging en privacy gestart voor alle medewerkers. Het verhogen van de volwassenheid op het gebied van privacy vraagt om een meerjarige aanpak. In 2026 wordt ingezet op het beter verankeren van privacy in processen en projecten, met als doel te komen tot aantoonbare verbetering.

Fraude- en corruptierisico’s

Als onderdeel van de risicoanalyses in het kader van de interne planning- & controlcyclus worden eventuele incidenten omtrent fraude geïnventariseerd. De onderkende frauderisico’s hebben zich in 2025 niet gemanifesteerd. SZW ziet vooralsnog geen belangrijke materiële corruptierisico’s binnen het departement. SZW is hier alert op en heeft een aantal activiteiten ontplooid om de bewustwording over integer handelen en fraude te versterken, waaronder de invoering van een nieuwe ambtseed per 1 januari 2025 en een Week van de integriteit. Tijdens de Week van de integriteit 2025 stond de zakelijke kant van integriteit centraal en is er onder andere een workshop van de Rijksrecherche verzorgd over fraude en corruptierisico’s. SZW werkt in 2026 verder aan het inrichten van een structureel proces rond het creëren van inzicht in de interne integriteitsrisico’s, waar fraude- en corruptierisico’s en de beheersing van deze risico’s onderdeel van uitmaken.

7.2 Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Paragraaf 7.2 van de bedrijfsvoeringsparagraaf handelt over rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen die op verzoek van de Staten-Generaal of naar aanleiding van de toezeggingen van het kabinet aan de Staten-Generaal zijn vastgesteld. Het betreft een uitzonderingsparagraaf, alleen onderwerpen waarover iets te melden is zijn opgenomen.

Er zijn geen bijzonderheden te melden.

7.3 Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Deze paragraaf beschrijft de belangrijkste ontwikkelingen en (voorgenomen) verbeteringen in de bedrijfsvoering, voor zover deze nog niet zijn toegelicht in paragrafen 7.1 en 7.2.

Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) en oprichting Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU)

In 2025 is de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen in zowel de Tweede Kamer (15 april, Wtta, Tweede Kamer der Staten-Generaal) als de Eerste Kamer (11 november, Wtta, Eerste Kamer der Staten-Generaal). De beoogde inwerkingtredingsdatum van de Wtta is 1 januari 2027. Deze wordt door de NAU uitgevoerd, die als eigenstandige eenheid binnen SZW is ondergebracht.

De NAU werkt aan de overgang naar een professionele en eerlijke uitzendmarkt, waar kwaliteit, fatsoen en goed werkgeverschap weer de norm zijn, in plaats van de laagste prijs. Vanaf 1 januari 2028 mogen uitleners, waaronder uitzendbureaus en detacheerders, alleen nog werknemers uitlenen als ze zijn toegelaten tot de uitleenmarkt. Om een toelating te krijgen moeten uitleners voldoen aan strikte wettelijke voorwaarden. Inleners mogen alleen nog samenwerken met toegelaten uitleners. In een openbaar register is straks eenvoudig te zien wie toegelaten is. Met dit toelatingsstelsel draagt de NAU bij aan het terugdringen van malafide praktijken, worden werknemers beter beschermd en ontstaat een gelijke concurrentie voor uitleners en inleners.

Om dit te realiseren zijn er bij het opzetten van de NAU de nodige uitdagingen. Zo wordt er onder andere gewerkt aan het bouwen van een eigen zaaksysteem, toegewerkt naar voldoende bemensing van de organisatie, en wordt gewerkt aan een ordentelijke inning van leges en waarborgsommen.

Overgang financiële administratie Rijksschoonmaakorganisatie (RSO)

De financiële administratie van de Rijksschoonmaakorganisatie wordt uitgevoerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Eind 2022 is besloten dat de financiële administratie wordt overgeheveld naar SZW. De voorbereidingen hiervoor zijn de laatste fase ingegaan en medio 2026 is de overheveling naar het Financieel Dienstencentrum (FDC) van SZW voltooid.

Subsidieregeling Individuele Plaatsing en Steun (IPS)

Per 1 maart 2023 is de ‘Subsidieregeling IPS-trajecten voor de gemeentelijke doelgroep’ in werking getreden. Hiermee werden voor de jaren 2023, 2024 en 2025 middelen ter beschikking gesteld aan GGZ-instellingen om aan cliënten van gemeenten een Individuele Plaatsing en Steun (IPS) traject te kunnen bieden. In 2025 heeft SZW een enquêteonderzoek laten uitvoeren naar de uitvoering van de regeling. Uit deze enquête blijkt dat gemeenten strikt genomen niet altijd voldoen aan de gestelde criteria en in bepaalde gevallen in de geest van de regeling een bredere doelgroep hanteren dan gedefinieerd. Inzichten uit de enquête worden meegenomen in de voorbereiding van de voorgenomen structurele IPS-regeling per 2027, vervolgens zal de structurele regeling periodiek geëvalueerd worden. SZW is in gesprek met GGZ-instellingen en gemeenten om de kaders van de regeling goed kenbaar te maken en in de toekomst mogelijk de doelgroep deels te verbreden. Het risico op onrechtmatigheden wordt daarmee beperkt.

C. JAARREKENING

8. Departementale verantwoordingsstaat

Tabel 107 Departementale verantwoordingsstaat 2025 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

  

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

 

Totaal

59.721.792

59.962.659

2.501.533

60.882.098

60.927.099

2.589.340

1.160.306

964.440

87.807

           
 

Beleidsartikelen

         

1

Arbeidsmarkt

585.995

819.378

18.580

569.315

626.620

20.863

‒ 16.680

‒ 192.758

2.283

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

8.695.485

8.691.975

57.040

9.033.919

9.037.332

102.227

338.434

345.357

45.187

3

Arbeidsongeschiktheid

6.465

10.797

0

9.368

9.368

0

2.903

‒ 1.429

0

4

Jonggehandicapten

4.560.508

4.560.508

0

4.725.900

4.725.900

23.390

165.392

165.392

23.390

5

Werkloosheid

177.697

177.697

0

120.186

119.649

3.476

‒ 57.511

‒ 58.048

3.476

6

Ziekte en verlofregelingen

34.780

34.780

0

24.090

24.090

3.330

‒ 10.690

‒ 10.690

3.330

7

Kinderopvang

5.559.980

5.561.980

1.958.671

5.682.418

5.680.764

2.023.400

122.438

118.784

64.729

8

Oudedagsvoorziening

62.751

62.751

0

62.157

62.377

1.439

‒ 594

‒ 374

1.439

9

Nabestaanden

3.487

3.487

0

3.138

3.138

0

‒ 349

‒ 349

0

10

Tegemoetkoming ouders

10.077.412

10.077.412

362.159

10.043.938

10.043.938

262.791

‒ 33.474

‒ 33.474

‒ 99.368

11

Uitvoering

682.020

681.820

0

721.780

721.797

44.083

39.760

39.977

44.083

12

Rijksbijdragen

28.508.852

28.508.852

0

29.182.158

29.182.158

929

673.306

673.306

929

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

52.368

52.368

0

53.730

50.825

147

1.362

‒ 1.543

147

           
 

Niet-beleidsartikelen

         

96

Apparaat Kerndepartement

594.757

599.619

105.083

650.001

639.143

103.265

55.244

39.524

‒ 1.818

99

Nog onverdeeld

119.235

119.235

0

0

0

0

‒ 119.235

‒ 119.235

0

9. Saldibalans

Tabel 108 Saldibalans per 31 december 2025 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) (bedragen x € 1.000)

Activa

31-12-2025

 

31-12-2024

 

Passiva

31-12-2025

 

31-12-2024

          

Intra-comptabele posten

   

Intra-comptabele posten

   

1

Uitgaven ten laste van de begroting

60.927.092

 

63.328.932

2

Ontvangsten ten gunste van de begroting

2.589.334

 

2.579.272

3

Liquide middelen

1

 

1

     

4

Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding

0

 

0

4a

Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding

58.385.512

 

60.772.661

5

Rekening-courant RHB Begrotingsreserve

0

 

0

5a

Begrotingsreserves

0

 

0

6

Vorderingen buiten begrotingsverband

79.674

 

86.406

7

Schulden buiten begrotingsverband

31.920

 

63.405

8

Kas-transverschillen

0

       
          

Subtotaal intra-comptabel

61.006.767

 

63.415.339

Subtotaal intra-comptabel

61.006.766

 

63.415.338

          

Extra-comptabele posten

   

Extra-comptabele posten

   

9

Openstaande rechten

0

 

0

9a

Tegenrekening openstaande rechten

0

 

0

10

Vorderingen

771.026

 

898.579

10a

Tegenrekening vorderingen

771.026

 

898.579

11a

Tegenrekening schulden

0

 

0

11

Schulden

0

 

0

12

Voorschotten

24.826.997

 

24.072.816

12a

Tegenrekening voorschotten

24.826.997

 

24.072.816

13a

Tegenrekening garantieverplichtingen

0

 

0

13

Garantieverplichtingen

0

 

0

14a

Tegenrekening andere verplichtingen

1.196.558

 

1.285.213

14

Andere verplichtingen

1.196.558

 

1.285.213

15

Deelnemingen

0

 

0

15a

Tegenrekening deelnemingen

0

 

0

          

Subtotaal extra-comptabel

26.794.581

 

26.256.608

Subtotaal extra-comptabel

26.794.581

 

26.256.608

          

Totaal

87.801.348

 

89.671.947

Totaal

 

87.801.347

 

89.671.946

Toelichting bij de saldibalans

Het intracomptabele deel van de saldibalans (financiële posten 1 t/m 8) bevat het resultaat van de financiële transacties in de departementale administratie die een directe relatie hebben met de kasstromen. Deze kasstromen worden via het kas/bankboek (inclusief de rekening-courant met het Ministerie van Financiën) bijgehouden.

Het extracomptabele deel bevat het saldo van de overige rekeningen die met tegenrekeningen in evenwicht worden gehouden.

De cijfers in de saldibalans zijn vermeld in duizendtallen en afgerond naar boven. Hierdoor kunnen bij het subtotaal en het totaal afrondingsverschillen optreden.

Ad 1 en 2) Begrotingsuitgaven en -ontvangsten

Onder de post Uitgaven en ontvangsten ten laste van de begroting worden de gerealiseerde begrotingsuitgaven en -ontvangsten van het jaar opgenomen. De bedragen komen overeen met de bedragen uit de verantwoordingsstaat. Door een verschillende afrondingssystematiek kunnen kleine afrondingsverschillen ontstaan (maximaal aantal begrotingsartikelen * 1 (in duizenden)) tussen de posten ‘Uitgaven en ontvangsten ten laste van de begroting’ en de bedragen in de Verantwoordingsstaat.

Ad 3) Liquide middelen

De post liquide middelen is opgebouwd uit het saldo van de banken en de contante gelden.

Ad 4 en 4a) Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding

Op de Rekening‑courant met de Rijkshoofdboekhouding (RHB) is de financiële verhouding met het Ministerie van Financiën weergegeven. Opgenomen zijn de bedragen conform Rekening-courant afschriften en het saldobiljet van genoemd departement.

Ad 5 en 5a) Begrotingsreserves

Een begrotingsreserve op basis van artikel 2.21 van de Comptabiliteitswet 2016 is een geoormerkte meerjarige budgettaire voorziening die door een ministerie op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën wordt aangehouden. Het gaat om een budgettaire voorziening of reserve binnen de rijksbegroting. De reserve blijft meerjarig beschikbaar voor het doen van uitgaven in latere jaren. Het Ministerie van SZW heeft geen begrotingsreserves.

Ad 6) Vorderingen buiten begrotingsverband

Bij de vorderingen onder de post vorderingen buiten begrotingsverband worden de saldi van de betreffende grootboekrekeningen uitgaven buiten begrotingsverband uit de begrotingsboekhouding van het Ministerie van SZW opgenomen. Een uitgavensaldo op 31 december zal nog van derden ontvangen moeten worden (is dus een saldo van openstaande vorderingen).

Tabel 109 Vorderingen buiten begrotingsverband (bedragen x € 1.000)
 

Openstaand ultimo 2025

Europese gelden

77.087

RSO doorbelasting

2.536

Derden

49

Omzetbelasting

1

  

Totaal

79.674

Ad 7) Schulden buiten begrotingsverband

Bij de schulden onder de post schulden buiten begrotingsverband worden de saldi van de betreffende grootboekrekeningen ontvangsten buiten begrotingsverband uit de begrotingsboekhouding van het Ministerie van SZW opgenomen. Een ontvangstensaldo op 31 december zal nog aan derden afgedragen moeten (is dus een saldo van openstaande schulden).

Tabel 110 Schulden buiten begrotingsverband (bedragen x € 1.000)
 

Openstaand ultimo 2025

Afdracht Belastingdienst

116

Europese gelden

31.801

Derdengeldrekeningen

0

Diversen

2

  

Totaal

31.920

Ad 8) Kas-transverschillen

Op deze post worden bedragen opgenomen die zijn verantwoord in de uitgaven en ontvangsten, maar nog niet daadwerkelijk in de kas zijn uitgegeven en ontvangen. Het Ministerie van SZW heeft geen kas-transverschillen.

Ad 9 en 9a) Openstaande rechten

Openstaande rechten zijn vorderingen die niet voortvloeien uit met derden te verrekenen begrotingsuitgaven, maar die op andere wijze zijn ontstaan. Rechten kunnen ontstaan doordat op grond van wettelijke regelingen, in de toekomst aanspraak bestaat op gelden van derden (bijvoorbeeld belastingen, college- en schoolgelden). Het Ministerie van SZW heeft geen openstaande rechten.

Ad 10 en 10a) Vorderingen

Het saldo per 31 december 2025 kan als volgt worden gespecificeerd:

Tabel 111 Vorderingen totaal (bedragen x € 1.000)
 

Ministerie

UVB

NLA

S&I

RSO

OpenstaandUltimo 2025

Vorderingen

716.433

7.914

40.987

0

5.692

771.026

       
Tabel 112 Vorderingen naar opeisbaarheid (bedragen x € 1.000)
 

Ministerie

UVB

NLA

S&I

RSO

OpenstaandUltimo 2025

Direct opeisbaar

716.433

7.914

40.987

0

5.692

771.026

Op termijn opeisbaar

0

0

0

0

0

0

Geconditioneerde vorderingen

0

0

0

0

0

0

 

716.433

7.914

40.987

0

5.692

771.026

Van de opeisbare vorderingen worden onderstaand de specificaties gegeven naar ouderdom.

Tabel 113 Opeisbare vorderingen naar ouderdom (exclusief toeslagen)(bedragen x € 1.000)

Insteljaar

Ministerieexclusief toeslagen

UVB

NLA

S&I

RSO

OpenstaandUltimo 2025

t/m 2022

322

4.401

12.386

0

1

17.110

2023

75

1.200

7.057

0

16

8.348

2024

4

246

7.779

0

5

8.035

2025

5.443

2.067

13.765

0

5.670

26.944

 

5.844

7.914

40.987

0

5.692

60.437

Tabel 114 Opeisbare vorderingen naar ouderdom (toeslagen) (bedragen x € 1.000)

Toeslagjaar

Openstaand1 januari 2025

Bijstelling

Ingesteldevorderingen

Ontvangsten

Afboekingen

OpenstaandUltimo 2025

t/m 2022

397.412

0

30.767

83.897

36.411

307.871

2023

154.888

0

126.578

116.183

8.722

156.562

2024

83.218

0

286.417

195.229

8.000

166.406

2025

0

0

153.546

71.713

2.082

79.751

 

635.517

0

597.308

467.022

55.215

710.590

Deze toeslagen hebben betrekking op kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget.

Onderstaand wordt per onderdeel een toelichting gegeven.

Ministerie

De vordering van het Ministerie exclusief Toeslagen bedraagt € 5,8 miljoen.

Kwijtschelding vorderingen toeslagen

Begin 2021 deelde de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen mee dat zij nader ingaat op de plannen om gedupeerden in de toeslagenaffaire met een schone lei te laten beginnen. De toeslag- en belastingschulden van de gedupeerde ouders en eventuele partner over de berekeningsjaren 2020 en eerder worden kwijtgescholden. Deze kwijtschelding raakt de stand op de saldibalans SZW voor de toeslagen kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag. In 2021 is gestart met de beoordeling en kwijtschelding van schulden. Op basis van cijfers van de Belastingdienst/Toeslagen blijkt dat er in 2025 in totaal € 1,0 miljoen aan vorderingen kindgebonden budget is kwijtgescholden en € 3,7 miljoen aan vorderingen kinderopvangtoeslag. Het betreft in totaal 1.938 vorderingen kindgebonden budget en 1.781 vorderingen kinderopvangtoeslag.

Burgers konden zich tot eind 2023 melden bij Dienst Toeslagen voor een aanvraag in de hersteloperatie toeslagen. Op basis van de 22e Voortgangsrapportage Hersteloperatie Toeslagen (Kamerstukken II 2025/26, 36 708, nr. 64) hebben zich in totaal 69.577 ouders als mogelijk gedupeerde aangemeld. Op 31 december 2025 zijn er 43.753 ouders als erkend gedupeerde aangemerkt. Omdat van 359 ouders de integrale beoordeling nog niet is afgerond kan het aantal gedupeerden nog iets oplopen.

Het totaal aan openstaande vorderingen per 31 december 2025 bedraagt voor de kinderopvangtoeslag € 442,7 miljoen en voor het kindgebonden budget € 267,9 miljoen.

UVB

Alle openstaande vorderingen bij UVB hebben betrekking op subsidies, inclusief de vorderingen uit hoofde van Europese gelden.

Nederlandse Arbeidsinspectie

Deze vorderingen bestaan uit de door de Nederlandse Arbeidsinspectie opgelegde boetes vanaf 2007.

S&I

In 2025 viel de verantwoordelijkheid voor Inburgering onder het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Vanaf 19 juni 2025 is de politieke verantwoordelijkheid voor Inburgering weer overgegaan naar het Ministerie van SZW. De verantwoording over 2025 loopt via het Jaarverslag van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Rijksschoonmaakorganisatie (RSO)

Vanaf 2016 valt de RSO onder budgettaire verantwoordelijkheid van SZW. De administratie is uitbesteed aan de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR). De RSO is verantwoordelijk voor de schoonmaak van de Rijkspanden van de aangesloten departementen. Het totaalbedrag van de openstaande vorderingen ad € 5,7 miljoen bestaat uit in rekening gebrachte bedragen voor verrichte schoonmaakwerkzaamheden.

Ad 11 en 11a) Schulden

Onder de post Schulden wordt het totaalbedrag van de saldi opgenomen van de betreffende grootboekrekening(en) uit de administratie. Het totaalsaldo betreft de per 31 december openstaande schulden. Het Ministerie van SZW heeft geen schulden.

Ad 12 en 12a) Voorschotten

Voorschotten zijn bedragen die aan derden zijn betaald vooruitlopend op later definitief vast te stellen of af te rekenen bedragen. Onder de post Voorschotten wordt het totaalbedrag van de saldi opgenomen van de betreffende (grootboek)rekeningen uit de administratie. Het totaalsaldo betreft de per 31 december openstaande voorschotten. De voorschotten UVB hebben betrekking op subsidies, inclusief de vorderingen uit hoofde van Europese gelden.

Tabel 115 Voorschotten inclusief UVB (bedragen x € 1.000)
 

Ministerie

UVB

Openstaand ultimo 2025

Voorschotten

24.326.907

500.090

24.826.997

Ministerie

In de onderstaande specificaties worden de openstaande voorschotten van het Ministerie verantwoord naar ouderdom en artikel. Hiervan is een totaalbedrag van € 12.125,2 miljoen toe te wijzen aan voorschotten toeslagregelingen. De uitgaven die hiermee samenhangen zijn verantwoord onder de post uitgaven van artikel 7 en 10. In totaal gaat het om respectievelijk KOT ad € 6.547,9 miljoen en WKB € 5.577,3 miljoen.

Tabel 116 Voorschotten naar ouderdom (exclusief toeslagen, exclusief UVB) (bedragen x € 1.000)

Ontstaansjaar

Saldo 1-1-2025

Verstrekt

Afgerekend

Afgeboekt Inburgering*

Openstaand ultimo 2025

t/m 2022

103.899

0

32.992

789

70.118

2023

291.582

0

32.081

191.919

67.582

2024

12.065.426

0

11.476.852

510.631

77.943

2025

0

11.988.919

2.863

 

11.986.056

Totaal

12.460.907

11.988.919

11.544.788

703.339

12.201.699

De openstaande voorschotten (exclusief toeslagen en exclusief UVB) waren ultimo 2024 € 12,5 miljard. Ultimo 2025 zijn de openstaande voorschotten € 12,2 miljard.

Er heeft in 2025 een afboeking plaatsgevonden op de openstaande voorschotten wegens de overheveling van Inburgering naar het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Tabel 117 Voorschotten naar ouderdom (toeslagen) (bedragen x € 1.000)

Toeslagjaar

Saldo 1-1-2025

Verstrekt

Afgerekend

Openstaand ultimo 2025

t/m 2022

140.410

0

118.665

21.745

2023

1.153.318

0

1.026.098

127.220

2024

9.161.240

70.569

7.788.099

1.443.709

2025

790.634

8.910.826

0

9.701.459

2026

0

831.075

0

831.075

Totaal

11.245.601

9.812.469

8.932.862

12.125.208

De voorschotten van het toeslagjaar 2026 betreffen de eerste maandelijkse voorschottermijn, die in december 2025 is uitbetaald.

Tabel 118 Voorschotten naar artikel (bedragen x € 1.000)

Art

Omschrijving

Openstaand ultimo 2025

1

Arbeidsmarkt

31.303

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

1.356.502

3

Arbeidsongeschiktheid

7.400

4

Jonggehandicapten

4.725.900

5

Werkloosheid

108.748

6

Ziekte en verlofregelingen

11.866

7

Kinderopvang

6.608.369

8

Oudedagsvoorziening

1.579

9

Nabestaanden

0

10

Tegemoetkoming ouders

10.366.523

11

Uitvoering

703.334

12

Rijksbijdragen

317.300

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

44.065

96

Apparaatsuitgaven kerndepartement

44.019

Totaal

 

24.326.907

De voorschotten UVB hebben betrekking op subsidies, inclusief de vorderingen uit hoofde van Europese gelden.

Tabel 119 Voorschotten UVB (bedragen x € 1.000)
 

EFMB/EUSF/ESFP

Subsidies departement

Totaal 2025

Saldo 1 januari

122.526

243.781

366.307

Verstrekt

43.711

163.198

206.909

Subtotaal

166.237

406.979

573.216

Afgerekend

29.871

43.255

73.126

Saldo 31 december

136.366

363.724

500.090

Tabel 120 Voorschotten UVB naar ouderdom (bedragen x € 1.000)

Ontstaansjaar

Saldo 1-1

Verstrekt

Afgerekend

Openstaand

 

2025

  

ultimo 2025

t/m 2022

38.826

0

11.454

27.372

2023

76.948

0

25.817

51.130

2024

250.533

0

34.575

215.958

2025

0

206.909

1.280

205.629

Totaal

366.307

206.909

73.125

500.090

Ad 13 en 13a) Garantieverplichtingen

Een garantieverplichting is een voorwaardelijke financiële verplichting, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Garantieverplichtingen worden administratief volledig verwerkt als verplichting. Er is dus geen verschil in de vastlegging van garantieverplichtingen en «gewone» verplichtingen. In het algemeen leiden garantieverplichtingen niet of slechts voor een bepaald (meestal klein) percentage tot betaling. Het Ministerie van SZW heeft geen garantieverplichtingen.

Ad 14 en 14a) Andere verplichtingen

Met andere verplichtingen worden alle verplichtingen exclusief de garantieverplichtingen, bedoeld. Financiële verplichtingen zijn (toekomstige) betalingsverplichtingen en hebben veelal een voorwaardelijk karakter. De financiële verplichting ontstaat wanneer met een derde of andere partij is overeengekomen tot het voldoen van een (contra)verplichting (bijvoorbeeld levering of subsidievoorwaarde). Nadat de andere partij, ten gunste waarvan de (betalings)verplichting is aangegaan, aan de afgesproken voorwaarden heeft voldaan, leidt dit tot een kasuitgave.

Tabel 121 Opbouw andere verplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

Ministerie

UVB

Totaal 2025

Saldo 1 januari

1.104.251

180.961

1.285.212

Aangegane verplichtingen in het verslagjaar

60.882.089

40.571

60.922.660

Negatieve bijstellingen

36.248

3.978

40.226

Subtotaal (A)

61.950.092

217.555

62.167.646

Tot betaling gekomen in het verslagjaar

60.927.092

43.997

60.971.088

Subtotaal (B)

60.927.092

43.997

60.971.088

Saldo 31 december (A - B)

1.023.000

173.558

1.196.558

Tabel 122 Andere verplichtingen UVB (bedragen x € 1.000)
 

ESFp

EGF

EFMB

EUSF

Totaal 2025

Saldo 1 januari

161.311

0

0

19.650

180.961

Aangegane verplichtingen in het verslagjaar

40.536

0

0

35

40.571

Negatieve bijstellingen

3.978

  

0

3.978

Subtotaal (A)

197.869

0

0

19.685

217.555

Tot betaling gekomen in verslagjaar

24.312

0

0

19.685

43.997

Subtotaal (B)

24.312

0

0

19.685

43.997

Saldo 31 december (A - B)

173.558

0

0

0

173.558

Tabel 123 Andere verplichtingen Ministerie naar artikel (bedragen x € 1.000)

Art

Omschrijving

Openstaand1 januari 2025

Aangegaan 2025

Betaald 2025

Negatieve bijstellingen

Openstaand ultimo 2025

1

Arbeidsmarkt

573.316

569.314

626.619

2.754

513.256

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

410.818

9.033.919

9.037.331

3.072

404.333

3

Arbeidsongeschiktheid

0

9.368

9.368

0

0

4

Jonggehandicapten

0

4.725.900

4.725.900

0

0

5

Werkloosheid

4.585

120.185

119.648

2.118

3.004

6

Ziekte en zwangerschap

0

24.089

24.089

0

0

7

Kinderopvang

15.272

5.682.418

5.680.764

330

16.596

8

Oudedagsvoorziening

766

62.156

62.377

95

450

9

Nabestaanden

0

3.137

3.137

0

0

10

Tegemoetkoming ouders

0

10.043.937

10.043.937

0

0

11

Uitvoering

445

721.780

721.796

58

370

12

Rijksbijdragen

0

29.182.158

29.182.158

0

0

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

24.409

53.730

50.825

12.949

14.366

96

Apparaatsuitgaven kerndepartement

74.640

649.999

639.142

14.873

70.624

Totaal

 

1.104.251

60.882.089

60.927.092

36.248

1.023.000

Omvangrijke negatieve bijstellingen

Het totaalbedrag van € 36 miljoen bestaat uit diverse verplichtingen kleiner dan € 25 miljoen. Het bedrag aan negatieve bijstellingen van Artikel 13 bevat de afboeking van de verplichtingen Inburgering voor een bedrag van € 12,5 miljoen vanwege de overheveling van Inburgering naar het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingen

Soms is er sprake van niet uit de saldibalans blijkende financiële verplichtingen, bijvoorbeeld in geval van door het Rijk gesloten bestuursovereenkomsten of bestuursconvenanten met decentrale overheden of met functionele overheden (ZBO's/RWT’s, bijvoorbeeld scholen).

Met ingang van 2012 is de bekostiging van de rijksgefinancierde wetten en regelingen, waarvan de uitvoering is opgedragen aan de SVB en UWV, gewijzigd van kasbasis naar transactiebasis. Om budgettaire redenen is ervoor gekozen de per 1 januari 2012 door SZW op transactiebasis nog verschuldigde bedragen niet aan de SVB en UWV uit te betalen. Deze permanente schulden bedragen ultimo 2023 € 848,3 miljoen aan de SVB en € 162,6 miljoen aan UWV.  Daarnaast is er in dit verband sprake van een permanente vordering op de SVB ter grootte van € 1,3 miljoen. De genoemde bedragen hebben in 2025 geen wijziging ondergaan. De schulden worden niet eerder afgewikkeld dan wanneer het desbetreffende fonds, wet of regeling is opgeheven c.q. beëindigd.

Verplichting Kwijtschelden gemeentelijke schulden KOT-gedupeerden

Vanaf 1 juli 2021 zijn gemeenten gestart met het kwijtschelden van gemeentelijke schulden aan KOT-gedupeerden. Hierover is de Kamer op 17 juni 2021 geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31 066, nr. 848). In november 2021 is een specifieke uitkering gerealiseerd om gemeenten te compenseren voor de kwijtscheldingen en uitvoeringskosten (Stcrt. 2021, nr. 47169). Naast volledige compensatie van de kwijtscheldingen, ontvangen gemeenten € 275 per erkend gedupeerde die woonachtig is in de betreffende gemeente ter compensatie van de uitvoeringskosten. Gemeenten ontvangen deze compensatie met een vertraging. In 2025 is de compensatie over het jaar 2023 vastgesteld en aan gemeenten uitgekeerd. Het gaat om een bedrag van € 6,1 miljoen. In 2026 vinden de vaststellingen over het jaar 2024 plaats.

Niet uit de saldibalans blijkende financiële verplichtingen voortkomend uit geconstateerde gevallen van schijnzelfstandigheid bij inhuur externen

SZW heeft in 2025 bij 7 indirect gehuurde ZZP-ers schijnzelfstandigheid vastgesteld. Alle geconstateerde gevallen zijn inmiddels in 2025 beëindigd. In alle gevallen betreft het kleine inhuuropdrachten. Dit is ook gerapporteerd aan de voorzitter van de Tweede Kamer in de Kamerbrief potentieel schijnzelfstandigen 1 januari 2025 en 1 juli 2025. Er is geen schijnzelfstandigheid vastgesteld in 2025 bij directe ingehuurde ZZP-ers. De Belastingdienst spreekt in het geval van schijnzelfstandigheid bij indirecte gehuurde ZZP-ers eerst de intermediair aan. SZW houdt rekening met het risico dat de Belastingdienst SZW aansprakelijk stelt voor het mislopen van loonheffing en sociale premies bij deze indirecte ingehuurde ZZP-ers. Dit is het geval als deze niet verhaald kunnen worden bij een intermediair.

Niet uit de saldibalans blijkende financiële risico’s voortkomend uit lopende juridische procedures

In het geval van juridische procedures waarbij de Staat betrokken is en die een significante impact kunnen hebben op de financiële positie van een ministerie of de Staat, kan sprake zijn van niet uit de saldibalans blijkende financiële risico’s voortkomend uit lopende juridische procedures. Het gaat om openbaar bekende, bij een gerecht aanhangig gemaakte procedures waarin geldelijke claims worden neergelegd. De financiële verplichting van deze procedures ontstaat vaak pas later doordat op het moment van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak een afdwingbare en controleerbare verplichting ontstaat.

Financieel risico hoger beroep inzake Participatiewet gemeente Den Haag, gemeente Utrecht en gemeente Rotterdam

De Staatssecretaris Participatie en Integratie en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake het voorlopige en definitieve budget voor de gebundelde uitkering Participatiewet over de jaren 2017 tot en met 2021, het voorlopige budget over 2022 en de vangnetuitkering over de jaren 2017 tot en met 2020. Het college van Den Haag stelt dat de tekorten op deze budgetten onevenredig groot zijn ten opzichte van andere gemeenten en beoogt via de rechter een bedrag van € 105,8 miljoen alsnog vergoed te krijgen. De rechtbank heeft geoordeeld dat voor de jaren 2017 tot en met 2019 sprake is van onevenredig grote tekorten en de minister opgedragen hiervoor nieuwe besluiten te nemen. Voor de jaren 2020 en 2021 achtte de rechtbank dit niet het geval. Inmiddels is hier een positieve uitspraak op gekomen. De minister van SZW is voor het grootste deel in het gelijk gesteld. Daarnaast heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake de toereikendheid van het budget voor de uitvoering van de Participatiewet over de jaren 2017 en 2018. Het college stelt dat sprake is van onevenredig grote tekorten van respectievelijk € 20,1 miljoen en € 10,5 miljoen en beoogt deze via de rechter vergoed te krijgen. De rechtbank heeft de beroepsgronden verworpen. De gronden van hoger beroep zijn nog niet ontvangen. Behandeling van de procedure wordt niet eerder dan het eerste kwartaal van 2027 verwacht. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake het budget voor de uitvoering van de Participatiewet over het jaar 2023. Het college stelt dat als gevolg van een methodewijziging sprake is van een budgetdaling van € 20,8 miljoen, waardoor onvoldoende middelen beschikbaar zijn voor de uitvoering van de bijstandstaak. De rechtbank heeft de beroepsgronden verworpen. Het hoger beroep wordt op 24 maart 2026 ter zitting behandeld. Daarnaast heeft het college beroep ingesteld tegen de beschikkingen voor de budgetjaren 2024 en 2025, waarbij sprake is van gestelde tekorten van respectievelijk € 35,8 miljoen en € 37,2 miljoen. De rechtbank behandelt deze zaken op 2 april 2026.

Caribisch Nederland

In deze procedure vordert Unkobon, onder meer, een gebod aan de Staat om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om in Caribisch Nederland bestaanszekerheid te waarborgen. Het financiële risico van deze zaak, overstijgt, naar onze inschatting, het drempelbedrag van € 25 miljoen. De Staat heeft op 26 april 2023 zijn conclusie van antwoord genomen. De zaak staat sinds 1 november 2023 (op instigatie van Unkobon) op de parkeerrol van de rechtbank Den Haag.

Ad 15 en 15a) Deelnemingen

Onder de post Deelnemingen worden alle deelnemingen inclusief deelnemingspercentage opgenomen, zoals in een Besloten of Naamloze Vennootschap, internationale instellingen of C.V. Het Ministerie van SZW heeft geen deelnemingen.

10. WNT-verantwoording 2025 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De Wet normering topinkomens (WNT) bepaalt dat de bezoldiging en eventuele ontslaguitkeringen van topfunctionarissen in de publieke (en semi-publieke) sector op naamsniveau vermeld moeten worden in het financiële jaarverslag. De publicatieplicht geldt eveneens voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking (externe inhuur). Daarnaast moet van niet-topfunctionarissen de bezoldiging (zonder naamsvermelding) gepubliceerd worden indien deze het individueel toepasselijk drempelbedrag te boven gaat. Niet-topfunctionarissen zonder dienstbetrekking vallen buiten de reikwijdte van de wet. Ten aanzien van hen geldt de publicatieplicht dus niet. De gegevens van de leden van de Top Management Groep worden opgenomen in het jaarverslag van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Het algemeen bezoldigingsmaximum zoals dat is opgenomen in art. 2.3 van de WNT bedraagt in 2025 € 246.000.

Er zijn geen functionarissen die in 2025 een bezoldiging boven het toepasselijke bezoldigingsmaximum hebben ontvangen, of waarvoor in eerdere jaren een vermelding op grond van de WNT heeft plaatsgevonden of had moeten plaatsvinden. Er zijn in 2025 geen functionarissen die hun werkzaamheden als topfunctionaris hebben neergelegd en die op grond van hun voormalige functie nog 4 jaar aangemerkt worden als topfunctionaris. Er zijn in 2025 geen ontslaguitkeringen betaald die op grond van de WNT dienen te worden gerapporteerd.

D. DEPARTEMENTSPECIFIEKE INFORMATIE

11. Sociale fondsen SZW

Deze paragraaf presenteert de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen. De informatie is bedoeld als achtergrondinformatie bij het jaarverslag. De daadwerkelijke verantwoording van uitgaven en inkomsten van de sociale fondsen vindt plaats via de jaarverslagen van de SVB en UWV en via de begrotings- en premiegefinancierde uitgaven in de beleidsartikelen van dit jaarverslag. In deze paragraaf zijn de cijfers voor 2025 gebaseerd op de jaarverslagen van UWV en de SVB.

Exploitatiesaldi

Een groot deel van de uitgaven aan sociale zekerheid loopt via de sociale fondsen. In tabel 124 en tabel 125 zijn de exploitatierekeningen van de fondsen weergegeven. In de tabellen worden de arbeidsongeschiktheidsfondsen (Aof en Whk) en de WW-fondsen (Awf en Ufo) geïntegreerd weergegeven. Het exploitatiesaldo is het verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven van een fonds. Naast de premieontvangsten behoren ook de rijksbijdragen en renteontvangsten tot de inkomsten van een fonds. De uitgaven bestaan voornamelijk uit de uitkeringslasten en de daarover te betalen werkgeverslasten en de uitvoeringskosten.

Tabel 124 Overzicht sociale verzekeringen SVB 2025 (x € 1 mln)1
 

Ouderdomsfonds (Aow)

Anw-fonds

 

Begroting

Realisatie

Begroting

Realisatie

Premies

28.249

26.843

191

177

Bijdragen van het Rijk

28.212

28.857

0

0

Rente en overige ontvangsten

92

50

88

54

Totaal Ontvangsten

56.552

55.751

279

231

     

Uitkeringen / Verstrekkingen

55.219

55.208

355

346

Sociale lasten

688

690

0

20

Uitvoeringskosten

210

219

11

15

Rente en overige uitgaven

 

1

 

0

Totaal Uitgaven

56.117

56.118

366

380

     

Exploitatiesaldo

436

‒ 367

‒ 88

‒ 149

Bron: SZW (financiële administratie) en SVB Jaarverslag 2025.

1

Door afrondingsverschillen kan het totaal afwijken van de som der delen.

Tabel 124 laat zien dat het Ouderdomsfonds het jaar heeft afgesloten met een negatief exploitatiesaldo, terwijl in de begroting nog een klein overschot werd geraamd. Het negatieve exploitatiesaldo komt vooral doordat de premie-inkomsten lager zijn uitgevallen dan ten tijde van de begroting werd verwacht. De rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds is iets hoger vastgesteld. De gerealiseerde uitgaven aan AOW-uitkeringen en de uitvoeringskosten zijn vrijwel gelijk aan de bedragen die waren begroot. De uitgaven aan de Aow worden toegelicht bij artikel 8 van dit jaarverslag, en de uitgaven aan de Anw bij artikel 9.

Tabel 125 Overzicht sociale verzekeringen UWV 2025 (x € 1 mln)1
 

Arbeidsongeschiktheidsfondsen

WW-fondsen

 

Begroting

Realisatie

Begroting

Realisatie

Premies

29.414

29.713

11.447

11.452

Bijdragen van het Rijk

103

110

109

108

Rente en overige ontvangsten

866

823

38

211

Totaal Ontvangsten

30.383

30.646

11.594

11.770

     

Uitkeringen/Verstrekkingen

18.844

20.076

4.722

4.624

Sociale lasten

3.490

3.442

875

847

Uitvoeringskosten

1.295

1.384

858

947

Rente en overige uitgaven

 

‒ 22

 

72

Totaal Uitgaven

23.630

24.880

6.455

6.490

     

Exploitatiesaldo

6.753

5.766

5.139

5.280

Bron: SZW (financiële administratie) en UWV Jaarverslag 2025.

1

Door afrondingsverschillen kan het totaal afwijken van de som der delen.

Bij de arbeidsongeschiktheidsfondsen is het exploitatiesaldo lager uitgevallen dan begroot. Bij de werkloosheidsfondsen is het exploitatiesaldo iets beter dan begroot. De uitgaven aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn iets hoger uitgevallen dan verwacht. De uitgaven aan WW-uitkeringen juist iets lager. Omdat voor de tabel in het jaarverslag is aangesloten bij het jaarverslag van UWV staan bij de realisaties ook de overige uitgaven en ontvangsten van de fondsen. In de begroting en het jaarverslag van SZW worden die toegerekend aan de verschillende uitkeringsregelingen en vallen ze onder de uitkeringslasten. De sociale fondsen zijn deelnemer aan het schatkistbankieren. De rente die zij over hun bij de schatkist aangehouden vermogen ontvangen is apart weergegeven als ontvangst. Bij de arbeidsongeschiktheidsfondsen zijn de uitgaven aan de compensatieregeling voor de transitievergoedingen opgenomen onder de uitkeringen/verstrekkingen. De overige uitgaven bestaan vooral uit boetes, re-integratie en de kosten en opbrengsten van rechtszaken en verhaal. Bij de WW-fondsen bestaan de overige uitgaven naast re-integratie ook uit de STAP-subsidies en de bijdrage aan de SER.

Vermogenspositie

In tabel 126 worden de vermogensposities van de sociale fondsen vermeld. Ook hier zijn de arbeidsongeschiktheidsfondsen en de werkloosheidsfondsen geïntegreerd weergegeven. Het aanwezige vermogen neemt jaarlijks toe of af met het exploitatiesaldo (zie tabellen 124 en 125). Net als het exploitatiesaldo is ook de vermogenspositie gebaseerd op de cijfers in het jaarverslag van de SVB en UWV.

Tabel 126 Vermogens sociale fondsen ultimo 2024 en 2025 (x € 1 mln)
 

Vermogen eind 2024

Mutatie 2025

Vermogen eind 2025

Ouderdomsfonds (Aow)

1.339

‒ 372

967

Nabestaandenfonds (Anw)

2.530

‒ 149

2.382

Arbeidsongeschiktheidsfondsen

34.244

5.766

40.010

WW-fondsen

10.237

5.281

15.518

Totaal sociale fondsen

48.350

10.526

58.876

Bron: SVB Jaarverslag 2025 en UWV Jaarverslag 2025.

De sociale fondsen hebben eind 2025 een positief vermogen van iets minder dan € 59 miljard. Zowel de arbeidsongeschiktheidsfondsen als de werkloosheidsfondsen hebben de laatste jaren een positief exploitatiesaldo, waardoor het vermogen van de fondsen toeneemt. Bij het Ouderdomsfonds wordt het vermogen eind 2025 meegenomen bij het vaststellen van de rijksbijdrage voor 2026. Over de jaren heen schommelt het vermogen van het Ouderdomsfonds daardoor rond de nul.

De sociale fondsen (en de beheerders, UWV en SVB) zijn onderdeel van de collectieve sector. Een vermogenstekort of -overschot houden ze aan op een rekening-courant bij het Rijk. De sociale fondsen kunnen daardoor altijd over voldoende middelen beschikken. Dat is ook nodig, omdat het recht op een uitkering niet afhankelijk is van de geraamde uitgaven. Als iemand recht heeft op een uitkering, dan wordt deze dus betaald, ongeacht de vermogenspositie van het fonds. Omdat de sociale fondsen onderdeel van de collectieve sector zijn, zijn de uitgaven en ontvangsten van de fondsen (en dus het exploitatiesaldo) onderdeel van het EMU-saldo, en de EMU-schuld.

12. Koopkracht

In de in dit hoofdstuk gepresenteerde koopkrachtcijfers (boxplot en voorbeeldhuishoudens) wordt de verandering van het besteedbaar inkomen tussen 2024 en 2025 weergegeven, gecorrigeerd voor inflatie.

In koopkrachtberekeningen wordt ervan uitgegaan dat er niets verandert in de persoonlijke omstandigheden van mensen (ook wel statische koopkracht genoemd). De berekeningen geven een inschatting van de effecten van economische ontwikkelingen en van overheidsbeleid op het inkomen van verschillende groepen huishoudens. De berekeningen zijn minder geschikt om de koopkracht voor individuele gevallen te voorspellen. Belangrijke gebeurtenissen zoals het vinden of verliezen van een baan of het maken van promotie worden immers niet meegenomen in de berekeningen en hebben doorgaans een groot effect op de persoonlijke koopkrachtsituatie. Dit moet altijd in ogenschouw genomen worden bij het interpreteren van koopkracht­cijfers.

In 2025 stegen de lonen harder dan de prijzen (inflatie), onder andere door de krapte op de arbeidsmarkt. Ook was er nog sprake van een inhaaleffect van de lonen naar aanleiding van de hoge inflatie tijdens de energiecrisis van 2022 en 2023. Dit heeft voor een positieve reële inkomensontwikkeling gezorgd voor werkenden. De uitkeringen en de AOW stijgen door de koppeling met het minimumloon (vertraagd) mee met de lonen. Hierdoor zijn ook de meeste uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden er in koopkracht op vooruit gegaan.

De koopkrachtontwikkeling wordt gepresenteerd in een boxplot, waarin de koopkrachtontwikkeling van het 25e percentiel, het 50e percentiel (de mediaan) en het 75e percentiel van de verschillende huishoudens wordt weergegeven (figuur 8). De huishoudens zijn hierin gerangschikt van lage naar hoge koopkrachtontwikkeling. In de boxplot is de spreiding rondom de mediane koopkrachtontwikkeling zichtbaar.

Figuur 8 Boxplot raming (linkerkolom) en realisatie (rechterkolom) koopkrachtontwikkeling 2025

Bron: SZW-berekeningen op basis van Macro-economische Verkenning (MEV) 2025 en Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 van het Centraal Planbureau (CPB) en VWS-raming van zorgpremies.

Ten opzichte van 2024 steeg de mediane koopkracht in 2025 met 1,0%. In de begroting voor 2025 werd een lagere mediane koopkrachtontwikkeling van 0,7% geraamd. Vooral voor werkenden en mensen met een hoog inkomen viel de koopkrachtontwikkeling positiever uit. Voor gepensioneerden viel de koopkrachtontwikkeling iets negatiever uit. De contractlonen zijn voor 2025 positiever uitgevallen dan in de raming bij de begroting. De contractloonstijging in marktsector kwam uit op 5,3%, terwijl deze bij de begroting van 2025 op 4,3% werd geraamd. Dit was positief voor de koopkrachtontwikkeling. De inflatie, negatief voor de koopkracht, was met 3,3% maar 0,1%-punt hoger dan verwacht in september 2024. Mede door het grotere verschil tussen de loonontwikkeling en de inflatie, de reële loonontwikkeling, is de koopkrachtontwikkeling in 2025 hoger uitgevallen dan verwacht.

Naast de reële loonontwikkeling had kabinetsbeleid invloed op de koopkrachtontwikkeling. Het kabinet stelde de volgende maatregelen voor:

  • Het kabinet splitste de eerste schijf in box 1 van de inkomstenbelasting op in twee schijven. Het tarief in de nieuwe eerste schijf werd verlaagd met 1,15% naar 35,82%. Het tarief in de tweede schijf werd verhoogd met 0,51% naar 37,48%.

  • De algemene heffingskorting (AHK) werd verlaagd met € 335 naar € 3.068. Ook werd de inkomensgrens van de AHK gekoppeld aan de hoogte van het wettelijk minimumloon. Dit komt neer op een verhoging met € 3.296 naar € 28.406.

  • Het kindgebonden budget (WKB) werd verhoogd met maximaal € 184 per kind per jaar. Het afbouwpercentage van de WKB werd verhoogd met 0,35% naar 7,10%.

  • De eigen bijdrage in de huurtoeslag werd verlaagd met € 25 per maand.

  • Het kabinet heeft de afbouw van de dubbele AHK in de bijstand bevroren voor de jaren 2025-2027. Hierdoor daalt de bijstand deze jaren niet.

  • Het kabinet bevroor het eigen risico in de Zorgverzekeringswet op € 385 in 2025 en 2026.

  • De accijnsverlaging brandstoffen uit 2024 werd verlengd naar 2025.

  • De verlaging van de MKB-winstvrijstelling uit de Voorjaarsnota 2024 werd teruggedraaid, waardoor de vrijstelling 12,70% blijft.

  • De verhoging van het tarief in box 2 met 2%-punt werd teruggedraaid. Het tarief bleef 31%.

  • De energiebelasting op aardgas in de 1e en 2e schijf werd met 2,82 cent per m3 verlaagd.

  • De kansspelbelasting werd verhoogd van 30,5% naar 37,8%.

Naast de boxplot op basis van een representatieve steekproef berekent SZW de koopkrachtontwikkeling van voorbeeldhuishoudens. Ook de meeste voorbeeldhuishoudens hadden in 2025 een hogere koopkrachtontwikkeling dan initieel geraamd bij het MEV2025 (tabel 127). Zoals hierboven toegelicht, hangt dit onder andere samen met een hogere reële loonontwikkeling.

Tabel 127 Koopkrachtontwikkeling voorbeeldhuishoudens raming en realisatie

Koopkrachtontwikkeling 2025

 

Raming (MEV2025)

Realisatie (CEP2026)

Actieven:

   

Alleenverdiener met kinderen

 

modaal

 

1,2%

1,3%

2 x modaal

0,4%

0,7%

    

Tweeverdieners

  

modaal + ½ x modaal met kinderen

0,8%

1,3%

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

0,6%

1,1%

2½ x modaal + modaal met kinderen

0,9%

1,4%

modaal + modaal zonder kinderen

1,2%

1,8%

2 x modaal + modaal zonder kinderen

1,0%

1,5%

   

Alleenstaande

  

minimumloon

1,1%

1,1%

modaal

 

1,2%

1,8%

2 x modaal

0,8%

1,4%

    

Alleenstaande ouder

  

minimumloon

1,0%

0,9%

modaal

 

0,3%

0,5%

    

Inactieven:

  

Sociale minima

  

paar met kinderen

1,0%

0,9%

alleenstaande

1,3%

1,3%

alleenstaande ouder

0,0%

‒ 0,1%

    

AOW (alleenstaand)

  

(alleen) AOW

0,6%

0,7%

AOW +10000

1,2%

1,0%

    

AOW (paar)

  

(alleen) AOW

1,3%

1,4%

AOW +10000

1,0%

0,8%

AOW +30000

0,7%

0,2%

Bron: SZW-berekeningen op basis van Macro-economische Verkenning (MEV) 2025 en Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 van het Centraal Planbureau (CPB) en VWS-raming van zorgpremies.

De koopkrachtontwikkeling van de alleenstaande ouder op het sociaal minimum was licht negatief. Dit heeft te maken met een daling van de alleenstaande ouderkop in het kindgebonden budget. De koopkrachtontwikkeling van de andere voorbeeldhuishoudens was positief. De koopkrachtontwikkeling van de voorbeeldhuishoudens op het sociaal minimum was lager of gelijk aan de raming. Hetzelfde geldt voor de minimumloonverdieners. De hoger dan verwachte contractloonstijging werkt vertraagd door in de indexatie van het minimumloon en dus ook de bijstandshoogte. De hogere contractloonstijging heeft daarom pas na 2025 effect op de koopkracht van deze voorbeeldhuishoudens. De koopkrachtontwikkeling van AOW’ers met een aanvullend pensioen was lager dan geraamd. Dit komt doordat de gemiddelde indexatie van het aanvullend pensioen in 2025 lager is uitgevallen (2,1%) dan verwacht (3,1%).

Het CPB publiceert sinds 2022 een raming van de ontwikkeling van de armoede. Deze raming laat zien hoeveel mensen een inkomen hebben onder de armoedegrens (het benodigde budget om in de basisbehoeften te kunnen voorzien). Daarnaast wordt in beeld gebracht hoeveel kinderen in armoede leven. In tabellen 128 en 129 worden de resultaten van de armoederaming voor 2025 getoond. Ter referentie is ook het armoedecijfer voor 2024 opgenomen.

Tussen de raming en de realisatie is het CPB overgestapt op een nieuwe armoededefinitie3. Tot en met MEV2025 uit september 2024 gebruikte het CPB het ‘niet-veel-maar-toereikendcriterium’ van het SCP als armoedegrens. In oktober 2024 hebben CBS, SCP en Nibud een gezamenlijke armoededefinitie gepresenteerd4. Dit heeft voor een neerwaartse bijstelling van het armoedecijfer gezorgd, waardoor de raming (tabel 128) en realisatie (tabel 129) van de armoede in 2025 lastig te vergelijken zijn. De voornaamste verklaring voor de lagere armoedecijfers met de nieuwe definitie is dat deze rekening houdt met vermogen. Daarnaast rekent de definitie met de daadwerkelijke woon- en energiekosten.

In de begroting werd uitgegaan van een daling van de armoede van 0,1%-punt tussen 2024 en 2025 volgens de oude definitie. In de realisatie (nieuwe armoededefinitie) is eveneens een daling van 0,1%-punt zichtbaar. In de raming was geen daling van de kinderarmoede voorzien. Volgens de realisatiecijfers (nieuwe armoededefinitie) is de kinderarmoede met 0,2%-punt gedaald tussen 2024 en 2025.

Tabel 128 Personen en kinderen in armoede, raming bij begroting (oude definitie)

Raming bij begroting (MEV2025)

2024

2025

Personen (% onder armoedegrens)

4,5%

4,4%

Kinderen (% onder armoedegrens)

4,7%

4,7%

Tabel 129 Personen en kinderen in armoede, realisatie (nieuwe definitie)

Realisatie (CEP2026)

2024

2025

Personen (% onder armoedegrens)

3,1%

3,0%

Kinderen (% onder armoedegrens)

2,8%

2,6%

Bron: SZW-berekeningen op basis van Macro-economische Verkenning (MEV) 2025 en Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 van het Centraal Planbureau (CPB) en VWS-raming van zorgpremies.

3

Griffioen, 2025, CPB, https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Publicatie-het-ramen-van-de-nieuwe-armoededefinite.pdf

4

CBS, Nibud, SCP, 2024, https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2024/10/17/de-nieuwe-methode-om-armoede-in-nederland-te-meten

E. BIJLAGEN

Bijlage 1: Toezichtrelaties rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen

Deze bijlage bevat informatie over het toezicht op rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT's) en zelfstandige bestuursorganen (ZBO's). De bijlage bestaat uit een overzichtstabel met RWT’s en ZBO’s die onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen, de begrote en gerealiseerde bijdrage vanuit het moederdepartement, overige departementen en eventuele bijzonderheden.

Tabel 130 Overzichtstabel inzake RWT’s en ZBO’s van Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (bedragen x € 1.000)

Naam ZBO/RWT

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

46.184.980

47.313.885

54.797

56.907

ja

Bijzonderheden

De genoemde bedragen zijn op basis van de totale collectieve bijdragen (inclusief premiegelden) zoals verantwoord in het jaarverslag van UWV.

 

In 2025 heeft UWV € 51,3 miljoen toegevoegd aan de egalisatiereserve. UWV heeft in 2025 € 0 onttrokken uit hun bestemmingsfonds frictiekosten.

BKWI

20.910

18.921

  

ja

Bijzonderheden

In 2025 heeft BKWI € 639 duizend toegevoegd aan het bestemmingsfonds vervangingsinvesteringen en heeft BKWI € 24 duizend toegevoegd aan de egalisatiereserve.

Sociale Verzekeringsbank (SVB)

59.661.300

61.511.300

118.600

113.700

ja

Bijzonderheden

De genoemde bedragen zijn op basis van de totale collectieve bijdragen (inclusief premiegelden) zoals verantwoord in het jaarverslag van de SVB.

 

In 2025 heeft SVB € 3,9 miljoen toegevoegd aan de egalisatiereserve. Tevens heeft SVB € 1 miljoen toegevoegd aan het bestemmingsfonds ICT.

Bureau InformatieDiensten Nederland

18.793

18.469

189

322

ja

Bijzonderheden

In 2025 heeft BIDN € 5,7 duizend toegevoegd aan de egalisatiereserve. Tevens heeft BIDN € 1,4 miljoen toegevoegd aan het Bestemmingsfonds voor investeringen (waarvan € 1 miljoen voor het Schuldenknooppunt).

Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

Tabel 131 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 1: Gezonde en veilige arbeidsomstandigheden

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Toekomstverkenning arbeid en gezondheid

Ex-ante evaluatie

20261

Afgerond

1

Link naar onderzoek

Arbobalans

Ex-durante monitoring

2025

Afgerond

1

Kamerstuk 25883, nr. 527

Onderzoek financiële prikkels ter bevordering preventie

Ex-ante evaluatie

20262

Uitgesteld

1

 

Evaluatie maatwerkregeling in Arbowetgeving

Ex-post evaluatie

20263

Uitgesteld

1

 
1

Het onderzoek is afgerond in 2025 en is medio februari gepubliceerd

2

Afronding verwacht medio 2026. De vertraging is opgelopen vanwege uitvoerige afstemming over scope en precieze vraagstelling van het onderzoek met sociale partners.

3

Voor het opstarten van dit onderzoek was het standpunt van sociale partners van belang. De reactie van sociale partners kwam later dan verwacht, zodoende is het najaar 2025 niet gehaald en wordt het onderzoek in 2026 uitgevoerd.

Tabel 132 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 2: Leven lang ontwikkelen

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Evaluatie SLIM-regeling

Ex-ante, ex-durante en ex-post evaluatie

2025

Afgerond

1

Link naar onderzoek

Evaluatie subsidieregeling STAP-budget

Ex-ante, ex-durante en ex-post evaluatie

20261

Uitgesteld

1

 
1

De uitvoering van dit onderzoek is afgerond, maar publicatie is vertraagd tot Q2 2026.

Tabel 133 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 3: Arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Evaluatiekader en nulmeting voor het wetsvoorstel Wet toelating ter beschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta)

Ex-ante evaluatie

2025

Afgerond

1

Kamerstuk 36446, nr. 89

Evaluatie Wet arbeidsmarkt in balans (WAB)

Ex-post evaluatie

20261

Uitgesteld

1

 

Tweede evaluatie Meldplicht WagwEU

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

1

Kamerstuk 29861, nr. 168

Evaluatie Wet arbeid vreemdelingen

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

1

Kamerstuk 35680, nr. 24

Invoeringstoets Implementatiewet detachering wegvervoer

Ex-ante evaluatie

20262

Uitgesteld

1

 

Verkenning arbeidsrechtelijke verschillen tussen Caribisch Nederland en het Europese deel van Nederland

Overig onderzoek

2025

Afgerond

1

Kamerstuk 29544, nr. 1305

1

De uitvoering van dit onderzoek is afgerond, maar publicatie is vertraagd tot begin 2026.

2

Dit onderzoek zou in 2025 worden opgeleverd maar is vertraagd omdat er meer tijd nodig was voor de afronding van het eindrapport dan vooraf gepland.

Tabel 134 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 4: Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Situatie gezinnen in Nederland

Overig onderzoek

2025

Afgerond

1

Kamerstuk 25883, nr. 524

Kinderopvang

     

Periodieke rapportage kinderopvangbeleid (bevorderen arbeidsparticipatie)

Ex-post evaluatie

20261

Uitgesteld

7

 

Landelijke kwaliteitsmonitor kinderopvang

Ex-durante evaluatie

Jaarlijks

Afgerond

7

Kamerstuk 31322, nr. 561

Evaluatie indexeringssystematiek kinderopvangtoeslag

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

7

Kamerstuk 36708, nr. 13

Onderzoek gastouderopvang redenen van uitstroom

Overig onderzoek

2025

Afgerond

7

Kamerstuk 31322, nr. 554

Monitor implementatie kwaliteitseisen kinderopvang

Ex-durante monitor

Jaarlijks

Afgerond

7

Kamerstuk 31322, nr. 572

Tegemoetkoming ouders

     

Periodieke rapportage tegemoetkoming ouders

Ex-post evaluatie

20262

Afgerond

10

Kamerstuk 30982, nr. 75

Evaluatie Kinderbijslag BES

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

10

Kamerstuk 30982, nr. 74

Arbeid en zorg

     

Evaluatie Wet betaald ouderschapsverlof

Ex-post evaluatie

20263

Uitgesteld

6

 
1

De periodieke rapportage zou in 2025 opgeleverd worden. In verband met de prioritering van andere werkzaamheden is de periodieke rapportage uitgesteld. Het onderzoek wordt in 2026 naar de Tweede Kamer gestuurd.

2

De periodieke rapportage zou in 2025 opgeleverd worden maar de publicatie was vertraagd.

3

De oplevering van deze evaluatie is vertraagd naar begin 2026, in verband met beperkte capaciteit en prioritering op dit dossier. In 2024 is de invoeringstoets betaald ouderschapsverlof opgeleverd door UWV, wat eerste inzichten biedt in de ervaringen met het betaald ouderschapsverlof.

Tabel 135 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 5: Pensioen en oudedag

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Oudedagsvoorziening

     

MKBA leefvormen

Ex-ante evaluatie

2025

Afgerond

8

Kamerstuk 32043, nr. 689

Gezond naar pensioen

     

Monitor AOW-leeftijdsverhoging

Ex-durante evaluatie

2025

Afgerond

8

Kamerstuk 32163, nr. 62

Onderzoek naar knelpunten en kansen rondom gezond doorwerken tot aan pensioen

Overig onderzoek

n.v.t.1

Anders

n.v.t.

n.v.t.

Monitoring Regeling vervroegd uittreden (RVU)

Ex-durante evaluatie

2025

Afgerond

1

Kamerstuk 32043, nr. 685

1

Dit onderzoek heeft geen doorgang meer gevonden. De kennisvragen zijn beland in een kennisprogramma van TNO in het kader van zwaar werk, duurzame inzetbaarheid en RVU.

Tabel 136 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 6: Armoede en schulden

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Onderzoeksprogramma CPB Inkomensschokken12

Overig onderzoek

2025

Afgerond

meerdere

Link naar onderzoek

Evaluatie minnelijke schuldhulpverlening

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 24515, nr. 817

Vroegsignalering

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 24515, nr. 812

Monitor Energiearmoede

Ex-durante evaluatie

Jaarlijks

Afgerond

2

Kamerstuk 29023, nr. 593

Ontwikkelingen buitengerechtelijke incasso

Ex-ante evaluatie

20263

Uitgesteld

2

 
1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

2

Uit dit onderzoeksprogramma zijn meerdere publicaties gekomen, zo ook: https://www.cpb.nl/stapeling-en-voorspelbaarheid-van-arbeidsmarkt-en-gezondheidsschokken, https://www.cpb.nl/publieke-stelsel-compenseert-groot-deel-inkomensverlies-bij-negatieve-gebeurtenis en https://www.cpb.nl/publicatie/stresstest-baanverlies-en-arbeidsongeschiktheid-van-werknemers-en-zelfstandigen.

3

Dit onderzoek zou in 2025 worden opgeleverd maar is vertraagd omdat er meer tijd nodig was voor de verwerking van de feedback uit de klankbordgroep.

Tabel 137 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 7: Bijstand en participatie

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Onderzoeksprogramma CPB Inkomensschokken12

Overig onderzoek

2025

Afgerond

meerdere

Link naar onderzoek

Onderzoek (potentiële) loonwaarde medewerkers beschut werk

Overig onderzoek

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 34352, nr. 341

Monitor uitvoering uniforme loonwaardebepaling

Ex-durante monitoring

Jaarlijks

Afgerond

2

Link naar onderzoek

Verdeelsleutel inleenverbanden banenafspraak

Overig onderzoek

Jaarlijks

Afgerond

2

Link naar onderzoek

Duurzaamheid van werk binnen de banenafspraak

Overig onderzoek

Jaarlijks

Afgerond

2

Link naar onderzoek

Onderzoek rechtmatige uitvoering Subsidieregeling IPS-trajecten

Ex-post evaluatie

20263

Uitgesteld

2

 

Re-integratie onder de Participatiewet

Ex-durante monitoring

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 34352, nr. 349

1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

2

Uit dit onderzoeksprogramma zijn meerdere publicaties gekomen, zo ook: https://www.cpb.nl/stapeling-en-voorspelbaarheid-van-arbeidsmarkt-en-gezondheidsschokken, https://www.cpb.nl/publieke-stelsel-compenseert-groot-deel-inkomensverlies-bij-negatieve-gebeurtenis en https://www.cpb.nl/publicatie/stresstest-baanverlies-en-arbeidsongeschiktheid-van-werknemers-en-zelfstandigen.

3

De uitvoering van dit onderzoek is afgerond, maar publicatie is vertraagd tot begin 2026.

Tabel 138 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 8: Jonggehandicapten

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Periodieke rapportage jonggehandicapten

Ex-post evaluatie

20261

Uitgesteld

4

 

Evaluatie Wet vereenvoudiging Wajong

Ex-post evaluatie

20262

Uitgesteld

4

 

Effectevaluatie Wajong-dienstverlening3

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

4 en 11

Kamerstuk 34352, nr. 346

Willen, kunnen en doen. Gedrag en gedragsbeïnvloeding van mensen met een AG-uitkering

Ex-durante evaluatie

2024

Afgerond

3, 4 en 6

Link naar onderzoek

Kwalitatief onderzoek vereenvoudiging Wajong

Ex-durante evaluatie

2025

Afgerond

4

Link naar onderzoek

Monitor effect wetsvoorstel Wajong maatregelen

Ex-durante monitoring

2025

Afgerond

4

Link naar onderzoek

1

De periodieke rapportage zou in 2025 opgeleverd worden maar de publicatie is vertraagd. Het wordt in Q2 2026 naar de Kamer gestuurd.

2

Het onderzoek zou in 2025 opgeleverd worden maar de publicatie is vertraagd. Het wordt in Q2 2026 naar de Kamer gestuurd.

3

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Tabel 139 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 9: Werkloosheid werknemers

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Vervolgonderzoek duurverkorting WW

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

5

Kamerstuk 34351, nr. 35

Onderzoeksprogramma CPB Inkomensschokken12

Overig onderzoek

2025

Afgerond

meerdere

Link naar onderzoek

1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

2

Uit dit onderzoeksprogramma zijn meerdere publicaties gekomen, zo ook: https://www.cpb.nl/stapeling-en-voorspelbaarheid-van-arbeidsmarkt-en-gezondheidsschokken, https://www.cpb.nl/publieke-stelsel-compenseert-groot-deel-inkomensverlies-bij-negatieve-gebeurtenis en https://www.cpb.nl/publicatie/stresstest-baanverlies-en-arbeidsongeschiktheid-van-werknemers-en-zelfstandigen.

Tabel 140 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 10: Ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Periodieke rapportage ziekte en arbeidsongeschiktheid voor werknemers

Ex-post evaluatie

20271

Uitgesteld

3 en 6

 

Effectiviteit werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA)-dienstverlening2

Ex-durante en ex-post evaluatie

2025

Afgerond

3 en 11

Link naar onderzoek

Uitvoeringsonderzoek hybride ZW-markt

Ex-post evaluatie

20263

Uitgesteld

6

 

Wat kopen we in voor wie?

Ex-durante monitoring

20264

Uitgesteld

3, 4, 6

 

Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) WIA

Overig onderzoek

2025

Afgerond

3 en 6

Kamerstuk 32716, nr. 55

Onderzoek verzuimverzekeringsgraad werkgevers (en de MKB-verzuim-ontzorgverzekering)

Ex-post en ex-ante evaluatie

2025

Afgerond

3 en 6

Kamerstuk 29544 nr. 1309

Willen, kunnen en doen. Gedrag en gedragsbeïnvloeding van mensen met een AG-uitkering

Ex-durante evaluatie

2024

Afgerond

3, 4 en 6

Link naar onderzoek

Onderzoek effectiviteit hybride markt Ziektewet

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

6

Kamerstuk 32716, nr. 52

Onderzoeksprogramma CPB Inkomensschokken25

Overig onderzoek

2025

Afgerond

meerdere

Link naar onderzoek

1

In verband met de IBO WIA is deze uitgesteld naar 2027.

2

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

3

In verband met capaciteitsgebrek heeft dit onderzoek niet kunnen plaatsvinden. Er wordt op een later moment bezien of dit onderzoek kan worden gestart.

4

In verband met beperkte onderzoekscapaciteit is UWV dit onderzoek later in 2025 gestart en wordt het onderzoek naar verwachting medio 2026 afgerond.

5

Uit dit onderzoeksprogramma zijn meerdere publicaties gekomen, zo ook: https://www.cpb.nl/stapeling-en-voorspelbaarheid-van-arbeidsmarkt-en-gezondheidsschokken, https://www.cpb.nl/publieke-stelsel-compenseert-groot-deel-inkomensverlies-bij-negatieve-gebeurtenis en https://www.cpb.nl/publicatie/stresstest-baanverlies-en-arbeidsongeschiktheid-van-werknemers-en-zelfstandigen.

Tabel 141 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 11: Inkomensondersteuning nabestaanden en wezen1

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

1

Voor dit thema zijn er geen onderzoeken met een geplande afronding in 2025 of eerder.

Tabel 142 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 12: Integratie en maatschappelijke samenhang

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Evaluatie United Nations (UN) decade for people of African descent

Overig onderzoek

2025

Afgerond

13

Kamerstuk 30950, nr. 459

Bouwstenen interventies lokaal beleid, ter preventie van radicalisering en ongewenste polarisatie1

Overig onderzoek

2025

Afgerond

13

Link naar onderzoek

Derde evaluatie Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS)

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

13

Kamerstuk 32824, nr. 453

Evaluatie SPUK Kansrijke Wijk

Ex-durante monitoring

20262

Uitgesteld

13

 
1

Het onderzoek is in de SEA 2025 onder de naam 'Effectieve interventies gericht op de preventie van radicalisering' opgenomen.

2

Dit onderzoek zou in 2025 worden opgeleverd maar is uitgesteld vanwege de verlenging van de uitvoering van de SPUK Kansrijke Wijk 2023-2025. Het onderzoek wordt in 2026 opgeleverd.

Tabel 143 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 13: Uitvoering SUWI-stelsel

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Evaluatie van het terugvorderingsbeleid

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

meerdere

Kamerstuk 17050, nr. 612

Effectevaluatie Wajong-dienstverlening1

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

4 en 11

Kamerstuk 34352, nr. 346

Effectiviteit werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA)-dienstverlening1

Ex-durante en ex-post evaluatie

2025

Afgerond

3 en 11

Link naar onderzoek

1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Tabel 144 Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema 14: Corona

Titel Onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotingsartikel(en)

Vindplaats onderzoek

Synthesestudie coronasteunmaatregelen

Ex-post evaluatie

2025

Afgerond

11

Kamerstuk 35420, nr. 541

De bijlage afgerond evaluatie- en overig onderzoek in dit jaarverslag heeft betrekking op de Strategische Evaluatie Agenda en Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda in de begroting SZW 2025. De bijlage is aangevuld met onderzoeken van de Strategische Evaluatie Agenda in de begroting SZW 2026 met een geplande afronding in 2025. Voor het meest recente overzicht van de programmering van periodieke rapportages/beleidsdoorlichtingen, zie het overzicht Ingepland en uitgevoerd onderzoek op rijksfinancien.nl

Bijlage 3: Inhuur externen

Uitgaven voor inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel

Tabel 145 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verslagjaar 2025 (bedragen x € 1.000)

Programma- en apparaatskosten

 

1. Interim-management

366

2. Organisatie- en Formatieadvies

454

3. Beleidsadvies

4.001

4. Communicatieadvisering

959

Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4)

5.780

  

5. Juridisch advies

406

6. Advisering opdrachtgevers automatisering

5.806

7. Accountancy, financiën en administratieve organisatie

3.382

(Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7)

9.594

  

8. Uitzendkrachten (formatie & piek)

9.357

Ondersteuning bedrijfsvoering

9.357

  

Totaal uitgaven inhuur externen

24.728

In 2025 bedroeg het totaal van de personele uitgaven € 520 miljoen. Dit is de som van € 495 miljoen voor het eigen personeel en € 25 miljoen externe inhuur. Het percentage externe inhuur komt hiermee in 2025 op 4,8. Dit is een verdere daling ten opzichte van het niveau van 2023 (8,8) en 2024 (7,9).

We zien een verdere afname van de externe inhuur bij de rijksschoonmaakorganisatie en met name bij het organisatie-onderdeel dat zich bezighoudt met de uitvoering van de subsidies uit het noodpakket.

Rapportage overschrijding maximumuurtarief externe inhuur

Vanaf 2011 geldt dat ministeries rapporteren over het maximumuurtarief buiten de raamovereenkomsten om (motie De Pater – Van der Meer). Het maximumuurtarief vormt een aanvulling op het sturingsinstrumentarium externe inhuur (de procentuele uitgavennorm).

Tabel 146 Inhuur externen buiten raamovereenkomsten
 

2025

Aantal overschrijdingen maximumuurtarief

0

Bijlage 4: Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer

Europees Sociaal Fonds (ESF/ ESFplus) en Fonds voor een rechtvaardige transitie (JTF)

Op basis van de informatie uit de verklaringen en rapporten van de managementautoriteit, beheerautoriteit, certificeringsautoriteit, de verantwoordelijke voor de boekhoudfunctie en auditautoriteit en alle overige informatie en met inachtneming van hetgeen na punt 3 vermeld wordt, wordt geconstateerd dat inzake het ESF over de periode 1 juli 2023 tot en met 30 juni 20245 en ESFplus en JTF over de periode 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2025:

  • 1. de door Nederland opgezette systemen en daarin vervatte maatregelen voor het beheer en de controle van de gelden naar behoren hebben gefunctioneerd;

  • 2. de jaarrekening ESF van de Certificeringsautoriteit, in de context van bovengenoemde informatie volledig, nauwkeurig en waarachtig is;

  • 3. de jaarrekening ESFplus en JTF van de verantwoordelijke voor de boekhoudfunctie, in de context van bovengenoemde informatie volledig, juist en waarheidsgetrouw is;

  • 4. de uitgaven die ter vergoeding bij de Europese Commissie zijn ingediend

ESF: per saldo € 477.966.124, aandeel overheidsuitgaven € 455.295.389, aandeel (fonds) € 395.559.944

ESFplus: per saldo € 66.246.150, aandeel overheidsuitgaven € 66.246.150, aandeel (fonds) € 26.498.460

JTF: per saldo € 15.295.536, aandeel overheidsuitgaven € 7.172.528, aandeel (fonds) € 7.647.768

in alle materiële opzichten wettig en regelmatig zijn.

Bovenstaande constateringen en eventuele punten van voorbehoud zijn beperkt tot zaken van materieel belang en vloeien direct voort uit audits en laten onverlet inherente interpretatie van Europese regelgeving. De bekende onderzoeken en/of correctievoorstellen in verband met de goedkeuring van de ingediende rekeningen door de Europese Commissie zijn opgenomen in de toelichting.

Toelichting

Verklaring Certificeringsautoriteit

De directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering heeft, in de functie van Certificeringsautoriteit, verklaard dat de jaarrekening volledig, nauwkeurig en waarachtig is, dat de in de jaarrekening opgenomen uitgaven in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht en zijn gedaan voor concrete acties die zijn geselecteerd aan de hand van de voor het operationeel programma geldende criteria en dat de bepalingen van de fondsspecifieke verordeningen in acht zijn genomen.

Verklaring van de verantwoordelijke voor de Boekhoudfunctie

De directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering heeft, in de functie van de Boekhoudfunctie, bevestigd dat de jaarrekening volledig, juist en waarheidsgetrouw is.

Rapportages Auditautoriteit

De Auditdienst Rijk heeft, in de functie van Auditautoriteit, geoordeeld dat het toegepaste beheers- en controlesystemen naar behoren functioneren, de jaarrekeningen een getrouw beeld geven, en de uitgaven in de jaarrekeningen wettig en regelmatig zijn. Tevens worden de beweringen in de beheersverklaring van de management- en beheerautoriteit door de uitgevoerde auditwerkzaamheden niet in twijfel getrokken.

Beheersverklaring Managementautoriteit ESF

De Managementautoriteit heeft verklaard dat de informatie in de jaarrekening naar behoren wordt weergegeven. Dit betekent dat de uitgaven die in de jaarrekening zijn opgenomen, zijn gebruikt voor het beoogde doel, zoals gedefinieerd in onderhevige verordening en overeenkomstig zijn met het beginsel van goed financieel beheer en het beheers- en controlesysteem de nodige garanties biedt met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, in overeenstemming met het toepasselijke recht.

Beheersverklaring Beheerautoriteit ESFplus en JTF

De Beheerautoriteit heeft verklaard dat de informatie in de jaarrekening naar behoren wordt weergegeven en volledig en accuraat is, overeenkomstig artikel 98 van Verordening (EU) 2021/1060 en dat de in de rekeningen opgenomen uitgaven in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht en werden gebruikt voor het beoogde doel.

Bekende lopende onderzoeken en/of correctievoorstellen (Europese Commissie, Europese Rekenkamer, OLAF)

De Europese Commissie bepaalt uiteindelijk de EU-conformiteit van de nationale implementatie en uitvoering van EU-regelgeving. De Europese Commissie kan financiële correcties opleggen als zij concludeert dat EU-regelgeving niet op de juiste wijze door de lidstaat is geïnterpreteerd en/of uitgevoerd.

De Europese Rekenkamer heeft in het kader van haar werkzaamheden met betrekking tot de betrouwbaarheidsverklaring voor het begrotingsjaar 2024 in september 2024 een audit uitgevoerd op het operationeel programma 2014-2020, verslagjaar 2022/2023. Op 23 juli 2025 heeft de Europese Rekenkamer de AA via een closure letter in kennis gesteld van de bevindingen uit de audit. De diensten van de Europese Commissie moeten gevolg geven aan de bevindingen van de Europese Rekenkamer.

Ook de Europese Commissie (DAC) heeft gelijktijdig met de Europese Rekenkamer een compliance audit uitgevoerd op het operationeel programma 2014NL05SFOP001 (OP 2014-2020), verslagjaar 2022/2023.

De bevindingen van de Europese Rekenkamer overlappen deels de bevindingen van de DAC. Over deze bevindingen zijn we nog in gesprek met de DAC. Wij hebben met de DAC afgesproken om vóór 15 februari 2026 de assurance package in te dienen van verslagjaar 2023/2024, inclusief de afsluiting van programmaperiode 2014-2020. De afwikkeling van compliance audit over verslagjaar 2022/2023 volgt na 15 februari 2026. De uitkomsten van het gesprek met de DAC kunnen nog leiden tot een correctie.

Het antifraude-DG van de Europese Commissie (OLAF) kan onderzoeken starten naar onregelmatigheden, waaronder vermoedens van fraude met EU subsidies. Er zijn op dit moment geen lopende OLAF-onderzoeken.

5

De STEP-regeling biedt de mogelijkheid om de afsluiting van de programmaperiode 2014-2020 met één jaar te verlengen. Dit betekent dat de termijn van indiening van de afsluitingsdocumenten is verlengd met een jaar naar uiterlijk 15 februari 2026.

Bijlage 5: Budgettair overzicht Oekraïne

Tabel 147 Budgettair overzicht Oekraïne (bedragen x € 1.000)

Artikelnummer

Artikelnaam

Maatregel

Verplichtingen 2025

Uitgaven 2025

Ontvangsten 2025

Relevante Kamerstukken

7

Kinderopvang

Kinderopvangtoeslag voor Oekraïense ontheemden

9.600

9.600

 

Link naar Kamerstuk

10

Tegemoetkoming ouders

Kinderbijslag voor Oekraïense ontheemden

29.800

29.800

 

Link naar Kamerstuk

10

Tegemoetkoming ouders

Kindgebonden budget voor Oekraïense ontheemden

57.300

57.300

 

Link naar Kamerstuk

KOT

De doelgroep van ouders die aanspraak kunnen maken op de kinderopvangtoeslag (KOT) is verbreed, zodat ook een ouder met een partner buiten de EU aanspraak kan maken op de KOT voor de opvang in Nederland, mits voldaan wordt aan de overige voorwaarden. Door deze maatregel maken Oekraïense ontheemden die gevlucht zijn met hun kinderen, maar waarvan de partner nog (noodgedwongen) in Oekraïne verblijft, aanspraak op KOT indien zij in Nederland gaan werken.

AKW

Oekraïense ontheemden maken, indien zij werken, aanspraak op kinderbijslag.

WKB

Oekraïense ontheemden maken, indien zij werken, aanspraak op kindgebonden budget.

Bijlage 6: Lijst van afkortingen

Lijst van afkortingen

Afkorting

Betekenis

ABA

Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen

ACOI

Adviescommissie Openbaarheid en Informatiehuishouding

AcICT

Adviescollege ICT-toetsing

ADR

Auditdienst Rijk

AFM

Autoriteit Financiële Markten

AG-uitkering

Arbeidsongeschiktheidsuitkering

AI

Artificial Intelligence

AIO

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen

AKW

Algemene Kinderbijslagwet

Anw

Algemene Nabestaandenwet / Nabestaandenfonds

AO

Arbeidsongeschiktheid

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

AOV

Algemene Ouderdomsverzekering Caribisch Nederland, of Arbeidsongeschiktheidsverzekering

AOW

Algemene Ouderdomswet / Ouderdomsfonds

Arbo

Arbeidsomstandigheden

ATW

Arbeidstijdenwet

avv

Algemeen verbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten

Awf

Algemeen Werkloosheidsfonds

Awir

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

AWW

Algemene Weduwen- en Wezenverzekering Caribisch Nederland

Baz

Wetsvoorstel basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen

Bbz

Besluit bijstandverlening zelfstandigen

BD

Beleidsdoorlichting

BES

Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (samen Caribisch Nederland)

BIDN

Bureau Informatiediensten Nederland

BIO

Baseline Informatiebeveiliging Overheid

BKWI

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen

BMIP

Brabants Migratie Informatiepunt

BMS

Brede Maatschappelijke Samenwerking burn-outklachten

BZK

(Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

cao

Collectieve arbeidsovereenkomst

CASS

Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CEP

Centraal Economisch Plan

CJIB

Centraal Justitieel Incassobureau

CN

Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius, Saba)

COA

Centraal Orgaan opvang Asielzoekers

CPB

Centraal Planbureau

CPO

Chief Privacy Officer

CSE

Chronic solvent-induced encephalopathy, een aandoening van het centrale zenuwstelsel als gevolg van de langdurige blootstelling aan oplosmiddelen

CRTV BE

Compensatieregeling transitievergoeding bij bedrijfsbeëindiging in geval van overlijden of pensionering van de werkgever

CRTV -LAO

Compensatieregeling transitievergoeding langdurige arbeidsongeschiktheid

Ctgb

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

C.V.

Commanditaire Vennootschap

DG

Directoraat-generaal

DI

Duurzame inzetbaarheid

DMS

Document Management Systeem

DNB

De Nederlandsche Bank

DUO

Dienst Uitvoering Onderwijs

EFMB

Europees Fonds voor Meest Behoeftigen

EGF

Europees Globalisatiefonds

ESB-regeling

Subsidieregeling scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en Ernstige Scholingsbelemmeringen

ESF

Europees Sociaal Fonds

EU

Europese Unie

EUSF

Europese Unie Solidariteitsfonds

EZ

(Ministerie van) Economische Zaken

FDC

Financieel Dienstencentrum

fte

Fulltime equivalent

Gas

Geldzorgen, armoede en schulden

GGD

Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst

GGZ

Geestelijke gezondheidszorg

GOR

Groepsondernemingsraad Rijk

GWV

Generieke Woo-voorziening

HAL

Handmatig Aanlever Loket

havo

Hoger algemeen voortgezet onderwijs

I&W

(Ministerie van) Infrastructuur en Waterstaat

IB&P

Informatiebeveiliging en privacy

ICAI-lab

Innovation Center for Artificial Intelligence

IO&E

Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed

IBO

Interdepartementaal Beleidsonderzoek

IHH

Informatiehuishouding

IOAOW

Inkomensondersteuning AOW-gerechtigden

IOAW

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers

IOAZ

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen

IOW

Inkomensvoorziening Oudere Werklozen

IPS

Individuele Plaatsing en Steun

ISBG

Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke Stoffen

IVA

Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten

Jeugd-LIV

Minimumjeugdloonvoordeel

JTF

Fonds voor een rechtvaardige transitie

KBV

Kinderbijslagvoorziening

KBvG

Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders

KIS

Kennisplatform Inclusief Samenleven

KO

Kinderopvang

KOOP

Kennis- en exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties

KOT

Kinderopvangtoeslag

LCR

Landelijke Cliëntenraad

LIV

Lage-inkomensvoordeel

LKS

Loonkostensubsidie

LKV

Loonkostenvoordeel

LLO

Leven Lang Ontwikkelen

LVVN

(Ministerie van) Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

LRK

Landelijk Register Kinderopvang

M&O

Misbruik en Oneigenlijk Gebruik

mbo

middelbaar beroepsonderwijs

MCKW

Mobiliteit Centrum Kolenketen Westhaven

MDIEU

Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden

MEV

Macro-economische Verkenning

mkb

Midden- en kleinbedrijf

MKBA

Maatschappelijke kosten-batenanalyse

mln

Miljoen

NAP

Nationaal actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld

NAU

Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt

NCTV

Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid

NGF

Nationaal Groeifonds

Nibud

Nationaal instituut voor budgetvoorlichting

NJN

Najaarsnota

NL

Nederland

NLA

Nederlandse Arbeidsinspectie

NOW

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid

NVVK

Vereniging voor schuldhulpverlening

OBR

Overbruggingsregeling AOW

OCW

(Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OLAF

Europees Bureau voor fraudebestrijding

OPS

Organo Psycho Syndroom

OV

Ongevallenverzekering Caribisch Nederland

pgb

Persoonsgebonden budget

PGV

Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland

POC-KOT, of POK

Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag

PR

Periodieke rapportage

pro

Praktijkonderwijs

PWRI

Pensioenfonds Werk en (Re-)Integratie

RCN

Rijksdienst Caribisch Nederland (unit Sociale Zaken en Werkgelegenheid)

REACH/CLP

Registration, Evaluation, Authorisation en restriction of Chemicals and Classification, Labelling en Packaging

RGI

Risico gestuurd inspecteren

RHB

Rijkshoofdboekhouding

RI&E

Risico-inventarisatie en -evaluatie

RIHH

Regeringscommissaris Informatiehuishouding

RIV

Re-integratieverslag

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RSO

Rijksschoonmaakorganisatie

RVO

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

RVU

Regelingen voor vervroegde uittreding

RWT

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak

S&I

Directie Samenleving en Integratie

SBCM

Stichting Beheer Collectieve Middelen

SEA

Strategische Evaluatie Agenda

SER

Sociaal-economische Raad

SKD

Stroomlijning keten voor derdenbeslag

SLIM

Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen

SMC

Sociaal Medisch Centrum

SMI

Sociaal-medische indicatie

SPDI

Sociale Partners samen voor Duurzame Inzetbaarheid

SPUK

Specifieke Uitkering

SSO

Shared Service Organisatie

STAP

Stimulans arbeidsmarktpositie

Stb.

Staatsblad

Stcrt.

Staatscourant

SUWI

Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen

SVB

Sociale Verzekeringsbank

SW

Sociale werkvoorziening

SZ

Sociale Zekerheid

SZW

(Ministerie van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TAS

Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers

TEKS

Eenmalige tegemoetkoming energiekosten studenten

TNE

Tijdelijk Noodfonds Energie

TNO

Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek

TOFA

Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten

Tozo

Tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandig ondernemers

TSB

Tegemoetkomingsregeling Stoffengerelateerde Beroepsziekten

TW

Toeslagenwet

UBR

Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de overheid

UN

United Nations

USD

Amerikaanse dollar

UVB

Directie-onderdeel Uitvoering Van Beleid

UWV

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

Vbar

Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden

VIA

(werkagenda) Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt

VIM

Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen

VN

Verenigde Naties

VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

vso

Voortgezet speciaal onderwijs

vut

Vervroegde uittreding

vwo

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

VWS

(Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Waadi

Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs

Wab

Wet arbeidsmarkt in balans

WagwEU

Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie

Wajong

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

WAO

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering

Wav

Wet arbeid vreemdelingen

WAZ

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen

WAZO

Wet Arbeid en Zorg

WBO

Wet Betaald ouderschapsverlof

WGA

Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten

Whk

Werkhervattingskas

WIA

Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen

WKB

Wet op het Kindgebonden Budget

Wko

Wet kinderopvang

Wml

Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag / Wettelijk minimumloon

WNT

Wet Normering bezoldiging Topfunctionarissen publieke en semipublieke sector

Wob

Wet openbaarheid van bestuur

Woo

Wet open overheid

WOR

Wet op de Ondernemingsraden

Wpc

Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis

Wsw

Wet sociale werkvoorziening

Wtl

Wet tegemoetkomingen loondomein

Wtp

Wet Toekomst Pensioenen

Wtta

Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten

WW

Werkloosheidswet

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZEZ

Regeling Zelfstandig En Zwanger

ZonMw

Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie

ZV

Ziekteverzekering Caribisch Nederland

ZW

Ziektewet

zzp

Zelfstandige zonder personeel

Licence