Base description which applies to whole site

XXIII Klimaat en Groene Groei

GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). Totaal € 14.881,8 mln.

Figuur 2 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikel en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). Totaal € 9.561,0 mln.

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven - van der Meer

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

De Minister van Klimaat en Groene Groei heeft 2 begrotingen:

  • 1. de beleidsbegroting (Hoofdstuk XXIII van de Rijksbegroting) en

  • 2. de fondsbegroting van het Klimaat- en energiefonds (Hoofdstuk M van de Rijksbe­groting)

Voor u ligt de beleidsbegroting Hoofdstuk XXIII.

1. Leeswijzer

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Begrotingsstructuur;

  • 2. Prestatiegegevens;

  • 3. Groeiparagraaf;

  • 4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s..

1. Begrotingsstructuur

Met de ingang van de ontwerpbegroting 2027 is de KGG- begroting een programmabegroting. Dit betekent dat er geen apparaat of uitvoeringsorganisaties zichtbaar zijn op deze begroting.

Beleidsagenda

De beleidsagenda begint met het onderdeel beleidsprioriteiten. De beleidsprioriteiten voor de begroting Klimaat- en Groene Groei kent de volgende opbouw:

  • Inleiding;

  • De transitie naar duurzaam energieaanbod;

  • De transitie naar een duurzame energievraag;

  • De transitie naar een volledig circulaire economie in 2050;

  • Slotparagraaf.

Na het onderdeel beleidsprioriteiten volgen: de belangrijkste begrotingsmutaties voor de uitgaven en de ontvangsten, de Strategische Evaluatie Agenda en het overzicht van de risicoregelingen.

Beleidsartikel

Aansluitend op de beleidsagenda volgt de toelichting op het beleidsartikel. Hierin is een algemene doelstelling en een beschrijving van de rol en verantwoordelijkheid van de Minister opgenomen. Voor het beleidsartikel zijn de belangrijkste beleidswijzigingen apart opgenomen onder het kopje «beleidswijzigingen». De financiële instrumenten zijn voorzien van een korte toelichting. Waar mogelijk wordt (voor een meer inhoudelijke en gedetailleerde beleidstoelichting) verwezen naar de relevante beleidsnota’s of brieven die naar de Tweede Kamer zijn gestuurd.

In de budgettaire tabel van het beleidsartikel zijn de financiële instrumenten onderverdeeld naar de volgende categorieën: subsidies, leningen, (schade)vergoeding, opdrachten, vermogensverschaffing-/onttrekking, bijdrage aan agentschappen, bijdrage aan ZBO's/RWT's, bijdrage aan medeoverheden, bijdrage aan (inter-)nationale organisaties, storting/onttrekking begrotingsreserve en ontvangsten. Deze onderverdeling komt ook terug in de structuur van het beleidsartikel.

In de begroting zijn verder de volgende bijlagen opgenomen: (bijlage 1) een overzicht van de ZBO’s/RWT’s vallend onder de Minister van KGG, (bijlage 2) een overzicht met de specifieke uitkeringen van de begroting van KGG, (bijlage 3) het subsidieoverzicht met hyperlinks naar de betreffende subsidie, de meest recent uitgevoerde evaluatie en geprogrammeerde eerstvolgende evaluatie, en de geplande einddatum van de subsidie, (bijlage 4) een nadere uitwerking van de Strategische Evaluatie Agenda en de meest recent uitgevoerde en geprogrammeerde beleidsdoorlichtingen en evaluaties met hyperlinks naar de betreffende rapporten en (bijlage 5) een rijksbreed overzicht van klimaatuitgaven.

Informatievoorziening

De Minister van KGG hecht aan hoogwaardige, betrouwbare informatievoorziening om de impact van haar beleid en de voortgang op doelen te monitoren. Uitvoeringsorganisaties worden aangestuurd om relevante monitoringsinformatie te verzamelen over de voortgang en impact van beleid voor burgers en bedrijven. Daarnaast zet de Minister van KGG zich in op het gebruik van onafhankelijke voortgangsinformatie zoals van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Centraal Planbureau, de EU en de OESO. KGG communiceert thematisch over beleidsvoortgang op websites als dashboardklimaatbeleid.nl en dashboardgroningen.nl. Voor voortgang op brede welvaart publiceert het CBS de Monitor Brede Welvaart en Sustainable Development Goals. Daarnaast is informatie, zoals ook genoemd in de toelichting bij de beleidsartikelen, te vinden op websites van betreffende uitvoeringsorganisaties. Tot slot wordt op rijksfinancien.nl alle budgettaire data verzameld. Deze website biedt ook de mogelijkheid om gerelateerde informatie toe te voegen aan de reguliere begrotingsinformatie. Dat zijn bijvoorbeeld beleidsevaluaties, visualisaties van financiële tabellen, bijbehorende officiële stukken, en links naar aanvullende beleidsinformatie.

Begrotingsreserves

De KGG-begroting kent een vijftal reserves, namelijk de reserve duurzame energie, de reserve voor de garantieregeling aardwarmte, de reserve voor een risicoregeling voor ECN/NRG, de reserve voor de garantieregeling warmtenetten en de nieuwe reserve voor de garantie LNG-terminals. In de toelichting op de financiële instrumenten, onder onderdeel E van beleidsartikel 31 wordt verder ingegaan op de aard van deze instrumenten.

Overzicht maatregelen ten behoeve van het klimaatbeleid

Zoals toegelicht in de kabinetsreactie evaluatieonderzoek en overzicht klimaatbeleid (Kamerstuk 32 813, nr. 1401) wordt middels twee overzichten in de rijksbegroting geprobeerd een zo volledig en eenduidig mogelijk financieel overzicht te bieden van het klimaatbeleid. Het betreft het totaaloverzicht van klimaatuitgaven, een bijlage van de begroting van KGG, en het integraal overzicht klimaat, een bijlage van de Miljoenennota. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan de motie Leegte (Kamerstuk 30 196, nr. 278), de motie Grinwis/Stoffer (Kamerstuk 36 274, nr. 45), het advies van de Raad van State bij de Miljoenennota 2024 over klimaatinclusief begroten en het rapport ‘Inzicht in uitgaven klimaatbeleid’ van de Algemene Rekenkamer. De overzichten blijven in ontwikkeling en zullen continu verbeterd worden.

In bijlage 5 van deze begroting is het rijksbrede totaaloverzicht opgenomen van de uitgaven ten behoeve van het klimaatbeleid en de verduurzaming van de energievoorziening. Deze tabel bevat alle voorgenomen uitgaven op departementale begrotingen die onder de gestelde definitie van klimaatuitgaven vallen. Deze definitie heeft het kabinet expliciet gedefinieerd in de kabinetsreactie op het rapport ‘Inzicht in uitgaven klimaatbeleid’ van de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk 32 813, nr. 1235).

In aanvulling hierop zijn in het integraal overzicht klimaat, de bijlage van de Miljoenennota, ook de klimaatgerelateerde belastingen opgenomen die onder de hiervoor gestelde definitie vallen en de uitgaven van klimaatadaptatiebeleid. De Tweede Kamer is reeds geïnformeerd over de definitie van klimaatadaptatie-uitgaven die zal worden gehanteerd om dit overzicht te kunnen vullen (Kamerstuk 27 625, nr. 693).

2. Prestatiegegevens

In het beleidsartikel wordt onder de algemene doelstelling aangegeven waar de Minister van KGG voor verantwoordelijk is. Indien voor deze doelstellingen een directe relatie gelegd kan worden tussen het gevoerde beleid en de gewenste (maatschappelijke) uitkomst, zijn prestatie-indicatoren opgenomen. De voorwaarde voor het opnemen van een indicator is een uitvoerende rol van de Minister. Bij de doelstellingen waarbij EZK een belangrijke bijdrage kan leveren door de juiste randvoorwaarden te creëren en het resultaat afhankelijk is van externe factoren, is het niet of beperkt mogelijk om prestatie-indicatoren op te nemen en wordt volstaan met kengetallen over ontwikkelingen op het betreffende beleidsterrein. Daarnaast zijn (waar mogelijk) prestatie-indicatoren en kengetallen opgenomen op instrumentniveau, die inzicht geven in het bereiken van specifieke resultaten.

3. Groeiparagraaf

Met ingang van de ontwerpbegroting 2027 zijn in de beleidsagenda, in het onderdeel beleidsprioriteiten, de hoofddoelen voor de KGG- begroting voor het jaar 2027 opgenomen en waar mogelijk wordt ook ingegaan op risico’s. Op deze manier geeft het kabinet aan welke resultaten het beoogt te bereiken en welke beleidsdoelen worden geprioriteerd. Inzicht in en aandacht voor doelen, resultaten en risico’s is van belang om weloverwogen beleidskeuzes te kunnen maken. De belangrijkste budgettaire mutaties die samenhangen met de keuzes van kabinet zijn opgenomen in tabel 1 en 2 van deze begroting. Hiermee wordt invulling gegeven aan de moties Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36 740, nr. 7), Hoogeveen (Kamerstuk 36 945, nr. 17) en Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36 740, nr. 8) over doelen, resultaten, prioriteiten en risico’s in begrotingsstukken. De hoofddoelen en risico’s zijn nader uitgewerkt in de beleidsartikelen, met daarbij ook nadere toelichting op de voornemens op dat specifieke beleidsterrein.

De personele en materiële uitgaven en ontvangsten van de KGG- begroting en de diensten werden in de begrotingsjaren 2024 tot en met 2025 op de EZ-begroting geraamd, ondanks dat KGG een zelfstandig ministerie was. Doordat EZ en KGG nu zijn samengevoegd tot het Ministerie van EZK, worden alle apparaatsuitgaven- en ontvangsten definitief op de EZK-begroting geraamd en is niet- beleidsartikel 70 Apparaat vanaf de ontwerpbegroting 2027 komen te vervallen.

In lijn met de Comptabiliteitswet (artikel 2.6), waarin is opgenomen dat de begrotingsstaat van een agentschap opgenomen dient te worden bij de begrotingsstaat van de departementale begroting van het ministerie waaronder het agentschap ressorteert, is het agentschap NEa vanaf de ontwerpbegroting 2027 opgenomen op de begroting van EZK en niet meer op de begroting van KGG. Voor begrotingsjaar 2026 staat de begrotingsstaat van de NEa nog opgenomen op de begroting van KGG, omdat deze begroting pas na de start van het kabinet Jetten is omgezet naar een programmabegroting.

4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw c.s. ingediend en aangenomen (Kamerstuk 2010-2011, 21 501-20, nr. 537). Deze motie zorgt ervoor dat de landspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie voor Nederland een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen.

In de landspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie voor Nederland in 2026-2027 (COM(2026) 219 final) is op het beleidsterrein van Klimaat en Groene Groei aanbevolen:

  • Zorgen voor continuïteit van de hervormingen en investeringen die in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit worden uitgevoerd.

  • De algemene afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen door de uitrol van hernieuwbare energiebronnen te versnellen en de energie-efficiëntie te verbeteren, met name in gebouwen.

  • De congestie van het elektriciteitsnet verminderen door de capaciteit van het transmissie- en distributienet te vergroten, flexibiliteitsoplossingen toe te passen, zoneoverschrijdende handel te maximaliseren en vergunningsprocedures verder te vereenvoudigen.

Landspecifieke afspraken Herstel- en Veerkrachtplan (HVP)

De uitvoering van het Nationaal Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) bevindt zich in de eindfase (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2187). Binnen beleidsartikel 31 is de Minister van Klimaat en Groene Groei verantwoordelijk voor de volgende onderwerpen die opgenomen zijn in het Nederlandse HVP:

  • C1.1 R2 Invoering en aanscherping CO2-heffing industrie

  • C1.1 R5 Energiewet

  • C1.1 I1 Wind op Zee

  • C1.1 I2 Groenvermogen waterstof

  • C3.2 I2 Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE)

  • C8 R1 Energiehervormingspakket

Verschillende onderwerpen lopen langer door, bijvoorbeeld het project Groenvermogen waterstof met beschikbare middelen op artikel 31 van de KGG-begroting t/m 2030. Hiermee wordt invulling gegeven aan de landspecifieke aanbeveling om hervormingen en investeringen die in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit worden uitgevoerd te continueren.

In beleidsartikel 31 wordt aangegeven hoe invulling wordt gegeven aan de overige landspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie.

Motie Hachchi c.s.

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (Kamerstuk 33 000 IV, nr. 28) brengen departementen in kaart welke uitgaven zij doen in Caribisch Nederland, uitgesplitst per instrument. Hiervoor geldt een ondergrens van € 1 mln. De totale uitgaven op de KGG-begroting voor Caribisch Nederland in 2027 bedragen € 24,2 mln. Deze uitgaven zijn verwerkt op beleidsartikel 31.

2. Beleidsagenda

Beleidsprioriteiten

Inleiding

Nederland zit midden in een grote verbouwing. We vernieuwen en verduurzamen onze economie, leefomgeving en ons energiesysteem. Dat doen we omdat we op eigen kracht vooruit willen. Omdat we een land willen zijn waar mensen prettig wonen, werken en ondernemen. Een economie willen die toekomstbestendig is en minder afhankelijk wordt van landen buiten Europa. Een land dat strategisch sterk staat, in samenwerking met sterke Europese buren.

Deze verbouwing is hard nodig. Want de wereld om ons heen verandert snel. De energiecrises door oorlog in Oekraïne en het Midden-Oosten laten in korte tijd zien hoe kwetsbaar wij zijn als wij veel fossiele brandstoffen en schaarse grondstoffen van ver weg moeten halen. Geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten en daarbuiten, economische afhankelijkheden en klimaatverandering zetten onze welvaart onder druk. Hogere energie- en grondstofprijzen raken huishoudens en bedrijven direct. Ook zien we de gevolgen van klimaatverandering steeds duidelijker. Extremer weer, langere periodes van droogte, hitte en hevige regenval. Voor een land dat voor een groot deel onder zeeniveau ligt, is dat geen abstract verhaal. Niets doen is geen optie. Want dat kost uiteindelijk meer: aan schade, aan gemiste kansen en aan verloren welvaart.

In deze grote verbouwing hebben we al veel stappen gezet. In de strijd tegen klimaatverandering verwachten we richting 2030 de uitstoot van broeikasgassen in Nederland te halveren in vergelijking met 1990. Meer dan de helft van onze elektriciteit wordt duurzaam opgewekt. De afgelopen tien jaar is de productie van windenergie op zee verviervoudigd. Zonnepanelen op daken zie je overal in Nederland. Elektrische auto’s en bedrijfswagens bepalen steeds vaker het straatbeeld. De transitie is wereldwijd ingezet en is inmiddels onomkeerbaar. Hoewel verduurzaming ons veel oplevert, vergt het meestal een investering in tijd en geld vooraf. Daarom helpt de overheid met ondersteunende subsidies en concrete informatie of ontzorging.

Een meerderheid van de Nederlanders vindt het belangrijk dat Nederland blijft bijdragen aan de aanpak van klimaatverandering (Klimaat en samenleving 2026 | Sociaal en Cultureel Planbureau). Tegelijkertijd maken mensen zich zorgen over hun energierekening. Er is nog werk te verzetten om duurzame keuzes nog aantrekkelijker en vanzelfsprekender te maken. We werken daarom aan een land waar mensen thuis regie kunnen nemen over hun energierekening en waar bedrijven kunnen ondernemen én verduurzamen.

Verduurzaming is voor Nederland een belangrijke strategie voor economische kracht en onafhankelijkheid. Steeds meer bedrijven zijn actief bezig met verduurzaming. Ze zetten bijvoorbeeld gebruikte grondstoffen in voor nieuwe producten en verminderen zo de afvalberg. Ze investeren in efficiëntere processen, elektrificatie en flexibiliteit in hun energiegebruik. Zo verlagen ze hun uitstoot, en tegelijkertijd de druk op het stroomnet. Waar de overheid kan, helpt het de drempels voor investeringen en verduurzaming te verlagen.

We werken door aan verschillende vormen van hernieuwbare energie. Er komt een grote uitbreiding van wind op zee. We gaan door met infrastructuur voor waterstof, warmtenetten en aardwarmte. We zetten kernenergie in als stabiele aanvulling, onder meer door nieuwe kerncentrales te bouwen. We kijken ook expliciet naar de potentie van kleine kerncentrales (SMR’s). Waar nog industriële CO2-uitstoot plaatsvindt, vangen we dat zoveel mogelijk op om te voorkomen dat het in de lucht komt. Fossiele brandstoffen zoals gas en olie zullen voorlopig nog nodig zijn, maar hun rol moet stapsgewijs kleiner worden. De overheid neemt de regie: door te investeren en te versnellen. Ondersteuning met subsidies, duidelijke regels en snelle procedures geven ondernemers en huishoudens zekerheid.

Over vijfentwintig jaar is klimaatneutraliteit wereldwijd de norm. Nederland hoort daarbij. Niet omdat we per se voorop willen lopen, maar omdat we als land onze verantwoordelijkheid nemen en de kansen benutten; voor de industrie, voor een schonere lucht en leefomgeving, en comfortabele huizen. De klimaat-, energie- en grondstoffentransitie doen we samen door koers te houden op 2050, duidelijke keuzes te maken en te zorgen dat iedereen mee kan doen.

Nationale prioriteiten: een weerbaar, concurrerend en duurzaam NederlandMet ingang van de ontwerpbegroting 2027 worden in de begroting de hoofddoelen en risico’s van het Ministerie van EZK opgenomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de moties Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36 740, nr. 7), Hoogeveen (Kamerstuk 36 945, nr. 17) en Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36 740, nr. 8) over doelen, resultaten, prioriteiten en risico’s in begrotingsstukken. Door het opnemen van de hoofddoelen geeft het kabinet aan welke resultaten het beoogt te bereiken en welke beleidsdoelen worden geprioriteerd. Het doel van de begroting van KGG is de transitie naar een weerbaar, concurrerend en duurzaam Nederland. Door vol in te zetten op een nationaal langetermijnbeleid in samenhang met een Europese en mondiale aanpak richten we ons op de onderliggende hoofddoelen:

  • 1. De transitie naar duurzaam energieaanbod. Het aanbod van duurzame energie wordt vergroot met de subdoelen:

    • Het aanpakken van de netcongestieproblemen door het versneld uitbreiden van en beter benutten van het elektriciteitsnet;

    • Het REDIII doel door het aandeel hernieuwbare energie te verhogen naar 39% van het totale bruto eindverbruik in 2030;

    • Voor de verdere uitrol van zonne- en windenergie op land zijn de richtwaarden respectievelijk 75-95 GW en 12-14 GW in 2040;

    • De uitrol van 30 GW windenergie op zee en doorgroei naar 40 GW rond 2040;

    • Een stabiel aanbod van elektriciteit, juist ook op momenten wanneer het niet waait of de zon niet schijnt, door het vergroten van het aandeel kernenergie in de energiemix. Het richtpunt hiervoor is 7 GW kernenergie in 2050;

    • De uitrol van warmtenetten versnellen en voor huishoudens betaalbaar houden. De ambitie is om per 2030 200.000 aansluitingen te realiseren;

    • Tot stand brengen van infrastructuur voor Carbon Capture Storage (CCS) en waterstofopslag;

    • Opschaling van de Nederlandse productie van hernieuwbare waterstof naar 1,2 GW elektrolyse in 2030 en een streefdoel van 3-4 GW elektrolyse in 2035;

    • Opschaling van de Nederlandse productie van groen gas naar 2 bcm.

    Risico’s: weerbaarheid en leveringszekerheid, onder druk door netcongestie en afhankelijkheden in de aanvoer van olie- en gasproducten.

  • 11. De transitie naar een duurzame energievraag. Om de transitie te laten slagen is een gelijkmatige opbouw van vraag en aanbod naar duurzame energie van groot belang. De subdoelen die hieronder vallen:

    • Verduurzaming van huishoudens tot klimaatneutraliteit in 2050;

    • Verduurzaming van de industrie tot CO2-neutraal in 2050;

    • Implementeren van de Energie Efficiëntie-richtlijn (EED-doelen), d.w.z. 11,7% minder energieverbruik in 2030 (ten opzichte van de voorspellingen van het referentiescenario 2020 uit the Energy Efficiency Directive).

    Risico’s: om draagvlak te behouden, is het van groot belang om de energietransitie zo vorm te geven dat een stijgende duurzame energievraag haalbaar, betaalbaar en rechtvaardig blijft voor huishoudens en bedrijven.

  • 15. De transitie naar een volledig circulaire economie in 2050. Hiervoor wordt ingezet op vier strategieën: de vermindering van het grondstoffengebruik, substitutie van grondstoffen, levensduurverlenging en hoogwaardige verwerking. In het Nationaal Programma Circulaire Economie (2025) zijn deze strategieën vertaald naar drie nationale doelen voor 2035:

    • Het grondstoffengebruik in 2035 is 15% lager dan in 2016;

    • Het aandeel duurzame biogrondstoffen en secundaire grondstoffen binnen ons grondstoffengebruik is in 2035 minimaal 55%;

    • In 2035 wordt minimaal 82% van het Nederlandse afval gerecycled en minimaal 15% wordt hoogwaardig gerecycled.

    Risico's: de circulaire transitie is in grote mate afhankelijk van Europees product- en afvalbeleid. Voor schaalvergroting, versnelling van de transitie en een gelijk speelveld voor de industrie is daarom ook een Europese aanpak van belang, waardoor Nederland ook afhankelijk is van het ambitieniveau van andere EU-lidstaten.

Europese en internationale aanpakHet borgen van effectief klimaatbeleid, energieleveringszekerheid, een concurrerend vestigingsklimaat en voor een toekomstbestendige en circulaire industrie, kunnen we als Nederland niet alleen. Europese samenwerking is essentieel om de energieverbindingen tussen lidstaten te versterken, de circulaire economie te versnellen en om een gelijk Europees speelveld te behouden. Alleen door sterk Europees beleid staat Nederland geopolitiek sterk om de uitdagingen van nu het hoofd te bieden. Het kabinet bepleit daarom een ambitieuze EU-agenda voor klimaat, energie en de circulaire economie, waarbij concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid (conform advies Draghi en Letta) hand in hand kunnen en moeten gaan.

In de tweede helft van 2026 worden belangrijke Commissievoorstellen voor Europese wet- en regelgeving verwacht, die cruciaal zijn voor de KGG-beleidsprioriteiten voor 2027. Zo heeft de Europese Commissie afgelopen zomer The Electrification Action Plan and ETS review gepubliceerd. Ook komt de Commissie eind dit jaar met wetsvoorstellen om de energiedoelen en het klimaatdoel van netto 90% emissiereductie in 2040 te halen. Het kabinet pleit in aansluiting hierop voor een stevig uitvoeringspakket, dat de klimaat- en energietransitie vooruitbrengt. In het voorjaar van 2027 neemt het kabinet indien nodig aanvullende nationaal geborgde maatregelen om het doel van 2040 te halen en hebben daarbij oog voor betaalbaarheid en handelingsperspectief. Europese klimaat- en energiebeleidsdoelen moeten bijdragen aan een weerbaar, concurrerend en duurzaam Nederland.

Om de transitie naar duurzaam energieaanbod te kunnen maken, is het van belang dat we op Europees niveau werken aan het oplossen van knelpunten op het gebied van vergunningverlening en netcongestie, naast de nationale inzet om deze vraagstukken op te lossen samen met (netwerk)bedrijven, regio’s en gemeenten. Om de vraag naar duurzame energie te vergroten, is het nodig om beleid voor industrie en huishouders verder te versterken. Het belangrijkste voorstel is de Industrial Accelerator Act (IAA). Zo heeft de Commissie met de IAA als doel kwetsbaarheden in waardeketens van strategische sectoren en technologieën aan te pakken, afzetmarkten van strategische markten te stimuleren, de vraag naar Europese koolstofarme producten te stimuleren en de implementatie en opschaling van nieuwe, groenere technologieën te bevorderen. Daarmee is de IAA het eerste voorstel dat met concrete EU-oorsprongseisen komt in bepaalde producten.

Om de circulaire transitie te versnellen, is een ambitieuze en vooruitstrevende inzet van Europa nodig qua modernisering en harmonisatie van Europees afval- en productbeleid en is samenwerking tussen de EU en handelspartners vereist voor duurzame en eerlijke circulaire ketens. Het voorstel voor de Circular Economy Act (CEA) is hiervoor van groot belang. De CEA beoogt de interne markt voor secundaire materialen te versterken en de beschikbaarheid van en vraag naar recyclaat en gerecyclede producten te vergroten. Uiteindelijk moet dit ervoor zorgen dat Europa wereldleider wordt in de circulaire economie. Het kabinet zal zich inzetten voor een ambitieuze CEA.

Mondiale inzetMondiale samenwerking is ook van groot belang. Het wereldwijde speelveld beïnvloedt de concurrentiekracht van Europese bedrijven. Het gebruik van fossiele brandstoffen in de hele wereld en de mate waarin dit afneemt, bepalen uiteindelijk de opwarming van de aarde. Nederland zoekt actief de samenwerking met andere landen binnen en buiten de Europese Unie voor een ambitieus klimaatbeleid. Zo zet het kabinet in op het afbouwen van financiële prikkels voor fossiele brandstoffen, onder andere via de Coalition on Phasing Out Fossil Fuel Incentives Including Subsidies (COFFIS) en het vervolg van de eerste conferentie Transitioning Away from Fossil Fuels (TAFF). Het kabinet zal hier ook aandacht voor vragen tijdens de jaarlijkse VN-klimaatconferentie, COP31. Daarnaast versterkt het kabinet internationale partnerschappen op het gebied van bijvoorbeeld waterstof, koolstofverwijdering, Carbon, Capture and Storage (CCS) en Carbon Capture and Utilization (CCU).

Specifiek op circulaire economie is mondiale inzet vereist om aan kennisuitwisseling- en opbouw te doen, een gelijk speelveld te bevorderen via de ontwikkeling van gezamenlijke standaarden en circulaire ketens tot stand te brengen. Het versterken van de positie van circulaire economie in internationale klimaat- en biodiversiteitsafspraken is eveneens van belang. De samenwerking met de financiële sector en het versterken van de brug tussen wetenschap en beleid – in het bijzonder via het ondersteunen van het International Resource Panel – zijn cruciale randvoorwaarden voor een versnelling van de wereldwijde transitie naar duurzaam grondstoffengebruik en circulariteit.

Caribisch NederlandDe gevolgen van klimaatverandering zijn ook al merkbaar in het Caribische deel van ons Koninkrijk. Dit kabinet erkent de urgentie van klimaatmaatregelen voor Caribisch Nederland en geeft hier nadrukkelijk aandacht aan. De klimaatplannen voor Caribisch Nederland bestaan uit maatregelen met een focus op het klimaatadaptatiebeleid van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, omdat de broeikasgasuitstoot van Caribisch Nederland relatief beperkt is. Het kabinet zet zich daarnaast samen met de eilandelijke overheden en energiebedrijven in voor de verdere verduurzaming van de energievoorziening van Caribisch Nederland, waaronder ook de organisatie van de Caribbean Climate and Energy Conference (CCEC), als platform voor samenwerking en kennisdeling. Het Rijk ondersteunt de eilanden bij de totstandkoming van de klimaatplannen met kennis, financiële middelen en expertise.

Naast de inzet op ondersteuning en samenwerking met de eilanden, blijft het kabinet werken aan de verdere verankering van klimaatdoelstellingen en de uitvoering van wettelijke verplichtingen. De rechtbank heeft in de procedure over klimaatverandering op Bonaire de Staat bevolen om binnen achttien maanden absolute emissiereductiedoelstellingen voor de gehele economie vast te leggen in nationale regelgeving voor de periode tot 2050. Het vonnis is bij voorraad uitvoerbaar, wat betekent dat het kabinet de bevelen moet uitvoeren, ongeacht hoger beroep. Vanzelfsprekend houdt het kabinet zich aan gerechtelijke uitspraken en werkt zij aan de uitvoering daarvan. Bij de Miljoenennota is ook de klimaat- en energienota 2026 gepubliceerd, waarin het kabinet de verantwoording en voortgang inzichtelijk maakt over klimaat- en energiebeleid in 2026.

1. De transitie naar duurzaam energieaanbod

Het kabinet richt het energiebeleid op de samenleving en economie van de toekomst. Deze vraagt om een weerbaar, betaalbaar en duurzaam energiesysteem waarmee we ervoor zorgen dat huishoudens en bedrijven in Nederland zeker zijn van betaalbare energie, onze leefomgeving en het klimaat niet belasten met uitstoot en beschermd zijn tegen onwenselijke invloeden of geopolitieke ontwikkelingen. Het kabinet kijkt daarin integraal naar het hele energiesysteem. Met name de balans tussen de ontwikkeling van nieuwe vraag, nieuw aanbod en infrastructuur is hier cruciaal. Het oplossen van netcongestie is daarbij prioriteit om de energietransitie op tempo te krijgen.

Nationaal Plan EnergiesysteemMet Prinsjesdag 2026 heeft het kabinet een actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) gepubliceerd. Het NPE geeft richting aan de ontwikkeling van het energiesysteem en is daarmee de basis voor het lange termijn energiebeleid. In deze actualisatie is het ontwikkelpad voor het energiesysteem richting 2040 verder geconcretiseerd en zijn een aantal onderwerpen aangevuld die in het oorspronkelijke NPE uit 2023 ontbraken. Veel keuzes moeten de komende jaren nog gemaakt worden en daarom is in de actualisatie van het NPE ook een beleidsagenda opgenomen met de belangrijkste keuzes voor deze kabinetsperiode om tijdige ontwikkeling van het energiesysteem mogelijk te maken.

Kosten en financiering van de energietransitieMet een integraal beeld van de kosten van een volledig hernieuwbaar energiesysteem wordt een steviger fundament gelegd onder de beleidskeuzes die in de komende jaren gemaakt moeten worden. De huidige kosteninzichten komen voort uit verschillende studies en prognoses en geven geen integraal overzicht van de kosten in het gehele energiesysteem. Om meer grip te krijgen op de toekomstige systeemkosten zijn de publieke kennisinstellingen CBS, CPB, PBL, RVO en TNO, op verzoek van het kabinet in september 2025 gestart met het meerjarig kennisprogramma Energie-transitie Integraal Kostenbeeld (EIK). Op 18 mei 2026 is het startrapportage ‘Kosten van de energietransitie: synthese van kennis en kennislacunes’ gepubliceerd. Richting 2027 wordt er gewerkt aan de verdere ontwikkeling van data, modellen en methodieken om de financiële gevolgen van keuzes in het energiesysteem inzichtelijk te maken. Het programma werkt toe naar een integraal kostenbeeld dat naast de totale systeemkosten ook de verdeling laat zien over huishoudens, bedrijven en overheid, inclusief macro-economische en externe effecten.

De SDE++ is een cruciaal instrument voor het kosteneffectief realiseren van de klimaat- en energietransitie in Nederland. In het coalitieakkoord heeft het kabinet een reservering gedaan voor openstellingen van de SDE++ in 2027 tot en met 2032 op basis van een openstellingsbudget van € 8 mld. Daarmee wordt ook uitvoering gegeven aan de motie-Grinwis/Roodekerk (Kamerstuk 33 043, nr. 128), waarin het kabinet wordt verzocht om zich maximaal in te spannen om de investeringsstroom via de SDE++ voor 2027 en daaropvolgende jaren op peil te houden. Daarnaast is in het coalitieakkoord afgesproken om de Energie-investeringsaftrek (EIA) en Milieu-investeringsaftrek (MIA/Vamil) – fiscale aftrekmogelijkheden in de sfeer van de inkomsten- en vennootschapsbelasting – zo mogelijk samen te voegen tot een nieuwe robuuste fiscale regeling. Daartoe is onderzoek uitgezet om te bezien of samenvoeging meerwaarde heeft en welke voor- en nadelen voor de uitvoeringspraktijk en de staatssteunaspecten daarmee samenhangen.

Zonne- en windenergie op landHet kabinet werkt interbestuurlijk en met maatschappelijke partners aan een regionale doorvertaling van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) en maakt indien nodig energieafspraken op provinciale schaal, ondersteund door een nationaal programma. De verdere groei van opwek van wind en zon op land is hierin belangrijk voor de betaalbaarheid van onze energie en kan een bijdrage leveren aan het oplossen van netcongestie, door vraag en aanbod dicht bij elkaar te brengen in de regio. Voor hernieuwbaar op land zal begin 2027, in lijn met het NPE, een nieuwe richting voor de doorgroei gedeeld worden met de Tweede Kamer. Dit zal gericht zijn op de ruimtelijke en energetische inpassing van zon- en windenergie op land. In 2026 is een versnellingsaanpak opgesteld voor het stimuleringsprogramma energiehubs wat bijdraagt aan de realisatie van 500 hubs in 2030. Lokale initiatieven, zoals energiegemeenschappen, geven op diverse plekken in het land vorm aan een duurzaam energiesysteem.

Windenergie op zeeHet kabinet continueert de inzet op windenergie op zee als cruciale pijler voor de energietransitie. Vanaf 2027 zullen de tenderprocedures vormgegeven worden middels de Contracts for Difference (Cfd’s)-methodiek. Het Verbindingen Aanlanding Wind Op Zee (VAWOZ) programma zal naar verwachting eind 2026 worden voltooid en heeft daartoe nieuwe aanlandlocaties geïdentificeerd.

CapaciteitsmechanismeHet kabinet introduceert een capaciteitsmechanisme om de leveringszekerheid van elektriciteit in Nederland op de langere termijn te waarborgen. Bij een capaciteitsmechanisme vergoedt een inkoper via jaarlijkse veilingen aanbieders van productiecapaciteit, opslag en vraagrespons om de voorzieningszekerheid op het gewenste niveau te borgen, vooral op momenten dat de vraag hoog is en duurzame bronnen zoals zon en wind weinig elektriciteit leveren. Hiermee is dit instrument een verzekeringsmaatregel om in de toekomst de risico's op prijspieken en uitval te verminderen. In de komende periode zal het kabinet het capaciteitsmechanisme verder uitwerken in lagere wet- en regelgeving (Kamerstuk 32 645, nr. 177). Daarnaast werkt het kabinet aan de benodigde staatsteungoedkeuring door de Europese Commissie. De inzet is om het capaciteitsmechanisme in Nederland in de winter van 2029-2030 operationeel te hebben.

KernenergieVoor een stabiel aanbod van elektriciteit – juist ook op momenten wanneer het niet waait of de zon niet schijnt – zet het kabinet in op het vergroten van het aandeel kernenergie in de energiemix (Kamerstuk I 32 645, nr. 177). Dat doet het kabinet middels een routekaart met als richtpunt 7 GW kernenergie in 2050. Binnen deze routekaart wordt gewerkt aan de realisatie van de eerste twee nieuwe conventionele centrales, de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale in Borssele, de verdere opschaling van kernenergie via conventionele centrales of SMR’s, ondersteuning van private SMR-initiatieven en het stimuleren van kansrijke innovaties.

Het kabinet maakt eind 2026 duidelijk wat de voorkeurslocatie wordt voor de eerste twee nieuwe centrales en publiceert in de eerste helft van 2027 de ontwerp Voorkeursbeslissing daarvoor. Op het gebied van SMR’s werkt het kabinet in 2027 aan de uitvoering van de samenwerkingsagenda Interprovinciaal Overleg (IPO), het ondersteunen van innovaties en de uitwerking van mogelijke financieringsopties op basis van de marktconsultatie uit 2026. De nieuwe subsidieregeling IPCEI Kernenergie die per 2027 ingaat, draagt hier onder andere aan bij, door kansrijke innovatieve nucleaire technologieën te ondersteunen op initiatieven op het gebied van SMR’s (Small Modular Reactors; kleine modulaire reactoren) of AMR’s (Advanced Modular Reactors; geavanceerde modulaire reactoren).

WarmteHet is de inzet van het kabinet om in 2050 zoveel mogelijk gebouwen van het gas af te hebben en dat deze aangesloten zijn op duurzame warmtebronnen. In 2025 is de Wet collectieve warmte aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer. De geplande inwerkingtreding staat op 1 januari 2027. Samen met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie wordt de wet- en regelgeving verder gebracht. Ook aan het op orde brengen van de financierbaarheid en betaalbaarheid van collectieve warmte wordt gewerkt. In het interdepartementaal beleidsonderzoek, dat november 2025 is gestart, staat de energietransitie van de woningvoorraad centraal. Dit onderzoek wordt na Prinsjesdag 2026 opgeleverd.

De ondergrond is een bron voor het invullen van een substantieel deel van de warmtevraag. Het kabinet zet daarom in op verdere opschaling van aardwarmte. Om dit te versnellen wordt gewerkt aan het wegnemen van knelpunten rond vergunningen, financiering en investeringszekerheid. Dit moet in 2026 leiden tot een uitvoeringsagenda die vanaf 2027 wordt uitgevoerd. In 2027 wordt daarnaast vervolg gegeven aan initiatieven die bijdragen aan de kennisontwikkeling en opschaling van aardwarmte. Zo kunnen de resultaten van het onderzoek naar een aardwarmtefaciliteit in Limburg bijdragen aan een beter inzicht in de kansen en risico’s van aardwarmte in complexe ondergrondse systemen. Ook wordt verder uitvoering gegeven aan het lopende meerjarige versnellingsprogramma voor lage temperatuur aardwarmte, gericht op kennisontwikkeling, voorbeeldprojecten en het verminderen van risico’s in de vroege projectfase, zodat nieuwe projecten sneller en voorspelbaarder gerealiseerd kunnen worden.

Afvang en opslag van broeikasgassen (CCS)Voor sectoren waarbij CO2-emissies op korte termijn moeilijk te vermijden zijn, zoals bij de chemische industrie, raffinaderijen en staalproductie, zet het kabinet in op Carbon, Capture and Storage (CCS). Door CO2 af te vangen en permanent diep onder de zeebodem geologisch op te slaan, komen deze emissies niet in de atmosfeer. CCS is daarom essentieel voor het behalen van de klimaatdoelen 2030. Het kabinet heeft middelen gereserveerd om onder andere te investeren in het afvangen en opslaan van broeikasgassen met het project Aramis. Daarnaast is Nederland onderdeel van een Europees CCS systeem, waarin grensoverschrijdend CO2-transport middels de Delta Rhine Corridor (DRC) een centrale rol kan spelen. Specifiek voor de versnelling van de ontwikkeling van opslaglocaties op de Noordzee ondersteunt het kabinet de staatsdeelneming EBN. Daarnaast ondersteunt het kabinet de internationale uitwisseling van kennis en innovatie en werkt het samen met Europese lidstaten en wereldwijde koplopers op het gebied van CCS om zo doelmatig mogelijk tot uitvoering te komen.

WaterstofDit kabinet zet in op de verdere bouw van de waterstofmarkt met een brede aanpak door te investeren in de productie, import en transport van hernieuwbare waterstof. In de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) is de rol van waterstof in het toekomstige energiesysteem bijgesteld en kleiner van omvang dan eerder voorzien. Tegelijkertijd is de rol van waterstof onmisbaar en is het nodig komende jaren kip-ei-situaties te doorbreken door onderdelen van de keten gelijktijdig te ontwikkelen. Hiervoor worden verschillende subsidie-instrumenten ingezet, zoals de Opschaling Volledig Hernieuwbare Waterstofproductie (OWE) en de Subsidieregeling Tenders Industrie Waterstof en Hernieuwbare Industrie (STIWHI). Via de brandstoffentransitieverplichting (BTV) (per 1 januari 2026) en de Jaarverplichting voor de industrie (wetsvoorstel nu in parlementaire behandeling) wil het kabinet de afname van hernieuwbare waterstof vergroten. Om de vraag naar hernieuwbare waterstof verder te stimuleren, zet het kabinet zich in Europees verband in voor langjarige afnameverplichtingen in meerdere sectoren vanaf 2030. Daarnaast ondersteunt het kabinet, primair via de SDE++, koolstofarme waterstof voor kosteneffectieve CO2-reductie op korte termijn. Prioriteit heeft de voortvarende aanleg van een landelijk waterstoftransportnet, inclusief opslagfaciliteiten, waarbij wordt ingezet op betaalbare nettarieven voor de eerste gebruikers. Dit najaar zal het kabinet het wetsvoorstel ter implementatie van het EU decarbonisatiepakket indienen bij de Kamer. Het voorstel regelt de marktordening voor waterstof, beoogde inwerkingtreding is 1 juli 2027.

Daarnaast werkt het kabinet aan de ontwikkeling van waterstofopslag-project HyStock en liggen er plannen voor een uitbreiding van waterstofopslagcavernes. Grootschalige ondergrondse waterstofopslag is een essentiële schakel in de waterstof-keten. Tijdige realisatie van voldoende opslag is voor de gehele keten van belang. De ontwikkeling van HyStock wordt echter geconfronteerd met een aantal risico's, die voortvloeien uit de vroege ontwikkelingsfase van de markt. Het gaat om risico's verbonden aan de prijsontwikkeling van het benodigde kussengas, het risico dat de opslagcapaciteit in de eerste jaren na ingebruikname niet tijdig wordt gevuld (vollooprisico) en het risico op vertragingen als gevolg van vergunningverlening en daarmee samenhangende procedures. Het kabinet heeft HyStock aangemerkt als Dienst van Algemeen Economische Belang (DAEB) en er is een subsidiebeschikking van maximaal € 450 mln verleend om deze risico's af te dekken.

Groen gas en andere duurzame koolstofdragersDe opschaling van groen gas verlaagt de afhankelijkheid van aardgas en kan op termijn een belangrijke rol spelen als duurzame koolstofdrager in verschillende sectoren, waaronder de chemische industrie. Daarbij biedt het productieproces van groen gas middels mestverwerking kansen voor de landbouw en kan dit bijdragen aan het verminderen van stikstofuitstoot. Momenteel wordt het wetsvoorstel voor een bijmengverplichting groen gas behandeld in het parlement, met beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027. Dit voorstel leidt ertoe dat energieleveranciers een toenemend aandeel groen gas bijmengen in het gas dat zij leveren aan onder meer de gebouwde omgeving. Om tegemoet te komen aan de stijgende kosten voor de glastuinbouwsector, verlaagt het kabinet voor 2027 de tarieven voor de glastuinbouw in de energiebelasting op aardgas. Daarnaast wordt gewerkt aan een herijking van het Programma Groen Gas, waarbinnen overig beleid wordt ontwikkeld, zoals een DEI+ subsidie voor de innovatie techniek vergassing, of een expertisecentrum met informatie voor vergunning aanvragers en vergunning verstrekkers. Naast groen gas is het ook belangrijk om het aanbod van andere duurzame koolstofdragers, zoals biomassa en e-fuels op te schalen. Deze zijn hard nodig als alternatief voor fossiele brandstoffen en grondstoffen. Met Prinsjesdag 2026 presenteert het kabinet daarom de Aanpak Aanbod Duurzame Koolstof (AADK) met daarin de aanpak van het kabinet voor de komende jaren.

Herziening Mijnbouwwet en Programma DGDOHet Kabinet blijft werken aan passende kaders voor een veilige en verantwoorde transitie van de diepe ondergrond als cruciale schakel in het energiesysteem van de toekomst. De diepe ondergrond is essentieel voor een betrouwbaar en duurzaam energiesysteem, met kansen voor CO2-opslag, aardwarmtewinning en waterstof-opslag. In 2027 gaat de herziene Mijnbouwwet in consultatie en wordt het Programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond vastgesteld. De wet wordt aangepast zodat de huidige en toekomstige activiteiten aansluiten bij wat nodig is voor de realisatie van het toekomstig energiesysteem, de energietransitie en een efficiënt vergunningenproces. Daarnaast hecht het kabinet grote waarde aan de (na)zorg voor de omgeving.

Energie innovatieInnovatie is cruciaal voor het versnellen van de energietransitie en draagt onder andere bij aan leveringszekerheid, verduurzaming van de industrie en het reduceren van netcongestie. Het gaat om het ontwikkelen en toepasbaar maken van nieuwe of verbeterde technologieën, processen en systemen die de energietransitie mogelijk maken. Het kabinet ondersteunt innovatie van de eerste onderzoeksfase tot aan de uiteindelijke marktintroductie door middel van verschillende subsidieregelingen. Voor Energie-innovatieregelingen zoals de Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatieregeling (MOOI), de Energie- en Klimaatonderzoek en Ontwikkelingsregeling (EKOO), en de Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) staan openstellingen gepland voor de komende jaren. Deze subsidies bevorderen publiek-private samenwerking en stimuleren consortiumvorming tussen verschillende partijen. Er wordt onder andere met Invest-NL samengewerkt om antwoord te geven op financieringsvraagstukken met betrekking tot opschaling van technologieën.

Risico’s bij de transitie naar duurzaam energieaanbod: Weerbaarheid en leveringszekerheidEen weerbaar energiesysteem is van cruciaal belang voor de veiligheid van de maatschappij en de economie. Een energiesysteem met meer energie van Nederlandse bodem maakt onze economie en samenleving op de lange termijn robuuster. Het kabinet streeft naar een energiesysteem dat bestand is tegen schokken van buitenaf en werkt daarom aan de afbouw van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en aan het versterken van de weerbaarheid van de Nederlandse energie-infrastructuur, met een focus op de kritieke processen in de olie-, gas- en elektriciteitssector. Voor dit laatste zijn onder andere middelen gereserveerd voor de uitvoering van wettelijke toezicht- en ondersteuningstaken die onderdeel zijn van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten, de Cyberbeveiligingswet, de Netcode cybersecurity voor grensoverschrijdende elektriciteitsstromen en een kennisinvesteringsprogramma met TNO voor de weerbaarheid van het energiesysteem.

NetcongestieNetcongestie remt investeringen af, omdat bedrijven op een aansluiting wachten en hele woonwijken zonder ingrijpen niet gebouwd kunnen worden. De toenemende druk op het elektriciteitsnet vormt een kritieke belemmering voor economische groei, woningbouw, mobiliteit en de energietransitie. Om deze netcongestie doeltreffend aan te pakken, zet het kabinet in op versnelde uitbreiding van de infrastructuur, betere benutting van bestaande capaciteit en versterkte samenwerking tussen landelijke en regionale overheden.

De toegang tot elektriciteit voor economische groei, woningbouw, mobiliteit en verduurzaming komt steeds meer in het geding. Daarmee is het tegengaan van netcongestie een belangrijke randvoorwaarde voor verschillende urgente dossiers waar dit kabinet mee te maken heeft. Door de toegenomen urgentie intensiveert het kabinet de aanpak op netcongestie. Het kabinet werkt aan een (crisis)wetgevingsprogramma en versterkt de regionale aanpak, gericht op het verbeteren van de wisselwerking tussen landelijke beleid en regio-specifieke knelpunten. Er wordt daarbij vol ingezet op het versneld uitbreiden en beter benutten van het elektriciteitsnet.

Ruimte voor realisatieDe uitbreiding van de energie-infrastructuur kent een significante impact. Zowel op ruimtelijk vlak als binnen de kaders van het energiesysteem manifesteren zich uitdagingen ten aanzien van de tijdige realisatie van de benodigde capaciteit. Hiertoe zal het kabinet in 2027 het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) herijken, teneinde dit instrument als regie-instrument te optimaliseren voor de programmering van de energie-infrastructuur. Het kabinet bevestigt de continuering van de inzet op het verkorten van projectprocedures om de efficiëntie en effectiviteit van de uitvoering van energie-infrastructuurprojecten te waarborgen.

OlieGeopolitieke spanningen, kwetsbare handelsroutes en volatiele olieprijzen onderstrepen het belang van een goede voorbereiding op mogelijke verstoringen. De huidige crisis in het Midden-Oosten maakt deze kwetsbaarheid concreet zichtbaar. De verstoring van de aanvoer via de Straat van Hormuz heeft geleid tot grote prijsstijgingen en een aanzienlijke verstoring van de mondiale oliemarkt. Hoewel er in Nederland geen acute fysieke tekorten zijn ontstaan, werken deze ontwikkelingen door in de prijzen en raken zij onderdelen van sectoren die voor hun bedrijfsvoering nog sterk afhankelijk zijn van olieproducten. De huidige crisis in het Midden-Oosten laten de kosten en impact van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen zien en onderstrepen het belang van voldoende Europese strategische autonomie. Beide crises laten daarmee zien dat het verminderen van fossiele afhankelijkheden niet alleen van belang is voor de energietransitie, maar ook voor onze economische weerbaarheid en leveringszekerheid. Tegelijkertijd blijft het noodzakelijk om ons goed voor te bereiden op verstoringen zolang deze afhankelijkheden nog bestaan. Olieproducten blijven de komende jaren een belangrijke rol spelen daarbij gaat het in het bijzonder om onderdelen van sectoren als transport, landbouw en chemie waar alternatieven niet op korte termijn beschikbaar zijn.

In 2027 wordt het Landelijk Crisisplan Olie geactualiseerd, zodat rollen, verantwoordelijkheden en handelingsperspectieven bij een mogelijke verstoring duidelijker worden, waarbij actuele lessen uit de huidige crisis worden meegenomen. Daarnaast wordt de Wet voorraadvorming aardolieproducten herzien, met aandacht voor een toekomstbestendig wettelijk kader en de uitvoerbaarheid van het beschikbare instrumentarium rond strategische olievoorraden. Ook wordt gekeken naar de beschikbaarheid en praktische hanteerbaarheid van de Nederlandse strategische voorraden, bijvoorbeeld waar voorraden zich bevinden, hoe snel deze beschikbaar kunnen zijn en welke operationele randvoorwaarden daarbij gelden.

GasDe mondiale gasmarkt en de rol van Nederland daarin zijn de afgelopen jaren sterk veranderd. Sinds de sluiting van het Groningenveld en de uitfasering van Russisch gas importeert Nederland en Europa in toenemende mate vloeibaar aardgas (LNG). De mondiale markt voor LNG is de afgelopen jaren sterk gegroeid net als het aantal LNG-importterminals in Europa. Het grotere aandeel LNG biedt meer flexibiliteit: gas kan – ook in de winter - worden geïmporteerd uit de hele wereld. Om deze flexibiliteit en leveringszekerheid verder te ondersteunen, wordt onder andere ingezet op het langer in bedrijf houden van de LNG-importterminal in Eemshaven, ofwel de Eems Energy Terminal (EET).

Naast import van gas speelt ook de opslag van gas een rol in het zorgen voor extra aanbod in de winter. Het kabinet heeft in 2027 middelen vrijgemaakt voor EBN, zodat maximaal 80 TWh opslag gevuld kan worden voor zover de markt dat niet doet. Daarnaast heeft het kabinet besloten tot de aanleg van een noodvoorraad van 5 TWh en wordt er gewerkt aan het voorstel voor de Wet Bestrijden Energie-leveringscrisis (WBE). Hiermee wordt de Minister van Klimaat en Groene Groei in staat gesteld om bij een dreigende gascrisis snel en effectief maatregelen te treffen om de gasleveringszekerheid te waarborgen en de gevolgen van een crisis zoveel mogelijk te beperken. De herziening van de EU verordening leveringszekerheid wordt dit najaar verwacht die van belang zal zijn voor de Europese aanpak voor een weerbaar energiesysteem.

Afhandeling Mijnbouwschade Limburg en GeelbroekBegin 2026 is de afhandeling van mijnbouwschade in Limburg gestart. Het loket van Instituut voor Milieu, Mens en Mijnbouw Limburg (I3ML) in Heerlen is geopend en de regeling loopt tot 2035.1 Er is gekozen voor een gefaseerde openstelling. Er zijn ruim 300 schademeldingen ontvangen en de eerste schadeopnames zijn gedaan. Dit jaar worden alle stappen van de schadeafhandeling voor het eerst uitgevoerd. Het afhandelingsproces zal worden opgeschaald zodra alle stappen zijn doorlopen en de kinderziektes zijn verholpen. In 2027 zal ook Herstel in Natura worden toegevoegd aan de schadeafhandeling in Limburg. Dit betekent dat bij de grotere schadegevallen een aannemer de schade zal herstellen.

Op 14 maart heeft er een aardbeving plaatsgevonden in Geelbroek.2 Er is intensief gesproken met NAM en de Commissie Mijnbouwschade om te komen tot een versnelde afhandeling. Door binnen het beoordelingsgebied uit te gaan van causaliteit en gebruik te maken van plafondbedragen per deelgebied worden schademelders sneller geholpen en worden er minder onderzoekskosten gemaakt.3

2. De transitie naar een duurzame energievraag

Nieuwe technologieën leveren nieuwe welvaart op: de duurzame energiesector levert tot en met 2030 naar verwachting zo’n 60.000 extra banen op. Tegelijkertijd staan energie-intensieve bedrijven voor grote uitdagingen. Aanhoudende geopolitieke spanningen en onzekerheid op de energiemarkten voor hoge en volatiele energieprijzen zorgen ervoor dat de concurrentiepositie van energie-intensieve bedrijven onder druk staat. Het kabinet spant zich in om goede randvoorwaarden te bieden voor een duurzame en concurrerende industrie die de basis vormt voor de economie van de toekomst en niet afhankelijk is van het buitenland.

ElektriciteitskostenOm te komen tot een gelijker speelveld binnen Europa en de risico’s op weglek van bedrijvigheid en het verplaatsen van CO2-uitstoot te beperken, is in het coalitieakkoord Aan de Slag de afschaffing van de CO2-heffing aangekondigd. Omdat het afschaffen van dit instrument meer tijd vergt, geeft het kabinet in 2027 invulling aan deze afspraak door ervoor te zorgen dat bedrijven geen kosten aan de heffing zullen ondervinden. Het kabinet zet erop in dat het instrument zelf in 2028 definitief verdwijnt. Daarnaast reserveert het kabinet tot en met 2035 middelen om de elektriciteitskosten van de industrie te verlagen, oplopend tot € 1 mld. per jaar. Dit leidt tot een gelijker speelveld én maakt elektrificatie aantrekkelijker. Ongeveer de helft van de middelen wordt ingezet voor de Indirecte Kosten Compensatie (IKC). IKC ETS richt zich op industriële sectoren met een verhoogd risico op weglekeffecten naar buiten de EU als gevolg van hogere elektriciteitskosten door EU ETS. De Europese Commissie stelt deze weglekgevoelige (sub)sectoren vast. Sectoren die voor IKC in aanmerking komen hebben een elektriciteitsintensief productieproces, zoals de metaalindustrie, chemische industrie, papier- en kartonindustrie en glas- en keramische industrie). Deze regeling is vanaf 2025 uitgebreid met 22 extra (sub)sectoren. Conform de uitbreiding die de Europese Commissie mogelijk maakt, richt deze uitbreiding zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemie. Het kabinet is voornemens om in het najaar een besluit te nemen over de besteding van deze middelen en de verdere vormgeving van de IKC-rondes vanaf 2027.4 Voor de zomer is er een Kamerbrief verstuurd over de uitbetaling van de IKC-ronde van 2026. Voor de bedrijven die al eerder (in 2024 en/of 2025) voor de IKC in aanmerking zijn gekomen, kan de uitbetaling deels nog in 2026 plaatsvinden. Deze bedrijven zullen door RVO met voorrang worden behandeld. Het restant van de bedrijven zal begin 2027 worden uitbetaald. Voor de resterende middelen die in het coalitieakkoord zijn gereserveerd om de elektriciteitskosten van de industrie te verlagen wordt een bestedingsplan uitgewerkt. Uitgangspunt hierbij is dat de energie-intensieve industrie zo effectief mogelijk wordt ondersteund en het concurrentievermogen wordt versterkt om de noodzakelijke investeringen te kunnen doen in verduurzaming gericht op de economie van de toekomst.

InnovatieBinnen het bestaande instrumentarium blijft een sterke verbinding nodig tussen CO₂-reductiedoelen en stimuleringsinstrumenten voor de industrie. Het rapport Wennink benoemt energie- en klimaattechnologie als een van de vier maatschappelijke domeinen die bepalend is voor de toekomstige welvaart van Nederland en Europa. Het kabinet herkent en onderstreept deze strategische urgentie, de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat richt zich dan ook op deze vier domeinen. In 2027 ligt de prioriteit bij het verder opschalen van innovatieve klimaat-technologieën en het versterken van investeringszekerheid voor industriële verduurzaming gericht op een concurrerende en klimaatneutrale industrie. Instrumenten zoals de Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie (NIKI) ondersteunen deze ontwikkeling.

MaatwerkafsprakenHet kabinet werkt door aan het ontwikkelen en uitvoeren van maatwerkafspraken met een aantal individuele industriebedrijven waaronder Tata Steel Nederland, Nobian, Cosun en Alco. In de clusters Chemelot en Zeeland wordt samen met de belangrijkste bedrijven, tevens de grootste uitstoters in die clusters, nadrukkelijk vanuit het ontwikkelperspectief van het gehele cluster gekeken naar de mogelijkheden om tot maatwerkafspraken op clusterniveau te komen. Dit naar aanleiding van het coalitieakkoord, waarin is opgenomen dat nieuwe maatwerkafspraken zich richten op gebieden of clusters.

Daarnaast wordt ook met de andere industrieclusters van nationaal belang, Rotterdam-Moerdijk, Noordzeekanaalgebied en Noord-Nederland gesproken over het potentieel en de toegevoegde waarde van maatwerk-afspraken op clusterniveau. Het cluster Chemelot heeft inmiddels een clusterplan ingediend. Maatwerkafspraken op clusterniveau zijn gericht op zowel verduurzaming, concurrentievermogen als weerbaarheid, moeten voortbouwen op bestaande initiatieven in de clusters en hebben oog voor de ontwikkeling van zowel de oude als nieuwe industrie.

Op het gebied van ruimte moeten clusterplannen goed aansluiten bij de ruimtelijk-economische ontwikkelstrategie van het Rijk, de strategische profielen van de clusters en de inzet van handelingsperspectieven en instrumenten. Hierdoor worden de tijdlijnen van publieke en private investeringen bij elkaar gebracht.

MkbHet mkb moet ondersteund blijven worden. Er bestaan diverse instrumenten die het mkb helpen bij verduurzaming. Zo wordt de Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie regeling (VEKI) opnieuw verlengd om industriële bedrijven te laten investeren in bewezen technieken die de CO2-utistoot verminderen. De energiebesparingsplicht wordt vanaf 2027 aangepast om energiebesparing te stimuleren en de regeldruk voor bedrijven en instellingen te verminderen. Met de komst van ETS2 behoeft het mkb extra aandacht. Tijd, voldoende kennis en financiën blijken knelpunten te kunnen zijn voor mkb ondernemers om te verduurzamen. Daarom zet de Interdepartementale Werkgroep Verduurzaming Mkb (IWVM) haar werk volgend jaar door om de ondersteuning aan het mkb bij de verduurzaming te verbeteren. Doel hiervan is het handelingsperspectief voor bedrijven in het mkb te verbeteren. Om dit te realiseren wordt er nauw samengewerkt met stakeholders, zoals MKB-Nederland, ONL, KVK, RVO, NKP, VNG en IPO.

3. De transitie naar een volledig circulaire economie in 2050

In lijn met Europese afspraken, werkt het kabinet toe naar een circulaire economie waarin grondstoffen optimaal worden benut, verspilling wordt voorkomen en afhankelijkheden worden verkleind. Producten en materialen worden zo lang mogelijk gebruikt, gerepareerd, hergebruikt en opnieuw ingezet. Efficiënter gebruik van grondstoffen kan de afhankelijkheid van derde landen verminderen, innovatie stimuleren en de Europese economie weerbaarder maken tegen prijsschommelingen op (grondstoffen)markten. De circulaire transitie draagt zodoende bij aan de weerbaarheid, het concurrentievermogen en de strategische autonomie van Europa. Tegelijkertijd kan het bijdragen aan de klimaat-, milieu- en biodiversiteitsdoelstellingen van Nederland en Europa. Het kabinet streeft er daarom naar om in 2050 volledig circulair te zijn, met inachtneming van de eerdergenoemde tussendoelen in 2035.

Nationaal Programma Circulaire EconomieHet kabinet wil deze kabinetsperiode samen met medeoverheden, bedrijven, (financiële) instellingen, inwoners en maatschappelijke partners werken aan een schaalsprong van de circulaire economie. Door circulaire businessmodellen competitief te maken stimuleren we innovatie en marktontwikkeling, versterken we de concurrentiepositie van Europese en Nederlandse ondernemers en bieden we bedrijven lange termijn zekerheid en investeringsruimte.

In 2027 versterken we daarom het Nationaal Programma Circulaire Economie met meer focus op de uitvoering en opschaling van circulaire oplossingen in de praktijk en creëren we een gelijk speelveld door knelpunten weg te nemen. We benutten onze sterke uitgangspositie in de circulaire economie, met kansen voor circulaire bouw, groene chemie en elektronica. Deze zijn verbonden aan (maatschappelijke) urgente opgaven waarvoor circulariteit oplossingen biedt en betreffen (kritieke) grondstoffen waarvan de leveringszekerheid op het spel staat. Ook bestaan er al samenwerkingsvormen op deze drie onderwerpen die het mogelijk maken een volgende stap te zetten. Daarbij zetten we ook de inkoopkracht van de overheid in als a ‘launching customer’ via de Agenda en Uitvoeringsprogramma Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI) 2026-2030.

Voor de transitie naar een circulaire economie is krachtig Europees beleid van groot belang. Nederland kan de transitie niet alleen maken. We zetten daarom actief in op ambitieuze EU-voorstellen die de circulaire economie kunnen versnellen, zoals de hierboven genoemde Circular Economy Act (CEA), en verdere uitrol en implementatie van belangrijke productwetgeving.

Tot slot

In het domein van Klimaat en Groene Groei (KGG) komen grote uitdagingen samen die raken aan vele aspecten van de brede welvaart in Nederland. De keuzes die we nu maken, hebben zowel gevolgen voor het hier en nu als voor de toekomst en elders.

Voor de realisatie van de klimaat- en energietransitie is samenwerking met andere overheden (provincies, gemeenten en waterschappen), het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, collectieven en burgerinitiatieven onmisbaar. Deze transities vragen niet alleen om technische oplossingen, businesscases en financiering, maar maken ook onderdeel uit van een maatschappelijke en sociale transitie, waarvoor menselijk kapitaal en talent onmisbaar zijn. Het Ministerie van EZK zet zich in voor deze gezamenlijke aanpak om de noodzakelijke transities te versnellen. Zo dragen we bij aan een weerbaar, concurrerend en duurzaam Nederland – inclusief het Caribisch deel van het Koninkrijk.

Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Totaaloverzicht belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de belangrijkste mutaties die zijn opgetreden tussen de ontwerpbegroting 2026 (incl. amendementen en Nota’s van Wijziging) en de ontwerpbegroting 2027.

Tabel 1 Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Stand ontwerpbegroting 2026 (inclusief NvW en amendementen)

 

13.713.962

6.992.277

7.177.140

6.525.843

7.263.507

 

Belangrijkste mutaties

       

Totaal mutaties eerste suppletoire begroting 2026

       

Mutaties coalitieakkoord

31

      

CA 61. Efficiencytaakstelling

31

 

‒ 1.101

‒ 2.181

‒ 2.900

‒ 3.840

‒ 3.393

CA 62. Vernieuwing rijksdienst/ slagvaardige overheid

31

   

‒ 3.449

‒ 8.664

‒ 7.656

CA 63. Subsidietaakstelling

31

 

‒ 80.177

‒ 80.177

‒ 80.177

‒ 80.177

‒ 58.110

CA 14. Indirecte kostencompensatie ETS

31

 

192.000

578.000

505.000

505.000

505.000

CA 18. Wind op zee TOWOZ 2GW

31

      

CA 18. Wind op Zee integrale Noordzeeopgave

31

4.050

65.800

64.550

80.380

45.380

99.890

        

Belangrijkste suppletoire mutaties

       

SDE++

31

497.100

     

Vulmaatregelen gasopslag

31

153.540

 

536.000

   

Schadeafhandeling mijnbouw Limburg

31

 

22.683

46.117

47.979

53.508

58.229

Lening EBN

31

 

8.000.000

    

Bijdrage aan EBN voor de kosten van schade en versterken Groningen

31

 

‒ 256.837

‒ 368.401

‒ 65.914

‒ 24.201

44.508

Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden

31

 

‒ 746.344

    

Kasschuiven regulier

31

‒ 446.155

‒ 94.045

355.578

‒ 50.883

‒ 759

70.888

Kasschuiven klimaat- en energiefonds

31

‒ 818.284

‒ 104.645

380.332

‒ 57.320

‒ 210.735

810.652

Kasschuiven Nationaal Groeifonds

31

‒ 175.750

‒ 77.500

59.250

43.000

79.500

71.500

Eindejaarsmarge Nationaal Groeifonds

31

137.859

     

Loon- en prijsbijstelling

71

77.358

99.170

81.892

68.928

85.321

6.133

Overige mutaties

 

286.313

93.016

‒ 284.627

‒ 76.994

‒ 41.329

4.108.540

        

Mutaties Nota van Wijziging eerste suppletoire begroting 2026

       

Diverse mutaties nota van wijziging op de 1e suppletoire

31

3.330

26.000

22.000

33.000

56.000

343.500

        

Totaal mutaties ontwerpbegroting 2027

       

Kasschuiven regulier

31

316.956

5.971

‒ 118.085

‒ 10.132

‒ 33.061

‒ 34.551

Kasschuiven klimaat- en energiefonds

31

‒ 476.206

176.758

36.367

12.696

7.599

‒ 216.909

Kasschuiven Nationaal Groeifonds

31

‒ 12.153

‒ 6.900

‒ 14.947

‒ 22.500

6.250

50.250

Vulmaatregel gasopslag

31

104.577

82.000

‒ 64.000

   

Circulaire economie

31

 

64.528

56.681

49.876

45.747

24.191

CA-middelen Noordzeekosten

31

 

750

44.500

61.500

41.500

64.680

CA-middelen SDE

31

    

7.498

90.606

CA-middelen Stikstofaanpak

31

 

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

Vollooprisico Aramis

31

  

325.000

325.000

325.000

325.000

Openstelling VEKI

31

 

77.000

    

Overhevelingen klimaat- en energiefonds

31

26.555

191.874

194.260

98.175

61.060

43.065

        

Overige mutaties

 

‒ 178.631

134.514

‒ 695.405

‒ 606.131

‒ 611.870

‒ 874.390

Stand ontwerpbegroting 2027

 

13.214.421

14.881.792

8.354.844

6.899.977

7.593.234

5.546.623

Toelichting

Eerste suppletoire begroting 2026

De maatregelen uit het coalitieakkoord zijn verwerkt bij de 1e suppletoire begroting 2026. Enerzijds werden de taakstellingen op de rijksoverheid en subsidies doorgevoerd, anderzijds werden er middelen toegekend voor uitbreiding en verlenging van de IKC ETS regeling (zie Kamerstuk 33 043, nr. 117 inclusief kader beleidskeuzes uitgelegd en Kamerstuk 32 813, nr. 1562 waarin de uitbreiding is toegelicht) en voor de uitvoering van de partiële herziening. Hierdoor wordt extra ruimte op de Noorzee gecreërd voor windenergie.

Met de 1e suppletoire begroting 2026 zijn onder andere middelen voor het SDE-domein toegevoegd uit de begrotingsreserve duurzame energie. De compensatiebetalingen (€ 497,1 mln) zijn als gevolg van de kolenmaatregelen in 2025 niet tot uitbetaling gekomen en in de reserve energie en klimaattransitie gestort. Deze worden naar verwachting in 2026 uitbetaald en moeten hiermee onttrokken worden uit de reserve. Voor het gasjaar 2027-2028 werd een subsidie verleend waar tegenover een heffingsleveringszekerheid staat. Tevens werd € 154 mln beschikbaar gesteld om een noodvoorrraad gas aan te leggen. Daarnaast ontving EBN een lening van € 8 mld voor de vultaak (2027-2028) van de gasopslagen. De lening is bedoeld voor de aankoop van gas en voor de aanvullende zekerheidsstortingen wanneer de gasprijs snel oploopt. De beschikbare middelen in 2027, € 746,3 mln, voor gemeenten en provincies om uitvoering te kunnen geven aan hun taken op het gebied van klimaat- en energiebeleid zijn overgeheveld van de begroting van KGG naar het Gemeentefonds, Provinciefonds en het BTW-compensatiefonds. Tot slot hebben mutaties plaatsgevonden van een meer technische aard; hierbij valt te denken aan kasschuiven, de toevoeging van eindejaarsmarge en de toevoeging van loon- en prijsbijstelling.

Diverse mutaties Nota van Wijziging eerste suppletoire begroting 2026

Overhevelingen Klimaat- en energiefonds

Dit betreft de overhevelingen die hebben plaatsgevonden uit het Klimaat- en energiefonds voor Energiebesparingsmaatregelen midden- en kleinbedrijf (mkb), Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse (OWE3) en Waterstofopslag project Hystock.

Garantie LNG-terminals

Deze garantie is bedoeld om het risico van onvoldoende capaciteitsverkoop door de exploitant van de terminal af te dekken. Op basis van de huidige inzichten lijkt dit risico zich niet te zullen voordoen, waardoor de garantie naar verwachting niet zal worden ingeroepen. Het Rijk ontvangt een premie voor de garantietoezegging van € 3,3 mln. De premie zal in 2026 als ontvangst op de begroting worden verwerkt.

Mutaties Ontwerpbegroting 2027

Kasschuiven Regulier

Deze reeks bestaat uit de reguliere kasschuiven op de KGG-begroting. De grootste kasschuiven hebben betrekking op de middelen voor IKC-ETS en WarmtelinQ. Voor IKC-ETS is een kasschuif gedaan van € 333 mln van 2028 naar 2027. In tegenstelling tot de verwachting ten tijde van de eerste suppletoire begroting kan uitbetaling van het productiejaar 2026 niet meer dan één jaar later plaatsvinden. Daarnaast is een kasschuif gedaan van € 89 mln naar het jaar 2026 om voor het productiejaar 2025 een deel te betalen in 2026 in plaats van 2027. Bij WarmtelinQ wordt € 213,5 mln van latere jaren naar 2026 geschoven om aan het eerste deel van de CAPEX beschikking te kunnen voldoen.

Kasschuiven Klimaat- en energiefonds

In deze reeks zitten de kasschuiven voor de overgehevelde Klimaat- en energiefonds-middelen. Er is voor de DEI+ (€ 45 mln), Opschalingsinstrument waterstof (€ 48 mln), Geothermie (€ 33 mln), Maatwerk aanpak industrie (€ 160 mln), VEKI (€ 37 mln), NIKI (€ 37 mln), Energiebesparing MKB (€ 45 mln) en op kleinere posten geld geschoven van 2026 naar latere jaren. De grootste kasschuif heeft plaatsgevonden bij Maatwerkaanpak industrie. Door het uitblijven van vergunningen kon het maatwerkbedrijf geen definitieve investeringsbeslissing nemen, met een wijziging van het kasritme tot gevolg. Daarnaast worden middelen die gereserveerd zijn voor de uitwerking van de Joint Letter of Intent (JLoI) voorlopig niet gebruikt omdat eerst maximaal ingezet wordt op het NIKI-instrument.

Kasschuiven Nationaal Groeifonds

Voor het programma Groenvermogen van de Nederlandse economie is een kasschuif naar latere jaren nodig, omdat de OWE waterstofhubregeling later wordt geopend dan eerder was voorzien. Daarnaast wordt er bij het programma Nieuwe Warmte Nu! € 12 mln van 2026 naar 2028 geschoven. Vanwege vertraging in de uitrol van collectieve warmte hebben Nieuwe Warmte Nu! projecten vertraging opgelopen.

SDE bijstelling prijsrisicobuffer

Het kabinet heeft besloten de prijsrisicobuffer in de raming voor de SDE in de jaren 2027-2032 te verlagen met in totaal € 1,2 mld. De prijsrisicobuffer daalt hierdoor naar een minimaal niveau van 10%. De middelen op de begroting van KGG worden daarom naar beneden bijgesteld. De prijsrisicobuffer is de financiële reserve die gereserveerd staat om schommelingen in de energieprijzen op te vangen. Deze verlaging heeft geen gevolgen voor de jaarlijkse SDE++ openstellingen van € 8 mld in 2027-2032 zoals opgenomen in het coalitieakkoord.

Vulmaatregel gasopslag

Dit betreft een ramingsbijstelling van de vulmaatregelen gasopslagen. De gasprijs is gestegen sinds de laatste raming, waardoor de kosten die EBN maakt om de gasopslagen te vullen stijgen. Het gaat zowel om de noodvoorraad als om de subsidie voor EBN voor de vultaak 2025-2026, 2026-2027 en 2027-2028.

Circulaire economie

De transitie naar een circulaire economie valt in het huidige kabinetsbeleid onder het Ministerie van EZK en wordt overgeheveld naar de begroting van KGG. De beschikbare middelen worden hierdoor overgeheveld van de begroting van IenW naar de begroting van KGG. In de tabel staan de programmamiddelen. De apparaatsmiddelen die gepaard gaan met de herverkaveling worden naar de EZK-begroting overgeheveld.

Coalitieakkoordmiddelen Noordzeekosten

In het coalitieakkoord zijn middelen beschikbaar gesteld voor het Partieel Herziene Programma Noordzee ten behoeve van de inpassingskosten en de integrale Noordzee-investeringsopgave. Met deze mutatie worden de middelen opgevraagd vanuit de Aanvullende Post. De onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1) is vindbaar in het fiche ‘Investeringen voor inpassing van extra windenergie op zee RP-ambitie 2040’ in bijlage ‘Voorstellen maatregelen MJP 2026 Klimaatfonds’ bij het Meerjarenprogramma Klimaat- en energiefonds 2026 (Kamerstuk 33 043, nr. 119, pagina 171). Budgettaire dekking volgt uit het coalitieakkoord Aan de Slag.

Coalitieakkoordmiddelen SDE

In het coalitieakkoord Aan de Slag zijn middelen beschikbaar gesteld voor zes nieuwe openstellingsrondes (2027 tot en met 2032) van de SDE++ van € 8 miljard per jaar voor de uitrol van duurzame energiebronnen en CO2 reductie. Met deze mutatie worden de middelen opgevraagd voor de openstellingsrondes 2027 tot en met 2030 vanuit de Aanvullende Post.

Coalitieakkoordmiddelen Stikstofaanpak

In het coalitieakkoord Aan de Slag is € 250 mln vrijgemaakt voor stikstofbronmaatregelen in mobiliteit en industrie. Het voorstel is om in totaal € 125 mln over te hevelen naar de KGG-begroting voor stikstofmaatregelen voor de industrie. De onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1) wordt toegestuurd voordat er over de begroting wordt gestemd.

Vollooprisico Aramis

Dit betreft de mutatie om de vollooprisico van Aramis af te dekken. Door de onzekerheid in de markt hebben verschillende bedrijven eerder hun SDE-beschikking ingeleverd, en is er onvoldoende vraag naar CO2-afvang om FID te nemen. De SDE-risicobuffer wordt ingezet om het vollooprisico af te dekken. Hiermee kan FID genomen worden en kunnen prijzen worden gestabiliseerd om zo meer vraag te creëren. De onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1) is vindbaar in het fiche ‘Aramis Vollooprisico’ in bijlage ‘Voorstellen maatregelen MJP 2026 Klimaatfonds’ bij het Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2026 (Kamerstuk 33 043, nr. 119). Ten opzichte van deze verwijzing wordt middels deze mutatie een vergroot vollooprisico gedekt.

Openstelling VEKI

In mei 2025 is de VEKI verlengd naar aanleiding van een positief afgeronde evaluatie (Kamerstuk 31 239, nr. 422). Om een openstellingsronde voor de VEKI te kunnen bewerkstelligen in 2027 wordt € 77 mln overgeheveld van de IKC naar de VEKI. De onderbouwing voor deze mutatie conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1) is uiteengezet in het fiche in de bijlage «Overzicht maatregelen Klimaatfonds uitgewerkt in fiches en addenda» bij het Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2024 (Kamerstuk 32 813, nr. 1291, bijlage pagina 295).

Overhevelingen Klimaat- en energiefonds

Deze reeks bevat nieuwe maatregelen die zijn overgeheveld vanuit het Klimaat- en energiefonds. De onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW 3.1) is vindbaar in de gepubliceerde fiches bij het Meerjarenprogramma Klimaat- en energiefonds. Het gaan onder meer om onderstaande overhevelingen.

  • Een reservering van € 245 mln voor de volgende waterstof opslagcavernes is getroffen. Het bedrag dat nu vanuit de overheid beschikbaar wordt gesteld is een maximumbedrag, op de definitieve vaststelling van de het beoogde bedrag moet nog een due dilligence worden uitgevoerd door een onafhankelijke partij. Daarbij wordt de bestedingsverplichting pas definitief aangegaan op het moment dat er een besluit is genomen over het financieel kader van het waterstoftransportnet (amortisatie). Mocht uit deze besluitvorming volgen dat het nog niet zinvol is om te starten met het ontwikkelen van de opslagcavernes dan zullen de middelen terugvloeien naar het Klimaat- en Energiefonds.

  • Een andere maatregel betreft additioneel budget voor de «Intensivering DEI+» - de voormalige 'DEI+XL'. De middelen zullen binnen de DEI+ betrekking hebben op de verduurzaming van de industrie.

  • Een andere mutatie ziet toe op de introductie van de IPCEI: Kernenergie. Dit is een nieuwe regeling die toeziet op de ondersteuning van innovatieve kernenergieprojecten, zoals kleine (geavanceerde) modulaire reactoren.

Tabel 2 Belangrijkste beleidsmatige ontvangstenmutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Stand ontwerpbegroting 2026 (inclusief NvW en amendementen)

 

2.338.434

14.460.392

5.430.256

4.370.932

3.750.040

 

Belangrijkste mutaties

       

Totaal mutaties eerste suppletoire begroting 2026

       

Mutaties coalitieakkoord

       

CA 72. Verwerking jaar uitstel ETS2

31

 

‒ 4.103.000

908.000

328.000

20.000

21.000

 

31

      

Belangrijkste suppletoire mutaties

       

Onttreking begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie

31

497.100

     

ETS-ontvangsten

31

‒ 169.000

‒ 448.000

‒ 837.000

‒ 182.000

51.000

656.000

Heffing gasleveringszekerheid

31

 

‒ 222.390

‒ 222.390

201.182

187.262

708.352

Lening EBN vulmaatregel

31

  

8.000.000

   

Bijstelling raming CO2-heffing

31

32.000

‒ 76.000

‒ 100.000

‒ 135.000

84.000

‒ 20.000

Overige mutaties

 

75.448

3.469

5.258

5.009

1.221

3.115.567

        

Mutaties Nota van Wijziging eerste suppletoire begroting 2026

       

Premie-ontvangsten garantie LNG-terminal

31

3.330

     
        

Totaal mutaties ontwerpbegroting 2027

       

ETS ramingbijstelling

31

‒ 80.000

‒ 20.000

43.000

‒ 2.000

‒ 4.000

‒ 19.000

Heffing gasleveringszekerheid

31

   

19.226

19.226

47.589

Lening EBN-vulmaatregel

31

 

‒ 100.000

    

Mijnbouwwet

31

62.000

43.000

‒ 13.000

‒ 26.000

‒ 26.000

‒ 7.000

Ontvangsten CO2-heffing industrie

31

‒ 7.000

 

2.000

‒ 26.000

‒ 97.000

49.000

        

Overige mutaties

 

1.141

23.500

0

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2027

 

2.753.453

9.560.971

13.216.124

4.553.349

3.985.749

4.551.508

Toelichting

Eerste suppletoire begroting 2026

Coalitieakkoord

De (Europese) Milieuraad van Klimaatministers heeft besloten om ETS2 met een jaar uit te stellen waardoor ETS2 pas start in 2028. Hierdoor is er ook pas een jaar later sprake van inkomsten uit ETS2.

Overige belangrijke mutaties

De compensatiebetalingen van € 497,1 mln als gevolg van de kolenmaatregelen worden naar verwachting in 2026 uitbetaald en moesten daarom onttrokken worden uit de reserve duurzame energie en klimaattransitie. Daarnaast was de raming voor de ETS-ontvangsten bijgesteld. Dit is onder andere het gevolg van het bijstellen van de aannames over de werking van de Marksstabiliteitreserve voor ETS1. Daarnaast werd op basis van voortschrijdend inzicht de correctie voor financiering van het Social Climate Fund bijgesteld. Dit leidt tot een significant derving van inkomsten voor ETS2. EBN ontvangt een subsidie voor de vultaak 2027-2028 en (deels) de aanleg van de noodvoorraad. Deze subsidie wordt gefinancierd met een heffing op de transsporttarieven van landelijk gastransportnet van Gasunie Transport Services (GTS) in 2029 t/m 2031. Daarnaast ontvangt EBN een lening voor de vultaak (2027-2028) van de gasopslagen. De lening is bedoeld voor de aankoop van gas en voor de aanvullende zekerheidsstortingen wanneer de gasprijs snel oploopt. De lening wordt in 2028 afgelost. Tot slot wordt de raming van de ontvangsten uit de CO2-heffing voor de Industrie en de AVI'-s bijgesteld op basis van actuele gegevens over ETS prijzen (o.b.v. futures), uitstoot en dispensatierechten, inflatiecijfers en een inschatting van de daling van de uitstoot richting 2030.

Mutaties Nota van Wijziging 1e suppletoire begroting 2026

Garantie LNG-terminals

Voor de betreffende regeling heeft het Rijk een garantiebudget van € 90,0 mln gereserveerd. Deze garantie is bedoeld om het risico van onvoldoende capaciteitsverkoop door de exploitant van de terminal af te dekken. Op basis van de huidige inzichten lijkt dit risico zich niet te zullen voordoen, waardoor de garantie naar verwachting niet zal worden ingeroepen. Het Rijk ontvangt een premie voor de garantietoezegging van € 3,3 mln. De premie zal in 2026 als ontvangst op de begroting worden verwerkt.

Mutaties ontwerpbegroting 2026

ETS-ontvangsten

Deze ramingbijstellling van de ETS-ontvangsten resulteert in een neerwaartse bijstelling voor de ETS1-ontvangsten als gevolg van een gedaalde prijs van de ETS1-rechten. Daarnaast is er een ophoging van de verwachte ETS2-ontvangsten als gevolg van de bijgestelde inflatie. Deze hogere ETS2-prijs leidt er ook toe dat er minder rechten nodig zijn om de het Social Climate Fund (SCF) te vullen en er wat meer rechten voor de lidstaten (en dus voor Nederland) beschikbaar zijn.

Heffing gasleveringszekerheid

Dit betreft een mutatie voor de heffing gasleveringszekerheid door ramingsbijstellingen voor de vultaken 2025/2026, 2026/2027 en 2027/2028. Daarnaast betreft dit de kostenindexatie voor de noodvoorraad in de PGI Alkmaar. In 2027 wordt de noodvoorraad aangekocht. De gasprijs is gestegen sinds de laatste raming waardoor de kosten mogelijk hoger worden. Dit wordt gedekt in de heffing vanaf 2029. De opbrengst uit de verkoop van de noodvoorraad is, wegens het einde van het dienstencontract van de PGI Alkmaar, geraamd in 2032. Dit betekent niet dat er na 2033 geen noodvoorraad meer beschikbaar is, te zijner tijd wordt nut en noodzaak van voortzetting van een noodvoorraad gewogen.

Lening EBN Vulmaatregel

EBN ontvangt een lening voor de vultaak van de gasopslagen. De lening is bedoeld voor de aankoop van gas en voor aanvullende zekerheidsstortingen wanneer de gasprijs snel oploopt. De lening wordt in 2027 terugbetaald. Er is in 2025 € 100 mln minder opgenomen door EBN uit de kredietfaciliteit. Daardoor wordt er ook in 2027 € 100 mln minder verwacht aan terugbetaling van de lening.

Mijnbouwwet

De raming van de verwachte ontvangsten vanuit de Mijnbouwwet zijn positief bijgesteld voor de jaren 2027 en 2028. Dit komt met name door een hogere gasprijs vanwege de politiek situatie in Iran en door een verhoging van het verwachte te winnen volume. Sinds de raming Voorjaarsnota 2025 is een vorm van verliesverrekening geraamd. Exploitanten kunnen tot 3 jaar terug verliezen verrekenen met eerder afgedragen winstaandelen. De raming laat zien dat er vanaf 2029 verliezen worden geraamd in de sector.

Ontvangsten verduurzaming industrie (CO2-heffing)

Dit betreft het saldo van enerzijds een autonome ramingsbijstelling die is gebaseerd op een wijziging van de ETS-prijzen, dispensatierechten en de daaropvolgende carry back. Daarbij is de raming van de CO2-heffing voor de afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) bijgesteld door het tariefpad van de verhoging langzamer in te voeren.

Strategische Evaluatie Agenda

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek 2022 (RPE 2022) is het overzicht met een planning van beleidsdoorlichtingen omgevormd tot een Strategische Evaluatie Agenda (SEA). Voorheen waren beleidsdoorlichtingen primair gericht op de doorlichting van afzonderlijke begrotingsartikelen; in de SEA staan tegenwoordig de beleidsthema’s van de Minister van KGG centraal. Daarmee komt het vizier meer te liggen op de integrale en samenhangende beleidsaanpak van een beleidsthema (zoals energietransitie en industrie) en minder op de afzonderlijke beleidsonderdelen. Met de SEA wordt tevens beoogd onderzoeken beter te laten aansluiten op de beleidscyclus en wordt meer recht gedaan aan ontwikkelingen op een beleidsveld. Op deze wijze kunnen ook leerervaringen benut worden om het beleid tussentijds bij te sturen als dat nodig blijkt.

Strategische Evaluatie Agenda (SEA)

De SEA is gericht op onderstaande beleidsthema’s waarbij in onderstaande tabel wordt aangegeven op welke beleidsartikelen dit betrekking heeft. In bijlage 4 wordt toegelicht welke onderliggende evaluatieplanning hiermee samenhangt.

Tabel 3 Strategische Evaluatie Agenda

Thema/Periodieke rapportage

Eerstvolgende Periodieke rapportage

Begrotingsartikelen

 
  

211

31

Energietransitie en industrie

2029

 

x

Evaluaties van herziening in regelgevend kader (o.a. Energiewet en Warmtewet)

2031

 

x

Duurzaamheid

2026

x

 

1

Waar artikel 21 genoemd wordt, wordt bedoeld artikel 21 van de IenW-begroting vanwege de overkomst van Circulaire Economie van IenW naar EZK. De Periodieke Rapportage blikt terug waardoor dit nog betrekking heeft op uitgaven van artikel 21 IenW.

Beschrijving SEA-thema's/budgettaire en beleidsmatige afbakening/inzichtbehoefte

Energietransitie en industrieDe Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) zet zich met haar partners in voor de brede energietransitie naar een weerbaar energiesysteem en innovatief en duurzaam Nederland. De inzet is daarmee onder andere gericht op het verduurzamen van de industrie, energiezekerheid, betaalbaarheid, leveringszekerheid, het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen en het op orde brengen van de randvoorwaarden.

Binnen EZK wordt datagedreven gewerkt. Medewerkers moeten daarvoor beschikken over data- en analyse instrumenten die ook gebruikt kunnen worden bij het uitvoeren van evaluaties. Jaarlijks wordt via de Klimaat- en Energienota gerapporteerd over de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van het klimaat- en energiebeleid. Uiteindelijk leidt dit tot aanpassingen van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) dat iedere twee en half jaar een update krijgt en iedere vijf jaar wordt herzien. Met deze werkwijze wordt aangesloten op de Strategische Evaluatie Agenda. De periodieke evaluatie richt zich daarom op de brede energietransitie als geheel, waarin nog verder richting wordt aangebracht.

Binnen het thema Energietransitie en industrie wordt overkoepelend geëvalueerd. Deze evaluaties helpen bij het beoordelen van de doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtvaardigheid. Ook wordt gekeken naar de rolverdeling tussen markt en overheid. Deze evaluaties vormen de basis voor het uitwerken van toekomstig beleid rondom de energietransitie, energieprijzen, energie-infrastructuur, industrie en klimaat. Zo kan er blijvend worden ingezet op een duurzaam en welvarend Nederland. Onder deze periodieke rapportage vallen verschillende evaluaties. Voorbeelden van evaluaties die onder dit overkoepelende thema vallen en de komende jaren op de agenda staan zijn: Energiebelasting (2027), Energie Investeringsaftrek (2028), Ondersteuning Cluster 6 (2029), SDE++ (2029), IPCEI Waterstof (2025/2026), Klimaat- en energiefonds (2027), Nationaal Plan Energiesysteem (2028) en Maatwerkaanpak (2027).

Ook zal gekeken worden naar uitkomsten van evaluaties van de departementen op het gebied van klimaat en energiebeleid bij EZK, BZK, LVVN en IenW. Reeds geplande relevante evaluaties in sectoren Gebouwde Omgeving, Landbouw & Landgebruik en Mobiliteit zijn weergegeven op de SEA’s/evaluatieplanningen van respectievelijk BZK, LVVN en IenW. De relevante monitors/evaluaties op de begroting van KGG voor de sectoren Elektriciteit en Industrie worden in bijlage 4 weergegeven.

Daarnaast zullen de lessen uit het vorige Periodiek Evaluatieonderzoek meegenomen worden. Conform de lessen uit het synthese-onderzoek (CE Delft, 2024) zal er in evaluaties meer aandacht zijn voor normerende instrumenten en bezien worden hoe naast doelmatigheid en doeltreffendheid ook geëvalueerd kan worden op rechtvaardigheid zoals gedefinieerd in het Klimaatplan. Er wordt een onderzoek uitgezet over hoe te evalueren op rechtvaardigheid bij klimaat- en energiebeleid. Doel is dat hier een handreiking uit volgt die gebruikt kan worden bij toekomstige evaluaties.

Evaluatie van herziening in regelgevend kader (o.a. Energiewet en Warmtewet)Betreft synthese van evaluaties van de Energiewet en Warmtewet. Per 1 januari 2026 is de Energiewet in werking getreden, ter vervanging van de Elektriciteit en Gaswet. Deze wet zal naar alle waarschijnlijkheid vijf jaar na inwerkingtreding (begin 2026) geëvalueerd worden. Dit zal waarschijnlijk in 2031 gebeuren. De nieuwe Warmtewet (Wet collectieve warmte) is in 2025 door de Kamers aangenomen en zal naar verwachting begin 2027 in werking treden. Deze wet zal net als de Energiewet naar alle waarschijnlijkheid vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd worden.

DuurzaamheidConform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) dienen ministers hun beleid eens per 4 tot 7 jaar te evalueren op doeltreffendheid en doelmatigheid. De vorige beleidsdoorlichting van artikel 21 IenW is afgerond in 2019 en betrof de onderzoeksperiode 2011‒2017. De komende Periodieke Rapportage zal betrekking hebben op de periode 2018‒2024 en betreft nog uitgaven van artikel 21 van de IenW-begroting. Vanwege de overkomst van Circulaire Economie van IenW naar EZK wordt dit onderzoek hier vermeld.

Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering, zie Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda.

Voor het meest recente overzicht van afgeronde evaluaties en doorlichtingen, zie: Jaarverslag KGG 2025, bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek. Een interactieve weergave van de SEA is beschikbaar op www.rijksfinanciën.nl.

Overzicht risicoregelingen

Tabel 4 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande Garanties 2025

Geraamd te verlenen 2026

Geraamd te vervallen 2026

Uitstaande garanties 2026

Geraamd te verlenen 2027

Geraamd te vervallen 2027

Uitstaande Garanties 2027

Garantieplafond

Totaal plafond

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Aardwarmte

7.961

0

0

7.961

0

7.961

0

0

0

 

Totaal

7.961

0

0

7.961

0

7.961

0

0

0

Tabel 5 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitgaven 2025

Ontvangsten 2025

Stand risicovoorziening 2025

Saldo 2025

Uitgaven 2026

Ontvangsten 2026

Stand risicovoorziening 2026

Saldo 2026

Uitgaven 2027

Ontvangsten 2027

Stand risicovoorziening 2027

Saldo 2027

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Aardwarmte

  

17.693

0

  

17.504

0

  

17.424

0

Warmtenetten

  

0

0

  

174.500

0

  

174.500

0

LNG terminal

  

0

0

 

3.330

3.330

3.330

  

3.330

0

 

Totaal

0

0

 

0

0

3.330

 

3.330

0

0

 

0

Toelichting

Artikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Aardwarmte

Aardwarmte wordt gezien als een kosteneffectieve duurzame energiebron met potentie. Het draagt bij aan het halen van de duurzame energiedoelstelling van Nederland. Aardwarmte is een belangrijke optie voor het behalen van energie- en klimaatdoelen. Stimuleren van aardwarmte was al een prioriteit uit het energieakkoord, de warmtevisie, de beleidsbrief tuinbouw en de meerjarenafspraak energietransitie glastuinbouw 2014–2020. Ook het Klimaatakkoord, Klimaat- en energiefonds en Nationaal Groeifonds zetten fors in op de ontwikkeling van geothermie in Nederland om de klimaatdoelen in 2030 te kunnen halen.

Een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte is het ontbreken van een (betaalbare) particuliere verzekering voor het geologische risico dat het boren van de putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. Met deze garantieregeling aardwarmte wordt daarom het risico afgedekt dat de volgens het plan aangeboorde aardlaag minder warmwaterproductie oplevert en/of water van lagere temperatuur oplevert dan op basis van een gedegen geologisch vooronderzoek verwacht werd. Deze regeling is in 2024 beëindigd.

Warmtenetten

De opschaling van collectieve warmte loopt tegen een barrière aan doordat (met name nieuwe) warmtebedrijven beperkt toegang hebben tot de kapitaalmarkt. Met de Garantieregeling Warmtenetten (GRW) worden staatsgaranties verstrekt waarmee warmtebedrijven vreemd vermogen kunnen aantrekken voor de realisatie van warmtenetten. (Publieke) aandeelhouders hoeven daardoor minder publiek kapitaal in te brengen. Naar verwachting zal de garantieregeling in het tweede of derde kwartaal van 2027 voor het eerst opengesteld kunnen worden.

LNG terminal

In Nederland is het belang van import van vloeibaar gas en de gasopslagen voor de leveringszekerheid van gas sinds 2022 significant toegenomen als gevolg van het wegvallen van de toevoer van Russisch gas via pijpleiding en de afnemende eigen productie van gas – mede door het beëindigen van de gaswinning uit het Groningerveld in 2024. Het beschikbaar houden van voldoende en gespreide LNG-importcapaciteit is daarom een essentiële randvoorwaarde voor de weerbaarheid van het energiesysteem. Het operationeel beschikbaar houden van bestaande infrastructuur, waaronder de EemsEnergyTerminal, draagt rechtstreeks bij aan diversificatie. Daarom werkt het kabinet actief aan het borgen van voldoende LNG-importcapaciteit, zoals toegelicht in de laatste kamerbrief over update gasleveringszekerheid Q2 2026 (Kamerstuk 29 023, nr. 664). Voor 2026 is een garantie beschikbaar gesteld ten behoeve van de verlenging van LNG-importcapaciteit van de EemsEnergyTerminal (EET) vanaf 2028 tot 2036. Voor het verstrekken van deze garantie ontvangt het Rijk een premie die in de begrotingsreserve wordt gestort. Deze begrotingsreserve zal niet meer worden aangesproken, omdat er voldoende capaciteit is gecontracteerd.

Tabel 6 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

nummer

Artikel omschrijving

Leningnemer

Saldo 1-7-2026

Einddatum

1

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

NRG (ECN)

105.023

31-12-2026

2

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Pallas

45.599

1-7-2022

3

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Fibrant

2.071

1-12-2034

4

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Fibrant

7.757

1-12-2034

5

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Fibrant

17.547

1-12-2034

6

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

EBN BV

48.000

1-12-2034

7

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

ECN

40.000

31-12-2026

8

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

EBN BV (Porthos)

53.400

31-12-2038

9

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

EBN BV FEED Aramis Opslag

32.000

31-12-2042

10

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Solarge Holding B.V.

5.284

31-12-2024

11

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

LIOF Healix

950

1-7-2027

12

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Stichting Groenfonds

7.066

31-12-2039

13

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

EBN

1.787.130

30-4-2027

14

U31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

NOM Susphos

1.000

30-6-2030

Toelichting

1 Stichting Nuclear Research & consultancy Group (NRG)

Aan NRG is een lening van € 82 mln verstrekt voor het uitwerken en uitvoeren van een Herstelplan, in algemene zin gericht op de continuïteit van de bedrijfsvoering van NRG en in het bijzonder op het scheppen van de noodzakelijke financiële, technische, commerciële en organisatorische voorwaarden voor het in bedrijf houden van de Hoge Flux Reactor (HFR).

2 Pallas

Aan de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor is een lening verstrekt voor fase 1 van de totstandkoming van een nieuwe hoge fluxreactor (de Pallas-reactor), die bestemd is voor de productie van medische en industriële radio-isotopen en voor nucleair technologisch onderzoek.

3 t/m 5 Fibrant

De leningen aan Fibrant zijn verstrekt voor investeringen in (de ombouw van) installaties teneinde de uitstoot van lachgas (als CO2- equivalent) te reduceren. Hiermee worden drie projecten uitgevoerd met een totale lachgasreductie van ruim 0,6 Mton CO2-equivalent.

6 Energie Beheer Nederland (EBN)

De achtergestelde lening tegen 0% rente van in totaal € 48 mln is bedoeld voor investeringen in geothermieprojecten in Nederland volgens het businessplan genaamd ‘Masterplan Aardwarmte’. Er is door het voormalige Ministerie van EZK gekozen voor verplichte deelname van EBN in deze geothermieprojecten. De lening is verstrekt aan EBN bv, die deze lening heeft doorgestort als agio in EBN Aardwarmte bv. EBN zal samen met professionele marktpartijen risicodragend deelnemen in projecten via haar dochter voor 20% tot 40%.

7 Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)

In 2016 is aan ECN een lening verstrekt van € 40 mln voor het verwerken en afvoeren van historisch radioactief afval in Petten.

8 EBN B.V.

In 2020 is een lening verstrekt aan EBN, zodat EBN vreemd vermogen kan aantrekken en daarmee deel kan nemen aan het Porthos-project in de Rotterdamse haven. De door EBN verkregen rendementen op het Porthos-project zullen worden gebruikt om deze lening af te lossen.

9 EBN B.V. FEED Aramis Opslag

In december 2023 is ten behoeve van de uitvoering van de FEED-fase van het CCS-opslagproject Aramis een lening aan EBN bv verstrekt van € 32 mln.

10 Solarge Holding B.V.

Er is in 2024 een lening verstrekt aan Solarge van € 5,3 mln. Dit betreft een lening in het kader van het Nationaal Groeifonds project SolarNL.

11 LIOF Healix

Dit betreft een marktconforme lening aan LIOF ten behoeve van ondersteuning van een specifiek innovatief en duurzaam bedrijf in regio Limburg. Deze lening is nodig om vanuit LIOF een tijdelijke overbrugging voor dit bedrijf uit de KGG-doelgroep mogelijk te maken.

12 Stichting Groenfonds

Dit betreft een niet-rentedragende (renteloze) en achtergestelde geldlening aan Stichting Nationaal Groenfonds ten behoeve van ontwikkelleningen voor energiecoöperaties uit het Ontwikkelfonds Opwek. Stichting Nationaal Groenfonds beheert het Ontwikkelfonds Opwek, en verstrekt leningen aan energiecoöperaties voor de ontwikkelfase van zon- en windprojecten.

13 EBN

EBN ontvangt een lening/kredietfaciliteit voor de vultaak van de gasopslagen. De lening is bedoeld voor de aankoop van gas en voor aanvullende zekerheidsstortingen wanneer de gasprijs snel oploopt. De lening wordt terugbetaald in 2027.

14 NOM Susphos

In 2026 is een kortlopende lening van € 1 mln onder marktconforme voorwaarden via de NOM aan een derde partij verstrekt. De marktconforme lening is onderdeel van de Versterkte Aanpak Nieuwe Industrie en is gericht op het door een bedrijf commercialiseren van een nieuwe industriële technologie waarmee reststromen opgewaardeerd worden naar waardevolle commerciële eindproducten. De lening is beleidsmatig, financieel en juridisch getoetst.

3. Beleidsartikelen

Beleidsartikel 31 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Beleidsartikel 31 heeft doelstellingen in het kader van klimaat, energie, groene groei en circulaire economie. Dit betreft het borgen van een realistisch, betaalbaar en uitvoerbaar klimaat- en energiebeleid en het werken aan een sterk, schoon en weerbaar Nederland door in te zetten op maatregelen die groene groei en een circulaire economie realiseren. Hierbij heeft de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) een gedeelde opgave op het gebied van de klimaat- en energietransitie en ruimtelijke inpassing, samen met andere departementen zoals Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).

De Minister van Klimaat en Groene Groei zet zich in op beleidsdoelen binnen de volgende domeinen:

Klimaatbeleid

De Nederlandse Klimaatwet regelt hoe de Nederlandse bijdrage aan de doelen van de klimaatovereenkomst van Parijs wordt ingevuld. Deze bevat een streefdoel om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 55% te reduceren en om in 2050 netto klimaatneutraliteit te bewerkstelligen. Om deze doelstellingen te bereiken zet de Minister van KGG een mix van subsidies, en normerings- en beprijzingsinstrumenten in, naast ander flankerend beleid. Het kabinet rapporteert twee keer per jaar over de voortgang van het klimaatbeleid, aansluitend bij de begrotingscyclus. In het najaar wordt in de klimaat- en energienota verantwoording afgelegd over de resultaten van het Klimaat- en Energiebeleid aan de hand van informatie uit het Dashboard Klimaatbeleid, de monitor Energiesysteem en de cijfers over gerealiseerde emissies en ramingen uit de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Jaarlijks wordt in het voorjaar op basis van de KEV bezien of alternatief beleid nodig is om de doelen te bereiken.

Figuur 3 Uitstoot broeikasgassen Nederland in miljard CO2-equivalenten

Bron: Emissieregistratie PBL |1990 ‒ 2030

Energiebeleid

In het kader van het energiebeleid werken we, samen met de landen om ons heen, toe naar een CO₂-vrije energievoorziening die veilig, betrouwbaar, betaalbaar, weerbaar en schoon is. Hierbij wordt gezorgd voor een goed functionerende energiemarkt, worden economische kansen verzilverd, en wordt de benodigde energie-infrastructuur op een evenwichtige manier in het ruimtelijk beleid geïntegreerd. Het is belangrijk dat bestaande elektriciteitsinfrastructuur versneld uitgebreid wordt en beter wordt benut; zo behouden we toegang tot elektriciteit voor maatschappelijke doelen als economische groei, woningbouw, mobiliteit en verduurzaming en verminderen we waar mogelijk netcongestie. Daarnaast zet het kabinet in op het verhogen van de productie van energie van eigen bodem door de groei van hernieuwbare energie, de bouw van nieuwe kerncentrales en voldoende gaswinning uit Nederlandse velden. Dit doet het kabinet door onder andere energie-regelgeving en subsidies transitiegericht te maken, waarbij de energiemarkt goed blijft functioneren en de betrokkenheid van de samenleving wordt vergroot, zodat iedereen naar vermogen kan bijdragen. Mensen met een laag- of middeninkomen en ondernemers worden bij de energietransitie geholpen, en regio en omwonenden worden tijdig betrokken bij nieuwe projecten. Ook wordt er ingezet op de goede afwikkeling van de sluiting van het Groningengasveld.

Groene Groeibeleid

Naast het halen van de klimaatdoelen en energiezekerheid, is een belangrijke maatschappelijke uitdaging het realiseren van groene groei. De uitstoot van broeikasgassen en andere vervuiling die vrijkomt bij economische activiteiten hebben grote gevolgen voor het klimaat, onze natuurlijke hulpbronnen, onze gezondheid en de leefomgeving. Het is dan ook belangrijk om actie te ondernemen en de economie te verduurzamen. EZK vervult hierin een aanjagende, coördinerende en ondersteunende rol voor de verduurzaming van de industrie, waarbij ervoor wordt gezorgd dat verduurzamingsprojecten kunnen en worden uitgevoerd in Nederland. Dit om te voorkomen dat uitstoot elders plaatsvindt doordat bedrijven uit Nederland vertrekken, wat ook ten koste gaat van het toekomstig Nederlands verdienvermogen en onze weerbaarheid. EZK vervult ook een belangrijke rol bij het op orde brengen van de randvoorwaarden voor deze verduurzaming, bijvoorbeeld in het ondergronds opslaan van CO₂ (CCS), en het zo snel mogelijk verzwaren en het beter benutten van het elektriciteitsnet.

Circulaire Economie

Nederland wil in 2050 volledig circulair zijn. Het grondstoffengebruik voor Nederlandse productie en consumptie wordt dan zodanig teruggebracht dat het binnen de planetaire grenzen en de daaruit volgende ‘veilige operationele ruimte’ voor Nederland valt.

In een circulaire economie gaan we slim om met grondstoffen en producten. We gebruiken minder grondstoffen doordat we producten efficiënter en langer gebruiken. Gebruikte grondstoffen zetten we weer in voor nieuwe producten. Ook kiezen we grondstoffen die steeds weer aan te vullen zijn. Voor een circulaire economie zijn ambitie, heldere regels, circulair ondernemerschap en een omslag in het denken en doen nodig.

De circulaire economie kan met verschillende strategieën worden bereikt, ook wel bekend als de R-ladder. Grofweg zijn ze onder te verdelen onder vier ’knoppen’ waar met beleid aan gedraaid kan worden: Vermindering van grondstoffengebruik, substitutie van grondstoffen, levensduurverlenging en hoogwaardige verwerking.

De Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) is op basis van de Klimaatwet verantwoordelijk voor het nationale klimaatbeleid en de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid. De Minister is op grond van de Energiewet, de Warmtewet en de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor het energiebeleid. De Minister is verantwoordelijk voor het faciliteren van de transitie naar een duurzame en concurrerende industrie en een klimaatneutrale en circulaire economie. Hieruit vloeien de volgende rollen voort.

Klimaatbeleid

Regisseren

  • Regisseren van het nationale klimaatbeleid op basis van de nationale doelen en de werkwijze zoals deze is vastgelegd in de Klimaatwet, met het oog op het door Nederland nakomen van de (onder andere) in United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van CO2 en overige broeikasgasemissies. Hieronder valt ook het emissiehandelssysteem, waarin CO2-emissierechten worden toegewezen en geveild.

  • Regisseren van de internationale aspecten van het klimaatbeleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daaronder vallen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.

(doen) Uitvoeren

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en klimaatthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies, de inzet van duurzame biobrandstoffen, de uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en de handel in CO2 -emissierechten (Emissions Trading System; ETS). Europese doelen gaan ook in op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie.

  • De opdracht aan de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor aan KGG gerelateerde marktinstrumenten die bijdragen aan een klimaat-neutrale samenleving. Dit zijn het Europese handelssysteem in broeikasgasemissierechten, de CO2-minimumprijs en CORSIA (Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation). Onderdeel van de opdracht aan de NEa is daarnaast het toezicht houden op de certificering van biogrondstoffen. Ook heeft de NEa een rol in het toezicht houden op en monitoren van methaanemissies op geïmporteerde fossiele goederen (methaanverordening).

Stimuleren

  • Om de klimaatdoelen te behalen worden partijen uit de samenleving proactief betrokken. De Minister van KGG stimuleert de dialoog met en tussen bedrijven, branches, overheden, burgers en kennisorganisaties over het klimaatbeleid.

  • Op basis van de tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds heeft de Minister van KGG de rol van Fondsbeheerder van het Klimaat- en energiefonds. De minister biedt de Tweede Kamer bij Voorjaarsnota een ontwerp-Meerjarenprogramma Klimaat- en energiefonds aan en bij Miljoenennota het definitieve Meerjarenprogramma Klimaat- en energiefonds. Het Klimaat- en energiefonds volgt daarnaast het reguliere begrotingsproces met diverse begrotingsstukken gedurende het jaar.

  • De voortgang van het klimaatbeleid wordt gemonitord via het Dashboard Klimaatbeleid.

Energiebeleid

Regisseren

  • Het regisseren van de lange termijn ontwikkeling van het energiesysteem met het Nationaal Plan Energiesysteem en de bijbehorende energiecyclus, onder meer met de jaarlijkse Klimaat- en Energienota.

  • Het sturen op samenhang tussen nationale en lokale strategieën voor de energietransitie.

  • Het bieden van handelingsperspectief en wegnemen van belemmeringen voor lokale duurzame energie-initiatieven.

  • Regisseren van het nationale energiebesparingsbeleid op basis van het indicatieve nationale doel, met het oog op het door Nederland nakomen van de in EU-verband gemaakte afspraken over energiebesparing (Europese Energie-Efficiëntie Richtlijn).

  • Het uitrollen van windenergie op zee richting 2040 en verder.

  • Regisseren van een gebalanceerd gebruik van de Noordzee voor windenergie op zee, natuur en andere gebruikers door ruimtelijke reservering in Programma Noordzee waarbij voldoende ruimte wordt gereserveerd voor zowel mijnbouw als de ambitie wind op zee.

    Het actief participeren in Europese en internationale netwerken ten behoeve van energy governance, kennis brengen naar en leren van andere landen en instellingen, inclusief de bijdrage aan het internationale oliecrisisbeleid.

  • Regisseren van evenwichtig risicobeleid voor de energietransitie, zodat er verantwoord wordt omgegaan met risico’s voor de veiligheid en gezondheid van mensen en de transitie tegelijkertijd uitvoerbaar blijft.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige, veilige en verantwoorde energietransitie, inclusief opslag en winning van energie in de diepe ondergrond.

  • Het verlenen van de vergunningen voor activiteiten in de diepe ondergrond.

  • De stimulering en versnelling van de productie van aardgas op de Noordzee. Daartoe heeft het kabinet in april 2025 een sectorakkoord afgesloten. Daarnaast het zorgen voor de verantwoorde afbouw van gaswinning op land, de voorwaarden waaronder deze gaswinning zal plaatsvinden en regionale batendeling.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor zorgvuldige afwikkeling van de gaswinning uit het Groningenveld en goede nazorg op basis van het mijnbouwbeleid en onderliggende regelgeving.

  • Het vaststellen van kaders waarmee de vergunninghouder (NAM) de nazorg moet vormgeven.

  • Zorgen voor een blijvende afbouw van het gebruik van laagcalorisch gas en het creëren van mogelijkheden voor gebruik van geïmporteerd hoog calorisch gas in Nederland.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een goede nucleaire (kennis)infrastructuur en veilige uraniumverrijking, met inbegrip van de taken die hierover zijn opgenomen in internationale verdragen, met het oog op de bewaking en beveiliging van de hierbij betrokken kennis en technologie.

  • De voorbereidingen voor de bouw van nieuwe kerncentrales in Nederland en de ontwikkeling van Small Modular Reactors (SMR's) in samenwerking met regionale overheden.

  • Het regisseren en prioriteren van de benodigde nieuwe energie-infrastructuur met het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK).

Financieren

  • Het beschikbaar stellen van een financieel instrumentarium (o.a. opdrachten, subsidies en bijdragen aan ZBO’s en agentschappen) op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing, energie-infrastructuur, het gebruik van de diepe ondergrond (mijnbouw, waaronder waterstofopslag, en CO₂-opslag) en energie-innovatie, gericht op het realiseren van CO₂-reductie, energieproductie en een goed werkend energiesysteem.

Stimuleren

  • Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie conform afspraken uit het Energieakkoord, respectievelijk Klimaatakkoord en de Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED III).

  • Het stimuleren van energiebesparing conform afspraken uit het Energieakkoord, respectievelijk Klimaatakkoord en de Richtlijn Energie-efficiëntie (EED).

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van energie-innovaties (o.a. via subsidieregelingen MOOI, EKOO, DEI+).

  • Het stimuleren van een maatschappelijke dialoog over energievraagstukken.

  • Het stimuleren van decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem, zoals energiehubs.

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO₂-uitstoot van energiebesparing bij energiebedrijven en industrie.

  • Het stimuleren van lokaal eigendom en omgevingsfondsen bij duurzame opwek.

  • Het stimuleren van goed werkende nationale en Europese energiemarkten met een adequate infrastructuur en bijbehorende wetgeving.

  • Het stimuleren van de realisatie van windparken op zee door middel van tendering met een prijszekerheidsmechanisme (contract for difference).

  • Het stimuleren van verbetering en harmonisatie van EU-wetgeving en NSEC-regionaal beleid ten aanzien van windenergie op zee en de rol ervan in het energiesysteem, o.a. op gebied van nationale en economische veiligheid, ecologie, technologische standaarden en financiering.

(doen) Uitvoeren

  • Het tot stand brengen van de ruimtelijke inpassing van grote energie-infrastructuurprojecten die onder de Procedure Projectbesluit vallen. Deze energie-infrastructuurprojecten op het gebied van elektriciteit, gassen, zoals waterstof, aardgas en CCS alsook de inpassing van kernenergie en windenergie op zee, maken het energiesysteem van de toekomst mogelijk.

  • Het verlenen van de vergunningen voor de realisatie van windparken op zee door het nemen van kavelbesluiten en doorlopen van tenderprocedures

Groene Groeibeleid

Regisseren

  • Actief sturen en regie voeren op een snellere fysieke uitbreiding van kritieke elektriciteitsinfrastructuur voor een weerbaar energiesysteem en een toekomstbestendige industrie.

  • Regisseren van de aanpak op netcongestie door te zorgen voor toegang tot elektriciteit waardoor maatschappelijke doelen zoals economische groei, woningbouw, mobiliteit, verduurzaming en land- en tuinbouw zoveel mogelijk gewaarborgd zijn in samenwerking met de Minister van IenW, Minister van EZK, Minister van VRO en Minister van LVVN. Hier wordt onder andere invulling aan gegeven door het wetgevingsprogramma «Stroomlijnen Energieprojecten» ten einde het elektriciteitsnet versneld uit te breiden en een aansluitoffensief gericht op het beter benutten van het elektriciteitsnet.

  • Sturen op de realisatie van randvoorwaarden in de industrieclusters via het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI) en het stimuleren van opschaling, innovatie en realisatie van nieuwe duurzame industrieën.

  • Samenwerking met bedrijfsleven, medeoverheden, brancheorganisaties en NGO’s binnen het NPVI.

  • Sturen op de realisatie van complexe verduurzamingsprojecten bij de grootste industriële uitstoters via de maatwerkaanpak.

  • Sturen op de ontwikkeling van sectoragenda’s, bijvoorbeeld voor de chemische industrie.

  • Het sturen op samenwerking en efficiëntie binnen verschillende sectoren, specifiek op het terrein van het samenwerkingsverband cluster 6 als het gaat om de verduurzaming van de Nederlandse industrie.

  • Het monitoren en verminderen van methaanuitstoot die ontstaat als gevolg van de winning van fossiele grondstoffen (ruwe olie, aardgas en kolen), en het monitoren en verminderen van de distributie, transport en behandeling van aardgas, zowel binnen als buiten de EU (implementatie methaanverordening).

Financieren

  • Uitgeven van subsidies, bekostiging, opdrachten e.d. op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing en het gebruik van de diepe ondergrond gericht op het realiseren van CO₂ -reductie, energieopslag, veiligheid en een goed werkend energiesysteem.

  • Investeringen in noodzakelijke, randvoorwaardelijke fysieke infrastructuur, zoals het CCS project Aramis en project Hystock (waterstofopslag).

  • Ontwikkelen van de productie van hernieuwbare energie/clean tech via het bestaande instrumentarium (NIKI, VEKI en DEI+).

(doen) Uitvoeren

  • Het creëren van randvoorwaarden voor de ontwikkeling van innovatie- ecosystemen.

Stimuleren

  • Het stimuleren van het bedrijfsleven om te verduurzamen middels subsidies en maatwerkafspraken.

  • Het stimuleren van verduurzaming MKB middels onder andere het Energiebesparingsfonds en het Ontzorgingsprogramma.

  • Ontwikkeling van het aanbod van groen gas via onder andere het wetsvoorstel voor een bijmengverplichting groen gas.

  • Het inzetten op circulair ondernemen in samenwerking met het Ministerie van IenW.

  • Ontwikkeling van de verduurzaming langs de verschillende industrieroutes (Waterstof, CCS, Circulaire Economie, Elektrificatie, Energie - en procesefficiëntie).

  • Ontwikkeling van het aanbod van duurzame producten via onder andere het actieplan om het aanbod van duurzame koolstofdragers (zowel binnenlands als via import) op te schalen en de leveringszekerheid zo goed mogelijk te borgen.

  • De voortgang van het energiebeleid wordt gemonitord via de Monitor Energiesysteem.

In tabel 7 is een selectie van relevante prestatie-indicatoren opgenomen behorend bij klimaat- en energiebeleid.

Tabel 7 Prestatie-indicatoren behorend bij klimaat- en energiebeleid

KPI

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Ambitie (2030)

Bron

Reductie van broeikasgasemissies tov 1990 (in %)

19,3%

26,7%

25,4%

31,9%

36,2%

36,9%

36,3%

55%

CBS 84979NED

Emissies niet-ETS sectoren (Mton CO2-equivalenten)

97,2

90,3

92,9

84,9

87,5

84,9

81,3

 

emissieregistratie.nl

Emissies ETS-sectoren (Mton CO2-equivalenten)

83,7

74,1

74,1

68,5

58,9

59,9

64,6

 

emissieregistratie.nl

Gerealiseerd vermogen windenergie op zee (MW)

957

2460

2460

2570

4110

4748

4748

21GW

CBS 82610NED

Gerealiseerd vermogen windenergie op land (MW)

3527

4188

5186

6131

6692

6955

7035

 

CBS 82610NED

Gerealiseerd vermogen zon-PV (MW)

7226

11108

14823

17356

21957

24722

25901

 

CBS 82610NED

Opgesteld vermogen windenergie op zee (MW)

x

1503

0

110

2170

638

0

 

CBS 82610NED

Opgesteld vermogen windenergie op land (MW)

x

661

998

945

561

263

80

 

CBS 82610NED

Opgesteld vermogen zon-PV (MW)

x

3882

3715

2533

4601

2765

1179

 

CBS 82610NED

Gerealiseerd vermogen in waterstofprojecten uit elektrolyse

x

x

x

x

x

x

x

 

x

Aandeel hernieuwbare energie in het energiesysteem (PJ)

185

223

263

281

314

361

401

 

CBS 86329NED

Totaal nationaal energieverbruik (PJ)

2669

2446

2546

2352

2251

2275

2273

 

CBS EED cijfers

Aandeel hernieuwbaar (in %)

8,9%

14%

13,1%

15,3%

17,6%

20,2%

22,7%

39%

CBS 86329NED

Opgewekte energie uit groengas (PJ)

14,9

17,4

17,5

18,2

18,7

17,4

19,6

 

CBS 83140NED

Aantal woningen aangesloten op duurzame warmtesystemen

x

x

x

x

x

x

x

 

x

Circulaire Economie

Regisseren

Het Ministerie van EZK heeft de coördinerende rol op het gebied van circulaire economie. De Minister van Klimaat en Groene Groei is vanuit het kabinet verantwoordelijk voor:

  • Het borgen van circulariteit via wetgeving op nationaal, Europees en internationaal niveau, bijvoorbeeld om de markt voor secundaire grondstoffen te vergroten, slim ontwerp van producten te stimuleren, het marktaandeel van circulaire producten te verhogen, veilig en gezond omgaan met afval zodat ongewenste emissies naar water, bodem en lucht te voorkomen en bijdragen aan een verbeterde leveringszekerheid van grondstoffen.

  • Het vergroten, verduurzamen en robuuster maken van het verdienvermogen van Nederland door de implementatie van circulair-economisch beleid.

  • Verkrijgen van (meer) draagvlak en kennis.

  • Monitoren van de effecten en de voortgang en waar nodig bijsturen.

Stimuleren

Zowel producenten als consumenten moeten concrete stappen zetten naar een meer circulaire economie. Om dit te bereiken, stimuleert en financiert het Ministerie van EZK duurzame initiatieven in de samenleving.

  • Het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE) en de actualisatie uit 2025 bevatten de beleidsinzet waaronder de te nemen maatregelen op het thema.

  • Het NPCE bevat algemene en productgroepspecifieke stimulerende maatregelen op het gebied van het verminderen van grondstoffen gebruik, substitutie van grondstoffen, levensduurverlenging en hoogwaardige verwerking in de productieketen.

  • Ook bevat het NPCE ondersteunende maatregelen rond kennis en innovatie, onderwijs, arbeidsmarkt en gedrag, communicatie en voorlichting en ondersteuning van circulaire ondernemers via het Versnellingshuis Nederland Circulair!

  • De overheid zet inkoopkracht in om bij te dragen aan circulaire marktvorming, bijvoorbeeld als launching customer.

  • We zetten in op betere toegang tot financiering voor circulaire businesscases.

  • In Europa zetten we in op een circulaire Europese interne markt en ambitieus product- en grondstoffenbeleid om de Europese economie te verduurzamen, concurrentievermogen te bevorderen en strategische afhankelijkheden te voorkomen.

Financieren

  • Het Ministerie van EZK ondersteunt investeringen in productietechnieken die leiden tot minder milieudruk en in kennis- en innovatieprojecten.

  • Daarnaast faciliteert en ondersteunt Economische Zaken en Klimaat het bedrijfsleven om ketens circulair te maken. Bijvoorbeeld via het stimuleren van de aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen door middel van financiële stimulering (MIA/VAMIL en DEI+).

  • We zetten in op financiering van circulaire bedrijven en innovaties binnen de scope van fondsen en publiek-private investeringsinstellingen (e.g. Invest-NL en NII).

Tabel 8 Doelenboom circulaire economie

Strategisch hoofddoel

Subdoelen

KPI

2016

2020

2024

Het grondstoffengebruik voor de Nederlandse productie en consumptie wordt zodanig teruggebracht dat het binnen de planetaire grenzen en de daaruit volgende 'veilige operationele ruimte'voor Nederland valt.

Grondstoffengebruik verlagen met 15% in 2035 t.o.v. 2016

Totale Materialeninzet in NL (inclusief secundaire grondstoffen en exclusief brandstoffen (in mton en vermindering in %)).

Deze doelen zijn vorig jaar vastgelegd in het Nationaal Programma Circulaire Economie. Het PBL monitort de voortgang en publiceert daarover eens per twee jaar in de Integrale Circulaire Economie rapportage. De KPI's en beschikbare gegevens voor het volgen van de doelen worden momenteel verzameld. Begin 2027 verschijnt de volgende monitor.

Aandeel duurzame biogrondstoffen en secundaire grondstoffen verhogen naar minimaal 55% in 2035

Aandeel biogrondstoffen en secundaire grondstoffen van de Totale Materialeninzet (in %).

De totale hoeveelheid afval verlagen, waarbij tegelijktertijd meer (hoogwaardif) wordt gerecyled in 2035. Minimaal 82% recycling en minimaal 15% hoogwaardig.

Aandeel gerecyclede grondstoffen van totale hoeveelheid verwerkt afval in NL (in %)

Beleidswijzigingen Klimaatbeleid

Het kabinet gaat met volle kracht aan het werk om de klimaatdoelen te halen. De geopolitieke ontwikkelingen laten zien dat het des te belangrijker is om onze afhankelijkheid van fossiel af te bouwen. Daar draagt het behalen van onze klimaatdoelen, door ons energiesysteem op te bouwen, energie op te wekken van eigen bodem en energie te besparen, in belangrijke mate aan bij. Het klimaatdoel van 2030 wordt lastig, maar het kabinet houdt de ambitie vast. Om te profiteren van de kansen die verduurzaming met zich meebrengt en ons land tijdig voor te bereiden, moeten we ook vooruitkijken en het perspectief richten op de lange termijn. Het kabinet neemt de transitie richting 2050 als basis, met 2040 als duidelijke tussenstap. Het kabinet wil zoveel mogelijk aansluiten bij de Europese aanpak om het Europese 2040-klimaatdoel te behalen. Voor de invulling van de transitie richting 2040 zijn met het coalitieakkoord al stappen genomen, zoals de aangekondigde investeringen voor schone energie van eigen bodem en het verlengen van de SDE++ met zes nieuwe openstellingsrondes ten behoeve van de uitrol van duurzame energiebronnen. In het voorjaar van 2027 neemt het kabinet indien nodig aanvullende nationaal geborgde maatregelen om het klimaatdoel van 2040 te halen. Daarbij heeft het kabinet oog voor betaalbaarheid en handelingsperspectief zodat mensen en bedrijven ook daadwerkelijk mee kunnen doen aan de transitie.

Met Prinsjesdag 2026 heeft het kabinet de Klimaat- en Energienota aangeboden aan de Tweede Kamer. Hierin legt het kabinet verantwoording af over het gevoerde klimaat- en energiebeleid, inclusief een reactie op de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Daarnaast heeft het kabinet met Prinsjesdag het definitieve Meerjarenprogramma (MJP) van het Klimaat- en Energiefonds gepubliceerd, waarmee middelen voor de transitie beschikbaar worden gesteld. 

Parallel is het kabinet aan de slag met het concreter uitwerken van routes voor de weg naar klimaatneutraliteit voor alle sectoren. Hiermee komt er meer aandacht voor de transitie richting een klimaatneutrale samenleving in 2050 en de vraag of de sectoren op koers liggen en zo niet wat daarvan de oorzaken en gevolgen zijn, zoals bijvoorbeeld het ontbreken van de benodigde randvoorwaarden. In de Klimaat- en Energienota 2026 staan de eerste contouren van deze routes.

Het Nationaal Burgerberaad Klimaat is in 2025 van start gegaan en bracht 175 willekeurig gekozen burgers bijeen. De adviezen van het burgerberaad zijn in december 2025 aangeboden aan het kabinet. Op 29 mei 2026 heeft het kabinet gereageerd op het advies van het burgerberaad: het kabinet neemt de helft van de voorstellen van het burgerberaad over. Over ongeveer een kwart van de deelaanbevelingen wordt later besloten en ongeveer een kwart neemt het kabinet niet over. Er volgt nog een debat met de Tweede Kamer over het advies en de kabinetsreactie. Om voor iedereen in Nederland inzichtelijk te maken hoe het staat met de opvolging van de adviezen van het burgerberaad zal het kabinet de komende twee jaar in de jaarlijkse Klimaat- en Energienota in september een update geven.

Op 11 maart 2026 is de herziene Europese Klimaatwet in werking getreden, waarmee in een bindende EU-doelstelling is voorzien de netto broeikasgasemissies voor 2040 met 90% (t.o.v. 1990) te reduceren. De Europese Commissie komt naar verwachting in Q4 2026 met wetgevende beleidsvoorstellen om het 2040-doel te realiseren. Conform coalitieakkoord zet het kabinet zich in voor een pakket dat bijdraagt aan voorspelbaarheid, investeringszekerheid en een gelijk speelveld binnen en buiten de EU. Voor tijdige realisatie van de transitie zet Nederland in op een sterk faciliterend kader om de uitrol van essentiële energie-infrastructuur te versterken en versnellen. Dit kader borgt bovendien de haalbaarheid, betaalbaarheid en rechtvaardigheid van de transitie voor huishoudens, bedrijven en maatschappelijke instellingen. Op mondiaal vlak ligt de nadruk van de inzet van het kabinet op implementatie van multilaterale afspraken, waaronder de afspraak om dit decennium versneld toe te werken naar een transitie weg van fossiele brandstoffen.

Beleidswijzigingen Energiebeleid

Nationaal Plan Energiesysteem

Met Prinsjesdag 2026 heeft het kabinet een actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) vastgesteld met daarin de visie en strategie om te komen tot een weerbaar, betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam energiesysteem. In deze actualisatie is het ontwikkelpad voor het energiesysteem richting 2040 verder geconcretiseerd en zijn een aantal onderwerpen aangevuld die in het oorspronkelijke NPE uit 2023 ontbraken.

SDE++ en CfD hernieuwbaar op land

In het coalitieakkoord heeft het kabinet middelen gereserveerd voor zes nieuwe openstellingsrondes van de SDE++ in 2027-2032. Door voor de komende jaren budget te reserveren voor openstellingen van de SDE++ wordt een belangrijk signaal aan de markt afgegeven, dat vertrouwen biedt voor de klimaat- en energietransitie en marktpartijen lange termijn zekerheid biedt, waardoor zij voorbereidingen kunnen treffen voor aanvragen.

Nieuwe Europese regelgeving schrijft voor dat operationele steun voor uitrol van projecten voor hernieuwbare elektriciteit niet meer via de huidige subsidieregelingen SDE++ geboden mag worden. Daarom zal in 2027 de eerste openstelling van de tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen (contracts for difference, hierna CfD's) plaatsvinden. Hiermee worden projecten voor zon-pv en wind op land – voorheen onderdeel van de SDE++ - ondersteund, zodat verdere uitrol van hernieuwbare elektriciteit zal blijven plaatsvinden. Hiervoor is recent een wet aangeboden.

Kernenergie

Voor een stabiel aanbod van elektriciteit - juist ook op momenten wanneer het niet waait of de zon niet schijnt – zet het kabinet in op het vergroten van het aandeel kernenergie in de energiemix. Dat doet het kabinet middels een routekaart met als richtpunt 7 GW kernenergie in 2050.5 Met dit richtpunt, dat deels ook met kleine modulaire kernreactoren (SMR’s) ingevuld kan worden, verbreedt het kabinet de inzet op kernenergie nadrukkelijk van het nieuwbouwproject, bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele en het versterken van het ecosysteem, naar een bredere programma-aanpak kernenergie. Om deze capaciteit te kunnen bereiken, wordt ingezet op de versterking van de Nederlandse nucleaire capaciteit langs vier sporen en daarnaast op versterkte aandacht voor het nucleaire ecosysteem: 

  • Spoor 1: bestaat uit het realiseren van de eerste twee grootschalige kerncentrales en het inzetten op de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale in Borssele. De bouw van de eerste twee grootschalige kernreactoren is een belangrijke stap om de ambitie van 7 GW in 2050 mogelijk te maken. 

  • Spoor 2: inzet op verdere opschaling van kernenergieproductie; dit kunnen grote kerncentrales (de derde en vierde kerncentrale) zijn maar mogelijk ook (seriegeschakelde) SMR’s.  

  • Spoor 3: met dit spoor wordt geconcretiseerd in welke mate en wanneer private SMR-initiatieven een bijdrage leveren aan de 7 GW kernenergie in Nederland en hoe het kabinet deze initiatieven kan ondersteunen. Het gaat hier bijvoorbeeld om private SMR-initiatieven die achter de meter zorgen voor industriële warmte of elektriciteit.  

  • Spoor 4: met dit spoor stimuleren we kansrijke innovaties in Nederland. Hierbij valt te denken aan nieuwe SMR-technologie zowel gericht op de productie van energie, maar in sommige gevallen ook op het verminderen van nucleair afval. De voorgenomen IPCEI (Important Projects of European Interest) Kernenergie zal aan dit spoor bijdragen.

Om deze inzet te realiseren is het van belang om in de basis naast deze sporen het nucleaire ecosysteem in Nederland blijvend te versterken.

Naast de stappen die al gezet zijn in het Meerjarig Missiegedreven Innovatieprogramma (MMIP) Kernenergie (Kamerstuk 32 645, nr. 120) werkt het kabinet aan integrale versterking van het ecosysteem door kennisopbouw, netwerkontwikkeling en het uitvoeren van concrete activiteiten op onderstaande, samenhangende terreinen:

  • De nucleaire kennisbasis en -infrastructuur

  • De nucleaire brandstof- en waardeketen

  • Internationale samenwerking

Binnen de routekaart naar 7 GW is de SMR-strategie (Kamerstuk 32 645, nr. 162) verder uitgewerkt met richting voor vervolgstappen voor SMR’s, waarbij aandacht is voor SMR’s in het net, SMR’s vanuit privaat initiatief voor industrie of regio en innovatieve SMR-ontwerpen in Nederland. Deze uitwerking is richtinggevend voor de stappen die we vanaf 2027 gaan doorlopen. Denk aan het uitvoeren van de samenwerkingsagenda Interprovinciaal Overleg (IPO) met provincies, het ondersteunen van de ontwikkeling van Nederlandse innovaties en naar aanleiding van de marktconsultatie in 2026 uitwerken van mogelijke financieringsopties.

Heffing gasleveringszekerheid

Het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis (Wbe) heeft als doel om het Nederlandse gassysteem weerbaarder te maken. Het voorstel bevat onder meer nieuwe wettelijke bevoegdheden op het gebied van gasopslag, indien marktpartijen dit onvoldoende doen, en de opbouw en bekostiging van een noodvoorraad. Om te waarborgen dat in de gasopslagen nu ook al voldoende gas wordt opgeslagen en de Europese en de Nederlandse vuldoelstellingen worden gehaald, heeft het kabinet sinds 2022 jaarlijks aan EBN Capital B.V. (hierna: EBN) instemming en subsidie gegeven om gas op te slaan in de Nederlandse gasopslagen indien de markt dat onvoldoende doet. De netto-kosten die daarbij worden gemaakt (d.w.z. de kosten na aftrek van de opbrengsten van de uitvoering van deze activiteiten) worden verhaald door een heffing bovenop de tarieven van het landelijk transmissiesysteem voor gas van GTS. Om de heffing op te kunnen leggen is hiervoor een wettelijke grondslag opgenomen in de Wbe. Het voornemen is om het voorstel in de tweede helft van 2026 aan de Afdeling Advisering van de Raad van State aan te bieden en vervolgens in 2027 naar de Tweede Kamer voor behandeling te verzenden. De verwachting is nu dat de Wbe medio 2028 in werking kan treden, maar dat is uiteraard afhankelijk van de snelheid van de verdere voorbereidingen, de (verwerking van) gevraagde adviezen en de parlementaire behandeling.

LNG terminals

In Nederland is het belang van import van vloeibaar gas en de gasopslagen voor de leveringszekerheid van gas sinds 2022 significant toegenomen als gevolg van het wegvallen van de toevoer van Russisch gas via pijpleiding en de afnemende eigen productie van gas – mede door het beëindigen van de gaswinning uit het Groningerveld in 2024. Het beschikbaar houden van voldoende en gespreide LNG-importcapaciteit is daarom een essentiële randvoorwaarde voor de weerbaarheid van het energiesysteem. Het operationeel beschikbaar houden van bestaande infrastructuur, waaronder de EemsEnergyTerminal, draagt rechtstreeks bij aan diversificatie. Daarom werkt het kabinet actief aan het borgen van voldoende LNG-importcapaciteit, zoals toegelicht in de laatste kamerbrief over update gasleveringszekerheid Q2 2026 (Kamerstuk 29 023 nr. 664). Voor 2026 is een garantie beschikbaar gesteld ten behoeve van de verlenging van LNG-importcapaciteit van de EemsEnergyTerminal (EET) vanaf 2028 tot 2036. Voor het verstrekken van deze garantie ontvangt het Rijk een premie die in de begrotingsreserve wordt gestort. Deze begrotingsreserve zal niet meer worden aangesproken omdat er voldoende capaciteit is gecontracteerd. Verder is in 2026 ook aangekondigd dat een regeling wordt uitgewerkt, gericht op de waarborging van de leveringszekerheid van vloeibaar gas in de komende jaren. Er wordt nog bezien of deze nodig is.

Energie-innovatie

In 2027 zal weer ingezet worden op energie-innovatie, hiervoor zullen onder andere de subsidieregelingen Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI), Horizon Europe Partnership (HEP) en Energie en Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) opengesteld worden. Ook vindt een beleidsevaluatie plaats van de subsidieregelingen (o.a. MOOI, EKOO en DEI+). Ook zal in 2027 een nieuwe Integrale Kennis en Innovatie Agenda (IKIA) opgesteld worden voor het thema Klimaat en Energie, als onderdeel van het Kennis en Innovatie Convenant (KIC) waarin de prioriteiten voor energie-innovatie beleid herijkt worden.

Decentrale ontwikkelingen

Er wordt ingezet op de verdere doorgroei en stimulering van decentrale ontwikkelingen binnen het energiesysteem, zoals hernieuwbare energie op land en energyhubs. De ondersteuning voor medeoverheden voor de interbestuurlijke samenwerking landt vanaf 2028 in een nieuw Nationaal Programma in oprichting (LOE, Landelijks Ondersteuningsprogramma Energietransitie). In dit programma worden de krachten gebundeld van het huidige Nationaal Programma Lokale Warmte (NPLW), Nationaal Programma Regionale Energie Strategie (NP RES) en Samenwerkingsprogramma Integraal Programmeren Energie (SP IPE).

Programma Energiehoofdstructuur

Via het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) geeft het kabinet vorm aan de ruimtelijke sturing op het nationale energiesysteem op land. Door strategisch te sturen op vraag, aanbod en flexibiliteit worden de extra ruimtevraag en de maatschappelijke kosten van het nieuwe energiesysteem beperkt. Verwachte beleidswijzigingen zijn het aanwijzen van voorkeursgebieden voor kernenergie, het identificeren van kansrijke locaties voor diepe aanlanding en het intensiveren van ruimtelijke sturing in de industrieclusters. In het begin van 2027 wordt de Hoofdlijnenbrief PEH II aan de Tweede Kamer verzonden. Het definitieve PEH is naar verwachting in 2028 gereed.

Warmte

Er zijn duurzame warmteoplossingen nodig om de gebouwde omgeving op een klimaatneutrale manier te kunnen verwarmen. In het interdepartementaal beleidsonderzoek, dat november 2025 is gestart, staat de energietransitie van de woningvoorraad centraal. Dit onderzoek wordt na Prinsjesdag 2026 opgeleverd. Op het gebied van wetgeving zijn er twee ontwikkelingen. Op 9 december 2025 heeft de Eerste Kamer de Wet collectieve warmte aangenomen. De bijmengverplichting groen gas is op 21 mei 2026 bij de Tweede Kamer ingediend, met het oog op inwerkingtreding per 1 januari 2027.

In 2050 moeten alle gebouwen van het gas af en gebruikmaken van duurzame warmtebronnen. Aardwarmte is een belangrijke warmtebron die in potentie naar verwachting ongeveer 25% van de warmtevraag kan dekken (NPLW, Handreiking aardwarmte 2025). Het Klimaatakkoord, Klimaat- en Energiefonds en Nationaal Groeifonds zetten fors in op de ontwikkeling van geothermie in Nederland om de klimaatdoelen in 2030 te kunnen halen.

Diverse publicaties signaleren dat aardprojecten zonder voorspelbare en betrouwbare beleidskaders vertragen of zelfs niet worden uitgevoerd (Clusteraanpak Collectieve Warmte, Studie investeringscondities geothermie en Actieplan Randvoorwaarden Glastuinbouw). Knelpunten doen zich voor in vrijwel alle schakels van de keten, van geologische kennis en vergunningverlening tot financiering, infrastructuur (koppeling vraag en aanbod) en maatschappelijke acceptatie. Daarom wordt vanuit het traject stimulering aardwarmte gekeken naar het bredere geheel van instrumenten om marktfalen effectiever aan te pakken. Dit kan variëren van aanpassing of doorontwikkeling van bestaande (financiële) instrumenten tot een meer integrale, alternatieve regeling. Het traject zal in de tweede helft van 2026 leiden tot een uitvoeringsagenda die in 2027 kan worden geïmplementeerd.

Ontwikkelingen Mijnbouwbeleid

In het huidige en toekomstige energiesysteem spelen activiteiten in de diepe ondergrond, zoals gaswinning, geothermie en de opslag van waterstof en CO2 een essentiële rol. Maatschappelijk, veilig, ruimtelijk en financieel verantwoord gebruik staan daarbij voorop. Daarbij worden ook de lessen als gevolg van de parlementaire enquête Groningen nadrukkelijk meegenomen. Het kabinet werkt aan een omvangrijke herziening van de Mijnbouwwet en aan een programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond, dat een visie op het gebruik van de diepe ondergrond en een ruimtelijk kader bevat. In 2027 worden zowel het wetsvoorstel als het programma ter inzage gelegd. Verder wordt in 2027 de afhandeling van meldingen van schade door voormalige steenkolenwinning in Limburg en de beving bij Geelbroek door voormalige gaswinning verder voortgezet.

Gaswinning uit kleine velden (op zee en land)

Door de sluiting van het Groningenveld vervult de gaswinning uit de kleine velden op land en zee een steeds belangrijkere rol in de gasvoorziening van ons land. Momenteel dekt de Nederlandse gasproductie ongeveer 30% van de totale Nederlandse aardgasvraag. Nederland is hiermee netto-importeur geworden. Gaswinning in eigen land is klimaatvriendelijker dan import en draagt naast leveringszekerheid ook bij aan het beperken van de importafhankelijkheid. Het kabinet zet daarom in op gaswinning uit de kleine velden, daar waar het veilig en verantwoord gewonnen kan worden en met oog voor de omgeving. Met het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie – dat op 23 april 2025 is vastgesteld – wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan verdere intensieve samenwerking tussen de sector, EBN als beleidsdeelneming en het Rijk en wordt het belang van de Nederlandse gaswinning voor de komende decennia onderstreept. Daarnaast zijn er op 16 januari 2026 aanvullende afspraken gemaakt over de verantwoorde afbouw van gaswinning op land, de voorwaarden waaronder deze gaswinning nog plaats zal vinden en regionale batendeling. Komende jaren wordt samen met betrokkenen nadere invulling geven aan de gemaakte afspraken in het sectorakkoord.

Waterstof

Het kabinet blijft vol inzetten op de ontwikkeling van de waterstofmarkt zoals geschetst in het NPE. In 2027 zet het kabinet belangrijke stappen op het gebied van infrastructuur, wetgeving en subsidies. De beoogde marktordening wordt vastgesteld met de Implementatiewet herziene gasrichtlijn en uitvoering herziene gasverordening. De Wet jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie moet ook per 1 januari 2027 in werking treden, en daarmee aanbieders van hernieuwbare waterstof duidelijkheid geven over de minimale vraag uit de industrie. Tot slot verwacht EZK in 2027 de resultaten van meerdere tenders: de 3e reguliere waterstofproductie met een elektrolyser (OWE), de OWE voor waterstofhubs, H2-Global (voor import) en STIHWI (voor industrieel gebruik).

Waterstofopslag

In 2025 is de nationale agenda op ondergrondse waterstofopslag gepubliceerd. Daarin is beschreven dat voldoende waterstofopslag noodzakelijk is voor het functioneren van het waterstofnetwerk; onder andere als buffer en voor het op druk houden van het systeem. In juli 2026 is een beschikking afgegeven voor de ontwikkeling van de eerste vier opslagcavernes in Nederland - project Hystock. Met de beschikking worden de risico’s gedekt die Gasunie niet eigenstandig kan dragen en voortkomen uit de noodzaak om voor de markt uit te investeren. Door deze beschikking kan het project een bijdrage leveren aan de 2050 doelstelling. Hystock gaat in 2027 verder met het verkrijgen van de benodigde vergunningen voor de realisatie van deze cavernes. Zoals in de nationale agenda aangegeven is naast deze vier opslagcavernes meer opslag nodig voor een functionerend waterstofsysteem. Hier zijn middelen voor gereserveerd, het Rijk verkent hoe dit gerealiseerd kan worden.

Netcongestie

Gezien de toenemende urgentie van de problematiek en de behoefte aan oplossingen gericht op het terugdringen van netcongestie wordt de aanpak geïntensiveerd. De geleerde lessen uit het versnellingspakket, aansluitoffensief beter benutten en de crisisaanpak Flevopolder, Gelderland en Utrecht (FGU) worden ingezet voor onder andere een versterking van de aanpak in de regio en daarmee een verbetering van de wisselwerking tussen landelijk beleid en regio-specifieke knelpunten en oplossingen.

Het kabinet zet zich ervoor in om het elektriciteitsnet sneller uit te bereiden en proceduretijd te verkorten. Naast beleid worden ook aanpassingen van wet- en regelgeving uitgewerkt binnen het wetgevingsprogramma ‘Stroomlijnen Energieprojecten.’ Deze wijzigingen vinden zo snel mogelijk en in tranches plaats. Zodra een wijziging gereed is en advisering heeft plaatsgevonden, wordt deze aan het parlement voorgelegd. Een wetsvoorstel, waarmee Rijk en provincies een wettelijke basis krijgen om leges te heffen waarmee ambtelijke kosten van de projectprocedure kunnen worden vergoed, wordt naar verwachting in het najaar 2026 aan de Kamer aangeboden. Een volgende tranche wettelijke versnellingsmaatregelen wordt in de eerste helft van 2027 aangeboden aan de Kamer.

Gebiedsinvesteringen

Het kabinet heeft in maart 2026 gebiedsinvesteringen aangekondigd voor regio's waar de komende jaren hoogspanningsprojecten 110/150 kV plaatsvinden.6 Dit komt in aanvulling op de in april 2025 aangekondigde gebiedsinvesteringen voor hoogspanningsprojecten 220/380 kV.7 Beide gebiedsinvesteringen maken verbetering van de leefkwaliteit mogelijk in regio’s waar netuitbreidingsprojecten plaatsvinden. Zo houden we het energiesysteem toegankelijk, betrouwbaar en toekomstbestendig.

Windenergie op zee

De huidige routekaart richt zich op een totaal opgesteld vermogen van 23 gigawatt (GW) productiecapaciteit. Het coalitieakkoord ambieert een totaal van 40 GW te realiseren. Voor dit doel is € 60 mld vrijgemaakt. Eind 2026 wordt een geactualiseerde routekaart voor windenergie op zee gepubliceerd in drie delen (voor 23, 30 en 40 GW in verschillende mate van detailniveau uitgewerkt). In 2026 heeft het kabinet windenergiegebied 6/7 aangewezen voor de doorgroei van windenergie richting 2040, in een partiële herziening van het Programma Noordzee 2022–2027. De budgettaire dekking van de Noordzeekosten voor gebied 6/7 is door het kabinet in het coalitieakkoord opgenomen.

De marktomstandigheden voor windparken op zee zijn verslechterd door kostenstijgingen en achterblijvende vraag, waardoor een prijszekerheid vanuit de overheid noodzakelijk is om deze windparken gebouwd te krijgen. De Europese verplichting tot het gebruik van Contracts for Difference (CfD’s) vanaf 2027 maakt dat het kabinet gaat werken met tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen. Hiermee wordt net als in de SDE-systematiek prijszekerheid geboden aan energieproducenten. Bij de CfD’s gaat dit meer in twee richtingen dan voorheen. Bij lage energieprijzen ontvangen de energieproducenten compensatie, maar bij hoge energieprijzen worden er middelen teruggevorderd. Het kabinet is voornemens in het najaar van 2027 een eerste CfD vergunningprocedure (tender) te openen. Vanwege de complexe marktomstandigheden is het onzeker of alle reeds vergunde windparken daadwerkelijk gerealiseerd worden. Non-realisatie kan leiden tot onverwachte meerkosten voor de overheid en/of TenneT als netbeheerder op zee.

Caribisch Nederland

De energievoorziening op de eilanden van Caribisch Nederland kent vanwege haar schaalgrootte niet dezelfde schaalvoordelen als Europees Nederland. Tegelijkertijd zijn er goede mogelijkheden voor elektriciteitsproductie met wind en zon. De Minister van KGG zet in op kostprijsverlaging door het subsidiëren van duurzame elektriciteitsproductie en subsidieert de netkosten van de elektriciteitsbedrijven in Caribisch Nederland om deze te verlagen. Komend jaar zal er opnieuw subsidie worden verleend aan de eilanden van Caribisch Nederland om het vaste elektriciteitstarief te verlagen. Van de middelen uit het coalitieakkoord wordt € 12 mln. ter beschikking gesteld aan de eilandelijke elektriciteitsvoorziening op Sint Eustatius en Saba voor investeringen in zonne-energie en batterijopslag.

Beleidswijzigingen Groene Groei beleid

Maatwerkclusters

Het kabinet gaat door met de bestaande maatwerkafspraken met een beperkt aantal industriële bedrijven. Hiervoor zijn Klimaat- en energiefondsmiddelen beschikbaar. Het kabinet is in overleg met de industrieclusters over de invulling van de in het coalitieakkoord voorgenomen nieuwe maatwerkafspraken met clusters of gebieden. Hiervoor zijn vooralsnog geen middelen beschikbaar. Het cluster Chemelot heeft inmiddels een clusterplan ingediend.

Ruimte en vergunningen

Het kabinet ontwikkelt een nationale ruimtelijk-economische strategie voor de energie-intensieve haven- en industrieclusters, als vervolg op de Nationale prognose ruimtebehoefte industrieclusters en de Ontwerp-Nota Ruimte. Het ontwerpend onderzoek naar schaarse ruimte in deze clusters, dat momenteel wordt uitgevoerd in opdracht van de Ministers van KGG en VRO, levert hier belangrijke ingrediënten voor. Onderdeel van de strategie zijn de instrumenten Contouren, gericht op het beschermen van de huidige ruimte en Versnellingsgebieden, gericht op het faciliteren van netto-nultechnologieën in de clusters. Voor Contouren worden twee externe opdrachten uitgezet; één voor het uitwerken en vastleggen van de fysieke contouren van de clusters en één voor nader onderzoek en advies over milieucontouren. Voor Versnellingsgebieden worden momenteel de provincies geconsulteerd.

Elektrificatie

Het kabinet heeft tot en met 2035 geld gereserveerd om de elektriciteitskosten van de industrie te verlagen. Een deel van deze middelen gaat naar de subsidieregeling Indirecte Kostencompensatie (IKC-ETS) tot en met 2035. De subsidieregeling is uitgebreid met 22 (sub)sectoren. Dit is een belangrijke stap richting een gelijker speelveld. De uitbetaling van de IKC-ronde van 2026 vindt deels in 2026 en deels in 2027 plaats. De bedrijven die al eerder (in 2024 en/of 2025) voor de IKC in aanmerking zijn gekomen, worden door RVO met voorrang behandeld. Hierdoor worden deze bedrijven deels in 2026 uitbetaald. Het restant van de bedrijven zal begin 2027 worden uitbetaald. Het kabinet zal later een besluit nemen over de verdere vormgeving van de IKC.

Aramis

De Aramis keten is een belangrijk infrastructuurproject voor de opslag van CO2 in de Noordzee en levert daarmee een essentiële bijdrage aan de verduurzaming van de Nederlandse industrie en het behalen van de klimaatdoelstellingen. Het kabinet reserveert hierdoor vanaf 2027 additionele middelen voor de volloopgarantie van het transportgedeelte van de CCS-waardeketen Aramis.

Beleidswijzigingen Circulaire Economie

Het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE 2023-2030) en de actualisatie (2025) vormen in 2027 de blijvende basis van het circulaire economie beleid.

In de komende jaren wil het kabinet daarom het Nationaal Programma Circulaire Economie versterken met meer focus op de uitvoering en opschaling van circulaire oplossingen in de praktijk en een gelijk speelveld creëren door knelpunten weg te nemen. Te beginnen met de sectoren circulaire bouw, groene chemie en elektronica.

Het NPCE wordt in principe tweejaarlijks geactualiseerd, in 2027 verschijnt de tweede actualisatie, waarin onder meer wordt voortgebouwd op de conclusies van de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) die tevens tweejaarlijks verschijnt.

Het kabinet wil in 2027 daarom ondernemers helpen die circulair ondernemen. Circulair ondernemen opent immers de deur naar nieuwe verdienmodellen, hogere klantwaarde, en een aantrekkelijk werkgeversmerk.

Het is de rol van de overheid om duidelijkheid te creëren en condities te scheppen waarin het bedrijfsleven goed kan werken. Een instrument is de Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV). De systematiek van UPV’s wordt gemoderniseerd en meer circulair gemaakt. In 2027 zal gestart worden met de implementatie van het doorontwikkeltraject, worden UPV’s, zoals die voor textiel, aangescherpt en wordt gewerkt aan een nieuwe UPV voor meubels en luiers. Daarnaast zal waarschijnlijk op 1 juli 2027 het wetsvoorstel Milieuprestatie-eisen GWW inwerkingtreden.

De nationale uitvoeringswetgeving van de Verpakkingenverordening zal naar verwachting medio 2027 gepubliceerd worden. Rond diezelfde periode wordt de evaluatie van de Single-Use Plastics Richtlijn door de Europese Commissie verwacht. Eind 2027 gaat een groot deel van de regels van de Verordening inzake het voorkomen van het verlies van kunststofgranulaat om verontreiniging door microplastics te verminderen (pelletsverordening) in.

De in 2025 aangekondigde ketentafels zijn in 2026 opgestart en worden in 2027 gecontinueerd. In het Bestuurlijk Overleg Circulair Financieren is afgesproken om in 2027 sectorspecifiek de financieringsbehoefte in kaart te brengen. Hiermee wordt zichtbaar welke middelen nodig zijn om opschaling mogelijk te maken, bijvoorbeeld door middel van een garantiefonds.

Via de Europese regelgeving pleit Nederland voor gelijke spelregels en een gelijk speelveld, zodat Nederlandse bedrijven zowel in de Europese context als mondiaal kunnen concurreren op weg naar circulaire ambities. Zo werken we via afspraken en uitwisseling toe naar circulaire waardeketens, standaardisering en normering, een gelijks speelveld en afzetkansen voor Nederlandse circulaire innovaties.

In 2027 zullen onderhandelingen lopen over (aanpassing van) Europese regelgeving. Het kabinet kijkt uit naar de aangekondigde herziening van Richtlijn Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparaten, als onderdeel van de bredereen de Circular Economy Act. Beide kaders moeten gaan bijdragen aan het versterken van de Europese interne markt voor (kritieke) grondstoffen, het concurrentievermogen en verduurzaming van Europa, en zijn belangrijk voor het verbinden van voor- en achterkant van circulaire product- en materiaalketens. In het kader van de onderhandelingen over de post-2030 klimaatarchitectuur zal het kabinet pleiten voor een Europese aanpak gericht op het verkleinen van onze broeikasgasvoetafdruk, wat kansen biedt voor circulariteit.

Belangrijk is bij zowel bestaand als nieuw beleid steeds rekening te houden met de gevolgen van beleid voor de uitvoering en het benutten van uitvoeringskennis bij de ontwikkeling en inzet van beleidsinstrumenten. Hiervoor wordt intensief overlegd met partijen in de uitvoering, bedrijfsleven, andere overheden en de inspecties. Een goed voorbeeld hiervan is Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen, waar in 2027 wordt gestart met een uitvoeringsprogramma waarin de dienstverlening richting aanbestedende diensten bij elkaar wordt gebracht binnen één programmatische aanpak.

Tabel 9 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 31 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

33.720.099

44.756.273

23.743.088

32.258.942

21.441.193

10.884.917

1.343.925

        

Uitgaven

6.071.319

13.214.421

14.881.792

8.354.844

6.899.977

7.593.234

5.546.623

        

Subsidies (regelingen)

3.772.487

4.297.385

6.002.669

6.652.847

5.057.997

5.905.139

4.828.914

Missiegedreven Onderzoek en Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

60.899

68.891

78.806

70.338

61.945

33.330

15.543

Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

18.719

11.203

6.834

1.092

0

0

0

Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+)

52.575

79.976

301.324

300.174

283.894

384.726

114.541

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS)

2.319

1.878

429

0

0

0

0

Projecten Klimaat en Energieakkoord

2.235

2.347

2.346

2.141

2.001

994

652

SDE

614.390

347.437

439.091

434.157

420.771

337.137

67.877

SDE+

1.748.221

884.375

999.253

951.089

930.285

915.614

825.629

SDE++

91.782

610.290

201.460

376.316

616.846

874.065

1.324.900

Aardwarmte

12.500

2.500

10.000

0

0

0

0

ISDE-regeling

522.586

501.040

498.971

473.344

419.792

346.991

31

Carbon Capture Storage (CCS)

1.885

2.650

11.753

333.997

334.274

333.918

329.228

Hoge Flux Reactor

6.925

6.899

6.888

0

0

0

0

Caribisch Nederland

12.115

10.542

24.240

4.175

4.105

4.120

4.144

Overige subsidies

12.197

6.406

12.587

11.819

2.192

898

0

Opschalingsinstrument waterstof

14.662

98.811

427.875

669.557

298.631

291.858

878.287

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

7.485

6.244

5.247

17.661

15.478

18.021

18.432

IPCEI-waterstof

34.683

86.318

195.438

219.066

71.862

183.983

0

Vulmaatregelen gasopslag

74.056

409.617

636.500

508.500

36.500

36.500

36.500

MIEK

1.626

3.624

5.831

5.497

5.246

4.324

0

Schadeafhandeling mijnbouw Limburg

212

0

0

0

0

0

0

Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS)

1.998

17.064

86.150

154.917

151.541

952.556

0

NGF-project NieuweWarmteNu!

2.535

41.135

42.533

41.197

13.242

30.545

0

Tijdelijk prijsplafond energie kleinverbruikers 2023

4.614

7.350

2.000

0

0

0

0

Compensatie aanbestedende diensten SEFE-contracten

15.272

0

0

0

0

0

0

Tegemoetkoming blokaansluiting

509

0

500

0

0

0

0

Investeringen waterstofbackbone

53.300

0

154.961

393.822

70.000

0

0

NGF - project Circulaire Zonnepanelen

14.876

28.683

18.413

15.171

9.000

27.328

0

Geothermie (KEF)

249

577

113.494

25.852

51

0

0

Subsidieregeling flexibiliteit

10.085

29.854

33.082

3.500

0

0

0

Energiecoöperaties en burgerbetrokkenheid energietransitie

265

3.844

3.747

3.673

900

0

0

Subsidieproject Djewels

295

12.636

25.893

11.629

0

0

0

Opslag waterstof

0

200

0

0

0

0

0

Correctieregeling duurzame warmte

426

0

0

0

0

0

0

Efficiëntere benutting elektriciteitsnetten

3.171

2.079

37.664

28.892

22.022

19.685

0

Realisatie Zon op Zee

60

1.643

11.238

6.945

17

0

0

Maatwerkaanpak industrie

0

37.527

150.811

134.869

24.854

19.963

0

Studies voor duurzame industrie (STUDI)

0

25.245

17.988

7.341

1.450

0

0

VEKI

0

123.699

131.500

86.984

42.218

15.435

7.700

NIKI

0

4.490

34.032

64.520

30.253

14.100

28.099

Verduurzaming industrie

43.077

7.811

39.214

67.918

73.185

65.976

0

Infrastructuur duurzame industrie (PIDI)

41

0

0

0

0

0

0

NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie

55.393

79.009

67.450

72.450

72.450

91.200

111.250

Indirecte kostencompensatie ETS

159.805

89.000

574.239

505.088

505.000

505.000

505.000

Investeringen Verduurzaming Industrie - Klimaat- en Energiefonds

61.110

0

0

0

0

0

0

NGF - project Circulaire Plastics

12.787

22.354

28.267

26.131

15.337

11.450

10.500

NGF - project Biobased Circular

10.725

33.502

22.450

15.450

9.950

4.450

0

Stikstofaanpak piekbelasters industrie

11.822

17.508

46.420

74.862

49.450

22.537

4.200

Stimuleringsprogramma koolstofverwijdering Klimaat- en Energiefonds

0

3.262

5.200

8.500

9.400

8.250

7.950

Social Climate Fund

0

0

9.000

0

0

0

0

Flankerend beleid WOZ

0

62.412

101.569

83.233

88.667

65.303

72.124

Structurele kosten WOZ

0

7.754

15.200

25.564

27.836

27.522

22.571

Flankerend beleid SDE+

0

81.041

34.151

22.038

20.615

20.615

9.060

Subsidiëring TenneT Net op Zee

0

181.000

181.000

181.000

181.000

181.000

181.000

Subsidies WarmtelinQ

3.000

229.900

69.425

114.500

53.500

14.500

14.500

Subsidie Invest NL

15.000

0

0

0

0

0

0

Tijdelijk ondersteuningsmechanisme Windenergie Op Zee

0

0

0

0

0

0

215.916

Subsidie Nationale Deelneming Warmte

0

5.000

7.000

5.000

5.000

4.000

0

Energiebesparing MKB

0

0

40.834

10.965

5.835

420

1.570

Diverse subsidies kernenergie

0

758

12.000

68.190

60.000

30.000

20.000

Plastics normering

0

0

4.358

306

0

0

0

Circulair doen en gedrag

0

0

3.114

4.064

4.264

1.304

0

Biobased Bouwen

0

0

0

320

0

0

0

Duurzame productieketens

0

0

12.899

9.033

7.138

5.521

1.710

        

Leningen

17.363

7.830.100

8.074.946

28.013

0

0

0

Lening EBN

17.000

7.751.000

8.000.000

0

0

0

0

Leningen NGF - project Circulaire zonnepanelen

363

0

0

0

0

0

0

Verduurzaming industrie

0

10.500

16.546

28.013

0

0

0

Lening NEO NL

0

68.600

58.400

0

0

0

0

        

(Schade)vergoeding

0

1.262

49.084

59.896

64.407

73.922

59.634

Planschade rijksenergieprojecten

0

262

400

400

400

400

400

Mijnbouwschadeafhandeling Limburg

0

1.000

48.684

59.496

52.007

54.522

59.234

Verliesverrekening Mijnbouwwet

0

0

0

0

12.000

19.000

0

        

Opdrachten

223.477

113.486

167.831

118.447

76.934

72.550

36.656

Onderzoek mijnbouwbodembeweging

1.492

4.401

7.107

6.974

3.580

2.337

1.344

SodM onderzoek

1.422

2.395

2.468

2.466

2.465

2.566

2.566

Uitvoeringsagenda klimaat

140

646

282

0

0

0

0

Klimaat mondiaal

1.931

2.458

806

3.089

1.523

841

251

Onderzoek en opdrachten

14.691

21.626

37.507

38.174

20.703

19.161

12.844

Programma Opwek Energie op Rijksvastgoed (OER)

17.830

16.396

20.368

3.093

796

0

0

Energiehulp Oekraïne

416

0

0

0

0

0

0

Projecten Kernenergie

16.018

56.711

80.151

44.399

29.857

26.938

2.665

Stikstofaanpak piekbelasters industrie

0

2.875

0

0

0

0

0

Verduurzaming industrie

2.041

0

0

0

0

0

0

Werkbudgetten

166.170

4.185

4.139

2.063

2.775

2.775

0

CSIRT - DSP

0

47

48

7.454

7.454

7.448

4.808

Energie-efficiency

1.326

1.746

1.750

1.324

1.593

1.598

1.606

CfD tender Hernieuwbaar op Land (SDE-domein)

0

0

0

0

0

627

6.557

Uitvoering Duurzame Productuctieketens

0

0

3.899

2.941

2.446

3.867

4.015

Circulair doen en gedrag

0

0

2.506

2.742

2.792

2.792

0

Biobased Bouwen

0

0

6.800

3.728

950

1.600

0

        

Vermogensverschaffing/-onttrekking

0

66.000

40.000

178.485

346.396

255.063

212.524

Bijdrage aan EBN voor de kosten van schade en versterken Groningen

0

0

0

178.485

346.396

255.063

212.524

Kapitaalstorting Nationale Deelneming Warmte

0

21.000

40.000

0

0

0

0

Kapitaalstorting NEO NL

0

45.000

0

0

0

0

0

        

Bijdrage aan agentschappen

218.482

241.366

184.829

182.759

182.770

179.180

150.906

Bijdrage RVO

181.535

201.497

112.480

109.000

112.695

113.054

96.626

Bijdrage RDI

8.136

14.008

18.400

18.101

13.926

12.381

8.686

Bijdrage NEa

21.774

15.418

27.055

27.010

27.174

27.625

25.334

Bijdrage KNMI

2.567

4.858

4.919

5.006

5.370

2.562

2.330

Bijdrage NVWA

2.122

1.065

1.059

1.053

1.048

1.042

1.042

Bijdrage RIVM

0

31

3.640

3.492

3.480

3.469

2.376

Bijdrage RWS

2.348

4.489

17.276

19.097

19.077

19.047

14.512

        

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

120.280

103.924

156.649

155.006

154.649

154.147

150.535

Doorsluis COVA-heffing

104.462

87.200

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

TNO kerndepartement

12.453

12.930

41.724

40.111

39.793

39.324

35.712

TNO SodM

2.060

2.310

2.278

2.256

2.236

2.226

2.226

TNO publieke SDRA

1.305

1.484

1.095

1.090

1.085

1.081

1.081

Stichting Milieukeur

0

0

352

349

335

316

316

Nationale en internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) (CE)

0

0

200

200

200

200

200

        

Bijdrage aan medeoverheden

880.139

79.080

195.460

969.007

1.006.253

942.484

96.654

Uitkoopregeling

592

600

600

800

0

0

0

Regeling toezicht energiebesparingsplicht

8.849

9.902

16.946

16.960

14.320

14.424

14.489

Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden

870.698

11.541

49.084

843.239

839.609

833.488

2.250

Gebiedsinvestering

0

57.019

125.297

102.456

146.760

88.990

79.880

Realisatie energie-infrastructuur

0

18

3.533

5.552

5.564

5.582

35

        

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

16.678

10.555

10.324

10.384

10.571

10.749

10.800

Nuclear Research Group

15.137

8.596

8.579

8.584

8.595

8.611

8.637

Internationale contributies

1.541

1.959

1.475

1.530

1.706

1.868

1.893

PBL Rekenmeesterfunctie

0

0

270

270

270

270

270

        

Storting/onttrekking begrotingsreserve

822.413

471.263

0

0

0

0

0

Storting in reserve duurzame energie en klimaattransitie

822.413

293.433

0

0

0

0

0

Storting in begrotingsreserve Garantieregeling Warmtenetten

0

174.500

0

0

0

0

0

Storting in begrotingsreserve garantie LNG-terminals

0

3.330

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

4.161.305

2.753.453

9.560.971

13.216.124

4.553.349

3.985.749

4.551.508

Ontvangsten COVA

104.462

87.200

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

Ontvangsten zoutwinning

3.027

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

Onttrekking reserve duurzame energie en klimaattransitie

2.746.003

1.566.702

838.102

622.186

152.384

4.186

4.186

ETS1-ontvangsten

922.974

871.000

749.000

934.000

1.299.000

1.276.000

1.515.000

ETS2-ontvangsten

0

0

0

3.440.000

2.395.000

1.941.000

1.793.000

Diverse ontvangsten

190.211

54.690

30.573

22.242

34.471

26.989

23.185

Heffing gasleveringszekerheid

0

0

0

0

442.798

428.878

792.441

Lening EBN Vulmaatregel

34.650

0

7.751.000

8.000.000

0

0

0

Opbrengsten tenders Wind op Zee

21.085

1.085

1.085

1.085

1.085

1.085

1.085

Maatschappelijke Inversteringssubsidie Warmtenetten (MIIW)

454

0

0

0

0

0

0

NGF-project Groen vermogen van de Nederlandse Economie

749

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten CO2-heffing industrie en AVI's

0

37.000

30.000

76.000

114.000

193.000

289.000

Dividenduitkering EBN

0

37.524

0

0

0

0

0

Dividenduitkering GasTerra

3.067

3.600

3.600

0

0

0

0

Ontvangsten Mijnbouwwet

126.211

81.000

43.000

6.000

0

0

19.000

Ontvangsten NAM publieke SDRA

510

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

Ontvangsten klimaat en energie

7.902

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten SDE, SDE+ en SDE++ regelingen

0

10.041

0

0

0

0

0

Tabel 10 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

33.720.099

44.756.273

23.743.088

32.258.942

21.441.193

10.884.917

1.343.925

waarvan garantieverplichtingen

165.000

90.000

     

waarvan overige verplichtingen

33.555.099

44.666.273

23.743.088

32.258.942

21.441.193

10.884.917

1.343.925

Geschatte budgetflexibiliteit

Tabel 11 Geschatte budgetflexibiliteit
 

2027

juridisch verplicht

96%

bestuurlijk gebonden

4%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Juridisch verplicht

Van het voor 2027 beschikbare budget is 96% juridisch verplicht. Bij de berekening van dit percentage worden enkele veronderstellingen toegepast. Namelijk dat alle middelen toegekend uit het Klimaat- en Energiefonds juridisch verplicht zijn en dat dit ook voor NGF-projecten geldt. Ook middelen binnen het SDE-domein worden als juridisch verplicht beschouwd wegens de systematiek voor het opvangen van prijsschommeleningen waarbij onderuitputting in de reserve duurzame energie worden gestort.

  • Subsidies (regelingen): het percentage juridisch verplicht (90%) wordt vooral veroorzaakt door de langjarige verplichtingen die voor de subsidieregelingen SDE, SDE+, SDE++, HER+, ISDE, MOOI/TSE en DEI+ zijn aangegaan en die in 2027 uitbetaald dienen te worden. Ook voor de subsidieregelingen flexibiliteit, efficiëntere benutting elektriciteitsnetten, realisatie van zon op zee en de subsidies, voor de inpassingskosten die worden gemaakt voor de uitrol van de 23GW-routekaart WOZ-windparken, windenergie op zee. Daarnaast is ook aan TenneT een langjarige subsidie toegezegd voor de aanleg van het net op zee. Voor het waterstof-backbone project is in 2023 een omvangrijke subsidieverplichting naar de Gasunie aangegaan die onder andere in 2027 tot een aanzienlijke kasbetaling zal leiden. Ook de diverse subsidies gericht op de verduurzaming van de industrie (maatwerkafspraken, VEKI, NIKI, Indirecte kostencompensatie ETS, Energiebesparingsmaatregelen voor het MKB en de studies voor duurzame industrie) zijn deels al juridisch verplicht, als ook diverse NGF-subsidieregelingen (Groenvermogen, Circulaire Plastics, Biobased Circular en Circulaire zonnepanelen). Verder zijn de openstellingen van de IPCEI-waterstofprojecten (Golf 1, 2 en 4), subsidies voor het creëren van nieuw en duurzaam verdienvermogen voor de opslag en opschaling van de productie van duurzame waterstof en het subsidieproject Djewels, juridisch verplicht. Een aantal aardwarmte subsidies is juridisch verplicht, zoals een lening voor het SCAN-programma (aardwarmte), Warmtenetten investeringssubsidie ten behoeve van de aanleg van warmtenetten, het NGF-programma NieuweWarmteNU!, de subsidie WarmtelinQ aan Gasunie voor de aanleg van het warmtetransportnet (tussen de Rotterdamse haven, Delft, Den Haag en Leiden) en investeringen in lage- als hoge temperatuur geothermie.

  • Leningen: het voor leningen beschikbare budget (met name aan EBN voor de vultaak van de gasopslagen) is voor 100% juridisch verplicht.

  • (Schade)vergoedingen: het percentage juridisch verplicht (75%) wordt vooral veroorzaakt door het budget van de schadeafhandeling mijnbouw Limburg wat voor een groot deel is gereserveerd voor uitvoeringskosten van RVO die naar verwachting eind 2026 worden verplicht.

  • Opdrachten: circa 90% van het in 2027 voor opdrachten beschikbare budget is juridisch verplicht. Dit is met name het gevolg van het grote aandeel Klimaat- en Energiefonds-budgetten (meerendeels in het kader van kernenergie). Ook zijn enkele middelen in het kader van onderzoek naar de diepe ondergrond juridisch verplicht alsmede het programma Opwek Energie op Rijksvastgoed en Biobased Bouwen.

  • Bijdragen aan agentschappen: de opdrachten aan de agentschappen worden voorafgaand aan het begrotingsjaar verstrekt en zijn daarmee 100% juridisch verplicht.

  • Vermogensverschaffing/-onttrekking: 100% van het in 2027 beschikbare budget is juridisch verplicht. Dit betreft de kapitaalstorting in de opgerichte Nationale Deelneming Warmte. Dit is het staatsbedrijf (dochterbedrijf van beleidsdeelneming EBN) dat zich zal inzetten voor de uitrol van warmtenetten in Nederland.

  • Bijdragen aan ZBO's/RWT's: dit budget is voor 100% juridisch verplicht. Hier speelt vooral de doorsluis van de COVA-heffing aan de Stichting COVA voor het aanhouden van strategische olievoorraden. Omdat dit een wettelijke taak is, is dit voor 100% juridisch verplicht. Ook de diverse opdrachten aan TNO zijn 100% juridisch verplicht.

  • Bijdragen aan medeoverheden: dit budget is voor 74% juridisch verplicht. Dit komt met name door de uitkeringen ten behoeve van gebiedsinvesteringen in de omgeving van nieuw te realiseren hoogspanningsstations en aanlandlocaties van het net op zee. Daarnaast is het budget voor de regeling toezicht energiebesparingsplicht voor omgevingsdiensten juridisch verplicht.

  • Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: het voor 2027 beschikbare budget is voor 92% juridisch verplicht, vooral omdat de bijdrage aan NRG voor 2027 juridisch verplicht is.

Bestuurlijk gebonden

Het percentage bestuurlijk gebonden (4%) wordt grotendeels verklaard door middelen gereserveerd voor Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+), Caribisch Nederland (om in te zetten voor de stimulering van duurzame elektriciteitsproductie en subsidiëring van de netkosten van de elektriciteitsbedrijven), IKC-ETS, Gebiedsinvestering, de stikstofaanpak industrie, Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden, Flankerend beleid Wind op Zee en Duurzame productieketens.

Beleidsmatig gereserveerd

De middelen die resteren zijn beleidsmatig gereserveerd en deze zijn vrijwel nihil. Deze beperkte middelen zijn gereserveerd met name om enige onderzoeks- en opdrachtenbudgetten voor beleidsontwikkelingen te kunnen bekostigen.

Nog niet ingevuld/vrij te besteden

Er zijn geen middelen vrij te besteden.

Subsidies

Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

De MOOI-regeling (Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie) stimuleert brede consortia van bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties om samen oplossingen te ontwikkelen voor de verduurzaming van het energiesysteem, de gebouwde omgeving en de industrie. De inhoud van de regeling is gebaseerd op de Meerjarige Missiegedreven Innovatieprogramma's (MMIP's) van de Topsector Energie. De brede thema's elektriciteit, gebouwde omgeving en industrie worden eens per twee jaar opengesteld, zodat budgetten kunnen worden gebundeld en meer impact per ronde kan worden gerealiseerd. Tussentijds zijn er thematische openstellingen, bijvoorbeeld voor systeemintegratie, kernenergie en koolstofverwijdering.

Conform deze tweejarige cyclus is in 2027 geen openstelling voorzien voor de brede thema's. Wel wordt naar verwachting één of enkele thematische openstellingen georganiseerd, waarover nog besluitvorming plaatsvindt in het najaar.

Naast de MOOI, wordt de Energie en Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO)-regeling gebruikt om kleinere, specifiekere innovatieprojecten te ondersteunen die (bijvoorbeeld) niet in een consortium opgepakt kunnen worden. Voor de EKOO worden jaarlijkse openstellingen voorzien. De inhoud van de innovatiethema’s is gebaseerd op de MMIP’s. In 2027 zal de EKOO ook weer worden opengesteld voor diverse thema's. Later in 2026 zal worden besloten welke thema's dit zullen zijn.

Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

De subsidie Hernieuwbare Energietransitie (HER+) had als doel om de klimaat- en energiedoelstellingen tegen minder kosten te realiseren door innovatieve projecten. De innovaties uit de gesubsidieerde projecten moeten leiden tot een besparing op de toekomstige uitgaven aan subsidies voor de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en klimaattransitie (SDE++). De regeling werkt daarom als een soort voorportaal van de SDE++ en wordt gefinancierd uit een afgezonderd deel van de SDE-middelen. De regeling is inmiddels verbreed van hernieuwbare energieproductie naar CO2-reductie in lijn met de SDE++. De laatste openstelling van de HER+ heeft in 2023 plaatsgevonden: het voor 2027 en verder gereserveerde bedrag betreft de laatste uitfinanciering op deze openstelling. Vanaf 2024 is de HER+ gecontinueerd via de MOOI en de DEI+.

Demonstratieregeling Energie-en Klimaatinnovatie (DEI+)

De Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) komt voort uit het Energieakkoord en is vanaf 2019 in lijn gebracht met het Klimaatakkoord. De DEI+ is gericht op de commercialisering van pilot- en demonstratieprojecten van energie- en klimaatinnovaties die een bijdrage kunnen leveren aan Nederlandse CO2-reductieopgaven. Binnen deze regeling worden projecten ondersteund op het gebied van hernieuwbare energieproductie, flexibilisering van het energiesysteem, energie-efficiëntie, circulaire economie, CC(U)S, en (lokale) energie-infrastructuur. Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) maakt tevens gebruik van de DEI+-regeling voor het faciliteren van de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Daarnaast is er een DEI+ module voor de stimulatie van de vergassing van reststromen. In 2027 zal de DEI+ wederom worden opengesteld.

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS)

Bij amendement (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 117 en Kamerstuk 37 775 XIII, nr. 113) heeft de Tweede Kamer gevraagd om de instelling van een Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS) die tot doel heeft innovatieve manieren om de scheepsbouw te verduurzamen te stimuleren. Op basis van de tussentijdse evaluatie (Kamerstuk 35 000 XIII, nr. 83) waren middelen gereserveerd om deze regeling tot en met 2022 open te stellen voor een bedrag van € 4,6 mln per jaar. Op basis van het bij de begrotingsbehandeling 2023 ingediende amendement-Van Strien c.s. (Kamerstuk 36 200 XIII, nr. 87) over de verlenging van de SDS was voor het jaar 2023 nog eenmalig een openstellingsbudget van € 3 mln beschikbaar gekomen. De in de budgettaire tabel opgenomen bedragen betreffen de betalingen op de subsidiebeschikkingen die zijn afgegeven op basis van de openstellingen uit de jaren tot en met 2023. De nieuwe openstellingen worden vanuit de de begroting van Economische Zaken en Klimaat (XIII)verplicht. 

Projecten Klimaat- en Energieakkoord

Vanuit dit instrument worden diverse projecten en structuren gefinancierd ter ondersteuning van het Klimaatakkoord, zoals monitoring en evaluatie van het klimaatbeleid, de Wetenschappelijke Klimaatraad, en het Nationaal Klimaatplatform.

Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE, SDE+ en SDE++)

De regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) is een exploitatiesubsidie die het verschil vergoedt tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs (de onrendabele top) voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit. Met ingang van 2013 is de SDE omgevormd en aangepast tot de SDE+ om de doelen voor hernieuwbare energie te halen. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte en subsidieert (net als de SDE) het verschil tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs (onrendabele top).

Met ingang van de najaarsronde 2020 is de SDE+-regeling omgevormd tot de SDE++, zodat naast hernieuwbare energieproductie ook CO₂-reducerende technologieën in aanmerking komen voor subsidie. Doordat in de SDE++ (net als in de SDE+) goedkopere projecten voorrang hebben bij het verkrijgen van subsidie en er concurrentie is tussen verschillende vormen van CO₂-reducerende technologieën, zal op de meest kosteneffectieve wijze de reductie van CO₂ worden gestimuleerd. In de SDE++-openstelling van 2023 zijn hekjes geïntroduceerd, die budget reserveren voor technieken met een hogere subsidie-intensiteit, waardoor deze eerder aan bod komen. Dit zijn technieken die weliswaar op de korte termijn minder kosteneffectief zijn, maar op de langere termijn noodzakelijk voor de energietransitie en waarvan de kosten kunnen dalen naarmate ze meer worden ingezet. De totale uitgaven zijn afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de ETS- en de energieprijs. Voor de SDE++-openstelling van 2027 zijn middelen gereserveerd voor een openstellingsbudget van € 7.250 mln. De overige € 750 mln zal worden ingezet voor de openstelling van CfD-rondes voor hernieuwbare elektriciteitsproductie op land.

Tabel 12 Budget duurzame energietransitieregelingen per jaar (bedragen x € 1.000)

Beschikbare middelen

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Totaal 2026-2031

SDE

347.437

439.091

434.157

420.771

337.137

67.877

2.046.470

SDE+

884.375

999.253

951.089

930.285

915.614

825.629

5.506.245

SDE++

610.290

201.460

376.316

616.846

874.065

1.324.900

4.003.877

Carbon Capture Storage (CCS)

2.650

11.753

333.997

334.274

333.918

329.228

1.345.820

ISDE (regulier)

56.652

74.567

55.036

62.826

63.213

31

312.325

Flankerend beleid WOZ

35.019

79.707

68.689

78.611

56.465

72.124

390.615

Structurele kosten WOZ

7.754

15.200

25.564

27.836

27.522

22.571

126.447

Flankerend beleid SDE+

81.041

34.151

22.038

20.615

20.615

9.060

187.520

Subsidiering TenneT Net op Zee

181.000

181.000

181.000

181.000

181.000

181.000

1.086.000

CfD tender Hernieuwbaar op Land (SDE-domein)

0

0

0

0

627

6.557

7.184

HER+

11.203

6.834

1.092

0

0

0

19.129

Totaal budget regelingen

2.217.421

2.043.016

2.448.978

2.673.064

2.810.176

2.838.977

15.031.632

        

Stand reserve duurzame energie en klimaattransitie ultimo 2024

3.484.014

     

3.484.014

Storting in reserve

293.433

     

293.433

Onttrekking reserve

‒ 1.566.702

‒ 838.102

‒ 622.186

‒ 152.384

‒ 4.186

‒ 4.186

‒ 3.187.746

Saldo stortingen en onttrekkingen per jaar

‒ 1.273.269

‒ 838.102

‒ 622.186

‒ 152.384

‒ 4.186

‒ 4.186

‒ 2.894.313

Stand reserve ultimo

2.210.745

1.372.643

750.457

598.073

593.887

589.701

589.701

        

Beschikbare middelen incl. reserve 2026-2031 (cumulatief)

      

15.621.333

De geraamde betalingen in de bovenstaande tabel van de SDE-regelingen (SDE, SDE+ en SDE++) gaan niet uit van het maximaal uit te keren bedrag aan subsidies, maar is een realistische inschatting van de verwachte kasuitloop in de jaren 2026 tot en met 2031 van de afgegeven en nog af te geven beschikkingen inculsief een prijs-risicobuffer.

De inschatting wordt gedaan op basis van de verwachte intrekking van beschikkingen, de vertraging van energieprojecten en de ontwikkeling van de energieprijzen (correctiebedragen) in de toekomst (basis hiervoor is de KEV2025). Indien de beschikbare kasmiddelen onvoldoende zijn zal er eerst een beroep worden gedaan op de prijsrisicobuffer waarna, indien onvoldoende, budget aan de reserve wordt onttrokken om de tekorten te dekken. 

In 2027 wordt ook nog een deel nadeelcompensatie uitbetaald als gevolg van de productiebeperking van kolencentrales in 2022. Het voorstel zal in 2026 worden voorgelegd aan de Europese Commissie waarna het in 2027 tot betaling kan komen.

Aardwarmte

Het kabinet zet in op energieonafhankelijkheid en eigen duurzame energieproductie. De winning van aardwarmte in Nederland kan hieraan bijdragen. In het SCAN-programma werken EBN en TNO sinds 2018 samen om de ondergrond in Nederland beter in kaart te brengen, zodat inzicht verkregen kan worden in het potentieel van aardwarmte in Nederland en mogelijke risico’s van de ondergrond beter te kunnen inschatten. In 2027 vindt de laatste uitkering hiervoor plaats vanuit EZK (€ 10 mln).

ISDE-regeling

De Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) betreft een tegemoetkoming voor investeringen in zonneboilers, warmtepompen, energiebesparende isolatiemaatregelen, aansluitingen op een warmtenet en energiezuinige ventilatie. De ISDE heeft mede door het afspraken in het klimaatakkoord en middelen uit het Klimaat- en Energiefonds meerjarig budget tot de beschikking. In 2027 is het beschikbare budget voor de regeling € 499 mln waarbij er nog rekening gehouden moet worden met bijvoorbeeld uitvoeringskosten.

Carbon Capture and Storage (CCS)

De afvang en opslag van CO2 (CCS) is een onmisbare technologie in de mix van maatregelen om kosteneffectief CO2-uitstoot te reduceren in bepaalde industriële sectoren. Verder is CCS belangrijk voor het mogelijk maken van koolstofverwijdering. Koolstofverwijdering is noodzakelijk voor het compenseren van onvermijdbare restemissies.  CCS draagt daarmee bij aan CO2-reductie en aan groene groei. Om CCS breed toe te kunnen passen is het belangrijk om in te zetten op (internationaal) onderzoek, grootschalige demonstratieprojecten, realiseren van kostenreductie en het wegnemen van belemmeringen. Om internationaal onderzoek naar CO2-afvang, -transport en -opslag te bevorderen, neemt Nederland deel aan het Europese onderzoeksprogramma Accelerating CCS Technologies (ACT), waarin Nederlandse onderzoeksinstellingen en bedrijven samenwerken met organisaties in Europa en Noord-Amerika. Vanaf 2022 is ACT onderdeel geworden van het Clean Energy Transition Partnership (CETP), een breder onderzoeksprogramma van de Europese Commissie. Nederland neemt hier jaarlijks aan deel, waarbij de Nederlandse bijdrage enkel naar Nederlandse deelnemende partijen gaat.

Vanaf 2027 wordt additioneel maximaal € 1,3 mld gereserveerd voor de volloopgarantie van het transportgedeelte van de CCS-waardeketen Aramis. De Aramis keten is een belangrijk infrastructuurproject voor de opslag van CO2 in de Noordzee en levert daarmee een essentiële bijdrage aan de verduurzaming van de Nederlandse industrie en het behalen van de klimaatdoelstellingen. De volloopgarantie dekt het risico af dat de transportinfrastructuur in de eerste jaren onvoldoende wordt benut, waardoor de voorwaarden worden gecreëerd voor een positieve Final Investment Decision (FID) en de realisatie van het project.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nuclear Research and consultancy Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma’s. De voor de HFR opgenomen middelen betreffen de Nederlandse bijdrage aan het «Aanvullend Programma» van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC) van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma van de HFR is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren.

Vanaf 2028 zijn de middelen die hiervoor beschikbaar waren op de KGG-begroting overgeheveld naar VWS die de verantwoordelijkheid hiervoor overneemt.

Caribisch Nederland

De energievoorziening op de eilanden van Caribisch Nederland kent vanwege haar schaalgrootte niet dezelfde schaalvoordelen als Europees Nederland. Tegelijkertijd zijn er goede mogelijkheden voor elektriciteitsproductie met wind en zon. De Minister van KGG zet, via dit instrument, in op kostprijsverlaging, verduurzaming, en importonafhankelijkheid door het stimuleren van duurzame elektriciteitsproductie en het subsidiëren van de netkosten van de elektriciteitsbedrijven in Caribisch Nederland.

Overige subsidies

Vanuit het Klimaat- en Energiefonds zijn voor verschillende subsidieregelingen budgetten toegevoegd:

  • van 2023 tot en met 2030 er circa € 0,9 mln per jaar toegevoegd voor het programma Verbetering Informatievoorziening Energietransitie (VIVET);

  • voor flankerend beleid vergassing (expertisecentrum, organisatie, haalbaarheidsstudies) is voor de jaren 2024 tot en met 2027 in totaal € 25 mln toegevoegd;

  • voor het versnellen van onderzoek naar CCS door EBN is voor de jaren 2023 t/m 2029 € 22,1 mln toegevoegd.

Opschalingsinstrument waterstof

In de Kabinetsvisie waterstof (Kamerstuk 32 813, nr. 485) heeft het Kabinet-Rutte IV het belang onderstreept van de opschaling van waterstof voor het vermogen. Vanuit het Klimaat- en Energiefonds zijn bedragen toegekend behalen van de klimaatdoelen en het creëren van nieuw en duurzaam verdienvermogen voor de opschaling van de productie van duurzame waterstof door middel van elektrolyse (onshore, offshore en import). De opschaling moet bijdragen aan kostprijsreductie, zodat elektrolyse op termijn kan concurreren met alternatieven voor CO2-reductie. De vergassingsprojecten moeten bewijzen dat deze techniek op deze schaal werkt.

Naast de reguliere Meerjarige Missiegedreven Innovatieprogramma's wordt een innovatieprogramma voor waterstofproductie op zee opgezet. Hiervoor is € 25 mln uit het Klimaat- en Energiefonds beschikbaar gesteld. Naar verwachting gaat het programma vanaf 2027 van start. Bij de uitvoering wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van bestaande instrumenten, zoals een thematische openstelling binnen de MOOI- of EKOO-regeling. Besluitvorming over de precieze invulling en inzet van het programma vindt plaats in het najaar van 2027.

In 2026 zal naar verwachting de derde ronde van de grootschalige Opschalingsregeling Waterstof via Elektrolyse (OWE) worden gepubliceerd. Hiermee wordt de uitrol van de waterstofmarkt verder gestimuleerd.

Waterstofopslag is essentieel in het functioneren van de hele waterstofketen. Overheidssteun is nodig omdat sprake is van marktfalen. Voor de realisatie van Hystock als eerste ondergrondse waterstofopslaglocatie in Nederland is in 2026 een beschikking afgegeven van maximaal € 450 mln aan Gasunie voor de uitvoering. De uitfinanciering aan Gasunie zal plaatsvinden vanaf 2032.

Een visie op het aantal ondergrondse opslaglocaties dat nodig is en waar deze locaties kunnen gaan komen is 4 juli 2025 aan de Kamer voorgelegd. Hiermee is vanuit het Klimaat- en Energiefonds € 245 mln toegekend voor de volgende waterstof opslagcavernes, dit betreft een reservering op de KGG-begroting. Het bedrag dat nu vanuit de overheid beschikbaar wordt gesteld is een maximumbedrag, op de definitieve vaststelling van de het beoogde bedrag moet nog een due dilligence worden uitgevoerd door een onafhankelijke partij. De bestedingsverplichting wordt pas definitief aangegaan op het moment dat er een besluit is genomen over het financieel kader van het waterstoftransportnet (amortisatie). Mocht uit deze besluitvorming volgen dat het nog niet zinvol is om te starten met het ontwikkelen van de opslagcavernes dan zullen de middelen terugvloeien naar het Klimaat- en Energiefonds.

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

Met de SCE worden energiecoöperaties en Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) gestimuleerd om lokaal en in coöperatief verband hernieuwbareelektriciteit op te wekken door middel van zon-PV, wind op land of waterkracht in kleinschalige projecten. Net als de SDE++ dekt de SCE de onrendabele top af door middel van een exploitatiesubsidie. De subsidie wordt uitgekeerd in de vorm van een bedrag per geproduceerde kWh.

IPCEI-Waterstof

In het Klimaatakkoord is opgenomen dat Nederland in IPCEI-verband (Important Projects of Common European Interest) inzet op een sterke rol voor groene waterstof in de concurrentiepositie van Europa ten opzichte van andere werelddelen. Hiertoe heeft het Kabinet middelen gereserveerd voor ondersteuning van Nederlandse IPCEI-projecten. Met de IPCEI-deelname beoogt het de Minister van KGG een impuls te geven aan de ontwikkeling van de bredere waterstofmarkt en de daarvoor benodigde technologieën. Afhankelijk van een externe toets en de beoordeling van de Europese Commissie komen projecten in aanmerking voor financiële ondersteuning. De middelen van IPCEI golf 3 zijn niet tot uitputting gekomen en worden daarom alternatief ingezet voor een nationale techniekneutrale importtender om zo het beoogde beleidsdoel van IPCEI golf 3 te kunnen realiseren.

Vulmaatregelen gasopslag

Voor het vullen van gasopslagen Bergermeer en de PGI Alkmaar door EBN is in het vulseizoen 2025-2026 € 155 mln beschikbaar gesteld via de vultaaksubsidie. Vanaf 2027 wordt in de PGI Alkmaar een noodvoorraad aangelegd, hiervoor worden verplichtingen aangegaan van € 219 mln welke zullen leiden tot betalingen van 2027 tot en met 2032.

Daarnaast wordt voor het vullen van de gasopslagen Bergermeer, Norg en Grijpskerk door EBN in het vulseizoen 2026-2027 een subsidie gegeven welke naar verwachting zal leiden tot een totale betaling van € 600 mln aan EBN in 2027. Dit is hoger dan de eerder geprognosticeerde € 518 mln als gevolg van marktvolatiliteit en stijgende spreads (verschil aankoopprijs tijdens vulseizoen en future prijzen in de winter) als gevolg van de Hormuz-crisis.

In 2026 zal EBN voor het opslagjaar 2027-2028 een subsidie ontvangen die afhankelijk van de gas- en opslagprijzen naar verwachting zal leiden tot een betaling van € 472 mln in 2028, deze is lager dan eerder geprognosticeerd (€ 536 mln) wegens verwachtingen van marktnormalisatie.

De netto-kosten (het saldo van de uitputting van de subsidie en opbrengsten van het vullen van de opslagen zullen in latere jaren door middel van een heffing bovenop de transsporttarieven van landelijkgastransport GTS worden verhaald worden op de partijen .

Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK)

Via het nationale MIEK voert de Rijksoverheid regie op de uitbreiding van de energie-infrastructuur van nationaal schaalniveau voor de verduurzaming van industrie, gebouwde omgeving en mobiliteit alsmede de woningbouw-opgave. Het doel van het MIEK is tijdige realisatie van de belangrijkste projecten. De selectie van nationale MIEK-projecten komt voort uit de belangrijkste projecten van provincies (pMIEK), van de industrieclusters (CES) en van netbeheerders en EZK (systeemroute). De voor het MIEK beschikbare middelen worden ingezet voor het opstarten van projecten: met name onderzoek, capaciteitsinzet en inhuur van expertise. Daarnaast wordt ingezet om de realisatie van alle nationale (en waar mogelijk regionale) energie-infrastructuurprojecten te versnellen met juridische en beleidsmatige versnellingsmaatregelen waaronder de implementatie van diverse EU-richtlijnen. Vanuit het Klimaat- en Energiefonds is, naast het MIEK, specifiek voor het Delta Rhine Corridor project (DRC) in de periode van 2027 t/m 2029, in totaal € 7,1 mln beschikbaar gesteld.

Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS)

De Minister van KGG beoogt met de WIS de aanleg van warmtenetten in de gebouwde omgeving te stimuleren. In het Klimaatakkoord van 2019 is de belangrijke rol van warmtenetten voor het verduurzamen van woningen en utiliteitsbouw reeds benoemd. Uit de Startanalyse van het PBL en het Expertisecentrum Warmte (ECW) en de verrijking daarvan met lokale informatie door gemeenten blijkt dat voor een groot deel van de gebouwde omgeving een warmtenet de warmtestrategie met de laagste nationale kosten is. Warmtenetten zijn daarmee een belangrijk onderdeel om de CO2-reductiedoelstellingen voor de gebouwde omgeving in 2030 te bereiken. Om deze doelen te bereiken wordt op grond van de WIS een deel van de investeringskosten, die gemaakt moeten worden voor de aanleg van de infrastructuur van warmtenetten, gesubsidieerd.

NGF-programma NieuweWarmteNu!

Het investeringsvoorstel Nieuwe Warmte Nu! heeft als doel de aanleg van duurzame collectieve warmtesystemen te versnellen. In het programma wordt infrastructuur gerealiseerd voor de aansluiting van in ieder geval 26.000 woningen en 860 hectares glastuinbouw op een warmtenet. In 2023 is het programma Nieuwe Warmte Nu! van start gegaan met een budget van € 200 mln. Met dit budget wordt er naar verwachting subsidie verleend aan vliegwielprojecten, innovatieprojecten en een leer- & ontwikkelprogramma.

Tijdelijk prijsplafond energie kleinverbruikers 2023

Voor het tijdelijke prijsplafond van 2023 worden in 2027 nog uitgaven verwacht door RVO als gevolg van vaststellingen van eindafrekeningen en lopende bezwaar- en beroepsprocedures.

Investeringen waterstofbackbone

Dit betreft een bijdrage aan de realisatie van het waterstofnetwerk dat door Gasunie wordt opgezet. Een waterstofnetwerk draagt bij aan de klimaatdoelen en realiseert een internationale markt voor klimaatneutrale moleculen. Voor de realisatie van dit waterstofnetwerk (de ‘backbone’) is eind 2023 € 745,8 mln aan de Gasunie toegezegd voor de periode 2023-2030.

NGF-project Circulaire zonnepanelen

SolarNL is een NGF-project van het Ministerie van EZK waaraan in de derde ronde € 135 mln voor fase 1 is toegekend. Het project zet in op de creatie van een Nederlands innovatie-ecosysteem voor de ontwikkeling en industrialisatie van nieuwe duurzame technologieën voor energie uit zonlicht, en om hiermee verdienvermogen voor Nederland voor de komende decennia te genereren. In 2025 heeft de adviescommissie geadviseerd om de NGF-middelen voor fase 2 en fase 3 niet toe te kennen; dit advies is door het kabinet overgenomen. Hierdoor is de scope van het SolarNL project gereduceerd. Door het vervallen van fase 2 en fase 3, en de gevolgen daarvan voor fase 1, blijft € 63 mln van de eerder toegekende middelen voor fase 1 onbesteed. Het Ministerie van EZK heeft samen met het SolarNL-bestuur een herzien plan ingediend om de onbestede middelen via een alternatieve impactroute alsnog voor de zonnesector in te zetten.

Het kabinet heeft het advies van de adviescommissie overgenomen en kent daarmee in totaal € 48,7 mln toe voor programmalijn 2 (perovskiet zonnefolies) waarin materiaal- en productietechnologie wordt ontwikkeld om zelfstandig maar ook in combinatie met bestaande PV-zonnecellen te worden gebruikt om het rendement van zonne-installaties te optimaliseren en voor ecosysteem ontwikkeling en human capital.

Geothermie (KEF)

Er zijn investeringen voorzien in zowel lage- als hoge temperatuur geothermie. De inzet op geothermie is essentieel om de warmtetransitie te realiseren. Lage temperatuur geothermie, oftewel aardwarmte gewonnen op een diepte van 500 tot 1.500 meter, is bij uitstek geschikt voor toepassing in de gebouwde omgeving, glastuinbouw en lichte industrie. Toch blijft opschaling uit. Om deze barrières te doorbreken is € 88 mln aan Klimaat- en Energiefondsmiddelen beschikbaar, verspreid over drie jaar. In 2025 is het versnellingsprogramma lage temperatuur geothermie na marktconsultaties met de sector van start gegaan. Hierbinnen wordt onder andere in 2027 een subsidieregeling opengesteld met als doel: het stimuleren van grootschalige toepassing van lage temperatuur geothermie. Het programma richt zich op het realiseren van commerciële projecten, aangevuld met kennisontwikkeling, innovatieactiviteiten en een leer- en monitoringtraject. Dit draagt bij aan risicoreductie, standaardisering en het versnellen van beleids- en marktvorming.

Hoge temperatuur geothermie wordt gewonnen vanaf een boordiepte van circa vier kilometer of dieper. Deze vorm van aardwarmte biedt niet alleen warmte, maar mogelijk ook elektriciteit, en is daarmee vooral van belang voor de verduurzaming van industriële processen. Voor de ontwikkeling van HTG is ongeveer € 51,4 mln aan Klimaat- en Energiefondsmiddelen beschikbaar vanaf 2027. Een deel hiervan (circa € 20 mln) wordt ingezet voor de oprichting van een onderzoekscentrum in Limburg dat zich richt op de relatie tussen geothermie en seismiciteit. Er is een intentieovereenkomst getekend tussen de verschillende partijen en momenteel lopen de benodigde vooronderzoeken in dit gebied om te bepalen of de aanwezige putten in geschikte staat zijn voor het onderzoekscentrum. Het onderzoekscentrum zelf zal naar verwachting in 2027 van start gaan. De overige circa € 30 mln zal worden ingezet voor een pilotboring bij de papierfabriek in Renkum, waar ultradiepe geothermie essentieel is voor de verduurzaming van de industrie. Momenteel worden de laatste stappen gezet om de maatwerkbeschikking hiervoor rond de zomer te beschikken.

Subsidieregeling flexibiliteit

Met het amendement-Erkens c.s. van 12 oktober 2023 (Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 20) is oorspronkelijk € 55 mln vrijgemaakt om in 2024 te beginnen met het snel vrijspelen van ruimte op het stroomnet. In de periode 2025-2027 is het restant van deze middelen (ca. € 45 mln) tot verdere besteding gekomen via onder andere een subsidieregeling voor bedrijven en instellingen waarmee ze subsidie kunnen krijgen (Flex-E) voor het laten uitvoeren van een flexibiliteitsscan, het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie en voor investeringen in flexibiliteitsmaatregelen die flexibel elektriciteitsgebruik mogelijk maken. Deze flex-e subsidie regeling is aangevuld met middelen uit het Klimaat- en Energiefonds waardoor er voor deze specifieke regeling voor 2027 tot en met 2028 € 36,6 mln beschikbaar is.

Energiecoöperaties en burgerbetrokkenheid energietransitie

Het aantal burgerenergie-initiatieven is de afgelopen jaren gegroeid met financiële ondersteuning vanuit onder andere het Ontwikkelfonds Opwek en de SCE-regeling en de SDE++ (kamerbrief Decentrale ontwikkelingen van het energiesysteem van 18 juni 2025 -  kamerstuk 29 023, nr. 587). Uit dit instrument wordt onder andere de Participatiecoalitie gefinancierd en een proces met het Nederlands Normalisatie-Instituut (NEN) opgezet om te komen tot een classificering die duidelijk onderscheid maakt tussen de verschillende energiegemeenschappen. Ook wordt het budget gebruikt voor het meerjarig versterken van regionale koepels die energiegemeenschappen ondersteunen en voor aanvullend epilots binnen het project Local-4-Local. Al deze inzet is in lijn met de Kamerbrief over de rol van energiegemeenschappen van 29 september 2025 - kamerstuk 30 196, nr. 854. Het doel van dit instrument is om energiegemeenschappen te stimuleren en de randvoorwaarden daarvoor op orde te krijgen.

Subsidieproject Djewels

In de Toekomstagenda Groningen is de toezegging gedaan om middelen beschikbaar te stellen voor het waterstofproject Djewels, inmiddels cumulatief € 80 mln. Het project Djewels maakt gebruik van een elektrolysetechnologie die een bijdrage kan leveren aan de opschaling van elektrolyse, met name voor projecten op zee.

Efficiëntere benutting elektriciteitsnetten

In een brief van de Minister voor Klimaat en Energie van 5 juni 2024 (Kamerstuk 32 813, nr. 1398) is toegelicht dat er voor efficiëntere benutting van elektriciteitsnetten voor de jaren 2024 t/m 2030 vanuit het Klimaat- en Energiefonds jaarlijks € 23,8 mln is toegevoegd. Met deze middelen wordt de ontwikkeling van energiehubs gestimuleerd. Dit gebeurt onder andere via het faciliteren van de (door)ontwikkeling van kansrijke energiehubinitiatieven, bijvoorbeeld middels een subsidie. Ook wordt ingezet op (proces)ondersteuning via de provincies, versterking van Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's) en centrale kennisopbouw en kennisdeling zoals op het Kennisplatform energiehubs. Op basis van de ervaringen uit 2024 t/m 2026 wordt het Stimuleringsprogramma Energiehubs t/m 2030 voortgezet. Het streven hierbij is de realisatie van tenminste 500 energiehubs in 2030 (Kamerstuk 29 023, nr. 587).

Realisatie Zon op Zee

Zon op zee is een innovatieve technologie, waarbij drijvende zonnepanelen worden toegevoegd aan bestaande of toekomstige windparken op zee. Het primaire doel is het verhogen van de benuttingsgraad van het net-op-zee en het verhogen van de opwek van duurzame energie door meervoudig ruimtegebruik op de Noordzee. De Minister van Klimaat en Groene Groei zet in op een meerjarig innovatie- en onderzoeksprogramma voor zon op zee, waarmee de komende jaren de techniekontwikkeling verder kan worden ondersteund en de huidige kennisleemtes kunnen worden onderzocht. Met dit meerjarig innovatie- en onderzoeksprogramma wordt beoogd om toekomstige beleidskeuzes ten aanzien van grootschalige realisatie van zon op zee binnen windparken op zee te kunnen onderbouwen. Daarnaast faciliteert de Minister van Klimaat en Groene Groei de verdere doorontwikkeling van zon op zee op basis van specifieke projecten en aanvragen vanuit de sector, middels bestaande subsidie- en investeringsinstrumenten.

Maatwerkaanpak industrie

Vanuit het Klimaat- en Energiefonds is geld vrijgemaakt voor de programmakosten en projectsubsidies voor de Maatwerkaanpak Industrie. In 2027 wordt de Maatwerkaanpak Verduurzaming Industrie voortgezet met het oog op het realiseren van additionele CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving bij de grootste uitstoters. De programmamiddelen worden ingezet voor tijdelijke extra capaciteit ten behoeve van de dealteams die de maatwerkafspraken maken, inhuur van externe expertise voor onder meer due diligence onderzoeken, de externe Adviescommissie maatwerkafspraken industrie en tijdelijk extra uitvoeringscapaciteit bij de Omgevingsdiensten voor de vergunningsprocedures van maatwerkbedrijven. Daarnaast worden de specifieke projectsubsidies vanuit dit instrument betaald met die bedrijven waar daadwerkelijk bindende maatwerkafspraken mee zijn gemaakt.

Studies voor duurzame industrie (STUDI)

Met deze regeling worden de voorbereidende kosten deels vergoed voor investeringen in grote verduurzamingsprojecten. In 2027 wordt voor € 8,3 mln beschikt en vindt uitbetaling plaats voor eerder aangegane verplichtingen.

Versnelde klimaatinvesteringen industrie (VEKI)

De Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie regeling (VEKI) is gericht op de uitrol van bewezen CO2-reducerende technologie voor proces-efficiency en energiebesparing met een terugverdientijd van meer dan vijf jaar. Ook het mkb maakt veel gebruik van deze regeling. Met een openstelling van € 77 mln in 2027 wordt de regeling eenmalig verlengd. Verder staan de uitbetalingen van eerdere rondes geraamd.

Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie (NIKI)

In 2025 is de nieuwe Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie (NIKI) voor het eerst opengesteld, gevoed met middelen uit het Klimaat- en Energiefonds bedoeld voor het realiseren van grootschalige CO2-reductie binnen de industrie. De NIKI is gericht op grootschalige CO2-reducerende projecten voor zowel directe emissiereductie als voor innovatieve circulaire technieken die niet in de bestaande regelingen passen, vaak vanwege het unieke karakter. Projecten die door hun uniciteit niet in de SDE++ passen, maar wel operationele ondersteuning nodig hebben, zoals elektrisch kraken of groene chemie. Bij de eerste openstelling van NIKI-regeling is één positieve beschikking afgegeven ter waarde van € 135 mln. Daarnaast is het voornemen om de regeling in 2026 weer open te stellen via een tweede openstellingsronde van circa € 250 mln. De verplichtingen en bijbehorende kasuitgaven worden naar verwachting vanaf 2027 gerealiseerd.

Verduurzaming industrie

Uit deze begrotingspost worden meerdere maatregelen bekostigd ter ondersteuning van het verduurzamen van de industrie. Ook vallen hier programmakosten voor beleid van verduurzaming industrie en de uitvoeringskosten van RVO onder.

Vanuit het Klimaat- en Energiefonds zijn voor 2027 en daaropvolgende jaren middelen beschikbaar gesteld voor een programma-aanpak gericht op ondersteuning van cluster 6 bedrijven bij verduurzaming. Deze aanpak bestaat uit bijvoorbeeld ondersteuning bij de transitie in samenwerking met gemeenten, provincies en netbeheerders zoals bij de Regioaanpak Industrie Cluster 6 of hulp bij financiering (bijvoorbeeld via Invest NL).

Daarbij is in 2025 bepaald dat de clusteraanpak voor de verduurzaming van de industrie met twee jaar wordt verlengd (2027–2028). Dit biedt de kans om de aanpak gericht te verbeteren op basis van de ervaringen van de afgelopen drie jaar. Het hoofddoel blijft het versterken van samenwerking tussen stakeholders in de clusters, gefaciliteerd door een clusterregisseur per cluster, ondersteund door een projectmanagementorganisatie.

Verder wordt onder deze post in 2027 € 15,7 mln bijgedragen voor haalbaarheidsstudies, Front End Engineering Design (FEED)-studies en CC(U)S-pilots om hiermee de toepassing van CC(U)S-technologieën in de gehele CC(U)S-keten (afvang, transport, hergebruik en opslag van CO2) of in delen van de keten, te testen en/of te demonstreren in een praktijkomgeving of industriële omgeving.

NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie

Dit project versterkt en investeert in een ecosysteem voor groene waterstof en groene chemie bestaande uit (i) een R&D programma, (ii) grote en kleine pilot- en demonstratieprojecten (iii) investeringen in productiefaciliteiteiten en kleinschalige opschalingsprojecten en (iv) een human capital programma. Het doel van het voorstel is om toepassingen van groene waterstof en groene chemie in onder andere de (basis-)chemie, raffinage voor transportbrandstoffen en andere industrieën versneld mogelijk te maken door innovatie en kostenreductie. Daarnaast zet het programma in op het opbouwen van een ecosysteem voor waterstofmaakindustrie door het ondersteunen van de opschaling van Original Equipment Manufacturers (OEMs). Daarmee levert het programma een waardevolle bijdrage aan zowel het verdienvermogen van Nederland, de geopolitieke onafhankelijkheid rond energie als de overgang naar een CO2-neutrale samenleving. Met de watestofhubregeling geeft GroenvermogenNL een boost aan lokale waterstofecosystemen door lokale producenten en gebruikers te verbinden en zo regionaal de productie, transport en gebruik van waterstof te stimuleren en op te schalen.

Indirecte kostencompensatie ETS

De Nederlandse energie-intensieve industrie heeft te maken met hoge elektriciteitskosten, vooral door hoge netwerkkosten en het ontbreken van kortingen zoals in andere landen. Dit schaadt hun concurrentiepositie. De IKC regeling biedt hiervoor compensatie, om bedrijven te behouden, investeringen in elektrificatie aan te moedigen en de energietransitie te ondersteunen. De steun is gericht op sectoren met weglekrisico, om te voorkomen dat productie en CO₂-uitstoot verplaatsen naar landen zonder klimaatbeleid. Hiermee kan op korte termijn ingegrepen worden en kunnen bedrijven in stroom intensieve sectoren een tegemoetkoming krijgen voor de stijgende elektriciteitskosten. Een voorwaarde van de regeling is dat minstens de helft van de verstrekte subsidie wordt geïnvesteerd in CO2-reductie.

In het coalitieakkoord Jetten zijn tot en met 2035 extra middelen vrijgemaakt. Voor de IKC wordt in 2027 deels de ronde 2026 (over energiekosten 2025) uitbetaald. Daarnaast wordt in 2027 compensatie uitgekeerd aan bedrijven over energiekosten uit 2026. In 2026 is de regeling uitgebreid door de Europese Commissie, definitieve besluitvorming over invulling van 2027 en verder volgt nog.

NGF - project Circulaire Plastics

Circular Plastics NL heeft als doel om recylcling en circularieit van kunststoffen te versnellen door kennisontwikkeling, innovatie en samenwerking te stiumuleren en de toepassing van nieuwe circulaire oplossingen in de praktijk mogelijk te maken. Het programma richt zich op het versnellen van de transitie naar een circulaire plasticketen door knelpunten in de keten op te lossen via (i) toegepaste onderzoeksprojecten en studies, (ii) pilot- en demonstratieprojecten gericht op opschaling van circulaire oplssingen, (iii) systeemintegratie om innovaties over de gehele waardeketen te verbinden en te implementeren, en (iv) de ontwikkeling van een kennisplatform en community voor kennisdeling, samenwerking en brede toepassing van innovaties.

NGF - project Biobased Circular

Het Groeifondsprogramma Biobased Circular richt zich op klimaatneutrale materialen. Het programma ontwikkelt circulaire biopolyesters - een nieuwe bedrijfstak die onder andere plastics, kunststoffen en bouwmaterialen produceert die qua eigenschappen, aantrekkelijkheid en prijs kunnen concurreren met de huidige. Met één groot verschil: ze verruilen fossiele koolstofverbindingen voor plantaardige. Deze ontwikkeling wordt ondersteund door gezamenlijk beleid van de Ministeries van EZK, IenW, LVVN.

Stikstofaanpak Piekbelasters Industrie (API)

Met de Aanpak Piekbelasters Industrie (API) levert de industrie een bijdrage aan de stikstofreductie door bovenwettelijke maatregelen. De regelingen richten zich op industriële piekbelasters, met name op het terugdringen van ammoniak- en NOx-emissies.

Voor de reductie van ammoniakemissies is de regeling Beperking Ammoniakemissie Industrie (BAI) beschikbaar, met een budget van € 90,4 mln. Deze regeling is gericht op basisindustrie, afvalverbrandingsinstallaties en elektriciteitsopwekkers die jaarlijks minimaal 6.000 kg ammoniak uitstoten. Via een tenderprocedure worden de meest kosteneffectieve projecten geselecteerd, met als doel een jaarlijkse reductie van 210.000 kg ammoniak. De uitvoering ligt bij RVO, met een beoogde openstelling in 2027.

Daarnaast stimuleert de NOx Zoneringsaanpak Industrie bedrijven in Natura 2000-zones om NOx-emissies te verminderen. Met een budget van € 41,2 mln kunnen bedrijven subsidie aanvragen voor bovenwettelijke maatregelen, zoals Low-NOx branders of SNCR/SCR-installaties. Ook hier worden via een tender de meest kosteneffectieve projecten geselecteerd. De uitvoering verloopt eveneens via RVO, met een geplande openstelling in 2027.

Stimuleringsprogramma koolstofverwijdering (KEF)

Het nationale stimuleringsprogramma koolstofverwijdering heeft als doel de bevordering van innovatie en vroege opschaling op het gebied van koolstofverwijderingstechnieken, mede ter benutting van marktkansen van Nederlandse bedrijven. Het programma maakt vooral gebruik van bestaande innovatie-instrumenten door het beschikbaar stellen van extra middelen voor koolstofverwijdering. Daarbij gaat het met name om de MOOI (voor brede consortiumprojecten) en de EKOO (voor gerichte techniekontwikkeling). Verder biedt het ondersteuning bij deelname in Europese en internationale samenwerkingen zoals, het Greenhouse Gas R&D Programme van het Internationaal Energieagentschap (IEAGHG), Clean Energy Technology Partnership (CETP) en Mission Innovation CDR. Ook wordt de continuering en ontwikkeling van de gemeenschap gericht op koolstofgerelateerde onderwerpen ondersteunt via het CATO programma.

Het programma beoogt ook afstemming met bestaande initiatieven rond onderzoek naar koolstofverwijdering, zoals vanuit de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Voor de programmering en coördinatie zal een adviesgroep van externe experts uit het werkveld (onderzoeksinstellingen en- raden, TKI’s, bedrijven, overheden, NGO’s, relevante platforms) worden ingesteld. De RVO verzorgt de uitvoering van het programma.

Social climate fund

Het Social Climate Fund (SCF) is een fonds van de Europese Commissie om de effecten van ETS2 op kwetsbare huishoudens te verzachten. In 2027 is € 27 mln beoogd voor ondersteuning van microbedrijven via Fixteams om het energieverbruik te verminderen. Naar verwachting worden deze middelen overgeheveld naar de begroting van KGG (VI).

Toekenning van middelen uit het SCF is afhankelijk van de definitieve uitwerking van het Sociaal Klimaatplan (SCP) dat Nederland deze zomer bij de Europese Commissie heeft ingediend, en van het daaropvolgende oordeel van de Commissie.

Flankerend beleid Windenergie op Zee

Met dit budget wordt de voorbereiding, inpassing en uitvoering door het Rijk van de uitrol van Windenergie op Zee (WOZ) mogelijk gemaakt, voornamelijk voor de uitrol van de 23 GW-routekaart. Met de middelen worden met name (locatie)onderzoeken gefinancierd: geotechnisch onderzoek naar de bodemcondities en onderzoek naar windsnelheden, morfologie, archeologie, ecologie en milieueffectrapportages. De middelen zijn niet alleen voor KGG bestemd, maar ook voor de Ministeries van IenW, LVVN en JenV: hun aandelen zijn of worden, al naar gelang hun financieringsbehoefte, naar de verschillende departementale begrotingen overgeheveld.

Structurele kosten Windenergie op Zee

Dit budget is bestemd voor de structurele inpassingskosten die worden gemaakt voor de uitrol van de 23 GW-routekaart WOZ-windparken. Een groot deel van de kosten zijn bestemd voor het waarborgen van scheepvaartveiligheid, toezicht en handhaving en sensoren. De middelen zijn niet alleen voor KGG bestemd, maar ook voor de Ministeries van IenW, LVVN en JenV: hun aandelen zijn of worden, al naar gelang hun financieringsbehoefte, naar de verschillende departementale begrotingen overgeheveld.

Flankerend beleid SDE+

Middels dit budget worden en direct ondersteunende werkzaamheden, onderzoeken en activiteiten in het kader van de SDE++ bekostigd. Ook zijn de middelen voor de energietransitie in de ACS-landen in dit budget opgenomen en de voorbereidingskosten voor projecten van het OER-programma.

Subsidiering TenneT Net op Zee

Vanuit EZK is een subsidie verstrekt aan TenneT à € 4 mld waardoor het departement jaarlijks een bedrag uitkeert van maximaal € 181 mln waarmee de kosten voor het net op zee die TenneT heeft deels worden afgedekt met als doel om de netkosten voor eindgebruikers te dempen.

Subsidies WarmtelinQ

Vanuit dit budget wordt subsidie verleend aan het project WarmtelinQ, het warmtetransportnet dat door Gasunie aangelegd wordt tussen de Rotterdamse haven en Delft/Den Haag/Leiden. Dit budget bevat ook de subsidie voor WarmtelinQ specifiek voor het tracé Leiden-Rijswijk.

Tijdelijk ondersteuningsmechanisme Windenergie Op Zee 

Met deze middelen wordt voorkomen dat de uitrol van windenergie op zee stil komt te vallen door prijsondersteuning te bieden voor de in 2026 te tenderen 2x1 GW windenergie op zee. Bij lage energieprijzen zal de ontwikkelaar compensatie ontvangen. De tender zal in het najaar van 2026 openen en sluiten, naar verwachting in het eerste kwartaal van 2027 worden beschikt en begin 2032 operationeel zijn. Het verplichtingenbudget voor 2027 is opgehoogd met € 1,560 mld om de markt ruimte te bieden het risico van het invoedingstarief in te prijzen. De verwachte kasuitgaven zijn geraamd op basis van de meerjarige raming van de elektriciteitsprijzen. De daadwerkelijke kasuitgaven die gedurende de looptijd van de subsidie worden gedaan, worden net als bij de SDE++ gecorrigeerd voor de daadwerkelijke elektriciteitsprijzen.

Subsidie Nationale Deelneming Warmte

Dit betreft de subsidie aan de Nationale Deelneming Warmte. Hiermee wordt de opgerichte Nationale Deelneming Warmte ondersteund voor bijvoorbeeld personeelskosten in het kader van de opbouw van de organisatie.

Energiebesparing mkb

Deze regeling is opgesteld omdat een deel van het mkb onvoldoende toegang heeft tot externe financiering voor het nemen van energiebesparende maatregelen. Via deze regeling kunnen mkb’ers, ook ondernemers die niet onder de energiebesparingsplicht vallen, een lening afsluiten voor het nemen van energiebesparende maatregelen. De regeling wordt in 2026 opengesteld en in 2027 zullen de eerste uitbetalingen plaatsvinden.

Diverse subsidies kernenergie

Deze middelen zien met name toe op budget dat is vrijgemaakt uit het Klimaat- en energiefonds ten behoeve van de openstelling van de IPCEI (Important Projects of European Interest) Kernenergie. Dit is een nieuwe subsidieregeling die erop toeziet dat kansrijke innovatieve nucleaire technologieën ondersteund kunnen worden in opmaat naar marktintroductie en doorontwikkeling. Hierbij valt te denken aan initiatieven op het gebied van SMR’s (Small Modular Reactors; kleine modulaire reactoren) of AMR’s (Advanced Modular Reactors; geavanceerde modulaire reactoren). Naar verwachting zal in 2027 deze regeling worden opengesteld. De middelen vallen onder de Europese IPCEI-kaders.

Tot slot wordt ook uit de begrote middelen een maatwerksubsidie beschikt ten behoeve van onderzoek naar de productie van waterstof met kernenergie.

Plastics normering

Dit betreft de middelen (€ 4,4 mln) die overgekomen zijn vanuit het Klimaat- en Energiefonds voor subsidieregelingen voor de circulaire plastic hub en het kennisprogramma. Specifiek gaat het om de Subsidieregeling Energie en Klimaatonderzoek en ontwikkeling (EKOO) Circulaire Plastics en de Subsidie Omschakeling Plasticverwerkers (SOPV).

Circulair doen en gedrag

Dit betreft de middelen (€ 3,1 mln) die vanuit het Klimaat- en Energiefonds beschikbaar zijn gesteld voor het bevorderen van circulair doen en gedrag. Het betreft de subsidieregeling omtrent duurzame scholenaanpak. Daarnaast betreft het een subsidie ter ontwikkeling van de circulaire vaardigheden van werkenden.

Duurzame productieketens

RVO voert namens EZK de volgende subsidieregelingen uit omtrent Circulaire Economie: Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO): Circulaire Economie (€ 3,2 mln) en Circulair investeren en opschalen (€ 3,0 mln).

Ook worden er verschillende kleinere subsidies verstrekt aan bijvoorbeeld het versnellingshuis (€ 0,9 mln), Stichting TKI CLICK NL omtrent het programma Circonnect (€ 0,3 mln), Stichting Repaircafe (€ 0,1 mln), kennisplatform de Verschilmakers en Circulaw (€ 0,3 mln). Het restant van € 3,8 mln wordt aan verschillende overige incidentele subsidies besteed. Gezamenlijk betreft het bovenstaande in totaal € 12,9 mln.

Leningen

Energie Beheer Nederland (EBN)

Op 21 maart 2019 (Kamerstuk 31 239, nr. 298) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de financiële deelname van Energie Bedrijf Nederland (EBN) in aardwarmteprojecten. Om deze taak de komende jaren invulling te geven is cumulatief € 48 mln als lening aan EBN verstrekt. Daarnaast is aan EBN in 2020 een lening verstrekt, zodat EBN vreemd vermogen kan aantrekken en daarmee deel kan nemen aan het Porthos-project in de Rotterdamse haven. In 2023 is een lening aan EBN verstrekt voor deelname in de FEED-fase van Aramis, specifiek voor de ontwikkeling van de opslaglocaties. De door EBN verkregen rendementen op aardwarmteprojecten en de CCS-projecten Porthos en Aramis zullen worden gebruikt om de beide leningen af te lossen.

Voor het opslagjaar 2027-2028 wordt een lening verstrekt aan EBN verstrekt à € 21.600 mln. Deze is gelijk aan de lening voor het opslagjaar 2026-2027. Deze leenfaciliteit is bedoeld voor eventuele verplichtingen die voortkomen uit het handelen op de beurs en voor de financiering van werkgas bij het vullen van de gasopslagen Bergermeer, Norg en Grijpskerk. Deze zal in een middenscenario leiden tot kasbetalingen in 2027 (€ 7.751 mln). Deze leningen worden in 2028 terugbetaald, zie ontvangsten.

Verduurzaming industrie

Onder dit budget valt de uit het Klimaat- en Energiefonds gefinancierde verwerkers-regeling biobased bouwen die EZK uitvoert in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hieruit worden bedrijven met een lening ondersteunt voor de opschaling van de productie van biobased bouwmaterialen. De Nationale Aanpak Biobased Bouwen stimuleert de toepassing van onder andere vezels uit de Nederlandse landbouw in de bouwsector. Daarmee wordt CO2 uit de atmosfeer vastgelegd in huizen en gebouwen. De verwerking van de vezels naar een bouwmateriaal moet nog worden opgeschaald. Daarvoor heeft EZK een lening beschikbaar om samen met het Nationaal Groenfonds en andere financiers om de opschaling mee te financieren.

Lening NEO NL

In 2027 wordt het tweede deel van een coverteerbare lening verstrekt aan de beleidsdeelneming NEO NL met een omvang van € 58,4 mln. NEO is verantwoordelijk voor de voorbereidende werkzaamheden voor de uitrol van de eerste twee kerncentrales in Nederland.

(Schade)vergoedingen

Planschade rijksenergieprojecten

Voor de realisatie van rijksenergieprojecten is in de periode 2027–2031 een bedrag van € 400.000 per jaar gereserveerd voor het vergoeden van planschade. Planschade ontstaat wanneer de inpassing van deze projecten leidt tot waardedaling van onroerende zaken, hinder of andere nadelige effecten voor omwonenden en eigenaren.

Mijnbouwschadeafhandeling Limburg

Het kabinet vindt het van belang dat huiseigenaren in Limburg niet met mijnbouwschade blijven zitten. Daarom is in nauw overleg met de regio een aanpak voor schadeafhandeling gerealiseerd. De afhandeling van mijnbouwschade in Limburg is een onderdeel van de landelijke aanpak via de Commissie Mijnbouwschade. Er is een tijdelijk instituut met een loket ingericht (uitgevoerd door RVO) dat zal dienen als opdrachtgever voor het schadeherstel. De Commissie Mijnbouwschade wordt jaarlijks geëvalueerd en gemonitord. Deze begrotingspost bevat ook middelen voor de uitvoering door RVO.

Verliesverrekening Mijnbouwwet

Er heeft een bijstelling op de ontvangstenraming Mijnbouwwet plaatsgevonden. Sinds de raming Voorjaarsnota 2025 is een vorm van verliesverrekening geraamd. Exploitanten kunnen tot 3 jaar terug verliezen verrekenen met eerder afgedragen winstaandelen. De raming van de ontvangsten Mijnbouwwet laat zien dat er vanaf 2029 verliezen worden geraamd in de sector. Met de Miljoenennota is er wederom een raming gemaakt (tweejaarlijks). Op basis van de nieuwe raming is naar voren gekomen dat de verwachte verliezen in de sector moeten worden bijgesteld.

Opdrachten

Onderzoek mijnbouwbodembeweging

Dit budget betreft voor het grootste deel onderzoek binnen het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM) en het Programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond. Naar aanleiding van de Parlementaire Enquête Aardgaswinning Groningen wordt het KEM gecontinueerd en uitgebreid met onderzoek naar sociale effecten. Daarnaast wordt ook onderzoek uitgevoerd voor de Mijnraad gerelateerd aan de aardbevings-problematiek in Groningen en de na-ijlende effecten van de voormaligesteenkolenwinning in Limburg. Ook worden uit dit budget adviezen bekostigd in het kader van de Omgevingswet. Daarnaast wordt hieruit voorbereidend onderzoek gedaan voor nazorg van verlaten installaties.

SodM-onderzoek

Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) heeft op basis van haar onafhankelijke positie een eigen budget om onderzoek in het kader van het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM) uit te kunnen voeren.

Uitvoeringsagenda klimaat

Vanuit dit instrument worden onder andere onderzoeksopdrachten voor de ontwikkeling en uitvoering van de klimaatagenda en het klimaatplan gefinancierd.

Klimaat mondiaal

Dit instrument wordt gebruikt voor onder andere de financiering van de kosten van mondiale klimaatprojecten, zoals de jaarlijkse Conference of Parties (COP) klimaatbijeenkomst, en IPCC-werkgroepen.

Overige onderzoeken en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het klimaat- en energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag. Evaluaties uitgevoerd door externe onderzoeksbureaus worden veelal ook uit deze budgetten betaald. Tevens worden diverse uitgaven hieruit gedaan voor de uitwerking van plannen voor het energiesysteem en de energiemarkten.

Ook worden diverse uitgaven ter uitvoering van de Rijkscoördinatieregeling (RCR) uit dit budget bekostigd, zoals het ondersteunen van Rijksinpassingsplannen, opstellen van MER-adviezen ten aanzien van kavelbesluiten, het opstellen en uitvoeren van communicatieplannen, het inschakelen van gebiedscoördinatoren en planschadeadviseurs en het doen van planschade-uitkeringen.

Het budget wordt ook aangewend om de nationale en internationale procedures rond de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie en diverse projecten gericht op het verminderen van de netcongestie te financieren.

Een deel van dit budget gebruikt ter financiering van de Commissie Mijnbouwschade. De CM ondersteunt schademelders en mijnbouwbedrijven door onafhankelijk advies te geven over de vraag of er sprake is van mijnbouwschade en zo ja wat de hoogte van het schadebedrag is dat door de mijnbouwonderneming aan de schademelder moet worden vergoed. 

Verder is budget beschikbaar voor het afhandelen van schademeldingen naar aanleiding van de aardbeving in Geelbroek. Daarvoor is in 2027 € 11,2 mln beschikbaar, waarvan € 6 mln betaald door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aan EZK.

Projecten Opwek Energie op Rijksvastgoed (OER)

In het OER-programma - dat voortkomt uit het Klimaatakkoord – stelt de Rijksoverheid waar mogelijk de gronden die in haar bezit zijn beschikbaar voor het duurzaam opwekken van hernieuwbare energie. Hiermee wordt een substantiële bijdrage geleverd aan de opgave van de RES’en en daarmee de energietransitie. Het programma ziet een toenemende vraag naar rijksgronden voor realisatie van energie-opwek. Het programma is – naast Rijkswaterstaatgronden en -wateren – uitgebreid met gronden van ProRail en Defensie. In 2027 kent OER daarmee 35 projecten op gronden van Rijkswaterstaat.

Projecten kernenergie

Vanuit het Klimaat- en Energiefonds is budget beschikbaar gesteld, voornamelijk voor de voorbereiding van de nieuwbouw van kerncentrales en de bedrijfsduurverlenging van de bestaande kerncentrale, het versterken van de kennisinfrastructuur rond kernenergie en het faciliteren van de ontwikkeling van Small Modular Reactors (SMR's). De voorbereiding van de nieuwbouw behelst onder meer onderzoeken (zowel technisch als ruimtelijk) en begeleiding. Voor de ondersteuning van de ontwikkeling van SMR’s worden middelen besteed aan onderzoek, de marktconsultatie en het uitwerken van de SMR-strategie.

Voor de bedrijfsduurverlenging zijn middelen benodigd voor technische onderzoeken, externe ondersteuning en een maatwerksubsidie aan EPZ ten behoeve van onderzoeken naar bedrijfsduurverlenging. Deze worden ook uit deze begrotingspost bekostigd.

De middelen voor het versterken van de kennis-infrastructuur worden volgens het Meerjarig Missiegedreven Innovatie Programma Kernenergie besteed aan onderzoek, onderwijs en human capital.

Werkbudgetten

Vanuit dit budget worden uitgaven gedaan voor de proceskosten van de arbitrages met de NAM.

CSIRT - DSP

Als gevolg van nieuwe Europese richtlijnen aangaande weerbaarheid en veiligheid (de NIS-II richtlijn, die geïmplementeerd wordt in de Cyberbeveiligingswet (Cbw) en de Netcode voor cybersecurity) hebben vitale entiteiten in de energiesector recht op hulp en ondersteuning van een Cybersecurity Incident Response Team (CSIRT) bij een cyberincident. Via dit instrument verleent de Minister van KGG een opdracht aan het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) die deze wettelijke CSIRT-taak voor de energiesector uitvoert.

Energie-efficiëncy

De Minister van KGG financiert projecten ter realisatie van het Uitvoeringsprogramma Energiebesparing via dit instrument. Van deze middelen worden onder andere het periodiek actualiseren van de Erkende Maatregelenlijst, het loket voor het rapporteren voor de informatieplicht en onderzoeksplicht energiebesparing, communicatie vanuit RVO richting bedrijven en instellingen en initiële kosten voor het implementeren van de Europese Richtlijn Energie-Efficiëntie gefinancierd. Ook wordt een subsidie aan OmgevingsdienstNL verstrekt voor het versterken van toezicht en handhaving.

Contracts for Difference Windenergie op Zee

Vanaf dit instrument worden de Contracts for difference (CfD’s) voor Wind op Zee bekostigd. De Europese verplichting tot het gebruik van CfD’s vanaf 2027 maakt dat het kabinet bij toekomstige Wind op Zee vergunningsprocedures (tenders) gaat werken met tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen. Hiermee wordt net als in de SDE-systematiek prijszekerheid geboden aan energieproducenten. Bij de CfD’s gaat dit meer in twee richtingen dan voorheen. Bij lage energieprijzen ontvangen de energieproducenten compensatie, maar bij hoge energieprijzen worden er middelen teruggevorderd. Bij de Ontwerpbegroting 2027 is budget voor de tender in 2027 en de tender in 2028 van de Aanvullende Post naar de KGG-begroting overgeboekt. Het kabinet is voornemens in het najaar van 2027 een eerste CfD tender te openen.

CfD (contract-for-difference) tender Hernieuwbaar op Land (SDE-domein)

Vanwege Europese regelgeving is het vanaf 2027 niet meer mogelijk om de SDE++ in te zetten voor nieuwe subsidiëring van hernieuwbare energie op land. Middels CfD’s blijft/wordt dit wel mogelijk. Daarom wordt per 2027 een tender gestart ter ontwikkeling van additionele duurzame energie op land. Deze middelen komen uit de reguliere SDE++-openstelling en zullen naar verwachting vanaf 2030 een kasbeslag kennen.

Uitvoering duurzame Productieketens

Dit betreft onder andere de jaarlijkse Circulaire Economie opdracht aan het Nederlands Normalisatie Instituut. Op grond van Verordening 1025:2012 is NEN door De Staat der Nederlanden aangewezen als nationale normalisatie instelling. NEN is een stichting zonder winstoogmerk welke als neutrale partij zorgt dat stakeholders tot verschillende typen afspraken, zoals normen, praktijkrichtlijnen (NPR), technische afspraken (NTA) en certificatieschema’s (NCS) kunnen komen. Voor 2027 gaat het om een opdracht van € 1,3 mln. Daarnaast betreft het de jaarlijkse bijdrage aan het Planbureau voor de Leefomgeving voor de monitor Circulaire Economie (€ 2,0 mln). Het saldo van € 0,6 mln is bestemd voor meerdere kleinere opdrachten.

Circulair doen en gedrag

Dit betreft de middelen (€ 2,5 mln) die vanuit het Klimaat- en Energiefonds beschikbaar zijn gesteld voor het bevorderen van circulair doen en gedrag. Dit betreft opdrachten omtrent duurzaamheid in het onderwijs, de arbeidsmarkt en het uitwerken en uitvoeren van een gedragsstrategie.

Biobased bouwen

Dit betreft de middelen (€ 6,8 mln) die vanuit het Klimaat- en Energiefonds beschikbaar zijn gesteld voor het opzetten van ketens van boeren, verwerkende industrie en bouwers voor het opschalen van de beschikbaarheid en toepassing van biobased bouwmaterialen.

Vermogensverschaffing/-onttrekking

Bijdrage aan EBN voor de kosten van schade en versterken Groningen

De kosten voor schade en versterken worden (exclusief btw) doorbelast aan de NAM, die namens de Maatschap (NAM en beleidsdeelneming EBN) verantwoordelijk is voor het betalen van de kosten voor schade en versterken. In lijn met de economische verhoudingen binnen de Maatschap komt 40% van de kosten voor rekening van EBN. Op basis van de meest recente ramingen voor schade en versterken is de bij EBN aanwezige voorziening naar het inzicht van het Rijk niet toereikend om het EBN-deel van de geraamde uitgaven voor schade en versterken te voldoen. Om die reden wordt vanaf 2028 in de Rijksbegroting een bijdrage aan EBN opgenomen voor de kosten van schade en versterken Groningen, tot en met 2033. De omvang van deze bijdrage wordt verklaard doordat de NAM uitgaat van lagere kosten voor NAM voor schade en versterken dan de Staat, en omdat de voorziening bij EBN op de inschatting van NAM is gebaseerd.

Kapitaalstorting Nationale Deelneming Warmte

Dit betreft de kapitaalstorting in de opgerichte Nationale Deelneming Warmte. Dit is het staatsbedrijf (dochterbedrijf van beleidsdeelneming EBN) dat zich zal inzetten voor de uitrol van warmtenetten in Nederland.

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

Dit budget betreft vooral de kosten van uitvoering door RVO van subsidieregelingen ter stimulering van het klimaat- en energiebeleid, waaronder bijvoorbeeld de innovatieregelingen (DEI+, MOOI/TSE, HER+), de ISDE en Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE/SDE+/SDE++), maar ook regelingen uitgevoerd in het kader van de verduurzaming van de industrie, de circulaire economie en in het kader van de transitie diepe ondergrond.

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI)

De opdracht die de Minister van KGG geeft aan de RDI wordt uit dit instrument gefinancierd. RDI heeft de opdracht om toezicht te houden op de verplichting van aangeslotenen met een kleine aansluiting om, na een aanbod tot installatie hiervan door de distributiesysteembeheerder, over een meetinrichting te beschikken die zowel de onttrekking van als de invoeding op het systeem apart kan meten. Daarnaast houdt RDI ook toezicht op de inzet van zogeheten submeetinrichtingen ten behoeve van vraagresponsdiensten. Deze verplichtingen vloeien voort uit de Energiewet en het onderliggende Energiebesluit. Een andere taak die de RDI oppakt, op basis de Cyberbeveiligingswet, de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten, de Netcode voor Cybersecurity en specifieke regels in de Energiewet, is het houden van toezicht op de weerbaarheid van aanbieders van vitale, essentiële, en belangrijke diensten in de Energiesector.

Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)

De Minister van KGG verstrekt een jaarlijkse opdracht aan de NEa voor de uitvoering van alle werkzaamheden in het kader van de emissiehandel en daaraan gerelateerde uitvoeringstaken zoals de CO2-heffing industrie, de CO2-minimumprijs, de CO2-grensheffing en het toezicht op duurzaamheid van biogrondstoffen voor energietoepassingen.

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)

De werkzaamheden die het KNMI voor de Minister van Klimaat en Groene Groei uitvoert betreffen vooral de advisering en ondersteuning van de uitvoering van het mijnbouw-, klimaat- en energiebeleid. De werkzaamheden zijn onder te verdelen in monitoring van seïsmiciteit (veelvuldigheid en hevigheid waarmee op een bepaalde plaats aardbevingen voorkomen) van de gaswinning en overige mijnbouwactiviteiten, kennisontwikkeling en advisering over aan mijnbouw gerelateerde risico’s en communicatie en informatievoorziening. Naar aanleiding van de Parlementaire Enquête Aardgaswinning Groningen werkt het KNMI aan een basismeetnet voor aardbevingen in de gebieden waar ondergrondse activiteiten zijn of in de toekomst zullen plaatsvinden.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

NVWA voert het toezicht uit op de naleving van de Wet Implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. De werkzaamheden van NVWA in dat kader betreffen het uitvoeren van inspecties en producttesten, het onderhouden van internationale contacten, interventies bij niet-naleving, het volgen van marktontwikkelingen en het geven van voorlichting.

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

De bijdrage vanuit de begroting van Klimaat en Groene Groei betreft de uitvoering van twee kennisopdrachten voor de Emissieregistratie (vaststelling van een dataset met eenduidige emissiegegevens) en voor het Montreal Protocol (uitvoering van studies en monitoringsactiviteiten als lid van het Scientific Assessment Panel van het Montreal Protocol).

Daarnaast wordt € 0,5 mln bijgedragen aan RIVM voor werkzaamheden omtrent de monitoring impact maatschappelijk verantwoord inkopen, biotische reststromen en grondstoffen en recycling.           

Rijkswaterstaat (RWS)

De werkzaamheden die RWS uitvoert voor de Minister van Klimaat en Groene Groei op het gebied van klimaat en circulaire economie zijn gericht op vijf onderdelen:

  • energiebesparing, met name gericht op de ondersteuning en uitvoering van de energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen;

  • ozonlaagafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen, gericht op de implementatie en ondersteuning van de Europese Ozonen F-gassen-verordening;

  • de klimaatmonitor en secretariaat en beheer van de website CO2-emissiefactoren.nl

  • Uitvoering van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA) waar EZK – mede namens gemeenten en provincies – de opdracht voor verleent.

  • het uitvoeren en ontwikkelen van wettelijk en stimulerend instrumentarium voor circulaire economie en afvalbeleid zoals het Circulair Materialenplan (CMP), Uitgebreide Producentverantwoordelijkheid (UPV), Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI), programma’s rond afvalinzameling en zwerfafval, ketenaanpak (oa bouw, textiel verpakkingen), circulair ontwerp, producthergebruik, krachtenbundeling met de regio, het monitoren van afvalstromen en de beleidsvoortgang, én het adviseren over dit instrumentarium.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis heffing Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA)

Het crisisbeleid gericht op de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. De Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven houden in opdracht van Minister van Klimaat en Groene Groei strategische olievoorraden aan in lijn met wat hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva 2012). De uitgavenreeks op de KGG-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de stichting COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 8,– per 1.000 liter benzine, diesel, LPG en andere (motor)brandstoffen en wordt door de Minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van KGG keert de opbrengst van de heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de stichting.

TNO Kerndepartement

Dit betreft een bijdrage vanuit het Ministerie van EZK aan de Adviesgroep Economische Zaken van TNO (TNO-AGE) voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en van het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland. Aanvullend is er een bijdrage vanuit het Klimaat- en Energiefonds voor de financiering van duurzaam energieonderzoek binnen het werkprogramma van TNO-AGE. Daarnaast heeft (destijds) EZK naar aanleiding van de Parlementaire Enquête Aardgaswinning Groningen aan TNO de opdracht gegeven om een programma uit te werken dat zorgt voor meer, betere en begrijpelijke data van de ondergrond.

Verder wordt er jaarlijks een instituutsbijdrage vanuit KGG aan TNO voorzien en worden jaarlijks incidentele ophogingen van de subsidie verleend voor onderzoeken in het kader van klimaat- en energiebeleid.

TNO SodM

Dit betreft eveneens de adviestaak van TNO-AGE voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en de Mijnbouwregeling, maar dan de bijdrage vanuit het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM).

TNO publieke SDRA

De Seismische Dreigings- en Risicoanalyse (SDRA) geeft een verwachting van toekomstige grondbewegingen en het veiligheidsrisico voor de bewoners in het Groningse aardbevingsgebied. Omdat NAM inmiddels volledig op afstand staat van de versterken, is de SDRA sinds 2021 in publiek beheer en wordt deze in opdracht van KGG uitgevoerd door TNO.

Stichting Milieukeur

Dit betreft een bijdrage aan stichting Milieukeur en de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) voor overgedragen taken en werkzaamheden (€ 0,3 mln).

NIWO

Dit betreft een bijdrage aan stichting Milieukeur en de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) voor overgedragen taken en werkzaamheden (€ 0,2 mln).

Bijdragen aan medeoverheden

Uitkoopregeling

Woningen die loodrecht onder de hoogspanningslijnen staan van 220kV- en 380kV-verbindingen en 110kV- en 150kV-verbindingen buiten de bevolkingskernen, kwamen in de periode 2017–2021 in aanmerking voor uitkoop. Het Rijk heeft € 140 mln beschikbaar gesteld voor een vrijwillige uitkoopregeling onder de voorwaarde dat de betrokken gemeenten zorgen dat door herbestemming de woonfunctie van het betreffende pand wordt gewijzigd. De regeling is gesloten voor nieuwe aanvragen. Gemeenten hebben de juridische mogelijkheid nog wijzigingsverzoeken in te dienen op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Tot en met 2028 kunnen nog uitgaven voor de regeling gedeclareerd worden die hiermee verband houden, vanwege bijvoorbeeld de sloop van uitgekochte woningen.

Regeling toezicht energiebesparingsplicht

Er wordt vanuit dit financieel instrument subsidie verleend, op basis van een regeling, aan omgevingsdiensten die extra inzet plegen om toezicht te houden op de energiebesparingplicht. Het gaat daarbij om toezicht op zowel ETS-bedrijven als niet-ETS-bedrijven.

Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden

Er wordt uit dit financieel instrument middelen overgeheveld naar het gemeente- en provinciefonds zodat gemeenten en provincies de taken kunnen uitvoeren die zij hebben op het gebied van klimaat- en energiebeleid. Dit is een complexe opgave en vergt aanzienlijke uitvoeringskracht.

Ter facilitering van de 30 RES-regio’s is Nationaal Programma RES (NP RES) ingericht. De RES-regio’s geven invulling aan de afspraken die voortkomen uit het Klimaatakkoord, door in 2030 ten minste 35TWh aan hernieuwbare energie op te wekken. Het NP RES ondersteunt de regio’s bij deze opgave op verschillende manieren onder andere via kennis en activiteiten, het faciliteren van samenwerking én het creëren van een netwerk. Voor de financiering van NP RES is voor de periode 2026-2030 ca € 5 mln per jaar beschikbaar, per 2028 zal dit budget onderdeel zijn van het Landelijke Ondersteuningsprogramma Energietransitie, waar NP RES in zal opgaan.

Vanuit het Klimaat- en Energiefonds zijn daarnaast middelen toegevoegd ter bekostiging van uitvoeringslasten rond het kernenergiebeleid van de (mede)overheden.

Gebiedsinvesteringen

Dit betreft het budget voor specifieke uitkeringen aan medeoverheden ten behoeve van gebiedsinvesteringen in de omgeving van nieuw te realiseren hoogspanningsstations en aanlandlocaties van het net op zee. In 2027 wordt de regeling opengesteld voor € 197 mln, waarmee gemeenten waar nieuwe hoogspanningsstations van 220 kV en 380 kV worden gerealiseerd, aanspraak kunnen maken op een specifieke uitkering. Met deze middelen kunnen gemeenten investeren in de kwaliteit van de omgeving.

Daarnaast werken Rijk en regio samen aan een toekomstbestendige ontwikkeling van de Powerport regio Moerdijk, een nationaal knooppunt voor energie-infrastructuur, logistiek en industrie. Binnen de Powerport regio Moerdijk wordt gewerkt aan een strategische uitbreiding van het haven- en industriecluster Moerdijk. Deze uitbreiding is van belang voor de uitbreiding van het elektriciteitsnet, aanlanding van wind op zee en de verduurzaming en het circulair maken van de energie-intensieve industrie. De Powerport regio Moerdijk is aangeduid in de Ontwerp-Nota Ruimte als onderdeel van een van energie-intensieve haven- en industrieclusters van nationaal belang. Vanuit het Rijk is een financiële bijdrage gereserveerd voor de realisatie van de strategische uitbreiding, de randvoorwaarden voor de uitbreiding en het vervolgproces.

Realisatie energie-infrastructuur

Dit budget is bestemd voor de vliegende brigade, een uitbreiding van de Expertpool MIEK-PEH die medeoverheden ondersteunt bij de ruimtelijke inpassing en realisatie van energie-infrastructuur. De brigade biedt tijdelijke expertise om de ruimtelijke inpassing te vergemakkelijken en de uitrol van energie-infrastructuur te versnellen en vertraging te voorkomen.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nuclear Research and consultancy Group (NRG)

NRG is onderdeel van de Stichting NRG en vormt samen met de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor een personele unie. NRG voert onderzoeksactiviteiten uit op het gebied van onder meer de nucleaire veiligheid, radioactief afval en stralingsbescherming. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid.

Internationale contributies

Nederland kiest voor een actieve participatie in internationale organisaties waaraan jaarlijkse of incidentele bijdragen aan worden gedaan. Dit zijn bijvoorbeeld het Internationaal Energieagentschap (IEA, kennis-samenwerking en oliecrisisbeleid), het International Renewable Energy Agency (IRENA, hernieuwbare energie, ), Clean Energy Ministerial (CEM, uitrol van bestaande duurzame energie-technologie), Mission Innovation (aan de IEA, betreft het vergroten van inzet op energie-innovatie), het International Energy Forum en het Center for International Energy Policy (CIEP) ontvangt ook een bijdrage. Tevens worden in het kader van internationale waterstofinitiatieven worden uitgaven gedaan. De contributies volgen uit internationale verplichtingen en afspraken.

Daarnaast versterken internationale klimaatcontributies de positie van Nederland in het wereldwijde klimaatdebat. Deze contributies gaan onder andere naar het United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC), het United Nations Environment Programme (UNEP), het Montrealprotocol en het verdrag van Wenen, en de OESO.

Tot slot, wordt er € 50K per jaar aan de OESO bijgedragen voor de Working Party on Resource Productivity and Waste (WPRPW), welke als doel heeft het vergroenen van huishoudelijk gedrag.

PBL Rekenmeesterfunctie

Dit betreft een bijdrage aan het PBL in het kader van additionele werkzaamheden samenhangend met de introductie van diverse CfD-instrumenten.

Stortingen in reserves

Voor de stortingen in de reserve duurzame energie en klimaattransitie wordt verwezen naar wat hierover is opgenomen onder ‘toelichting op de begrotingsreserves’.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Deze ontvangsten betreffen ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis heffing COVA».

Ontvangsten zoutwinning

Deze ontvangsten betreffen opbrengsten uit afgegeven concessies voor de winning van steenzout.

Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie

De onttrekking aan de reserve in 2027 van in totaal € 820,6 mln is opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  • een onttrekking van in totaal € 512 mln ter dekking van hogere uitgaven binnen het SDE-domein.

  • een onttrekking van € 300 mln die samenhangt met de afspraak in de Startnota van het kabinet-Rutte-III dat de reserve duurzame energie en klimaattransitie vanaf 2023 tot en met 2028 voor een deel leeggeboekt zou worden. Het gaat om een totaalbedrag van € 1,7 mld, waarvan € 450 mln in 2023, € 400 mln in 2024, € 150 mln in 2025, € 300 mln in 2026 en 2027 en € 100 mln in 2028 wordt onttrokken;

  • de onttrekking van € 4,2 mln per jaar t/m 2035 om de kasgevolgen van de ophoging van het openstellingsbudget van de Subsidieregeling Coöperatieve Energie-opwekking (SCE) met € 63 mln naar € 100 mln (amendement-Sienot) te dekken.

  • een onttrekking van € 17,5 mln in het kader van een nagekomen claim voor de compensatie voor het beperken van de elektriciteitsproductie van de kolencentrales in 2022.

ETS-ontvangsten

Op dit instrument worden de geraamde opbrengsten van de verkoop van CO2-emissierechten, als onderdeel van het Europese Emissions Trading System (EU ETS1), ontvangen op de KGG-begroting. De geraamde ontvangsten zijn gebaseerd op het verwachte aantal te veilen ETS1-rechten en de verwachte prijs per recht.

ETS2-ontvangsten

De geraamde opbrengsten van de verkoop van CO2-emissierechten, als onderdeel van het ETS-2, worden op dit instrument ontvangen op de KGG-begroting. Het ETS-2 geldt voor alle uitstoot van brandstoffen die geleverd worden aan de gebouwde omgeving, wegvervoer, en overige sectoren.

Tabel 13 ETS-ontvangsten
 

2026

2027

2028

2029

2030

2031

ETS1

      

P (€/ton)1

76,2

81,4

84,1

85,4

88,6

92,1

Q (mln)

11,4

9,2

11,1

15,2

14,4

16,5

PxQ (€ mln)

870

750

930

1.300

1.280

1.510

       

ETS2

      

P (€/ton)2

0

0

59,7

60,9

62,1

63,3

Q (mln)

0

0

57,6

39,3

31,3

28,3

PxQ (€ mln)

0

0

3440

2.390

1.940

1.790

       

ETS1+ETS2 (€ mln)3

870

750

4.370

3.690

3.220

3.300

1

De ETS1-prijs is gebaseerd op de op 9 juni 2026 geraadpleegde forward prijzen.

2

Er wordt nog niet gehandeld in ETS2-rechten. Om die reden is een redelijke inschatting van de prijs per ton CO2 op dit moment moeilijk te maken. Er is nu gekozen voor een prijs van € 45 per ton CO2 (om precies te zijn € 45 in 2020, die voor de jaren erna gecorrigeerd is voor de verwachte inflatie). De reden hiervoor is dat in de richtlijn waarborgen zijn opgenomen die de kans vergroten dat de prijs per ton CO2 in de eerste jaren onder dit niveau blijft.

3

De ETS-ontvangsten zijn een resultante van de ontwikkeling van de ETS-prijs (P) en het aantal ETS-rechten dat Nederland heeft om te veilen (Q). De bedragen in de budgettaire tabel voor de ETS-ontvangsten zijn afgerond op € 10 mln.

Diverse ontvangsten

Deze ontvangsten hebben voor een deel betrekking op doorberekening aan initiatiefnemers van energieprojecten van kosten die de Minister van KGG maakt in het kader van de Rijkscoördinatieregeling (RCR). Daarnaast worden ook de door het ministerie betaalde planschade-uitkeringen verhaald op deze initiatiefnemers. Tevens worden op deze begrotingspost terugontvangsten van verschillende subsidiebudgetten, zoals bijvoorbeeld de ISDE, DEI, MOOI, etc. geboekt. De hoogte van deze terugontvangsten laat zich lastig ramen, hierom is slechts een minimumverwachting van € 7,8 mln per jaar aan terugontvangsten onderdeel van deze post. Tot slot worden de terugbetalingen van leningen (EBN ten behoeve van de lening voor aardwarmte) ten gunste van dit budget begroot.

Heffing gasleveringszekerheid

Uitgangspunt is dat de kosten die met de vulmaatregelen gasopslag (zie bij Uitgaven) gemoeid zijn worden gedragen door de gebruikers (de gebruiker betaalt).

Voor het verhalen van de uiteindelijke gemaakte kosten op gebruikers wordt een heffing op geboekte capaciteit voor transport via het landelijk gastransportnet van Gasunie Transport Services (boven op de tarieven voor gastransport) uitgewerkt. Op die manier kan de rekening worden gelegd bij de gebruikers die profiteren van de vulling van de gasopslagen (leveringszekerheid). Deze heffing zal zodanig worden uitgewerkt dat de financiering van voornoemde maatregelen een vorm van voorfinanciering is en de uiteindelijke kosten door de gebruikers van het gastransportnet worden opgebracht.

Lening EBN Vulmaatregel

Per 2027 wordt de lening aan EBN voor het uitvoeren van de vultaak van de gasopslagen voor vulseizoen 2026-2027 terugontvangen. Zie de toelichting onder uitgaven voor meer informatie. In 2028 wordt de terugbetaling van de lening voor het vulseizoen 2027-2028 verwacht.

Ontvangsten tenders Windenergie op Zee

Op dit budget worden de betalingen van eerdere tenders voor windenergie op zee ontvangen.

Ontvangsten verduurzaming industrie (CO2-heffing)

Sinds 1 januari 2021 geldt voor industriële bedrijven met een hoge CO2-uitstoot een nationale CO2-heffing. De heffing is deel van een breed pakket maatregelen, dat industriële bedrijven stimuleert te investeren in verduurzaming. In het coalitieakkoord van Rutte IV is afgesproken dat een eventuele opbrengst van de CO2-heffing via het Klimaat- en Energiefonds ten goede komt aan verduurzaming van bedrijven. In het Belastingplan 2026 is opgenomen dat het tarief van de CO2-heffing per 1 januari 2026 verlaagd wordt naar 78,67 euro/ton CO2-emissie, waarna dit tarief constant blijft met een jaarlijkse indexatie en is de belastbare grondslag verlaagd. Door deze beleidsmatige wijzigingen worden de opbrengsten uit de CO2-heffing voor industriële bedrijven nagenoeg 0. Om te komen tot een gelijker speelveld binnen Europa en de risico’s op weglek van bedrijvigheid en het verplaatsen van CO2-uitstoot te beperken, is in het Coalitieakkoord Aan de Slag de afschaffing van de CO2-heffing aangekondigd. Dit is technisch zeer complex. We werken aan de invulling hiervan, zodat bedrijven volgend jaar geen kosten zullen ondervinden. In het Belastingplan 2026 is de de CO2-heffing voor de afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) verhoogd. In het Belastingplan 2027 wordt deze aanscherping van het tariefpad langzamer ingevoerd.

Dividenduitkering EBN

EZK ontvangt op de KGG-begroting dividend van EBN over het geconsolideerde nettoresultaat. De geraamde ontvangsten in 2027 zijn € 0. Als gevolg van de verslechtering van de financiële resultaten, zal EBN de komende jaren naar verwachting geen dividend uitkeren. Sinds 2026 is er een nieuw dividendbeleid met EBN afgesproken voor de komende vier jaar die beter aansluit bij de huidige ontwikkeling van de van de energietransitie. EBN keert enkel dividend uit EBN keert enkel dividend uit op basis van een pay-outratio (30%) van de nettowinst van het voorgaande boekjaar, voor zover dit past binnen de afgesproken financiële en wettelijke randvoorwaarden. 

In onderstaande tabel worden de productievolumes aardgas van EBN voor zowel Groningen als de kleine velden weergegeven. De gaswinning uit het Groningenveld is definitief beëindigd. Deze gegevens zijn gebruikt voor het maken van de ramingen voor de ontvangsten Mijnbouwwet en de dividenduitkering van EBN. Daarnaast is in onderstaande tabel aangegeven van welke gasprijs gebruik is gemaakt voor deze ramingen.

Tabel 14 Aardgasproductie en gasprijs voor raming ontvangsten Mijnbouwwet en dividend EBN
 

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Geschatte productie (in mld Nm3)

3

3,2

2,9

3,1

2,6

2,3

Waarvan: Groningenveld

0

0

0

0

0

0

Waarvan: kleine velden

3

3,2

2,9

3,1

2,6

2,3

Gasprijs (in eurocent/m3)

41,5

33,8

26,8

23,2

21,6

21,6

Dividenduitkering GasTerra

Gasterra keert een vast dividend uit aan de aandeelhouders. Voor EZK is dit € 3,6 mln per jaar. GasTerra wordt afgebouwd en zal in 2027 voor de laatste keer dividend uitkeren.

Ontvangsten Mijnbouwwet

Deze post bestaat uit winstaandelen van de vergunninghouders voor gaswinning, cijns (heffing van een percentage van de omzet) en oppervlakterecht. Twee keer per jaar worden de ontvangsten Mijnbouwwet geraamd: met Voorjaarsnota en Miljoenennota. De bijstelling van de ontvangsten volgt door de extrapolatie van de kosten van EBN, de CPB gasprijzen en de verwachte winning volgens EBN. De verwachte ontvangsten vanuit de Mijnbouwwet zijn positief bijgesteld o.b.v. de nieuwe raming. Dit komt met name door een hogere gasprijs vanwege de politiek situatie in Iran en door een verhoging van het verwachte te winnen volume.

Ontvangsten NAM publieke SDRA

De kosten voor het onderzoek van TNO voor de ontwikkeling van een publieke Seismische Dreigings- en Risicoanalyse (SDRA) worden verhaald op de NAM. De ontvangstenraming hiervoor is opgenomen in de KGG-begroting.

Kengetallen

Tabel 15 Kengetallen
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Bron

1. Gewonnen volume aardgas totaal (in Nm³)

8,5 mld

35 mld

30 mld

21 mld

19 mld

15 mld

10,2 mld

8,5 mld

8,1 mld

TNO

2. Gewonnen volume aardgas Groningenveld (in Nm³)

24 mld

19 mld

15 mld

8 mld

6 mld

5 mld

1,5 mld

0 mld

0 mld

TNO

3. Gewonnen volume aardgas kleine velden (in Nm³)

18 mld

16 mld

15 mld

13 mld

13 mld

11 mld

8,8 mld

8,5 mld

8,1 mld

TNO

4. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

6

5

4

3

2

4

5

0

6

TNO

5. Aantal boringen productie onshore en offshore

8

7

7

9

7

3

2

7

3

TNO

6. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/m3)

16,6

21,5

14,9

9,1

37,8

127,6

46

33,6

46

APX Endex

  • In bovenstaande tabel wordt weergegeven hoeveel gas er in de afgelopen jaren is gewonnen (kengetallen 1 t/m 3).

  • Daarnaast is weergegeven hoeveel boringen hebben plaatsgevonden, uitgesplitst naar exploratie van nieuwe velden (kengetal 4) en productie van reeds bekende velden (kengetal 5). KGG stelt de randvoorwaarden hiervoor, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening.

  • De gemiddelde beursprijs van gas is ook opgenomen in bovenstaande tabel (kengetal 6). Het virtuele gashandelplatform TTF is een belangrijk referentiepunt voor de Europese gasprijzen.

Toelichting op de begrotingsreserves

Tabel 16 Stand begrotingsreserves per 31 december 2025 (bedragen x € 1.000)
  

Waarvan juridisch verplicht

Begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie

3.484.014

100%

Begrotingsreserve Aardwarmte

17.693

100%

Begrotingsreserve ECN/NRG verstrekte leningen

6.600

0%

Duurzame energie

De begrotingsreserve voor duurzame energie en klimaattransitie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij of het niet doorgaan van projecten waaraan subsidie is toegekend op basis van de MEP, de SDE, de SDE+, de SDE++, de HER+, flankerend beleid Wind op Zee, structurele kosten samenhangend met Wind op Zee, flankerend beleid SDE, de ISDE, de jaarlijkse subsidie aan TenneT in het kader van het net op zee en Contracts for Difference (CfD’s) voor hernieuwbaar op land.[

  • Kamerstuk 31 865, nr. 79: Brief van Minister van EZ van 25 maart 2016 inzake het behouden van de middelen van de reserve;

  • Kamerstuk 31 239, nr. 218: Brief van Minister van EZ van 1 juli 2016 inzake voor- en nadelen fondsvorming en specificaties begrotingsreserve duurzame energie, waaronder een toelichting op het aandeel «juridisch verplicht».

Tabel 17 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie (bedragen x € 1.000)

Stand per 1/1/2026

Verwachte toevoegingen 2026

Verwachte onttrekkingen 2026

Verwachte stand per 1/1/2027

Verwachte toevoegingen 2027

Verwachte onttrekkingen 2027

Verwachte stand per 31/12/2027

3.484.014

293.433

1.566.702

2.210.745

 

838.102

1.372.643

Voor 2027 wordt een onttrekking aan de reserve geraamd van € 838,1. Deze onttrekking is noodzakelijk om de hogere kasuitgaven als gevolg van een ramingsbijstelling uit 2025. Tevens wordt €17,5 mln onttrokken voor nadeelcompensatie in het kader van de opgelegde productiebeperking van kolencentrales in 2022.

De € 2.210,7 mln die eind 2026 in de begrotingsreserve beschikbaar is zal eind 2027 door bovengenoemde saldo van de storting en onttrekking gedaald zijn naar € 1.372,6 mln.

Aardwarmte

De begrotingsreserve voor de garantieregeling Aardwarmte is bedoeld om het budget voor het mogelijk uitbetalen van verliesdeclaraties meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten (premies) en uitgaven (verliesdeclaraties) op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Aardwarmte betalen marktpartijen een kostendekkende premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO) die wordt gestort in de begrotingsreserve. Het uitstaande bedrag aan garanties bedroeg per 1 januari 2025 € 7,1 mln. De reserve is benodigd om mogelijke verliesdeclaraties op te kunnen vangen en is daarmee voor 100% inflexibel.

Voor meer informatie over de ontwikkeling van de garanties en het verloop van de reserve wordt verwezen naar het overzicht van de risicoregelingen in het hoofdstuk Beleidsagenda van deze begroting.

Tabel 18 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve Aardwarmte (bedragen x € 1.000)

Stand per 1/1/2026

Verwachte toevoegingen 2026

Verwachte onttrekkingen 2026

Verwachte stand per 1/1/2027

Verwachte toevoegingen 2027

Verwachte onttrekkingen 2027

Verwachte stand per 31/12/2027

17.693

 

189

17.504

 

80

17.424

Risicopremie ECN/NRG

De middelen in de begrotingsreserve risicopremie ECN/NRG zullen worden aangesproken als NRG – al dan niet tijdelijk – (gedeeltelijk) niet kan voldoen aan de terugbetalingsverplichtingen volgens de afgesloten leningsovereenkomst. Deze reserve betreft uitsluitend een zekerstelling binnen de rijksbegroting. Derden kunnen geen beroep op deze middelen doen en daarmee zijn de middelen op deze reserve niet juridisch verplicht.

Tabel 19 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve ECN/NRG (bedragen x € 1.000)

Stand per 1/1/2026

Verwachte toevoegingen 2026

Verwachte onttrekkingen 2026

Verwachte stand per 1/1/2027

Verwachte toevoegingen 2027

Verwachte onttrekkingen 2027

Verwachte stand per 31/12/2027

6.600

  

6.600

  

6.600

Garantieregeling warmtenetten

De opschaling van collectieve warmte loopt tegen een barrière aan doordat (met name nieuwe) warmtebedrijven beperkt toegang hebben tot de kapitaalmarkt. Met de Garantieregeling Warmtenetten (GRW) worden staatsgaranties verstrekt waarmee warmtebedrijven vreemd vermogen kunnen aantrekken voor de realisatie van warmtenetten. De (publieke) aandeelhouders hoeven daardoor minder publiek kapitaal in te brengen. Naar verwachting zal de garantieregeling in het tweede of derde kwartaal van 2027 voor het eerst opengesteld kunnen worden.

Tabel 20 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve garantieregeling warmtenetten (bedragen x € 1.000)

Stand per 1/1/2026

Verwachte toevoegingen 2026

Verwachte onttrekkingen 2026

Verwachte stand per 1/1/2027

Verwachte toevoegingen 2027

Verwachte onttrekkingen 2027

Verwachte stand per 31/12/2027

0

174.500

 

174.500

  

174.500

Garantie LNG-terminals

Voor de betreffende regeling heeft het Rijk een garantiebudget van € 90,0 miljoen gereserveerd. Deze garantie is bedoeld om het risico van onvoldoende capaciteitsverkoop door de exploitant van de terminal af te dekken. Op basis van de huidige inzichten lijkt dit risico zich niet te zullen voordoen, waardoor de garantie naar verwachting niet zal worden ingeroepen. Het Rijk ontvangt een premie voor de garantietoezegging van €3,3 mln. De premie zal in 2026 als ontvangst op de begroting worden verwerkt.

Tabel 21 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve garantie LNG-terminals (bedragen x € 1.000)

Stand per 1/1/2026

Verwachte toevoegingen 2026

Verwachte onttrekkingen 2026

Verwachte stand per 1/1/2027

Verwachte toevoegingen 2027

Verwachte onttrekkingen 2027

Verwachte stand per 31/12/2027

0

3.330

 

3.330

  

3.330

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • EB verlaagd tarief waterstof

  • EB vrijstelling voor restgassen die op eigen inrichting zijn ontstaan en daar weer worden ingezet

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar het hoofdstuk ‘Kwalitatieve achtergrond informatie per fiscale regeling’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.

Tabel 22 Fiscale regelingen 2025–2027, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 mln)1
 

2025

2026

2027

Energie-investeringsaftrek (EIA)

286

460

454

EB Stadsverwarmingsregeling

42

52

53

EB Degressieve tariefstructuur elektriciteit

4.318

3.895

3.658

EB Degressieve tariefstructuur gas

2.057

2.017

2.153

EB vrijstelling aardgas ander gebruik dan brandstof (incl. teruggaaf)

106

105

107

EB Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

301

358

426

Inputvrijstelling energiebelasting voor elektriciteitsopwekking

810

813

790

Inputvrijstelling kolenbelasting voor elektriciteitsopwekking

59

48

39

1

EB = Energiebelasting

5

Kamerstuk 32 645, nr. 177

6

Ontwerp-Meerjarenprogramma Klimaat- en energiefonds 2027, p. 28

7

Kamerstuk 33 043, nr. 114

4. Niet-beleidsartikelen

Artikel 71 Nog onverdeeld

Tabel 23 Budgettaire gevolgen artikel 71 (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

        

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Onverdeeld

0

0

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Dit artikel is een administratief begrotingstechnisch artikel. Dit betekent dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van artikel 71 worden gedaan. Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats.

5. Bijlagen

Bijlage 1: ZBO's en RWT's

Tabel 24 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder Klimaat en Groene Groei) (bedragen x € 1.000)

Naam organisatie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

Uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Volgende evaluatie ZBO

Nederlandse Emissieautoriteit

ZBO

31

1

Kamerstuk 25 268, nr. 214

2028

Stichting COVA

RWT

31

111.000

Kamerstuk 32 849, nr, 131

nvt

Nationale en internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO)

ZBO

31

200

Wettelijke evaluatie

2028

1

NEa bekostigt het bestuur uit de omzet EZK en de omzet IenW.

Tabel 25 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder andere ministeries) (bedragen x € 1.000)

Naam organisatie

Ministerie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

TNO

EZK

ZBO

31

45.097

Stichting Milieukeur

IenW

ZBO

31

352

Bijlage 2: Specifieke uitkeringen van KGG

Als het Rijk bijdragen onder voorwaarden ten behoeve van een bepaald openbaar belang aan provincies en gemeenten verstrekt, is op basis van artikel 15a lid 1 Financiële-verhoudingswet sprake van een specifieke uitkering. In deze bijlage is voor Klimaat en Groene Groei (begrotingshoofdstuk XXIII) aangegeven welke specifieke uitkeringen uitgekeerd worden en welke voornemens er zijn voor specifieke uitkeringen. De voornemens worden aangeduid met een «V» onder het kopje SiSa nummer (Single information Single audit). Indien nodig wordt er onder de tabel een toelichting gegeven.

Tabel 26 Overzicht specifieke uitkeringen (SPUKS) (bedragen x € 1 mln)

SiSa nr.

Onderdeel

Toelichting

2026

2027

2028

2029

2030

2031

F21

Naam

Regeling toezicht handhaving energiebesparingsplicht

8,95

14,28

14,29

   
 

Korte duiding

Deze regeling heeft tot doel om meerjarig additioneel toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht te realiseren

      
 

Juridische grondslag

Artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies

      
 

Maatschappelijke effecten

Door extra inzet op toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht en gekoppelde informatie- en onderzoeksplicht zullen meer bedrijven en instellingen de verplichte energiebesparende treffen

      
 

Ontvangende partijen

Omgevingsdiensten

      
 

Artikel

Beleidsartikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

      
         

F7

Naam

Sanering Windpark Zeewolde

0

0

0

0

0

 
 

Korte duiding

Bijdrage aan sanering van oude windmolens, zodat deze vervangen kunnen worden door grotere en nieuwere windmolens.

      
 

Juridische grondslag

Artikel 2, eerste lid. Regeling specifieke uitkering provincie Flevoland sanering windpark Zeewold

      
 

Maatschappelijke effecten

In de gemeente Zeewolde is een gebied aangewezen waarin nieuwe grotere windturbines mogen worden gerealiseerd, het windpark Zeewolde. In dit gebied gaan 91 windturbines 221 bestaande windturbines, die gesaneerd moeten worden, vervangen. Door de Rijksbijdrage aan deze sanering kunnen de oude windmolens vervangen worden door een veel kleikner aantal nieuwere, grotere en efficiëntere windmolens.

      
 

Ontvangende partijen

Provincie Flevoland

      
 

Artikel

Beleidsartikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

      
         

V

Naam

Bijdrage gebiedsinvestering net op zee regio Borssele

14,07

     
 

Korte duiding

Om een verantwoorde inpassing van het net op zee mogelijk te maken is € 210 mln gesteld in een eerste tranche voor gebiedsinvesteringen in de vijf aanlandlocaties voor de huidige routekaart wind op zee (Noord-Nederland / Eemshaven, Borsele, Maasvlakte, Noordzeekanaalgebied en Moerdijk/Geertruidenberg).

      
 

Juridische grondslag

Artikel 2, eerste lid, en artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet

      
 

Maatschappelijke effecten

Verbetering en herstel leefklimaat in de regio ten gevolge van de aanlandingen van netten op zee

      
 

Ontvangende partijen

Provincie Zeeland

      
 

Artikel

Beleidsartikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

      
         

V

Naam

Bijdrage gebiedsinvestering net op zee regio Eemshaven

14,26

     
 

Korte duiding

Om een verantwoorde inpassing van het net op zee mogelijk te maken is € 210 mln gesteld in een eerste tranche voor gebiedsinvesteringen in de vijf aanlandlocaties voor de huidige routekaart wind op zee (Noord-Nederland / Eemshaven, Borsele, Maasvlakte, Noordzeekanaalgebied en Moerdijk/Geertruidenberg).

      
 

Juridische grondslag

Artikel 2, eerste lid, en artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet

      
 

Maatschappelijke effecten

Verbetering en herstel leefklimaat in de regio ten gevolge van de aanlandingen van netten op zee

      
 

Ontvangende partijen

Provincie Groningen

      
 

Artikel

Beleidsartikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

      
         

V

Naam

Bijdrage gebiedsinvestering net op zee regio Noordzeekanaalgebied

12,70

     
 

Korte duiding

Om een verantwoorde inpassing van het net op zee mogelijk te maken is € 210 mln gesteld in een eerste tranche voor gebiedsinvesteringen in de vijf aanlandlocaties voor de huidige routekaart wind op zee (Noord-Nederland / Eemshaven, Borsele, Maasvlakte, Noordzeekanaalgebied en Moerdijk/Geertruidenberg).

      
 

Juridische grondslag

Artikel 2, eerste lid, en artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet

      
 

Maatschappelijke effecten

Verbetering en herstel leefklimaat in de regio ten gevolge van de aanlandingen van netten op zee

      
 

Ontvangende partijen

Provincie Noord Holland

      
 

Artikel

Beleidsartikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

      
         

V

Naam

Bijdrage gebiedsinvestering net op zee regio Moerdijk/Geertruidenberg

13,19

     
 

Korte duiding

Om een verantwoorde inpassing van het net op zee mogelijk te maken is € 210 mln gesteld in een eerste tranche voor gebiedsinvesteringen in de vijf aanlandlocaties voor de huidige routekaart wind op zee (Noord-Nederland / Eemshaven, Borsele, Maasvlakte, Noordzeekanaalgebied en Moerdijk/Geertruidenberg).

      
 

Juridische grondslag

Artikel 2, eerste lid, en artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet

      
 

Maatschappelijke effecten

Verbetering en herstel leefklimaat in de regio ten gevolge van de aanlandingen van netten op zee

      
 

Ontvangende partijen

Provincie Noord-Brabant

      
 

Artikel

Beleidsartikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

      

Totaal

  

63,17

14,28

14,29

0,00

0,00

0,00

Bijlage 3: Subsidieoverzicht

In deze bijlage zijn de subsidies van de KGG-begroting opgenomen. De subsidiedefinitie van de Algemene wet bestuursrecht wordt hierin gebruikt. Deze wet definieert een subsidie als volgt (artikel 4.21 Awb):

"De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten".

Per beleidsartikel zijn de subsidie(-regelingen) opgenomen. Het subsidieoverzicht sluit aan op de Verantwoord Begroten-categorie «subsidies» in de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen uit de begroting.

In lijn met Verantwoord Begroten zijn de bijdragen aan ZBO’s en RWT’s niet vermeld als subsidies. De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn terug te vinden in de bijlage «ZBO’s en RWT’s».

Voor een aantal subsidies is (nog) geen volgende evaluatie gepland. In veel gevallen gaat het om nieuwe subsidies die nog worden vormgegeven of subsidies die al enige tijd geleden zijn gestopt, waardoor alleen nog sprake is van uitfinanciering.

De einddatum geeft het moment aan dat de laatste verlening plaatsvindt of heeft plaatsgevonden. Voor een aantal subsidies, waarbij sprake is van een structurele subsidierelatie met een jaarlijkse verlening, is als einddatum ‘Jaarlijks’ opgenomen. Als periodiek besluitvorming plaatsvindt over de verlening, bijvoorbeeld over een volgende programmaperiode, is dit aangeduid als ‘Periodiek’.

Tabel 27 Subsidies (bedragen x € 1.000)

Art.

Naam Subsidie (regeling)

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Laatste evaluatie

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum Subsidie- (regeling) (jaartal)

31

Missiegedreven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

60.899

68.891

78.806

70.338

61.945

33.330

15.543

2023

2028

2028

31

Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

18.719

11.203

6.834

1.092

   

2023

2028

2024

31

Demonstratieregeling Klimaat en Energie-innovatie (DEI+)

52.575

79.976

301.324

300.174

283.894

384.726

114.541

2023

2028

2028

31

Regeling Duurzame Scheepsbouw

2.319

1.878

429

    

2024

nvt1

2024

31

Projecten Klimaat en Energieakkoord

2.235

2.347

2.346

2.141

2.001

994

652

2016

2

Geen

31

Stimulering Duurzame Energie (SDE)3

614.390

347.437

439.091

434.157

420.771

337.137

67.877

2016

nvt4

2010

31

Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+)5

1.748.221

884.375

999.253

951.089

930.285

915.614

825.629

2022

 

2020

31

Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++)5

91.782

610.290

201.460

376.316

616.846

874.065

1.324.900

2023

2029

Geen

31

Flankerend beleid WOZ

6

62.412

101.569

83.233

88.667

65.303

72.124

Geen

  

31

Structurele kosten WOZ

 

7.754

15.200

25.564

27.836

27.522

22.571

Geen

  

31

Flankerend beleid SDE+

 

81.041

34.151

22.038

20.615

20.615

9.060

Geen

  

31

Subsidiering TenneT Net op Zee

 

181.000

181.000

181.000

181.000

181.000

181.000

Geen

  

31

Aardwarmte (SCAN-programma)

12.500

2.500

10.000

    

2025

nvt1

2024

31

ISDE-regeling

522.586

501.040

498.971

473.344

419.792

346.991

31

2025

2030

2031

31

Carbon Capture Storage (CCS)/ERA-NET energieprojecten

1.885

2.650

11.753

333.997

334.274

333.918

329.228

Geen

2028

Geen

31

Programma Hoge Flux Reactor

6.925

6.899

6.888

    

Geen

 

Periodiek

31

Caribisch Nederland

12.115

10.542

24.240

4.175

4.105

4.120

4.144

Geen

 

Jaarlijks

31

Overige subsidies

12.197

6.406

12.587

11.819

2.192

898

 

Geen

 

Jaarlijks

31

Vergassing expertisecentrum, organisatie, haalbaarheidstudies Klimaatfonds

 

604

10.604

5.576

   

Geen

7

2028

31

Bijdrage saneringsfonds Windpark Flevoland

2.042

      

Geen

8

Jaarlijks

31

EBN versnellen onderzoek CCS Klimaatfonds

9.440

4.941

1.084

5.347

1.295

  

Geen

2027

2026

31

Verbetering toezicht F-gassen (Klimaatfonds)

 

7

7

4

4

4

 

geen

geen

geen

31

VIVET

715

784

892

892

893

894

 

Geen

 

Geen

31

Randvoorwaarden technische arbeidsmarkt Klimaatfonds

 

70

     

Geen

 

2026

31

Opschalingsinstrument Waterstof

14.662

98.811

427.875

669.557

298.631

291.858

878.287

20259

 

2045

31

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

7.485

6.244

5.247

17.661

15.478

18.021

18.432

2026

 

2026

31

IPCEI waterstof

34.683

86.318

195.438

219.066

71.862

183.983

0

Geen

2025/2026

2031

31

Vulmaatregelen gasopslag

74.056

409.617

636.500

508.500

36.500

36.500

36.500

2024

 

2025

31

MIEK/Infrastructuur Duurzame Industrie (PIDI)

1.626

3.624

5.831

5.497

5.246

4.324

 

Geen

2028

2025

31

Schadeafhandeling mijnbouw Limburg

212

      

Geen

2026

Geen

31

Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS)

1.998

17.064

86.150

154.917

151.541

952.556

 

Geen

 

2030

31

NGF-project NieuweWarmteNu!

2.535

41.135

42.533

41.197

13.242

30.545

 

Geen

2028

2024

31

Tijdelijk prijsplafond energie kleinverbruikers 2023

4.614

7.350

2.000

    

Geen

2026

2023

31

Compensatie aanbestedende diensten SEFE-contracten

15.272

      

Geen

 

2025

31

Tegemoetkoming blokaansluitingen

509

 

500

    

Geen

2026

2028

31

Investeringen waterstofbackbone

53.300

0

154.961

393.822

70.000

  

Geen

2032

202310

31

NGF - project Circulaire zonnepanelen

14.876

28.683

18.413

15.171

9.000

27.328

 

Geen

2032

2025

31

Geothermie (Klimaatfonds)

249

577

113.494

25.852

51

  

Geen

 

202810

31

Subsidieregeling flexibiliteit

10.085

29.854

33.082

3.500

   

Geen

2029

2028

31

Energiecoöperaties en burgerbetrokkenheid energietransitie (SE)

265

3.844

3.747

3.673

900

  

Geen

 

2023

31

Subsidie project Djewels

295

12.636

25.893

11.629

   

Geen

 

2024

31

Opslag waterstof

 

200

     

Geen

2031

2045

31

Correctieregeling duurzame warmte

426

      

Geen

 

2024

31

Efficiëntere benutting elektriciteitsnetten

3.171

2.079

37.664

28.892

22.022

19.685

 

Geen

  

31

Realisatie Zon op Zee

60

1.643

11.238

6.945

17

  

Geen

2026

2030

31

Maatwerkaanpak industrie

11

37.527

150.811

134.869

24.854

19.963

  

2027

 

31

Studies voor duurzame industrie (STUDI)

 

25.245

17.988

7.341

1.450

   

2027

2028

31

VEKI

 

123.699

131.500

86.984

42.218

15.435

7.700

2025

2029

2026

31

NIKI

12

4.490

34.032

64.520

30.253

14.100

28.099

 

2029

2030

31

Verduurzaming industrie

43.077

7.811

39.214

67.918

73.185

65.976

 

2023

2028

Jaarlijks

31

Infrastructuur duurzame industrie (PIDI)

41

      

Geen

2026

2025

31

NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie

55.393

79.009

67.450

72.450

72.450

91.200

111.250

Geen

2031

2028

31

Indirecte kosten compensatie ETS

159.805

89.000

574.239

505.088

505.000

505.000

505.000

2024

2028

2028

31

Investeringen Verduurzaming Industrie - Klimaat- en Energiefonds

61.110

      

2024

2029

2024

31

NGF - project Circulaire Plastics

12.787

22.354

28.267

26.131

15.337

11.450

10.500

Geen

2031

2025

31

NGF - project Biobased Circular

10.725

33.502

22.450

15.450

9.950

4.450

 

Geen

2033

2026

31

Stikstof aanpak piekbelasters

11.822

17.508

46.420

74.862

49.450

22.537

4.200

Geen

 

2028

31

Stimuleringsprogramma koolstofverwijdering klimaat- en Energiefonds

 

3.262

5.200

8.500

9.400

8.250

7.950

Geen

  

31

Social Climate Fund

  

9.000

    

Geen

 

2027

31

Projecten duurzame warmte/WarmtelinQ

3.000

229.900

69.425

114.500

53.500

14.500

14.500

Geen

2027

Geen

31

Subsidie Invest NL

15.000

      

Geen

  

31

Tijdelijk ondersteuningsmechanisme Windenergie Op Zee

      

215.916

Geen

  

31

Subsidie Nationale Deelneming Warmte

 

5.000

7.000

5.000

5.000

4.000

 

Geen

  

31

Energiebesparing MKB

  

40.834

10.965

5.835

420

1.570

Geen

 

2030

31

Diverse subsidies kernenergie

 

758

12.000

68.190

60.000

30.000

20.000

Geen

Geen

Geen

31

Plastics normering

  

4.358

306

   

Geen

  

31

Circulair doen en gedrag

  

3.114

4.064

4.264

1.304

 

Geen

  

31

Biobased Bouwen

   

320

   

Geen

  

31

Duurzame productieketens

  

12.899

9.033

7.138

5.521

1.710

Geen2

  
 

Totaal

3.772.487

4.297.385

6.002.669

6.652.847

5.057.997

5.905.139

4.828.914

   
1

Dit betreft uitfinanciering van oude subsidierondes. Hier vindt dus geen evaluatie meer voor plaats.

2

Betreffen diverse incidentele subsidies aan organisaties.

3

4

Zie SDE++. De regeling is opgevolgd door SDE++.

5

6

De uitgaven tot 2026 worden verantwoord onder de subsidie SDE+.

7

Betreft nieuw beleid. Datum volgende evaluatie is nog niet vastgesteld.

8

Dit betreft een jaarlijkse SPUK.

9

10

Betreft nieuw beleid. Einddatum subsidie is nog niet vastgesteld.

11

Uitgaven voor 2026 worden verantwoord onder de post Verduurzaming industrie

12

Uitgaven voor 2026 worden verantwoord onder de post Investeringen verduurzaming industrie

Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek 2022 (RPE 2022) is het overzicht met een planning van beleidsdoorlichtingen omgevormd tot een Strategische Evaluatie Agenda (SEA). In de afgelopen jaren is dat proces in de begroting van KGG tot stand gebracht. De overgang naar een SEA is nader toegelicht in de beleidsagenda, onderdeel ‘Strategische Evaluatieagenda’.

In deze ‘Bijlage Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda’ worden de beleidsthema’s in de SEA toegelicht en nader uitgewerkt met onderliggende instrumentevaluaties. Aanvullend volgt een overzicht met overige evaluaties die niet direct onder een beleidsthema zijn te plaatsen.

Strategische Evaluatie Agenda (SEA)

De SEA is gericht op onderstaande beleidsthema’s die de KGG-begroting afdekken. Deels gaat het om het opzetten van monitors en deels om het verkrijgen van inzicht in effecten van belangrijke beleidsmaatregelen. In deze evaluatiebijlage wordt toegelicht welke onderliggende evaluatieplanning hiermee samenhangt. Ook afgeronde evaluaties die input vormen voor de Periodieke Rapportage worden vermeld. Indien in de kolom «toelichting onderzoek» geen toelichting wordt vermeld, gaat het om reguliere periodieke evaluaties. In de kolom «vindplaats» staan links naar afgeronde onderzoeken, Kamerbrieven of relevante monitors die input vormen voor vervolgonderzoek en voor de «Periodieke Rapportage» (syntheseonderzoek) van het beleidsthema.

Overal waar artikel 2 of 4 genoemd wordt, wordt bedoeld artikel 2 of 4 van de voormalige EZK-begroting. Overal waar artikel 21 genoemd wordt, wordt bedoeld artikel 21 van de IenW-begroting vanwege overkomst van Circulaire Economie van IenW naar EZK.

Tabel 28 SEA-uitwerking: Energietransitie en Industrie

Thema/ instrumentevaluatie

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings-artikel

Vindplaats

Energietransitie en industrie

Periodieke rapportage

2029

Te starten

De Minister van Klimaat en Groene Groei zet zich met haar partners in voor de brede energietransitie naar een weerbaar energiesysteem en innovatief en duurzaam Nederland. De inzet is daarmee onder andere gericht op het verduurzamen van de industrie, energiezekerheid, betaalbaarheid, leveringszekerheid, het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen en het op orde brengen van de randvoorwaarden.Binnen EZK wordt datagedreven gewerkt. Medewerkers moeten daarvoor beschikken over data- en analyse instrumenten die ook gebruikt kunnen worden bij het uitvoeren van evaluaties. Jaarlijks wordt via de Klimaat- en Energienota gerapporteerd over de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van het klimaat- en energiebeleid. Uiteindelijk leidt dit tot aanpassingen van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) dat iedere twee en half jaar een update krijgt en iedere vijf jaar wordt herzien. Met deze werkwijze wordt aangesloten op de Strategische Evaluatie Agenda. De periodieke evaluatie richt zich daarom op de brede energietransitie als geheel, waarin nog verder richting wordt aangebracht.Binnen het thema Energietransitie en industrie wordt overkoepelend, maar ook op instrumentniveau geëvalueerd. Deze evaluaties helpen bij het beoordelen van de doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtvaardigheid. Ook wordt gekeken naar de rolverdeling tussen markt en overheid. Deze evaluaties vormen de basis voor het uitwerken van toekomstig beleid rondom de energietransitie, energieprijzen, energie-infrastructuur, industrie en klimaat. Zo kan er blijvend worden ingezet op een duurzaam en welvarend Nederland. Onder deze periodieke rapportage vallen verschillende evaluaties. Voorbeelden van evaluaties die onder dit overkoepelende thema vallen en de komende jaren op de agenda staan zijn: Energiebelasting, Energie Investeringsaftrek, Ondersteuning Cluster 6, SDE++, IPCEI Waterstof, Klimaat- en Energiefonds, Nationaal Plan Energiesysteem en Maatwerkaanpak.Ook zal gekeken worden naar uitkomsten van evaluaties van de departementen op het gebied van klimaat en energiebeleid bij EZK, BZK, LVVN en IenW. Reeds geplande relevante evaluaties in sectoren Gebouwde Omgeving, Landbouw & Landgebruik en Mobiliteit zijn weergegeven op de SEA’s/evaluatieplanningen van respectievelijk BZK, LVVN en IenW. De relevante monitors/evaluaties op de begroting van KGG voor de sectoren Elektriciteit en Industrie worden hieronder weergegeven.Daarnaast zullen de lessen uit het vorige Periodiek Evaluatieonderzoek meegenomen worden. Conform de lessen uit het synthese-onderzoek (CE Delft, 2024) zal er in evaluaties meer aandacht zijn voor normerende instrumenten en bezien worden hoe naast doelmatigheid en doeltreffendheid ook geëvalueerd kan worden op rechtvaardigheid zoals gedefinieerd in het Klimaatplan. Er wordt een onderzoek uitgezet over hoe te evalueren op rechtvaardigheid bij klimaat- en energiebeleid. Doel is dat hier een handreiking uit volgt die gebruikt kan worden bij toekomstige evaluaties.

31

 

Instrumentevaluaties sector Energie en Industrie:

   

Dashboard Klimaatbeleid

ex-durante

2020 e.v.

Lopend

Eind 2021 werd het «Dashboard Klimaatbeleid» gelanceerd. Het dashboard biedt jaarlijks een objectief inzicht in de voortgang van het beleid in het Klimaatplan (dat voor een belangrijk deel is bepaald door het Klimaatakkoord).

2 en 4

Dashboard Klimaatbeleid

Evaluatie Nationaal Plan Energiesysteem (NPE)

Ex-durante

2028

Te starten

In december 2023 is het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) gepubliceerd. Hierin staat dat het NPE wordt opgenomen in de nationaal klimaat- en energiecyclus en dus elke vijf jaar wordt geëvalueerd en herijkt. De (opbouw van de) monitor energiesysteem en de specifieke energie-gerelateerde instrumentenevaluaties vormen de basis voor de evaluatie, die zich zal richten op de werking van het NPE als beleidsinstrument. De evaluatie is daarmee een aanvulling op de monitor, de specifieke instrumentevaluaties en de meer ex ante ingerichte analyses zoals de KEV van PBL en het IBO bekostiging elektriciteitsinfrastructuur. Deze evaluatie zal plaatsvinden voorafgaand aan de herijking van het NPE in 2028.

31

 

IBO Bekostiging elektriciteitsinfrastructuur

Ex ante

2025

Afgerond

Interdepartementaal beleidsonderzoek over de omvang van de investeringen in de elektriciteitsinfrastructuur tot en met 2040 en de bekostiging en financiering ervan, vanuit het perspectief van Nederland en Europa.

31

Kamerstuk 29 023, nr. 553

      

Kamerstuk 29 023, nr. 567

Fiscale regelingen Energiebelasting

ex-post

2027

Te starten

In samenwerking met FIN; FIN heeft het voortouw.

31

 

Monitor RES 1.0 (Regionale Energie Strategie)

ex-durante /ex-post

2021 / 2023/ 2024

Afgerond

PBL monitort de voortgang van de RES’en. In de Monitor wordt gereflecteerd op de stand van zaken rond de RES. PBL analyseert of met de voorstellen van de 30 energieregio’s het doel van 35 terawattuur (TWh) nog steeds binnen bereik is, en kijkt daarbij naar de ontwikkelingen rond de thema’s ruimtelijke inpassing, maatschappelijk draagvlak en capaciteit van het elektriciteitsnetwerk.

4

Kamerstuk 32 813, nr. 1342

Monitor RES 2025

ex-durante/ ex-post

2026

Afgerond

Monitor van PBL.

4

Kamerstuk 29 023, nr. 643

Evaluatie Nationaal Programma Regionale Energie Strategie (NPRES)

ex-post

2024

Afgerond

 

4

Kamerstuk 31 239, nr. 404

Evaluatie Prijsplafond (CEK23)

ex-post

2026

Te starten

 

31

 

Evaluatie Tijdelijke Tegemoetkoming Blokaansluitingen (TTB)

ex-post

2026

Te starten

 

31

 

Evaluatie TSE-Mooi/DEI+/HER/TSE-Industrie Studies/TSE CCUS

ex-post

2027

Te starten

Evaluatie is een jaar naar voren gehaald. Afronding wordt voorzien in Q1 2027.

31

 

Evaluatie Energie Investeringsaftrek (EIA)

ex-post

2028

Te starten

De volgende evaluatie is beoogd in 2028. Gelet op de horizonbepaling t/m 31 december 2028 dient de evaluatie in het voorjaar 2028 opgeleverd te worden. EIA valt onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van FIN en KGG.

31

 

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

ex-post

2026

Afgerond

 

31

Kamerstuk 29 023, nr. 643

Evaluatie SDE++

ex-post

2024

Afgerond

De evaluatie richt zich op de eerste drie jaren waarin de SDE++ is verbreed naar het kosteneffectief verminderen van CO2-uitstoot (2020-2022). In de evaluatie is gekeken naar de doeltreffendheid, doelmatigheid en consistentie van de regeling.

4

Kamerstuk 31 239, nr. 387

Evaluatie SDE++

ex-post

2029

Te starten

 

31

 

Evaluatie Versterkte Uitvoering Energiebesparingsplicht

ex-post

2024

Afgerond

 

4

Kamerstuk 30196, nr. 832

Tussenevaluatie specifieke uitkering toezicht en handhaving energiebesparingsplicht

overig

2024

Afgerond

 

4

Kamerstuk 30196, nr. 832

Evaluatie subsidieregeling verduurzaming MKB

ex-post

2024

Afgerond

 

4

Kamerstuk 30196, nr. 832

Evaluatie nadeelcompensatie productiebeperking kolencentrales

ex-post

2024

Afgerond

 

4

Kamerstuk 35 668, nr. 54

Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE)

ex-post

2025

Afgerond

Dit betreft een reguliere vijfjaarlijkse ex-post evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de ISDE regeling.

31

Kamerstuk 31 239, nr. 425

Evaluatie Regeling Indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS)

ex-post

2028

Te starten

 

31

 

Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie (NIKI)

ex-post

2029

Te starten

 

31

 

Speelveldtoets impact klimaatbeleid industrie

ex-ante

2025

Afgerond

Dit vindt jaarlijks plaats.

31

Kamerstuk 33 043, nr. 114

Speelveldtoets impact klimaatbeleid industrie

ex-ante

2026

Afgerond

 

31

Kamerstuk 29 826, nr. 307

Speelveldtoets impact klimaatbeleid industrie

ex-ante

2027

Te starten

 

31

 

Speelveldtoets impact klimaatbeleid industrie

ex-ante

2028

Te starten

 

31

 

Evaluatie Subsidie Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie (VEKI)

ex-post

2025

Afgerond

 

2

Kamerstuk 31 239, nr. 422

Evaluatie Subsidie Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie (VEKI)

ex-post

2029

Te starten

 

31

 

Evaluatie minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking

ex-post

2026

Afgerond

In samenwerking met FIN; KGG heeft het voortouw. Binnen 3 jaar na inwerkingtreding is er een evaluatie van de wet (maart 2022 inwerking getreden); dit is wettelijk vastgelegd. Voor het belastingplan 2024 is er een tussenevaluatie die alleen naar het prijspad van de wet kijkt (zie Kamerstuk 35 216, H).

31

Kamerstuk 32 813, nr. 1553

Evaluatie nationale CO2-heffing industrie

ex-post

2026

Afgerond

In samenwerking met FIN; KGG heeft het voortouw.

31

Kamerstuk 32 813, nr. 1553

Onderzoek naar impact beleidsopties waterstof-instrumentarium op ontwikkeling van de waterstofmarkt

ex-ante

2023

Afgerond

Het doel van het onderzoek is het kwalitatief en kwantitatief onderzoeken van een aantal beleidsmixen bestaande uit productiesubsidie, een afnameverplichting en vraagsubsidies (allemaal voor hernieuwbare waterstof) met betrekking tot het waterstofinstrumentarium op 1) de ontwikkeling van vraag en aanbod van waterstof in 2030 en 2035, 2) de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie, 3) potentiële verdringing van andere verduurzamingsopties voor bedrijven.

4

Kamerstuk 32 813, nr. 1314

IPCEI waterstof

ex-post

2025/2026

Lopend

De evaluatie start uiterlijk 2025 (Kamerstuk 32 813, nr. 972).

31

 

Evaluatie Subsidieregeling Opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse (OWE)

ex-durante

2025

Afgerond

Als voorwaarde voor toekenning van de Klimaatfondsmiddelen uit het MJP 2025 moet KGG de leereffecten uit de eerste twee OWE-tenders meenemen. Evaluatie liep van najaar '24 tot voorjaar '25.

31

Kamerstuk 32 813, nr. 1529

WarmtelinQ

ex-post

2027

Te starten

De realisatie van WarmtelinQ is nog niet volledig voltooid. De planning is dat de route tot Den Haag voorjaar 2027 in gebruik wordt genomen en rond 2028 de regio Leiden ontsloten wordt. Formeel loopt de beschikking voor de investeringssubsidie tot 2027. Door een financiele tegenvaller is in najaar 2025 een extra capex-subsidie toegezegd en worden de subsidies in 2026 opnieuw vormgegeven, de bestaande reserveringen worden hiervoor gebruikt en mogelijk opgehoogd met een extra bijdrage vanuit het Rijk. Dit besluit wordt in de augustusbesluitvorming 2026 genomen.

31

 

Evaluatie Warmtenetten investeringssubsidie (WIS)

ex-post

2027

Te starten

De evaluatie start in 2027, zoals overeengekomen in het evaluatieplan met de Europese Commissie.

31

 

Evaluatie Nieuwe Warmte Nu!

ex-durante

2027/2030

Lopend

Indien het verzoek om de regeling te verlengen wordt gehonoreerd verschuift het eindrapport naar 2030.

31

 

Garantieregeling Geothermie: 'Risico's dekken voor aardwarmte (RNES Aardwarmte)

ex-post

2026

Afgerond

 

31

Kamerstuk 32 849, nr. 296

Evaluatie Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM)

ex-post

2027

Te starten

 

31

 

Evaluatie Sociale Effecten Mijnbouw (SEM)

ex-post

2029

Te starten

 

31

 

Evaluatie Commissie Mijnbouwschade

ex-post

2025

Afgerond

Betreft evaluatie over de periodes juli 2021-juni 2022 en juli 2022-juni 2023.

31

Kamerstuk 32 849, nr. 267

Evaluatie Commissie Mijnbouwschade

ex-post

2026

Afgerond

Betreft evaluatie over de periodes juli 2023-juni 2024 en juli 2024-juni 2025.

31

Kamerstuk 32 849, nr. 294

Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK)

Ex-durante / ex-post

2028

Te starten

Eerste PMIEK ronde is gestart op 30 maart 2023. Betreft evalueren van twee cycli van CES/PMIEK en de effecten daarvan op de investeringsplannen van netbeheerders na 5 jaar.

31

 

Nationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI)

onderdeel van periodieke rapportage

2029

Te starten

NPVI is een coördinatieorgaan om voortgang en knelpunten te bespreken/weg te nemen. Dit wordt niet apart geëvalueerd (geen specifiek budget), maar loopt mee in de periodieke rapportage Energietransitie en Industrie.

31

 

Evaluatie Wetenschappelijke Klimaatraad (WKR)

ex-post

2026

Lopend

Volgens het instellingsbesluit wordt de WKR na drie jaar (november 2026) geëvalueerd op de taakvervulling. De WKR zal deze evaluatie zelf in gang zetten en extern laten uitvoeren. Directie Klimaat ziet daarop toe. De WKR heeft toegezegd daarin kostenefficiëntie mee te nemen. Aangezien de WKR tot 2030 uit het Klimaat- en Energiefonds gefinancierd wordt, zal de evaluatie ook moeten stilstaan bij de bijdrage aan de doelen van het Klimaat- en Energiefonds.

31

 

Evaluatie Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds

ex-durante

2027

Te starten

In de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds is bepaald dat de Minister binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet een evaluatieverslag uitbrengt over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. De wet is als Tijdelijke wet Klimaatfonds in 2024 in werking getreden en op 1-1-2026 hernoemd. Conform de Memorie van Toelichting is het plan om al in 2026 een integrale evaluatie te laten plaatsvinden die in 2027 wordt afgerond. Op deze manier kunnen de inzichten uit de evaluatie nog worden gebruikt ten behoeve van de fondsbegrotingen van 2028 tot en met 2030. Voor de evaluatie zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij de systematiek van evaluatie van het klimaatbeleid en de Strategische Evaluatie Agenda (SEA). Naast doeltreffendheid en de effecten van de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds in de praktijk zal in de integrale evaluatie ook naar overige aspecten van het functioneren van het Klimaat- en energiefonds worden gekeken, zoals de zorgvuldigheid van de besluitvorming. Verder wordt ook bezien hoe (verdelende)rechtvaardigheid zoals gedefinieerd in het Klimaatplan kan worden meegenomen.

Klimaat- en Energiefonds-begroting

 

NGF - project Groenvermogen

ex-durante

2027

Te starten

Tussenevaluatie omdat de tijd tussen start en verwachte einddatum van het project langer dan zeven jaar bedraagt.

31

 

NGF - project Groenvermogen

ex-post

2031

Te starten

Betreft een projectevaluatie als onderdeel van het Nationaal Groeifonds (NGF)

31

 

NGF - project Circular Plastics

ex-durante

2026

Lopend

Midterm review met ook aandacht voor doeltreffendheid en doelmatigheid.

31

 

NGF - project Circular Plastics

ex-post

2031

Te starten

Betreft een projectevaluatie als onderdeel van het Nationaal Groeifonds (NGF)

31

 

NGF - project Biobased Circular

ex-durante

2029

Te starten

Tussenevaluatie omdat de tijd tussen start en verwachte einddatum van het project langer dan zeven jaar bedraagt.

31

 

NGF - project Biobased Circular

ex-post

2033

Te starten

Betreft een projectevaluatie als onderdeel van het Nationaal Groeifonds (NGF)

31

 

NGF-project Circulaire geïntegreerde hoogrendementszonnepanelen (SolarNL)

ex-post

2032

Te starten

Betreft een projectevaluatie als onderdeel van het Nationaal Groeifonds (NGF)

31

 

NGF-project Nieuwe Warmte Nu!

ex-post

2028

Te starten

Betreft een projectevaluatie als onderdeel van het Nationaal Groeifonds (NGF)

31

 

Tariefbepaling 2035 Jaarverplichting

ex-ante

2029

Te starten

 

31

 

Maatwerk aanpak

ex-post

2027

Te starten

 

31

 

Flexregeling elektriciteitsinfra

ex-post

2029

Te starten

 

31

 

Programma Stimulering Energiehubs

ex-post

2030/2031

Te starten

Dit Stimuleringsprogramma beoogt een versnelling aan te brengen in de ontwikkeling van lokale ‘energiehubs’ en daarmee de bestuurlijke ambitie van 500 energiehubs in 2030 binnen handbereik te brengen, door het lokaal ondersteunen van de ontwikkeling ervan, door kennis te ontwikkelen en uit te wisselen en door knelpunten waar nodig weg te nemen.

31

 
Tabel 29 SEA-uitwerking: Herziening regelgevend kader

Thema/ instrumentevaluatie

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings-artikel

Vindplaats

Evaluaties van herziening in regelgevend kader (o.a. Energiewet en Warmtewet)

Periodieke Rapportage

2031

Te starten

Betreft synthese van evaluaties van de Energiewet en Warmtewet. Per 1 januari 2026 is de Energiewet in werking getreden, ter vervanging van de Elektriciteit en Gaswet. Deze wet zal naar alle waarschijnlijkheid vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd worden. Dit zal waarschijnlijk in 2031 gebeuren. De nieuwe Warmtewet (Wet collectieve warmte) is in 2025 door de Kamers aangenomen en zal naar verwachting begin 2027 in werking treden. Deze wet zal net als de Energiewet naar alle waarschijnlijkheid vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd worden.

31

 

Instrumentevaluatie / monitor:

   

Evaluatie experimenten die voortkomen uit het Besluit experimenten decentrale duurzame elektriciteitsopwekking

overig

2025

Afgerond

 

31

Tussentijdse evaluatie Besluit Experimenten decentrale duurzame elektriciteitsopwekking

Vulmaatregelen gasopslag

ex-post

2024

Afgerond

Zoals verplicht op grond van de Verordening gasleveringszekerheid wordt het Bescherm- en Herstelplan Gas (BHG) in 2023 op basis van een evaluatie geactualiseerd (Kamerstuk 29 023, nr. 418). De visie gasopslag is op 23 juni 2023 naar de Kamer gegaan (Kamerstuk 29 023, nr. 442). Het BHG is inmiddels geëvalueerd en geüpdate en op 27 maart 2024 naar de Kamer gezonden. In 2027 zal het BHG opnieuw worden geactualiseerd. Daarnaast wordt ook gewerkt aan een kamerbrief over strategisch gasbeleid, waarmee wordt voortgebouwd op de eerdere visie gasopslagen. Deze zal in de zomer 2026 met de Tweede Kamer worden gedeeld.

4

Kamerstuk 29 023, nr. 494

Evaluatie Energiewet

ex-post

2031

Te starten

De Energiewet is per 1 januari 2026 in werking getreden. Evaluatie na 5 jaar.

31

 

Evaluatie Programma Energiehoofdstructuur (PEH)

ex-durante

2026

Lopend

Doel is monitoring van de doorwerking van PEH in de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen en een evaluatie wat hieraan verbeterd kan worden.

31

 

Evaluatie Wet collectieve warmtevoorziening

ex-post

2032

Te starten

Als de wet 2027 in werking treedt, zal de evaluatie in 2032 plaatsvinden.

31

 

Beleidsverkenning energiearmoede en de energietransitie

ex-ante

2025

Afgerond

Doel van deze verkenning is het kwalitatief en kwantitatief in kaart brengen van de effecten van beleid op energiearmoede, en inzicht bieden in welk beleid energiearmoede zou kunnen doen afnemen.

31 (NB: raakt ook andere begrotingen en artikelen)

Kamerstuk 29 023, nr. 603

Tabel 30 SEA-uitwerking: Duurzaamheid

Thema/ instrumentevaluatie

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings-artikel

Vindplaats

Duurzaamheid

Periodieke Rapportage

2026

Lopend

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) dienen ministers hun beleid eens per 4 tot 7 jaar te evalueren op doeltreffendheid en doelmatigheid. De vorige beleidsdoorlichting van artikel 21 IenW is afgerond in 2019 en betrof de onderzoeksperiode 2011‒2017. De komende Periodieke Rapportage zal betrekking hebben op de periode 2018‒2024 en betreft nog uitgaven van artikel 21 van de IenW-begroting. Vanwege de overkomst van Circulaire Economie naar van IenW naar EZK wordt dit onderzoek hier vermeld.

21

 

Instrumentevaluatie / monitor:

   

Monitoring: Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER)

Monitoring

2027

Lopend

De integrale circulaire-economierapportage (ICER) is een tweejaarlijks product van PBL dat zicht geeft op de stand van zaken in de transitie naar een circulaire economie.

31

 

Monitoring: Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER)

Monitoring

2025

Afgerond

Ondanks de initiatieven in de maatschappij op het gebied van de circulaire economie, laat het grote plaatje in deze ICER zien dat diverse trends nog niet de goede kant opgaan. Zo lukt het nog niet om structureel minder grondstoffen te gebruiken en zijn de leveringsrisico’s van de meeste kritieke grondstoffen toegenomen. Verder zijn voor veel circulaire producten nog geen markten aanwezig. Om dat te bevorderen en de transitie naar een circulaire economie te versnellen is concreet en ambitieus beleid nodig op nationaal en Europees niveau.

21

ICER

Monitoring: Landelijke zwerfafvalmonitor

Monitoring

2026

Doorlopend

In opdracht van Rijkswaterstaat wordt jaarlijks de Landelijke zwerfafvalmonitor uitgevoerd. Aan de hand van een gestandaardiseerde werkwijze wordt op meerdere momenten in het jaar, op diverse plekken in het land en op verschillende gebiedstypen de samenstelling en de hoeveelheid zwerfafval gemonitord. Jaarlijks wordt hierover gerapporteerd aan de Kamer. De rapportages worden gebruikt voor beleidsontwikkeling (nieuwe soorten in het zwerfafval), beleidsevaluatie (aantal statiegeldverpakkingen in het zwerfafval) en beleidsmonitoring (samenstelling en hoeveelheid zwerfafval).

21/31

Landelijke Zwerfafvalmonitor 2025: hoeveelheid fijn en grof zwerfafval neemt licht toe | Afval Circulair

Monitoring: Circulair Textiel Beleidsprogramma

Monitoring

2026

Doorlopend

Het Beleidsprogramma Circulair Textiel 2025–2030 heeft als ambitie een volledig circulaire textielketen in 2050. Om de voortgang van de beleidsdoelstellingen te volgen, wordt jaarlijks een monitor opgesteld en aan de Tweede Kamer gerapporteerd. De meest recente monitor heeft betrekking op 2023 en laat zien dat er kansen liggen voor een meer circulaire textielketen, maar dat de beleidsdoelstellingen nog niet binnen bereik zijn. Met name de hoeveelheid nieuw gekochte kleding blijft een grote uitdaging: in plaats van een afname steeg het aantal nieuw gekochte kledingstukken. Daarnaast blijft het aandeel duurzame en gerecyclede materialen ver achter bij de doelstellingen en neemt kledingreparatie slechts beperkt toe. Hoewel het aandeel tweedehands textiel groeit en de totale hoeveelheid textielafval aanzienlijk is afgenomen, zijn deze ontwikkelingen nog onvoldoende om de stijgende productie en consumptie van nieuw textiel te compenseren. De monitor onderstreept daarmee dat aanvullende maatregelen nodig zijn om de transitie naar een circulaire textielketen in 2050 te realiseren.

21/31

Monitor Circulair Textiel - Peiljaar 2023 | Rijksoverheid.nl

Monitor biogrondstoffen

Monitoring

2026

Lopend

In het duurzaamheidskader biogrondstoffen is toegezegd dat de inzet van biogrondstoffen gemonitord zal worden. Het CBS (datavoorziening) stelt samen met de RVO (duiding) een monitor op. De verwachting is dat deze eerste versie dit najaar gereed is. Het is een opzet voor een tweejaarlijkse periodieke monitor.

21/31

 

Plastic Pact NL

Monitoring

2024

Afgerond

De laatste monitor Plastic Pact NL is op 12 februari 2024 naar de Tweede Kamer gestuurd. Dit was de laatste monitor, omdat het Plastic Pact NL per 1 januari 2024 is gestopt.

21

Kamerstuk 32 852, nr. 293

Wegwerp plastics

Ex ante

2025

Afgerond

Gedragsonderzoek naar drivers en belemmeringen voor hergebruik bij de consument: bij de overgang naar hergebruik spelen consumentengewoonten en percepties een grote rol, men is gewend aan wegwerp. Dit onderzoek heeft in kaart gebracht hoe consumenten meegenomen kunnen worden om hun gedrag aan te passen aan de nieuwe situatie met meer hergebruik.

21

Gedragsstrategie Burgers en Economie

Evaluatie reductiemaatregelen SUP

Ex durante

2024

Afgerond

Zoals opgenomen in de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik, zijn in 2024 de reductiemaatregelen voor plastic bekers en bakjes voor eenmalig gebruik geëvalueerd. De evaluatie is op 13 december 2024 naar de Tweede Kamer gestuurd, met in dezelfde brief een beleidslijn hoe opvolging wordt gegeven aan de evaluatie. Uit de evaluatie komt naar voren dat het erop lijkt dat de Europese verplichting voor deze bekers en bakjes door Nederland behaald gaat worden. Wel zijn er mogelijkheden om de regelgeving duidelijker en effectiever te maken. In de Kamerbrief is aangegeven hoe het kabinet hiermee omgaat. De UPV wegwerpplastic is in 2024 nog niet geëvalueerd. Dit wordt gedaan als de eerste cyclus van de UPV doorlopen is.

21

Kamerstuk 30 872, nr. 303

Evaluatie UPV zwerfafval

Ex post

2027

Nog te starten

In 2024 is voor het eerst uitvoering gegeven aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor zwerfafval. Op basis van deze UPV betalen producenten van bepaalde kunststofproducten (verpakkingen, sigarettenfilters, vochtige doekjes en ballonnen) mee aan de kosten die publieke gebiedsbeheerders (o.a. gemeenten, provincies en waterschappen) maken voor het opruimen van die producten in het zwerfafval. In de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik staat dat na twee jaar de effecten van met name de reductiemaatregelen worden onderzocht, maar ook de werking van de UPV onder de loep wordt genomen. Besloten is om de UPV te evalueren nadat een de eerste uitvoeringscyclus is afgerond. Op dit moment is de eerste uitvoeringscyclus in de afrondende fase. De evaluatie wordt nu opgestart.

31

 

Evaluatie statiegeldregelgeving

Ex durante

2025

Afgerond

Zoals voorgeschreven in de wetgeving zijn de regels voor statiegeld geëvalueerd. Met deze brief ontvangt de Kamer het verslag van de evaluatie. Daaruit blijkt dat statiegeld een succes is. Sinds de invoering van statiegeld op plastic flessen en op blikjes is het aantal flessen en blikjes dat in het zwerfafval belandt met ongeveer 70% gedaald. De apart ingezamelde materialen worden hoogwaardig gerecycled, waardoor van de kostbare grondstoffen nieuwe plastic flessen en blikjes kunnen worden gemaakt. 80% van consumenten geeft desgevraagd aan statiegeld een (heel) goed idee te vinden.

21

Kamerstuk 28 694, nr. 158

Evaluatie recycling- en hergebruikdoelstellingen Besluit beheer Verpakkingen

Ex post

2025

Afgerond

Het Bbv kent recyclingdoelstellingen en gecombineerde hergebruik- en recyclingdoelstellingen, ook wel circulariteitsdoelstellingen genoemd, voor verschillende verpakkingsmateriaalstromen. Daarnaast is er een 70% recyclingdoelstelling voor alle verpakkingen. In de evaluatie wordt geconcludeerd dat al deze doelstellingen in de geëvalueerde periode zijn behaald. Als onderdeel van de evaluatie is onderzocht welke factoren een positief effect hebben gehad op het behalen van de doelstelling. Daartoe zijn er interviews uitgevoerd met verschillende stakeholders, zoals vertegenwoordigers van producenten en afvalinzamelaars en de maatschappelijke organisatie Fair Resource Foundation.

21

Kamerstuk 28 694, nr. 160

Evaluatie Versnellingshuis Nederland Circulair!

Ex-durante

2027

Te starten

In 2027 wordt het instrument «Versnellingshuis» geëvalueerd.

31

 

Onderzoek Storten

Overig

2026/2027

Lopend

Het werkprogramma storten is op 11 juni 2024 naar de Tweede Kamer verzonden. In dit werkprogramma zijn verschillende acties opgenomen. Ter uitvoering van het werkprogramma zijn inmiddels 2 onderzoeken afgerond (inventarisering technische vereisten stortplaatsen en nazorg stortplaatsen) en zullen nog meerdere onderzoeken uitgevoerd worden (moratotium, technische richtlijnen, introductie Duurzaam stortbeheer)

31

 

Onderzoek Circulair Materialenplan

Overig

2027

Nog te starten

Ten behoeve van de ontwikkeling van het Circulair Materialenplan (CMP) wordt een aanvullende MER geschreven naar aanleiding van de opmerkingen van de Commissie MER. Hierin worden naast de aanvullingen ook nieuwe beleidsvoornemens voor het CMP meegenomen.

31

 

Onderzoek Afvalstof of product

Ex ante

2023

Afgerond

Onderzoek ten behoeve van overige acties uit de verkenningen uit 2021 op het terrein van de beoordeling van afvalstof of product (zie ook kamerbrief Opvolging verkenningen Taskforce Herijking Afvalstoffen, 1 maart 2021 (zie: Kamerstuk 32 852, nr. 140). Dit ondersteunende onderzoek is naar verwachting nodig om verder uitwerking te geven aan de resterende acties uit de kamerbrief van 21 maart 2021. Het treffen het opstellen van diverse ministeriële regelingen en handreikingen en het inrichten van een kennisplatform voor omgevingsdiensten bij hun beoordeling van materiaalstromen om kennis op te doen en uit te wisselen. Momenteel wordt er zowel aan de ministeriële regelingen en handreikingen als aan de oprichting van het Kennisplatform gewerkt. Dat laatste samen met IPO, VNG en Omgevingsdienst NL.

21

Handreiking afvalstof of niet-afvalstof

Onderzoek Storten

Ex ante

2024

Afgerond

Op basis van onderzoek uit 2022 over de positie van storten in een circulaire economie is er in 2023 een werkprogramma opgezet met concrete acties. Verwacht wordt dat er nog nader onderzoek nodig is om tot het opstellen van het werkprogramma te komen. Het werkprogramma is op 11 juni 2024 naar de Tweede Kamer verzonden.

21

Kamerstuk 30 872, nr. 299

Onderzoek Circulair Materialenplan

Ex ante

2025

Agerond

Ten behoeve van de ontwikkeling van het Circulair Materialenplan, als opvolger van het Landelijk Afvalbeheerplan, brengt de m.e.r. de milieueffecten in beeld voor de belangrijkste nieuwe beleidsvoornemens die mogelijk een plek krijgen in het CMP. Speerpunt bij de m.e.r. vormt de hoogwaardige verwerking van materiaalstromen. De resultaten en beleidsreactie zijn samen met het ontwerp CMP op 8 januari 2025 naar de Tweede Kamer gezonden ihkv de inspraakprocedure.

21

Kamerstuk 30 872, nr. 305

Meerjarenplanning van overige geplande evaluaties/doorlichtingen die niet of deels onder voornoemde thema's vallen:

Tabel 31 SEA-uitwerking: Overige evaluaties/doorlichtingen

Thema/ overige evaluaties

Type onderzoek

Afronding

Status

Toelichting onderzoek

Begrotings-artikel

Vindplaats

Doorlichting Agentschap NEa

overig

2028

Te starten

 

31

 

Evaluatie EBN

ex-post

2030

Te starten

 

31

 

Evaluatie Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)

ex-post

2026

Te starten

 

31

 

Bijlage 5: Rijksbreed overzicht klimaatuitgaven

In deze bijlage is een totaaloverzicht opgenomen van alle uitgaven van alle ministeries ten behoeve van het klimaatbeleid en de verduurzaming van de energievoorziening. Deze tabel bevat alle voorgenomen uitgaven op departementale begrotingen die onder de gestelde definitie van klimaatuitgaven vallen. De definitie, zoals expliciet gedefinieerd in de kabinetsreactie op het rapport ‘Inzicht in uitgaven klimaatbeleid’ van de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk 32 813, nr. 1235), luidt:

«Klimaatuitgaven zijn alle uitgaven die als hoofddoel hebben om bij te dragen aan het nationale klimaatbeleid gericht op de reductie van broeikasgassen en de verduurzaming van de energievoorziening. Hierbij kan het gaan om uitgaven gericht op de productie en het gebruik van broeikasgas-neutrale energie, op energiebesparing, op directe beperking van uitstoot van broeikasgassen of om vastlegging van broeikasgassen.»

De klimaatuitgaven worden in tabel 32 op dezelfde manier gepresenteerd als in de budgettaire tabel van de begroting van het departement dat de beleidsinhoudelijke verantwoordelijkheid draagt en zijn gegroepeerd op basis van de sectorindeling van het Klimaatplan waaraan de uitgaven het meest direct bijdragen. Sommige uitgaven dragen echter ook bij aan de verduurzaming van andere sectoren. De tabel geeft weer in welke departementale begroting en welk beleidsartikel de uitgaven feitelijk staan. Hier is ook de toelichting van de uitgaven te vinden.

Sommige van deze uitgaven zijn gefinancierd met middelen afkomstig uit het Klimaat- en energiefonds (KEF). In die gevallen zijn de uitgaven naast de departementale begroting ook in de begroting van het KEF te vinden. Dit komt doordat het KEF werkt met een overhevelingssystematiek waarbij middelen overgeheveld worden van het KEF naar de betreffende departementale begroting. Deze uitgaven worden daarom ook toegelicht in de begroting van het KEF en in het Meerjarenprogramma Klimaat- en energiefonds.

In tabel 33 worden de relevante fiscale voordelen vermeld die onder de definitie van klimaatuitgaven vallen, hoewel dit feitelijk gezien geen uitgaven zijn maar gederfde inkomsten.

In tabel 34 wordt een overzicht gegeven van de bijdragen van het Rijk aan de netbeheerders. Deze bijdragen staan op de Rijksbegroting en vallen onder de definitie van klimaatuitgaven, maar zijn van een andere aard dan de rest van de uitgaven in het overzicht klimaatuitgaven. Het betreft financiële transacties zonder effect op het EMU-saldo. In bijlage 15 Investeringen netbeheerders van de Miljoenennota zijn daarnaast de investeringsprognoses van de netbeheerders opgenomen.

In de tabellen zijn de bedragen voor de relevante departementen geactualiseerd op basis van stand ontwerpbegroting 2027.

Tabel 32 Totaaloverzicht van uitgaven in het kader van klimaatbeleid (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

TOTALE UITGAVEN IN HET KADER VAN KLIMAATBELEID

7.568.781

6.527.464

7.676.486

9.051.625

7.591.828

8.271.389

5.444.043

        

ELEKTRICITEIT

4.016.492

3.467.309

3.300.773

3.250.499

3.357.184

3.417.053

2.989.570

[KGG, art 31, subsidie] SDE

614.390

347.437

439.091

434.157

420.771

337.137

67.877

[KGG, art 31, subsidie] SDE+

1.748.221

884.375

999.253

951.089

930.285

915.614

825.629

[KGG, art 31, subsidie] SDE++ (incl. kolenmaatregelen en statistische overdracht)

91.782

610.290

201.460

376.316

616.846

874.065

1.324.900

[KGG, art 31, subsidie] Flankerend beleid WOZ

0

62.412

101.569

83.233

88.667

65.303

72.124

[KGG, art 31, subsidie] Structurele kosten WOZ

0

7.754

15.200

25.564

27.836

27.522

22.571

[KGG, art 31, subsidie] Flankerend beleid SDE+

0

81.041

34.151

22.038

20.615

20.615

9.060

[KGG, art 31, subsidie] Subsidiering TenneT Net op Zee

0

181.000

181.000

181.000

181.000

181.000

181.000

[KGG, art 31, subsidie] Tijdelijk ondersteuningsmechanisme Windenergie Op Zee

0

0

0

0

0

0

215.916

[KGG, art 31, subsidie] Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

7.485

6.244

5.247

17.661

15.478

18.021

18.432

[KGG, art.31, storting] Storting in begrotingsreserve duurzame energie

822.413

293.433

0

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] ISDE-regeling

522.586

501.040

498.971

473.344

419.792

346.991

31

[KGG, art 31, subsidie] Missiegedreven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

60.899

68.891

78.806

70.338

61.945

33.330

15.543

[KGG, art 31, subsidie] Demonstratieregeling Klimaat en Energie-innovatie (DEI+)

52.575

79.976

301.324

300.174

283.894

384.726

114.541

[KGG, art 31, subsidie] Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

18.719

11.203

6.834

1.092

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] NGF-project Circulaire zonnepanelen

14.876

28.683

18.413

15.171

9.000

27.328

0

[KGG, art 31, subsidie] Efficiëntere benutting elektriciteitsnetten

3.171

2.079

37.664

28.892

22.022

19.685

0

[KGG, art 31, subsidie] Realisatie Zon op Zee

60

1.643

11.238

6.945

17

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Subsidieregeling flexibiliteit

10.085

29.854

33.082

3.500

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Energiecoöperaties en burgerbetrokkenheid energietransitie

265

3.844

3.747

3.673

900

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Correctieregeling duurzame warmte

426

0

0

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Diverse subsidies kernenergie

0

758

12.000

68.190

60.000

30.000

20.000

[KGG, art 31, opdracht] Projecten Kernenergie

16.018

56.711

80.151

44.399

29.857

26.938

2.665

[KGG, art 31, opdracht] Programma Opwerk Energie op Rijksvastgoed (OER)

17.830

16.396

20.368

3.093

796

0

0

[KGG, art 31, opdracht] Onderzoek en opdrachten

14.691

21.626

37.507

38.174

20.703

19.161

12.844

[KGG, art 31, opdracht] CfD tender Hernieuwbaar op Land (SDE-domein)

0

0

0

0

0

627

6.557

[KGG, art 31, lening] Lening NEO.NL

0

68.600

58.400

0

0

0

0

[KGG, art 31, vermogensverschaffing] Kapitaalstorting NEO.NL

0

45.000

0

0

0

0

0

[KGG, art 31, bijdrage mede-overheden] Gebiedsinvestering

0

57.019

125.297

102.456

146.760

88.990

79.880

        

INDUSTRIE

319.119

565.164

1.354.334

2.164.028

1.075.023

1.060.929

1.389.109

[KGG, art 31, subsidie] Verduurzaming industrie

43.077

7.811

39.214

67.918

73.185

65.976

0

[KGG, art 31, subsidie] Maatwerkaanpak industrie

0

37.527

150.811

134.869

24.854

19.963

0

[KGG, art 31, subsidie] Studies voor Duurzame Industrie (STUDI)

0

25.245

17.988

7.341

1.450

0

0

[KGG, art 31, subsidie] VEKI

0

123.699

131.500

86.984

42.218

15.435

7.700

[KGG, art 31, subsidie] NIKI

0

4.490

34.032

64.520

30.253

14.100

28.099

[KGG, art 31, subsidie] Infrastructuur duurzame industrie (PIDI)

41

0

0

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie

55.393

79.009

67.450

72.450

72.450

91.200

111.250

[KGG, art 31, subsidie] NGF - project Circulaire Plastics

12.787

22.354

28.267

26.131

15.337

11.450

10.500

[KGG, art 31, subsidie] Stimuleringsprogramma koolstofverwijdering klimaat- en energiefonds

0

3.262

5.200

8.500

9.400

8.250

7.950

[KGG, art 31, opdracht] Energie-efficiency

1.326

1.746

1.750

1.324

1.593

1.598

1.606

[KGG, art 31, subsidie] Investeringen Verduurzaming Industrie - Klimaatfonds

61.110

0

0

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Subsidie project Djewels

295

12.636

25.893

11.629

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Opslag waterstof

0

200

0

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Carbon Capture Storage CCS

1.885

2.650

11.753

333.997

334.274

333.918

329.228

[KGG, art 31, subsidie] MIEK

1.626

3.624

5.831

5.497

5.246

4.324

0

[KGG, art 31, subsidie] Subsideregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS)

2.319

1.878

429

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Opschalingsinstrument waterstof

14.662

98.811

427.875

669.557

298.631

291.858

878.287

[KGG, art 31, subsidie] Investeringen waterstofbackbone

53.300

0

154.961

393.822

70.000

0

0

[KGG, art 31, subsidie] IPCEI Waterstof

34.683

86.318

195.438

219.066

71.862

183.983

0

[KGG, art 31, subsidie] Invest NL

15.000

0

0

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] NGF - project Biobased Circular

10.725

33.502

22.450

15.450

9.950

4.450

0

[KGG, art 31, lening] Verduurzaming industrie

0

10.500

16.546

28.013

0

0

0

[KGG, art 31, opdracht] Verduurzaming industrie

2.041

0

0

0

0

0

0

[KGG, art 31, bijdrage mede-overheden] Regeling toezicht energiebesparingsplicht

8.849

9.902

16.946

16.960

14.320

14.424

14.489

        

GEBOUWDE OMGEVING

1.595.733

1.556.374

1.620.139

1.348.245

1.015.864

1.694.099

496.236

[VRO, art 2, subsidie] Subsidie verduurzaming en onderhoud huurwoningen

11.308

23.013

16.396

35.654

17.947

25.761

15.311

[VRO, art 2, subsidie] Nationaal isolatie Programma

0

0

980

980

980

980

0

[VRO, art 2, subsidie] Energiebeparing Koopsector

34.387

50.296

56.281

30.378

21.152

24.604

35

[VRO, art 2, subsidie] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

228.924

141.376

438.631

430.137

311.275

175.316

197.011

[VRO, art 2, subsidie] Energietransitie en duurzaamheid

26.666

22.684

20.693

19.113

15.394

14.095

9.697

[VRO, art 2, subsidie] Renovatieversneller

31.837

20.136

13.627

11.341

3.150

2.350

0

[VRO, art 2, subsidie] SAH

59.896

24.605

22.760

15.980

6.360

10.200

42.500

[VRO, art 2, subsidie] Warmtefonds

216.031

339.460

103.020

112.850

112.300

96.059

0

[VRO, art 2, subsidie] Energiehuis

0

0

3.800

3.800

3.800

3.800

0

[VRO, art 2, subsidie] Nationaal Groeifonds

19.367

16.827

24.360

11.000

2.400

0

0

[VRO, art 2, subsidie] Biobased Bouwen

12.818

10.965

5.906

4.974

0

0

0

[VRO, art 2, subsidie] Ontzorgen Vereiniging van Eigenaren

6.257

4.365

4.777

5.303

5.072

4.919

0

[VRO, art 2, subsidie] Maatschappelijk Vastgoed Fonds

49.900

30.000

55.000

30.000

30.000

30.000

0

[VRO, art 2, subsidie] verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

77.074

77.419

78.250

1.500

1.500

1.500

1.500

[VRO, art 2, subsidie] SAH warmteprojecten

0

15.000

23.500

0

0

38.500

0

[VRO, art 2, subsidie] Digitalisering en innovatie

0

7.157

5.906

5.356

5.424

1.597

150

[VRO, art 2, opdracht] Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

2.058

2.208

2.284

2.024

2.023

2.023

0

[VRO, art 2, opdracht] Energietransitie en duurzaamheid

2.571

7.971

2.486

500

500

500

500

[VRO, art 2, opdracht] verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

620

178

0

0

0

0

0

[VRO, art 2, opdracht] Digitalisering en innovatie

0

294

200

200

200

200

200

[VRO, art 2, bijrage ZBO/RWT) Energietransitie en Duurzaamheid

785

2.084

2.000

993

496

500

470

[VRO, art 2, bijrage ZBO/RWT) verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

273

780

750

750

750

750

694

[VRO, art 2, bijrage ZBO/RWT) Digitalisering en innovatie

0

672

168

500

500

500

0

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Aardgasvrije wijken

4.866

0

0

0

0

0

0

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Ventilatie in scholen

127

0

0

0

0

0

0

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Isolatie Programma (Lokale aanpak woningisolatie)

466.638

0

0

0

0

0

0

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

0

172

13.496

9.349

0

10.000

0

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

16.149

9.285

9.000

9.000

9.000

9.000

0

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Isolatie Programma (Soortenmanagement)

77

0

4.000

5.000

5.000

6.000

 

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe

254.267

159.228

155.694

144.740

142.193

140.773

145.703

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Groeifonds

0

5.112

     

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Ondersteuning aanpak energiearmoede

 

45.000

45.000

5.000

   

[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Energiehuis SCF ( Klimaatfonds)

0

156

42.747

976

467

467

467

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] RVO (Uitvoering Energieakkoord)

421

358

8.820

10.331

9.946

10.033

9.301

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] Dienst Publiek en Communicatie

1.802

451

1.769

1.752

1.751

1.769

4

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] RVO (Energiestransitie en Duurzaamheid)

27.276

22.723

23.984

15.664

12.744

12.635

8.198

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

21.849

0

0

0

0

0

1.492

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] RVB (circulaire rijksinkopen)

857

1.981

2.479

2.556

2.548

3.071

1.759

[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] Digitalisering en innovatie

0

571

539

500

500

500

500

[VRO, art 2, bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed

0

15.710

42.234

60.951

56.865

51.856

29.147

[VRO, art 2, bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken] EGO (innovatie)

0

4.080

11.600

11.979

7.743

9.040

15.497

[VRO, art 2, bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken] Handhaving Energielabel C

0

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

[IenW, art 21, opdracht] KF: Biobased bouwen

296

200

     

[KGG, art 31, opdracht] KF: Biobased bouwen

0

0

6.800

3.728

950

1.600

0

[IenW, art 21, subsidie] KF: Biobased bouwen

54

581

     

[KGG, art 31, subsidie] KF: Biobased bouwen

0

0

0

320

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Warmtenetten investeringssubsidie (WIS)

1.998

17.064

86.150

154.917

151.541

952.556

0

[KGG, art 31, subsidie] NGF-project NieuweWarmteNu!

2.535

41.135

42.533

41.197

13.242

30.545

0

[KGG, art 31, subsidie] Aardwarmte

12.500

2.500

10.000

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] WarmtelinQ

3.000

229.900

69.425

114.500

53.500

14.500

14.500

[KGG, art 31, subsidie] Subsidie Nationale Deelneming Warmte

0

5.000

7.000

5.000

5.000

4.000

0

[KGG, art 31, vermogensverschaffing] Kapitaalstorting Nationale Deelneming Warmte

0

21.000

40.000

0

0

0

0

[KGG, art 31, storting/onttrekking begrotingsreserve] Storting in begrotingsreserve warmtenetten

0

174.500

0

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Geothermie (KEF)

249

577

113.494

25.852

51

0

0

        

MOBILITEIT

437.272

554.758

892.747

1.035.730

937.541

906.545

318.664

[IenW, art 14, opdracht] Klimaatakkoord

0

2.556

12.053

25.551

24.400

14.424

0

[IenW, art 14, opdracht] KF: Laadinfra wegverkeer

258

0

9.652

545

1.557

28.869

0

[IenW, art 14, opdracht] Programma Vergroening Reisgedrag

1.457

2.320

6.692

5.848

2.408

36.567

25.924

[IenW, art 14, opdracht] Verduurzaming logistiek

9.509

5.320

13.000

9.000

9.010

9.000

0

[IenW, art 14, opdracht] KF: Laadinfra bouw

0

0

58.754

56.023

54.205

15.084

0

[IenW, art 14, opdracht] KF: Zero-emissie zones

134

1.832

2.582

1.664

332

0

0

[IenW, art 14, opdracht] overige opdrachten

13.083

12.272

6.280

4.848

3.762

3.732

1.689

[IenW, art 14, subsidie] Duurzame mobiliteit

7.961

15.150

18.100

35.479

22.701

0

0

[IenW, art 14, subsidie] Elektrisch vervoer

66.073

21.830

11.728

7.622

0

0

0

[IenW, art 14, subsidie] Laad en AanZET

52.521

42.406

0

0

0

0

0

[IenW, art 14, subsidie] KF: Laadinfra wegvervoer

41.649

50.948

103.823

79.703

38.136

49.736

0

[IenW, art 14, subsidie] KF: Laadinfra bouw

7.190

7.500

31.500

25.000

2.500

12.500

0

[IenW, art 14, subsidie] Vergroenen Reisgedrag

1.584

2.500

8.671

8.671

5.921

5.484

1.750

[IenW, art 14, subsidie] KF: SWIM

14.662

6.516

23.722

28.722

38.722

59.522

0

[IenW, art 14, subsidie] KF: inruilregeling

0

0

30.193

22.207

0

0

0

[IenW, art 14, subsidie] Overige subsidies

3.382

3.352

1.874

1.560

240

0

0

[IenW, art 14, bijdrage aan medeoverheden] Duurzame mobiliteit

27.767

13.960

13.400

21.290

10.000

0

0

[IenW, art 14, bijdrage aan medeoverheden] KF: Laadinfra

15.493

0

2.500

2.500

0

0

0

[IenW, art 14, bijdrage aan agentschappen] RVO

19.341

18.103

9.020

5.685

3.502

3.398

1.577

[IenW, art 15, subsidie] Zero-Emissie Trucks (aanZET)

0

143.500

242.100

259.400

260.000

302.000

99.000

[IenW, art 15, subsidie] Private Laadinfrastructuur bij bedrijven

0

34.000

64.100

92.100

102.400

114.000

45.454

[IenW, art 15, subsidie] Waterstof in Mobiliteit (SWiM)

0

5.000

5.000

11.500

11.500

6.500

500

[IenW, art 15, subsidie] Electric Road System (ERS)

0

0

0

11.000

52.000

52.000

0

[IenW, art 15, subsidie] Logistieke efficiëntie

0

5.000

7.000

15.000

20.000

20.000

5.000

[IenW, art 17, opdracht] NGF Project - Luchtvaart in Transitie

117

307

300

300

300

2.504

0

[IenW, art 17, opdracht] KF: Luchtvaartverkeer energie

704

1.240

193

193

193

193

193

[IenW, art 17, opdracht] KF: Alcohol-to-jet en Duurzame Luchtvaartbrandstoffen

0

59

200

200

200

241

100

[IenW, art 17, subsidie] Klimaatbeleid

0

56

56

56

56

56

56

[IenW, art 17, subsidie] NGF-project Luchtvaart in transitie

31.321

67.529

86.697

45.310

23.470

19.864

0

[IenW, art 17, subsidie] KF: Alcohol-to-jet

0

0

0

12.228

42.626

16.853

12.887

[IenW, art 17, subsidie] KF: Duurzame luchtvaartbrandstoffen

0

0

30.725

102.913

41.038

12.963

17.763

[IenW, art 17, subsidie] KF: Aandrijftechnologieën

0

0

5.000

8.000

5.000

0

0

[IenW, art 18, opdracht] Topsector logistiek

6.429

8.713

0

0

50

0

0

[IenW, art 18, opdracht] NGF: Maritiem Masterplan

2

150

100

3.230

7.300

6.050

5.076

[IenW, art 18, opdracht] KF: Verduurzaming Zeevaart

101

115

20

115

115

94

20

[IenW, art 18, opdracht] KF: Verduurzaming Binnenvaart

68

144

585

562

548

600

987

[IenW, art 18, subsidie] Subsidie verduurzaming binnenvaartschepen

28.692

0

2.301

6.136

7.670

7.670

3.083

[IenW, art 18, subsidie] NGF: Zero-emissie binnenvaart batterij-elektrisch

595

4.167

6.333

0

0

0

0

[IenW, art 18, subsidie] Walstroom

54.383

30.912

9.017

19.560

25.521

2.970

0

[IenW, art 18, subsidie] KF: Walstroom

10.471

10.000

8.938

18.466

23.963

8.006

0

[IenW, art 18, subsidie] NGF: Maritiem Masterplan

21.572

34.432

37.297

26.502

19.317

11.430

32.838

[IenW, art 18, subsidie] KF: Verduurzaming Binnenvaart

174

2.510

14.079

34.541

48.538

55.580

52.907

[IenW, art 18, subsidie] KF: Verduurzaming Zeevaart

0

0

8.700

26.100

27.940

28.245

11.860

[IenW, art 18, bijdrage aan agentschappen] NGF-project Maritiem Masterplan RVO

579

359

462

400

400

410

0

        

LANDBOUW EN LANDGEBRUIK

71.886

114.189

228.828

223.062

176.874

179.098

118.959

[LVVN, art 22, opdracht] Klimaatimpuls Natuur en Biodiversiteit

3.351

0

0

0

0

0

0

[LVVN, art 22, subsidie] Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren

2.100

300

300

0

0

0

0

[LVVN, art 22, opdracht] Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren

6.606

19.274

41.488

70.287

31.753

25.646

11.799

[LVVN, art 22, opdracht] Duurzame visserij

3.319

12.363

38.612

40.887

37.768

53.991

4.934

[LVVN, art 22, subsidie] Noordzeeakkoord (RVO)

0

28.397

42.766

0

189

2.323

2.323

[LVVN, art 21, subsidie] Glastuinbouw en weerbare planten en teeltsystemen

56.510

53.855

105.662

111.888

107.164

97.138

99.903

        

SECTOROVERSTIJGENDE EN OVERIGE MAATREGELEN

1.128.279

269.670

279.665

1.030.061

1.029.342

1.013.665

131.505

[IenW, art 21, opdracht] KF: Circulair doen en gedrag

392

219

     

[KGG, art 31, opdracht] KF: Circulair doen en gedrag

0

0

2.506

2.742

2.792

2.792

0

[IenW, art 21, opdracht] KF: Plastics norm

139

0

     

[IenW, art 21, opdracht] Uitvoering duurzame productieketens

9.607

11.368

     

[IenW, art 21, opdracht] Overige opdrachten

7.290

1.433

     

[KGG, art 21, opdracht] Uitvoering duurzame productieketens

0

0

3.899

2.941

2.446

3.867

4.015

[IenW, art 21, subsidie] Duurzame productketens

16.802

12.523

     

[KGG, art 31, subsidie] Duurzame productketens

0

0

12.899

9.033

7.138

5.521

1.710

[IenW, art 21, subsidie] KF: DEI+CE

1.270

4.372

     

[IenW, art 21, subsidie] KF: Circulair doen en gedrag

224

2.610

     

[KGG, art 31, subsidie] KF: Circulair doen en gedrag

0

0

3.114

4.064

4.264

1.304

0

[IenW, art 21, subsidie] KF: Plastics norm

4.118

2.283

     

[KGG, art 31, subsidie] KF: Plastics normering

0

0

4.358

306

0

0

0

[IenW, art 22, opdracht] KF: NVS

0

0

1.849

8.942

25.197

24.696

 

[KGG, art 31, subsidie] Projecten Klimaat en Energieakkoord

2.235

      

[KGG, art 31, subsidie] Overige subsidies1

12.195

6.406

12.587

11.819

2.192

898

0

[KGG, art 31, subsidie] Social Climate Fund

0

0

9.000

0

0

0

0

[KGG, art 31, subsidie] Energiebesparing MKB

0

0

40.834

10.965

5.835

420

1.570

[KGG, art 31, bijdrage aan agentschappen] Bijdrage RVO

181.535

201.497

112.480

109.000

112.695

113.054

96.626

[KGG, art 31, bijdrage aan agentschappen] Bijdrage Nea

21.774

15.418

27.055

27.010

27.174

27.625

25.334

[KGG, art 31, bijdrage aan mede-overheden] Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden

870.698

11.541

49.084

843.239

839.609

833.488

2.250

1

Hieronder vallen de subsidies voor WarmtelinQ, Randvoorwaarden technische arbeidsmarkt.

Tabel 33 Totaaloverzicht van fiscale groene subsidies (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

TOTALE FISCALE GROENE SUBSIDIES1

1.810.000

1.730.000

964.000

989.000

965.000

548.000

471.000

Energie-investeringsaftrek (EIA)

286.000

460.000

454.000

443.000

464.000

459.000

452.000

BPM vaste voet numemissiemotorrijwielen en numemissie bijzondere personenauto's

5.000

12.000

14.000

16.000

18.000

21.000

 

IB/LB korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

233.000

243.000

245.000

201.000

132.000

68.000

19.000

MRB halftarief plug-in hybride auto's (3/4-tarief in 2025)

34.000

      

MRB Vrijstelling (t/m 2024) & Tariefkorting (2025) nulemissievoertuigen

405.000

      

MRB Tariefkorting emissievrije personenauto's vanaf 2026 tot en met 2029

 

196.000

251.000

329.000

351.000

  

EB-salderingsregeling

847.000

819.000

     
1

Voorlopige cijfers van Financiën. De definitieve cijfers zijn te vinden in de Miljoenennota 2026.

Tabel 34 Totaaloverzicht van bijdragen netbeheerders (bedragen x € 1.000)
 

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

TOTALE BIJDRAGES NETBEHEERDERS

11.900

0

0

0

0

0

0

        

[FIN, art 3, lening] Lening TenneT

11.900

      

Lijst van afkortingen

  

ACT

Accelerating CCS Technologies

API

Aanpak Piekbelasters Industrie

AVI's

Afvalverbrandingsinstallaties

BAI

Beperking Ammoniakemissie Industrie

BTW

Belasting over de toegevoegde waarde

BZK

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CCEC

Caribbean Climate and Energy Conference

CfD's

Contracts for Difference

CCS

Carbon Capture and Storage

CCU

Carbon Capture and Utilization

CCUS

Carbon Capture Use and Storage

CEM

Clean Energy Ministerial

CES

Cluster Energie Strategieën

CETP

Clean Energy Transition Partnership

CIEP

Center for International Energy Policy

CM

Commissie Mijnbouwschade

CMP

Circulair Materialenplan

COFFIS

Coalition on Phasing Out Fossil Fuel Incentives Including Subsidies

COP

Conference of Parties

CORSIA

Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation

COVA

Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten

CSIRT

Computer Security Incident Response Team

DAEB

Dienst van Algemeen Economische Belang

DEI+

Demonstratieregeling Energie-innovatie

DGDO

Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond

DRC

Delta Rhine Corridor

EB

Energiebelasting

EBN

Energie beheer Nederland

ECN

Energieonderzoek Centrum Nederland

ECW

Expertisecentrum Warmte

EED

Europese Energie-Efficiency Richtlijn

EET

Eems Energy Terminal

EGO

Revolverend fonds energiebesparing

EIA

Energie- investeringsaftrek

EKOO

Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling

EPZ

Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland

ETS

Emission Trading Scheme/System

EU

Europese Unie

EU ETS

Het Europese Emissions Trading System

EZK

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

FEED

Front End Engineering Design

FID

Final Investment Decision

FIN

Ministerie van Financiën

GRW

Garantieregeling Warmtenetten

GTS

Gasunie Transport Services

GW

Gigawatt

HEP

Horizon Europe Partnership

HER+

Hernieuwbare Energietransitie

HFR

Hoge Flux Reactor

HTG

Hoge Temperatuur Geothermie

HVP

Herstel- en veerkrachtplan

I3ML

Instituut voor Milieu, Mens en Mijnbouw Limburg

IAA

Industrial Accelerator Act

IBO

Interdepartementaal Beleidsonderzoek

ICER

Integrale Circulaire Economie Rapportage

IEA

Internationaal Energieagentschap

IEAGHG

het Greenhouse Gas R&D Programme van het Internationaal Energieagentschap

IenW

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

IKC

Indirecte kostencompensatie-regeling

IKIA

Integrale Kennis en Innovatie Agenda

IPCC

Intergovernmental Panel on Climate Change

IPCEI

Important Project of Common European Interest

IPO

Interprovinciaal Overleg

IRENA

International Renewable Energy Agency

ISDE

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie

JenV

Ministerie van Justitie en Veiligheid

JRC

Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek

KIC

Kennis en Innovatie Convenant

KEM

Kennisprogramma Effecten Mijnbouw

KEV

Klimaat- en Energieverkenning

KGG

Ministerie van Klimaat en Groene Groei

KNMI

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

LMA

Landelijk Meldpunt Afvalstoffen

LNG

Liquid Natural Gas

LPG

Liquefied Petroleum Gas

LVVN

Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

MEP

Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie

MIA

Milieu Investeringsaftrek

MIEK

Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat

MJP

Meerjarenprogramma

MOOI

Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie

MKB

Midden- en Kleinbedrijf

MMIP's

Meerjarige Missiegedreven Innovatie Programma's

MVI

Maatschappelijk Verantwoord Inkopen

MVOI

Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen

NAM

Nederlandse Aardolie Maatschappij

NCS

Normen Certificatieschema's

NCSC

Nationaal Cyber Security Centrum

NEa

Nederlandse Emissieautoriteit

NGF

Nationaal Groeifonds

NGO's

Niet-Gouvernementele Organisaties

NIKI

Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie

NIWO

Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie

NP

Nationaal Programma

NPCE

Nationaal Programma Circulaire Economie

NPE

Nationaal Plan Energiesysteem

NPLW

Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie

NPR

Normen Praktijkrichtlijnen

NPRES

Nationaal Programma Regionale Energiestrategie

NPVI

Nationaal Programma Verduurzaming Industrie

NRG

Nuclear Research and consultancy Group

NSEC

North Seas Energy Cooperation

NTA

Normen Technische Afspraken

NVWA

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

NWO

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

OEMs

Original Equipment Manufacturers

OER

Opwerk van Energie op Rijksvastgoed

OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

OWE

Opschalingsregeling Waterstof via Elektrolyse

OWE3

Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse

PBL

Planbureau voor de Leefomgeving

PEH

Programma Energiehoofdstructuur

PIDI

Infrastructuur duurzame industrie

PJ

Petajoule

RCR

Rijkscoördinatieregeling

RDI

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur

RED

Richtlijn voor hernieuwbare energie

R&D

Research and Development

RES

Regionale Energiestrategie

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RPE

Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek

RVB

Rijksvastgoedbedrijf

RVO.nl

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

RWS

Rijkswaterstaat

RWT

Rechtspersonen met een Wettelijke taak

SCE

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking

SCF

Het Social Climate Fund

SCP

Het Sociaal Klimaatplan

SDE

Stimulering Duurzame Energieproductie

SDE+

Stimulering Duurzame Energieproductie+

SDE++

Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie

SDRA

Seismische Dreigings- en Risicoanalyse

SDS

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw

SEA

Strategische Evaluatie Agenda

SEM

Sociale Effecten Mijnbouw

SMRs

Small Modular Reactors

SodM

Staatstoezicht op de Mijnen

SP IPE

Samenwerkingsprogramma Integraal Programmeren van het Energiesysteem

SRDA

Seismische Dreigings- en Risicoanalyse

STIWHI

Stimulering Toename Inzet Hernieuwbare Waterstof in de Industrie

STUDI

Studies voor duurzame industrie

TAFF

Transitioning Away from Fossil Fuels

TNO

Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek

TNO-AGE

TNO Adviesgroep Economische Zaken

TSE

Tenderregeling Energie-innovatie

TTB

Tegemoetkoming Blokaansluitingen

TTF

Title Transfer Facility

Twh

Terawattuur

UNEP

United Nations Environment Programme

UNFCCC

United Nations Framework Convention on Climate Change

UPV

Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid

VAMIL

Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen

VAWOZ

Verbindingen Aanlanding Wind Op Zee

VEKI

Versnelde klimaatinvesteringen industrie

VIVET

Verbetering Informatievoorziening Energietransitie

VN

Verenigde Naties

VRO

Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

WBE

Wet Bestrijden Energieleveringscrisis

WIS

Warmtenetten Investeringssubsidie

WKR

Wetenschappelijke Klimaatraad

WPRPW

Working Party on Resource Productivity and Waste

WOZ

Wind op zee

Wva

Wet voorraadvorming aardolieproducten

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

Licence