Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

12 OVERZICHT RISICOREGELINGEN VAN HET RIJK

In tabellen 12.1 t/m 12.5 wordt een totaaloverzicht gegeven van de verschillende soorten risicoregelingen van het Rijk. Voor details over onderstaande garantieregelingen en achterborgstellingen wordt verwezen naar begrotingen van de betreffende vakdepartementen.

Garanties

Een garantie is een voorwaardelijke, financiële verplichting van het Rijk aan een derde buiten het Rijk, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Garantieregelingen worden als verplichting opgenomen in de begroting van het betreffende vakdepartement.

Onderstaande tabellen 12.1 en 12.2 bevatten alle garantieregelingen van het Rijk aan partijen buiten het Rijk. Alle regelingen met een uitstaand risico, een risicoplafond en mutaties kleiner dan 100 miljoen euro zijn samengevat in de post «Overig». Het overzicht bevat alle garanties met de stand van het uitstaand risico in 2020, 2021 en 2022. Ontwikkelingen sinds eind augustus zijn niet in het overzicht opgenomen. Deze worden meegenomen in het overzicht van risicoregelingen bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2021.

In het overzicht worden achtereenvolgens de begroting (b), het begrotingsartikel (a) en de omschrijving van de garantie weergegeven. Daarachter staat onder het kopje «uitstaande garanties» het bedrag dat daadwerkelijk als voorwaardelijke verplichting is verleend dan wel door de Tweede Kamer is geautoriseerd. Onder de uitstaande garanties vallen ook garanties die in eerdere jaren zijn verstrekt. In 2022 worden er garanties verleend, maar komen er ook garanties te vervallen. Dit is terug te lezen in de kolommen «te verlenen garanties» en «te vervallen garanties».

Een garantieregeling van het Rijk kent (in principe) altijd een maximum, het zogenaamde garantieplafond. Dit plafond kan een jaarlijks plafond zijn (per jaar mag een maximaal bedrag aan garanties worden verleend) of een totaalplafond (er mogen nooit meer garanties verleend worden dan het plafond). In tabel 12.1 is onderscheid gemaakt tussen beide soorten plafonds. Bij internationale organisaties is ervoor gekozen om het garantieplafond gelijk te stellen aan de uitstaande garanties. Hiervan is sprake bij de Europese garanties (EFSF, EFSM, ESM en NGEU) en de garanties aan een aantal internationale financiële instellingen (IMF en Wereldbank). Het uitstaand risico bij de internationale garanties is in 2021 fors afgenomen omdat de garantie aan DNB aangaande de SDR-allocatie van het IMF komt te vervallen11. Bij regelingen waar geen plafond is afgesproken, is het totaalplafond gelijkgesteld aan de uitstaande garanties.

Om de risico’s voor de overheidsfinanciën te beheersen, en een goede afweging tussen verschillende beleidsinstrumenten te bevorderen, hanteert het kabinet een ‘nee-tenzij’-beleid ten aanzien van risicoregelingen. Dit beleid is vastgelegd in de begrotingsregels12 en houdt in dat het kabinet terughoudend is met het aangaan van nieuwe en verruimingen van bestaande regelingen. Soms kan het verstandig zijn om nieuwe risico’s aan te gaan – bijvoorbeeld tijdens de coronacrisis - maar hier is een goede onderbouwing voor noodzakelijk. Deze controle aan de poort heeft concreet vorm gekregen in het Toetsingskader Risicoregelingen13, dat eveneens is vastgelegd in de begrotingsregels. Dit toetsingskader zorgt ervoor dat we ook in onzekere tijden een degelijke afweging blijven maken. Bij consequente toepassing in de toekomst zullen de risico’s na de crisis naar verwachting weer afnemen.

Naast de reguliere garanties (tabel 12.1) heeft het kabinet besloten om een aantal tijdelijke garanties te verlenen ter bestrijding van de coronacrisis. Het uitstaand risico van deze risicoregelingen worden getoond in tabel 12.2. De coronagerelateerde garantieregelingen verschillen van de reguliere garantieregelingen wat betreft de financiering en de dekking. Waar uitgaven en ontvangen van reguliere garantieregelingen op een departementale begroting plaatsvinden, geldt voor coronagerelateerde garantieregelingen dat eventuele schades worden gefinancierd vanuit de staatsschuld. Indien er een premie wordt gevraagd vloeit deze ook in de staatsschuld. Mede als gevolg van de ondersteuning van het Rijk tijdens de coronacrisis, is het totale uitstaand risico in 2020 gestegen met circa 50 miljard euro. De coronagerelateerde garanties bedragen in 2022 naar verwachting nog circa 41 miljard euro, waarvan 33,2 miljard euro bestaat uit de internationale garantie SURE en NGEU. Uit tabel 12.2 blijkt dat het totaalbedrag aan uitstaande garanties van het Rijk in 2022 naar verwachting 210,9 miljard euro bedraagt. In 2020 was dit bedrag 233,4 miljard euro, waarvan 183,2 miljard euro reguliere garanties betrof (zie tabel 12.1).

Tabel 12.1 Garantieregelingen van het Rijk (in miljoenen euro)

b

a

Omschrijving

2020

2021

2021

2021

2021

2022

2022

2022

2022

 
   

Uitstaande garanties

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantie-plafond

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantie-plafond

Totaal-plafond

b

a

Omschrijving

2020

2021

2021

2021

2021

2022

2022

2022

2022

 

V

3

Raad van Europa

176,7

  

176,7

   

176,7

 

176,7

VIII

7

Bouwleningen academische ziekenhuizen

138,5

  

138,5

   

138,5

 

176,6

VIII

14

Achterborgovereenkomst NRF

350,9

27,4

17,3

361,0

   

361,0

 

380,0

VIII

14

Indemniteitsregeling

70,9

140,8

37,1

174,6

   

174,6

 

300,0

IXB

2

Single Resolution Fund

4.163,5

  

4.163,5

   

4.163,5

 

4.163,5

IXB

2

WAKO (kernongevallen)

9.768,9

 

568,9

9.200,0

   

9.200,0

 

9.200,0

IXB

3

Financieringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (FMO)

5.507,0

  

5.507,0

   

5.507,0

 

5.507,0

IXB

4

Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB)

672,3

6,6

 

678,9

   

678,9

 

678,9

IXB

4

DNB - deelneming in kapitaal IMF

43.152,4

 

14.832,1

28.320,3

   

28.320,3

 

28.320,3

IXB

4

European Bank for Reconstruction and Development (EBRD)

589,1

  

589,1

   

589,1

 

589,1

IXB

4

European Financial Stabilisation Mechnism (EFSM)

2.771,6

2,7

 

2.774,3

   

2.774,3

 

2.774,3

IXB

4

European Financial Stability Facility (EFSF)

34.154,2

  

34.154,2

   

34.154,2

 

34.154,2

IXB

4

European Investment Bank (EIB)

11.796,0

  

11.796,0

   

11.796,0

 

11.796,0

IXB

4

European Stability Mechanism (ESM)

35.423,7

 

60,1

35.363,7

  

24,7

35.338,9

 

35.363,7

IXB

4

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

3.712,0

64,0

 

3.776,0

   

3.776,0

 

3.776,0

IXB

4

Wereldbank

4.932,1

48,6

 

4.980,7

   

4.980,7

 

4.980,7

IXB

5

Exportkredietverzekering

18.842,1

10.000,0

10.000,0

18.842,1

10.000,0

10.000,0

10.000,0

18.842,1

10.000,0

 

XIII

2

Borgstelling MKB Kredieten (BMKB)

1.806,7

765,0

401,1

2.170,5

765,0

765,0

438,1

2.497,4

765,0

 

XIII

2

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

404,0

400,0

46,2

757,8

400,0

400,0

60,5

1.097,3

400,0

 

XIII

2

Microkredieten

130,0

17,4

17,4

130,0

  

13,9

116,1

 

130,0

XIII

2

MKB-financiering

228,2

0,0

 

228,2

   

228,2

 

268,2

XIII

4

Aardwarmte

12,6

66,6

 

79,2

66,6

44,2

 

123,4

44,2

 

XIV

21

Borgstelling MKB- Landbouwkredieten (BL, BL plus en landbouwinnovatie)

329,4

78,2

33,0

374,6

78,2

78,2

38,0

414,8

78,2

 

XIV

22

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

305,3

 

20,4

284,9

  

20,1

264,8

 

305,3

XVI

2&3

Instellingen voor de gezondheidszorg

195,4

 

29,8

165,6

  

27,6

138,0

 

165,6

XVII

1

Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)

124,3

50,0

 

174,3

 

50,0

 

224,3

 

675,0

XVII

1

Garantie DRIVE

52,4

  

52,4

55,0

  

52,4

55,0

 

XVII

1

Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)

18,9

24,0

 

42,9

 

24,0

 

66,9

 

140,0

XVII

3

International Finance Facility for Education (IFFEd)

 

222,5

 

222,5

   

222,5

 

222,5

XVII

5

Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken

3.063,8

 

14,6

3.049,2

  

10,2

3.039,1

 

3.067,3

  

Overig

291,9

46,0

14,7

323,2

18,4

45,6

16,2

352,6

18,4

347,2

  

Subtotaal reguliere garanties

183.185

11.960

26.093

169.052

11.383

11.407

10.649

169.810

11.361

147.658

Tabel 12.2 Coronagerelateerde garantieregelingen van het Rijk (in miljoenen euro)

b

a

Omschrijving

2020

2021

2021

2021

2021

2022

2022

2022

2022

 
   

Uitstaande garanties

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantie-plafond

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantie-plafond

Totaal-plafond

b

a

Omschrijving

2020

2021

2021

2021

2021

2022

2022

2022

2022

 

IXB

4

Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency (SURE)

6.071,2

62,5

 

6.133,7

   

6.133,7

 

6.133,7

IXB

4

Next Generation EU (NGEU)

27.401,1

472,4

 

27.873,5

   

27.873,5

 

27.873,5

IXB

4

EIB - pan Europees Garantiefonds

1.301,4

  

1.301,4

   

1.301,4

 

1.301,4

IXB

3

Garantie KLM

2.160,0

  

2.160,0

   

2.160,0

 

2.160,0

IXB

5

Herverzekering leverancierskredieten

11.972,1

 

11.907,1

65,0

   

65,0

 

65,0

XIII

2

BMKB-Corona

426,3

735,0

103,8

1.057,5

735,0

 

199,9

857,7

  

XIII

2

Garantie Ondernemingsfinanciering Corona

557,1

2.100,0

267,8

2.389,3

2.100,0

 

311,4

2.077,9

  

XIII

2

Groeifaciliteit

51,8

85,0

10,8

126,0

85,0

85,0

14,3

196,7

85,0

 

XIII

2

Klein Krediet Corona

36,4

250,0

2,9

283,5

250,0

 

14,1

269,4

  

XIV

21

Borgstelling MKB- Landbouwkredieten Corona (BL-C)*

54,5

125,5

 

180,0

  

14,0

166,0

 

180,0

XVI

1

Garantie Stichting Open Nederland

 

2,5

 

2,5

  

2,5

  

2,5

XVI

1

Garantie testmaterialen

214,4

6,6

221,0

       

XVI

1

Garantstelling analysecapaciteit (Covid-19)

 

151,6

151,6

       

Subtotaal coronagerelateerde garanties

50.246

3.991

12.665

41.572

3.170

85

556

41.101

85

37.716

subtotaal reguliere garanties

183.185

11.960

26.093

169.052

11.383

11.407

10.649

169.810

11.361

147.658

Totaal

233.431

15.951

38.758

210.624

14.553

11.492

11.205

210.911

11.446

185.374

Tabel 12.3 bevat de uitgaven en ontvangsten behorende bij de door het Rijk verstrekte garanties in 2021 en 2022. Alleen garanties waarop daadwerkelijk uitgaven en ontvangsten zijn gedaan worden weergegeven in de tabel. De getoonde uitgaven betreffen hoofdzakelijk schade-uitkeringen op afgegeven garanties. De in de tabel getoonde ontvangsten betreffen zowel ontvangen premies en provisies als op derden verhaalde (schade-)uitkeringen.

Tabel 12.3 Uitgaven en ontvangsten door het Rijk verstrekte garanties (in duizenden euro)
   

Uitgaven

Ontvangsten

Uitgaven

Ontvangsten

b

a

Omschrijving

2021

2021

2022

2022

Coronagerelateerde garanties

    

IXB

4

EIB - pan Europees Garantiefonds

319

 

96.352

 

IXB

5

Herverzekering leverancierskredieten

45.000

110.000

20.000

20.000

IXB

3

Garantie KLM

 

11.613

 

24.000

XIII

2

Garantie Ondernemingsfinanciering Corona

11.745

13.000

11.745

13.000

XIII

2

Go-Corona

225.000

 

100.000

 

XIII

2

Groeifaciliteit

58.472

8.000

8.172

8.000

XIV

21

Borgstelling MKB- Landbouwkredieten Corona (BL-C)*

 

275

1.500

 

Subtotaal coronagerelateerde garanties

340.217

142.888

141.417

65.000

Reguliere garanties

    

VI

33

Garantiestelling Faillissementscuratoren dienst JUSTIS

1.800

 

1.800

 

IXB

1

Garantie procesrisico's

290

 

250

 

IXB

2

Terrorismeschades (NHT)

 

625

 

625

IXB

2

WAKO (kernongevallen)

 

614

 

614

IXB

5

Exportkredietverzekering

239.000

303.870

112.000

87.119

XIII

4

Aardwarmte

 

774

  

XIII

2

BMKB

37.523

33.000

37.624

33.000

XIII

2

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

11.745

13.000

11.745

13.000

XIV

21

Borgstelling MKB- Landbouwkredieten (BL, BL plus en landbouwinnovatie)

2.500

1.375

2.500

1.375

XIV

21

Borgstelling MKB-landbouwkredieten, onderdeel Werkkapitaal Omschakeling Duurzame

 

70

 

70

XIV

21

Garantie voor investeringen & werkkapitaal landbouwondernemingen

1.805

1.800

1.805

1.800

XIV

21

Vermogens Versterkend Krediet (BL-VVK)

 

100

 

100

XVII

1

Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)

5.000

3.000

5.000

3.000

XVII

1

Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)

7.000

500

7.000

1.000

XVII

1

Garantie FOM

 

300

 

300

Subtotaal reguliere garanties

306.663

359.028

179.724

142.003

Totaal

646.880

501.916

321.141

207.003

Achterborgstellingen

Naast het risico uit garantieregelingen staat het Rijk ook indirect bloot aan risico’s uit achterborgstellingen. In die gevallen wordt de daadwerkelijke garantieverplichting niet afgegeven door het Rijk maar door een daarvoor aangewezen tussenpersoon in de vorm van een stichting. In de begroting van het betreffende vakdepartement worden achterborgstellingen daarom niet als verplichting opgenomen. Het Rijk wordt pas aangesproken zodra de tussenpersoon niet aan haar verplichtingen kan voldoen. De achterborgstellingen zijn opgenomen in tabel 12.4.

Het risico uit de achterborgstellingen (in tabel 12.4) is niet één op één te vergelijken met het risico uit de garantieregelingen (in tabellen 12.1 en 12.2), aangezien het risico over meerdere partijen wordt gespreid. Per achterborgstelling zijn er verschillende mogelijkheden om eventuele schade te dekken. Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) beschikt over een fondsvermogen en kan daarnaast indien nodig obligo ophalen bij deelnemende woningcorporaties ter hoogte van 2,51 miljard euro. Op het gecommitteerd obligo doet WSW alleen een beroep wanneer dat noodzakelijk is om middelen in liquide vorm beschikbaar te hebben voortvloeiend uit het risicovermogen in relatie tot geborgde verplichtingen. Ook kunnen woningcorporaties in financiële problemen onder bepaalde voorwaarden een aanvraag doen voor saneringssteun. Saneringssteun wordt bekostigd via een heffing aan corporaties en deze middelen lopen via een risicovoorziening op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Alle woningcorporaties zijn op basis van de wet verplicht om deze heffing te betalen. Financiële problemen bij corporaties worden in eerste instantie dus betaald door de corporatiesector zelf via het fondsvermogen WSW, obligo en de saneringsheffing. Pas daarna komen Rijk en gemeenten in beeld via de achtervang. De achtervang is nog niet eerder aangesproken.

De Stichting Waarborgfonds Zorg (WFZ) kent een soortgelijke regeling. Ook hier wordt eerst het bufferkapitaal van de stichting aangesproken om schade te dekken. Daarna moeten de zorginstellingen met een door het WFZ geborgde lening een percentage (maximaal 3 procent van de uitstaande garanties van de deelnemende zorginstelling) van het leningenbedrag afdragen (obligo). Mocht dit onvoldoende zijn om de verplichtingen van het WFZ na te komen, dan kan het WFZ een beroep doen op het Rijk. Bij het WEW geldt geen obligoverplichting. Hier dienen huizen als onderpand, waardoor de schade zich beperkt tot eventuele restschulden na gedwongen verkoop. Het WEW teert bij verlies direct in op het bufferkapitaal.

Daarnaast worden bij twee achterborgstellingen de risico’s gedeeld met gemeenten. Zo worden de verplichtingen die het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) voor 1 januari 2011 is aangegaan voor 50 procent gedekt door gemeenten en voor 50 procent door het Rijk. Verplichtingen aangegaan na deze datum worden volledig door het Rijk gedekt. Bij het WSW wordt de gehele positie gelijkelijk met gemeenten gedeeld.

Tabel 12.4 Achterborgstellingen (in miljoenen euro)
 

Realisatie 2020

Raming 2021

Raming 2022

Totaal Achterborgstellingen

285.138

294.362

310.928

Stichting Waarborgfonds Zorg

6.460

6.278

6.083

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

81.284

85.696

90.227

Waarborgfonds Eigen Woningen

197.394

202.388

214.618

    

Bufferkapitaal

   

Stichting Waarborgfonds Zorg

297,2

302,5

307,2

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

510

491

472

Waarborgfonds Eigen Woningen

1.530

1.660

1.750

    

Obligo

   

Stichting Waarborgfonds Zorg

195,4

187,8

182,0

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

3.089

2.508

2.687

Leningen

We spreken van een lening als het Rijk middelen verstrekt aan een derde buiten het Rijk met een afgesproken aflossingsschema en rente. Is aan een van beide voorwaarden niet voldaan, dan is sprake van een uitgave. Ook leningen vormen een risico voor het begrotingssaldo, namelijk als de ontvanger van die lening niet in staat blijkt de lening (in zijn geheel) af te lossen of de rentevergoeding te betalen. In dat geval derft het Rijk inkomsten (niet-belastingontvangsten die geraamd zijn). Die derving belast het uitgavenplafond. Bij leningen die zijn afgegeven in andere valuta is er ook een wisselkoersrisico voor het Rijk

Tijdens de coronacrisis zijn er diverse leningen afgegeven door het Rijk. Deze leningen kennen een beperkte looptijd en vaak is er geen risicovoorziening vormgegeven. Een overzicht van de uitstaande leningen van het Rijk wordt gepresenteerd in tabel 12.5.

Tabel 12.5 Door het Rijk verstrekte leningen (in miljoenen euro)

b

Omschrijving

Uitstaand risico

Looptijd

  

2020

 

Coronagerelateerde leningen

  

IV

Liquiditeitssteun Aruba, Curacao en Sint-Maarten (1e tranche)

173.630

2022

IV

Liquiditeitssteun Aruba, Curacoa en Sint-Maarten (2e tranche)

183.203

2022

IV

Liquiditeitssteun Aruba, Curacoa en Sint-Maarten (3e tranche)

264.223

2022

IV

Liquiditeitssteun loonsubsidie Sint Maarten 2020

10.000

2022

XIII

Corona overbruggingslening (COL-faciliteit) voor start-ups en scale-ups

300.000

2026

XIII

Lening Stichting Garantiefonds Reisgelden

156.500

2026

XII

Lening Waddenveren

0

Reeds terugbetaald

IXB

Steun KLM

277.000

2025

XII

Hypothecaire Lening WinAir

2.700

2023

Subtotaal coronagerelateerde leningen

1.367.256

 

Reguliere leningen

  

XIII

Steun aan IHC (voorheen Royal IHC)

40.000

onb. looptijd

Subtotaal reguliere leningen

40.000

 

Totaal

1.407.256

 

Licence