Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Artikel 22 Omgevingsveiligheid en milieurisico's

Algemene doelstelling

Mens en milieu beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte milieu- en gezondheidsrisico’s.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de integrale kaderstelling rond activiteiten die risico’s kunnen veroorzaken voor het milieu en de gezondheid van de mens. Deze regisserende rol komt naar voren in:

  • De normstelling en regels waaraan bedrijven en overheden zich bij de uitoefening van hun activiteiten moeten houden. Dit beschermingsniveau wordt bij voorkeur op Europees of internationaal niveau vastgelegd en geïmplementeerd, waardoor een level playing field bereikt wordt. De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s), bij de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van chemische stoffen (REACH) en bestrijdingsmiddelen (Biocideverordening, gewasbeschermingsmiddelenverordening, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden), bij risicovolle bedrijven en bij het transport van gevaarlijke stoffen (water, rail, buisleidingen en weg) zijn voorbeelden waarbij dit in de vorm van wet- en regelgeving gebeurt. Voor deze dossiers geldt dat Nederland een actieve bijdrage levert aan de Europese processen die leiden tot verdere verbetering van deze internationale regels.

  • Waar Europese regels (deels) ontbreken, of lidstaatspecifieke implementatie vereisen, of waar specifieke omstandigheden in Nederland het stellen van regels voor de veiligheid van de omgeving noodzakelijk maken, wordt in dialoog met stakeholders gezocht naar een optimum tussen de te bereiken doelen (en dus baten in termen van milieu en gezondheidswinst) en de lasten die deze regels veroorzaken. Dit is onder meer aan de orde bij de regelgeving rond buisleidingen, risicovolle bedrijven en basisnet vervoer gevaarlijke stoffen waarmee een balans wordt gezocht tussen de belangen van vervoer, ruimte en veiligheid. Voorts is dit aan de orde bij de beleidsontwikkeling ten behoeve van de veilige toepassing voor mens en milieu van nieuwe technologieën, zoals nanotechnologie en biotechnologie. Een ander voorbeeld is het verbod op asbestdaken, waarin de verplichting is opgenomen asbestdaken te saneren voor eind 2024. Deze maatregel is in 2015 aangekondigd en heeft in 2018 zijn juridische vorm gekregen. In Nederland vormen asbestdaken de belangrijkste bron van verspreiding van asbestvezels in de leefomgeving.

  • Reductie van de regeldruk wordt onder meer nagestreefd door een betere kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze taken worden door 29 Omgevingsdiensten (OD’s) uitgevoerd, waarbij zes OD’s een specialisatie in BRZO46- taken hebben. Tegengaan van lastendruk is ook een centrale invalshoek bij het transport van gevaarlijke stoffen. Om die reden stelt Nederland in principe geen hogere eisen aan verpakkingen en voer- of vaartuigen dan in de relevante internationale verdragen is vastgelegd, conform de EU-Kaderrichtlijn Transport Gevaarlijke Stoffen.

  • Het ontwikkelen van een integraal afwegingskader veiligheid dat behulpzaam is bij besluitvorming inzake activiteiten die veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico’s met zich mee kunnen brengen.

  • Het verlenen van vergunningen met als doel bescherming van mens en milieu voor activiteiten met GGO’s.

  • Het verlenen van vergunningen voor een beperkt aantal bedrijven met een verhoogd risico voor de externe veiligheid in Caribisch Nederland.

Stimuleren

Het is primair de verantwoordelijkheid van bedrijven die risico’s voor mens en milieu veroorzaken om deze risico’s te identificeren en te voorkomen of te beperken. Dit geldt ook voor overheden die, bijvoorbeeld in de ruimtelijke ordening, keuzes maken die invloed hebben op veiligheid en risico’s. De Minister stimuleert:

  • Het in beeld (doen) brengen van bestaande of nieuwe risicosituaties en het vermijden of beperken hiervan. Dit geschiedt door inventarisaties van deze risico’s en het stimuleren van de aanpak daarvan, door het in beeld brengen van de risico’s van nieuwe technologieën zoals het gebruik van nanomaterialen en biotechnologie, het volgen van nieuwe wetenschappelijke inzichten op het gebied van hormoonverstoring en gecombineerde blootstelling aan stoffen en door het ontwikkelen van beleid ten aanzien van onzekere risico’s zoals bij elektromagnetische velden. De eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en andere overheden is daarbij een belangrijk anker, onder andere door openheid te geven ten aanzien van feitelijke risico’s. De Risicokaart (in overleg met het Ministerie van Justitie en Veiligheid ontwikkeld) en de Atlas Leefomgeving zijn hiervan voorbeelden. Op basis van deze informatie kunnen burgers nagaan hoe het is gesteld met de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Het landelijk asbestvolgsysteem voorziet alle ketenpartijen van de nodige informatie. Het verbod op asbestdaken gaat per eind 2024 in. Om de sanering tijdig op gang te brengen wordt dit verbod begeleid door een subsidieregeling die in 2016 is ingegaan. Tevens is in 2016 een samenwerkingsverband met alle betrokken partijen opgericht om onder meer met behulp van een meerjarig uitvoeringsprogramma de sanering van de asbestdaken te begeleiden. Hiermee moet worden voorkomen dat er rond 2023 een capaciteitsprobleem ontstaat bij de inventarisatie- en verwijderingbedrijven en dat er een handhavingprobleem ontstaat vanaf 2025.

  • Het nemen van maatregelen ter bescherming van mens en maatschappij tegen moedwillige verstoring van onderdelen van de vitale infrastructuur door te bevorderen dat de risico’s op moedwillige verstoring (bijvoorbeeld terroristische aanslagen) worden geïdentificeerd en waar mogelijk beperkt. Het betreft hier onder andere chemische bedrijven en buisleidingen.

  • Een continue verbetering van de omgevingsveiligheid bijvoorbeeld met behulp van het instrument van de Safety Deals.

  • Dat veiligheid en gezondheid van meet af aan in een innovatie wordt meegenomen, omdat gezonde en veilige producten en processen een noodzakelijke voorwaarde zijn voor het realiseren van een circulaire economie («Veilig aan de Voorkant», Safe-by-design).

Verder is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Op het terrein van Omgevingsveiligheid en milieurisico’s worden de volgende kwantitatieve kengetallen gehanteerd. In 2018 is er een kengetal inzake het onderwerp «astbestdaken» toegevoegd.

REACH

In het kader van de Europese stoffenregelgeving (REACH) worden stoffen beoordeeld en waar nodig van maatregelen voorzien (geharmoniseerde classificatie en labelling, autorisatie, restrictie). Nederland levert een bijdrage aan dat proces, waarbij de Nederlandse inzet bepaald wordt door de ontwikkelde beleidsprioriteringscriteria en de mate waarin de betreffende stof voor Nederland zorgen oplevert, of hier geproduceerd of gebruikt wordt. Onderstaande tabel geeft aan wat de Nederlandse inbreng in 2018 is geweest bij deze producten van het Europese systeem, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen door Nederland ingebrachte dossiers en dossiers door andere lidstaten ingebracht waar Nederland veelal actief input op levert.

Tabel resultaten EU REACH in 2018
   

Geraamd 2018

Gerealiseerd 2018

   

NL inbreng

Hele EU

NL inbreng

Hele EU

1

Beoordelingen ontwerpbesluiten ECHA t.a.v. registratiedossiers en testvoorstellen van Europese bedrijven

120

420

92

294

2

Door Nederland uitgevoerde (en beoordeelde ontwerpbesluiten van) stofevaluaties

2 (30)

45

0 (14)

18

3a

Door Nederland gescreende stoffen

Circa 12

n.v.t.

21

n.v.t.

3b

Door Nederland ingediende en (becommentarieerde) RMO-analyses

5 (10)

n.v.t.

2 (7)

n.v.t.

4a

Door Nederland ingebrachte en (becommentarieerde) Annex XV dossiers t.a.v. zeer ernstige zorgstoffen

2 (15)

15

0 (14)

14

4b

Door Nederland gerapporteerde en (becommentarieerde) opinies over clusters van autorisatieverzoeken

1–2 (5–10)

5–10

2 (10)

13

5

Door Nederlandse RAC en SEAC leden gerapporteerde en (becommentarieerde) opinies over restrictiedossiers

2 (5–7)

5–7

1 (7)

7

6

Door Nederlandse ingebrachte en (becommentarieerde) voorstellen voor geharmoniseerde classificatie & labelling

6–11 (30)

50

9 (49)

67

7

Behandelde vragen door de REACH & CLP helpdesk

600

n.v.t.

619

n.v.t.

Bronnen: ECHA, Multi-Annual Work Programme 2014 -2018 Annexes Review 2015 https://echa.europa.eu/documents/10162/21678309/mb_17_2014_annexes_mawp_2014–2018_en.pdf/19349cc1–8dc8–4c1b-8576–764d93fa9ba1;

RIVM, Jaarverslag Bureau REACH 2019 (in wording).

Toelichting:

Het beoordelings- en besluitvormingstraject met betrekking tot de REACH-werkprocessen stofevaluatie, autorisatieverzoeken en restrictiedossiers beperkt zich veelal niet tot één kalenderjaar waarmee de daarmee samenhangende werklast over meerdere jaren wordt verspreid. De getallen betreffen door NL ingediende en becommentarieerde dossiers of door NL RAC- en SEAC-leden gedragen (co-)rapporteurschappen. De aantallen door Nederland becommentarieerde dossiers staan tussen haakjes. Bij het prioriteren wordt de nadruk gelegd op stoffen die relevant zijn voor de Nederlandse situatie.

Ad 1) ECHA legt voorafgaand aan elke vergadering van het lidstaatcomité batches met ontwerpbesluiten voor aan lidstaten. De ontwerpbesluiten hebben betrekking op compliance checks van, en testvoorstellen in registratiedossiers van Europese bedrijven. In 2018 zijn 92 van 294 ontwerpbesluiten geprioriteerd en bekeken. In totaal zijn 22 voorstellen voor aanpassing van ontwerpbesluiten bij ECHA ingediend.

Ad 2) De geplande stofevaluaties voor 2018 zijn uitgesteld in afwachting op aanvullende data, waarmee er geen stofevaluaties zijn uitgevoerd. Na de stofevaluatie volgt een besluitvormingstraject en, in fase follow-up van de eerdere stofevaluaties. Aan 8 van de 16 van de Nederlandse stofevaluaties is follow-up gegeven, waarbij één dossier volledig is afgerond met een conclusiedocument. In 2018 zijn voor 18 stofevaluaties (waarvan één door Nederland uitgevoerd) ontwerpbesluiten van ECHA ontvangen, waarvan er 14 door Nederland geprioriteerd. Voor acht zijn voorstellen voor aanpassing ingediend.

Ad 3a) In deze rij is het screeningswerk verwerkt om tot de selectie te komen voor de kandidaten voor stofevaluatie, geharmoniseerde classificatie en labelling (CLH) en zeer zorgwekkende stoffen (SVHC) in de komende jaren. In 2018 zijn drie stofgroepen van respectievelijk 15, vier en twee stoffen uitvoerig gescreend om daarmee vast te stellen of de initiële zorg voldoende aanleiding biedt voor het opstellen van een Risk Management Option Analyse.

Ad 3b) Nederland heeft in 2018 twee RMO-analyses afgerond waarin conclusies worden getrokken over welke vervolgacties nodig zijn voor adequate beheersing van risico’s. Dit is minder dan geraamd, wel wordt er nog aan 15 RMO-analyses gewerkt. Er zijn zeven RMO-analyses van andere lidstaten becommentarieerd.

Ad 4a) Nederland heeft geen SVHC-dossier ingediend, wel is er aan één dossier voor GenX gewerkt. Op alle 14 door andere lidstaten en ECHA ingediende dossiers voor zeer zorgwekkende stoffen is input geleverd. De Kandidaatslijst telt per 1 januari 2019 191 SVHC.

Ad 4b) De Nederlandse RAC/SEAC-leden zijn twee (co-)rapporteurschappen aangegaan voor twee stoffen. Voor één stof betrof het een cluster van twee autorisatieverzoeken. Daarnaast is op 10 van de in totaal 13 autorisatieverzoeken input geleverd.

Ad 5) Nederland heeft in 2018 één restrictiedossier voor rubbergranulaat ingediend (is niet in de tabel opgenomen). Het opstellen van een restrictiedossier is arbeidsintensief. Daarnaast heeft een SEAC lid voor één restrictiedossier een rapporteurschap vervuld. Op alle zeven nieuwe of lopende restrictiedossiers is in 2018 zowel voor het RAC als SEAC input geleverd.

Ad 6) In de tabel is het totale aantal door Nederlandse ingediende (9) en becommentarieerde CLH dossiers (49) opgenomen. Onder becommentariëring vallen zowel de reacties op publieke consultatie (12), reacties op ontwerp-opinies (49) van het RAC, als (co-)rapporteurschappen (11) van de Nederlandse RAC-leden. Reacties op publieke consultatie en ontwerp-opinie kunnen volgtijdelijk voor hetzelfde dossier ingediend worden. In totaal zijn in 2018 67 ontwerp-opinies besproken.

Ad 7) In 2018 heeft Bureau REACH 619 helpdeskvragen m.b.t. REACH en CLP beantwoord.

Asbestdaken

Het beleid is er op gericht dat alle asbestdaken verantwoord verwijderd zijn per eind 2024.

Het aantal vierkante meters asbestdak in Nederland is in 2012 ingeschat op 120 miljoen. Het Ministerie van IenW volgt de sanering van de asbestdaken en brengt per kwartaal in beeld hoeveel daken er zijn gesaneerd. In onderstaande tabel wordt op jaarbasis de stand van zaken in beeld gebracht. In de tabel is te zien dat er in 2018 meer is gesaneerd dan in de voorgaande jaren (12,8 miljoen vierkante meter). Hierdoor moet er vanaf 2019 nog 69,2 vierkante meters aan asbestdaken worden gesaneerd.

Sanering asbestdaken (aantallen in miljoenen m2 )
 

gesaneerd

resterend

2012

(–)

120

2013

4,5

115,5

2014

5,9

109,6

2015

6,9

102,7

2016

9,9

92,8

2017

10,8

82,0

2018

12,8

69,2

Bron: Startmeldingenbestand inspectie SZW

Besluit externe veiligheid transport (Bevt)

Voor het oplossen van knelpunten veroorzaakt door het Basisnet is een milde saneringsregeling gestart. Het aantal knelpunten is in 2014 gereduceerd van 42 naar 34 adressen (bestaande uit 23 woningen), omdat door extra veiligheidsmaatregelen aan de infrastructuur (snelheidsverlaging bij omrijdroute tunnel «de Noord») 8 woningen niet meer binnen de risicozone vallen.

In 2018 zijn er 5 woningen bijgekomen omdat uit inventarisatie gebleken is dat aanbouwen met woonfunctie in de risicozone liggen. Sinds de Aankoopregeling Basisnet zijn er tot nu toe 24 woningen in het bezit van het Rijk gekomen. Per 1 januari 2019 resteren nog 4 woningen waarvoor de regeling nog tot en met 2020 loopt (bron: RWS).

Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO’s)

Voor de uitvoering van de GGO-regelgeving worden niet alleen kengetallen vermeld maar ook indicatoren. Immers, kengetallen geven uitsluitend een beeld van wat de bestede middelen voor vergunningverlening aan resultaten hebben opgeleverd, maar zij bieden geen inzicht in de mate waarin vergunningverlening aan het te bereiken van het beleidsdoel heeft bijgedragen.

De vigerende GGO-regelgeving is op 1 maart 2015 in werking getreden47. Naast vergunningen en algemene regels, kunnen ook kennisgevingen worden gedaan en verzoeken ingevolge art. 2.8 van het Besluit ggo milieubeheer 2013 worden ingediend ten aanzien van de veiligheidsinschaling van ggo’s.

De realisatie in 2018 luidt als volgt:

2018

Kengetal

Indicator

Ingeperkt gebruik:

   

Aanvragen vergunningen1

46

100%

Kennisgevingen2

422

100%

Verzoeken ex art. 2.8 Besluit ggo

165

100%

Introductie in het milieu, landbouw (inclusief marktaanvragen)

0

100%

Introductie in het milieu, medisch, veterinair

20

100%

Totaal

653

n.v.t.

Bron: RIVM, bureau Genetisch Gemodificeerde Organismen.

1

Het betreft vergunningaanvragen op niveau II-v en III inclusief wijzigingen op de respectievelijke niveaus

2

Het betreft kennisgevingen op niveau I en II-k

Kengetallen zijn de aantallen ontvangen vergunningaanvragen, aanvragen voor wijziging van vergunningen, kennisgevingen, wijzigingen op kennisgevingen en art. 2.8-verzoeken.

Indicatoren zijn het percentage van het aantal vergunningaanvragen, kennisgevingen of art. 2.8 verzoeken voor handelingen waarbij het risico voor mens en milieu gelijk of lager is dan een verwaarloosbaar risico.

Majeure risicobedrijven

Op 9 juli 2018 is de Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven van 2017 aan de Kamer gezonden (Kamerstukken II 2017–2018 26 956, nr. 211). Dit is de vijfde jaarlijkse rapportage over de veiligheidssituatie bij BRZO-bedrijven in Nederland (Bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen). Algemene conclusie van de Staat van de Veiligheid 2017 is dat de Brzo-toezichthouders in hun rapportage over 2017 (net als over 2016 (Kamerstukken II 2016–2017 26 956, nr. 210)) geen melding maken van een situatie bij een BRZO bedrijf waar sprake is van een langdurig onbeheerste veiligheidssituatie met verhoogd risico voor werknemers en de omgeving.

Beleidsconclusies

In 2018 heeft de beleidsdoorlichting van artikel 22 plaats gevonden. Het eindresultaat is, met kabinetsreactie, in december 2018 aan de Tweede Kamer toegezonden (Kamerstukken II 2018–2019 32 861, nr. 42). De beleidsdoorlichting ziet op de periode 2011–2017, en geeft derhalve indirect ook enig beeld van het in 2018 doorgetrokken beleid. De hoofdconclusie van de beleidsdoorlichting is dat het beleid onder artikel 22 in zijn algemeenheid doeltreffend en doelmatig is, en bijdraagt aan de doelstelling van het begrotingsartikel.

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren in 2018 conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot neerwaartse bijstelling aan het licht gekomen. Onderstaand is per beleidsterrein aangegeven welke activiteiten in 2018 hebben plaatsgevonden.

Het actieprogramma «Programmatische aanpak asbestdaken» is in 2018 uitgevoerd (Kamerstukken II 2017–2018 25 834, nr. 148). Het wetsvoorstel, op basis waarvan het verbod op asbestdaken in de vorm van een Algemene Maatregel van Bestuur mogelijk wordt gemaakt, is op 16 oktober 2018 door de Tweede Kamer aangenomen. De Subsidieregeling verwijderen asbestdaken heeft het beoogde resultaat bereikt, namelijk de versnelling van het saneren van asbestdaken. Eind 2018 waren er zoveel aanvragen ingediend dat het totaal beschikbare bedrag van € 75 miljoen werd bereikt. Conform de motie Von Martels en Ziengs (Kamerstukken II 2018–2019 34 675, nr. 23) is in 2018 toegezegd een landelijk asbestfonds te onderzoeken voor eigenaren van asbestdaken die sanering van het dak niet kunnen financieren.

Nederland werkt in de EU aan een gezamenlijke aanpak van gevaarlijke stoffen, gericht op versnelling en completering van het stoffenbeleid. In 2018 is de derde en laatste deadline voor registratie van stoffen onder REACH verstreken. Dat betekent dat er voor alle stoffen die in een hoeveelheid van meer dan 1 ton per jaar op de Europese markt worden gebracht de registratiedossiers zijn ingediend bij het Europese Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA). De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 19 november 2018 (Kamerstukken II 2018–2019 28 089, nr. 95 (met name de bijlage)). Hiermee wordt een enorme slag afgerond die in 2008 is gestart: er zijn in die periode van tien jaar voor ruim 21.500 stoffen registratiedossiers ingediend, die het voor allen in de keten mogelijk maken over de noodzakelijke stofinformatie te beschikken. De conclusie dat de aandacht nu gericht zal moeten worden op de kwaliteit van de registratiedossiers is de Kamer bij eerdergenoemde brief van 14 mei 2018 gemeld. Nederland heeft daarnaast in 2018 samen met stakeholders in de EU een voorstel voor een onderzoek agenda ontwikkeld (de zgn. Safe Chemicals Innovation Agenda) gericht op ontwikkeling van producten en materialen waarin schadelijke stoffen niet langer nodig zijn (Kamerstukken II 2017–2018 28 089, nr. 88 en Kamerstukken II 2018–2019 28 089, nr. 95). Dit beoogt het concept «safe by design» op stoffenterrein te helpen concretiseren.

Het nationale beleid richtte zich in 2018 op het beter beheersen van emissies van (zeer) zorgwekkende stoffen. In 2018 lag het accent op het ondersteunen van de decentrale bevoegde gezagen bij het invulling geven aan het streven emissies minimaal houden. Dat heeft geresulteerd in de start van een Kennisnetwerk Zeer zorgwekkende Stoffen en in een Navigator Zeer zorgwekkende Stoffen (Kamerstukken II 2017–2018 28 089, nr. 88). Dat laatste instrument geeft aan welke zorgwekkende stoffen voor kunnen komen bij specifieke bedrijfstakken, zodat hier bij de beoordeling van een vergunningaanvraag rekening mee kan worden gehouden. In dit kader is ook de lijst potentiële zeer zorgwekkende stoffen tot stand gebracht en geactualiseerd (Kamerstukken II 2017–2018 28 089, nr. 67 en Kamerstukken II 2018–2019 28 089, nr. 95). Met behulp van deze lijst zijn de bevoegde gezagen beter in staat te focussen op díe stoffen, die (nog) niet binnen de categorie «zeer zorgwekkend vallen», waar de wetenschap aandacht voor vraagt.

In het met de andere overheden uit te voeren programma Impuls Omgevingsveiligheid (IOV) zijn in 2018 belangrijke stappen gezet om ervoor te zorgen dat organisaties en instrumenten klaar zijn voor inwerkingtreden van de Omgevingswet. Het gaat dan onder meer om het afronden van een geactualiseerde Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) in een PGS Nieuwe Stijl.

Vanuit het programma IOV is in 2018 verder gewerkt aan de alternatieve invulling van het groepsrisico met aandachtsgebieden. Dit nieuwe instrument is in de Omgevingswet opgenomen. De aandachtsgebieden maken het mogelijk om al in het begin van het ontwerpproces rekening te houden met een kleine kans op brand, explosie of toxische wolk bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. In 2018 is samen met bevoegd gezag/OD gestart met het bepalen van de aandachtsgebieden van Seveso-bedrijven (70 van de circa 400 bedrijven).

Om de omgeving van risicobronnen te informeren over de aandachtsgebieden is een toolkit risicocommunicatie ontwikkeld ter bevordering van de zelfredzaamheid voor het bevoegd gezag en Veiligheidsregio. Ook heeft 2018 in het teken gestaan van de kennisdeling en zachte landing van het nieuwe MOV-beleid. Om de integrale, brede samenwerking onder de aandacht te brengen bij de verschillende adviseurs van bevoegd gezag maar ook het bedrijfsleven zijn workshops gegeven gericht op de veranderende rol van advisering en samenwerking. Aan de hand van pilots is dit voor de risicogebieden getoetst in de praktijk.

In 2018 zijn onder de subsidieregeling Versterking Omgevingsveiligheid BRZO-sector twaalf Safety Deals ingediend en vier gehonoreerd. De beoordeling van de laatste acht aanvragen wordt in 2019 voltooid. Het bedrijfsleven heeft definitief de weg naar de regeling gevonden. Het programma Duurzame Veiligheid 2030 en de regeling sluiten goed aan en versterken elkaar. Zowel in het programma als in de regeling ligt de nadruk op samenwerking tussen bedrijven, die daardoor steeds meer vorm krijgt.

Het (Europese) beleid ten aanzien van risico’s van nieuwe technologieën, bijvoorbeeld op het vlak van nanotechnologie en biotechnologie, is zoals aangekondigd, verder ontwikkeld. Daarbij zijn naast het actueel houden van en uitvoering geven aan de vigerende wet- en regelgeving, aanvullende acties ondernomen om voorbereid te zijn op nieuwe ontwikkelingen. In 2018 is in dit kader volgens planning het eindrapport Bewust Omgaan met Veiligheid opgeleverd en aan de Kamer aangeboden.50 In vervolg hierop is een «beleidsaanpak nieuwe risico’s» ontwikkeld, waarin het concept Safe-by-Design centraal staat (Kamerstukken II 2018–2019 28 089, nr. 95 (pagina 5)).

Specifiek voor risico’s van nanomaterialen is in 2018, onder coördinatie van IenW, het project NanoReg/Prosafe succesvol afgerond met een internationale beleidsconferentie. In vervolg hierop is het EU-project GOV4nano), onder coördinatie van het RIVM, met IenW als partner, ontwikkeld en vervolgens gehonoreerd door de Europese Commissie. Dit 4-jarige project start op 1 januari 2019. In beide projecten vormt de verdere ontwikkeling van Safe-by-design een belangrijk onderdeel, mede dankzij de inbreng vanuit Nederland. Op EU-niveau zijn, met stevige inbreng vanuit Nederland, in de stoffenverordening REACH de informatievereisten voor nanomaterialen vastgelegd. Dit is een belangrijke stap in het wettelijk reguleren van nanomaterialen.

Voor biotechnologie is in 2018 invulling gegeven aan de acties die in de Kabinetsreactie Trendanalyse Biotechnologie(Kamerstukken II 2016–2017 27 428, nr. 335) zijn aangekondigd. De inzet daarbij is gericht op:

  • Europese agendering van de impasse ten aanzien van nieuwe plantveredelingstechnieken.

  • Europese agendering van de noodzaak tot beleidsmodernisering.

  • Stakeholders zijn betrokken bij het versterken van het veiligheidsdenken (Safe-by-Design).

Met stakeholders is een dialoog gevoerd over de wenselijke en mogelijke beleidskoers van gemoderniseerd beleid over veiligheid van biotechnologie, waarbij maatschappelijke waarden beter betrokken worden bij de afweging van nut en risico’s van specifieke biotechnologische toepassingen51.

Ook is een begin gemaakt met het agenderen van de noodzaak om in EU-kader de Europese ggo-regelgeving aan te passen teneinde die veiligheid te waarborgen. De Tweede Kamer zal daarover in het voorjaar van 2019 een voortgangsbericht ontvangen.

Op 28 mei 2018 heeft de Staatssecretaris een overeenkomst (Safety Deal) met AkzoNobel gesloten om per 2021 de incidentele chloortransporten te beëindigen (Kamerstukken II 2017–2018 28 089, nr. 88). Dit vanuit de gedachte dat transport van gevaarlijke stoffen overbodig is als de productie van die gevaarlijke stof op de gebruikslocatie plaatsvindt. Met deze overeenkomst wordt een driedubbele slag bereikt, namelijk:

  • het beëindigen van de incidentele chloortransporten,

  • het fysiek wegnemen van de laad- en losinstallatie voor chloor,

  • het aanpassen van de opslag van chloor gericht op het aanzienlijk reduceren van de maximale effectafstanden.

De investeringen die verband houden met het beëindigen van de incidentele chloortransporten dragen tevens bij aan de leveringszekerheid ten behoeve van de afnemers en verwerkers van chloor in het Botlekgebied.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van budgettaire gevolgen van beleid artikel 22 Omgevingsveiligheid en milieurisico’s (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

 

Verplichtingen

15.965

30.217

55.234

38.226

43.695

28.439

15.256

1

Uitgaven

18.549

25.225

34.663

45.430

50.160

34.937

15.223

 

22.01 Veiligheid chemische stoffen

6.784

11.802

6.742

5.867

7.752

7.115

637

 

22.01.01 Opdrachten

5.313

3.576

3.976

3.384

3.757

4.999

– 1.242

2

22.01.02 Subsidies

370

5.646

1.436

537

1.654

175

1.479

3

– NANoREG

270

5.266

1.100

51

1.382

0

1.382

 

– Overige Subsidies

100

380

336

486

272

175

97

 

22.01.03 Bijdragen aan agentschappen

1.101

2.580

1.330

1.946

2.341

1.941

400

 

– Waarvan bijdrage aan RWS

1.101

2.580

1.330

1.946

2.341

1.941

400

 

22.02 Veiligheid biotechnologie

509

1.516

1.621

2.952

3.285

3.000

285

 

22.02.01 Opdrachten

509

1.516

1.621

2.952

3.285

3.000

285

 

22.03 Veiligheid bedrijven en transport

11.256

11.907

26.300

36.611

39.123

24.822

14.301

 

22.03.01 Opdrachten

4.030

3.422

3.448

3.805

4.996

4.655

341

 

– Omgevingsveiligheid

506

799

868

1.305

0

0

0

 

– Uitvoering Veiligheid inrichtingen en basisnetten

272

362

345

0

0

0

0

 

– Overige Opdrachten

3.252

2.261

2.235

2.500

4.996

4.655

341

 

22.03.02 Subsidies

3.506

3.479

17.173

27.298

29.119

15.372

13.747

4

– Asbest en Safety deals

0

0

15.196

26.347

25.000

12.591

12.409

 

– Overige Subsidies

0

0

1.977

951

4.119

2.781

1.338

 

22.03.03 Bijdragen aan agentschappen

3.085

4.059

2.629

1.896

2.002

1.749

253

 

– Waarvan bijdrage aan RWS

3.085

4.059

2.629

1.896

2.002

1.749

253

 

22.03.04 Bijdragen aan medeoverheden

635

75

60

0

100

0

100

 

– Bijdrage programma externe veiligheid

635

75

60

0

100

0

100

 

22.03.09 Inkomensoverdrachten

0

872

2.990

3.612

2.906

3.046

– 140

 

Ontvangsten

1.543

11.607

272

726

3.007

250

2.757

5

Financiële Toelichting

Onderstaand wordt op het niveau van financieel instrument een toelichting gegeven op de verschillen (de mutaties) tussen de begroting en de realisatie, zie voor de gehanteerde norm de toelichting «normering jaarverslag» zoals opgenomen in de leeswijzer.

  • In het kader van de 1e suppletoire en 2e suppletoire begroting 2018 is het verplichtingenbudget verhoogd onder andere ten behoeve van de ophoging van het budget Subsidieregeling verwijderen asbestdaken en het convenant beëindiging chloortransporten over het spoor met AKZO Nobel en verlaagd o.a. ten behoeve van overhevelingen naar andere departementen o.a. naar het Ministerie van LNV voor de kosten Ctgb 2018 en naar andere artikelen binnen begrotingshoofdstuk XII in verband met onder meer bijdrage kosten NEN die op artikel 21 worden verantwoord. Per saldo is hiermee het verplichtingenbudget 2018 op € 43,7 miljoen uitgekomen.

  • De lagere kasrealisatie van € 1,2 miljoen komt door vertraging in de uitvoering bij RWS (€ 0,35 miljoen) en door vertraging bij diverse kleine opdrachten van in totaal € 0,7 miljoen. Tevens komt de verlaging van de kasrealisatie door overhevelingen naar andere departementen en herschikking van middelen binnen en buiten artikel 22 (€ 0,5 miljoen).

  • De hogere kasrealisatie van 1,5 miljoen komt door een bijdrage van de Europese Commissie van € 1,5 miljoen voor de uitvoering van de EU-programma’s Prosafe en NaNoReg. Dit bedrag is aan het RIVM verstrekt.

  • De hogere kasrealisatie van € 13,7 miljoen komt door hogere uitgaven in verband met de subsidieregeling verwijderen asbestdaken (€ 12,4 miljoen) en door het afsluiten van het convenant met Akzo Nobel ter beëindiging van chloortransporten over het spoor (€ 1,3 miljoen).

  • De hogere realisatie van de ontvangsten van € 2,8 miljoen hebben betrekking op de afrekening van de uitvoering TNS-regeling 2017 door SVB (€ 1,0 miljoen) en de bijdrage die de Europese Commissie heeft verstrekt voor de afronding van de EU-programma’s Prosafe en NanoReg (€ 1,8 miljoen).

22.01 Veiligheid chemische stoffen

Toelichting op de financiële instrumenten

22.01.01 Opdrachten

De opdrachten die in 2018 zijn verstrekt en betaald betreffen uitgaven in het kader van de atlas leefomgeving, het programmabureau versnellingsaanpak asbestdaken, de uitvoering van de EU-regelgeving ten aanzien van zeer zorgwekkende stoffen in relatie tot andere overheden (vergunningverlening) en de kosten die RWS heeft gemaakt voor de ontwikkeling en het beheer van het Landelijks Asbestvolgsysteem.

22.01.02 Subsidies

NaNoreg en Prosafe

Voor de uitvoering van de EU-programma’s Prosafe en NaNoReg ontvangt het Ministerie van IenW een bijdrage van de Europese Commissie. Met deze bijdrage worden de kosten die het RIVM maakt voor de uitvoering van beide programma’s gefinancierd. Beide programma’s zijn in 2018 afgerond.

Overige subsidies

Daarnaast zijn in 2018 subsidie uitgaven gedaan aan GGD GHOR Nederland voor het beschikbaar stellen van capaciteit voor de implementatie van het meewegen van gezondheid in de lokale instrumenten van de Omgevingswet. Gedurende 3 jaar (periode 2018–2020) krijgt de GGD in totaal € 0,3 miljoen uitgekeerd, waarvan € 0,15 miljoen in 2018 is uitgekeerd. Ook is er aan Kennisplatform Elektromagnetische Velden een subsidie uitgekeerd ter hoogte van € 0,1 miljoen.

22.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Rijkswaterstaat voert in opdracht van IenW werkzaamheden uit in het kader van de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op het beleidsonderwerp «asbest». Daarnaast is veel inzet geleverd voor de implementatie en verdere ontwikkeling van het Landelijk Asbestvolgsysteem. Ten laste van dit artikelonderdeel komen de kosten voor de capaciteitsinzet van Rijkswaterstaat. De overige kosten van RWS worden verantwoord bij de opdrachtenbudgetten.

22.02 Veiligheid biotechnologie
22.02.01 Opdrachten

Vergunningen voor werkzaamheden met Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO’s) worden verleend indien het risico van die werkzaamheden voor mens en milieu verwaarloosbaar klein is. Ter uitvoering van deze wettelijke taak is in 2018 een opdracht verstrekt aan de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) ten behoeve de vergunningverlening, het maken van beoordelingen inzake risico’s verbonden aan werkzaamheden aan GGO’s en het adviseren over maatregelen risicobeheersing en monitoring die bij het uitvoeren van werkzaamheden met GGO’s kunnen worden toegepast (€ 1,5 miljoen).

Daarnaast is in 2018 een bedrag van € 1,5 miljoen aan NWO ten behoeve van de uitvoering van het meerjarig onderzoeksprogramma Modernisering Biotechnologie betaald en € 0,3 miljoen voor diverse opdrachten die verband houden met veiligheid biotechnologie.

22.03 Veiligheid bedrijven en transport
22.03.01 Opdrachten

De middelen zijn ingezet voor verschillende opdrachten zoals Programma Duurzame Veiligheid 2030, het vuurwerkbeleid en de -voorlichtingscampagne Vuurwerk, het beheer van standaarden voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, Modernisering Omgevingsveiligheid en modellenbeheer buisleidingen (Bevb). Daarnaast zijn vanuit dit onderdeel gefinancierd de kosten die RWS heeft gemaakt voor onder andere het Bureau BRZO+.

22.03.02 Subsidies

De subsidie uitgaven in 2018 betreffen:

Subsidieregeling verwijderen asbestdaken: € 25 miljoen

In de Staatscourant is gepubliceerd dat voor deze regeling in 2018 € 25 miljoen beschikbaar was. Bij 1e suppletoire begroting 2018 is hiertoe het bedrag van de ontwerpbegroting met € 11,7 miljoen verhoogd en bij 2e suppletoire begroting met € 0,8 miljoen. Hiermee is het beschikbare budget op € 25 miljoen uitgekomen. RVO heeft in 2018 tot dit budget subsidies uitgekeerd en met IenW verrekend.

Subsidieregeling versterken omgevingsveiligheid chemische sector: € 1,0 miljoen

In 2018 heeft RVO voor in totaal € 1,0 miljoen aan subsidies uitgekeerd en verrekend met IenW.

Convenant beëindiging chloortransporten per spoor: € 2,6 miljoen

Op 28 mei 2018 is met AkzoNobel een convenant gesloten met als doel chloortransporten per spoor van en naar de locatie van AkzoNobel in het Botlekgebied te Rotterdam permanent te doen beëindigen (Stcrt. 2018, nr. 65113). De Staatssecretaris van IenW heeft met het convenant zich verplicht om de onevenredige lasten die op AkzoNobel rusten in verband met het permanent beëindigen van het chloortansport te compenseren. Als uitvloeisel hiervan is in 2018 € 2,6 miljoen aan AkzoNobel uitgekeerd.

Daarnaast zijn er diverse subsidie uitgaven gedaan voor Veiligheid.nl, IPO, VNO/NCW, VOTOB en Openbaar Lichaam Bonaire ter hoogte van in totaal € 0,5 miljoen.

22.03.03 Bijdrage aan agentschappen

Rijkswaterstaat voert in opdracht van IenW werkzaamheden uit in het kader van de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op de beleidsonderwerpen «kennisoverdracht externe veiligheid» en «vergunningverlening (activiteitenbesluit)». Daarnaast worden hier de uitgaven verantwoord voor werkzaamheden van de Dienst Verkeer en Scheepvaart van RWS in het kader van basisnet, vervoer gevaarlijke stoffen en de vergunningverlening voor de olieterminals in Caribisch Nederland.

22.03.04 Bijdragen aan medeoverheden

In 2018 is aan Bonaire een bijdrage van € 0,2 miljoen voor de opslag van vuurwerk verleend, hiervan is in 2018 € 0,1 miljoen uitgekeerd. Bij 2e suppletoire begroting 2018 is voor deze toekenning binnen het artikel budget vrijgemaakt.

22.03.09 Inkomensoverdracht

De inkomensoverdrachten hebben betrekking op de uitgaven in het kader van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienst gerelateerde slachtoffers van mesothelioom (TNS). In 2018 is voor een totaal van € 2,5 miljoen aan voorschotten aan de Sociale VerzekeringsBank (SVB) betaald. Met deze voorschotten is de SVB in staat om de gehonoreerde uitkeringen te betalen. In 2019 worden de voorschotten met de werkelijke uitkeringen 2018 verantwoord. Daarnaast zijn ten laste van dit onderdeel de uitvoeringskosten van de SVB (€ 0,4 miljoen) betaald.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 18.06 Externe veiligheid (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.06 Externe veiligheid van het Infrastructuurfonds

1.729

Andere ontvangsten van artikel 18.06 Externe veiligheid

 

Totale uitgaven op artikel 18.06 Externe veiligheid

1.729

waarvan

   

18.06

Externe veiligheid

1.729

Licence